KNOPJE.

KNOPJE.KNOPJE.De stoute koekoek is hier geweest, terwijl wij uit waren en heeft dit groote blauwe ei achtergelaten, tusschen onze kleine witte eitjes, zeide een sijsje tot haar gaaiken, toen zij eens op een dag van hun ontbijt thuis kwamen en hun nest vol vonden.„Dit is geen ei van een koekoek, lieve,” antwoordde de vadervogel, hoofdschuddend, „ik denk dat de eene of anderetoovernimf dat ei hier neêrgelegd heeft en wij moeten er goed op passen, anders zouden zij boos zijn en mettertijd onze kleintjes kwaad kunnen doen. Ga het maar zorgvuldig meê uitbroeden, en dan zullen wij maar eens zien wat er van komt.”Mama Sijsje bleef dus nog verscheidene dagen langer geduldig op vijf eitjes zitten, en toen kwamen hare vier kleintjes er uit, en begonnen terstond om eten te piepen. Maar dat groote blauwe ei lag er nog en men hoorde daarbinnen nog geen geluid van een snebje, dat het openpikken wilde.„Willen wij het uit het nest gooien, om meer ruimte voor onze kleintjes te maken?” vroeg de vogelmoeder, die hare kinderkamer erg vol vond.„Nog niet,” zeide de bezorgde vader, terwijl hij op één poot stond te rusten; want hij was braaf moê van het aandragen van wormpjes voor het gezin. „Wacht nog twee dagen, en als het ei dan niet vanzelf openbreekt, zullen wij het er uit gooien.”Hij was een wijze vogel en zij waren later altijd blij, dat zij gewacht hadden; want den zevenden dag vloog het blauwe ei eensklaps open, en daar lag het kleinste, mooiste kindje, dat ooit gezien werd—drie duim lang, maar rooskleurig, vroolijk en levendig, terwijl zij haar krulkopje omhoog stak en rondkeek, als ware zij heel verbaasd, zich in een vogelnest te bevinden, dat op een boomtak hing te wiegelen.„Wie zijt gij?” vroeg vader Sijs, terwijl al de jonkjes haar aanstaarden met hun ronde oogen, en hun bekjes opensperden, als wilden ze haar verslinden.„Ik ben Knopje,” antwoordde het aardige wezentje, en glimlachte zoo lief tegen hen, dat ze niet nalaten konden haar terstond lief te krijgen.„Waar komt gij vandaan?” zeide de moeder.„Dat weet ik niet.”„Zijt gij een toovernimf?”„Neen, want ik heb geen tooverstaf.”„Zijt gij een nieuw soort van vogel?”„Neen, want ik heb noch veêren noch vleugels.”„Zijt gij een menschenkind?”„Ik denk van neen; want ik heb geen ouders.”„’t Goede kind! Wat kan ze dan zijn? en wat zullen wij met haar aanvangen?” riepen beide vogels tegelijk, heel verbaasd over dit hun nieuwe kind.Knopje scheen zich de zaak volstrekt niet aan te trekken, maar lag slechts te schommelen in haar blauwe wiegje en te lachen tegen de jonge sijsjes, die nieuwsgierig over den rand kwamen gluren.„Zij moet wat te eten hebben,” zeide de vader en vloog weg.„En wat kleertjes,” zeide mama en scharrelde rond in het nest.Maar toen haar een lekkere dikke worm gebracht werd, bedekte Knopje haar gezichtje met hare handjes en riep met een griezel:„Neen, neen, zoo’n leelijk ding kan ik niet eten.”„Haal haar een aardbezie,” zeide de moeder, en trachtte de grootste, zachtste van de vederen, waarmee haar nest gevoerd was, rondom het naakte lichaampje van de kleine meid te rollen.Maar Knopje schopte terstond de veêr van haar kleine beentjes af, en ging staan, terwijl zij lachende zeide:„Ik ben geen vogel, ik kan geen veêren dragen. Geef mij maar een mooi groen blaadje voor een jurkje, en laat mij eens rondkijken in deze groote wereld, waarin ik mij op eens bevind.”Het Sijsje plukte dus een blad, pikte er twee gaatjes in voor Knopje’s armpjes en deed het haar voor als een boezelaartje; maar zij had nog nooit een kindje aangekleed, en kon dat dus niet goed doen, daar hare eigene kinderen met dons bekleed ter wereld kwamen, hetgeen weldra in grijze vederen veranderde.Knopje zag er heel aardig uit met haar groene jurkje, terwijl zij op den rand van het nest zat te staren met haar blauwe kijkertjes, en in hare handjes te klappen, toen papa Sijs naar huis kwam vliegen met een lekkere wilde aardbei in zijn bek, voor haar ontbijt. Zij at die op, alsof het een appel was, en dronk er een droppel dauw bij, die gedurende den nacht gevallen was; daarna begon zij zoo lief te zingen, dat al de buren kwamen kijken, wat voor een aardig vogeltje nu toch uit een ei van Juffrouw Sijs gekropen was.Wat een getjilp en gefladder was er gaande, terwijl de buren dit geval bepraatten, vele vragen deden en het mooie schepseltje bewonderden, dat alleen haar eigen naam wist, en niets meer!„Denkt gij haar hier te houden?” vroeg het roodborstje, zijn roode vestje vooruitstekend, met een heel wijs gezicht.„Wij durven haar niet weg te sturen,” zeiden de Sijsjes.„Zij zal u tot grooten last zijn,” zeide het winterkoninkje.„Gij kunt haar nooit leeren vliegen, en wat zult gij met haar beginnen, als uw eigen kinderen weggevlogen zijn?” vroeg de woudduif, die heel teêrhartig was.„Gij zult haar elken dag een nieuw jurkje dienen te maken, en dat zal zoo bewerkelijk zijn,” zei de geelvink, die heel trotsch was op zijn eigen geel pakje en zwart fluweelen kapje.„Ik denk, dat een booze tooverheks haar hier neêrgelegd heeft, om u in ongelegenheid te brengen. Ik zou haar uit het nest stooten, en elders voor zichzelf laten zorgen,” ried het boomkruipertje, en dacht er over na, of dat mollige kindje niet even goed smaken zou, als de wormen, die hij uit de boomen pikte.„Neen, neen!” riep de bruine lijster;„zij ziet er te lief uit, om kwaad te kunnen aanbrengen. Houd haar, tot gij ziet wat zij doen kan, en misschien zal zij dan nog blijken een goede geest te zijn.”„Zij zingt haast zoo goed als ik, en ik heb veel lust haar liedjes te voegen bij de vele wijsjes, die ik al ken,” zeidede merel, die in zijn eentje heerlijke concerten gaf in de weide.„Ja, wij willen nog wat wachten; en als wij niet tot een beslissing kunnen komen, zullen we over een poosje uw raad inwinnen, lieve buren,” zeiden de sijsjes, die begonnen trotsch te worden op die merkwaardige vreemdelinge, daar hare aankomst zoo het heele bosch in opschudding gebracht had.De andere vogels vlogen toen weg, en Knopje vestigde zich als een van het gezin, en maakte zich zoo aangenaam, dat allen haar lief kregen, en volgaarne wat dicht op elkaar drongen, om ruimte voor haar in het nest te maken.De moeder spreidde ’s nachts hare vleugels ook over haar uit, en maakte alle dagen nieuwe jurkjes voor haar, als de oude verdord waren; vader Sijs bracht haar dauw om te drinken, en om zich in te wasschen, en vloog heinde en verre om rijpe vruchtjes voor haar te zoeken om te eten; terwijl de jonge vogeltjes het nooit moede werden, naar haar gezang te luisteren, te kijken naar haar dansen op den rand van het nest, en de mooie spelletjes te leeren, die zij hen onderwees. Iedereen was heel vriendelijk voor haar, en wachtte geduldig af, wat de tijd brengen zou.Maar toen ten laatste de kleine vogeltjes wegvlogen, wilden de ouders gaarne met hen meêgaan, en vonden zij het toch geen prettig denkbeeld, Knopje geheel alleen achter te laten.Zij zeide echter: „Ik ben volstrekt niet bang, want nu ben ik sterk genoeg, om voor mijzelve te zorgen. Alle vogelskennen mij nu, en ik zal het dus volstrekt niet eenzaam hebben. Draag mij maar naar beneden op het gras, en laat mij rondloopen en voor mijzelf voedsel en kleêrtjes zoeken, evenals uwe kinderen doen. Ik zal u niet vergeten; maar gij behoeft u over mij niet meer te bekommeren.”Papa Sijs nam haar dus op zijn rug, zooals hij dikwijls voor een grapje gedaan had, en vloog neêr naar het zachtste plekje mos beneden, en daar lieten zij haar achter, na een hartelijk afscheid; want zij moesten nu gaan waken over hun eigen jongen, die hun vleugels beproefden en ver weg zwierven.„Voor mij zal wel gezorgd worden, evenals voor de bloemen,” zeide Knopje, thans gezeten op een keisteentje naast het pad, dat door het mooie bosch liep, waarin menigten kleine schepselen druk bezig waren met hun werk of hun spelen.„Ik wou dat ik ook een vogel was, dan kon ik vrij rondvliegen en de wereld bekijken; of een toovernimf, dan kon ik prachtige dingen doen; of zelfs een bloem, dan zou wel iemand mij liefhebben en meênemen. Ik zou wel eens willen weten, waarvoor ik eigenlijk geschapen ben, en wat ik doen kan, ik—zoo’n klein schepseltje in deze groote wereld! Ik weet het wezenlijk niet; maar ik kan gelukkig en vriendelijk zijn, en trachten ieder dien ik ontmoet van dienst te zijn, dan zal ik wel vrienden krijgen en mij niet lang eenzaam gevoelen.”Dat zeggende keek ons dappere Knopje rond, wien zij het eerst zou kunnen helpen, en ontdekte een mier, bezig eengroot wit pak te sjouwen. Het zag er uit, alsof hij een pak kleêren wegbracht naar de waschvrouw, maar het pak was een ei, en de mierenkindermeid bracht het uit het nest naar een warm plekje in de zon, om verder te groeien.Zij vertelde Knopje alles daaromtrent, toen zij aanbood haar te helpen, en liet haar gaarne dit eitje bewaren, terwijl zij met de andere kindermeiden heenging, om er nog veel meer te halen. Weldra lagen al de eitjes op een rustig plekje in den zonneschijn en liep Knopje er bij heen en weêr, om ze nu en dan om te keeren en ze te bewaken, daar anders licht de een of andere hongerige vogel ze kon ophappen.„Nu maak ik mij toch een beetje nuttig,” zeide zij, en voelde zich heel gelukkig in haar nieuwe werk, hoewel ze slechts onder-kindermeid was en geen ander loon verdiende dan een kostelijk dankje van de nijvere mieren.Een weinig later werden de eieren weggedragen en was zij weêr vrij hare reis te vervolgen. Het grasveld was voor haar als een bosch, de hoopjes mos waren in haar oog hooge heuvels, een heel klein beekje leek haar een groote rivier, en een plekje zand een woestijn, die zij doorkruisen moest.„Eerst wil ik mijzelf eens knapjes in de kleeren steken,” zeide Knopje, aan een wilde rozenstruik gekomen, en verzamelde eenige gevallen rozenblaadjes, die zij met dorens aan elkaar trachtte te hechten. Maar haar handen konden het mooie rose rokje niet goed maken en de dorens prikten haar in haar teeder vleesch, toen zij de blaadjes over hareborst uitspreidde; zij was dus reeds op het punt het in wanhoop op te geven en het verlepte groene kleedje maar weer aan te doen, toen een boschspin, die daar dichtbij in haar holletje zat, vriendelijk tot haar zeide:„Kom maar hier, dametje! Ik kan weven en spinnen, en zal met genoegen uw japonnetje voor u naaien. Ik heb gezien, hoe gij mijn buren de mieren geholpen hebt; ik zal u dus wel helpen!”Dit vriendelijke aanbod verheugde Knopje zeer en zij keek toe, hoe de spin, als een eerste naaister, met haar zilverdraad de rozeblaadjes netjes aan elkaar naaide, een randje borduursel rondom den zoom zette, en een zijden koordje vlocht, om het kleedje om haar middel vast te houden.„O! Wat ziet gij er nu lief uit!” riep de spin, toen zij het jurkje had aangetrokken. „Nu moet ge nog een voile hebben, om de zon uit uw oogen te houden. Hier hebt gij mijn laatste web,” en hij wierp haar het glinsterende gaas over haar hoofd, waardoor zij er uitzag als een bruidje onder een kanten sluier.Knopje bedankte hem vriendelijk, en ging vroolijk verder, totdat zij aan een troepje anjers kwam, die in den wind stonden te dansen. Zij meenden in haar den geest van een roos te zien, die hen kwam bezoeken, en bogen hun lichtroode kroontjes tot haar voorover om haar den honig in hunne hartjes aan te bieden.Zij had juist al gedacht, wat zij toch eens eten zou, en nu werd haar zulk een lekker kostje voorgezet, dat zijeigenlijk te danken had aan haar jurkje van rozeblaadjes, waardoor de anjers haar voor een bloem aanzagen. Zij sloeg haar sluier op en vertelde hun haar geschiedenis, die zij heel belangwekkend en ook wel wat droevig vonden.„Lief schepseltje! kom hier bij ons wonen!” riepen zij. „Gij zijt veel te teêr, om zoo geheel alleen de wereld door te dwalen. De wind zal u wegblazen, of er zal licht een voet u vertrappen, of misschien zal een wreede wesp u vermoorden met zijn angel. Blijf hier gerust bij ons, dan zullen wij uw vriendjes zijn en u eten geven en voor u zorgen.”„Gij zijt heel vriendelijk, en uw woonplaats lijkt mij heel prettig; maar ik moet verder gaan. Ik ben overtuigd, dat ik iets te doen heb; dat ik ergens mijn aangewezen plaats zal vinden, en dat ik ook wel eens een paar vleugels zal krijgen, en een vogel of een toovernimf worden,” antwoordde Knopje, terwijl zij zat te rusten bij de rots, waar rondom die anjers groeiden.„Daar komt onze vriend Honigzak, de bij, aan. Hij is heel wijs; misschien kan hij u vertellen, waarheen gij gaan moet en wie gij eigenlijk zijt,” zeiden de anjers, en knikten vroolijk, toen de bruin fluweelen bij al gonzend kwam aanzweven, want hij was zooveel als hun postbeambte, en bracht dagelijks het nieuws.Vol ijver vertelden zij hem alles omtrent hun kleine gast, en vroegen hem, of hij ook iets gehoord had omtrent een vogel zonder veêren, een zoek geraakte elf, of een menschenkindje, dat in een blauw ei was verstopt geworden.De bij zeide, dat hij eens door een kolibrie had hooren spreken over een soort kleine wezentjes, die geen kinderen, en ook geen toovernimfjes waren, omdat zij slechts geboren waren in de verbeelding van de hoofden der menschen. Deze arme schepseltjes konden nooit wezenlijke jongens en meisjes zijn; maar als zij erg hun best deden en heel braaf waren, zouden er ten laatste vleugels aan hen groeien en zouden zij eindelijk toovernimfen worden.„Dan wil ik erg mijn best doen!” riep Knopje. „Ik weet zeker, dat ik een van die schepseltjes ben, en ik wil graag een toovernimf worden, en mijn eigenlijk tehuis vinden. Hoe moet ik het aanleggen?”„Ik geloof wel, dat gij goed begonnen zijt; want ik heb door verscheidene vrienden van u gehoord, toen ik het bosch doortrok, en allen vertellen veel goeds van u. Ga maar zoo voort, en dan ben ik zeker, dat gij ten laatste uw vleugels krijgen zult. Kijk! Ik wil ook het mijne doen, en u iets geven, om gedurende de reis te eten.”Onder het spreken begon de vriendelijke bij reeds het gele stuifmeel, dat hij onderweg verzameld had, met honig te kneden, en weldra stelde hij aan Knopje een aardig bijenbroodje ter hand, om meê op reis te nemen. Zij rolde het in witte violenblaadjes, als een geurig servetje, en nadat zij nog van de anjers een beetje honig gekregen had, toog zij met vriendelijke dankzegging en vol hoop en moed verder.Weldra kwam een zwerm vroolijke kapelletjes rondom haar vliegen, roepende:„Hier is een roos! Ik ruik honig! Kom meê proeven! Neen, het is een elf! Lief kleintje, dans wat met ons!”Knopje bewonderde die diertjes zeer, en voelde zich heel blij en trotsch, toen zij overal op haar kwamen zitten, totdat zij zelf wel een groote kapel geleek, met vleugels van allerlei kleur.„Ik kan niet met u spelen, omdat ik geen elf ben; maar als gij mij dragen wilt op mijn weg naar het Tooverland, dan krijgt gij tot loon mijn honig en mijn brood, want ik kom maar zoo langzaam vooruit, en ik wil graag zoo snel mogelijk reizen,” zeide Knopje, denkend, dat deze mooie vlindertjes haar wel zouden kunnen helpen.De kapellen waren luie wezens, en hadden een hekel aan werken; maar zij hadden veel trek in het fijne brood en dat zoete bloemensap; zij zeiden dus, dat zij hun best wilden doen Knopje te dragen, en zoo haar vermoeide voetjes rust te verschaffen. Zij hielden haar stevig vast aan haar ceintuur, aan haar haar en aan haar jurkje, en zoo vlogen zij allen tegelijk omhoog, lichtten haar een eindje van den grond op, en droegen haar voort in een wolk van blauwe en gele, roode en bruine klepperende vleugeltjes. Het was een zwaar werk voor hen, en de kleintjes lieten haar spoedig los; Knopje begon dus te vallen en zij waren genoodzaakt haar op het gras neêr te leggen, terwijl zij uitrustten en het bijenbrood tot het laatste kruimpje toe opaten.„Breng mij nu nog een beetje verder, dan krijgt gij ookden honig,” zeide ons verstandig Knopje, die verlangend was vooruit te komen, en inzag, dat de luie kapellen haar zouden laten staan, zoodra haar voorraad op was.„Omhoog nu weer!” riep de groote zwartgouden kapel; en zij vlogen weêr verder, allen even hard trekkend. Maar ofschoon het kleine dametje zoo licht was als een veêr, hadden zij toch nog te weinig kracht in hun pooten en vleugels en lieten ze haar weldra op het zandige pad beneden neêrplompen.„Dank u! Hier is de honig. Laat mij nu uitrusten, om van mijn val te bekomen,” zeide Knopje, die toch ten slotte haar eigen voeten een veiliger vervoermiddel vond.De kapellen vlogen weg en de kleine reizigster ging rechtop zitten, om eens te kijken waar zij was.Een treurige jammerkreet trof haar oor, en dicht bij haar zag zij een ouden meikever, die zwakke pogingen deed, om een gaatje in het zand te krabben.„Wat is er aan de hand?” vroeg Knopje.„Och! het is mijn tijd om te sterven, en nu wil ik mij zelf begraven; maar ik ben zoo zwak, dat ik niet in tijds met mijn graf klaar zal zijn, en dan zal ik door den een of anderen vogel opgegeten worden, of onder den voet van een reus verpletterd worden,” antwoordde de meikever en schopte en duwde zoo hard hij kon het zand weg.„Maar als ge dan toch dood waart, zoudt ge daarvan geen hinder hebben,” zeide Knopje.„Dom kind! Als ik op die manier aan mijn eind kom,kan ik niet weêr leven; maar als ik mij zelf begraaf en tot aan de lente lig te slapen, kom ik weêrom als een made of een jonge meikever, ik weet niet recht wat; maar ik ben zeker dat ik veranderen zal. Daarom wil ik een goed graf hebben om in te rusten; want sterven is slechts een slapen, vóór we in anderen vorm weer ontwaken.”„Dat verheugt me!” riep Knopje. „Ik zal u helpen graven, en u netjes toedekken, en ik hoop, dat er dan mettertijd een mooi insekt uit u groeit.”Zij deed dus haar sluier af en werkte ijverig met een plat houtje als schop, totdat er een diep grafje was gegraven. De oude meikever viel er in met een zacht: „Dankje, kind,” en stierf toen rustig in het lekkere warme zand. Knopje bedekte hem met zand, stapelde een hoopje steentjes boven zijn graf en liet hem dus over aan zijn langen slaap, blijde dat zij hem had kunnen helpen en heel nieuwsgierig, of zij ook eerst zou moeten sterven, eer zij veranderd werd.De zon ging nu al onder; want de pret met de kapellen en de begrafenis van den meikever hadden veel tijd in beslag genomen en het begon te schemeren.„Nu moet ik een plekje zoeken om te slapen,” zeide Knopje, wel een beetje angstig; want dit was de eerste nacht, dien zij alleen moest doorbrengen, en zij begon het gemis te voelen van moeder Sijsje, die haar met hare vleugels placht te bedekken. Maar zij bleef moed houden en liep voort, tot ze zóó moê was, dat ze zich genoodzaaktzag stil te houden en wat te gaan uitrusten, ergens aan den oever van het water, waar juist een glimworm haar lampje aangestoken had.„Mag ik hier onder dit groote blad wat blijven?” vroeg zij, blijde het vriendelijke licht te zien en haar vermoeide voetjes te kunnen verfrisschen in het bedauwde gras.„Gij kunt niet veel verder gaan, want gij zijt hier dicht bij een moeras, en ik zie, gij hebt geen vleugels, gij kunt dus niet verder komen,” antwoordde de glimworm, en liet het groene lampje zijn volle schijnsel op de kleine vermoeide reizigster werpen.Knopje vertelde hare geschiedenis, en wilde juist vragen, of hier niet iets te eten was, want zij had bitteren honger, toen uit een hoogen struik boven haar hoofd eenige heel lieve stemmetjes haar toeriepen:„Kom bij ons, liefje! Wij zijn de moeras-kamperfoelie, familie van die anjers, die gij vandaag ontmoet hebt. Hier is wat te eten, en een bedje, en een hartelijk welkom voor het goede schepseltje, waarvan Honigzak, de bij, ons verteld heeft.”Knopje strekte hare armpjes uit naar een menigte witte bloempjes, die zich tot haar vooroverbogen, en in een ommezien lag zij op een heerlijk plekje, waar het heel lekker rook, terwijl de kamperfoelies haar voedsel gaven, en haar liefkoosden en in slaap wiegden, vóór ze nog tijd gehad had, hen half genoeg te bedanken voor hun vriendelijkheid.Zij had tijd voor een goed slaapje en prettige droomen, vóór zij wakker geschrikt werd door een ruwe stem, en zij een vleermuis hoorde praten, die dicht bij haar hing, met zijn leêrachtige vleugels over zijn oogen, om het licht van den glimworm niet te zien, welke daar nog rondwandelde.„Ja,” zeide de vleermuis, „het arme knaapje was verdwaald en in het moeras geraakt, en toen is hij haast verdronken. Het stoute Dwaallichtje had hem weêr gefopt, dat dikwijls de lieden van het rechte pad aflokt, zoodat zij in de modder zakken. Ik heb hem al zoo dikwijls beknord, maar hij wil het niet laten; want hij heeft er altijd plezier in, de boschwachters en de kinderen in den waan te brengen, dat zij het licht in het venster hunner woning zien, en dan zinken zij in het moeras en verstopt hij zich en laat hen aan hun lot over, en moeten zij maar zien hoe ze er weêr uitkomen.”„Wat een slechte jongen is dat!” riep Knopje, wreef hare oogjes uit en ging opzitten, om beter te kunnen luisteren.„Natuurlijk zou hij om u niets geven, want hij weet dat gij het licht haat, en hij plaagt u juist graag, door zijn lantaarn vlak in uw oogen te laten schijnen,” zeide de glimworm tegen de vleermuis.„Ja, ik heb een hekel aan alle soorten van licht, en ik wou, dat het altijd nacht was,” bromde de vleermuis weêr.„Nu, ik niet! Ik houd veel van den zonneschijn, van sterren, en dwaallichtjes en glimwormen, en al wat licht geeft; als ik dus eens met het dwaallichtje ging spreken,zou hij misschien wel willen uitscheiden met zijn streken,” zeide Knopje, die veel belang stelde in het geval, en gevoelde, dat dit wel een goede dienst kon zijn, dien zij aan de kinderen kon bewijzen.„Gij zoudt hem niet kunnen beletten kwaad te doen, tenzij ge hem den geheelen nacht lang sprookjes verteldet. Hij is dol op sprookjes, maar wil er niet stil naar luisteren, tenzij ze altijd nieuw en buitengewoon boeiend zijn,” zeide de vleermuis, en keek met één oog even onder zijn vleugel vandaan, om te zien wie die vreemdelinge was.„Ik ken honderdtallen sprookjes, want ik ben zelf een kind der verbeelding, en mijn hoofd is vol aardige bedenksels en ik zing zulke vroolijke liedjes, dat al de vogels naar mij plachten te komen luisteren, uren lang. Als ik dat dwaallichtje maar kon bereiken, denk ik, dat ik hem wel zou kunnen vermaken en bezighouden, tot de menschen en kinderen veilig naar huis waren gekomen,” zeide Knopje.„Kom het maar eens beproeven, ik zal u wel dragen,” zeide de vleermuis, deed zijn vleugels dicht en zag er uit als een zwarte muis, toen hij naderbij kwam, om Knopje op zich te laten klimmen.„Neen, neen! Blijf bij ons, en ga niet naar dat akelige moeras, vol leelijke dingen en vuile uitdampingen,” riepen de kamperfoelies, en trachtten met zachte, kleverige handjes haar vast te houden.Maar Knopje was zeer begeerig al het goede te doen,dat in haar vermogen was, en beklom dapper haar nieuw paard, en zong nog bij het wegvliegen:„Ju, ju, ju, mijn paardje,„’k Vlieg eens met u meê;„Op een vleermuisstaartje,„Rijd ik weltevreê.”„Het zal haar niet gelukken,” zeide de glimworm, deed zijn lampje uit en ging naar bed.„Helaas, neen! Het arme kleine wezentje! Zij zal daarginds haar dood vinden, en nooit een toovernimf worden,” zuchtten de bloemen en lieten in het schemerlicht treurig haar witte kopjes hangen.Een zwerm vuurvliegen kwam dansen over het moeras, waarin kikvorschen kwaakten, waarboven muggen gonsden, en groote gele lelies haar gespikkelde klokjes luidden. De lucht was warm en vochtig; een dikke witte mist kwam uit het water op, dat hier en daar glinsterde tusschen de bosschen van riet en de eilandjes van kroos, en de gladde muskusratten en helderoogige slangetjes, die rondslopen, terwijl wilde eenden in rustige hoekjes met hun koppen onder hun vleugels zaten te slapen.Het was een vreemde, donkere plek en het hart zonk Knopje in de schoenen (hoewel zij geen schoenen had) toen zij bedacht, dat zij hier alleen zou moeten blijven. Maar zij wilde erg graag een poging doen, om het stoute Dwaallichtje te bewegen, zich beter te gedragen en niet langerde arme menschen in gevaar te lokken. Zij hield zich dus stevig vast aan de vleermuis, terwijl deze heen en weer zwierf boven het moeras, om naar den stouten knaap te zoeken.Weldra kwam hij naar hen toedansen, een klein donker lichaampje met een groot hoofd, dat als een ronde lantaarn naar alle kanten licht uitstraalde.„Wat hebt gij mij gebracht, oude Ledervleugel?—een mooi bruidje om het moeras op te vroolijken, of een nimfje, om van nacht op mijn bal meê te dansen?” zeide hij, en keek naar Knopje met een gretigen blik, terwijl zij daar op dien donkeren vleermuis zat, en haar rooskleurig jurkje en zilvergazen sluier glinsterden in het schijnsel, dat haar nu als maneschijn verlichtte.„Neen, het is een beroemde sprookjesvertelster, gekomen om u te vermaken, wanneer gij moê zijt van het rondzwalken en kattekwaad uitvoeren. Wees maar heel beleefd tegen haar, anders neem ik haar terstond weêr meê weg,” antwoordde de vleermuis, terwijl hij Knopje neerzette op een klein groen eilandje, midden tusschen de biezen en andere moerasplanten.„Laat ons eens zoo’n verhaaltje hooren. Houd eens op met uw gekwaak, Spikkelrug, en gij dames, staakt uw dansje, terwijl ik luister. Ga gij gerust heen, Ledervleugel; zij moet hier blijven tot morgen en laten zien wat zij doen kan,” zeide Dwaallichtje, en ging dicht naast Knopje zitten, terwijl de kikvorschen stil werden, en de vuurvliegen op deblaadjes gingen zitten, als lampjes, waardoor het eilandje even licht werd, als bij helderen dag.