II.

[Inhoud]II.Eerste kennismaking met Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara.—De beet eener slang.—Beraadslaging.—Een zondenbok.—De „titih.”—Eene cholerauitvaart.—Een geweerschot, gevolgd door een kanonschot en een salvo.—De eerste maat van een begonnen liedje.—„Neem plaats, Tomonggong,” zei de kommandant met plichtpleging, terwijl hij een stoel naderbij schoof, „ik ga even sigaren krijgen.”De Tomonggong trad middelerwijl op den dokter toe, boog ongedwongen het hoofd, stak hem de hand toe en prevelde zijn groet:„Tabeh toean, saja harap toean ada baik” (Goeden dag mijnheer, ik hoop dat mijnheer wel is).De dokter was uit zijn gemakkelijke houding opgesprongen; hij deed een stap voorwaarts, greep de hem toegestoken hand en drukte haar met warmte. Van de kortstondige afwezigheid van den luitenant gebruik makende, fluisterde hij het districtshoofd toe, na eerst behoedzaam en angstig rondgekeken te hebben:„Zij moeten gered worden, zij mogen niet in handen der Hollanders vallen!”De Tomonggong sloeg een doordringenden blik op den dokter; zijn goedaardig gezicht teekende verbazing. Aan verraad en valschheid gewoon, te midden daarvan om zoo te zeggen levende, is het eerste gevoel van den[16]Oosterling, hoe rechtschapen hij zelf moge wezen, een gevoel van wantrouwen. Hij denkt steeds, dat hem een strik gespannen wordt. Zoo ook de Tomonggong, bij die voor hem zoo raadselachtige woorden.„Dat zal moeielijk gaan”, fluisterde hij, „de Heer kommandant zal zijn maatregelen wel goed nemen; en ik.…. ik”, vervolgde hij na een oogenblik van weifeling, „ik moet gehoorzamen.”„Bij Mahatara! Tomonggong, red hen, red hen. Zie, ik smeek het. Als gij meent, mij eenige dankbaarheid verschuldigd te zijn, sla dan mijne bede niet af. Het zijn mijne landslieden!”Met saamgevouwen handen, in gebogen houding stond de dokter voor den Dajak. De omstandigheid, waarop hij hier scheen te duiden, trof het hoofd. Kambang, de oudste dochter, de lievelinge des ouden Tomonggongs, was eens door eene „handipèh boemboeng enjoh1,” een zeer gevaarlijke slangensoort, gebeten geworden. De vader in zijn verbijstering liet „obat panawar pari2” halen. Middelerwijl had onze dokter, die bij het ongeval tegenwoordig was, maar geen hulpmiddelen op dat oogenblik ten zijnen dienste had, met groot levensgevaar de wond uitgezogen en ze daarna met een stuk hout uitgebrand. Zoodoende had hij de lieve maagd behouden. Bij die herinnering greep nu de vader, alle wantrouwen latende varen, aangedaan de hand van den[17]redder zijns kinds en prevelde iets met bewogen stem, dat de dokter niet verstaan kon, daar de luitenant met een gevulden sigarenkoker uit het aangrenzende vertrek te voorschijn trad, ieder der aanwezigen een geurige manilla aanbood en zelf eene opstak; waarna hij zich op een stoel neervleide en, als vervolgde hij een reeds aangevangen gesprek, zich tot den Tomonggong richtte:„En niemand in den kampong heeft van die vlucht iets bemerkt, niemand heeft die soldaten gezien?”„Neen Heer.”„Dat is zonderling, hoogst zonderling. Maar hoe weet gij dat, Tomonggong? Zij hebben toch een vaartuig moeten meester worden, want een ontvluchting over land is onmogelijk.”