INHOUD.

INHOUD.Bladz.De vlaamsche tale is wonder zoet1Oneigene2Als deZieleluistert3Het schrijverke4o ’t Ruischen van het ranke riet6Het meezennestje8Dien avond en die rooze9Kom e’ keer hier11Gewijde klok13o Gulden hoofd15o Vechter16Met kloeken arme17Slaapt gij nog19Hoe schittert mij die spa toch22o Leye lief24Hemellawerke heet gij26De boomen zien zwart29Geluwgroene legerscharen31Gekamde koning Canteclaar34o Wilde en onvervalschte pracht36Waar zit die heldere zanger38De navond komt zoo stil41De vliege43Wat hangt gij daar te praten45Als ge naar het kooren luistert46De wolkenweg bedijgt48Andleie50’t Is stille55De rave56De tijd59Mijn hert is als een blomgewas61’t Eerste63Wintermuggen64Winternacht66Arm huisgezin68Irrequietum69Velut umbra70Abeelen72Lentegroen74Vogelzang76Zonnewende79Bonte abeelen80De bleekersgast81Rijmram83Twee horsen84Het klokgebed85Schoonheid87De dakpannen88Terug89Het getouwe91Wierook93o Heemelijke diepten94’t Groeit96Najaarsverwen99Niemandsvriend101Casselkoeien105Tranen107Schoonenacht108Avondrood110Fiat Lux112De winden114Dat wilde ik weten115Spaman117Het hazegrauwt118Hoe zeere vallen ze af120Van den ouden boom123Blootakker126Moederken129Perels130Spreeuwen131Wederwijven133Excelsior134Zegepraal136De doornenboom139Mietje141Cytisus Laburnum142Buigen of bersten144De sperretakken147Het gulden vlies149Hebt meêlijen151De dageraad154Nevelduisternis156Windtocht158Aksternesten160Lentegroen161Cinxen162Och ware ik164Aan den Lindeboom165Ego Flos167De vlaamsche tale is wonder zoetvoor die heur geen geweld en doet,maar rusten laat in ’t herte, alwaar,ze onmondig leefde en sliep te gaar,tot dat ze, eens wakker, vrij en vrank,te monde uit, gaat heur vrijen gang!Wat verruwprachtig hoortooneel,wat zielverrukkend zingestreel,o vlaamsche tale, uw’ kunste ontplooit,wanneer zij ’t al vol leven strooiten vol ’t onzegbaar schoon zijn, dat,lijk wolken wierooks, weltuit uw zoet wierookvat!ONEIGENE.Hetgeen ik niet uitgeve enhebbe ik niet in,wie zal mij dat wijten te schanden?Mijn herte en mijn tale, mijnzede en mijn zin,’t is al zoo van buiten, ’t isal zoo van bin’:’t ligt alles daar bloot op mijn’ handen!Dan, weg met de oneigenetale en den schijnvan elders geborgde gepeizen;mijn zijt gij niet, uw dat enwille ik niet zijn,dat in mij en aan mij isdat heete ik mijn:oneigene, ik late u,... gaat reizen!Als de Ziele luistertspreek ’et al een taal dat leeft,’t lijzigste gefluisterook en taal en teeken heeft:blâren van de boomenkouten met malkaar gezwind,baren in de stroomenklappen luide en welgezind,wind en wee en wolken,wegelen[1]van Gods heiligen voet,talen en vertolken’t diep gedoken Woord zoo zoet...als de Ziele luistert![1]Wegelis een Z. Ned. verkleinwoord vanweg.HET SCHRIJVERKE.(GYRINUS NATANS).O krinklende winklende waterding,met ’t zwarte kabotseken aan,wat zien ik toch geren uw kopke flinkal schrijven op ’t waterke gaan!Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel,al zie ’k u noch arrem noch been;gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel,al zie ’k u geen ooge, geen één.Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?Verklaar het en zeg het mij, toe!Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,dat nimmer van schrijven zijt moe?Gij loopt over ’t spegelend water klaar,en ’t water niet méér en verroertdan of het een gladdige windje waar,dat stille over ’t waterke voert.o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan,—met twintigen zijt gij en meer,en is er geen een die ’t mij zeggen kan:—Wat schrijft en wat schrijft gij zoo zeer?Gij schrijft, en ’t en staat in het water niet,gij schrijft, en ’t is uit en ’t is weg;geen Christen en weet er wat dat bediedt:och, schrijverke, zeg het mij, zeg!Zijn ’t visselkes daar ge van schrijven moet?Zijn ’t kruidekes daar ge van schrijft?Zijn ’t keikes of bladtjes of blomkes zoet,of ’t water, waarop dat ge drijft?Zijn ’t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,of is ’et het blauwe gewelf,dat onder en boven u blinkt, zoo diep,of is het u, schrijverken, zelf?En ’t krinklende winklende waterding,met ’t zwarte kapoteken aan,het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,en ’t bleef daar een stondeke staan:„Wij schrijven,” zoo sprak het, „al krinklen afhet gene onze Meester, weleer,ons makend en leerend, te schrijven gaf:één lesse, niet min nochte meer;wij schrijven, en kunt gij die lesse tochniet lezen, en zijt gij zoo bot?Wij schrijven, herschrijven en schrijven nóg,den heiligen Name van God!”O ’T RUISCHEN VAN HET RANKE RIET.Παρὰῥοδανὸν δονακῆαHom. Il. XVIII, 576.O! ’t ruischen van het ranke riet!o wist ik toch uw droevig lied!wanneer de wind voorbij u voerten buigend uwe halmen roert,gij buigt, ootmoedig nijgend, neêr,staat op en buigt ootmoedig weêr,en zingt al buigend ’t droevig lied,dat ik beminne, o ranke riet!O! ’t ruischen van het ranke riet!hoe dikwijls dikwijls zat ik nietnabij den stillen waterboordalleen en van geen mensch gestoord,en lonkte ’t rimplend water na,en sloeg uw zwakke stafjes ga,en luisterde op het lieve lied,dat gij mij zongt, o ruischend riet!O! ’t ruischen van het ranke riet!hoe menig mensch aanschouwt u nieten hoort uw’ zingend’ harmonij,doch luistert niet en gaat voorbij!voorbij alwaar hem ’t herte jaagt,voorbij waar klinkend goud hem plaagt;maar uw geluid verstaat hij niet,o mijn beminde ruischend riet!Nochtans, o ruischend ranke riet,uw stem is zoo verachtlijk niet!God schiep den stroom, God schiep uw stam,God zeide: „Waait!...” en ’t windje kwam,en ’t windje woei, en wabberde omuw stam, die op en neder klom!God luisterde... en uw droevig liedbehaagde God, o ruischend riet!O neen toch, ranke ruischend riet,mijn ziel misacht uw tale niet:mijn ziel, die van den zelven God’t gevoel ontving, op zijn gebod,’t gevoel dat uw geruisch verstaat,wanneer gij op en neder gaat:o neen, o neen toch, ranke riet,mijn ziel misacht uw tale niet!O! ’t ruischen van het ranke rietweêrgalleme in mijn droevig lied,en klagend kome ’t voor uw voet,Gij, die ons beiden leven doet!o Gij, die zelf de kranke taalbemint van eenen rieten staal,verwerp toch ook mijn klachte niet:ik! arme, kranke, klagend riet!HET MEEZENNESTJE.Een meezennestje is uitgebroken,dat, in den wulgentronkgedoken,met vijftien eikes blonk;ze zitten in den boom te spelen,tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in, tak-om,met velen,en ’k lach mij, ’k lach mij, ’k lach mij bijkans krom.Het meezenmoêrtje komt getrouwig,komt op den lauwen noen,al blauwigen geluwachtig groen;het brengt hun dit en dat, om te azen,tak-om, tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in,ze razen,en kruipen, vlug, het meezennestjen in.Het meezenvaârtje zit—de looverenverduiken ’t voor ’t gestraal—te tooveren,al in de meezentaal;daar vliegen ze, al med’ een, te zamen,tak-om, tak-op, tak-af, tak-in, tak-uit,en, amen,het meezennestje is weêrom ijele en uit.DIEN AVOND EN DIE ROOZE.AAN EUGENE VAN OYE.’k Heb menig menig uur bij ugesleten en genoten,en nooit en heeft een uur met ume een enklen stond verdroten.’k Heb menig menig blom voor ugelezen en geschonken,en, lijk een bie, met u, met u,er honing uit gedronken;maar nooit een uur zoo lief met u,zoo lang zij duren koste,maar nooit een uur zoo droef om u,wanneer ik scheiden moste,als de uur wanneer ik dicht bij u,dien avond, neêrgezeten,u spreken hoorde en sprak tot uwat onze zielen weten.Noch nooit een blom zoo schoon, van ugezocht, geplukt, gelezen,als diedien avondblonk op u,en mocht de mijne wezen!Ofschoon, zoo wel voor mij als u,—wie zal dit kwaad genezen?