„Het is nu al laat; als gij dus de klok twaalf hoort slaan, kunt gij gerust ophouden met vertellen en gaan slapen; want dan zullen al de menschen wel rustig in hunne huizen zijn, en kan Dwaallichtje geen kwaad meer doen. Spoedig kom ik terug. Goeden nacht.”En weg zeilde de vleermuis, blijde het donkerste hoekje van het moeras op te kunnen zoeken, en muggen te snappen voor avondeten.Knopje begon onmiddellijk de geschiedenis te vertellen van „Den vroolijken Meikever”, en die bleek zoo machtig boeiend te zijn, dat weldra een heele kring kikvorschen het eilandje omringden, en onder het luisteren hun groote monden opensperden van het lachen, en knipten met hun heldere oogen. De wilde eenden werden wakker en kwamen ook hooren; een waterslangetje sloop ook nader, met zijn buurman den muskusrat; terwijl de vuurvliegen in zoo grooten getale op de biezen en het kroos zaten, dat alles glinsterde; en Dwaallichtje knikte vroolijk met zijn helder kopje, terwijl hij als een koning met zijn hofhouding rondom zich erbij zat.Juist bij het meest treffende gedeelte van het verhaal, toen de Meikever en de Paardenvlieg op het punt waren te duelleeren over een lief wit Motje, sloeg de klok twaalf uur, en hield Knopje, die heel moê was, plotseling op met vertellen, en zeide:„Morgen in den schemer zal ik het uitvertellen. Het laatste gedeelte is het mooiste, want juffrouw Luis en de booze Sprinkhaan doen daarin vreeselijke dingen.”Allen wilden dolgraag nu het slot hooren; maar Knopje was schor en moest noodig gaan slapen; zij gingen dus allen huns weegs, om te praten over dit nieuwe bekoorlijke schepseltje, dat gekomen was om hun lange nachten te veraangenamen.Dwaallichtje zwierf nog wat heen en weer, trachtte zich voor te stellen hoe de verdere loop van het verhaal zou zijn, en Knopje legde haar hoofdje op een biezen kussentje, om tot den morgen van de sterren te droomen.Toen de dag aanbrak, was zij eenigszins in verlegenheid te zien, dat zij gevangen zat op haar eilandje; want diep water was er overal rondom, en zij zag geen middel om er af te komen.Zij verzocht een mooien witten eend, haar naar een plaats te brengen, waar wat meer ruimte was, want hier was niets voor haar te eten, dan de zachte groene knopjes van de zoete biezen en de zure balletjes van de wilde klisplanten.„Ik ben geen stoomboot, en ik breng geen passagiers over,” antwoordde de eend, en roeide weg; want hij wilde liever dat Knopje blijven zou, en nog meer verhalen vertellen.Zij was dus genoodzaakt daar verscheidene dagen te blijven, kijkende naar de langbeenige reigers, die rondstapten en in de poelen vischten; ziende hoe de ratten hun zonderlinge huisjes bouwden, hoe de kikkers sprongen endoken, de slangetjes heen en weêr kropen, en de jonge eendjes den heelen dag door vliegjes aten. Zij maakte een praatje met de gele lelies, leerde het liedje dat het ritselende riet zong, en klom op tegen de hoogste stammetjes van de biezen, om rond te kijken over het moeras, en verlangde weêr op vasten grond te zijn.De vleermuis vergat haar weêr te komen opzoeken en Dwaallichtje hield zooveel van hare vertellingen, dat hij uren lang bij haar bleef zitten om er naar te luisteren; niemand werd dus door hem in het ongeluk gebracht en Knopje gevoelde dat zij, daar alleen in het somber moeras, wezenlijk iets goeds deed.Iedereen had haar lief en wilde graag dat zij bleef; maar langzamerhand kwam de zomer tot een eind, stierven de vuurvliegen, en werd Dwaallichtje bleek en loom en was hij iederen nacht gemakkelijker in slaap te maken, alsof hij ook bezig was weg te kwijnen, totdat warm zomerweer hem weer wakker en helder zou maken.„Nu zou ik wel heen kunnen gaan, als ik maar een vriend kon vinden om mij te helpen,” zeide Knopje, toen de wilde eenden hun afscheid namen, en de reigers wegstapten.„Ik zal u wel helpen,” zeide een waterslang, en stak den kop omhoog met een vriendelijker blik, dan men ooit zou verwachten uit zulke vurige oogen.„Gij?” zeide Knopje, heel verwonderd; want zij had nooit veel gehouden van de slang, hoewel zij toch altijd wel vriendelijk voor het dier was geweest.„Ik wil uw vriendin zijn, als gij mij hebben wilt. Niemand houdt van mij, daar ik zoo leelijk ben en van de schepping der wereld af aan altijd een slechten naam heb gehad; maar ik heb hoop, dat ik, als ik mijn vel verlies, mooier zal mogen worden of in iets beters veranderen; ik doe dus mijn best om een brave slang te zijn, en zooveel in mijn vermogen is het geluk van mijn naasten te bevorderen.”„Arme stakker! Ik hoop, dat er een mooie groene adder uit u zal groeien, en dat gij dan moogt wonen tusschen bloemen, zooals ik er eens een gekend heb. Het moet moeielijk vallen, hier altijd tevreden te leven, en het is heel lief van u, dat gij mij wilt helpen,” zeide Knopje en legde haar warme handje op den leelijken kop van de slang, die op haar eilandje was gekropen, om zich te koesteren in den zonneschijn.Juffrouw Vorktong vond dat heel plezierig; want zij werd anders nooit geliefkoosd, en de oogjes van de slang glinsterden, toen zij haar slanke lichaam dichter bij Knopje’s voeten kronkelde, en den kop optilde, om haar te antwoorden.„Gij wilt graag van hier weg en dat zult gij. Wij allen zullen u droevig missen, maar de koû komt toch weldra en gij behoeft niet langer te blijven; ik zal dus mijn vriend Gladvel verzoeken, deze sterke biezen door te knagen, totdat zij omvallen, en zoo bruggen maken dwars over de plassen. Gij kunt veilig daarover heengaan en een prettig warm plekje zoeken, om in te wonen totdat de zomer weêrkomt.”„Een smakelijk plannetje! Lieve vriendin, ik dank u zeer; laat ons dat terstond uitvoeren, terwijl Dwaallichtje nog slaapt en niemand ons ziet,” riep Knopje.Gladvel, de muskusrat, kwam en maakte telkens een weg voor haar van het eene hoopje gras naar het andere, totdat zij veilig en wel aan land was. Toen zeide zij deze leelijke maar vriendelijke kameraads vaarwel en liep zij lustig rond in het prettige veld, waar de najaarsbloemen al in het zaad schoten en reeds een boel gele bladeren gevallen waren. Zij smulde van wilde druiven, verdroogde bessen en appels, die nog van de boomen gevallen waren, nadat de oogst reeds was binnengehaald. Alles bereidde zich voor op den winter en Knopje maakte met blijdschap voor zichzelf een warm pakje kleeren van wegeblaadjes met een mutsje van disteldons. Zij was bezig schilletjes van beukenoten aan te passen als schoentjes voor haar kleine voeten, toen een verlept plantje, dicht bij haar, haar toeriep:„Gaat gij zoo vèr reizen, dat gij nieuwe kleêren en sterke schoenen aandoet, kleine vreemdelinge?”„Ik moet reizen totdat ik mijn eigen land vind, al is ’t ook nòg zoo ver weg. Kan ik een boodschap voor u doen onderweg?” vroeg Knopje vriendelijk.„O ja! Als ’t u blieft, wilt gij deze zaadjes van mij naar het groote grasveld aan den overkant brengen? Daar wonen al mijn vrienden en ik verlang zoo, om weer thuis te zijn. In het voorjaar heeft iemand mij uit den grond gehaald enmij hier laten vallen. Maar ik ben niet gestorven; ik heb hier wortel geschoten en gebloeid, en moet hier nu altijd blijven, tenzij iemand mijn zaadjes weêr daarheen brengt. Dan kan ik in een volgende lente daar weêr opkomen, en als gelukkige bloem leven in mijn eigen land.”„Met genoegen,” zeide Knopje. „Maar ik dacht, dat de wind uw zaad voor u ronddroeg.”„Jawel; maar sommige zaden zijn daarvoor te zwaar. Dennezaadjes, die van den ahornboom, van den distel en de paardebloem, en nog vele andere worden door den wind weggeblazen; sommige van ons, planten, groeien van de wortels in den grond, en sommige, zooals ik, van zaden, die in kleine zakjes bijeenzitten. Mijn naam is Herdersbeurs, en ik ben maar een eenvoudig onkruidje; maar ik heb mijn eigen volk lief en verlang zeer hen weêr te zien.”„Dat zult gij!” riep Knopje vol geestdrift; en met zorg verzamelde zij de driehoekige zaadbuisjes, en nam die mede naar het veld, waar andere planten van dezelfde soort met vreugde de tijdingen hoorden van haar verloren vriendinnetje, en het geschenk bekeken, dat zij haar zond.Daar Knopje wist, hoe prettig het is, om langs den weg verscheidenheid van bloemen te zien bloeien, als gastvrije herbergen voor kleine reizigsters als zijzelve, besteedde ons lieve Knopje vele dagen aan het planten van wortels en zaadjes langs den weg door het grasveld.„Als nu kinderen, vogels, kapellen en kaboutermannetjes deze mooie dingen hier later vinden bloeien, zullen zij heelblij zijn, al komen zij dan ook nooit te weten, wie ze hier geplant heeft,” zeide zij, toen zij dat werk volbracht had.Nu was de vorst gekomen, kwamen de noten ritselend tusschen de bladeren van de boomen neêrvallen, werd het groen geel en bruin, en begonnen de koude winden te waaien. Het arme Knopje zocht dus rond in het bosch, of zij ook een veilig warm plekje vond, om in te gaan slapen, althans voor een poosje, want zij was overtuigd dat zij, zoo klein en teêr en zonder vrienden als ’t arme schepseltje was, stellig zou sterven, wanneer de sneeuw kwam.Toen ze bij een grooten eikeboom kwam, ging ze zitten op een afgevallen eikel en trachtte de harde schaal te breken, om van het binnenste wat te knabbelen voor haar middagmaal. Zij was er niet toe in staat, en zat er juist droevig over te denken, wat er nu van haar worden moest, toen er een zoet geschild eikeltje naast haar neêr kwam vallen, en zij, opkijkende, een eekhoorntje op een tak boven haar hoofd zag zitten, dat naar haar keek. Zij glimlachte en bedankte hem, en meteen was hij in een wip van den boom af en ging tegenover haar naar haar zitten kijken, met zijn mooien staart als een parasol boven zijn kop.„Ik ken u wel, kleine meid, en ik ben blij, dat gij hier zijt gekomen, want ik kan u een heerlijk huisje voor den winter aanwijzen. Ik heb u aan een veldmuis hooren vertellen, hoe eenzaam ge zijt, en zooeven heb ik uw tranen zien vloeien, toen gij hier zat te bedenken, dat gij niemand op de wereld tot vriend hebt,” zeide Wip, knikte haartoe en pelde nog een kastanje voor haar, om, zoo zij meer noodig had, na ’t eikeltje te gebruiken.„Iedereen is heel vriendelijk voor mij; maar het schijnt wel, alsof iedereen gaat slapen, nu het najaar komt; daarom voelde ik mij eenzaam en droevig, en verwachtte ik te zullen omkomen in de sneeuw. Maar als ik een gezellig plekje kan vinden, om tot de lente in te wonen, zal ik daar heel blij meê zijn en wil ik gaarne alles doen wat in mijn vermogen is, om er voor te betalen,” antwoordde Knopje, die reeds zeer vertroost was door het stevige maal en een vriendelijk woord.„Als gij mij wilt helpen, om mijn noten en eikels en mos en bladeren naar binnen te sleepen, voor voedsel en ligging dezen winter, dan zal ik u het huisje der Kobolden in gebruik geven, totdat zij komen. Zij zijn vroolijke kaboutertjes, die u zeker gaarne zullen laten blijven en u leeren spinnen; want zijzelven spinnen den heelen winter door, en maken mooie kleêrtjes voor de elfen, van spinrag en disteldons. Hier is hun huisje. Ik verstop het en bewaak het, terwijl zij weg zijn, en maak het weêr klaar voor hen met den herfst, als zij met de eerste sneeuw terugkomen.”Onder het spreken had Wip een hoop dorre bladeren weggeruimd aan den voet van den ouden eik, en weldra zag Knopje een gewelfden doorgang, die in den hollen boomstam voerde, door de wortels in verscheidene kamertjes verdeeld, en daarbinnen was alles even droog en warm engezellig, als in een klein huisje. Zij hoopte, dat de Kobolden haar zouden willen toestaan te blijven, en ging terstond aan het werk, om Wip te helpen het voor hen in orde te maken, want de lucht was zoo donker, alsof er nu reeds een sneeuwbui dreigde te komen, en een gure wind loeide door het bosch.In het eene kamertje verzamelden zij noten, eikels, rozebottels en hulstbesjes, een paar gedroogde appelen, en een boel sparappels, om te branden; want Wip liet haar een soort van haardje kijken, en vertelde haar, dat de Kobolden zorgden bij het werk lekker warm te blijven.In een ander kamertje spreidden zij mos en hooi uit, voor bedden, en daar zouden dan de zeven kaboutertjes als marmotten kunnen slapen. De leêge pop van een groote rups, waar de kapel uitgevlogen was, hing nog ergens in een hoek, en Knopje zeide, dat dit een goede hangmat voor haar zou zijn, met een gordijntje van gevlochten geel lintgras voor het hoekje gehangen. Zij veegden den vloer aan met bezems van dennenaalden en legden een kleed op den vloer van roode eikenbladeren, wat de woning een heel vroolijk aanzien gaf.Daarop verzocht Wip aan Knopje, om een aantal eikeldopjes met water te vullen uit een beek daar dichtbij, terwijl hij zelf heenging om splinters van de harsachtige denneschors te knabbelen, om den Kobolden als fakkels te dienen, daar zij bij avond werken en dan licht noodig hebben.Knopje voelde zich even gelukkig, als een klein meisje, dat een nieuw poppenhuisje gekregen had, en ze zag er zelf uit als een popje, bij haar heen en weêr dribbelen, om de bakjes te vullen, de mooie kamertjes aan te stoffen, en klaar te komen vóór de zeven kleine vreemdelingen, kwamen, evenals Sneeuwwitje en de Dwergen in het prettige oude sprookje.In twee dagen was alles klaar, en Wip had nu nog tijd, om zijn eigen wintervoorraad op te doen, vóór de sneeuw kwam.Knopje hield de wacht bij de hoopen nooten, die hij opstapelde, uit vrees dat anders zijn slimme buren die kwamen stelen, terwijl hij heen en weêr liep om ze te verstoppen in holletjes rondom den eikeboom. Daardoor was zij hem van veel nut, en hij hield veel van haar; en te zamen maakten zij een aardige verrassing voor de Kobolden klaar, door nieuwe ledekantjes voor hen neêr te zetten, gemaakt van de buitenste schillen van kastanjes, die als wiegen schommelen konden, en van binnen gevoerd waren met dons, zoo zacht als zijde.„Dat zullen zij verrukkelijk vinden, en als zij hooren, dat gij dit bedacht hebt, zullen zij evenveel van u houden als ik. Ga nu wat rusten, en maak u gereed hen te verwelkomen; want ik ben overtuigd, dat zij vandaag zullen komen.„Ik zal boven in den boom klimmen, om te zien of zij ook aankomen, en dan kunt gij terwijl het vuur aanmaken, zoodra ik u waarschuw.”Wip huppelde weg en Knopje bleef in de voordeur staan, met een warm matje van droge kerveltakjes onder haar voeten, en een frisschen slinger sparregroen boven haar hoofd; want zij had de poort versierd en aan alle kanten vroolijke takjes hulst gestoken, om de kaboutertje te verwelkomen. Weldra begonnen de sneeuwvlokjes neêr te zweven, en Knopje verheugde zich, dat zij een gezellig warm verblijf had, om in te wonen, en niet behoefde dood te vriezen, als een verdwaald vogeltje. Plotseling riep Wip uit den top van den boom: „zij komen!” en haastte zich naar beneden te klimmen en twee takjes tegen elkaar te wrijven, tot er een vonk uitsprong, die de sparappels in den haard aanstak.„Loop nu naar de deur, en maak een buiging wanneer gij hen ziet,” zeide hij en waaide het vuur aan met zijn grooten staart, in een toestand van groote opgewondenheid.Knopje keek den weg op, en wilde juist zeggen:„Ik zie niets dan sneeuw,” toen zij zag, dat wat er uitzag als een troep sneeuwvlokken, die naar de deur stoven, inderdaad het zevental Kobolden was, beladen met groote stapels disteldons, om van te spinnen. Zij maakte haar mooiste buiging, glimlachte heel vriendelijk, en riep hun toe: „Welkom thuis, mijn meesters!” als ware zij hun dienstmeisje, en zij leidde hen binnen in de groote kamer, die nu helder verlicht en verwarmd was door het vuur, dat lustig opvlamde onder den schoorsteen, waarvoor een gat in de oude boomwortels gemaakt was.„Wel, wel, buurman Wip, wat hebt ge u dezen keeruitgesloofd; wij zijn zeer tevreden over u. Berg nu onze pakken maar weg, terwijl wij onze spinnewielen gaan halen, en dan zullen wij ons avondeten gebruiken. Maar wees zoo goed, ons eerst te vertellen, wie dit aardige persoontje is,” zeide de oudste van de Kobolden, terwijl de anderen stonden te kijken naar Knopje, en haar toe te knikken, alsof zij hun zeer behaagde.„Uw nieuwe huishoudster, heeren,” antwoordde Wip, en vertelde hun met weinige woorden alles omtrent zijn vriendin,—hoe zij had geholpen den boel voor hen in orde te maken, welke mooie verhalen en liedjes zij kende, en hoeveel goeds zij reeds gedaan had, en nog hoopte te doen, terwijl zij wachtte, totdat er vleugels aan haar zouden groeien.„Best! heel goed! Zij kan bij ons blijven, en wij zullen voor haar zorgen tot de lente. Dan zullen wij eens zien wat er gebeurt.” En zij glimlachten allen en knikten harder dan ooit tegen elkaar, alsof zij iets heerlijks wisten, maar het nog niet wilden vertellen.Toen tikten zij op hun grappige puntige hoeden, en stapten weg, vóór Knopje hen nog genoeg naar haar zin had kunnen bedanken. Terwijl zij weg waren, toonde Wip haar, hoe zij een rij kastanjes bij den haard moest leggen, om te roosteren, en hoe zij de tafel moest dekken, die bestond uit een gedroogde paddestoel, op vier pooten gezet, midden in de kamer, met kleine paddestoeltjes om op te zitten. Eikeldopjes, gevuld met bessen en met water, enkorrels tarwe en gerst waren daarop netjes neêrgelegd, met plaats in het midden voor de kastanjes, als die gaar waren, en een weinig ingelegde appel op een schotel van eikenblad. Verscheidene fakkels werden aangestoken en vastgezet in gaatjes, op de vier hoeken van de tafel, en toen was alles klaar, en deed Knopje een wit boezelaartje voor, gemaakt van haar gescheurden sluier, en wachtte als een knappe keukenmeid met het opdisschen van het eten, totdat haar meesters thuis kwamen.Weldra verschenen zij. Elk torste op zijn rug een klein spinnewiel, want zij verstopten die den geheelen zomer lang in een kelder, tusschen de rotsen, en haalden ze pas te voorschijn, als de tijd voor hun winterwerk weêr aangebroken was. Wip hielp hen nog een weinig om zich in te richten, en verliet hen toen, om zelf te gaan eten en rusten, terwijl Knopje hen zoo netjes bediende, dat zij zich afvroegen, hoe zij het vroeger ooit zonder meid gesteld hadden.Zij was nu volstrekt niet bang voor hen, want het waren jolige ventjes, met dikke lijfjes, dunne beentjes, roode gezichtjes en heldere oogjes. Allen waren gekleed in wit pluizen kleêren, en droegen koddige puntige hoedjes van een soort zaadhuls gemaakt, en laarzen, die van tooverleêr gemaakt waren en hen groote afstanden voortdroegen, alsof de wind hen voortblies.Zij vonden hun avondeten heel lekker, en aten en dronken en praatten heel plezierig, totdat alles op was; toen gingenzij rondom het vuur zitten zoete varens rooken, in Indische pijpjes, totdat Knopje de vaten weggeruimd had.„Kom nu wat voor ons zingen,” zeiden zij; en de jongste Kobold zette beleefd een krukje voor haar neêr, in het warmste hoekje.Nu zong Knopje al haar vroolijkste liedjes, tot hunne groote vreugde, en vertelde al haar avonturen; en allen hadden veel pret, tot het tijd was om te gaan slapen. De kaboutertjes waren verrukt over hun nieuwe bedjes, en hun nachtmutsjes, gemaakt van papaverzaadbollen, over hun hoofd getrokken hebbende, zeiden zij slaperig goeden nacht en tuimelden in hunne bedden, en lieten het aan Knopje over, de voordeur te sluiten, en de lichten uit te dooven. Spoedig kon zij ook haar zacht hangmatje betrekken; en niets verstoorde meer destilte, dan het zuchten van den wind, het vallen van sneeuwvlokken op de dorre bladeren buiten, en zeven snurkende geluidjes, toen de vermoeide Kobolden in hunne nieuwe bedjes lagen te droomen.Knopje stond vroeg op, den volgenden dag, en had alles in orde, toen de kleine mannetjes kwamen ontbijten. Daarna begonnen zij hun wieltjes te laten snorren, en den geheelen dag lang sponnen zij ijverig voort, totdat zij een massa strengen glanzige zijde gereed hadden, om elfenkleedjes van te weven. Knopje leerde het spoedig ook, en zij maakten voor haar ook een wieltje, zoodat zij nu met hen werken kon.Zij praatten zelden, en aten er niet tusschen in, maar werkten door tot den avond toe; dan stonden hunne wieltjesstil en gingen de spinners uit om een loopje te doen, terwijl Knopje het avondeten gereedmaakte.In den avond gingen zij wat varen langs de kust, als de maan scheen, of uilen jagen, of maakten zij pret in het bosch, waarbij zij Knopje meêtroonden, en gleden van de besneeuwde heuvels af, in hunne sleedjes van boombast, waarbij Wip toekeek, warm gedoken in zijn lekkeren bonten pels.Maar bij stormachtige avonden zaten zij in huis, en vertelden elkaar verhalen, en deden spelletjes, en waren heel vroolijk; en Knopje leerde van hen vele wijze en belangrijke dingen; want de Kobolden waren bekend met allerlei soorten van toovernimfen, elfen en kabouters, en zij waren in vele vreemde landen geweest.Het was een heel prettig leven; maar toen de laatste wintermaand kwam, werd Knopje zoo slaperig, dat zij hare oogen niet open kon houden en onder het spinnen zat te knikkebollen, gaapte in plaats van te zingen en dikwijls droomende in bed werd betrapt, als zij op en aan het werk had behooren te zijn.Dat bezwaarde haar zeer, doch zij kon het niet helpen maar de Kokolden lachten slechts, betastten nu en dan tersluiks haar schouders, en zeiden, dat zij gerust kon blijven slapen, want dat hun werk gedaan was en zij hare hulp verder niet noodig hadden.Eens op een morgen werd Knopje in het geheel niet wakker en toen de kaboutertjes naar haar kwamen kijken,lag zij ineengerold in haar hangmatje en geleek veel op de pop van een rups.„Goed zoo,” lachten de ventjes en knikten elkaar veelbeteekend toe; „laat haar maar slapen, terwijl haar vleugels groeien. In Mei zal zij wel ontwaken en nog heerlijker verrassing ondervinden, dan zij ons bereid heeft.”Zij maakten dus hun werk verder af, pakten de gesponnen zijde netjes weg, en zoodra de sneeuw verdwenen was, verstopten zij hunne wieltjes weêr, gaven een afscheidsfeestje aan Wip, en trokken weg, hem verzoekende de wacht te houden bij Knopje, en hun huis weêr voor hen in orde te maken het volgende jaar.Dag aan dag werd het gras groener, zwollen de knopjes, werd de lucht warmer en de wereld schooner, naarmate de lente meer naderde; maar ons Knopje lag nog te slapen in haar klein bedje en het trouwe Eekhoorntje kwam elken morgen kijken, of het goed met haar ging.Ten laatste kwam de Meimaand en kwamen de roosjes haar roode gezichtjes uit de groene blaadjes steken, begonnen de vogels in de groene struiken te zingen en scheen de zon helder, terwijl al de kleine en groote boschbewoners een voor een te voorschijn kwamen, om opnieuw een gelukkigen zomer te doorleven.Toen ontwaakte Knopje uit haar langdurigen slaap, rekte haar armpjes en beentjes uit, als een zuigeling na een slaapje, keek rond waar zij zich bevond, en sprong toen op, vreezende dat zij al te laat was, om het ontbijt voorde Kobolden klaar te maken. Maar het huis was leêg, het vuur uit, de wieltjes waren weg en er was niets te zien, dan een allerliefst wit zijden japonnetje op de tafel, waarin haar naam met rozenknopjes overal geweven was. Terwijl zij nog bezig was, het geschenk met opgetogenheid te bekijken, kwam Wip binnen, en huppelde van vreugd haar weêr wakker te zien, en mooier dan ooit te voren; want onder het slapen was zij veel schooner geworden. Haar winterpakje was verdord en viel van haar af bij het uit bed stappen, zoodat zij terstond het prachtige nieuwe zilverwitte kleedje kon aantrekken, ’t geen ze met vreugde deed.„Och, trek even mijn oude kapje af, dat daar op mijn schouder hangt, dan kan ik mijn mooie japonnetje vastmaken met dezen fraaien gordel,” zeide Knopje, iets op haar rug voelende.Wip’s zwarte oogen schitterden, terwijl hij met een vroolijk knikje zeide:„Schud u eens goed uit en zie toe, wat er dan gebeurt. Maar gij moogt niet heengaan, vóór ik tijd gehad heb de prachtige prinses van het Tooverland te bewonderen.”Knopje schudde zich, en zie! een paar blauw-met-zilveren vleugels ontplooiden zich aan haar blanke schouders en zoo stond zij daar, als een schitterend wezen, zoo mooi als een kapel, zoo teêr als een nimfje, zoo lief als een gelukkig kind, terwijl Wip met zijn staart als met een banier wuifde en verheugd uitriep:„De Kobolden hadden voorspeld, dat het zoo gaan zou,omdat gij zoozeer uw best hadt gedaan, braaf te zijn en het goede te doen! Nu kunt gij naar huis gaan, en een gelukkig leven leiden in het Tooverland.”Knopje kon enkel in hare handen klappen, en lachen van blijdschap, en trachten zelf de mooie vleugels te zien, waarvoor zij zoolang gewerkt en waarop ze zoolang gehoopt had.„Ik bedank u wel zeer voor al uwe vriendelijkheid jegens mij, beste Wip; als ik kan, zal ik nog eens weêrom komen, om u en de kaboutertjes te bezoeken. Nu moet ik heengaan en mij in het vliegen oefenen, vóór ik naar huis op reis ga,” zeide zij, en haastte zich naar de deur te gaan, waar boschviooltjes op haar stonden te wachten met gretige blauwe oogjes, terwijl de roodborstjes, winterkoninkjes en sijsjes haar een welkomstlied toezongen.Het vliegen behoefde zij volstrekt niet te leeren; die mooie vleugeltjes droegen haar vanzelf, en luchtig zweefde zij weg, als een pasgeboren kapel, schitterend in den zonneschijn. Zij vond het zoo overheerlijk, dat zij haast geen lust had weêr op de aarde neêr te komen; zij ging dus op een hoogen tak van den ouden eik zitten en nam eens een kijkje van Wip’s nest, vóór ze hem vaarwel zeide.„Hoe zal ik den weg vinden naar het Tooverland?” vroeg zij, vol ijver om weg te komen; want het verlangen was sterker dan ooit in haar hart.„Ik ben gekomen om u den weg te wijzen,”antwoordde een pieperig zacht stemmetje, terwijl een prachtige kolibriop den tak naast haar kwam zitten, met een borst vonkelend als juweelen, en zijn langen bek vol honig, terwijl het fladderen van zijn vleugels liefelijke muziek teweeg bracht.„Ik ben gereed! Vaartwel, lieve vrienden! vaarwel, groote wereld! Ik heb u lief; maar ik moet naar mijn eigen volk toegaan,” riep Knopje, en met een snelle beweging van de blauw-en-zilveren vleugels was zij verdwenen.Maar nog menigen winteravond werd haar geschiedenis verteld door de Kobolden, als zij rondom het vuur zaten te spinnen; en nog menigen langen dag herinnerden vogel en bij, meikever, mier en bloemen zich het lieve Knopje, en dachten zij aan haar met liefde en dankbaarheid.Elfje zittend in bloem.

