DE VLIEGE.o Gij dikke, welgekleede, welgevoedevliege, die’k daar zoo dikkens, om end weder om mij,hoore en zievliegen, varen, vederen, ruischen, in denzonnestraal,met uw’ ronkend-, hoog- en leeggevooisdevedertaal!Ha, ’k en kenne niemand die u ooit ééne armereke[1]of tweeheeft geschonken, schoon gij zingt en immerzongt, alreêruim zoo lange als merelaan, of meeze, ofnachtegaal,ruim zoo schoone allichte als honigbie- enkrekeltaal.o Gij dikke, weltevreden, welgezindesnaartrompet,nooit en zag ik of en hoorde ik uwevlerken, netlijk twee glazen ruitjes, daverende’ ’t zijlate of vroeg,of ’t was helder zomerweder, en dezonne loech!o Gij aardig dierken, ’k wou dat ik, zoo wel alsalle mensch,zoo gij schijnt te hebben, had mijn herte enwille en wensch,en dat ge ons, al ronken in den mooienzonneschijn,wist den weg te wijzen naar ’t gestadigblijde zijn![1]Regel,schrift of zang.WAT HANGT GIJ DAAR TE PRATEN.Wat hangt gij daar te pratenaan die blomme, o bruine bie;waarop, waaruit, waaroverik u ronken hoore en zie?Gij zijt er met uw’ neuze enmet uw tonge al ingegaan;gij hebt eraan gerokenen van alles aan gedaan,daarom, daarin, daarover,op uw’ vlerken alle twee:ik wonder hoe die blomme ulaat geworden, zoo ter lee[1]!Och, ware ik in heur’ plaatse, ikhiet u varen, en ik slootzoo seffens al dat werk, aldat geruchte uit mijnen schoot,en ’k...: „Rap, uit mijnen weg enuit mijn zunne, dat ik zie:houdt op, en laat mij werken,of ik strale[2]u!” zei de bie.[1]Gewillig.[2]Straal = pijl, angel.ALS GE NAAR HET KOOREN LUISTERT.Als ge naar het kooren luistert,dat nu op- nu nedergaat;daar een’ zwepe wind in snuistert,dat de lieve zonne baadt;neen, ’t en kan geen’ snare talen,die zoo zoete om hooren isals ’t gerep der roggestalen,als ’t geroer van ’t kooren is.’t Vaart een fijn gelispeld levendeur de toppen, altemaal;daar de diepere stammen beven,deunende als een’ dondertaal.Hel en duister, lijze en luide,mingelmangelt in de lucht,’t ruischen van de groengekruide,grauwgetopte koorenvrucht.Drijft dan maar, gij dunne staven,die den landman ’t leven wint;laat de zonne uw’ lenden lavenzoetjes, en den zomerwind!Hei, daar valt er volk te peerde,losgetoomd, in ’t veie[1]groen;donker diept het neêr naar de eerde,zoo in zee de schepen doen.Volgende elk den andere, varenze, elk gevolgd, in ’t volle veld;’t zonnelicht beglanst de barenvan dit rennend rosgeweld.Schielijk, in de lucht ontkomen,zijn de ridderen weg: ’t en speeltniets meer in de vrije vromen,dat de zware zee verbeeldt.Stille is ’t nu: de zonne vonkeltdeur de wolken, blij en blank;milde lacht het al en monkelt[2],in en om mij, lief en lang.Ach! ’k En gave om al het schoone,dat de heldere zonne ziet,—Vlanderen, Vlanderen spant de kroone,—neen-ik, nog mijn Vlanderen niet![1]Welig.[2]Glimlacht.DE WOLKENWEG BEDIJGT.De wolkenweg bedijgt[1]vol eendlijke[2]oorlogschepen,wier witgezeilde machtde koele westerzwependes windloops drijven doen,en, in ’t gelid zoo zaan[3],den hemel vol, tot inzijn verste diepten, staan.De zonne speelt daarin,met honderd duizend mondengeschuts; die, scherp gelaên,’t gebuikte lijndoek wondenvan ’t scheepgevaarte: ’t lichten ’t duistert, keer om keer;en, schielijk overwolkt,en zie ’k geen zonne meer.Gaat ’t regenen eindelijk,en, zoo ’t de boeren vragen,een’ ongetelden oest[4]van goud en zelver vlagen[5]?Gaat ’t regenen? Donker is ’t,nog donkerder. Med een,daar bliksem’ het, en ’t buischteen zware dondersteen!Het windrad is gekeerd,de hemelwanden breken,en neerstig—vlucht in huis!—zie ’k al de daken leken:God zegent het gewelddes hemels, de eerde doomt[6]en davert, van ’t gelukdat in heure aderen stroomt.[1]Bedijgen, bedijen, groeien, worden.[2]Angstig, groot.[3]Dra.[4]Oogst.[5]Het vlaagt = het buit, het is buiig weer.[6]Dampt.ANDLEIE.[1]Jordane van mijn herten aderslag mijns levens,o Leye, o vlaamsche vloed,lijk Vlanderen, onbekend;hoe overmachtigt mijde mate uws vreugdegevens,wanneer ik sta en schouwe,uw’ vrijen boord omtrent!Hoe vaart gij welgemoed,de malsche meerschen lavendmet blijder vruchtbaarheid,te Scheldewaard, en voortten Oceaan, u, zelf,een’ diepe vore gravend,die ’t oude en vrije landvan Vlanderen toebehoort.Wat zijt ge schoone, o Leye,als ’t helderblauwe lakender hemeltente wijden breed is uitgespreid,en dat, uit heuren throon,de felle zunne, aan ’t blaken,vertweelingt heur gezichtein uwe blauwigheid!Dan leeft het rondom al[2]uw’ groengezoomde kanten,aanzijds en heraanzijds,zoo verre ik henenschouw,van lieden, die weêrom,en nu in ’t water, plantenden overjaarschen bloeivan hunnen akkerbouw,den bast, die, onlangs, toenhij jong was, jong en schoone,’t gezicht verblijdde, maaréén levend legtapijt;die, veel te lichte, eilaas!de blauwe maagdenkrooneverloos, en bleef het lieveen jeugdig leven kwijt!Het vlas! Nu staat ’t gedoopt,Jordane, in uwe lanken,gegord in haveren stroo,dat banden gouds gelijkt;bij duizend duizendenvan bonden, die vier plankenbewaren, ketenvasten aan den wal gefijkt[3].Hoe zucht gij, om weêr uitdit stovend bad te komen;hoe zucht gij, zoo de ziel,de vrome kerstene, doet,die, na gedulde pijn,vol hopen en vol schromen,verlangt het licht te ziendat haar verlossen moet!Verdraagt den harden steen[4]nog wat, die, korts nadezen,gelicht, u helpen zalter vrijheid; en de dood,die u gedwongen hield,zal zelf gedwongen wezen,u latende uit het grafen uit den Leyeschoot.Die steen heeft u gedempt,g’ootmoedigd en gedoken,tot dat uw taaie rug,gemurruwd en verzaad,geen’ weerstand biên en zouaan hem die u, gebroken,tot lijn[5]hermaken zalen edel vlasgewaad.Hoe krielt het wederom,langs al de Leyeboorden,van