O VECHTER.

O VECHTER.o Vechter, die in ’t vaderland,met scherpgeschuurden tee en tand,door vodde[1]en vilte[2]en voren vecht,en ’t taaie terwland ommelegt!Ik zie u geerne, ontembaar aan,uw’ diepe en duistere wegen gaan,van al dat vreeze is vrank en vrij!—Mijn doen is dat, zoo dunk ’et mij!Wanneer gij rust in ’t wagenkot,en roestend daar uw tanden bot,dan zal wellicht een edel graanalwaar gij vocht te golven staan.Mij geve God dat, moegewrocht,en ’t zalig rusten weerd gerocht[3],ik zie eens ’t edel terruwveld,dat stijve zakken koorn geldt[4]![1]Zode.[2]Wortelvezelnet.[3]Geraakt.[4]Betalen, opbrengen.MET KLOEKEN ARME.Exiit qui seminat.Met kloeken arme, en hand vol zaad,aanschouwt, hoe hij zijn’ stappen gaaten zaait, vol zorgende man, wiens hope en troost en al,met ’t stervend zaad, nu zitten zalin ’t land geborgen.Staat op, o zaad, ’t is God die ’t zegt,den winter en de dood bevecht:de zonnestralenverwachten al, met menigvoudgeverwde pracht en levend goud,uw zegepralen.o Winden, waait om ’t groene kinddes lands, uw zacht-, uw zoetsten wind;o dauwrijk dagendes morgenstonds, o wolkenvloed,verleent het koorn, dat kenen[1]doet,uw welbehagen.Het wasse en ’t worde een geluw graan,het bloeie en ’t blijve buigend staan,vol zaad geladen;vol zegen, die geen’ nijd en baart,geen’ zucht, geen’ zoek omleegewaard,geen’ euveldaden!Houdt af, gij, wind- en wolkgeweld,die de akkerzaaite omverrevelt,en bleeke ellendenverspreidt alom: houdt af uw’ hand;wilt verre weg van ’t dragend landuw’ geesels wenden!Dan zal de landman, ’t herte grootvan dankbaarheid, om ’t daaglijksch brooddat hij mocht winnen,den ouden arbeid, zwart en zwaar,zoo dit, zoo ’t naaste en ’t naaste jaarweêr herbeginnen.[1]Kiemen.SLAAPT GIJ NOG.Slaapt gij nog, gedaagde[1]kruinenvan de onzochte[2]doorentuinen?slaapt gij nog, en weet gij nietdat de ontwekte zonne u ziet?Dat alree de dagen langenzichtbaar, en de stralen strangen[3]van de lente? Ontwekt, welaan,doornen, en wilt wakker staan!Onlangs nog, met sneeuw doorschoten,hebt gij, naast uw’ stamgenoten,weken lang den tijd verbeid,vaste in uwe onroerbaarheid.Tijd is ’t om den dag te groeten:’t Oosten blinkt, en wakker moetenal die zonne- en zomerglansschuldig zijn hun’ liefde, thans.Doorentuin dan, botten open;los, uw dichte looverknopen;los, uw zilveren reukallaam[4];los, uw sneeuwwit blommenkraam!Ei, ’t en baat niet, dat robijnennaalden deur de toppen schijnenheen te bersten, hier en daar,van uw doornig streuvelhaar[5]!Ei, ’t en baat niet dat uw’ leden,zwellende uit van vruchtbaarheden,drinken ’t zog der aarde, en blootlaten heuren moederschoot!Blâren moet ge en blommen schieten,vol de vaten ommegietenuwer zalven, en voortaan,hagedoornen, bloeien gaan!Slaapt gij nog? De bien ontwekken,langende om uw zeem te lekken;’t vogelken zoekt, nestgezind,waar ’t uw vrije daken vindt!Slaapt gij nog? De zangermonden,zullende uwen lof verkondenzoo gij wakker wordt, ze slaanreeds hun liefste leisen[6]aan!Slaapt gij nog? De dichters dragendroevig, dorre doorenhagen,het geheugen, lang verbeid,van uw’ zomerschoonigheid!’t Water zucht, de blauwe lochten,de aarde deunt[7], vol minnetochten:alles, alles wenscht om... och,doorenhagen, slaapt gij nog?[1]Bedaagd, oud.[2]Onzacht.[3]Strang = streng.[4]Alm, allaam = handwerktuig.[5]Verwarreld opstaand haar.[6]Liederen.[7]Deunen = 1. dreunen, daveren, schudden, trillen tengevolge van een hevig gedruisch, maar ook van blijdschap, voldoening, genot; 2. zingen, weerklinken van geluid.HOE SCHITTERT MIJ DIE SPA TOCH.Hoe schittert mij die spa toch, alsgij, landman, uwen taaien halsgebogen, langzaam eerselt[1], end’nu hier nu daar Gods akker wendt!De zonne komt u volgzaam naen velt op uw geglimde spa,terwijl gij zucht en arrebeidt,den blik van heur’ hoogmogendheid.En, spittende in dat hel gestraal,zoo keert uw werkzaam akkerstaalmed een den grond, en zendt den schichtterug naar mij, van ’t zonnelicht.Daar speiten[2], uit den zwarten grondder aarde, zoo veel stralen ronduw’ delfspa, dat ’t een beeltenisvan Gods gevreesden bliksem is.Doch neen: de duiven weten ’t wel,dat ’t spawerk is en zonnenspel,dit bliksemen, en hun vrije vlerkvervolgt u, op uw akkerwerk.De kwiksteert, zoo de duiven doen,u nagaande, in zijn’ stouteschoen,en vreest, alwaar hij wormen ziet,uw’ spa noch heur geflikker niet.Zoo volge ik ook, en geren ga’k, van ’s morgens vroeg, den delver na,hem dichtende, als hij lam en moevan werken is, mijn deuntjen toe.God vordere u, mijn brave man,en, zoo ’t gebed u helpen kanvan een, die geerne uw’ weêrga ziet,de spa en delve uw graf nog niet!Maar mocht gij eens, uw werk voldaan,den blijden oest[3]zien binnengaan,en zuchten: Die den arrebeidmij zoet maakt, U zij dank gezeid![1]Aarzelen = achteruitgaan.[2]Spatten.[3]Oogst.O LEYE LIEF.O Leye lief, wat mocht u boozen;wat ’s hemels kom, den vlekkeloozen,weêrspiegeld in uw’ schoot, dat blauwverliezen doen? Dat blauw, och armen,dat donkert in de ontstelde barmen[1]van uw geweldig watergrauw?’k En hoorde u niet, op vroeger dagen,en ’t was als of ze in slape lagen,één glimmend glas, uw’ baren; daar ’tnu brieschen is en woedend grimmen,van breedgerugde waterkimmen,die beurtlings berschen[2]boordewaard.Nog nooit en zag ik witgekoofde[3]gelederen rijen, den helm ten hoofde,met zulk een daverend rukgeweld,o Leye, als de ongetelde toppender witgekamde barenkoppen,die rennen in uw waterveld!Het klotst, het kleunt[4], de golven stootenhet hooge schip, de smalle booten:het danst, het deunt[5], het roert, het maaltalom, van ’t vlugge schuim, dat vedert;van ’t zwalpend zop, dat weg- end- wedert;en van den wind, die zegepraalt.o Noorden, sluit uw dolle perken,besnijdt dien boozen zoon zijn’ vlerken:laat af, genoeg, genade! Hijis koning, heere en baas gebleken:laat licht en zonne u schoone spreken,dat ’t windloos weêr en vrede zij!Dan zal ik liefst, o Leysche boorden,als ’t zomer is, en zwijgt in ’t Noordende felle reus, u volgend gaan;dan zal ik weêr mijn hert vermeiden,langs uw’ gegroende en stille weiden,en in uw’ grond hun beeld zien staan.[1]Golven, watersprongen.[2]Met kracht en spoed gaan.[3]Koove = vrouwenmuts (fr. coiffe).[4]Slaan, kloppen.[5]Daverend schokken, schudden, trillen.HEMELLAWERKE HEET GIJ.Hemellawerke heet gij, wakkere ensnelgewiekte strale, die’k, uit het zaailand opgestegen,lijk nen vierpijl rijzen zie.Striemen lichts ontlaat, en vonken,’t vluchtend vierwerk; en zoo hoortme u ook vluchtend henentieren,als gij deur de wolken boort.Hemellawerke, schoon van name ensprake zijt gij, maar uw kleed,’t valt te grauw toch: is ’t de redendat men grijslawerke u heet?Ben ik grauw, het is van zeilen,en van, altijd reisgezind,zoo de grauwgedoekte schepen,heen te varen, vóór den wind.Hemellawerke, grijslawerke,luchtleeuwerke, hemelwaard,weg met u, ja, leeuwerkt helder,op uw’ hooge hemelvaart!Zingt en zeilt maar, al te zeldenhoore en zie ’k u, lieve; ’t gaatbeter hem, die, vroeg en spadehoort u, ende gadeslaat.Midden in Gods werken levend,’t gaat hem beter, achter ’t land,die u naziet, te elker stonde,daar hij zaait en zeeuwt[1]en plant.Ach, om niet is ’t, al te dikwijls,dat gij dankend opwaarts stijgt,daar geen mensch en is dien ’t aangaat,of gij, schamele, zingt of zwijgt.Horkt er niemand, ik zal horken,wilt ge, in ’t droevig tranendal,mij vertroosten, hemellawerke; enziet ons niemand, God ziet ’t al!Hij zal zien en hij zal hooren,hij, die vlerke en tale u gaf,en die mij, in stad begraven,wekken eens zal uit dit graf.Dan verrijze ik, luchtleeuwerke;zette ik zeil en vaar getroostnaar de hoogten, daar gij schouwendeert den dagraad en den oost.Naar de streken die mij wijzendeis uw’ vlerke en uw geschal,en van waar ik, vrij en veilig,niet meer, niet meer neêr en zal.