DE GESCHIEDENIS VAN DE BLOEM.DE GESCHIEDENIS VAN DE BLOEM.Kleine Marianne was ziek geweest, en nog zoo zwak, dat zij nog alle dagen verscheidene uren op haar bed moest liggen rusten en slapen.Eens op een winternamiddag, toen buiten de sneeuw langzaam neêrdaalde, en het in de kamer heel stil was, daar de kindermeid in haar stoel zat te dommelen, de poes op het haardkleedje lag te spinnen, en er niets nieuws ofaardigs in de kamer was om naar te kijken, dan een bosje violen in een vaasje naast het bed, zeide Marianne bij zichzelf met een zucht:„Had ik maar iemand, om mij een vertelling te doen, dan zou ik nog kans zien, dezen langen dag zonder klagen door te komen. Maar Mama is uit, Daatje is moê, en al mijn boekjes ken ik al uit mijn hoofd; wat kan ik dus doen, daar ik te moê ben om met mijn poppen te spelen?”Niemand beantwoordde deze gewichtige vraag; en Marianne zuchtte weer, toen zij zich omkeerde om den anderen kant uit te kijken, hopende in die richting hulp of vermaak te vinden.De zonderlinge dames op den grooten Japanschen waaier boven den spiegel keken haar aan met haar smalle schuine oogjes, maar schenen het te druk te hebben met thee drinken uit rood en gele trekpotjes, om eenig belang te stellen in het bleeke meisje dáár in bed. De spelden zaten even wijsneuzig als altijd op het blauw satijnen kussen; maar noch die met den paarlemoeren vlieg er op, noch het gouden roosje, noch het grappige ochtendspeldje, met haar erin, en van achteren een portretje van een dik kindje,—van welke broche Daatje zooveel hield,—waren thans in staat haar tevermaken. De poppen lagen opgestapeld in de wieg, met hunne ongelukkige armen en beenen naar alle kanten uitstekend, droevig verwaarloosd door hun kleine mama; terwijl de geliefkoosde boeken op de plankjes in den laatsten tijd zoo dikwijls doorgelezen waren, dat zijthans niets nieuws of prettigs meer aan te bieden hadden.„O wee! Ik wou, dat de vogels op het behangsel, of de kinderen op de platen, die rondom aan de muren hangen, tot mij konden spreken, of voor mij zingen. Ik ben toch heusch zoo zoet en geduldig geweest, dat er dunkt mij wel iemand medelijdenmoethebben met het arme, zieke meisje en iets verzinnen om haar plezier te doen,” zeide Marianne, met een derden zucht, nog dieper dan de vorige.Deze zucht blies zooveel adem uit, dat een van de bloempjes erdoor uit het vaasje werd geblazen. Marianne nam het bloempje op en bekeek het, bereid voor elk speelmakkertje, al was het maar een eenvoudig viooltje.Dit was bizonder mooi geteekend, en had zoo’n lachend gezicht in zijn lichte en donkere blaadjes, dat het kind een gevoel had, alsof zij nu een vriendinnetje gevonden had, en de viool begon te kussen; want zij was niet alleen eenzaam, maar ook door zwakte aandoenlijk gestemd.Tot haar groote verrassing knikte de bloem tegen haar, en toen ze die nog dichter tegen haar gezicht aandrukte, zeide een lief, zacht stemmetje:„Nu kan ik spreken en vind het heel prettig u wat te komen opvroolijken, want wij hebben veel medelijden met u gehad, omdat wijzelvenons eenzaam en verlaten gevoelen, zoo ver van onze familie verwijderd.”„Wel, aardig bloempje, wat vind ik dat prettig, u te hooren praten en u te zien glimlachen tegen mij! Ik bid u, vertel mij alles omtrent u zelf. Ik houd dol veel vanbloemen, en was heel blij, toen een van mijn schoolmakkertjes mij dit mooie ruikertje violen zond,” zeide Marianne, zeer verheugd over deze verrassing.„Ik heb geen geschiedenis, want ik ben geboren in een oranjerie, en heb mijn heele leven in een bloempotje doorgebracht, met vele zusters, die zoodra zij bloeien weggedragen worden, en nooit weêrom komen. Slechts een paar uur heb ik in een winkel doorgebracht, en werd toen in een papier gespeld, en door een vreeselijken jongen hierheen gebracht, die ons aan de deur afgaf. Wij waren heel blijde, dat wij in dit mooie vaasje, met frisch water gevuld, werden neêrgezet, in deze rustige, warme kamer, met een vriendelijke meesteres, om naar ons te kijken. Maar als gij een geschiedenis van onze nabestaanden wilt hooren, zal ik u een oud verhaal doen, dat onze heele familie goed kent en waarvan zij ook veel houden.”„Doe dat, als ’t u blieft!” riep Marianne; en toen lag zij, met haar poesje slapend op haar arm, vol belangstelling te luisteren naar het verhaal van:DE PRINSEN EN DE VIOLEN.EEN TOOVERSPROOKJE.Er was eens een Koning, die twee jeugdige zoontjes had, genaamd Paars en Krip, omdat zij altijd in den rouw waren over hunne moeder, die bij hun geboorte gestorven was. De Koning wilde geen paars dragen, hoewel dezekleur meer gebruikelijk was dan zwart voor koninklijken rouw. Hij was een zeer zelfzuchtig man, die zich enkel om zijn eigen gemak en genoegen bekommerde; hij bewoonde dus zijn prachtige vertrekken, en vermaakte zich met zijn boeken, lui en tevreden, in zijn groen fluweelen kamerjapon, met het roode kapje op; hij sliep veel, las en dronk wijn, ten einde het verlies van zijn schoone Koningin te vergeten.Hij bekommerde zich niet om zijn twee zoontjes, en liet hen over, eerst aan de min en kindermeiden, daarna aan de meesters, toen zij van zuigelingetjes opgegroeid waren tot knappe jongens, zoo lief, verstandig en braaf, dat de menschen zeiden, dat de geest van hun overleden moeder hen zeker bewaakte, wat ook misschien het geval was.Zij waren altijd te zamen, altijd bezig, steeds zachtzinnig en vriendelijk, maar wel wat droevig, omdat hun vader hen niet liefhad; en al de liefde van de vele vrienden, die zij zich maakten, konden hun het gemis van vaderliefde en moederzorg niet vergoeden.De onderdanen van den Koning wilden hem bewegen weêr te gaan trouwen, opdat het Hof weêr opgevroolijkt mocht worden door feesten en bals en tooneelvertooningen, zooals voorheen; maar hij was te zelfzuchtig en te lui, om daarvan werk te maken, totdat eindelijk zekere schoone dame hem kwam opzoeken. Zij was een weduwe met twee dochtertjes, genaamd Sleutelbloem en Narcis, omdat zijaltijd gele jurkjes aanhadden. De moeder dezer meisjes heette Tijloos (Jonquille) en had goudlakensche japonnen aan. Zij was heel trotsch en wilde gaarne Koningin zijn; zij deed dus een paars fluweelen mantel om, en liet de meisjes paarse hoedjes dragen, om den schijn te hebben van, evenals de rest van het volk, over de Koningin te rouwen; maar het was haar te doen om den Koning te trouwen. Moeder en dochters waren zoo mooi, zoo bekoorlijk, dat iedereen haar bewonderde en welkom heette; en terwijl de Prinses schaak speelde met den Koning, en hem verzen voorlas, om Zijne Majesteit te vermaken, speelden de kinderen met elkander, en trachtten vriendschap te sluiten.Maar Sleutelbloem en Narcis waren ijdel, en zelfzuchtig en grillig; en de kleine Prinsjes bemerkten weldra, dat zij in alles haar eigen zin wilden hebben en doordrijven, en dat zij zich onhebbelijk driftig aanstelden, wanneer iemand het waagde haar te berispen. De knaapjes waren dus ongelukkiger dan ooit, toen men hun vertelde, dat hun vader met die Prinses zou gaan trouwen, en dat dus deze onaangename meisjes hunne halfzusters zouden worden.Het huwelijk was prachtig: de klokken werden geluid, de trompetten werden geblazen, en iedereen vierde feest en danste. Wijn vloeide uit de fonteinen, en op de markten werden feestmalen aangericht, zoodat alle arme menschen, zoowel als de rijken, ruim onthaald werden. De nieuwe Koningin beijverde zich zeer haar nieuwe onderdanen te behagen, en maakte het leven zoo vroolijk, dat in denbeginne iedereen haar prees; en de Koning liet met blijdschap de regeering aan haar over, als hij dan maar rustig bij zijn boeken en flesschen mocht zitten.Nu waren die meisjes trotscher dan ooit, en pronkten zij als pauwen in haar fraaie nieuwe kleêren. Maar de Prinsjes wilden hun rouwgewaad niet afleggen, hoewel zij wel gouden gordels omdeden, en gele bloemen op hun hoedjes zetten, ter eere van de Koningin. Zij deden hun best te deelen in de algemeene pret; maar bemerkten, spoedig, dat zij door iedereen verwaarloosd werden; want de menschen zagen weldra wie de meeste macht kreeg aan het Hof, en liefkoosden en vleiden nu de jonge Prinsesjes, ten einde hare moeder te winnen.Zij toonde hoe zij van zins was te regeeren, toen zij voor de eerste maal den troon besteeg; de Koning was er toen niet bij, en zij zat alleen in haar goudlakensche japon, schitterend om te aanschouwen. Zij zette hare dochters elk aan een kant, op de groen satijnen stoelen, die klaar gezet waren voor de Prinsen, en beval den armen jongens samen op haar voetbank te komen zitten.Sommige lieden waren daarover heel boos, en vertelden het aan den Koning; maar deze zeide enkel: „Valt mij nu niet lastig. Hare Majesteit moge het doen, zooals zij het best vindt; en mijne zonen moeten haar gehoorzamen, alsof ze hare eigen kinderen waren.”Er was dus niets tegen te doen; en de zachtzinnige knapen zaten aan de voeten der Koningin, terwijl de ijdele meisjeszaten te ritselen met hare zijden kleedjes, te lachen en te draaien met hare hoofden, op de hooge zetels, waar zij niet behoorden.Dit was het begin van treurige tijden voor de Prinsen; want de nieuwe moeder wilde hen uit den weg ruimen, om zelve te kunnen regeeren, wanneer de Koning stierf. Zij durfde hen niet terstond weg te zenden, maar zij gebood hun, rustig met hunne onderwijzers in een afgelegen gedeelte van het paleis te wonen, en zich nooit te vertoonen bij de feesten, de jachtpartijen, of een der grootheidsvertooningen, waarop zij het volk vergastte. Daar hun vader hier niet tegen opkwam, gehoorzaamden de knapen, en vermaakten zich door den bloemtuin te verzorgen, met den ouden Adam, den tuinman, die hun allerlei wetenswaardige, aardige, nuttige dingen leerde omtrent de boomen en planten.Ook leerden zij spelen en zingen; en zaten dikwijls op zomeravonden met hun kleine instrumenten liefelijker muziek te maken, dan de nachtegalen in de rozenstruiken, of de hofconcerten, waar de slechte Koningin en de trotsche Prinsessen in al haar luister zaten.De knapen leerden ijverig en werden wijs onder de leiding hunner onderwijzers, die veel van hen hielden; maar, naarmate zij ouder werden, begonnen zij te verlangen naar meer vrijheid en genoegen, wanneer de jachthoorns werden geblazen en al de groote lui wegreden, om herten te gaan jagen, of hun valken te laten vliegen. Zij smeektende Koningin hen bij hun vader toe te laten; maar toen zij zag wat flinke mooie knapen zij werden, was zij meer dan ooit begeerig hen van de baan te schuiven, en des nachts, zond zij soldaten uit, om hen naar den toren te brengen, waar zij in een hoog kamertje werden opgesloten, met niets dan brood en water om van te leven,—geen boeken, geen vrienden, geen vrijheid; want niemand wist waar zij waren, daar de Koningin aan den vader wijs had gemaakt, dat zij weggeloopen waren, en nadat hij eenige lieden uitgezonden had, om naar hen te zoeken, bekommerde hij zich verder niet over het geval.Zoo leefden zij een jaar lang geheel alleen in den toren; maar zij waren toch niet heel ongelukkig, want de zonneschijn lachte hun toe, vogels bouwden hun nestjes in den klimop, die de grijze muren bedekte, en de wind, loeiend of suizend rondom hun hoog verblijf, zong hen in slaap.Zij hadden elkaar lief en vroolijkten elkander op, en hielden goeden moed, totdat er eens op een dag geen brood en water werd gebracht door het kleine luikje in de deur hunner gevangenis. Drie dagen lang kwam er geen voedsel, en toen begrepen zij, dat de slechte Koningin van zins was hen van honger te laten omkomen. De menschen dachten toch, dat zij weg waren, en allen, behalve enkele getrouwen, vergaten de Prinsjes en gehoorzaamden de Koningin, die als een tiran over hen heerschte, terwijl hare dochters bij den dag trotscher en zelfzuchtiger werden, en de oudeKoning het grootste gedeelte van den tijd sliep, en om niets gaf, dan om zijn eigen gemak.„Broeder, nu moeten we ontvluchten; want blijkbaar komt ons niemand te hulp, dus zullen wij ons zelven helpen,” zeide Paars dapper, vast besloten niet denhongerdoodte sterven ter wille van een stiefmoeder.„Dat willen we,” riep Krip; „maar hoe kunnen wij uit dezen hoogen toren komen zonder ladder?”„Wij zullen er een maken. Dikwijls heb ik reeds over dit plan nagedacht; maar ik meende, dat het onze plicht was te gehoorzamen. Nu zijn we verplicht voor ons zelven te zorgen, en zullen we trachten zoo mogelijk onzen vader te bereiken. Van het stroo onzer bedden, de wollen dekens, de lakens, en zooveel van onze kleeren als we missen kunnen, zullen we touwen vlechten.„Toch zal dat alles nog niet lang genoeg zijn, om den grond te bereiken; maar daarmeê kunnen we wel laag genoeg komen, om de dikke, sterke takken onder aan den klimop te halen, en daarlangs kunnen wij veilig verder naar beneden klimmen. Wij zullen het ’s nachts doen en dan den goeden, ouden Adam gaan opzoeken. Hij zal ons wel eten geven en helpen, en raad geven wat ons verder te doen staat.”„Een prachtig plan! We moeten gauw aan het werk gaan, vóór onze krachten ons geheel begeven, anders is het te laat,” antwoordde Krip, die reeds heel bleek en slap was van honger.Hun vingers repten zich om het hardst, en weldra hadden ze reeds een lang eind koord gedraaid en gevlochten; terwijl de arme jongens klimopbladeren kauwden en regen dronken om in het leven te blijven. Ten laatste hadden zij genoeg, om een heel eind naar beneden te komen; en toen de avond gevallen was liet Paars eerst zijn broeder afdalen,—want die was een uur jonger en geringer van gewicht, en hij wilde gaarne zeker zijn, dat die eerst veilig beneden was, alvorens hij zelf ontsnapte.Krip klom dus naar beneden, terwijl de andere jongen uit het dakvenster leunde, en de zwakke ladder, daar vastgebonden, nog met zijne handen bevestigd hield, zijn adem inhoudende van angst, tot de donkere gestalte uit het gezicht verdwenen was, en een zacht fluiten hem de blijde boodschap bracht, dat de lieve jongen veilig beneden aangeland was.Daarop volgde hij zelf, en Krip ving hem op in zijne armen, toen ook hij den voet van den toren bereikte langs den klimop; terwijl zelfs de vogels stil in hunne nesten bleven zitten, en geen der dikke klimoptakken brak onder den druk hunner handen of voeten,—want vogels en planten hadden hen lief, en waren hun trouwe vrienden, zooals wij verder ook zien zullen.In de duisternis wisten de Prinsen toch den weg naar Adam’s huis te vinden in den grooten tuin, en zij werden aldaar hartelijk verwelkomd, want de oude man had hen reeds als dood betreurd. Toen hij hun geschiedenis hoordezeide hij, dat het hun toch niet gelukken zou tot hun vader door te dringen, maar dat zij hun leven in de waagschaal stelden, wanneer ze dat beproefden; want de Koningin was heel wreed en machtig, en zou hen niet in het leven laten, wanneer zij kans zag het te beletten.„Gij doet het verstandigste heen te gaan, totdat gij volwassen zijt; en komt dan als mannen terug, om het Koninkrijk in bezit te nemen, dat u toebehoort.”„Maar hoe moeten wij aan den kost komen? Wat kunnen wij doen, daar wij geen geld hebben, en geen vrienden om ons te helpen?” vroegen de jongens, toen zij na een goed maal zaten uit te rusten.„Hier heb ik nog uw oude luiten,” zei de goede Adam; „die heb ik zorgvuldig voor u bewaard, en nu kunt gij de wereld doorgaan zingende en spelende, en zoo den kost verdienen. Ik zal u tooverzaadjes geven, die mijn vader mij nagelaten heeft, en die, volgens zijn zeggen, niet zullen groeien, tenzij geplant door koninklijke handen, en die alsdan den gelukkigen eigenaar, voor wien zij bloeien, voorspoed zullen aanbrengen. Tuinieren hebt gij van mij geleerd; als gij dus veilig het land uit zijt, moet gij op een eenzaam plekje uw zaad zaaien, en zien of die voorspelling uitkomt. Verder heb ik niets om u te geven, dan brood en wijn en mijn beste wenschen, mijn dierbare verongelijkte Prinsen! God zij met u, en doe u in goeden welstand tot ons terugkeeren, om lang en gelukkig over ons te regeeren.”De broeders bedankten hem recht hartelijk, en zoodra, de morgen aanbrak, slopen zij de stad uit, met hunne luiten aan een koord op hun rug hangend, en taschjes met voedsel onder den arm, en beiden gehuld in bruine manteltjes, gemaakt van een ouden wijden koetsiersmantel van Adam.Vrijheid en frissche lucht gaven hun weldra hun oude kracht en goeden moed terug, en toen zij op veiligen afstand van huis waren, begonnen zij in de dorpen, waar zij doortrokken, te zingen en te spelen. Met hun verlepte kleêren, lieve gezichten en vriendelijke manieren, waren zij een bekoorlijk stelletje jeugdige straatzangers, en een ieder luisterde met genot naar hun liefelijke muziek. Rijke menschen wierpen zilverstukjes in de mutsjes, die zij ophielden, als de liedjes uit waren, en armere lieden, die geen geld konden geven, gaven hun met vreugde nachtverblijf en voedsel.Op die wijze kwamen zij genoegelijk den winter door; want sneeuw was er niet in dat land; en de knapen werden sterk en dapper, door die voetreizen over bergen en door dalen, zonder andere vijanden om te vreezen, dan wind en regen; en op vele plaatsen goede vrienden achterlatende.Zij vonden dat vrije leven prettig, al was het niet gemakkelijk; maar nooit verloren zij uit het oog, dat zij Prinsen waren, zelfs toen hun paarse pakjes tot rafels versleten waren en de bruine mantels niet veel beter. Niets laags, zelfzuchtigs, wreeds of onrechtvaardigs verstoordeooit den vrede hunner eerlijke harten en goede gewetens; en vele edelmoedige daden, zachte woorden en goede gedachten maakten deze bedeljongens ten laatste tot koningen over zich zelf, en zeer rijk door de zegenbeden van al degenen, die zij zoo vriendelijk hadden geholpen en vertroost.Toen de lente kwam waren zij heel ver van huis, en gevoelden zij, dat het nu tijd was de tooverzaden te gaan beproeven. Zij kozen dus een zonnig plekje uit op een afgelegen heide, waar de grond vruchtbaar was, en een beekje in de nabijheid vloeide, en waar niemand woonde, die het hun kon beletten, en dáár plantten zij hunne zaadjes, en verpleegden die zorgvuldig.Terwijl zij wachtten op de bloemen, bouwden zij van groene takken een hutje, en leefden van wilde bessen, van konijnen, die zij in strikken vingen, visschen die zij bemachtigden, en roggebrood, dat zij kochten van een oude vrouw, die daar kwam om kruiden te zoeken. Zij hadden nog wat opgespaard geld, en als dat op was, zoude een van hen een paar dagen op reis gaan en door muziek hun knapzak weêr vullen, terwijl de ander de wacht bleef houden bij het bedje teedere plantjes, die welig en sterk opgroeiden.Zij waren nieuwsgierig wat voor bloemen het zijn zouden, en vreesden soms, dat ze nooit bloeien zouden, daar het zoo lang duurde, eer er knopjes aan kwamen.„Als er geen bloemen aan komen, zijn wij zeker geen goede tuiniers, al zijn we welkoninklijk,” zeide Paars eens, terwijl hij zijn plantjes water gaf.„Dan zullen wij verder de wereld rondreizen, met ons gezang en onze luiten, broeder. Tegen dien tijd zullen wij wel tot mannen opgegroeid zijn, zoodat wij strijden kunnen, om ons koninkrijk terug te krijgen,” antwoordde Krip, en wiedde ijverig het onkruid uit van tusschen de lage planten, die een groote oppervlakte bedekten, en aan wier menigvuldige takken een menigte groote, stijf toegevouwen knoppen zaten.„Onze oude buurvrouw, de kruidenzoekster, is heel nieuwsgierig omtrent ons tuintje en zou gaarne willen weten, wat wij hier verbouwen. Ik heb haar gezegd, dat wij het zelven niet weten, maar als de bloemen komen, dat zij ze dan mag zien; want zij heeft er veel verstand van, en het zou kunnen zijn, dat dit een nieuw kruid voor haar was, om de zieken meê te genezen. Dat zou een heerlijk loon voor onze moeite zijn, al maakten wij er dan ook nooit fortuin meê.”„Dat zou het! Ik zou nog liever menschen gelukkig maken, dan een Koning te zijn; gij ook zeker, broeder!”Terwijl de broeders spraken vervulde een liefelijke geur de lucht, en begonnen al de blaadjes zacht te ruischen, als werden ze door een zuidewindje bewogen. Toen werd alles weêr stil en begonnen de leeuweriken hoog boven hunne hoofden te zingen, als vertelden ze een blijde tijding aan de schoone blauwe wereld ver boven de wolken.Den volgenden morgen, toen de Prinsen naar hun tuintje gingen, zie! toen was alles in bloei, en zag het er uit alseen prachtig tapijt van goud, purper en paars en wit en groen, geschikt voor eens koningspaleis. De bloemen waren violen, maar zoo mooi, als er nooit te voren gezien waren, want deze waren zeer groot en zagen er uit als echte gezichten, half droevig, half vroolijk van uitdrukking, naarmate de gele en de donkere blaadjes ze omlijstten. Zij zagen er allerliefst uit, geurden heerlijk, en toen ze door den wind op en neêr bewogen werden, schenen zij elkaar iets zoo gewichtigs toe te fluisteren, dat de jongens heel gaarne die mooie vertelling zouden verstaan hebben.„Wat kunnen wij met die violen doen en hoe kunnen zij ons geluk aanbrengen?” zeide de oudste broeder, terwijl hij met een ernstig gezicht naar de lieve bloemen aan zijn voeten stond te kijken.„Wel, eerst ervan genieten, en er dan kleine ruikertjes van verkoopen, om geld te verdienen; want zulke mooie ziet men maar zelden; de menschen zullen ze gaarne koopen,” antwoordde de jongere broeder, en begon terstond er eenige te plukken.