lieden, half gekleed,die half in ’t water staan,en halen, lekende uit,lijk lijken van versmoorden,’t gebonden, zappig vlas,en ’t spreidende openslaan!’t Verrijst! Het wordt alhier,het wordt aldaar bewogen,gestuikt[6], gekeuveld[7]engehut. De zonne lachten speelt in ’t droogend schif[8],dat, ’t water uitgezogen,heur fijne stralen drinkten fijndere verruwpracht!Wat zie ’k! o Israël,lijk in de bibelprenten,gekleend, den overtochtvan ’t Abrahamsche diet[9];gesmaldeeld en geschaard,in lijnwaadgrauwe tenten,ontelbaar, zoo ’t den dwangvan Pharao verliet!Beloofde land van God,Jordane, in ’t hooge Noorden,hoe schoon ’t gelegerd volk,dat, God gehoorzaam, voeten hand te zamen, zwoegtnaar uwaard, en de boordenvan ’t stroomend waterkleedstrijdmachtig leven doet!Ik hef, lijk Bala’am,mijn woord op, en ’k bezegenden arbeidweerden troostdien ’t neerstig Vlanderen vand...!Zij ’t immer God getrouw,God dankbaar, God genegen,en weerd de diere kroondie hem de vrijheid spant,zoo lang de Leye loopt,zoo lang de velden dragenden taaien lijnwaadoost[10],die op heur boorden groeit;zoo lang ’t gestorven vlasherleeft in kant en kragen,en, sneeuwwit op de borstvan jonk- en schoonheid bloeit![1]Aan de Leie.[2]Aan, langs.[3]Fijke is een stok of ijzeren staaf op den oever, waar de in ’t water neergelaten vlasbakken aan vastgebonden worden.[4]Die op de volle vlasbakken ligt om het vlas ter roting onder water te houden.[5]Gesponnen draad om te weven.[6]Stuiken = korenschoven recht overeind zetten om te drogen.[7]Keuvel = gevelpunt op een dak.[8]Houtbast van ’t vlas.[9]Volk.[10]Oogst.’T IS STILLE.’t Is stille. Rustig ligten slaapt het altemaal,dat leute en leven was,dat locht- en vogeltaal.Geen windeken en waakt:november houdt den staf,en stelpt dat wekken mochthet eindloos duister grafdes aardrijks. Ongebaanden dood zijn weg en straat;de voet alleen verwekt,en ’t stappen van die gaat,een doof gerucht in ’t loof,dat, afgevallen, plektden grond, dien ’t in een’ spreevan doodsche varwen dekt.’t Is stille. Gij alleen,o vlugge en vlijtig ding,dat, langs den natten takgeklaverd, uw gepinklaat hooren, fijn en snel,ge ontsnapt en snetst alom:„Ik leef nog: piep! Ik leef,spijts ’s winters winterdom!”DE RAVE.Met zwart- en zwaren zwaai aan ’t werken door de grauwe,de zonnelooze locht, ik de oude rave aanschouwe;die, roeiende op en dóór den schaars gewekten wind,gelijk een dwalend spook, eilaas geen ruste en vindt.Ze is zwart gebekt, gepoot, gekopt in ’t zwarte; als kolen,zoo staan heure oogen zwart, in hun’ twee zwarte holente blinken; rouwgewaad en duister doek omvangthet duister wangedrocht, dat in de nevelen hangt.Ze is stom! Z’en uit geen woord en ’t waaien van heur’ slagersen hoort gij niet. Alzoo de zwarte doodendragersstilzwijgend gaan, zoo gaat zij zwijgend op de lucht,en wendt alhier aldaar heur’ zwarte ravenvlucht.Wat wilt gij, duister spook! Waar gaat gij? Van wat stedenzijt gij, met damp en doom[1]en ’s winters duisterheden,alhierwaards aangewaaid? Wat boodschap brengt gij? Vanwat rampe of tegenspoed zijt gij de bedeman[2]?Is ziek- of zuchtigheid, uit ’s noordens grauwe landen;is sterfte wederom, is hongersnood op handen?Is moordaanslag, verraad de zin van uw vermaan;of gaat de muil misschien des afgronds opengaan?Geen woord! Dan, weg van hier, onzalige: gaat varenalwaar nooit zonne en rijst; alwaar de grimme barenstaan ijsvaste overende, als rotsen; en waar nooitnoch blom noch blad den buik van moeder aarde en tooit!Gaat aan! Of spreekt een woord, zoo de andere vogeldierente zomertijde doen, die in de bosschen zwieren:ja, ’s winters, als de snee’ heur laken heeft gespreid,nog vinkt en klinkt het hier, vol vogelvlijtigheid.En gij! De rave trekt, met trage vederslagen,voorbij mij, zwaar en zwart gelijk nen kerkhofwagen,en roept mij, onverwachts, terwijl zij henenvaart,al in één enkel woord, heur’ winterboodschap: „Spaart!”[1]Damp.[2]Bode.DE TIJD.Tempus non erit amplius.Apoc. X, 6.Verloren is ’t gepijnd om aanden tijd, die immer voort moet gaan,een paal te zetten;ja, stelt u maar en schoort u stijf,ge ’n zult, met al uw leên en lijf,zijn’ baan beletten.Hij lacht met u, en, moegesold,gij vechtend in de vore rolt,daar ’t eeuwig varenzijns wilden strooms voorbij u voert,en zegepralend henenroert,zijn’ ruwe baren.Hij stampt de hooge boomen om,hij buigt den berg zijn’ lenden krom,hij springt de bandenvan staal intween, die vastgedaan,bij stede en stad, hem wederstaan,in alle landen.Geen wet en weet hij, noch ’t en zalhem dwingen eenig ongeval:geen’ legerbenden,geen’ wapens, geen geweld van ietdat donderbusse of boge schiet,en kan hem schenden.Onraakbaar is hij, vluchtende ooiten vechtende; verderfnis strooithij op die wildenweêrzetten hem ’t zij burgten vanorduin[1]gebouwd, ’t zij duizend man,’t zij duizend schilden.’t En breekt den boozen beul, van al ’tgeween dat hem te voeten valt,geene enkele smerte,geen Bethlehemsche kinderdood,geen leêggeroofde moederschoot,zijn steenen herte!Zoo moet hij varend henengaan,en al dat is aan stukken slaan,tot ander stonden,dat hij ook eens, het licht ontzeid,voor eeuwig hebbe in de eeuwigheidzijn’ dood gevonden.