[1]Het gezaaide graan dekken met de uitgespitte aarde.DE BOOMEN ZIEN ZWART.De boomen zien zwart, van de zwellende botten;o zonne, wanneer zal uw’ macht, onbevaên[1],weêr ’t springende blad, en de banden ontknotten,waarin ’t twee drie maanden heeft houtvast gestaan?Staat achter, o nijdig geweld van den winter;houdt af uwen vuist, in de botten begint erweer vreugdiger pulsslag en leven te slaan.De boomen ontwekken, zij zidderen, zij beven;zij striemen, dóór ’t blauwe geluchte, onbekleed;doch staan ze al bewust schier en blij dat zij leven,lijk machtige reuzen, ten strijde bereed.Staat achter, o nijdig geweld van den winter;uw rijk heeft een einde, in de boomen begint erweêr hope te rijzen, weêr hulpe aan ons leed.De boomen zien zwart, en hun’ dreigende schachtenstaan veerdig en vrij, als de spere in de vuisteens ridders, het teeken ten storme te wachten:het klinke, en daar loopen zij henengedruischt!Staat achter, o nijdig geweld van den winter;de boomen slaan uit, en zoo zaan[2]herbegint erweêr blijdag gevierd te zijn. Wreede, verhuist![1]Onbevangen, ongehinderd, vrij.[2]Weldra, spoedig.GELUWGROENE LEGERSCHAREN.Geluwgroene legerscharen,honderdduizend, waar vandaanzijt gij, vastgevoette blâren,komen op de boomen staan?Nauwlijks heeft twee lentezonnen’s werelds blijde onthaal begroet,of... wie zal ’t getellen konnen,’t leger dat gij porren doet?Werkzaam, onder ’t machtig streelenvan des morgens windgeweld,op de berken, op de abeelenzie ’k u, in ’t gelid gesteld.’t Ruischt alom vol zware talen,’t ruischt alom; en ’t krijgsgebaar,stortende in de diepe dalen,dooft alle andere stemmen daar.Waar vandaan zijt, al in ’t blijdedoek gekleed, gij krijgeren dan?Wie, die zulk een wereldwijdelegervastheid voeden kan?Zijt ge uit louter locht gesteven,zijt gij zonnestralen teer,schielijk en van licht geweven,duizendwendig bladerenheer?Zijt gij ’t bloed en ’t merg der boomen,’t boomzijn zelve, of anders ietonbekend, dat uit wil stroomen,al zoo zaan[1]’t de zonne ziet?Zijt gij... Uwe ontelbaarhedenstaan het stormend volk gelijk,strijdbaar in ’t bezit getredenvan des Winters koninkrijk!Nutloos, in zijn’ zware ellenden,heeft het land om hulp gewacht:komt en stoort des vijands benden,velt hem voor uw’ legermacht.Breekt zijn’ bergsteê, slaat zijn’ ridderen,scheurt zijn’ vanen: roept en tiert,dat de verste velden zidderenvan ’t geruchte: zegeviert!Vluchten moet hij weg; verwonnen,wapenloos en wepel[2], gaanzitten waar, in ’t ijs geronnen,onbewoond, zijn’ steden staan.Ruischt dan maar, gij legerscharen;zingt en trommelt overluid,zegevolle zomerblâren:morgen is de winter uit![1]Dra.[2]Eenzaam, alleen, zonder maag of vriend.GEKAMDE KONING CANTECLAAR.Gekamde koning Canteclaar,hoegeren zie ’k u komen daar;gestapt zoo edeldrachtigals Alexander, Atilla,of Karloman zijn’ wederga:heel keizerlijk almachtig!Gij kraait, terwijl ge uw’ vlerken slaat,en ’t stemgeluid dat henengaat,uit uwen hals gedreven,herwekt het slapend menschendom,het boodschapt hem den dag weêrom,den dag, het licht, en ’t leven.Uw’ vonkelende ooge, uw’ rooden kam,een laaiend beeld van vier en vlam,uw’ zwakken steert, uw’ spooren,uwe om end om geglimde borst,uw’ strijdbaarheid, uw’ zegedorst,uw’ stem, zoo schoon om hooren...Wie is er die dat al beschrijft,die, heel in woord en taal gelijfd,doet leven u en waken?Wie is er? Anders geen als gij,heer Canteclaar, die machtig zijuw evenbeeld te maken.Vaart wel dan: ik ontgeef ’t mij, en’k wil weten dat ik verre benbij u voortaan ten onderen;gij hebt, o haan, den prijs behaald,kraait koning nu, en zegepraalt,en laat mij zwijgend wonderen!O WILDE EN ONVERVALSCHTE PRACHT.Alre creature sake ende yersticheit.Ruusbrouck.o Wilde en onvervalschte prachtder blommen, langs den watergracht!Hoe geren zie ’k u, aangedaanzoo ’t God geliefde, in ’t water staan!Geboren, arg- en schuldeloos,daar God u eens te willen koos,daar staat ge: en, in den zonneschijn,al dat gij doet is blomme zijn!’t Is wezen, ’t geen mijne ooge aanziet,’t is waarheid, en ge’n dobbelt niet;en die door u mijn hert verblijdtis enkel, zoo gij enkel zijt!Hoe stille is ’t! ’t En verwaait med algeen bladtje, dat ons stooren zal;geen rimpelken in ’t lief gelaatdes waters, dat vol blommen staat;geen wind, geen woord: rondom gespreid,al schaduwe, al stilzwijgendheid!Dan, diepe, diepe in ’t water, blauwt,half groen geblest[1], de hemelvaut;en, priemend’ hier en daar vergaateen langgesponnen zonnedraad.Hoe eerbaar, edel, schoone en fijnkan toch eene enkele blomme zijn,die, al med eens, en zorgloos, uitde hand van heuren Schepper spruit!Door Hem, en door geen menschenhand,lag hier een nederig zaad geplant;door Hem, op dezen oogenblik,ontlook het, en dien troost heb ik,dat, blomme, gij mij bidden doet,en wezen zoo ik wezen moet:aanschouwende en bevroedende inelk uiterste einde ’t oorbegin,den grond van alles; meer gezeid,maar nog niet al: Gods eerstigheid.[1]Gevlekt.WAAR ZIT DIE HELDERE ZANGER.Waar zit die heldere zanger, dienik hooren kan en zelden zien,in ’t loof geborgen,dees blijden Meidagmorgen?Hij klinkt alom de vogels dood,bij zijnder kelen wondergroot’en felle slagen,in bosschen en in hagen.Waar zit hij? Neen, ’k en vind hem niet,maar ’k hoore, ’k hoore, ’k hoore een liedhem lustig weven:het kettert in de dreven.Zoo zit en zingt er menig man,vroegmorgens op ’t getouwe, om, vangoên drom[1], te makenlanglijdend[2]lijwaadlaken.De wever zingt, zijn’ webbe deunt[3];de la klabakt, ’t getouwe dreunt;en lijzig varende spoelen heen, in ’t garen.Zoo zit er, in den zomer zoel,een, werpende, op den weverstoelvan groene blâren,zijn duizendverwig garen.Wat is hij: mensche of dier of wat?Vol zoetheid, is ’t een wierookvat,daar Engelenhanden,onzichtbaar, reuke in branden?Wat is hij? ’t Is een wekkerspel,vol tanden fijn, vol snaren fel,vol wakkere mondenvan sprekend goud, gebonden.Hij is... daar ik niet aan en kan,een’ sparke viers, een’ boodschap vanveel hooger’ dakenals waarder menschen waken.Horkt! Langzaam, luide en lief getaald,hoe diep’ hij lust en leven haalt,als uit de grondenvan duizend orgelmonden!Nu piept hij fijn, nu roept hij luid’;en ’t zijpzapt hem ter kelen uit,lijk waterbellen,die van de daken rellen.Geteld, nu tokt zijn taalgetik,als ware ’t op een marbelstik[4],dat perelkransen,van ’t snoer gevallen, dansen.Geen vogel of hij weet zijn lied,zijn’ leise[5]en al zijn stemgebied,bij zijnder talen,nauwkeurig af te malen.’t En deert mij niet, hoe oud gedaagd,dat hij den zangprijs henendraagt,en, vogel schoone,mij rooft de dichterkroone!Want mensche en heeft u nooit verstaan,noch al uw’ rijkdom recht gedaan,o wondere talevan koning Nachtegale![1]Schering.[2]Langmeegaand, duurzaam. Lijden = gaan.[3]Schudt, trilt.[4]Stik = stuk.[5]Lied.DE NAVOND KOMT ZOO STIL.De navond komt zoo stil, zoo stil,zoo traagzaam aangetreden,dat geen en weet, wanneer de dagof waar hij is geleden[1].’t Is avond, stille... en, mij omtrent,is iets, of iemand, onbekend,die, zachtjes mij beroerend, zegt:„’t Is avond en ’t is rustens recht.”De boomen dragen gansch de lochtvol groen, nog onbestoven;en ’k zie, zoo dicht hun’ blaren staan,nog nauwlijks door de hoven;’k en hoore niets, al om end om,van ’t zoetgekeelde vogelendom,’t en zij, het donker loof beneên,den nachtegaal zijne avondbeên.Hij zingt! Ach, wist hij zelf hoe schoonhij zingt! Het is onwetend,dat zingend hij mijne ooren boeit,en aan zijn’ kele ketent.Ach, wist hij ’t gene ik wetend ben:dat dankbaar ik toch wete en kenwie hem zijn’ tale, en mij daaraf’t genoegen en ’t genieten, gaf!Hoe lieflijk zingt hij! Maar, wat hooreensgangs ik ginder gekken?Wat is ’t, dat her en weder herverergerend gerrebekken?Och, vorschenvolk, in ’t waterwied,houdt op! En stoort de stilte niet:laat hooren mij dat leutig slaan...en, kwelgediert, houdt op voortaan!Hebt daar!... Het speit, den steen rondom,en, uitgestrekter schenen,zijn al de vorschen, diepe in ’t goor,in ’t zwijgend goor verdwenen!...Eilaas, de nacht en ’t donker zijnbezitten nu den zanger mijn:noch nachtegaal, noch ruit, noch muit[2],en hoore ik meer... ’t is uit, ’t is uit![1]Voorbijgegaan.[2]Niet het minste stemgerucht.