„Indien iemand een djoekoeng3of prauw gemist had, zou daaromtrent zeker een klacht bij mij zijn ingekomen. De ontvluchting van blanken uit het fort daarenboven zal opzien genoeg baren; ik zou daarvan wel wat vernomen hebben, wanneer er reeds iets van bekend ware.”De luitenant bedacht zich een oogenblik. Hij scheen in tweestrijd. Eindelijk hernam hij:„Tomonggong, ik moet die menschen in handen hebben. Eensdeels om het aanlokkelijke van het gegeven voorbeeld bij onze jonge soldaten tegen te gaan, maar ook om vechtpartijen en gruwelen te voorkomen. Want voorzeker zullen zij aangerand en misschien vermoord worden, wanneer zij te midden der stammen in de bovenlanden geraken.”„Ja zeker Heer, zullen zij dat. De „olo kajau” (koppensnellers) zullen hen niet ontzien. Maar zoudt gij[18]denken, dat zij zich naar de binnenlanden, zouden begeven?”„Naar zee is een vlucht zoo goed als onmogelijk,” was het antwoord van den luitenant. „Voor de monding der rivier liggen twee kruisbooten op brandwacht, terwijl de geheele zuidkust door stoomschepen geblokkeerd is. Maar gesteld zelfs, dat zij door dien gordel heen komen, wat dan? Zullen zij zich in een nietige prauw of djoekoeng—want over een zeewaardig vaartuig zullen zij wel niet te beschikken hebben—op de open zee wagen, vooral in dit seizoen, nu de westenwinden met kracht doorblazen? Dat zou met zelfmoord gelijk staan. En dan nog waarheen? Ja, waarheen? Naar Java? dat zou het eenige zijn; maar daar zouden zij ter nauwernood geland zijn, of zij zouden zich in handen der politie bevinden. Men is daar zeer op zijn hoede. Mijns bedunkens kunnen zij niet anders, dan zich in de binnenlanden werpen. Zij zullen de bewoonde oorden vermijden en trachten Sarawak op de noordkust des eilands te bereiken.”„Zouden zij dat niet kunnen over zee?” mengde zich de dokter in het gesprek.„Dan moeten zij eerst de kruisbooten voorbij, dan moeten zij de blokkade verbreken en, is dat alles gelukt, zijn zij Tandjoeng Batoe Titi, de zuidwestelijkste punt van Borneo, omgezeild, dan komen zij in de koerslijn der vaartuigen van Oost-Java naar Borneo’s westkust en naar Singapore; zij komen dan in de volle Chineesche zee, waar in dit seizoen honderd gevaren aangrijnzen en honderd kansen bestaan, om om te komen of opgepakt te worden, tegen niet een kans om te slagen. Ja, naar Sarawak zullen ze trachten te komen, maar dwars door het eiland heen!”„Maar dat is zeer ver Heer,” sprak de Tomonggong[19]ernstig, „en de gevaren zijn niet minder, dat weet gij.”„Ja, dat weet ik, Tomonggong, maar dat zijn gevaren waar tegen te strijden valt en, geloof mij, het zijn kloeke onversaagde kerels. Zij zullen alles beproeven en ik verzeker u, zij zullen alles op het spel zetten. Komaan! er mag niet getalmd worden. Ieder oogenblik is kostbaar. Ga nu naar uw woning terug; roep onmiddellijk de hoofden van de meest nabij gelegen kampongs bijeen. Laat ze een vijftigtal mannen te zamen brengen, voorzie die van levensmiddelen voor een paar dagen. Zij moeten hunne wapenen medevoeren. Dat alles moet over twee uren gereed zijn om te vertrekken. Ik kom dan zelf zien en mijne bevelen mededeelen.”„Maar zal de gevangenneming goedschiks geschieden, Heer?”„Daaraan twijfel ik; maar daarom zei ik de wapenen mede te nemen. Ik stel er hoogen prijs op, de vluchtelingen levend en ongedeerd in handen te krijgen. Mochten zij zich echter te weer stellen en van hunne wapenen gebruik maken, dan.