„Daar hebt gij gelijk in, en dan kunnen wij ook zaad verzamelen, en net zoolang violen kweeken en verkoopen, tot wij rijk zijn. Het zal lang duren; maar geduld hebben wij in den toren geleerd, en wij zullen wachten, en zien wat voor geluk de violen ons aanbrengen,” zeide Prins Paars, en knielde neêr bij een groepje van de lieve bloemen, die hem toeknikten, als verheugden ze zich, door zulke vriendelijke handen geplukt te worden.„Ei, ei! Wat zie ik! Voorzeker, mijn jongens, zijt gij toovertuiniers, dat gij aan dezen wilden heîgrond zulke prachtige bloemen weet te ontlokken,” zeide een beverige stem achter hen, toen de oude kruidenzoekster kwam aanstrompelen, met een boezelaar vol paddestoelen en een mandje vol geurige wortels en bladeren.„Het zijn slechts violen, om naar de markt te brengen, Moedertje,” antwoordde Krip, en zag haar glimlachend aan.„Zie eens, hoe mooi ze zijn! Gij krijgt de eerste, daar gij zoo vriendelijk voor ons zijt,” voegde Paars er bij, en bood haar een ruikertje aan, even hoffelijk als knielde hij voor een Koningin, in plaats van voor een oud vrouwtje, zoo bruin en gerimpeld als een verdord blad.„Goede jongens! Ik zal nog vriendelijker voor u zijn en de geschiedenis voor u lezen, die deze fraaie bloemen wenschen te vertellen,” zeide zij, terwijl haar oogen glinsterden, en zij de violen in hare magere handen ronddraaide.„Ik kan alle planten lezen en leer daardoor vele vreemde zaken. Zie maar, of ge dit droevig verhaal begrijpt, want dit staat geschreven op deze bloemen, en het moet waar zijn, want zij kunnen niet liegen.”De Prinsen kwamen dichter bij haar staan en keken nieuwsgierig toe, hoe een bevende vinger de verschillende deelen van de bloem achtereenvolgens aanwees, terwijl de oude vrouw sprak, en hen daarbij nu en dan aankeek met beteekenisvollen blik, daar hun gezichten ook veel zeiden.„Er zijn vijf bladen. Dit groote gouden zit alleen op eendubbelen groenen zetel. Deze twee kleinere gele blaadjes, met een klein randje paars, zitten aan beide zijden; maar deze twee paarse bladen hebben slechts één groenen zetel, hoewel zij mooier zijn dan een der anderen. En kijk nu hier in het midden, dat kleine mannetje in het groen, met een rood kapje op, op het warmste, veiligste plekje, met een zakje zaden, die mettertijd rijp zullen worden, als hij de zon toegang tot zijn hart wil geven. Komt nu, mijn zonen, ziet gij hierin eenige beteekenis?” vroeg de oude ziel met een scherpen blik op de knapen, die bloosden en glimlachten en zuchtten, maar niet spreken konden, want hun eigen droevige geschiedenis stond in de tooverbloem naar waarheid beschreven.De kruidenvrouw knikte veelbeteekenend, maar zeide enkel op vriendelijken toon, terwijl zij het ruikertje op hare borst stak: „Heart’s-ease1wil niet voor iedereen groeien; maar de heele wereld heeft er behoefte aan en zal die goed betalen; verkoopt dus uw violen, mijn jongens, en verdient er een fortuin meê. Ik zal ook op de markt zijn, als gij er komt, en een goed woord voor u doen, hoewel gij eigenlijk niemands voorspraak noodig hebt, met uw vriendelijke gezichten en zachte manieren.”Toen ging zij heen, en de verbaasde Prinsen haastten zich al de bloeiende takjes af te plukken, en er met geurig gras ruikertjes van te maken, en die in mandjes te leggen,die zij zelven reeds vroeger van groene biezen gevlochten hadden. Het zag er lief uit; want de violengezichtjes schenen iedereen toe te lachen, en de zachte geur riep duidelijk: „Komt, koopt ons!” en de dauw schitterde op de blaadjes, als diamanten op de gouden en purperen kleederen eener Koningin.Toen de Prinsen in de naastbijgelegen stad kwamen, gingen zij op de markt staan en prezen hunne waar aan, evenals andere lieden hunne vruchten en groenten; maar hun voorkomen was zoo edel, hun stem klonk zoo helder, hun bloemen waren zoo groot en prachtig, dat, ondanks hun armoedige kleeding en nederig werk, iedereen, die hen zagen hoorde, terstond gevoelde dat die knapen iets bizonders moesten zijn, met hun geroep van: „Violen! hier zijn versch geplukte violen te krijgen! Wie koopt ze? Wie koopt onze violen?”Elkeen, die langs de markt kwam, was bekoord door die groote „pensées”, zooals de Franschen deze bloem noemen, want iets dergelijks had men in dat land nog nooit gezien. De mandjes waren dus weldra leêgverkocht, en zelfs een paar goudstukjes schitterden tusschen de koperen en zilveren muntstukjes, die zij in hun zakken lieten glijden, daar rijken zoowel als armen zich haastten deze edele waar te koopen. Zeer tevreden over hun dagwerk, gingen de jongens vroolijk naar huis, om de bloembedjes te begieten, en zich te verheugen over de knopjes, die zich weêr in grooten getale vertoonden.Daarna verkochten zij gedurende den geheelen zomer bloemen; want de tooverviolen bloeiden voort totdat de vorst kwam, en een ieder die ze kocht ontdekte, dat zij wezenlijk hun Engelschen naam eer aandeden, en gelukkige gedachten en troost aanbrachten, en arm en rijk werden daardoor des te begeeriger ze te koopen. Dokters zonden om die bloemen voor hunne zieken; bedroefden bestelden ze, om er door opgevroolijkt te worden; jazelfsslechte menschen hielden van die bloemen, omdat de aardige gezichtjes, half ernstig, half vroolijk, hun nooit een verwijt deden, maar zoo prettig tegen hen glimlachten, dat daardoor betere gevoelens in hun slechte harten opgewekt werden.Heinde en verre werd de mare omtrent deze nieuwe plant, zooals men ze noemde, verspreid; vorsten en vorstinnen smeekten om het zaad te mogen hebben, daar Heart’sease (gemoedsrust) juist hun dikwijls ontbrak. Verscheidene plantjes bereikten zelfs den luien Koning, terwijl hij in zijn weelderig vertrek zijn wijn zat te drinken, zat te lezen en te slapen; en het zien dier bloemen maakte hem wakker, want de naam zijner overleden vrouw was Viola geweest, en hij begon nieuwsgierig te worden, waar zijne zonen wel zijn mochten, en naar hen te vragen.De Koningin had ook het wonderkruid noodig; want zij werd zeer verontrust door de wanorde in haar rijk. Hare onderdanen hielden niet van haar, en het begon hen te vervelen, hooge belastingen te betalen, om hare pracht te bekostigen. Zij begonnen oproerig te worden, vooral dearmen, voor wie zij volstrekt niet zorgde, maar die zij honger en ontbering liet lijden, terwijl zij voor vermaak en genot leefde.Zelfs de rijken en hooggeplaatsten werden ontevreden, en wenschten nog rijker en hooger geplaatst te zijn, en twistten onder elkander en maakten duidelijke toespelingen, dat zij de Prinsen vermoord of verbannen had, die nu eigenlijk behoorden te regeeren, en het zeker beter zouden doen dan zij.Sleutelbloem en Narcis hadden de tooverbloemen laten komen, daar zij alles, waarvan zij hoorden dat het nieuw en mooi was, wilden hebben, hoeveel het ook mocht kosten. Toen de lieve plantjes kwamen, in prachtige porceleinen bloempotjes, waren de jeugdige Prinsessen er zóó meê ingenomen, dat zij niemand anders in hare nabijhêid vergunden ze te hebben.„Dit zijn onze kleuren, en deze bloemen moeten het kenteeken onzer koninklijke waardigheid zijn, en op straffe des doods mag niemand anders ze dragen,” zeiden zij; en zij lieten voor zichzelven prachtige nieuwe costumes maken van goud met paars fluweel, overal bezet met violen, en gaven ook aan hare lakeien livrei van die kleuren; op hare rijtuigen, meubelen en alles werd dit sierlijke nieuwe wapen, waarop zij heel trotsch waren, aangebracht.Maar zij werden, evenals hare moeder, weldra gewaar, dat die naam meer beteekende, dan alleen een fraaie bloem. „Pensée” is het Fransch voor „viool” en „gedachte”, en in hare zorgelooze zielen kwamen gedachten oprijzenover al het kwaad, dat zij gedaan hadden, alsof de geur van het nieuwerwetsche viooltje haar verwijten deed, terwijl de vriendelijke gezichtjes haar herinnerden aan de droevige gelaatstrekken van de verbannen zonen, wier plaatsen zij wederrechtelijk hadden ingenomen.Allen waren dus verontrust, en de toovermacht der bloemen begon in huis zoowel als daarbuiten te werken, en zoo behulpzaam te zijn om de zaken voor te bereiden, tegen dat de reizigers zouden terugkomen.Intusschen reisden de Prinsen de wereld rond, leerden zij veel en werden zij wijs en braaf, zoowel als groot en dapper, en zeer schoon en mannelijk van gestalte. Des Winters zongen en speelden zij, en werd geen Kerstfeest vroolijk geacht zonder medewerking van de luitspelers, geen boerenbruiloft zonder hunne medewerking gevierd, en moesten zij ook dikwijls in paleizen voor adellijke heeren en dames muziek maken, om bij te dansen, en werden dan zeer ruim beloond. Maar wat zij het liefste deden, was in gevangenissen, ziekenhuizen, of arme buurten zingen, waar ze niet enkel vermaak en troost brachten, maar ook dikwijls geld, waarna ze dan stil wegslopen, zonder te wachten op een bedankje, gelukkig in staat te zijn, de droeven en zieken en lijdenden te helpen.In den zomer rustten zij uit, op een of ander mooi plekje, en plantten er tooverzaad, dat op elken grond groeien wilde, en overal evenzeer bewonderd werd.Zoo vervolgden zij hun weg, bezig en gelukkig, overaleen spoor van muziek en bloemen achterlatende, en de wereld verhelderend en verbeterend, door schoone geluiden en blijde gedachten, totdat zij den naam kregen van de „Gezegende Knapen”, en men in het Oosten en het Westen, het Noorden en het Zuiden hen opwachtte, verwelkomde en liefhad.Vele zomers en winters verstreken en zij waren volwassen jongelingen, toen zij op hunne reis rondom de wereld weêr in huns vaders koningrijk aanlandden. Maar hoewel thans oud en wijs genoeg om te regeeren, en verzekerd, dat zij door het ontevreden volk met blijdschap zouden begroet worden, gevoelden zij, dat ze niet langer toornig of bitter waren tegen degenen, die hen verongelijkt hadden. De tijd had hun geleerd te vergeven en te vergeten; hun gelukkig, vreedzaam leven had hen een afkeer ingeboezemd van strijd en oorlog; en zij hadden zelven de vrijheid zoo lief, dat ze het hart niet hadden anderen tot gehoorzaamheid te dwingen.„Wij heerschen over een grooter, heerlijker rijk, dan dat van onzen vader; onze onderdanen hebben ons innig lief, en wij zijn aan geen troon gebonden, maar zoo vrij als de wind; laat ons daarmede tevreden zijn, en niet meer verlangen,” zeide Prins Paars tot zijn broeder, terwijl zij, zittende op een heuvel, buiten de poort, neêrzagen op de oude bekende stad.„Ik zou geen lust hebben, in een paleis opgesloten te zitten, en verplicht te zijn mij aan allerlei regelen te onderwerpen. Maar als hetgeen wij gehoord hebben waar is, dan is er hier overvloed van werk te doen voor de armen, enwij hebben zooveel overgespaard, dat wij althans beginnen kunnen met hen die het meest lijden te helpen. Niemand behoeft vooralsnog te weten wie wij zijn; en wij kunnen stil voortwerken, terwijl wij wachten, totdat onze vader onzer gedenkt, en ons terugroept,”antwoorddeKrip, die even fijn en teêr, maar ook even zacht was, als de stof waarnaar hij genoemd was, en die hij gaarne op zijn kleêren droeg.Zij vermomden zich dus als jeugdige Barmhartige Broeders, met zwarte kappen en lange tabberden, en gingen de stad in, om een woning te zoeken.De oude Adam leefde nog, maar was thans heel arm; want de Koningin had hem weggezonden, nadat de Prinsen ontvlucht waren, en de Koning had hem volkomen vergeten. De knapen spoorden hem op, en vertelden hem wie zij waren, en kwamen bij hem wonen, hetgeen den ouden man zeer verheugde en waarop hij trotsch was, en dat niet weinig tot zijn geluk en welvaart toebracht.Den geheelen dag lang gingen de Broeders rond onder de armen, en hielpen hen op verscheidene wijzen. Bloemen ontloken waar zij den voet gezet hadden, alsof de tooverzaadjes onzichtbaar uit hunne zakken vielen; en weldra lieten zij door de geheele stad een spoor achter zich van gelukkige gezichten, en potjes violen voor de vensters in nederige hutjes, waar vroeger nooit bloemen groeien wilden.Niemand kende hen bij een anderen naam dan dien van „de Broeders,” en menige zieke en treurende ziel zegende hen, om al het goede, dat zij zoo in alle stilte deden.Weldra bereikte het gerucht van deze verwonderlijke jonge mannen het paleis, waar de oude Koning thans ziek lag en de Koningin in doodsangst verkeerde; want het volk haatte haar, en elk oogenblik kon er een oproer losbarsten. Zij zond om de Broeders, en zij kwamen oogenblikkelijk, in de hoop eenig goed te kunnen doen.Niemand herkende de aardige Prinsjes in die twee volwassen monniken, half verscholen in hunne kappen en tabberden; maar het scheen wel, als waren troost en moed met hen binnengekomen, want de zieke Koning gevoelde zich sterker, als zij aan zijne legerstede baden of zongen, en de beangste Koningin vatte nieuwen moed, beleed voor hen hare zonden en smeekte hen haar te zeggen wat zij doen moest, daar zij had leeren inzien, dat zelfzucht, pracht en weelde noch geluk, noch liefde en eerbied aanbrachten.„Indien ge oprecht berouw hebt, tracht dan het kwaad, dat gij gedaan hebt, weêr goed te maken,” antwoordde een der Broeders stoutmoedig.„Maar de Prinsen zijn weg of dood, en mijn volk haat mij,” zuchtte de arme Koningin.„God heeft beter gezorgd voor de moederlooze knapen, dan gij deedt, en zij zullen terugkomen, wanneer de rechte tijd daartoe aangebroken is. Zorg gij maar, dat ge met uw volk medelijden hebt, en hen helpt. Maak, dat ze u leeren liefhebben en vertrouwen; dan zult gij veilig zijn en gelukkig, en uw rijk zal bloeien,” zeide de andere Broeder met zijn zachte stem.„Dat wil ik, dat zal ik!” riep de Koningin, terwijl tranen van berouw op haar goudlakenschen mantel vielen, die door die zilte droppelen niet dof werd, maar des te helderder schitterde.Toen raadpleegde zij de Broeders; en terwijl Krip den ouden vader verpleegde en opvroolijkte, hielp Paars zijne stiefmoeder het vertrouwen van haar volk te winnen, door met ruime hand brood en geld uit te deelen, betere huizen voor hen te doen bouwen, betere wetten te maken, en met meer rechtvaardigheid en barmhartigheid te regeeren, totdat de vrede terugkeerde en het gevaar voor oproer geweken was;—want vriendelijkheid verovert de harten.De Prinsessen wilden eerst van al die veranderingen niets weten, en waren boos op die nieuwaangekomenen, omdat zij zelfverloochening, nederigheid en eenvoud predikten; maar de monniken wisten haar deze zoo smakelijk en aanlokkelijk te maken, door hun overredende woorden en door hun eigen heerlijk voorbeeld, dat weldra deze Koningsdochters evenzeer als al hare hofdames begonnen in te zien, hoe zelfzuchtig en ijdel haar bestaan was geweest, en verlangden naar verbetering.Het kostte veel tijd, haar aan het verstand te brengen, hoe noodig het was, al die gewoonten van dwaze weelde af te schaffen, haar fraaie kleêren vrijwillig prijs te geven, en smaak te krijgen voor goede boeken, degelijk gezelschap, wezenlijke weldadigheid, en al de lieve eenvoudige genoegens, plichten en lessen, die het leven gelukkig makenen den dood rustig doen afwachten, als die komt tot koningen, zoowel als tot bedelaars.Deze schoone taak vorderde veel tijd en geduld. De oude vader scheen als uit den slaap te ontwaken, en verwonderde zich zelf er over, dat hij zooveel tijd met droomen verkwist had. Thans was het te laat voor hem om nog te regeeren; hij had er nu niet genoeg kracht meer toe, en tevergeefs reikhalsde hij thans naar zijn flinke jongens.De Koningin zat alleen op den troon, thans niet meer een voorwerp van haat, maar vergeven en bemind, en zij had gelukkig kunnen zijn, indien niet de gedachte aan de verloren Prinsjes haar nacht en dag, als een spooksel, vervolgd had, totdat zij ten laatste zoozeer van berouw en verdriet vervuld was, dat zij besloot, tot boetedoening voor hare zonden, in een klooster te gaan. Maar wie zou er dan in hare plaats regeeren? De Koning was te oud en te zwak, de Prinsessen waren te jong, en de rechtmatige erfgenamen waren weg of dood.„Nu is de rechte tijd aangebroken,” zeide Paars. „Nu heeft men ons noodig, en moeten wij ons koningrijk in bezit nemen, vóór een vreemde indringer het soms overweldigt.”„Broeder, ik ben bereid, en wij zijn beide des te meer geschikt om te regeeren als Prinsen, doordat wij geleerd hebben, als armen te arbeiden, te wachten en ons gelukkig te gevoelen,” antwoordde Krip.Er werd eene groote raadsvergadering belegd, van al de wijzen en grooten en braven in den lande, om een nieuwenKoning te verkiezen, want de Koningin wenschte afstand te doen van den troon, dewijl zij genoeg had van hare grootheid. Toen allen bijeenvergaderd waren, en de fraai gekleede dames van uit de gaanderij zaten neêr te kijken op die ridders in volle wapenrusting, die grijsharige Ministers en die flinke burgers, verheugde iedereen zich, de geliefde Broeders te zien binnenkomen, en nederig aan het lager eind van de raadstafel plaats nemen. Waar zij ook kwamen, waren zij altijd welkom; want hoewel nog zóó jong, schenen zij toch de harten der menschen beter te begrijpen, dan de oude lieden, die hun leven lang boekenwijsheid opgedaan hadden. Na veel redeneeringen, zeide de Koningin, terwijl zij van den grooten gouden zetel afdaalde:„Laat ons aan onze goede vrienden, die ons zoo trouw geholpen hebben, en ons aangetoond, wat er op een troon noodig is, verzoeken onze leêge plaats te bezetten. Waarde Broeders, komt nader en zegt ons, wie thans den troon beklimmen moet, want ik ben het niet waardig.”Zonder een woord te spreken kwamen de twee jeugdige monniken naar den verheven zetel toe, gingen elk aan een zijde der Koningin staan, en lieten hunne vermomming afzakken van hunne schouders. En dáár stonden ze toen, in Paars fluweelen kleedij, met de goudblonde lokken en schoone gelaatstrekken van de Koningszonen, wel ouder en ernstiger geworden, maar toch dezelfde van vroeger,—dáár waren de verloren Prinsen, die ten laatste tot de hunnen terugkeerden.Alle omstanders waren zoo verbaasd, dat in het eerste oogenblik niemand sprak of zich bewoog; allen stonden op van hunne plaatsen en keken zwijgend toe, terwijl Paars, met een glimlach en een gebaar, die hunne harten stalen, zeide:„Wij zijn bereid onze rechtmatige plaatsen in te nemen, indien gij ons noodig hebt, en wij zullen met blijdschap het verledene vergeten, vergeven wie ons verongelijkt hebben, en trachten voor allen de toekomst gelukkig te maken. Wij zijn gevangenen geweest, bedelaars, tuiniers, liedjeszangers en monniken, op onze lange tochten. Thans zijn wij weêr Prinsen, des te beter geschikt om te regeeren, door de harde lessen, die wij geleerd hebben; terwijl tijd, armoede, moeite en ellende ons de waarde hebben leeren beseffen van geduld, rechtvaardigheid, moed en barmhartigheid.”Toen hij uitgesproken had, brak er een algemeene juichkreet los, om hen welkom te heeten, en de Koningin viel hun te voet, en smeekte om vergiffenis; terwijl Sleutelbloem en Narcis haar gelaat bedekten, daar ze zich herinnerden, wat wreede dingen zij gezegd en gedaan hadden. Er viel niet aan te twijfelen, of de Prinsen waren hartelijk welkom en zeer bemind in hun rijk; en weldra verspreidde zich de blijde tijding door de geheele stad. De klokken werden geluid, er werden vreugdevuren ontstoken, de menschen dansten en zongen, en er werd overal feest gevierd, in paleizen en hutten, ter eere van de „Gezegende Knapen.”De oude Koning werd van den schrik klaar wakker, en was zoo opgetogen, dat hij op stel en sprong zijn bed uit stapte, als door een tooverslag genezen van al zijne kwalen, behalve zijn ouderdom.De Koningin kon weêr glimlachen, en gevoelde nu, dat zij vergiffenis ontvangen had op haar bede; Sleutelbloem en Narcis werden even lief en aardig als de bloemen, waarnaar zij genoemd waren, en de Prinsen werden verliefd op hunne halfzusjes, op de goede, oude wijze van alle tooversprookjes.Thans was alles in orde, en het koningrijk zag er weldra uit, als een groote violentuin; want de geliefkoosde bloem bloeide overal, en armen en rijken hielden die evenzeer in eere.Het duurde niet lang, of er werden aan het Hof met groote pracht twee huwelijken voltrokken, en er werd een nieuwe troon gemaakt,—een dubbele; want daarop zaten de Tweeling-Koningen, met hunne jonge vrouwen naast zich. De oude Koning had eerst vrijwillig afstand gedaan van de regeering; en de Koningin was het heerschen zoozeer moede, dat zij zich met blijdschap thans geheel wijdde aan haar echtgenoot. Beiden genoten van het geluk hunner kinderen, die lang en voorbeeldig regeerden in Violenland; want dien naam gaven zij aan hun land, uit dankbaarheid jegens de bloem, die hun vrienden, rijkdom, wijsheid en gemoedsrust aangebracht had.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .„Dat is een mooie geschiedenis, en ik zal die goed onthouden,” zeide Marianne, toen de vertelster zich bukte, om zich te verfrisschen met een slokje water, na die lange vertelling.„Vergeet vooral niet, wat er uit te leeren valt, liefje,” zeide de bloem met haar lieve stem. „Leer u zelve te beheerschen; maak uw eigen klein rijk vreedzaam en gelukkig, en acht nooit iets te gering, om er wat van te leeren,—al ware het slechts een Viooltje.”Vaasje met viooltjes.1Heart’s-ease,viool, beteekent letterlijk vertaald:gemoedsrust.↑