KNOPJE.KNOPJE.De stoute koekoek is hier geweest, terwijl wij uit waren en heeft dit groote blauwe ei achtergelaten, tusschen onze kleine witte eitjes, zeide een sijsje tot haar gaaiken, toen zij eens op een dag van hun ontbijt thuis kwamen en hun nest vol vonden.„Dit is geen ei van een koekoek, lieve,” antwoordde de vadervogel, hoofdschuddend, „ik denk dat de eene of anderetoovernimf dat ei hier neêrgelegd heeft en wij moeten er goed op passen, anders zouden zij boos zijn en mettertijd onze kleintjes kwaad kunnen doen. Ga het maar zorgvuldig meê uitbroeden, en dan zullen wij maar eens zien wat er van komt.”Mama Sijsje bleef dus nog verscheidene dagen langer geduldig op vijf eitjes zitten, en toen kwamen hare vier kleintjes er uit, en begonnen terstond om eten te piepen. Maar dat groote blauwe ei lag er nog en men hoorde daarbinnen nog geen geluid van een snebje, dat het openpikken wilde.„Willen wij het uit het nest gooien, om meer ruimte voor onze kleintjes te maken?” vroeg de vogelmoeder, die hare kinderkamer erg vol vond.„Nog niet,” zeide de bezorgde vader, terwijl hij op één poot stond te rusten; want hij was braaf moê van het aandragen van wormpjes voor het gezin. „Wacht nog twee dagen, en als het ei dan niet vanzelf openbreekt, zullen wij het er uit gooien.”Hij was een wijze vogel en zij waren later altijd blij, dat zij gewacht hadden; want den zevenden dag vloog het blauwe ei eensklaps open, en daar lag het kleinste, mooiste kindje, dat ooit gezien werd—drie duim lang, maar rooskleurig, vroolijk en levendig, terwijl zij haar krulkopje omhoog stak en rondkeek, als ware zij heel verbaasd, zich in een vogelnest te bevinden, dat op een boomtak hing te wiegelen.„Wie zijt gij?” vroeg vader Sijs, terwijl al de jonkjes haar aanstaarden met hun ronde oogen, en hun bekjes opensperden, als wilden ze haar verslinden.„Ik ben Knopje,” antwoordde het aardige wezentje, en glimlachte zoo lief tegen hen, dat ze niet nalaten konden haar terstond lief te krijgen.„Waar komt gij vandaan?” zeide de moeder.„Dat weet ik niet.”„Zijt gij een toovernimf?”„Neen, want ik heb geen tooverstaf.”„Zijt gij een nieuw soort van vogel?”„Neen, want ik heb noch veêren noch vleugels.”„Zijt gij een menschenkind?”„Ik denk van neen; want ik heb geen ouders.”„’t Goede kind! Wat kan ze dan zijn? en wat zullen wij met haar aanvangen?” riepen beide vogels tegelijk, heel verbaasd over dit hun nieuwe kind.Knopje scheen zich de zaak volstrekt niet aan te trekken, maar lag slechts te schommelen in haar blauwe wiegje en te lachen tegen de jonge sijsjes, die nieuwsgierig over den rand kwamen gluren.„Zij moet wat te eten hebben,” zeide de vader en vloog weg.„En wat kleertjes,” zeide mama en scharrelde rond in het nest.Maar toen haar een lekkere dikke worm gebracht werd, bedekte Knopje haar gezichtje met hare handjes en riep met een griezel:„Neen, neen, zoo’n leelijk ding kan ik niet eten.”„Haal haar een aardbezie,” zeide de moeder, en trachtte de grootste, zachtste van de vederen, waarmee haar nest gevoerd was, rondom het naakte lichaampje van de kleine meid te rollen.Maar Knopje schopte terstond de veêr van haar kleine beentjes af, en ging staan, terwijl zij lachende zeide:„Ik ben geen vogel, ik kan geen veêren dragen. Geef mij maar een mooi groen blaadje voor een jurkje, en laat mij eens rondkijken in deze groote wereld, waarin ik mij op eens bevind.”Het Sijsje plukte dus een blad, pikte er twee gaatjes in voor Knopje’s armpjes en deed het haar voor als een boezelaartje; maar zij had nog nooit een kindje aangekleed, en kon dat dus niet goed doen, daar hare eigene kinderen met dons bekleed ter wereld kwamen, hetgeen weldra in grijze vederen veranderde.Knopje zag er heel aardig uit met haar groene jurkje, terwijl zij op den rand van het nest zat te staren met haar blauwe kijkertjes, en in hare handjes te klappen, toen papa Sijs naar huis kwam vliegen met een lekkere wilde aardbei in zijn bek, voor haar ontbijt. Zij at die op, alsof het een appel was, en dronk er een droppel dauw bij, die gedurende den nacht gevallen was; daarna begon zij zoo lief te zingen, dat al de buren kwamen kijken, wat voor een aardig vogeltje nu toch uit een ei van Juffrouw Sijs gekropen was.Wat een getjilp en gefladder was er gaande, terwijl de buren dit geval bepraatten, vele vragen deden en het mooie schepseltje bewonderden, dat alleen haar eigen naam wist, en niets meer!„Denkt gij haar hier te houden?” vroeg het roodborstje, zijn roode vestje vooruitstekend, met een heel wijs gezicht.„Wij durven haar niet weg te sturen,” zeiden de Sijsjes.„Zij zal u tot grooten last zijn,” zeide het winterkoninkje.„Gij kunt haar nooit leeren vliegen, en wat zult gij met haar beginnen, als uw eigen kinderen weggevlogen zijn?” vroeg de woudduif, die heel teêrhartig was.„Gij zult haar elken dag een nieuw jurkje dienen te maken, en dat zal zoo bewerkelijk zijn,” zei de geelvink, die heel trotsch was op zijn eigen geel pakje en zwart fluweelen kapje.„Ik denk, dat een booze tooverheks haar hier neêrgelegd heeft, om u in ongelegenheid te brengen. Ik zou haar uit het nest stooten, en elders voor zichzelf laten zorgen,” ried het boomkruipertje, en dacht er over na, of dat mollige kindje niet even goed smaken zou, als de wormen, die hij uit de boomen pikte.„Neen, neen!” riep de bruine lijster;„zij ziet er te lief uit, om kwaad te kunnen aanbrengen. Houd haar, tot gij ziet wat zij doen kan, en misschien zal zij dan nog blijken een goede geest te zijn.”„Zij zingt haast zoo goed als ik, en ik heb veel lust haar liedjes te voegen bij de vele wijsjes, die ik al ken,” zeidede merel, die in zijn eentje heerlijke concerten gaf in de weide.„Ja, wij willen nog wat wachten; en als wij niet tot een beslissing kunnen komen, zullen we over een poosje uw raad inwinnen, lieve buren,” zeiden de sijsjes, die begonnen trotsch te worden op die merkwaardige vreemdelinge, daar hare aankomst zoo het heele bosch in opschudding gebracht had.De andere vogels vlogen toen weg, en Knopje vestigde zich als een van het gezin, en maakte zich zoo aangenaam, dat allen haar lief kregen, en volgaarne wat dicht op elkaar drongen, om ruimte voor haar in het nest te maken.De moeder spreidde ’s nachts hare vleugels ook over haar uit, en maakte alle dagen nieuwe jurkjes voor haar, als de oude verdord waren; vader Sijs bracht haar dauw om te drinken, en om zich in te wasschen, en vloog heinde en verre om rijpe vruchtjes voor haar te zoeken om te eten; terwijl de jonge vogeltjes het nooit moede werden, naar haar gezang te luisteren, te kijken naar haar dansen op den rand van het nest, en de mooie spelletjes te leeren, die zij hen onderwees. Iedereen was heel vriendelijk voor haar, en wachtte geduldig af, wat de tijd brengen zou.Maar toen ten laatste de kleine vogeltjes wegvlogen, wilden de ouders gaarne met hen meêgaan, en vonden zij het toch geen prettig denkbeeld, Knopje geheel alleen achter te laten.Zij zeide echter: „Ik ben volstrekt niet bang, want nu ben ik sterk genoeg, om voor mijzelve te zorgen. Alle vogelskennen mij nu, en ik zal het dus volstrekt niet eenzaam hebben. Draag mij maar naar beneden op het gras, en laat mij rondloopen en voor mijzelf voedsel en kleêrtjes zoeken, evenals uwe kinderen doen. Ik zal u niet vergeten; maar gij behoeft u over mij niet meer te bekommeren.”Papa Sijs nam haar dus op zijn rug, zooals hij dikwijls voor een grapje gedaan had, en vloog neêr naar het zachtste plekje mos beneden, en daar lieten zij haar achter, na een hartelijk afscheid; want zij moesten nu gaan waken over hun eigen jongen, die hun vleugels beproefden en ver weg zwierven.„Voor mij zal wel gezorgd worden, evenals voor de bloemen,” zeide Knopje, thans gezeten op een keisteentje naast het pad, dat door het mooie bosch liep, waarin menigten kleine schepselen druk bezig waren met hun werk of hun spelen.„Ik wou dat ik ook een vogel was, dan kon ik vrij rondvliegen en de wereld bekijken; of een toovernimf, dan kon ik prachtige dingen doen; of zelfs een bloem, dan zou wel iemand mij liefhebben en meênemen. Ik zou wel eens willen weten, waarvoor ik eigenlijk geschapen ben, en wat ik doen kan, ik—zoo’n klein schepseltje in deze groote wereld! Ik weet het wezenlijk niet; maar ik kan gelukkig en vriendelijk zijn, en trachten ieder dien ik ontmoet van dienst te zijn, dan zal ik wel vrienden krijgen en mij niet lang eenzaam gevoelen.”Dat zeggende keek ons dappere Knopje rond, wien zij het eerst zou kunnen helpen, en ontdekte een mier, bezig eengroot wit pak te sjouwen. Het zag er uit, alsof hij een pak kleêren wegbracht naar de waschvrouw, maar het pak was een ei, en de mierenkindermeid bracht het uit het nest naar een warm plekje in de zon, om verder te groeien.Zij vertelde Knopje alles daaromtrent, toen zij aanbood haar te helpen, en liet haar gaarne dit eitje bewaren, terwijl zij met de andere kindermeiden heenging, om er nog veel meer te halen. Weldra lagen al de eitjes op een rustig plekje in den zonneschijn en liep Knopje er bij heen en weêr, om ze nu en dan om te keeren en ze te bewaken, daar anders licht de een of andere hongerige vogel ze kon ophappen.„Nu maak ik mij toch een beetje nuttig,” zeide zij, en voelde zich heel gelukkig in haar nieuwe werk, hoewel ze slechts onder-kindermeid was en geen ander loon verdiende dan een kostelijk dankje van de nijvere mieren.Een weinig later werden de eieren weggedragen en was zij weêr vrij hare reis te vervolgen. Het grasveld was voor haar als een bosch, de hoopjes mos waren in haar oog hooge heuvels, een heel klein beekje leek haar een groote rivier, en een plekje zand een woestijn, die zij doorkruisen moest.„Eerst wil ik mijzelf eens knapjes in de kleeren steken,” zeide Knopje, aan een wilde rozenstruik gekomen, en verzamelde eenige gevallen rozenblaadjes, die zij met dorens aan elkaar trachtte te hechten. Maar haar handen konden het mooie rose rokje niet goed maken en de dorens prikten haar in haar teeder vleesch, toen zij de blaadjes over hareborst uitspreidde; zij was dus reeds op het punt het in wanhoop op te geven en het verlepte groene kleedje maar weer aan te doen, toen een boschspin, die daar dichtbij in haar holletje zat, vriendelijk tot haar zeide:„Kom maar hier, dametje! Ik kan weven en spinnen, en zal met genoegen uw japonnetje voor u naaien. Ik heb gezien, hoe gij mijn buren de mieren geholpen hebt; ik zal u dus wel helpen!”Dit vriendelijke aanbod verheugde Knopje zeer en zij keek toe, hoe de spin, als een eerste naaister, met haar zilverdraad de rozeblaadjes netjes aan elkaar naaide, een randje borduursel rondom den zoom zette, en een zijden koordje vlocht, om het kleedje om haar middel vast te houden.„O! Wat ziet gij er nu lief uit!” riep de spin, toen zij het jurkje had aangetrokken. „Nu moet ge nog een voile hebben, om de zon uit uw oogen te houden. Hier hebt gij mijn laatste web,” en hij wierp haar het glinsterende gaas over haar hoofd, waardoor zij er uitzag als een bruidje onder een kanten sluier.Knopje bedankte hem vriendelijk, en ging vroolijk verder, totdat zij aan een troepje anjers kwam, die in den wind stonden te dansen. Zij meenden in haar den geest van een roos te zien, die hen kwam bezoeken, en bogen hun lichtroode kroontjes tot haar voorover om haar den honig in hunne hartjes aan te bieden.Zij had juist al gedacht, wat zij toch eens eten zou, en nu werd haar zulk een lekker kostje voorgezet, dat zijeigenlijk te danken had aan haar jurkje van rozeblaadjes, waardoor de anjers haar voor een bloem aanzagen. Zij sloeg haar sluier op en vertelde hun haar geschiedenis, die zij heel belangwekkend en ook wel wat droevig vonden.„Lief schepseltje! kom hier bij ons wonen!” riepen zij. „Gij zijt veel te teêr, om zoo geheel alleen de wereld door te dwalen. De wind zal u wegblazen, of er zal licht een voet u vertrappen, of misschien zal een wreede wesp u vermoorden met zijn angel. Blijf hier gerust bij ons, dan zullen wij uw vriendjes zijn en u eten geven en voor u zorgen.”„Gij zijt heel vriendelijk, en uw woonplaats lijkt mij heel prettig; maar ik moet verder gaan. Ik ben overtuigd, dat ik iets te doen heb; dat ik ergens mijn aangewezen plaats zal vinden, en dat ik ook wel eens een paar vleugels zal krijgen, en een vogel of een toovernimf worden,” antwoordde Knopje, terwijl zij zat te rusten bij de rots, waar rondom die anjers groeiden.„Daar komt onze vriend Honigzak, de bij, aan. Hij is heel wijs; misschien kan hij u vertellen, waarheen gij gaan moet en wie gij eigenlijk zijt,” zeiden de anjers, en knikten vroolijk, toen de bruin fluweelen bij al gonzend kwam aanzweven, want hij was zooveel als hun postbeambte, en bracht dagelijks het nieuws.Vol ijver vertelden zij hem alles omtrent hun kleine gast, en vroegen hem, of hij ook iets gehoord had omtrent een vogel zonder veêren, een zoek geraakte elf, of een menschenkindje, dat in een blauw ei was verstopt geworden.De bij zeide, dat hij eens door een kolibrie had hooren spreken over een soort kleine wezentjes, die geen kinderen, en ook geen toovernimfjes waren, omdat zij slechts geboren waren in de verbeelding van de hoofden der menschen. Deze arme schepseltjes konden nooit wezenlijke jongens en meisjes zijn; maar als zij erg hun best deden en heel braaf waren, zouden er ten laatste vleugels aan hen groeien en zouden zij eindelijk toovernimfen worden.„Dan wil ik erg mijn best doen!” riep Knopje. „Ik weet zeker, dat ik een van die schepseltjes ben, en ik wil graag een toovernimf worden, en mijn eigenlijk tehuis vinden. Hoe moet ik het aanleggen?”„Ik geloof wel, dat gij goed begonnen zijt; want ik heb door verscheidene vrienden van u gehoord, toen ik het bosch doortrok, en allen vertellen veel goeds van u. Ga maar zoo voort, en dan ben ik zeker, dat gij ten laatste uw vleugels krijgen zult. Kijk! Ik wil ook het mijne doen, en u iets geven, om gedurende de reis te eten.”Onder het spreken begon de vriendelijke bij reeds het gele stuifmeel, dat hij onderweg verzameld had, met honig te kneden, en weldra stelde hij aan Knopje een aardig bijenbroodje ter hand, om meê op reis te nemen. Zij rolde het in witte violenblaadjes, als een geurig servetje, en nadat zij nog van de anjers een beetje honig gekregen had, toog zij met vriendelijke dankzegging en vol hoop en moed verder.Weldra kwam een zwerm vroolijke kapelletjes rondom haar vliegen, roepende:„Hier is een roos! Ik ruik honig! Kom meê proeven! Neen, het is een elf! Lief kleintje, dans wat met ons!”Knopje bewonderde die diertjes zeer, en voelde zich heel blij en trotsch, toen zij overal op haar kwamen zitten, totdat zij zelf wel een groote kapel geleek, met vleugels van allerlei kleur.„Ik kan niet met u spelen, omdat ik geen elf ben; maar als gij mij dragen wilt op mijn weg naar het Tooverland, dan krijgt gij tot loon mijn honig en mijn brood, want ik kom maar zoo langzaam vooruit, en ik wil graag zoo snel mogelijk reizen,” zeide Knopje, denkend, dat deze mooie vlindertjes haar wel zouden kunnen helpen.De kapellen waren luie wezens, en hadden een hekel aan werken; maar zij hadden veel trek in het fijne brood en dat zoete bloemensap; zij zeiden dus, dat zij hun best wilden doen Knopje te dragen, en zoo haar vermoeide voetjes rust te verschaffen. Zij hielden haar stevig vast aan haar ceintuur, aan haar haar en aan haar jurkje, en zoo vlogen zij allen tegelijk omhoog, lichtten haar een eindje van den grond op, en droegen haar voort in een wolk van blauwe en gele, roode en bruine klepperende vleugeltjes. Het was een zwaar werk voor hen, en de kleintjes lieten haar spoedig los; Knopje begon dus te vallen en zij waren genoodzaakt haar op het gras neêr te leggen, terwijl zij uitrustten en het bijenbrood tot het laatste kruimpje toe opaten.„Breng mij nu nog een beetje verder, dan krijgt gij ookden honig,” zeide ons verstandig Knopje, die verlangend was vooruit te komen, en inzag, dat de luie kapellen haar zouden laten staan, zoodra haar voorraad op was.„Omhoog nu weer!” riep de groote zwartgouden kapel; en zij vlogen weêr verder, allen even hard trekkend. Maar ofschoon het kleine dametje zoo licht was als een veêr, hadden zij toch nog te weinig kracht in hun pooten en vleugels en lieten ze haar weldra op het zandige pad beneden neêrplompen.„Dank u! Hier is de honig. Laat mij nu uitrusten, om van mijn val te bekomen,” zeide Knopje, die toch ten slotte haar eigen voeten een veiliger vervoermiddel vond.De kapellen vlogen weg en de kleine reizigster ging rechtop zitten, om eens te kijken waar zij was.Een treurige jammerkreet trof haar oor, en dicht bij haar zag zij een ouden meikever, die zwakke pogingen deed, om een gaatje in het zand te krabben.„Wat is er aan de hand?” vroeg Knopje.„Och! het is mijn tijd om te sterven, en nu wil ik mij zelf begraven; maar ik ben zoo zwak, dat ik niet in tijds met mijn graf klaar zal zijn, en dan zal ik door den een of anderen vogel opgegeten worden, of onder den voet van een reus verpletterd worden,” antwoordde de meikever en schopte en duwde zoo hard hij kon het zand weg.„Maar als ge dan toch dood waart, zoudt ge daarvan geen hinder hebben,” zeide Knopje.„Dom kind! Als ik op die manier aan mijn eind kom,kan ik niet weêr leven; maar als ik mij zelf begraaf en tot aan de lente lig te slapen, kom ik weêrom als een made of een jonge meikever, ik weet niet recht wat; maar ik ben zeker dat ik veranderen zal. Daarom wil ik een goed graf hebben om in te rusten; want sterven is slechts een slapen, vóór we in anderen vorm weer ontwaken.”„Dat verheugt me!” riep Knopje. „Ik zal u helpen graven, en u netjes toedekken, en ik hoop, dat er dan mettertijd een mooi insekt uit u groeit.”Zij deed dus haar sluier af en werkte ijverig met een plat houtje als schop, totdat er een diep grafje was gegraven. De oude meikever viel er in met een zacht: „Dankje, kind,” en stierf toen rustig in het lekkere warme zand. Knopje bedekte hem met zand, stapelde een hoopje steentjes boven zijn graf en liet hem dus over aan zijn langen slaap, blijde dat zij hem had kunnen helpen en heel nieuwsgierig, of zij ook eerst zou moeten sterven, eer zij veranderd werd.De zon ging nu al onder; want de pret met de kapellen en de begrafenis van den meikever hadden veel tijd in beslag genomen en het begon te schemeren.„Nu moet ik een plekje zoeken om te slapen,” zeide Knopje, wel een beetje angstig; want dit was de eerste nacht, dien zij alleen moest doorbrengen, en zij begon het gemis te voelen van moeder Sijsje, die haar met hare vleugels placht te bedekken. Maar zij bleef moed houden en liep voort, tot ze zóó moê was, dat ze zich genoodzaaktzag stil te houden en wat te gaan uitrusten, ergens aan den oever van het water, waar juist een glimworm haar lampje aangestoken had.„Mag ik hier onder dit groote blad wat blijven?” vroeg zij, blijde het vriendelijke licht te zien en haar vermoeide voetjes te kunnen verfrisschen in het bedauwde gras.„Gij kunt niet veel verder gaan, want gij zijt hier dicht bij een moeras, en ik zie, gij hebt geen vleugels, gij kunt dus niet verder komen,” antwoordde de glimworm, en liet het groene lampje zijn volle schijnsel op de kleine vermoeide reizigster werpen.Knopje vertelde hare geschiedenis, en wilde juist vragen, of hier niet iets te eten was, want zij had bitteren honger, toen uit een hoogen struik boven haar hoofd eenige heel lieve stemmetjes haar toeriepen:„Kom bij ons, liefje! Wij zijn de moeras-kamperfoelie, familie van die anjers, die gij vandaag ontmoet hebt. Hier is wat te eten, en een bedje, en een hartelijk welkom voor het goede schepseltje, waarvan Honigzak, de bij, ons verteld heeft.”Knopje strekte hare armpjes uit naar een menigte witte bloempjes, die zich tot haar vooroverbogen, en in een ommezien lag zij op een heerlijk plekje, waar het heel lekker rook, terwijl de kamperfoelies haar voedsel gaven, en haar liefkoosden en in slaap wiegden, vóór ze nog tijd gehad had, hen half genoeg te bedanken voor hun vriendelijkheid.Zij had tijd voor een goed slaapje en prettige droomen, vóór zij wakker geschrikt werd door een ruwe stem, en zij een vleermuis hoorde praten, die dicht bij haar hing, met zijn leêrachtige vleugels over zijn oogen, om het licht van den glimworm niet te zien, welke daar nog rondwandelde.„Ja,” zeide de vleermuis, „het arme knaapje was verdwaald en in het moeras geraakt, en toen is hij haast verdronken. Het stoute Dwaallichtje had hem weêr gefopt, dat dikwijls de lieden van het rechte pad aflokt, zoodat zij in de modder zakken. Ik heb hem al zoo dikwijls beknord, maar hij wil het niet laten; want hij heeft er altijd plezier in, de boschwachters en de kinderen in den waan te brengen, dat zij het licht in het venster hunner woning zien, en dan zinken zij in het moeras en verstopt hij zich en laat hen aan hun lot over, en moeten zij maar zien hoe ze er weêr uitkomen.”„Wat een slechte jongen is dat!” riep Knopje, wreef hare oogjes uit en ging opzitten, om beter te kunnen luisteren.„Natuurlijk zou hij om u niets geven, want hij weet dat gij het licht haat, en hij plaagt u juist graag, door zijn lantaarn vlak in uw oogen te laten schijnen,” zeide de glimworm tegen de vleermuis.„Ja, ik heb een hekel aan alle soorten van licht, en ik wou, dat het altijd nacht was,” bromde de vleermuis weêr.„Nu, ik niet! Ik houd veel van den zonneschijn, van sterren, en dwaallichtjes en glimwormen, en al wat licht geeft; als ik dus eens met het dwaallichtje ging spreken,zou hij misschien wel willen uitscheiden met zijn streken,” zeide Knopje, die veel belang stelde in het geval, en gevoelde, dat dit wel een goede dienst kon zijn, dien zij aan de kinderen kon bewijzen.„Gij zoudt hem niet kunnen beletten kwaad te doen, tenzij ge hem den geheelen nacht lang sprookjes verteldet. Hij is dol op sprookjes, maar wil er niet stil naar luisteren, tenzij ze altijd nieuw en buitengewoon boeiend zijn,” zeide de vleermuis, en keek met één oog even onder zijn vleugel vandaan, om te zien wie die vreemdelinge was.„Ik ken honderdtallen sprookjes, want ik ben zelf een kind der verbeelding, en mijn hoofd is vol aardige bedenksels en ik zing zulke vroolijke liedjes, dat al de vogels naar mij plachten te komen luisteren, uren lang. Als ik dat dwaallichtje maar kon bereiken, denk ik, dat ik hem wel zou kunnen vermaken en bezighouden, tot de menschen en kinderen veilig naar huis waren gekomen,” zeide Knopje.„Kom het maar eens beproeven, ik zal u wel dragen,” zeide de vleermuis, deed zijn vleugels dicht en zag er uit als een zwarte muis, toen hij naderbij kwam, om Knopje op zich te laten klimmen.„Neen, neen! Blijf bij ons, en ga niet naar dat akelige moeras, vol leelijke dingen en vuile uitdampingen,” riepen de kamperfoelies, en trachtten met zachte, kleverige handjes haar vast te houden.Maar Knopje was zeer begeerig al het goede te doen,dat in haar vermogen was, en beklom dapper haar nieuw paard, en zong nog bij het wegvliegen:„Ju, ju, ju, mijn paardje,„’k Vlieg eens met u meê;„Op een vleermuisstaartje,„Rijd ik weltevreê.”„Het zal haar niet gelukken,” zeide de glimworm, deed zijn lampje uit en ging naar bed.„Helaas, neen! Het arme kleine wezentje! Zij zal daarginds haar dood vinden, en nooit een toovernimf worden,” zuchtten de bloemen en lieten in het schemerlicht treurig haar witte kopjes hangen.Een zwerm vuurvliegen kwam dansen over het moeras, waarin kikvorschen kwaakten, waarboven muggen gonsden, en groote gele lelies haar gespikkelde klokjes luidden. De lucht was warm en vochtig; een dikke witte mist kwam uit het water op, dat hier en daar glinsterde tusschen de bosschen van riet en de eilandjes van kroos, en de gladde muskusratten en helderoogige slangetjes, die rondslopen, terwijl wilde eenden in rustige hoekjes met hun koppen onder hun vleugels zaten te slapen.Het was een vreemde, donkere plek en het hart zonk Knopje in de schoenen (hoewel zij geen schoenen had) toen zij bedacht, dat zij hier alleen zou moeten blijven. Maar zij wilde erg graag een poging doen, om het stoute Dwaallichtje te bewegen, zich beter te gedragen en niet langerde arme menschen in gevaar te lokken. Zij hield zich dus stevig vast aan de vleermuis, terwijl deze heen en weer zwierf boven het moeras, om naar den stouten knaap te zoeken.Weldra kwam hij naar hen toedansen, een klein donker lichaampje met een groot hoofd, dat als een ronde lantaarn naar alle kanten licht uitstraalde.„Wat hebt gij mij gebracht, oude Ledervleugel?—een mooi bruidje om het moeras op te vroolijken, of een nimfje, om van nacht op mijn bal meê te dansen?” zeide hij, en keek naar Knopje met een gretigen blik, terwijl zij daar op dien donkeren vleermuis zat, en haar rooskleurig jurkje en zilvergazen sluier glinsterden in het schijnsel, dat haar nu als maneschijn verlichtte.„Neen, het is een beroemde sprookjesvertelster, gekomen om u te vermaken, wanneer gij moê zijt van het rondzwalken en kattekwaad uitvoeren. Wees maar heel beleefd tegen haar, anders neem ik haar terstond weêr meê weg,” antwoordde de vleermuis, terwijl hij Knopje neerzette op een klein groen eilandje, midden tusschen de biezen en andere moerasplanten.„Laat ons eens zoo’n verhaaltje hooren. Houd eens op met uw gekwaak, Spikkelrug, en gij dames, staakt uw dansje, terwijl ik luister. Ga gij gerust heen, Ledervleugel; zij moet hier blijven tot morgen en laten zien wat zij doen kan,” zeide Dwaallichtje, en ging dicht naast Knopje zitten, terwijl de kikvorschen stil werden, en de vuurvliegen op deblaadjes gingen zitten, als lampjes, waardoor het eilandje even licht werd, als bij helderen dag.