….”Hier aarzelde de luitenant, hij wist hoe zwaar zijne woorden hier golden. De dokter stond doodsbleek met krampachtig gebalde vuisten. De kommandant vervolgde na een oogenblik peinzens met een stem, als bleef hem iets wrangs in de keel steken:„Mochten zij van hunne wapenen gebruik maken, dan is tegenweer geoorloofd. Laat een uwer invloedrijkste hoofden, bij voorbeeld Damboeng Papoendeh, den tocht aanvoeren. Stuur dien man dadelijk bij mij, dan kan ik hem vertellen, wat hij te doen heeft.”De luitenant sprak op afdoenden toon, als gewoon bevelen te geven, als gewoon schielijk maatregelen te beramen en beslissingen te nemen. Zijn geestkracht werkte aanstekelijk op den Tomonggong, die reeds opstond, om[20]heen te ijlen. Een blik op den dokter geworpen, stemde hem tot nadenken. Het gezicht van den medicus teekende angst en vertwijfeling. In een oogenblik, dat de luitenant hem niet opmerkte, namen zijne oogen zulk een smeekende uitdrukking aan, dat de Dajak hem begreep. Deze streek met de hand over zijn sarong, alsof de plooien hem hadden gehinderd en ging daarop weer zitten.„Heer, met uw verlof,” sprak hij zacht maar vast, „het zal niet gaan. Het is reeds laat. Welke opschudding zal een dergelijk bevel in de kampongs niet geven?”„Wel, wat zou dat?” stoof de luitenant op.„Vrouwen en kinderen zullen zeer beangst worden. Men zal in de zaak geheel iets anders zien, dan er in is, en gij weet Heer! dat, niettegenstaande uwe pogingen tot bevrediging der negorij, een groot gedeelte van de bevolking nog niet geheel te vertrouwen is. Daarenboven loopen geruchten—ik deelde ze u gisteren reeds mede—datDoessonschekoppensnellers met hunne rangkan’s4in de buurt verschenen zijn en, hoewel ik daar niet aan geloof, zou het niet onmogelijk te achten zijn, dat een aantal huisgezinnen nog dezen nacht hunne woningen verlieten, om in de wildernis een toevlucht te zoeken.”„Maar Tomonggong!”.… wilde de luitenant hem in de rede vallen.„Geloof mij Heer,” hernam het districtshoofd ernstig en met vaste stem, „geloof mij, gij kent mij, ik ben een trouw onderdaan van de Hollanders. Het doel van die nachtelijke oproeping zal niet, of zal verkeerd begrepen[21]worden. Allen zullen beangst worden en niet het minst de familieleden van hen, die voor dien tocht zullen geprest worden. Daarenboven, werwaarts zullen de uittrekkenden zich wenden? Gij zegt wel, dat de vluchtelingen zich niet zeewaarts zullen begeven hebben. Dat Mijnheer het mij vergeve, mij duizendmaal vergeve; maar ik kan zijn gevoelen zoo maar niet deelen. Maar, al ware het uitgemaakt, onbetwistbaar duidelijk, dat de vluchtelingen landwaarts ingetogen zijn, dan nog herhaal ik mijne vraag, werwaarts zullen mijne Dajaks zich wenden? Het eiland Kalimantan5is zeer groot, en wie zal hen in de dikke duisternis op het goede spoor brengen?”„Maar wat dan?” vroeg de luitenant ongeduldig.„Wachten Heer, wachten,” was het bedaarde antwoord. „Morgen al heel vroeg zal ik wel te weten komen, hoe uwe soldaten ontvlucht zijn en ik verzeker het u, ik zal hen dan gauw op het spoor zijn. Zij hebben het district niet ongemerkt kunnen verlaten; maar waar nu bij de duisternis van den nacht en bij de loopende geruchten aarzeling en vrees heerschen om mij te komen inlichten, zal ik morgen, als de dag helder schijnt, wel spoedig op de hoogte zijn. De bevolking zal dan ook ras weten, wat het doel van den tocht is; vergissing of opzettelijke misleiding is dan niet meer mogelijk, en ongetwijfeld zal het mij dan hoegenaamd geen moeite kosten het noodige getal vrijwilligers bij elkander te brengen. En mocht Mijnheer het niet afkeuren, dan wenschte ik zelf morgen den tocht aan te voeren; iets wat ik heden avond onmogelijk zou kunnen op mij nemen.”