[1]Arduin.MIJN HERT IS ALS EEN BLOMGEWAS.Mijn hert is als een blomgewas,dat, opengaande of toegeloken,de stralen van de zonne vangt,of kwijnt en pijnt en hangt gebroken.Mijn hert gelijkt het jeugdig groen,dat asemt in den dauw des morgens;maar zwakt, des avonds, moe geleefd,vol stof, vol weemoeds en vol zorgens!Mijn hert is als een vrucht, die wasten rijp wordt, in de schauw verholen,aleer de hand des najaars heeft,te vroeg eilaas, den boom bestolen!Mijn hert gelijkt de sterre, dieverschiet, en aan de hooge wandendes hemels eene sparke strijkt,die, eer ’k heraêm, houdt op van branden!Mijn herte slacht den regenboog,die, hoog gebouwd dóór al de hemelen,welhaast gedaan heeft rood en blauwen groen en geluwe en peersch te schemelen!Mijn hert... mijn herte is krank, en broos,en onstandvastig in ’t verblijden;maar, als ’t hem wel gaat éénen stond,’t kan dagen lang weêr honger lijden!’t Eerste dat mij moeder vragenleerde, in lang verleden dagen,als ik hakkelde, ongeriefdnog van woorden, ’t was, te gaderbei mijn’ handtjes doende: „Vader,geeft me ’en kruisken, als ’t u belieft!”’k Heb een kruiske dan gekregen,menig keer, en wierd geslegenop mijn’ kake, zacht en zoet...Ach, ge zijt mij, bei te gader,afgestorven, moeder, vader,’t geen mij nu nog leedschap doet!Maar, dat kruiske, ’t is geschrevendiep mij in den kop gebleven,teeken van mijn erfgebied:die den schedel mij aan schervensloege, en hiete ’t kruisken derven,nog en hadd’ hij ’t kruisken niet!WINTERMUGGEN.De wintermuggen zijnaan ’t dansen, ommentomme,zoo wit als muldersmeel,zoo wit als molkenblomme[1].Ze varen hooge, in ’t vloe;ze dalen diepe, in de ebbe;ze weven, heen en weêr,hun’ witte winterwebbe.Hun’ winterwebbe zal,dat lijnwaad zonder vlekken,den zuiverlijken schootvan moeder Aarde dekken.Ze ligt in heuren slaap,ze droomt den schuldeloozen,den maagdelijken droomvan nieuwe lenteroozen.Ze ligt in heuren slaap,ze droomt den wonderbaren,den liefelijken droomvan ’s zomers harpenaren.Ze ligt in heuren droom,ze droomt van overvloed envan voorspoed overal,om vee en volk te voeden.’n Wekt ze niet, ’n laatheur geen geruchte dwingen,om, al te schier ontwekt,uit heuren slaap te springen!Daar ligt ze nu en rust:heur zwijgend beddelaken,de wintermuggen spree’n ’t,die geen geruchte en maken.Ze draaien op en afen af en op en omme,zoo wit als melk, als meel,als molke en runselblomme[2].[1]Wrongel.[2]Wrongel.WINTERNACHT.Hoe zwart staan al de boomen inde witheid, onverwacht,van ’t overdadig sneeuwen, dat ’tgedaan heeft, van den nacht!Ze staan daar, als gekoolzwart enmet teekenen geprent,al zwarte en zware staven, opeen eindloos pergament.Ze ’n roeren noch ze ’n poeren[1]en,bij ’t nachtelijk gestraal,men zweren zou dat ’t spoken zijn,of reuzen altemaal.De sterren staan en bliksemen,als oogen, ongeteld,van boven, uit de koppen vandie reuzen vol geweld.Ze groeien immer grooter, ende witheid van de sneeverzwaart de zwarte stammen. Zich[2]!van een’ zoo wordt er twee!’k Versta nu hoe van drollen[3], gij,en droezen[3]hebt gedroomd,wanneer ge, Noordsche heidenen,verkeerdet in ’t geboomt.Bij ’t razen van den winter enbij ’t nijpen van den nacht,is de oude, grimme reuzenzegge[4]ontstaan in uw gedacht.[1]Bewegen.[2]Zie.[3]Nikkers, spoken.[4]Sage.ARM HUISGEZIN.Onder ’t duister dak gedoken,stroo en vodden[1]altegaar,heel onttodderd[2], half gebroken,staat des werkmans woonsteê daar.’t Kaafgat[3], omme- en scheefgetrokken,vallen gaat; en daar, deureen,liggen afgerolde brokkenbruingebrand al, gruis en steen.’t Dak beneden, deur de wanden,glazenloos, van latte en leemzie ’k getelde turven branden,doodsch, in ’t deerlijk huisgeheem[4].Open ligt het, aller oogen;’t waait erdeure en ’t sneeuwt erin;’s zomers zal me’ er hitte in doogen,’s winters koude.—Arm huisgezin![1]Zoden.[2]Uit de voegen.[3]Kave = schouw.[4]Binnenhuis; heem, heim = huis.IRREQUIETUM[1]....Als één verdriet is uitgezucht,er ruimte is, zult ge zeggen,en reden daar, om ééns, toch ééns,het rouwkleed af te leggen!’t En doet! Daar zitten zuchten alvolveerdig, neêrgedwongen,en beidende, in de bange borst,die geren henensprongen!Ze kwellen en ze pramen u,en baren zult ge, baren,ach! de altijdonvolborentheiddes weedoms! De oude jarenen letten ’t herontvangen, nochhet grootgaan, immer: stervenvan droefheid, zult ge, in barensnood,en ’t eeuwig—leven—erven![1]Zonder rust.
DE VLIEGE.o Gij dikke, welgekleede, welgevoedevliege, die’k daar zoo dikkens, om end weder om mij,hoore en zievliegen, varen, vederen, ruischen, in denzonnestraal,met uw’ ronkend-, hoog- en leeggevooisdevedertaal!Ha, ’k en kenne niemand die u ooit ééne armereke[1]of tweeheeft geschonken, schoon gij zingt en immerzongt, alreêruim zoo lange als merelaan, of meeze, ofnachtegaal,ruim zoo schoone allichte als honigbie- enkrekeltaal.o Gij dikke, weltevreden, welgezindesnaartrompet,nooit en zag ik of en hoorde ik uwevlerken, netlijk twee glazen ruitjes, daverende’ ’t zijlate of vroeg,of ’t was helder zomerweder, en dezonne loech!o Gij aardig dierken, ’k wou dat ik, zoo wel alsalle mensch,zoo gij schijnt te hebben, had mijn herte enwille en wensch,en dat ge ons, al ronken in den mooienzonneschijn,wist den weg te wijzen naar ’t gestadigblijde zijn!
o Gij dikke, welgekleede, welgevoedevliege, die’k daar zoo dikkens, om end weder om mij,hoore en zievliegen, varen, vederen, ruischen, in denzonnestraal,met uw’ ronkend-, hoog- en leeggevooisdevedertaal!
Ha, ’k en kenne niemand die u ooit ééne armereke[1]of tweeheeft geschonken, schoon gij zingt en immerzongt, alreêruim zoo lange als merelaan, of meeze, ofnachtegaal,ruim zoo schoone allichte als honigbie- enkrekeltaal.
o Gij dikke, weltevreden, welgezindesnaartrompet,nooit en zag ik of en hoorde ik uwevlerken, netlijk twee glazen ruitjes, daverende’ ’t zijlate of vroeg,of ’t was helder zomerweder, en dezonne loech!
o Gij aardig dierken, ’k wou dat ik, zoo wel alsalle mensch,zoo gij schijnt te hebben, had mijn herte enwille en wensch,en dat ge ons, al ronken in den mooienzonneschijn,wist den weg te wijzen naar ’t gestadigblijde zijn!
