V.

decoratieve illustratie

HOOFDSTUK V.

Wie de wei liefhebben, moeten nu luisteren. Want wat hier komt, is: van de weideheerlijkheid.

Thans moet niemand spreken van morgens en bunders en roeden. Hetgeen in morgens en bunders en roeden wordt weergegeven, is de echte wei niet.

De echte wei is die, welke geen met het oog omvatbare grenzen heeft.

De echte wei breidt zich van den noorder-Y-oever af uit tot het Texelsche Gat. Wat zich daar ontrolt, zijn niet bunders, maar is onmetelijkheid van smaragden majesteit.

Hier is zeker op den scheppingsmorgen de hand van den Alvader in een liefkoozende streeling over de aarde gegaan. Want er is geen plooi of kreuk in heel het onafzienbare groene aardlaken; in gladde strakgestrekenheid ligt het gespreid, zoover de blik reikt. Ende zegen des Heeren blinkt erop in lichtsparkelende weelde.

In verhouding tot deze weidewijdheid komt niet in tel wat weinigs er is van duin en dreef, van bosch en bouw tusschen Y- en Texelstroom. Hier is het volstrekt gebied der wei, der groote wei van Nederland.

Dit is de grond, dien de lente liefheeft. Deze bodem, die geen bergbarricaden opwerpt tegen haar zoelte en geen boomkruinen opsteekt tegen haar licht. De lente, als zij komt, betreedt hier haar onbetwist koninkrijk. Geen belemmering, waardoor zij wordt gestuit op haar leven en vroolijkheid brengende schreden.

Als de lente haar weide-koninkrijk bezoekt, het is geen grootschheid, die haar begroet, maar àl blijheid, welke haar omjubelt; geen praal, welke haar hulde doet, maar àl lieflijkheid, die haar de hand kust. Het glanst, het glimt, het glundert al en al over het oneindig grastapijt, als weerschijn van den lichtlach der binnenhuppelende lentekoningin.

Zelfs de ongure waterratten, in het riet aan den kant, spelen met elkaar een lustig duikelspel. En opgejaagd door de beweging, die de rattenvroolijkheid in het riet verwekt, schieten scholen stekelbaarzen als zilvergeschitter weg van den oever, de doorzichtige poldervaart in.

De jonge lammeren maken met de ongeproportionneerde pooten hun houterige sprongen over de greppels. Telkens over de greppels, en dan weer terug naar het moederschaap, dat in wijsgeerige bespiegeling den wonderen invloed der lente op de vruchten haars schoots gadeslaat en overpeinst.

Hillie van den boer, met haar twintig jaar en blij meisjeshart, weet van geen bespiegeling en van geen wijsbegeerte. Zij lacht met ver klinkenden lach om deoolijke springprestaties der schapekinderen. En als gij niet zaagt, dat het Hillie is, die aan komt trippen, kondt ge denken, dat ergens een misklokje begon te bengelen, want daarnaar gelijkt haar heldere lach. Hillie, met haar zonneblonde krullokken, met haar madelieven-oogen, met haar appelbloesem-wangen, zou best de lentefee kunnen zijn, de lentefee op gele klompjes.

Maar dat is zij toch niet. Zij is eigenlijk ook een schapemoeder. Zij oefent de moederzorg uit over het lammetje, dat door zijn echte moeder verstooten is. Hoe kan zoo'n schaapmoeder nu zoo'n teer lammerkind verstooten! Hillie steekt aan haar potlam, dat op zijn menschmoedertje komt afspringen, de gevulde melkflesch met de zuigspeen toe. Dat zabbert nu aan de speen met vooruitgestoken lipjes en ingetrokken kaakjes, en de melk borrelt in de flesch en klokklokt door het lammer-keelgat.

Lente in de wei! In Neerlands wijde wei, die de uren bij uren lange zilverstreep van het Kanaal in tweeën deelt! Het Groot Noord-Hollandsch Kanaal! De Pison, de Gihon, de Hiddekel en de Frath van het Noord-Hollandsche weideparadijs, deze vier in één bedding!

Wel wat nuchter, het rechtgelijnde en scherpgehoekte Kanaal! Een wel wat bonkige en knokige remplaçant van de lenige en soepele riviernymfen, die in andere natuur-edens het landschap beheerschen! Maar zooals het is, zoo behoort het bij het volk, dat leeft aan zijn boorden. Ook dat volk recht en rechthoekig van levensopvatting en levenswijs, en nuchter gelijk een waterpaslijn van vlakheid en rechtuitheid.

Door alle poëzie moet naar onze behoefte een streep proza loopen. De prozastreep hebben wij noodig, om ons daardoor temidden der poëzie-onberekenbaarheden steeds aan de werkelijkheid te kunnen blijvenorienteeren. Want de werkelijkheid is dan toch de werkelijkheid; en wat mooi is, zooals de poëzie, is.... Toch maar mooiïgheid! Zóó voelen wij het in Noord-Holland. Welnu, voor onze onontbeerlijke prozastreep door der weide lentepoëzie heen zorgt op allergelukkigste wijze, en als treffend afbeeldsel van onzen gemoedsaard, ons rechtgelijnde en scherpgehoekte Groot Noord-Hollandsch Kanaal.

De spreeuwen zijn onze lenteboden.

Zij komen ons de voorjaarskonde toepiepen, met minder omhaal en uithaal, doch niet minder duidelijk, dan elders de leeuweriken haar vermelden. Zij doorspikkelen, met legioenen neergestreken in de lentewei, het schitterend groene vlak van schitterend zwarte noppen, als duizend en duizend gitkralen, wijd uitgestrooid door een gebroken reuzinne-halssnoer.

Tusschen de spreeuwenlegioenen zijn de musschen, met de drukte van straatgepeupel, en de merels, met de gemaaktheid van artisten, aan het sleepen voor haar nesten. En Hillie, die haar moederplicht jegens het lammerkind volbracht heeft, ziet het, voordat zij den terugweg aanvaardt, een tijdlang aan. De musschen en de merels brengen Hillie op de gedachte, dat het eigen nestje te bouwen een gepast en bekoorlijk werk is in de lente. Hillie wendt de oogen van de musschen en de merels af naar heel in de verte, waar een zwart iets zich gestadig op- en neerbeweegt. Zij weet, dat het Maarten is, die ginds, op wel meer dan een kwartier afstands, met de spade molshoopen platslaat. Ook daar, waar Maarten staat, zijn de musschen en de merels aan het sleepen, en zij hebben aan hem, terwijl hij de molshoopen slecht, al gelijksoortige gedachten als aan Hillie in het hoofd gejaagd. En dan heeft hij, op zijn beurt, reeds menigen keer uitgetuurd naar den kant,waar hij weet, dat Hillie het potlam voedt. Dat komt er ook van, als het lente is in de wei.

Ons voorjaarslandschap, zietdaar wél schoonheid. Niet de schoonheid der ontroerende pracht, maar de schoonheid der schaterlachende vreugde.

Menig ander oord heeft schoons, dat wij in Noord-Holland derven. Doch dit hebben wij: te ademen in het land van licht en ruimte.

Is het wonder, dat licht en ruimte hun merk hebben gezet ook op de geaardheid en gezindheden der bewoners van Noord-Hollands stralende wei-oneindigheid? In het rond àl licht en ruimte, hoe zou daarmee nu kunnen samenwonen dompigheid en engheid in het binnenste?

Neen, gelijk overal, zoo weerspiegelt zich ook in Noord-Holland de natuur in den gemoedsaard harer kinderen. Wijd en breed als de Noord-Hollandsche horizon is ook de Noord-Hollandsche geestesblik. Het begrensde en peuterige, het benepene en bekrompene op geestelijk gebied is den Noord-Hollander vreemder dan eenig ding, en ge wint hem daar niet voor, wat gij ook moogt in het werk stellen van drijfziek dwepen of dweepziek drijven. De Noord-Hollander ziet u aan, hoort u aan, weerspreekt u niet, maar verstaat u ook niet. Zij, die, gewichtig doend met nesterijen, elkander deswege aanbrieschen en plukharen in staat of kerk, ontlokken hem zelden een oordeel, vóór zoomin als tegen, doch in den regel enkel een kostelijke gezichtsvertrekking van trage verbazing. En tracht haarkloverige dialectiek zich uit alle macht aan hem op te dringen, hij laat zich niet opwinden, hetzij tot een geestdriftvol „ja” knikken, hetzij tot een verontwaardigd „neen” schudden, maar geeuwt, met, o, welk een grooten en, o, welk een gezonden geeuw. Het is vertwijfelingswerk, het pogen, hem mee te krijgen inwelke futiele en knutselige geestesstrooming ook. Hij mist het orgaan voor de bevatting van het mokkerige en hokkerige. En hij kan dat niet helpen, hij, het kind van het licht en de ruimte der wei.