[22]De luitenant aarzelde een oogenblik en dacht na. Het was stil in de kamer. Alleen hoorde men de hijgende ademhaling van den dokter en buiten weerklonken de voetstappen der op en neer wandelende schildwachten op de bedding van het geschut, waarbij zij op post stonden. De officier scheen eindelijk een besluit genomen te hebben, althans hij hernam:„Gij hebt gelijk Tomonggong, geheel en al gelijk, en ik dank u voor de goede raadgeving. En toch wenschte ik wel, dat de vervolging nog heden avond had kunnen beginnen; want hoe spoediger in mijne handen, hoe minder de arme drommels te lijden zullen hebben. Zij zullen hun uitstapje duur genoeg betalen,” vervolgde hij bitter en met een zucht: „wie weet wellicht met hun leven!”„Ja, dat weet Hatallah6alleen,” zei de Tomonggong met vromen eerbied in zijn stem, „het gevaar dat zij te gemoet treden is groot.”„Welnu dan,” hernam de luitenant, „tot morgen! al heel vroeg wacht ik eenig bericht. Maar wacht, ik weet nog beter. Om geen tijd te verliezen, kom ik nog vóór zonsopgang bij u, Tomonggong. Wij kunnen dan alles te zamen verder beschikken. Ik ga nu bevelen geven om u uit te laten.”En daarop verliet hij het vertrek.Een oogenblik alleen met het districtshoofd, sprong de dokter op en drukte hem met warmte de hand.„Zij hebben nu een voorsprong van ruim zes uur,” zeide hij met verrukking.„Dat is niet veel”, meende onze Dajak.[23]„Toch genoeg voorshands; o! wat dank ik u!”De luitenant kwam binnen; zij konden het gesprek niet voortzetten.Nadat de Tomonggong afscheid genomen en het fort verlaten had, zaten de kommandant en de dokter nog een poos bij elkander, om de flesch te ledigen, die zoo even ter eere van het districtshoofd ontkurkt was.„Een beroerde geschiedenis!” ontsnapte den luitenant met een stopwoord, dat zijn gemoedsaandoening moest te kennen geven.„Ja zeker, een beroerde geschiedenis, maar vooral voor die arme drommels.”„Maar voor mij niet minder. Behalve de inspanningen en vermoeienissen, behalve de gevaren van allerlei aard, die mij te wachten staan, zullen ook wel de noodige standjes afgeschoven worden. Gij weet, bij ons legt men zoo gaarne de zaken ten nadeele uit en zoekt men daaraan een hatelijken zelfkant. Het zoeken van een zondebok, wanneer iets onaangenaams voorvalt, is eene inheemsche Nederlandsche ziekte.”„Maar de overste Afdeelings-Kommandant is toch daar de man niet toe!”„O, die zal het ook niet doen. Het zal wel van hooger komen. O! zij zijn te Batavia zoo snugger! Als het er op aankomt naar het hoofdbestuur in den Haag te kunnen rapporteeren, dat door het geringe doorzicht en de weinig menschkundige handelingen van een luitenant, vier Europeesche soldaten in vollen oorlogstijd gedrost zijn; en als men er dan bijvoegen kan, dat de schuldige ernstig is te recht gewezen, dan is het genot zonder weerga. Men is dan tevreden in den Haag en vraagt naar meer niet. Zelf heeft men immers geen schuld?”„Geen schuld!!” stoof de dokter woedend op. „Geen[24]schuld!! de geheele schuld ligt in den Haag; want.…”„Tu tu tu, mijn waarde mof, geen politiek, wat ik je bidden mag,” stopte de luitenant bij tijds. „Al heb je gelijk, dan heb je toch ongelijk, zooveel ervaring heb je toch reeds in het leven opgedaan. Kom, het is al laat geworden, laten wij ons mandje gaan opzoeken, het is morgen vroeg dag, althans voor mij.”De beide mannen reikten elkander de hand; de dokter verliet het vertrek om naar zijn mandje te gaan, zooals de uitdrukking luidde. Alvorens evenwel in het zijne te kruipen, ging de luitenant nog eens de ronde doen om zich te overtuigen, dat de noodige waakzaamheid werd betracht.Een oogenblik stond hij op het zuidelijk bastion te turen. Die geschutstelling beheerschte de geheele watervlakte, gevormd