Eene zoogmoeder

Eene zoogmoederHet is stil in het vertrek waar wij onzen lezer binnenvoeren.Stil! zeer stil!Alleen het eentonig getik der fraaie pendule die, in het midden van twee bronzen engeltjes, op den schoorsteenmantel prijkt, breekt die stilte af, of, doet haar des te sterker uitkomen.Een zwaarlijvige vrouw met een goedig gelaat, zit op den achtergrond in diep gepeins..... Zóó diep, dat ze er geheel in verloren is. Naast haar staat een voorwerp dat aan “’t begin” doet denken, een meubel, dat met een kleed werd omhangen, waarvan de kleur die der hope is; een meubel, ’t welk op de koontjes der verloofde maagd niet zelden een blosje te voorschijn roept en den jongen man het hart met hoop voor de toekomst vervult; een meubel, dat voor de eerste maal in zoo’n stille rustige kamer geplaatst, doet lachen en roemen, en voor de.... maal1daarbinnen gebracht—er zijn uitzonderingen—doet voorhoofdrimpelen en grommen.Bij die zwaarlijvige vrouw staat een meubel, waaraan men van buiten heel wat geweld pleegt; dat meestal ontzettend gesleurd en ijselijk getrapt wordt om het inwendige tot rust te brengen; een meubel, ’t welk die zwaarlijvige gaarne, al ware het ook voor de twintigste maal, weder gevuld ziet; gevuld, omdat die vulling in een ongewoon nauw verband staat met de gevuldheid van haar tamelijk grooten knipbuidel; terwijl het ten laatste gevoeglijk de tweelingzuster der braadkindermachine mag genoemd worden, die men in de wandeling: een vuurmand noemt.Ja, wij bevinden ons binnen een kraamkamer, die met de grootste zorg werd ingericht.Sla den blik in ’t ronde; hoe fraai, hoe gemakkelijk is er alles.De zwaarlijvige zelve ligt in een prachtigenVoltaire! Zie, hoe alles wat zich binnen dat vertrek bevindt een eigenaardig—wij zouden haast zeggen: een kraamkamerachtig karakter heeft, totzelfs het porseleinen transparantplaatje, dat het licht der vlammende waspit moet temperen: Zij geeft het beeld van een biddend kindje, en lees wat daaronder staat:Lieber Gott! mach mich doch fromm,Dass ich in den Himmel komm.Stil! de kleine slaapt, de teedere jongen die den eersten levenskreet liet hooren, toen de wijzers van het uurwerk de laatste maal nagenoeg in dezelfde richting stonden als ze nu staan. Hij rust.... ja, degelijk rust hij na de gevaarlijke kunstbewerkingen, die de zwaarlijvige hem deed ondergaan; hij rust, en gelukkig! want hoe jong hij ook zij, reeds moest hij ondervinden dat er in ’t leven veel droevigs is.Daar zijn luiers, spelden, vuurmanden. Zij knellen,prikken, branden?Stil! ook de dikke slaapt, en ze droomt dat ze een vorstentelg bakert; en droomende glimlacht ze, en, droomende scheukt ze de schouderbladen.Stil! daar links staat het groote ledikant. Ook zij, die den eersten levenskreet van haar lieveling vernam—zij slaapt.Wilt ge die zware gordijn ter zijde schuiven om de gelukkige slapende te beschouwen; wenscht ge haar schoon, maar bleek gelaat te zien, waarop de glimlach van innigen dank staat te lezen....?Wilt ge....? Doch neen, laat af! Hoor.... daar klinkt een voetstap op het portaal. De deur wordt geopend; de jonge vader treedt het vertrek binnen. Wat ziet hij bleek! Hoe dof staan zijn oogen! Hij nadert het wiegje van zijn eerstgeborene; het kleed wordt opengeslagen; het wichtje slaapt, en toch—toch vat hij het in zijn armen; hij kust het, en kust het weder. Een pijnlijk kreetje ontsnapt den mond van den kleine—liefde geeft dikwerf pijn.—Eensklaps sluit hij het kind aan zijne borst; werpt een dekkleed over het teedere schepsel, en—snelt met zijn schat ter deure uit.Waarheen?Ziet gij de deur aan gene zijde van het portaal? Hij gaat die kamer binnen; ook dáár staat een ledikant; maar, de gordijnen zijn geheel ter zijde geschoven.Wat is dat? Wie ligt daar?Slaapt de gelukkige moeder niet in de kamer waar wij het eerst binnentraden; achter die gordijnen, met den glimlach van dank op het schoone gelaat?Leeft zij niet nabij het leven van haar leven, ’t welk zij verder met het hare zal voeden? Trok zij zich om zwakheid terug, wijl de kinderkreten haar ’t zwakke hoofd vermoeien?Ligt ze dáár de jonge moeder, en slaapt ze?Ja—ja, ze slaapt. Maar ziehoede echtvriend met den zoon. met zijn Willem in de armen, haar nadert. Hij vreest niet haar slaap te zullen storen; hoor, hij jammert luide: “O God! O God!”Zie, hij steekt het kind der slapende toe, en drukt de kinderlippen tegen de wang der moeder. Ach, zóó had hij den kleinewel graag aan haar vollen boezem gedrukt; maar ook het jongske voelt dat het “zijn hemel” niet is waartegen de vader hem legt; een kreet ontsnapt er aan zijne lipjes. Zij ligt er zoo stijf, zij ligt er zoo koud die schoone en jeugdige moeder; en hij, de verlaten echtgenoot, hij brengt het kind, waarvan ze met wellust spraken, waarvan ze in ’t vooruitzicht zooveel weelde hadden, naar ’t wiegje terug om straks tot de gestorvene weder te keeren, want, helaas, achter die zware gordijnen in hetkraamvertrek, dáár slaapt de zalige moeder niet.Houdt ge niet van die tafereeltjes, waar zoo van akeligheden en dood in voorkomt; houdt ge niet van die kraamkamers waar de eerste vedel in ’t orkest van huwelijksheil ontbreekt? Kunt ge een traan niet weerhouden omdat gij óók wel eens zulk een kamer hebt betreden, waarin ’t geween den vreugdekreet te ras verstommen deed? Houdt ge niet van die kraamvertrekken waarin zich alles bevindt wat daar gewenscht kan worden, behalve zij, die ’t kindje liefhad vóórdat ze ’t zag, en voor ’t pandje waakte eer ze ’t aan den boezem kon drukken....? Misschien, omdat ge óók een zuster of vriendin hebt liefgehad, die leven voor leven ruilde; wier graf ge nog somwijlen bezoekt met het kind dat háár nooit kende? Man en vader! leest ge er niet gaarne van, omdat de herinnering aan dien donkeren levensdag u ’t harte opnieuw met weemoed vervult? O! wanneer een goede geest uw leven dooraâmt en willig in ’t lijden berusten doet, dan, ja, dán treedt ge toch nog wel gaarne met ons een kleinere woning binnen, waar de hangklok—aan beide kanten met een fraaie pauweveer versierd—aan den wand tikt. Gij volgt ons gaarne, en ziet er—de teenen wieg, waarin de bonte prop met het vuurroode kopje ligt, terwijl de man bij den zeer hoogen steenen vuurmand gezeten—die van boven met spek en ham gevuld is—de roode en witte luiers keert, nu eens den jongen, den “lekkeren apekop,” met een “Goddank!” beschouwende, terwijl hij dan weder den appel, die in den heeten gloed pruttelt, wendt, om er moeder de vrouw, als ze wakker wordt, eens even van te laten proeven.Zie, daar komt beweging in de teenen wieg; twee ronde knuistjes werken naar boven; de man bespeurt het: plaatst terstond den voet op de wiegetree, en doet al zijn best om den kleine in slaap te houden, want: “Geertje is nog slap, en rust is haar noodig.”Maar neen, de prop met het roode kopje leeft, en wil leven. Hoor, ’t gekraai klinkt door het kleine vertrek. Zie, ook in de bedstede dáár in dien hoek, roert zich de slapende. “Heija! heisa! suja, suja, deine!” zingt Peter zacht, terwijl hij de slaapplaats van ’t jongske zoo snel mogelijk doet heen en weder gaan. ’t Baat niet; ’t gekraai wordt schreeuwen. Geertje blikt naar de wieg; roept haar echtvriend toe: “Kom, Peter, geef ’t ventje maar hier!” en Peter zegt: “Nou, mopske! er uut maar!” en ’t levende rolletje tilt hij omhoog; drukt het roode hoofdje tegen zijn gebruinde wang; legt het daarna in den arm der moeder, en terwijl Peter zich zijdelings op den bedsteerand nederzet, mokkelt Geertje haar krijtend jongske en—als Peter op Geertje en Franske nederziet, en later naar de bedstee-zoldering blikt met een innig “Goddank!” dan pruttelt en sist de appel sterker; dan tikt de hangklok als altijd, en, klokt het tevens in de bedstee. ’t Jongske klokt aan de moederborst, Peter wrijft zich de handen. ’t Is leven in dat kraamvertrek; alles geluk en leven!Weinige dagen nadat wij de beide kraamvertrekken bezochten, trad de jonge moeder, Geertje Willems, haar woning uit.’t Was buiten warm, en bovendien had Geertje zich zoo toegestopt dat ze met gerustheid de wandeling kon maken waartoe ze werd uitgenoodigd. Al verzelde Peter haar niet, omdat zijn bezigheden hem op het veld riepen, toch was Geertje niet alleen, want, ze droeg den kleinen springer op haar arm, ’t kind waarvan zij,zij-zelve, en voor de eerste maal—moeder was.Moeder Geertje had er weinig voldoening van dat ze reeds den zevenden dag na de groote gebeurtenis, met haar zoontje op den arm door ’t dorp liep, want zij ontmoette er niet één bekende, en de molenaar, die haar even buiten het dorp voorbijreed, riep simpel: “Dag vrouw Willems!”—Heere m’n tijd! alsof er niets bijzonders gebeurd ware! alsof hij niet eens wist dat ze een jongen had, en hij ’t lieve kind, dat ze onder den doek droeg, voor een roggebrood hield!Intusschen vervolgde Geertje haar weg,enhield eindelijk voor het geopende hek van een buitenplaats stil, op welks posten “Land-heil” te lezen stond.—Hier is ’t, dacht Geertje, en het hek binnentredende liep ze op de huisdeur toe, en schelde.Na verscheidene minuten te hebben gewacht, werd de deur eindelijk geopend door een knecht, die vrouw Geertje vraagde, wat zij verlangde, er bijvoegende: “’k Dacht dat je de ezelin waart, en daarom heb je wat langer gestaan.”“De dokter heeft mij gezonden,” antwoordde Geertje: “Ik heet vrouw Willems, en zou den jongenheer.... u weet wel.”“Ha! zoo!” zei de knecht, terwijl hij met zijn linkeroog knipte: “dan sloeg ik den bal toch zoo geheel niet mis. Wil je maar binnen komen? Zóó, ’k zal ’t aan de baker en mijnheer zeggen.”Hij zal het aan de baker en aan mijnheer zeggen!’t Zal dus hier de woning zijn....Ja wel, ’t is hier de woning, waarin God een kind gaf, doch waaruit Hij de moeder tot zich nam.Zie buiten voor de huisdeur zult gij nog de sporen van verscheidene rijtuigen ontdekken, die weinige dagen geleden om het gazon reden. ’t Is moeielijk te onderscheiden, maar toch, één diersporen liet het groote zwarte rijtuig na, dat uit de naburige stad reeds vroegtijdig naar het dorp werd gezonden; het vreemde rijtuig, dat veel bekijks had, en waarvan de voerman—volgens de verklaring van eenige boerenjongens—er uit had gezien alsof hij de duivel in eigen persoon was; het zwarte rijtuig, dat een gade had weggevoerd uit de armen van een haar aanbiddenden echtgenoot: weg van het teedere pandje, dat ze aan de zorg van andere vrouwen moest achterlaten; weg van de plaats waar ze een kortstondig “land-heil” smaakte, om reeds in jeugdigen leeftijd, een oord van hooger en eeuwig heil binnen te gaan.En weinige oogenblikken nadat Geertje den drempel der rijke woning betrad, bevond zij zich reeds binnen de kraamkamer. De zwaarlijvige vrouw knikte haar vriendelijk toe en gaf haar een stoel. Een heer die zeer bleek zag, zeide: “Dag, vrouwtje!” en keek toen plotseling naar een anderen kant; waarna de baker fluisterde, dat vrouw Willems ’t zeker wel gehoord zou hebben....?—Ja wel.—En of ze dan genegen nou zijn om....?—Ja wel.—En of ze dan haar eigen jongske pap zou voeren? want dat ze zeker voor twee niet genoeg....Maar, neen, lieve Hemel, neen! Franske om een ander te kort te doen, dat kon in ’t geheel niet. Met Gods hulp zou ze beiden het noodige verschaffen. Met Gods hulp! eerstens omdat ze medelijden met het moederlooze kind had, en tweedens omdat de tijden slecht, ja, bitter slecht waren.En de baker nam toen den kleinen Willem uit de ijzeren wieg; en Geertje sloeg den doek op waaronder haar jongske lag.Wat zag dat jongeheertje flauw en bleek en min!Wat zag Franske vol en rood en stevig!En moeder Geertje kon een traan niet weerhouden toen ze dien schralen stakker zag; den stakker die geen moeder had en gebrek lee. Zij gaf haar goffert aan de dikke vrouw; nam het andere wicht, dat pijnlijk kreet, in haar armen; maakte eenige haken van haar bonten jak los, en—toen het kort daarop in de rijke kraamkamer klokte zooals Peter het in de bedstede gehoord had, toen stond de bleeke heer met den blik strak op zijn zoontje gevestigd, voor de vrouw, die in de rechten eener onvergetelijke gade was getreden. En, een nare kreet klonk er door het vertrek: die aanblik was te smartelijk voor den verlaten echtvriend; hij snelde ter deure uit; maar toch, zijn zoontje klokte en klokte voort; en toen het kind ten laatste verkwikt de oogjes sloot, toen was het alsof er een dankbaar lachje om zijn lipjes speelde; immershijwist het niet dat de boezem waaraan hij was ingeslapen, niet de boezemzijnermoeder was.Weder nam de zwaarlijvige den kleinen Willem; en weder nam Geertje haar Franske; ook hém gaf ze te genieten, en vóór ze heenging drukte zij het mondje van haar dikke mopske op de lipjes van het schrale heertje, en ’t was toen alsof die slapendekinderen beiden lachten.... lachten als broeders van denzelfden boezem.Gods zegen ontbrak aan moeder Geertje niet; en ofschoon ze haar Helper dankte, toch was ze trotsch, dat ze haar eigen kind tegelijk met den jongenheer van “Land-heil,” een heel eind over ’t jaar had heengebracht.Neen, zij was niet ijdel de eenvoudige vrouw, maar toch, ze kon het zich niet ontveinzen dat ze wel iets voornaams gevoelde, toen ze, na verloop van een paar jaren die beide kinderen “alsof zij van éénen tuk” waren, door het gras zag rollen, of in ’t zand spartelen, terwijl haar Franske ’t jongeheertje maar glad weg “Wimpje” noemde. Zij had er toch voldoening van, dat het zoontje van den rijken heer haar altijd zoo vroolijk te gemoet huppelde wanneer ze ’t hek binnenkwam, en zich blijde toonde, blijder nog dan wanneer hij aan de hand van den steeds diep bedroefden vader voortliep. Ze had er voldoening van, al gevoelde zij ook het diepste medelijden—medelijden met den rijken, maar tevens zoo armen eigenaar van “Land-heil.”Zij noemde den rijken manarm, omdat hij de vrouw miste, die hij zoo innig had lief gehad; zij noemde hem arm, niet vermoedende dat, nauw vier jaren na den zaligen trouwdag, ook zij arm zou wezen: arm! nog armer dan de vader van haar voedsterzoon; want—Geertje zou weduwe worden; den man dien zij als haar leven beminde, haar steun en kostwinner zou ze verliezen.Schrikkelijk lot dat haar te wachten stond! En toch, ’t gebeurde zoo.Ja, de arme vrouw weende bittere tranen, toen zij het stoffelijk overschot van haar braven Peter naar den stillen Godsakker had vergezeld en tot het bewustzijn kwam, dat zij nu alleen stond, alleen! om te zorgen voor zich zelve en voor haar lieven knaap.Zie, daar bedekt ook zij met de beide handen het aangezicht, en jammert: “O God! o God!” en ze stoot den kleinen jongen van zich af, die onschuldig vraagt: “Of vader haast weerkomt?” Doch nu.... ’t geween van den ontstelden knaap wekt haar; het kind dat ze van zich afstiet, trekt ze weder tot zich; neemt het in haar armen, sust en streelt het, en terwijl ze ten laatste den blik door het venster naar den hemel slaat, voelt zij zich gesterkt door den geest van Hem, dien ze daareven zoo klagend aanriep; en roept ze: “Franske! Franske! God zal ons niet verlaten! Je vader, mijn jongen, zei nog kort vóór zijn heengaan: God is een helper van weduwen en weezen.”Niet tevergeefs had zij op den bijstand des Eeuwigen gerekend, want de man die het behoud van zijn kind, naast God, aan haar moest danken, hij nam de arme vrouw met liefde in zijne woning op en gaf aan hare zorg zijn jongen over, die jubelde dat Geertje-vrouw altijd bij hem zou blijven, dat Franske niet weder zou heengaan: Franske niet wien hij zoo gaarne rolde, zoo gaarne huisjes bouwde en steentjes zocht of bloempjes plukte.Lezer! de jaren uwer kindsheid zijn voorbijgegaan. Die jaren, zij staan u doffer of levendiger voor den geest naarmate uw geheugen zwakker of sterker is. Maar ’t zij dan in minder of meerdere mate, toch herinnert gij u levendig enkele voorvallen of oogenblikken, als lichtpunten in een nevelachtig verleden.Gij stondt aan den schoot uwer moeder, die er zoo lief en zoo goedig uitzag. Gij bevondt u in een onmetelijk en onbegrijpelijk groot gebouw, naast diezelfde moeder gezeten, of wel naast eene, die men uw kindermeid noemde, en hoordet ontelbare menschen luide zingen, terwijl een man, in een groot hokje geplaatst, zonder ophouden en zeer langdurig sprak; men gaf u pepermuntjes en gij vreesdetaltijddaar te zullen blijven. Gij hebt geloopen met een grooten appel in den zak, lang, zeer lang, en hebt er telkens met uw nageltjes een keepje uitgeplukt; eenigen tijd later hebt ge... iets pijnlijks gevoeld en—bitter gehuild; de appel lag, als van de pokken geschonden, verre van u op eene tafel, en—uw oogen deden zeer toen gij er naar zaagt. Gij waart... doch neen, gij herinnert u reeds méér dan wij bij u in ’t geheugen zouden kunnen terugroepen, en terwijl ge in gedachten het kleine litteeken beziet dat ge nog aan uw hand hebt—op dienmiddagmet datpennemes!—denkt ge, waar zijn ze toch die dagen der jonkheid...? Hoe schromelijk is alles veranderd! Enik, beniknog dezelfde gebleven?“Waar zijn ze toch die dagen? Wat is alles veranderd!”Die woorden werden ook geuit door een persoon, die wel is waar de twee kruisjes nauwelijks achter den rug had, doch niettemin met recht zoo spreken kon.En hij, die de gezegde woorden binnensmonds sprak, stond achter de toonbank eener kleine komenij-winkel in de groote hoofdstad, en blikte langs stijfsel- en kandij- en blauwselflesschen—waartusschen kleine broodjes en hompen kaas, benevens zwavelstokken en stukken pruimtabak op planken voor het venster lagen—in een schuine richting naar boven, en zag, tusschen twee hooge schoorsteenen van huizen aan de overzijde henen, juist zóóveel van Gods lieven hemel, dat een pond vieren kaarsen daartusschen gehangen, het schoon geheel en al zou benomen hebben.Ja, Lezer, ofschoon gij u-zelven gaarne hoort toevoegen, dat gij er oneindig veel beter—en zelfs jonger—uitziet dan voor zóóveel jaren! toch verwondert gij u telkens, indien geA. ofB. zoo véél verouderd terugziet, en den persoon, die alles veranderd vindt, zult ook gij niet herkennen, want, Franske Willems hebt ge maar een paar malen gezien, en wel toen ’t een onnoozel ventje was. Frans Willems stond daar, en de blauwe hemelstreep herinnerde hem aan de heerlijke dagen der kindsheid, toen hij dat blauw altijd hoog boven en rondom zich zag; toen hij vrij door de boschjes van “Land-heil” dartelde, de geuren van rozen en anjers of boekweitvelden inademde, terwijl hij nu—en dat reeds sedert meer dan tien jaren—door het kleine winkeltje kon dartelen, langs zeep enolievaatjes huppelen, en stokvisch benevens kaarsvet-geuren mocht inademen.Hij stond daar, en een paar tranen welden hem op in de oogen, toen hij aan de schoone beelden dacht die hem uit de jonkheid voor den geest kwamen.Ja, veel herinnerde zich Frans uit die snel en reeds lang vervlogen dagen; en, van alles wat hij zich te binnen kon brengen, stonden de eigenaar van “Land-heil” en diens lieve zoon, zijn zoogbroeder Willem, hem het duidelijkst voor den geest. De bleeke heer, die altijd zoo vriendelijk en gul was, en hem op zekeren dag een fraai hobbelpaard schonk, juist als Wimpje er een gekregen had; een hobbelpaard, waarmee hij op de kinderkamer, bij slecht weder, naast zijn vriend, de heele wereld rondreisde tot aan de Oost toe, terwijl moeder kousen maasde. De bleeke heer, die meestal tranen in de oogen had wanneer hij Wimpje aanzag, en dien hij eindelijk had zien liggen, nog veel bleeker dan gewoonlijk, heel netjes op een bed; maar zonder iemand te antwoorden, zelfs moeder Geertje niet, die schrikkelijk gehuild had; en ook Wimpje niet, die “Papa! Papa!” had geroepen, en daarna eveneens had gehuild, totdat hij—Frans—omdat ze allemaal huilden, eindelijk ook erg verdrietig was geworden.Behalve dat, herinnerde zich Frans: hoe een heer met een mooie jas aan,—waaraan veel goud zat, en dien hij vroeger reeds eenige malen bewonderde—ook bij het bed waarop de bleeke heer lag, had gestaan; hoe de mooie heer zich aan het haar had getrokken, dat hem onder den neus groeide, en, in plaats van óók te huilen, den mond had opgetrokken alsof hij lachte.Ook herinnerde hij zich—nog levendiger dan het gemelde—hoe, weinige dagen later, de gouden heer zeer leelijke gezichten had getrokken, en van donder en bliksem had gesproken, hoewel er toch volstrekt geen onweer geweest was; hoe moeder Geertje daarop heel aangedaan was geworden, en—ja, die woorden vergat hij niet—had uitgeroepen: “God weet het, dat ik den goeden Heer Van Male eenmaal plechtig beloofde steeds voor zijn kind te zullen zorgen, terwijl hij mij gewis een bestaan zou hebben verzekerd, zoo niet de dood hem verrast had!” waarop de gouden heer, ijselijk boos: “Dat dondert niet!” had geantwoord.En, waarlijk, het had ook niet gedonderd; maar wel had het karretje schrikkelijk over de keien gerommeld, waarmede Franske, weder een paar dagen later, met moeder het hek van “Land-heil” was uitgereden,—nadathijen moeder en ook het kleine Wimpje, elkander dikwijls hadden gekust, en zij met hun drieën ook weder hadden gehuild, misschien nog erger dan toen mijnheer Van Male zoo schrikkelijk bleek te bed lag.Hemel! hoe geheel anders was alles sinds dien rit met dat karretje geworden! De lezer zag reeds waar Frans belandde, en ’t heette nog om Godswil dat de oude Schorel—de