—een uur bij mij, een uur bij uniet lang een uur mag wezen;ofschoon voor mij, ofschoon voor u,zoo lief en uitgelezen,die rooze, al was ’t een roos van u,niet lang een roos mocht wezen;toch lang bewaart, dit zeg ik u,’t en ware ik ’t al verloze,mijn hert drie dierbre beelden:u,dien avond,—en—die rooze!KOM E’ KEER HIER.AAN PIETER BUSSCHAERT VAN DAMME.„Kom e’ keer hier, fliefflodderke[1],’k hebbe u, ’k hebbe u zoo lief!”Maar ’t wipte, ’t wupte, ’t en wachtte niet,en ’t liet mij alleene zijn.’t Was wel van dat lief fliefflodderke,want, hadde ik het eens genaakt,ik hadde ’t, het lief fliefflodderke,’k en wete niet wat gemaakt:geen hand van ’nen mensche ’n mocht ’et ooitgenaken zijn lieve kleed,of ’t was en het wierd ’t fliefflodderke,het was en het wierd hem leed;de hand van die ’t miek alleene mag’t genaken en niet beschaân,de wind van die ’t miek alleene mager, wandelend, over gaan.Dus, wakker en weg! fliefflodderken,op planten en bloeiend gers[2],alwaar dat u God geschapen heeft,alwaar dat ’t uw woning es!—En zoekt gij nu, kind, een zin hierin,’t fliefflodderke, wie dat zij,uw herte is het, alderliefste mijn,ai, wat zou het anders zijn!God miek het u, maakt dat God alleenkan zeggen: Dit herte is mijn,zoo zal het, en anders en zal ’t, o neen,het uw’ noch gelukkig zijn!Zoo zong hij, die lang en lusteloosgezeten had, eenen dag,wanneer hij, op de eerste lenteroos,het eerste fliefflodderken zag.[1]Vlinder.[2]Gras.GEWIJDE KLOK.o Avond- noen- en morgenmate,ik vrij mij op uw’ klank verlate,gewijde klok!Uw hert is van metaal gegoten,toch blijft het voor geen mensch gesloten,gewijde klok!Gij hangt zoo hooge, ik ga zoo leege,och helpt de menschen, kranke en veege,gewijde klok!En dat uw klank in ’t ronde vliege,zij lief of leed aan sponde en wiege,gewijde klok!Den akker end’ het veld verwekke,en al dat hoort tot welzijn strekke,gewijde klok!Gij zegt aan elk het lang verledende mede- en wederspoedigheden,gewijde klok!Gij troost mij op den dag van huiden,en zult wel eens mijn uitvaart luiden,gewijde klok!Nog zult ge waken lang na dezen,en ongeboornen beeklank wezen,gewijde klok!Dan zal mijn taal geen mensch meer hooren;maar God zal ze eeuwig toebehooren,gewijde klok!o ’k Wou dat, om mijn ziel te laven,zij ook dan een gebed mij gaven,gewijde klok, gewijde klok!O GULDEN HOOFD.o Gulden hoofd der blijde zonne,volheerlijke, altijd nieuwe bronnevan levenskracht;wie heeft u in die blauwe strekenhet brandend voetspoor uitgestekenen voorgedacht?Gij staat des morgens op, beneden’t bereik van sterflijke oogenleden;en, rijzend, danverblijdt gij mensch en dier en boomen;en ’s avonds laat gij los de toomenvan uw gespan.o Edel’ zonne, o machtig wezen,o zienlijke afgezant van dezendie ’t al beveelt;wat ben ik, of wat zijt gij, schoone,als, in des Heeren schild en kroone,een wapenbeeld?Zoo kent men aan des Ridders wapenzijn hofgezin, zijn huis, zijn’ knapen,zijn heerlijk slot;zoo kan men, aan uw pronksieraden,o zonne, uw edelen Ridder raden:zijn name is—God!