[1]Regel,schrift of zang.
WAT HANGT GIJ DAAR TE PRATEN.Wat hangt gij daar te pratenaan die blomme, o bruine bie;waarop, waaruit, waaroverik u ronken hoore en zie?Gij zijt er met uw’ neuze enmet uw tonge al ingegaan;gij hebt eraan gerokenen van alles aan gedaan,daarom, daarin, daarover,op uw’ vlerken alle twee:ik wonder hoe die blomme ulaat geworden, zoo ter lee[1]!Och, ware ik in heur’ plaatse, ikhiet u varen, en ik slootzoo seffens al dat werk, aldat geruchte uit mijnen schoot,en ’k...: „Rap, uit mijnen weg enuit mijn zunne, dat ik zie:houdt op, en laat mij werken,of ik strale[2]u!” zei de bie.
Wat hangt gij daar te pratenaan die blomme, o bruine bie;waarop, waaruit, waaroverik u ronken hoore en zie?Gij zijt er met uw’ neuze enmet uw tonge al ingegaan;gij hebt eraan gerokenen van alles aan gedaan,daarom, daarin, daarover,op uw’ vlerken alle twee:ik wonder hoe die blomme ulaat geworden, zoo ter lee[1]!Och, ware ik in heur’ plaatse, ikhiet u varen, en ik slootzoo seffens al dat werk, aldat geruchte uit mijnen schoot,en ’k...: „Rap, uit mijnen weg enuit mijn zunne, dat ik zie:houdt op, en laat mij werken,of ik strale[2]u!” zei de bie.
[1]Gewillig.
[2]Straal = pijl, angel.
ALS GE NAAR HET KOOREN LUISTERT.Als ge naar het kooren luistert,dat nu op- nu nedergaat;daar een’ zwepe wind in snuistert,dat de lieve zonne baadt;neen, ’t en kan geen’ snare talen,die zoo zoete om hooren isals ’t gerep der roggestalen,als ’t geroer van ’t kooren is.’t Vaart een fijn gelispeld levendeur de toppen, altemaal;daar de diepere stammen beven,deunende als een’ dondertaal.Hel en duister, lijze en luide,mingelmangelt in de lucht,’t ruischen van de groengekruide,grauwgetopte koorenvrucht.Drijft dan maar, gij dunne staven,die den landman ’t leven wint;laat de zonne uw’ lenden lavenzoetjes, en den zomerwind!Hei, daar valt er volk te peerde,losgetoomd, in ’t veie[1]groen;donker diept het neêr naar de eerde,zoo in zee de schepen doen.Volgende elk den andere, varenze, elk gevolgd, in ’t volle veld;’t zonnelicht beglanst de barenvan dit rennend rosgeweld.Schielijk, in de lucht ontkomen,zijn de ridderen weg: ’t en speeltniets meer in de vrije vromen,dat de zware zee verbeeldt.Stille is ’t nu: de zonne vonkeltdeur de wolken, blij en blank;milde lacht het al en monkelt[2],in en om mij, lief en lang.Ach! ’k En gave om al het schoone,dat de heldere zonne ziet,—Vlanderen, Vlanderen spant de kroone,—neen-ik, nog mijn Vlanderen niet!
Als ge naar het kooren luistert,dat nu op- nu nedergaat;daar een’ zwepe wind in snuistert,dat de lieve zonne baadt;
neen, ’t en kan geen’ snare talen,die zoo zoete om hooren isals ’t gerep der roggestalen,als ’t geroer van ’t kooren is.
’t Vaart een fijn gelispeld levendeur de toppen, altemaal;daar de diepere stammen beven,deunende als een’ dondertaal.
Hel en duister, lijze en luide,mingelmangelt in de lucht,’t ruischen van de groengekruide,grauwgetopte koorenvrucht.
Drijft dan maar, gij dunne staven,die den landman ’t leven wint;laat de zonne uw’ lenden lavenzoetjes, en den zomerwind!
Hei, daar valt er volk te peerde,losgetoomd, in ’t veie[1]groen;donker diept het neêr naar de eerde,zoo in zee de schepen doen.
Volgende elk den andere, varenze, elk gevolgd, in ’t volle veld;’t zonnelicht beglanst de barenvan dit rennend rosgeweld.
Schielijk, in de lucht ontkomen,zijn de ridderen weg: ’t en speeltniets meer in de vrije vromen,dat de zware zee verbeeldt.
Stille is ’t nu: de zonne vonkeltdeur de wolken, blij en blank;milde lacht het al en monkelt[2],in en om mij, lief en lang.
Ach! ’k En gave om al het schoone,dat de heldere zonne ziet,—Vlanderen, Vlanderen spant de kroone,—neen-ik, nog mijn Vlanderen niet!
[1]Welig.
[2]Glimlacht.
DE WOLKENWEG BEDIJGT.De wolkenweg bedijgt[1]vol eendlijke[2]oorlogschepen,wier witgezeilde machtde koele westerzwependes windloops drijven doen,en, in ’t gelid zoo zaan[3],den hemel vol, tot inzijn verste diepten, staan.De zonne speelt daarin,met honderd duizend mondengeschuts; die, scherp gelaên,’t gebuikte lijndoek wondenvan ’t scheepgevaarte: ’t lichten ’t duistert, keer om keer;en, schielijk overwolkt,en zie ’k geen zonne meer.Gaat ’t regenen eindelijk,en, zoo ’t de boeren vragen,een’ ongetelden oest[4]van goud en zelver vlagen[5]?Gaat ’t regenen? Donker is ’t,nog donkerder. Med een,daar bliksem’ het, en ’t buischteen zware dondersteen!Het windrad is gekeerd,de hemelwanden breken,en neerstig—vlucht in huis!—zie ’k al de daken leken:God zegent het gewelddes hemels, de eerde doomt[6]en davert, van ’t gelukdat in heure aderen stroomt.
De wolkenweg bedijgt[1]vol eendlijke[2]oorlogschepen,wier witgezeilde machtde koele westerzwependes windloops drijven doen,en, in ’t gelid zoo zaan[3],den hemel vol, tot inzijn verste diepten, staan.
De zonne speelt daarin,met honderd duizend mondengeschuts; die, scherp gelaên,’t gebuikte lijndoek wondenvan ’t scheepgevaarte: ’t lichten ’t duistert, keer om keer;en, schielijk overwolkt,en zie ’k geen zonne meer.
Gaat ’t regenen eindelijk,en, zoo ’t de boeren vragen,een’ ongetelden oest[4]van goud en zelver vlagen[5]?Gaat ’t regenen? Donker is ’t,nog donkerder. Med een,daar bliksem’ het, en ’t buischteen zware dondersteen!
Het windrad is gekeerd,de hemelwanden breken,en neerstig—vlucht in huis!—zie ’k al de daken leken:God zegent het gewelddes hemels, de eerde doomt[6]en davert, van ’t gelukdat in heure aderen stroomt.
