decoratieve illustratie
HOOFDSTUK IX.
Op school was ik zeer verstandig. Vooral in het opstellen maken. Alhoewel ik reeds bijna vijftien ben, kan ik dat nog goed.
Nu zal ik een opstel maken over mijn zuster Trijn.
Daar komt ook in van mijzelf, van mijn kameraad Kreel, van de biggen, en van nog anderen.
Mijn zuster Trijn is „skoon van wezen,” heeft Kreel eens tot mij gezegd. Dat wist hij, zeide hij, omdat hij in zijn twintigste jaar is.
Trijn „loopt op de vragenleering”; maar ik niet. Als ge „op de vragenleering loopt”, zegt Trijn, kunt ge later lid van de kerk worden.
Verleden jaar heeft Trijn op de „leering” met haar vriendin afgesproken, Zondag naar de Purmerender kermis te gaan.
De vriendin zei, dat zij dan meteen voor haar grootmoeder een bewijsje, dat deze tot de kerk behoort, konden halen. De grootmoeder was uit Purmerend bij haar thuis komen inwonen. De „arrestasie” moest men maar vragen, had haar grootmoeder gezegd; dan wist dominee het wel.
Mijn zuster Trijn helpt vader elken dag de eenden voeren; maar ik niet. Ik ga veel uit fietsen, of ik maak opstellen. Ook lees ik veel in de krant.
Als Trijn de eenden voert, stapt zij, met den emmer nestvisch aan de hand, zoo maar over de hooge schotten heen, die de eendenhokken afdeelen.
Kreel, die de nestvisch bij ons bezorgt, bleef het dikwijls een poos versteld aanzien. Eens zei hij: „Trijn, het lijkt haast een kunstenmaakster uit een spel”.
„Nou, borst,” zei Trijn, „hoe kan ik er anders bij komen?”
Maar ik was, daar ik zoo schoone opstellen kan maken, bestemd, om naar de hoogere burgerschool te gaan. Mijn vader heeft er wel twee jaar lang over gedacht, mij daarheen te brengen.
Nu begin ik over de nestvisch en over de krant. De eerste wordt door de eenden gegeten.
Wij hebben veertienhonderd eenden. Achter ons huis beginnen de eendenhokken, en dan loopen zij in lange rijen tot het eind van ons groote erf. Zij zijn met elkaar een heel eendendorp. Nevenburen en overburen hebben de eenden. De paden door het eendendorp zijn met een plankenvloer belegd. Elk eendenhok heeft een dicht binnenverblijf, dat met een schuin dak van hout afgedekt, en een open voorterrein, dat met een houten hek omgeven is. Ook is elk eendenhok veel meters lang.Maar het wordt in de dwarste door schotten in ongeveer vierkante woningen verdeeld. Dat zijn de schotten, waar mijn zuster Trijn overheen stapt. Tusschen elke twee dwarsschotten wonen tusschen twintig en vijftig eenden samen.
Wat de eenden van de meeste menschen onderscheidt, is: dat de eerstgenoemden kwaken. Als de eenden kwaken, zou het lichtvaardig zijn, zoo maar vast te stellen: nu zeggen zij dit, of: thans beweren zij dat. Bij de overbrenging van het eendengekwaak in het Nederlandsch blijft steeds veel voorbehoud noodig wat betreft de zekerheid der vertaling, want de eenden hebben een zeer ingewikkelde grammatica. Maar een bepaalde kwaak-uitdrukking houden zij erop na, waarvan de zin toch volkomen vaststaat. Wanneer zij die ten gehoore brengen, hebben zij honger en begeeren nestvisch.
Die brengen vader en mijn zuster Trijn haar dan.
Met juistheid te bepalen, wat nestvisch is, behoort natuurlijk tot de dierkunde, maar, naar ik uit de krant weet, ook tot de staatkunde. Of dier- en staatkunde nog meer gemeenschappelijk gebied hebben, is mij onbekend. Maar ik heb in de krant gelezen, dat ons kamerlid het met de eendenboeren, door wie hij is gekozen en verhoopt herkozen te worden, eens is over de leer: nestvisch is tot niets nut dan tot eendenvoer, en de vangst ervan behoort geheel vrij te worden gelaten. In dit dier- en staatkundig beginsel heeft echter, volgens de krant, ons kamerlid een verbitterd tegenstander aan zijn ambtgenoot uit de visscherijstreek; deze deelt met zijn visschers-stemmers de gewetensvolle overtuiging: nestvisch is onvolgroeid haringkroost, welks ontijdige wegvangst voor het eendengebroed roof is aan het menschengeslacht.
Vader en mijn zuster Trijn zijn er vast toe besloten,dat vader nimmer weer op ons kamerlid stemmen zal, indien ooit diens dierkundige en staatkundige welverzekerdheid met elkander in tegenspraak mochten komen te geraken. Maar daar bestaat in het geheel geen kans op. Onlangs heb ik uit de krant aan mijn huisgenooten voorgelezen, hoe in de zitting ons kamerlid aan zijn ambtgenoot heeft toegevoegd, dat een nestvischje zoomin ooit tot een haring zal worden als tot een zeemeermin. Hoewel wij niet wisten, wat een zeemeermin is, vonden wij dit een krachtig bewijs voor zijn vastheid van standpunt. Ik heb de regels over de zeemeermin uit de krant geknipt en in mijn opstellenschrift gelegd.
In elk geval is het nestvischje een geschubd lijkje, klein van maat, zilver van kleur, rot van geur.
Toen, terwijl onze Trijn met den nestemmer naar de eendenhokken wandelde, twee stadsdametjes op haar rijwielen voorbijkwamen, drukten zij haastig beiden tegelijk haar zakdoekjes tegen haar neusjes.
Maar onze Trijn, ree van besluit als zij is, zette snel den emmer neer, keek de stadsdametjes strak aan, greep een punt van haar zwarte schort, en drukte die tegen háár neus.
Daar wou mijn zuster Trijn mee te kennen geven: „En ik walg van uw bereukwaterde zakdoekjes”.
Toen Trijn op dien afgesproken Zondag met haar vriendin naar de Purmerender kermis ging, zag moeder haar door het venster met welbehagen na. En toen Trijn in het voorbijgaan met haar arm naar het raam zwaaide, zeide moeder tot vader, dat ieder zou moeten denken: „Wat 'n gnappe maaid!” Mijn zuster Trijn had haar koonen glimmend gepoetst met zeep, en witte handschoenen aangetrokken.
Mijn vader glunderde, toen moeder het zei; daarop ging hij naar de schuur, om wat te „pluisteren”. „Pluisteren” is: de slachteenden, na ze gedood te hebben, plukken. Als de eenden blauwe koppen krijgen—en die krijgen ze omstreeks eind-October—, kunt ge ze het gemakkelijkst „pluisteren”; dan zitten de veeren los. Als ge „gepluisterd” hebt, zit ge geheel onder het eendedons. Daarom moet iemand, die „gepluisterd” heeft, vervolgens ook zichzelf „pluisteren”.
Nadat mijn zuster en haar vriendin te Purmerend aangekomen waren, gingen zij eerst in de rödelbaan. Terwijl zij in den wagen de baan afrolden, gilden zij. Dat doen alle meisjes, die de rödelbaan afvliegen. De jongens niet; die hebben een groote sigaar in den mond. Vier keeren hebben Trijn en haar vriendin zich over de rödelbaan laten rijden.
Daarna hadden zij honger; zij gingen poffers eten.
Daarna hadden zij dorst; zij gingen limonade drinken.
In de Breedstraat zagen zij langs de kramen mijn kameraad Kreel aankomen.
Mijn kameraad Kreel is kort en breed. Zijn gezicht is vol en wit. Zijn haar is strookleur. Hij is goed.
Mijn kameraad Kreel zegt niets, als hij niets behoeft te zeggen. Hij weet niet, wat hij dan zou moeten zeggen. Hij is, naar hetgeen mijn zuster Trijn vindt, saai.
Mijn zuster Trijn is niet saai.
Wie verwacht mocht hebben, dat Kreel de meisjes zou zijn voorbijgestapt, had onbekend moeten wezen met de gevoelens en gedachten dezes jonkmans. Hij keerde, integendeel, terug, en verzelde ze, daarbij de zijde houdende van mijn zuster Trijn.
De meisjes staken bij elkaar den arm in, en giegelden saam, in het geheel niet Kreel, doch aldoor maar elkander aankijkend.
Kreel ook gaf zich iets lacherigs, 't welk hem er zeer rampzalig deed uitzien.
Zoo bereikten zij drieën het eind van de kramenrij. Daar verleende mijn zuster voor het eerst rechtstreeks aandacht aan Kreel. Als met plotselinge verbazing over zijn aanwezigheid vroeg zij hem, wat hij wou.
„Meeloopen”, zei hij.
Trijn trok haar vriendin, met een verontwaardigden ruk aan heur arm, mee rechtsomkeer, en begon met haar den gekomen weg terug te wandelen.
Maar ook op die terugwandeling week mijn kameraad niet van de zij mijner zuster. Hij keek niet naar den kant van de twee meisjes noch naar den anderen kant, maar recht vooruit. Hij floot.