komenijman—den jongen in zijn huisje ontving. Geertjes oude moeder, die, ofschoon zelve behoeftig, geen oogenblik had geaarzeld om haar ongelukkigedochter op te nemen, verzekerde evenwel dat Schorel, dien zij van jaren herwaarts kende, zijn menschlievendheid nimmer zoover zou hebben uitgestrekt, indien hij niet had berekend dat het liefdewerk hem ten slotte voordeel zou aanbrengen.Had Schorel immer wél gerekend, dan deed hij zulks toen hij de winsten naging, die drie boterhammetjes en een bord middageten per dag, hem zouden opleveren.Zoo’n jongen, goed gedresseerd, wat zou hij niet binnen korten tijd een voordeel aanbrengen en gemak bezorgen! De knecht die toch, behalve den kost, een gulden in de week verdiende, zou weldra kunnen gemist worden, terwijl zoo’n kind, ’t welk men aan zich verplichtte, bovendien beter te vertrouwen was.Nauwelijks was Frans veertien jaren oud, toen hij reeds de rechterhand van zijn baas mocht genoemd worden. ’t Kwam er weinig op aan dat de jongen erg uit zijn kracht groeide: beuren en slepen moest hij, ruim zoo veel als Kees de knecht zulks vroeger gedaan had.Op het oogenblik dat wij Frans wedervonden, was de affaire reeds voor het grootste deel aan zijne zorg toevertrouwd. Schorel stond zijn zeventigste jaar in te treden, en werd met iedere zon, die boven zijn komenij ronddraaide, niet alleen gemakkelijker voor zich zelven, maar ook lastiger voor anderen, inzonderheid voor den knaap, die “alles, letterlijk alles aan hem verplicht was.”Niet tevreden dat hij den jongen in den winkel drilde en bedilde, zoodat Frans somwijlen op één morgen de mosterdpotjes, of de bossen stokvisch driemaal een andere plaats moest geven, en gedurig scherpe verwijtingen moest aanhooren over de roekeloosheid waarmee hij doorslag gaf, stond Frans ook aan de bespiedende blikken van zijn weldoener bloot, wanneer deze in het kamertje naast den winkel zat en gestadig door het kleine raampje gluurde, niet zelden met zijn kneukels tegen het glas tikkende om den jongen tot zich te roepen, dien hij dan weder met een bevel van nullerwaarde terugzond.Maar, al had Frans een slaafsch en moeielijk leven; al had hij voor al zijn werken geen ander loon dan kost en huisvesting, benevens nu en dan eenige oude kleedingstukken van den grommenden en tevens wantrouwenden weldoener; al had hij reeds sinds eenige jaren elders gemakkelijk iets kunnen verdienen om zijn arme moeder—nadat grootmoeder vóór ruim tien maanden gestorven was—in haar behoeften te hulp te komen, hij getroostte zich alles, en durfde Schorel, althans tot nu toe, om geen geldelijke belooning aanspreken. Ten eerste: omdat deze hem zoo herhaalde en ontelbare malen aan zijn groote verplichtingen herinnerde, en ten andere dewijl Frans bij de weigering om het gevraagde, een storm voorzag, die hem uit de woning zou verjagen, waarin er zich nog eene bevond.... eene.... die.... die.... nooit grommig zag, maar altijd vriendelijk; eene, die nooit drilde of bedilde, maar steeds met liefderijke zachtheid onaangenaamheden zocht te voorkomen of uit den weg te ruimen; eene die niet één trek van den komenijman in haargelaat had, ofschoon ze toch zijn eigen kind was; eene, die oogen had, blauwer dan blauwsel; die blanker was dan de blankste stijfsel; zoeter dan suiker; zachter dan zeep; wier gemoed reiner was dan eenig lijnwaad met die extra puike zeep gewasschen, en op wier voorhoofd een gloed van helderheid lag, een helderheid waardoor het koperen vijfons werd verduisterd, zelfs, wanneer het juist van onder den poetslap te voorschijn kwam.Mathilde.... in de wandeling Thilde, bij heldere lucht Thilletje, en bij zonsverduistering Thilda, was Schorels eenige spruit uit een huwelijk, waar hij, volgens zijn eigen verklaring, op vijftigjarigen leeftijd bij abuis was ingeloopen.Er zijn oogenblikken waarin de verstandigste mensch als een dwaas handelt, en, in eigen oogen had Schorel méér dan dwaas gehandeld toen hij, om een luttel kapitaaltje te verkrijgen, eene vrouw nam, die den interest van dat kapitaaltje gedurende een driejarig verblijf als huisvrouw in zijne woning, met het kind dat zij ter wereld bracht en ’t welk hij nu reeds achttien jaar voor zijne rekening had, “ruimschoots had opgegeten of zoek gemaakt.”Was het dan om “de verplichting” in de eerste plaats, toch was de tweede oorzaak waarom Frans duldde en bleef, niet de geringste; want, behalve zijn moeder, die hij maar zelden kon bezoeken, was datzelfde meisje, het eenige wezen dat hij liefhad, in die groote stad... Lief...? Ja, dát was immers liefhebben, wanneer men ’t hart voelde kloppen zoodra men aan haar dacht; een kleur kreeg wanneer men zich met haar geheel alleen in de kamer bevond; zoo raar werd wanneer een ander heel vriendelijk tegen haar was, en toch wel had willen sterven als zij maar gelukkig werd...?Ja, Frans had Mathilde lief, en de kleine blonde voelde óók wel eens ’t hartje kloppen, en wist óók wel wat kleuren was, en—Maar Hemel! vader Schorel zat daar,—en wat keek hij weer grommig, en—wat gluurde hij door ’t winkelraampje naar den bediende zonder loon. Zie, daar stond hij eensklaps op; tikte vervaarlijk hard op het glas, en liep toen zoo gezwind mogelijk den winkel binnen... Hé! wat zou er gebeurd zijn..? Frans had daareven nog in den winkel gestaan, vóór het raam, en nu... neen, hij was er niet meer. Vader Schorel stond op de stoep, en zag rechts en links de steeg door, nu eens zijn bril dicht voor de grauwe oogen drukkende, dan weder er onder doorziende; maar half woedend trad hij weinige oogenblikken later in het vertrekje terug, bevende van kwaadheid, uitroepende: “Waar de ondankbare ezel nu gebleven is mag de Hemel weten! Is dát op mijn winkel passen; is dat voor mijn belangen waken!? ’t Is een ondankbare schelm; dat is ie!” En weer ging hij naar den winkel, en weer ging hij kijken op de stoep, doch er was juist veel volk en veel gerij in de steeg, en ook—de oogen van baas Schorel waren de oogen van vroeger niet meer.Frans, dien wij met zijne herinneringen voor het venster lieten, mocht nog eenigen tijd zoo in de blauwe luchtstreep hebben getuurd, toen een buitengewone drukte vóór de winkeldeur zijne opmerkzaamheid had gewekt.’t Waren twee rijtuigen die elkander in de nauwe steeg voorbij moesten, terwijl een aschkar benevens een kruiwagen met oudroest, den geregelden doortocht belemmerden.Frans zag, hoe de Israëliet met den kruiwagen een vervaarlijk gezicht tegen den vigilante-man trok, en al zijn krachten inspande om het nederig voertuig met het rad op een stoep te beuren, en hoorde, hoe de aschman op den anderen voerman schold, hem de “stommeteit” verwijtende waarmede hij in zoo’n nauw sloppie maar toereed, zonder te bedenken dat ’r noodwendig geharmel zou komen.Zooals gewoonlijk bij zulke voertuig-verstoppingen, kozen de voetgangers, die liefst in geen aanraking met vigilante of kar-raderen kwamen, hier een keldertrap en dáár een stoep, tot de paarden- en wagenknoop zou zijn losgewerkt: en zie, juist had Frans een meelijdenden blik op den armen Israëliet geslagen, die riep dat het “altijd phik op de nhasie was!” toen hij een achterhoofd te zien kreeg, waarop een hoed stond, en langzamerhand drie kwart van een neus, daarna een magere bleeke wang, totdat hij eindelijk een gelaat en profiel voor zich had: dat hem.... herinnerde.... maar neen.... en toch.... ja, toch....—’t Gezicht van Frans kreeg een andere uitdrukking; de oogen werden kleiner; langs de neusvleugels vertoonden zich ronde lijnen, de mondhoeken werkten naar boven, en juist op het oogenblik dat hij: “Ja, ja, hij is het!” riep, reed de eene vigilante ongehinderd rechts, en de andere links; smeet de aschman een paar huizen verder den vuilnisbak in zijn wagen; raapte de Israëliet een paar verroeste voetangels benevens een dito ketting van de straat op, om straks grommende zijn spijkers mede uit het straatvuil te redden, en—wipte de persoon dien Frans aan zijn profiel meende herkend te hebben, het winkelstoepje weder af, om insgelijks zijn weg te vervolgen.Geen vijf seconden later weerkaatste de aschkar een geroep van: “Hei! hei!” ’t welk langs het achterhoofd met den hoed in des eigenaars ooren klonk en hem onwillekeurig deed stilstaan.“Hei! hei!” riep Frans nogmaals en, toen hij den omzienden persoon nu vlak in het aangezicht zag, toen werden de oogen nog veel kleiner, en de lijnen naast de neusvleugels nog veel ronder, en werkten de mondhoeken nog sterker naar boven, en stotterde hij: “Zou het waarheid zijn.... zou ik mij niet bedriegen, dat jij.... dat u.... mijnheer Wimpje bent?”De vermoedelijke mijnheer Wimpje, beschouwde den zenuwachtig lachenden vrager alsof hij een krankzinnige voor zich had en een paar schreden achteruitgaande, sprak hij, terwijl er op zijn gelaat bijna iets angstigs te lezen was: “Mensch! wie ben je.... Ik ken je niet.”“Ken je mij niet.... Kent u Frans dan niet meer?” zei de zoon van Geertje: “Och! ik heb zoo duizenden malen gewenscht dat iku eens mocht weerzien. Och Mijnheer Wimpje! ik beef van blijdschap.”“Maar de d..... mag mij halen als ik weet wie je bent,” hernam de bleeke jonkman, terwijl hij ter zijde ging om den ratel van den aschman te ontwijken.“Frans! wel! wie anders dan Frans!” riep de opgetogen komenij-bediende: “Neen, ik bedrieg mij niet, u bent wel dezelfde, die evenals moeder en ik huilde toen wij, nu reeds méér dan tien jaren geleden, van elkander moesten scheiden; dezelfde met wien ik lezenenschrijven en rekenen leerde.... ja ik zie het aan dat litteeken dáárboven aan ’t voorhoofd, dat u mijnheer Wimpje bent dien ik uit de vuil-linnenkist verloste, toen—och! u weet wel—het deksel was dichtgeslagen en niemand het wist, en je bijna zoudt gestikt zijn.”“Hé! ben jij dan misschien, dat jongetje....?”“Ja wel, ja juist. Och, lieve hemel! weet u het nu?” riep de verrukte Frans weder: “mijne moeder heeft u te gelijk met mij gezoogd; ja, nog altijd spreekt zij van u; en ik....”“Hola vrindje! bedaar wat!” zeide de bleeke jonkman, die het schrikkelijkcommunvond om, ten aanhoore van eenige voorbijgangers, aan zulk een min fatsoenlijke zoogerij herinnerd te worden, en tevens de beweging van den jongen met het glimmende winkelschortje bespeurde, gereed om hem de hand te drukken: “Hola! daar zijn zooveel jaren over heengegaan en, je ziet wel dat ik je ’s gelijke niet ben.”Geheel anders dan voor weinige oogenblikken stond het gelaat van den armen zoogbroeder; ’t was alsof hem de tranen in de oogen kwamen; althans, zijn helderbruine kijkers zagen er uit als de dagen vóór Kerstmis; en de reeds uitgestrekte hand schielijk terugtrekkende, stamelde hij verslagen: “Och vergeef mij!.... maar zie.... ik was zoo verheugd; ik had zoo ontèlbare malen aan u gedacht, en telkens wanneer ik moeder bezocht, met haar van u gesproken.... en waar u toch gebleven zoudt zijn, want op de drie brieven die ze naarLand-heilzond, kwam in ’t geheel geen antwoord. Och! Wimp.... Mijnheer W.... neem mij niet kwalijk, maar ik was zoo verblijd, zoo verrast.... zoo.... zoo....” doch inderdaad drong nu het weemoedig nat de oogleden uit, en de bleeke jonkman, die zijn positie lastig vond—te meer daar eenige straatjongens met de handen op den rug het drama stonden aan te gapen,—maar toch iets voelde trillen van binnen, vraagde haastig:“Ben je arm, vrindje?”“Neen.... God zij dank!.... neen!” antwoordde Frans. “Ik heb mijn brood; en.... moeder.... Ja, God zal moeder ook wel helpen als ze maar gezond blijft.”Een wagen met ijzeren staven, die juist voorbijreed, maakte het den straatjongens onmogelijk om verder te hooren wat Frans zeide, evenmin als zij konden verstaan wat de bleeke jonkman sprak toen hij Frans iets toereikte; maar, wel zag er één, dat Frans gek genoeg was om nu op zijne beurt de hand thuis te houden, totdat een rommelende boerenwagen hen allen uiteenjoeg, en zij—bij het wederverzamelen—slechts één van de twee personen meer zagen; hem, die zich Frans noemde—die rondkeek, even vreemd als de jongens, om te ontdekken waar de ander gebleven was, en die eindelijk, telkens omziende en weer omziende, naar den winkel terugkeerde, om er, vol als hij reeds was, door zijn weldoener overvol gemaakt te worden.Inderdaad was de jongen nauwelijks de winkeldeur binnen, of hij voelde een uiterst verplichtenden draai om zijn hoofd, terwijl een aantal woordjes van een negatief-vleiende beteekenis hem in de ooren klonken.“Moet je weer, zooals altijd en eeuwig, je plicht en je verplichting vergeten.... zeg....?”“Vergeef mij baas Schorel, ik was....”“Een luiaard, een onverschillige, dát was je, ja! en dat ben je nog! Is dat de dank voor al mijn goedheid? Heb ik je niet honderd duizend en nog eens honderd duizend malen gezegd, dat de affaire een kind is, een heel klein kind, waarop gepast moet worden; gepast, zonder ’t zelfs het duizendste gedeelte eener seconde uit het oog te verliezen? En dan, de steeg inloopen, nietwaar....? en de Hemel weet wát de deur uitdragen....? We kennen die loopjes; en dan nog scheeve en fijne gezichten zetten! Zeg....! is dat dankbaarheid....? Zeg....? Neen dat’s verregaande,verregaandeen vermetele ondank! Ik zal....”“Maar hoor dan meester!.... ik zag ook.... ik wilde....”“Wat! wat! je moet niet zien, niets dan ’t geen je te doen hebt; enwillen, niets dan ’t geenik wil, hoor je?”Dat laatste “hoor je,” waarmede Schorel naar zijn winkelkamertje terugging, was dermate krachtig, dat Frans het niet waagde een woord meer te antwoorden; hij zette zich achter de toonbank; ging onsjes tabak afwegen—van ’t soort datverschrikkelijkmoet ruiken als ’t bevallen zal—en, al stond Frans met den rug naar zijn meester gekeerd, hij voelde diens blikken als langs hem heenglijden, zoodat hij door een geheimzinnige kracht zijn vingers bewoog, en telkens van een afgewogen onsje tabak, dat op de schaal lag, een greepje terugnam en in de ronde doos wierp.Frans zuchtte in den winkel. Meester Schorel gluurde door zijn raampje, en vraagde alras: “Zee je wat Thilda?” waarop de gevraagde: “Neen vader!” antwoordde, en ze had ook niets gezegd, maar halfluid gedacht: “Arme Frans!”’t Was in den avond van den vierden dag na het laatst verhaalde, dat eene vrouw, armoedig, doch rein gekleed, Schorels winkel binnentrad.Frans was om een boodschap gezonden, en de komenijman, die dus zelf de wacht moest houden, kwam voor.“Ha! zoo! ben jij het vrouw Willems! moet je weer ’t een en ander?”“Och, neen,” was het antwoord van Willems zoogmoeder, die wij na zooveel jaren heel wat veranderd, dat is: verouderd, vermagerd en verbleekt wederzien: “Ik moet mijn Frans, mijn jongen, noodzakelijk spreken. Ik ben er puur van geschrikt, dat ben ik, ik wist niet wat het was, en waar ’t van daan komt, weet ik nog niet. ’t Is van belang!”“Waar ’t vandaan komt....! Van belang....?” zeide Schorel, en achter zijn brilleglazen blonken een paar dingen als gewasschen krenten.“Ja waarlijk baas Schorel,” hernam de weduwvrouw: “reeds had ik het waschgoed uiteengezocht, toen ik, zonder erg, nogmaals het boezeroentje opnam, en u kunt begrijpen, ik stond te kijken alsof ik droomde. Zou Frans.... zou de goede jongen, zoo dacht ik, mij willen verrassen, of ’t hebben vergeten? Och, maar in elk geval heeft hij het aan uwe goedheid te danken, baas Schorel! Ei, neem toch niet kwalijk dat ik wel eens van loon heb gesproken; maar ziet u, ik wist ook niet... en ja.... de verdiensten zijn zoo gering, en zoo ik niet vier dagen ’s weeks vast werk in ’t logement had, dan zou het er bitter en bitter uitzien.”“Maar wat? maar wat toch?!” riep Schorel ongeduldig: “Ik begrijp er geen woord van.”“Wel, zie dan, zie dan!” sprak vrouw Geertje, en haalde uit haar zak een papiertje te voorschijn, waarop prentjes staan, waartegen de meeste menschen, vooral de arme menschen, lachen, o zoo vriendelijk lachen wanneer zij ze onder de oogen krijgen.Maar Schorel, neen, hij lachte niet; hij trok een gezicht alsof hem een duiveltje bij de keel had. Op gevaar van scheuren af, greep hij het papiertje; trok het der ontstelde vrouw uit de hand, en riep na eenige oogenblikken van pijnlijke stilte:“Daar heb je de adder; daar heb je het galgenaas! En dat is jou jongen, hé! dat is nu die engel van trouw en van deugd, hé....! Vervloekt mag ik wezen,” piepte hij akelig: “vervloekt, zoo dat monster ’t mij niet heeft ontstolen. Hier hier!” en met een zenuwachtig grijnzend gelach hield de man het muntbiljet van tien gulden omhoog, alsof hij vreesde dat ’t hem weer ontnomen zou worden; liep er het winkelkamertje mede in, en, nadat er slotgedraai was vernomen, keerde hij weder, en stotterde, schier berstende van woede:“Geen uur zal ie langer in mijn huis blijven.... geen minuut.... geen seconde....!”Juist op dat oogenblik werd de deur geopend, en kwam Frans schier bezwijkende onder den last van een vaatje, ’t welk hij droeg, den winkel binnen.Wij zullen u niet in al zijn kleuren het tooneel schilderen, dat thans in den winkel ging plaats grijpen! Ge zoudt zeker geen behagen vinden in ’t aanschouwen van een grijsaard die, op een bloot vermoeden alleen, tot duivelswoede vervoerd werd. Ge zoudt partij willen trekken voor den armen knaap die, rein van diefstal, geenoogenblik kan vinden om zich te verontschuldigen, terwijl hij zelf verbaasd is over hetgeen zijn moeder in een, van hem ter reiniging ontvangen kleedingstuk vond? Ge zoudt medelijden hebben met eene moeder die jammert, omdat ze nietkanmaarmoetgelooven dat het eenig pand harer liefde, het kind dat ze het goede steeds voor oogen hield, een dief, een onwaardige is! Afgrijzen zoudt ge gevoelen voor den grijsaard, die zijn eenig kind een stoot toebrengt, omdat zij den jongen vóórspreekt die niet schuldig kan zijn, dewijl hij braaf en trouw is, en dienzijlief heeft.Nog dien zelfden avond volgde Frans zijne moeder, en ze gingen naar het kleine kamertje, ’t welk door de laatste bewoond werd, en ze konden volstrekt niet spreken, want ach! ze waren zoo bitter bedroefd.Wat Frans, tot bedaren gekomen, in den aanvang ook giste, de waarheid vermoedde hij niet; en de moeder allengs meer tot de overtuiging komende dat haar lieve jongen onschuldig was, toonde hem het boezeroentje:“Zie! zóó!” had ze het opgenomen. “Zie zoo!” had ze zonder erg, dat achterzakje omgekeerd. “Zie je” heeft ze vervolgd: “toen vielen er twee vertinde spijkertjes uit.... kijk, ’k heb ze nóg in dat kommetje liggen; maar ook—och, ik had er eerst geen erg in—fladderde het noodlottige briefje naar beneden, en of ik ook dacht dat ’t beter geweest ware indien je ’t in specie had gezonden, omdat het zus of zoo er in was gebleven en misschien met wasschen verloren gegaan, ik was toch boven de huizen van blijdschap, en nu....”Maar Frans legde zijn hoofd in de beide handen, en dacht aan vergissing; aan vergissing bij ’t beuren; of, dat hij gewisseld had; of, dat het toevallig.... maar neen, dat kon niet; of dat mijnheer Wimpje—wiens ontmoeting hij aan zijne moeder mededeelde—misschien in de verwarring.... maar neen, die was veel te onvriendelijk en op een afstand geweest; of dat Mathilde.... zij.... ja—zijmoest het hem voor een tegemoetkoming daarin hebben gestopt, omdatzijhet naar vond dat hij voor al zijn werken geen stuiver op zak kreeg; maar toch, van waar kreeg zij ’t zelve....? Eén gulden, ’t was mogelijk! maartien! Of zou zij ook....? Maar, neen, neen! oneerlijk! dat kon niet; de lieve Thilde! neen!—Wat dan....? Frans wist het niet, en bleef met zijn hoofd in de hand daar zitten, en wist evenmin wat hij nu moest aanvangen. En moeder wist het ook niet, te meer daar de nijdige Schorel verklaard had, te zullen waken dat Frans—die schelm en ondankbare,—niet elders den dief meer zou spelen.En waarlijk, Frans geloofde dat die oude en zoo wantrouwende man een geheimen invloed uitoefende, die alle pogingen, welke hij in het werk stelde om elders een dienst te bekomen—zoo mogelijk een loondienst—telkens verijdelde. Inderdaad echter lag de oorzaak, waarom men den knaap overal terugzond, in hemzelven. Waarom? Niet omdat Frans een ongunstig voorkomen had nog minder omdat hij zijn woord niet kon doen. Neen, omdat Frans zoo’n last vankleurenhad.“Zoo! wou jij ’en dienst, vrindschap! En ben je bekwaam voor de zaak?”“Ik vertrouw, mijnheer! dat ik wel voldoen zal.”“Nog al vlug om de klanten te helpen? Vlug in ’t rekenen, nooit vergissen met geld weergeven?”“Dat schikt genoeg mijnheer.”“Zoo en dat tegen Mei, hé?”“Liefst Februari mijnheer! maar Mei, als ’t niet anders wezen kan”“En waar heb je ’t laatst gediend?”“Bij meester Schorel mijnheer!”“Schorel....?”“Om u te dienen; in de G....steeg. Och mijnheer! die had mij als kind opgenomen, en ik ben er al gebleven; ook uit dankbaarheid voor kost en inwoning, weet u.”“Zoo! En waarom ben je daar weggegaan?”Een vreeselijke kleur! en de woorden:“Ja, ziet u.... meester dacht.... weet u.... dat ik tien gulden... maar God weet dat ik onschuldig ben.”Een bedenkelijk gezicht!“Ei! zoo! Ja, zie je... ik zal er eens over denken; maar ik geloof niet dat mijn bediende vertrekken zal, weet je, ik heb eigenlijk geen directe behoefte.... We zullen zien....”“Mag ik dan over een paar dagen eens terugkomen?”“Ja weet je, dat hoeft niet, dan zal ik ’t je wel doen weten. Je woont....?”