O VECHTER.o Vechter, die in ’t vaderland,met scherpgeschuurden tee en tand,door vodde[1]en vilte[2]en voren vecht,en ’t taaie terwland ommelegt!Ik zie u geerne, ontembaar aan,uw’ diepe en duistere wegen gaan,van al dat vreeze is vrank en vrij!—Mijn doen is dat, zoo dunk ’et mij!Wanneer gij rust in ’t wagenkot,en roestend daar uw tanden bot,dan zal wellicht een edel graanalwaar gij vocht te golven staan.Mij geve God dat, moegewrocht,en ’t zalig rusten weerd gerocht[3],ik zie eens ’t edel terruwveld,dat stijve zakken koorn geldt[4]!

o Vechter, die in ’t vaderland,met scherpgeschuurden tee en tand,door vodde[1]en vilte[2]en voren vecht,en ’t taaie terwland ommelegt!

Ik zie u geerne, ontembaar aan,uw’ diepe en duistere wegen gaan,van al dat vreeze is vrank en vrij!—Mijn doen is dat, zoo dunk ’et mij!

Wanneer gij rust in ’t wagenkot,en roestend daar uw tanden bot,dan zal wellicht een edel graanalwaar gij vocht te golven staan.

Mij geve God dat, moegewrocht,en ’t zalig rusten weerd gerocht[3],ik zie eens ’t edel terruwveld,dat stijve zakken koorn geldt[4]!

[1]Zode.

[2]Wortelvezelnet.

[3]Geraakt.

[4]Betalen, opbrengen.