En de meisjes legden den terugweg langs de kramen af, niet giegelend, gelijk op den heenweg, doch met stijf-booze gezichten. Bovendien klemden zij de lippen saam; tevens trokken zij de kinnen in.
Toen zij terugbeland waren daar, waar, bij de kerk, de kramen begonnen, riep mijn zuster tot Kreel: „Ga toch heen, jongen!” Daarbij gaf zij hem met haar vuist een harden stoot tegen den schouder.
Nu ging Kreel vlak voor mijn zuster staan. Hij zag haar een poos zwaarmoedig in de oogen. Vervolgens droop hij af in de nauwe steeg achterom de kerk, en donkerde daar weg in de schemering.
Daarna hebben mijn zuster Trijn en haar vriendin nog veel genoten. Zij gingen in den zweefmolen en in den draaimolen. In den eerstvermelden molen zweefde mijn zuster Trijn, alsof zweven eigenlijk haar normale wijze van voortbeweging was, zoo schoon. Die het aanzagen bewonderden haar zeer.
Hierop gingen zij om de „arrestasie”. Die zou worden „opestuurd”, beloofde de meid van dominee. Dat vonden zij goed.
Zij zijn nog in twee spellen geweest.
Daar het nu gevorderde avond was geworden, haastten zij zich naar de Koemarkt. Aldaar zijn zeer veel herbergen. Op de kermisdagen komt uit de deuren der herbergen muziek, geroes, geklots, zoomede een uit alcohol, tabak, menschenzweet en menschenadem samengetrokken walm. Maar de walm, die eruit komt, doet weinig afbreuk aan den walm, die erbinnen blijft.
Mijn zuster en haar vriendin gingen „aan de lijn”. „Aan de lijn” staan dusdanige jongedochters, die zich met de kermis in een rij langs de muren der herbergzaal scharen. Zulks verrichten de jongemaagden, welke tot hiertoe geen „verkeering” hebben, noch „vaste”, noch „losse”. Zij doen daarmede kond, dat zij zich ter beschikking stellen van de jongemans, die haar ten dans, en, mocht het geval zoo loopen, ook ter verdere lots-samenvoeging zouden willen leiden.
Mijn zuster en haar vriendin gingen derhalve „aan de lijn” op de Koemarkt. De markt heet evenwel zoo naar de koebeesten, die er des Dinsdags aan de lijn staan, te kijk zoowel als te koop.
Herhaaldelijk kwam een „jongkerel” Trijn of haar vriendin van „de lijn” halen, danste met haar, en bracht haar terug „aan de lijn”. Dat laatste was goed, om haar telkens eens wat van de warmte te laten bekomen.
Terwijl mijn zuster „aan de lijn” stond, werd haar door den bediende een glaasje brandewijn met suiker, dat zij niet besteld had, gebracht. Dit gebeurt in die gevallen wel meer. Dan heeft de ontvangster van de versnapering onder de schare een verborgen bewonderaar, die zich later wel als den geheimzinnigen weldoener aan haar ontsluiert.
Trijn nuttigde den brandewijn in veel kleine teugen. Tusschen twee teugen in roerde zij telkens de suiker.Het overschot der suiker at zij ten slotte van den kleinen lepel.
Nauw was zij hiermede klaar, of zij moest alweer dansen. Van toen af heeft zij wel anderhalf uur lang bijna onafgebroken gedanst.
En daarna zag zij mijn kameraad Kreel voor zich staan. Zij merkte hem pas nu op in de danszaal. Maar hij moet er, heeft zij later begrepen, toch reeds heel geruimen tijd geweest zijn.
Mijn kameraad Kreel voerde zwijgend een zachtwiegende beweging met het bovenlijf voor haar uit, die, gepaard aan een schroomvallige uitstrekking van de armen, duidelijk een noodiging ten dans vertolkte. Juist toen mijn zuster „ja” of „neen”, maar denkelijk wel „ja”, zeggen wou, kwam een jongeling op haar af, die een sigaret rookte.
Trijn wist niet, wie deze jongeling was noch waar hij woonde. Maar hij had een stoomfiets. Daarop snorde hij weleens onze eendenboerderij voorbij. Toen draaide mijn zuster Trijn haar rug naar Kreel, en danste met den jongeling.
Na dit gedaan te hebben, ging zij naarbuiten. Want zij wilde eens luchtscheppen. Zij ging alleen. Want haar vriendin was vertrokken met een jongmensch, dat de vriendin op wafelen wou tracteeren.
Mijn zuster Trijn wandelde de Koemarkt af, en de mooie, stille laan, die naar den Purmerpolder voert, in. Onder een boom bleef zij even staan. Zij keek naar de schaduwen der stammen en takken, die het maanlicht op den breeden weg teekende. Zij keek vervolgens ook naar de sterren, die zij door het dunne herfstloof heen zien kon. Zij was er blij om, dat zij een oogenblik uit de vreugde was weggeloopen. Zij nam haar zakdoek, en wischte haar warme gezicht af.
Zij zou haar zakdoek weer bergen, toen haar handzacht werd gegrepen. Daar „verschoot” zij van. Maar het was Kreel, die het deed, zooals zij tegelijkertijd zag.
Mijn kameraad Kreel was haar over de afgevallen bladeren doodsstil nageloopen.
Mijn zuster werd heel driftig. Zij trok aan de hand, die Kreel vasthield. Maar Kreel wou de hand niet loslaten.
En hij zeide: „Trijn, het brandewijntje was van „mijn”.”
Toen Trijn dit hoorde, gedoogde zij, dat haar hand met den zakdoek in Kreels hand bleef liggen.
Maar daar mijn kameraad Kreel thans ook den arm om haar schouder wilde leggen, rukte zij zich onverhoeds los. Daarop liep zij in halven draf naar de Koemarkt terug.
Doch nu mocht Kreel dan toch naast haar meedraven.
En in de herberg heeft zij daarna één keer met hem gedanst ook.
Terwijl dit een en ander aldus plaatshad, lagen mijn vader en moeder diep slapend in hun bedstede, en ik evenzoo in de mijne.
Maar ruim halverwegen den nacht schrikten wij alle drie wakker. Dat kwam door de eenden, die opeens vervaarlijk te keer gingen.
Vader sprong overeind, bemerkte ik. „Moeder, wat is er?” riep hij slaapdronken, zoo hoorde ik.
Na eenige oogenblikken zei moeder: „Onze Trijn zal thuiskomen.”
Toen legden vader en moeder zich gerustgesteld neer. Zij sloten weer vredig de oogen toe. En ik ook.
Maar het duurde toch nog een minuut, voordat wij aan de klink der achterdeur hoorden, dat Trijn in huis kwam.
Zij moest eerst Kreel nog „gedag-zeggen.”
Mijn kameraad Kreel had haar en haar vriendinthuisgebracht in een rijtuig. Bij zulke gelegenheden ziet hij nooit op een paar guldens. Als mijn kameraad Kreel eenmaal uit is, is hij heel niet „krimmeneel.”
Wij zijn een benijdbaar huisgezin, omdat vader en moeder zooveel genoegen smaken van hun twee kinderen. Vader geeft het aan menigeen te hooren, dat hij en moeder, door kinderen zooals zij hebben, trotsch zouden worden, „bijaldien” dat in hen zat. Maar het zit niet in hen. Trouwens, ook van vrijwel alle andere fouten dan trotschheid pleegt mijn vader bij gelegenheid te belijden, dat hij en moeder eraan mank gaan zouden, „bijaldien” ze in hen zaten. Maar, gelukkig, zit geen enkele daarvan in hen. Onder al dergelijk betoog van vader knikt moeder dan zedig-vredig, dat het zoo is.
Nu, ik en mijn zuster Trijn weten ook zelf wel, dat vader en moeder boven velen bevoorrecht zijn met zoodanig kinderbezit als hun is beschoren. Ten aanzien van Trijn valt hun ouderlijk voorrecht het sterkst in het oog. Haar temidden der eenden ga te slaan is een schouwspel, om menigen jongen knecht te beschamen. Zóó ziet gij haar hier doende, en zóó alweer ginds bezig. Zij roept de eenden op, en ze hobbelen van allen kant toe; zij schopt naar ze met den klomp, en ze waggelen naar allen kant weg. „Bijaldien”onze Trijn onze Trijn niet was, zou ons eendenbedrijf niet ons eendenbedrijf zijn, zoo getuigt mijn vader. Ik, daar nu tegenover, ben tot het eendendom niet nut, maar verstrek op mijn beurt het ouderpaar tot vreugde, dewijl ik zulke „gaven” bezit. Vader kan „met een woord van waarheid” verklaren, dat hij en moeder, wanneer zij „zichzelf in beskouwing nemen”, nietbevatten, vanwaar hun beider „zeun” deze „gaven” heeft. En zoo ontbreekt in ons vriendelijk gezin geenszins die betamelijke waardeering, welke tevens een zachte streeling verschaft zoowel aan dengene, die zulke waardeering betoont, als aan dien, die haar ondervindt.
De Maandagmorgen-atmosfeer is, na de zondagsche opsparing van werkvermogen, geladen met menschelijken arbeidsdrang. Ziet, hoe de doorbrekende ochtendgloor uit alle schuilhoeken het leven doet tevoorschijn springen. Het golft van de aarde op, den dageraad tegemoet. De rose lucht trilt van den jubel der uitbarstende menschenkracht. De buurt doet de wederopstanding van den arbeid kond met deurengeklep, stemmengeroep, klompengeklots, watergeplomp, wielengeknars, hondengebas, kindergejoel, emmersgegooi, mattengeklop, vatengeschuur, morgengegroet.