“In de D...steeg, Nº. 90.”De deur wordt geopend; een aanwijzende blik om te vertrekken.“Zooals gezegd is.”“Zal u dan alsjeblief om me denken....?”“Zooals gezegd is.” En de deur valt achter den jongen dicht.... en, nooit zal hij in dien winkel achter de geldlade staan.Dat ongelukkig kleuren! wij beklagen hem of haar die er zoo schrikkelijk veel last van heeft, en bidden ieder: “Veroordeel toch niet om het kleuren!”Voor eenige oogenblikken verlaten wij den armen ongelukkigen jongen, om zijn zoogbroeder Willem Van Male weder te vinden, die in de vroolijke K...straat sedert eenige weken een paar sierlijke kamers bewoont.In een fraaien en gemakkelijkenVoltaireligt Willem, en in zijn hand houdt hij een van die puikproducten der Fransche letterkunde, een roman van dengrootenPaul de Kock!Hij houdt het boek in zijn handen, maar toch op dit oogenblik leest hij niet. Hij is ingeslapen; ingeslapen, terwijl de pendule hettweede uur na den middag doet klinken, en het elfde uur na middernacht den jongeling nog op zijn legerstede in de armen van den slaap vond.Hij moet wel zeer vermoeid zijn. Inderdaad, mocht de bleekheid van den zoogbroeder, den voormaligen speelmakker van Frans, reeds onze opmerkzaamheid bij de ontmoeting in de G... steeg wekken, nu hij daar slapende in zijnVoltaireligt, en zijn gelaat tegen de, met rood trijp bekleede leuning uitkomt, nu treft ons die doodelijke bleekheid nog sterker, en merken wij nog meer de magerheid zijner gelaatstrekken op. Ja, hij moet wel verschrikkelijk vermoeid zijn en afgemat want zooals hij daar ligt, bleek, mager, met den geopenden mond, is het waarlijk een gezicht om van te griezelen, en, lezer, gij herinnert u levendig dien broeder, dien neef of vriend, toen gij hem die laatste maal zaagt.... gij weet wel, in die kamer waar ’t zoo somber was.En toch, de jongeling slaapt niet zooals een der laatstgenoemden; neen, zijn geest woont nog in hem, maar ook die geest heeft veel geleden, ook die heeft vermoeienissen doorgestaan, en is door nijdige prikkels als afgemarteld. Willem Van Male slaapt. Hij slaapt, het kind door een paar minnende ouders van God gebeden; het kind dat zijn schat verloor toen hij zich-zelf niet bewust was: een engel, een wakende moeder; hij slaapt, de ongelukkige zoon van een vader, die geen kracht bezat om het leed hem opgelegd, met kalmte te dragen; die wel het kind dat hij minde, vóór ’t scheiden aan de hoede van haar had aanbevolen, die hij als een trouwe en waardige plaatsvervangster—ofschoon ook gering naar de wereld—had leeren hoogachten, doch geen voorzorgen nam om de rechten te doen handhaven, welke hij aan haar tot het welzijn vanzijnkind geschonken had; hij slaapt, de jongeling die het slachtoffer van hebzucht en zonde moest worden; die, door God met gaven des geestes bedeeld en met een hart vatbaar vooral wat edel en goed was begiftigd, gedood moest worden; gedood naar de ziel, om een lichaam te kunnen vernietigen, welks bestaan een nietswaardigen bloedverwant om ’t bezit van des jongelings geld, een doorn in het oog, een hinderpaal tegen eigen zondige grootheid was.Een moord is iets akeligs; een moord in koelen bloede gepleegd, wie beeft er niet van? Maar een zedelijke moord, die tevens het lichaam naar den grafkuil voert, een zedelijke moord in koelen bloede, een moord van dagen en maanden en jaren, wie ijst niet op het denkbeeld er van; en och! of het getal dier zedelijke moordenaars gering ware, al steken ze niet allen in een blinkend gewaad van een toegevenden, vroolijken, maar inderdaad geldzuchtigen voogd!En wie, wie is hij, die moordenaar?’t Is Joost Van Meerle, de mooie heer met den gouden rok, die bij Van Males bed stond, en een gezicht zette alsof hij lachte toen deze, ruim tien jaar geleden, gestorven was. Joost Van Meerle, de zoon van Adolf Van Meerle, wiens overleden tante eendochtervan Willems moeder was. Joost Van Meerle, die met zijn vader,na Van Males afsterven, de eenige bloedverwanten—de eenige erfgenamen—van den wees waren, Joost, die tot voogd werd benoemd terwijl zijn vader de toeziende voogdijschap zou waarnemen.Of de oude Van Meerle inderdaad kennis heeft gedragen van de wijze, waarop zijn zoon zich van de heilige hem opgelegde taak kweet....? Wij durven zulks niet metjaonderschrijven. Gewis hij ware verplicht geweest nauwlettend toe te zien; maar.... wij kunnen niet gelooven dat hij, de grijsaard, zoo eerbiedwaardig van gelaat, een heler der boosheid zal geweest zijn, en vertrouwen liever dat de oude Van Meerle, die als gepensionneerd majoor, zijn laatste levensdagen in een stil Geldersch dorp doorbracht, de geaardheid van zijn eenigen zoon niet zal verdacht hebben, en een treuriglaissez-fairevan zijne zijde, alzoo de moordende voogdijschap van zijn zoon zal hebben bevorderd.Gij weet het, lezer, wát de zoon beoogde en wáárop hij loerde? Hij, eerste luitenant zonder vermogen. Willem zijn pupil, en,—erfgenaam van de, inderdaad niet onaanzienlijke, nalatenschap zijner ouders!Joost Van Meerle was het geweest die Geertje Willems, in weerwil van haar dringende beden, haar plechtige verklaringen en waarachtige rechten, als een gewone dienstbode had weggezonden, om—den armen wees een liefderijke verpleegster, een wakenden engel te ontrooven, en, zich zelven van een lastig paar oogen te ontslaan.Land-heilen al de verdere roerende en onroerende goederen waren spoedig verkocht geworden, en Willem, die weldra door al het vreemde, dat hij te zien kreeg, de genoegens en vrienden der eerste jeugd vergat, volgde zijn neef en voogd naar diens garnizoen, en ontving er een opvoeding.... zoo pleizierig en vrij, dat wie ook ten nadeele van neef Joost hadde gesproken,hijsteeds als kampvechter voor hem zou zijn opgetreden.“Vrijheid! blijheid!” deze zoetklinkende woordjes legden in het kinderhart een treurig fondament voor degelijkheid en gepasten ernst! Toch moest er geleerd en—de wereld geblinddoekt worden. Ja, Willem ging ter schole en kreeg zelfs huislessen; doch, wie kinderen naar school zendt met de bovengestelde leuze, hij heeft een achterdeurtje opengezet, waardoor het ontsnappen niet moeielijk valt. Alles gaat trapsgewijze; en ook de vorming en opleiding van den jeugdigen neef ging trapsgewijze; maar ach! ze waren zoo heel ver vanéén die treden—zoodat de opklimming met een gestadig vallen gepaard ging.Zoudt ge ’t gaarne beschreven zien, hoe de lagen werden gelegd om den zedelijken moord, bedekt, en toch zéker te plegen? hoe schier iedere garnizoens-verwisseling van den luitenant, welke Willem—tot zijn gevolg behoorende—medemaakte, ook een nieuw genot aanbracht, dat hem al meer ten verderve voerde? Wilt ge hem zien op nog jeugdigen leeftijd aan de hand der dronkenschap, aan de hand der verleiding? Neen! gij begeert ze niet inhaar naaktheid te zien die wanden, waarbinnen de steeds glimlachende voogd, louter om de grap, zijn offer ter slachtbank sleept;—gij wilt het niet, en hebt deernis met den zoogbroeder van Frans, die, ofschoon door hoogmoed beneveld en door zijn levenswijze schier vernietigd, toch getoond had hoe zijn van nature gevoelig hart nog niet geheel in hem verstompt werd. Hij toch was het geweest die den armen Frans, ofschoon ongaarne verder met hem in aanraking komende, niet zonder een kleinigheid van zich liet gaan, en de wagen-confusie in de G.... steeg had te baat genomen om den armen jongen het muntbiljet in zijn boezeroen-zakje te stoppen, terwijl hij zich daarna flukslangseen rug, enbezijdenden rommelenden boerenwagen, uit de voeten had gemaakt.Ja, gij hebt medelijden met den armen knaap, die daar zoo akelig in zijnVoltaireligt! Gij hebt medelijden met hem, die, omringd en in ’t bezit van alles wat aardsch genot kan aanbrengen, veel armer dan Frans, zijn arme zoogbroeder is; veel ellendiger dan de ellendigste bedelaar, die niet zonder God gedankt en Gode zijn geest te hebben aanbevolen, zich des avonds op zijn hard leger te slapen legt.De minuutwijzer der fraaie pendule had weder een cirkel beschreven, toen Willem nog even akelig daar zat, en de kamerdeur werd geopend.’t Was Joost Van Meerle, die binnentrad. Zijn voorkomen, wel verre van een onaangenamen indruk te maken, had iets flinks, we zouden haast zeggen: iets edels. Een hoog en helder voorhoofd, zwart krullend haar, een paar levendige bruine oogen, een fijn besneden neus, benevens een kleinen mond, die in de gitzwarte knevels en baard als verscholen lag, vormden een inderdaad niet onbehaaglijk geheel. ’t Is een ontegenzeglijke waarheid, dat er in de zes verschillende garnizoensplaatsen, waar de luitenant Van Meerle woonde, nog menig maagdenhartje zuchtte, omdat Van Meerle het geheel beheerschte.Ach! waarom zijn niet alle booswichten leelijk! en waarom de zwarte, die roetzwarte harten, niet even zichtbaar als een zwarte krulkop....?“Wél geslapen, mijn jongen?” roept de luitenant bij het binnentreden.... doch zie, daar valt zijn slapende pupil hem in ’t oog; eenige oogenblikken beschouwt hij hem aandachtig, en ’t is alsof diezelfde lach van vroeger hem weer om den knevel speelt.“Wat d....” spreekt hij eindelijk (de lezer zal ons voorzeker dankbaar zijn, indien wij telkens die wederkeerende woorden vankracht(?) achterwege laten) “slaap je nu weer? Mij dunkt, van vieren tot tienen of elven heb je een heelen deun kunnen maken. Hei! heila! Willem! is dat luieren; weet je niet dat Napoleon nooit meer dan zes uren sliep?”De jonge Van Male ontwaakt. Verbaasd ziet hij op; zijn oogen staan dof, en ofschoon zijn gelaat er thans niet zoo akelig uitziet als daareven, toch zijn de oogkassen geteekend, en werken de jukbeenderennaar voren, en is de gelaatskleur nog even doodelijk wit.“Ha! neef! bent ú daar!” zegt Van Male, en na vreeselijk te hebben gegeeuwd, herneemt hij: “Ik weet niet hoe ik zoo loom kom; ’t werd eergisteravond nog later dan gisteren; en toch was ik gisteren op den dag niet half zoo moe.”“’t Vervelende weer!” roept de voogd: “Zoo’n mistige kou maakt altijd landziekig.—Zeg, heb je nog van die gele....? Wel, vent! dat frischt zoo op.—’En fijn avondje gister....!?”Van Male werpt turf en hout op den haard; gaat naar een buffetkastje, krijgt het bedoelde citroenbitter met twee glaasjes, schenkt in, en zich daarna met den voogd bij het vuur zettende zegt hij, in antwoord op de laatste vraag:“Dat zou ik meenen; ’t was er heerlijk!”“’k Behoef niet te vragen of de hoofdstad aan neefje bevalt,” lacht de vroolijke voogd: “je treft het vrindje, dat neef hier bekend is.—Wat zijn je plannen?”Bah! wij toeven niet langer; wij laten hun plannen vormen, of wel, wij laten den voogd het zijden net aan den jongen toonen, waarin hij hem zacht maar zeker denkt te vangen; wij gaan,—en treden eenige dagen later, het kamertje van Geertje Willems in de D....steeg binnen.’t Is laat, zeer laat; de torenklok heeft reeds lang geleden ’t gebrom doen hooren alsof zij viermalen riep: “Ga—naar—bed!” maar vrouw Willems heeft nog niet kunnen besluiten om het groote karpet ter zijde te leggen, ’t welk zij moet oplappen voor het logement—waar ze als werkster driemalen in de week een dag mag helpen—en Frans, die zich, na zooveel mislukte kruideniersreizen, mede als loopbediende door zijn moeder den logementhouder liet aanbevelen, maar door de openhartige mededeeling van het gebeurde bij Schorel, alweder was teleurgesteld, hij zat nu—omdat het lampje maar spaarzaam brandde—zeer nabij zijn moeder, en las haar voor uit het Woord des levens.Eindelijk zweeg Frans, en de moeder bleef ook zwijgen; en het kacheltje zweeg ook, omdat er geen vonk meer in was, en Frans staarde strak op het werk zijner moeder, en—zuchtte.“Kom Frans, eet die snee brood toch op!” zei Geertje eindelijk: “heb je dan alweer geen honger?”“Neen moeder, waarlijk, ik heb geen honger,” antwoordde de zoon.“Maar ben je dan ziek mijn jongen?” hernam de werkende vrouw, even opziende: “Den heelen dag niets dan wat schrale aardappels!.... je waart anders zoo hongerig wanneer je Zondags eens thuis kwaamt, en nu sinds den tijd dat je hier bent.... Kom, ’k zou nu die snee maar eens nemen.”“Neen stellig, ik dank u!” antwoordde Frans, en of het door ’t staren op moeders stopwerk kwam, of door iets anders.... althans, ’t werd vochtig in zijne oogen.“Kom, Frans! wees zoo mal niet!” sprak moeder Geertje weder, die nogmaals had opgezien, en aan dat vochtige een andere oorzaak toeschreef: “ik heb immers ook gegeten en al is er voor morgen niet, je hebt daar straks gelezen: “Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien noch maaien; welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt ze nochtans: hoeveel gaat gij de vogelen te boven?” Toe Frans, eet maar, en blijf met mij vertrouwen; vertrouwen met de biddende gedachte, die mij ook in vroegere jaren kracht schonk: “God is een helper van weduwen en weezen.”“Maar lieve moeder, hoe kan ik.... hoe mag ik....” klonk nu de stem van Frans, aan wier bijzondere trilling vrouw Geertje wel kon bespeuren hoe overvol zijn gemoed was: “Ben ik u niet tot last; is dat brood niet het brood dat u zuur hebt verdiend? En ik, wordikniet geschuwd en veracht, omdat.... neen, hoewel iknietschuldig ben....? Moeder! wat brachtiku aan? Al meer dan veertien dagen spaart u ’t weinige dat je hebt uit je eigen mond. Moeder! lieve moeder! dat kan, dat wil ik niet dulden. Bedelen.... neen...! maar toch, zóó kan het niet blijven. Zeg, moeder.....! wat dunkt u.....? dienst nemen..... zeg..... of anders....” en de blik van den armen jongen verkreeg meer helderheid: “of anders.... zooals vader eertijds deed, werken! werken op het land bij de boeren! naar het dorp terugkeeren waaraan zooveel heerlijke, maar ook zulke droeve herinneringen verbonden zijn? Moeder! wat dunkt u! Misschien woont de zoon van uw weldoener er nog, diemijwel ontweek, doch, zoo hij u wederzag, wellicht medelijden zou hebben, omdat gij hem zelf gezoogd hebt. Daarheen gaan, moeder! U met mij; en deze stad verlaten, waar alles duur is; waar u wel werk hebt, doch waarikzou moeten bedelen; waar niets is, niets....!” doch eensklaps hield Frans op met spreken, en staarde in het flauw brandende lichtje, en wierp het hoofd in de beide handen terwijl een tranenstroom langs zijne kaken vloeide.’t Kostte der goede moeder heel wat inspanning om haar Frans tot bedaren te brengen; want ach! zij wist niet dat er wel iets in die groote stad was, hetwelk den knaap als met krachtige banden binnen hare muren terughield; zij wist niet dat het kind van den man, die haar jongen in ’t ongeluk bracht, hem dierbaar, zoo onuitsprekelijk dierbaar was.Moeder Geertje had haar arbeid gestaakt; ze was diep bewogen; niet zoozeer om het weinige dat haar deel was, dan wel om de droevige uitbarsting van haar goeden en miskenden jongen. Met verstand die pijnlijkegemoedsstemmingwillende verzachten, sprak ze nog altijd opbeurende woorden in den geest van haar Meester, “die de armen naar de wereld lief heeft, mits zij rijk zijn in Hem.”Inderdaad herkreeg Frans aldra zijn kalmte, en—ja, ofschoon hij die plannen haar zelve had voorgelegd, het deed hem zoo goed,uit haar mond te hooren datzij’t beter oordeelde om samen te blijven waar ze waren; ja, hij had haar wel om den hals willen vallen, toen ze met moederlijke bezorgdheid—och, ze had ook maar één kind!—van de gevaren sprak, die hem in den dienst zouden omringen, terwijl ze dan wreed van hem zou gescheiden zijn.... zij, die er op de wereld maar één meer had dien ze liefde toedroeg: “Eén!” en bij dát woord zuchtte moeder Geertje, en vervolgde iets zachter dan ze tot hiertoe gesproken had:“Ach! Frans! als ik aan hém denk, aan het lieve kind dat ik tien jaren lang bijna als een tweelingbroeder van jou, mijn jongen, heb lief gehad; dat ik troetelde en koesterde, haast zonder te bedenken dat een ander hem het leven schonk; aan hém, voor wien ik den vader bij eede beloofde te zullen waken en zorgen, maar die mij als met geweld van ’t hart is gescheurd, misschien omdat ik hem lief had en bidden leerde; ja, dan voel ik bij de smart, niet om het gemis van wereldsche goederen, maar bij de smart, dat ik gedwongen werd een heilige gelofte te breken, dat ik ook hém nog lief heb dien ik, als jou met mijn leven voedde. Zie, in weerwil dat nimmer vanLand-heileenig antwoord tot mij kwam, had ik het kleine Wimpje lief, want het arme schaap kon toch niet helpen wat zijne verzorgers deden; en nog! zelfs na de ontmoeting die jij met hem hadt, gevoel ik dat ik gelukkig in zijn nabijheid zou wezen, maar—tot hém gaan en mij nogmaals aan de verregaande ruwheid en onzinnige woede van dien luitenant Van Meerle blootstellen, neen Frans! dat kan, dat wil ik niet. Wie weet ook ofLand-heilnog wel door mijn zoogkind bewoond wordt; licht trok hij naar elders; en zoohijer niet is voor wien ik slechts bidden kan, wat zouden wij dan in het dorpje beginnen? Hier, in de stad mijner geboorte, had ik tot heden nog brood; maar dáár....! Op het land werken, zie, ik zou het niet meer kunnen, enjijzoudt er evenmin geschikt toe zijn. Och, wie zou zich het lot der arme aantrekken, zoo zij niet meer werken kon, de arme weduw van Peter Willems, die al twintig jaren vergeten op het kerkhof ligt....”Toen de moeder, die zonder het zelve te weten zoo geheel in den geest van haar kind had gesproken, hem zwijgend aanzag, terwijl er in den blik, waarmee zij hem beschouwde, een aantal vragen waren opgesloten, stond Frans van zijne zitplaats op: naderde de dierbare vrouw, sloeg den arm vertrouwelijk om haren hals en fluisterde, na eenig aarzelen, een lange, een zoete, en toch zoo pijnlijke bekentenis, die der goede moeder ten slotte verbaasd: “Mathilde Schorel....! Frans! is het mogelijk!” deed uitroepen.“Ja! moeder! ja!” hernam de jongen: “och! ik heb het u steeds verzwegen, omdat ik geen moed had de geheimen van mijn hart in woorden te brengen; maar nu, nu moet je het weten; ja, omdat ik ter wille van haar, ter wille der lieve Thilde, ook vurig wensch in deze plaats te blijven. Och, en zij,” vervolgde Frans, terwijl een blos zijne kaken verfde: “ookzijzal het zoo vurig wenschen; want, al zeiden wij elkander nooit wat er in ons binnenste omging, in hare oogen heb ik toch vaak gelezen dat ze mij lief had zooalsik haar liefde toedraag. Moeder!númoest je het weten, om u mijn vermoeden te kunnen openbaren, dat misschien zij.... dat geld....! Wat dunkt u.... zou het mogelijk zijn....?”Vrouw Geertje had het gehoord, en ze laakte het niet dat Frans nog een andere nevens haar lief had; alleen die liefde wekte haar bekommering. Frans—die geen cent bezat, en zelfs geen werk kon bekomen, beminde de dochter van den ouden Schorel! En—nadat de moeder eenige oogenblikken stilzwijgend had vóór zich gezien, bracht zij zich de laatste vragen van Frans te binnen, en antwoordde, niet te weten wat zij denken moest, maar vast te gelooven, dat Thilde, zoo zij hem werkelijk lief had, en hem het muntbiljet had toegestopt, dat zij dan ook zeker, na die treurige uitkomst, de waarheid aan ’t licht zou brengen.De juiste aanmerking der moeder bracht Frans weder aan ’t twijfelen; eerst over ’t geld, of Thilde wel inderdaad de geefster zou geweest zijn, en later toen hij toch niets anders voor waarheid kon houden, terwijl het beeld van den stuurschen zoogbroeder geheel en al door dat der bevallige Thilde werd verdrongen, toen twijfelde hij aan—hetgeen hij in hare oogen zoo vaak had gelezen—aan Thildes liefde; want, moeder had gelijk; zoo zij hem waarlijk liefhad, zou zij de waarheid aan ’t licht brengen; en, meer dan veertien dagen waren voorbijgegaan,—en Thilde had volstrekt niets aan ’t licht gebracht.—Frans bleef strak voor zich uit staren, en at de snee brood niet die moeder voor hem had neergezet.Zoo goed mogelijk had moeder Geertje in een hoek van ’t kamertje een slaapplaats voor haar jongen in orde gebracht, en daar de olie in haar lampje niet noodeloos verbranden mocht, pakte zij Frans bij de hand, drukte een zoen op zijn voorhoofd, en na de woorden: “Kom mijn jongen, we moeten gaan slapen, met een nieuwen dag zal God weer licht en ook raad verschaffen,” blies zij het olievlammetje uit, en sloeg juist de handen aan haar kleeding om zich, op ’t gevoel af, er van te ontdoen, toen zij vreeselijk ontstelde, en met een bevende stem haar jongen toefluisterde:“Frans! Frans! hoor je niet, daar wordt op de deur geklopt...?”Zooals Frans, geheel in zich zelven gekeerd, daar nog stond, was het geluid dat de moeder deed ontstellen, ternauwernood door hem opgemerkt.“Geklopt....!” riep hij, mede verrast, doch nauwelijks had hij. gezegd: “Stel u gerust, moeder, de wind zal hier of daar een luik hebben dichtgeworpen,” of nogmaals en duidelijker klonk nu het geklop op de deur en tevens een zachte stem die het “Doe open!” deed hooren.“Hemel! wat zou het zijn?” sprak moeder Geertje zacht, terwijl zij steeds angstig: “Mij dunkt Frans, ’t is alsof hij die buiten staat zijn stem verdraaide. Hoor, daar heb je het weer.... een verfijnde mansstem. Frans, wij zullen ons stilhouden. Hemel! zoo laat in den nacht!”Ofschoon onze vriend niet in den vollen zin des woords een held mocht heeten, zóó kleinmoedig was hij toch niet dat hij zougeaarzeld hebben om achter een welgegrendelde deur te vragen,wiehet was die buiten stond en waarom hij verlangde te worden binnengelaten.