De vlaamsche tale is wonder zoetvoor die heur geen geweld en doet,maar rusten laat in ’t herte, alwaar,ze onmondig leefde en sliep te gaar,tot dat ze, eens wakker, vrij en vrank,te monde uit, gaat heur vrijen gang!Wat verruwprachtig hoortooneel,wat zielverrukkend zingestreel,o vlaamsche tale, uw’ kunste ontplooit,wanneer zij ’t al vol leven strooiten vol ’t onzegbaar schoon zijn, dat,lijk wolken wierooks, weltuit uw zoet wierookvat!

De vlaamsche tale is wonder zoetvoor die heur geen geweld en doet,maar rusten laat in ’t herte, alwaar,ze onmondig leefde en sliep te gaar,tot dat ze, eens wakker, vrij en vrank,te monde uit, gaat heur vrijen gang!Wat verruwprachtig hoortooneel,wat zielverrukkend zingestreel,o vlaamsche tale, uw’ kunste ontplooit,wanneer zij ’t al vol leven strooiten vol ’t onzegbaar schoon zijn, dat,lijk wolken wierooks, weltuit uw zoet wierookvat!

ONEIGENE.Hetgeen ik niet uitgeve enhebbe ik niet in,wie zal mij dat wijten te schanden?Mijn herte en mijn tale, mijnzede en mijn zin,’t is al zoo van buiten, ’t isal zoo van bin’:’t ligt alles daar bloot op mijn’ handen!Dan, weg met de oneigenetale en den schijnvan elders geborgde gepeizen;mijn zijt gij niet, uw dat enwille ik niet zijn,dat in mij en aan mij isdat heete ik mijn:oneigene, ik late u,... gaat reizen!

Hetgeen ik niet uitgeve enhebbe ik niet in,wie zal mij dat wijten te schanden?Mijn herte en mijn tale, mijnzede en mijn zin,’t is al zoo van buiten, ’t isal zoo van bin’:’t ligt alles daar bloot op mijn’ handen!

Dan, weg met de oneigenetale en den schijnvan elders geborgde gepeizen;mijn zijt gij niet, uw dat enwille ik niet zijn,dat in mij en aan mij isdat heete ik mijn:oneigene, ik late u,... gaat reizen!

Als de Ziele luistertspreek ’et al een taal dat leeft,’t lijzigste gefluisterook en taal en teeken heeft:blâren van de boomenkouten met malkaar gezwind,baren in de stroomenklappen luide en welgezind,wind en wee en wolken,wegelen[1]van Gods heiligen voet,talen en vertolken’t diep gedoken Woord zoo zoet...als de Ziele luistert!

Als de Ziele luistertspreek ’et al een taal dat leeft,’t lijzigste gefluisterook en taal en teeken heeft:blâren van de boomenkouten met malkaar gezwind,baren in de stroomenklappen luide en welgezind,wind en wee en wolken,wegelen[1]van Gods heiligen voet,talen en vertolken’t diep gedoken Woord zoo zoet...als de Ziele luistert!

[1]Wegelis een Z. Ned. verkleinwoord vanweg.

HET SCHRIJVERKE.(GYRINUS NATANS).O krinklende winklende waterding,met ’t zwarte kabotseken aan,wat zien ik toch geren uw kopke flinkal schrijven op ’t waterke gaan!Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel,al zie ’k u noch arrem noch been;gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel,al zie ’k u geen ooge, geen één.Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?Verklaar het en zeg het mij, toe!Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,dat nimmer van schrijven zijt moe?Gij loopt over ’t spegelend water klaar,en ’t water niet méér en verroertdan of het een gladdige windje waar,dat stille over ’t waterke voert.o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan,—met twintigen zijt gij en meer,en is er geen een die ’t mij zeggen kan:—Wat schrijft en wat schrijft gij zoo zeer?Gij schrijft, en ’t en staat in het water niet,gij schrijft, en ’t is uit en ’t is weg;geen Christen en weet er wat dat bediedt:och, schrijverke, zeg het mij, zeg!Zijn ’t visselkes daar ge van schrijven moet?Zijn ’t kruidekes daar ge van schrijft?Zijn ’t keikes of bladtjes of blomkes zoet,of ’t water, waarop dat ge drijft?Zijn ’t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,of is ’et het blauwe gewelf,dat onder en boven u blinkt, zoo diep,of is het u, schrijverken, zelf?En ’t krinklende winklende waterding,met ’t zwarte kapoteken aan,het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,en ’t bleef daar een stondeke staan:„Wij schrijven,” zoo sprak het, „al krinklen afhet gene onze Meester, weleer,ons makend en leerend, te schrijven gaf:één lesse, niet min nochte meer;wij schrijven, en kunt gij die lesse tochniet lezen, en zijt gij zoo bot?Wij schrijven, herschrijven en schrijven nóg,den heiligen Name van God!”