Op iedere plek, die het ochtendrood aanroert, ontstaat op datzelfde oogenblik lustig vertier. Ook op ons eendenerf. Het opeengedrongen eendenvolk ontwaakt. Er gaat een zachte deining door het veld van dons; tegelijk steken zich daaruit de honderden groote snavels omhoog. Die klapperen onhebbelijk open en dicht bij het toesnateren van den ploertigen eendengroet aan de in luister verschijnende dagkoningin. Moeder, het paarse nachtjak nog aan en de gehaakte nachtmuts nog op, hangt de zondagsche kleeren te luchten aan de rij spijkers, die expres ten dienste van deze Maandagochtend-bezigheid in den houten achterwand van ons huis zijn geslagen. Aan het andere uiteinde van het erf dan waar moeder de jassen en de japonnen van den Zondag ophangt staat vader met een beugelnet nestvisch uit de kaar over te scheppen in de emmers. Maar van een afstand gezien, lijkt hij, terwijl de nestvischin de zon blinkt, een toovenaar, die maar aldoor vloeibaar zilver opdelft uit een sprookjesdiepte en uitgiet in sprookjesvaten. Trijn haalt den eenen gevulden emmer na den anderen van vader weg, en wipt ermee over de hokschotten, ze geleidelijk uitstortende onder het gevederde volk van den altijddurenden hongersnood.
Vader wijst moeder uit de verte naar Trijn, zijn trots, zijn roem. Hij schreeuwt boven het eendengekwaak uit: „Moeder, het is „mirakel”!” In Trijn ziet hij zijn kermis-ideaal gehuldigd, 't welk luidt: „Bij nacht een man, ook bij dag een man!” Laten nu dezen vroegen Maandagmorgen haar wangen iets lichter dan meestal blozen en haar oogen iets matter dan doorgaans stralen, een onfrisch gezicht met doffe kijkers ziet er nog altijd heel anders uit. En dit flauwe spoor is er dan ook het eenige spoor van, dat zij twee derden van den jongsten nacht in de vreugd, en slechts het laatste derde in de rust is geweest. Desondanks vindt geen minuut na den gezetten tijd haar aan heur ochtendtaak, de hand rap, den voet vlug, het lijf lenig als immer of ooit. Daar zwelt vaders borst en zwelgt vaders geest van, en dat noemt hij „mirakel”. En voor zooiets bestaat ook geen andere benaming.
Dit is het ontwaken van de werkweek, dat ik, zooals ik het u thans beschreef, gadesloeg, terwijl ik, staande in den post der achterdeur, mij een scheiding in het haar kamde. Wijl de spiegel in de kamer hangt, die moeder „gnap houdt”, maken wij des ochtends op den tast ons toilet. Alleen mijn zuster Trijn doet het, als zij uit moet, voor den spiegel.
Toen de scheiding klaar was, was ik ook klaar.
Vervolgens liep ik langen tijd ons erf en het dorp rond, daarbij pijpen rookend. Ten slotte zag ik ook nog mijn kameraad Kreel.
Hij was juist opgestaan. Hij wiesch zich het hoofdaan den slootkant. Hij was welvergenoegd. Hij sprak van mijn zuster Trijn, en vertelde van het thuisbrengen in het rijtuig.
Mijn kameraad Kreel vertelt mij bijna altijd bijna alles.
Ik vroeg Trijn, toen ik thuiskwam, of zij Kreel mocht.
„Dien?” vroeg zij terug, met zulk een overvloed van minachting, dat het een wonder is, hoe iemand dezen in vier letters met een vraagteeken bergen kan. Voorts trok zij de wenkbrauwen in een boog, op de manier, die zij wel meer over zich heeft, en die mij, als ik dan mijn zuster Trijn aanzie, altijd, ik weet niet hoe, dwingt, aan een koningin te denken. En zij ging voort te vragen: „Dien? Dien „saggeryn”?”
Ziezoo, nu wentelen de raderen van het bezigheidsleven weer rond. Zes dagen verloopen, alle aan elkander gelijk, alle even druk, geen van alle overdruk.
De machine van de dagtaak houdt ons in gestadigen gang, en wij doen het de machine, totdat zij tegen den Zondag opnieuw langzaam uitsnort.
Thans andermaal loopt het raderwerk van den arbeid een dag lang traag, hoewel het bij ons in het eendengedoe nooit geheel stopstaat.
Mijn zuster Trijn heeft een lijdzame natuur.
Denkt niet, dat iemand haar heeft hooren morren, omdat aan dezen Zondag het kermisgenoegen van den voorafgaanden ontbrak. Integendeel, op de herinnering harer vriendin: „Aers op heden as vorige week!” haalde zij gelaten de schouders op.
Dit riep haar vriendin door ons venster, terwijl zij voorbijkwam met haar grootmoeder. Tevens stak zij haar kerkboekje omhoog, ter aanduiding, dat zij „naar de preek” ging.
Haar grootmoeder zegt: „Ter kermis, uitstekend!Maar ook ter kerk!” Haar grootmoeder is „puur” godsdienstig.
Wij zijn niet godsdienstig. Wij hebben daar te veel eenden voor. Maar wij zijn evengoed best.
Trijn was, toen haar vriendin langs ons raam ging, juist in huis terug van de eendenvoedering, die zij, gelijk gebruikelijk, met vader saam had ten uitvoer gebracht. Mijn vader, daarentegen, was nog wat op de „worf” blijven rondwandelen; dat is hem op den Zondagvoormiddag tot een liefelijk bedrijf. Ik bestudeerde in de woonkamer het ochtendblad. In het „achtereind” schilde moeder de aardappelen.
Trijn kwam naast mij op de knieën liggen, de ellebogen op de tafel. Als zij zoo doet, wil zij, dat ik haar uit de krant vertel. Dat deed ik. Inmiddels maakte zij alvast langzaam haar kapsel los, om zich straks te gaan opknappen.
Hierop kwam vader dit vredig Zondagochtend-tafereel eenigszins storen. Hij droeg een woerd, welken hij dood gevonden had, bij de pooten. Moeder, die den aardappelbak had neergezet, volgde vader onder zacht-droeve uitroepjes. Wij alle vier schaarden ons meewarig rondom den schoonen dooden woerd.
Hij gaf ons aanleiding tot een breedvoerig gesprek over de broosheid des levens van de eenden. Onder alle wezens, die er zijn, zijn de eenden het sterfelijkst. Een eend heeft geen ziekteverloop. In hetzelfde oogenblik, waarop men het een eend aanziet: „Gij lijkt wel niet goed te worden”, valt zij om, en is reeds niet meer.
Ach, onze schoone doode woerd!
Onze sierlijke woerd, met den glanzigen blauwgroenen kop en de veelkleurige vlerken!
Want gij weet toch zeker, dat onder de eenden, en in het algemeen onder de vogelen, het schoone geslacht niet het vrouwelijke is, maar het mannelijke.
Aan het eind onzer beschouwingen maakte mijn vader met een touw, dat hij uit den zak haalde, een lus aan de pooten van den woerd. Daarmee ging hij den woerd tegen den voordeur-stijl hangen. Zoodra dan de opkooper van dergelijke artikelen voorbijkwam, zou deze kunnen zien, dat er handel voor hem was.
Gelijk de voormiddag, zoo werd ook de namiddag dezes dags door ons in betamelijkheid doorgebracht. Ik deed een fietstocht, en dronk onderweg bier, hoewel ik geen dorst had. Mijn zuster Trijn wandelde met haar vriendin heel den namiddag de dorpsstraat van eind tot eind op en neer, almaar onder gepraat; als zij samen zijn, praten zij steeds, hetzij tegelijk, hetzij om beurten. Mijn vader liet te bed zijn oogen wat beschieten, en mijn moeder, na het vaatgerei te hebben gewasschen en gedroogd, knapte een uiltje in vaders grooten stoel.
Des avonds bezocht mijn kameraad Kreel ons. Mijn vader kaartte met hem. Kaarten met uw bezoekers is aan te bevelen. Met wijsheid zegt mijn vader: „„Bijaldien” ge niet met hen kaart, wordt er maar kwaadgesproken.” Ik las. Mijn zuster Trijn haakte. Mijn moeder keek naar het haken, totdat haar oogen strak werden, en toevielen. Het eenige, wat gesproken werd, was het annonceeren van de spellen door de twee kaarters. Vreedzaam zweefden de uren over onzen stillen avondkring heen. Moeders dommelhoofd wiegelde zacht heen en weder. Maar op een zeker oogenblik schokte haar hoofd op zijde, zoo opeens, dat haar halswervel er lichtelijk van kraakte. Dit deed ons allen van onze bezigheid opzien, en het maakte vader erop indachtig, dat het bedtijd was. Hij legde de kaarten uit de hand.