Eene zoogmoederHet is stil in het vertrek waar wij onzen lezer binnenvoeren.Stil! zeer stil!Alleen het eentonig getik der fraaie pendule die, in het midden van twee bronzen engeltjes, op den schoorsteenmantel prijkt, breekt die stilte af, of, doet haar des te sterker uitkomen.Een zwaarlijvige vrouw met een goedig gelaat, zit op den achtergrond in diep gepeins..... Zóó diep, dat ze er geheel in verloren is. Naast haar staat een voorwerp dat aan “’t begin” doet denken, een meubel, dat met een kleed werd omhangen, waarvan de kleur die der hope is; een meubel, ’t welk op de koontjes der verloofde maagd niet zelden een blosje te voorschijn roept en den jongen man het hart met hoop voor de toekomst vervult; een meubel, dat voor de eerste maal in zoo’n stille rustige kamer geplaatst, doet lachen en roemen, en voor de.... maal1daarbinnen gebracht—er zijn uitzonderingen—doet voorhoofdrimpelen en grommen.Bij die zwaarlijvige vrouw staat een meubel, waaraan men van buiten heel wat geweld pleegt; dat meestal ontzettend gesleurd en ijselijk getrapt wordt om het inwendige tot rust te brengen; een meubel, ’t welk die zwaarlijvige gaarne, al ware het ook voor de twintigste maal, weder gevuld ziet; gevuld, omdat die vulling in een ongewoon nauw verband staat met de gevuldheid van haar tamelijk grooten knipbuidel; terwijl het ten laatste gevoeglijk de tweelingzuster der braadkindermachine mag genoemd worden, die men in de wandeling: een vuurmand noemt.Ja, wij bevinden ons binnen een kraamkamer, die met de grootste zorg werd ingericht.Sla den blik in ’t ronde; hoe fraai, hoe gemakkelijk is er alles.De zwaarlijvige zelve ligt in een prachtigenVoltaire! Zie, hoe alles wat zich binnen dat vertrek bevindt een eigenaardig—wij zouden haast zeggen: een kraamkamerachtig karakter heeft, totzelfs het porseleinen transparantplaatje, dat het licht der vlammende waspit moet temperen: Zij geeft het beeld van een biddend kindje, en lees wat daaronder staat:Lieber Gott! mach mich doch fromm,Dass ich in den Himmel komm.Stil! de kleine slaapt, de teedere jongen die den eersten levenskreet liet hooren, toen de wijzers van het uurwerk de laatste maal nagenoeg in dezelfde richting stonden als ze nu staan. Hij rust.... ja, degelijk rust hij na de gevaarlijke kunstbewerkingen, die de zwaarlijvige hem deed ondergaan; hij rust, en gelukkig! want hoe jong hij ook zij, reeds moest hij ondervinden dat er in ’t leven veel droevigs is.Daar zijn luiers, spelden, vuurmanden. Zij knellen,prikken, branden?Stil! ook de dikke slaapt, en ze droomt dat ze een vorstentelg bakert; en droomende glimlacht ze, en, droomende scheukt ze de schouderbladen.Stil! daar links staat het groote ledikant. Ook zij, die den eersten levenskreet van haar lieveling vernam—zij slaapt.Wilt ge die zware gordijn ter zijde schuiven om de gelukkige slapende te beschouwen; wenscht ge haar schoon, maar bleek gelaat te zien, waarop de glimlach van innigen dank staat te lezen....?Wilt ge....? Doch neen, laat af! Hoor.... daar klinkt een voetstap op het portaal. De deur wordt geopend; de jonge vader treedt het vertrek binnen. Wat ziet hij bleek! Hoe dof staan zijn oogen! Hij nadert het wiegje van zijn eerstgeborene; het kleed wordt opengeslagen; het wichtje slaapt, en toch—toch vat hij het in zijn armen; hij kust het, en kust het weder. Een pijnlijk kreetje ontsnapt den mond van den kleine—liefde geeft dikwerf pijn.—Eensklaps sluit hij het kind aan zijne borst; werpt een dekkleed over het teedere schepsel, en—snelt met zijn schat ter deure uit.Waarheen?Ziet gij de deur aan gene zijde van het portaal? Hij gaat die kamer binnen; ook dáár staat een ledikant; maar, de gordijnen zijn geheel ter zijde geschoven.Wat is dat? Wie ligt daar?Slaapt de gelukkige moeder niet in de kamer waar wij het eerst binnentraden; achter die gordijnen, met den glimlach van dank op het schoone gelaat?Leeft zij niet nabij het leven van haar leven, ’t welk zij verder met het hare zal voeden? Trok zij zich om zwakheid terug, wijl de kinderkreten haar ’t zwakke hoofd vermoeien?Ligt ze dáár de jonge moeder, en slaapt ze?Ja—ja, ze slaapt. Maar ziehoede echtvriend met den zoon. met zijn Willem in de armen, haar nadert. Hij vreest niet haar slaap te zullen storen; hoor, hij jammert luide: “O God! O God!”Zie, hij steekt het kind der slapende toe, en drukt de kinderlippen tegen de wang der moeder. Ach, zóó had hij den kleinewel graag aan haar vollen boezem gedrukt; maar ook het jongske voelt dat het “zijn hemel” niet is waartegen de vader hem legt; een kreet ontsnapt er aan zijne lipjes. Zij ligt er zoo stijf, zij ligt er zoo koud die schoone en jeugdige moeder; en hij, de verlaten echtgenoot, hij brengt het kind, waarvan ze met wellust spraken, waarvan ze in ’t vooruitzicht zooveel weelde hadden, naar ’t wiegje terug om straks tot de gestorvene weder te keeren, want, helaas, achter die zware gordijnen in hetkraamvertrek, dáár slaapt de zalige moeder niet.Houdt ge niet van die tafereeltjes, waar zoo van akeligheden en dood in voorkomt; houdt ge niet van die kraamkamers waar de eerste vedel in ’t orkest van huwelijksheil ontbreekt? Kunt ge een traan niet weerhouden omdat gij óók wel eens zulk een kamer hebt betreden, waarin ’t geween den vreugdekreet te ras verstommen deed? Houdt ge niet van die kraamvertrekken waarin zich alles bevindt wat daar gewenscht kan worden, behalve zij, die ’t kindje liefhad vóórdat ze ’t zag, en voor ’t pandje waakte eer ze ’t aan den boezem kon drukken....? Misschien, omdat ge óók een zuster of vriendin hebt liefgehad, die leven voor leven ruilde; wier graf ge nog somwijlen bezoekt met het kind dat háár nooit kende? Man en vader! leest ge er niet gaarne van, omdat de herinnering aan dien donkeren levensdag u ’t harte opnieuw met weemoed vervult? O! wanneer een goede geest uw leven dooraâmt en willig in ’t lijden berusten doet, dan, ja, dán treedt ge toch nog wel gaarne met ons een kleinere woning binnen, waar de hangklok—aan beide kanten met een fraaie pauweveer versierd—aan den wand tikt. Gij volgt ons gaarne, en ziet er—de teenen wieg, waarin de bonte prop met het vuurroode kopje ligt, terwijl de man bij den zeer hoogen steenen vuurmand gezeten—die van boven met spek en ham gevuld is—de roode en witte luiers keert, nu eens den jongen, den “lekkeren apekop,” met een “Goddank!” beschouwende, terwijl hij dan weder den appel, die in den heeten gloed pruttelt, wendt, om er moeder de vrouw, als ze wakker wordt, eens even van te laten proeven.Zie, daar komt beweging in de teenen wieg; twee ronde knuistjes werken naar boven; de man bespeurt het: plaatst terstond den voet op de wiegetree, en doet al zijn best om den kleine in slaap te houden, want: “Geertje is nog slap, en rust is haar noodig.”Maar neen, de prop met het roode kopje leeft, en wil leven. Hoor, ’t gekraai klinkt door het kleine vertrek. Zie, ook in de bedstede dáár in dien hoek, roert zich de slapende. “Heija! heisa! suja, suja, deine!” zingt Peter zacht, terwijl hij de slaapplaats van ’t jongske zoo snel mogelijk doet heen en weder gaan. ’t Baat niet; ’t gekraai wordt schreeuwen. Geertje blikt naar de wieg; roept haar echtvriend toe: “Kom, Peter, geef ’t ventje maar hier!” en Peter zegt: “Nou, mopske! er uut maar!” en ’t levende rolletje tilt hij omhoog; drukt het roode hoofdje tegen zijn gebruinde wang; legt het daarna in den arm der moeder, en terwijl Peter zich zijdelings op den bedsteerand nederzet, mokkelt Geertje haar krijtend jongske en—als Peter op Geertje en Franske nederziet, en later naar de bedstee-zoldering blikt met een innig “Goddank!” dan pruttelt en sist de appel sterker; dan tikt de hangklok als altijd, en, klokt het tevens in de bedstee. ’t Jongske klokt aan de moederborst, Peter wrijft zich de handen. ’t Is leven in dat kraamvertrek; alles geluk en leven!Weinige dagen nadat wij de beide kraamvertrekken bezochten, trad de jonge moeder, Geertje Willems, haar woning uit.’t Was buiten warm, en bovendien had Geertje zich zoo toegestopt dat ze met gerustheid de wandeling kon maken waartoe ze werd uitgenoodigd. Al verzelde Peter haar niet, omdat zijn bezigheden hem op het veld riepen, toch was Geertje niet alleen, want, ze droeg den kleinen springer op haar arm, ’t kind waarvan zij,zij-zelve, en voor de eerste maal—moeder was.Moeder Geertje had er weinig voldoening van dat ze reeds den zevenden dag na de groote gebeurtenis, met haar zoontje op den arm door ’t dorp liep, want zij ontmoette er niet één bekende, en de molenaar, die haar even buiten het dorp voorbijreed, riep simpel: “Dag vrouw Willems!”—Heere m’n tijd! alsof er niets bijzonders gebeurd ware! alsof hij niet eens wist dat ze een jongen had, en hij ’t lieve kind, dat ze onder den doek droeg, voor een roggebrood hield!Intusschen vervolgde Geertje haar weg,enhield eindelijk voor het geopende hek van een buitenplaats stil, op welks posten “Land-heil” te lezen stond.—Hier is ’t, dacht Geertje, en het hek binnentredende liep ze op de huisdeur toe, en schelde.Na verscheidene minuten te hebben gewacht, werd de deur eindelijk geopend door een knecht, die vrouw Geertje vraagde, wat zij verlangde, er bijvoegende: “’k Dacht dat je de ezelin waart, en daarom heb je wat langer gestaan.”“De dokter heeft mij gezonden,” antwoordde Geertje: “Ik heet vrouw Willems, en zou den jongenheer.... u weet wel.”“Ha! zoo!” zei de knecht, terwijl hij met zijn linkeroog knipte: “dan sloeg ik den bal toch zoo geheel niet mis. Wil je maar binnen komen? Zóó, ’k zal ’t aan de baker en mijnheer zeggen.”Hij zal het aan de baker en aan mijnheer zeggen!’t Zal dus hier de woning zijn....Ja wel, ’t is hier de woning, waarin God een kind gaf, doch waaruit Hij de moeder tot zich nam.Zie buiten voor de huisdeur zult gij nog de sporen van verscheidene rijtuigen ontdekken, die weinige dagen geleden om het gazon reden. ’t Is moeielijk te onderscheiden, maar toch, één diersporen liet het groote zwarte rijtuig na, dat uit de naburige stad reeds vroegtijdig naar het dorp werd gezonden; het vreemde rijtuig, dat veel bekijks had, en waarvan de voerman—volgens de verklaring van eenige boerenjongens—er uit had gezien alsof hij de duivel in eigen persoon was; het zwarte rijtuig, dat een gade had weggevoerd uit de armen van een haar aanbiddenden echtgenoot: weg van het teedere pandje, dat ze aan de zorg van andere vrouwen moest achterlaten; weg van de plaats waar ze een kortstondig “land-heil” smaakte, om reeds in jeugdigen leeftijd, een oord van hooger en eeuwig heil binnen te gaan.En weinige oogenblikken nadat Geertje den drempel der rijke woning betrad, bevond zij zich reeds binnen de kraamkamer. De zwaarlijvige vrouw knikte haar vriendelijk toe en gaf haar een stoel. Een heer die zeer bleek zag, zeide: “Dag, vrouwtje!” en keek toen plotseling naar een anderen kant; waarna de baker fluisterde, dat vrouw Willems ’t zeker wel gehoord zou hebben....?—Ja wel.—En of ze dan genegen nou zijn om....?—Ja wel.—En of ze dan haar eigen jongske pap zou voeren? want dat ze zeker voor twee niet genoeg....Maar, neen, lieve Hemel, neen! Franske om een ander te kort te doen, dat kon in ’t geheel niet. Met Gods hulp zou ze beiden het noodige verschaffen. Met Gods hulp! eerstens omdat ze medelijden met het moederlooze kind had, en tweedens omdat de tijden slecht, ja, bitter slecht waren.En de baker nam toen den kleinen Willem uit de ijzeren wieg; en Geertje sloeg den doek op waaronder haar jongske lag.Wat zag dat jongeheertje flauw en bleek en min!Wat zag Franske vol en rood en stevig!En moeder Geertje kon een traan niet weerhouden toen ze dien schralen stakker zag; den stakker die geen moeder had en gebrek lee. Zij gaf haar goffert aan de dikke vrouw; nam het andere wicht, dat pijnlijk kreet, in haar armen; maakte eenige haken van haar bonten jak los, en—toen het kort daarop in de rijke kraamkamer klokte zooals Peter het in de bedstede gehoord had, toen stond de bleeke heer met den blik strak op zijn zoontje gevestigd, voor de vrouw, die in de rechten eener onvergetelijke gade was getreden. En, een nare kreet klonk er door het vertrek: die aanblik was te smartelijk voor den verlaten echtvriend; hij snelde ter deure uit; maar toch, zijn zoontje klokte en klokte voort; en toen het kind ten laatste verkwikt de oogjes sloot, toen was het alsof er een dankbaar lachje om zijn lipjes speelde; immershijwist het niet dat de boezem waaraan hij was ingeslapen, niet de boezemzijnermoeder was.Weder nam de zwaarlijvige den kleinen Willem; en weder nam Geertje haar Franske; ook hém gaf ze te genieten, en vóór ze heenging drukte zij het mondje van haar dikke mopske op de lipjes van het schrale heertje, en ’t was toen alsof die slapendekinderen beiden lachten.... lachten als broeders van denzelfden boezem.Gods zegen ontbrak aan moeder Geertje niet; en ofschoon ze haar Helper dankte, toch was ze trotsch, dat ze haar eigen kind tegelijk met den jongenheer van “Land-heil,” een heel eind over ’t jaar had heengebracht.Neen, zij was niet ijdel de eenvoudige vrouw, maar toch, ze kon het zich niet ontveinzen dat ze wel iets voornaams gevoelde, toen ze, na verloop van een paar jaren die beide kinderen “alsof zij van éénen tuk” waren, door het gras zag rollen, of in ’t zand spartelen, terwijl haar Franske ’t jongeheertje maar glad weg “Wimpje” noemde. Zij had er toch voldoening van, dat het zoontje van den rijken heer haar altijd zoo vroolijk te gemoet huppelde wanneer ze ’t hek binnenkwam, en zich blijde toonde, blijder nog dan wanneer hij aan de hand van den steeds diep bedroefden vader voortliep. Ze had er voldoening van, al gevoelde zij ook het diepste medelijden—medelijden met den rijken, maar tevens zoo armen eigenaar van “Land-heil.”Zij noemde den rijken manarm, omdat hij de vrouw miste, die hij zoo innig had lief gehad; zij noemde hem arm, niet vermoedende dat, nauw vier jaren na den zaligen trouwdag, ook zij arm zou wezen: arm! nog armer dan de vader van haar voedsterzoon; want—Geertje zou weduwe worden; den man dien zij als haar leven beminde, haar steun en kostwinner zou ze verliezen.Schrikkelijk lot dat haar te wachten stond! En toch, ’t gebeurde zoo.Ja, de arme vrouw weende bittere tranen, toen zij het stoffelijk overschot van haar braven Peter naar den stillen Godsakker had vergezeld en tot het bewustzijn kwam, dat zij nu alleen stond, alleen! om te zorgen voor zich zelve en voor haar lieven knaap.Zie, daar bedekt ook zij met de beide handen het aangezicht, en jammert: “O God! o God!” en ze stoot den kleinen jongen van zich af, die onschuldig vraagt: “Of vader haast weerkomt?” Doch nu.... ’t geween van den ontstelden knaap wekt haar; het kind dat ze van zich afstiet, trekt ze weder tot zich; neemt het in haar armen, sust en streelt het, en terwijl ze ten laatste den blik door het venster naar den hemel slaat, voelt zij zich gesterkt door den geest van Hem, dien ze daareven zoo klagend aanriep; en roept ze: “Franske! Franske! God zal ons niet verlaten! Je vader, mijn jongen, zei nog kort vóór zijn heengaan: God is een helper van weduwen en weezen.”Niet tevergeefs had zij op den bijstand des Eeuwigen gerekend, want de man die het behoud van zijn kind, naast God, aan haar moest danken, hij nam de arme vrouw met liefde in zijne woning op en gaf aan hare zorg zijn jongen over, die jubelde dat Geertje-vrouw altijd bij hem zou blijven, dat Franske niet weder zou heengaan: Franske niet wien hij zoo gaarne rolde, zoo gaarne huisjes bouwde en steentjes zocht of bloempjes plukte.Lezer! de jaren uwer kindsheid zijn voorbijgegaan. Die jaren, zij staan u doffer of levendiger voor den geest naarmate uw geheugen zwakker of sterker is. Maar ’t zij dan in minder of meerdere mate, toch herinnert gij u levendig enkele voorvallen of oogenblikken, als lichtpunten in een nevelachtig verleden.Gij stondt aan den schoot uwer moeder, die er zoo lief en zoo goedig uitzag. Gij bevondt u in een onmetelijk en onbegrijpelijk groot gebouw, naast diezelfde moeder gezeten, of wel naast eene, die men uw kindermeid noemde, en hoordet ontelbare menschen luide zingen, terwijl een man, in een groot hokje geplaatst, zonder ophouden en zeer langdurig sprak; men gaf u pepermuntjes en gij vreesdetaltijddaar te zullen blijven. Gij hebt geloopen met een grooten appel in den zak, lang, zeer lang, en hebt er telkens met uw nageltjes een keepje uitgeplukt; eenigen tijd later hebt ge... iets pijnlijks gevoeld en—bitter gehuild; de appel lag, als van de pokken geschonden, verre van u op eene tafel, en—uw oogen deden zeer toen gij er naar zaagt. Gij waart... doch neen, gij herinnert u reeds méér dan wij bij u in ’t geheugen zouden kunnen terugroepen, en terwijl ge in gedachten het kleine litteeken beziet dat ge nog aan uw hand hebt—op dienmiddagmet datpennemes!—denkt ge, waar zijn ze toch die dagen der jonkheid...? Hoe schromelijk is alles veranderd! Enik, beniknog dezelfde gebleven?“Waar zijn ze toch die dagen? Wat is alles veranderd!”Die woorden werden ook geuit door een persoon, die wel is waar de twee kruisjes nauwelijks achter den rug had, doch niettemin met recht zoo spreken kon.En hij, die de gezegde woorden binnensmonds sprak, stond achter de toonbank eener kleine komenij-winkel in de groote hoofdstad, en blikte langs stijfsel- en kandij- en blauwselflesschen—waartusschen kleine broodjes en hompen kaas, benevens zwavelstokken en stukken pruimtabak op planken voor het venster lagen—in een schuine richting naar boven, en zag, tusschen twee hooge schoorsteenen van huizen aan de overzijde henen, juist zóóveel van Gods lieven hemel, dat een pond vieren kaarsen daartusschen gehangen, het schoon geheel en al zou benomen hebben.Ja, Lezer, ofschoon gij u-zelven gaarne hoort toevoegen, dat gij er oneindig veel beter—en zelfs jonger—uitziet dan voor zóóveel jaren! toch verwondert gij u telkens, indien geA. ofB. zoo véél verouderd terugziet, en den persoon, die alles veranderd vindt, zult ook gij niet herkennen, want, Franske Willems hebt ge maar een paar malen gezien, en wel toen ’t een onnoozel ventje was. Frans Willems stond daar, en de blauwe hemelstreep herinnerde hem aan de heerlijke dagen der kindsheid, toen hij dat blauw altijd hoog boven en rondom zich zag; toen hij vrij door de boschjes van “Land-heil” dartelde, de geuren van rozen en anjers of boekweitvelden inademde, terwijl hij nu—en dat reeds sedert meer dan tien jaren—door het kleine winkeltje kon dartelen, langs zeep enolievaatjes huppelen, en stokvisch benevens kaarsvet-geuren mocht inademen.Hij stond daar, en een paar tranen welden hem op in de oogen, toen hij aan de schoone beelden dacht die hem uit de jonkheid voor den geest kwamen.Ja, veel herinnerde zich Frans uit die snel en reeds lang vervlogen dagen; en, van alles wat hij zich te binnen kon brengen, stonden de eigenaar van “Land-heil” en diens lieve zoon, zijn zoogbroeder Willem, hem het duidelijkst voor den geest. De bleeke heer, die altijd zoo vriendelijk en gul was, en hem op zekeren dag een fraai hobbelpaard schonk, juist als Wimpje er een gekregen had; een hobbelpaard, waarmee hij op de kinderkamer, bij slecht weder, naast zijn vriend, de heele wereld rondreisde tot aan de Oost toe, terwijl moeder kousen maasde. De bleeke heer, die meestal tranen in de oogen had wanneer hij Wimpje aanzag, en dien hij eindelijk had zien liggen, nog veel bleeker dan gewoonlijk, heel netjes op een bed; maar zonder iemand te antwoorden, zelfs moeder Geertje niet, die schrikkelijk gehuild had; en ook Wimpje niet, die “Papa! Papa!” had geroepen, en daarna eveneens had gehuild, totdat hij—Frans—omdat ze allemaal huilden, eindelijk ook erg verdrietig was geworden.Behalve dat, herinnerde zich Frans: hoe een heer met een mooie jas aan,—waaraan veel goud zat, en dien hij vroeger reeds eenige malen bewonderde—ook bij het bed waarop de bleeke heer lag, had gestaan; hoe de mooie heer zich aan het haar had getrokken, dat hem onder den neus groeide, en, in plaats van óók te huilen, den mond had opgetrokken alsof hij lachte.Ook herinnerde hij zich—nog levendiger dan het gemelde—hoe, weinige dagen later, de gouden heer zeer leelijke gezichten had getrokken, en van donder en bliksem had gesproken, hoewel er toch volstrekt geen onweer geweest was; hoe moeder Geertje daarop heel aangedaan was geworden, en—ja, die woorden vergat hij niet—had uitgeroepen: “God weet het, dat ik den goeden Heer Van Male eenmaal plechtig beloofde steeds voor zijn kind te zullen zorgen, terwijl hij mij gewis een bestaan zou hebben verzekerd, zoo niet de dood hem verrast had!” waarop de gouden heer, ijselijk boos: “Dat dondert niet!” had geantwoord.En, waarlijk, het had ook niet gedonderd; maar wel had het karretje schrikkelijk over de keien gerommeld, waarmede Franske, weder een paar dagen later, met moeder het hek van “Land-heil” was uitgereden,—nadathijen moeder en ook het kleine Wimpje, elkander dikwijls hadden gekust, en zij met hun drieën ook weder hadden gehuild, misschien nog erger dan toen mijnheer Van Male zoo schrikkelijk bleek te bed lag.Hemel! hoe geheel anders was alles sinds dien rit met dat karretje geworden! De lezer zag reeds waar Frans belandde, en ’t heette nog om Godswil dat de oude Schorel—de komenijman—den jongen in zijn huisje ontving. Geertjes oude moeder, die, ofschoon zelve behoeftig, geen oogenblik had geaarzeld om haar ongelukkigedochter op te nemen, verzekerde evenwel dat Schorel, dien zij van jaren herwaarts kende, zijn menschlievendheid nimmer zoover zou hebben uitgestrekt, indien hij niet had berekend dat het liefdewerk hem ten slotte voordeel zou aanbrengen.Had Schorel immer wél gerekend, dan deed hij zulks toen hij de winsten naging, die drie boterhammetjes en een bord middageten per dag, hem zouden opleveren.Zoo’n jongen, goed gedresseerd, wat zou hij niet binnen korten tijd een voordeel aanbrengen en gemak bezorgen! De knecht die toch, behalve den kost, een gulden in de week verdiende, zou weldra kunnen gemist worden, terwijl zoo’n kind, ’t welk men aan zich verplichtte, bovendien beter te vertrouwen was.Nauwelijks was Frans veertien jaren oud, toen hij reeds de rechterhand van zijn baas mocht genoemd worden. ’t Kwam er weinig op aan dat de jongen erg uit zijn kracht groeide: beuren en slepen moest hij, ruim zoo veel als Kees de knecht zulks vroeger gedaan had.Op het oogenblik dat wij Frans wedervonden, was de affaire reeds voor het grootste deel aan zijne zorg toevertrouwd. Schorel stond zijn zeventigste jaar in te treden, en werd met iedere zon, die boven zijn komenij ronddraaide, niet alleen gemakkelijker voor zich zelven, maar ook lastiger voor anderen, inzonderheid voor den knaap, die “alles, letterlijk alles aan hem verplicht was.”Niet tevreden dat hij den jongen in den winkel drilde en bedilde, zoodat Frans somwijlen op één morgen de mosterdpotjes, of de bossen stokvisch driemaal een andere plaats moest geven, en gedurig scherpe verwijtingen moest aanhooren over de roekeloosheid waarmee hij doorslag gaf, stond Frans ook aan de bespiedende blikken van zijn weldoener bloot, wanneer deze in het kamertje naast den winkel zat en gestadig door het kleine raampje gluurde, niet zelden met zijn kneukels tegen het glas tikkende om den jongen tot zich te roepen, dien hij dan weder met een bevel van nullerwaarde terugzond.Maar, al had Frans een slaafsch en moeielijk leven; al had hij voor al zijn werken geen ander loon dan kost en huisvesting, benevens nu en dan eenige oude kleedingstukken van den grommenden en tevens wantrouwenden weldoener; al had hij reeds sinds eenige jaren elders gemakkelijk iets kunnen verdienen om zijn arme moeder—nadat grootmoeder vóór ruim tien maanden gestorven was—in haar behoeften te hulp te komen, hij getroostte zich alles, en durfde Schorel, althans tot nu toe, om geen geldelijke belooning aanspreken. Ten eerste: omdat deze hem zoo herhaalde en ontelbare malen aan zijn groote verplichtingen herinnerde, en ten andere dewijl Frans bij de weigering om het gevraagde, een storm voorzag, die hem uit de woning zou verjagen, waarin er zich nog eene bevond.... eene.... die.... die.... nooit grommig zag, maar altijd vriendelijk; eene, die nooit drilde of bedilde, maar steeds met liefderijke zachtheid onaangenaamheden zocht te voorkomen of uit den weg te ruimen; eene die niet één trek van den komenijman in haargelaat had, ofschoon ze toch zijn eigen kind was; eene, die oogen had, blauwer dan blauwsel; die blanker was dan de blankste stijfsel; zoeter dan suiker; zachter dan zeep; wier gemoed reiner was dan eenig lijnwaad met die extra puike zeep gewasschen, en op wier voorhoofd een gloed van helderheid lag, een helderheid waardoor het koperen vijfons werd verduisterd, zelfs, wanneer het juist van onder den poetslap te voorschijn kwam.Mathilde.... in de wandeling Thilde, bij heldere lucht Thilletje, en bij zonsverduistering Thilda, was Schorels eenige spruit uit een huwelijk, waar hij, volgens zijn eigen verklaring, op vijftigjarigen leeftijd bij abuis was ingeloopen.Er zijn oogenblikken waarin de verstandigste mensch als een dwaas handelt, en, in eigen oogen had Schorel méér dan dwaas gehandeld toen hij, om een luttel kapitaaltje te verkrijgen, eene vrouw nam, die den interest van dat kapitaaltje gedurende een driejarig verblijf als huisvrouw in zijne woning, met het kind dat zij ter wereld bracht en ’t welk hij nu reeds achttien jaar voor zijne rekening had, “ruimschoots had opgegeten of zoek gemaakt.”Was het dan om “de verplichting” in de eerste plaats, toch was de tweede oorzaak waarom Frans duldde en bleef, niet de geringste; want, behalve zijn moeder, die hij maar zelden kon bezoeken, was datzelfde meisje, het eenige wezen dat hij liefhad, in die groote stad... Lief...? Ja, dát was immers liefhebben, wanneer men ’t hart voelde kloppen zoodra men aan haar dacht; een kleur kreeg wanneer men zich met haar geheel alleen in de kamer bevond; zoo raar werd wanneer een ander heel vriendelijk tegen haar was, en toch wel had willen sterven als zij maar gelukkig werd...?Ja, Frans had Mathilde lief, en de kleine blonde voelde óók wel eens ’t hartje kloppen, en wist óók wel wat kleuren was, en—Maar Hemel! vader Schorel zat daar,—en wat keek hij weer grommig, en—wat gluurde hij door ’t winkelraampje naar den bediende zonder loon. Zie, daar stond hij eensklaps op; tikte vervaarlijk hard op het glas, en liep toen zoo gezwind mogelijk den winkel binnen... Hé! wat zou er gebeurd zijn..? Frans had daareven nog in den winkel gestaan, vóór het raam, en nu... neen, hij was er niet meer. Vader Schorel stond op de stoep, en zag rechts en links de steeg door, nu eens zijn bril dicht voor de grauwe oogen drukkende, dan weder er onder doorziende; maar half woedend trad hij weinige oogenblikken later in het vertrekje terug, bevende van kwaadheid, uitroepende: “Waar de ondankbare ezel nu gebleven is mag de Hemel weten! Is dát op mijn winkel passen; is dat voor mijn belangen waken!? ’t Is een ondankbare schelm; dat is ie!” En weer ging hij naar den winkel, en weer ging hij kijken op de stoep, doch er was juist veel volk en veel gerij in de steeg, en ook—de oogen van baas Schorel waren de oogen van vroeger niet meer.Frans, dien wij met zijne herinneringen voor het venster lieten, mocht nog eenigen tijd zoo in de blauwe luchtstreep hebben getuurd, toen een buitengewone drukte vóór de winkeldeur zijne opmerkzaamheid had gewekt.’t Waren twee rijtuigen die elkander in de nauwe steeg voorbij moesten, terwijl een aschkar benevens een kruiwagen met oudroest, den geregelden doortocht belemmerden.Frans zag, hoe de Israëliet met den kruiwagen een vervaarlijk gezicht tegen den vigilante-man trok, en al zijn krachten inspande om het nederig voertuig met het rad op een stoep te beuren, en hoorde, hoe de aschman op den anderen voerman schold, hem de “stommeteit” verwijtende waarmede hij in zoo’n nauw sloppie maar toereed, zonder te bedenken dat ’r noodwendig geharmel zou komen.Zooals gewoonlijk bij zulke voertuig-verstoppingen, kozen de voetgangers, die liefst in geen aanraking met vigilante of kar-raderen kwamen, hier een keldertrap en dáár een stoep, tot de paarden- en wagenknoop zou zijn losgewerkt: en zie, juist had Frans een meelijdenden blik op den armen Israëliet geslagen, die riep dat het “altijd phik op de nhasie was!” toen hij een achterhoofd te zien kreeg, waarop een hoed stond, en langzamerhand drie kwart van een neus, daarna een magere bleeke wang, totdat hij eindelijk een gelaat en profiel voor zich had: dat hem.... herinnerde.... maar neen.... en toch.... ja, toch....—’t Gezicht van Frans kreeg een andere uitdrukking; de oogen werden kleiner; langs de neusvleugels vertoonden zich ronde lijnen, de mondhoeken werkten naar boven, en juist op het oogenblik dat hij: “Ja, ja, hij is het!” riep, reed de eene vigilante ongehinderd rechts, en de andere links; smeet de aschman een paar huizen verder den vuilnisbak in zijn wagen; raapte de Israëliet een paar verroeste voetangels benevens een dito ketting van de straat op, om straks grommende zijn spijkers mede uit het straatvuil te redden, en—wipte de persoon dien Frans aan zijn profiel meende herkend te hebben, het winkelstoepje weder af, om insgelijks zijn weg te vervolgen.Geen vijf seconden later weerkaatste de aschkar een geroep van: “Hei! hei!” ’t welk langs het achterhoofd met den hoed in des eigenaars ooren klonk en hem onwillekeurig deed stilstaan.“Hei! hei!” riep Frans nogmaals en, toen hij den omzienden persoon nu vlak in het aangezicht zag, toen werden de oogen nog veel kleiner, en de lijnen naast de neusvleugels nog veel ronder, en werkten de mondhoeken nog sterker naar boven, en stotterde hij: “Zou het waarheid zijn.... zou ik mij niet bedriegen, dat jij.... dat u.... mijnheer Wimpje bent?”De vermoedelijke mijnheer Wimpje, beschouwde den zenuwachtig lachenden vrager alsof hij een krankzinnige voor zich had en een paar schreden achteruitgaande, sprak hij, terwijl er op zijn gelaat bijna iets angstigs te lezen was: “Mensch! wie ben je.... Ik ken je niet.”“Ken je mij niet.... Kent u Frans dan niet meer?” zei de zoon van Geertje: “Och! ik heb zoo duizenden malen gewenscht dat iku eens mocht weerzien. Och Mijnheer Wimpje! ik beef van blijdschap.”“Maar de d..... mag mij halen als ik weet wie je bent,” hernam de bleeke jonkman, terwijl hij ter zijde ging om den ratel van den aschman te ontwijken.“Frans! wel! wie anders dan Frans!” riep de opgetogen komenij-bediende: “Neen, ik bedrieg mij niet, u bent wel dezelfde, die evenals moeder en ik huilde toen wij, nu reeds méér dan tien jaren geleden, van elkander moesten scheiden; dezelfde met wien ik lezenenschrijven en rekenen leerde.... ja ik zie het aan dat litteeken dáárboven aan ’t voorhoofd, dat u mijnheer Wimpje bent dien ik uit de vuil-linnenkist verloste, toen—och! u weet wel—het deksel was dichtgeslagen en niemand het wist, en je bijna zoudt gestikt zijn.”“Hé! ben jij dan misschien, dat jongetje....?”“Ja wel, ja juist. Och, lieve hemel! weet u het nu?” riep de verrukte Frans weder: “mijne moeder heeft u te gelijk met mij gezoogd; ja, nog altijd spreekt zij van u; en ik....”“Hola vrindje! bedaar wat!” zeide de bleeke jonkman, die het schrikkelijkcommunvond om, ten aanhoore van eenige voorbijgangers, aan zulk een min fatsoenlijke zoogerij herinnerd te worden, en tevens de beweging van den jongen met het glimmende winkelschortje bespeurde, gereed om hem de hand te drukken: “Hola! daar zijn zooveel jaren over heengegaan en, je ziet wel dat ik je ’s gelijke niet ben.”Geheel anders dan voor weinige oogenblikken stond het gelaat van den armen zoogbroeder; ’t was alsof hem de tranen in de oogen kwamen; althans, zijn helderbruine kijkers zagen er uit als de dagen vóór Kerstmis; en de reeds uitgestrekte hand schielijk terugtrekkende, stamelde hij verslagen: “Och vergeef mij!.... maar zie.... ik was zoo verheugd; ik had zoo ontèlbare malen aan u gedacht, en telkens wanneer ik moeder bezocht, met haar van u gesproken.... en waar u toch gebleven zoudt zijn, want op de drie brieven die ze naarLand-heilzond, kwam in ’t geheel geen antwoord. Och! Wimp.... Mijnheer W.... neem mij niet kwalijk, maar ik was zoo verblijd, zoo verrast.... zoo.... zoo....” doch inderdaad drong nu het weemoedig nat de oogleden uit, en de bleeke jonkman, die zijn positie lastig vond—te meer daar eenige straatjongens met de handen op den rug het drama stonden aan te gapen,—maar toch iets voelde trillen van binnen, vraagde haastig:“Ben je arm, vrindje?”