„Het is nu al laat; als gij dus de klok twaalf hoort slaan, kunt gij gerust ophouden met vertellen en gaan slapen; want dan zullen al de menschen wel rustig in hunne huizen zijn, en kan Dwaallichtje geen kwaad meer doen. Spoedig kom ik terug. Goeden nacht.”En weg zeilde de vleermuis, blijde het donkerste hoekje van het moeras op te kunnen zoeken, en muggen te snappen voor avondeten.Knopje begon onmiddellijk de geschiedenis te vertellen van „Den vroolijken Meikever”, en die bleek zoo machtig boeiend te zijn, dat weldra een heele kring kikvorschen het eilandje omringden, en onder het luisteren hun groote monden opensperden van het lachen, en knipten met hun heldere oogen. De wilde eenden werden wakker en kwamen ook hooren; een waterslangetje sloop ook nader, met zijn buurman den muskusrat; terwijl de vuurvliegen in zoo grooten getale op de biezen en het kroos zaten, dat alles glinsterde; en Dwaallichtje knikte vroolijk met zijn helder kopje, terwijl hij als een koning met zijn hofhouding rondom zich erbij zat.Juist bij het meest treffende gedeelte van het verhaal, toen de Meikever en de Paardenvlieg op het punt waren te duelleeren over een lief wit Motje, sloeg de klok twaalf uur, en hield Knopje, die heel moê was, plotseling op met vertellen, en zeide:„Morgen in den schemer zal ik het uitvertellen. Het laatste gedeelte is het mooiste, want juffrouw Luis en de booze Sprinkhaan doen daarin vreeselijke dingen.”Allen wilden dolgraag nu het slot hooren; maar Knopje was schor en moest noodig gaan slapen; zij gingen dus allen huns weegs, om te praten over dit nieuwe bekoorlijke schepseltje, dat gekomen was om hun lange nachten te veraangenamen.Dwaallichtje zwierf nog wat heen en weer, trachtte zich voor te stellen hoe de verdere loop van het verhaal zou zijn, en Knopje legde haar hoofdje op een biezen kussentje, om tot den morgen van de sterren te droomen.Toen de dag aanbrak, was zij eenigszins in verlegenheid te zien, dat zij gevangen zat op haar eilandje; want diep water was er overal rondom, en zij zag geen middel om er af te komen.Zij verzocht een mooien witten eend, haar naar een plaats te brengen, waar wat meer ruimte was, want hier was niets voor haar te eten, dan de zachte groene knopjes van de zoete biezen en de zure balletjes van de wilde klisplanten.„Ik ben geen stoomboot, en ik breng geen passagiers over,” antwoordde de eend, en roeide weg; want hij wilde liever dat Knopje blijven zou, en nog meer verhalen vertellen.Zij was dus genoodzaakt daar verscheidene dagen te blijven, kijkende naar de langbeenige reigers, die rondstapten en in de poelen vischten; ziende hoe de ratten hun zonderlinge huisjes bouwden, hoe de kikkers sprongen endoken, de slangetjes heen en weêr kropen, en de jonge eendjes den heelen dag door vliegjes aten. Zij maakte een praatje met de gele lelies, leerde het liedje dat het ritselende riet zong, en klom op tegen de hoogste stammetjes van de biezen, om rond te kijken over het moeras, en verlangde weêr op vasten grond te zijn.De vleermuis vergat haar weêr te komen opzoeken en Dwaallichtje hield zooveel van hare vertellingen, dat hij uren lang bij haar bleef zitten om er naar te luisteren; niemand werd dus door hem in het ongeluk gebracht en Knopje gevoelde dat zij, daar alleen in het somber moeras, wezenlijk iets goeds deed.Iedereen had haar lief en wilde graag dat zij bleef; maar langzamerhand kwam de zomer tot een eind, stierven de vuurvliegen, en werd Dwaallichtje bleek en loom en was hij iederen nacht gemakkelijker in slaap te maken, alsof hij ook bezig was weg te kwijnen, totdat warm zomerweer hem weer wakker en helder zou maken.„Nu zou ik wel heen kunnen gaan, als ik maar een vriend kon vinden om mij te helpen,” zeide Knopje, toen de wilde eenden hun afscheid namen, en de reigers wegstapten.„Ik zal u wel helpen,” zeide een waterslang, en stak den kop omhoog met een vriendelijker blik, dan men ooit zou verwachten uit zulke vurige oogen.„Gij?” zeide Knopje, heel verwonderd; want zij had nooit veel gehouden van de slang, hoewel zij toch altijd wel vriendelijk voor het dier was geweest.„Ik wil uw vriendin zijn, als gij mij hebben wilt. Niemand houdt van mij, daar ik zoo leelijk ben en van de schepping der wereld af aan altijd een slechten naam heb gehad; maar ik heb hoop, dat ik, als ik mijn vel verlies, mooier zal mogen worden of in iets beters veranderen; ik doe dus mijn best om een brave slang te zijn, en zooveel in mijn vermogen is het geluk van mijn naasten te bevorderen.”„Arme stakker! Ik hoop, dat er een mooie groene adder uit u zal groeien, en dat gij dan moogt wonen tusschen bloemen, zooals ik er eens een gekend heb. Het moet moeielijk vallen, hier altijd tevreden te leven, en het is heel lief van u, dat gij mij wilt helpen,” zeide Knopje en legde haar warme handje op den leelijken kop van de slang, die op haar eilandje was gekropen, om zich te koesteren in den zonneschijn.Juffrouw Vorktong vond dat heel plezierig; want zij werd anders nooit geliefkoosd, en de oogjes van de slang glinsterden, toen zij haar slanke lichaam dichter bij Knopje’s voeten kronkelde, en den kop optilde, om haar te antwoorden.„Gij wilt graag van hier weg en dat zult gij. Wij allen zullen u droevig missen, maar de koû komt toch weldra en gij behoeft niet langer te blijven; ik zal dus mijn vriend Gladvel verzoeken, deze sterke biezen door te knagen, totdat zij omvallen, en zoo bruggen maken dwars over de plassen. Gij kunt veilig daarover heengaan en een prettig warm plekje zoeken, om in te wonen totdat de zomer weêrkomt.”„Een smakelijk plannetje! Lieve vriendin, ik dank u zeer; laat ons dat terstond uitvoeren, terwijl Dwaallichtje nog slaapt en niemand ons ziet,” riep Knopje.Gladvel, de muskusrat, kwam en maakte telkens een weg voor haar van het eene hoopje gras naar het andere, totdat zij veilig en wel aan land was. Toen zeide zij deze leelijke maar vriendelijke kameraads vaarwel en liep zij lustig rond in het prettige veld, waar de najaarsbloemen al in het zaad schoten en reeds een boel gele bladeren gevallen waren. Zij smulde van wilde druiven, verdroogde bessen en appels, die nog van de boomen gevallen waren, nadat de oogst reeds was binnengehaald. Alles bereidde zich voor op den winter en Knopje maakte met blijdschap voor zichzelf een warm pakje kleeren van wegeblaadjes met een mutsje van disteldons. Zij was bezig schilletjes van beukenoten aan te passen als schoentjes voor haar kleine voeten, toen een verlept plantje, dicht bij haar, haar toeriep:„Gaat gij zoo vèr reizen, dat gij nieuwe kleêren en sterke schoenen aandoet, kleine vreemdelinge?”„Ik moet reizen totdat ik mijn eigen land vind, al is ’t ook nòg zoo ver weg. Kan ik een boodschap voor u doen onderweg?” vroeg Knopje vriendelijk.„O ja! Als ’t u blieft, wilt gij deze zaadjes van mij naar het groote grasveld aan den overkant brengen? Daar wonen al mijn vrienden en ik verlang zoo, om weer thuis te zijn. In het voorjaar heeft iemand mij uit den grond gehaald enmij hier laten vallen. Maar ik ben niet gestorven; ik heb hier wortel geschoten en gebloeid, en moet hier nu altijd blijven, tenzij iemand mijn zaadjes weêr daarheen brengt. Dan kan ik in een volgende lente daar weêr opkomen, en als gelukkige bloem leven in mijn eigen land.”„Met genoegen,” zeide Knopje. „Maar ik dacht, dat de wind uw zaad voor u ronddroeg.”„Jawel; maar sommige zaden zijn daarvoor te zwaar. Dennezaadjes, die van den ahornboom, van den distel en de paardebloem, en nog vele andere worden door den wind weggeblazen; sommige van ons, planten, groeien van de wortels in den grond, en sommige, zooals ik, van zaden, die in kleine zakjes bijeenzitten. Mijn naam is Herdersbeurs, en ik ben maar een eenvoudig onkruidje; maar ik heb mijn eigen volk lief en verlang zeer hen weêr te zien.”„Dat zult gij!” riep Knopje vol geestdrift; en met zorg verzamelde zij de driehoekige zaadbuisjes, en nam die mede naar het veld, waar andere planten van dezelfde soort met vreugde de tijdingen hoorden van haar verloren vriendinnetje, en het geschenk bekeken, dat zij haar zond.Daar Knopje wist, hoe prettig het is, om langs den weg verscheidenheid van bloemen te zien bloeien, als gastvrije herbergen voor kleine reizigsters als zijzelve, besteedde ons lieve Knopje vele dagen aan het planten van wortels en zaadjes langs den weg door het grasveld.„Als nu kinderen, vogels, kapellen en kaboutermannetjes deze mooie dingen hier later vinden bloeien, zullen zij heelblij zijn, al komen zij dan ook nooit te weten, wie ze hier geplant heeft,” zeide zij, toen zij dat werk volbracht had.Nu was de vorst gekomen, kwamen de noten ritselend tusschen de bladeren van de boomen neêrvallen, werd het groen geel en bruin, en begonnen de koude winden te waaien. Het arme Knopje zocht dus rond in het bosch, of zij ook een veilig warm plekje vond, om in te gaan slapen, althans voor een poosje, want zij was overtuigd dat zij, zoo klein en teêr en zonder vrienden als ’t arme schepseltje was, stellig zou sterven, wanneer de sneeuw kwam.Toen ze bij een grooten eikeboom kwam, ging ze zitten op een afgevallen eikel en trachtte de harde schaal te breken, om van het binnenste wat te knabbelen voor haar middagmaal. Zij was er niet toe in staat, en zat er juist droevig over te denken, wat er nu van haar worden moest, toen er een zoet geschild eikeltje naast haar neêr kwam vallen, en zij, opkijkende, een eekhoorntje op een tak boven haar hoofd zag zitten, dat naar haar keek. Zij glimlachte en bedankte hem, en meteen was hij in een wip van den boom af en ging tegenover haar naar haar zitten kijken, met zijn mooien staart als een parasol boven zijn kop.„Ik ken u wel, kleine meid, en ik ben blij, dat gij hier zijt gekomen, want ik kan u een heerlijk huisje voor den winter aanwijzen. Ik heb u aan een veldmuis hooren vertellen, hoe eenzaam ge zijt, en zooeven heb ik uw tranen zien vloeien, toen gij hier zat te bedenken, dat gij niemand op de wereld tot vriend hebt,” zeide Wip, knikte haartoe en pelde nog een kastanje voor haar, om, zoo zij meer noodig had, na ’t eikeltje te gebruiken.„Iedereen is heel vriendelijk voor mij; maar het schijnt wel, alsof iedereen gaat slapen, nu het najaar komt; daarom voelde ik mij eenzaam en droevig, en verwachtte ik te zullen omkomen in de sneeuw. Maar als ik een gezellig plekje kan vinden, om tot de lente in te wonen, zal ik daar heel blij meê zijn en wil ik gaarne alles doen wat in mijn vermogen is, om er voor te betalen,” antwoordde Knopje, die reeds zeer vertroost was door het stevige maal en een vriendelijk woord.„Als gij mij wilt helpen, om mijn noten en eikels en mos en bladeren naar binnen te sleepen, voor voedsel en ligging dezen winter, dan zal ik u het huisje der Kobolden in gebruik geven, totdat zij komen. Zij zijn vroolijke kaboutertjes, die u zeker gaarne zullen laten blijven en u leeren spinnen; want zijzelven spinnen den heelen winter door, en maken mooie kleêrtjes voor de elfen, van spinrag en disteldons. Hier is hun huisje. Ik verstop het en bewaak het, terwijl zij weg zijn, en maak het weêr klaar voor hen met den herfst, als zij met de eerste sneeuw terugkomen.”Onder het spreken had Wip een hoop dorre bladeren weggeruimd aan den voet van den ouden eik, en weldra zag Knopje een gewelfden doorgang, die in den hollen boomstam voerde, door de wortels in verscheidene kamertjes verdeeld, en daarbinnen was alles even droog en warm engezellig, als in een klein huisje. Zij hoopte, dat de Kobolden haar zouden willen toestaan te blijven, en ging terstond aan het werk, om Wip te helpen het voor hen in orde te maken, want de lucht was zoo donker, alsof er nu reeds een sneeuwbui dreigde te komen, en een gure wind loeide door het bosch.In het eene kamertje verzamelden zij noten, eikels, rozebottels en hulstbesjes, een paar gedroogde appelen, en een boel sparappels, om te branden; want Wip liet haar een soort van haardje kijken, en vertelde haar, dat de Kobolden zorgden bij het werk lekker warm te blijven.In een ander kamertje spreidden zij mos en hooi uit, voor bedden, en daar zouden dan de zeven kaboutertjes als marmotten kunnen slapen. De leêge pop van een groote rups, waar de kapel uitgevlogen was, hing nog ergens in een hoek, en Knopje zeide, dat dit een goede hangmat voor haar zou zijn, met een gordijntje van gevlochten geel lintgras voor het hoekje gehangen. Zij veegden den vloer aan met bezems van dennenaalden en legden een kleed op den vloer van roode eikenbladeren, wat de woning een heel vroolijk aanzien gaf.Daarop verzocht Wip aan Knopje, om een aantal eikeldopjes met water te vullen uit een beek daar dichtbij, terwijl hij zelf heenging om splinters van de harsachtige denneschors te knabbelen, om den Kobolden als fakkels te dienen, daar zij bij avond werken en dan licht noodig hebben.Knopje voelde zich even gelukkig, als een klein meisje, dat een nieuw poppenhuisje gekregen had, en ze zag er zelf uit als een popje, bij haar heen en weêr dribbelen, om de bakjes te vullen, de mooie kamertjes aan te stoffen, en klaar te komen vóór de zeven kleine vreemdelingen, kwamen, evenals Sneeuwwitje en de Dwergen in het prettige oude sprookje.In twee dagen was alles klaar, en Wip had nu nog tijd, om zijn eigen wintervoorraad op te doen, vóór de sneeuw kwam.Knopje hield de wacht bij de hoopen nooten, die hij opstapelde, uit vrees dat anders zijn slimme buren die kwamen stelen, terwijl hij heen en weêr liep om ze te verstoppen in holletjes rondom den eikeboom. Daardoor was zij hem van veel nut, en hij hield veel van haar; en te zamen maakten zij een aardige verrassing voor de Kobolden klaar, door nieuwe ledekantjes voor hen neêr te zetten, gemaakt van de buitenste schillen van kastanjes, die als wiegen schommelen konden, en van binnen gevoerd waren met dons, zoo zacht als zijde.„Dat zullen zij verrukkelijk vinden, en als zij hooren, dat gij dit bedacht hebt, zullen zij evenveel van u houden als ik. Ga nu wat rusten, en maak u gereed hen te verwelkomen; want ik ben overtuigd, dat zij vandaag zullen komen.„Ik zal boven in den boom klimmen, om te zien of zij ook aankomen, en dan kunt gij terwijl het vuur aanmaken, zoodra ik u waarschuw.”Wip huppelde weg en Knopje bleef in de voordeur staan, met een warm matje van droge kerveltakjes onder haar voeten, en een frisschen slinger sparregroen boven haar hoofd; want zij had de poort versierd en aan alle kanten vroolijke takjes hulst gestoken, om de kaboutertje te verwelkomen. Weldra begonnen de sneeuwvlokjes neêr te zweven, en Knopje verheugde zich, dat zij een gezellig warm verblijf had, om in te wonen, en niet behoefde dood te vriezen, als een verdwaald vogeltje. Plotseling riep Wip uit den top van den boom: „zij komen!” en haastte zich naar beneden te klimmen en twee takjes tegen elkaar te wrijven, tot er een vonk uitsprong, die de sparappels in den haard aanstak.„Loop nu naar de deur, en maak een buiging wanneer gij hen ziet,” zeide hij en waaide het vuur aan met zijn grooten staart, in een toestand van groote opgewondenheid.Knopje keek den weg op, en wilde juist zeggen:„Ik zie niets dan sneeuw,” toen zij zag, dat wat er uitzag als een troep sneeuwvlokken, die naar de deur stoven, inderdaad het zevental Kobolden was, beladen met groote stapels disteldons, om van te spinnen. Zij maakte haar mooiste buiging, glimlachte heel vriendelijk, en riep hun toe: „Welkom thuis, mijn meesters!” als ware zij hun dienstmeisje, en zij leidde hen binnen in de groote kamer, die nu helder verlicht en verwarmd was door het vuur, dat lustig opvlamde onder den schoorsteen, waarvoor een gat in de oude boomwortels gemaakt was.„Wel, wel, buurman Wip, wat hebt ge u dezen keeruitgesloofd; wij zijn zeer tevreden over u. Berg nu onze pakken maar weg, terwijl wij onze spinnewielen gaan halen, en dan zullen wij ons avondeten gebruiken. Maar wees zoo goed, ons eerst te vertellen, wie dit aardige persoontje is,” zeide de oudste van de Kobolden, terwijl de anderen stonden te kijken naar Knopje, en haar toe te knikken, alsof zij hun zeer behaagde.„Uw nieuwe huishoudster, heeren,” antwoordde Wip, en vertelde hun met weinige woorden alles omtrent zijn vriendin,—hoe zij had geholpen den boel voor hen in orde te maken, welke mooie verhalen en liedjes zij kende, en hoeveel goeds zij reeds gedaan had, en nog hoopte te doen, terwijl zij wachtte, totdat er vleugels aan haar zouden groeien.„Best! heel goed! Zij kan bij ons blijven, en wij zullen voor haar zorgen tot de lente. Dan zullen wij eens zien wat er gebeurt.” En zij glimlachten allen en knikten harder dan ooit tegen elkaar, alsof zij iets heerlijks wisten, maar het nog niet wilden vertellen.Toen tikten zij op hun grappige puntige hoeden, en stapten weg, vóór Knopje hen nog genoeg naar haar zin had kunnen bedanken. Terwijl zij weg waren, toonde Wip haar, hoe zij een rij kastanjes bij den haard moest leggen, om te roosteren, en hoe zij de tafel moest dekken, die bestond uit een gedroogde paddestoel, op vier pooten gezet, midden in de kamer, met kleine paddestoeltjes om op te zitten. Eikeldopjes, gevuld met bessen en met water, enkorrels tarwe en gerst waren daarop netjes neêrgelegd, met plaats in het midden voor de kastanjes, als die gaar waren, en een weinig ingelegde appel op een schotel van eikenblad. Verscheidene fakkels werden aangestoken en vastgezet in gaatjes, op de vier hoeken van de tafel, en toen was alles klaar, en deed Knopje een wit boezelaartje voor, gemaakt van haar gescheurden sluier, en wachtte als een knappe keukenmeid met het opdisschen van het eten, totdat haar meesters thuis kwamen.Weldra verschenen zij. Elk torste op zijn rug een klein spinnewiel, want zij verstopten die den geheelen zomer lang in een kelder, tusschen de rotsen, en haalden ze pas te voorschijn, als de tijd voor hun winterwerk weêr aangebroken was. Wip hielp hen nog een weinig om zich in te richten, en verliet hen toen, om zelf te gaan eten en rusten, terwijl Knopje hen zoo netjes bediende, dat zij zich afvroegen, hoe zij het vroeger ooit zonder meid gesteld hadden.Zij was nu volstrekt niet bang voor hen, want het waren jolige ventjes, met dikke lijfjes, dunne beentjes, roode gezichtjes en heldere oogjes. Allen waren gekleed in wit pluizen kleêren, en droegen koddige puntige hoedjes van een soort zaadhuls gemaakt, en laarzen, die van tooverleêr gemaakt waren en hen groote afstanden voortdroegen, alsof de wind hen voortblies.Zij vonden hun avondeten heel lekker, en aten en dronken en praatten heel plezierig, totdat alles op was; toen gingenzij rondom het vuur zitten zoete varens rooken, in Indische pijpjes, totdat Knopje de vaten weggeruimd had.„Kom nu wat voor ons zingen,” zeiden zij; en de jongste Kobold zette beleefd een krukje voor haar neêr, in het warmste hoekje.Nu zong Knopje al haar vroolijkste liedjes, tot hunne groote vreugde, en vertelde al haar avonturen; en allen hadden veel pret, tot het tijd was om te gaan slapen. De kaboutertjes waren verrukt over hun nieuwe bedjes, en hun nachtmutsjes, gemaakt van papaverzaadbollen, over hun hoofd getrokken hebbende, zeiden zij slaperig goeden nacht en tuimelden in hunne bedden, en lieten het aan Knopje over, de voordeur te sluiten, en de lichten uit te dooven. Spoedig kon zij ook haar zacht hangmatje betrekken; en niets verstoorde meer destilte, dan het zuchten van den wind, het vallen van sneeuwvlokken op de dorre bladeren buiten, en zeven snurkende geluidjes, toen de vermoeide Kobolden in hunne nieuwe bedjes lagen te droomen.Knopje stond vroeg op, den volgenden dag, en had alles in orde, toen de kleine mannetjes kwamen ontbijten. Daarna begonnen zij hun wieltjes te laten snorren, en den geheelen dag lang sponnen zij ijverig voort, totdat zij een massa strengen glanzige zijde gereed hadden, om elfenkleedjes van te weven. Knopje leerde het spoedig ook, en zij maakten voor haar ook een wieltje, zoodat zij nu met hen werken kon.Zij praatten zelden, en aten er niet tusschen in, maar werkten door tot den avond toe; dan stonden hunne wieltjesstil en gingen de spinners uit om een loopje te doen, terwijl Knopje het avondeten gereedmaakte.In den avond gingen zij wat varen langs de kust, als de maan scheen, of uilen jagen, of maakten zij pret in het bosch, waarbij zij Knopje meêtroonden, en gleden van de besneeuwde heuvels af, in hunne sleedjes van boombast, waarbij Wip toekeek, warm gedoken in zijn lekkeren bonten pels.Maar bij stormachtige avonden zaten zij in huis, en vertelden elkaar verhalen, en deden spelletjes, en waren heel vroolijk; en Knopje leerde van hen vele wijze en belangrijke dingen; want de Kobolden waren bekend met allerlei soorten van toovernimfen, elfen en kabouters, en zij waren in vele vreemde landen geweest.Het was een heel prettig leven; maar toen de laatste wintermaand kwam, werd Knopje zoo slaperig, dat zij hare oogen niet open kon houden en onder het spinnen zat te knikkebollen, gaapte in plaats van te zingen en dikwijls droomende in bed werd betrapt, als zij op en aan het werk had behooren te zijn.Dat bezwaarde haar zeer, doch zij kon het niet helpen maar de Kokolden lachten slechts, betastten nu en dan tersluiks haar schouders, en zeiden, dat zij gerust kon blijven slapen, want dat hun werk gedaan was en zij hare hulp verder niet noodig hadden.Eens op een morgen werd Knopje in het geheel niet wakker en toen de kaboutertjes naar haar kwamen kijken,lag zij ineengerold in haar hangmatje en geleek veel op de pop van een rups.„Goed zoo,” lachten de ventjes en knikten elkaar veelbeteekend toe; „laat haar maar slapen, terwijl haar vleugels groeien. In Mei zal zij wel ontwaken en nog heerlijker verrassing ondervinden, dan zij ons bereid heeft.”Zij maakten dus hun werk verder af, pakten de gesponnen zijde netjes weg, en zoodra de sneeuw verdwenen was, verstopten zij hunne wieltjes weêr, gaven een afscheidsfeestje aan Wip, en trokken weg, hem verzoekende de wacht te houden bij Knopje, en hun huis weêr voor hen in orde te maken het volgende jaar.Dag aan dag werd het gras groener, zwollen de knopjes, werd de lucht warmer en de wereld schooner, naarmate de lente meer naderde; maar ons Knopje lag nog te slapen in haar klein bedje en het trouwe Eekhoorntje kwam elken morgen kijken, of het goed met haar ging.Ten laatste kwam de Meimaand en kwamen de roosjes haar roode gezichtjes uit de groene blaadjes steken, begonnen de vogels in de groene struiken te zingen en scheen de zon helder, terwijl al de kleine en groote boschbewoners een voor een te voorschijn kwamen, om opnieuw een gelukkigen zomer te doorleven.Toen ontwaakte Knopje uit haar langdurigen slaap, rekte haar armpjes en beentjes uit, als een zuigeling na een slaapje, keek rond waar zij zich bevond, en sprong toen op, vreezende dat zij al te laat was, om het ontbijt voorde Kobolden klaar te maken. Maar het huis was leêg, het vuur uit, de wieltjes waren weg en er was niets te zien, dan een allerliefst wit zijden japonnetje op de tafel, waarin haar naam met rozenknopjes overal geweven was. Terwijl zij nog bezig was, het geschenk met opgetogenheid te bekijken, kwam Wip binnen, en huppelde van vreugd haar weêr wakker te zien, en mooier dan ooit te voren; want onder het slapen was zij veel schooner geworden. Haar winterpakje was verdord en viel van haar af bij het uit bed stappen, zoodat zij terstond het prachtige nieuwe zilverwitte kleedje kon aantrekken, ’t geen ze met vreugde deed.„Och, trek even mijn oude kapje af, dat daar op mijn schouder hangt, dan kan ik mijn mooie japonnetje vastmaken met dezen fraaien gordel,” zeide Knopje, iets op haar rug voelende.Wip’s zwarte oogen schitterden, terwijl hij met een vroolijk knikje zeide:„Schud u eens goed uit en zie toe, wat er dan gebeurt. Maar gij moogt niet heengaan, vóór ik tijd gehad heb de prachtige prinses van het Tooverland te bewonderen.”Knopje schudde zich, en zie! een paar blauw-met-zilveren vleugels ontplooiden zich aan haar blanke schouders en zoo stond zij daar, als een schitterend wezen, zoo mooi als een kapel, zoo teêr als een nimfje, zoo lief als een gelukkig kind, terwijl Wip met zijn staart als met een banier wuifde en verheugd uitriep:„De Kobolden hadden voorspeld, dat het zoo gaan zou,omdat gij zoozeer uw best hadt gedaan, braaf te zijn en het goede te doen! Nu kunt gij naar huis gaan, en een gelukkig leven leiden in het Tooverland.”Knopje kon enkel in hare handen klappen, en lachen van blijdschap, en trachten zelf de mooie vleugels te zien, waarvoor zij zoolang gewerkt en waarop ze zoolang gehoopt had.„Ik bedank u wel zeer voor al uwe vriendelijkheid jegens mij, beste Wip; als ik kan, zal ik nog eens weêrom komen, om u en de kaboutertjes te bezoeken. Nu moet ik heengaan en mij in het vliegen oefenen, vóór ik naar huis op reis ga,” zeide zij, en haastte zich naar de deur te gaan, waar boschviooltjes op haar stonden te wachten met gretige blauwe oogjes, terwijl de roodborstjes, winterkoninkjes en sijsjes haar een welkomstlied toezongen.Het vliegen behoefde zij volstrekt niet te leeren; die mooie vleugeltjes droegen haar vanzelf, en luchtig zweefde zij weg, als een pasgeboren kapel, schitterend in den zonneschijn. Zij vond het zoo overheerlijk, dat zij haast geen lust had weêr op de aarde neêr te komen; zij ging dus op een hoogen tak van den ouden eik zitten en nam eens een kijkje van Wip’s nest, vóór ze hem vaarwel zeide.„Hoe zal ik den weg vinden naar het Tooverland?” vroeg zij, vol ijver om weg te komen; want het verlangen was sterker dan ooit in haar hart.„Ik ben gekomen om u den weg te wijzen,”antwoordde een pieperig zacht stemmetje, terwijl een prachtige kolibriop den tak naast haar kwam zitten, met een borst vonkelend als juweelen, en zijn langen bek vol honig, terwijl het fladderen van zijn vleugels liefelijke muziek teweeg bracht.„Ik ben gereed! Vaartwel, lieve vrienden! vaarwel, groote wereld! Ik heb u lief; maar ik moet naar mijn eigen volk toegaan,” riep Knopje, en met een snelle beweging van de blauw-en-zilveren vleugels was zij verdwenen.Maar nog menigen winteravond werd haar geschiedenis verteld door de Kobolden, als zij rondom het vuur zaten te spinnen; en nog menigen langen dag herinnerden vogel en bij, meikever, mier en bloemen zich het lieve Knopje, en dachten zij aan haar met liefde en dankbaarheid.Elfje zittend in bloem.