[1]Bedijgen, bedijen, groeien, worden.
[2]Angstig, groot.
[3]Dra.
[4]Oogst.
[5]Het vlaagt = het buit, het is buiig weer.
[6]Dampt.
ANDLEIE.[1]Jordane van mijn herten aderslag mijns levens,o Leye, o vlaamsche vloed,lijk Vlanderen, onbekend;hoe overmachtigt mijde mate uws vreugdegevens,wanneer ik sta en schouwe,uw’ vrijen boord omtrent!Hoe vaart gij welgemoed,de malsche meerschen lavendmet blijder vruchtbaarheid,te Scheldewaard, en voortten Oceaan, u, zelf,een’ diepe vore gravend,die ’t oude en vrije landvan Vlanderen toebehoort.Wat zijt ge schoone, o Leye,als ’t helderblauwe lakender hemeltente wijden breed is uitgespreid,en dat, uit heuren throon,de felle zunne, aan ’t blaken,vertweelingt heur gezichtein uwe blauwigheid!Dan leeft het rondom al[2]uw’ groengezoomde kanten,aanzijds en heraanzijds,zoo verre ik henenschouw,van lieden, die weêrom,en nu in ’t water, plantenden overjaarschen bloeivan hunnen akkerbouw,den bast, die, onlangs, toenhij jong was, jong en schoone,’t gezicht verblijdde, maaréén levend legtapijt;die, veel te lichte, eilaas!de blauwe maagdenkrooneverloos, en bleef het lieveen jeugdig leven kwijt!Het vlas! Nu staat ’t gedoopt,Jordane, in uwe lanken,gegord in haveren stroo,dat banden gouds gelijkt;bij duizend duizendenvan bonden, die vier plankenbewaren, ketenvasten aan den wal gefijkt[3].Hoe zucht gij, om weêr uitdit stovend bad te komen;hoe zucht gij, zoo de ziel,de vrome kerstene, doet,die, na gedulde pijn,vol hopen en vol schromen,verlangt het licht te ziendat haar verlossen moet!Verdraagt den harden steen[4]nog wat, die, korts nadezen,gelicht, u helpen zalter vrijheid; en de dood,die u gedwongen hield,zal zelf gedwongen wezen,u latende uit het grafen uit den Leyeschoot.Die steen heeft u gedempt,g’ootmoedigd en gedoken,tot dat uw taaie rug,gemurruwd en verzaad,geen’ weerstand biên en zouaan hem die u, gebroken,tot lijn[5]hermaken zalen edel vlasgewaad.Hoe krielt het wederom,langs al de Leyeboorden,van lieden, half gekleed,die half in ’t water staan,en halen, lekende uit,lijk lijken van versmoorden,’t gebonden, zappig vlas,en ’t spreidende openslaan!’t Verrijst! Het wordt alhier,het wordt aldaar bewogen,gestuikt[6], gekeuveld[7]engehut. De zonne lachten speelt in ’t droogend schif[8],dat, ’t water uitgezogen,heur fijne stralen drinkten fijndere verruwpracht!Wat zie ’k! o Israël,lijk in de bibelprenten,gekleend, den overtochtvan ’t Abrahamsche diet[9];gesmaldeeld en geschaard,in lijnwaadgrauwe tenten,ontelbaar, zoo ’t den dwangvan Pharao verliet!Beloofde land van God,Jordane, in ’t hooge Noorden,hoe schoon ’t gelegerd volk,dat, God gehoorzaam, voeten hand te zamen, zwoegtnaar uwaard, en de boordenvan ’t stroomend waterkleedstrijdmachtig leven doet!Ik hef, lijk Bala’am,mijn woord op, en ’k bezegenden arbeidweerden troostdien ’t neerstig Vlanderen vand...!Zij ’t immer God getrouw,God dankbaar, God genegen,en weerd de diere kroondie hem de vrijheid spant,zoo lang de Leye loopt,zoo lang de velden dragenden taaien lijnwaadoost[10],die op heur boorden groeit;zoo lang ’t gestorven vlasherleeft in kant en kragen,en, sneeuwwit op de borstvan jonk- en schoonheid bloeit!
Jordane van mijn herten aderslag mijns levens,o Leye, o vlaamsche vloed,lijk Vlanderen, onbekend;hoe overmachtigt mijde mate uws vreugdegevens,wanneer ik sta en schouwe,uw’ vrijen boord omtrent!
Hoe vaart gij welgemoed,de malsche meerschen lavendmet blijder vruchtbaarheid,te Scheldewaard, en voortten Oceaan, u, zelf,een’ diepe vore gravend,die ’t oude en vrije landvan Vlanderen toebehoort.
Wat zijt ge schoone, o Leye,als ’t helderblauwe lakender hemeltente wijden breed is uitgespreid,en dat, uit heuren throon,de felle zunne, aan ’t blaken,vertweelingt heur gezichtein uwe blauwigheid!
Dan leeft het rondom al[2]uw’ groengezoomde kanten,aanzijds en heraanzijds,zoo verre ik henenschouw,van lieden, die weêrom,en nu in ’t water, plantenden overjaarschen bloeivan hunnen akkerbouw,
den bast, die, onlangs, toenhij jong was, jong en schoone,’t gezicht verblijdde, maaréén levend legtapijt;die, veel te lichte, eilaas!de blauwe maagdenkrooneverloos, en bleef het lieveen jeugdig leven kwijt!
Het vlas! Nu staat ’t gedoopt,Jordane, in uwe lanken,gegord in haveren stroo,dat banden gouds gelijkt;bij duizend duizendenvan bonden, die vier plankenbewaren, ketenvasten aan den wal gefijkt[3].
Hoe zucht gij, om weêr uitdit stovend bad te komen;hoe zucht gij, zoo de ziel,de vrome kerstene, doet,die, na gedulde pijn,vol hopen en vol schromen,verlangt het licht te ziendat haar verlossen moet!
Verdraagt den harden steen[4]nog wat, die, korts nadezen,gelicht, u helpen zalter vrijheid; en de dood,die u gedwongen hield,zal zelf gedwongen wezen,u latende uit het grafen uit den Leyeschoot.
Die steen heeft u gedempt,g’ootmoedigd en gedoken,tot dat uw taaie rug,gemurruwd en verzaad,geen’ weerstand biên en zouaan hem die u, gebroken,tot lijn[5]hermaken zalen edel vlasgewaad.
Hoe krielt het wederom,langs al de Leyeboorden,van lieden, half gekleed,die half in ’t water staan,en halen, lekende uit,lijk lijken van versmoorden,’t gebonden, zappig vlas,en ’t spreidende openslaan!
’t Verrijst! Het wordt alhier,het wordt aldaar bewogen,gestuikt[6], gekeuveld[7]engehut. De zonne lachten speelt in ’t droogend schif[8],dat, ’t water uitgezogen,heur fijne stralen drinkten fijndere verruwpracht!