MET KLOEKEN ARME.Exiit qui seminat.Met kloeken arme, en hand vol zaad,aanschouwt, hoe hij zijn’ stappen gaaten zaait, vol zorgende man, wiens hope en troost en al,met ’t stervend zaad, nu zitten zalin ’t land geborgen.Staat op, o zaad, ’t is God die ’t zegt,den winter en de dood bevecht:de zonnestralenverwachten al, met menigvoudgeverwde pracht en levend goud,uw zegepralen.o Winden, waait om ’t groene kinddes lands, uw zacht-, uw zoetsten wind;o dauwrijk dagendes morgenstonds, o wolkenvloed,verleent het koorn, dat kenen[1]doet,uw welbehagen.Het wasse en ’t worde een geluw graan,het bloeie en ’t blijve buigend staan,vol zaad geladen;vol zegen, die geen’ nijd en baart,geen’ zucht, geen’ zoek omleegewaard,geen’ euveldaden!Houdt af, gij, wind- en wolkgeweld,die de akkerzaaite omverrevelt,en bleeke ellendenverspreidt alom: houdt af uw’ hand;wilt verre weg van ’t dragend landuw’ geesels wenden!Dan zal de landman, ’t herte grootvan dankbaarheid, om ’t daaglijksch brooddat hij mocht winnen,den ouden arbeid, zwart en zwaar,zoo dit, zoo ’t naaste en ’t naaste jaarweêr herbeginnen.

Exiit qui seminat.

Met kloeken arme, en hand vol zaad,aanschouwt, hoe hij zijn’ stappen gaaten zaait, vol zorgende man, wiens hope en troost en al,met ’t stervend zaad, nu zitten zalin ’t land geborgen.

Staat op, o zaad, ’t is God die ’t zegt,den winter en de dood bevecht:de zonnestralenverwachten al, met menigvoudgeverwde pracht en levend goud,uw zegepralen.

o Winden, waait om ’t groene kinddes lands, uw zacht-, uw zoetsten wind;o dauwrijk dagendes morgenstonds, o wolkenvloed,verleent het koorn, dat kenen[1]doet,uw welbehagen.

Het wasse en ’t worde een geluw graan,het bloeie en ’t blijve buigend staan,vol zaad geladen;vol zegen, die geen’ nijd en baart,geen’ zucht, geen’ zoek omleegewaard,geen’ euveldaden!

Houdt af, gij, wind- en wolkgeweld,die de akkerzaaite omverrevelt,en bleeke ellendenverspreidt alom: houdt af uw’ hand;wilt verre weg van ’t dragend landuw’ geesels wenden!

Dan zal de landman, ’t herte grootvan dankbaarheid, om ’t daaglijksch brooddat hij mocht winnen,den ouden arbeid, zwart en zwaar,zoo dit, zoo ’t naaste en ’t naaste jaarweêr herbeginnen.

[1]Kiemen.

SLAAPT GIJ NOG.Slaapt gij nog, gedaagde[1]kruinenvan de onzochte[2]doorentuinen?slaapt gij nog, en weet gij nietdat de ontwekte zonne u ziet?Dat alree de dagen langenzichtbaar, en de stralen strangen[3]van de lente? Ontwekt, welaan,doornen, en wilt wakker staan!Onlangs nog, met sneeuw doorschoten,hebt gij, naast uw’ stamgenoten,weken lang den tijd verbeid,vaste in uwe onroerbaarheid.Tijd is ’t om den dag te groeten:’t Oosten blinkt, en wakker moetenal die zonne- en zomerglansschuldig zijn hun’ liefde, thans.Doorentuin dan, botten open;los, uw dichte looverknopen;los, uw zilveren reukallaam[4];los, uw sneeuwwit blommenkraam!Ei, ’t en baat niet, dat robijnennaalden deur de toppen schijnenheen te bersten, hier en daar,van uw doornig streuvelhaar[5]!Ei, ’t en baat niet dat uw’ leden,zwellende uit van vruchtbaarheden,drinken ’t zog der aarde, en blootlaten heuren moederschoot!Blâren moet ge en blommen schieten,vol de vaten ommegietenuwer zalven, en voortaan,hagedoornen, bloeien gaan!Slaapt gij nog? De bien ontwekken,langende om uw zeem te lekken;’t vogelken zoekt, nestgezind,waar ’t uw vrije daken vindt!Slaapt gij nog? De zangermonden,zullende uwen lof verkondenzoo gij wakker wordt, ze slaanreeds hun liefste leisen[6]aan!Slaapt gij nog? De dichters dragendroevig, dorre doorenhagen,het geheugen, lang verbeid,van uw’ zomerschoonigheid!’t Water zucht, de blauwe lochten,de aarde deunt[7], vol minnetochten:alles, alles wenscht om... och,doorenhagen, slaapt gij nog?

Slaapt gij nog, gedaagde[1]kruinenvan de onzochte[2]doorentuinen?slaapt gij nog, en weet gij nietdat de ontwekte zonne u ziet?

Dat alree de dagen langenzichtbaar, en de stralen strangen[3]van de lente? Ontwekt, welaan,doornen, en wilt wakker staan!

Onlangs nog, met sneeuw doorschoten,hebt gij, naast uw’ stamgenoten,weken lang den tijd verbeid,vaste in uwe onroerbaarheid.

Tijd is ’t om den dag te groeten:’t Oosten blinkt, en wakker moetenal die zonne- en zomerglansschuldig zijn hun’ liefde, thans.

Doorentuin dan, botten open;los, uw dichte looverknopen;los, uw zilveren reukallaam[4];los, uw sneeuwwit blommenkraam!

Ei, ’t en baat niet, dat robijnennaalden deur de toppen schijnenheen te bersten, hier en daar,van uw doornig streuvelhaar[5]!

Ei, ’t en baat niet dat uw’ leden,zwellende uit van vruchtbaarheden,drinken ’t zog der aarde, en blootlaten heuren moederschoot!

Blâren moet ge en blommen schieten,vol de vaten ommegietenuwer zalven, en voortaan,hagedoornen, bloeien gaan!

Slaapt gij nog? De bien ontwekken,langende om uw zeem te lekken;’t vogelken zoekt, nestgezind,waar ’t uw vrije daken vindt!

Slaapt gij nog? De zangermonden,zullende uwen lof verkondenzoo gij wakker wordt, ze slaanreeds hun liefste leisen[6]aan!

Slaapt gij nog? De dichters dragendroevig, dorre doorenhagen,het geheugen, lang verbeid,van uw’ zomerschoonigheid!

’t Water zucht, de blauwe lochten,de aarde deunt[7], vol minnetochten:alles, alles wenscht om... och,doorenhagen, slaapt gij nog?

[1]Bedaagd, oud.

[2]Onzacht.

[3]Strang = streng.

[4]Alm, allaam = handwerktuig.

[5]Verwarreld opstaand haar.

[6]Liederen.

[7]Deunen = 1. dreunen, daveren, schudden, trillen tengevolge van een hevig gedruisch, maar ook van blijdschap, voldoening, genot; 2. zingen, weerklinken van geluid.

HOE SCHITTERT MIJ DIE SPA TOCH.Hoe schittert mij die spa toch, alsgij, landman, uwen taaien halsgebogen, langzaam eerselt[1], end’nu hier nu daar Gods akker wendt!De zonne komt u volgzaam naen velt op uw geglimde spa,terwijl gij zucht en arrebeidt,den blik van heur’ hoogmogendheid.En, spittende in dat hel gestraal,zoo keert uw werkzaam akkerstaalmed een den grond, en zendt den schichtterug naar mij, van ’t zonnelicht.Daar speiten[2], uit den zwarten grondder aarde, zoo veel stralen ronduw’ delfspa, dat ’t een beeltenisvan Gods gevreesden bliksem is.Doch neen: de duiven weten ’t wel,dat ’t spawerk is en zonnenspel,dit bliksemen, en hun vrije vlerkvervolgt u, op uw akkerwerk.De kwiksteert, zoo de duiven doen,u nagaande, in zijn’ stouteschoen,en vreest, alwaar hij wormen ziet,uw’ spa noch heur geflikker niet.Zoo volge ik ook, en geren ga’k, van ’s morgens vroeg, den delver na,hem dichtende, als hij lam en moevan werken is, mijn deuntjen toe.God vordere u, mijn brave man,en, zoo ’t gebed u helpen kanvan een, die geerne uw’ weêrga ziet,de spa en delve uw graf nog niet!Maar mocht gij eens, uw werk voldaan,den blijden oest[3]zien binnengaan,en zuchten: Die den arrebeidmij zoet maakt, U zij dank gezeid!