Wees ermee gefeliciteerd, duizendmalen, gij, Noord-Hollands breedvoelend weidevolk! Zoo verknocht aan licht en ruimte, aldus zijn de Noord-Hollandsche harten voorbeschikt tot groei- en bloeiplaatsen voor het evangelie van des Vaders groote liefde: dat evangelie een blijmaar van licht en ruimte bovenal.

Aan dit evangelie, het schaduwloos lichte en grenzenloos ruime, schept Noord-Hollands licht- enruimtemin het hoopvolst vooruitzicht. De boodschap van de liefde in Christus heeft slechts noodig, aan het Noord-Hollandsche volk als waarlijk licht en ruimte bewust te worden, om het wat het naar voorbeschiktheid is ook te doen worden in werkelijkheid: een volk van wijdhartige kinderen Gods.

Dan wordt het groot-lente in de wei.

Dan staart buurman Bastiaan niet meer met hetzelfde oog als nu uit over het groene veld. Thans hangt hij met bei zijn ellebogen over het koehek, en terwijl het lichtgespeel der voorjaarszon het blauw van zijn kiel tint alsof een stuk van den blauwen lentehemel over zijn schouders ware gevallen, verkeeren zijn gepeinzen daarentegen heel laag op de aarde. Bas-buur rekent rekensommen uit; daaraan blijft u geen twijfel over bij een blik op zijn zeer sluw aanschijn. Bas-buur bouwt op de lentebeloften, die door de lucht ruischen, gedachte-kasteelen van hoog opgestapeld hooi en verbeeldingsvoorspiegelingen omtrent golvende zeeën van melk. Dat is de gemoedsinwerking, welke buur Bastiaan van het stralend tafereel der lente in de wei ondervindt, en,met hem, menige andere buurman, die, als hij, op een lentedag met de ellebogen over een koehek hangt.

En wie heeft daar nu iets tegen? Rekensommen uitrekenen is, voorwaar, een zeer nut bedrijf voor den mensch in diens leven.

Maar als het nu groot-lente des evangelies wordt in Noord-Hollands weidedreven, dan zullen Bas-buur en al de verdere buren hun uitrekeningen óók gronden op de beloften, diedezelente hun toefluistert, en het totaal dier berekeningen in den hemel geschreven zien staan.

Die berekeningen zijn nog veel meer waard, om er een sluw gezicht bij te zetten, o, buurman Bastiaan!

decoratieve illustratie

HOOFDSTUK VI.

Wij wonen, laat ik maar zeggen, in De Schermer. Ik noem De Schermer maar, omdat deze lang en breed is. In De Schermer zijn molens en boerenhuizen en kleine dorpen. Maar boomen zijn er zoo goed als niet.

Er leven uittermate zeer veel ganzen in De Schermer.

Ons huis wordt gevormd door vier rechthoekige vierhoeken van baksteenen, waarboven vier gelijkbeenige driehoeken van dakpannen. Onder de drie- en tusschen de vierhoeken ademen met vader en moeder zoowel de runderen als ook wij, hun eigen vleesch en bloed.

Als gij vader soms spreken moet, komt dan niet op Vrijdagochtend en niet op Zondagmiddag. ElkenVrijdagochtend is vader naar de Alkmaarsche kaasmarkt. En elken Zondagmiddag is hij, althans bij eenigszins gunstig weer, in de dorpsstraat van Groot-Schermer aan het knikkeren.

Want dit heeft Groot-Schermer in onderscheiding van het overige aardrijk, dat het knikkervermaak er de uitspanning is, niet vooral der knapen, maar in het bizonder der waardige huisheeren en gezinsvaderen. En het verschaft elken Zondag een schouwspel, niet minder aandoenlijk dan eenig, de welgedane familiehoofden van Groot-Schermer en omgeving, in schuldeloos geneugt, de knikkertraditie van hun voorgeslacht te zien handhaven.

Vader weet niet, of er in de kerk van Groot-Schermer een orgel is, heeft hij laatst geantwoord aan den schapenkoopman, die ernaar vroeg. Want als vader des Zondagsmiddags in het dorp komt knikkeren, zijn de kerkdeuren al gesloten, en de kerkvensters zijn te hoog om erdoor te kunnen zien. En dat de jongste van ons gedoopt werd, is nu al negentien jaren geleden. Bovendien herinnert vader zich niet zeker meer, of deze plechtigheid te Groot-Schermer dan wel te Stompetoren geschied is.

Vader heeft verleden week aan den nieuwen ondermeester, tot diens niet kleine voldoening, te kennen gegeven, dat hij van vooruitstrevende gevoelens is. Zoo vooruitstrevend mogelijk. De meester mocht gerust zeggen: tegen rood aan. Maar niet geheelenal rood. Want dat is onze knecht. En dan zou er geen onderscheid meer zijn tusschen dezen en den baas.

Vader betaalt per jaar veertien-en-een-half-honderd gulden pacht voor de boerderij aan het heerschap. Het heerschap is rijk. Het heerschap woont te Amsterdam op de Keizersgracht.

Het heerschap is de aardsche god van den Noord-Hollandschen huurboer.

Groot is zijn naam! „Heerskip,” aldus spreken wij dien naam uit.

Het optreden van den Noord-Hollandschen boer tegenover hooger dan hij geplaatsten is over het algemeen onberispelijk fatsoenlijk, maar vol besef van eigenwaarde. Alleen in de verhouding tot het heerschap werpt hij, in diep afhankelijkheidsbewustzijn en onderdanigheidsgevoel, tot het laatste spoor van eigenwaarde overboord. Hij betracht jegens den burgemeester en den dominee, den notaris en den dokter de meest tegemoetkomende beleefdheid. Een beleefdheid intusschen, die onveranderlijk doormengd is met zekere even onmiskenbare als onnavolgbare leukheid, door welke hij zegt zonder woorden: ik behoef niet beleefd jegens u te zijn, als ik niet wil; stelt u echter gerust, want ik ben veel te fatsoenlijk, om dat ooit ofte immer niet te willen. Doch deze leukheid verdwijnt geheel en ten volle uit zijn beleefdheidsbetoon in het aangezicht van zijn landheer. Tegenover het heerschap is de Noord-Hollandsche pachtboer als was in de hand des boetseerders.

En daarop valt niets aan te merken. Want hij moet het van het heerschap hebben, terwijl de burgemeester, de notaris, de dokter, de dominee, goed uitgerekend, het van hem hebben moeten.

Onder „het” te verstaan: de dagelijksche boterham!

Groot is dies de Noord-Hollandsche landpachter in zijn fier zelfgevoel al de andere dagen des jaars, maar klein dien éénen dag tegen Kerstmis, op welken hij, zijn pachtpenningen in de hand, het heerschap vanaangezicht tot aangezicht heeft te ontmoeten in diens vorstelijk woonverblijf.

Op dien dag liggen voor hem heil en rampspoed tegenover elkander in de weegschaal.

Heil of rampspoed, vertegenwoordigd in den uitslag, zóó of anders, zijner jaarlijksche vermurwingsaanvallen op het heerschappelijke gemoed, ter verovering van gunsten in zake pachtvoorwaarden, staltoestanden, mestbelangen...... Ach, de vraag van bekrompen, maar tevreden voortleven, dan wel van langzamen hongerdood eens huisvaders met zijn gezin, legt de pachter op dien gewichtvollen dag omstreeks Kerstmis met plechtigheid voor het geweten van het „heerskip” terneer.

De postbode heeft aan vader een briefkaart gebracht. „Gij krijgt het „heerskip”", zeide de postbode bedenkelijk en gewichtig tot vader.

De inhoud der briefkaart bevestigde de voorbereidende mededeeling van den postbode. Vaders gezicht ging onder het lezen nog wel zoo gewichtig en bedenkelijk staan als dat van den besteller.