Wat zie ’k! o Israël,lijk in de bibelprenten,gekleend, den overtochtvan ’t Abrahamsche diet[9];gesmaldeeld en geschaard,in lijnwaadgrauwe tenten,ontelbaar, zoo ’t den dwangvan Pharao verliet!
Beloofde land van God,Jordane, in ’t hooge Noorden,hoe schoon ’t gelegerd volk,dat, God gehoorzaam, voeten hand te zamen, zwoegtnaar uwaard, en de boordenvan ’t stroomend waterkleedstrijdmachtig leven doet!
Ik hef, lijk Bala’am,mijn woord op, en ’k bezegenden arbeidweerden troostdien ’t neerstig Vlanderen vand...!Zij ’t immer God getrouw,God dankbaar, God genegen,en weerd de diere kroondie hem de vrijheid spant,
zoo lang de Leye loopt,zoo lang de velden dragenden taaien lijnwaadoost[10],die op heur boorden groeit;zoo lang ’t gestorven vlasherleeft in kant en kragen,en, sneeuwwit op de borstvan jonk- en schoonheid bloeit!
[1]Aan de Leie.
[2]Aan, langs.
[3]Fijke is een stok of ijzeren staaf op den oever, waar de in ’t water neergelaten vlasbakken aan vastgebonden worden.
[4]Die op de volle vlasbakken ligt om het vlas ter roting onder water te houden.
[5]Gesponnen draad om te weven.
[6]Stuiken = korenschoven recht overeind zetten om te drogen.
[7]Keuvel = gevelpunt op een dak.
[8]Houtbast van ’t vlas.
[9]Volk.
[10]Oogst.
’T IS STILLE.’t Is stille. Rustig ligten slaapt het altemaal,dat leute en leven was,dat locht- en vogeltaal.Geen windeken en waakt:november houdt den staf,en stelpt dat wekken mochthet eindloos duister grafdes aardrijks. Ongebaanden dood zijn weg en straat;de voet alleen verwekt,en ’t stappen van die gaat,een doof gerucht in ’t loof,dat, afgevallen, plektden grond, dien ’t in een’ spreevan doodsche varwen dekt.’t Is stille. Gij alleen,o vlugge en vlijtig ding,dat, langs den natten takgeklaverd, uw gepinklaat hooren, fijn en snel,ge ontsnapt en snetst alom:„Ik leef nog: piep! Ik leef,spijts ’s winters winterdom!”
’t Is stille. Rustig ligten slaapt het altemaal,dat leute en leven was,dat locht- en vogeltaal.Geen windeken en waakt:november houdt den staf,en stelpt dat wekken mochthet eindloos duister grafdes aardrijks. Ongebaanden dood zijn weg en straat;de voet alleen verwekt,en ’t stappen van die gaat,een doof gerucht in ’t loof,dat, afgevallen, plektden grond, dien ’t in een’ spreevan doodsche varwen dekt.’t Is stille. Gij alleen,o vlugge en vlijtig ding,dat, langs den natten takgeklaverd, uw gepinklaat hooren, fijn en snel,ge ontsnapt en snetst alom:„Ik leef nog: piep! Ik leef,spijts ’s winters winterdom!”
DE RAVE.Met zwart- en zwaren zwaai aan ’t werken door de grauwe,de zonnelooze locht, ik de oude rave aanschouwe;die, roeiende op en dóór den schaars gewekten wind,gelijk een dwalend spook, eilaas geen ruste en vindt.Ze is zwart gebekt, gepoot, gekopt in ’t zwarte; als kolen,zoo staan heure oogen zwart, in hun’ twee zwarte holente blinken; rouwgewaad en duister doek omvangthet duister wangedrocht, dat in de nevelen hangt.Ze is stom! Z’en uit geen woord en ’t waaien van heur’ slagersen hoort gij niet. Alzoo de zwarte doodendragersstilzwijgend gaan, zoo gaat zij zwijgend op de lucht,en wendt alhier aldaar heur’ zwarte ravenvlucht.Wat wilt gij, duister spook! Waar gaat gij? Van wat stedenzijt gij, met damp en doom[1]en ’s winters duisterheden,alhierwaards aangewaaid? Wat boodschap brengt gij? Vanwat rampe of tegenspoed zijt gij de bedeman[2]?Is ziek- of zuchtigheid, uit ’s noordens grauwe landen;is sterfte wederom, is hongersnood op handen?Is moordaanslag, verraad de zin van uw vermaan;of gaat de muil misschien des afgronds opengaan?Geen woord! Dan, weg van hier, onzalige: gaat varenalwaar nooit zonne en rijst; alwaar de grimme barenstaan ijsvaste overende, als rotsen; en waar nooitnoch blom noch blad den buik van moeder aarde en tooit!Gaat aan! Of spreekt een woord, zoo de andere vogeldierente zomertijde doen, die in de bosschen zwieren:ja, ’s winters, als de snee’ heur laken heeft gespreid,nog vinkt en klinkt het hier, vol vogelvlijtigheid.En gij! De rave trekt, met trage vederslagen,voorbij mij, zwaar en zwart gelijk nen kerkhofwagen,en roept mij, onverwachts, terwijl zij henenvaart,al in één enkel woord, heur’ winterboodschap: „Spaart!”
Met zwart- en zwaren zwaai aan ’t werken door de grauwe,de zonnelooze locht, ik de oude rave aanschouwe;die, roeiende op en dóór den schaars gewekten wind,gelijk een dwalend spook, eilaas geen ruste en vindt.
Ze is zwart gebekt, gepoot, gekopt in ’t zwarte; als kolen,zoo staan heure oogen zwart, in hun’ twee zwarte holente blinken; rouwgewaad en duister doek omvangthet duister wangedrocht, dat in de nevelen hangt.
Ze is stom! Z’en uit geen woord en ’t waaien van heur’ slagersen hoort gij niet. Alzoo de zwarte doodendragersstilzwijgend gaan, zoo gaat zij zwijgend op de lucht,en wendt alhier aldaar heur’ zwarte ravenvlucht.
Wat wilt gij, duister spook! Waar gaat gij? Van wat stedenzijt gij, met damp en doom[1]en ’s winters duisterheden,alhierwaards aangewaaid? Wat boodschap brengt gij? Vanwat rampe of tegenspoed zijt gij de bedeman[2]?
Is ziek- of zuchtigheid, uit ’s noordens grauwe landen;is sterfte wederom, is hongersnood op handen?Is moordaanslag, verraad de zin van uw vermaan;of gaat de muil misschien des afgronds opengaan?
Geen woord! Dan, weg van hier, onzalige: gaat varenalwaar nooit zonne en rijst; alwaar de grimme barenstaan ijsvaste overende, als rotsen; en waar nooitnoch blom noch blad den buik van moeder aarde en tooit!
Gaat aan! Of spreekt een woord, zoo de andere vogeldierente zomertijde doen, die in de bosschen zwieren:ja, ’s winters, als de snee’ heur laken heeft gespreid,nog vinkt en klinkt het hier, vol vogelvlijtigheid.