DE GESCHIEDENIS VAN DE BLOEM.DE GESCHIEDENIS VAN DE BLOEM.Kleine Marianne was ziek geweest, en nog zoo zwak, dat zij nog alle dagen verscheidene uren op haar bed moest liggen rusten en slapen.Eens op een winternamiddag, toen buiten de sneeuw langzaam neêrdaalde, en het in de kamer heel stil was, daar de kindermeid in haar stoel zat te dommelen, de poes op het haardkleedje lag te spinnen, en er niets nieuws ofaardigs in de kamer was om naar te kijken, dan een bosje violen in een vaasje naast het bed, zeide Marianne bij zichzelf met een zucht:„Had ik maar iemand, om mij een vertelling te doen, dan zou ik nog kans zien, dezen langen dag zonder klagen door te komen. Maar Mama is uit, Daatje is moê, en al mijn boekjes ken ik al uit mijn hoofd; wat kan ik dus doen, daar ik te moê ben om met mijn poppen te spelen?”Niemand beantwoordde deze gewichtige vraag; en Marianne zuchtte weer, toen zij zich omkeerde om den anderen kant uit te kijken, hopende in die richting hulp of vermaak te vinden.De zonderlinge dames op den grooten Japanschen waaier boven den spiegel keken haar aan met haar smalle schuine oogjes, maar schenen het te druk te hebben met thee drinken uit rood en gele trekpotjes, om eenig belang te stellen in het bleeke meisje dáár in bed. De spelden zaten even wijsneuzig als altijd op het blauw satijnen kussen; maar noch die met den paarlemoeren vlieg er op, noch het gouden roosje, noch het grappige ochtendspeldje, met haar erin, en van achteren een portretje van een dik kindje,—van welke broche Daatje zooveel hield,—waren thans in staat haar tevermaken. De poppen lagen opgestapeld in de wieg, met hunne ongelukkige armen en beenen naar alle kanten uitstekend, droevig verwaarloosd door hun kleine mama; terwijl de geliefkoosde boeken op de plankjes in den laatsten tijd zoo dikwijls doorgelezen waren, dat zijthans niets nieuws of prettigs meer aan te bieden hadden.„O wee! Ik wou, dat de vogels op het behangsel, of de kinderen op de platen, die rondom aan de muren hangen, tot mij konden spreken, of voor mij zingen. Ik ben toch heusch zoo zoet en geduldig geweest, dat er dunkt mij wel iemand medelijdenmoethebben met het arme, zieke meisje en iets verzinnen om haar plezier te doen,” zeide Marianne, met een derden zucht, nog dieper dan de vorige.Deze zucht blies zooveel adem uit, dat een van de bloempjes erdoor uit het vaasje werd geblazen. Marianne nam het bloempje op en bekeek het, bereid voor elk speelmakkertje, al was het maar een eenvoudig viooltje.Dit was bizonder mooi geteekend, en had zoo’n lachend gezicht in zijn lichte en donkere blaadjes, dat het kind een gevoel had, alsof zij nu een vriendinnetje gevonden had, en de viool begon te kussen; want zij was niet alleen eenzaam, maar ook door zwakte aandoenlijk gestemd.Tot haar groote verrassing knikte de bloem tegen haar, en toen ze die nog dichter tegen haar gezicht aandrukte, zeide een lief, zacht stemmetje:„Nu kan ik spreken en vind het heel prettig u wat te komen opvroolijken, want wij hebben veel medelijden met u gehad, omdat wijzelvenons eenzaam en verlaten gevoelen, zoo ver van onze familie verwijderd.”„Wel, aardig bloempje, wat vind ik dat prettig, u te hooren praten en u te zien glimlachen tegen mij! Ik bid u, vertel mij alles omtrent u zelf. Ik houd dol veel vanbloemen, en was heel blij, toen een van mijn schoolmakkertjes mij dit mooie ruikertje violen zond,” zeide Marianne, zeer verheugd over deze verrassing.„Ik heb geen geschiedenis, want ik ben geboren in een oranjerie, en heb mijn heele leven in een bloempotje doorgebracht, met vele zusters, die zoodra zij bloeien weggedragen worden, en nooit weêrom komen. Slechts een paar uur heb ik in een winkel doorgebracht, en werd toen in een papier gespeld, en door een vreeselijken jongen hierheen gebracht, die ons aan de deur afgaf. Wij waren heel blijde, dat wij in dit mooie vaasje, met frisch water gevuld, werden neêrgezet, in deze rustige, warme kamer, met een vriendelijke meesteres, om naar ons te kijken. Maar als gij een geschiedenis van onze nabestaanden wilt hooren, zal ik u een oud verhaal doen, dat onze heele familie goed kent en waarvan zij ook veel houden.”„Doe dat, als ’t u blieft!” riep Marianne; en toen lag zij, met haar poesje slapend op haar arm, vol belangstelling te luisteren naar het verhaal van:DE PRINSEN EN DE VIOLEN.EEN TOOVERSPROOKJE.Er was eens een Koning, die twee jeugdige zoontjes had, genaamd Paars en Krip, omdat zij altijd in den rouw waren over hunne moeder, die bij hun geboorte gestorven was. De Koning wilde geen paars dragen, hoewel dezekleur meer gebruikelijk was dan zwart voor koninklijken rouw. Hij was een zeer zelfzuchtig man, die zich enkel om zijn eigen gemak en genoegen bekommerde; hij bewoonde dus zijn prachtige vertrekken, en vermaakte zich met zijn boeken, lui en tevreden, in zijn groen fluweelen kamerjapon, met het roode kapje op; hij sliep veel, las en dronk wijn, ten einde het verlies van zijn schoone Koningin te vergeten.Hij bekommerde zich niet om zijn twee zoontjes, en liet hen over, eerst aan de min en kindermeiden, daarna aan de meesters, toen zij van zuigelingetjes opgegroeid waren tot knappe jongens, zoo lief, verstandig en braaf, dat de menschen zeiden, dat de geest van hun overleden moeder hen zeker bewaakte, wat ook misschien het geval was.Zij waren altijd te zamen, altijd bezig, steeds zachtzinnig en vriendelijk, maar wel wat droevig, omdat hun vader hen niet liefhad; en al de liefde van de vele vrienden, die zij zich maakten, konden hun het gemis van vaderliefde en moederzorg niet vergoeden.De onderdanen van den Koning wilden hem bewegen weêr te gaan trouwen, opdat het Hof weêr opgevroolijkt mocht worden door feesten en bals en tooneelvertooningen, zooals voorheen; maar hij was te zelfzuchtig en te lui, om daarvan werk te maken, totdat eindelijk zekere schoone dame hem kwam opzoeken. Zij was een weduwe met twee dochtertjes, genaamd Sleutelbloem en Narcis, omdat zijaltijd gele jurkjes aanhadden. De moeder dezer meisjes heette Tijloos (Jonquille) en had goudlakensche japonnen aan. Zij was heel trotsch en wilde gaarne Koningin zijn; zij deed dus een paars fluweelen mantel om, en liet de meisjes paarse hoedjes dragen, om den schijn te hebben van, evenals de rest van het volk, over de Koningin te rouwen; maar het was haar te doen om den Koning te trouwen. Moeder en dochters waren zoo mooi, zoo bekoorlijk, dat iedereen haar bewonderde en welkom heette; en terwijl de Prinses schaak speelde met den Koning, en hem verzen voorlas, om Zijne Majesteit te vermaken, speelden de kinderen met elkander, en trachtten vriendschap te sluiten.Maar Sleutelbloem en Narcis waren ijdel, en zelfzuchtig en grillig; en de kleine Prinsjes bemerkten weldra, dat zij in alles haar eigen zin wilden hebben en doordrijven, en dat zij zich onhebbelijk driftig aanstelden, wanneer iemand het waagde haar te berispen. De knaapjes waren dus ongelukkiger dan ooit, toen men hun vertelde, dat hun vader met die Prinses zou gaan trouwen, en dat dus deze onaangename meisjes hunne halfzusters zouden worden.Het huwelijk was prachtig: de klokken werden geluid, de trompetten werden geblazen, en iedereen vierde feest en danste. Wijn vloeide uit de fonteinen, en op de markten werden feestmalen aangericht, zoodat alle arme menschen, zoowel als de rijken, ruim onthaald werden. De nieuwe Koningin beijverde zich zeer haar nieuwe onderdanen te behagen, en maakte het leven zoo vroolijk, dat in denbeginne iedereen haar prees; en de Koning liet met blijdschap de regeering aan haar over, als hij dan maar rustig bij zijn boeken en flesschen mocht zitten.Nu waren die meisjes trotscher dan ooit, en pronkten zij als pauwen in haar fraaie nieuwe kleêren. Maar de Prinsjes wilden hun rouwgewaad niet afleggen, hoewel zij wel gouden gordels omdeden, en gele bloemen op hun hoedjes zetten, ter eere van de Koningin. Zij deden hun best te deelen in de algemeene pret; maar bemerkten, spoedig, dat zij door iedereen verwaarloosd werden; want de menschen zagen weldra wie de meeste macht kreeg aan het Hof, en liefkoosden en vleiden nu de jonge Prinsesjes, ten einde hare moeder te winnen.Zij toonde hoe zij van zins was te regeeren, toen zij voor de eerste maal den troon besteeg; de Koning was er toen niet bij, en zij zat alleen in haar goudlakensche japon, schitterend om te aanschouwen. Zij zette hare dochters elk aan een kant, op de groen satijnen stoelen, die klaar gezet waren voor de Prinsen, en beval den armen jongens samen op haar voetbank te komen zitten.Sommige lieden waren daarover heel boos, en vertelden het aan den Koning; maar deze zeide enkel: „Valt mij nu niet lastig. Hare Majesteit moge het doen, zooals zij het best vindt; en mijne zonen moeten haar gehoorzamen, alsof ze hare eigen kinderen waren.”Er was dus niets tegen te doen; en de zachtzinnige knapen zaten aan de voeten der Koningin, terwijl de ijdele meisjeszaten te ritselen met hare zijden kleedjes, te lachen en te draaien met hare hoofden, op de hooge zetels, waar zij niet behoorden.Dit was het begin van treurige tijden voor de Prinsen; want de nieuwe moeder wilde hen uit den weg ruimen, om zelve te kunnen regeeren, wanneer de Koning stierf. Zij durfde hen niet terstond weg te zenden, maar zij gebood hun, rustig met hunne onderwijzers in een afgelegen gedeelte van het paleis te wonen, en zich nooit te vertoonen bij de feesten, de jachtpartijen, of een der grootheidsvertooningen, waarop zij het volk vergastte. Daar hun vader hier niet tegen opkwam, gehoorzaamden de knapen, en vermaakten zich door den bloemtuin te verzorgen, met den ouden Adam, den tuinman, die hun allerlei wetenswaardige, aardige, nuttige dingen leerde omtrent de boomen en planten.Ook leerden zij spelen en zingen; en zaten dikwijls op zomeravonden met hun kleine instrumenten liefelijker muziek te maken, dan de nachtegalen in de rozenstruiken, of de hofconcerten, waar de slechte Koningin en de trotsche Prinsessen in al haar luister zaten.De knapen leerden ijverig en werden wijs onder de leiding hunner onderwijzers, die veel van hen hielden; maar, naarmate zij ouder werden, begonnen zij te verlangen naar meer vrijheid en genoegen, wanneer de jachthoorns werden geblazen en al de groote lui wegreden, om herten te gaan jagen, of hun valken te laten vliegen. Zij smeektende Koningin hen bij hun vader toe te laten; maar toen zij zag wat flinke mooie knapen zij werden, was zij meer dan ooit begeerig hen van de baan te schuiven, en des nachts, zond zij soldaten uit, om hen naar den toren te brengen, waar zij in een hoog kamertje werden opgesloten, met niets dan brood en water om van te leven,—geen boeken, geen vrienden, geen vrijheid; want niemand wist waar zij waren, daar de Koningin aan den vader wijs had gemaakt, dat zij weggeloopen waren, en nadat hij eenige lieden uitgezonden had, om naar hen te zoeken, bekommerde hij zich verder niet over het geval.Zoo leefden zij een jaar lang geheel alleen in den toren; maar zij waren toch niet heel ongelukkig, want de zonneschijn lachte hun toe, vogels bouwden hun nestjes in den klimop, die de grijze muren bedekte, en de wind, loeiend of suizend rondom hun hoog verblijf, zong hen in slaap.Zij hadden elkaar lief en vroolijkten elkander op, en hielden goeden moed, totdat er eens op een dag geen brood en water werd gebracht door het kleine luikje in de deur hunner gevangenis. Drie dagen lang kwam er geen voedsel, en toen begrepen zij, dat de slechte Koningin van zins was hen van honger te laten omkomen. De menschen dachten toch, dat zij weg waren, en allen, behalve enkele getrouwen, vergaten de Prinsjes en gehoorzaamden de Koningin, die als een tiran over hen heerschte, terwijl hare dochters bij den dag trotscher en zelfzuchtiger werden, en de oudeKoning het grootste gedeelte van den tijd sliep, en om niets gaf, dan om zijn eigen gemak.„Broeder, nu moeten we ontvluchten; want blijkbaar komt ons niemand te hulp, dus zullen wij ons zelven helpen,” zeide Paars dapper, vast besloten niet denhongerdoodte sterven ter wille van een stiefmoeder.„Dat willen we,” riep Krip; „maar hoe kunnen wij uit dezen hoogen toren komen zonder ladder?”„Wij zullen er een maken. Dikwijls heb ik reeds over dit plan nagedacht; maar ik meende, dat het onze plicht was te gehoorzamen. Nu zijn we verplicht voor ons zelven te zorgen, en zullen we trachten zoo mogelijk onzen vader te bereiken. Van het stroo onzer bedden, de wollen dekens, de lakens, en zooveel van onze kleeren als we missen kunnen, zullen we touwen vlechten.„Toch zal dat alles nog niet lang genoeg zijn, om den grond te bereiken; maar daarmeê kunnen we wel laag genoeg komen, om de dikke, sterke takken onder aan den klimop te halen, en daarlangs kunnen wij veilig verder naar beneden klimmen. Wij zullen het ’s nachts doen en dan den goeden, ouden Adam gaan opzoeken. Hij zal ons wel eten geven en helpen, en raad geven wat ons verder te doen staat.”„Een prachtig plan! We moeten gauw aan het werk gaan, vóór onze krachten ons geheel begeven, anders is het te laat,” antwoordde Krip, die reeds heel bleek en slap was van honger.Hun vingers repten zich om het hardst, en weldra hadden ze reeds een lang eind koord gedraaid en gevlochten; terwijl de arme jongens klimopbladeren kauwden en regen dronken om in het leven te blijven. Ten laatste hadden zij genoeg, om een heel eind naar beneden te komen; en toen de avond gevallen was liet Paars eerst zijn broeder afdalen,—want die was een uur jonger en geringer van gewicht, en hij wilde gaarne zeker zijn, dat die eerst veilig beneden was, alvorens hij zelf ontsnapte.Krip klom dus naar beneden, terwijl de andere jongen uit het dakvenster leunde, en de zwakke ladder, daar vastgebonden, nog met zijne handen bevestigd hield, zijn adem inhoudende van angst, tot de donkere gestalte uit het gezicht verdwenen was, en een zacht fluiten hem de blijde boodschap bracht, dat de lieve jongen veilig beneden aangeland was.Daarop volgde hij zelf, en Krip ving hem op in zijne armen, toen ook hij den voet van den toren bereikte langs den klimop; terwijl zelfs de vogels stil in hunne nesten bleven zitten, en geen der dikke klimoptakken brak onder den druk hunner handen of voeten,—want vogels en planten hadden hen lief, en waren hun trouwe vrienden, zooals wij verder ook zien zullen.In de duisternis wisten de Prinsen toch den weg naar Adam’s huis te vinden in den grooten tuin, en zij werden aldaar hartelijk verwelkomd, want de oude man had hen reeds als dood betreurd. Toen hij hun geschiedenis hoordezeide hij, dat het hun toch niet gelukken zou tot hun vader door te dringen, maar dat zij hun leven in de waagschaal stelden, wanneer ze dat beproefden; want de Koningin was heel wreed en machtig, en zou hen niet in het leven laten, wanneer zij kans zag het te beletten.„Gij doet het verstandigste heen te gaan, totdat gij volwassen zijt; en komt dan als mannen terug, om het Koninkrijk in bezit te nemen, dat u toebehoort.”„Maar hoe moeten wij aan den kost komen? Wat kunnen wij doen, daar wij geen geld hebben, en geen vrienden om ons te helpen?” vroegen de jongens, toen zij na een goed maal zaten uit te rusten.„Hier heb ik nog uw oude luiten,” zei de goede Adam; „die heb ik zorgvuldig voor u bewaard, en nu kunt gij de wereld doorgaan zingende en spelende, en zoo den kost verdienen. Ik zal u tooverzaadjes geven, die mijn vader mij nagelaten heeft, en die, volgens zijn zeggen, niet zullen groeien, tenzij geplant door koninklijke handen, en die alsdan den gelukkigen eigenaar, voor wien zij bloeien, voorspoed zullen aanbrengen. Tuinieren hebt gij van mij geleerd; als gij dus veilig het land uit zijt, moet gij op een eenzaam plekje uw zaad zaaien, en zien of die voorspelling uitkomt. Verder heb ik niets om u te geven, dan brood en wijn en mijn beste wenschen, mijn dierbare verongelijkte Prinsen! God zij met u, en doe u in goeden welstand tot ons terugkeeren, om lang en gelukkig over ons te regeeren.”De broeders bedankten hem recht hartelijk, en zoodra, de morgen aanbrak, slopen zij de stad uit, met hunne luiten aan een koord op hun rug hangend, en taschjes met voedsel onder den arm, en beiden gehuld in bruine manteltjes, gemaakt van een ouden wijden koetsiersmantel van Adam.Vrijheid en frissche lucht gaven hun weldra hun oude kracht en goeden moed terug, en toen zij op veiligen afstand van huis waren, begonnen zij in de dorpen, waar zij doortrokken, te zingen en te spelen. Met hun verlepte kleêren, lieve gezichten en vriendelijke manieren, waren zij een bekoorlijk stelletje jeugdige straatzangers, en een ieder luisterde met genot naar hun liefelijke muziek. Rijke menschen wierpen zilverstukjes in de mutsjes, die zij ophielden, als de liedjes uit waren, en armere lieden, die geen geld konden geven, gaven hun met vreugde nachtverblijf en voedsel.Op die wijze kwamen zij genoegelijk den winter door; want sneeuw was er niet in dat land; en de knapen werden sterk en dapper, door die voetreizen over bergen en door dalen, zonder andere vijanden om te vreezen, dan wind en regen; en op vele plaatsen goede vrienden achterlatende.Zij vonden dat vrije leven prettig, al was het niet gemakkelijk; maar nooit verloren zij uit het oog, dat zij Prinsen waren, zelfs toen hun paarse pakjes tot rafels versleten waren en de bruine mantels niet veel beter. Niets laags, zelfzuchtigs, wreeds of onrechtvaardigs verstoordeooit den vrede hunner eerlijke harten en goede gewetens; en vele edelmoedige daden, zachte woorden en goede gedachten maakten deze bedeljongens ten laatste tot koningen over zich zelf, en zeer rijk door de zegenbeden van al degenen, die zij zoo vriendelijk hadden geholpen en vertroost.Toen de lente kwam waren zij heel ver van huis, en gevoelden zij, dat het nu tijd was de tooverzaden te gaan beproeven. Zij kozen dus een zonnig plekje uit op een afgelegen heide, waar de grond vruchtbaar was, en een beekje in de nabijheid vloeide, en waar niemand woonde, die het hun kon beletten, en dáár plantten zij hunne zaadjes, en verpleegden die zorgvuldig.Terwijl zij wachtten op de bloemen, bouwden zij van groene takken een hutje, en leefden van wilde bessen, van konijnen, die zij in strikken vingen, visschen die zij bemachtigden, en roggebrood, dat zij kochten van een oude vrouw, die daar kwam om kruiden te zoeken. Zij hadden nog wat opgespaard geld, en als dat op was, zoude een van hen een paar dagen op reis gaan en door muziek hun knapzak weêr vullen, terwijl de ander de wacht bleef houden bij het bedje teedere plantjes, die welig en sterk opgroeiden.Zij waren nieuwsgierig wat voor bloemen het zijn zouden, en vreesden soms, dat ze nooit bloeien zouden, daar het zoo lang duurde, eer er knopjes aan kwamen.„Als er geen bloemen aan komen, zijn wij zeker geen goede tuiniers, al zijn we welkoninklijk,” zeide Paars eens, terwijl hij zijn plantjes water gaf.„Dan zullen wij verder de wereld rondreizen, met ons gezang en onze luiten, broeder. Tegen dien tijd zullen wij wel tot mannen opgegroeid zijn, zoodat wij strijden kunnen, om ons koninkrijk terug te krijgen,” antwoordde Krip, en wiedde ijverig het onkruid uit van tusschen de lage planten, die een groote oppervlakte bedekten, en aan wier menigvuldige takken een menigte groote, stijf toegevouwen knoppen zaten.„Onze oude buurvrouw, de kruidenzoekster, is heel nieuwsgierig omtrent ons tuintje en zou gaarne willen weten, wat wij hier verbouwen. Ik heb haar gezegd, dat wij het zelven niet weten, maar als de bloemen komen, dat zij ze dan mag zien; want zij heeft er veel verstand van, en het zou kunnen zijn, dat dit een nieuw kruid voor haar was, om de zieken meê te genezen. Dat zou een heerlijk loon voor onze moeite zijn, al maakten wij er dan ook nooit fortuin meê.”„Dat zou het! Ik zou nog liever menschen gelukkig maken, dan een Koning te zijn; gij ook zeker, broeder!”Terwijl de broeders spraken vervulde een liefelijke geur de lucht, en begonnen al de blaadjes zacht te ruischen, als werden ze door een zuidewindje bewogen. Toen werd alles weêr stil en begonnen de leeuweriken hoog boven hunne hoofden te zingen, als vertelden ze een blijde tijding aan de schoone blauwe wereld ver boven de wolken.Den volgenden morgen, toen de Prinsen naar hun tuintje gingen, zie! toen was alles in bloei, en zag het er uit alseen prachtig tapijt van goud, purper en paars en wit en groen, geschikt voor eens koningspaleis. De bloemen waren violen, maar zoo mooi, als er nooit te voren gezien waren, want deze waren zeer groot en zagen er uit als echte gezichten, half droevig, half vroolijk van uitdrukking, naarmate de gele en de donkere blaadjes ze omlijstten. Zij zagen er allerliefst uit, geurden heerlijk, en toen ze door den wind op en neêr bewogen werden, schenen zij elkaar iets zoo gewichtigs toe te fluisteren, dat de jongens heel gaarne die mooie vertelling zouden verstaan hebben.„Wat kunnen wij met die violen doen en hoe kunnen zij ons geluk aanbrengen?” zeide de oudste broeder, terwijl hij met een ernstig gezicht naar de lieve bloemen aan zijn voeten stond te kijken.„Wel, eerst ervan genieten, en er dan kleine ruikertjes van verkoopen, om geld te verdienen; want zulke mooie ziet men maar zelden; de menschen zullen ze gaarne koopen,” antwoordde de jongere broeder, en begon terstond er eenige te plukken.