O krinklende winklende waterding,met ’t zwarte kabotseken aan,wat zien ik toch geren uw kopke flinkal schrijven op ’t waterke gaan!Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel,al zie ’k u noch arrem noch been;gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel,al zie ’k u geen ooge, geen één.Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?Verklaar het en zeg het mij, toe!Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,dat nimmer van schrijven zijt moe?Gij loopt over ’t spegelend water klaar,en ’t water niet méér en verroertdan of het een gladdige windje waar,dat stille over ’t waterke voert.o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan,—met twintigen zijt gij en meer,en is er geen een die ’t mij zeggen kan:—Wat schrijft en wat schrijft gij zoo zeer?Gij schrijft, en ’t en staat in het water niet,gij schrijft, en ’t is uit en ’t is weg;geen Christen en weet er wat dat bediedt:och, schrijverke, zeg het mij, zeg!Zijn ’t visselkes daar ge van schrijven moet?Zijn ’t kruidekes daar ge van schrijft?Zijn ’t keikes of bladtjes of blomkes zoet,of ’t water, waarop dat ge drijft?Zijn ’t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,of is ’et het blauwe gewelf,dat onder en boven u blinkt, zoo diep,of is het u, schrijverken, zelf?En ’t krinklende winklende waterding,met ’t zwarte kapoteken aan,het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,en ’t bleef daar een stondeke staan:„Wij schrijven,” zoo sprak het, „al krinklen afhet gene onze Meester, weleer,ons makend en leerend, te schrijven gaf:één lesse, niet min nochte meer;wij schrijven, en kunt gij die lesse tochniet lezen, en zijt gij zoo bot?Wij schrijven, herschrijven en schrijven nóg,den heiligen Name van God!”

O ’T RUISCHEN VAN HET RANKE RIET.Παρὰῥοδανὸν δονακῆαHom. Il. XVIII, 576.O! ’t ruischen van het ranke riet!o wist ik toch uw droevig lied!wanneer de wind voorbij u voerten buigend uwe halmen roert,gij buigt, ootmoedig nijgend, neêr,staat op en buigt ootmoedig weêr,en zingt al buigend ’t droevig lied,dat ik beminne, o ranke riet!O! ’t ruischen van het ranke riet!hoe dikwijls dikwijls zat ik nietnabij den stillen waterboordalleen en van geen mensch gestoord,en lonkte ’t rimplend water na,en sloeg uw zwakke stafjes ga,en luisterde op het lieve lied,dat gij mij zongt, o ruischend riet!O! ’t ruischen van het ranke riet!hoe menig mensch aanschouwt u nieten hoort uw’ zingend’ harmonij,doch luistert niet en gaat voorbij!voorbij alwaar hem ’t herte jaagt,voorbij waar klinkend goud hem plaagt;maar uw geluid verstaat hij niet,o mijn beminde ruischend riet!Nochtans, o ruischend ranke riet,uw stem is zoo verachtlijk niet!God schiep den stroom, God schiep uw stam,God zeide: „Waait!...” en ’t windje kwam,en ’t windje woei, en wabberde omuw stam, die op en neder klom!God luisterde... en uw droevig liedbehaagde God, o ruischend riet!O neen toch, ranke ruischend riet,mijn ziel misacht uw tale niet:mijn ziel, die van den zelven God’t gevoel ontving, op zijn gebod,’t gevoel dat uw geruisch verstaat,wanneer gij op en neder gaat:o neen, o neen toch, ranke riet,mijn ziel misacht uw tale niet!O! ’t ruischen van het ranke rietweêrgalleme in mijn droevig lied,en klagend kome ’t voor uw voet,Gij, die ons beiden leven doet!o Gij, die zelf de kranke taalbemint van eenen rieten staal,verwerp toch ook mijn klachte niet:ik! arme, kranke, klagend riet!