En gij! De rave trekt, met trage vederslagen,voorbij mij, zwaar en zwart gelijk nen kerkhofwagen,en roept mij, onverwachts, terwijl zij henenvaart,al in één enkel woord, heur’ winterboodschap: „Spaart!”
[1]Damp.
[2]Bode.
DE TIJD.Tempus non erit amplius.Apoc. X, 6.Verloren is ’t gepijnd om aanden tijd, die immer voort moet gaan,een paal te zetten;ja, stelt u maar en schoort u stijf,ge ’n zult, met al uw leên en lijf,zijn’ baan beletten.Hij lacht met u, en, moegesold,gij vechtend in de vore rolt,daar ’t eeuwig varenzijns wilden strooms voorbij u voert,en zegepralend henenroert,zijn’ ruwe baren.Hij stampt de hooge boomen om,hij buigt den berg zijn’ lenden krom,hij springt de bandenvan staal intween, die vastgedaan,bij stede en stad, hem wederstaan,in alle landen.Geen wet en weet hij, noch ’t en zalhem dwingen eenig ongeval:geen’ legerbenden,geen’ wapens, geen geweld van ietdat donderbusse of boge schiet,en kan hem schenden.Onraakbaar is hij, vluchtende ooiten vechtende; verderfnis strooithij op die wildenweêrzetten hem ’t zij burgten vanorduin[1]gebouwd, ’t zij duizend man,’t zij duizend schilden.’t En breekt den boozen beul, van al ’tgeween dat hem te voeten valt,geene enkele smerte,geen Bethlehemsche kinderdood,geen leêggeroofde moederschoot,zijn steenen herte!Zoo moet hij varend henengaan,en al dat is aan stukken slaan,tot ander stonden,dat hij ook eens, het licht ontzeid,voor eeuwig hebbe in de eeuwigheidzijn’ dood gevonden.
Tempus non erit amplius.Apoc. X, 6.
Verloren is ’t gepijnd om aanden tijd, die immer voort moet gaan,een paal te zetten;ja, stelt u maar en schoort u stijf,ge ’n zult, met al uw leên en lijf,zijn’ baan beletten.
Hij lacht met u, en, moegesold,gij vechtend in de vore rolt,daar ’t eeuwig varenzijns wilden strooms voorbij u voert,en zegepralend henenroert,zijn’ ruwe baren.
Hij stampt de hooge boomen om,hij buigt den berg zijn’ lenden krom,hij springt de bandenvan staal intween, die vastgedaan,bij stede en stad, hem wederstaan,in alle landen.
Geen wet en weet hij, noch ’t en zalhem dwingen eenig ongeval:geen’ legerbenden,geen’ wapens, geen geweld van ietdat donderbusse of boge schiet,en kan hem schenden.
Onraakbaar is hij, vluchtende ooiten vechtende; verderfnis strooithij op die wildenweêrzetten hem ’t zij burgten vanorduin[1]gebouwd, ’t zij duizend man,’t zij duizend schilden.
’t En breekt den boozen beul, van al ’tgeween dat hem te voeten valt,geene enkele smerte,geen Bethlehemsche kinderdood,geen leêggeroofde moederschoot,zijn steenen herte!
Zoo moet hij varend henengaan,en al dat is aan stukken slaan,tot ander stonden,dat hij ook eens, het licht ontzeid,voor eeuwig hebbe in de eeuwigheidzijn’ dood gevonden.
[1]Arduin.
MIJN HERT IS ALS EEN BLOMGEWAS.Mijn hert is als een blomgewas,dat, opengaande of toegeloken,de stralen van de zonne vangt,of kwijnt en pijnt en hangt gebroken.Mijn hert gelijkt het jeugdig groen,dat asemt in den dauw des morgens;maar zwakt, des avonds, moe geleefd,vol stof, vol weemoeds en vol zorgens!Mijn hert is als een vrucht, die wasten rijp wordt, in de schauw verholen,aleer de hand des najaars heeft,te vroeg eilaas, den boom bestolen!Mijn hert gelijkt de sterre, dieverschiet, en aan de hooge wandendes hemels eene sparke strijkt,die, eer ’k heraêm, houdt op van branden!Mijn herte slacht den regenboog,die, hoog gebouwd dóór al de hemelen,welhaast gedaan heeft rood en blauwen groen en geluwe en peersch te schemelen!Mijn hert... mijn herte is krank, en broos,en onstandvastig in ’t verblijden;maar, als ’t hem wel gaat éénen stond,’t kan dagen lang weêr honger lijden!
Mijn hert is als een blomgewas,dat, opengaande of toegeloken,de stralen van de zonne vangt,of kwijnt en pijnt en hangt gebroken.
Mijn hert gelijkt het jeugdig groen,dat asemt in den dauw des morgens;maar zwakt, des avonds, moe geleefd,vol stof, vol weemoeds en vol zorgens!
Mijn hert is als een vrucht, die wasten rijp wordt, in de schauw verholen,aleer de hand des najaars heeft,te vroeg eilaas, den boom bestolen!
Mijn hert gelijkt de sterre, dieverschiet, en aan de hooge wandendes hemels eene sparke strijkt,die, eer ’k heraêm, houdt op van branden!
Mijn herte slacht den regenboog,die, hoog gebouwd dóór al de hemelen,welhaast gedaan heeft rood en blauwen groen en geluwe en peersch te schemelen!
Mijn hert... mijn herte is krank, en broos,en onstandvastig in ’t verblijden;maar, als ’t hem wel gaat éénen stond,’t kan dagen lang weêr honger lijden!
’t Eerste dat mij moeder vragenleerde, in lang verleden dagen,als ik hakkelde, ongeriefdnog van woorden, ’t was, te gaderbei mijn’ handtjes doende: „Vader,geeft me ’en kruisken, als ’t u belieft!”’k Heb een kruiske dan gekregen,menig keer, en wierd geslegenop mijn’ kake, zacht en zoet...Ach, ge zijt mij, bei te gader,afgestorven, moeder, vader,’t geen mij nu nog leedschap doet!Maar, dat kruiske, ’t is geschrevendiep mij in den kop gebleven,teeken van mijn erfgebied:die den schedel mij aan schervensloege, en hiete ’t kruisken derven,nog en hadd’ hij ’t kruisken niet!
’t Eerste dat mij moeder vragenleerde, in lang verleden dagen,als ik hakkelde, ongeriefdnog van woorden, ’t was, te gaderbei mijn’ handtjes doende: „Vader,geeft me ’en kruisken, als ’t u belieft!”
’k Heb een kruiske dan gekregen,menig keer, en wierd geslegenop mijn’ kake, zacht en zoet...Ach, ge zijt mij, bei te gader,afgestorven, moeder, vader,’t geen mij nu nog leedschap doet!
Maar, dat kruiske, ’t is geschrevendiep mij in den kop gebleven,teeken van mijn erfgebied:die den schedel mij aan schervensloege, en hiete ’t kruisken derven,nog en hadd’ hij ’t kruisken niet!