Toen vader de briefkaart van het heerschap uit had, heeft moeder haar gelezen. Daarna hebben wij, zoons en dochters des huizes, haar elk op onze beurt mogen lezen.

Vader heeft de briefkaart dubbel gevouwen, en haar in zijn tabaksdoos geborgen.

Des avonds hebben wij, bij het licht der stallantaarn, de greppels achter de koeien uitgeschrobd. Wij hebben op de stalpaden zand gestrooid.

Den volgenden dag is het heerschap gekomen. Vader en hij kenden elkander natuurlijk van de jaarlijksche ontmoetingen omtrent Kerstmis. Moeder en wij hebbenthans voor het eerst gezien, dat het heerschap oud, klein en mager is, en witte bakkebaardjes heeft.

Vader is naar het rijtuig, waarmee het heerschap kwam, geloopen, met de pet onder den arm. En moeder met de stoof in de handen, die altijd gebruikt wordt om haar tot trede te dienen bij het uitstappen uit onzen tentwagen. Maar de stoof was niet noodig. Want het rijtuig van het heerschap was zelf voorzien van een gemakkelijken uitstap.

Vader heeft dien dag zijn zondagsche pet geheelenal tusschen de handen verfrommeld. Moeder heeft aldoor haar zijden schort met de vingertoppen gladgestreken. Het heerschap is vriendelijk.

Vader heeft het heerschap verzekerd, dat hij van het ouderwetsche houdt, omdat dit degelijk is; maar dat hij van het nieuwerwetsche in geen enkel opzicht gediend is, dewijl dit winderig is, en ook vol van ongepaste leeringen voor de lagere standen ten aanzien van de hoogere. Het heerschap heeft over deze gevoelens van vader zijn goedkeuring betuigd.

Vader heeft het heerschap door den koestal geleid. Daar heeft het heerschap naar het welvaren van den veestand geïnformeerd. Vader heeft geantwoord, dat het miltvuur zware verliezen had teweeggebracht, en dat deswege de dag der pachtbetaling een toekomstbeeld vol schrik voor den veeman was. Vader bedoelde den veehouder in het algemeen, daar het miltvuur onzen runderstapel, gelukkig, in het geheel niet heeft aangetast. Maar omdat vader onder het spreken zoo droevig hoofdschuddend zijn eigen stal rondzag, meende het heerschap, dat vader zelf zoo geteisterd was in zijn koebeesten. Toen vader bemerkte, dat het heerschap dit meende, heeft hij het heerschap niet willen tegenspreken. Vader spreekt nooit het heerschap tegen.

Het heerschap is godsdienstig. Toen vader hemover het erf rondvoerde, vroeg hij, naar het verre torentje van Groot-Schermer wijzende, of dat de toren van vaders kerk was. Vader zeide van ja.

„En is uw leeraar een goed predikant, mijn vriend?” vroeg het heerschap.

„„'n Bovenste best”, mijnheer”, antwoordde vader.

„Zoo, zoo”, zei de oude heer. „Dat doet mij genoegen, waarlijk genoegen. Zoo, zoo”. Onze knecht, die in de buurt stond, kan precies nadoen, hoe het heerschap dit zeide.

Het heerschap is nederig. Hij heeft onzen knecht ook toegesproken.

Het heerschap heeft tot onzen knecht gezegd: „Dit zijn waarlijk eenden van buitengewone proportie, mijn jongen. Waarlijk van buitengewone proportie. Zij getuigen van uw goede zorgen, mijn jongen.”

„Eenden! Het zijn ganzen”, antwoordde de knecht onbehouwen.

Vader heeft driftig den knecht naar den stal gejaagd. Vader heeft het heerschap vergeving gevraagd. Vader heeft geweeklaagd over den nieuwerwetschen geest, omdat deze de tegenwoordige menschen vervreemdt van den eerbied jegens hen, wien zij eerbied schuldig zijn.

Het heerschap heeft vader wegens diens inzichten opnieuw zeer geprezen, en de brutaliteit van den knecht vergeven.

Het heerschap is medelijdend. Hij zeide, toen hij tot vertrek weder in zijn rijtuig zat, dat vader de toekomst toch niet al te donker moest inzien met het oog op de pacht. Vader heeft het heerschap beloofd, dat hij dit niet doen zou.

Ten laatste wees het heerschap, meenende, dat hij ginds weer den dorpstoren van Groot-Schermer vóór zich had, op den toren van West-Graftdijk, zeggende: „Zoo, zoo, dus dat is uw kerk. Zoo, zoo.”

„Ja, mijnheer,” heeft vader geantwoord.

„En uw leeraar?”

„„'n Bovenste best”, mijnheer”, heeft vader nogeens verzekerd.

Nadat het heerschap vertrokken was, heeft vader onzen knecht met toornige woorden, waaronder zelfs bedreigingen met opzegging van de huur, overladen, omdat hij het heerschap heeft tegengesproken.

De schapenkoopman weet iemand, die zijn prachtige merrie wil ruilen voor onzen hit, mits een paar honderd gulden op den hit toe. Maar de hit voldoet zóó aan onze behoefte, dat de inruiling tegen de merrie overdaad, om niet te zeggen verkwisting, zou zijn. Dit heeft vader, eenige reizen nu reeds, den schapenkoopman onder het oog gebracht.

Vader is met Kersttijd de pacht aan het heerschap gaan brengen.

Vader heeft voor twaalfhonderd gulden bankpapier in zijn linkerborstzak, en voor tweehonderdenvijftig gulden bankbiljetten in zijn rechterborstzak geborgen.

Voordat vader vertrok, heeft hij tot moeder gezegd: „Als het goed gaat, gaat enkel dit”—hij sloeg op de linkerborst—„eruit, en blijft dit”—hij klapte op de rechterborst—„erin”.

En toen vader terugkeerde van het heerschap, sprak hij: „Het is goed gegaan.”

Vader zegt, dat wij de twee-en-een-half-honderd gulden afslag van de pacht verdiend hebben op den dag, toen het heerschap ons bezocht. Want vader heeft aan de wijze, waarop het heerschap in den afslag berustte, kunnen bemerken, hoe de verliezen, door het miltvuur teweeggebracht, zoowel als de gevoelens, maatschappelijken kerkelijk, die hij in vader ontwaard heeft, hem blijvend hadden geroerd.

Vader zegt, dat menschen zooals het heerschap edele personen zijn.

Vader is naar den schapenkoopman gegaan, om hem op te dragen, den eigenaar van de merrie met vaders geneigdheid tot den ruil in kennis te stellen.

decoratieve illustratie

HOOFDSTUK VII.

Volgenderwijs kwam grootvader te sterven, zijnde eenenzeventig jaar en ruim twee weken oud.

Grootvader keerde terug van den barbier. En hoewel hij nog zeer welvarende was, toen wij hem het laatst in ongeschoren toestand gezien hadden, was hij, nu wij hem het eerst in geschoren staat terugzagen, hoogst ongesteld.

Grootvader trilde zoo, en deed zoo raar met de oogen.

Grootmoeder vroeg: „Grootvader, is er iets?”

Grootvader vertelde—maar grootmoeder moest, om hem te verstaan, haar oor haast op zijn mond leggen, zoo gedempt was grootvaders stem,—dat bij den barbier een vreemdeling, wiens knevel werd ingekort, inmiddels zwaar had zitten schimpen op het dorp. Het was „een nest” en „een gat”, had de vreemdeling gezegd. En ook nog andere verachtelijkedingen. Maar die wist grootvader niet alle meer. Grootvader was van het aanhooren zeer zenuwachtig geworden. Hij had het mes van den barbier even van zijn wang weggeduwd, om tot den vreemden zwetser te zeggen: „In deze plaats heb ik meer dan eenenzeventig jaar gewoond.” Maar de vreemde, die zijn knevel liet inkorten, had schamper gelachen, en uitgeroepen: „Nu, dan hebt ge meer dan eenenzeventig jaar gewoond in „een nest” en „een gat”!” Grootvader beefde hoe langer hoe heviger, terwijl hij dit aan grootmoeder vertelde. Het was aan het eind niet om aan te zien, hoe hij beefde. Vooral zijn beenen en zijn lippen.