Hoe schittert mij die spa toch, alsgij, landman, uwen taaien halsgebogen, langzaam eerselt[1], end’nu hier nu daar Gods akker wendt!

De zonne komt u volgzaam naen velt op uw geglimde spa,terwijl gij zucht en arrebeidt,den blik van heur’ hoogmogendheid.

En, spittende in dat hel gestraal,zoo keert uw werkzaam akkerstaalmed een den grond, en zendt den schichtterug naar mij, van ’t zonnelicht.

Daar speiten[2], uit den zwarten grondder aarde, zoo veel stralen ronduw’ delfspa, dat ’t een beeltenisvan Gods gevreesden bliksem is.

Doch neen: de duiven weten ’t wel,dat ’t spawerk is en zonnenspel,dit bliksemen, en hun vrije vlerkvervolgt u, op uw akkerwerk.

De kwiksteert, zoo de duiven doen,u nagaande, in zijn’ stouteschoen,en vreest, alwaar hij wormen ziet,uw’ spa noch heur geflikker niet.

Zoo volge ik ook, en geren ga’k, van ’s morgens vroeg, den delver na,hem dichtende, als hij lam en moevan werken is, mijn deuntjen toe.

God vordere u, mijn brave man,en, zoo ’t gebed u helpen kanvan een, die geerne uw’ weêrga ziet,de spa en delve uw graf nog niet!

Maar mocht gij eens, uw werk voldaan,den blijden oest[3]zien binnengaan,en zuchten: Die den arrebeidmij zoet maakt, U zij dank gezeid!

[1]Aarzelen = achteruitgaan.

[2]Spatten.

[3]Oogst.

O LEYE LIEF.O Leye lief, wat mocht u boozen;wat ’s hemels kom, den vlekkeloozen,weêrspiegeld in uw’ schoot, dat blauwverliezen doen? Dat blauw, och armen,dat donkert in de ontstelde barmen[1]van uw geweldig watergrauw?’k En hoorde u niet, op vroeger dagen,en ’t was als of ze in slape lagen,één glimmend glas, uw’ baren; daar ’tnu brieschen is en woedend grimmen,van breedgerugde waterkimmen,die beurtlings berschen[2]boordewaard.Nog nooit en zag ik witgekoofde[3]gelederen rijen, den helm ten hoofde,met zulk een daverend rukgeweld,o Leye, als de ongetelde toppender witgekamde barenkoppen,die rennen in uw waterveld!Het klotst, het kleunt[4], de golven stootenhet hooge schip, de smalle booten:het danst, het deunt[5], het roert, het maaltalom, van ’t vlugge schuim, dat vedert;van ’t zwalpend zop, dat weg- end- wedert;en van den wind, die zegepraalt.o Noorden, sluit uw dolle perken,besnijdt dien boozen zoon zijn’ vlerken:laat af, genoeg, genade! Hijis koning, heere en baas gebleken:laat licht en zonne u schoone spreken,dat ’t windloos weêr en vrede zij!Dan zal ik liefst, o Leysche boorden,als ’t zomer is, en zwijgt in ’t Noordende felle reus, u volgend gaan;dan zal ik weêr mijn hert vermeiden,langs uw’ gegroende en stille weiden,en in uw’ grond hun beeld zien staan.

O Leye lief, wat mocht u boozen;wat ’s hemels kom, den vlekkeloozen,weêrspiegeld in uw’ schoot, dat blauwverliezen doen? Dat blauw, och armen,dat donkert in de ontstelde barmen[1]van uw geweldig watergrauw?

’k En hoorde u niet, op vroeger dagen,en ’t was als of ze in slape lagen,één glimmend glas, uw’ baren; daar ’tnu brieschen is en woedend grimmen,van breedgerugde waterkimmen,die beurtlings berschen[2]boordewaard.

Nog nooit en zag ik witgekoofde[3]gelederen rijen, den helm ten hoofde,met zulk een daverend rukgeweld,o Leye, als de ongetelde toppender witgekamde barenkoppen,die rennen in uw waterveld!

Het klotst, het kleunt[4], de golven stootenhet hooge schip, de smalle booten:het danst, het deunt[5], het roert, het maaltalom, van ’t vlugge schuim, dat vedert;van ’t zwalpend zop, dat weg- end- wedert;en van den wind, die zegepraalt.

o Noorden, sluit uw dolle perken,besnijdt dien boozen zoon zijn’ vlerken:laat af, genoeg, genade! Hijis koning, heere en baas gebleken:laat licht en zonne u schoone spreken,dat ’t windloos weêr en vrede zij!

Dan zal ik liefst, o Leysche boorden,als ’t zomer is, en zwijgt in ’t Noordende felle reus, u volgend gaan;dan zal ik weêr mijn hert vermeiden,langs uw’ gegroende en stille weiden,en in uw’ grond hun beeld zien staan.

[1]Golven, watersprongen.

[2]Met kracht en spoed gaan.

[3]Koove = vrouwenmuts (fr. coiffe).

[4]Slaan, kloppen.

[5]Daverend schokken, schudden, trillen.

HEMELLAWERKE HEET GIJ.Hemellawerke heet gij, wakkere ensnelgewiekte strale, die’k, uit het zaailand opgestegen,lijk nen vierpijl rijzen zie.Striemen lichts ontlaat, en vonken,’t vluchtend vierwerk; en zoo hoortme u ook vluchtend henentieren,als gij deur de wolken boort.Hemellawerke, schoon van name ensprake zijt gij, maar uw kleed,’t valt te grauw toch: is ’t de redendat men grijslawerke u heet?Ben ik grauw, het is van zeilen,en van, altijd reisgezind,zoo de grauwgedoekte schepen,heen te varen, vóór den wind.Hemellawerke, grijslawerke,luchtleeuwerke, hemelwaard,weg met u, ja, leeuwerkt helder,op uw’ hooge hemelvaart!Zingt en zeilt maar, al te zeldenhoore en zie ’k u, lieve; ’t gaatbeter hem, die, vroeg en spadehoort u, ende gadeslaat.Midden in Gods werken levend,’t gaat hem beter, achter ’t land,die u naziet, te elker stonde,daar hij zaait en zeeuwt[1]en plant.Ach, om niet is ’t, al te dikwijls,dat gij dankend opwaarts stijgt,daar geen mensch en is dien ’t aangaat,of gij, schamele, zingt of zwijgt.Horkt er niemand, ik zal horken,wilt ge, in ’t droevig tranendal,mij vertroosten, hemellawerke; enziet ons niemand, God ziet ’t al!Hij zal zien en hij zal hooren,hij, die vlerke en tale u gaf,en die mij, in stad begraven,wekken eens zal uit dit graf.Dan verrijze ik, luchtleeuwerke;zette ik zeil en vaar getroostnaar de hoogten, daar gij schouwendeert den dagraad en den oost.Naar de streken die mij wijzendeis uw’ vlerke en uw geschal,en van waar ik, vrij en veilig,niet meer, niet meer neêr en zal.