KNOPJE.KNOPJE.

KNOPJE.

De stoute koekoek is hier geweest, terwijl wij uit waren en heeft dit groote blauwe ei achtergelaten, tusschen onze kleine witte eitjes, zeide een sijsje tot haar gaaiken, toen zij eens op een dag van hun ontbijt thuis kwamen en hun nest vol vonden.„Dit is geen ei van een koekoek, lieve,” antwoordde de vadervogel, hoofdschuddend, „ik denk dat de eene of anderetoovernimf dat ei hier neêrgelegd heeft en wij moeten er goed op passen, anders zouden zij boos zijn en mettertijd onze kleintjes kwaad kunnen doen. Ga het maar zorgvuldig meê uitbroeden, en dan zullen wij maar eens zien wat er van komt.”Mama Sijsje bleef dus nog verscheidene dagen langer geduldig op vijf eitjes zitten, en toen kwamen hare vier kleintjes er uit, en begonnen terstond om eten te piepen. Maar dat groote blauwe ei lag er nog en men hoorde daarbinnen nog geen geluid van een snebje, dat het openpikken wilde.„Willen wij het uit het nest gooien, om meer ruimte voor onze kleintjes te maken?” vroeg de vogelmoeder, die hare kinderkamer erg vol vond.„Nog niet,” zeide de bezorgde vader, terwijl hij op één poot stond te rusten; want hij was braaf moê van het aandragen van wormpjes voor het gezin. „Wacht nog twee dagen, en als het ei dan niet vanzelf openbreekt, zullen wij het er uit gooien.”Hij was een wijze vogel en zij waren later altijd blij, dat zij gewacht hadden; want den zevenden dag vloog het blauwe ei eensklaps open, en daar lag het kleinste, mooiste kindje, dat ooit gezien werd—drie duim lang, maar rooskleurig, vroolijk en levendig, terwijl zij haar krulkopje omhoog stak en rondkeek, als ware zij heel verbaasd, zich in een vogelnest te bevinden, dat op een boomtak hing te wiegelen.„Wie zijt gij?” vroeg vader Sijs, terwijl al de jonkjes haar aanstaarden met hun ronde oogen, en hun bekjes opensperden, als wilden ze haar verslinden.„Ik ben Knopje,” antwoordde het aardige wezentje, en glimlachte zoo lief tegen hen, dat ze niet nalaten konden haar terstond lief te krijgen.„Waar komt gij vandaan?” zeide de moeder.„Dat weet ik niet.”„Zijt gij een toovernimf?”„Neen, want ik heb geen tooverstaf.”„Zijt gij een nieuw soort van vogel?”„Neen, want ik heb noch veêren noch vleugels.”„Zijt gij een menschenkind?”„Ik denk van neen; want ik heb geen ouders.”„’t Goede kind! Wat kan ze dan zijn? en wat zullen wij met haar aanvangen?” riepen beide vogels tegelijk, heel verbaasd over dit hun nieuwe kind.Knopje scheen zich de zaak volstrekt niet aan te trekken, maar lag slechts te schommelen in haar blauwe wiegje en te lachen tegen de jonge sijsjes, die nieuwsgierig over den rand kwamen gluren.„Zij moet wat te eten hebben,” zeide de vader en vloog weg.„En wat kleertjes,” zeide mama en scharrelde rond in het nest.Maar toen haar een lekkere dikke worm gebracht werd, bedekte Knopje haar gezichtje met hare handjes en riep met een griezel:„Neen, neen, zoo’n leelijk ding kan ik niet eten.”„Haal haar een aardbezie,” zeide de moeder, en trachtte de grootste, zachtste van de vederen, waarmee haar nest gevoerd was, rondom het naakte lichaampje van de kleine meid te rollen.Maar Knopje schopte terstond de veêr van haar kleine beentjes af, en ging staan, terwijl zij lachende zeide:„Ik ben geen vogel, ik kan geen veêren dragen. Geef mij maar een mooi groen blaadje voor een jurkje, en laat mij eens rondkijken in deze groote wereld, waarin ik mij op eens bevind.”Het Sijsje plukte dus een blad, pikte er twee gaatjes in voor Knopje’s armpjes en deed het haar voor als een boezelaartje; maar zij had nog nooit een kindje aangekleed, en kon dat dus niet goed doen, daar hare eigene kinderen met dons bekleed ter wereld kwamen, hetgeen weldra in grijze vederen veranderde.Knopje zag er heel aardig uit met haar groene jurkje, terwijl zij op den rand van het nest zat te staren met haar blauwe kijkertjes, en in hare handjes te klappen, toen papa Sijs naar huis kwam vliegen met een lekkere wilde aardbei in zijn bek, voor haar ontbijt. Zij at die op, alsof het een appel was, en dronk er een droppel dauw bij, die gedurende den nacht gevallen was; daarna begon zij zoo lief te zingen, dat al de buren kwamen kijken, wat voor een aardig vogeltje nu toch uit een ei van Juffrouw Sijs gekropen was.Wat een getjilp en gefladder was er gaande, terwijl de buren dit geval bepraatten, vele vragen deden en het mooie schepseltje bewonderden, dat alleen haar eigen naam wist, en niets meer!„Denkt gij haar hier te houden?” vroeg het roodborstje, zijn roode vestje vooruitstekend, met een heel wijs gezicht.„Wij durven haar niet weg te sturen,” zeiden de Sijsjes.„Zij zal u tot grooten last zijn,” zeide het winterkoninkje.„Gij kunt haar nooit leeren vliegen, en wat zult gij met haar beginnen, als uw eigen kinderen weggevlogen zijn?” vroeg de woudduif, die heel teêrhartig was.„Gij zult haar elken dag een nieuw jurkje dienen te maken, en dat zal zoo bewerkelijk zijn,” zei de geelvink, die heel trotsch was op zijn eigen geel pakje en zwart fluweelen kapje.„Ik denk, dat een booze tooverheks haar hier neêrgelegd heeft, om u in ongelegenheid te brengen. Ik zou haar uit het nest stooten, en elders voor zichzelf laten zorgen,” ried het boomkruipertje, en dacht er over na, of dat mollige kindje niet even goed smaken zou, als de wormen, die hij uit de boomen pikte.„Neen, neen!” riep de bruine lijster;„zij ziet er te lief uit, om kwaad te kunnen aanbrengen. Houd haar, tot gij ziet wat zij doen kan, en misschien zal zij dan nog blijken een goede geest te zijn.”„Zij zingt haast zoo goed als ik, en ik heb veel lust haar liedjes te voegen bij de vele wijsjes, die ik al ken,” zeidede merel, die in zijn eentje heerlijke concerten gaf in de weide.„Ja, wij willen nog wat wachten; en als wij niet tot een beslissing kunnen komen, zullen we over een poosje uw raad inwinnen, lieve buren,” zeiden de sijsjes, die begonnen trotsch te worden op die merkwaardige vreemdelinge, daar hare aankomst zoo het heele bosch in opschudding gebracht had.De andere vogels vlogen toen weg, en Knopje vestigde zich als een van het gezin, en maakte zich zoo aangenaam, dat allen haar lief kregen, en volgaarne wat dicht op elkaar drongen, om ruimte voor haar in het nest te maken.De moeder spreidde ’s nachts hare vleugels ook over haar uit, en maakte alle dagen nieuwe jurkjes voor haar, als de oude verdord waren; vader Sijs bracht haar dauw om te drinken, en om zich in te wasschen, en vloog heinde en verre om rijpe vruchtjes voor haar te zoeken om te eten; terwijl de jonge vogeltjes het nooit moede werden, naar haar gezang te luisteren, te kijken naar haar dansen op den rand van het nest, en de mooie spelletjes te leeren, die zij hen onderwees. Iedereen was heel vriendelijk voor haar, en wachtte geduldig af, wat de tijd brengen zou.Maar toen ten laatste de kleine vogeltjes wegvlogen, wilden de ouders gaarne met hen meêgaan, en vonden zij het toch geen prettig denkbeeld, Knopje geheel alleen achter te laten.Zij zeide echter: „Ik ben volstrekt niet bang, want nu ben ik sterk genoeg, om voor mijzelve te zorgen. Alle vogelskennen mij nu, en ik zal het dus volstrekt niet eenzaam hebben. Draag mij maar naar beneden op het gras, en laat mij rondloopen en voor mijzelf voedsel en kleêrtjes zoeken, evenals uwe kinderen doen. Ik zal u niet vergeten; maar gij behoeft u over mij niet meer te bekommeren.”Papa Sijs nam haar dus op zijn rug, zooals hij dikwijls voor een grapje gedaan had, en vloog neêr naar het zachtste plekje mos beneden, en daar lieten zij haar achter, na een hartelijk afscheid; want zij moesten nu gaan waken over hun eigen jongen, die hun vleugels beproefden en ver weg zwierven.„Voor mij zal wel gezorgd worden, evenals voor de bloemen,” zeide Knopje, thans gezeten op een keisteentje naast het pad, dat door het mooie bosch liep, waarin menigten kleine schepselen druk bezig waren met hun werk of hun spelen.„Ik wou dat ik ook een vogel was, dan kon ik vrij rondvliegen en de wereld bekijken; of een toovernimf, dan kon ik prachtige dingen doen; of zelfs een bloem, dan zou wel iemand mij liefhebben en meênemen. Ik zou wel eens willen weten, waarvoor ik eigenlijk geschapen ben, en wat ik doen kan, ik—zoo’n klein schepseltje in deze groote wereld! Ik weet het wezenlijk niet; maar ik kan gelukkig en vriendelijk zijn, en trachten ieder dien ik ontmoet van dienst te zijn, dan zal ik wel vrienden krijgen en mij niet lang eenzaam gevoelen.”Dat zeggende keek ons dappere Knopje rond, wien zij het eerst zou kunnen helpen, en ontdekte een mier, bezig eengroot wit pak te sjouwen. Het zag er uit, alsof hij een pak kleêren wegbracht naar de waschvrouw, maar het pak was een ei, en de mierenkindermeid bracht het uit het nest naar een warm plekje in de zon, om verder te groeien.Zij vertelde Knopje alles daaromtrent, toen zij aanbood haar te helpen, en liet haar gaarne dit eitje bewaren, terwijl zij met de andere kindermeiden heenging, om er nog veel meer te halen. Weldra lagen al de eitjes op een rustig plekje in den zonneschijn en liep Knopje er bij heen en weêr, om ze nu en dan om te keeren en ze te bewaken, daar anders licht de een of andere hongerige vogel ze kon ophappen.„Nu maak ik mij toch een beetje nuttig,” zeide zij, en voelde zich heel gelukkig in haar nieuwe werk, hoewel ze slechts onder-kindermeid was en geen ander loon verdiende dan een kostelijk dankje van de nijvere mieren.Een weinig later werden de eieren weggedragen en was zij weêr vrij hare reis te vervolgen. Het grasveld was voor haar als een bosch, de hoopjes mos waren in haar oog hooge heuvels, een heel klein beekje leek haar een groote rivier, en een plekje zand een woestijn, die zij doorkruisen moest.„Eerst wil ik mijzelf eens knapjes in de kleeren steken,” zeide Knopje, aan een wilde rozenstruik gekomen, en verzamelde eenige gevallen rozenblaadjes, die zij met dorens aan elkaar trachtte te hechten. Maar haar handen konden het mooie rose rokje niet goed maken en de dorens prikten haar in haar teeder vleesch, toen zij de blaadjes over hareborst uitspreidde; zij was dus reeds op het punt het in wanhoop op te geven en het verlepte groene kleedje maar weer aan te doen, toen een boschspin, die daar dichtbij in haar holletje zat, vriendelijk tot haar zeide:„Kom maar hier, dametje! Ik kan weven en spinnen, en zal met genoegen uw japonnetje voor u naaien. Ik heb gezien, hoe gij mijn buren de mieren geholpen hebt; ik zal u dus wel helpen!”Dit vriendelijke aanbod verheugde Knopje zeer en zij keek toe, hoe de spin, als een eerste naaister, met haar zilverdraad de rozeblaadjes netjes aan elkaar naaide, een randje borduursel rondom den zoom zette, en een zijden koordje vlocht, om het kleedje om haar middel vast te houden.„O! Wat ziet gij er nu lief uit!” riep de spin, toen zij het jurkje had aangetrokken. „Nu moet ge nog een voile hebben, om de zon uit uw oogen te houden. Hier hebt gij mijn laatste web,” en hij wierp haar het glinsterende gaas over haar hoofd, waardoor zij er uitzag als een bruidje onder een kanten sluier.Knopje bedankte hem vriendelijk, en ging vroolijk verder, totdat zij aan een troepje anjers kwam, die in den wind stonden te dansen. Zij meenden in haar den geest van een roos te zien, die hen kwam bezoeken, en bogen hun lichtroode kroontjes tot haar voorover om haar den honig in hunne hartjes aan te bieden.Zij had juist al gedacht, wat zij toch eens eten zou, en nu werd haar zulk een lekker kostje voorgezet, dat zijeigenlijk te danken had aan haar jurkje van rozeblaadjes, waardoor de anjers haar voor een bloem aanzagen. Zij sloeg haar sluier op en vertelde hun haar geschiedenis, die zij heel belangwekkend en ook wel wat droevig vonden.„Lief schepseltje! kom hier bij ons wonen!” riepen zij. „Gij zijt veel te teêr, om zoo geheel alleen de wereld door te dwalen. De wind zal u wegblazen, of er zal licht een voet u vertrappen, of misschien zal een wreede wesp u vermoorden met zijn angel. Blijf hier gerust bij ons, dan zullen wij uw vriendjes zijn en u eten geven en voor u zorgen.”„Gij zijt heel vriendelijk, en uw woonplaats lijkt mij heel prettig; maar ik moet verder gaan. Ik ben overtuigd, dat ik iets te doen heb; dat ik ergens mijn aangewezen plaats zal vinden, en dat ik ook wel eens een paar vleugels zal krijgen, en een vogel of een toovernimf worden,” antwoordde Knopje, terwijl zij zat te rusten bij de rots, waar rondom die anjers groeiden.„Daar komt onze vriend Honigzak, de bij, aan. Hij is heel wijs; misschien kan hij u vertellen, waarheen gij gaan moet en wie gij eigenlijk zijt,” zeiden de anjers, en knikten vroolijk, toen de bruin fluweelen bij al gonzend kwam aanzweven, want hij was zooveel als hun postbeambte, en bracht dagelijks het nieuws.Vol ijver vertelden zij hem alles omtrent hun kleine gast, en vroegen hem, of hij ook iets gehoord had omtrent een vogel zonder veêren, een zoek geraakte elf, of een menschenkindje, dat in een blauw ei was verstopt geworden.De bij zeide, dat hij eens door een kolibrie had hooren spreken over een soort kleine wezentjes, die geen kinderen, en ook geen toovernimfjes waren, omdat zij slechts geboren waren in de verbeelding van de hoofden der menschen. Deze arme schepseltjes konden nooit wezenlijke jongens en meisjes zijn; maar als zij erg hun best deden en heel braaf waren, zouden er ten laatste vleugels aan hen groeien en zouden zij eindelijk toovernimfen worden.„Dan wil ik erg mijn best doen!” riep Knopje. „Ik weet zeker, dat ik een van die schepseltjes ben, en ik wil graag een toovernimf worden, en mijn eigenlijk tehuis vinden. Hoe moet ik het aanleggen?”„Ik geloof wel, dat gij goed begonnen zijt; want ik heb door verscheidene vrienden van u gehoord, toen ik het bosch doortrok, en allen vertellen veel goeds van u. Ga maar zoo voort, en dan ben ik zeker, dat gij ten laatste uw vleugels krijgen zult. Kijk! Ik wil ook het mijne doen, en u iets geven, om gedurende de reis te eten.”Onder het spreken begon de vriendelijke bij reeds het gele stuifmeel, dat hij onderweg verzameld had, met honig te kneden, en weldra stelde hij aan Knopje een aardig bijenbroodje ter hand, om meê op reis te nemen. Zij rolde het in witte violenblaadjes, als een geurig servetje, en nadat zij nog van de anjers een beetje honig gekregen had, toog zij met vriendelijke dankzegging en vol hoop en moed verder.Weldra kwam een zwerm vroolijke kapelletjes rondom haar vliegen, roepende:„Hier is een roos! Ik ruik honig! Kom meê proeven! Neen, het is een elf! Lief kleintje, dans wat met ons!”Knopje bewonderde die diertjes zeer, en voelde zich heel blij en trotsch, toen zij overal op haar kwamen zitten, totdat zij zelf wel een groote kapel geleek, met vleugels van allerlei kleur.„Ik kan niet met u spelen, omdat ik geen elf ben; maar als gij mij dragen wilt op mijn weg naar het Tooverland, dan krijgt gij tot loon mijn honig en mijn brood, want ik kom maar zoo langzaam vooruit, en ik wil graag zoo snel mogelijk reizen,” zeide Knopje, denkend, dat deze mooie vlindertjes haar wel zouden kunnen helpen.De kapellen waren luie wezens, en hadden een hekel aan werken; maar zij hadden veel trek in het fijne brood en dat zoete bloemensap; zij zeiden dus, dat zij hun best wilden doen Knopje te dragen, en zoo haar vermoeide voetjes rust te verschaffen. Zij hielden haar stevig vast aan haar ceintuur, aan haar haar en aan haar jurkje, en zoo vlogen zij allen tegelijk omhoog, lichtten haar een eindje van den grond op, en droegen haar voort in een wolk van blauwe en gele, roode en bruine klepperende vleugeltjes. Het was een zwaar werk voor hen, en de kleintjes lieten haar spoedig los; Knopje begon dus te vallen en zij waren genoodzaakt haar op het gras neêr te leggen, terwijl zij uitrustten en het bijenbrood tot het laatste kruimpje toe opaten.„Breng mij nu nog een beetje verder, dan krijgt gij ookden honig,” zeide ons verstandig Knopje, die verlangend was vooruit te komen, en inzag, dat de luie kapellen haar zouden laten staan, zoodra haar voorraad op was.„Omhoog nu weer!” riep de groote zwartgouden kapel; en zij vlogen weêr verder, allen even hard trekkend. Maar ofschoon het kleine dametje zoo licht was als een veêr, hadden zij toch nog te weinig kracht in hun pooten en vleugels en lieten ze haar weldra op het zandige pad beneden neêrplompen.„Dank u! Hier is de honig. Laat mij nu uitrusten, om van mijn val te bekomen,” zeide Knopje, die toch ten slotte haar eigen voeten een veiliger vervoermiddel vond.De kapellen vlogen weg en de kleine reizigster ging rechtop zitten, om eens te kijken waar zij was.Een treurige jammerkreet trof haar oor, en dicht bij haar zag zij een ouden meikever, die zwakke pogingen deed, om een gaatje in het zand te krabben.„Wat is er aan de hand?” vroeg Knopje.„Och! het is mijn tijd om te sterven, en nu wil ik mij zelf begraven; maar ik ben zoo zwak, dat ik niet in tijds met mijn graf klaar zal zijn, en dan zal ik door den een of anderen vogel opgegeten worden, of onder den voet van een reus verpletterd worden,” antwoordde de meikever en schopte en duwde zoo hard hij kon het zand weg.„Maar als ge dan toch dood waart, zoudt ge daarvan geen hinder hebben,” zeide Knopje.„Dom kind! Als ik op die manier aan mijn eind kom,kan ik niet weêr leven; maar als ik mij zelf begraaf en tot aan de lente lig te slapen, kom ik weêrom als een made of een jonge meikever, ik weet niet recht wat; maar ik ben zeker dat ik veranderen zal. Daarom wil ik een goed graf hebben om in te rusten; want sterven is slechts een slapen, vóór we in anderen vorm weer ontwaken.”„Dat verheugt me!” riep Knopje. „Ik zal u helpen graven, en u netjes toedekken, en ik hoop, dat er dan mettertijd een mooi insekt uit u groeit.”Zij deed dus haar sluier af en werkte ijverig met een plat houtje als schop, totdat er een diep grafje was gegraven. De oude meikever viel er in met een zacht: „Dankje, kind,” en stierf toen rustig in het lekkere warme zand. Knopje bedekte hem met zand, stapelde een hoopje steentjes boven zijn graf en liet hem dus over aan zijn langen slaap, blijde dat zij hem had kunnen helpen en heel nieuwsgierig, of zij ook eerst zou moeten sterven, eer zij veranderd werd.De zon ging nu al onder; want de pret met de kapellen en de begrafenis van den meikever hadden veel tijd in beslag genomen en het begon te schemeren.„Nu moet ik een plekje zoeken om te slapen,” zeide Knopje, wel een beetje angstig; want dit was de eerste nacht, dien zij alleen moest doorbrengen, en zij begon het gemis te voelen van moeder Sijsje, die haar met hare vleugels placht te bedekken. Maar zij bleef moed houden en liep voort, tot ze zóó moê was, dat ze zich genoodzaaktzag stil te houden en wat te gaan uitrusten, ergens aan den oever van het water, waar juist een glimworm haar lampje aangestoken had.„Mag ik hier onder dit groote blad wat blijven?” vroeg zij, blijde het vriendelijke licht te zien en haar vermoeide voetjes te kunnen verfrisschen in het bedauwde gras.„Gij kunt niet veel verder gaan, want gij zijt hier dicht bij een moeras, en ik zie, gij hebt geen vleugels, gij kunt dus niet verder komen,” antwoordde de glimworm, en liet het groene lampje zijn volle schijnsel op de kleine vermoeide reizigster werpen.Knopje vertelde hare geschiedenis, en wilde juist vragen, of hier niet iets te eten was, want zij had bitteren honger, toen uit een hoogen struik boven haar hoofd eenige heel lieve stemmetjes haar toeriepen:„Kom bij ons, liefje! Wij zijn de moeras-kamperfoelie, familie van die anjers, die gij vandaag ontmoet hebt. Hier is wat te eten, en een bedje, en een hartelijk welkom voor het goede schepseltje, waarvan Honigzak, de bij, ons verteld heeft.”Knopje strekte hare armpjes uit naar een menigte witte bloempjes, die zich tot haar vooroverbogen, en in een ommezien lag zij op een heerlijk plekje, waar het heel lekker rook, terwijl de kamperfoelies haar voedsel gaven, en haar liefkoosden en in slaap wiegden, vóór ze nog tijd gehad had, hen half genoeg te bedanken voor hun vriendelijkheid.Zij had tijd voor een goed slaapje en prettige droomen, vóór zij wakker geschrikt werd door een ruwe stem, en zij een vleermuis hoorde praten, die dicht bij haar hing, met zijn leêrachtige vleugels over zijn oogen, om het licht van den glimworm niet te zien, welke daar nog rondwandelde.„Ja,” zeide de vleermuis, „het arme knaapje was verdwaald en in het moeras geraakt, en toen is hij haast verdronken. Het stoute Dwaallichtje had hem weêr gefopt, dat dikwijls de lieden van het rechte pad aflokt, zoodat zij in de modder zakken. Ik heb hem al zoo dikwijls beknord, maar hij wil het niet laten; want hij heeft er altijd plezier in, de boschwachters en de kinderen in den waan te brengen, dat zij het licht in het venster hunner woning zien, en dan zinken zij in het moeras en verstopt hij zich en laat hen aan hun lot over, en moeten zij maar zien hoe ze er weêr uitkomen.”„Wat een slechte jongen is dat!” riep Knopje, wreef hare oogjes uit en ging opzitten, om beter te kunnen luisteren.„Natuurlijk zou hij om u niets geven, want hij weet dat gij het licht haat, en hij plaagt u juist graag, door zijn lantaarn vlak in uw oogen te laten schijnen,” zeide de glimworm tegen de vleermuis.„Ja, ik heb een hekel aan alle soorten van licht, en ik wou, dat het altijd nacht was,” bromde de vleermuis weêr.„Nu, ik niet! Ik houd veel van den zonneschijn, van sterren, en dwaallichtjes en glimwormen, en al wat licht geeft; als ik dus eens met het dwaallichtje ging spreken,zou hij misschien wel willen uitscheiden met zijn streken,” zeide Knopje, die veel belang stelde in het geval, en gevoelde, dat dit wel een goede dienst kon zijn, dien zij aan de kinderen kon bewijzen.„Gij zoudt hem niet kunnen beletten kwaad te doen, tenzij ge hem den geheelen nacht lang sprookjes verteldet. Hij is dol op sprookjes, maar wil er niet stil naar luisteren, tenzij ze altijd nieuw en buitengewoon boeiend zijn,” zeide de vleermuis, en keek met één oog even onder zijn vleugel vandaan, om te zien wie die vreemdelinge was.„Ik ken honderdtallen sprookjes, want ik ben zelf een kind der verbeelding, en mijn hoofd is vol aardige bedenksels en ik zing zulke vroolijke liedjes, dat al de vogels naar mij plachten te komen luisteren, uren lang. Als ik dat dwaallichtje maar kon bereiken, denk ik, dat ik hem wel zou kunnen vermaken en bezighouden, tot de menschen en kinderen veilig naar huis waren gekomen,” zeide Knopje.„Kom het maar eens beproeven, ik zal u wel dragen,” zeide de vleermuis, deed zijn vleugels dicht en zag er uit als een zwarte muis, toen hij naderbij kwam, om Knopje op zich te laten klimmen.„Neen, neen! Blijf bij ons, en ga niet naar dat akelige moeras, vol leelijke dingen en vuile uitdampingen,” riepen de kamperfoelies, en trachtten met zachte, kleverige handjes haar vast te houden.Maar Knopje was zeer begeerig al het goede te doen,dat in haar vermogen was, en beklom dapper haar nieuw paard, en zong nog bij het wegvliegen:„Ju, ju, ju, mijn paardje,„’k Vlieg eens met u meê;„Op een vleermuisstaartje,„Rijd ik weltevreê.”„Het zal haar niet gelukken,” zeide de glimworm, deed zijn lampje uit en ging naar bed.„Helaas, neen! Het arme kleine wezentje! Zij zal daarginds haar dood vinden, en nooit een toovernimf worden,” zuchtten de bloemen en lieten in het schemerlicht treurig haar witte kopjes hangen.Een zwerm vuurvliegen kwam dansen over het moeras, waarin kikvorschen kwaakten, waarboven muggen gonsden, en groote gele lelies haar gespikkelde klokjes luidden. De lucht was warm en vochtig; een dikke witte mist kwam uit het water op, dat hier en daar glinsterde tusschen de bosschen van riet en de eilandjes van kroos, en de gladde muskusratten en helderoogige slangetjes, die rondslopen, terwijl wilde eenden in rustige hoekjes met hun koppen onder hun vleugels zaten te slapen.Het was een vreemde, donkere plek en het hart zonk Knopje in de schoenen (hoewel zij geen schoenen had) toen zij bedacht, dat zij hier alleen zou moeten blijven. Maar zij wilde erg graag een poging doen, om het stoute Dwaallichtje te bewegen, zich beter te gedragen en niet langerde arme menschen in gevaar te lokken. Zij hield zich dus stevig vast aan de vleermuis, terwijl deze heen en weer zwierf boven het moeras, om naar den stouten knaap te zoeken.Weldra kwam hij naar hen toedansen, een klein donker lichaampje met een groot hoofd, dat als een ronde lantaarn naar alle kanten licht uitstraalde.„Wat hebt gij mij gebracht, oude Ledervleugel?—een mooi bruidje om het moeras op te vroolijken, of een nimfje, om van nacht op mijn bal meê te dansen?” zeide hij, en keek naar Knopje met een gretigen blik, terwijl zij daar op dien donkeren vleermuis zat, en haar rooskleurig jurkje en zilvergazen sluier glinsterden in het schijnsel, dat haar nu als maneschijn verlichtte.„Neen, het is een beroemde sprookjesvertelster, gekomen om u te vermaken, wanneer gij moê zijt van het rondzwalken en kattekwaad uitvoeren. Wees maar heel beleefd tegen haar, anders neem ik haar terstond weêr meê weg,” antwoordde de vleermuis, terwijl hij Knopje neerzette op een klein groen eilandje, midden tusschen de biezen en andere moerasplanten.„Laat ons eens zoo’n verhaaltje hooren. Houd eens op met uw gekwaak, Spikkelrug, en gij dames, staakt uw dansje, terwijl ik luister. Ga gij gerust heen, Ledervleugel; zij moet hier blijven tot morgen en laten zien wat zij doen kan,” zeide Dwaallichtje, en ging dicht naast Knopje zitten, terwijl de kikvorschen stil werden, en de vuurvliegen op deblaadjes gingen zitten, als lampjes, waardoor het eilandje even licht werd, als bij helderen dag.