Dat deed Kreel ook. Maar deze gaf geen blijk van eenigerlei neiging tot vertrekken. Tevens boog mijn zuster Trijn zich dieper dan tot hiertoe over haarhandwerk, en begon daaraan grooteren ijver te besteden dan zij er heel den avond nog aan ten koste gelegd had. Hieraan zagen wij, dat Kreels bedoeling met diens bezoek was, bij mijn zuster „de koffie te halen”, zulks naar het recht des jonkmans, die een week tevoren met een jongedochter „te feest” is geweest.
En dus begaven wij, anderen, ons naar ons nachtverblijf.
Niet lang daarna zoemde een regelmatig ademhalingsduet van de ouderlijke legerstee naar de mijne over. Vader en moeder waren derhalve reeds op het droomenpad naar het morgen.
Langs de zolderbalken van het slaapvertrek glom een smalle lichtstreep, die gekropen kwam uit een kier boven de deur, waarachter de twee jongelui tezaam waren gebleven. Ik lag door het nachtgrauw naar de lichtstreep boven mijn hoofd te staren.
Vrij langen tijd hoorde ik mijn zuster Trijn stommelen in de binnenkamer. Zekere neventonen, die zich door haar gestommel mengden, maakten duidelijk, dat zij bezig was, den verschuldigden geurigen drank aan haar vereerder te bereiden en voorts toe te dienen.
Hierop rinkelde daarbinnen de lamp even. In hetzelfde oogenblik verzwond de lichtstreep van de balken.
Van toen af bleef het muisstil in de donkere kamer, waarbinnen het bekoorlijk landsgebruik van het „koffie halen” werd gehuldigd.
En mij greep de slaap.
In den voornacht ontwaakte ik even, om flauw te beseffen, dat iemand langs mijn bed ging, en vlak daarop de buitendeur achter zich toeklapte; dit was Kreel, die vertrok. Nog drong het, te hooren aan wat ritsel- en daarna kraakgeluiden, vagelijk tot mij door, dat thans mijn zuster Trijn zich ter ruste begaf.
Dien Zondag na veertien dagen lag ik des avonds weer op mijn sponde naar de lichtstreep te turen, totdat binnen de lamp rinkelde, en tegelijk de lichtstreep verzwond.
En vervolgens heel een reeks van om-de-andere-weeksche Zondagavonden desgelijks.
En wanneer Kreel 's nachts heenging, en Trijn hierna haar leger opzocht, werd ik er niet meer wakker van.
Maar zoodoende hadden dan nu mijn kameraad en mijn zuster „vaste verkeering” gekregen. Dit verheugde mij zeer.
Ik zei tot mijn zuster Trijn—het mag in de Kerst- of de Nieuwjaarsweek of daaromtrent geweest zijn—, hoe schoon ik het vond, dat zij van Kreel was gaan houden. Toen spatten uit haar oogen vonken, om mij van hoofd tot teenen te verschroeien. „Aap!” giftigde zij. Ik herdenk met ontroering dit woord eener zuster tot een broeder, die beiden zoo „gnappe” kinderen van zoo „gnappe” ouders zijn als ik en Trijn. Trijn heeft er dan ook geen rust bij gehad, en haar onvertogen woord goed willen maken, door, na nog geen uur, te zeggen, dat zij er niet mij mee gemeend had, doch Kreel maar. Daaraan kon ik weder, zooal niet haar waarheids-, dan toch haar zusterliefde zien.
Maar op het noodlots-oogenblik zelf trilde alles aan haar van drift. En zoo vloog zij de kamer uit. En moeder, die in het „achtereind” Trijn tot staan bracht, riep mij toe, dat ik een kwajongen was, en vroeg den kwajongen, of zijn vader en moeder zich soms bemoeiden met hetgeen „Trijn met Kreel had.”
Ik voelde mij op dat pas zeer schuldig, vermits ik aan mijn vader en moeder moet nageven, dat zij zich daar inderdaad niet mee bemoeiden.
Toen de verkeering van mijn zuster Trijn enkele maanden oud was, ontving zij een treffende openbaring.Het verscheen haar op eenmaal voor den geest, dat de aanspraken, welke de vriendschap heeft, in heiligheid niet onderdoen voor die van de min. Dit nieuw-gewonnen inzicht opende haar het oog voor heur roeping, meer gezet dan tot hiertoe het tehuis harer vriendin met haar aanwezigheid te gaan vervroolijken. En als zij zich dier roeping bewust werd, was het telkens op Kreels bezoekavond. Dat zij ons dan tot afscheidsgroet „wel te rusten” wenschte, diende ter kennisgeving van haar voornemen, om ook den nacht onder het vriendinnedak te doortoeven.
Bij Kreels verschijning troostten wij hem alsdan over zijn teleurstelling met menigerlei vriendelijk verzinsel. Daar antwoordde hij dan weinig op; hij druilde weg.
Een volgenden keer troostte Trijn zelf hem, door ditmaal weer eens goedgunstig zijn komst te wachten.
Mijn kameraad Kreel is geduldig en getrouw. Eens echter moet hij, schoon met schroom, tot Trijn hebben gezegd, dat hij ophield met de verkeering, als zij hem nog eenmaal vergeefs liet komen. Toen liet mijn zuster Trijn hem tweemaal vergeefs komen. Maar hij hield niet op.
Toch was hij begonnen, 's morgens en 's avonds zijn knechtje met de nestvisch te zenden, in plaats van die langer zelf te bezorgen. Hij had van deze betooging tegen Trijns gedrag jegens hem nochtans geen wil, daar zij aan de opmerkzaamheid mijner zuster ontging. Toen ik er haar aandacht op vestigde, zei ze, dat het er alleen toe deed, of het eendenvoer kwam, niet wie het bracht.
Toen „onderlaatst” een onzer loopeenden plotseling ging zwemmen, wat te eenenmale in strijd is zoowelmet den naam als met de natuur van een loopeend, heb ik van verbazing een vloek gezegd. Ik wist niet, dat het een vloek was; maar Trijn wist het. Zij geloofde tenminste, dat het er een was, naar hetgeen haar van de „vragenleering” voorstond. Wij hoopten allen, dat Trijn zich vergiste. Want er mag bij de eendenhokken niet gevloekt worden. Er zijn wel eendenhouders, die het doen; maar dat is roekeloos.
Wie tusschen zijn vee—hetzij pluim- of ook ander vee—met verwenschingen in den mond rondloopt, jaagt zeer lichtelijk den zegen en het geluk uit kooi of stal weg.
Wij hebben korten tijd een knecht gehad, die op de eenden placht te vloeken. Mijn vader voegde den knecht toe: „Vloek in mijn huis tegen mij; dan vloek ik terug. Maar vloek niet op mijn „worf” tegen mijn beesten.” Hij ontsloeg hem. Mijn vader bedankte ervoor, arm te worden door een knecht. Mijn vader is kalm; doch toen hij den knecht ontsloeg, was hij opgewonden.
Want naar de eenden strekt zich uit het teerhartigste van al ons voelen. Alzoo betaamt het. Wat toch is redelijker dan de liefde eens menschen jegens de bron zijns gewins?
En toch bestaat er iets, dat de liên dezes lands bijna even hoog schatten als gewin. Dit is „begaafdheid”.
Wie „gaven” heeft, volgt, naar ons rang-instinct, in eerbiedwaardigheid onmiddellijk op dengene, die geld heeft.
Ikzelf mag dat ondervinden. Want weinig minder roem dan mijn ouders openlijk dragen op de winst-nuttigheid hunner dochter, dragen zij, leest ge in hun hart, op de geestesgaven huns zoons.
Die ervaring heeft mij in mijmeringen geleid overden zielkundigen achtergrond van dit verschijnsel. Volgenderwijs kabbelde mijn zoet gemijmer voort.
Wij, ingeborenen dezer streken, geven noch ook vragen onszelf rekenschap omtrent onze vereering van het verstandslicht. Wij vereeren het bij ingeving.
Wat ons op die ingeving voorbeschikt, is geen overtuiging van de plichtmatigheid, doch ons vaag vermoeden van de doeltreffendheid der vereering van het verstandelijk licht.
Want wij huldigen bij die vereering een ons onbekenden god. Daaruit reeds volgt, dat de drang tot onze aanbidding zijn oorsprong heeft niet in, maar naast het voorwerp onzer eerbewijzing.
Dit is ook metterdaad het geval. Van ontzag voor de wetenschap om haarzelf is bij ons geen sprake. Neen, ons eerbiedig opzien tot het rijk des geestes staat in den nauwsten samenhang met ons nog eerbiediger opzien tot het rijk des stofs. Het roerend te pas komen in onze stoffelijkheidskraam van de verstandelijke verlichting trekt het verbindingsteeken in onze dubbele liefde.
Er is immers nog een derde grootmacht: de godsdienst. Dezelve is dwars en barsch van aard. De grijphand, juist uitgestrekt naar wat in haar bereik raakt van gewin of van geneugt, krijgt op datzelfde oogenblik van den godsdienst keer op keer diens norschen tik op de vingers.
Wij nu houden van ten deze op de vingers getikt, of zelfs maar op de vingers gezien te worden, minder dan van wat ook.
Evenwel, er schemert ons zooiets van, dat daar ontkoming is aan de dwingelandij van den godsdienst onder de hoede der wetenschap. In dezelfde mate als ons begrip van de wetenschap, van haar wezen zoowel als van haar gebied, duister is, is ons vertrouwen levendig, dat zij den weg totonzer zinnen lust vrij maakt van de belemmeringen, met welke de godsdienst eens menschen pad naar het voordeel gedurig verspert.