Παρὰῥοδανὸν δονακῆαHom. Il. XVIII, 576.

O! ’t ruischen van het ranke riet!o wist ik toch uw droevig lied!wanneer de wind voorbij u voerten buigend uwe halmen roert,gij buigt, ootmoedig nijgend, neêr,staat op en buigt ootmoedig weêr,en zingt al buigend ’t droevig lied,dat ik beminne, o ranke riet!

O! ’t ruischen van het ranke riet!hoe dikwijls dikwijls zat ik nietnabij den stillen waterboordalleen en van geen mensch gestoord,en lonkte ’t rimplend water na,en sloeg uw zwakke stafjes ga,en luisterde op het lieve lied,dat gij mij zongt, o ruischend riet!

O! ’t ruischen van het ranke riet!hoe menig mensch aanschouwt u nieten hoort uw’ zingend’ harmonij,doch luistert niet en gaat voorbij!voorbij alwaar hem ’t herte jaagt,voorbij waar klinkend goud hem plaagt;maar uw geluid verstaat hij niet,o mijn beminde ruischend riet!

Nochtans, o ruischend ranke riet,uw stem is zoo verachtlijk niet!God schiep den stroom, God schiep uw stam,God zeide: „Waait!...” en ’t windje kwam,en ’t windje woei, en wabberde omuw stam, die op en neder klom!God luisterde... en uw droevig liedbehaagde God, o ruischend riet!

O neen toch, ranke ruischend riet,mijn ziel misacht uw tale niet:mijn ziel, die van den zelven God’t gevoel ontving, op zijn gebod,’t gevoel dat uw geruisch verstaat,wanneer gij op en neder gaat:o neen, o neen toch, ranke riet,mijn ziel misacht uw tale niet!

O! ’t ruischen van het ranke rietweêrgalleme in mijn droevig lied,en klagend kome ’t voor uw voet,Gij, die ons beiden leven doet!o Gij, die zelf de kranke taalbemint van eenen rieten staal,verwerp toch ook mijn klachte niet:ik! arme, kranke, klagend riet!

HET MEEZENNESTJE.Een meezennestje is uitgebroken,dat, in den wulgentronkgedoken,met vijftien eikes blonk;ze zitten in den boom te spelen,tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in, tak-om,met velen,en ’k lach mij, ’k lach mij, ’k lach mij bijkans krom.Het meezenmoêrtje komt getrouwig,komt op den lauwen noen,al blauwigen geluwachtig groen;het brengt hun dit en dat, om te azen,tak-om, tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in,ze razen,en kruipen, vlug, het meezennestjen in.Het meezenvaârtje zit—de looverenverduiken ’t voor ’t gestraal—te tooveren,al in de meezentaal;daar vliegen ze, al med’ een, te zamen,tak-om, tak-op, tak-af, tak-in, tak-uit,en, amen,het meezennestje is weêrom ijele en uit.

Een meezennestje is uitgebroken,dat, in den wulgentronkgedoken,met vijftien eikes blonk;ze zitten in den boom te spelen,tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in, tak-om,met velen,en ’k lach mij, ’k lach mij, ’k lach mij bijkans krom.

Het meezenmoêrtje komt getrouwig,komt op den lauwen noen,al blauwigen geluwachtig groen;het brengt hun dit en dat, om te azen,tak-om, tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in,ze razen,en kruipen, vlug, het meezennestjen in.

Het meezenvaârtje zit—de looverenverduiken ’t voor ’t gestraal—te tooveren,al in de meezentaal;daar vliegen ze, al med’ een, te zamen,tak-om, tak-op, tak-af, tak-in, tak-uit,en, amen,het meezennestje is weêrom ijele en uit.