„Daar hebt gij gelijk in, en dan kunnen wij ook zaad verzamelen, en net zoolang violen kweeken en verkoopen, tot wij rijk zijn. Het zal lang duren; maar geduld hebben wij in den toren geleerd, en wij zullen wachten, en zien wat voor geluk de violen ons aanbrengen,” zeide Prins Paars, en knielde neêr bij een groepje van de lieve bloemen, die hem toeknikten, als verheugden ze zich, door zulke vriendelijke handen geplukt te worden.„Ei, ei! Wat zie ik! Voorzeker, mijn jongens, zijt gij toovertuiniers, dat gij aan dezen wilden heîgrond zulke prachtige bloemen weet te ontlokken,” zeide een beverige stem achter hen, toen de oude kruidenzoekster kwam aanstrompelen, met een boezelaar vol paddestoelen en een mandje vol geurige wortels en bladeren.„Het zijn slechts violen, om naar de markt te brengen, Moedertje,” antwoordde Krip, en zag haar glimlachend aan.„Zie eens, hoe mooi ze zijn! Gij krijgt de eerste, daar gij zoo vriendelijk voor ons zijt,” voegde Paars er bij, en bood haar een ruikertje aan, even hoffelijk als knielde hij voor een Koningin, in plaats van voor een oud vrouwtje, zoo bruin en gerimpeld als een verdord blad.„Goede jongens! Ik zal nog vriendelijker voor u zijn en de geschiedenis voor u lezen, die deze fraaie bloemen wenschen te vertellen,” zeide zij, terwijl haar oogen glinsterden, en zij de violen in hare magere handen ronddraaide.„Ik kan alle planten lezen en leer daardoor vele vreemde zaken. Zie maar, of ge dit droevig verhaal begrijpt, want dit staat geschreven op deze bloemen, en het moet waar zijn, want zij kunnen niet liegen.”De Prinsen kwamen dichter bij haar staan en keken nieuwsgierig toe, hoe een bevende vinger de verschillende deelen van de bloem achtereenvolgens aanwees, terwijl de oude vrouw sprak, en hen daarbij nu en dan aankeek met beteekenisvollen blik, daar hun gezichten ook veel zeiden.„Er zijn vijf bladen. Dit groote gouden zit alleen op eendubbelen groenen zetel. Deze twee kleinere gele blaadjes, met een klein randje paars, zitten aan beide zijden; maar deze twee paarse bladen hebben slechts één groenen zetel, hoewel zij mooier zijn dan een der anderen. En kijk nu hier in het midden, dat kleine mannetje in het groen, met een rood kapje op, op het warmste, veiligste plekje, met een zakje zaden, die mettertijd rijp zullen worden, als hij de zon toegang tot zijn hart wil geven. Komt nu, mijn zonen, ziet gij hierin eenige beteekenis?” vroeg de oude ziel met een scherpen blik op de knapen, die bloosden en glimlachten en zuchtten, maar niet spreken konden, want hun eigen droevige geschiedenis stond in de tooverbloem naar waarheid beschreven.De kruidenvrouw knikte veelbeteekenend, maar zeide enkel op vriendelijken toon, terwijl zij het ruikertje op hare borst stak: „Heart’s-ease1wil niet voor iedereen groeien; maar de heele wereld heeft er behoefte aan en zal die goed betalen; verkoopt dus uw violen, mijn jongens, en verdient er een fortuin meê. Ik zal ook op de markt zijn, als gij er komt, en een goed woord voor u doen, hoewel gij eigenlijk niemands voorspraak noodig hebt, met uw vriendelijke gezichten en zachte manieren.”Toen ging zij heen, en de verbaasde Prinsen haastten zich al de bloeiende takjes af te plukken, en er met geurig gras ruikertjes van te maken, en die in mandjes te leggen,die zij zelven reeds vroeger van groene biezen gevlochten hadden. Het zag er lief uit; want de violengezichtjes schenen iedereen toe te lachen, en de zachte geur riep duidelijk: „Komt, koopt ons!” en de dauw schitterde op de blaadjes, als diamanten op de gouden en purperen kleederen eener Koningin.Toen de Prinsen in de naastbijgelegen stad kwamen, gingen zij op de markt staan en prezen hunne waar aan, evenals andere lieden hunne vruchten en groenten; maar hun voorkomen was zoo edel, hun stem klonk zoo helder, hun bloemen waren zoo groot en prachtig, dat, ondanks hun armoedige kleeding en nederig werk, iedereen, die hen zagen hoorde, terstond gevoelde dat die knapen iets bizonders moesten zijn, met hun geroep van: „Violen! hier zijn versch geplukte violen te krijgen! Wie koopt ze? Wie koopt onze violen?”Elkeen, die langs de markt kwam, was bekoord door die groote „pensées”, zooals de Franschen deze bloem noemen, want iets dergelijks had men in dat land nog nooit gezien. De mandjes waren dus weldra leêgverkocht, en zelfs een paar goudstukjes schitterden tusschen de koperen en zilveren muntstukjes, die zij in hun zakken lieten glijden, daar rijken zoowel als armen zich haastten deze edele waar te koopen. Zeer tevreden over hun dagwerk, gingen de jongens vroolijk naar huis, om de bloembedjes te begieten, en zich te verheugen over de knopjes, die zich weêr in grooten getale vertoonden.Daarna verkochten zij gedurende den geheelen zomer bloemen; want de tooverviolen bloeiden voort totdat de vorst kwam, en een ieder die ze kocht ontdekte, dat zij wezenlijk hun Engelschen naam eer aandeden, en gelukkige gedachten en troost aanbrachten, en arm en rijk werden daardoor des te begeeriger ze te koopen. Dokters zonden om die bloemen voor hunne zieken; bedroefden bestelden ze, om er door opgevroolijkt te worden; jazelfsslechte menschen hielden van die bloemen, omdat de aardige gezichtjes, half ernstig, half vroolijk, hun nooit een verwijt deden, maar zoo prettig tegen hen glimlachten, dat daardoor betere gevoelens in hun slechte harten opgewekt werden.Heinde en verre werd de mare omtrent deze nieuwe plant, zooals men ze noemde, verspreid; vorsten en vorstinnen smeekten om het zaad te mogen hebben, daar Heart’sease (gemoedsrust) juist hun dikwijls ontbrak. Verscheidene plantjes bereikten zelfs den luien Koning, terwijl hij in zijn weelderig vertrek zijn wijn zat te drinken, zat te lezen en te slapen; en het zien dier bloemen maakte hem wakker, want de naam zijner overleden vrouw was Viola geweest, en hij begon nieuwsgierig te worden, waar zijne zonen wel zijn mochten, en naar hen te vragen.De Koningin had ook het wonderkruid noodig; want zij werd zeer verontrust door de wanorde in haar rijk. Hare onderdanen hielden niet van haar, en het begon hen te vervelen, hooge belastingen te betalen, om hare pracht te bekostigen. Zij begonnen oproerig te worden, vooral dearmen, voor wie zij volstrekt niet zorgde, maar die zij honger en ontbering liet lijden, terwijl zij voor vermaak en genot leefde.Zelfs de rijken en hooggeplaatsten werden ontevreden, en wenschten nog rijker en hooger geplaatst te zijn, en twistten onder elkander en maakten duidelijke toespelingen, dat zij de Prinsen vermoord of verbannen had, die nu eigenlijk behoorden te regeeren, en het zeker beter zouden doen dan zij.Sleutelbloem en Narcis hadden de tooverbloemen laten komen, daar zij alles, waarvan zij hoorden dat het nieuw en mooi was, wilden hebben, hoeveel het ook mocht kosten. Toen de lieve plantjes kwamen, in prachtige porceleinen bloempotjes, waren de jeugdige Prinsessen er zóó meê ingenomen, dat zij niemand anders in hare nabijhêid vergunden ze te hebben.„Dit zijn onze kleuren, en deze bloemen moeten het kenteeken onzer koninklijke waardigheid zijn, en op straffe des doods mag niemand anders ze dragen,” zeiden zij; en zij lieten voor zichzelven prachtige nieuwe costumes maken van goud met paars fluweel, overal bezet met violen, en gaven ook aan hare lakeien livrei van die kleuren; op hare rijtuigen, meubelen en alles werd dit sierlijke nieuwe wapen, waarop zij heel trotsch waren, aangebracht.Maar zij werden, evenals hare moeder, weldra gewaar, dat die naam meer beteekende, dan alleen een fraaie bloem. „Pensée” is het Fransch voor „viool” en „gedachte”, en in hare zorgelooze zielen kwamen gedachten oprijzenover al het kwaad, dat zij gedaan hadden, alsof de geur van het nieuwerwetsche viooltje haar verwijten deed, terwijl de vriendelijke gezichtjes haar herinnerden aan de droevige gelaatstrekken van de verbannen zonen, wier plaatsen zij wederrechtelijk hadden ingenomen.Allen waren dus verontrust, en de toovermacht der bloemen begon in huis zoowel als daarbuiten te werken, en zoo behulpzaam te zijn om de zaken voor te bereiden, tegen dat de reizigers zouden terugkomen.Intusschen reisden de Prinsen de wereld rond, leerden zij veel en werden zij wijs en braaf, zoowel als groot en dapper, en zeer schoon en mannelijk van gestalte. Des Winters zongen en speelden zij, en werd geen Kerstfeest vroolijk geacht zonder medewerking van de luitspelers, geen boerenbruiloft zonder hunne medewerking gevierd, en moesten zij ook dikwijls in paleizen voor adellijke heeren en dames muziek maken, om bij te dansen, en werden dan zeer ruim beloond. Maar wat zij het liefste deden, was in gevangenissen, ziekenhuizen, of arme buurten zingen, waar ze niet enkel vermaak en troost brachten, maar ook dikwijls geld, waarna ze dan stil wegslopen, zonder te wachten op een bedankje, gelukkig in staat te zijn, de droeven en zieken en lijdenden te helpen.In den zomer rustten zij uit, op een of ander mooi plekje, en plantten er tooverzaad, dat op elken grond groeien wilde, en overal evenzeer bewonderd werd.Zoo vervolgden zij hun weg, bezig en gelukkig, overaleen spoor van muziek en bloemen achterlatende, en de wereld verhelderend en verbeterend, door schoone geluiden en blijde gedachten, totdat zij den naam kregen van de „Gezegende Knapen”, en men in het Oosten en het Westen, het Noorden en het Zuiden hen opwachtte, verwelkomde en liefhad.Vele zomers en winters verstreken en zij waren volwassen jongelingen, toen zij op hunne reis rondom de wereld weêr in huns vaders koningrijk aanlandden. Maar hoewel thans oud en wijs genoeg om te regeeren, en verzekerd, dat zij door het ontevreden volk met blijdschap zouden begroet worden, gevoelden zij, dat ze niet langer toornig of bitter waren tegen degenen, die hen verongelijkt hadden. De tijd had hun geleerd te vergeven en te vergeten; hun gelukkig, vreedzaam leven had hen een afkeer ingeboezemd van strijd en oorlog; en zij hadden zelven de vrijheid zoo lief, dat ze het hart niet hadden anderen tot gehoorzaamheid te dwingen.„Wij heerschen over een grooter, heerlijker rijk, dan dat van onzen vader; onze onderdanen hebben ons innig lief, en wij zijn aan geen troon gebonden, maar zoo vrij als de wind; laat ons daarmede tevreden zijn, en niet meer verlangen,” zeide Prins Paars tot zijn broeder, terwijl zij, zittende op een heuvel, buiten de poort, neêrzagen op de oude bekende stad.„Ik zou geen lust hebben, in een paleis opgesloten te zitten, en verplicht te zijn mij aan allerlei regelen te onderwerpen. Maar als hetgeen wij gehoord hebben waar is, dan is er hier overvloed van werk te doen voor de armen, enwij hebben zooveel overgespaard, dat wij althans beginnen kunnen met hen die het meest lijden te helpen. Niemand behoeft vooralsnog te weten wie wij zijn; en wij kunnen stil voortwerken, terwijl wij wachten, totdat onze vader onzer gedenkt, en ons terugroept,”antwoorddeKrip, die even fijn en teêr, maar ook even zacht was, als de stof waarnaar hij genoemd was, en die hij gaarne op zijn kleêren droeg.Zij vermomden zich dus als jeugdige Barmhartige Broeders, met zwarte kappen en lange tabberden, en gingen de stad in, om een woning te zoeken.De oude Adam leefde nog, maar was thans heel arm; want de Koningin had hem weggezonden, nadat de Prinsen ontvlucht waren, en de Koning had hem volkomen vergeten. De knapen spoorden hem op, en vertelden hem wie zij waren, en kwamen bij hem wonen, hetgeen den ouden man zeer verheugde en waarop hij trotsch was, en dat niet weinig tot zijn geluk en welvaart toebracht.Den geheelen dag lang gingen de Broeders rond onder de armen, en hielpen hen op verscheidene wijzen. Bloemen ontloken waar zij den voet gezet hadden, alsof de tooverzaadjes onzichtbaar uit hunne zakken vielen; en weldra lieten zij door de geheele stad een spoor achter zich van gelukkige gezichten, en potjes violen voor de vensters in nederige hutjes, waar vroeger nooit bloemen groeien wilden.Niemand kende hen bij een anderen naam dan dien van „de Broeders,” en menige zieke en treurende ziel zegende hen, om al het goede, dat zij zoo in alle stilte deden.Weldra bereikte het gerucht van deze verwonderlijke jonge mannen het paleis, waar de oude Koning thans ziek lag en de Koningin in doodsangst verkeerde; want het volk haatte haar, en elk oogenblik kon er een oproer losbarsten. Zij zond om de Broeders, en zij kwamen oogenblikkelijk, in de hoop eenig goed te kunnen doen.Niemand herkende de aardige Prinsjes in die twee volwassen monniken, half verscholen in hunne kappen en tabberden; maar het scheen wel, als waren troost en moed met hen binnengekomen, want de zieke Koning gevoelde zich sterker, als zij aan zijne legerstede baden of zongen, en de beangste Koningin vatte nieuwen moed, beleed voor hen hare zonden en smeekte hen haar te zeggen wat zij doen moest, daar zij had leeren inzien, dat zelfzucht, pracht en weelde noch geluk, noch liefde en eerbied aanbrachten.„Indien ge oprecht berouw hebt, tracht dan het kwaad, dat gij gedaan hebt, weêr goed te maken,” antwoordde een der Broeders stoutmoedig.„Maar de Prinsen zijn weg of dood, en mijn volk haat mij,” zuchtte de arme Koningin.„God heeft beter gezorgd voor de moederlooze knapen, dan gij deedt, en zij zullen terugkomen, wanneer de rechte tijd daartoe aangebroken is. Zorg gij maar, dat ge met uw volk medelijden hebt, en hen helpt. Maak, dat ze u leeren liefhebben en vertrouwen; dan zult gij veilig zijn en gelukkig, en uw rijk zal bloeien,” zeide de andere Broeder met zijn zachte stem.„Dat wil ik, dat zal ik!” riep de Koningin, terwijl tranen van berouw op haar goudlakenschen mantel vielen, die door die zilte droppelen niet dof werd, maar des te helderder schitterde.Toen raadpleegde zij de Broeders; en terwijl Krip den ouden vader verpleegde en opvroolijkte, hielp Paars zijne stiefmoeder het vertrouwen van haar volk te winnen, door met ruime hand brood en geld uit te deelen, betere huizen voor hen te doen bouwen, betere wetten te maken, en met meer rechtvaardigheid en barmhartigheid te regeeren, totdat de vrede terugkeerde en het gevaar voor oproer geweken was;—want vriendelijkheid verovert de harten.De Prinsessen wilden eerst van al die veranderingen niets weten, en waren boos op die nieuwaangekomenen, omdat zij zelfverloochening, nederigheid en eenvoud predikten; maar de monniken wisten haar deze zoo smakelijk en aanlokkelijk te maken, door hun overredende woorden en door hun eigen heerlijk voorbeeld, dat weldra deze Koningsdochters evenzeer als al hare hofdames begonnen in te zien, hoe zelfzuchtig en ijdel haar bestaan was geweest, en verlangden naar verbetering.Het kostte veel tijd, haar aan het verstand te brengen, hoe noodig het was, al die gewoonten van dwaze weelde af te schaffen, haar fraaie kleêren vrijwillig prijs te geven, en smaak te krijgen voor goede boeken, degelijk gezelschap, wezenlijke weldadigheid, en al de lieve eenvoudige genoegens, plichten en lessen, die het leven gelukkig makenen den dood rustig doen afwachten, als die komt tot koningen, zoowel als tot bedelaars.Deze schoone taak vorderde veel tijd en geduld. De oude vader scheen als uit den slaap te ontwaken, en verwonderde zich zelf er over, dat hij zooveel tijd met droomen verkwist had. Thans was het te laat voor hem om nog te regeeren; hij had er nu niet genoeg kracht meer toe, en tevergeefs reikhalsde hij thans naar zijn flinke jongens.De Koningin zat alleen op den troon, thans niet meer een voorwerp van haat, maar vergeven en bemind, en zij had gelukkig kunnen zijn, indien niet de gedachte aan de verloren Prinsjes haar nacht en dag, als een spooksel, vervolgd had, totdat zij ten laatste zoozeer van berouw en verdriet vervuld was, dat zij besloot, tot boetedoening voor hare zonden, in een klooster te gaan. Maar wie zou er dan in hare plaats regeeren? De Koning was te oud en te zwak, de Prinsessen waren te jong, en de rechtmatige erfgenamen waren weg of dood.„Nu is de rechte tijd aangebroken,” zeide Paars. „Nu heeft men ons noodig, en moeten wij ons koningrijk in bezit nemen, vóór een vreemde indringer het soms overweldigt.”„Broeder, ik ben bereid, en wij zijn beide des te meer geschikt om te regeeren als Prinsen, doordat wij geleerd hebben, als armen te arbeiden, te wachten en ons gelukkig te gevoelen,” antwoordde Krip.Er werd eene groote raadsvergadering belegd, van al de wijzen en grooten en braven in den lande, om een nieuwenKoning te verkiezen, want de Koningin wenschte afstand te doen van den troon, dewijl zij genoeg had van hare grootheid. Toen allen bijeenvergaderd waren, en de fraai gekleede dames van uit de gaanderij zaten neêr te kijken op die ridders in volle wapenrusting, die grijsharige Ministers en die flinke burgers, verheugde iedereen zich, de geliefde Broeders te zien binnenkomen, en nederig aan het lager eind van de raadstafel plaats nemen. Waar zij ook kwamen, waren zij altijd welkom; want hoewel nog zóó jong, schenen zij toch de harten der menschen beter te begrijpen, dan de oude lieden, die hun leven lang boekenwijsheid opgedaan hadden. Na veel redeneeringen, zeide de Koningin, terwijl zij van den grooten gouden zetel afdaalde:„Laat ons aan onze goede vrienden, die ons zoo trouw geholpen hebben, en ons aangetoond, wat er op een troon noodig is, verzoeken onze leêge plaats te bezetten. Waarde Broeders, komt nader en zegt ons, wie thans den troon beklimmen moet, want ik ben het niet waardig.”Zonder een woord te spreken kwamen de twee jeugdige monniken naar den verheven zetel toe, gingen elk aan een zijde der Koningin staan, en lieten hunne vermomming afzakken van hunne schouders. En dáár stonden ze toen, in Paars fluweelen kleedij, met de goudblonde lokken en schoone gelaatstrekken van de Koningszonen, wel ouder en ernstiger geworden, maar toch dezelfde van vroeger,—dáár waren de verloren Prinsen, die ten laatste tot de hunnen terugkeerden.Alle omstanders waren zoo verbaasd, dat in het eerste oogenblik niemand sprak of zich bewoog; allen stonden op van hunne plaatsen en keken zwijgend toe, terwijl Paars, met een glimlach en een gebaar, die hunne harten stalen, zeide:„Wij zijn bereid onze rechtmatige plaatsen in te nemen, indien gij ons noodig hebt, en wij zullen met blijdschap het verledene vergeten, vergeven wie ons verongelijkt hebben, en trachten voor allen de toekomst gelukkig te maken. Wij zijn gevangenen geweest, bedelaars, tuiniers, liedjeszangers en monniken, op onze lange tochten. Thans zijn wij weêr Prinsen, des te beter geschikt om te regeeren, door de harde lessen, die wij geleerd hebben; terwijl tijd, armoede, moeite en ellende ons de waarde hebben leeren beseffen van geduld, rechtvaardigheid, moed en barmhartigheid.”Toen hij uitgesproken had, brak er een algemeene juichkreet los, om hen welkom te heeten, en de Koningin viel hun te voet, en smeekte om vergiffenis; terwijl Sleutelbloem en Narcis haar gelaat bedekten, daar ze zich herinnerden, wat wreede dingen zij gezegd en gedaan hadden. Er viel niet aan te twijfelen, of de Prinsen waren hartelijk welkom en zeer bemind in hun rijk; en weldra verspreidde zich de blijde tijding door de geheele stad. De klokken werden geluid, er werden vreugdevuren ontstoken, de menschen dansten en zongen, en er werd overal feest gevierd, in paleizen en hutten, ter eere van de „Gezegende Knapen.”De oude Koning werd van den schrik klaar wakker, en was zoo opgetogen, dat hij op stel en sprong zijn bed uit stapte, als door een tooverslag genezen van al zijne kwalen, behalve zijn ouderdom.De Koningin kon weêr glimlachen, en gevoelde nu, dat zij vergiffenis ontvangen had op haar bede; Sleutelbloem en Narcis werden even lief en aardig als de bloemen, waarnaar zij genoemd waren, en de Prinsen werden verliefd op hunne halfzusjes, op de goede, oude wijze van alle tooversprookjes.Thans was alles in orde, en het koningrijk zag er weldra uit, als een groote violentuin; want de geliefkoosde bloem bloeide overal, en armen en rijken hielden die evenzeer in eere.Het duurde niet lang, of er werden aan het Hof met groote pracht twee huwelijken voltrokken, en er werd een nieuwe troon gemaakt,—een dubbele; want daarop zaten de Tweeling-Koningen, met hunne jonge vrouwen naast zich. De oude Koning had eerst vrijwillig afstand gedaan van de regeering; en de Koningin was het heerschen zoozeer moede, dat zij zich met blijdschap thans geheel wijdde aan haar echtgenoot. Beiden genoten van het geluk hunner kinderen, die lang en voorbeeldig regeerden in Violenland; want dien naam gaven zij aan hun land, uit dankbaarheid jegens de bloem, die hun vrienden, rijkdom, wijsheid en gemoedsrust aangebracht had.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .„Dat is een mooie geschiedenis, en ik zal die goed onthouden,” zeide Marianne, toen de vertelster zich bukte, om zich te verfrisschen met een slokje water, na die lange vertelling.„Vergeet vooral niet, wat er uit te leeren valt, liefje,” zeide de bloem met haar lieve stem. „Leer u zelve te beheerschen; maak uw eigen klein rijk vreedzaam en gelukkig, en acht nooit iets te gering, om er wat van te leeren,—al ware het slechts een Viooltje.”Vaasje met viooltjes.1Heart’s-ease,viool, beteekent letterlijk vertaald:gemoedsrust.↑
DE GESCHIEDENIS VAN DE BLOEM.DE GESCHIEDENIS VAN DE BLOEM.
DE GESCHIEDENIS VAN DE BLOEM.