Grootmoeder zeide: „Grootvader moet naar bed.”

Te middernacht hoorde grootmoeder grootvader nog eenmaal murmelen: „Een nest en een gat!” Toen trok zij grootvaders slaapmuts eens recht, en sluimerde aan zijn zijde weder in.

Maar den volgenden ochtend vond grootmoeder grootvader dood naast zich. En zijn mond stond scheef.

De dokter kwam, en zeide, dat grootvader gebleven was in een beroerte. En op de begrafenis stelden de aanwezigen eenparig vast, dat de vreemde man bij den barbier de moordenaar van grootvader was geweest. Maar zij vonden, dat grootvader een mooien dood was gestorven, daar hij gevallen was in de verdediging van zijn en hun aller geboorteplaats. Dat troostte zeer in het verlies. Te meer, daar grootvader aan elk zijner kleinkinderen een bankbiljet van veertig gulden naliet. Hiervoor kochten zij kippen. Behalve de jongste kleinzoon, het eenige nog ongehuwde kleinkind, die er twee gouden bellen voor kocht. En zijn meisje hing ze in haar ooren.

Hierin zijn wij allen, waar ook in Noord-Holland metterwoon, zeer te prijzen: niet slechts zijn wij tevredenmet de plaats onzer inwoning, maar onze liefde en trouw zijn eraan verpand, tot dáártoe, dat ieder van ons, gelijk grootvader, loffelijker gedachtenis, den laatsten ademtocht, zoo het moet, willig in den dienst van de geboorteplaats zal slaken. In den zoeten naam van ons stedeken of ons dorp hooren wij als in één melodievollen toon samensmelten alwat er voortreffelijks is, alwat er aanminnigs is, alwat er onvergelijkelijks is. Van de eerste dagen der jeugd af dringt het zich krachtiglijk aan ons bewustzijn op, dat hier, waar onze voeten dagelijks wandelen, het middelpunt des wereldbelangs ligt. Waar de wettelijke grensregelaar de grens onzer burgerlijke gemeente heeft getrokken, aldaar heeft hij, zonder het te weten of te bedoelen, tegelijkertijd de grens getrokken van onzen waardeeringszin. Wat aan den anderen kant van die grens ligt, zien wij, zoolang het mogelijk is, door den grauwen nevel der geringschatting, en wordt dat een enkele maal beslist onmogelijk, dan door den gelen schijn des naijvers heen. En hetgeen nóg verder af ligt, geheel buitenslands, dat blinkt voor ons bovenal in het licht der belachelijkheid. Ondanks deze huiselijke eigenschap houdt een welgeaard Noord-Hollander er niet van, dat anderen hem kenmerken als iemand met beperkten blik. En als men weet, dat hij daarvan niet houdt, is het niet aardig, het te doen.

Teeuwis van den watermolen is een man, gezien en geëerd in heel het gehucht. Want alzoo moet Teeuwis openlijk in de gemeenteraads-vergadering hebben gesproken, terwijl er in zijn wezen iets kwam, tegelijk van den profeet en van den krijgsheld: „Wie aan onze plaats komt, komt aan mij.” Dies loven de medeburgers Teeuwis. Want de geboorteplaats boven elke plek in gewest, in land, ja, in de wereld, te schatten en te prijzen is vervulling van een genoegelijken plicht, dochbrengt de lichte moeilijkheid mee, somwijlen tegenover sceptische lieden het „waarom?” van die hoogschatting te moeten beantwoorden. Maar Teeuwis heeft voor al zijn door die moeilijkheid bedreigde plaatsgenooten het verlossend woord gesproken. Thans antwoorden zij op elke schuchtere bedenking tegen hun plaatselijken roem, met Teeuwis: „Wie aan onze plaats komt, komt aan mij.” Dat doet ten zeerste af. Want dat een Noord-Hollandsch mensch zou moeten gehengen, dat aanhemwordt gekomen, is toch wel de onredelijkheid zelf. Aanhemkomen zou insluiten, dat er op hem dus wat te zeggen viel. En in welken vermetele en verdwaasde rijst nu zulk een denkbeeld op?

Niettemin kan, nevens Teeuwis' weldoordacht systeem, onze argumentatie voor de weergalooze uitnemendheid der eigen woon- en geboorteplaats nog wel eenige aanvulling velen; wij zijn ruimhartig genoeg, dit te erkennen. De geestdrift is dan ook groot in Lutjebroek en elk ander „broek”, als de vereeniging „Broeksche Glorie” in een wedstrijd hier of ginds heeft gezegevierd over de club „Dam-bloem”, uit Ilpendam of eenig ander „dam”. Dan zegt niemand in Lutjebroek: „De vereeniging alhier heeft den prijs”; maar al de ingeborenen jubelen: „Lutjebroek heeft overwonnen”. De plaatselijke gemeenschap eischt voor zich de lauweren op, die behaald zijn door eenige uitnemende harer zonen, en deze leggen die lauweren met liefdevolle vereering aan de voeten van den localen genius neder.

Wat zegt u, mevrouw Hoog, te Amsterdam, en mijnheer Groot, te Rotterdam? „Benepen dorpschheid of kleinsteedschheid!”? Zooals ge het nemen wilt! Waar gij slechts klein-particularisme ziet, aldaar kunt gij evengoed groot-idealisme speuren. Dat hangt van uw eigen gemoedsstaat af, mijn hooggeachten.

Mag ik uw welwillend aangezicht even in de richting van dat idealisme draaien?

Ziet dan eens hier: er ligt in onzen Noord-Hollandschen cultus van de geboorteplaats een sterk-verzoenende kracht. Daarin worden de veeten tusschen burgers van eenzelfde steê opgeslurpt, zooals een zwarte inktstraal, voordat hij te groot onheil kan verspreiden, in een ijlings aangebrachte spons. „Leve het Zuideind!” begint op de jaarmarkt te Monnikendam een schaar opgewonden jongens te roepen. Natuurlijk is dat der jongelingschap, die Monnikendams ander, niet minder eerbiedwaardig, einde bewoont, te machtig. Uit haar rangen wordt geantwoord met een uitdagend: „Leve het Noordeind!” En de kermisvrijsters houden gezwind ieder haar feestridder omvat met om des dapperen midden geslagen maagdenarmen, en laten stillende taal stroomen uit haar zoetelijk vertrokken monden. Maar zonder het tusschentreden dezer vrede-engelen zouden vermoedelijk de reeds opgeheven handen uit Noordeind en Zuideind verderf brengend tegen elkander te keer zijn gegaan. Ware het niet schrikkelijk geweest: Monnikendammers tegen Monnikendammers? Doch later, als de vrede-engelen niet ter plaatse zullen zijn, om der jongelingen strijdvuur in te rekenen onder de assche harer lieve overreding? Geen nood voor later! Dan heeft reeds lang weder het rechtschapen gevoel zijn wettige plaats hernomen, dat alwat Edammer heet de vijand is, maar alwat Monnikendammer genaamd wordt, hetzij uit Noord- of uit Zuideind, de broeder, naar het heiligste natuur- en geboorterecht. Ai, ziet, hoe onze gezamenlijke verknochtheid aan de plaats onzes burgerschaps van een haat sussend en wrok bezwerend vermogen is! In den sterken eik van onzen plaatselijken trots vindt de zachte duive onzer plaatselijke eendracht haar welbeschutte woning.

Het is voor 't overige ook zoo begrijpelijk, dat onze geboorte- en woonplaats voor ieder onzer de plaats der plaatsen is op aarde......

„Dat begrijp ik nu juist niet,” zeide mijn verwaande neef in de hoofdstad, terwijl hij en ik samen uit zijn voordeur naarbuiten traden. „Het veelvuldige verkeer van een groot deel uwer Noord-Hollanders, ten behoeve van hun bedrijf, midden in het groote-stadsleven moest, zou men verwachten, toch hun oog openen voor het nesterig-onbeduidende dier hoogvereerde geboorteplaats.”

Op de stoep stond de melkboer, met deemoedig gebogen hoofd, een ratelende en rammelende schrobbeering van mijns neven zeer bespraakte dienstbode in ontvangst te nemen. Onder het boetvaardig aanhooren van de afstraffing vond de melkboer nog gelegenheid, eenige linksche beleefdheidsbewegingen uit te voeren, om den heer des huizes en mij te laten passeeren.