En aldus geschiedt het, dat onze lust aan het vleesch ons voert tot vereering van den geest.
Na deze slotsom mijner mijmeringen over de oorzaak onzer vereering voor de verlichting, richtten zich mijn gepeinzen ook op de billijkheid van deze onze vereering. Dit hief mij op in de volgende gedachtenvlucht.
De godsdienst, met zijn karakter van dwang op ons doen en laten, komt uit den bijbel.
De bijbel is vol met allerlei, dat niet kan.
Wij, bij ons thuis, hebben wel geen bijbel; maar dit verhindert ons niet, om, in overeenstemming met het groote meerendeel onzer rasgenooten, te weten, dat, naar luid der wetenschap, het meeste, wat in den bijbel staat, niet kan.
Dit vonnis der wetenschap, die wij niet kennen, over den bijbel, dien wij niet kennen, maakt ons in elk geval aan de wetenschap ten hoogste verplicht. Haar vonnis is immers tevens onze rechtvaardiging, wanneer wij voor onzen handel en wandel den maatstaf van den godsdienst wraken, en vergunt ons, om onder het stelsel van leven naar lust „gnappe personen”, gerust op onze rechtschapenheid, te zijn.
Deze steun, dien wij de wetenschap achten te geven tegelijk aan onze toegeeflijkheid en onze hoogschatting voor onszelf, legt op ons dan toch een blijvende dankbaarheidsschuld. Derhalve, dat wij, waar wij de aanwezigheid der verlichting raden, ons buigen in hulde, is als een betoon van niet geheel bewust, maar met dat al treffend juist gevoel aan te merken.
En zoo wedijveren dan naar waarheid in onze vereering voor de verborgenheid der wetenschap verklaarbaarheid en billijkheid met elkander om strijd.
Toen ik dit had bijeengemijmerd naar aanleiding van de waardeering, die thuis en buitenshuis aan mijn „gaven” te beurt valt, was ik met mijn beschouwing zeer tevreden. Wij, menschen dezer oorden, verheerlijken dus de verlichting, om haar, in ons stoffelijk en zinnelijk belang, uit te spelen tegen den godsdienst.
En toch ook, op een anderen keer huldigen wij, nu weer eens omgekeerd, den godsdienst, om dien uit te spelen tegen de verlichting. Dat mag een blijk heeten van de rijke samengesteldheid onzes innerlijken levens. Niet in het minste schromen wij, aan de verlichting op haar beurt de deur te wijzen, zoodra wij niet deze, doch den godsdienst in ons belang en voordeel oordeelen te zijn.
Daarom, bijvoorbeeld, vloekt een rechtgeaard lid onzer rasgemeenschap niet tegen zijn beesten, 't welk het geluk en den voorspoed uit kooi of stal wegjaagt.
Hier namen mijn overpeinzingen haar einde. En indien iemand soms deze proeve van zielsontleding waarlijk buitengewoon mocht vinden voor eens eendenhouders zoon, schier met den jongenskiel nog om de schouders, zoo verblijdt mij dat bovenmate. Want uit dat gevoelen blijkt dan deste meer, hoe onaanvechtbaar mijn faam van „begaafdheid” valt te achten, en hoe redelijk vaders denkbeeld, mij naar de hoogere burgerschool te zenden, was.
Maar wat wij, bij ons thuis, van de hoogere burgerschool wisten, was weinig meer dan de naam, die evenwel door het „burger” onzen gemeenschapszin, en door het „hoogere” onze eigenliefde bekoorde. Voorts wisten wij van den weg, om tot dien tempel der wijsheid toegang te verkrijgen, in het geheel niets. Onderzoeknaar een en ander had reeds voorlang, weliswaar, even snel als gemakkelijk licht kunnen verschaffen. Doch vooreerst zou zulke opheldering menig uur van knus tafel-geredekavel over het onbekende uit onze huiselijke gemoedelijkheid hebben gelicht. En bovendien moet hier worden beleden, dat kwieke doortastendheid bij ons geen deel uitmaakt van het vele bewonderenswaardige in de zeden des lands.
Nu echter zou mijn vader zich dan toch tot den schooldirecteur om inlichting wenden, en zulks persoonlijk, rechtstreeks en onverwijld. Ziet, de lente was in het land gekomen, zij, die ondernemenslust en handelensdrang in de aderen stuwt.
Wij, overigen, zaten wel even verplet bij het vernemen van vaders koene plan; maar mijn vader, dit ontwarende, lachte licht-smadelijk. Welzeker zou hij naar den schooldirecteur gaan! Waarom zou hij niet naar den man gaan? Hij kwam met het geld, dat de geleerdheid moest kosten, in den zak.
Dit vonden wij daarop ook.
Doch thans werd vaders voornemen uitgebreid tot een plan van nog grooteren opzet, tengevolge waarvan den anderen morgen niet alleen hij, maar met hem moeder stadwaarts toog, en ook mijn zuster Trijn. Terwijl vader zich liet inlichten, kon moeder dan met onze Trijn eens naar het gasthuis gaan. Mijn zuster Trijn was den laatsten tijd lang niet goed. En het gasthuis is voor ongerusten over eigen of over anderer gezondheidsstaat het beste adres, wijl men daar „aan de hoogeschool” is. Vervolgens wilde moeder eens naar een nieuwen paaschhoed zien voor Trijn, en Trijn naar een zilveren pinkring voor haar vriendin. Vader zou thuis terug wezen tegen het uur van het eendenvoeren, en moeder met Trijn zoo omtrent den tijd, waarop vader de voedering van de eenden zouhebben voltooid. Tot zoolang zat ik neder in de eenzaamheid, met welke ik trouwens immer in geestelijke vriendschap geleefd heb.
Des avonds, nadat alles volgens ontwerp was uitgevoerd, hoorde vader moeders, en moeder vaders, en ik beider verslag over den dag met belangstelling aan.
Den pinkring hadden moeder en Trijn meegebracht. De paaschhoed zou gezonden worden. De gasthuisdokter was vriendelijk geweest. Hij had aan onze Trijn zijn volle aandacht besteed. Bij het afscheid had hij mijn moeder op den schouder geklopt, en gezegd: „Nog geen doodsgevaar voor uw dochter, hoor, vrouwtje! Er is, in plaats van verlies van leven, juist aanwinst van leven in het vooruitzicht.” Hoewel mijn moeder dit in stilte reeds een heel weinigje vermoed had, moest zij toch over de manier, waarop die dokter zooiets inkleedde, nu nog lachen. En wij, anderen, eveneens. Trijn zelf ook, maar die niet erg. Er werd gevonden, dat met een huwelijk van onze Trijn en mijn kameraad Kreel maar niet moest getalmd worden, en besloten, dat mijn zuster Trijn dit den aanstaanden Zondagavond met Kreel, bij diens minnaarsbezoek, zou overleggen en regelen. Den pinkring, dien Trijn voor haar vriendin gekocht had, prezen wij zeer.
Doch bovenal vaders relaas van diens wedervaren vermocht ons te boeien, en daar omheen hoofdzakelijk bewogen zich onze besprekingen in den familiekring. Wij konden niet nalaten, den durf van vaders verrichting te loven en het gewicht ervan te erkennen.
Mijn vader had aan verschillende politiedienaars en brievenbestellers den kant naar de hoogere burgerschool gevraagd, totdat de laatste dezer voorlichters hem de bel aanwees, aan welke hij had te trekken. Daar trok mijn vader toen aan.
Als een postbesteller of een politieman mijn vaderte woord had gestaan, tikte mijn vader aan de pet, en dan deden zij dat ook.
Neen, mijn vader had den directeur niet gesproken. Maar wel een anderen heer, die, naar samenwerking van vaders herinnering en mijn school-Fransch aan den dag bracht, de concierge was geweest.
Mijn vader had reeds dadelijk ontwaard, dat den concierge of den directeur te spreken op hetzelfde neerkwam. Maar, zoo vertelde de eerste mijn vader, den directeur kon men alleen op diens spreekuren raadplegen, en den concierge te allen tijde. Dat vonden wij mal van den directeur en redelijk van den concierge.
Het was mijn vader gebleken, dat de concierge van de wegen, die gevolgd, en de voorwaarden, die vervuld moesten worden, om op de hoogere burgerschool te komen, alles wist. Wat mijn vader daaromtrent had vernomen, kon hij ons echter niet volkomen meedeelen, daar hij niet alles begrepen had. En het overige, dat hij meende te hebben begrepen, begrepen wij niet. Maar mijn vader was met de beleefdheid der ontvangst, die hij van zijn zegsman genoten had, zeer ingenomen. En daarom waren wij dat ook. Wij besloten, dat de beleefde heer, die met mijn vader gesproken had, van mij, als ik op de hoogere burgerschool was, een braadeend zou ontvangen.
Wij vergaten op dezen avond, in de gezelligheid onzer beschouwingen over vaders bezoek aan mijn toekomstige wijsheidsbron, een half uur lang onze slapensklok. Toen op een bepaald oogenblik vluchtig de vraag—ik herinner mij niet, wie onzer erop kwam,—in het gesprek opdook, wat wij thans meer wisten dan voor vaders reis van heden, ontstond een moeilijk zwijgen van twee minuten in onzen kring. Mijn vader peinsde zwaar.