door de samenvloeiing van de Poeloe-Petak rivier met de Kapoeas-Moeroeng, aldaar ruim twaalf honderd ellen breed. De nacht was in zijne volle pracht; de sterren schitterden aan den donkerblauwen hemel en weerkaatsten met liefelijken glans in den vloed; de bosschen, die de oevers omzoomden, staken scherp en als een zwarte massa tegen den niet geheel donkeren gezichteinder af. Op den oostelijken oever van de Poeloe-Petak rivier ontwaarde men de omtrekken van de Dajaksche woningen tusschen het groen, en hier en daar flikkerde de vlam eener lamp tusschen de boomen en struiken.Behalve eenige blaffende honden in de verte, was alles doodstil en liet zich het geruisch en gekabbel van den snelvlietenden stroom zacht, maar duidelijk waarnemen.Terwijl de luitenant daar stond, tegen de borstwering geleund, dat schouwspel aan te staren, en hij in gedachten verzonken scheen, lieten zich plotseling de tonen der „titih” hooren.[25]De „titih” is bij de Dajaks de doodenklok. Zij bestaat uit vier „garantong’s” (metalen bekkens van verschillende grootte) en weerklinkt de eerste maal, zoodra iemand gestorven is; de tweede maal, wanneer het lijk in de kist gelegd wordt; de derde maal, wanneer het lijk naar zijne laatste woning gevoerd wordt, en eindelijk de laatste maal, wanneer die woning gesloten wordt. Alleen bij de overvoering van het lijk klinkt de doodenklok aanhoudend, zoolang de vaart duurt; de andere keeren weerklinkt zij slechts telkenmale gedurende vijf minuten. Men luidt haar, door met regelmatige tusschenpoozen van ongeveer twee seconden een slag te doen hooren op de drie garantong’s met lichten toon en die te doen volgen door een zwaren toon. Uiterst weemoedig weerklinkt dat ting, ting, ting, toong over Borneo’s breede stroomen en stemt wel tot droefgeestigheid.Bij de eerste tonen, die weerklonken, had de luitenant het oor gespitst en zich de vraag gedaan, wie er wel overleden kon zijn in den kampong. Maar weldra waren zijne gedachten weer op de desertie, die plaats gehad had, gevestigd. Toen evenwel de „titih” na een poos niet ophield en bleef weerklinken, begreep hij, dat een uitvaart plaats had en dat wekte wel ietwat zijne verwondering. Met dat het zeldzaam zoude zijn, dat de Dajaks hunne dooden bij nacht bijzetten; hoewel nu niet algemeen, gebeurde dat wel meer, vooral wanneer de overledene aan een besmettelijke ziekte bezweken was; maar in den laatsten tijd had de luitenant verzocht geen uitvaarten meer te houden gedurende den nacht wegens den oorlogstijd, en dat alleen te doen bij volstrekte noodzakelijkheid. Sedert lang was op dat verzoek, eer een bevel, geen inbreuk gemaakt en nu, nu, dat was wel toevallig.…[26]„Ha! ik ben er,” zei de luitenant als gerustgesteld, „ik ben er, gisteren heeft mij de Tomonggong verteld, dat er twee gevallen van cholera in kampong Soengei Antassan Barimba waren. Een daarvan zal overleden zijn. De kerels hebben gelijk den doode maar weg te moffelen.”En werkelijk, heel in de verte, van den kant des genoemden kampongs, verschenen twee prauwen, overvloedig met vlaggen en fakkels versierd, welke laatsten haar rood licht over de watervlakte weerkaatsten. Akelig klonken de tonen der „titih” in de nachtelijke stilte. Toen de prauwen langzamerhand nader bij kwamen, weerklonken nog andere geluiden en kon men duidelijk de gezangen der „balians” (priesteressen), die zij met een dof getrommel op hare „katambong’s” (kleine trommen) begeleidden, waarnemen. Toen de vaartuigen nog dichter bij kwamen, klonk het