„Een mijner medeburgers”, sprak ik tot mijn neef, met een hoofdneiging den gebrutaliseerden melkboer aanduidend. „Zijn zwijgende ootmoed verbaast en ontroert mij”.

Maar mijn neef wees naar een anderen man met juk en melkemmers, die in belangstellende pose beneden aan de stoep stond. „Uw medeburger voelt, meer nog dan hij het ziet, zijn concurrent daar staan,” zeide hij. „Die ander snakt naar een brutaal wederwoord van den melkboer tot mijn brutale dienstbode, om dan haastiglijk met vleiende hoffelijkheid zichzelf in de gunst en leverantie te dringen”.

„Daarover beschikt toch mevrouw mijn nicht?”

„Neen, mejuffrouw mijn dienstbode”.

Dienzelfden dag des namiddags stond mijn neef in mijn dorpsche huiskamer naarbuiten te turen door het venster. Hij verwaardigde onze woonplaats in de weimet anderhalf etmaal zijner tegenwoordigheid. Tot dat doel had ik hem dien ochtend uit zijn voordeur en van zijn stoep getroond.

„Wie is dat?” vroeg hij opeens. En hij somde op: „Deukhoed, zwarte jas, gepoetste bottines!”

„Gij kent hem”, antwoordde ik.

Hij drukte het gezicht tegen de ruit. „Nooit gezien”, verklaarde hij.

„Gij kent hem”, herhaalde ik.

Hij greep zijn lorgnet, en hield het voor de oogen. „De melkboer!” riep hij.

„Vanochtend en ginds de melkboer”, verbeterde ik. „Thans en hier de wethouder. Hij begeeft zich ter raadszitting”.

De veldwachter liep den wethouder voorbij, en salueerde. Kort achter den wethouder de aanplakker, en hij salueerde. Het onderwijzend personeel kwam uit de juist afgeloopen school, en allen salueerden.

Mijn neef gesproken: „Op die manier is de voorkeur voor de geboorteplaats zoowaar te begrijpen.”

„O, begrijpt gij het nu?” vroeg ik knipoogend.

„Maar”, riep mijn gast uit na korten zelf-inkeer, „zij zijn toch niet allen wethouders!”

„Mijn waarde”, zoo sprak ik, „als zij dat niet zijn, zoo zijn zij nochtans ongeveer allen mederegeerders, hetzij in gemeentebestuur, hetzij in kerkeraad, hetzij in polderheerschappij, hetzij al ware het maar in veefonds- of begrafenisfonds-beheer. En indien, onwaarschijnlijkerwijs, in niets van dit alles mederegeerders, dan toch inzake dit alles tezamen medepraters, naar wier woord wordt geluisterd met al het daaraan toekomend respect en diep ontzag......”

„En dat is anders”, viel neef in, „dan zich op elke stoep, onder eerbiedig opzien, te moeten laten brutaliseeren door elke dienstmeid!”

„Begrepen?” vroeg ik, en nogmaals knipoogde ik.

„Begrepen!” bevestigde neef, en thans knipoogde ook hij.

En al Noord-Hollands toegewijde en liefhebbende kinderen van het stedeken of het dorp hunner inwoning knipoogen fijntjes mede.

Voorwaar, voorwaar, onze zielsverbondenheid aan de plaats, waar onze wieg stond en ons woonerf ligt, is innig en teeder! Bij mij in de straat hebben velen er zelfs op tegen, naar den hemel te gaan, en daarvoor hun huis met erf te verlaten.

decoratieve illustratie

HOOFDSTUK VIII.

Voortaan behoort tot den geestelijken eigendom van Noord-Holland, als nieuw-verworven bezit, de herinnering aan den grooten watersnood.

Voor mij heeft deze herinnering de gedaante, welke ik u in de hier volgende lijnen schets.

Kent gij de streek tusschen het Y en Purmerend, tusschen de Zuiderzee en de Zaan? Dit is het gebied van de groote ramp. Het verreweg meest uitgebreide en felst geteisterde der onderscheiden oorden in ons vaderland, die de wilde golven tot haar prooi hebben gegrepen.

Kent gij de streek? Wie haar ook slechts vluchtig heeft doorreisd op een schoonen lente- of zomerdag, heeft bij zichzelf een voorstelling bewaard van onafzienbare groene weiden. Licht groen het gras, donkerder groen daartusschen het kroos in de slooten. Tot dengezichtseinder heel de vlakte wemelend van ontelbaar vee. Vierkante boerenhuizen, welker reeksen zich ver in de verte verliezen, duiden aan, hoe de smalle landwegen loopen. Torens, een paar zware en logge, maar meest miniatuur-torentjes; molens, sommige groote en hooge, doch meest miniatuur-molentjes; dorpen, enkele uitgestrekte en belangrijke, meest echter miniatuur-dorpjes,... Het is alles saam als speelgoed, opgezet op het groen laken van een reuze-tafelblad. De zeilen van een enkel schip scheren wit-schitterend over het water van het Kanaal, dat de onbegrensde wei in tweeën deelt. De hemel straalt boven het groot geheel in ongetemperden zonneglans. Zóó bood Waterland den bezoeker een schouwspel van vredigheid en feestelijkheid.

De begin-maanden van het watersnood-jaar! Wie het oord thans aanschouwt, en het tevoren zag, dien breekt het hart. Dan reeds, wanneer gij het niet meer dan slechts in vogelvlucht overblikt, en u daartoe een plaats kiest hier of daar op den dijk benoorden het Y, vanwaar gij, zoover het oog reikt, de zee aan uw voet ziet golven allerwegen, waar eenmaal het rijke land zich uitstrekte en de vriendelijke dorpen den horizon stoffeerden.

Maar eerst diep droefgeestig wordt het den zwerver in ranke roeiboot te moede, die, de riemen in de hand, eenige uren lang deze oneindige landzee door- en overkruist. Een onuitsprekelijk drukkend gevoel van verlatenheid en treurigheid grijpt den omdwaler over het watervlak aan. Verstomd, wijd in het rond, alle stemmen van mensch en dier. Het geluid van het plassen der roeispanen echoot tot verren afstand in de ledige ruimte. Glijdt de boot voort langs vaart of boven land? Vaart en land zijn niet van elkander te onderscheiden, en de roeier weet het niet. Het doet er ook niet toe. Alles is bevaarbaar. Straks ontdekt gij, door,met een schok van uw boot, een stuk van een dakgoot af te varen, dat gij over een boerenerf heengaat. Weldra beweegt gij uw boot voort boven een dorpsstraat; huizen, ter weerszijden halverwege boven het water uitstekend, vergewissen u daarvan. Hoelang nog zullen die ondergeloopen huizen, voordat zij, door het water ondermijnd, ineen vallen, de richting van de dorpsstraat aangeven? Waar zijn wij thans? Hier heeft zich de catastrophe reeds voltrokken. Dit was immers het schilderachtig pad van het Landsmeersche Schouw naar Broek in Waterland? Die weg, waarlangs tal van woningen, temidden van het groen, zoo vriendelijk stonden gerijd, eenvoudige tusschen welvarende? Er staat er bijna niet één meer. Verdwenen, nagenoeg alle! Verzwolgen, met alwat de ijlings gevloden bewoners erin achterlieten! Het gelaat van den roeier verbleekt, en de hand beeft aan de riemen. De waarheid is ontzettend; zeer velen, die alles verloren hebben, behalve, zoo zij meenden, tenminste hun dak boven het hoofd, zullen ook hun beschuttend dak niet terugvinden. Dit aan allen kant golvende water is bezig, een stil, doch gestadig verdelgingsproces ten uitvoer te leggen.

Dit water, aan allen kant golvend! Toch, hier en ginds schijnt nog een eiland zich te verheffen uit het onafzienbare waterveld. Voorzichtig! Betreedt het eiland niet. Het biedt verraderlijker bodem dan het watervlak zelf. Wie het betreedt, zinkt erdoor. Het is maar een dunne korst, losgeweekt van den drassigen grond. Het land is hier opgelicht door de baren. Het land drijft.