„Wij weten „puur” meer!” ontdekte hij opeens. Hij liet zich door moeder de jas geven, die hij in de stad had gedragen.
Denkt gij, dat hij zelf de jas van den stoel nam, waarop zij lag, met de andere zondagsche kleedingstukken, welke hij bij zijn thuiskomst van de reis uitgetrokken had? Neen, hoewel de stoel bijna onder zijn bereik stond, beduidde hij, met een waardigen armzwaai, aan moeder, dat zij hem de jas brengen zou. Indien gij aan onze gezinsinzettingen vreemd zijt, zoudt gij in vaders handelwijs allicht een teeken zien van een staat van slavernij der huismoeder in onze gezinsverhoudingen. Maar gij moet hier, integendeel, opmerken een hulde aan haar heerschappij binnen de echtelijke muren. Mijn vader moest wel hondsch van aard geweest zijn, indien hij zoo maar zelf de jas had gegrepen, in plaats van moeder daartoe den kring om de tafel te laten loopen. In onzen onderlingen omgang zijn wij heel fijnluisterend en teergevoelig.
Uit de jas bracht mijn vader een beschreven blaadje tevoorschijn, dat hij, niet zonder eerbied, op de tafel neerlei, met de uitlegging: „De spreekuren van den directeur”. Die had de concierge voor hem opgeteekend.
Ik mocht de spreekuren voorlezen. Toen ik het laatste ervan noemde, sprak mijn vader bondig: „Dan gaan wij op hem af”. Het bleek nader, dat hij met „hem” den directeur, en met „wij” mij en zichzelf op het oog had. Hij had bevroed, dat te gaan spreken over een leergierigen jongeling, die er zelf niet bij was, „geen werk” is. Wanneer hij dit inzicht deelachtig was geworden, zeide hij niet; mij echter docht: zoo ongeveer in hetzelfde oogenblik, waarop hij het ons ontvouwde. Maar het denkbeeld, mij aan vaders zijde eerstdaags voor het aangezicht van den geheimzinnigengeleerde te zullen stellen, vervulde mij met schroomvallige vreugde.
Vader droeg aan moeder op, „de spreekuren van den directeur” voorshands in de linnenkast te bergen.
Denkt gij, dat hij ze zelf in de linnenkast bergde? Neen, ofschoon dit meubel zich vlak achter zijn zetel verhief, droeg hij deze werkzaamheid aan moeder op, ingevolge hetzelfde grondbeginsel, waarnaar zij hem de jas had moeten aanreiken, dewelke zij nu tevens weder naar de plaats op den stoel terugdroeg.
Voor ditmaal was hiermede het onderwerp afgedaan.
Maar op den eersten Zondagavond, die volgde, trachtte mijn vader het opnieuw in te leiden, door met geveinsde onwetendheid aan moeder te vragen, waar zij ook weer „de spreekuren van den directeur” geborgen had.
De vraag mijns vaders werd echter, noodlottigerwijs, gekruist door de gelijktijdige mededeeling mijner zuster Trijn, dat zij naar haar vriendin moest. Zij stond op. Zij keerde zich naar de deur.
Achter haar rug zagen vader en moeder over de tafel heen elkander aan. Zij deden dat met bedenkelijkheid.
Mijn moeder vermande zich. „Trijn, vanavond?” vroeg zij bescheiden.
„Ik moet naar haar toe,” zei mijn zuster Trijn koppig. Dat moeders lichte tegenwerping onze Trijn geprikkeld had, is niet verbazingwekkend, vermits in onze gezinnen de bewegingsvrijheid der kinderen behoort tot de kostbaarste goederen.
En toch stamelde moeder nog: „Maar, Trijn, Kreel dan!”
Ik en vader ontstelden van moeders volharding. En Trijn zorgde ervoor, onze ontsteltenis te rechtvaardigen.
Zij wendde plotseling haar gelaat tot ons. Het was,alsof vlammen langs haar wangen laaiden en vuur uit haar pupillen sprong. Zij siste: „Ik wil hem niet, dat spook, dien „iester”!” Zij stoof, het lichaam schokkend van toorn, ter deur uit.
Mijn vader mompelde iets van „de meid overstuur maken.” Mijn moeder boog zich onder dat verwijt, een traan van wroeging in elken ooghoek. Voorts merkte mijn vader op, dat hij, goddank, voor Trijn nog te eten had, „bijaldien” zij den knaap dan toch niet wou.
Ik verklaarde, dat ik wat „aan den loop” ging.
„Aan den loop” zijnde, staarde ik droomerig op naar de volle maan. En weldra geloofde ik vast, dat de maan haar breeden mond tegen mij bewoog, en mij mijn taak toemurmelde.
Dientengevolge begaf ik mij tot mijn kameraad Kreel.
Hij bemerkte mijn binnenkomst niet dadelijk, daar hij, diep gebukt, zijn schoenveter zat te strikken. Toen hij, nadat de strik gelegd was, zich ophief, klaar tot den minnaarsgang naar onze Trijn, ontdekte hij mij echter.
Ik zeide: „Zij is uitgegaan, Kreel.”
Hij zeide niets; maar zijn wit gezicht werd even lichtrood, en daarna opnieuw wit. Hij bukte zich andermaal. Hij begon zijn laarzen weer los te rijgen.
Ik zeide: „Het geeft niets met Trijn.” Hij schopte een zijner schoenen uit, en antwoordde: „Neen.”
Nog zeide ik: „Zooiets gaat aan het hart.” Hij antwoordde: „Ja.” Hij wipte den anderen schoen uit.
Daarna verliet ik mijn kameraad Kreel. Terwijl ik mij omdraaide, zag ik, dat zijn oogen wel „effies” vochtig leken. Hij is zacht.
Voor 't overige verkeerde mijn eigen levensstaat in een te belangwekkend tijdperk, dan dat Kreels harteleed mij overzwaar kon bezighouden. Op mijn nabijzijndeontmoeting met den directeur was al mijn denken saamgetrokken en heel mijn verbeelding gespannen.
Dien plechtigen dag droeg mijn vader, in plaats van de pet, zijn zelden voor menschenoog zichtbaren hoed. Onder den hoed bolde zelfbewustheid zijn hoogblozende wangen. Mij aangaande, ik vrees, dat ik, terwijl ik nevens hem langs de dorpsstraat schreed, ietwat bleeker onder de oogen en om den mond was dan ik placht. In de hand droeg ik mijn opstellenschrift. Vader was van meening, met een vergunning tot inzage daarvan den directeur te zullen vergenoegen.
De eenden van ons erf kwaakten ons „goed succes” achterna. De lentemorgen, die ons omringde, jubelde. De wei, waar ons pad doorheen liep, straalde. De bloeiende vlier in de hagen, waar wij langs kwamen, geurde. In het iepegroen, waaronder wij doorgingen, zong de zwarte lijster uit alle macht, bewonderd door zijn grauwe vrouwken. Welke koning, op weg naar den roem, ontving zulk een uitgeleide als mij werd geboden?
Daarna sloften wij door het hart van Amsterdam. In het kille halflicht tusschen de hooge huizen joegen de menschen om ons heen voort. Ik liep, geloofde ik, ieder van die menschen in den weg, en ik dacht, dat zij allen boos naar mij zagen. Een sjouwer botste tegen mijn vader op, en schold hem uit. Mijn vader zag rond naar een zijner vrienden van den post- of den politiedienst, om den weg te vragen, doch vond er geen. Daarom trok hij mij met zich in een slijterij, en kocht bier voor ons beiden; de man, die ons het bier verkocht, zeide ons den weg. Toen wij moe waren, gingen wij in de vensterbank van een boekwinkel zitten; maar de boekhandelaar zond zijn bediende, om ons te verdrijven.
Hierop begon het te regenen.
Toen wij zagen, dat wij nat geworden waren, bemerkten wij, dat wij honger hadden daarenboven. Nadat wij dit laatste aan elkander hadden beleden, stond vader stil, om zich te beraden. Tevens kwam hem een klinker, dien een onachtzame straatmaker op zij wierp, tegen de scheen, weshalve mijn vader sprak: „Vooruit, zeun!” en groote stappen begon te maken. Ik deed achter hem aan drie passen tegen twee van de zijne, dacht aan mijn moeder en aan Trijn, beschouwde mijn druipend opstellenschrift, en werd moedeloos. Het was duidelijk, dat mijn vader dezelfde straten, die wij doorloopen hadden, zorgvuldig terugzocht. Hiervan was ten slotte de uitkomst, dat hij, door mij gevolgd, andermaal binnentrad bij den man, die ons het bier verkocht had.
Thans ontvingen wij van den kastelein koffie en brood. Terwijl wij het nuttigden, onthulde mijn vader hem ons reisdoel. De waard beschreef ons, hoe wandelensmoede menschen door trammen dat doel konden bereiken. Daarvoor bedankte mijn vader hem oprecht. Bij het afscheid noodigde hij den slijter uit, „onze eendenbedoening eens te komen in oogenskouw nemen.”