“Neen.... God zij dank!.... neen!” antwoordde Frans. “Ik heb mijn brood; en.... moeder.... Ja, God zal moeder ook wel helpen als ze maar gezond blijft.”Een wagen met ijzeren staven, die juist voorbijreed, maakte het den straatjongens onmogelijk om verder te hooren wat Frans zeide, evenmin als zij konden verstaan wat de bleeke jonkman sprak toen hij Frans iets toereikte; maar, wel zag er één, dat Frans gek genoeg was om nu op zijne beurt de hand thuis te houden, totdat een rommelende boerenwagen hen allen uiteenjoeg, en zij—bij het wederverzamelen—slechts één van de twee personen meer zagen; hem, die zich Frans noemde—die rondkeek, even vreemd als de jongens, om te ontdekken waar de ander gebleven was, en die eindelijk, telkens omziende en weer omziende, naar den winkel terugkeerde, om er, vol als hij reeds was, door zijn weldoener overvol gemaakt te worden.Inderdaad was de jongen nauwelijks de winkeldeur binnen, of hij voelde een uiterst verplichtenden draai om zijn hoofd, terwijl een aantal woordjes van een negatief-vleiende beteekenis hem in de ooren klonken.“Moet je weer, zooals altijd en eeuwig, je plicht en je verplichting vergeten.... zeg....?”“Vergeef mij baas Schorel, ik was....”“Een luiaard, een onverschillige, dát was je, ja! en dat ben je nog! Is dat de dank voor al mijn goedheid? Heb ik je niet honderd duizend en nog eens honderd duizend malen gezegd, dat de affaire een kind is, een heel klein kind, waarop gepast moet worden; gepast, zonder ’t zelfs het duizendste gedeelte eener seconde uit het oog te verliezen? En dan, de steeg inloopen, nietwaar....? en de Hemel weet wát de deur uitdragen....? We kennen die loopjes; en dan nog scheeve en fijne gezichten zetten! Zeg....! is dat dankbaarheid....? Zeg....? Neen dat’s verregaande,verregaandeen vermetele ondank! Ik zal....”“Maar hoor dan meester!.... ik zag ook.... ik wilde....”“Wat! wat! je moet niet zien, niets dan ’t geen je te doen hebt; enwillen, niets dan ’t geenik wil, hoor je?”Dat laatste “hoor je,” waarmede Schorel naar zijn winkelkamertje terugging, was dermate krachtig, dat Frans het niet waagde een woord meer te antwoorden; hij zette zich achter de toonbank; ging onsjes tabak afwegen—van ’t soort datverschrikkelijkmoet ruiken als ’t bevallen zal—en, al stond Frans met den rug naar zijn meester gekeerd, hij voelde diens blikken als langs hem heenglijden, zoodat hij door een geheimzinnige kracht zijn vingers bewoog, en telkens van een afgewogen onsje tabak, dat op de schaal lag, een greepje terugnam en in de ronde doos wierp.Frans zuchtte in den winkel. Meester Schorel gluurde door zijn raampje, en vraagde alras: “Zee je wat Thilda?” waarop de gevraagde: “Neen vader!” antwoordde, en ze had ook niets gezegd, maar halfluid gedacht: “Arme Frans!”’t Was in den avond van den vierden dag na het laatst verhaalde, dat eene vrouw, armoedig, doch rein gekleed, Schorels winkel binnentrad.Frans was om een boodschap gezonden, en de komenijman, die dus zelf de wacht moest houden, kwam voor.“Ha! zoo! ben jij het vrouw Willems! moet je weer ’t een en ander?”“Och, neen,” was het antwoord van Willems zoogmoeder, die wij na zooveel jaren heel wat veranderd, dat is: verouderd, vermagerd en verbleekt wederzien: “Ik moet mijn Frans, mijn jongen, noodzakelijk spreken. Ik ben er puur van geschrikt, dat ben ik, ik wist niet wat het was, en waar ’t van daan komt, weet ik nog niet. ’t Is van belang!”“Waar ’t vandaan komt....! Van belang....?” zeide Schorel, en achter zijn brilleglazen blonken een paar dingen als gewasschen krenten.“Ja waarlijk baas Schorel,” hernam de weduwvrouw: “reeds had ik het waschgoed uiteengezocht, toen ik, zonder erg, nogmaals het boezeroentje opnam, en u kunt begrijpen, ik stond te kijken alsof ik droomde. Zou Frans.... zou de goede jongen, zoo dacht ik, mij willen verrassen, of ’t hebben vergeten? Och, maar in elk geval heeft hij het aan uwe goedheid te danken, baas Schorel! Ei, neem toch niet kwalijk dat ik wel eens van loon heb gesproken; maar ziet u, ik wist ook niet... en ja.... de verdiensten zijn zoo gering, en zoo ik niet vier dagen ’s weeks vast werk in ’t logement had, dan zou het er bitter en bitter uitzien.”“Maar wat? maar wat toch?!” riep Schorel ongeduldig: “Ik begrijp er geen woord van.”“Wel, zie dan, zie dan!” sprak vrouw Geertje, en haalde uit haar zak een papiertje te voorschijn, waarop prentjes staan, waartegen de meeste menschen, vooral de arme menschen, lachen, o zoo vriendelijk lachen wanneer zij ze onder de oogen krijgen.Maar Schorel, neen, hij lachte niet; hij trok een gezicht alsof hem een duiveltje bij de keel had. Op gevaar van scheuren af, greep hij het papiertje; trok het der ontstelde vrouw uit de hand, en riep na eenige oogenblikken van pijnlijke stilte:“Daar heb je de adder; daar heb je het galgenaas! En dat is jou jongen, hé! dat is nu die engel van trouw en van deugd, hé....! Vervloekt mag ik wezen,” piepte hij akelig: “vervloekt, zoo dat monster ’t mij niet heeft ontstolen. Hier hier!” en met een zenuwachtig grijnzend gelach hield de man het muntbiljet van tien gulden omhoog, alsof hij vreesde dat ’t hem weer ontnomen zou worden; liep er het winkelkamertje mede in, en, nadat er slotgedraai was vernomen, keerde hij weder, en stotterde, schier berstende van woede:“Geen uur zal ie langer in mijn huis blijven.... geen minuut.... geen seconde....!”Juist op dat oogenblik werd de deur geopend, en kwam Frans schier bezwijkende onder den last van een vaatje, ’t welk hij droeg, den winkel binnen.Wij zullen u niet in al zijn kleuren het tooneel schilderen, dat thans in den winkel ging plaats grijpen! Ge zoudt zeker geen behagen vinden in ’t aanschouwen van een grijsaard die, op een bloot vermoeden alleen, tot duivelswoede vervoerd werd. Ge zoudt partij willen trekken voor den armen knaap die, rein van diefstal, geenoogenblik kan vinden om zich te verontschuldigen, terwijl hij zelf verbaasd is over hetgeen zijn moeder in een, van hem ter reiniging ontvangen kleedingstuk vond? Ge zoudt medelijden hebben met eene moeder die jammert, omdat ze nietkanmaarmoetgelooven dat het eenig pand harer liefde, het kind dat ze het goede steeds voor oogen hield, een dief, een onwaardige is! Afgrijzen zoudt ge gevoelen voor den grijsaard, die zijn eenig kind een stoot toebrengt, omdat zij den jongen vóórspreekt die niet schuldig kan zijn, dewijl hij braaf en trouw is, en dienzijlief heeft.Nog dien zelfden avond volgde Frans zijne moeder, en ze gingen naar het kleine kamertje, ’t welk door de laatste bewoond werd, en ze konden volstrekt niet spreken, want ach! ze waren zoo bitter bedroefd.Wat Frans, tot bedaren gekomen, in den aanvang ook giste, de waarheid vermoedde hij niet; en de moeder allengs meer tot de overtuiging komende dat haar lieve jongen onschuldig was, toonde hem het boezeroentje:“Zie! zóó!” had ze het opgenomen. “Zie zoo!” had ze zonder erg, dat achterzakje omgekeerd. “Zie je” heeft ze vervolgd: “toen vielen er twee vertinde spijkertjes uit.... kijk, ’k heb ze nóg in dat kommetje liggen; maar ook—och, ik had er eerst geen erg in—fladderde het noodlottige briefje naar beneden, en of ik ook dacht dat ’t beter geweest ware indien je ’t in specie had gezonden, omdat het zus of zoo er in was gebleven en misschien met wasschen verloren gegaan, ik was toch boven de huizen van blijdschap, en nu....”Maar Frans legde zijn hoofd in de beide handen, en dacht aan vergissing; aan vergissing bij ’t beuren; of, dat hij gewisseld had; of, dat het toevallig.... maar neen, dat kon niet; of dat mijnheer Wimpje—wiens ontmoeting hij aan zijne moeder mededeelde—misschien in de verwarring.... maar neen, die was veel te onvriendelijk en op een afstand geweest; of dat Mathilde.... zij.... ja—zijmoest het hem voor een tegemoetkoming daarin hebben gestopt, omdatzijhet naar vond dat hij voor al zijn werken geen stuiver op zak kreeg; maar toch, van waar kreeg zij ’t zelve....? Eén gulden, ’t was mogelijk! maartien! Of zou zij ook....? Maar, neen, neen! oneerlijk! dat kon niet; de lieve Thilde! neen!—Wat dan....? Frans wist het niet, en bleef met zijn hoofd in de hand daar zitten, en wist evenmin wat hij nu moest aanvangen. En moeder wist het ook niet, te meer daar de nijdige Schorel verklaard had, te zullen waken dat Frans—die schelm en ondankbare,—niet elders den dief meer zou spelen.En waarlijk, Frans geloofde dat die oude en zoo wantrouwende man een geheimen invloed uitoefende, die alle pogingen, welke hij in het werk stelde om elders een dienst te bekomen—zoo mogelijk een loondienst—telkens verijdelde. Inderdaad echter lag de oorzaak, waarom men den knaap overal terugzond, in hemzelven. Waarom? Niet omdat Frans een ongunstig voorkomen had nog minder omdat hij zijn woord niet kon doen. Neen, omdat Frans zoo’n last vankleurenhad.“Zoo! wou jij ’en dienst, vrindschap! En ben je bekwaam voor de zaak?”“Ik vertrouw, mijnheer! dat ik wel voldoen zal.”“Nog al vlug om de klanten te helpen? Vlug in ’t rekenen, nooit vergissen met geld weergeven?”“Dat schikt genoeg mijnheer.”“Zoo en dat tegen Mei, hé?”“Liefst Februari mijnheer! maar Mei, als ’t niet anders wezen kan”“En waar heb je ’t laatst gediend?”“Bij meester Schorel mijnheer!”“Schorel....?”“Om u te dienen; in de G....steeg. Och mijnheer! die had mij als kind opgenomen, en ik ben er al gebleven; ook uit dankbaarheid voor kost en inwoning, weet u.”“Zoo! En waarom ben je daar weggegaan?”Een vreeselijke kleur! en de woorden:“Ja, ziet u.... meester dacht.... weet u.... dat ik tien gulden... maar God weet dat ik onschuldig ben.”Een bedenkelijk gezicht!“Ei! zoo! Ja, zie je... ik zal er eens over denken; maar ik geloof niet dat mijn bediende vertrekken zal, weet je, ik heb eigenlijk geen directe behoefte.... We zullen zien....”“Mag ik dan over een paar dagen eens terugkomen?”“Ja weet je, dat hoeft niet, dan zal ik ’t je wel doen weten. Je woont....?”“In de D...steeg, Nº. 90.”De deur wordt geopend; een aanwijzende blik om te vertrekken.“Zooals gezegd is.”“Zal u dan alsjeblief om me denken....?”“Zooals gezegd is.” En de deur valt achter den jongen dicht.... en, nooit zal hij in dien winkel achter de geldlade staan.Dat ongelukkig kleuren! wij beklagen hem of haar die er zoo schrikkelijk veel last van heeft, en bidden ieder: “Veroordeel toch niet om het kleuren!”Voor eenige oogenblikken verlaten wij den armen ongelukkigen jongen, om zijn zoogbroeder Willem Van Male weder te vinden, die in de vroolijke K...straat sedert eenige weken een paar sierlijke kamers bewoont.In een fraaien en gemakkelijkenVoltaireligt Willem, en in zijn hand houdt hij een van die puikproducten der Fransche letterkunde, een roman van dengrootenPaul de Kock!Hij houdt het boek in zijn handen, maar toch op dit oogenblik leest hij niet. Hij is ingeslapen; ingeslapen, terwijl de pendule hettweede uur na den middag doet klinken, en het elfde uur na middernacht den jongeling nog op zijn legerstede in de armen van den slaap vond.Hij moet wel zeer vermoeid zijn. Inderdaad, mocht de bleekheid van den zoogbroeder, den voormaligen speelmakker van Frans, reeds onze opmerkzaamheid bij de ontmoeting in de G... steeg wekken, nu hij daar slapende in zijnVoltaireligt, en zijn gelaat tegen de, met rood trijp bekleede leuning uitkomt, nu treft ons die doodelijke bleekheid nog sterker, en merken wij nog meer de magerheid zijner gelaatstrekken op. Ja, hij moet wel verschrikkelijk vermoeid zijn en afgemat want zooals hij daar ligt, bleek, mager, met den geopenden mond, is het waarlijk een gezicht om van te griezelen, en, lezer, gij herinnert u levendig dien broeder, dien neef of vriend, toen gij hem die laatste maal zaagt.... gij weet wel, in die kamer waar ’t zoo somber was.En toch, de jongeling slaapt niet zooals een der laatstgenoemden; neen, zijn geest woont nog in hem, maar ook die geest heeft veel geleden, ook die heeft vermoeienissen doorgestaan, en is door nijdige prikkels als afgemarteld. Willem Van Male slaapt. Hij slaapt, het kind door een paar minnende ouders van God gebeden; het kind dat zijn schat verloor toen hij zich-zelf niet bewust was: een engel, een wakende moeder; hij slaapt, de ongelukkige zoon van een vader, die geen kracht bezat om het leed hem opgelegd, met kalmte te dragen; die wel het kind dat hij minde, vóór ’t scheiden aan de hoede van haar had aanbevolen, die hij als een trouwe en waardige plaatsvervangster—ofschoon ook gering naar de wereld—had leeren hoogachten, doch geen voorzorgen nam om de rechten te doen handhaven, welke hij aan haar tot het welzijn vanzijnkind geschonken had; hij slaapt, de jongeling die het slachtoffer van hebzucht en zonde moest worden; die, door God met gaven des geestes bedeeld en met een hart vatbaar vooral wat edel en goed was begiftigd, gedood moest worden; gedood naar de ziel, om een lichaam te kunnen vernietigen, welks bestaan een nietswaardigen bloedverwant om ’t bezit van des jongelings geld, een doorn in het oog, een hinderpaal tegen eigen zondige grootheid was.Een moord is iets akeligs; een moord in koelen bloede gepleegd, wie beeft er niet van? Maar een zedelijke moord, die tevens het lichaam naar den grafkuil voert, een zedelijke moord in koelen bloede, een moord van dagen en maanden en jaren, wie ijst niet op het denkbeeld er van; en och! of het getal dier zedelijke moordenaars gering ware, al steken ze niet allen in een blinkend gewaad van een toegevenden, vroolijken, maar inderdaad geldzuchtigen voogd!En wie, wie is hij, die moordenaar?’t Is Joost Van Meerle, de mooie heer met den gouden rok, die bij Van Males bed stond, en een gezicht zette alsof hij lachte toen deze, ruim tien jaar geleden, gestorven was. Joost Van Meerle, de zoon van Adolf Van Meerle, wiens overleden tante eendochtervan Willems moeder was. Joost Van Meerle, die met zijn vader,na Van Males afsterven, de eenige bloedverwanten—de eenige erfgenamen—van den wees waren, Joost, die tot voogd werd benoemd terwijl zijn vader de toeziende voogdijschap zou waarnemen.Of de oude Van Meerle inderdaad kennis heeft gedragen van de wijze, waarop zijn zoon zich van de heilige hem opgelegde taak kweet....? Wij durven zulks niet metjaonderschrijven. Gewis hij ware verplicht geweest nauwlettend toe te zien; maar.... wij kunnen niet gelooven dat hij, de grijsaard, zoo eerbiedwaardig van gelaat, een heler der boosheid zal geweest zijn, en vertrouwen liever dat de oude Van Meerle, die als gepensionneerd majoor, zijn laatste levensdagen in een stil Geldersch dorp doorbracht, de geaardheid van zijn eenigen zoon niet zal verdacht hebben, en een treuriglaissez-fairevan zijne zijde, alzoo de moordende voogdijschap van zijn zoon zal hebben bevorderd.Gij weet het, lezer, wát de zoon beoogde en wáárop hij loerde? Hij, eerste luitenant zonder vermogen. Willem zijn pupil, en,—erfgenaam van de, inderdaad niet onaanzienlijke, nalatenschap zijner ouders!Joost Van Meerle was het geweest die Geertje Willems, in weerwil van haar dringende beden, haar plechtige verklaringen en waarachtige rechten, als een gewone dienstbode had weggezonden, om—den armen wees een liefderijke verpleegster, een wakenden engel te ontrooven, en, zich zelven van een lastig paar oogen te ontslaan.Land-heilen al de verdere roerende en onroerende goederen waren spoedig verkocht geworden, en Willem, die weldra door al het vreemde, dat hij te zien kreeg, de genoegens en vrienden der eerste jeugd vergat, volgde zijn neef en voogd naar diens garnizoen, en ontving er een opvoeding.... zoo pleizierig en vrij, dat wie ook ten nadeele van neef Joost hadde gesproken,hijsteeds als kampvechter voor hem zou zijn opgetreden.“Vrijheid! blijheid!” deze zoetklinkende woordjes legden in het kinderhart een treurig fondament voor degelijkheid en gepasten ernst! Toch moest er geleerd en—de wereld geblinddoekt worden. Ja, Willem ging ter schole en kreeg zelfs huislessen; doch, wie kinderen naar school zendt met de bovengestelde leuze, hij heeft een achterdeurtje opengezet, waardoor het ontsnappen niet moeielijk valt. Alles gaat trapsgewijze; en ook de vorming en opleiding van den jeugdigen neef ging trapsgewijze; maar ach! ze waren zoo heel ver vanéén die treden—zoodat de opklimming met een gestadig vallen gepaard ging.Zoudt ge ’t gaarne beschreven zien, hoe de lagen werden gelegd om den zedelijken moord, bedekt, en toch zéker te plegen? hoe schier iedere garnizoens-verwisseling van den luitenant, welke Willem—tot zijn gevolg behoorende—medemaakte, ook een nieuw genot aanbracht, dat hem al meer ten verderve voerde? Wilt ge hem zien op nog jeugdigen leeftijd aan de hand der dronkenschap, aan de hand der verleiding? Neen! gij begeert ze niet inhaar naaktheid te zien die wanden, waarbinnen de steeds glimlachende voogd, louter om de grap, zijn offer ter slachtbank sleept;—gij wilt het niet, en hebt deernis met den zoogbroeder van Frans, die, ofschoon door hoogmoed beneveld en door zijn levenswijze schier vernietigd, toch getoond had hoe zijn van nature gevoelig hart nog niet geheel in hem verstompt werd. Hij toch was het geweest die den armen Frans, ofschoon ongaarne verder met hem in aanraking komende, niet zonder een kleinigheid van zich liet gaan, en de wagen-confusie in de G.... steeg had te baat genomen om den armen jongen het muntbiljet in zijn boezeroen-zakje te stoppen, terwijl hij zich daarna flukslangseen rug, enbezijdenden rommelenden boerenwagen, uit de voeten had gemaakt.Ja, gij hebt medelijden met den armen knaap, die daar zoo akelig in zijnVoltaireligt! Gij hebt medelijden met hem, die, omringd en in ’t bezit van alles wat aardsch genot kan aanbrengen, veel armer dan Frans, zijn arme zoogbroeder is; veel ellendiger dan de ellendigste bedelaar, die niet zonder God gedankt en Gode zijn geest te hebben aanbevolen, zich des avonds op zijn hard leger te slapen legt.De minuutwijzer der fraaie pendule had weder een cirkel beschreven, toen Willem nog even akelig daar zat, en de kamerdeur werd geopend.’t Was Joost Van Meerle, die binnentrad. Zijn voorkomen, wel verre van een onaangenamen indruk te maken, had iets flinks, we zouden haast zeggen: iets edels. Een hoog en helder voorhoofd, zwart krullend haar, een paar levendige bruine oogen, een fijn besneden neus, benevens een kleinen mond, die in de gitzwarte knevels en baard als verscholen lag, vormden een inderdaad niet onbehaaglijk geheel. ’t Is een ontegenzeglijke waarheid, dat er in de zes verschillende garnizoensplaatsen, waar de luitenant Van Meerle woonde, nog menig maagdenhartje zuchtte, omdat Van Meerle het geheel beheerschte.Ach! waarom zijn niet alle booswichten leelijk! en waarom de zwarte, die roetzwarte harten, niet even zichtbaar als een zwarte krulkop....?“Wél geslapen, mijn jongen?” roept de luitenant bij het binnentreden.... doch zie, daar valt zijn slapende pupil hem in ’t oog; eenige oogenblikken beschouwt hij hem aandachtig, en ’t is alsof diezelfde lach van vroeger hem weer om den knevel speelt.“Wat d....” spreekt hij eindelijk (de lezer zal ons voorzeker dankbaar zijn, indien wij telkens die wederkeerende woorden vankracht(?) achterwege laten) “slaap je nu weer? Mij dunkt, van vieren tot tienen of elven heb je een heelen deun kunnen maken. Hei! heila! Willem! is dat luieren; weet je niet dat Napoleon nooit meer dan zes uren sliep?”De jonge Van Male ontwaakt. Verbaasd ziet hij op; zijn oogen staan dof, en ofschoon zijn gelaat er thans niet zoo akelig uitziet als daareven, toch zijn de oogkassen geteekend, en werken de jukbeenderennaar voren, en is de gelaatskleur nog even doodelijk wit.“Ha! neef! bent ú daar!” zegt Van Male, en na vreeselijk te hebben gegeeuwd, herneemt hij: “Ik weet niet hoe ik zoo loom kom; ’t werd eergisteravond nog later dan gisteren; en toch was ik gisteren op den dag niet half zoo moe.”“’t Vervelende weer!” roept de voogd: “Zoo’n mistige kou maakt altijd landziekig.—Zeg, heb je nog van die gele....? Wel, vent! dat frischt zoo op.—’En fijn avondje gister....!?”Van Male werpt turf en hout op den haard; gaat naar een buffetkastje, krijgt het bedoelde citroenbitter met twee glaasjes, schenkt in, en zich daarna met den voogd bij het vuur zettende zegt hij, in antwoord op de laatste vraag:“Dat zou ik meenen; ’t was er heerlijk!”“’k Behoef niet te vragen of de hoofdstad aan neefje bevalt,” lacht de vroolijke voogd: “je treft het vrindje, dat neef hier bekend is.—Wat zijn je plannen?”Bah! wij toeven niet langer; wij laten hun plannen vormen, of wel, wij laten den voogd het zijden net aan den jongen toonen, waarin hij hem zacht maar zeker denkt te vangen; wij gaan,—en treden eenige dagen later, het kamertje van Geertje Willems in de D....steeg binnen.’t Is laat, zeer laat; de torenklok heeft reeds lang geleden ’t gebrom doen hooren alsof zij viermalen riep: “Ga—naar—bed!” maar vrouw Willems heeft nog niet kunnen besluiten om het groote karpet ter zijde te leggen, ’t welk zij moet oplappen voor het logement—waar ze als werkster driemalen in de week een dag mag helpen—en Frans, die zich, na zooveel mislukte kruideniersreizen, mede als loopbediende door zijn moeder den logementhouder liet aanbevelen, maar door de openhartige mededeeling van het gebeurde bij Schorel, alweder was teleurgesteld, hij zat nu—omdat het lampje maar spaarzaam brandde—zeer nabij zijn moeder, en las haar voor uit het Woord des levens.Eindelijk zweeg Frans, en de moeder bleef ook zwijgen; en het kacheltje zweeg ook, omdat er geen vonk meer in was, en Frans staarde strak op het werk zijner moeder, en—zuchtte.“Kom Frans, eet die snee brood toch op!” zei Geertje eindelijk: “heb je dan alweer geen honger?”“Neen moeder, waarlijk, ik heb geen honger,” antwoordde de zoon.“Maar ben je dan ziek mijn jongen?” hernam de werkende vrouw, even opziende: “Den heelen dag niets dan wat schrale aardappels!.... je waart anders zoo hongerig wanneer je Zondags eens thuis kwaamt, en nu sinds den tijd dat je hier bent.... Kom, ’k zou nu die snee maar eens nemen.”“Neen stellig, ik dank u!” antwoordde Frans, en of het door ’t staren op moeders stopwerk kwam, of door iets anders.... althans, ’t werd vochtig in zijne oogen.“Kom, Frans! wees zoo mal niet!” sprak moeder Geertje weder, die nogmaals had opgezien, en aan dat vochtige een andere oorzaak toeschreef: “ik heb immers ook gegeten en al is er voor morgen niet, je hebt daar straks gelezen: “Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien noch maaien; welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt ze nochtans: hoeveel gaat gij de vogelen te boven?” Toe Frans, eet maar, en blijf met mij vertrouwen; vertrouwen met de biddende gedachte, die mij ook in vroegere jaren kracht schonk: “God is een helper van weduwen en weezen.”“Maar lieve moeder, hoe kan ik.... hoe mag ik....” klonk nu de stem van Frans, aan wier bijzondere trilling vrouw Geertje wel kon bespeuren hoe overvol zijn gemoed was: “Ben ik u niet tot last; is dat brood niet het brood dat u zuur hebt verdiend? En ik, wordikniet geschuwd en veracht, omdat.... neen, hoewel iknietschuldig ben....? Moeder! wat brachtiku aan? Al meer dan veertien dagen spaart u ’t weinige dat je hebt uit je eigen mond. Moeder! lieve moeder! dat kan, dat wil ik niet dulden. Bedelen.... neen...! maar toch, zóó kan het niet blijven. Zeg, moeder.....! wat dunkt u.....? dienst nemen..... zeg..... of anders....” en de blik van den armen jongen verkreeg meer helderheid: “of anders.... zooals vader eertijds deed, werken! werken op het land bij de boeren! naar het dorp terugkeeren waaraan zooveel heerlijke, maar ook zulke droeve herinneringen verbonden zijn? Moeder! wat dunkt u! Misschien woont de zoon van uw weldoener er nog, diemijwel ontweek, doch, zoo hij u wederzag, wellicht medelijden zou hebben, omdat gij hem zelf gezoogd hebt. Daarheen gaan, moeder! U met mij; en deze stad verlaten, waar alles duur is; waar u wel werk hebt, doch waarikzou moeten bedelen; waar niets is, niets....!” doch eensklaps hield Frans op met spreken, en staarde in het flauw brandende lichtje, en wierp het hoofd in de beide handen terwijl een tranenstroom langs zijne kaken vloeide.’t Kostte der goede moeder heel wat inspanning om haar Frans tot bedaren te brengen; want ach! zij wist niet dat er wel iets in die groote stad was, hetwelk den knaap als met krachtige banden binnen hare muren terughield; zij wist niet dat het kind van den man, die haar jongen in ’t ongeluk bracht, hem dierbaar, zoo onuitsprekelijk dierbaar was.Moeder Geertje had haar arbeid gestaakt; ze was diep bewogen; niet zoozeer om het weinige dat haar deel was, dan wel om de droevige uitbarsting van haar goeden en miskenden jongen. Met verstand die pijnlijkegemoedsstemmingwillende verzachten, sprak ze nog altijd opbeurende woorden in den geest van haar Meester, “die de armen naar de wereld lief heeft, mits zij rijk zijn in Hem.”Inderdaad herkreeg Frans aldra zijn kalmte, en—ja, ofschoon hij die plannen haar zelve had voorgelegd, het deed hem zoo goed,uit haar mond te hooren datzij’t beter oordeelde om samen te blijven waar ze waren; ja, hij had haar wel om den hals willen vallen, toen ze met moederlijke bezorgdheid—och, ze had ook maar één kind!—van de gevaren sprak, die hem in den dienst zouden omringen, terwijl ze dan wreed van hem zou gescheiden zijn.... zij, die er op de wereld maar één meer had dien ze liefde toedroeg: “Eén!” en bij dát woord zuchtte moeder Geertje, en vervolgde iets zachter dan ze tot hiertoe gesproken had:“Ach! Frans! als ik aan hém denk, aan het lieve kind dat ik tien jaren lang bijna als een tweelingbroeder van jou, mijn jongen, heb lief gehad; dat ik troetelde en koesterde, haast zonder te bedenken dat een ander hem het leven schonk; aan hém, voor wien ik den vader bij eede beloofde te zullen waken en zorgen, maar die mij als met geweld van ’t hart is gescheurd, misschien omdat ik hem lief had en bidden leerde; ja, dan voel ik bij de smart, niet om het gemis van wereldsche goederen, maar bij de smart, dat ik gedwongen werd een heilige gelofte te breken, dat ik ook hém nog lief heb dien ik, als jou met mijn leven voedde. Zie, in weerwil dat nimmer vanLand-heileenig antwoord tot mij kwam, had ik het kleine Wimpje lief, want het arme schaap kon toch niet helpen wat zijne verzorgers deden; en nog! zelfs na de ontmoeting die jij met hem hadt, gevoel ik dat ik gelukkig in zijn nabijheid zou wezen, maar—tot hém gaan en mij nogmaals aan de verregaande ruwheid en onzinnige woede van dien luitenant Van Meerle blootstellen, neen Frans! dat kan, dat wil ik niet. Wie weet ook ofLand-heilnog wel door mijn zoogkind bewoond wordt; licht trok hij naar elders; en zoohijer niet is voor wien ik slechts bidden kan, wat zouden wij dan in het dorpje beginnen? Hier, in de stad mijner geboorte, had ik tot heden nog brood; maar dáár....! Op het land werken, zie, ik zou het niet meer kunnen, enjijzoudt er evenmin geschikt toe zijn. Och, wie zou zich het lot der arme aantrekken, zoo zij niet meer werken kon, de arme weduw van Peter Willems, die al twintig jaren vergeten op het kerkhof ligt....”Toen de moeder, die zonder het zelve te weten zoo geheel in den geest van haar kind had gesproken, hem zwijgend aanzag, terwijl er in den blik, waarmee zij hem beschouwde, een aantal vragen waren opgesloten, stond Frans van zijne zitplaats op: naderde de dierbare vrouw, sloeg den arm vertrouwelijk om haren hals en fluisterde, na eenig aarzelen, een lange, een zoete, en toch zoo pijnlijke bekentenis, die der goede moeder ten slotte verbaasd: “Mathilde Schorel....! Frans! is het mogelijk!” deed uitroepen.“Ja! moeder! ja!” hernam de jongen: “och! ik heb het u steeds verzwegen, omdat ik geen moed had de geheimen van mijn hart in woorden te brengen; maar nu, nu moet je het weten; ja, omdat ik ter wille van haar, ter wille der lieve Thilde, ook vurig wensch in deze plaats te blijven. Och, en zij,” vervolgde Frans, terwijl een blos zijne kaken verfde: “ookzijzal het zoo vurig wenschen; want, al zeiden wij elkander nooit wat er in ons binnenste omging, in hare oogen heb ik toch vaak gelezen dat ze mij lief had zooalsik haar liefde toedraag. Moeder!númoest je het weten, om u mijn vermoeden te kunnen openbaren, dat misschien zij.... dat geld....! Wat dunkt u.... zou het mogelijk zijn....?”Vrouw Geertje had het gehoord, en ze laakte het niet dat Frans nog een andere nevens haar lief had; alleen die liefde wekte haar bekommering. Frans—die geen cent bezat, en zelfs geen werk kon bekomen, beminde de dochter van den ouden Schorel! En—nadat de moeder eenige oogenblikken stilzwijgend had vóór zich gezien, bracht zij zich de laatste vragen van Frans te binnen, en antwoordde, niet te weten wat zij denken moest, maar vast te gelooven, dat Thilde, zoo zij hem werkelijk lief had, en hem het muntbiljet had toegestopt, dat zij dan ook zeker, na die treurige uitkomst, de waarheid aan ’t licht zou brengen.De juiste aanmerking der moeder bracht Frans weder aan ’t twijfelen; eerst over ’t geld, of Thilde wel inderdaad de geefster zou geweest zijn, en later toen hij toch niets anders voor waarheid kon houden, terwijl het beeld van den stuurschen zoogbroeder geheel en al door dat der bevallige Thilde werd verdrongen, toen twijfelde hij aan—hetgeen hij in hare oogen zoo vaak had gelezen—aan Thildes liefde; want, moeder had gelijk; zoo zij hem waarlijk liefhad, zou zij de waarheid aan ’t licht brengen; en, meer dan veertien dagen waren voorbijgegaan,—en Thilde had volstrekt niets aan ’t licht gebracht.—Frans bleef strak voor zich uit staren, en at de snee brood niet die moeder voor hem had neergezet.Zoo goed mogelijk had moeder Geertje in een hoek van ’t kamertje een slaapplaats voor haar jongen in orde gebracht, en daar de olie in haar lampje niet noodeloos verbranden mocht, pakte zij Frans bij de hand, drukte een zoen op zijn voorhoofd, en na de woorden: “Kom mijn jongen, we moeten gaan slapen, met een nieuwen dag zal God weer licht en ook raad verschaffen,” blies zij het olievlammetje uit, en sloeg juist de handen aan haar kleeding om zich, op ’t gevoel af, er van te ontdoen, toen zij vreeselijk ontstelde, en met een bevende stem haar jongen toefluisterde:“Frans! Frans! hoor je niet, daar wordt op de deur geklopt...?”Zooals Frans, geheel in zich zelven gekeerd, daar nog stond, was het geluid dat de moeder deed ontstellen, ternauwernood door hem opgemerkt.“Geklopt....!” riep hij, mede verrast, doch nauwelijks had hij. gezegd: “Stel u gerust, moeder, de wind zal hier of daar een luik hebben dichtgeworpen,” of nogmaals en duidelijker klonk nu het geklop op de deur en tevens een zachte stem die het “Doe open!” deed hooren.“Hemel! wat zou het zijn?” sprak moeder Geertje zacht, terwijl zij steeds angstig: “Mij dunkt Frans, ’t is alsof hij die buiten staat zijn stem verdraaide. Hoor, daar heb je het weer.... een verfijnde mansstem. Frans, wij zullen ons stilhouden. Hemel! zoo laat in den nacht!”Ofschoon onze vriend niet in den vollen zin des woords een held mocht heeten, zóó kleinmoedig was hij toch niet dat hij zougeaarzeld hebben om achter een welgegrendelde deur te vragen,wiehet was die buiten stond en waarom hij verlangde te worden binnengelaten.