Elders steekt echter nog de top van een hooischelf of van een rietklamp boven de golvenwereld uit; op sommige ervan zijn eenige taai-levende katten aan het verwilderen. In een tobbe drijft een verhongerde foxhond rond. Op een stuk brug, dat over de baren dobbert, zitten zwermen musschen angstig bijeen. Ineen groote boerenkamer, waarin het water tot halverwege de zoldering staat, ziet gij door het venster, hoe de tafel, nog bezet met koffiekan en toebehooren, rondvaart tusschen de muren, terwijl er omheen de stoelen wiegelen en deinen op de binnengestroomde zee. En elders zwemt de inhoud van de bedstede, weer elders die van de linnenkast achter de ruiten heen en weer. Arme huismoeders, wier zorg dit alles was, en wier trots! Zoo de interieurs der woonhuizen. Ik ken ze, die daar leefden, en hoopten, en gelukkig waren. En ik voel ergens in mij een steek, terwijl ik door de ruiten naarbinnen tuur.

Ik land aan bij de herberg van mijn dorp, het eenige nog overgebleven toevluchtsoord in heel de plaats, en thans „herberg” inderdaad. „Nog hoog en droog, dominee”, begroet mij de waard, „zooiets als Noach in zijn ark”. „Noach”, repliceer ik, terwijl ik uit mijn boot klim, „was, naar ge weet, een braaf man; als ge waarlijk zooiets als Noach zijt, wel, geen kwaad ding dan!” De waard moet lachen, en betuigt, dat hij hetgeen ik zeg „aardig” vindt. Wie nog aan menschelijke wezens ter plaatse zijn, zijn voor een groot deel zijn gasten: enkele tientallen militairen. Zij varen dagelijks, maar vooral bij nacht, op patrouille, ter bewaking van de onbeheerd achtergebleven bezittingen der gevloden bevolking tegen plunderaars: de hyena's der waterwoestijn. Liever dan met den waard het thema over „Noach” te vervolgen, druk ik den trouwen jongens, die dag en nacht een zwaren plicht met liefde dienen, eens de hand.

Straks stoot ik mijn boot weer af. In het voorbijvaren werp ik een blik op mijn eigen woning. Zee de vriendelijke tuin. Zee, waaruit zich het lief tehuis opheft. Zee—ik kan het nagaan—gang en kamers der benedenverdieping. Zal ik naarbinnen waden? Liever niet. Waartoe het jammer-schouwspel? Ik wend hethoofd af, en...... Ruk mijn ranke boot verder!

Wat zaten wij rustig in onze woonkamer op dien noodlots-morgen, toen ons bericht werd: „De Zuiderzee-dijk is bezweken”. „Loop heen!” antwoordden wij den boodschapper, en wij lachten over zijn begrafenistronie. Zeker, het had gestormd dien nacht. En vooral den voorafgaanden avond. Het was kerk-avond geweest, gelijk op elken Donderdag. Slechts enkelen hadden zich door het noodweer naar het bedehuis gewaagd. Ik liet dan ook de voorbereide preek achterwege. Terwijl het woeste weer loeide en bulderde om de kerkmuren heen, las ik den weinigen aanwezigen het evangelie-verhaal van den storm op zee voor. Ik zeide iets over het veilig bewaard zijn in allerlei stormen van degenen, met wie hij is, wien wind en golven gehoorzaam zijn. Wij baden tezamen om zijn hoede. Toen zongen wij nog het: „Ruwe stormen mogen woeden”, dat ieder kent. Dat is het laatste, wat in ons bedehuis weerklonken heeft. Daarna liet ik de enkele kerkgangers trekken. Een mislukte godsdienst-oefening? Ik heb van een paar der aanwezigen vernomen, dat zij hun onvergetelijk zal blijven. Doch dat komt door de geweldige toepassing, die onmiddellijk daarna de gebeurtenissen erop hebben gegeven. Toch: „Loop heen!” riepen wij den volgenden ochtend den eersten brenger van de ramptijding toe. Zeker, het had gestormd dien nacht. Maar het had somwijlen erger nog gestormd. En thans de dijk bezweken? Intusschen, op dezen bode volgden andere boodschappers, en...... Nog ongeloovig, doch zekerheidshalve, rijwielde ik eens de richting uit naar de Zuiderzee. En ik rijwielde tooneelen van ramp en ontzetting tegemoet.

Van mijn huis af een drie kwartier gaans naar den kant van de Zuiderzee, hier begon het schrik-schouwspel. Kudden van honderden koeien draven mij tegemoet.Mannen en vrouwen van elken leeftijd, allen met verwrongen gezicht, jagen uit de boerderijen langs het grintpad hun vee den weg op. Gij herkent den flegmatieken Noord-Hollander niet in die opgewonden, achter en tusschen het verschrikte rundvee schreeuwende en armzwaaiende lieden. Maar hier werkt dan ook het eenige, wat den doorsnee-Noord-Hollander uit zijn onaandoenlijkheid en onverstoorbaarheid vermag te drijven: gevaar voor stoffelijk geruïneerd worden. Materialisten! En toch, smaalt op deze menschen en op hun vertwijfeling niet! Dat valt hun zoo licht, die in veiligheid en vrede zitten. Maar, aan welvaart gewoon, zich plotseling den volkomen maatschappelijken ondergang voor het oog te zien treden: ditiseen ontzettend ding. Twee hijgende boeren gaan elkander, temidden van den chaös, woedend te lijf. Zij razen en vloeken. Ik ontwaar, dat over den eigendom van één der koebeesten, dien zij beiden zich toeschrijven, hun vechtpartij is ontbrand. Van ginds klinkt klagelijk gebulk. Ik dring daarheen door. Een angstig rund heeft over een ijzeren hek willen springen; een der hekspijlen is hem onder in het lichaam gedrongen. Het dier wringt en worstelt, om zich te verlossen. De lucht dreunt van zijn pijngejammer. Ik wijs eenige voorbijjagende boeren op het noodgeval. Wat maakt het gevaar de menschen toch zelfzuchtig! „Mijnkoe?” vragen zij ontzet, de een na den ander. Neen, de koe van niemand hunner. En zij ijlen verder. Valt de egoïsten niet te hard! In oponthoud is ondergang. Ten slotte vind ik een, die ontdekt: „Mijnkoe.” Ras heeft hij vrouw, zoons, dochters bijeengeschreeuwd. En door het: „Onzekoe”, geëlectriseerd, lichten zij, met de kracht van het vereend egoïsme, het logge gedierte omhoog, en bevrijden het. „Waarheen gaat het met het vee?” vraag ik aan dezen, en dan weder aan genen.Het monotone antwoord luidt: „Ik weet het niet”. Zij weten niet, waarheen, de dieren, en evenmin de menschen. Verder! Verder maar! Zonder bekend doel! Het water komt! De verwoesting komt!

En mij tegen denmenschen- endierenstroom inwringend, ontmoet ik weldra het water. Vlak vóór Broek in Waterland snijdt de overstroomde weg mij den verderen voortgang af. Het schouwspel is grootsch. Het water bruist, als een reuze-waterval, over den ringdijk neer in den diepen polder. Een donderend geraas klinkt op uit de onmetelijke cascade. De Niagara in vlak Noord-Holland! Ik sta daar, klein. Heel klein, en aangegrepen. Doch niet lang. Het water, opstuwend op den weg, dringt mij een schrede terug, en nog een schrede. Ik begin het naderend gevaar voor eigen huis en haard te beseffen. Ik keer mijn rijwiel, bestijg het, en ijl voor den golfvloed uit naar mijn woonplaats terug. En terwijl ik mijn dorp binnenrijd, klinkt de noodklok boven de hoofden mijner medeburgers, die op de straat staan samengeschoold.

En nu komen droeve dagen. Wij hebben onze benedenvertrekken ontruimd. Wij zitten aan de vensters onzer tweede verdieping. Wij zien en hooren met het uur het water naderen van verre. Nog is de dorpsweg droog. Straks beginnen de woeste vee-transporten ook langs onze woning. Telkens draven koeien, schapen, geiten, die opgedreven worden, hun pad kwijt, mijn tuin in. Dan vangen wilde jachten aan, tusschen mijn heesterperken door en over mijn bloembedden heen. De inleiding tot de komende vernieling!