WINTERMUGGEN.De wintermuggen zijnaan ’t dansen, ommentomme,zoo wit als muldersmeel,zoo wit als molkenblomme[1].Ze varen hooge, in ’t vloe;ze dalen diepe, in de ebbe;ze weven, heen en weêr,hun’ witte winterwebbe.Hun’ winterwebbe zal,dat lijnwaad zonder vlekken,den zuiverlijken schootvan moeder Aarde dekken.Ze ligt in heuren slaap,ze droomt den schuldeloozen,den maagdelijken droomvan nieuwe lenteroozen.Ze ligt in heuren slaap,ze droomt den wonderbaren,den liefelijken droomvan ’s zomers harpenaren.Ze ligt in heuren droom,ze droomt van overvloed envan voorspoed overal,om vee en volk te voeden.’n Wekt ze niet, ’n laatheur geen geruchte dwingen,om, al te schier ontwekt,uit heuren slaap te springen!Daar ligt ze nu en rust:heur zwijgend beddelaken,de wintermuggen spree’n ’t,die geen geruchte en maken.Ze draaien op en afen af en op en omme,zoo wit als melk, als meel,als molke en runselblomme[2].
De wintermuggen zijnaan ’t dansen, ommentomme,zoo wit als muldersmeel,zoo wit als molkenblomme[1].
Ze varen hooge, in ’t vloe;ze dalen diepe, in de ebbe;ze weven, heen en weêr,hun’ witte winterwebbe.
Hun’ winterwebbe zal,dat lijnwaad zonder vlekken,den zuiverlijken schootvan moeder Aarde dekken.
Ze ligt in heuren slaap,ze droomt den schuldeloozen,den maagdelijken droomvan nieuwe lenteroozen.
Ze ligt in heuren slaap,ze droomt den wonderbaren,den liefelijken droomvan ’s zomers harpenaren.
Ze ligt in heuren droom,ze droomt van overvloed envan voorspoed overal,om vee en volk te voeden.
’n Wekt ze niet, ’n laatheur geen geruchte dwingen,om, al te schier ontwekt,uit heuren slaap te springen!
Daar ligt ze nu en rust:heur zwijgend beddelaken,de wintermuggen spree’n ’t,die geen geruchte en maken.
Ze draaien op en afen af en op en omme,zoo wit als melk, als meel,als molke en runselblomme[2].
[1]Wrongel.
[2]Wrongel.
WINTERNACHT.Hoe zwart staan al de boomen inde witheid, onverwacht,van ’t overdadig sneeuwen, dat ’tgedaan heeft, van den nacht!Ze staan daar, als gekoolzwart enmet teekenen geprent,al zwarte en zware staven, opeen eindloos pergament.Ze ’n roeren noch ze ’n poeren[1]en,bij ’t nachtelijk gestraal,men zweren zou dat ’t spoken zijn,of reuzen altemaal.De sterren staan en bliksemen,als oogen, ongeteld,van boven, uit de koppen vandie reuzen vol geweld.Ze groeien immer grooter, ende witheid van de sneeverzwaart de zwarte stammen. Zich[2]!van een’ zoo wordt er twee!’k Versta nu hoe van drollen[3], gij,en droezen[3]hebt gedroomd,wanneer ge, Noordsche heidenen,verkeerdet in ’t geboomt.Bij ’t razen van den winter enbij ’t nijpen van den nacht,is de oude, grimme reuzenzegge[4]ontstaan in uw gedacht.
Hoe zwart staan al de boomen inde witheid, onverwacht,van ’t overdadig sneeuwen, dat ’tgedaan heeft, van den nacht!
Ze staan daar, als gekoolzwart enmet teekenen geprent,al zwarte en zware staven, opeen eindloos pergament.
Ze ’n roeren noch ze ’n poeren[1]en,bij ’t nachtelijk gestraal,men zweren zou dat ’t spoken zijn,of reuzen altemaal.
De sterren staan en bliksemen,als oogen, ongeteld,van boven, uit de koppen vandie reuzen vol geweld.
Ze groeien immer grooter, ende witheid van de sneeverzwaart de zwarte stammen. Zich[2]!van een’ zoo wordt er twee!
’k Versta nu hoe van drollen[3], gij,en droezen[3]hebt gedroomd,wanneer ge, Noordsche heidenen,verkeerdet in ’t geboomt.
Bij ’t razen van den winter enbij ’t nijpen van den nacht,is de oude, grimme reuzenzegge[4]ontstaan in uw gedacht.
[1]Bewegen.
[2]Zie.
[3]Nikkers, spoken.
[4]Sage.
ARM HUISGEZIN.Onder ’t duister dak gedoken,stroo en vodden[1]altegaar,heel onttodderd[2], half gebroken,staat des werkmans woonsteê daar.’t Kaafgat[3], omme- en scheefgetrokken,vallen gaat; en daar, deureen,liggen afgerolde brokkenbruingebrand al, gruis en steen.’t Dak beneden, deur de wanden,glazenloos, van latte en leemzie ’k getelde turven branden,doodsch, in ’t deerlijk huisgeheem[4].Open ligt het, aller oogen;’t waait erdeure en ’t sneeuwt erin;’s zomers zal me’ er hitte in doogen,’s winters koude.—Arm huisgezin!
Onder ’t duister dak gedoken,stroo en vodden[1]altegaar,heel onttodderd[2], half gebroken,staat des werkmans woonsteê daar.
’t Kaafgat[3], omme- en scheefgetrokken,vallen gaat; en daar, deureen,liggen afgerolde brokkenbruingebrand al, gruis en steen.
’t Dak beneden, deur de wanden,glazenloos, van latte en leemzie ’k getelde turven branden,doodsch, in ’t deerlijk huisgeheem[4].
Open ligt het, aller oogen;’t waait erdeure en ’t sneeuwt erin;’s zomers zal me’ er hitte in doogen,’s winters koude.—Arm huisgezin!
[1]Zoden.
[2]Uit de voegen.
[3]Kave = schouw.
[4]Binnenhuis; heem, heim = huis.
IRREQUIETUM[1]....Als één verdriet is uitgezucht,er ruimte is, zult ge zeggen,en reden daar, om ééns, toch ééns,het rouwkleed af te leggen!’t En doet! Daar zitten zuchten alvolveerdig, neêrgedwongen,en beidende, in de bange borst,die geren henensprongen!Ze kwellen en ze pramen u,en baren zult ge, baren,ach! de altijdonvolborentheiddes weedoms! De oude jarenen letten ’t herontvangen, nochhet grootgaan, immer: stervenvan droefheid, zult ge, in barensnood,en ’t eeuwig—leven—erven!
Als één verdriet is uitgezucht,er ruimte is, zult ge zeggen,en reden daar, om ééns, toch ééns,het rouwkleed af te leggen!’t En doet! Daar zitten zuchten alvolveerdig, neêrgedwongen,en beidende, in de bange borst,die geren henensprongen!
Ze kwellen en ze pramen u,en baren zult ge, baren,ach! de altijdonvolborentheiddes weedoms! De oude jarenen letten ’t herontvangen, nochhet grootgaan, immer: stervenvan droefheid, zult ge, in barensnood,en ’t eeuwig—leven—erven!
[1]Zonder rust.