„Het is nu al laat; als gij dus de klok twaalf hoort slaan, kunt gij gerust ophouden met vertellen en gaan slapen; want dan zullen al de menschen wel rustig in hunne huizen zijn, en kan Dwaallichtje geen kwaad meer doen. Spoedig kom ik terug. Goeden nacht.”En weg zeilde de vleermuis, blijde het donkerste hoekje van het moeras op te kunnen zoeken, en muggen te snappen voor avondeten.Knopje begon onmiddellijk de geschiedenis te vertellen van „Den vroolijken Meikever”, en die bleek zoo machtig boeiend te zijn, dat weldra een heele kring kikvorschen het eilandje omringden, en onder het luisteren hun groote monden opensperden van het lachen, en knipten met hun heldere oogen. De wilde eenden werden wakker en kwamen ook hooren; een waterslangetje sloop ook nader, met zijn buurman den muskusrat; terwijl de vuurvliegen in zoo grooten getale op de biezen en het kroos zaten, dat alles glinsterde; en Dwaallichtje knikte vroolijk met zijn helder kopje, terwijl hij als een koning met zijn hofhouding rondom zich erbij zat.Juist bij het meest treffende gedeelte van het verhaal, toen de Meikever en de Paardenvlieg op het punt waren te duelleeren over een lief wit Motje, sloeg de klok twaalf uur, en hield Knopje, die heel moê was, plotseling op met vertellen, en zeide:„Morgen in den schemer zal ik het uitvertellen. Het laatste gedeelte is het mooiste, want juffrouw Luis en de booze Sprinkhaan doen daarin vreeselijke dingen.”Allen wilden dolgraag nu het slot hooren; maar Knopje was schor en moest noodig gaan slapen; zij gingen dus allen huns weegs, om te praten over dit nieuwe bekoorlijke schepseltje, dat gekomen was om hun lange nachten te veraangenamen.Dwaallichtje zwierf nog wat heen en weer, trachtte zich voor te stellen hoe de verdere loop van het verhaal zou zijn, en Knopje legde haar hoofdje op een biezen kussentje, om tot den morgen van de sterren te droomen.Toen de dag aanbrak, was zij eenigszins in verlegenheid te zien, dat zij gevangen zat op haar eilandje; want diep water was er overal rondom, en zij zag geen middel om er af te komen.Zij verzocht een mooien witten eend, haar naar een plaats te brengen, waar wat meer ruimte was, want hier was niets voor haar te eten, dan de zachte groene knopjes van de zoete biezen en de zure balletjes van de wilde klisplanten.„Ik ben geen stoomboot, en ik breng geen passagiers over,” antwoordde de eend, en roeide weg; want hij wilde liever dat Knopje blijven zou, en nog meer verhalen vertellen.Zij was dus genoodzaakt daar verscheidene dagen te blijven, kijkende naar de langbeenige reigers, die rondstapten en in de poelen vischten; ziende hoe de ratten hun zonderlinge huisjes bouwden, hoe de kikkers sprongen endoken, de slangetjes heen en weêr kropen, en de jonge eendjes den heelen dag door vliegjes aten. Zij maakte een praatje met de gele lelies, leerde het liedje dat het ritselende riet zong, en klom op tegen de hoogste stammetjes van de biezen, om rond te kijken over het moeras, en verlangde weêr op vasten grond te zijn.De vleermuis vergat haar weêr te komen opzoeken en Dwaallichtje hield zooveel van hare vertellingen, dat hij uren lang bij haar bleef zitten om er naar te luisteren; niemand werd dus door hem in het ongeluk gebracht en Knopje gevoelde dat zij, daar alleen in het somber moeras, wezenlijk iets goeds deed.Iedereen had haar lief en wilde graag dat zij bleef; maar langzamerhand kwam de zomer tot een eind, stierven de vuurvliegen, en werd Dwaallichtje bleek en loom en was hij iederen nacht gemakkelijker in slaap te maken, alsof hij ook bezig was weg te kwijnen, totdat warm zomerweer hem weer wakker en helder zou maken.„Nu zou ik wel heen kunnen gaan, als ik maar een vriend kon vinden om mij te helpen,” zeide Knopje, toen de wilde eenden hun afscheid namen, en de reigers wegstapten.„Ik zal u wel helpen,” zeide een waterslang, en stak den kop omhoog met een vriendelijker blik, dan men ooit zou verwachten uit zulke vurige oogen.„Gij?” zeide Knopje, heel verwonderd; want zij had nooit veel gehouden van de slang, hoewel zij toch altijd wel vriendelijk voor het dier was geweest.„Ik wil uw vriendin zijn, als gij mij hebben wilt. Niemand houdt van mij, daar ik zoo leelijk ben en van de schepping der wereld af aan altijd een slechten naam heb gehad; maar ik heb hoop, dat ik, als ik mijn vel verlies, mooier zal mogen worden of in iets beters veranderen; ik doe dus mijn best om een brave slang te zijn, en zooveel in mijn vermogen is het geluk van mijn naasten te bevorderen.”„Arme stakker! Ik hoop, dat er een mooie groene adder uit u zal groeien, en dat gij dan moogt wonen tusschen bloemen, zooals ik er eens een gekend heb. Het moet moeielijk vallen, hier altijd tevreden te leven, en het is heel lief van u, dat gij mij wilt helpen,” zeide Knopje en legde haar warme handje op den leelijken kop van de slang, die op haar eilandje was gekropen, om zich te koesteren in den zonneschijn.Juffrouw Vorktong vond dat heel plezierig; want zij werd anders nooit geliefkoosd, en de oogjes van de slang glinsterden, toen zij haar slanke lichaam dichter bij Knopje’s voeten kronkelde, en den kop optilde, om haar te antwoorden.„Gij wilt graag van hier weg en dat zult gij. Wij allen zullen u droevig missen, maar de koû komt toch weldra en gij behoeft niet langer te blijven; ik zal dus mijn vriend Gladvel verzoeken, deze sterke biezen door te knagen, totdat zij omvallen, en zoo bruggen maken dwars over de plassen. Gij kunt veilig daarover heengaan en een prettig warm plekje zoeken, om in te wonen totdat de zomer weêrkomt.”„Een smakelijk plannetje! Lieve vriendin, ik dank u zeer; laat ons dat terstond uitvoeren, terwijl Dwaallichtje nog slaapt en niemand ons ziet,” riep Knopje.Gladvel, de muskusrat, kwam en maakte telkens een weg voor haar van het eene hoopje gras naar het andere, totdat zij veilig en wel aan land was. Toen zeide zij deze leelijke maar vriendelijke kameraads vaarwel en liep zij lustig rond in het prettige veld, waar de najaarsbloemen al in het zaad schoten en reeds een boel gele bladeren gevallen waren. Zij smulde van wilde druiven, verdroogde bessen en appels, die nog van de boomen gevallen waren, nadat de oogst reeds was binnengehaald. Alles bereidde zich voor op den winter en Knopje maakte met blijdschap voor zichzelf een warm pakje kleeren van wegeblaadjes met een mutsje van disteldons. Zij was bezig schilletjes van beukenoten aan te passen als schoentjes voor haar kleine voeten, toen een verlept plantje, dicht bij haar, haar toeriep:„Gaat gij zoo vèr reizen, dat gij nieuwe kleêren en sterke schoenen aandoet, kleine vreemdelinge?”„Ik moet reizen totdat ik mijn eigen land vind, al is ’t ook nòg zoo ver weg. Kan ik een boodschap voor u doen onderweg?” vroeg Knopje vriendelijk.„O ja! Als ’t u blieft, wilt gij deze zaadjes van mij naar het groote grasveld aan den overkant brengen? Daar wonen al mijn vrienden en ik verlang zoo, om weer thuis te zijn. In het voorjaar heeft iemand mij uit den grond gehaald enmij hier laten vallen. Maar ik ben niet gestorven; ik heb hier wortel geschoten en gebloeid, en moet hier nu altijd blijven, tenzij iemand mijn zaadjes weêr daarheen brengt. Dan kan ik in een volgende lente daar weêr opkomen, en als gelukkige bloem leven in mijn eigen land.”„Met genoegen,” zeide Knopje. „Maar ik dacht, dat de wind uw zaad voor u ronddroeg.”„Jawel; maar sommige zaden zijn daarvoor te zwaar. Dennezaadjes, die van den ahornboom, van den distel en de paardebloem, en nog vele andere worden door den wind weggeblazen; sommige van ons, planten, groeien van de wortels in den grond, en sommige, zooals ik, van zaden, die in kleine zakjes bijeenzitten. Mijn naam is Herdersbeurs, en ik ben maar een eenvoudig onkruidje; maar ik heb mijn eigen volk lief en verlang zeer hen weêr te zien.”„Dat zult gij!” riep Knopje vol geestdrift; en met zorg verzamelde zij de driehoekige zaadbuisjes, en nam die mede naar het veld, waar andere planten van dezelfde soort met vreugde de tijdingen hoorden van haar verloren vriendinnetje, en het geschenk bekeken, dat zij haar zond.Daar Knopje wist, hoe prettig het is, om langs den weg verscheidenheid van bloemen te zien bloeien, als gastvrije herbergen voor kleine reizigsters als zijzelve, besteedde ons lieve Knopje vele dagen aan het planten van wortels en zaadjes langs den weg door het grasveld.„Als nu kinderen, vogels, kapellen en kaboutermannetjes deze mooie dingen hier later vinden bloeien, zullen zij heelblij zijn, al komen zij dan ook nooit te weten, wie ze hier geplant heeft,” zeide zij, toen zij dat werk volbracht had.Nu was de vorst gekomen, kwamen de noten ritselend tusschen de bladeren van de boomen neêrvallen, werd het groen geel en bruin, en begonnen de koude winden te waaien. Het arme Knopje zocht dus rond in het bosch, of zij ook een veilig warm plekje vond, om in te gaan slapen, althans voor een poosje, want zij was overtuigd dat zij, zoo klein en teêr en zonder vrienden als ’t arme schepseltje was, stellig zou sterven, wanneer de sneeuw kwam.Toen ze bij een grooten eikeboom kwam, ging ze zitten op een afgevallen eikel en trachtte de harde schaal te breken, om van het binnenste wat te knabbelen voor haar middagmaal. Zij was er niet toe in staat, en zat er juist droevig over te denken, wat er nu van haar worden moest, toen er een zoet geschild eikeltje naast haar neêr kwam vallen, en zij, opkijkende, een eekhoorntje op een tak boven haar hoofd zag zitten, dat naar haar keek. Zij glimlachte en bedankte hem, en meteen was hij in een wip van den boom af en ging tegenover haar naar haar zitten kijken, met zijn mooien staart als een parasol boven zijn kop.„Ik ken u wel, kleine meid, en ik ben blij, dat gij hier zijt gekomen, want ik kan u een heerlijk huisje voor den winter aanwijzen. Ik heb u aan een veldmuis hooren vertellen, hoe eenzaam ge zijt, en zooeven heb ik uw tranen zien vloeien, toen gij hier zat te bedenken, dat gij niemand op de wereld tot vriend hebt,” zeide Wip, knikte haartoe en pelde nog een kastanje voor haar, om, zoo zij meer noodig had, na ’t eikeltje te gebruiken.„Iedereen is heel vriendelijk voor mij; maar het schijnt wel, alsof iedereen gaat slapen, nu het najaar komt; daarom voelde ik mij eenzaam en droevig, en verwachtte ik te zullen omkomen in de sneeuw. Maar als ik een gezellig plekje kan vinden, om tot de lente in te wonen, zal ik daar heel blij meê zijn en wil ik gaarne alles doen wat in mijn vermogen is, om er voor te betalen,” antwoordde Knopje, die reeds zeer vertroost was door het stevige maal en een vriendelijk woord.„Als gij mij wilt helpen, om mijn noten en eikels en mos en bladeren naar binnen te sleepen, voor voedsel en ligging dezen winter, dan zal ik u het huisje der Kobolden in gebruik geven, totdat zij komen. Zij zijn vroolijke kaboutertjes, die u zeker gaarne zullen laten blijven en u leeren spinnen; want zijzelven spinnen den heelen winter door, en maken mooie kleêrtjes voor de elfen, van spinrag en disteldons. Hier is hun huisje. Ik verstop het en bewaak het, terwijl zij weg zijn, en maak het weêr klaar voor hen met den herfst, als zij met de eerste sneeuw terugkomen.”Onder het spreken had Wip een hoop dorre bladeren weggeruimd aan den voet van den ouden eik, en weldra zag Knopje een gewelfden doorgang, die in den hollen boomstam voerde, door de wortels in verscheidene kamertjes verdeeld, en daarbinnen was alles even droog en warm engezellig, als in een klein huisje. Zij hoopte, dat de Kobolden haar zouden willen toestaan te blijven, en ging terstond aan het werk, om Wip te helpen het voor hen in orde te maken, want de lucht was zoo donker, alsof er nu reeds een sneeuwbui dreigde te komen, en een gure wind loeide door het bosch.In het eene kamertje verzamelden zij noten, eikels, rozebottels en hulstbesjes, een paar gedroogde appelen, en een boel sparappels, om te branden; want Wip liet haar een soort van haardje kijken, en vertelde haar, dat de Kobolden zorgden bij het werk lekker warm te blijven.In een ander kamertje spreidden zij mos en hooi uit, voor bedden, en daar zouden dan de zeven kaboutertjes als marmotten kunnen slapen. De leêge pop van een groote rups, waar de kapel uitgevlogen was, hing nog ergens in een hoek, en Knopje zeide, dat dit een goede hangmat voor haar zou zijn, met een gordijntje van gevlochten geel lintgras voor het hoekje gehangen. Zij veegden den vloer aan met bezems van dennenaalden en legden een kleed op den vloer van roode eikenbladeren, wat de woning een heel vroolijk aanzien gaf.Daarop verzocht Wip aan Knopje, om een aantal eikeldopjes met water te vullen uit een beek daar dichtbij, terwijl hij zelf heenging om splinters van de harsachtige denneschors te knabbelen, om den Kobolden als fakkels te dienen, daar zij bij avond werken en dan licht noodig hebben.Knopje voelde zich even gelukkig, als een klein meisje, dat een nieuw poppenhuisje gekregen had, en ze zag er zelf uit als een popje, bij haar heen en weêr dribbelen, om de bakjes te vullen, de mooie kamertjes aan te stoffen, en klaar te komen vóór de zeven kleine vreemdelingen, kwamen, evenals Sneeuwwitje en de Dwergen in het prettige oude sprookje.In twee dagen was alles klaar, en Wip had nu nog tijd, om zijn eigen wintervoorraad op te doen, vóór de sneeuw kwam.Knopje hield de wacht bij de hoopen nooten, die hij opstapelde, uit vrees dat anders zijn slimme buren die kwamen stelen, terwijl hij heen en weêr liep om ze te verstoppen in holletjes rondom den eikeboom. Daardoor was zij hem van veel nut, en hij hield veel van haar; en te zamen maakten zij een aardige verrassing voor de Kobolden klaar, door nieuwe ledekantjes voor hen neêr te zetten, gemaakt van de buitenste schillen van kastanjes, die als wiegen schommelen konden, en van binnen gevoerd waren met dons, zoo zacht als zijde.„Dat zullen zij verrukkelijk vinden, en als zij hooren, dat gij dit bedacht hebt, zullen zij evenveel van u houden als ik. Ga nu wat rusten, en maak u gereed hen te verwelkomen; want ik ben overtuigd, dat zij vandaag zullen komen.„Ik zal boven in den boom klimmen, om te zien of zij ook aankomen, en dan kunt gij terwijl het vuur aanmaken, zoodra ik u waarschuw.”Wip huppelde weg en Knopje bleef in de voordeur staan, met een warm matje van droge kerveltakjes onder haar voeten, en een frisschen slinger sparregroen boven haar hoofd; want zij had de poort versierd en aan alle kanten vroolijke takjes hulst gestoken, om de kaboutertje te verwelkomen. Weldra begonnen de sneeuwvlokjes neêr te zweven, en Knopje verheugde zich, dat zij een gezellig warm verblijf had, om in te wonen, en niet behoefde dood te vriezen, als een verdwaald vogeltje. Plotseling riep Wip uit den top van den boom: „zij komen!” en haastte zich naar beneden te klimmen en twee takjes tegen elkaar te wrijven, tot er een vonk uitsprong, die de sparappels in den haard aanstak.„Loop nu naar de deur, en maak een buiging wanneer gij hen ziet,” zeide hij en waaide het vuur aan met zijn grooten staart, in een toestand van groote opgewondenheid.Knopje keek den weg op, en wilde juist zeggen:„Ik zie niets dan sneeuw,” toen zij zag, dat wat er uitzag als een troep sneeuwvlokken, die naar de deur stoven, inderdaad het zevental Kobolden was, beladen met groote stapels disteldons, om van te spinnen. Zij maakte haar mooiste buiging, glimlachte heel vriendelijk, en riep hun toe: „Welkom thuis, mijn meesters!” als ware zij hun dienstmeisje, en zij leidde hen binnen in de groote kamer, die nu helder verlicht en verwarmd was door het vuur, dat lustig opvlamde onder den schoorsteen, waarvoor een gat in de oude boomwortels gemaakt was.„Wel, wel, buurman Wip, wat hebt ge u dezen keeruitgesloofd; wij zijn zeer tevreden over u. Berg nu onze pakken maar weg, terwijl wij onze spinnewielen gaan halen, en dan zullen wij ons avondeten gebruiken. Maar wees zoo goed, ons eerst te vertellen, wie dit aardige persoontje is,” zeide de oudste van de Kobolden, terwijl de anderen stonden te kijken naar Knopje, en haar toe te knikken, alsof zij hun zeer behaagde.„Uw nieuwe huishoudster, heeren,” antwoordde Wip, en vertelde hun met weinige woorden alles omtrent zijn vriendin,—hoe zij had geholpen den boel voor hen in orde te maken, welke mooie verhalen en liedjes zij kende, en hoeveel goeds zij reeds gedaan had, en nog hoopte te doen, terwijl zij wachtte, totdat er vleugels aan haar zouden groeien.„Best! heel goed! Zij kan bij ons blijven, en wij zullen voor haar zorgen tot de lente. Dan zullen wij eens zien wat er gebeurt.” En zij glimlachten allen en knikten harder dan ooit tegen elkaar, alsof zij iets heerlijks wisten, maar het nog niet wilden vertellen.Toen tikten zij op hun grappige puntige hoeden, en stapten weg, vóór Knopje hen nog genoeg naar haar zin had kunnen bedanken. Terwijl zij weg waren, toonde Wip haar, hoe zij een rij kastanjes bij den haard moest leggen, om te roosteren, en hoe zij de tafel moest dekken, die bestond uit een gedroogde paddestoel, op vier pooten gezet, midden in de kamer, met kleine paddestoeltjes om op te zitten. Eikeldopjes, gevuld met bessen en met water, enkorrels tarwe en gerst waren daarop netjes neêrgelegd, met plaats in het midden voor de kastanjes, als die gaar waren, en een weinig ingelegde appel op een schotel van eikenblad. Verscheidene fakkels werden aangestoken en vastgezet in gaatjes, op de vier hoeken van de tafel, en toen was alles klaar, en deed Knopje een wit boezelaartje voor, gemaakt van haar gescheurden sluier, en wachtte als een knappe keukenmeid met het opdisschen van het eten, totdat haar meesters thuis kwamen.Weldra verschenen zij. Elk torste op zijn rug een klein spinnewiel, want zij verstopten die den geheelen zomer lang in een kelder, tusschen de rotsen, en haalden ze pas te voorschijn, als de tijd voor hun winterwerk weêr aangebroken was. Wip hielp hen nog een weinig om zich in te richten, en verliet hen toen, om zelf te gaan eten en rusten, terwijl Knopje hen zoo netjes bediende, dat zij zich afvroegen, hoe zij het vroeger ooit zonder meid gesteld hadden.Zij was nu volstrekt niet bang voor hen, want het waren jolige ventjes, met dikke lijfjes, dunne beentjes, roode gezichtjes en heldere oogjes. Allen waren gekleed in wit pluizen kleêren, en droegen koddige puntige hoedjes van een soort zaadhuls gemaakt, en laarzen, die van tooverleêr gemaakt waren en hen groote afstanden voortdroegen, alsof de wind hen voortblies.Zij vonden hun avondeten heel lekker, en aten en dronken en praatten heel plezierig, totdat alles op was; toen gingenzij rondom het vuur zitten zoete varens rooken, in Indische pijpjes, totdat Knopje de vaten weggeruimd had.„Kom nu wat voor ons zingen,” zeiden zij; en de jongste Kobold zette beleefd een krukje voor haar neêr, in het warmste hoekje.Nu zong Knopje al haar vroolijkste liedjes, tot hunne groote vreugde, en vertelde al haar avonturen; en allen hadden veel pret, tot het tijd was om te gaan slapen. De kaboutertjes waren verrukt over hun nieuwe bedjes, en hun nachtmutsjes, gemaakt van papaverzaadbollen, over hun hoofd getrokken hebbende, zeiden zij slaperig goeden nacht en tuimelden in hunne bedden, en lieten het aan Knopje over, de voordeur te sluiten, en de lichten uit te dooven. Spoedig kon zij ook haar zacht hangmatje betrekken; en niets verstoorde meer destilte, dan het zuchten van den wind, het vallen van sneeuwvlokken op de dorre bladeren buiten, en zeven snurkende geluidjes, toen de vermoeide Kobolden in hunne nieuwe bedjes lagen te droomen.Knopje stond vroeg op, den volgenden dag, en had alles in orde, toen de kleine mannetjes kwamen ontbijten. Daarna begonnen zij hun wieltjes te laten snorren, en den geheelen dag lang sponnen zij ijverig voort, totdat zij een massa strengen glanzige zijde gereed hadden, om elfenkleedjes van te weven. Knopje leerde het spoedig ook, en zij maakten voor haar ook een wieltje, zoodat zij nu met hen werken kon.Zij praatten zelden, en aten er niet tusschen in, maar werkten door tot den avond toe; dan stonden hunne wieltjesstil en gingen de spinners uit om een loopje te doen, terwijl Knopje het avondeten gereedmaakte.In den avond gingen zij wat varen langs de kust, als de maan scheen, of uilen jagen, of maakten zij pret in het bosch, waarbij zij Knopje meêtroonden, en gleden van de besneeuwde heuvels af, in hunne sleedjes van boombast, waarbij Wip toekeek, warm gedoken in zijn lekkeren bonten pels.Maar bij stormachtige avonden zaten zij in huis, en vertelden elkaar verhalen, en deden spelletjes, en waren heel vroolijk; en Knopje leerde van hen vele wijze en belangrijke dingen; want de Kobolden waren bekend met allerlei soorten van toovernimfen, elfen en kabouters, en zij waren in vele vreemde landen geweest.Het was een heel prettig leven; maar toen de laatste wintermaand kwam, werd Knopje zoo slaperig, dat zij hare oogen niet open kon houden en onder het spinnen zat te knikkebollen, gaapte in plaats van te zingen en dikwijls droomende in bed werd betrapt, als zij op en aan het werk had behooren te zijn.Dat bezwaarde haar zeer, doch zij kon het niet helpen maar de Kokolden lachten slechts, betastten nu en dan tersluiks haar schouders, en zeiden, dat zij gerust kon blijven slapen, want dat hun werk gedaan was en zij hare hulp verder niet noodig hadden.Eens op een morgen werd Knopje in het geheel niet wakker en toen de kaboutertjes naar haar kwamen kijken,lag zij ineengerold in haar hangmatje en geleek veel op de pop van een rups.„Goed zoo,” lachten de ventjes en knikten elkaar veelbeteekend toe; „laat haar maar slapen, terwijl haar vleugels groeien. In Mei zal zij wel ontwaken en nog heerlijker verrassing ondervinden, dan zij ons bereid heeft.”Zij maakten dus hun werk verder af, pakten de gesponnen zijde netjes weg, en zoodra de sneeuw verdwenen was, verstopten zij hunne wieltjes weêr, gaven een afscheidsfeestje aan Wip, en trokken weg, hem verzoekende de wacht te houden bij Knopje, en hun huis weêr voor hen in orde te maken het volgende jaar.Dag aan dag werd het gras groener, zwollen de knopjes, werd de lucht warmer en de wereld schooner, naarmate de lente meer naderde; maar ons Knopje lag nog te slapen in haar klein bedje en het trouwe Eekhoorntje kwam elken morgen kijken, of het goed met haar ging.Ten laatste kwam de Meimaand en kwamen de roosjes haar roode gezichtjes uit de groene blaadjes steken, begonnen de vogels in de groene struiken te zingen en scheen de zon helder, terwijl al de kleine en groote boschbewoners een voor een te voorschijn kwamen, om opnieuw een gelukkigen zomer te doorleven.Toen ontwaakte Knopje uit haar langdurigen slaap, rekte haar armpjes en beentjes uit, als een zuigeling na een slaapje, keek rond waar zij zich bevond, en sprong toen op, vreezende dat zij al te laat was, om het ontbijt voorde Kobolden klaar te maken. Maar het huis was leêg, het vuur uit, de wieltjes waren weg en er was niets te zien, dan een allerliefst wit zijden japonnetje op de tafel, waarin haar naam met rozenknopjes overal geweven was. Terwijl zij nog bezig was, het geschenk met opgetogenheid te bekijken, kwam Wip binnen, en huppelde van vreugd haar weêr wakker te zien, en mooier dan ooit te voren; want onder het slapen was zij veel schooner geworden. Haar winterpakje was verdord en viel van haar af bij het uit bed stappen, zoodat zij terstond het prachtige nieuwe zilverwitte kleedje kon aantrekken, ’t geen ze met vreugde deed.„Och, trek even mijn oude kapje af, dat daar op mijn schouder hangt, dan kan ik mijn mooie japonnetje vastmaken met dezen fraaien gordel,” zeide Knopje, iets op haar rug voelende.Wip’s zwarte oogen schitterden, terwijl hij met een vroolijk knikje zeide:„Schud u eens goed uit en zie toe, wat er dan gebeurt. Maar gij moogt niet heengaan, vóór ik tijd gehad heb de prachtige prinses van het Tooverland te bewonderen.”Knopje schudde zich, en zie! een paar blauw-met-zilveren vleugels ontplooiden zich aan haar blanke schouders en zoo stond zij daar, als een schitterend wezen, zoo mooi als een kapel, zoo teêr als een nimfje, zoo lief als een gelukkig kind, terwijl Wip met zijn staart als met een banier wuifde en verheugd uitriep:„De Kobolden hadden voorspeld, dat het zoo gaan zou,omdat gij zoozeer uw best hadt gedaan, braaf te zijn en het goede te doen! Nu kunt gij naar huis gaan, en een gelukkig leven leiden in het Tooverland.”Knopje kon enkel in hare handen klappen, en lachen van blijdschap, en trachten zelf de mooie vleugels te zien, waarvoor zij zoolang gewerkt en waarop ze zoolang gehoopt had.„Ik bedank u wel zeer voor al uwe vriendelijkheid jegens mij, beste Wip; als ik kan, zal ik nog eens weêrom komen, om u en de kaboutertjes te bezoeken. Nu moet ik heengaan en mij in het vliegen oefenen, vóór ik naar huis op reis ga,” zeide zij, en haastte zich naar de deur te gaan, waar boschviooltjes op haar stonden te wachten met gretige blauwe oogjes, terwijl de roodborstjes, winterkoninkjes en sijsjes haar een welkomstlied toezongen.Het vliegen behoefde zij volstrekt niet te leeren; die mooie vleugeltjes droegen haar vanzelf, en luchtig zweefde zij weg, als een pasgeboren kapel, schitterend in den zonneschijn. Zij vond het zoo overheerlijk, dat zij haast geen lust had weêr op de aarde neêr te komen; zij ging dus op een hoogen tak van den ouden eik zitten en nam eens een kijkje van Wip’s nest, vóór ze hem vaarwel zeide.„Hoe zal ik den weg vinden naar het Tooverland?” vroeg zij, vol ijver om weg te komen; want het verlangen was sterker dan ooit in haar hart.„Ik ben gekomen om u den weg te wijzen,”antwoordde een pieperig zacht stemmetje, terwijl een prachtige kolibriop den tak naast haar kwam zitten, met een borst vonkelend als juweelen, en zijn langen bek vol honig, terwijl het fladderen van zijn vleugels liefelijke muziek teweeg bracht.„Ik ben gereed! Vaartwel, lieve vrienden! vaarwel, groote wereld! Ik heb u lief; maar ik moet naar mijn eigen volk toegaan,” riep Knopje, en met een snelle beweging van de blauw-en-zilveren vleugels was zij verdwenen.Maar nog menigen winteravond werd haar geschiedenis verteld door de Kobolden, als zij rondom het vuur zaten te spinnen; en nog menigen langen dag herinnerden vogel en bij, meikever, mier en bloemen zich het lieve Knopje, en dachten zij aan haar met liefde en dankbaarheid.Elfje zittend in bloem.