Kleine Marianne was ziek geweest, en nog zoo zwak, dat zij nog alle dagen verscheidene uren op haar bed moest liggen rusten en slapen.Eens op een winternamiddag, toen buiten de sneeuw langzaam neêrdaalde, en het in de kamer heel stil was, daar de kindermeid in haar stoel zat te dommelen, de poes op het haardkleedje lag te spinnen, en er niets nieuws ofaardigs in de kamer was om naar te kijken, dan een bosje violen in een vaasje naast het bed, zeide Marianne bij zichzelf met een zucht:„Had ik maar iemand, om mij een vertelling te doen, dan zou ik nog kans zien, dezen langen dag zonder klagen door te komen. Maar Mama is uit, Daatje is moê, en al mijn boekjes ken ik al uit mijn hoofd; wat kan ik dus doen, daar ik te moê ben om met mijn poppen te spelen?”Niemand beantwoordde deze gewichtige vraag; en Marianne zuchtte weer, toen zij zich omkeerde om den anderen kant uit te kijken, hopende in die richting hulp of vermaak te vinden.De zonderlinge dames op den grooten Japanschen waaier boven den spiegel keken haar aan met haar smalle schuine oogjes, maar schenen het te druk te hebben met thee drinken uit rood en gele trekpotjes, om eenig belang te stellen in het bleeke meisje dáár in bed. De spelden zaten even wijsneuzig als altijd op het blauw satijnen kussen; maar noch die met den paarlemoeren vlieg er op, noch het gouden roosje, noch het grappige ochtendspeldje, met haar erin, en van achteren een portretje van een dik kindje,—van welke broche Daatje zooveel hield,—waren thans in staat haar tevermaken. De poppen lagen opgestapeld in de wieg, met hunne ongelukkige armen en beenen naar alle kanten uitstekend, droevig verwaarloosd door hun kleine mama; terwijl de geliefkoosde boeken op de plankjes in den laatsten tijd zoo dikwijls doorgelezen waren, dat zijthans niets nieuws of prettigs meer aan te bieden hadden.„O wee! Ik wou, dat de vogels op het behangsel, of de kinderen op de platen, die rondom aan de muren hangen, tot mij konden spreken, of voor mij zingen. Ik ben toch heusch zoo zoet en geduldig geweest, dat er dunkt mij wel iemand medelijdenmoethebben met het arme, zieke meisje en iets verzinnen om haar plezier te doen,” zeide Marianne, met een derden zucht, nog dieper dan de vorige.Deze zucht blies zooveel adem uit, dat een van de bloempjes erdoor uit het vaasje werd geblazen. Marianne nam het bloempje op en bekeek het, bereid voor elk speelmakkertje, al was het maar een eenvoudig viooltje.Dit was bizonder mooi geteekend, en had zoo’n lachend gezicht in zijn lichte en donkere blaadjes, dat het kind een gevoel had, alsof zij nu een vriendinnetje gevonden had, en de viool begon te kussen; want zij was niet alleen eenzaam, maar ook door zwakte aandoenlijk gestemd.Tot haar groote verrassing knikte de bloem tegen haar, en toen ze die nog dichter tegen haar gezicht aandrukte, zeide een lief, zacht stemmetje:„Nu kan ik spreken en vind het heel prettig u wat te komen opvroolijken, want wij hebben veel medelijden met u gehad, omdat wijzelvenons eenzaam en verlaten gevoelen, zoo ver van onze familie verwijderd.”„Wel, aardig bloempje, wat vind ik dat prettig, u te hooren praten en u te zien glimlachen tegen mij! Ik bid u, vertel mij alles omtrent u zelf. Ik houd dol veel vanbloemen, en was heel blij, toen een van mijn schoolmakkertjes mij dit mooie ruikertje violen zond,” zeide Marianne, zeer verheugd over deze verrassing.„Ik heb geen geschiedenis, want ik ben geboren in een oranjerie, en heb mijn heele leven in een bloempotje doorgebracht, met vele zusters, die zoodra zij bloeien weggedragen worden, en nooit weêrom komen. Slechts een paar uur heb ik in een winkel doorgebracht, en werd toen in een papier gespeld, en door een vreeselijken jongen hierheen gebracht, die ons aan de deur afgaf. Wij waren heel blijde, dat wij in dit mooie vaasje, met frisch water gevuld, werden neêrgezet, in deze rustige, warme kamer, met een vriendelijke meesteres, om naar ons te kijken. Maar als gij een geschiedenis van onze nabestaanden wilt hooren, zal ik u een oud verhaal doen, dat onze heele familie goed kent en waarvan zij ook veel houden.”„Doe dat, als ’t u blieft!” riep Marianne; en toen lag zij, met haar poesje slapend op haar arm, vol belangstelling te luisteren naar het verhaal van:DE PRINSEN EN DE VIOLEN.EEN TOOVERSPROOKJE.Er was eens een Koning, die twee jeugdige zoontjes had, genaamd Paars en Krip, omdat zij altijd in den rouw waren over hunne moeder, die bij hun geboorte gestorven was. De Koning wilde geen paars dragen, hoewel dezekleur meer gebruikelijk was dan zwart voor koninklijken rouw. Hij was een zeer zelfzuchtig man, die zich enkel om zijn eigen gemak en genoegen bekommerde; hij bewoonde dus zijn prachtige vertrekken, en vermaakte zich met zijn boeken, lui en tevreden, in zijn groen fluweelen kamerjapon, met het roode kapje op; hij sliep veel, las en dronk wijn, ten einde het verlies van zijn schoone Koningin te vergeten.Hij bekommerde zich niet om zijn twee zoontjes, en liet hen over, eerst aan de min en kindermeiden, daarna aan de meesters, toen zij van zuigelingetjes opgegroeid waren tot knappe jongens, zoo lief, verstandig en braaf, dat de menschen zeiden, dat de geest van hun overleden moeder hen zeker bewaakte, wat ook misschien het geval was.Zij waren altijd te zamen, altijd bezig, steeds zachtzinnig en vriendelijk, maar wel wat droevig, omdat hun vader hen niet liefhad; en al de liefde van de vele vrienden, die zij zich maakten, konden hun het gemis van vaderliefde en moederzorg niet vergoeden.De onderdanen van den Koning wilden hem bewegen weêr te gaan trouwen, opdat het Hof weêr opgevroolijkt mocht worden door feesten en bals en tooneelvertooningen, zooals voorheen; maar hij was te zelfzuchtig en te lui, om daarvan werk te maken, totdat eindelijk zekere schoone dame hem kwam opzoeken. Zij was een weduwe met twee dochtertjes, genaamd Sleutelbloem en Narcis, omdat zijaltijd gele jurkjes aanhadden. De moeder dezer meisjes heette Tijloos (Jonquille) en had goudlakensche japonnen aan. Zij was heel trotsch en wilde gaarne Koningin zijn; zij deed dus een paars fluweelen mantel om, en liet de meisjes paarse hoedjes dragen, om den schijn te hebben van, evenals de rest van het volk, over de Koningin te rouwen; maar het was haar te doen om den Koning te trouwen. Moeder en dochters waren zoo mooi, zoo bekoorlijk, dat iedereen haar bewonderde en welkom heette; en terwijl de Prinses schaak speelde met den Koning, en hem verzen voorlas, om Zijne Majesteit te vermaken, speelden de kinderen met elkander, en trachtten vriendschap te sluiten.Maar Sleutelbloem en Narcis waren ijdel, en zelfzuchtig en grillig; en de kleine Prinsjes bemerkten weldra, dat zij in alles haar eigen zin wilden hebben en doordrijven, en dat zij zich onhebbelijk driftig aanstelden, wanneer iemand het waagde haar te berispen. De knaapjes waren dus ongelukkiger dan ooit, toen men hun vertelde, dat hun vader met die Prinses zou gaan trouwen, en dat dus deze onaangename meisjes hunne halfzusters zouden worden.Het huwelijk was prachtig: de klokken werden geluid, de trompetten werden geblazen, en iedereen vierde feest en danste. Wijn vloeide uit de fonteinen, en op de markten werden feestmalen aangericht, zoodat alle arme menschen, zoowel als de rijken, ruim onthaald werden. De nieuwe Koningin beijverde zich zeer haar nieuwe onderdanen te behagen, en maakte het leven zoo vroolijk, dat in denbeginne iedereen haar prees; en de Koning liet met blijdschap de regeering aan haar over, als hij dan maar rustig bij zijn boeken en flesschen mocht zitten.Nu waren die meisjes trotscher dan ooit, en pronkten zij als pauwen in haar fraaie nieuwe kleêren. Maar de Prinsjes wilden hun rouwgewaad niet afleggen, hoewel zij wel gouden gordels omdeden, en gele bloemen op hun hoedjes zetten, ter eere van de Koningin. Zij deden hun best te deelen in de algemeene pret; maar bemerkten, spoedig, dat zij door iedereen verwaarloosd werden; want de menschen zagen weldra wie de meeste macht kreeg aan het Hof, en liefkoosden en vleiden nu de jonge Prinsesjes, ten einde hare moeder te winnen.Zij toonde hoe zij van zins was te regeeren, toen zij voor de eerste maal den troon besteeg; de Koning was er toen niet bij, en zij zat alleen in haar goudlakensche japon, schitterend om te aanschouwen. Zij zette hare dochters elk aan een kant, op de groen satijnen stoelen, die klaar gezet waren voor de Prinsen, en beval den armen jongens samen op haar voetbank te komen zitten.Sommige lieden waren daarover heel boos, en vertelden het aan den Koning; maar deze zeide enkel: „Valt mij nu niet lastig. Hare Majesteit moge het doen, zooals zij het best vindt; en mijne zonen moeten haar gehoorzamen, alsof ze hare eigen kinderen waren.”Er was dus niets tegen te doen; en de zachtzinnige knapen zaten aan de voeten der Koningin, terwijl de ijdele meisjeszaten te ritselen met hare zijden kleedjes, te lachen en te draaien met hare hoofden, op de hooge zetels, waar zij niet behoorden.Dit was het begin van treurige tijden voor de Prinsen; want de nieuwe moeder wilde hen uit den weg ruimen, om zelve te kunnen regeeren, wanneer de Koning stierf. Zij durfde hen niet terstond weg te zenden, maar zij gebood hun, rustig met hunne onderwijzers in een afgelegen gedeelte van het paleis te wonen, en zich nooit te vertoonen bij de feesten, de jachtpartijen, of een der grootheidsvertooningen, waarop zij het volk vergastte. Daar hun vader hier niet tegen opkwam, gehoorzaamden de knapen, en vermaakten zich door den bloemtuin te verzorgen, met den ouden Adam, den tuinman, die hun allerlei wetenswaardige, aardige, nuttige dingen leerde omtrent de boomen en planten.Ook leerden zij spelen en zingen; en zaten dikwijls op zomeravonden met hun kleine instrumenten liefelijker muziek te maken, dan de nachtegalen in de rozenstruiken, of de hofconcerten, waar de slechte Koningin en de trotsche Prinsessen in al haar luister zaten.De knapen leerden ijverig en werden wijs onder de leiding hunner onderwijzers, die veel van hen hielden; maar, naarmate zij ouder werden, begonnen zij te verlangen naar meer vrijheid en genoegen, wanneer de jachthoorns werden geblazen en al de groote lui wegreden, om herten te gaan jagen, of hun valken te laten vliegen. Zij smeektende Koningin hen bij hun vader toe te laten; maar toen zij zag wat flinke mooie knapen zij werden, was zij meer dan ooit begeerig hen van de baan te schuiven, en des nachts, zond zij soldaten uit, om hen naar den toren te brengen, waar zij in een hoog kamertje werden opgesloten, met niets dan brood en water om van te leven,—geen boeken, geen vrienden, geen vrijheid; want niemand wist waar zij waren, daar de Koningin aan den vader wijs had gemaakt, dat zij weggeloopen waren, en nadat hij eenige lieden uitgezonden had, om naar hen te zoeken, bekommerde hij zich verder niet over het geval.Zoo leefden zij een jaar lang geheel alleen in den toren; maar zij waren toch niet heel ongelukkig, want de zonneschijn lachte hun toe, vogels bouwden hun nestjes in den klimop, die de grijze muren bedekte, en de wind, loeiend of suizend rondom hun hoog verblijf, zong hen in slaap.Zij hadden elkaar lief en vroolijkten elkander op, en hielden goeden moed, totdat er eens op een dag geen brood en water werd gebracht door het kleine luikje in de deur hunner gevangenis. Drie dagen lang kwam er geen voedsel, en toen begrepen zij, dat de slechte Koningin van zins was hen van honger te laten omkomen. De menschen dachten toch, dat zij weg waren, en allen, behalve enkele getrouwen, vergaten de Prinsjes en gehoorzaamden de Koningin, die als een tiran over hen heerschte, terwijl hare dochters bij den dag trotscher en zelfzuchtiger werden, en de oudeKoning het grootste gedeelte van den tijd sliep, en om niets gaf, dan om zijn eigen gemak.„Broeder, nu moeten we ontvluchten; want blijkbaar komt ons niemand te hulp, dus zullen wij ons zelven helpen,” zeide Paars dapper, vast besloten niet denhongerdoodte sterven ter wille van een stiefmoeder.„Dat willen we,” riep Krip; „maar hoe kunnen wij uit dezen hoogen toren komen zonder ladder?”„Wij zullen er een maken. Dikwijls heb ik reeds over dit plan nagedacht; maar ik meende, dat het onze plicht was te gehoorzamen. Nu zijn we verplicht voor ons zelven te zorgen, en zullen we trachten zoo mogelijk onzen vader te bereiken. Van het stroo onzer bedden, de wollen dekens, de lakens, en zooveel van onze kleeren als we missen kunnen, zullen we touwen vlechten.„Toch zal dat alles nog niet lang genoeg zijn, om den grond te bereiken; maar daarmeê kunnen we wel laag genoeg komen, om de dikke, sterke takken onder aan den klimop te halen, en daarlangs kunnen wij veilig verder naar beneden klimmen. Wij zullen het ’s nachts doen en dan den goeden, ouden Adam gaan opzoeken. Hij zal ons wel eten geven en helpen, en raad geven wat ons verder te doen staat.”„Een prachtig plan! We moeten gauw aan het werk gaan, vóór onze krachten ons geheel begeven, anders is het te laat,” antwoordde Krip, die reeds heel bleek en slap was van honger.Hun vingers repten zich om het hardst, en weldra hadden ze reeds een lang eind koord gedraaid en gevlochten; terwijl de arme jongens klimopbladeren kauwden en regen dronken om in het leven te blijven. Ten laatste hadden zij genoeg, om een heel eind naar beneden te komen; en toen de avond gevallen was liet Paars eerst zijn broeder afdalen,—want die was een uur jonger en geringer van gewicht, en hij wilde gaarne zeker zijn, dat die eerst veilig beneden was, alvorens hij zelf ontsnapte.Krip klom dus naar beneden, terwijl de andere jongen uit het dakvenster leunde, en de zwakke ladder, daar vastgebonden, nog met zijne handen bevestigd hield, zijn adem inhoudende van angst, tot de donkere gestalte uit het gezicht verdwenen was, en een zacht fluiten hem de blijde boodschap bracht, dat de lieve jongen veilig beneden aangeland was.Daarop volgde hij zelf, en Krip ving hem op in zijne armen, toen ook hij den voet van den toren bereikte langs den klimop; terwijl zelfs de vogels stil in hunne nesten bleven zitten, en geen der dikke klimoptakken brak onder den druk hunner handen of voeten,—want vogels en planten hadden hen lief, en waren hun trouwe vrienden, zooals wij verder ook zien zullen.In de duisternis wisten de Prinsen toch den weg naar Adam’s huis te vinden in den grooten tuin, en zij werden aldaar hartelijk verwelkomd, want de oude man had hen reeds als dood betreurd. Toen hij hun geschiedenis hoordezeide hij, dat het hun toch niet gelukken zou tot hun vader door te dringen, maar dat zij hun leven in de waagschaal stelden, wanneer ze dat beproefden; want de Koningin was heel wreed en machtig, en zou hen niet in het leven laten, wanneer zij kans zag het te beletten.„Gij doet het verstandigste heen te gaan, totdat gij volwassen zijt; en komt dan als mannen terug, om het Koninkrijk in bezit te nemen, dat u toebehoort.”„Maar hoe moeten wij aan den kost komen? Wat kunnen wij doen, daar wij geen geld hebben, en geen vrienden om ons te helpen?” vroegen de jongens, toen zij na een goed maal zaten uit te rusten.„Hier heb ik nog uw oude luiten,” zei de goede Adam; „die heb ik zorgvuldig voor u bewaard, en nu kunt gij de wereld doorgaan zingende en spelende, en zoo den kost verdienen. Ik zal u tooverzaadjes geven, die mijn vader mij nagelaten heeft, en die, volgens zijn zeggen, niet zullen groeien, tenzij geplant door koninklijke handen, en die alsdan den gelukkigen eigenaar, voor wien zij bloeien, voorspoed zullen aanbrengen. Tuinieren hebt gij van mij geleerd; als gij dus veilig het land uit zijt, moet gij op een eenzaam plekje uw zaad zaaien, en zien of die voorspelling uitkomt. Verder heb ik niets om u te geven, dan brood en wijn en mijn beste wenschen, mijn dierbare verongelijkte Prinsen! God zij met u, en doe u in goeden welstand tot ons terugkeeren, om lang en gelukkig over ons te regeeren.”De broeders bedankten hem recht hartelijk, en zoodra, de morgen aanbrak, slopen zij de stad uit, met hunne luiten aan een koord op hun rug hangend, en taschjes met voedsel onder den arm, en beiden gehuld in bruine manteltjes, gemaakt van een ouden wijden koetsiersmantel van Adam.Vrijheid en frissche lucht gaven hun weldra hun oude kracht en goeden moed terug, en toen zij op veiligen afstand van huis waren, begonnen zij in de dorpen, waar zij doortrokken, te zingen en te spelen. Met hun verlepte kleêren, lieve gezichten en vriendelijke manieren, waren zij een bekoorlijk stelletje jeugdige straatzangers, en een ieder luisterde met genot naar hun liefelijke muziek. Rijke menschen wierpen zilverstukjes in de mutsjes, die zij ophielden, als de liedjes uit waren, en armere lieden, die geen geld konden geven, gaven hun met vreugde nachtverblijf en voedsel.Op die wijze kwamen zij genoegelijk den winter door; want sneeuw was er niet in dat land; en de knapen werden sterk en dapper, door die voetreizen over bergen en door dalen, zonder andere vijanden om te vreezen, dan wind en regen; en op vele plaatsen goede vrienden achterlatende.Zij vonden dat vrije leven prettig, al was het niet gemakkelijk; maar nooit verloren zij uit het oog, dat zij Prinsen waren, zelfs toen hun paarse pakjes tot rafels versleten waren en de bruine mantels niet veel beter. Niets laags, zelfzuchtigs, wreeds of onrechtvaardigs verstoordeooit den vrede hunner eerlijke harten en goede gewetens; en vele edelmoedige daden, zachte woorden en goede gedachten maakten deze bedeljongens ten laatste tot koningen over zich zelf, en zeer rijk door de zegenbeden van al degenen, die zij zoo vriendelijk hadden geholpen en vertroost.Toen de lente kwam waren zij heel ver van huis, en gevoelden zij, dat het nu tijd was de tooverzaden te gaan beproeven. Zij kozen dus een zonnig plekje uit op een afgelegen heide, waar de grond vruchtbaar was, en een beekje in de nabijheid vloeide, en waar niemand woonde, die het hun kon beletten, en dáár plantten zij hunne zaadjes, en verpleegden die zorgvuldig.Terwijl zij wachtten op de bloemen, bouwden zij van groene takken een hutje, en leefden van wilde bessen, van konijnen, die zij in strikken vingen, visschen die zij bemachtigden, en roggebrood, dat zij kochten van een oude vrouw, die daar kwam om kruiden te zoeken. Zij hadden nog wat opgespaard geld, en als dat op was, zoude een van hen een paar dagen op reis gaan en door muziek hun knapzak weêr vullen, terwijl de ander de wacht bleef houden bij het bedje teedere plantjes, die welig en sterk opgroeiden.Zij waren nieuwsgierig wat voor bloemen het zijn zouden, en vreesden soms, dat ze nooit bloeien zouden, daar het zoo lang duurde, eer er knopjes aan kwamen.„Als er geen bloemen aan komen, zijn wij zeker geen goede tuiniers, al zijn we welkoninklijk,” zeide Paars eens, terwijl hij zijn plantjes water gaf.„Dan zullen wij verder de wereld rondreizen, met ons gezang en onze luiten, broeder. Tegen dien tijd zullen wij wel tot mannen opgegroeid zijn, zoodat wij strijden kunnen, om ons koninkrijk terug te krijgen,” antwoordde Krip, en wiedde ijverig het onkruid uit van tusschen de lage planten, die een groote oppervlakte bedekten, en aan wier menigvuldige takken een menigte groote, stijf toegevouwen knoppen zaten.„Onze oude buurvrouw, de kruidenzoekster, is heel nieuwsgierig omtrent ons tuintje en zou gaarne willen weten, wat wij hier verbouwen. Ik heb haar gezegd, dat wij het zelven niet weten, maar als de bloemen komen, dat zij ze dan mag zien; want zij heeft er veel verstand van, en het zou kunnen zijn, dat dit een nieuw kruid voor haar was, om de zieken meê te genezen. Dat zou een heerlijk loon voor onze moeite zijn, al maakten wij er dan ook nooit fortuin meê.”„Dat zou het! Ik zou nog liever menschen gelukkig maken, dan een Koning te zijn; gij ook zeker, broeder!”Terwijl de broeders spraken vervulde een liefelijke geur de lucht, en begonnen al de blaadjes zacht te ruischen, als werden ze door een zuidewindje bewogen. Toen werd alles weêr stil en begonnen de leeuweriken hoog boven hunne hoofden te zingen, als vertelden ze een blijde tijding aan de schoone blauwe wereld ver boven de wolken.Den volgenden morgen, toen de Prinsen naar hun tuintje gingen, zie! toen was alles in bloei, en zag het er uit alseen prachtig tapijt van goud, purper en paars en wit en groen, geschikt voor eens koningspaleis. De bloemen waren violen, maar zoo mooi, als er nooit te voren gezien waren, want deze waren zeer groot en zagen er uit als echte gezichten, half droevig, half vroolijk van uitdrukking, naarmate de gele en de donkere blaadjes ze omlijstten. Zij zagen er allerliefst uit, geurden heerlijk, en toen ze door den wind op en neêr bewogen werden, schenen zij elkaar iets zoo gewichtigs toe te fluisteren, dat de jongens heel gaarne die mooie vertelling zouden verstaan hebben.„Wat kunnen wij met die violen doen en hoe kunnen zij ons geluk aanbrengen?” zeide de oudste broeder, terwijl hij met een ernstig gezicht naar de lieve bloemen aan zijn voeten stond te kijken.„Wel, eerst ervan genieten, en er dan kleine ruikertjes van verkoopen, om geld te verdienen; want zulke mooie ziet men maar zelden; de menschen zullen ze gaarne koopen,” antwoordde de jongere broeder, en begon terstond er eenige te plukken.