Het is stil in het vertrek waar wij onzen lezer binnenvoeren.

Stil! zeer stil!

Alleen het eentonig getik der fraaie pendule die, in het midden van twee bronzen engeltjes, op den schoorsteenmantel prijkt, breekt die stilte af, of, doet haar des te sterker uitkomen.

Een zwaarlijvige vrouw met een goedig gelaat, zit op den achtergrond in diep gepeins..... Zóó diep, dat ze er geheel in verloren is. Naast haar staat een voorwerp dat aan “’t begin” doet denken, een meubel, dat met een kleed werd omhangen, waarvan de kleur die der hope is; een meubel, ’t welk op de koontjes der verloofde maagd niet zelden een blosje te voorschijn roept en den jongen man het hart met hoop voor de toekomst vervult; een meubel, dat voor de eerste maal in zoo’n stille rustige kamer geplaatst, doet lachen en roemen, en voor de.... maal1daarbinnen gebracht—er zijn uitzonderingen—doet voorhoofdrimpelen en grommen.

Bij die zwaarlijvige vrouw staat een meubel, waaraan men van buiten heel wat geweld pleegt; dat meestal ontzettend gesleurd en ijselijk getrapt wordt om het inwendige tot rust te brengen; een meubel, ’t welk die zwaarlijvige gaarne, al ware het ook voor de twintigste maal, weder gevuld ziet; gevuld, omdat die vulling in een ongewoon nauw verband staat met de gevuldheid van haar tamelijk grooten knipbuidel; terwijl het ten laatste gevoeglijk de tweelingzuster der braadkindermachine mag genoemd worden, die men in de wandeling: een vuurmand noemt.

Ja, wij bevinden ons binnen een kraamkamer, die met de grootste zorg werd ingericht.

Sla den blik in ’t ronde; hoe fraai, hoe gemakkelijk is er alles.

De zwaarlijvige zelve ligt in een prachtigenVoltaire! Zie, hoe alles wat zich binnen dat vertrek bevindt een eigenaardig—wij zouden haast zeggen: een kraamkamerachtig karakter heeft, totzelfs het porseleinen transparantplaatje, dat het licht der vlammende waspit moet temperen: Zij geeft het beeld van een biddend kindje, en lees wat daaronder staat:

Lieber Gott! mach mich doch fromm,Dass ich in den Himmel komm.

Lieber Gott! mach mich doch fromm,

Dass ich in den Himmel komm.

Stil! de kleine slaapt, de teedere jongen die den eersten levenskreet liet hooren, toen de wijzers van het uurwerk de laatste maal nagenoeg in dezelfde richting stonden als ze nu staan. Hij rust.... ja, degelijk rust hij na de gevaarlijke kunstbewerkingen, die de zwaarlijvige hem deed ondergaan; hij rust, en gelukkig! want hoe jong hij ook zij, reeds moest hij ondervinden dat er in ’t leven veel droevigs is.

Daar zijn luiers, spelden, vuurmanden. Zij knellen,prikken, branden?

Stil! ook de dikke slaapt, en ze droomt dat ze een vorstentelg bakert; en droomende glimlacht ze, en, droomende scheukt ze de schouderbladen.

Stil! daar links staat het groote ledikant. Ook zij, die den eersten levenskreet van haar lieveling vernam—zij slaapt.

Wilt ge die zware gordijn ter zijde schuiven om de gelukkige slapende te beschouwen; wenscht ge haar schoon, maar bleek gelaat te zien, waarop de glimlach van innigen dank staat te lezen....?

Wilt ge....? Doch neen, laat af! Hoor.... daar klinkt een voetstap op het portaal. De deur wordt geopend; de jonge vader treedt het vertrek binnen. Wat ziet hij bleek! Hoe dof staan zijn oogen! Hij nadert het wiegje van zijn eerstgeborene; het kleed wordt opengeslagen; het wichtje slaapt, en toch—toch vat hij het in zijn armen; hij kust het, en kust het weder. Een pijnlijk kreetje ontsnapt den mond van den kleine—liefde geeft dikwerf pijn.—Eensklaps sluit hij het kind aan zijne borst; werpt een dekkleed over het teedere schepsel, en—snelt met zijn schat ter deure uit.

Waarheen?

Ziet gij de deur aan gene zijde van het portaal? Hij gaat die kamer binnen; ook dáár staat een ledikant; maar, de gordijnen zijn geheel ter zijde geschoven.

Wat is dat? Wie ligt daar?

Slaapt de gelukkige moeder niet in de kamer waar wij het eerst binnentraden; achter die gordijnen, met den glimlach van dank op het schoone gelaat?

Leeft zij niet nabij het leven van haar leven, ’t welk zij verder met het hare zal voeden? Trok zij zich om zwakheid terug, wijl de kinderkreten haar ’t zwakke hoofd vermoeien?

Ligt ze dáár de jonge moeder, en slaapt ze?

Ja—ja, ze slaapt. Maar ziehoede echtvriend met den zoon. met zijn Willem in de armen, haar nadert. Hij vreest niet haar slaap te zullen storen; hoor, hij jammert luide: “O God! O God!”

Zie, hij steekt het kind der slapende toe, en drukt de kinderlippen tegen de wang der moeder. Ach, zóó had hij den kleinewel graag aan haar vollen boezem gedrukt; maar ook het jongske voelt dat het “zijn hemel” niet is waartegen de vader hem legt; een kreet ontsnapt er aan zijne lipjes. Zij ligt er zoo stijf, zij ligt er zoo koud die schoone en jeugdige moeder; en hij, de verlaten echtgenoot, hij brengt het kind, waarvan ze met wellust spraken, waarvan ze in ’t vooruitzicht zooveel weelde hadden, naar ’t wiegje terug om straks tot de gestorvene weder te keeren, want, helaas, achter die zware gordijnen in hetkraamvertrek, dáár slaapt de zalige moeder niet.

Houdt ge niet van die tafereeltjes, waar zoo van akeligheden en dood in voorkomt; houdt ge niet van die kraamkamers waar de eerste vedel in ’t orkest van huwelijksheil ontbreekt? Kunt ge een traan niet weerhouden omdat gij óók wel eens zulk een kamer hebt betreden, waarin ’t geween den vreugdekreet te ras verstommen deed? Houdt ge niet van die kraamvertrekken waarin zich alles bevindt wat daar gewenscht kan worden, behalve zij, die ’t kindje liefhad vóórdat ze ’t zag, en voor ’t pandje waakte eer ze ’t aan den boezem kon drukken....? Misschien, omdat ge óók een zuster of vriendin hebt liefgehad, die leven voor leven ruilde; wier graf ge nog somwijlen bezoekt met het kind dat háár nooit kende? Man en vader! leest ge er niet gaarne van, omdat de herinnering aan dien donkeren levensdag u ’t harte opnieuw met weemoed vervult? O! wanneer een goede geest uw leven dooraâmt en willig in ’t lijden berusten doet, dan, ja, dán treedt ge toch nog wel gaarne met ons een kleinere woning binnen, waar de hangklok—aan beide kanten met een fraaie pauweveer versierd—aan den wand tikt. Gij volgt ons gaarne, en ziet er—de teenen wieg, waarin de bonte prop met het vuurroode kopje ligt, terwijl de man bij den zeer hoogen steenen vuurmand gezeten—die van boven met spek en ham gevuld is—de roode en witte luiers keert, nu eens den jongen, den “lekkeren apekop,” met een “Goddank!” beschouwende, terwijl hij dan weder den appel, die in den heeten gloed pruttelt, wendt, om er moeder de vrouw, als ze wakker wordt, eens even van te laten proeven.

Zie, daar komt beweging in de teenen wieg; twee ronde knuistjes werken naar boven; de man bespeurt het: plaatst terstond den voet op de wiegetree, en doet al zijn best om den kleine in slaap te houden, want: “Geertje is nog slap, en rust is haar noodig.”

Maar neen, de prop met het roode kopje leeft, en wil leven. Hoor, ’t gekraai klinkt door het kleine vertrek. Zie, ook in de bedstede dáár in dien hoek, roert zich de slapende. “Heija! heisa! suja, suja, deine!” zingt Peter zacht, terwijl hij de slaapplaats van ’t jongske zoo snel mogelijk doet heen en weder gaan. ’t Baat niet; ’t gekraai wordt schreeuwen. Geertje blikt naar de wieg; roept haar echtvriend toe: “Kom, Peter, geef ’t ventje maar hier!” en Peter zegt: “Nou, mopske! er uut maar!” en ’t levende rolletje tilt hij omhoog; drukt het roode hoofdje tegen zijn gebruinde wang; legt het daarna in den arm der moeder, en terwijl Peter zich zijdelings op den bedsteerand nederzet, mokkelt Geertje haar krijtend jongske en—als Peter op Geertje en Franske nederziet, en later naar de bedstee-zoldering blikt met een innig “Goddank!” dan pruttelt en sist de appel sterker; dan tikt de hangklok als altijd, en, klokt het tevens in de bedstee. ’t Jongske klokt aan de moederborst, Peter wrijft zich de handen. ’t Is leven in dat kraamvertrek; alles geluk en leven!

Weinige dagen nadat wij de beide kraamvertrekken bezochten, trad de jonge moeder, Geertje Willems, haar woning uit.

’t Was buiten warm, en bovendien had Geertje zich zoo toegestopt dat ze met gerustheid de wandeling kon maken waartoe ze werd uitgenoodigd. Al verzelde Peter haar niet, omdat zijn bezigheden hem op het veld riepen, toch was Geertje niet alleen, want, ze droeg den kleinen springer op haar arm, ’t kind waarvan zij,zij-zelve, en voor de eerste maal—moeder was.

Moeder Geertje had er weinig voldoening van dat ze reeds den zevenden dag na de groote gebeurtenis, met haar zoontje op den arm door ’t dorp liep, want zij ontmoette er niet één bekende, en de molenaar, die haar even buiten het dorp voorbijreed, riep simpel: “Dag vrouw Willems!”—Heere m’n tijd! alsof er niets bijzonders gebeurd ware! alsof hij niet eens wist dat ze een jongen had, en hij ’t lieve kind, dat ze onder den doek droeg, voor een roggebrood hield!

Intusschen vervolgde Geertje haar weg,enhield eindelijk voor het geopende hek van een buitenplaats stil, op welks posten “Land-heil” te lezen stond.

—Hier is ’t, dacht Geertje, en het hek binnentredende liep ze op de huisdeur toe, en schelde.

Na verscheidene minuten te hebben gewacht, werd de deur eindelijk geopend door een knecht, die vrouw Geertje vraagde, wat zij verlangde, er bijvoegende: “’k Dacht dat je de ezelin waart, en daarom heb je wat langer gestaan.”

“De dokter heeft mij gezonden,” antwoordde Geertje: “Ik heet vrouw Willems, en zou den jongenheer.... u weet wel.”

“Ha! zoo!” zei de knecht, terwijl hij met zijn linkeroog knipte: “dan sloeg ik den bal toch zoo geheel niet mis. Wil je maar binnen komen? Zóó, ’k zal ’t aan de baker en mijnheer zeggen.”

Hij zal het aan de baker en aan mijnheer zeggen!

’t Zal dus hier de woning zijn....

Ja wel, ’t is hier de woning, waarin God een kind gaf, doch waaruit Hij de moeder tot zich nam.

Zie buiten voor de huisdeur zult gij nog de sporen van verscheidene rijtuigen ontdekken, die weinige dagen geleden om het gazon reden. ’t Is moeielijk te onderscheiden, maar toch, één diersporen liet het groote zwarte rijtuig na, dat uit de naburige stad reeds vroegtijdig naar het dorp werd gezonden; het vreemde rijtuig, dat veel bekijks had, en waarvan de voerman—volgens de verklaring van eenige boerenjongens—er uit had gezien alsof hij de duivel in eigen persoon was; het zwarte rijtuig, dat een gade had weggevoerd uit de armen van een haar aanbiddenden echtgenoot: weg van het teedere pandje, dat ze aan de zorg van andere vrouwen moest achterlaten; weg van de plaats waar ze een kortstondig “land-heil” smaakte, om reeds in jeugdigen leeftijd, een oord van hooger en eeuwig heil binnen te gaan.

En weinige oogenblikken nadat Geertje den drempel der rijke woning betrad, bevond zij zich reeds binnen de kraamkamer. De zwaarlijvige vrouw knikte haar vriendelijk toe en gaf haar een stoel. Een heer die zeer bleek zag, zeide: “Dag, vrouwtje!” en keek toen plotseling naar een anderen kant; waarna de baker fluisterde, dat vrouw Willems ’t zeker wel gehoord zou hebben....?

—Ja wel.

—En of ze dan genegen nou zijn om....?

—Ja wel.

—En of ze dan haar eigen jongske pap zou voeren? want dat ze zeker voor twee niet genoeg....

Maar, neen, lieve Hemel, neen! Franske om een ander te kort te doen, dat kon in ’t geheel niet. Met Gods hulp zou ze beiden het noodige verschaffen. Met Gods hulp! eerstens omdat ze medelijden met het moederlooze kind had, en tweedens omdat de tijden slecht, ja, bitter slecht waren.

En de baker nam toen den kleinen Willem uit de ijzeren wieg; en Geertje sloeg den doek op waaronder haar jongske lag.

Wat zag dat jongeheertje flauw en bleek en min!

Wat zag Franske vol en rood en stevig!

En moeder Geertje kon een traan niet weerhouden toen ze dien schralen stakker zag; den stakker die geen moeder had en gebrek lee. Zij gaf haar goffert aan de dikke vrouw; nam het andere wicht, dat pijnlijk kreet, in haar armen; maakte eenige haken van haar bonten jak los, en—toen het kort daarop in de rijke kraamkamer klokte zooals Peter het in de bedstede gehoord had, toen stond de bleeke heer met den blik strak op zijn zoontje gevestigd, voor de vrouw, die in de rechten eener onvergetelijke gade was getreden. En, een nare kreet klonk er door het vertrek: die aanblik was te smartelijk voor den verlaten echtvriend; hij snelde ter deure uit; maar toch, zijn zoontje klokte en klokte voort; en toen het kind ten laatste verkwikt de oogjes sloot, toen was het alsof er een dankbaar lachje om zijn lipjes speelde; immershijwist het niet dat de boezem waaraan hij was ingeslapen, niet de boezemzijnermoeder was.

Weder nam de zwaarlijvige den kleinen Willem; en weder nam Geertje haar Franske; ook hém gaf ze te genieten, en vóór ze heenging drukte zij het mondje van haar dikke mopske op de lipjes van het schrale heertje, en ’t was toen alsof die slapendekinderen beiden lachten.... lachten als broeders van denzelfden boezem.

Gods zegen ontbrak aan moeder Geertje niet; en ofschoon ze haar Helper dankte, toch was ze trotsch, dat ze haar eigen kind tegelijk met den jongenheer van “Land-heil,” een heel eind over ’t jaar had heengebracht.

Neen, zij was niet ijdel de eenvoudige vrouw, maar toch, ze kon het zich niet ontveinzen dat ze wel iets voornaams gevoelde, toen ze, na verloop van een paar jaren die beide kinderen “alsof zij van éénen tuk” waren, door het gras zag rollen, of in ’t zand spartelen, terwijl haar Franske ’t jongeheertje maar glad weg “Wimpje” noemde. Zij had er toch voldoening van, dat het zoontje van den rijken heer haar altijd zoo vroolijk te gemoet huppelde wanneer ze ’t hek binnenkwam, en zich blijde toonde, blijder nog dan wanneer hij aan de hand van den steeds diep bedroefden vader voortliep. Ze had er voldoening van, al gevoelde zij ook het diepste medelijden—medelijden met den rijken, maar tevens zoo armen eigenaar van “Land-heil.”

Zij noemde den rijken manarm, omdat hij de vrouw miste, die hij zoo innig had lief gehad; zij noemde hem arm, niet vermoedende dat, nauw vier jaren na den zaligen trouwdag, ook zij arm zou wezen: arm! nog armer dan de vader van haar voedsterzoon; want—Geertje zou weduwe worden; den man dien zij als haar leven beminde, haar steun en kostwinner zou ze verliezen.

Schrikkelijk lot dat haar te wachten stond! En toch, ’t gebeurde zoo.

Ja, de arme vrouw weende bittere tranen, toen zij het stoffelijk overschot van haar braven Peter naar den stillen Godsakker had vergezeld en tot het bewustzijn kwam, dat zij nu alleen stond, alleen! om te zorgen voor zich zelve en voor haar lieven knaap.

Zie, daar bedekt ook zij met de beide handen het aangezicht, en jammert: “O God! o God!” en ze stoot den kleinen jongen van zich af, die onschuldig vraagt: “Of vader haast weerkomt?” Doch nu.... ’t geween van den ontstelden knaap wekt haar; het kind dat ze van zich afstiet, trekt ze weder tot zich; neemt het in haar armen, sust en streelt het, en terwijl ze ten laatste den blik door het venster naar den hemel slaat, voelt zij zich gesterkt door den geest van Hem, dien ze daareven zoo klagend aanriep; en roept ze: “Franske! Franske! God zal ons niet verlaten! Je vader, mijn jongen, zei nog kort vóór zijn heengaan: God is een helper van weduwen en weezen.”

Niet tevergeefs had zij op den bijstand des Eeuwigen gerekend, want de man die het behoud van zijn kind, naast God, aan haar moest danken, hij nam de arme vrouw met liefde in zijne woning op en gaf aan hare zorg zijn jongen over, die jubelde dat Geertje-vrouw altijd bij hem zou blijven, dat Franske niet weder zou heengaan: Franske niet wien hij zoo gaarne rolde, zoo gaarne huisjes bouwde en steentjes zocht of bloempjes plukte.

Lezer! de jaren uwer kindsheid zijn voorbijgegaan. Die jaren, zij staan u doffer of levendiger voor den geest naarmate uw geheugen zwakker of sterker is. Maar ’t zij dan in minder of meerdere mate, toch herinnert gij u levendig enkele voorvallen of oogenblikken, als lichtpunten in een nevelachtig verleden.