De stoute koekoek is hier geweest, terwijl wij uit waren en heeft dit groote blauwe ei achtergelaten, tusschen onze kleine witte eitjes, zeide een sijsje tot haar gaaiken, toen zij eens op een dag van hun ontbijt thuis kwamen en hun nest vol vonden.

„Dit is geen ei van een koekoek, lieve,” antwoordde de vadervogel, hoofdschuddend, „ik denk dat de eene of anderetoovernimf dat ei hier neêrgelegd heeft en wij moeten er goed op passen, anders zouden zij boos zijn en mettertijd onze kleintjes kwaad kunnen doen. Ga het maar zorgvuldig meê uitbroeden, en dan zullen wij maar eens zien wat er van komt.”

Mama Sijsje bleef dus nog verscheidene dagen langer geduldig op vijf eitjes zitten, en toen kwamen hare vier kleintjes er uit, en begonnen terstond om eten te piepen. Maar dat groote blauwe ei lag er nog en men hoorde daarbinnen nog geen geluid van een snebje, dat het openpikken wilde.

„Willen wij het uit het nest gooien, om meer ruimte voor onze kleintjes te maken?” vroeg de vogelmoeder, die hare kinderkamer erg vol vond.

„Nog niet,” zeide de bezorgde vader, terwijl hij op één poot stond te rusten; want hij was braaf moê van het aandragen van wormpjes voor het gezin. „Wacht nog twee dagen, en als het ei dan niet vanzelf openbreekt, zullen wij het er uit gooien.”

Hij was een wijze vogel en zij waren later altijd blij, dat zij gewacht hadden; want den zevenden dag vloog het blauwe ei eensklaps open, en daar lag het kleinste, mooiste kindje, dat ooit gezien werd—drie duim lang, maar rooskleurig, vroolijk en levendig, terwijl zij haar krulkopje omhoog stak en rondkeek, als ware zij heel verbaasd, zich in een vogelnest te bevinden, dat op een boomtak hing te wiegelen.

„Wie zijt gij?” vroeg vader Sijs, terwijl al de jonkjes haar aanstaarden met hun ronde oogen, en hun bekjes opensperden, als wilden ze haar verslinden.

„Ik ben Knopje,” antwoordde het aardige wezentje, en glimlachte zoo lief tegen hen, dat ze niet nalaten konden haar terstond lief te krijgen.

„Waar komt gij vandaan?” zeide de moeder.

„Dat weet ik niet.”

„Zijt gij een toovernimf?”

„Neen, want ik heb geen tooverstaf.”

„Zijt gij een nieuw soort van vogel?”

„Neen, want ik heb noch veêren noch vleugels.”

„Zijt gij een menschenkind?”

„Ik denk van neen; want ik heb geen ouders.”

„’t Goede kind! Wat kan ze dan zijn? en wat zullen wij met haar aanvangen?” riepen beide vogels tegelijk, heel verbaasd over dit hun nieuwe kind.

Knopje scheen zich de zaak volstrekt niet aan te trekken, maar lag slechts te schommelen in haar blauwe wiegje en te lachen tegen de jonge sijsjes, die nieuwsgierig over den rand kwamen gluren.

„Zij moet wat te eten hebben,” zeide de vader en vloog weg.

„En wat kleertjes,” zeide mama en scharrelde rond in het nest.

Maar toen haar een lekkere dikke worm gebracht werd, bedekte Knopje haar gezichtje met hare handjes en riep met een griezel:

„Neen, neen, zoo’n leelijk ding kan ik niet eten.”

„Haal haar een aardbezie,” zeide de moeder, en trachtte de grootste, zachtste van de vederen, waarmee haar nest gevoerd was, rondom het naakte lichaampje van de kleine meid te rollen.

Maar Knopje schopte terstond de veêr van haar kleine beentjes af, en ging staan, terwijl zij lachende zeide:

„Ik ben geen vogel, ik kan geen veêren dragen. Geef mij maar een mooi groen blaadje voor een jurkje, en laat mij eens rondkijken in deze groote wereld, waarin ik mij op eens bevind.”

Het Sijsje plukte dus een blad, pikte er twee gaatjes in voor Knopje’s armpjes en deed het haar voor als een boezelaartje; maar zij had nog nooit een kindje aangekleed, en kon dat dus niet goed doen, daar hare eigene kinderen met dons bekleed ter wereld kwamen, hetgeen weldra in grijze vederen veranderde.

Knopje zag er heel aardig uit met haar groene jurkje, terwijl zij op den rand van het nest zat te staren met haar blauwe kijkertjes, en in hare handjes te klappen, toen papa Sijs naar huis kwam vliegen met een lekkere wilde aardbei in zijn bek, voor haar ontbijt. Zij at die op, alsof het een appel was, en dronk er een droppel dauw bij, die gedurende den nacht gevallen was; daarna begon zij zoo lief te zingen, dat al de buren kwamen kijken, wat voor een aardig vogeltje nu toch uit een ei van Juffrouw Sijs gekropen was.

Wat een getjilp en gefladder was er gaande, terwijl de buren dit geval bepraatten, vele vragen deden en het mooie schepseltje bewonderden, dat alleen haar eigen naam wist, en niets meer!

„Denkt gij haar hier te houden?” vroeg het roodborstje, zijn roode vestje vooruitstekend, met een heel wijs gezicht.

„Wij durven haar niet weg te sturen,” zeiden de Sijsjes.

„Zij zal u tot grooten last zijn,” zeide het winterkoninkje.

„Gij kunt haar nooit leeren vliegen, en wat zult gij met haar beginnen, als uw eigen kinderen weggevlogen zijn?” vroeg de woudduif, die heel teêrhartig was.

„Gij zult haar elken dag een nieuw jurkje dienen te maken, en dat zal zoo bewerkelijk zijn,” zei de geelvink, die heel trotsch was op zijn eigen geel pakje en zwart fluweelen kapje.

„Ik denk, dat een booze tooverheks haar hier neêrgelegd heeft, om u in ongelegenheid te brengen. Ik zou haar uit het nest stooten, en elders voor zichzelf laten zorgen,” ried het boomkruipertje, en dacht er over na, of dat mollige kindje niet even goed smaken zou, als de wormen, die hij uit de boomen pikte.

„Neen, neen!” riep de bruine lijster;„zij ziet er te lief uit, om kwaad te kunnen aanbrengen. Houd haar, tot gij ziet wat zij doen kan, en misschien zal zij dan nog blijken een goede geest te zijn.”

„Zij zingt haast zoo goed als ik, en ik heb veel lust haar liedjes te voegen bij de vele wijsjes, die ik al ken,” zeidede merel, die in zijn eentje heerlijke concerten gaf in de weide.

„Ja, wij willen nog wat wachten; en als wij niet tot een beslissing kunnen komen, zullen we over een poosje uw raad inwinnen, lieve buren,” zeiden de sijsjes, die begonnen trotsch te worden op die merkwaardige vreemdelinge, daar hare aankomst zoo het heele bosch in opschudding gebracht had.

De andere vogels vlogen toen weg, en Knopje vestigde zich als een van het gezin, en maakte zich zoo aangenaam, dat allen haar lief kregen, en volgaarne wat dicht op elkaar drongen, om ruimte voor haar in het nest te maken.

De moeder spreidde ’s nachts hare vleugels ook over haar uit, en maakte alle dagen nieuwe jurkjes voor haar, als de oude verdord waren; vader Sijs bracht haar dauw om te drinken, en om zich in te wasschen, en vloog heinde en verre om rijpe vruchtjes voor haar te zoeken om te eten; terwijl de jonge vogeltjes het nooit moede werden, naar haar gezang te luisteren, te kijken naar haar dansen op den rand van het nest, en de mooie spelletjes te leeren, die zij hen onderwees. Iedereen was heel vriendelijk voor haar, en wachtte geduldig af, wat de tijd brengen zou.

Maar toen ten laatste de kleine vogeltjes wegvlogen, wilden de ouders gaarne met hen meêgaan, en vonden zij het toch geen prettig denkbeeld, Knopje geheel alleen achter te laten.

Zij zeide echter: „Ik ben volstrekt niet bang, want nu ben ik sterk genoeg, om voor mijzelve te zorgen. Alle vogelskennen mij nu, en ik zal het dus volstrekt niet eenzaam hebben. Draag mij maar naar beneden op het gras, en laat mij rondloopen en voor mijzelf voedsel en kleêrtjes zoeken, evenals uwe kinderen doen. Ik zal u niet vergeten; maar gij behoeft u over mij niet meer te bekommeren.”

Papa Sijs nam haar dus op zijn rug, zooals hij dikwijls voor een grapje gedaan had, en vloog neêr naar het zachtste plekje mos beneden, en daar lieten zij haar achter, na een hartelijk afscheid; want zij moesten nu gaan waken over hun eigen jongen, die hun vleugels beproefden en ver weg zwierven.

„Voor mij zal wel gezorgd worden, evenals voor de bloemen,” zeide Knopje, thans gezeten op een keisteentje naast het pad, dat door het mooie bosch liep, waarin menigten kleine schepselen druk bezig waren met hun werk of hun spelen.

„Ik wou dat ik ook een vogel was, dan kon ik vrij rondvliegen en de wereld bekijken; of een toovernimf, dan kon ik prachtige dingen doen; of zelfs een bloem, dan zou wel iemand mij liefhebben en meênemen. Ik zou wel eens willen weten, waarvoor ik eigenlijk geschapen ben, en wat ik doen kan, ik—zoo’n klein schepseltje in deze groote wereld! Ik weet het wezenlijk niet; maar ik kan gelukkig en vriendelijk zijn, en trachten ieder dien ik ontmoet van dienst te zijn, dan zal ik wel vrienden krijgen en mij niet lang eenzaam gevoelen.”

Dat zeggende keek ons dappere Knopje rond, wien zij het eerst zou kunnen helpen, en ontdekte een mier, bezig eengroot wit pak te sjouwen. Het zag er uit, alsof hij een pak kleêren wegbracht naar de waschvrouw, maar het pak was een ei, en de mierenkindermeid bracht het uit het nest naar een warm plekje in de zon, om verder te groeien.

Zij vertelde Knopje alles daaromtrent, toen zij aanbood haar te helpen, en liet haar gaarne dit eitje bewaren, terwijl zij met de andere kindermeiden heenging, om er nog veel meer te halen. Weldra lagen al de eitjes op een rustig plekje in den zonneschijn en liep Knopje er bij heen en weêr, om ze nu en dan om te keeren en ze te bewaken, daar anders licht de een of andere hongerige vogel ze kon ophappen.

„Nu maak ik mij toch een beetje nuttig,” zeide zij, en voelde zich heel gelukkig in haar nieuwe werk, hoewel ze slechts onder-kindermeid was en geen ander loon verdiende dan een kostelijk dankje van de nijvere mieren.

Een weinig later werden de eieren weggedragen en was zij weêr vrij hare reis te vervolgen. Het grasveld was voor haar als een bosch, de hoopjes mos waren in haar oog hooge heuvels, een heel klein beekje leek haar een groote rivier, en een plekje zand een woestijn, die zij doorkruisen moest.

„Eerst wil ik mijzelf eens knapjes in de kleeren steken,” zeide Knopje, aan een wilde rozenstruik gekomen, en verzamelde eenige gevallen rozenblaadjes, die zij met dorens aan elkaar trachtte te hechten. Maar haar handen konden het mooie rose rokje niet goed maken en de dorens prikten haar in haar teeder vleesch, toen zij de blaadjes over hareborst uitspreidde; zij was dus reeds op het punt het in wanhoop op te geven en het verlepte groene kleedje maar weer aan te doen, toen een boschspin, die daar dichtbij in haar holletje zat, vriendelijk tot haar zeide:

„Kom maar hier, dametje! Ik kan weven en spinnen, en zal met genoegen uw japonnetje voor u naaien. Ik heb gezien, hoe gij mijn buren de mieren geholpen hebt; ik zal u dus wel helpen!”

Dit vriendelijke aanbod verheugde Knopje zeer en zij keek toe, hoe de spin, als een eerste naaister, met haar zilverdraad de rozeblaadjes netjes aan elkaar naaide, een randje borduursel rondom den zoom zette, en een zijden koordje vlocht, om het kleedje om haar middel vast te houden.

„O! Wat ziet gij er nu lief uit!” riep de spin, toen zij het jurkje had aangetrokken. „Nu moet ge nog een voile hebben, om de zon uit uw oogen te houden. Hier hebt gij mijn laatste web,” en hij wierp haar het glinsterende gaas over haar hoofd, waardoor zij er uitzag als een bruidje onder een kanten sluier.

Knopje bedankte hem vriendelijk, en ging vroolijk verder, totdat zij aan een troepje anjers kwam, die in den wind stonden te dansen. Zij meenden in haar den geest van een roos te zien, die hen kwam bezoeken, en bogen hun lichtroode kroontjes tot haar voorover om haar den honig in hunne hartjes aan te bieden.

Zij had juist al gedacht, wat zij toch eens eten zou, en nu werd haar zulk een lekker kostje voorgezet, dat zijeigenlijk te danken had aan haar jurkje van rozeblaadjes, waardoor de anjers haar voor een bloem aanzagen. Zij sloeg haar sluier op en vertelde hun haar geschiedenis, die zij heel belangwekkend en ook wel wat droevig vonden.

„Lief schepseltje! kom hier bij ons wonen!” riepen zij. „Gij zijt veel te teêr, om zoo geheel alleen de wereld door te dwalen. De wind zal u wegblazen, of er zal licht een voet u vertrappen, of misschien zal een wreede wesp u vermoorden met zijn angel. Blijf hier gerust bij ons, dan zullen wij uw vriendjes zijn en u eten geven en voor u zorgen.”

„Gij zijt heel vriendelijk, en uw woonplaats lijkt mij heel prettig; maar ik moet verder gaan. Ik ben overtuigd, dat ik iets te doen heb; dat ik ergens mijn aangewezen plaats zal vinden, en dat ik ook wel eens een paar vleugels zal krijgen, en een vogel of een toovernimf worden,” antwoordde Knopje, terwijl zij zat te rusten bij de rots, waar rondom die anjers groeiden.

„Daar komt onze vriend Honigzak, de bij, aan. Hij is heel wijs; misschien kan hij u vertellen, waarheen gij gaan moet en wie gij eigenlijk zijt,” zeiden de anjers, en knikten vroolijk, toen de bruin fluweelen bij al gonzend kwam aanzweven, want hij was zooveel als hun postbeambte, en bracht dagelijks het nieuws.

Vol ijver vertelden zij hem alles omtrent hun kleine gast, en vroegen hem, of hij ook iets gehoord had omtrent een vogel zonder veêren, een zoek geraakte elf, of een menschenkindje, dat in een blauw ei was verstopt geworden.

De bij zeide, dat hij eens door een kolibrie had hooren spreken over een soort kleine wezentjes, die geen kinderen, en ook geen toovernimfjes waren, omdat zij slechts geboren waren in de verbeelding van de hoofden der menschen. Deze arme schepseltjes konden nooit wezenlijke jongens en meisjes zijn; maar als zij erg hun best deden en heel braaf waren, zouden er ten laatste vleugels aan hen groeien en zouden zij eindelijk toovernimfen worden.

„Dan wil ik erg mijn best doen!” riep Knopje. „Ik weet zeker, dat ik een van die schepseltjes ben, en ik wil graag een toovernimf worden, en mijn eigenlijk tehuis vinden. Hoe moet ik het aanleggen?”

„Ik geloof wel, dat gij goed begonnen zijt; want ik heb door verscheidene vrienden van u gehoord, toen ik het bosch doortrok, en allen vertellen veel goeds van u. Ga maar zoo voort, en dan ben ik zeker, dat gij ten laatste uw vleugels krijgen zult. Kijk! Ik wil ook het mijne doen, en u iets geven, om gedurende de reis te eten.”

Onder het spreken begon de vriendelijke bij reeds het gele stuifmeel, dat hij onderweg verzameld had, met honig te kneden, en weldra stelde hij aan Knopje een aardig bijenbroodje ter hand, om meê op reis te nemen. Zij rolde het in witte violenblaadjes, als een geurig servetje, en nadat zij nog van de anjers een beetje honig gekregen had, toog zij met vriendelijke dankzegging en vol hoop en moed verder.

Weldra kwam een zwerm vroolijke kapelletjes rondom haar vliegen, roepende:

„Hier is een roos! Ik ruik honig! Kom meê proeven! Neen, het is een elf! Lief kleintje, dans wat met ons!”

Knopje bewonderde die diertjes zeer, en voelde zich heel blij en trotsch, toen zij overal op haar kwamen zitten, totdat zij zelf wel een groote kapel geleek, met vleugels van allerlei kleur.

„Ik kan niet met u spelen, omdat ik geen elf ben; maar als gij mij dragen wilt op mijn weg naar het Tooverland, dan krijgt gij tot loon mijn honig en mijn brood, want ik kom maar zoo langzaam vooruit, en ik wil graag zoo snel mogelijk reizen,” zeide Knopje, denkend, dat deze mooie vlindertjes haar wel zouden kunnen helpen.

De kapellen waren luie wezens, en hadden een hekel aan werken; maar zij hadden veel trek in het fijne brood en dat zoete bloemensap; zij zeiden dus, dat zij hun best wilden doen Knopje te dragen, en zoo haar vermoeide voetjes rust te verschaffen. Zij hielden haar stevig vast aan haar ceintuur, aan haar haar en aan haar jurkje, en zoo vlogen zij allen tegelijk omhoog, lichtten haar een eindje van den grond op, en droegen haar voort in een wolk van blauwe en gele, roode en bruine klepperende vleugeltjes. Het was een zwaar werk voor hen, en de kleintjes lieten haar spoedig los; Knopje begon dus te vallen en zij waren genoodzaakt haar op het gras neêr te leggen, terwijl zij uitrustten en het bijenbrood tot het laatste kruimpje toe opaten.

„Breng mij nu nog een beetje verder, dan krijgt gij ookden honig,” zeide ons verstandig Knopje, die verlangend was vooruit te komen, en inzag, dat de luie kapellen haar zouden laten staan, zoodra haar voorraad op was.

„Omhoog nu weer!” riep de groote zwartgouden kapel; en zij vlogen weêr verder, allen even hard trekkend. Maar ofschoon het kleine dametje zoo licht was als een veêr, hadden zij toch nog te weinig kracht in hun pooten en vleugels en lieten ze haar weldra op het zandige pad beneden neêrplompen.

„Dank u! Hier is de honig. Laat mij nu uitrusten, om van mijn val te bekomen,” zeide Knopje, die toch ten slotte haar eigen voeten een veiliger vervoermiddel vond.

De kapellen vlogen weg en de kleine reizigster ging rechtop zitten, om eens te kijken waar zij was.

Een treurige jammerkreet trof haar oor, en dicht bij haar zag zij een ouden meikever, die zwakke pogingen deed, om een gaatje in het zand te krabben.

„Wat is er aan de hand?” vroeg Knopje.

„Och! het is mijn tijd om te sterven, en nu wil ik mij zelf begraven; maar ik ben zoo zwak, dat ik niet in tijds met mijn graf klaar zal zijn, en dan zal ik door den een of anderen vogel opgegeten worden, of onder den voet van een reus verpletterd worden,” antwoordde de meikever en schopte en duwde zoo hard hij kon het zand weg.

„Maar als ge dan toch dood waart, zoudt ge daarvan geen hinder hebben,” zeide Knopje.

„Dom kind! Als ik op die manier aan mijn eind kom,kan ik niet weêr leven; maar als ik mij zelf begraaf en tot aan de lente lig te slapen, kom ik weêrom als een made of een jonge meikever, ik weet niet recht wat; maar ik ben zeker dat ik veranderen zal. Daarom wil ik een goed graf hebben om in te rusten; want sterven is slechts een slapen, vóór we in anderen vorm weer ontwaken.”

„Dat verheugt me!” riep Knopje. „Ik zal u helpen graven, en u netjes toedekken, en ik hoop, dat er dan mettertijd een mooi insekt uit u groeit.”

Zij deed dus haar sluier af en werkte ijverig met een plat houtje als schop, totdat er een diep grafje was gegraven. De oude meikever viel er in met een zacht: „Dankje, kind,” en stierf toen rustig in het lekkere warme zand. Knopje bedekte hem met zand, stapelde een hoopje steentjes boven zijn graf en liet hem dus over aan zijn langen slaap, blijde dat zij hem had kunnen helpen en heel nieuwsgierig, of zij ook eerst zou moeten sterven, eer zij veranderd werd.

De zon ging nu al onder; want de pret met de kapellen en de begrafenis van den meikever hadden veel tijd in beslag genomen en het begon te schemeren.

„Nu moet ik een plekje zoeken om te slapen,” zeide Knopje, wel een beetje angstig; want dit was de eerste nacht, dien zij alleen moest doorbrengen, en zij begon het gemis te voelen van moeder Sijsje, die haar met hare vleugels placht te bedekken. Maar zij bleef moed houden en liep voort, tot ze zóó moê was, dat ze zich genoodzaaktzag stil te houden en wat te gaan uitrusten, ergens aan den oever van het water, waar juist een glimworm haar lampje aangestoken had.

„Mag ik hier onder dit groote blad wat blijven?” vroeg zij, blijde het vriendelijke licht te zien en haar vermoeide voetjes te kunnen verfrisschen in het bedauwde gras.

„Gij kunt niet veel verder gaan, want gij zijt hier dicht bij een moeras, en ik zie, gij hebt geen vleugels, gij kunt dus niet verder komen,” antwoordde de glimworm, en liet het groene lampje zijn volle schijnsel op de kleine vermoeide reizigster werpen.

Knopje vertelde hare geschiedenis, en wilde juist vragen, of hier niet iets te eten was, want zij had bitteren honger, toen uit een hoogen struik boven haar hoofd eenige heel lieve stemmetjes haar toeriepen:

„Kom bij ons, liefje! Wij zijn de moeras-kamperfoelie, familie van die anjers, die gij vandaag ontmoet hebt. Hier is wat te eten, en een bedje, en een hartelijk welkom voor het goede schepseltje, waarvan Honigzak, de bij, ons verteld heeft.”

Knopje strekte hare armpjes uit naar een menigte witte bloempjes, die zich tot haar vooroverbogen, en in een ommezien lag zij op een heerlijk plekje, waar het heel lekker rook, terwijl de kamperfoelies haar voedsel gaven, en haar liefkoosden en in slaap wiegden, vóór ze nog tijd gehad had, hen half genoeg te bedanken voor hun vriendelijkheid.

Zij had tijd voor een goed slaapje en prettige droomen, vóór zij wakker geschrikt werd door een ruwe stem, en zij een vleermuis hoorde praten, die dicht bij haar hing, met zijn leêrachtige vleugels over zijn oogen, om het licht van den glimworm niet te zien, welke daar nog rondwandelde.

„Ja,” zeide de vleermuis, „het arme knaapje was verdwaald en in het moeras geraakt, en toen is hij haast verdronken. Het stoute Dwaallichtje had hem weêr gefopt, dat dikwijls de lieden van het rechte pad aflokt, zoodat zij in de modder zakken. Ik heb hem al zoo dikwijls beknord, maar hij wil het niet laten; want hij heeft er altijd plezier in, de boschwachters en de kinderen in den waan te brengen, dat zij het licht in het venster hunner woning zien, en dan zinken zij in het moeras en verstopt hij zich en laat hen aan hun lot over, en moeten zij maar zien hoe ze er weêr uitkomen.”

„Wat een slechte jongen is dat!” riep Knopje, wreef hare oogjes uit en ging opzitten, om beter te kunnen luisteren.

„Natuurlijk zou hij om u niets geven, want hij weet dat gij het licht haat, en hij plaagt u juist graag, door zijn lantaarn vlak in uw oogen te laten schijnen,” zeide de glimworm tegen de vleermuis.

„Ja, ik heb een hekel aan alle soorten van licht, en ik wou, dat het altijd nacht was,” bromde de vleermuis weêr.

„Nu, ik niet! Ik houd veel van den zonneschijn, van sterren, en dwaallichtjes en glimwormen, en al wat licht geeft; als ik dus eens met het dwaallichtje ging spreken,zou hij misschien wel willen uitscheiden met zijn streken,” zeide Knopje, die veel belang stelde in het geval, en gevoelde, dat dit wel een goede dienst kon zijn, dien zij aan de kinderen kon bewijzen.

„Gij zoudt hem niet kunnen beletten kwaad te doen, tenzij ge hem den geheelen nacht lang sprookjes verteldet. Hij is dol op sprookjes, maar wil er niet stil naar luisteren, tenzij ze altijd nieuw en buitengewoon boeiend zijn,” zeide de vleermuis, en keek met één oog even onder zijn vleugel vandaan, om te zien wie die vreemdelinge was.

„Ik ken honderdtallen sprookjes, want ik ben zelf een kind der verbeelding, en mijn hoofd is vol aardige bedenksels en ik zing zulke vroolijke liedjes, dat al de vogels naar mij plachten te komen luisteren, uren lang. Als ik dat dwaallichtje maar kon bereiken, denk ik, dat ik hem wel zou kunnen vermaken en bezighouden, tot de menschen en kinderen veilig naar huis waren gekomen,” zeide Knopje.

„Kom het maar eens beproeven, ik zal u wel dragen,” zeide de vleermuis, deed zijn vleugels dicht en zag er uit als een zwarte muis, toen hij naderbij kwam, om Knopje op zich te laten klimmen.

„Neen, neen! Blijf bij ons, en ga niet naar dat akelige moeras, vol leelijke dingen en vuile uitdampingen,” riepen de kamperfoelies, en trachtten met zachte, kleverige handjes haar vast te houden.

Maar Knopje was zeer begeerig al het goede te doen,dat in haar vermogen was, en beklom dapper haar nieuw paard, en zong nog bij het wegvliegen:

„Ju, ju, ju, mijn paardje,„’k Vlieg eens met u meê;„Op een vleermuisstaartje,„Rijd ik weltevreê.”

„Ju, ju, ju, mijn paardje,

„’k Vlieg eens met u meê;

„Op een vleermuisstaartje,

„Rijd ik weltevreê.”

„Het zal haar niet gelukken,” zeide de glimworm, deed zijn lampje uit en ging naar bed.

„Helaas, neen! Het arme kleine wezentje! Zij zal daarginds haar dood vinden, en nooit een toovernimf worden,” zuchtten de bloemen en lieten in het schemerlicht treurig haar witte kopjes hangen.

Een zwerm vuurvliegen kwam dansen over het moeras, waarin kikvorschen kwaakten, waarboven muggen gonsden, en groote gele lelies haar gespikkelde klokjes luidden. De lucht was warm en vochtig; een dikke witte mist kwam uit het water op, dat hier en daar glinsterde tusschen de bosschen van riet en de eilandjes van kroos, en de gladde muskusratten en helderoogige slangetjes, die rondslopen, terwijl wilde eenden in rustige hoekjes met hun koppen onder hun vleugels zaten te slapen.

Het was een vreemde, donkere plek en het hart zonk Knopje in de schoenen (hoewel zij geen schoenen had) toen zij bedacht, dat zij hier alleen zou moeten blijven. Maar zij wilde erg graag een poging doen, om het stoute Dwaallichtje te bewegen, zich beter te gedragen en niet langerde arme menschen in gevaar te lokken. Zij hield zich dus stevig vast aan de vleermuis, terwijl deze heen en weer zwierf boven het moeras, om naar den stouten knaap te zoeken.

Weldra kwam hij naar hen toedansen, een klein donker lichaampje met een groot hoofd, dat als een ronde lantaarn naar alle kanten licht uitstraalde.

„Wat hebt gij mij gebracht, oude Ledervleugel?—een mooi bruidje om het moeras op te vroolijken, of een nimfje, om van nacht op mijn bal meê te dansen?” zeide hij, en keek naar Knopje met een gretigen blik, terwijl zij daar op dien donkeren vleermuis zat, en haar rooskleurig jurkje en zilvergazen sluier glinsterden in het schijnsel, dat haar nu als maneschijn verlichtte.

„Neen, het is een beroemde sprookjesvertelster, gekomen om u te vermaken, wanneer gij moê zijt van het rondzwalken en kattekwaad uitvoeren. Wees maar heel beleefd tegen haar, anders neem ik haar terstond weêr meê weg,” antwoordde de vleermuis, terwijl hij Knopje neerzette op een klein groen eilandje, midden tusschen de biezen en andere moerasplanten.

„Laat ons eens zoo’n verhaaltje hooren. Houd eens op met uw gekwaak, Spikkelrug, en gij dames, staakt uw dansje, terwijl ik luister. Ga gij gerust heen, Ledervleugel; zij moet hier blijven tot morgen en laten zien wat zij doen kan,” zeide Dwaallichtje, en ging dicht naast Knopje zitten, terwijl de kikvorschen stil werden, en de vuurvliegen op deblaadjes gingen zitten, als lampjes, waardoor het eilandje even licht werd, als bij helderen dag.

„Het is nu al laat; als gij dus de klok twaalf hoort slaan, kunt gij gerust ophouden met vertellen en gaan slapen; want dan zullen al de menschen wel rustig in hunne huizen zijn, en kan Dwaallichtje geen kwaad meer doen. Spoedig kom ik terug. Goeden nacht.”