Het stoppen der tram vlak voor de hoogere burgerschool geschiedde alleen, om ons tweeën uit te laten; althans zoo zag vader het in, en het wekte zijn voldoening. In een winkel tegenover de school vroeg hij twee sigaren. Hij betoogde den winkelier, dat „goeiïg” soort vereischt was, wijl wij ermee voor den directeur hadden te verschijnen. Nadat de koopman ons de sigaren, welke met een rood-en-gouden band versierd waren, had helpen aansteken, kruisten wij de straat over.
Tot den concierge, die de deur, waaraan vader belde, opende, zei mijn vader goedhartig: „Morjen!”
„Om den directeur?” vroeg de concierge.
„Waar aers om?” vroeg mijn vader terug.
Toen wij, binnengelaten, de schoenen begonnen uit te trekken, zeide de concierge, dat wij ze mochten aanhouden, maar dat hij, tot wij van den directeur terugkwamen, onze sigaren wel voor ons wilde bewaren.
Ik hield van den concierge. Ik gaf er bij mijzelf vader gelijk in, dat de concierge beleefd was.
Hij bracht ons een vertrek binnen, waarin een tafel met groen-lakensch kleed stond. Hij verliet ons, en wij wachtten. Wij spraken niet met elkander. Wij durfden dat, hoewel het dwaas was, niet om het groen-lakensche tafelkleed, zooals wij elkaar later bekenden. Wij staarden naar de deur, die de concierge achter zich had toegetrokken, en dan weer naar het venster, waardoor men den regen kon zien vallen.
Lang wachtten wij.
Ik bevond, dat ik licht hijgde. Het groen-lakensche tafelkleed maakte mij onbegrijpelijk beklemd. Ik hoorde mijn vader kuchen, maar het klonk als iets zeer verafs. Ik voelde een groot verlangen, om temidden van het eendengekwaak en de nestvisch-geur te zijn.
Heel lang wachtten wij.
Ik kreeg een indruk van een bril met voorhoofdrimpels erboven. De directeur stond ons aan te zien. Ik dacht, dat uit den bril naalden naar ons priemden, en dat de rimpels zich tot vraagteekens vormden. Ik was verward en ontdaan.
Mijn vader, juist andersom, hervond al zijn onbevangenheid. Met een zelfvertrouwen, dat mij ontstelde, onderrichtte hij den directeur van mijn „gaven” en van zijn voornemen, om door mijnheer wat van mij te laten maken, en vroeg den directeur, wat het kostte, hem vergunnende, te nemen, wat hem toekwam.
„Het jongemensch kan den hoed wel afzetten”, was alwat de directeur voorshands opmerkte.
Dat vond mijn vader best; insgelijks, dat hij bijgevolg den zijnen mocht ophouden. Het woord hernemende, sloeg hij den directeur voor, dat door dezen in onze woonplaats inlichting zou worden genomen naar zijn promptheid van betalen. Hij verklaarde, aan ieder te geven, wat hij schuldig was. Daarin bestond, zeide hij, zijn godsdienst, dien hij stipt hield, omdat hij hiertoe niet alleen eerlijk verplicht, maar ook ruim bij machte was. Het laatste lichtte hij toe met een uiteenzetting over den aard en den omvang van zijn eendenbedrijf, waarbij hij ook de spaarzaamheid van moeder en de vaardigheid van mijn zuster Trijn met roem vermeldde. Naar dit alles luisterde de directeur met een zoo beminnelijk geduld, dat ik, allengs ten aanzien van hem op mijn gemak gekomen, onbedremmeld vermocht te antwoorden op de plotselinge vraag, die hij tot mij richtte, naar mijn leeftijd.
„Veertien jaar is oud”, luidde zijn uitspraak.
Daaromtrent bracht mijn vader dit in het midden, dat mijn kennis overeenkomstig mijn ouderdom was. Hij gaf een overzicht van mijn roemvolle loopbaan op de dorpsschool. Maar, getuigde hij, het meest verstellende was hetgeen ik mijzelf geleerd had. Wat ik, na sinds mijn schoolontslag mijn eigen leeraar te zijn geworden, in het hoofd had opgegaard, aarzelde mijn vader niet met „mirakel” te kenschetsen. Ook dit vertoog doorstond de directeur met vriendelijke gedweeheid, tot en met het slot, waarin mijn vader de ronde verklaring van den directeur vroeg, of hij mij hebben wilde, al dan niet.
De directeur besliste: „Het jongemensch kan toegelaten worden, mits zijn bekwaamheid blijkt uit een examen of uit een getuigschrift van zijn schoolhoofd”.
Dat was, antwoordde mijn vader, „allebei malligheid”,al nam hij het den directeur niet kwalijk. „Het schrift, zeun!” gelastte vader.
Ik stak mijn opstellenschrift aan den directeur toe. Inmiddels herhaalde mijn vader des directeurs woorden: „Zijn bekwaamheid!” en lachte daarover zeer vermaakt.
Maar de directeur trok de hand van het opstellenschrift terug. „Dat is nat,” sprak hij.
„Vanbinnen is het droger”, verzekerde mijn vader.
Onverhoeds bracht de directeur, op een knop drukkende, een bel aan het rinkelen, 't welk den concierge tevoorschijn tooverde. Terwijl deze ons met zachten drang naar den kameruitgang voerde, hoorden wij achter ons den directeur nogeens zeggen: „Dus een schriftelijk bewijs of een examen”.
„Dan moet het maar op zoo'n bewijssie af,” zei mijn vader in het heengaan.
Op den terugweg naarhuis bleek, dat mijn vader over den directeur matig en over zichzelf volkomen tevreden was, maar ontevreden over den concierge, dewijl deze slinkselijk onze sigaren behouden had.
Toen vader des avonds ons wedervaren aan moeder verhaalde, zeide zij, dat wij nu nog niet wisten, wat de kosten waren.
Toen ik den volgenden dag den meester om het bewijsje kwam verzoeken, zeide hij, dat hij dit niet geven kon.
„Dan moet het maar op zoo'n examen af,” zei mijn vader.
Ik zou u nog vertellen van de biggen. Het waren er zeventien. Mijn kameraad Kreel kocht ze.
Mijn kameraad Kreel had een blauwen kiel, die hem los over de knieën hing, aan, toen hij ter markt reed, om de biggen te koopen. Hij droeg de pet totop de wenkbrauwen, en de kousen over de broekspijpen, en geschuurde klompen aan de voeten. Hij zat scheef op de voermansbank van den bakwagen. In de rechterhand hield hij paardenleidsel en zweep, en met de linker sloeg hij zich af en toe op de borst, om zich te verwarmen. De vier zijden van den bakwagen waren verhoogd met een houten hek. Ik stond binnen het hek, en praatte met mijn kameraad door de reten.
Ik praatte met hem over den marktprijs van de biggen, gevoelig zijnde voor zijn leed over de liefdesbreuk met onze Trijn. Dat hij prijsgesteld had op mijn tegenwoordigheid bij zijn biggenhandel, doordrong mij opnieuw van de voortreffelijkheid zijner geaardheid.
Wij reden voort door de kille morgenvroegte, links van ons het inkrimpende nachtdonker, rechts de opkruipende dagschemering. Evenzoo, dus dacht ik dichterlijk, zou mogelijk de ondervinding van de onveranderlijkheid mijner vriendschap voor Kreel de morgenzon kunnen zijn, die zich toch weer drong in zijn nachtelijk hart, en ik zeide tot hem, dat hij, naar mijn gedachte, de biggen zou hebben voor tien gulden het stuk.
Hij knikte traag, en zag tegelijk zwaarmoedig op naar een spreeuwen-wolk, die, met verhonderdvoudigd gepiep, uit de lucht neerviel in het grauwende veld.
„Er zijn veel spreeuwen”, merkte hij op; hij is nu en dan wijsgeerig.
„Die zijn niet te tellen”, bevestigde ik.
„Die zijn zwart”, zei hij
Ik begreep hem; daarom zeide ik: „Die vliegen evengoed weer weg als zij aanvliegen”.
Er kwamen ons boeren en boerendeernen tegen, die, de emmers aan het juk, het rundvee gingen melken, dat sinds enkele dagen uit de stallen verhuisd was naar de voorjaarswei. Zij bleven aan den kant van den smallen weg staan, om hun jukken dwars tehouden, teneinde onzen breeden bakwagen voorbij te laten. Daarbij zeiden zij ons „goedenmorgen”, en dan beantwoordde Kreel telkens hun ochtendgroet met zijn zweep ietwat op te lichten.
Met de minuut won de dageraad terrein op den nacht, en rees in breeder gezichtswijdte het land op uit de schaduwen. Grazende schapen plekten tot heel in de verte witte vlekken op het weidegroen. En de gevlokte ochtendwolkjes leken wel hun weerkaatsing aan het hemelblauw. Springende lammeren trokken om het statige moederschaap heen grillige lijnen. Met hun capriolen joegen zij hier en daar een reiger op van den waterkant. Hennen op de erven klokten haar kiekens naar zich toe. Ons paard stak den kop op, en hinnikte vroolijk tegen de opgaande zon. Andere paarden draafden aan de overzij der wegvaart een eindweegs over de wei met het onze mee. Verheuging golfde door de morgenlucht, en klom op tegen onzen bakwagen, en zette zich neer nevens mij en mijn kameraad Kreel.