Gij stondt aan den schoot uwer moeder, die er zoo lief en zoo goedig uitzag. Gij bevondt u in een onmetelijk en onbegrijpelijk groot gebouw, naast diezelfde moeder gezeten, of wel naast eene, die men uw kindermeid noemde, en hoordet ontelbare menschen luide zingen, terwijl een man, in een groot hokje geplaatst, zonder ophouden en zeer langdurig sprak; men gaf u pepermuntjes en gij vreesdetaltijddaar te zullen blijven. Gij hebt geloopen met een grooten appel in den zak, lang, zeer lang, en hebt er telkens met uw nageltjes een keepje uitgeplukt; eenigen tijd later hebt ge... iets pijnlijks gevoeld en—bitter gehuild; de appel lag, als van de pokken geschonden, verre van u op eene tafel, en—uw oogen deden zeer toen gij er naar zaagt. Gij waart... doch neen, gij herinnert u reeds méér dan wij bij u in ’t geheugen zouden kunnen terugroepen, en terwijl ge in gedachten het kleine litteeken beziet dat ge nog aan uw hand hebt—op dienmiddagmet datpennemes!—denkt ge, waar zijn ze toch die dagen der jonkheid...? Hoe schromelijk is alles veranderd! Enik, beniknog dezelfde gebleven?

“Waar zijn ze toch die dagen? Wat is alles veranderd!”

Die woorden werden ook geuit door een persoon, die wel is waar de twee kruisjes nauwelijks achter den rug had, doch niettemin met recht zoo spreken kon.

En hij, die de gezegde woorden binnensmonds sprak, stond achter de toonbank eener kleine komenij-winkel in de groote hoofdstad, en blikte langs stijfsel- en kandij- en blauwselflesschen—waartusschen kleine broodjes en hompen kaas, benevens zwavelstokken en stukken pruimtabak op planken voor het venster lagen—in een schuine richting naar boven, en zag, tusschen twee hooge schoorsteenen van huizen aan de overzijde henen, juist zóóveel van Gods lieven hemel, dat een pond vieren kaarsen daartusschen gehangen, het schoon geheel en al zou benomen hebben.

Ja, Lezer, ofschoon gij u-zelven gaarne hoort toevoegen, dat gij er oneindig veel beter—en zelfs jonger—uitziet dan voor zóóveel jaren! toch verwondert gij u telkens, indien geA. ofB. zoo véél verouderd terugziet, en den persoon, die alles veranderd vindt, zult ook gij niet herkennen, want, Franske Willems hebt ge maar een paar malen gezien, en wel toen ’t een onnoozel ventje was. Frans Willems stond daar, en de blauwe hemelstreep herinnerde hem aan de heerlijke dagen der kindsheid, toen hij dat blauw altijd hoog boven en rondom zich zag; toen hij vrij door de boschjes van “Land-heil” dartelde, de geuren van rozen en anjers of boekweitvelden inademde, terwijl hij nu—en dat reeds sedert meer dan tien jaren—door het kleine winkeltje kon dartelen, langs zeep enolievaatjes huppelen, en stokvisch benevens kaarsvet-geuren mocht inademen.

Hij stond daar, en een paar tranen welden hem op in de oogen, toen hij aan de schoone beelden dacht die hem uit de jonkheid voor den geest kwamen.

Ja, veel herinnerde zich Frans uit die snel en reeds lang vervlogen dagen; en, van alles wat hij zich te binnen kon brengen, stonden de eigenaar van “Land-heil” en diens lieve zoon, zijn zoogbroeder Willem, hem het duidelijkst voor den geest. De bleeke heer, die altijd zoo vriendelijk en gul was, en hem op zekeren dag een fraai hobbelpaard schonk, juist als Wimpje er een gekregen had; een hobbelpaard, waarmee hij op de kinderkamer, bij slecht weder, naast zijn vriend, de heele wereld rondreisde tot aan de Oost toe, terwijl moeder kousen maasde. De bleeke heer, die meestal tranen in de oogen had wanneer hij Wimpje aanzag, en dien hij eindelijk had zien liggen, nog veel bleeker dan gewoonlijk, heel netjes op een bed; maar zonder iemand te antwoorden, zelfs moeder Geertje niet, die schrikkelijk gehuild had; en ook Wimpje niet, die “Papa! Papa!” had geroepen, en daarna eveneens had gehuild, totdat hij—Frans—omdat ze allemaal huilden, eindelijk ook erg verdrietig was geworden.

Behalve dat, herinnerde zich Frans: hoe een heer met een mooie jas aan,—waaraan veel goud zat, en dien hij vroeger reeds eenige malen bewonderde—ook bij het bed waarop de bleeke heer lag, had gestaan; hoe de mooie heer zich aan het haar had getrokken, dat hem onder den neus groeide, en, in plaats van óók te huilen, den mond had opgetrokken alsof hij lachte.

Ook herinnerde hij zich—nog levendiger dan het gemelde—hoe, weinige dagen later, de gouden heer zeer leelijke gezichten had getrokken, en van donder en bliksem had gesproken, hoewel er toch volstrekt geen onweer geweest was; hoe moeder Geertje daarop heel aangedaan was geworden, en—ja, die woorden vergat hij niet—had uitgeroepen: “God weet het, dat ik den goeden Heer Van Male eenmaal plechtig beloofde steeds voor zijn kind te zullen zorgen, terwijl hij mij gewis een bestaan zou hebben verzekerd, zoo niet de dood hem verrast had!” waarop de gouden heer, ijselijk boos: “Dat dondert niet!” had geantwoord.

En, waarlijk, het had ook niet gedonderd; maar wel had het karretje schrikkelijk over de keien gerommeld, waarmede Franske, weder een paar dagen later, met moeder het hek van “Land-heil” was uitgereden,—nadathijen moeder en ook het kleine Wimpje, elkander dikwijls hadden gekust, en zij met hun drieën ook weder hadden gehuild, misschien nog erger dan toen mijnheer Van Male zoo schrikkelijk bleek te bed lag.

Hemel! hoe geheel anders was alles sinds dien rit met dat karretje geworden! De lezer zag reeds waar Frans belandde, en ’t heette nog om Godswil dat de oude Schorel—de komenijman—den jongen in zijn huisje ontving. Geertjes oude moeder, die, ofschoon zelve behoeftig, geen oogenblik had geaarzeld om haar ongelukkigedochter op te nemen, verzekerde evenwel dat Schorel, dien zij van jaren herwaarts kende, zijn menschlievendheid nimmer zoover zou hebben uitgestrekt, indien hij niet had berekend dat het liefdewerk hem ten slotte voordeel zou aanbrengen.

Had Schorel immer wél gerekend, dan deed hij zulks toen hij de winsten naging, die drie boterhammetjes en een bord middageten per dag, hem zouden opleveren.

Zoo’n jongen, goed gedresseerd, wat zou hij niet binnen korten tijd een voordeel aanbrengen en gemak bezorgen! De knecht die toch, behalve den kost, een gulden in de week verdiende, zou weldra kunnen gemist worden, terwijl zoo’n kind, ’t welk men aan zich verplichtte, bovendien beter te vertrouwen was.

Nauwelijks was Frans veertien jaren oud, toen hij reeds de rechterhand van zijn baas mocht genoemd worden. ’t Kwam er weinig op aan dat de jongen erg uit zijn kracht groeide: beuren en slepen moest hij, ruim zoo veel als Kees de knecht zulks vroeger gedaan had.

Op het oogenblik dat wij Frans wedervonden, was de affaire reeds voor het grootste deel aan zijne zorg toevertrouwd. Schorel stond zijn zeventigste jaar in te treden, en werd met iedere zon, die boven zijn komenij ronddraaide, niet alleen gemakkelijker voor zich zelven, maar ook lastiger voor anderen, inzonderheid voor den knaap, die “alles, letterlijk alles aan hem verplicht was.”

Niet tevreden dat hij den jongen in den winkel drilde en bedilde, zoodat Frans somwijlen op één morgen de mosterdpotjes, of de bossen stokvisch driemaal een andere plaats moest geven, en gedurig scherpe verwijtingen moest aanhooren over de roekeloosheid waarmee hij doorslag gaf, stond Frans ook aan de bespiedende blikken van zijn weldoener bloot, wanneer deze in het kamertje naast den winkel zat en gestadig door het kleine raampje gluurde, niet zelden met zijn kneukels tegen het glas tikkende om den jongen tot zich te roepen, dien hij dan weder met een bevel van nullerwaarde terugzond.

Maar, al had Frans een slaafsch en moeielijk leven; al had hij voor al zijn werken geen ander loon dan kost en huisvesting, benevens nu en dan eenige oude kleedingstukken van den grommenden en tevens wantrouwenden weldoener; al had hij reeds sinds eenige jaren elders gemakkelijk iets kunnen verdienen om zijn arme moeder—nadat grootmoeder vóór ruim tien maanden gestorven was—in haar behoeften te hulp te komen, hij getroostte zich alles, en durfde Schorel, althans tot nu toe, om geen geldelijke belooning aanspreken. Ten eerste: omdat deze hem zoo herhaalde en ontelbare malen aan zijn groote verplichtingen herinnerde, en ten andere dewijl Frans bij de weigering om het gevraagde, een storm voorzag, die hem uit de woning zou verjagen, waarin er zich nog eene bevond.... eene.... die.... die.... nooit grommig zag, maar altijd vriendelijk; eene, die nooit drilde of bedilde, maar steeds met liefderijke zachtheid onaangenaamheden zocht te voorkomen of uit den weg te ruimen; eene die niet één trek van den komenijman in haargelaat had, ofschoon ze toch zijn eigen kind was; eene, die oogen had, blauwer dan blauwsel; die blanker was dan de blankste stijfsel; zoeter dan suiker; zachter dan zeep; wier gemoed reiner was dan eenig lijnwaad met die extra puike zeep gewasschen, en op wier voorhoofd een gloed van helderheid lag, een helderheid waardoor het koperen vijfons werd verduisterd, zelfs, wanneer het juist van onder den poetslap te voorschijn kwam.

Mathilde.... in de wandeling Thilde, bij heldere lucht Thilletje, en bij zonsverduistering Thilda, was Schorels eenige spruit uit een huwelijk, waar hij, volgens zijn eigen verklaring, op vijftigjarigen leeftijd bij abuis was ingeloopen.

Er zijn oogenblikken waarin de verstandigste mensch als een dwaas handelt, en, in eigen oogen had Schorel méér dan dwaas gehandeld toen hij, om een luttel kapitaaltje te verkrijgen, eene vrouw nam, die den interest van dat kapitaaltje gedurende een driejarig verblijf als huisvrouw in zijne woning, met het kind dat zij ter wereld bracht en ’t welk hij nu reeds achttien jaar voor zijne rekening had, “ruimschoots had opgegeten of zoek gemaakt.”

Was het dan om “de verplichting” in de eerste plaats, toch was de tweede oorzaak waarom Frans duldde en bleef, niet de geringste; want, behalve zijn moeder, die hij maar zelden kon bezoeken, was datzelfde meisje, het eenige wezen dat hij liefhad, in die groote stad... Lief...? Ja, dát was immers liefhebben, wanneer men ’t hart voelde kloppen zoodra men aan haar dacht; een kleur kreeg wanneer men zich met haar geheel alleen in de kamer bevond; zoo raar werd wanneer een ander heel vriendelijk tegen haar was, en toch wel had willen sterven als zij maar gelukkig werd...?

Ja, Frans had Mathilde lief, en de kleine blonde voelde óók wel eens ’t hartje kloppen, en wist óók wel wat kleuren was, en—Maar Hemel! vader Schorel zat daar,—en wat keek hij weer grommig, en—wat gluurde hij door ’t winkelraampje naar den bediende zonder loon. Zie, daar stond hij eensklaps op; tikte vervaarlijk hard op het glas, en liep toen zoo gezwind mogelijk den winkel binnen... Hé! wat zou er gebeurd zijn..? Frans had daareven nog in den winkel gestaan, vóór het raam, en nu... neen, hij was er niet meer. Vader Schorel stond op de stoep, en zag rechts en links de steeg door, nu eens zijn bril dicht voor de grauwe oogen drukkende, dan weder er onder doorziende; maar half woedend trad hij weinige oogenblikken later in het vertrekje terug, bevende van kwaadheid, uitroepende: “Waar de ondankbare ezel nu gebleven is mag de Hemel weten! Is dát op mijn winkel passen; is dat voor mijn belangen waken!? ’t Is een ondankbare schelm; dat is ie!” En weer ging hij naar den winkel, en weer ging hij kijken op de stoep, doch er was juist veel volk en veel gerij in de steeg, en ook—de oogen van baas Schorel waren de oogen van vroeger niet meer.

Frans, dien wij met zijne herinneringen voor het venster lieten, mocht nog eenigen tijd zoo in de blauwe luchtstreep hebben getuurd, toen een buitengewone drukte vóór de winkeldeur zijne opmerkzaamheid had gewekt.

’t Waren twee rijtuigen die elkander in de nauwe steeg voorbij moesten, terwijl een aschkar benevens een kruiwagen met oudroest, den geregelden doortocht belemmerden.

Frans zag, hoe de Israëliet met den kruiwagen een vervaarlijk gezicht tegen den vigilante-man trok, en al zijn krachten inspande om het nederig voertuig met het rad op een stoep te beuren, en hoorde, hoe de aschman op den anderen voerman schold, hem de “stommeteit” verwijtende waarmede hij in zoo’n nauw sloppie maar toereed, zonder te bedenken dat ’r noodwendig geharmel zou komen.

Zooals gewoonlijk bij zulke voertuig-verstoppingen, kozen de voetgangers, die liefst in geen aanraking met vigilante of kar-raderen kwamen, hier een keldertrap en dáár een stoep, tot de paarden- en wagenknoop zou zijn losgewerkt: en zie, juist had Frans een meelijdenden blik op den armen Israëliet geslagen, die riep dat het “altijd phik op de nhasie was!” toen hij een achterhoofd te zien kreeg, waarop een hoed stond, en langzamerhand drie kwart van een neus, daarna een magere bleeke wang, totdat hij eindelijk een gelaat en profiel voor zich had: dat hem.... herinnerde.... maar neen.... en toch.... ja, toch....—’t Gezicht van Frans kreeg een andere uitdrukking; de oogen werden kleiner; langs de neusvleugels vertoonden zich ronde lijnen, de mondhoeken werkten naar boven, en juist op het oogenblik dat hij: “Ja, ja, hij is het!” riep, reed de eene vigilante ongehinderd rechts, en de andere links; smeet de aschman een paar huizen verder den vuilnisbak in zijn wagen; raapte de Israëliet een paar verroeste voetangels benevens een dito ketting van de straat op, om straks grommende zijn spijkers mede uit het straatvuil te redden, en—wipte de persoon dien Frans aan zijn profiel meende herkend te hebben, het winkelstoepje weder af, om insgelijks zijn weg te vervolgen.

Geen vijf seconden later weerkaatste de aschkar een geroep van: “Hei! hei!” ’t welk langs het achterhoofd met den hoed in des eigenaars ooren klonk en hem onwillekeurig deed stilstaan.

“Hei! hei!” riep Frans nogmaals en, toen hij den omzienden persoon nu vlak in het aangezicht zag, toen werden de oogen nog veel kleiner, en de lijnen naast de neusvleugels nog veel ronder, en werkten de mondhoeken nog sterker naar boven, en stotterde hij: “Zou het waarheid zijn.... zou ik mij niet bedriegen, dat jij.... dat u.... mijnheer Wimpje bent?”

De vermoedelijke mijnheer Wimpje, beschouwde den zenuwachtig lachenden vrager alsof hij een krankzinnige voor zich had en een paar schreden achteruitgaande, sprak hij, terwijl er op zijn gelaat bijna iets angstigs te lezen was: “Mensch! wie ben je.... Ik ken je niet.”

“Ken je mij niet.... Kent u Frans dan niet meer?” zei de zoon van Geertje: “Och! ik heb zoo duizenden malen gewenscht dat iku eens mocht weerzien. Och Mijnheer Wimpje! ik beef van blijdschap.”

“Maar de d..... mag mij halen als ik weet wie je bent,” hernam de bleeke jonkman, terwijl hij ter zijde ging om den ratel van den aschman te ontwijken.

“Frans! wel! wie anders dan Frans!” riep de opgetogen komenij-bediende: “Neen, ik bedrieg mij niet, u bent wel dezelfde, die evenals moeder en ik huilde toen wij, nu reeds méér dan tien jaren geleden, van elkander moesten scheiden; dezelfde met wien ik lezenenschrijven en rekenen leerde.... ja ik zie het aan dat litteeken dáárboven aan ’t voorhoofd, dat u mijnheer Wimpje bent dien ik uit de vuil-linnenkist verloste, toen—och! u weet wel—het deksel was dichtgeslagen en niemand het wist, en je bijna zoudt gestikt zijn.”

“Hé! ben jij dan misschien, dat jongetje....?”

“Ja wel, ja juist. Och, lieve hemel! weet u het nu?” riep de verrukte Frans weder: “mijne moeder heeft u te gelijk met mij gezoogd; ja, nog altijd spreekt zij van u; en ik....”

“Hola vrindje! bedaar wat!” zeide de bleeke jonkman, die het schrikkelijkcommunvond om, ten aanhoore van eenige voorbijgangers, aan zulk een min fatsoenlijke zoogerij herinnerd te worden, en tevens de beweging van den jongen met het glimmende winkelschortje bespeurde, gereed om hem de hand te drukken: “Hola! daar zijn zooveel jaren over heengegaan en, je ziet wel dat ik je ’s gelijke niet ben.”

Geheel anders dan voor weinige oogenblikken stond het gelaat van den armen zoogbroeder; ’t was alsof hem de tranen in de oogen kwamen; althans, zijn helderbruine kijkers zagen er uit als de dagen vóór Kerstmis; en de reeds uitgestrekte hand schielijk terugtrekkende, stamelde hij verslagen: “Och vergeef mij!.... maar zie.... ik was zoo verheugd; ik had zoo ontèlbare malen aan u gedacht, en telkens wanneer ik moeder bezocht, met haar van u gesproken.... en waar u toch gebleven zoudt zijn, want op de drie brieven die ze naarLand-heilzond, kwam in ’t geheel geen antwoord. Och! Wimp.... Mijnheer W.... neem mij niet kwalijk, maar ik was zoo verblijd, zoo verrast.... zoo.... zoo....” doch inderdaad drong nu het weemoedig nat de oogleden uit, en de bleeke jonkman, die zijn positie lastig vond—te meer daar eenige straatjongens met de handen op den rug het drama stonden aan te gapen,—maar toch iets voelde trillen van binnen, vraagde haastig:

“Ben je arm, vrindje?”

“Neen.... God zij dank!.... neen!” antwoordde Frans. “Ik heb mijn brood; en.... moeder.... Ja, God zal moeder ook wel helpen als ze maar gezond blijft.”

Een wagen met ijzeren staven, die juist voorbijreed, maakte het den straatjongens onmogelijk om verder te hooren wat Frans zeide, evenmin als zij konden verstaan wat de bleeke jonkman sprak toen hij Frans iets toereikte; maar, wel zag er één, dat Frans gek genoeg was om nu op zijne beurt de hand thuis te houden, totdat een rommelende boerenwagen hen allen uiteenjoeg, en zij—bij het wederverzamelen—slechts één van de twee personen meer zagen; hem, die zich Frans noemde—die rondkeek, even vreemd als de jongens, om te ontdekken waar de ander gebleven was, en die eindelijk, telkens omziende en weer omziende, naar den winkel terugkeerde, om er, vol als hij reeds was, door zijn weldoener overvol gemaakt te worden.

Inderdaad was de jongen nauwelijks de winkeldeur binnen, of hij voelde een uiterst verplichtenden draai om zijn hoofd, terwijl een aantal woordjes van een negatief-vleiende beteekenis hem in de ooren klonken.

“Moet je weer, zooals altijd en eeuwig, je plicht en je verplichting vergeten.... zeg....?”

“Vergeef mij baas Schorel, ik was....”

“Een luiaard, een onverschillige, dát was je, ja! en dat ben je nog! Is dat de dank voor al mijn goedheid? Heb ik je niet honderd duizend en nog eens honderd duizend malen gezegd, dat de affaire een kind is, een heel klein kind, waarop gepast moet worden; gepast, zonder ’t zelfs het duizendste gedeelte eener seconde uit het oog te verliezen? En dan, de steeg inloopen, nietwaar....? en de Hemel weet wát de deur uitdragen....? We kennen die loopjes; en dan nog scheeve en fijne gezichten zetten! Zeg....! is dat dankbaarheid....? Zeg....? Neen dat’s verregaande,verregaandeen vermetele ondank! Ik zal....”

“Maar hoor dan meester!.... ik zag ook.... ik wilde....”

“Wat! wat! je moet niet zien, niets dan ’t geen je te doen hebt; enwillen, niets dan ’t geenik wil, hoor je?”

Dat laatste “hoor je,” waarmede Schorel naar zijn winkelkamertje terugging, was dermate krachtig, dat Frans het niet waagde een woord meer te antwoorden; hij zette zich achter de toonbank; ging onsjes tabak afwegen—van ’t soort datverschrikkelijkmoet ruiken als ’t bevallen zal—en, al stond Frans met den rug naar zijn meester gekeerd, hij voelde diens blikken als langs hem heenglijden, zoodat hij door een geheimzinnige kracht zijn vingers bewoog, en telkens van een afgewogen onsje tabak, dat op de schaal lag, een greepje terugnam en in de ronde doos wierp.

Frans zuchtte in den winkel. Meester Schorel gluurde door zijn raampje, en vraagde alras: “Zee je wat Thilda?” waarop de gevraagde: “Neen vader!” antwoordde, en ze had ook niets gezegd, maar halfluid gedacht: “Arme Frans!”

’t Was in den avond van den vierden dag na het laatst verhaalde, dat eene vrouw, armoedig, doch rein gekleed, Schorels winkel binnentrad.

Frans was om een boodschap gezonden, en de komenijman, die dus zelf de wacht moest houden, kwam voor.

“Ha! zoo! ben jij het vrouw Willems! moet je weer ’t een en ander?”

“Och, neen,” was het antwoord van Willems zoogmoeder, die wij na zooveel jaren heel wat veranderd, dat is: verouderd, vermagerd en verbleekt wederzien: “Ik moet mijn Frans, mijn jongen, noodzakelijk spreken. Ik ben er puur van geschrikt, dat ben ik, ik wist niet wat het was, en waar ’t van daan komt, weet ik nog niet. ’t Is van belang!”

“Waar ’t vandaan komt....! Van belang....?” zeide Schorel, en achter zijn brilleglazen blonken een paar dingen als gewasschen krenten.

“Ja waarlijk baas Schorel,” hernam de weduwvrouw: “reeds had ik het waschgoed uiteengezocht, toen ik, zonder erg, nogmaals het boezeroentje opnam, en u kunt begrijpen, ik stond te kijken alsof ik droomde. Zou Frans.... zou de goede jongen, zoo dacht ik, mij willen verrassen, of ’t hebben vergeten? Och, maar in elk geval heeft hij het aan uwe goedheid te danken, baas Schorel! Ei, neem toch niet kwalijk dat ik wel eens van loon heb gesproken; maar ziet u, ik wist ook niet... en ja.... de verdiensten zijn zoo gering, en zoo ik niet vier dagen ’s weeks vast werk in ’t logement had, dan zou het er bitter en bitter uitzien.”

“Maar wat? maar wat toch?!” riep Schorel ongeduldig: “Ik begrijp er geen woord van.”

“Wel, zie dan, zie dan!” sprak vrouw Geertje, en haalde uit haar zak een papiertje te voorschijn, waarop prentjes staan, waartegen de meeste menschen, vooral de arme menschen, lachen, o zoo vriendelijk lachen wanneer zij ze onder de oogen krijgen.

Maar Schorel, neen, hij lachte niet; hij trok een gezicht alsof hem een duiveltje bij de keel had. Op gevaar van scheuren af, greep hij het papiertje; trok het der ontstelde vrouw uit de hand, en riep na eenige oogenblikken van pijnlijke stilte:

“Daar heb je de adder; daar heb je het galgenaas! En dat is jou jongen, hé! dat is nu die engel van trouw en van deugd, hé....! Vervloekt mag ik wezen,” piepte hij akelig: “vervloekt, zoo dat monster ’t mij niet heeft ontstolen. Hier hier!” en met een zenuwachtig grijnzend gelach hield de man het muntbiljet van tien gulden omhoog, alsof hij vreesde dat ’t hem weer ontnomen zou worden; liep er het winkelkamertje mede in, en, nadat er slotgedraai was vernomen, keerde hij weder, en stotterde, schier berstende van woede:

“Geen uur zal ie langer in mijn huis blijven.... geen minuut.... geen seconde....!”

Juist op dat oogenblik werd de deur geopend, en kwam Frans schier bezwijkende onder den last van een vaatje, ’t welk hij droeg, den winkel binnen.

Wij zullen u niet in al zijn kleuren het tooneel schilderen, dat thans in den winkel ging plaats grijpen! Ge zoudt zeker geen behagen vinden in ’t aanschouwen van een grijsaard die, op een bloot vermoeden alleen, tot duivelswoede vervoerd werd. Ge zoudt partij willen trekken voor den armen knaap die, rein van diefstal, geenoogenblik kan vinden om zich te verontschuldigen, terwijl hij zelf verbaasd is over hetgeen zijn moeder in een, van hem ter reiniging ontvangen kleedingstuk vond? Ge zoudt medelijden hebben met eene moeder die jammert, omdat ze nietkanmaarmoetgelooven dat het eenig pand harer liefde, het kind dat ze het goede steeds voor oogen hield, een dief, een onwaardige is! Afgrijzen zoudt ge gevoelen voor den grijsaard, die zijn eenig kind een stoot toebrengt, omdat zij den jongen vóórspreekt die niet schuldig kan zijn, dewijl hij braaf en trouw is, en dienzijlief heeft.

Nog dien zelfden avond volgde Frans zijne moeder, en ze gingen naar het kleine kamertje, ’t welk door de laatste bewoond werd, en ze konden volstrekt niet spreken, want ach! ze waren zoo bitter bedroefd.

Wat Frans, tot bedaren gekomen, in den aanvang ook giste, de waarheid vermoedde hij niet; en de moeder allengs meer tot de overtuiging komende dat haar lieve jongen onschuldig was, toonde hem het boezeroentje:

“Zie! zóó!” had ze het opgenomen. “Zie zoo!” had ze zonder erg, dat achterzakje omgekeerd. “Zie je” heeft ze vervolgd: “toen vielen er twee vertinde spijkertjes uit.... kijk, ’k heb ze nóg in dat kommetje liggen; maar ook—och, ik had er eerst geen erg in—fladderde het noodlottige briefje naar beneden, en of ik ook dacht dat ’t beter geweest ware indien je ’t in specie had gezonden, omdat het zus of zoo er in was gebleven en misschien met wasschen verloren gegaan, ik was toch boven de huizen van blijdschap, en nu....”