Hemellawerke heet gij, wakkere ensnelgewiekte strale, die’k, uit het zaailand opgestegen,lijk nen vierpijl rijzen zie.

Striemen lichts ontlaat, en vonken,’t vluchtend vierwerk; en zoo hoortme u ook vluchtend henentieren,als gij deur de wolken boort.

Hemellawerke, schoon van name ensprake zijt gij, maar uw kleed,’t valt te grauw toch: is ’t de redendat men grijslawerke u heet?

Ben ik grauw, het is van zeilen,en van, altijd reisgezind,zoo de grauwgedoekte schepen,heen te varen, vóór den wind.

Hemellawerke, grijslawerke,luchtleeuwerke, hemelwaard,weg met u, ja, leeuwerkt helder,op uw’ hooge hemelvaart!

Zingt en zeilt maar, al te zeldenhoore en zie ’k u, lieve; ’t gaatbeter hem, die, vroeg en spadehoort u, ende gadeslaat.

Midden in Gods werken levend,’t gaat hem beter, achter ’t land,die u naziet, te elker stonde,daar hij zaait en zeeuwt[1]en plant.

Ach, om niet is ’t, al te dikwijls,dat gij dankend opwaarts stijgt,daar geen mensch en is dien ’t aangaat,of gij, schamele, zingt of zwijgt.

Horkt er niemand, ik zal horken,wilt ge, in ’t droevig tranendal,mij vertroosten, hemellawerke; enziet ons niemand, God ziet ’t al!

Hij zal zien en hij zal hooren,hij, die vlerke en tale u gaf,en die mij, in stad begraven,wekken eens zal uit dit graf.

Dan verrijze ik, luchtleeuwerke;zette ik zeil en vaar getroostnaar de hoogten, daar gij schouwendeert den dagraad en den oost.

Naar de streken die mij wijzendeis uw’ vlerke en uw geschal,en van waar ik, vrij en veilig,niet meer, niet meer neêr en zal.

[1]Het gezaaide graan dekken met de uitgespitte aarde.

DE BOOMEN ZIEN ZWART.De boomen zien zwart, van de zwellende botten;o zonne, wanneer zal uw’ macht, onbevaên[1],weêr ’t springende blad, en de banden ontknotten,waarin ’t twee drie maanden heeft houtvast gestaan?Staat achter, o nijdig geweld van den winter;houdt af uwen vuist, in de botten begint erweer vreugdiger pulsslag en leven te slaan.De boomen ontwekken, zij zidderen, zij beven;zij striemen, dóór ’t blauwe geluchte, onbekleed;doch staan ze al bewust schier en blij dat zij leven,lijk machtige reuzen, ten strijde bereed.Staat achter, o nijdig geweld van den winter;uw rijk heeft een einde, in de boomen begint erweêr hope te rijzen, weêr hulpe aan ons leed.De boomen zien zwart, en hun’ dreigende schachtenstaan veerdig en vrij, als de spere in de vuisteens ridders, het teeken ten storme te wachten:het klinke, en daar loopen zij henengedruischt!Staat achter, o nijdig geweld van den winter;de boomen slaan uit, en zoo zaan[2]herbegint erweêr blijdag gevierd te zijn. Wreede, verhuist!

De boomen zien zwart, van de zwellende botten;o zonne, wanneer zal uw’ macht, onbevaên[1],weêr ’t springende blad, en de banden ontknotten,waarin ’t twee drie maanden heeft houtvast gestaan?

Staat achter, o nijdig geweld van den winter;houdt af uwen vuist, in de botten begint erweer vreugdiger pulsslag en leven te slaan.

De boomen ontwekken, zij zidderen, zij beven;zij striemen, dóór ’t blauwe geluchte, onbekleed;doch staan ze al bewust schier en blij dat zij leven,lijk machtige reuzen, ten strijde bereed.

Staat achter, o nijdig geweld van den winter;uw rijk heeft een einde, in de boomen begint erweêr hope te rijzen, weêr hulpe aan ons leed.

De boomen zien zwart, en hun’ dreigende schachtenstaan veerdig en vrij, als de spere in de vuisteens ridders, het teeken ten storme te wachten:het klinke, en daar loopen zij henengedruischt!

Staat achter, o nijdig geweld van den winter;de boomen slaan uit, en zoo zaan[2]herbegint erweêr blijdag gevierd te zijn. Wreede, verhuist!

[1]Onbevangen, ongehinderd, vrij.

[2]Weldra, spoedig.

GELUWGROENE LEGERSCHAREN.Geluwgroene legerscharen,honderdduizend, waar vandaanzijt gij, vastgevoette blâren,komen op de boomen staan?Nauwlijks heeft twee lentezonnen’s werelds blijde onthaal begroet,of... wie zal ’t getellen konnen,’t leger dat gij porren doet?Werkzaam, onder ’t machtig streelenvan des morgens windgeweld,op de berken, op de abeelenzie ’k u, in ’t gelid gesteld.’t Ruischt alom vol zware talen,’t ruischt alom; en ’t krijgsgebaar,stortende in de diepe dalen,dooft alle andere stemmen daar.Waar vandaan zijt, al in ’t blijdedoek gekleed, gij krijgeren dan?Wie, die zulk een wereldwijdelegervastheid voeden kan?Zijt ge uit louter locht gesteven,zijt gij zonnestralen teer,schielijk en van licht geweven,duizendwendig bladerenheer?Zijt gij ’t bloed en ’t merg der boomen,’t boomzijn zelve, of anders ietonbekend, dat uit wil stroomen,al zoo zaan[1]’t de zonne ziet?Zijt gij... Uwe ontelbaarhedenstaan het stormend volk gelijk,strijdbaar in ’t bezit getredenvan des Winters koninkrijk!Nutloos, in zijn’ zware ellenden,heeft het land om hulp gewacht:komt en stoort des vijands benden,velt hem voor uw’ legermacht.Breekt zijn’ bergsteê, slaat zijn’ ridderen,scheurt zijn’ vanen: roept en tiert,dat de verste velden zidderenvan ’t geruchte: zegeviert!Vluchten moet hij weg; verwonnen,wapenloos en wepel[2], gaanzitten waar, in ’t ijs geronnen,onbewoond, zijn’ steden staan.Ruischt dan maar, gij legerscharen;zingt en trommelt overluid,zegevolle zomerblâren:morgen is de winter uit!

Geluwgroene legerscharen,honderdduizend, waar vandaanzijt gij, vastgevoette blâren,komen op de boomen staan?

Nauwlijks heeft twee lentezonnen’s werelds blijde onthaal begroet,of... wie zal ’t getellen konnen,’t leger dat gij porren doet?

Werkzaam, onder ’t machtig streelenvan des morgens windgeweld,op de berken, op de abeelenzie ’k u, in ’t gelid gesteld.

’t Ruischt alom vol zware talen,’t ruischt alom; en ’t krijgsgebaar,stortende in de diepe dalen,dooft alle andere stemmen daar.

Waar vandaan zijt, al in ’t blijdedoek gekleed, gij krijgeren dan?Wie, die zulk een wereldwijdelegervastheid voeden kan?

Zijt ge uit louter locht gesteven,zijt gij zonnestralen teer,schielijk en van licht geweven,duizendwendig bladerenheer?