Intusschen, ik denk aan mijn preek voor den aanstaanden Zondagmorgen. Ik hoop, dat zij nog zal kunnen gehouden worden. Ik zet mij aan de schrijftafel. Ik kies mijn tekst. „De Heer is op de groote wateren”. Men komt mij zeggen, dat de kerk tot veestalling isopgeëischt. Ik berg schrijfgereedschap en schrifturen op. De avond daalt: de laatste over het nog niet overstroomde dorp. Wij doorsluimeren een onrustigen nacht.

Den anderen dag, Zaterdag, dringt de vijand van uur tot uur op, aan allen kant. Reeds heeft hij ons op enkele honderden passen naar rechts en naar links ingesloten. Oogenblik aan oogenblik wordt het nog begaanbare gebied kleiner. En weer valt de vroege duisternis.

Om twee uur in den nacht ongeveer sta ik, met mijn naaste buren in gesprek, vóór mijn huis, onder het electrisch licht van de straatlantaarn. Van rondom sluipt over de straat het water op ons, burengroepje, aan, langzaam, langzaam. Doch zeker, zeker. Wij praten, totdat de aftocht naar onze voordeuren bedreigd wordt; dan nemen wij afscheid. Ik begeef mij bezwaard ter ruste. Ik wek mijn huisgenooten niet. Laten zij den slaap genieten. Morgen zal het vroeg genoeg zijn tot het treurig ontwaken.

Wel treurig het verrijzen, dien Zondagochtend! De golven klotsen tegen de vier muren van ons huis. Waarheen wij ook uit onze bovenvensters staren, alles in het rond golft, alles stroomt. Wij zijn gevangenen.

Had iemand ooit gedacht, dat ons dorp zulk een vloot rijk was? Heel den Zondag gaan de meest onderscheiden vaartuigen in eindelooze rij langs onze woning voorbij. Zij varen zoowel boven de straat als langs de vaart. De gemeentenaren vluchten. Bij name noemen wij hen op, ouden en jongen, die wij, van den morgen tot den avond, in schuiten en booten de plaats van hun geluk en welvaart zien verlaten. Velen, die ons aan de bovenvensters zien, wuiven ons in het voorbijvaren toe. De levendigheid van het schouwspel ontneemt voor ons, zoowaar, tijdelijk iets aan het tragische van het tooneel. Doch het ontroert ons opnieuw, als daareen praam—nog een, weer een,—voorbijdrijft, waarop een ledekant, en in dat ledekant, onder dekens verstopt, een zieke, zorgvol omringd door de verwanten. De schemering maakt een eind aan het bedrijvig tafereel. De avond is zwart. Diep is de stilte rondom. Hoort, hoe het nog steeds wassende water opgolft tegen het huis! Maar, komaan, ter slaapstede! God zal waken. „De Heer is op de groote wateren”. Ik heb er dien ochtend wel niet over kunnen preeken, doch daarom is het toch niet minder zoo.

Den volgenden dag zien wij den uittocht aan van nagenoeg heel de rest der zwaar getroffen bevolking. Het dorp is welhaast ledig. Ook wij gaan; het is hoog tijd. Het weer is ruw. Over enkele uren zal de donkerte vallen op de verlaten plaats. Een rondzwalkende roeier, die naar nog een laatste winstje zoekt, neemt, door mij aangeroepen, ons op in zijn wiegelende boot. En op de meer en meer onstuimige baren maken wij deel uit van de uiterste achterhoede des tweedaagschen strooms van vluchtelingen.

„Waar blijven al de vluchtelingen, mijnheer?” vraagt mij een joviale Amsterdammer, als ik in de hoofdstad debarkeer uit de stoomboot. Op dat oogenblik moest ik twijfelmoedig de schouders ophalen. Na enkele dagen, als ik den deelnemenden belangstellende weder aantref op dezelfde plek, kan ik hem antwoord geven. En ik geef het hem met liefde. „Luister eens”, zeg ik tot mijn vriendelijken onbekende, „gij weet toch, dat uw stadgenooten een oude en schoone reputatie hebben: die van weldadigheidszin? Niet al de vluchtelingen, lang niet alle, hangen af van de barmhartigheid. „Vluchtelingen” is immers nog niet één in beteekenis met „berooiden”; vooral niet: „vluchtelingen uit welvarend Waterland”. De hotels bergen er, zoowel als tijdelijk gehuurde stadswoningen. En dan, men heeftlichtelijk in Amsterdam—en, zoo al niet hier, dan elders,—verwanten of vrienden, nietwaar?”.... Plotseling viel ik mijzelf in de rede: „Hebt ge soms relaties met den stedelijken gezondheidsdienst?”

„Neen”, schudde hij goedmoedig.

„Dan”, ging ik voort, „zal ik u een geheim influisteren. Ik heb dezer dagen in uw goede stad klein-behuisde gezinnen bezocht, die, door de opneming van watersnood-verwanten of -vrienden, verdrie-, verviervoudigd zijn: hygiënische gruweldaders!” „Maar”, vervolgde ik, „van den liefdadigheidszin uwer medeburgers gesproken: onderscheiden tehuizen, met vindingrijken spoed voor de van huis en hof verdrevenen geopend, handhaven de nobele reputatie, waarvan ik sprak, door honderden kosteloos te herbergen. Voor alle herwaarts gevlodenen heeft uw groote en goede stad plaats. Voor de van dak beroofden in deze tijdelijke asyls. Voor hun kinderen op de schoolbanken. Voor hun ouderloozen in de weeshuizen. Voor hun kranken in de zieken-inrichtingen. Daar overal omringt de Waterlandsche ballingen de meedoogende liefde van Amstels burgerij”. Zoo betoogde ik aan mijn jovialen Amsterdammer, staande tegenover hem aan den Y-kant op een bootsteiger.

In den loop van het betoog hadden zich anderen om ons beiden geschaard. Onder hen één, die een blauwen kiel droeg, en mij blijkbaar kende. Hij begon: „Eigenlijk, dominee, was ik wel wat bang voor de ontvangst, die den vluchtelingen zou wachten van de Amsterdammers!” Het was een over-Ysche melkventer, die sprak. Wij allen zagen hem vragend aan.

„Ja, de melk-oorlog is pas een paar weken oud, zooals ieder weet”, hernam hij. „De Amsterdammers mochten zich op de boeren willen wreken”.

„Zij wreken zich, jongen”, zeg ik. „Het is de rechte wraak”.

Kijkt nu zoo'n nuchteren Noord-Hollandschen melkboer! Terwijl ik, dit antwoordende, hem aanblik, zie ik een traan in zijn oog springen. En ik vind in dien traan van den luid-schreeuwenden melk-krijgsheld, die hij zoo kort geleden nog was, behalve gevoel, toch, ik kan het niet helpen, ook: humor!

Jawel, de humor is nu eenmaal onsterfelijk. De humor wandelt zelfs op de golven, die boven het sombere watersnood-gebied deinen. Natuurlijk hebben een paar van mijn brave dorpsjongens, vóór hun vlucht met de overigen mee, zich meester gemaakt van het waarschuwingsbord, dat de schilder, die bezig was mijns overbuurs huis te verven, heeft achtergelaten. En aan deze plank, die in reuze-letters de mededeeling: „Nat”, draagt, hebben zij, met weergaloozen zin voor het actueele, een welbevestigde plaats aan een boven de wateren uitstekenden telefoonpaal gegeven.

Andere, niet zoo opzettelijk bedoelde, humor is die van mijn vriend, den winkelier, wiens uitstallings-venster, dat nog even boven het water uitkomt, voor en na het door hem achtergelaten plakkaat draagt, waarop de gewichtvolle aankondiging: „Een loopjongen gevraagd”.

Gezegend zij de humor! Hij werpt even, heel even, een voorbijgaand lichtstraaltje door de triestigheid der onheils-immensiteit.

Iets anders dan de humor doet dat ook: zulk een voorbijgaand lichtstraaltje werpen. Ik breng één mijner geregelde bezoeken aan mijn in de golven verzonken woonplaats. Wij staan—eenige zeer weinige nog niet gevluchten en ik, die hen kom opzoeken,—op de enkele vierkante meters grond, die een voor 't oogenblik nog droge plek vormen bij raadhuis en kerk.Een paar kleine motorbooten houden, over de watervlakte heen, aan op ons staanplaatsje. Het gezelschap stapt uit: de koningin! Wij ontroeren. Wij buigen. Wij voelen, wij weten niet, wat. Bovenal dankbaarheid.