„Misschien doen de biggen maar negen gulden het stuk”, raamde ik, in mijn klimmende behoefte, om de dingen des levens hoopvol te zien. En Kreel keek nu van zijn voermansbank de wereld ook met wat lustiger oogen in dan bij de eerste wentelingen onzer wagenwielen.
In de herberg, waar wij stalden, gaf hij mij brandewijn; mij en zichzelf gaf hij dien.
Wij wandelden over de varkensmarkt. Aldaar was de overvloed van varkensmoeders met haar kroost groot.
Er was een reuze-varkensfokker; deze droeg een zwarten kiel, en krauwde met het uiteinde van zijn rotting de rose ruggetjes zijner gemarkte biggen. Kreel wierp, langs den varkensfokker loopend, een blik uit het linkeroog, en, langs hem terugloopend, een blikuit het rechteroog op de krioelende marktwaar dezes mans.
Toen hij de opmerkzaamheid van den biggenkoopman scheen te trekken, maakte hij zijn gezicht suffig, en lummelde weg. Maar daarna—en thans stond zijn gelaat zeer sluw—zond hij mij terug naar de biggen-uitstalling, met de opdracht, hem ijlings te waarschuwen, zoodra zich aan den varkenshandelaar een gegadigde mocht opdoen.
Waarna ik mij tot mijn verspiederspost, en hij zich ter herberg begaf.
Maar de varkensboer kreeg geen gegadigde. Soms is de markt willig, en soms is zij het niet. Dezen keer dan was zij het niet. De koopman begon aan toebereidselen, om zijn onbegeerd artikel van de markt te voeren.
Doch dit deed hij, hoewel hij toch mistroostig gestemd moest wezen, met een gelijkmoedig aanschijn. Want omtrent gemoedsstemming verklappen de gelaatstrekken van een waar varkensmarkter even weinig als die zijner beesten.
Des mans gemoedsstemming desondanks te ontdekken en te ontginnen is echter een der geheimen van voordeeligen handel. Gezwind zocht ik dan ook een punt, vanwaar ik den „misblijïgen” biggenboer met mijn wakend oog, en mijn wachtenden kameraad Kreel met mijn dringend armgezwaai kon bereiken.
Natuurlijk was de tronie, waarmee Kreel kwam aanslenteren, die van een nagenoeg simpele.
Ongeveer gelijkelijk redeloos blikten hij en de biggen elkander een tijdlang aan. Het gesprek werd ingezet van den kant der biggen, bij monde haars meesters, die heur volmaakte gezondheid tot Kreels kennis bracht. Mijn kameraad Kreel riep zijn onnoozelste grijns tevoorschijn. „'k Mot geen biggen”, beweerde hij, en slungelde eenigestappen op. Hij wist, dat de varkensfokker hem zou naloopen.
Die deed dit dan ook. Hij legde mijn kameraad de hand op den schouder. „Handel?” vroeg hij.
Kreel schudde zich des varkensfokkers hand af. „'k Mot geen biggen”, herhaalde hij.
„Voor niet te veul”, beloofde de ander. Kreel bleef staan; hij krabde zich onder de pet. Hij zweeg.
Toen hervatte de fokker: „De zeventien met mekaar, elk een tientje”.
„'k Mot niet”, zei Kreel. Hij zette zich wederom in logge beweging.
De varkensboer voegde zich weer bij de zwijnenjongen. Maar vandaar begon hij Kreel een reeks nieuwe voorstellen na te roepen, aanvangende bij „negen en drie kwart”, en voorts in snelle afdaling. Kreel was, al voortboemelend, gelijk een, die doofstom is.
Nogmaals schreeuwde de markter mijn kameraad een verlaagd aanbod toe; dit aanbod nu was een spotaanbod. In een ommezien stond Kreel tegenover den koopman. „Hou hand op!” sprak Kreel. De biggenboer hield de hand op, en Kreel sloeg erin. Daarna hield Kreel de hand op, en de biggenboer klapte erin. Vervolgens Kreel nogeens in de hand van den biggenboer, en de biggenboer nogeens in de hand van Kreel.
Na den handslag, welke plechtigheid, naar het recht aller veeliên en aller marktgoôn, een koop onverbrekelijk maakt, haalde Kreel paard en bakwagen. Van den laatsten nam hij het hek af en sloeg hij de achterklep neer; thans wierpen hij en de varkensboer de biggen stuk voor stuk in den wagen. Natuurlijk openbaarden de biggen, overeenkomstig haar dwarsen geslachtsaard, de gezindheid, zich weer uit den wagen te laten vallen, zoodra haar nieuwe of haar oudemeester ze erin wierp. Maar ik stiet, schuins achter den bakwagen staande, elke big, die zich eruit wilde laten rollen, met de vuist terug. Twaalf speenvarkentjes zaten ten slotte op den vloer van den bakwagen, en de vijf overige op deze twaalf. Toen flapte Kreel het achterschot toe, en wij beiden, hij op den bok en ik op het achterwiel staande, plaatsten het hek weder op de vier wagenwanden. Alsnu restten nog de betaling en de bedrinking van den koop. Nadat beide in de herberg bewerkstelligd was, namen ik en Kreel op vriendschappelijke wijs afscheid van den varkensfokker, en plaatsten ons nevens elkander op de voermansbank. En toen wij nog geen kwartier met de biggenlading hadden gereden, liepen ons paard de zweetstrepen reeds langs de achterschonken, onder den ongebreidelden gloed der Meische middagzon.
Onze aankomst met den biggenwagen bracht de buurt in rep en roer. Terwijl wij samen de zwijntjes uit de kar in Kreels varkenskot deels joegen, deels droegen, verschenen in vijf deurposten huismoeders, om het tierige schouwspel ga te slaan. De overbuurman liep ervoor van zijn maaltijd. De kinderen, op weg naar de namiddagschool, kwamen op hun klompjes van allen kant aanklotsen. Uitroepen van verteedering en van genegenheid volgden de ronde dikhuidjes op hun gang naar het biggenverblijf.
Nu snuffelen de biggen de binnenwanden van haar nieuwe woning langs, en ruiken, dat zij thuis zijn. En nu leggen de reizensmoede krulstaartjes zich, het eene na het andere, op de zijde, lui uitstrekkend de korte, stijve pootjes. En nu sluit Kreel achter hen de deur, die niet weer voor hen zal opengaan, aleer zij, van het aanminnige volkje, dat zij thans zijn, tot zwaarlijvige matrones zullen zijn uitgegroeid.
Deze deur, die zich aan de achterzij van het kotbevindt, verzekerd hebbende, gaat mijn kameraad Kreel met de ellebogen over het half-hooge schot hangen, dat het varkenshok aan den voorkant afpaalt.
Een huisman, die over den rand van een varkenskot hangt, van de markt meegebrachte biggen beschouwende, pleegt een beeld van zielsgeluk te vertoonen. Dat beeld vertoont Kreel ook. Ik ga naast hem met de armen over het varkensschot hangen. Wij zeggen niets tot elkaar. Kreel geniet van zijn gedachten, en ik geniet van Kreels geluksstemming.
Eindelijk moet ik de zeventien bronnen van Kreels hartevreugd vaarwel zeggen.
Zijn aangezicht glimt.
Maar kon ik weten, dat het dàt was?
Hij houdt mij terug, als ik gaan wil. Hij scheurt een stuk van zijn tabakszak af. Hij schrijft daarop, het dak van het varkenshok als tafel bezigend, met groote potloodletters: „Trijn, de biggen zijn voor uwee”.
Hij drukt mij het omkoopingsschrift in de hand. Hij knikt tegen mij.
Vele der biggen zijn ingesluimerd. Er gonst een vredig geronk uit hetvarkenskot.
Ik knik tegen Kreel. Ik neem de pet af, berg daarin Kreels brief, en zet de pet wederom op.
Ik steek de handen in de broekzakken. Ik wandel naarhuis. Ik zing binnensmonds.
Ik zoek mijn zuster Trijn. Zij zit op den kant van den regenbak, met de bloote armen uit de korte borstrokmouwen, vanwege de namiddag-hitte. Zij lacht tegen mij. Dat doet zij meestal, als ik thuiskom. Mijn zuster Trijn houdt van mij.
Ik laat haar den brief uit mijn pet nemen. Mijn zuster leest den brief. Zij werpt hem op den grond. Zij springt van den regenbak; dan schopt zij tegen den brief.
Zij gaat de eenden oproepen voor het avondmaal.
Tegen schemer haal ik mijn rijwiel uit de voerschuur. Als ik erop wil stappen, roept Trijn mij aan de achterdeur. En als ik dichtbij haar ben komen staan, vraagt zij: „Hoeveel biggen zijn het?”
Ik antwoord: „Zeventien”.
Dan zegt Trijn weer, dat het haar niets kan schelen, hoeveel het er zijn.
Als ik, omtrent donker van mijn rijwiel-rit terugkeerend, Kreels erf langs fiets, zie ik mijn zuster Trijn aan den ingang daarvan staan. Zij wenkt mij. Ik stap af. „Ga mee”, zegt mijn zuster Trijn.
Haastig stappend, brengt zij mij bij de mouw naar het kot, waarin de ronde vormen der biggen nog net zijn te onderscheiden.