Zijt gij ’t bloed en ’t merg der boomen,’t boomzijn zelve, of anders ietonbekend, dat uit wil stroomen,al zoo zaan[1]’t de zonne ziet?

Zijt gij... Uwe ontelbaarhedenstaan het stormend volk gelijk,strijdbaar in ’t bezit getredenvan des Winters koninkrijk!

Nutloos, in zijn’ zware ellenden,heeft het land om hulp gewacht:komt en stoort des vijands benden,velt hem voor uw’ legermacht.

Breekt zijn’ bergsteê, slaat zijn’ ridderen,scheurt zijn’ vanen: roept en tiert,dat de verste velden zidderenvan ’t geruchte: zegeviert!

Vluchten moet hij weg; verwonnen,wapenloos en wepel[2], gaanzitten waar, in ’t ijs geronnen,onbewoond, zijn’ steden staan.

Ruischt dan maar, gij legerscharen;zingt en trommelt overluid,zegevolle zomerblâren:morgen is de winter uit!

[1]Dra.

[2]Eenzaam, alleen, zonder maag of vriend.

GEKAMDE KONING CANTECLAAR.Gekamde koning Canteclaar,hoegeren zie ’k u komen daar;gestapt zoo edeldrachtigals Alexander, Atilla,of Karloman zijn’ wederga:heel keizerlijk almachtig!Gij kraait, terwijl ge uw’ vlerken slaat,en ’t stemgeluid dat henengaat,uit uwen hals gedreven,herwekt het slapend menschendom,het boodschapt hem den dag weêrom,den dag, het licht, en ’t leven.Uw’ vonkelende ooge, uw’ rooden kam,een laaiend beeld van vier en vlam,uw’ zwakken steert, uw’ spooren,uwe om end om geglimde borst,uw’ strijdbaarheid, uw’ zegedorst,uw’ stem, zoo schoon om hooren...Wie is er die dat al beschrijft,die, heel in woord en taal gelijfd,doet leven u en waken?Wie is er? Anders geen als gij,heer Canteclaar, die machtig zijuw evenbeeld te maken.Vaart wel dan: ik ontgeef ’t mij, en’k wil weten dat ik verre benbij u voortaan ten onderen;gij hebt, o haan, den prijs behaald,kraait koning nu, en zegepraalt,en laat mij zwijgend wonderen!

Gekamde koning Canteclaar,hoegeren zie ’k u komen daar;gestapt zoo edeldrachtigals Alexander, Atilla,of Karloman zijn’ wederga:heel keizerlijk almachtig!

Gij kraait, terwijl ge uw’ vlerken slaat,en ’t stemgeluid dat henengaat,uit uwen hals gedreven,herwekt het slapend menschendom,het boodschapt hem den dag weêrom,den dag, het licht, en ’t leven.

Uw’ vonkelende ooge, uw’ rooden kam,een laaiend beeld van vier en vlam,uw’ zwakken steert, uw’ spooren,uwe om end om geglimde borst,uw’ strijdbaarheid, uw’ zegedorst,uw’ stem, zoo schoon om hooren...

Wie is er die dat al beschrijft,die, heel in woord en taal gelijfd,doet leven u en waken?Wie is er? Anders geen als gij,heer Canteclaar, die machtig zijuw evenbeeld te maken.

Vaart wel dan: ik ontgeef ’t mij, en’k wil weten dat ik verre benbij u voortaan ten onderen;gij hebt, o haan, den prijs behaald,kraait koning nu, en zegepraalt,en laat mij zwijgend wonderen!

O WILDE EN ONVERVALSCHTE PRACHT.Alre creature sake ende yersticheit.Ruusbrouck.o Wilde en onvervalschte prachtder blommen, langs den watergracht!Hoe geren zie ’k u, aangedaanzoo ’t God geliefde, in ’t water staan!Geboren, arg- en schuldeloos,daar God u eens te willen koos,daar staat ge: en, in den zonneschijn,al dat gij doet is blomme zijn!’t Is wezen, ’t geen mijne ooge aanziet,’t is waarheid, en ge’n dobbelt niet;en die door u mijn hert verblijdtis enkel, zoo gij enkel zijt!Hoe stille is ’t! ’t En verwaait med algeen bladtje, dat ons stooren zal;geen rimpelken in ’t lief gelaatdes waters, dat vol blommen staat;geen wind, geen woord: rondom gespreid,al schaduwe, al stilzwijgendheid!Dan, diepe, diepe in ’t water, blauwt,half groen geblest[1], de hemelvaut;en, priemend’ hier en daar vergaateen langgesponnen zonnedraad.Hoe eerbaar, edel, schoone en fijnkan toch eene enkele blomme zijn,die, al med eens, en zorgloos, uitde hand van heuren Schepper spruit!Door Hem, en door geen menschenhand,lag hier een nederig zaad geplant;door Hem, op dezen oogenblik,ontlook het, en dien troost heb ik,dat, blomme, gij mij bidden doet,en wezen zoo ik wezen moet:aanschouwende en bevroedende inelk uiterste einde ’t oorbegin,den grond van alles; meer gezeid,maar nog niet al: Gods eerstigheid.

Alre creature sake ende yersticheit.Ruusbrouck.

o Wilde en onvervalschte prachtder blommen, langs den watergracht!

Hoe geren zie ’k u, aangedaanzoo ’t God geliefde, in ’t water staan!

Geboren, arg- en schuldeloos,daar God u eens te willen koos,

daar staat ge: en, in den zonneschijn,al dat gij doet is blomme zijn!

’t Is wezen, ’t geen mijne ooge aanziet,’t is waarheid, en ge’n dobbelt niet;

en die door u mijn hert verblijdtis enkel, zoo gij enkel zijt!

Hoe stille is ’t! ’t En verwaait med algeen bladtje, dat ons stooren zal;

geen rimpelken in ’t lief gelaatdes waters, dat vol blommen staat;

geen wind, geen woord: rondom gespreid,al schaduwe, al stilzwijgendheid!

Dan, diepe, diepe in ’t water, blauwt,half groen geblest[1], de hemelvaut;

en, priemend’ hier en daar vergaateen langgesponnen zonnedraad.

Hoe eerbaar, edel, schoone en fijnkan toch eene enkele blomme zijn,

die, al med eens, en zorgloos, uitde hand van heuren Schepper spruit!

Door Hem, en door geen menschenhand,lag hier een nederig zaad geplant;

door Hem, op dezen oogenblik,ontlook het, en dien troost heb ik,

dat, blomme, gij mij bidden doet,en wezen zoo ik wezen moet:

aanschouwende en bevroedende inelk uiterste einde ’t oorbegin,

den grond van alles; meer gezeid,maar nog niet al: Gods eerstigheid.

[1]Gevlekt.