En weg zeilde de vleermuis, blijde het donkerste hoekje van het moeras op te kunnen zoeken, en muggen te snappen voor avondeten.

Knopje begon onmiddellijk de geschiedenis te vertellen van „Den vroolijken Meikever”, en die bleek zoo machtig boeiend te zijn, dat weldra een heele kring kikvorschen het eilandje omringden, en onder het luisteren hun groote monden opensperden van het lachen, en knipten met hun heldere oogen. De wilde eenden werden wakker en kwamen ook hooren; een waterslangetje sloop ook nader, met zijn buurman den muskusrat; terwijl de vuurvliegen in zoo grooten getale op de biezen en het kroos zaten, dat alles glinsterde; en Dwaallichtje knikte vroolijk met zijn helder kopje, terwijl hij als een koning met zijn hofhouding rondom zich erbij zat.

Juist bij het meest treffende gedeelte van het verhaal, toen de Meikever en de Paardenvlieg op het punt waren te duelleeren over een lief wit Motje, sloeg de klok twaalf uur, en hield Knopje, die heel moê was, plotseling op met vertellen, en zeide:

„Morgen in den schemer zal ik het uitvertellen. Het laatste gedeelte is het mooiste, want juffrouw Luis en de booze Sprinkhaan doen daarin vreeselijke dingen.”

Allen wilden dolgraag nu het slot hooren; maar Knopje was schor en moest noodig gaan slapen; zij gingen dus allen huns weegs, om te praten over dit nieuwe bekoorlijke schepseltje, dat gekomen was om hun lange nachten te veraangenamen.

Dwaallichtje zwierf nog wat heen en weer, trachtte zich voor te stellen hoe de verdere loop van het verhaal zou zijn, en Knopje legde haar hoofdje op een biezen kussentje, om tot den morgen van de sterren te droomen.

Toen de dag aanbrak, was zij eenigszins in verlegenheid te zien, dat zij gevangen zat op haar eilandje; want diep water was er overal rondom, en zij zag geen middel om er af te komen.

Zij verzocht een mooien witten eend, haar naar een plaats te brengen, waar wat meer ruimte was, want hier was niets voor haar te eten, dan de zachte groene knopjes van de zoete biezen en de zure balletjes van de wilde klisplanten.

„Ik ben geen stoomboot, en ik breng geen passagiers over,” antwoordde de eend, en roeide weg; want hij wilde liever dat Knopje blijven zou, en nog meer verhalen vertellen.

Zij was dus genoodzaakt daar verscheidene dagen te blijven, kijkende naar de langbeenige reigers, die rondstapten en in de poelen vischten; ziende hoe de ratten hun zonderlinge huisjes bouwden, hoe de kikkers sprongen endoken, de slangetjes heen en weêr kropen, en de jonge eendjes den heelen dag door vliegjes aten. Zij maakte een praatje met de gele lelies, leerde het liedje dat het ritselende riet zong, en klom op tegen de hoogste stammetjes van de biezen, om rond te kijken over het moeras, en verlangde weêr op vasten grond te zijn.

De vleermuis vergat haar weêr te komen opzoeken en Dwaallichtje hield zooveel van hare vertellingen, dat hij uren lang bij haar bleef zitten om er naar te luisteren; niemand werd dus door hem in het ongeluk gebracht en Knopje gevoelde dat zij, daar alleen in het somber moeras, wezenlijk iets goeds deed.

Iedereen had haar lief en wilde graag dat zij bleef; maar langzamerhand kwam de zomer tot een eind, stierven de vuurvliegen, en werd Dwaallichtje bleek en loom en was hij iederen nacht gemakkelijker in slaap te maken, alsof hij ook bezig was weg te kwijnen, totdat warm zomerweer hem weer wakker en helder zou maken.

„Nu zou ik wel heen kunnen gaan, als ik maar een vriend kon vinden om mij te helpen,” zeide Knopje, toen de wilde eenden hun afscheid namen, en de reigers wegstapten.

„Ik zal u wel helpen,” zeide een waterslang, en stak den kop omhoog met een vriendelijker blik, dan men ooit zou verwachten uit zulke vurige oogen.

„Gij?” zeide Knopje, heel verwonderd; want zij had nooit veel gehouden van de slang, hoewel zij toch altijd wel vriendelijk voor het dier was geweest.

„Ik wil uw vriendin zijn, als gij mij hebben wilt. Niemand houdt van mij, daar ik zoo leelijk ben en van de schepping der wereld af aan altijd een slechten naam heb gehad; maar ik heb hoop, dat ik, als ik mijn vel verlies, mooier zal mogen worden of in iets beters veranderen; ik doe dus mijn best om een brave slang te zijn, en zooveel in mijn vermogen is het geluk van mijn naasten te bevorderen.”

„Arme stakker! Ik hoop, dat er een mooie groene adder uit u zal groeien, en dat gij dan moogt wonen tusschen bloemen, zooals ik er eens een gekend heb. Het moet moeielijk vallen, hier altijd tevreden te leven, en het is heel lief van u, dat gij mij wilt helpen,” zeide Knopje en legde haar warme handje op den leelijken kop van de slang, die op haar eilandje was gekropen, om zich te koesteren in den zonneschijn.

Juffrouw Vorktong vond dat heel plezierig; want zij werd anders nooit geliefkoosd, en de oogjes van de slang glinsterden, toen zij haar slanke lichaam dichter bij Knopje’s voeten kronkelde, en den kop optilde, om haar te antwoorden.

„Gij wilt graag van hier weg en dat zult gij. Wij allen zullen u droevig missen, maar de koû komt toch weldra en gij behoeft niet langer te blijven; ik zal dus mijn vriend Gladvel verzoeken, deze sterke biezen door te knagen, totdat zij omvallen, en zoo bruggen maken dwars over de plassen. Gij kunt veilig daarover heengaan en een prettig warm plekje zoeken, om in te wonen totdat de zomer weêrkomt.”

„Een smakelijk plannetje! Lieve vriendin, ik dank u zeer; laat ons dat terstond uitvoeren, terwijl Dwaallichtje nog slaapt en niemand ons ziet,” riep Knopje.

Gladvel, de muskusrat, kwam en maakte telkens een weg voor haar van het eene hoopje gras naar het andere, totdat zij veilig en wel aan land was. Toen zeide zij deze leelijke maar vriendelijke kameraads vaarwel en liep zij lustig rond in het prettige veld, waar de najaarsbloemen al in het zaad schoten en reeds een boel gele bladeren gevallen waren. Zij smulde van wilde druiven, verdroogde bessen en appels, die nog van de boomen gevallen waren, nadat de oogst reeds was binnengehaald. Alles bereidde zich voor op den winter en Knopje maakte met blijdschap voor zichzelf een warm pakje kleeren van wegeblaadjes met een mutsje van disteldons. Zij was bezig schilletjes van beukenoten aan te passen als schoentjes voor haar kleine voeten, toen een verlept plantje, dicht bij haar, haar toeriep:

„Gaat gij zoo vèr reizen, dat gij nieuwe kleêren en sterke schoenen aandoet, kleine vreemdelinge?”

„Ik moet reizen totdat ik mijn eigen land vind, al is ’t ook nòg zoo ver weg. Kan ik een boodschap voor u doen onderweg?” vroeg Knopje vriendelijk.

„O ja! Als ’t u blieft, wilt gij deze zaadjes van mij naar het groote grasveld aan den overkant brengen? Daar wonen al mijn vrienden en ik verlang zoo, om weer thuis te zijn. In het voorjaar heeft iemand mij uit den grond gehaald enmij hier laten vallen. Maar ik ben niet gestorven; ik heb hier wortel geschoten en gebloeid, en moet hier nu altijd blijven, tenzij iemand mijn zaadjes weêr daarheen brengt. Dan kan ik in een volgende lente daar weêr opkomen, en als gelukkige bloem leven in mijn eigen land.”

„Met genoegen,” zeide Knopje. „Maar ik dacht, dat de wind uw zaad voor u ronddroeg.”

„Jawel; maar sommige zaden zijn daarvoor te zwaar. Dennezaadjes, die van den ahornboom, van den distel en de paardebloem, en nog vele andere worden door den wind weggeblazen; sommige van ons, planten, groeien van de wortels in den grond, en sommige, zooals ik, van zaden, die in kleine zakjes bijeenzitten. Mijn naam is Herdersbeurs, en ik ben maar een eenvoudig onkruidje; maar ik heb mijn eigen volk lief en verlang zeer hen weêr te zien.”

„Dat zult gij!” riep Knopje vol geestdrift; en met zorg verzamelde zij de driehoekige zaadbuisjes, en nam die mede naar het veld, waar andere planten van dezelfde soort met vreugde de tijdingen hoorden van haar verloren vriendinnetje, en het geschenk bekeken, dat zij haar zond.

Daar Knopje wist, hoe prettig het is, om langs den weg verscheidenheid van bloemen te zien bloeien, als gastvrije herbergen voor kleine reizigsters als zijzelve, besteedde ons lieve Knopje vele dagen aan het planten van wortels en zaadjes langs den weg door het grasveld.

„Als nu kinderen, vogels, kapellen en kaboutermannetjes deze mooie dingen hier later vinden bloeien, zullen zij heelblij zijn, al komen zij dan ook nooit te weten, wie ze hier geplant heeft,” zeide zij, toen zij dat werk volbracht had.

Nu was de vorst gekomen, kwamen de noten ritselend tusschen de bladeren van de boomen neêrvallen, werd het groen geel en bruin, en begonnen de koude winden te waaien. Het arme Knopje zocht dus rond in het bosch, of zij ook een veilig warm plekje vond, om in te gaan slapen, althans voor een poosje, want zij was overtuigd dat zij, zoo klein en teêr en zonder vrienden als ’t arme schepseltje was, stellig zou sterven, wanneer de sneeuw kwam.

Toen ze bij een grooten eikeboom kwam, ging ze zitten op een afgevallen eikel en trachtte de harde schaal te breken, om van het binnenste wat te knabbelen voor haar middagmaal. Zij was er niet toe in staat, en zat er juist droevig over te denken, wat er nu van haar worden moest, toen er een zoet geschild eikeltje naast haar neêr kwam vallen, en zij, opkijkende, een eekhoorntje op een tak boven haar hoofd zag zitten, dat naar haar keek. Zij glimlachte en bedankte hem, en meteen was hij in een wip van den boom af en ging tegenover haar naar haar zitten kijken, met zijn mooien staart als een parasol boven zijn kop.

„Ik ken u wel, kleine meid, en ik ben blij, dat gij hier zijt gekomen, want ik kan u een heerlijk huisje voor den winter aanwijzen. Ik heb u aan een veldmuis hooren vertellen, hoe eenzaam ge zijt, en zooeven heb ik uw tranen zien vloeien, toen gij hier zat te bedenken, dat gij niemand op de wereld tot vriend hebt,” zeide Wip, knikte haartoe en pelde nog een kastanje voor haar, om, zoo zij meer noodig had, na ’t eikeltje te gebruiken.

„Iedereen is heel vriendelijk voor mij; maar het schijnt wel, alsof iedereen gaat slapen, nu het najaar komt; daarom voelde ik mij eenzaam en droevig, en verwachtte ik te zullen omkomen in de sneeuw. Maar als ik een gezellig plekje kan vinden, om tot de lente in te wonen, zal ik daar heel blij meê zijn en wil ik gaarne alles doen wat in mijn vermogen is, om er voor te betalen,” antwoordde Knopje, die reeds zeer vertroost was door het stevige maal en een vriendelijk woord.

„Als gij mij wilt helpen, om mijn noten en eikels en mos en bladeren naar binnen te sleepen, voor voedsel en ligging dezen winter, dan zal ik u het huisje der Kobolden in gebruik geven, totdat zij komen. Zij zijn vroolijke kaboutertjes, die u zeker gaarne zullen laten blijven en u leeren spinnen; want zijzelven spinnen den heelen winter door, en maken mooie kleêrtjes voor de elfen, van spinrag en disteldons. Hier is hun huisje. Ik verstop het en bewaak het, terwijl zij weg zijn, en maak het weêr klaar voor hen met den herfst, als zij met de eerste sneeuw terugkomen.”

Onder het spreken had Wip een hoop dorre bladeren weggeruimd aan den voet van den ouden eik, en weldra zag Knopje een gewelfden doorgang, die in den hollen boomstam voerde, door de wortels in verscheidene kamertjes verdeeld, en daarbinnen was alles even droog en warm engezellig, als in een klein huisje. Zij hoopte, dat de Kobolden haar zouden willen toestaan te blijven, en ging terstond aan het werk, om Wip te helpen het voor hen in orde te maken, want de lucht was zoo donker, alsof er nu reeds een sneeuwbui dreigde te komen, en een gure wind loeide door het bosch.

In het eene kamertje verzamelden zij noten, eikels, rozebottels en hulstbesjes, een paar gedroogde appelen, en een boel sparappels, om te branden; want Wip liet haar een soort van haardje kijken, en vertelde haar, dat de Kobolden zorgden bij het werk lekker warm te blijven.

In een ander kamertje spreidden zij mos en hooi uit, voor bedden, en daar zouden dan de zeven kaboutertjes als marmotten kunnen slapen. De leêge pop van een groote rups, waar de kapel uitgevlogen was, hing nog ergens in een hoek, en Knopje zeide, dat dit een goede hangmat voor haar zou zijn, met een gordijntje van gevlochten geel lintgras voor het hoekje gehangen. Zij veegden den vloer aan met bezems van dennenaalden en legden een kleed op den vloer van roode eikenbladeren, wat de woning een heel vroolijk aanzien gaf.

Daarop verzocht Wip aan Knopje, om een aantal eikeldopjes met water te vullen uit een beek daar dichtbij, terwijl hij zelf heenging om splinters van de harsachtige denneschors te knabbelen, om den Kobolden als fakkels te dienen, daar zij bij avond werken en dan licht noodig hebben.

Knopje voelde zich even gelukkig, als een klein meisje, dat een nieuw poppenhuisje gekregen had, en ze zag er zelf uit als een popje, bij haar heen en weêr dribbelen, om de bakjes te vullen, de mooie kamertjes aan te stoffen, en klaar te komen vóór de zeven kleine vreemdelingen, kwamen, evenals Sneeuwwitje en de Dwergen in het prettige oude sprookje.

In twee dagen was alles klaar, en Wip had nu nog tijd, om zijn eigen wintervoorraad op te doen, vóór de sneeuw kwam.

Knopje hield de wacht bij de hoopen nooten, die hij opstapelde, uit vrees dat anders zijn slimme buren die kwamen stelen, terwijl hij heen en weêr liep om ze te verstoppen in holletjes rondom den eikeboom. Daardoor was zij hem van veel nut, en hij hield veel van haar; en te zamen maakten zij een aardige verrassing voor de Kobolden klaar, door nieuwe ledekantjes voor hen neêr te zetten, gemaakt van de buitenste schillen van kastanjes, die als wiegen schommelen konden, en van binnen gevoerd waren met dons, zoo zacht als zijde.

„Dat zullen zij verrukkelijk vinden, en als zij hooren, dat gij dit bedacht hebt, zullen zij evenveel van u houden als ik. Ga nu wat rusten, en maak u gereed hen te verwelkomen; want ik ben overtuigd, dat zij vandaag zullen komen.

„Ik zal boven in den boom klimmen, om te zien of zij ook aankomen, en dan kunt gij terwijl het vuur aanmaken, zoodra ik u waarschuw.”

Wip huppelde weg en Knopje bleef in de voordeur staan, met een warm matje van droge kerveltakjes onder haar voeten, en een frisschen slinger sparregroen boven haar hoofd; want zij had de poort versierd en aan alle kanten vroolijke takjes hulst gestoken, om de kaboutertje te verwelkomen. Weldra begonnen de sneeuwvlokjes neêr te zweven, en Knopje verheugde zich, dat zij een gezellig warm verblijf had, om in te wonen, en niet behoefde dood te vriezen, als een verdwaald vogeltje. Plotseling riep Wip uit den top van den boom: „zij komen!” en haastte zich naar beneden te klimmen en twee takjes tegen elkaar te wrijven, tot er een vonk uitsprong, die de sparappels in den haard aanstak.

„Loop nu naar de deur, en maak een buiging wanneer gij hen ziet,” zeide hij en waaide het vuur aan met zijn grooten staart, in een toestand van groote opgewondenheid.

Knopje keek den weg op, en wilde juist zeggen:

„Ik zie niets dan sneeuw,” toen zij zag, dat wat er uitzag als een troep sneeuwvlokken, die naar de deur stoven, inderdaad het zevental Kobolden was, beladen met groote stapels disteldons, om van te spinnen. Zij maakte haar mooiste buiging, glimlachte heel vriendelijk, en riep hun toe: „Welkom thuis, mijn meesters!” als ware zij hun dienstmeisje, en zij leidde hen binnen in de groote kamer, die nu helder verlicht en verwarmd was door het vuur, dat lustig opvlamde onder den schoorsteen, waarvoor een gat in de oude boomwortels gemaakt was.

„Wel, wel, buurman Wip, wat hebt ge u dezen keeruitgesloofd; wij zijn zeer tevreden over u. Berg nu onze pakken maar weg, terwijl wij onze spinnewielen gaan halen, en dan zullen wij ons avondeten gebruiken. Maar wees zoo goed, ons eerst te vertellen, wie dit aardige persoontje is,” zeide de oudste van de Kobolden, terwijl de anderen stonden te kijken naar Knopje, en haar toe te knikken, alsof zij hun zeer behaagde.

„Uw nieuwe huishoudster, heeren,” antwoordde Wip, en vertelde hun met weinige woorden alles omtrent zijn vriendin,—hoe zij had geholpen den boel voor hen in orde te maken, welke mooie verhalen en liedjes zij kende, en hoeveel goeds zij reeds gedaan had, en nog hoopte te doen, terwijl zij wachtte, totdat er vleugels aan haar zouden groeien.

„Best! heel goed! Zij kan bij ons blijven, en wij zullen voor haar zorgen tot de lente. Dan zullen wij eens zien wat er gebeurt.” En zij glimlachten allen en knikten harder dan ooit tegen elkaar, alsof zij iets heerlijks wisten, maar het nog niet wilden vertellen.

Toen tikten zij op hun grappige puntige hoeden, en stapten weg, vóór Knopje hen nog genoeg naar haar zin had kunnen bedanken. Terwijl zij weg waren, toonde Wip haar, hoe zij een rij kastanjes bij den haard moest leggen, om te roosteren, en hoe zij de tafel moest dekken, die bestond uit een gedroogde paddestoel, op vier pooten gezet, midden in de kamer, met kleine paddestoeltjes om op te zitten. Eikeldopjes, gevuld met bessen en met water, enkorrels tarwe en gerst waren daarop netjes neêrgelegd, met plaats in het midden voor de kastanjes, als die gaar waren, en een weinig ingelegde appel op een schotel van eikenblad. Verscheidene fakkels werden aangestoken en vastgezet in gaatjes, op de vier hoeken van de tafel, en toen was alles klaar, en deed Knopje een wit boezelaartje voor, gemaakt van haar gescheurden sluier, en wachtte als een knappe keukenmeid met het opdisschen van het eten, totdat haar meesters thuis kwamen.

Weldra verschenen zij. Elk torste op zijn rug een klein spinnewiel, want zij verstopten die den geheelen zomer lang in een kelder, tusschen de rotsen, en haalden ze pas te voorschijn, als de tijd voor hun winterwerk weêr aangebroken was. Wip hielp hen nog een weinig om zich in te richten, en verliet hen toen, om zelf te gaan eten en rusten, terwijl Knopje hen zoo netjes bediende, dat zij zich afvroegen, hoe zij het vroeger ooit zonder meid gesteld hadden.

Zij was nu volstrekt niet bang voor hen, want het waren jolige ventjes, met dikke lijfjes, dunne beentjes, roode gezichtjes en heldere oogjes. Allen waren gekleed in wit pluizen kleêren, en droegen koddige puntige hoedjes van een soort zaadhuls gemaakt, en laarzen, die van tooverleêr gemaakt waren en hen groote afstanden voortdroegen, alsof de wind hen voortblies.

Zij vonden hun avondeten heel lekker, en aten en dronken en praatten heel plezierig, totdat alles op was; toen gingenzij rondom het vuur zitten zoete varens rooken, in Indische pijpjes, totdat Knopje de vaten weggeruimd had.

„Kom nu wat voor ons zingen,” zeiden zij; en de jongste Kobold zette beleefd een krukje voor haar neêr, in het warmste hoekje.

Nu zong Knopje al haar vroolijkste liedjes, tot hunne groote vreugde, en vertelde al haar avonturen; en allen hadden veel pret, tot het tijd was om te gaan slapen. De kaboutertjes waren verrukt over hun nieuwe bedjes, en hun nachtmutsjes, gemaakt van papaverzaadbollen, over hun hoofd getrokken hebbende, zeiden zij slaperig goeden nacht en tuimelden in hunne bedden, en lieten het aan Knopje over, de voordeur te sluiten, en de lichten uit te dooven. Spoedig kon zij ook haar zacht hangmatje betrekken; en niets verstoorde meer destilte, dan het zuchten van den wind, het vallen van sneeuwvlokken op de dorre bladeren buiten, en zeven snurkende geluidjes, toen de vermoeide Kobolden in hunne nieuwe bedjes lagen te droomen.

Knopje stond vroeg op, den volgenden dag, en had alles in orde, toen de kleine mannetjes kwamen ontbijten. Daarna begonnen zij hun wieltjes te laten snorren, en den geheelen dag lang sponnen zij ijverig voort, totdat zij een massa strengen glanzige zijde gereed hadden, om elfenkleedjes van te weven. Knopje leerde het spoedig ook, en zij maakten voor haar ook een wieltje, zoodat zij nu met hen werken kon.

Zij praatten zelden, en aten er niet tusschen in, maar werkten door tot den avond toe; dan stonden hunne wieltjesstil en gingen de spinners uit om een loopje te doen, terwijl Knopje het avondeten gereedmaakte.

In den avond gingen zij wat varen langs de kust, als de maan scheen, of uilen jagen, of maakten zij pret in het bosch, waarbij zij Knopje meêtroonden, en gleden van de besneeuwde heuvels af, in hunne sleedjes van boombast, waarbij Wip toekeek, warm gedoken in zijn lekkeren bonten pels.

Maar bij stormachtige avonden zaten zij in huis, en vertelden elkaar verhalen, en deden spelletjes, en waren heel vroolijk; en Knopje leerde van hen vele wijze en belangrijke dingen; want de Kobolden waren bekend met allerlei soorten van toovernimfen, elfen en kabouters, en zij waren in vele vreemde landen geweest.

Het was een heel prettig leven; maar toen de laatste wintermaand kwam, werd Knopje zoo slaperig, dat zij hare oogen niet open kon houden en onder het spinnen zat te knikkebollen, gaapte in plaats van te zingen en dikwijls droomende in bed werd betrapt, als zij op en aan het werk had behooren te zijn.

Dat bezwaarde haar zeer, doch zij kon het niet helpen maar de Kokolden lachten slechts, betastten nu en dan tersluiks haar schouders, en zeiden, dat zij gerust kon blijven slapen, want dat hun werk gedaan was en zij hare hulp verder niet noodig hadden.

Eens op een morgen werd Knopje in het geheel niet wakker en toen de kaboutertjes naar haar kwamen kijken,lag zij ineengerold in haar hangmatje en geleek veel op de pop van een rups.

„Goed zoo,” lachten de ventjes en knikten elkaar veelbeteekend toe; „laat haar maar slapen, terwijl haar vleugels groeien. In Mei zal zij wel ontwaken en nog heerlijker verrassing ondervinden, dan zij ons bereid heeft.”

Zij maakten dus hun werk verder af, pakten de gesponnen zijde netjes weg, en zoodra de sneeuw verdwenen was, verstopten zij hunne wieltjes weêr, gaven een afscheidsfeestje aan Wip, en trokken weg, hem verzoekende de wacht te houden bij Knopje, en hun huis weêr voor hen in orde te maken het volgende jaar.

Dag aan dag werd het gras groener, zwollen de knopjes, werd de lucht warmer en de wereld schooner, naarmate de lente meer naderde; maar ons Knopje lag nog te slapen in haar klein bedje en het trouwe Eekhoorntje kwam elken morgen kijken, of het goed met haar ging.

Ten laatste kwam de Meimaand en kwamen de roosjes haar roode gezichtjes uit de groene blaadjes steken, begonnen de vogels in de groene struiken te zingen en scheen de zon helder, terwijl al de kleine en groote boschbewoners een voor een te voorschijn kwamen, om opnieuw een gelukkigen zomer te doorleven.

Toen ontwaakte Knopje uit haar langdurigen slaap, rekte haar armpjes en beentjes uit, als een zuigeling na een slaapje, keek rond waar zij zich bevond, en sprong toen op, vreezende dat zij al te laat was, om het ontbijt voorde Kobolden klaar te maken. Maar het huis was leêg, het vuur uit, de wieltjes waren weg en er was niets te zien, dan een allerliefst wit zijden japonnetje op de tafel, waarin haar naam met rozenknopjes overal geweven was. Terwijl zij nog bezig was, het geschenk met opgetogenheid te bekijken, kwam Wip binnen, en huppelde van vreugd haar weêr wakker te zien, en mooier dan ooit te voren; want onder het slapen was zij veel schooner geworden. Haar winterpakje was verdord en viel van haar af bij het uit bed stappen, zoodat zij terstond het prachtige nieuwe zilverwitte kleedje kon aantrekken, ’t geen ze met vreugde deed.

„Och, trek even mijn oude kapje af, dat daar op mijn schouder hangt, dan kan ik mijn mooie japonnetje vastmaken met dezen fraaien gordel,” zeide Knopje, iets op haar rug voelende.

Wip’s zwarte oogen schitterden, terwijl hij met een vroolijk knikje zeide:

„Schud u eens goed uit en zie toe, wat er dan gebeurt. Maar gij moogt niet heengaan, vóór ik tijd gehad heb de prachtige prinses van het Tooverland te bewonderen.”

Knopje schudde zich, en zie! een paar blauw-met-zilveren vleugels ontplooiden zich aan haar blanke schouders en zoo stond zij daar, als een schitterend wezen, zoo mooi als een kapel, zoo teêr als een nimfje, zoo lief als een gelukkig kind, terwijl Wip met zijn staart als met een banier wuifde en verheugd uitriep:

„De Kobolden hadden voorspeld, dat het zoo gaan zou,omdat gij zoozeer uw best hadt gedaan, braaf te zijn en het goede te doen! Nu kunt gij naar huis gaan, en een gelukkig leven leiden in het Tooverland.”

Knopje kon enkel in hare handen klappen, en lachen van blijdschap, en trachten zelf de mooie vleugels te zien, waarvoor zij zoolang gewerkt en waarop ze zoolang gehoopt had.

„Ik bedank u wel zeer voor al uwe vriendelijkheid jegens mij, beste Wip; als ik kan, zal ik nog eens weêrom komen, om u en de kaboutertjes te bezoeken. Nu moet ik heengaan en mij in het vliegen oefenen, vóór ik naar huis op reis ga,” zeide zij, en haastte zich naar de deur te gaan, waar boschviooltjes op haar stonden te wachten met gretige blauwe oogjes, terwijl de roodborstjes, winterkoninkjes en sijsjes haar een welkomstlied toezongen.

Het vliegen behoefde zij volstrekt niet te leeren; die mooie vleugeltjes droegen haar vanzelf, en luchtig zweefde zij weg, als een pasgeboren kapel, schitterend in den zonneschijn. Zij vond het zoo overheerlijk, dat zij haast geen lust had weêr op de aarde neêr te komen; zij ging dus op een hoogen tak van den ouden eik zitten en nam eens een kijkje van Wip’s nest, vóór ze hem vaarwel zeide.

„Hoe zal ik den weg vinden naar het Tooverland?” vroeg zij, vol ijver om weg te komen; want het verlangen was sterker dan ooit in haar hart.

„Ik ben gekomen om u den weg te wijzen,”antwoordde een pieperig zacht stemmetje, terwijl een prachtige kolibriop den tak naast haar kwam zitten, met een borst vonkelend als juweelen, en zijn langen bek vol honig, terwijl het fladderen van zijn vleugels liefelijke muziek teweeg bracht.

„Ik ben gereed! Vaartwel, lieve vrienden! vaarwel, groote wereld! Ik heb u lief; maar ik moet naar mijn eigen volk toegaan,” riep Knopje, en met een snelle beweging van de blauw-en-zilveren vleugels was zij verdwenen.

Maar nog menigen winteravond werd haar geschiedenis verteld door de Kobolden, als zij rondom het vuur zaten te spinnen; en nog menigen langen dag herinnerden vogel en bij, meikever, mier en bloemen zich het lieve Knopje, en dachten zij aan haar met liefde en dankbaarheid.

Elfje zittend in bloem.


Back to IndexNext