„Daar hebt gij gelijk in, en dan kunnen wij ook zaad verzamelen, en net zoolang violen kweeken en verkoopen, tot wij rijk zijn. Het zal lang duren; maar geduld hebben wij in den toren geleerd, en wij zullen wachten, en zien wat voor geluk de violen ons aanbrengen,” zeide Prins Paars, en knielde neêr bij een groepje van de lieve bloemen, die hem toeknikten, als verheugden ze zich, door zulke vriendelijke handen geplukt te worden.„Ei, ei! Wat zie ik! Voorzeker, mijn jongens, zijt gij toovertuiniers, dat gij aan dezen wilden heîgrond zulke prachtige bloemen weet te ontlokken,” zeide een beverige stem achter hen, toen de oude kruidenzoekster kwam aanstrompelen, met een boezelaar vol paddestoelen en een mandje vol geurige wortels en bladeren.„Het zijn slechts violen, om naar de markt te brengen, Moedertje,” antwoordde Krip, en zag haar glimlachend aan.„Zie eens, hoe mooi ze zijn! Gij krijgt de eerste, daar gij zoo vriendelijk voor ons zijt,” voegde Paars er bij, en bood haar een ruikertje aan, even hoffelijk als knielde hij voor een Koningin, in plaats van voor een oud vrouwtje, zoo bruin en gerimpeld als een verdord blad.„Goede jongens! Ik zal nog vriendelijker voor u zijn en de geschiedenis voor u lezen, die deze fraaie bloemen wenschen te vertellen,” zeide zij, terwijl haar oogen glinsterden, en zij de violen in hare magere handen ronddraaide.„Ik kan alle planten lezen en leer daardoor vele vreemde zaken. Zie maar, of ge dit droevig verhaal begrijpt, want dit staat geschreven op deze bloemen, en het moet waar zijn, want zij kunnen niet liegen.”De Prinsen kwamen dichter bij haar staan en keken nieuwsgierig toe, hoe een bevende vinger de verschillende deelen van de bloem achtereenvolgens aanwees, terwijl de oude vrouw sprak, en hen daarbij nu en dan aankeek met beteekenisvollen blik, daar hun gezichten ook veel zeiden.„Er zijn vijf bladen. Dit groote gouden zit alleen op eendubbelen groenen zetel. Deze twee kleinere gele blaadjes, met een klein randje paars, zitten aan beide zijden; maar deze twee paarse bladen hebben slechts één groenen zetel, hoewel zij mooier zijn dan een der anderen. En kijk nu hier in het midden, dat kleine mannetje in het groen, met een rood kapje op, op het warmste, veiligste plekje, met een zakje zaden, die mettertijd rijp zullen worden, als hij de zon toegang tot zijn hart wil geven. Komt nu, mijn zonen, ziet gij hierin eenige beteekenis?” vroeg de oude ziel met een scherpen blik op de knapen, die bloosden en glimlachten en zuchtten, maar niet spreken konden, want hun eigen droevige geschiedenis stond in de tooverbloem naar waarheid beschreven.De kruidenvrouw knikte veelbeteekenend, maar zeide enkel op vriendelijken toon, terwijl zij het ruikertje op hare borst stak: „Heart’s-ease1wil niet voor iedereen groeien; maar de heele wereld heeft er behoefte aan en zal die goed betalen; verkoopt dus uw violen, mijn jongens, en verdient er een fortuin meê. Ik zal ook op de markt zijn, als gij er komt, en een goed woord voor u doen, hoewel gij eigenlijk niemands voorspraak noodig hebt, met uw vriendelijke gezichten en zachte manieren.”Toen ging zij heen, en de verbaasde Prinsen haastten zich al de bloeiende takjes af te plukken, en er met geurig gras ruikertjes van te maken, en die in mandjes te leggen,die zij zelven reeds vroeger van groene biezen gevlochten hadden. Het zag er lief uit; want de violengezichtjes schenen iedereen toe te lachen, en de zachte geur riep duidelijk: „Komt, koopt ons!” en de dauw schitterde op de blaadjes, als diamanten op de gouden en purperen kleederen eener Koningin.Toen de Prinsen in de naastbijgelegen stad kwamen, gingen zij op de markt staan en prezen hunne waar aan, evenals andere lieden hunne vruchten en groenten; maar hun voorkomen was zoo edel, hun stem klonk zoo helder, hun bloemen waren zoo groot en prachtig, dat, ondanks hun armoedige kleeding en nederig werk, iedereen, die hen zagen hoorde, terstond gevoelde dat die knapen iets bizonders moesten zijn, met hun geroep van: „Violen! hier zijn versch geplukte violen te krijgen! Wie koopt ze? Wie koopt onze violen?”Elkeen, die langs de markt kwam, was bekoord door die groote „pensées”, zooals de Franschen deze bloem noemen, want iets dergelijks had men in dat land nog nooit gezien. De mandjes waren dus weldra leêgverkocht, en zelfs een paar goudstukjes schitterden tusschen de koperen en zilveren muntstukjes, die zij in hun zakken lieten glijden, daar rijken zoowel als armen zich haastten deze edele waar te koopen. Zeer tevreden over hun dagwerk, gingen de jongens vroolijk naar huis, om de bloembedjes te begieten, en zich te verheugen over de knopjes, die zich weêr in grooten getale vertoonden.Daarna verkochten zij gedurende den geheelen zomer bloemen; want de tooverviolen bloeiden voort totdat de vorst kwam, en een ieder die ze kocht ontdekte, dat zij wezenlijk hun Engelschen naam eer aandeden, en gelukkige gedachten en troost aanbrachten, en arm en rijk werden daardoor des te begeeriger ze te koopen. Dokters zonden om die bloemen voor hunne zieken; bedroefden bestelden ze, om er door opgevroolijkt te worden; jazelfsslechte menschen hielden van die bloemen, omdat de aardige gezichtjes, half ernstig, half vroolijk, hun nooit een verwijt deden, maar zoo prettig tegen hen glimlachten, dat daardoor betere gevoelens in hun slechte harten opgewekt werden.Heinde en verre werd de mare omtrent deze nieuwe plant, zooals men ze noemde, verspreid; vorsten en vorstinnen smeekten om het zaad te mogen hebben, daar Heart’sease (gemoedsrust) juist hun dikwijls ontbrak. Verscheidene plantjes bereikten zelfs den luien Koning, terwijl hij in zijn weelderig vertrek zijn wijn zat te drinken, zat te lezen en te slapen; en het zien dier bloemen maakte hem wakker, want de naam zijner overleden vrouw was Viola geweest, en hij begon nieuwsgierig te worden, waar zijne zonen wel zijn mochten, en naar hen te vragen.De Koningin had ook het wonderkruid noodig; want zij werd zeer verontrust door de wanorde in haar rijk. Hare onderdanen hielden niet van haar, en het begon hen te vervelen, hooge belastingen te betalen, om hare pracht te bekostigen. Zij begonnen oproerig te worden, vooral dearmen, voor wie zij volstrekt niet zorgde, maar die zij honger en ontbering liet lijden, terwijl zij voor vermaak en genot leefde.Zelfs de rijken en hooggeplaatsten werden ontevreden, en wenschten nog rijker en hooger geplaatst te zijn, en twistten onder elkander en maakten duidelijke toespelingen, dat zij de Prinsen vermoord of verbannen had, die nu eigenlijk behoorden te regeeren, en het zeker beter zouden doen dan zij.Sleutelbloem en Narcis hadden de tooverbloemen laten komen, daar zij alles, waarvan zij hoorden dat het nieuw en mooi was, wilden hebben, hoeveel het ook mocht kosten. Toen de lieve plantjes kwamen, in prachtige porceleinen bloempotjes, waren de jeugdige Prinsessen er zóó meê ingenomen, dat zij niemand anders in hare nabijhêid vergunden ze te hebben.„Dit zijn onze kleuren, en deze bloemen moeten het kenteeken onzer koninklijke waardigheid zijn, en op straffe des doods mag niemand anders ze dragen,” zeiden zij; en zij lieten voor zichzelven prachtige nieuwe costumes maken van goud met paars fluweel, overal bezet met violen, en gaven ook aan hare lakeien livrei van die kleuren; op hare rijtuigen, meubelen en alles werd dit sierlijke nieuwe wapen, waarop zij heel trotsch waren, aangebracht.Maar zij werden, evenals hare moeder, weldra gewaar, dat die naam meer beteekende, dan alleen een fraaie bloem. „Pensée” is het Fransch voor „viool” en „gedachte”, en in hare zorgelooze zielen kwamen gedachten oprijzenover al het kwaad, dat zij gedaan hadden, alsof de geur van het nieuwerwetsche viooltje haar verwijten deed, terwijl de vriendelijke gezichtjes haar herinnerden aan de droevige gelaatstrekken van de verbannen zonen, wier plaatsen zij wederrechtelijk hadden ingenomen.Allen waren dus verontrust, en de toovermacht der bloemen begon in huis zoowel als daarbuiten te werken, en zoo behulpzaam te zijn om de zaken voor te bereiden, tegen dat de reizigers zouden terugkomen.Intusschen reisden de Prinsen de wereld rond, leerden zij veel en werden zij wijs en braaf, zoowel als groot en dapper, en zeer schoon en mannelijk van gestalte. Des Winters zongen en speelden zij, en werd geen Kerstfeest vroolijk geacht zonder medewerking van de luitspelers, geen boerenbruiloft zonder hunne medewerking gevierd, en moesten zij ook dikwijls in paleizen voor adellijke heeren en dames muziek maken, om bij te dansen, en werden dan zeer ruim beloond. Maar wat zij het liefste deden, was in gevangenissen, ziekenhuizen, of arme buurten zingen, waar ze niet enkel vermaak en troost brachten, maar ook dikwijls geld, waarna ze dan stil wegslopen, zonder te wachten op een bedankje, gelukkig in staat te zijn, de droeven en zieken en lijdenden te helpen.In den zomer rustten zij uit, op een of ander mooi plekje, en plantten er tooverzaad, dat op elken grond groeien wilde, en overal evenzeer bewonderd werd.Zoo vervolgden zij hun weg, bezig en gelukkig, overaleen spoor van muziek en bloemen achterlatende, en de wereld verhelderend en verbeterend, door schoone geluiden en blijde gedachten, totdat zij den naam kregen van de „Gezegende Knapen”, en men in het Oosten en het Westen, het Noorden en het Zuiden hen opwachtte, verwelkomde en liefhad.Vele zomers en winters verstreken en zij waren volwassen jongelingen, toen zij op hunne reis rondom de wereld weêr in huns vaders koningrijk aanlandden. Maar hoewel thans oud en wijs genoeg om te regeeren, en verzekerd, dat zij door het ontevreden volk met blijdschap zouden begroet worden, gevoelden zij, dat ze niet langer toornig of bitter waren tegen degenen, die hen verongelijkt hadden. De tijd had hun geleerd te vergeven en te vergeten; hun gelukkig, vreedzaam leven had hen een afkeer ingeboezemd van strijd en oorlog; en zij hadden zelven de vrijheid zoo lief, dat ze het hart niet hadden anderen tot gehoorzaamheid te dwingen.„Wij heerschen over een grooter, heerlijker rijk, dan dat van onzen vader; onze onderdanen hebben ons innig lief, en wij zijn aan geen troon gebonden, maar zoo vrij als de wind; laat ons daarmede tevreden zijn, en niet meer verlangen,” zeide Prins Paars tot zijn broeder, terwijl zij, zittende op een heuvel, buiten de poort, neêrzagen op de oude bekende stad.„Ik zou geen lust hebben, in een paleis opgesloten te zitten, en verplicht te zijn mij aan allerlei regelen te onderwerpen. Maar als hetgeen wij gehoord hebben waar is, dan is er hier overvloed van werk te doen voor de armen, enwij hebben zooveel overgespaard, dat wij althans beginnen kunnen met hen die het meest lijden te helpen. Niemand behoeft vooralsnog te weten wie wij zijn; en wij kunnen stil voortwerken, terwijl wij wachten, totdat onze vader onzer gedenkt, en ons terugroept,”antwoorddeKrip, die even fijn en teêr, maar ook even zacht was, als de stof waarnaar hij genoemd was, en die hij gaarne op zijn kleêren droeg.Zij vermomden zich dus als jeugdige Barmhartige Broeders, met zwarte kappen en lange tabberden, en gingen de stad in, om een woning te zoeken.De oude Adam leefde nog, maar was thans heel arm; want de Koningin had hem weggezonden, nadat de Prinsen ontvlucht waren, en de Koning had hem volkomen vergeten. De knapen spoorden hem op, en vertelden hem wie zij waren, en kwamen bij hem wonen, hetgeen den ouden man zeer verheugde en waarop hij trotsch was, en dat niet weinig tot zijn geluk en welvaart toebracht.Den geheelen dag lang gingen de Broeders rond onder de armen, en hielpen hen op verscheidene wijzen. Bloemen ontloken waar zij den voet gezet hadden, alsof de tooverzaadjes onzichtbaar uit hunne zakken vielen; en weldra lieten zij door de geheele stad een spoor achter zich van gelukkige gezichten, en potjes violen voor de vensters in nederige hutjes, waar vroeger nooit bloemen groeien wilden.Niemand kende hen bij een anderen naam dan dien van „de Broeders,” en menige zieke en treurende ziel zegende hen, om al het goede, dat zij zoo in alle stilte deden.Weldra bereikte het gerucht van deze verwonderlijke jonge mannen het paleis, waar de oude Koning thans ziek lag en de Koningin in doodsangst verkeerde; want het volk haatte haar, en elk oogenblik kon er een oproer losbarsten. Zij zond om de Broeders, en zij kwamen oogenblikkelijk, in de hoop eenig goed te kunnen doen.Niemand herkende de aardige Prinsjes in die twee volwassen monniken, half verscholen in hunne kappen en tabberden; maar het scheen wel, als waren troost en moed met hen binnengekomen, want de zieke Koning gevoelde zich sterker, als zij aan zijne legerstede baden of zongen, en de beangste Koningin vatte nieuwen moed, beleed voor hen hare zonden en smeekte hen haar te zeggen wat zij doen moest, daar zij had leeren inzien, dat zelfzucht, pracht en weelde noch geluk, noch liefde en eerbied aanbrachten.„Indien ge oprecht berouw hebt, tracht dan het kwaad, dat gij gedaan hebt, weêr goed te maken,” antwoordde een der Broeders stoutmoedig.„Maar de Prinsen zijn weg of dood, en mijn volk haat mij,” zuchtte de arme Koningin.„God heeft beter gezorgd voor de moederlooze knapen, dan gij deedt, en zij zullen terugkomen, wanneer de rechte tijd daartoe aangebroken is. Zorg gij maar, dat ge met uw volk medelijden hebt, en hen helpt. Maak, dat ze u leeren liefhebben en vertrouwen; dan zult gij veilig zijn en gelukkig, en uw rijk zal bloeien,” zeide de andere Broeder met zijn zachte stem.„Dat wil ik, dat zal ik!” riep de Koningin, terwijl tranen van berouw op haar goudlakenschen mantel vielen, die door die zilte droppelen niet dof werd, maar des te helderder schitterde.Toen raadpleegde zij de Broeders; en terwijl Krip den ouden vader verpleegde en opvroolijkte, hielp Paars zijne stiefmoeder het vertrouwen van haar volk te winnen, door met ruime hand brood en geld uit te deelen, betere huizen voor hen te doen bouwen, betere wetten te maken, en met meer rechtvaardigheid en barmhartigheid te regeeren, totdat de vrede terugkeerde en het gevaar voor oproer geweken was;—want vriendelijkheid verovert de harten.De Prinsessen wilden eerst van al die veranderingen niets weten, en waren boos op die nieuwaangekomenen, omdat zij zelfverloochening, nederigheid en eenvoud predikten; maar de monniken wisten haar deze zoo smakelijk en aanlokkelijk te maken, door hun overredende woorden en door hun eigen heerlijk voorbeeld, dat weldra deze Koningsdochters evenzeer als al hare hofdames begonnen in te zien, hoe zelfzuchtig en ijdel haar bestaan was geweest, en verlangden naar verbetering.Het kostte veel tijd, haar aan het verstand te brengen, hoe noodig het was, al die gewoonten van dwaze weelde af te schaffen, haar fraaie kleêren vrijwillig prijs te geven, en smaak te krijgen voor goede boeken, degelijk gezelschap, wezenlijke weldadigheid, en al de lieve eenvoudige genoegens, plichten en lessen, die het leven gelukkig makenen den dood rustig doen afwachten, als die komt tot koningen, zoowel als tot bedelaars.Deze schoone taak vorderde veel tijd en geduld. De oude vader scheen als uit den slaap te ontwaken, en verwonderde zich zelf er over, dat hij zooveel tijd met droomen verkwist had. Thans was het te laat voor hem om nog te regeeren; hij had er nu niet genoeg kracht meer toe, en tevergeefs reikhalsde hij thans naar zijn flinke jongens.De Koningin zat alleen op den troon, thans niet meer een voorwerp van haat, maar vergeven en bemind, en zij had gelukkig kunnen zijn, indien niet de gedachte aan de verloren Prinsjes haar nacht en dag, als een spooksel, vervolgd had, totdat zij ten laatste zoozeer van berouw en verdriet vervuld was, dat zij besloot, tot boetedoening voor hare zonden, in een klooster te gaan. Maar wie zou er dan in hare plaats regeeren? De Koning was te oud en te zwak, de Prinsessen waren te jong, en de rechtmatige erfgenamen waren weg of dood.„Nu is de rechte tijd aangebroken,” zeide Paars. „Nu heeft men ons noodig, en moeten wij ons koningrijk in bezit nemen, vóór een vreemde indringer het soms overweldigt.”„Broeder, ik ben bereid, en wij zijn beide des te meer geschikt om te regeeren als Prinsen, doordat wij geleerd hebben, als armen te arbeiden, te wachten en ons gelukkig te gevoelen,” antwoordde Krip.Er werd eene groote raadsvergadering belegd, van al de wijzen en grooten en braven in den lande, om een nieuwenKoning te verkiezen, want de Koningin wenschte afstand te doen van den troon, dewijl zij genoeg had van hare grootheid. Toen allen bijeenvergaderd waren, en de fraai gekleede dames van uit de gaanderij zaten neêr te kijken op die ridders in volle wapenrusting, die grijsharige Ministers en die flinke burgers, verheugde iedereen zich, de geliefde Broeders te zien binnenkomen, en nederig aan het lager eind van de raadstafel plaats nemen. Waar zij ook kwamen, waren zij altijd welkom; want hoewel nog zóó jong, schenen zij toch de harten der menschen beter te begrijpen, dan de oude lieden, die hun leven lang boekenwijsheid opgedaan hadden. Na veel redeneeringen, zeide de Koningin, terwijl zij van den grooten gouden zetel afdaalde:„Laat ons aan onze goede vrienden, die ons zoo trouw geholpen hebben, en ons aangetoond, wat er op een troon noodig is, verzoeken onze leêge plaats te bezetten. Waarde Broeders, komt nader en zegt ons, wie thans den troon beklimmen moet, want ik ben het niet waardig.”Zonder een woord te spreken kwamen de twee jeugdige monniken naar den verheven zetel toe, gingen elk aan een zijde der Koningin staan, en lieten hunne vermomming afzakken van hunne schouders. En dáár stonden ze toen, in Paars fluweelen kleedij, met de goudblonde lokken en schoone gelaatstrekken van de Koningszonen, wel ouder en ernstiger geworden, maar toch dezelfde van vroeger,—dáár waren de verloren Prinsen, die ten laatste tot de hunnen terugkeerden.Alle omstanders waren zoo verbaasd, dat in het eerste oogenblik niemand sprak of zich bewoog; allen stonden op van hunne plaatsen en keken zwijgend toe, terwijl Paars, met een glimlach en een gebaar, die hunne harten stalen, zeide:„Wij zijn bereid onze rechtmatige plaatsen in te nemen, indien gij ons noodig hebt, en wij zullen met blijdschap het verledene vergeten, vergeven wie ons verongelijkt hebben, en trachten voor allen de toekomst gelukkig te maken. Wij zijn gevangenen geweest, bedelaars, tuiniers, liedjeszangers en monniken, op onze lange tochten. Thans zijn wij weêr Prinsen, des te beter geschikt om te regeeren, door de harde lessen, die wij geleerd hebben; terwijl tijd, armoede, moeite en ellende ons de waarde hebben leeren beseffen van geduld, rechtvaardigheid, moed en barmhartigheid.”Toen hij uitgesproken had, brak er een algemeene juichkreet los, om hen welkom te heeten, en de Koningin viel hun te voet, en smeekte om vergiffenis; terwijl Sleutelbloem en Narcis haar gelaat bedekten, daar ze zich herinnerden, wat wreede dingen zij gezegd en gedaan hadden. Er viel niet aan te twijfelen, of de Prinsen waren hartelijk welkom en zeer bemind in hun rijk; en weldra verspreidde zich de blijde tijding door de geheele stad. De klokken werden geluid, er werden vreugdevuren ontstoken, de menschen dansten en zongen, en er werd overal feest gevierd, in paleizen en hutten, ter eere van de „Gezegende Knapen.”De oude Koning werd van den schrik klaar wakker, en was zoo opgetogen, dat hij op stel en sprong zijn bed uit stapte, als door een tooverslag genezen van al zijne kwalen, behalve zijn ouderdom.De Koningin kon weêr glimlachen, en gevoelde nu, dat zij vergiffenis ontvangen had op haar bede; Sleutelbloem en Narcis werden even lief en aardig als de bloemen, waarnaar zij genoemd waren, en de Prinsen werden verliefd op hunne halfzusjes, op de goede, oude wijze van alle tooversprookjes.Thans was alles in orde, en het koningrijk zag er weldra uit, als een groote violentuin; want de geliefkoosde bloem bloeide overal, en armen en rijken hielden die evenzeer in eere.Het duurde niet lang, of er werden aan het Hof met groote pracht twee huwelijken voltrokken, en er werd een nieuwe troon gemaakt,—een dubbele; want daarop zaten de Tweeling-Koningen, met hunne jonge vrouwen naast zich. De oude Koning had eerst vrijwillig afstand gedaan van de regeering; en de Koningin was het heerschen zoozeer moede, dat zij zich met blijdschap thans geheel wijdde aan haar echtgenoot. Beiden genoten van het geluk hunner kinderen, die lang en voorbeeldig regeerden in Violenland; want dien naam gaven zij aan hun land, uit dankbaarheid jegens de bloem, die hun vrienden, rijkdom, wijsheid en gemoedsrust aangebracht had.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .„Dat is een mooie geschiedenis, en ik zal die goed onthouden,” zeide Marianne, toen de vertelster zich bukte, om zich te verfrisschen met een slokje water, na die lange vertelling.„Vergeet vooral niet, wat er uit te leeren valt, liefje,” zeide de bloem met haar lieve stem. „Leer u zelve te beheerschen; maak uw eigen klein rijk vreedzaam en gelukkig, en acht nooit iets te gering, om er wat van te leeren,—al ware het slechts een Viooltje.”Vaasje met viooltjes.
Kleine Marianne was ziek geweest, en nog zoo zwak, dat zij nog alle dagen verscheidene uren op haar bed moest liggen rusten en slapen.