Maar Frans legde zijn hoofd in de beide handen, en dacht aan vergissing; aan vergissing bij ’t beuren; of, dat hij gewisseld had; of, dat het toevallig.... maar neen, dat kon niet; of dat mijnheer Wimpje—wiens ontmoeting hij aan zijne moeder mededeelde—misschien in de verwarring.... maar neen, die was veel te onvriendelijk en op een afstand geweest; of dat Mathilde.... zij.... ja—zijmoest het hem voor een tegemoetkoming daarin hebben gestopt, omdatzijhet naar vond dat hij voor al zijn werken geen stuiver op zak kreeg; maar toch, van waar kreeg zij ’t zelve....? Eén gulden, ’t was mogelijk! maartien! Of zou zij ook....? Maar, neen, neen! oneerlijk! dat kon niet; de lieve Thilde! neen!—Wat dan....? Frans wist het niet, en bleef met zijn hoofd in de hand daar zitten, en wist evenmin wat hij nu moest aanvangen. En moeder wist het ook niet, te meer daar de nijdige Schorel verklaard had, te zullen waken dat Frans—die schelm en ondankbare,—niet elders den dief meer zou spelen.

En waarlijk, Frans geloofde dat die oude en zoo wantrouwende man een geheimen invloed uitoefende, die alle pogingen, welke hij in het werk stelde om elders een dienst te bekomen—zoo mogelijk een loondienst—telkens verijdelde. Inderdaad echter lag de oorzaak, waarom men den knaap overal terugzond, in hemzelven. Waarom? Niet omdat Frans een ongunstig voorkomen had nog minder omdat hij zijn woord niet kon doen. Neen, omdat Frans zoo’n last vankleurenhad.

“Zoo! wou jij ’en dienst, vrindschap! En ben je bekwaam voor de zaak?”

“Ik vertrouw, mijnheer! dat ik wel voldoen zal.”

“Nog al vlug om de klanten te helpen? Vlug in ’t rekenen, nooit vergissen met geld weergeven?”

“Dat schikt genoeg mijnheer.”

“Zoo en dat tegen Mei, hé?”

“Liefst Februari mijnheer! maar Mei, als ’t niet anders wezen kan”

“En waar heb je ’t laatst gediend?”

“Bij meester Schorel mijnheer!”

“Schorel....?”

“Om u te dienen; in de G....steeg. Och mijnheer! die had mij als kind opgenomen, en ik ben er al gebleven; ook uit dankbaarheid voor kost en inwoning, weet u.”

“Zoo! En waarom ben je daar weggegaan?”

Een vreeselijke kleur! en de woorden:

“Ja, ziet u.... meester dacht.... weet u.... dat ik tien gulden... maar God weet dat ik onschuldig ben.”

Een bedenkelijk gezicht!

“Ei! zoo! Ja, zie je... ik zal er eens over denken; maar ik geloof niet dat mijn bediende vertrekken zal, weet je, ik heb eigenlijk geen directe behoefte.... We zullen zien....”

“Mag ik dan over een paar dagen eens terugkomen?”

“Ja weet je, dat hoeft niet, dan zal ik ’t je wel doen weten. Je woont....?”

“In de D...steeg, Nº. 90.”

De deur wordt geopend; een aanwijzende blik om te vertrekken.

“Zooals gezegd is.”

“Zal u dan alsjeblief om me denken....?”

“Zooals gezegd is.” En de deur valt achter den jongen dicht.... en, nooit zal hij in dien winkel achter de geldlade staan.

Dat ongelukkig kleuren! wij beklagen hem of haar die er zoo schrikkelijk veel last van heeft, en bidden ieder: “Veroordeel toch niet om het kleuren!”

Voor eenige oogenblikken verlaten wij den armen ongelukkigen jongen, om zijn zoogbroeder Willem Van Male weder te vinden, die in de vroolijke K...straat sedert eenige weken een paar sierlijke kamers bewoont.

In een fraaien en gemakkelijkenVoltaireligt Willem, en in zijn hand houdt hij een van die puikproducten der Fransche letterkunde, een roman van dengrootenPaul de Kock!

Hij houdt het boek in zijn handen, maar toch op dit oogenblik leest hij niet. Hij is ingeslapen; ingeslapen, terwijl de pendule hettweede uur na den middag doet klinken, en het elfde uur na middernacht den jongeling nog op zijn legerstede in de armen van den slaap vond.

Hij moet wel zeer vermoeid zijn. Inderdaad, mocht de bleekheid van den zoogbroeder, den voormaligen speelmakker van Frans, reeds onze opmerkzaamheid bij de ontmoeting in de G... steeg wekken, nu hij daar slapende in zijnVoltaireligt, en zijn gelaat tegen de, met rood trijp bekleede leuning uitkomt, nu treft ons die doodelijke bleekheid nog sterker, en merken wij nog meer de magerheid zijner gelaatstrekken op. Ja, hij moet wel verschrikkelijk vermoeid zijn en afgemat want zooals hij daar ligt, bleek, mager, met den geopenden mond, is het waarlijk een gezicht om van te griezelen, en, lezer, gij herinnert u levendig dien broeder, dien neef of vriend, toen gij hem die laatste maal zaagt.... gij weet wel, in die kamer waar ’t zoo somber was.

En toch, de jongeling slaapt niet zooals een der laatstgenoemden; neen, zijn geest woont nog in hem, maar ook die geest heeft veel geleden, ook die heeft vermoeienissen doorgestaan, en is door nijdige prikkels als afgemarteld. Willem Van Male slaapt. Hij slaapt, het kind door een paar minnende ouders van God gebeden; het kind dat zijn schat verloor toen hij zich-zelf niet bewust was: een engel, een wakende moeder; hij slaapt, de ongelukkige zoon van een vader, die geen kracht bezat om het leed hem opgelegd, met kalmte te dragen; die wel het kind dat hij minde, vóór ’t scheiden aan de hoede van haar had aanbevolen, die hij als een trouwe en waardige plaatsvervangster—ofschoon ook gering naar de wereld—had leeren hoogachten, doch geen voorzorgen nam om de rechten te doen handhaven, welke hij aan haar tot het welzijn vanzijnkind geschonken had; hij slaapt, de jongeling die het slachtoffer van hebzucht en zonde moest worden; die, door God met gaven des geestes bedeeld en met een hart vatbaar vooral wat edel en goed was begiftigd, gedood moest worden; gedood naar de ziel, om een lichaam te kunnen vernietigen, welks bestaan een nietswaardigen bloedverwant om ’t bezit van des jongelings geld, een doorn in het oog, een hinderpaal tegen eigen zondige grootheid was.

Een moord is iets akeligs; een moord in koelen bloede gepleegd, wie beeft er niet van? Maar een zedelijke moord, die tevens het lichaam naar den grafkuil voert, een zedelijke moord in koelen bloede, een moord van dagen en maanden en jaren, wie ijst niet op het denkbeeld er van; en och! of het getal dier zedelijke moordenaars gering ware, al steken ze niet allen in een blinkend gewaad van een toegevenden, vroolijken, maar inderdaad geldzuchtigen voogd!

En wie, wie is hij, die moordenaar?

’t Is Joost Van Meerle, de mooie heer met den gouden rok, die bij Van Males bed stond, en een gezicht zette alsof hij lachte toen deze, ruim tien jaar geleden, gestorven was. Joost Van Meerle, de zoon van Adolf Van Meerle, wiens overleden tante eendochtervan Willems moeder was. Joost Van Meerle, die met zijn vader,na Van Males afsterven, de eenige bloedverwanten—de eenige erfgenamen—van den wees waren, Joost, die tot voogd werd benoemd terwijl zijn vader de toeziende voogdijschap zou waarnemen.

Of de oude Van Meerle inderdaad kennis heeft gedragen van de wijze, waarop zijn zoon zich van de heilige hem opgelegde taak kweet....? Wij durven zulks niet metjaonderschrijven. Gewis hij ware verplicht geweest nauwlettend toe te zien; maar.... wij kunnen niet gelooven dat hij, de grijsaard, zoo eerbiedwaardig van gelaat, een heler der boosheid zal geweest zijn, en vertrouwen liever dat de oude Van Meerle, die als gepensionneerd majoor, zijn laatste levensdagen in een stil Geldersch dorp doorbracht, de geaardheid van zijn eenigen zoon niet zal verdacht hebben, en een treuriglaissez-fairevan zijne zijde, alzoo de moordende voogdijschap van zijn zoon zal hebben bevorderd.

Gij weet het, lezer, wát de zoon beoogde en wáárop hij loerde? Hij, eerste luitenant zonder vermogen. Willem zijn pupil, en,—erfgenaam van de, inderdaad niet onaanzienlijke, nalatenschap zijner ouders!

Joost Van Meerle was het geweest die Geertje Willems, in weerwil van haar dringende beden, haar plechtige verklaringen en waarachtige rechten, als een gewone dienstbode had weggezonden, om—den armen wees een liefderijke verpleegster, een wakenden engel te ontrooven, en, zich zelven van een lastig paar oogen te ontslaan.

Land-heilen al de verdere roerende en onroerende goederen waren spoedig verkocht geworden, en Willem, die weldra door al het vreemde, dat hij te zien kreeg, de genoegens en vrienden der eerste jeugd vergat, volgde zijn neef en voogd naar diens garnizoen, en ontving er een opvoeding.... zoo pleizierig en vrij, dat wie ook ten nadeele van neef Joost hadde gesproken,hijsteeds als kampvechter voor hem zou zijn opgetreden.

“Vrijheid! blijheid!” deze zoetklinkende woordjes legden in het kinderhart een treurig fondament voor degelijkheid en gepasten ernst! Toch moest er geleerd en—de wereld geblinddoekt worden. Ja, Willem ging ter schole en kreeg zelfs huislessen; doch, wie kinderen naar school zendt met de bovengestelde leuze, hij heeft een achterdeurtje opengezet, waardoor het ontsnappen niet moeielijk valt. Alles gaat trapsgewijze; en ook de vorming en opleiding van den jeugdigen neef ging trapsgewijze; maar ach! ze waren zoo heel ver vanéén die treden—zoodat de opklimming met een gestadig vallen gepaard ging.

Zoudt ge ’t gaarne beschreven zien, hoe de lagen werden gelegd om den zedelijken moord, bedekt, en toch zéker te plegen? hoe schier iedere garnizoens-verwisseling van den luitenant, welke Willem—tot zijn gevolg behoorende—medemaakte, ook een nieuw genot aanbracht, dat hem al meer ten verderve voerde? Wilt ge hem zien op nog jeugdigen leeftijd aan de hand der dronkenschap, aan de hand der verleiding? Neen! gij begeert ze niet inhaar naaktheid te zien die wanden, waarbinnen de steeds glimlachende voogd, louter om de grap, zijn offer ter slachtbank sleept;—gij wilt het niet, en hebt deernis met den zoogbroeder van Frans, die, ofschoon door hoogmoed beneveld en door zijn levenswijze schier vernietigd, toch getoond had hoe zijn van nature gevoelig hart nog niet geheel in hem verstompt werd. Hij toch was het geweest die den armen Frans, ofschoon ongaarne verder met hem in aanraking komende, niet zonder een kleinigheid van zich liet gaan, en de wagen-confusie in de G.... steeg had te baat genomen om den armen jongen het muntbiljet in zijn boezeroen-zakje te stoppen, terwijl hij zich daarna flukslangseen rug, enbezijdenden rommelenden boerenwagen, uit de voeten had gemaakt.

Ja, gij hebt medelijden met den armen knaap, die daar zoo akelig in zijnVoltaireligt! Gij hebt medelijden met hem, die, omringd en in ’t bezit van alles wat aardsch genot kan aanbrengen, veel armer dan Frans, zijn arme zoogbroeder is; veel ellendiger dan de ellendigste bedelaar, die niet zonder God gedankt en Gode zijn geest te hebben aanbevolen, zich des avonds op zijn hard leger te slapen legt.

De minuutwijzer der fraaie pendule had weder een cirkel beschreven, toen Willem nog even akelig daar zat, en de kamerdeur werd geopend.

’t Was Joost Van Meerle, die binnentrad. Zijn voorkomen, wel verre van een onaangenamen indruk te maken, had iets flinks, we zouden haast zeggen: iets edels. Een hoog en helder voorhoofd, zwart krullend haar, een paar levendige bruine oogen, een fijn besneden neus, benevens een kleinen mond, die in de gitzwarte knevels en baard als verscholen lag, vormden een inderdaad niet onbehaaglijk geheel. ’t Is een ontegenzeglijke waarheid, dat er in de zes verschillende garnizoensplaatsen, waar de luitenant Van Meerle woonde, nog menig maagdenhartje zuchtte, omdat Van Meerle het geheel beheerschte.

Ach! waarom zijn niet alle booswichten leelijk! en waarom de zwarte, die roetzwarte harten, niet even zichtbaar als een zwarte krulkop....?

“Wél geslapen, mijn jongen?” roept de luitenant bij het binnentreden.... doch zie, daar valt zijn slapende pupil hem in ’t oog; eenige oogenblikken beschouwt hij hem aandachtig, en ’t is alsof diezelfde lach van vroeger hem weer om den knevel speelt.

“Wat d....” spreekt hij eindelijk (de lezer zal ons voorzeker dankbaar zijn, indien wij telkens die wederkeerende woorden vankracht(?) achterwege laten) “slaap je nu weer? Mij dunkt, van vieren tot tienen of elven heb je een heelen deun kunnen maken. Hei! heila! Willem! is dat luieren; weet je niet dat Napoleon nooit meer dan zes uren sliep?”

De jonge Van Male ontwaakt. Verbaasd ziet hij op; zijn oogen staan dof, en ofschoon zijn gelaat er thans niet zoo akelig uitziet als daareven, toch zijn de oogkassen geteekend, en werken de jukbeenderennaar voren, en is de gelaatskleur nog even doodelijk wit.

“Ha! neef! bent ú daar!” zegt Van Male, en na vreeselijk te hebben gegeeuwd, herneemt hij: “Ik weet niet hoe ik zoo loom kom; ’t werd eergisteravond nog later dan gisteren; en toch was ik gisteren op den dag niet half zoo moe.”

“’t Vervelende weer!” roept de voogd: “Zoo’n mistige kou maakt altijd landziekig.—Zeg, heb je nog van die gele....? Wel, vent! dat frischt zoo op.—’En fijn avondje gister....!?”

Van Male werpt turf en hout op den haard; gaat naar een buffetkastje, krijgt het bedoelde citroenbitter met twee glaasjes, schenkt in, en zich daarna met den voogd bij het vuur zettende zegt hij, in antwoord op de laatste vraag:

“Dat zou ik meenen; ’t was er heerlijk!”

“’k Behoef niet te vragen of de hoofdstad aan neefje bevalt,” lacht de vroolijke voogd: “je treft het vrindje, dat neef hier bekend is.—Wat zijn je plannen?”

Bah! wij toeven niet langer; wij laten hun plannen vormen, of wel, wij laten den voogd het zijden net aan den jongen toonen, waarin hij hem zacht maar zeker denkt te vangen; wij gaan,—en treden eenige dagen later, het kamertje van Geertje Willems in de D....steeg binnen.

’t Is laat, zeer laat; de torenklok heeft reeds lang geleden ’t gebrom doen hooren alsof zij viermalen riep: “Ga—naar—bed!” maar vrouw Willems heeft nog niet kunnen besluiten om het groote karpet ter zijde te leggen, ’t welk zij moet oplappen voor het logement—waar ze als werkster driemalen in de week een dag mag helpen—en Frans, die zich, na zooveel mislukte kruideniersreizen, mede als loopbediende door zijn moeder den logementhouder liet aanbevelen, maar door de openhartige mededeeling van het gebeurde bij Schorel, alweder was teleurgesteld, hij zat nu—omdat het lampje maar spaarzaam brandde—zeer nabij zijn moeder, en las haar voor uit het Woord des levens.

Eindelijk zweeg Frans, en de moeder bleef ook zwijgen; en het kacheltje zweeg ook, omdat er geen vonk meer in was, en Frans staarde strak op het werk zijner moeder, en—zuchtte.

“Kom Frans, eet die snee brood toch op!” zei Geertje eindelijk: “heb je dan alweer geen honger?”

“Neen moeder, waarlijk, ik heb geen honger,” antwoordde de zoon.

“Maar ben je dan ziek mijn jongen?” hernam de werkende vrouw, even opziende: “Den heelen dag niets dan wat schrale aardappels!.... je waart anders zoo hongerig wanneer je Zondags eens thuis kwaamt, en nu sinds den tijd dat je hier bent.... Kom, ’k zou nu die snee maar eens nemen.”

“Neen stellig, ik dank u!” antwoordde Frans, en of het door ’t staren op moeders stopwerk kwam, of door iets anders.... althans, ’t werd vochtig in zijne oogen.

“Kom, Frans! wees zoo mal niet!” sprak moeder Geertje weder, die nogmaals had opgezien, en aan dat vochtige een andere oorzaak toeschreef: “ik heb immers ook gegeten en al is er voor morgen niet, je hebt daar straks gelezen: “Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien noch maaien; welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt ze nochtans: hoeveel gaat gij de vogelen te boven?” Toe Frans, eet maar, en blijf met mij vertrouwen; vertrouwen met de biddende gedachte, die mij ook in vroegere jaren kracht schonk: “God is een helper van weduwen en weezen.”

“Maar lieve moeder, hoe kan ik.... hoe mag ik....” klonk nu de stem van Frans, aan wier bijzondere trilling vrouw Geertje wel kon bespeuren hoe overvol zijn gemoed was: “Ben ik u niet tot last; is dat brood niet het brood dat u zuur hebt verdiend? En ik, wordikniet geschuwd en veracht, omdat.... neen, hoewel iknietschuldig ben....? Moeder! wat brachtiku aan? Al meer dan veertien dagen spaart u ’t weinige dat je hebt uit je eigen mond. Moeder! lieve moeder! dat kan, dat wil ik niet dulden. Bedelen.... neen...! maar toch, zóó kan het niet blijven. Zeg, moeder.....! wat dunkt u.....? dienst nemen..... zeg..... of anders....” en de blik van den armen jongen verkreeg meer helderheid: “of anders.... zooals vader eertijds deed, werken! werken op het land bij de boeren! naar het dorp terugkeeren waaraan zooveel heerlijke, maar ook zulke droeve herinneringen verbonden zijn? Moeder! wat dunkt u! Misschien woont de zoon van uw weldoener er nog, diemijwel ontweek, doch, zoo hij u wederzag, wellicht medelijden zou hebben, omdat gij hem zelf gezoogd hebt. Daarheen gaan, moeder! U met mij; en deze stad verlaten, waar alles duur is; waar u wel werk hebt, doch waarikzou moeten bedelen; waar niets is, niets....!” doch eensklaps hield Frans op met spreken, en staarde in het flauw brandende lichtje, en wierp het hoofd in de beide handen terwijl een tranenstroom langs zijne kaken vloeide.

’t Kostte der goede moeder heel wat inspanning om haar Frans tot bedaren te brengen; want ach! zij wist niet dat er wel iets in die groote stad was, hetwelk den knaap als met krachtige banden binnen hare muren terughield; zij wist niet dat het kind van den man, die haar jongen in ’t ongeluk bracht, hem dierbaar, zoo onuitsprekelijk dierbaar was.

Moeder Geertje had haar arbeid gestaakt; ze was diep bewogen; niet zoozeer om het weinige dat haar deel was, dan wel om de droevige uitbarsting van haar goeden en miskenden jongen. Met verstand die pijnlijkegemoedsstemmingwillende verzachten, sprak ze nog altijd opbeurende woorden in den geest van haar Meester, “die de armen naar de wereld lief heeft, mits zij rijk zijn in Hem.”

Inderdaad herkreeg Frans aldra zijn kalmte, en—ja, ofschoon hij die plannen haar zelve had voorgelegd, het deed hem zoo goed,uit haar mond te hooren datzij’t beter oordeelde om samen te blijven waar ze waren; ja, hij had haar wel om den hals willen vallen, toen ze met moederlijke bezorgdheid—och, ze had ook maar één kind!—van de gevaren sprak, die hem in den dienst zouden omringen, terwijl ze dan wreed van hem zou gescheiden zijn.... zij, die er op de wereld maar één meer had dien ze liefde toedroeg: “Eén!” en bij dát woord zuchtte moeder Geertje, en vervolgde iets zachter dan ze tot hiertoe gesproken had:

“Ach! Frans! als ik aan hém denk, aan het lieve kind dat ik tien jaren lang bijna als een tweelingbroeder van jou, mijn jongen, heb lief gehad; dat ik troetelde en koesterde, haast zonder te bedenken dat een ander hem het leven schonk; aan hém, voor wien ik den vader bij eede beloofde te zullen waken en zorgen, maar die mij als met geweld van ’t hart is gescheurd, misschien omdat ik hem lief had en bidden leerde; ja, dan voel ik bij de smart, niet om het gemis van wereldsche goederen, maar bij de smart, dat ik gedwongen werd een heilige gelofte te breken, dat ik ook hém nog lief heb dien ik, als jou met mijn leven voedde. Zie, in weerwil dat nimmer vanLand-heileenig antwoord tot mij kwam, had ik het kleine Wimpje lief, want het arme schaap kon toch niet helpen wat zijne verzorgers deden; en nog! zelfs na de ontmoeting die jij met hem hadt, gevoel ik dat ik gelukkig in zijn nabijheid zou wezen, maar—tot hém gaan en mij nogmaals aan de verregaande ruwheid en onzinnige woede van dien luitenant Van Meerle blootstellen, neen Frans! dat kan, dat wil ik niet. Wie weet ook ofLand-heilnog wel door mijn zoogkind bewoond wordt; licht trok hij naar elders; en zoohijer niet is voor wien ik slechts bidden kan, wat zouden wij dan in het dorpje beginnen? Hier, in de stad mijner geboorte, had ik tot heden nog brood; maar dáár....! Op het land werken, zie, ik zou het niet meer kunnen, enjijzoudt er evenmin geschikt toe zijn. Och, wie zou zich het lot der arme aantrekken, zoo zij niet meer werken kon, de arme weduw van Peter Willems, die al twintig jaren vergeten op het kerkhof ligt....”

Toen de moeder, die zonder het zelve te weten zoo geheel in den geest van haar kind had gesproken, hem zwijgend aanzag, terwijl er in den blik, waarmee zij hem beschouwde, een aantal vragen waren opgesloten, stond Frans van zijne zitplaats op: naderde de dierbare vrouw, sloeg den arm vertrouwelijk om haren hals en fluisterde, na eenig aarzelen, een lange, een zoete, en toch zoo pijnlijke bekentenis, die der goede moeder ten slotte verbaasd: “Mathilde Schorel....! Frans! is het mogelijk!” deed uitroepen.

“Ja! moeder! ja!” hernam de jongen: “och! ik heb het u steeds verzwegen, omdat ik geen moed had de geheimen van mijn hart in woorden te brengen; maar nu, nu moet je het weten; ja, omdat ik ter wille van haar, ter wille der lieve Thilde, ook vurig wensch in deze plaats te blijven. Och, en zij,” vervolgde Frans, terwijl een blos zijne kaken verfde: “ookzijzal het zoo vurig wenschen; want, al zeiden wij elkander nooit wat er in ons binnenste omging, in hare oogen heb ik toch vaak gelezen dat ze mij lief had zooalsik haar liefde toedraag. Moeder!númoest je het weten, om u mijn vermoeden te kunnen openbaren, dat misschien zij.... dat geld....! Wat dunkt u.... zou het mogelijk zijn....?”

Vrouw Geertje had het gehoord, en ze laakte het niet dat Frans nog een andere nevens haar lief had; alleen die liefde wekte haar bekommering. Frans—die geen cent bezat, en zelfs geen werk kon bekomen, beminde de dochter van den ouden Schorel! En—nadat de moeder eenige oogenblikken stilzwijgend had vóór zich gezien, bracht zij zich de laatste vragen van Frans te binnen, en antwoordde, niet te weten wat zij denken moest, maar vast te gelooven, dat Thilde, zoo zij hem werkelijk lief had, en hem het muntbiljet had toegestopt, dat zij dan ook zeker, na die treurige uitkomst, de waarheid aan ’t licht zou brengen.

De juiste aanmerking der moeder bracht Frans weder aan ’t twijfelen; eerst over ’t geld, of Thilde wel inderdaad de geefster zou geweest zijn, en later toen hij toch niets anders voor waarheid kon houden, terwijl het beeld van den stuurschen zoogbroeder geheel en al door dat der bevallige Thilde werd verdrongen, toen twijfelde hij aan—hetgeen hij in hare oogen zoo vaak had gelezen—aan Thildes liefde; want, moeder had gelijk; zoo zij hem waarlijk liefhad, zou zij de waarheid aan ’t licht brengen; en, meer dan veertien dagen waren voorbijgegaan,—en Thilde had volstrekt niets aan ’t licht gebracht.—Frans bleef strak voor zich uit staren, en at de snee brood niet die moeder voor hem had neergezet.

Zoo goed mogelijk had moeder Geertje in een hoek van ’t kamertje een slaapplaats voor haar jongen in orde gebracht, en daar de olie in haar lampje niet noodeloos verbranden mocht, pakte zij Frans bij de hand, drukte een zoen op zijn voorhoofd, en na de woorden: “Kom mijn jongen, we moeten gaan slapen, met een nieuwen dag zal God weer licht en ook raad verschaffen,” blies zij het olievlammetje uit, en sloeg juist de handen aan haar kleeding om zich, op ’t gevoel af, er van te ontdoen, toen zij vreeselijk ontstelde, en met een bevende stem haar jongen toefluisterde:

“Frans! Frans! hoor je niet, daar wordt op de deur geklopt...?”

Zooals Frans, geheel in zich zelven gekeerd, daar nog stond, was het geluid dat de moeder deed ontstellen, ternauwernood door hem opgemerkt.

“Geklopt....!” riep hij, mede verrast, doch nauwelijks had hij. gezegd: “Stel u gerust, moeder, de wind zal hier of daar een luik hebben dichtgeworpen,” of nogmaals en duidelijker klonk nu het geklop op de deur en tevens een zachte stem die het “Doe open!” deed hooren.

“Hemel! wat zou het zijn?” sprak moeder Geertje zacht, terwijl zij steeds angstig: “Mij dunkt Frans, ’t is alsof hij die buiten staat zijn stem verdraaide. Hoor, daar heb je het weer.... een verfijnde mansstem. Frans, wij zullen ons stilhouden. Hemel! zoo laat in den nacht!”

Ofschoon onze vriend niet in den vollen zin des woords een held mocht heeten, zóó kleinmoedig was hij toch niet dat hij zougeaarzeld hebben om achter een welgegrendelde deur te vragen,wiehet was die buiten stond en waarom hij verlangde te worden binnengelaten.


Back to IndexNext