treurgezang:„Dadari liau olo matäi, tandjoeng dari liau balongkang, tandjoeng-danoem …” enz.7over de watervlakte en bereikte des luitenants gehoor. Alles scheen dan ook in orde; uit de voorste prauw klonken de gezangen en het getrommel der balians; achter dat vaartuig volgde onmiddellijk de prauw, waarin de „raoeng” (doodkist met beeldhouwwerk versierd) geplaatst was, en waarin de „titih” geslagen werd. Om evenwel op alles voorbereid te zijn in een tijd van listen en lagen, teneinde onze posten te overrompelen, deed de luitenant de manschappen der wacht onder de wapens komen en postvatten op het bastion, waarop hij zich bevond. Ook gelastte hij een onderofficier, de naderende prauwen te verkennen en op alles nauwkeurig acht te geven. Toen een der[27]schildwachten zijn „werda” deed weerklinken, werd die roep naar behooren beantwoord en aan het bevel, om aan te leggen, onmiddellijk voldaan. De sergeant doorzocht de eerste prauw, wisselde een kwinkslag met de priesteressen, maar ontwaarde niets verdachts. In de tweede was ook niets te bespeuren. Een akelige stank, eigen aan de lijken van hen, die aan cholera bezweken zijn, steeg uit deraoengop en noodzaakte het onderzoek te verkorten. De vaartuigen staken van wal en onder den krachtigen roeislag van een twintigtal roeiers, geholpen door den zwaren stroom, schoten zij spoedig het fort voorbij. De luitenant tuurde hen nog na en scheen als in gedachten verzonken, toen plotseling een hoofd zich als een zwarte schim boven de dakbedekking van de tweede prauw vertoonde en een stem zich verhief, die uitriep:„M.…! pour les têtes de fromage! Enfoncés les Hollandais!”Het metM.…aangeduide woord was het woord van Cambronne in den slag van Waterloo, en is bij onze zuidelijke broeders zeer in zwang; zoo ook het „tête de fromage” als scheldwoord tegen de Hollanders.Onze luitenant was dan ook dadelijk op de hoogte en begreep, dat de vluchtelingen zich in de doodenprauw bevonden. Hij riep den roeiers toe:„Gagoelong kantoh ikau, mambalik goelongoeloeng!” (Halt! hierkomen, dadelijk omkeeren.)Tot antwoord klonk nogmaals hetM.…!, gevolgd door een geweerschot, dat een Javaansch soldaat, naast den luitenant staande, lichtelijk schrampte. Toen draaide de luitenant met behulp van een paar soldaten het kanon, dat op het bastion stond—een 7 Cm. op cirkelaffuit—en steeds geladen was, snel in de richting der prauwen, boog zich over het stuk, gaf het met[28]behulp der stelschroef de noodige inclinatie, greep den vuurstok, waarop de zunder, ontstak dezen aan de steeds brandende lont en.… boum! daar dreunde het schot. Het was echter nacht en het richten vrij onzeker geweest. Daarenboven dreef de snelle stroom de prauwen overhaast voort en repten ook de roeiers zich met inspanning om uit die gevaarlijke buurt te geraken. De kogel sloeg vlak achter de achterste prauw in het water, ricochetteerde, sprong over dat vaartuig en sloeg door de dakbedekking van het voorste en bracht zoo, door de wieling van het water en door den schok tegen het dak, de beide prauwen in groot gevaar van om te slaan en te zinken. Dadelijk daarop en nog vóór dat de algemeene ontsteltenis maar eenigszins bedaard was, weerklonk van het bastion een salvo geweerschoten, dat een hagelbui van kogels door de prauwen joeg, waardoor twee roeiers gedood en een gewond werden. Maar de stroom sleepte de vaartuigen met kracht mede; nog voor dat herladen kon zijn, waren zij aan het gezicht onttrokken en in het nachtelijk duister verdwenen.