„Waar zijn wij hier?” vraagt een zilveren stem.

„De kerk, het raadhuis, majesteit.”

De koningin doorwandelt beide gebouwen. Tusschen de koeien in de kerk stapt zij door. De verontreinigde vloer schrikt haar niet af. Bij den preekstoel, tegenover den kerk-ingang, staat, zwaarmoedig, een boerenpaard, dat onlangs, onbeheerd, door de golven is komen aanwaden; de koningin klopt het verfomfaaide beest meewarig op den nek.

Voor ieder van de weinige aanwezigen heeft de koningin een woord, en zij bewijst haar bezit van de geheime macht, om de nu wekenlang reeds zoo mistroostige gezichten een oogenblik te laten stralen. Het komt er niet op aan, dat een oude dorpeling haar aanspreekt met: „zijn excellentie”.... Wat is de koningin gewoon!

Zij scheept zich weer in met haar klein gevolg. Zij zegt bij het vertrek, dat wij allen moed moeten houden, en dat zij ons niet vergeten zal. De motors der bootjes snorren; in grauwen nevel verdwijnt de kleine flottille op de water-oneindigheid. De grauwheid en somberheid keeren weer over het vereenzaamd pleksken temidden van de baren. Maar er heeft, er heeft een voorbijgaand lichtstraaltje geflonkerd!

Doch anders, donker gaan zij voorbij, de dagen, in het verdronken dorp. Enkele vluchtelingen zijn er tijdens den watervloed heen wedergekeerd; niet naar hun huis, weliswaar, maar naar hun graf. De ramp heeft geen rechtstreeksche, wel echter haar indirecte slachtoffers gemaakt. De slag is voor sommigen te zwaar geweest. Menigeen, vooral onder de ouden van dagen, heeft, vluchtende, de hoofdstad slechts bereikt,om er te kwijnen, en spoedig te sterven. Wij hebben hen na hun dood gebracht naar de plaats, waar zij hebben geleefd en gearbeid; het was hun wensch. Dat zijn aangrijpende tafereelen: zulke begrafenissen op het kleine kerkhof midden in het golfgeklots. Over de water-onbegrensdheid komen wij aandrijven, in een kring geschaard op een koe-schuit, de baar, met het zwarte laken bedekt, in ons midden. Terwijl de kleine sleepboot ons plat-gebodemd doodsschip voorttrekt, rillen wij van de koude. Ook van het nat, waarvan de golfslag, die nu en dan over ons vaartuig vliegt, ons weldra doet druipen. Misschien is het nog wel het meest van de onzegbare somberheid der geheele situatie, dat wij huiveren. Door den grijzen dampkring zoemen ons uit de verte de tonen tegemoet van de doodsklok, die geluid wordt. Spookachtiger iets is nauw denkbaar dan deze samenzang der begrafenisklok met het golfgerommel, welke het door den nevel voortglijdend rouwschip begeleidt. Ginds, waar zich boven de onmetelijke water-verlatenheid de silhouette afteekent van een kleine menschengroep, daar is het doel van de doodenvaart. Daar staan de enkele nog gebleven dorpsbewoners verzameld, die nagenoeg allen naar den godsakker zijn komen roeien. Zij helpen, zwijgend en strak, ons schip met zijn triesten last aan het hooggelegen kerkplein meren. De dragers lichten de baar op; hun schouders schokken en hun knieën beven van innerlijke kou. Wij volgen. Achter ons sluit zich het geringe overschot der dorpsbevolking aan. De grafkuil opent zich op weinig schreden. De gapende diepte ontvangt haar bewoner. Het klokgebom boven ons hoofd en het golfgeklots aan onzen voet begroeten den vluchteling, die is weergekomen. Nu dreunt de klok uit. Maar de golven blijven het woord accompagneeren van den spreker bij de groeve. Dit is eenoogenblik van ijzingvolle indrukwekkendheid, nu de prediking van de vergankelijkheid over de verwoestingswateren galmt. De prediking van de vergankelijkheid des menschen eindigt in een verkondiging van de eeuwigheid Gods. „De eeuwigheid Gods, amen”, besluit de grafredenaar. „Amen”, ruischen de baren in het rond terug. De doodsklok mengt opnieuw haar bastonen in het golvengezang. Wij schepen ons weer in. De doodenhof blijft eenzaam achter, omklotst door het water. Over eenigen tijd zal het water niet meer erom, maar erover klotsen. Dat zal den ontslapene, dien wij er achterlaten, niet meer deren. Als van die nog hier zijn weldra ook de allerlaatste zal moeten vluchten, hij mag blijven in de plaats, die geen dorpeling verlaat, dan een zwaard gaande door zijn ziel.

Ach, burgers van de groote stad, en uit dien hoofde, hetzij meer, hetzij minder, wereldburgers, zij beseffen niet, wat de vlucht uit het voorvaderlijke dorp zegt voor het één met den ouderlijken grond zijnde landvolk. „Het is mijn dood”, hebben sommigen hunner geweeklaagd bij het gaan. En het werd hun dood, wat menigeen aangaat. Voor enkelen werd het erger dan de dood. Arme jongen, die niet over het verlies heen gekund hebt van het stuksken bouwland, vaders geschenk, kort voordat de groote vloed kwam, die het overstelpte! Zestien jaar, en: krankzinnig! Ik wandel door het Wilhelmina-gasthuis. Opeens achter mij een wanhopige vrouwenstem: „Dominee, dominee! Ik wil met dominee mee!” Zijt gij het, brave, knappe huismoeder, belangstellende kerkgangster? Waanzinnig! Opgesloten, als gevaarlijk, in de zoogenaamde „kooi”! Hoe komt dat zoo, beste moeder Griet? „De golven, de golven gaan zoo heen en weer”, gilt de arme, „ik wil met dominee mee!” O, de watersnood heeft verwoestingaangericht, die erger is dan de verwoesting van woningen en weiden!

Op de zolders van misschien tien huizen vind ik bewoners, wanneer ik in mijn woonplaats mijn kleine roeiboot door de golven stuw. Ik leg aan bij de huisdeuren. Vandaar wijst een vlonder door het overstroomde huis den weg naar zolder- of vlieringtrap. Boven, daar zitten zij bijeengedrongen in half-donker: vader, moeder, kinderen, huisdieren, gevleugeld en viervoetig vee. Bedden gespreid op den zoldervloer. De atmosfeer bijna ondragelijk. Deze menschen kunnen niet vluchten. Zij kunnen niet, een deel hunner, dewijl de scheiding van huis en have huntezwaar is. Nietwaar, als men er toch voor heeft gewerkt en gezwoegd, een menschenleven lang! Zij kunnen niet, óók een deel hunner, dewijl elders gastvrije vriend of maag hun niet zijn beschoren, geld voor een betaald onderkomen hun ontbreekt, en het brood der barmhartigheid hun te bitter zou smaken om het te eten.

Op een bouwvallig zoldertje zit de oude moeder alleen. Vader rust reeds sinds jaren in het graf. Zoon en kleinzoon zijn zoo juist met de schuit van huis gegaan. Oud moedertje is heel moedig in hun tegenwoordigheid. Thans is zij, o, zoo mistroostig. Oud moedertje schreit op de schemerige vliering. Ze schreit, o, zoo droevig. Wij zitten tegenover elkander. God zit ook op het vlierinkje, zeg ik tot de oude grootmoeder. En dat gelooft zij. En wij leggen de vier handen ineen. En terwijl wij beneden in de woonkamer het water hooren klotsen, bidden wij op het donkere zoldertje. Ik vertel niets van het gebed; van een zoo heilig oogenblik moet men niet willen vertellen. Maar het gebed boven de golven, hand in hand met oud grootmoedertje op het zoldertje, blijft mij een glanspunt in mijn herderlijk werk. Toen ikde trap weer afklom, weende oud moedertje nog. Maar zij weende heel anders dan toen ik kwam.

De geschiedenis van den watersnood is voor het volk, dat erdoor werd getroffen, een geschiedenis van tranen. En als ook de toekomst die tranen bij velen misschien nog in langen tijd niet zal drogen,... Mogen het dan maar tranen zijn van dat andere weenen, zooals van grootmoedertje, nadat zij in het gebed haar lot in Gods hand had gegeven.


Back to IndexNext