DIEN AVOND EN DIE ROOZE.AAN EUGENE VAN OYE.’k Heb menig menig uur bij ugesleten en genoten,en nooit en heeft een uur met ume een enklen stond verdroten.’k Heb menig menig blom voor ugelezen en geschonken,en, lijk een bie, met u, met u,er honing uit gedronken;maar nooit een uur zoo lief met u,zoo lang zij duren koste,maar nooit een uur zoo droef om u,wanneer ik scheiden moste,als de uur wanneer ik dicht bij u,dien avond, neêrgezeten,u spreken hoorde en sprak tot uwat onze zielen weten.Noch nooit een blom zoo schoon, van ugezocht, geplukt, gelezen,als diedien avondblonk op u,en mocht de mijne wezen!Ofschoon, zoo wel voor mij als u,—wie zal dit kwaad genezen?—een uur bij mij, een uur bij uniet lang een uur mag wezen;ofschoon voor mij, ofschoon voor u,zoo lief en uitgelezen,die rooze, al was ’t een roos van u,niet lang een roos mocht wezen;toch lang bewaart, dit zeg ik u,’t en ware ik ’t al verloze,mijn hert drie dierbre beelden:u,dien avond,—en—die rooze!

’k Heb menig menig uur bij ugesleten en genoten,en nooit en heeft een uur met ume een enklen stond verdroten.’k Heb menig menig blom voor ugelezen en geschonken,en, lijk een bie, met u, met u,er honing uit gedronken;maar nooit een uur zoo lief met u,zoo lang zij duren koste,maar nooit een uur zoo droef om u,wanneer ik scheiden moste,als de uur wanneer ik dicht bij u,dien avond, neêrgezeten,u spreken hoorde en sprak tot uwat onze zielen weten.Noch nooit een blom zoo schoon, van ugezocht, geplukt, gelezen,als diedien avondblonk op u,en mocht de mijne wezen!Ofschoon, zoo wel voor mij als u,—wie zal dit kwaad genezen?—een uur bij mij, een uur bij uniet lang een uur mag wezen;ofschoon voor mij, ofschoon voor u,zoo lief en uitgelezen,die rooze, al was ’t een roos van u,niet lang een roos mocht wezen;toch lang bewaart, dit zeg ik u,’t en ware ik ’t al verloze,mijn hert drie dierbre beelden:u,dien avond,—en—die rooze!

KOM E’ KEER HIER.AAN PIETER BUSSCHAERT VAN DAMME.„Kom e’ keer hier, fliefflodderke[1],’k hebbe u, ’k hebbe u zoo lief!”Maar ’t wipte, ’t wupte, ’t en wachtte niet,en ’t liet mij alleene zijn.’t Was wel van dat lief fliefflodderke,want, hadde ik het eens genaakt,ik hadde ’t, het lief fliefflodderke,’k en wete niet wat gemaakt:geen hand van ’nen mensche ’n mocht ’et ooitgenaken zijn lieve kleed,of ’t was en het wierd ’t fliefflodderke,het was en het wierd hem leed;de hand van die ’t miek alleene mag’t genaken en niet beschaân,de wind van die ’t miek alleene mager, wandelend, over gaan.Dus, wakker en weg! fliefflodderken,op planten en bloeiend gers[2],alwaar dat u God geschapen heeft,alwaar dat ’t uw woning es!—En zoekt gij nu, kind, een zin hierin,’t fliefflodderke, wie dat zij,uw herte is het, alderliefste mijn,ai, wat zou het anders zijn!God miek het u, maakt dat God alleenkan zeggen: Dit herte is mijn,zoo zal het, en anders en zal ’t, o neen,het uw’ noch gelukkig zijn!Zoo zong hij, die lang en lusteloosgezeten had, eenen dag,wanneer hij, op de eerste lenteroos,het eerste fliefflodderken zag.

„Kom e’ keer hier, fliefflodderke[1],’k hebbe u, ’k hebbe u zoo lief!”Maar ’t wipte, ’t wupte, ’t en wachtte niet,en ’t liet mij alleene zijn.’t Was wel van dat lief fliefflodderke,want, hadde ik het eens genaakt,ik hadde ’t, het lief fliefflodderke,’k en wete niet wat gemaakt:geen hand van ’nen mensche ’n mocht ’et ooitgenaken zijn lieve kleed,of ’t was en het wierd ’t fliefflodderke,het was en het wierd hem leed;de hand van die ’t miek alleene mag’t genaken en niet beschaân,de wind van die ’t miek alleene mager, wandelend, over gaan.Dus, wakker en weg! fliefflodderken,op planten en bloeiend gers[2],alwaar dat u God geschapen heeft,alwaar dat ’t uw woning es!—En zoekt gij nu, kind, een zin hierin,’t fliefflodderke, wie dat zij,uw herte is het, alderliefste mijn,ai, wat zou het anders zijn!God miek het u, maakt dat God alleenkan zeggen: Dit herte is mijn,zoo zal het, en anders en zal ’t, o neen,het uw’ noch gelukkig zijn!Zoo zong hij, die lang en lusteloosgezeten had, eenen dag,wanneer hij, op de eerste lenteroos,het eerste fliefflodderken zag.