Eens op een winternamiddag, toen buiten de sneeuw langzaam neêrdaalde, en het in de kamer heel stil was, daar de kindermeid in haar stoel zat te dommelen, de poes op het haardkleedje lag te spinnen, en er niets nieuws ofaardigs in de kamer was om naar te kijken, dan een bosje violen in een vaasje naast het bed, zeide Marianne bij zichzelf met een zucht:
„Had ik maar iemand, om mij een vertelling te doen, dan zou ik nog kans zien, dezen langen dag zonder klagen door te komen. Maar Mama is uit, Daatje is moê, en al mijn boekjes ken ik al uit mijn hoofd; wat kan ik dus doen, daar ik te moê ben om met mijn poppen te spelen?”
Niemand beantwoordde deze gewichtige vraag; en Marianne zuchtte weer, toen zij zich omkeerde om den anderen kant uit te kijken, hopende in die richting hulp of vermaak te vinden.
De zonderlinge dames op den grooten Japanschen waaier boven den spiegel keken haar aan met haar smalle schuine oogjes, maar schenen het te druk te hebben met thee drinken uit rood en gele trekpotjes, om eenig belang te stellen in het bleeke meisje dáár in bed. De spelden zaten even wijsneuzig als altijd op het blauw satijnen kussen; maar noch die met den paarlemoeren vlieg er op, noch het gouden roosje, noch het grappige ochtendspeldje, met haar erin, en van achteren een portretje van een dik kindje,—van welke broche Daatje zooveel hield,—waren thans in staat haar tevermaken. De poppen lagen opgestapeld in de wieg, met hunne ongelukkige armen en beenen naar alle kanten uitstekend, droevig verwaarloosd door hun kleine mama; terwijl de geliefkoosde boeken op de plankjes in den laatsten tijd zoo dikwijls doorgelezen waren, dat zijthans niets nieuws of prettigs meer aan te bieden hadden.
„O wee! Ik wou, dat de vogels op het behangsel, of de kinderen op de platen, die rondom aan de muren hangen, tot mij konden spreken, of voor mij zingen. Ik ben toch heusch zoo zoet en geduldig geweest, dat er dunkt mij wel iemand medelijdenmoethebben met het arme, zieke meisje en iets verzinnen om haar plezier te doen,” zeide Marianne, met een derden zucht, nog dieper dan de vorige.
Deze zucht blies zooveel adem uit, dat een van de bloempjes erdoor uit het vaasje werd geblazen. Marianne nam het bloempje op en bekeek het, bereid voor elk speelmakkertje, al was het maar een eenvoudig viooltje.
Dit was bizonder mooi geteekend, en had zoo’n lachend gezicht in zijn lichte en donkere blaadjes, dat het kind een gevoel had, alsof zij nu een vriendinnetje gevonden had, en de viool begon te kussen; want zij was niet alleen eenzaam, maar ook door zwakte aandoenlijk gestemd.
Tot haar groote verrassing knikte de bloem tegen haar, en toen ze die nog dichter tegen haar gezicht aandrukte, zeide een lief, zacht stemmetje:
„Nu kan ik spreken en vind het heel prettig u wat te komen opvroolijken, want wij hebben veel medelijden met u gehad, omdat wijzelvenons eenzaam en verlaten gevoelen, zoo ver van onze familie verwijderd.”
„Wel, aardig bloempje, wat vind ik dat prettig, u te hooren praten en u te zien glimlachen tegen mij! Ik bid u, vertel mij alles omtrent u zelf. Ik houd dol veel vanbloemen, en was heel blij, toen een van mijn schoolmakkertjes mij dit mooie ruikertje violen zond,” zeide Marianne, zeer verheugd over deze verrassing.
„Ik heb geen geschiedenis, want ik ben geboren in een oranjerie, en heb mijn heele leven in een bloempotje doorgebracht, met vele zusters, die zoodra zij bloeien weggedragen worden, en nooit weêrom komen. Slechts een paar uur heb ik in een winkel doorgebracht, en werd toen in een papier gespeld, en door een vreeselijken jongen hierheen gebracht, die ons aan de deur afgaf. Wij waren heel blijde, dat wij in dit mooie vaasje, met frisch water gevuld, werden neêrgezet, in deze rustige, warme kamer, met een vriendelijke meesteres, om naar ons te kijken. Maar als gij een geschiedenis van onze nabestaanden wilt hooren, zal ik u een oud verhaal doen, dat onze heele familie goed kent en waarvan zij ook veel houden.”
„Doe dat, als ’t u blieft!” riep Marianne; en toen lag zij, met haar poesje slapend op haar arm, vol belangstelling te luisteren naar het verhaal van:
DE PRINSEN EN DE VIOLEN.
EEN TOOVERSPROOKJE.
Er was eens een Koning, die twee jeugdige zoontjes had, genaamd Paars en Krip, omdat zij altijd in den rouw waren over hunne moeder, die bij hun geboorte gestorven was. De Koning wilde geen paars dragen, hoewel dezekleur meer gebruikelijk was dan zwart voor koninklijken rouw. Hij was een zeer zelfzuchtig man, die zich enkel om zijn eigen gemak en genoegen bekommerde; hij bewoonde dus zijn prachtige vertrekken, en vermaakte zich met zijn boeken, lui en tevreden, in zijn groen fluweelen kamerjapon, met het roode kapje op; hij sliep veel, las en dronk wijn, ten einde het verlies van zijn schoone Koningin te vergeten.
Hij bekommerde zich niet om zijn twee zoontjes, en liet hen over, eerst aan de min en kindermeiden, daarna aan de meesters, toen zij van zuigelingetjes opgegroeid waren tot knappe jongens, zoo lief, verstandig en braaf, dat de menschen zeiden, dat de geest van hun overleden moeder hen zeker bewaakte, wat ook misschien het geval was.
Zij waren altijd te zamen, altijd bezig, steeds zachtzinnig en vriendelijk, maar wel wat droevig, omdat hun vader hen niet liefhad; en al de liefde van de vele vrienden, die zij zich maakten, konden hun het gemis van vaderliefde en moederzorg niet vergoeden.
De onderdanen van den Koning wilden hem bewegen weêr te gaan trouwen, opdat het Hof weêr opgevroolijkt mocht worden door feesten en bals en tooneelvertooningen, zooals voorheen; maar hij was te zelfzuchtig en te lui, om daarvan werk te maken, totdat eindelijk zekere schoone dame hem kwam opzoeken. Zij was een weduwe met twee dochtertjes, genaamd Sleutelbloem en Narcis, omdat zijaltijd gele jurkjes aanhadden. De moeder dezer meisjes heette Tijloos (Jonquille) en had goudlakensche japonnen aan. Zij was heel trotsch en wilde gaarne Koningin zijn; zij deed dus een paars fluweelen mantel om, en liet de meisjes paarse hoedjes dragen, om den schijn te hebben van, evenals de rest van het volk, over de Koningin te rouwen; maar het was haar te doen om den Koning te trouwen. Moeder en dochters waren zoo mooi, zoo bekoorlijk, dat iedereen haar bewonderde en welkom heette; en terwijl de Prinses schaak speelde met den Koning, en hem verzen voorlas, om Zijne Majesteit te vermaken, speelden de kinderen met elkander, en trachtten vriendschap te sluiten.
Maar Sleutelbloem en Narcis waren ijdel, en zelfzuchtig en grillig; en de kleine Prinsjes bemerkten weldra, dat zij in alles haar eigen zin wilden hebben en doordrijven, en dat zij zich onhebbelijk driftig aanstelden, wanneer iemand het waagde haar te berispen. De knaapjes waren dus ongelukkiger dan ooit, toen men hun vertelde, dat hun vader met die Prinses zou gaan trouwen, en dat dus deze onaangename meisjes hunne halfzusters zouden worden.
Het huwelijk was prachtig: de klokken werden geluid, de trompetten werden geblazen, en iedereen vierde feest en danste. Wijn vloeide uit de fonteinen, en op de markten werden feestmalen aangericht, zoodat alle arme menschen, zoowel als de rijken, ruim onthaald werden. De nieuwe Koningin beijverde zich zeer haar nieuwe onderdanen te behagen, en maakte het leven zoo vroolijk, dat in denbeginne iedereen haar prees; en de Koning liet met blijdschap de regeering aan haar over, als hij dan maar rustig bij zijn boeken en flesschen mocht zitten.
Nu waren die meisjes trotscher dan ooit, en pronkten zij als pauwen in haar fraaie nieuwe kleêren. Maar de Prinsjes wilden hun rouwgewaad niet afleggen, hoewel zij wel gouden gordels omdeden, en gele bloemen op hun hoedjes zetten, ter eere van de Koningin. Zij deden hun best te deelen in de algemeene pret; maar bemerkten, spoedig, dat zij door iedereen verwaarloosd werden; want de menschen zagen weldra wie de meeste macht kreeg aan het Hof, en liefkoosden en vleiden nu de jonge Prinsesjes, ten einde hare moeder te winnen.
Zij toonde hoe zij van zins was te regeeren, toen zij voor de eerste maal den troon besteeg; de Koning was er toen niet bij, en zij zat alleen in haar goudlakensche japon, schitterend om te aanschouwen. Zij zette hare dochters elk aan een kant, op de groen satijnen stoelen, die klaar gezet waren voor de Prinsen, en beval den armen jongens samen op haar voetbank te komen zitten.
Sommige lieden waren daarover heel boos, en vertelden het aan den Koning; maar deze zeide enkel: „Valt mij nu niet lastig. Hare Majesteit moge het doen, zooals zij het best vindt; en mijne zonen moeten haar gehoorzamen, alsof ze hare eigen kinderen waren.”
Er was dus niets tegen te doen; en de zachtzinnige knapen zaten aan de voeten der Koningin, terwijl de ijdele meisjeszaten te ritselen met hare zijden kleedjes, te lachen en te draaien met hare hoofden, op de hooge zetels, waar zij niet behoorden.
Dit was het begin van treurige tijden voor de Prinsen; want de nieuwe moeder wilde hen uit den weg ruimen, om zelve te kunnen regeeren, wanneer de Koning stierf. Zij durfde hen niet terstond weg te zenden, maar zij gebood hun, rustig met hunne onderwijzers in een afgelegen gedeelte van het paleis te wonen, en zich nooit te vertoonen bij de feesten, de jachtpartijen, of een der grootheidsvertooningen, waarop zij het volk vergastte. Daar hun vader hier niet tegen opkwam, gehoorzaamden de knapen, en vermaakten zich door den bloemtuin te verzorgen, met den ouden Adam, den tuinman, die hun allerlei wetenswaardige, aardige, nuttige dingen leerde omtrent de boomen en planten.
Ook leerden zij spelen en zingen; en zaten dikwijls op zomeravonden met hun kleine instrumenten liefelijker muziek te maken, dan de nachtegalen in de rozenstruiken, of de hofconcerten, waar de slechte Koningin en de trotsche Prinsessen in al haar luister zaten.
De knapen leerden ijverig en werden wijs onder de leiding hunner onderwijzers, die veel van hen hielden; maar, naarmate zij ouder werden, begonnen zij te verlangen naar meer vrijheid en genoegen, wanneer de jachthoorns werden geblazen en al de groote lui wegreden, om herten te gaan jagen, of hun valken te laten vliegen. Zij smeektende Koningin hen bij hun vader toe te laten; maar toen zij zag wat flinke mooie knapen zij werden, was zij meer dan ooit begeerig hen van de baan te schuiven, en des nachts, zond zij soldaten uit, om hen naar den toren te brengen, waar zij in een hoog kamertje werden opgesloten, met niets dan brood en water om van te leven,—geen boeken, geen vrienden, geen vrijheid; want niemand wist waar zij waren, daar de Koningin aan den vader wijs had gemaakt, dat zij weggeloopen waren, en nadat hij eenige lieden uitgezonden had, om naar hen te zoeken, bekommerde hij zich verder niet over het geval.
Zoo leefden zij een jaar lang geheel alleen in den toren; maar zij waren toch niet heel ongelukkig, want de zonneschijn lachte hun toe, vogels bouwden hun nestjes in den klimop, die de grijze muren bedekte, en de wind, loeiend of suizend rondom hun hoog verblijf, zong hen in slaap.
Zij hadden elkaar lief en vroolijkten elkander op, en hielden goeden moed, totdat er eens op een dag geen brood en water werd gebracht door het kleine luikje in de deur hunner gevangenis. Drie dagen lang kwam er geen voedsel, en toen begrepen zij, dat de slechte Koningin van zins was hen van honger te laten omkomen. De menschen dachten toch, dat zij weg waren, en allen, behalve enkele getrouwen, vergaten de Prinsjes en gehoorzaamden de Koningin, die als een tiran over hen heerschte, terwijl hare dochters bij den dag trotscher en zelfzuchtiger werden, en de oudeKoning het grootste gedeelte van den tijd sliep, en om niets gaf, dan om zijn eigen gemak.
„Broeder, nu moeten we ontvluchten; want blijkbaar komt ons niemand te hulp, dus zullen wij ons zelven helpen,” zeide Paars dapper, vast besloten niet denhongerdoodte sterven ter wille van een stiefmoeder.
„Dat willen we,” riep Krip; „maar hoe kunnen wij uit dezen hoogen toren komen zonder ladder?”
„Wij zullen er een maken. Dikwijls heb ik reeds over dit plan nagedacht; maar ik meende, dat het onze plicht was te gehoorzamen. Nu zijn we verplicht voor ons zelven te zorgen, en zullen we trachten zoo mogelijk onzen vader te bereiken. Van het stroo onzer bedden, de wollen dekens, de lakens, en zooveel van onze kleeren als we missen kunnen, zullen we touwen vlechten.
„Toch zal dat alles nog niet lang genoeg zijn, om den grond te bereiken; maar daarmeê kunnen we wel laag genoeg komen, om de dikke, sterke takken onder aan den klimop te halen, en daarlangs kunnen wij veilig verder naar beneden klimmen. Wij zullen het ’s nachts doen en dan den goeden, ouden Adam gaan opzoeken. Hij zal ons wel eten geven en helpen, en raad geven wat ons verder te doen staat.”
„Een prachtig plan! We moeten gauw aan het werk gaan, vóór onze krachten ons geheel begeven, anders is het te laat,” antwoordde Krip, die reeds heel bleek en slap was van honger.
Hun vingers repten zich om het hardst, en weldra hadden ze reeds een lang eind koord gedraaid en gevlochten; terwijl de arme jongens klimopbladeren kauwden en regen dronken om in het leven te blijven. Ten laatste hadden zij genoeg, om een heel eind naar beneden te komen; en toen de avond gevallen was liet Paars eerst zijn broeder afdalen,—want die was een uur jonger en geringer van gewicht, en hij wilde gaarne zeker zijn, dat die eerst veilig beneden was, alvorens hij zelf ontsnapte.
Krip klom dus naar beneden, terwijl de andere jongen uit het dakvenster leunde, en de zwakke ladder, daar vastgebonden, nog met zijne handen bevestigd hield, zijn adem inhoudende van angst, tot de donkere gestalte uit het gezicht verdwenen was, en een zacht fluiten hem de blijde boodschap bracht, dat de lieve jongen veilig beneden aangeland was.
Daarop volgde hij zelf, en Krip ving hem op in zijne armen, toen ook hij den voet van den toren bereikte langs den klimop; terwijl zelfs de vogels stil in hunne nesten bleven zitten, en geen der dikke klimoptakken brak onder den druk hunner handen of voeten,—want vogels en planten hadden hen lief, en waren hun trouwe vrienden, zooals wij verder ook zien zullen.
In de duisternis wisten de Prinsen toch den weg naar Adam’s huis te vinden in den grooten tuin, en zij werden aldaar hartelijk verwelkomd, want de oude man had hen reeds als dood betreurd. Toen hij hun geschiedenis hoordezeide hij, dat het hun toch niet gelukken zou tot hun vader door te dringen, maar dat zij hun leven in de waagschaal stelden, wanneer ze dat beproefden; want de Koningin was heel wreed en machtig, en zou hen niet in het leven laten, wanneer zij kans zag het te beletten.
„Gij doet het verstandigste heen te gaan, totdat gij volwassen zijt; en komt dan als mannen terug, om het Koninkrijk in bezit te nemen, dat u toebehoort.”
„Maar hoe moeten wij aan den kost komen? Wat kunnen wij doen, daar wij geen geld hebben, en geen vrienden om ons te helpen?” vroegen de jongens, toen zij na een goed maal zaten uit te rusten.
„Hier heb ik nog uw oude luiten,” zei de goede Adam; „die heb ik zorgvuldig voor u bewaard, en nu kunt gij de wereld doorgaan zingende en spelende, en zoo den kost verdienen. Ik zal u tooverzaadjes geven, die mijn vader mij nagelaten heeft, en die, volgens zijn zeggen, niet zullen groeien, tenzij geplant door koninklijke handen, en die alsdan den gelukkigen eigenaar, voor wien zij bloeien, voorspoed zullen aanbrengen. Tuinieren hebt gij van mij geleerd; als gij dus veilig het land uit zijt, moet gij op een eenzaam plekje uw zaad zaaien, en zien of die voorspelling uitkomt. Verder heb ik niets om u te geven, dan brood en wijn en mijn beste wenschen, mijn dierbare verongelijkte Prinsen! God zij met u, en doe u in goeden welstand tot ons terugkeeren, om lang en gelukkig over ons te regeeren.”
De broeders bedankten hem recht hartelijk, en zoodra, de morgen aanbrak, slopen zij de stad uit, met hunne luiten aan een koord op hun rug hangend, en taschjes met voedsel onder den arm, en beiden gehuld in bruine manteltjes, gemaakt van een ouden wijden koetsiersmantel van Adam.
Vrijheid en frissche lucht gaven hun weldra hun oude kracht en goeden moed terug, en toen zij op veiligen afstand van huis waren, begonnen zij in de dorpen, waar zij doortrokken, te zingen en te spelen. Met hun verlepte kleêren, lieve gezichten en vriendelijke manieren, waren zij een bekoorlijk stelletje jeugdige straatzangers, en een ieder luisterde met genot naar hun liefelijke muziek. Rijke menschen wierpen zilverstukjes in de mutsjes, die zij ophielden, als de liedjes uit waren, en armere lieden, die geen geld konden geven, gaven hun met vreugde nachtverblijf en voedsel.
Op die wijze kwamen zij genoegelijk den winter door; want sneeuw was er niet in dat land; en de knapen werden sterk en dapper, door die voetreizen over bergen en door dalen, zonder andere vijanden om te vreezen, dan wind en regen; en op vele plaatsen goede vrienden achterlatende.
Zij vonden dat vrije leven prettig, al was het niet gemakkelijk; maar nooit verloren zij uit het oog, dat zij Prinsen waren, zelfs toen hun paarse pakjes tot rafels versleten waren en de bruine mantels niet veel beter. Niets laags, zelfzuchtigs, wreeds of onrechtvaardigs verstoordeooit den vrede hunner eerlijke harten en goede gewetens; en vele edelmoedige daden, zachte woorden en goede gedachten maakten deze bedeljongens ten laatste tot koningen over zich zelf, en zeer rijk door de zegenbeden van al degenen, die zij zoo vriendelijk hadden geholpen en vertroost.
Toen de lente kwam waren zij heel ver van huis, en gevoelden zij, dat het nu tijd was de tooverzaden te gaan beproeven. Zij kozen dus een zonnig plekje uit op een afgelegen heide, waar de grond vruchtbaar was, en een beekje in de nabijheid vloeide, en waar niemand woonde, die het hun kon beletten, en dáár plantten zij hunne zaadjes, en verpleegden die zorgvuldig.
Terwijl zij wachtten op de bloemen, bouwden zij van groene takken een hutje, en leefden van wilde bessen, van konijnen, die zij in strikken vingen, visschen die zij bemachtigden, en roggebrood, dat zij kochten van een oude vrouw, die daar kwam om kruiden te zoeken. Zij hadden nog wat opgespaard geld, en als dat op was, zoude een van hen een paar dagen op reis gaan en door muziek hun knapzak weêr vullen, terwijl de ander de wacht bleef houden bij het bedje teedere plantjes, die welig en sterk opgroeiden.
Zij waren nieuwsgierig wat voor bloemen het zijn zouden, en vreesden soms, dat ze nooit bloeien zouden, daar het zoo lang duurde, eer er knopjes aan kwamen.
„Als er geen bloemen aan komen, zijn wij zeker geen goede tuiniers, al zijn we welkoninklijk,” zeide Paars eens, terwijl hij zijn plantjes water gaf.
„Dan zullen wij verder de wereld rondreizen, met ons gezang en onze luiten, broeder. Tegen dien tijd zullen wij wel tot mannen opgegroeid zijn, zoodat wij strijden kunnen, om ons koninkrijk terug te krijgen,” antwoordde Krip, en wiedde ijverig het onkruid uit van tusschen de lage planten, die een groote oppervlakte bedekten, en aan wier menigvuldige takken een menigte groote, stijf toegevouwen knoppen zaten.
„Onze oude buurvrouw, de kruidenzoekster, is heel nieuwsgierig omtrent ons tuintje en zou gaarne willen weten, wat wij hier verbouwen. Ik heb haar gezegd, dat wij het zelven niet weten, maar als de bloemen komen, dat zij ze dan mag zien; want zij heeft er veel verstand van, en het zou kunnen zijn, dat dit een nieuw kruid voor haar was, om de zieken meê te genezen. Dat zou een heerlijk loon voor onze moeite zijn, al maakten wij er dan ook nooit fortuin meê.”
„Dat zou het! Ik zou nog liever menschen gelukkig maken, dan een Koning te zijn; gij ook zeker, broeder!”
Terwijl de broeders spraken vervulde een liefelijke geur de lucht, en begonnen al de blaadjes zacht te ruischen, als werden ze door een zuidewindje bewogen. Toen werd alles weêr stil en begonnen de leeuweriken hoog boven hunne hoofden te zingen, als vertelden ze een blijde tijding aan de schoone blauwe wereld ver boven de wolken.
Den volgenden morgen, toen de Prinsen naar hun tuintje gingen, zie! toen was alles in bloei, en zag het er uit alseen prachtig tapijt van goud, purper en paars en wit en groen, geschikt voor eens koningspaleis. De bloemen waren violen, maar zoo mooi, als er nooit te voren gezien waren, want deze waren zeer groot en zagen er uit als echte gezichten, half droevig, half vroolijk van uitdrukking, naarmate de gele en de donkere blaadjes ze omlijstten. Zij zagen er allerliefst uit, geurden heerlijk, en toen ze door den wind op en neêr bewogen werden, schenen zij elkaar iets zoo gewichtigs toe te fluisteren, dat de jongens heel gaarne die mooie vertelling zouden verstaan hebben.
„Wat kunnen wij met die violen doen en hoe kunnen zij ons geluk aanbrengen?” zeide de oudste broeder, terwijl hij met een ernstig gezicht naar de lieve bloemen aan zijn voeten stond te kijken.
„Wel, eerst ervan genieten, en er dan kleine ruikertjes van verkoopen, om geld te verdienen; want zulke mooie ziet men maar zelden; de menschen zullen ze gaarne koopen,” antwoordde de jongere broeder, en begon terstond er eenige te plukken.