WAAR ZIT DIE HELDERE ZANGER.Waar zit die heldere zanger, dienik hooren kan en zelden zien,in ’t loof geborgen,dees blijden Meidagmorgen?Hij klinkt alom de vogels dood,bij zijnder kelen wondergroot’en felle slagen,in bosschen en in hagen.Waar zit hij? Neen, ’k en vind hem niet,maar ’k hoore, ’k hoore, ’k hoore een liedhem lustig weven:het kettert in de dreven.Zoo zit en zingt er menig man,vroegmorgens op ’t getouwe, om, vangoên drom[1], te makenlanglijdend[2]lijwaadlaken.De wever zingt, zijn’ webbe deunt[3];de la klabakt, ’t getouwe dreunt;en lijzig varende spoelen heen, in ’t garen.Zoo zit er, in den zomer zoel,een, werpende, op den weverstoelvan groene blâren,zijn duizendverwig garen.Wat is hij: mensche of dier of wat?Vol zoetheid, is ’t een wierookvat,daar Engelenhanden,onzichtbaar, reuke in branden?Wat is hij? ’t Is een wekkerspel,vol tanden fijn, vol snaren fel,vol wakkere mondenvan sprekend goud, gebonden.Hij is... daar ik niet aan en kan,een’ sparke viers, een’ boodschap vanveel hooger’ dakenals waarder menschen waken.Horkt! Langzaam, luide en lief getaald,hoe diep’ hij lust en leven haalt,als uit de grondenvan duizend orgelmonden!Nu piept hij fijn, nu roept hij luid’;en ’t zijpzapt hem ter kelen uit,lijk waterbellen,die van de daken rellen.Geteld, nu tokt zijn taalgetik,als ware ’t op een marbelstik[4],dat perelkransen,van ’t snoer gevallen, dansen.Geen vogel of hij weet zijn lied,zijn’ leise[5]en al zijn stemgebied,bij zijnder talen,nauwkeurig af te malen.’t En deert mij niet, hoe oud gedaagd,dat hij den zangprijs henendraagt,en, vogel schoone,mij rooft de dichterkroone!Want mensche en heeft u nooit verstaan,noch al uw’ rijkdom recht gedaan,o wondere talevan koning Nachtegale!

Waar zit die heldere zanger, dienik hooren kan en zelden zien,in ’t loof geborgen,dees blijden Meidagmorgen?

Hij klinkt alom de vogels dood,bij zijnder kelen wondergroot’en felle slagen,in bosschen en in hagen.

Waar zit hij? Neen, ’k en vind hem niet,maar ’k hoore, ’k hoore, ’k hoore een liedhem lustig weven:het kettert in de dreven.

Zoo zit en zingt er menig man,vroegmorgens op ’t getouwe, om, vangoên drom[1], te makenlanglijdend[2]lijwaadlaken.

De wever zingt, zijn’ webbe deunt[3];de la klabakt, ’t getouwe dreunt;en lijzig varende spoelen heen, in ’t garen.

Zoo zit er, in den zomer zoel,een, werpende, op den weverstoelvan groene blâren,zijn duizendverwig garen.

Wat is hij: mensche of dier of wat?Vol zoetheid, is ’t een wierookvat,daar Engelenhanden,onzichtbaar, reuke in branden?

Wat is hij? ’t Is een wekkerspel,vol tanden fijn, vol snaren fel,vol wakkere mondenvan sprekend goud, gebonden.

Hij is... daar ik niet aan en kan,een’ sparke viers, een’ boodschap vanveel hooger’ dakenals waarder menschen waken.

Horkt! Langzaam, luide en lief getaald,hoe diep’ hij lust en leven haalt,als uit de grondenvan duizend orgelmonden!

Nu piept hij fijn, nu roept hij luid’;en ’t zijpzapt hem ter kelen uit,lijk waterbellen,die van de daken rellen.

Geteld, nu tokt zijn taalgetik,als ware ’t op een marbelstik[4],dat perelkransen,van ’t snoer gevallen, dansen.

Geen vogel of hij weet zijn lied,zijn’ leise[5]en al zijn stemgebied,bij zijnder talen,nauwkeurig af te malen.

’t En deert mij niet, hoe oud gedaagd,dat hij den zangprijs henendraagt,en, vogel schoone,mij rooft de dichterkroone!

Want mensche en heeft u nooit verstaan,noch al uw’ rijkdom recht gedaan,o wondere talevan koning Nachtegale!

[1]Schering.

[2]Langmeegaand, duurzaam. Lijden = gaan.

[3]Schudt, trilt.

[4]Stik = stuk.

[5]Lied.

DE NAVOND KOMT ZOO STIL.De navond komt zoo stil, zoo stil,zoo traagzaam aangetreden,dat geen en weet, wanneer de dagof waar hij is geleden[1].’t Is avond, stille... en, mij omtrent,is iets, of iemand, onbekend,die, zachtjes mij beroerend, zegt:„’t Is avond en ’t is rustens recht.”De boomen dragen gansch de lochtvol groen, nog onbestoven;en ’k zie, zoo dicht hun’ blaren staan,nog nauwlijks door de hoven;’k en hoore niets, al om end om,van ’t zoetgekeelde vogelendom,’t en zij, het donker loof beneên,den nachtegaal zijne avondbeên.Hij zingt! Ach, wist hij zelf hoe schoonhij zingt! Het is onwetend,dat zingend hij mijne ooren boeit,en aan zijn’ kele ketent.Ach, wist hij ’t gene ik wetend ben:dat dankbaar ik toch wete en kenwie hem zijn’ tale, en mij daaraf’t genoegen en ’t genieten, gaf!Hoe lieflijk zingt hij! Maar, wat hooreensgangs ik ginder gekken?Wat is ’t, dat her en weder herverergerend gerrebekken?Och, vorschenvolk, in ’t waterwied,houdt op! En stoort de stilte niet:laat hooren mij dat leutig slaan...en, kwelgediert, houdt op voortaan!Hebt daar!... Het speit, den steen rondom,en, uitgestrekter schenen,zijn al de vorschen, diepe in ’t goor,in ’t zwijgend goor verdwenen!...Eilaas, de nacht en ’t donker zijnbezitten nu den zanger mijn:noch nachtegaal, noch ruit, noch muit[2],en hoore ik meer... ’t is uit, ’t is uit!

De navond komt zoo stil, zoo stil,zoo traagzaam aangetreden,dat geen en weet, wanneer de dagof waar hij is geleden[1].’t Is avond, stille... en, mij omtrent,is iets, of iemand, onbekend,die, zachtjes mij beroerend, zegt:„’t Is avond en ’t is rustens recht.”

De boomen dragen gansch de lochtvol groen, nog onbestoven;en ’k zie, zoo dicht hun’ blaren staan,nog nauwlijks door de hoven;’k en hoore niets, al om end om,van ’t zoetgekeelde vogelendom,’t en zij, het donker loof beneên,den nachtegaal zijne avondbeên.

Hij zingt! Ach, wist hij zelf hoe schoonhij zingt! Het is onwetend,dat zingend hij mijne ooren boeit,en aan zijn’ kele ketent.Ach, wist hij ’t gene ik wetend ben:dat dankbaar ik toch wete en kenwie hem zijn’ tale, en mij daaraf’t genoegen en ’t genieten, gaf!

Hoe lieflijk zingt hij! Maar, wat hooreensgangs ik ginder gekken?Wat is ’t, dat her en weder herverergerend gerrebekken?Och, vorschenvolk, in ’t waterwied,houdt op! En stoort de stilte niet:laat hooren mij dat leutig slaan...en, kwelgediert, houdt op voortaan!

Hebt daar!... Het speit, den steen rondom,en, uitgestrekter schenen,zijn al de vorschen, diepe in ’t goor,in ’t zwijgend goor verdwenen!...Eilaas, de nacht en ’t donker zijnbezitten nu den zanger mijn:noch nachtegaal, noch ruit, noch muit[2],en hoore ik meer... ’t is uit, ’t is uit!

[1]Voorbijgegaan.

[2]Niet het minste stemgerucht.


Back to IndexNext