[1]Vlinder.

[2]Gras.

GEWIJDE KLOK.o Avond- noen- en morgenmate,ik vrij mij op uw’ klank verlate,gewijde klok!Uw hert is van metaal gegoten,toch blijft het voor geen mensch gesloten,gewijde klok!Gij hangt zoo hooge, ik ga zoo leege,och helpt de menschen, kranke en veege,gewijde klok!En dat uw klank in ’t ronde vliege,zij lief of leed aan sponde en wiege,gewijde klok!Den akker end’ het veld verwekke,en al dat hoort tot welzijn strekke,gewijde klok!Gij zegt aan elk het lang verledende mede- en wederspoedigheden,gewijde klok!Gij troost mij op den dag van huiden,en zult wel eens mijn uitvaart luiden,gewijde klok!Nog zult ge waken lang na dezen,en ongeboornen beeklank wezen,gewijde klok!Dan zal mijn taal geen mensch meer hooren;maar God zal ze eeuwig toebehooren,gewijde klok!o ’k Wou dat, om mijn ziel te laven,zij ook dan een gebed mij gaven,gewijde klok, gewijde klok!

o Avond- noen- en morgenmate,ik vrij mij op uw’ klank verlate,gewijde klok!

Uw hert is van metaal gegoten,toch blijft het voor geen mensch gesloten,gewijde klok!

Gij hangt zoo hooge, ik ga zoo leege,och helpt de menschen, kranke en veege,gewijde klok!

En dat uw klank in ’t ronde vliege,zij lief of leed aan sponde en wiege,gewijde klok!

Den akker end’ het veld verwekke,en al dat hoort tot welzijn strekke,gewijde klok!

Gij zegt aan elk het lang verledende mede- en wederspoedigheden,gewijde klok!

Gij troost mij op den dag van huiden,en zult wel eens mijn uitvaart luiden,gewijde klok!

Nog zult ge waken lang na dezen,en ongeboornen beeklank wezen,gewijde klok!

Dan zal mijn taal geen mensch meer hooren;maar God zal ze eeuwig toebehooren,gewijde klok!

o ’k Wou dat, om mijn ziel te laven,zij ook dan een gebed mij gaven,gewijde klok, gewijde klok!

O GULDEN HOOFD.o Gulden hoofd der blijde zonne,volheerlijke, altijd nieuwe bronnevan levenskracht;wie heeft u in die blauwe strekenhet brandend voetspoor uitgestekenen voorgedacht?Gij staat des morgens op, beneden’t bereik van sterflijke oogenleden;en, rijzend, danverblijdt gij mensch en dier en boomen;en ’s avonds laat gij los de toomenvan uw gespan.o Edel’ zonne, o machtig wezen,o zienlijke afgezant van dezendie ’t al beveelt;wat ben ik, of wat zijt gij, schoone,als, in des Heeren schild en kroone,een wapenbeeld?Zoo kent men aan des Ridders wapenzijn hofgezin, zijn huis, zijn’ knapen,zijn heerlijk slot;zoo kan men, aan uw pronksieraden,o zonne, uw edelen Ridder raden:zijn name is—God!

o Gulden hoofd der blijde zonne,volheerlijke, altijd nieuwe bronnevan levenskracht;wie heeft u in die blauwe strekenhet brandend voetspoor uitgestekenen voorgedacht?

Gij staat des morgens op, beneden’t bereik van sterflijke oogenleden;en, rijzend, danverblijdt gij mensch en dier en boomen;en ’s avonds laat gij los de toomenvan uw gespan.

o Edel’ zonne, o machtig wezen,o zienlijke afgezant van dezendie ’t al beveelt;wat ben ik, of wat zijt gij, schoone,als, in des Heeren schild en kroone,een wapenbeeld?

Zoo kent men aan des Ridders wapenzijn hofgezin, zijn huis, zijn’ knapen,zijn heerlijk slot;zoo kan men, aan uw pronksieraden,o zonne, uw edelen Ridder raden:zijn name is—God!


Back to IndexNext