„Daar hebt gij gelijk in, en dan kunnen wij ook zaad verzamelen, en net zoolang violen kweeken en verkoopen, tot wij rijk zijn. Het zal lang duren; maar geduld hebben wij in den toren geleerd, en wij zullen wachten, en zien wat voor geluk de violen ons aanbrengen,” zeide Prins Paars, en knielde neêr bij een groepje van de lieve bloemen, die hem toeknikten, als verheugden ze zich, door zulke vriendelijke handen geplukt te worden.
„Ei, ei! Wat zie ik! Voorzeker, mijn jongens, zijt gij toovertuiniers, dat gij aan dezen wilden heîgrond zulke prachtige bloemen weet te ontlokken,” zeide een beverige stem achter hen, toen de oude kruidenzoekster kwam aanstrompelen, met een boezelaar vol paddestoelen en een mandje vol geurige wortels en bladeren.
„Het zijn slechts violen, om naar de markt te brengen, Moedertje,” antwoordde Krip, en zag haar glimlachend aan.
„Zie eens, hoe mooi ze zijn! Gij krijgt de eerste, daar gij zoo vriendelijk voor ons zijt,” voegde Paars er bij, en bood haar een ruikertje aan, even hoffelijk als knielde hij voor een Koningin, in plaats van voor een oud vrouwtje, zoo bruin en gerimpeld als een verdord blad.
„Goede jongens! Ik zal nog vriendelijker voor u zijn en de geschiedenis voor u lezen, die deze fraaie bloemen wenschen te vertellen,” zeide zij, terwijl haar oogen glinsterden, en zij de violen in hare magere handen ronddraaide.„Ik kan alle planten lezen en leer daardoor vele vreemde zaken. Zie maar, of ge dit droevig verhaal begrijpt, want dit staat geschreven op deze bloemen, en het moet waar zijn, want zij kunnen niet liegen.”
De Prinsen kwamen dichter bij haar staan en keken nieuwsgierig toe, hoe een bevende vinger de verschillende deelen van de bloem achtereenvolgens aanwees, terwijl de oude vrouw sprak, en hen daarbij nu en dan aankeek met beteekenisvollen blik, daar hun gezichten ook veel zeiden.
„Er zijn vijf bladen. Dit groote gouden zit alleen op eendubbelen groenen zetel. Deze twee kleinere gele blaadjes, met een klein randje paars, zitten aan beide zijden; maar deze twee paarse bladen hebben slechts één groenen zetel, hoewel zij mooier zijn dan een der anderen. En kijk nu hier in het midden, dat kleine mannetje in het groen, met een rood kapje op, op het warmste, veiligste plekje, met een zakje zaden, die mettertijd rijp zullen worden, als hij de zon toegang tot zijn hart wil geven. Komt nu, mijn zonen, ziet gij hierin eenige beteekenis?” vroeg de oude ziel met een scherpen blik op de knapen, die bloosden en glimlachten en zuchtten, maar niet spreken konden, want hun eigen droevige geschiedenis stond in de tooverbloem naar waarheid beschreven.
De kruidenvrouw knikte veelbeteekenend, maar zeide enkel op vriendelijken toon, terwijl zij het ruikertje op hare borst stak: „Heart’s-ease1wil niet voor iedereen groeien; maar de heele wereld heeft er behoefte aan en zal die goed betalen; verkoopt dus uw violen, mijn jongens, en verdient er een fortuin meê. Ik zal ook op de markt zijn, als gij er komt, en een goed woord voor u doen, hoewel gij eigenlijk niemands voorspraak noodig hebt, met uw vriendelijke gezichten en zachte manieren.”
Toen ging zij heen, en de verbaasde Prinsen haastten zich al de bloeiende takjes af te plukken, en er met geurig gras ruikertjes van te maken, en die in mandjes te leggen,die zij zelven reeds vroeger van groene biezen gevlochten hadden. Het zag er lief uit; want de violengezichtjes schenen iedereen toe te lachen, en de zachte geur riep duidelijk: „Komt, koopt ons!” en de dauw schitterde op de blaadjes, als diamanten op de gouden en purperen kleederen eener Koningin.
Toen de Prinsen in de naastbijgelegen stad kwamen, gingen zij op de markt staan en prezen hunne waar aan, evenals andere lieden hunne vruchten en groenten; maar hun voorkomen was zoo edel, hun stem klonk zoo helder, hun bloemen waren zoo groot en prachtig, dat, ondanks hun armoedige kleeding en nederig werk, iedereen, die hen zagen hoorde, terstond gevoelde dat die knapen iets bizonders moesten zijn, met hun geroep van: „Violen! hier zijn versch geplukte violen te krijgen! Wie koopt ze? Wie koopt onze violen?”
Elkeen, die langs de markt kwam, was bekoord door die groote „pensées”, zooals de Franschen deze bloem noemen, want iets dergelijks had men in dat land nog nooit gezien. De mandjes waren dus weldra leêgverkocht, en zelfs een paar goudstukjes schitterden tusschen de koperen en zilveren muntstukjes, die zij in hun zakken lieten glijden, daar rijken zoowel als armen zich haastten deze edele waar te koopen. Zeer tevreden over hun dagwerk, gingen de jongens vroolijk naar huis, om de bloembedjes te begieten, en zich te verheugen over de knopjes, die zich weêr in grooten getale vertoonden.
Daarna verkochten zij gedurende den geheelen zomer bloemen; want de tooverviolen bloeiden voort totdat de vorst kwam, en een ieder die ze kocht ontdekte, dat zij wezenlijk hun Engelschen naam eer aandeden, en gelukkige gedachten en troost aanbrachten, en arm en rijk werden daardoor des te begeeriger ze te koopen. Dokters zonden om die bloemen voor hunne zieken; bedroefden bestelden ze, om er door opgevroolijkt te worden; jazelfsslechte menschen hielden van die bloemen, omdat de aardige gezichtjes, half ernstig, half vroolijk, hun nooit een verwijt deden, maar zoo prettig tegen hen glimlachten, dat daardoor betere gevoelens in hun slechte harten opgewekt werden.
Heinde en verre werd de mare omtrent deze nieuwe plant, zooals men ze noemde, verspreid; vorsten en vorstinnen smeekten om het zaad te mogen hebben, daar Heart’sease (gemoedsrust) juist hun dikwijls ontbrak. Verscheidene plantjes bereikten zelfs den luien Koning, terwijl hij in zijn weelderig vertrek zijn wijn zat te drinken, zat te lezen en te slapen; en het zien dier bloemen maakte hem wakker, want de naam zijner overleden vrouw was Viola geweest, en hij begon nieuwsgierig te worden, waar zijne zonen wel zijn mochten, en naar hen te vragen.
De Koningin had ook het wonderkruid noodig; want zij werd zeer verontrust door de wanorde in haar rijk. Hare onderdanen hielden niet van haar, en het begon hen te vervelen, hooge belastingen te betalen, om hare pracht te bekostigen. Zij begonnen oproerig te worden, vooral dearmen, voor wie zij volstrekt niet zorgde, maar die zij honger en ontbering liet lijden, terwijl zij voor vermaak en genot leefde.
Zelfs de rijken en hooggeplaatsten werden ontevreden, en wenschten nog rijker en hooger geplaatst te zijn, en twistten onder elkander en maakten duidelijke toespelingen, dat zij de Prinsen vermoord of verbannen had, die nu eigenlijk behoorden te regeeren, en het zeker beter zouden doen dan zij.
Sleutelbloem en Narcis hadden de tooverbloemen laten komen, daar zij alles, waarvan zij hoorden dat het nieuw en mooi was, wilden hebben, hoeveel het ook mocht kosten. Toen de lieve plantjes kwamen, in prachtige porceleinen bloempotjes, waren de jeugdige Prinsessen er zóó meê ingenomen, dat zij niemand anders in hare nabijhêid vergunden ze te hebben.
„Dit zijn onze kleuren, en deze bloemen moeten het kenteeken onzer koninklijke waardigheid zijn, en op straffe des doods mag niemand anders ze dragen,” zeiden zij; en zij lieten voor zichzelven prachtige nieuwe costumes maken van goud met paars fluweel, overal bezet met violen, en gaven ook aan hare lakeien livrei van die kleuren; op hare rijtuigen, meubelen en alles werd dit sierlijke nieuwe wapen, waarop zij heel trotsch waren, aangebracht.
Maar zij werden, evenals hare moeder, weldra gewaar, dat die naam meer beteekende, dan alleen een fraaie bloem. „Pensée” is het Fransch voor „viool” en „gedachte”, en in hare zorgelooze zielen kwamen gedachten oprijzenover al het kwaad, dat zij gedaan hadden, alsof de geur van het nieuwerwetsche viooltje haar verwijten deed, terwijl de vriendelijke gezichtjes haar herinnerden aan de droevige gelaatstrekken van de verbannen zonen, wier plaatsen zij wederrechtelijk hadden ingenomen.
Allen waren dus verontrust, en de toovermacht der bloemen begon in huis zoowel als daarbuiten te werken, en zoo behulpzaam te zijn om de zaken voor te bereiden, tegen dat de reizigers zouden terugkomen.
Intusschen reisden de Prinsen de wereld rond, leerden zij veel en werden zij wijs en braaf, zoowel als groot en dapper, en zeer schoon en mannelijk van gestalte. Des Winters zongen en speelden zij, en werd geen Kerstfeest vroolijk geacht zonder medewerking van de luitspelers, geen boerenbruiloft zonder hunne medewerking gevierd, en moesten zij ook dikwijls in paleizen voor adellijke heeren en dames muziek maken, om bij te dansen, en werden dan zeer ruim beloond. Maar wat zij het liefste deden, was in gevangenissen, ziekenhuizen, of arme buurten zingen, waar ze niet enkel vermaak en troost brachten, maar ook dikwijls geld, waarna ze dan stil wegslopen, zonder te wachten op een bedankje, gelukkig in staat te zijn, de droeven en zieken en lijdenden te helpen.
In den zomer rustten zij uit, op een of ander mooi plekje, en plantten er tooverzaad, dat op elken grond groeien wilde, en overal evenzeer bewonderd werd.
Zoo vervolgden zij hun weg, bezig en gelukkig, overaleen spoor van muziek en bloemen achterlatende, en de wereld verhelderend en verbeterend, door schoone geluiden en blijde gedachten, totdat zij den naam kregen van de „Gezegende Knapen”, en men in het Oosten en het Westen, het Noorden en het Zuiden hen opwachtte, verwelkomde en liefhad.
Vele zomers en winters verstreken en zij waren volwassen jongelingen, toen zij op hunne reis rondom de wereld weêr in huns vaders koningrijk aanlandden. Maar hoewel thans oud en wijs genoeg om te regeeren, en verzekerd, dat zij door het ontevreden volk met blijdschap zouden begroet worden, gevoelden zij, dat ze niet langer toornig of bitter waren tegen degenen, die hen verongelijkt hadden. De tijd had hun geleerd te vergeven en te vergeten; hun gelukkig, vreedzaam leven had hen een afkeer ingeboezemd van strijd en oorlog; en zij hadden zelven de vrijheid zoo lief, dat ze het hart niet hadden anderen tot gehoorzaamheid te dwingen.
„Wij heerschen over een grooter, heerlijker rijk, dan dat van onzen vader; onze onderdanen hebben ons innig lief, en wij zijn aan geen troon gebonden, maar zoo vrij als de wind; laat ons daarmede tevreden zijn, en niet meer verlangen,” zeide Prins Paars tot zijn broeder, terwijl zij, zittende op een heuvel, buiten de poort, neêrzagen op de oude bekende stad.
„Ik zou geen lust hebben, in een paleis opgesloten te zitten, en verplicht te zijn mij aan allerlei regelen te onderwerpen. Maar als hetgeen wij gehoord hebben waar is, dan is er hier overvloed van werk te doen voor de armen, enwij hebben zooveel overgespaard, dat wij althans beginnen kunnen met hen die het meest lijden te helpen. Niemand behoeft vooralsnog te weten wie wij zijn; en wij kunnen stil voortwerken, terwijl wij wachten, totdat onze vader onzer gedenkt, en ons terugroept,”antwoorddeKrip, die even fijn en teêr, maar ook even zacht was, als de stof waarnaar hij genoemd was, en die hij gaarne op zijn kleêren droeg.
Zij vermomden zich dus als jeugdige Barmhartige Broeders, met zwarte kappen en lange tabberden, en gingen de stad in, om een woning te zoeken.
De oude Adam leefde nog, maar was thans heel arm; want de Koningin had hem weggezonden, nadat de Prinsen ontvlucht waren, en de Koning had hem volkomen vergeten. De knapen spoorden hem op, en vertelden hem wie zij waren, en kwamen bij hem wonen, hetgeen den ouden man zeer verheugde en waarop hij trotsch was, en dat niet weinig tot zijn geluk en welvaart toebracht.
Den geheelen dag lang gingen de Broeders rond onder de armen, en hielpen hen op verscheidene wijzen. Bloemen ontloken waar zij den voet gezet hadden, alsof de tooverzaadjes onzichtbaar uit hunne zakken vielen; en weldra lieten zij door de geheele stad een spoor achter zich van gelukkige gezichten, en potjes violen voor de vensters in nederige hutjes, waar vroeger nooit bloemen groeien wilden.
Niemand kende hen bij een anderen naam dan dien van „de Broeders,” en menige zieke en treurende ziel zegende hen, om al het goede, dat zij zoo in alle stilte deden.
Weldra bereikte het gerucht van deze verwonderlijke jonge mannen het paleis, waar de oude Koning thans ziek lag en de Koningin in doodsangst verkeerde; want het volk haatte haar, en elk oogenblik kon er een oproer losbarsten. Zij zond om de Broeders, en zij kwamen oogenblikkelijk, in de hoop eenig goed te kunnen doen.
Niemand herkende de aardige Prinsjes in die twee volwassen monniken, half verscholen in hunne kappen en tabberden; maar het scheen wel, als waren troost en moed met hen binnengekomen, want de zieke Koning gevoelde zich sterker, als zij aan zijne legerstede baden of zongen, en de beangste Koningin vatte nieuwen moed, beleed voor hen hare zonden en smeekte hen haar te zeggen wat zij doen moest, daar zij had leeren inzien, dat zelfzucht, pracht en weelde noch geluk, noch liefde en eerbied aanbrachten.
„Indien ge oprecht berouw hebt, tracht dan het kwaad, dat gij gedaan hebt, weêr goed te maken,” antwoordde een der Broeders stoutmoedig.
„Maar de Prinsen zijn weg of dood, en mijn volk haat mij,” zuchtte de arme Koningin.
„God heeft beter gezorgd voor de moederlooze knapen, dan gij deedt, en zij zullen terugkomen, wanneer de rechte tijd daartoe aangebroken is. Zorg gij maar, dat ge met uw volk medelijden hebt, en hen helpt. Maak, dat ze u leeren liefhebben en vertrouwen; dan zult gij veilig zijn en gelukkig, en uw rijk zal bloeien,” zeide de andere Broeder met zijn zachte stem.
„Dat wil ik, dat zal ik!” riep de Koningin, terwijl tranen van berouw op haar goudlakenschen mantel vielen, die door die zilte droppelen niet dof werd, maar des te helderder schitterde.
Toen raadpleegde zij de Broeders; en terwijl Krip den ouden vader verpleegde en opvroolijkte, hielp Paars zijne stiefmoeder het vertrouwen van haar volk te winnen, door met ruime hand brood en geld uit te deelen, betere huizen voor hen te doen bouwen, betere wetten te maken, en met meer rechtvaardigheid en barmhartigheid te regeeren, totdat de vrede terugkeerde en het gevaar voor oproer geweken was;—want vriendelijkheid verovert de harten.
De Prinsessen wilden eerst van al die veranderingen niets weten, en waren boos op die nieuwaangekomenen, omdat zij zelfverloochening, nederigheid en eenvoud predikten; maar de monniken wisten haar deze zoo smakelijk en aanlokkelijk te maken, door hun overredende woorden en door hun eigen heerlijk voorbeeld, dat weldra deze Koningsdochters evenzeer als al hare hofdames begonnen in te zien, hoe zelfzuchtig en ijdel haar bestaan was geweest, en verlangden naar verbetering.
Het kostte veel tijd, haar aan het verstand te brengen, hoe noodig het was, al die gewoonten van dwaze weelde af te schaffen, haar fraaie kleêren vrijwillig prijs te geven, en smaak te krijgen voor goede boeken, degelijk gezelschap, wezenlijke weldadigheid, en al de lieve eenvoudige genoegens, plichten en lessen, die het leven gelukkig makenen den dood rustig doen afwachten, als die komt tot koningen, zoowel als tot bedelaars.
Deze schoone taak vorderde veel tijd en geduld. De oude vader scheen als uit den slaap te ontwaken, en verwonderde zich zelf er over, dat hij zooveel tijd met droomen verkwist had. Thans was het te laat voor hem om nog te regeeren; hij had er nu niet genoeg kracht meer toe, en tevergeefs reikhalsde hij thans naar zijn flinke jongens.
De Koningin zat alleen op den troon, thans niet meer een voorwerp van haat, maar vergeven en bemind, en zij had gelukkig kunnen zijn, indien niet de gedachte aan de verloren Prinsjes haar nacht en dag, als een spooksel, vervolgd had, totdat zij ten laatste zoozeer van berouw en verdriet vervuld was, dat zij besloot, tot boetedoening voor hare zonden, in een klooster te gaan. Maar wie zou er dan in hare plaats regeeren? De Koning was te oud en te zwak, de Prinsessen waren te jong, en de rechtmatige erfgenamen waren weg of dood.
„Nu is de rechte tijd aangebroken,” zeide Paars. „Nu heeft men ons noodig, en moeten wij ons koningrijk in bezit nemen, vóór een vreemde indringer het soms overweldigt.”
„Broeder, ik ben bereid, en wij zijn beide des te meer geschikt om te regeeren als Prinsen, doordat wij geleerd hebben, als armen te arbeiden, te wachten en ons gelukkig te gevoelen,” antwoordde Krip.
Er werd eene groote raadsvergadering belegd, van al de wijzen en grooten en braven in den lande, om een nieuwenKoning te verkiezen, want de Koningin wenschte afstand te doen van den troon, dewijl zij genoeg had van hare grootheid. Toen allen bijeenvergaderd waren, en de fraai gekleede dames van uit de gaanderij zaten neêr te kijken op die ridders in volle wapenrusting, die grijsharige Ministers en die flinke burgers, verheugde iedereen zich, de geliefde Broeders te zien binnenkomen, en nederig aan het lager eind van de raadstafel plaats nemen. Waar zij ook kwamen, waren zij altijd welkom; want hoewel nog zóó jong, schenen zij toch de harten der menschen beter te begrijpen, dan de oude lieden, die hun leven lang boekenwijsheid opgedaan hadden. Na veel redeneeringen, zeide de Koningin, terwijl zij van den grooten gouden zetel afdaalde:
„Laat ons aan onze goede vrienden, die ons zoo trouw geholpen hebben, en ons aangetoond, wat er op een troon noodig is, verzoeken onze leêge plaats te bezetten. Waarde Broeders, komt nader en zegt ons, wie thans den troon beklimmen moet, want ik ben het niet waardig.”
Zonder een woord te spreken kwamen de twee jeugdige monniken naar den verheven zetel toe, gingen elk aan een zijde der Koningin staan, en lieten hunne vermomming afzakken van hunne schouders. En dáár stonden ze toen, in Paars fluweelen kleedij, met de goudblonde lokken en schoone gelaatstrekken van de Koningszonen, wel ouder en ernstiger geworden, maar toch dezelfde van vroeger,—dáár waren de verloren Prinsen, die ten laatste tot de hunnen terugkeerden.
Alle omstanders waren zoo verbaasd, dat in het eerste oogenblik niemand sprak of zich bewoog; allen stonden op van hunne plaatsen en keken zwijgend toe, terwijl Paars, met een glimlach en een gebaar, die hunne harten stalen, zeide:
„Wij zijn bereid onze rechtmatige plaatsen in te nemen, indien gij ons noodig hebt, en wij zullen met blijdschap het verledene vergeten, vergeven wie ons verongelijkt hebben, en trachten voor allen de toekomst gelukkig te maken. Wij zijn gevangenen geweest, bedelaars, tuiniers, liedjeszangers en monniken, op onze lange tochten. Thans zijn wij weêr Prinsen, des te beter geschikt om te regeeren, door de harde lessen, die wij geleerd hebben; terwijl tijd, armoede, moeite en ellende ons de waarde hebben leeren beseffen van geduld, rechtvaardigheid, moed en barmhartigheid.”
Toen hij uitgesproken had, brak er een algemeene juichkreet los, om hen welkom te heeten, en de Koningin viel hun te voet, en smeekte om vergiffenis; terwijl Sleutelbloem en Narcis haar gelaat bedekten, daar ze zich herinnerden, wat wreede dingen zij gezegd en gedaan hadden. Er viel niet aan te twijfelen, of de Prinsen waren hartelijk welkom en zeer bemind in hun rijk; en weldra verspreidde zich de blijde tijding door de geheele stad. De klokken werden geluid, er werden vreugdevuren ontstoken, de menschen dansten en zongen, en er werd overal feest gevierd, in paleizen en hutten, ter eere van de „Gezegende Knapen.”
De oude Koning werd van den schrik klaar wakker, en was zoo opgetogen, dat hij op stel en sprong zijn bed uit stapte, als door een tooverslag genezen van al zijne kwalen, behalve zijn ouderdom.
De Koningin kon weêr glimlachen, en gevoelde nu, dat zij vergiffenis ontvangen had op haar bede; Sleutelbloem en Narcis werden even lief en aardig als de bloemen, waarnaar zij genoemd waren, en de Prinsen werden verliefd op hunne halfzusjes, op de goede, oude wijze van alle tooversprookjes.
Thans was alles in orde, en het koningrijk zag er weldra uit, als een groote violentuin; want de geliefkoosde bloem bloeide overal, en armen en rijken hielden die evenzeer in eere.
Het duurde niet lang, of er werden aan het Hof met groote pracht twee huwelijken voltrokken, en er werd een nieuwe troon gemaakt,—een dubbele; want daarop zaten de Tweeling-Koningen, met hunne jonge vrouwen naast zich. De oude Koning had eerst vrijwillig afstand gedaan van de regeering; en de Koningin was het heerschen zoozeer moede, dat zij zich met blijdschap thans geheel wijdde aan haar echtgenoot. Beiden genoten van het geluk hunner kinderen, die lang en voorbeeldig regeerden in Violenland; want dien naam gaven zij aan hun land, uit dankbaarheid jegens de bloem, die hun vrienden, rijkdom, wijsheid en gemoedsrust aangebracht had.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
„Dat is een mooie geschiedenis, en ik zal die goed onthouden,” zeide Marianne, toen de vertelster zich bukte, om zich te verfrisschen met een slokje water, na die lange vertelling.
„Vergeet vooral niet, wat er uit te leeren valt, liefje,” zeide de bloem met haar lieve stem. „Leer u zelve te beheerschen; maak uw eigen klein rijk vreedzaam en gelukkig, en acht nooit iets te gering, om er wat van te leeren,—al ware het slechts een Viooltje.”
Vaasje met viooltjes.
1Heart’s-ease,viool, beteekent letterlijk vertaald:gemoedsrust.↑
1Heart’s-ease,viool, beteekent letterlijk vertaald:gemoedsrust.↑
1Heart’s-ease,viool, beteekent letterlijk vertaald:gemoedsrust.↑