„Dat salvo was raak,” zei de dokter, die zijn bed uitgevlogen was, en nu naast den kommandant op het bastion stond, „dat salvo was raak, wat een gegil ging er uit de prauwen op!”„Ja het was raak,” antwoordde de luitenant ernstig, „maar.… dat is de eerste maat van het liedje, dat gezongen wordt. Ik had mij door den Tomonggong niet moeten laten overhalen, om den tocht tot morgen uit te stellen, wellicht ware dan het nu gebeurde voorkomen geworden. Hebt gij Troenosmito verbonden?”„Niet noodig geweest, een onbeduidende schramp, die ik met jenever met water heb doen afwasschen.”„Kom, laten wij dan gaan slapen; ik weet nu waarheen[29]de deserteurs getogen zijn; morgen al heel vroeg kan de vervolging beginnen.”Beide mannen reikten elkaar nogmaals de hand en weldra verving een diepe stilte het rumoer van straks, een stilte, die slechts afgebroken werd door den rustigen stap der schildwachten.[30]1„Handipèh” beteekent slang; „boemboeng enjoh” is de naam van de fijne nog niet ontwikkelde bladeren van den klapperboom. De slang, aldus genoemd, is een boomslang, wordt zoo wat twee d.M. lang, is zeer dun van lijf, zoo wat ter dikte van een pijpensteel, heeft een fraaie lichtgroene kleur en is zeer vergiftig.↑2„Panawar” is een slingerplant, welker stam zoo wat een vinger dik wordt. Er zijn twee soorten: de „panawar gantong” heeft geelachtig hout; de „panawar pari” bruinachtig. Deze laatste is zeer bitter en wordt fijngewreven als tegengift tegen slangenbeten gebruikt.↑3Djoekoeng is een boomstam uitgehold en zoo tot vaartuig gevormd.↑4Rangkan en djoekoeng zijn vaartuigen, van een uitgeholden boomstam gemaakt. De rangkan is echter veel grooter dan de djoekoeng.In eerstgenoemd kunnen twintig tot veertig personen plaatsnemen, in laatstgenoemd hoogstens drie of vier.↑5Kalimantan is de naam van het eiland Borneo bij de inlandsche bewoners.↑6Mahatara en Hatallah beteekenen beide „God”. Het eerste woord zal de Dajak evenwel nimmer gebruiken, wanneer hij tot een Europeaan of een Maleier spreekt. Het andere woord wordt nimmer gebezigd, wanneer Dajaks onder elkander zijn.↑7Vlucht, ziel des overledenen, stijg op den nevel, vlucht, ziel des gevallenen, des verlorenen, bewandel het water.↑

[Inhoud]II.Eerste kennismaking met Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara.—De beet eener slang.—Beraadslaging.—Een zondenbok.—De „titih.”—Eene cholerauitvaart.—Een geweerschot, gevolgd door een kanonschot en een salvo.—De eerste maat van een begonnen liedje.—„Neem plaats, Tomonggong,” zei de kommandant met plichtpleging, terwijl hij een stoel naderbij schoof, „ik ga even sigaren krijgen.”De Tomonggong trad middelerwijl op den dokter toe, boog ongedwongen het hoofd, stak hem de hand toe en prevelde zijn groet:„Tabeh toean, saja harap toean ada baik” (Goeden dag mijnheer, ik hoop dat mijnheer wel is).De dokter was uit zijn gemakkelijke houding opgesprongen; hij deed een stap voorwaarts, greep de hem toegestoken hand en drukte haar met warmte. Van de kortstondige afwezigheid van den luitenant gebruik makende, fluisterde hij het districtshoofd toe, na eerst behoedzaam en angstig rondgekeken te hebben:„Zij moeten gered worden, zij mogen niet in handen der Hollanders vallen!”De Tomonggong sloeg een doordringenden blik op den dokter; zijn goedaardig gezicht teekende verbazing. Aan verraad en valschheid gewoon, te midden daarvan om zoo te zeggen levende, is het eerste gevoel van den[16]Oosterling, hoe rechtschapen hij zelf moge wezen, een gevoel van wantrouwen. Hij denkt steeds, dat hem een strik gespannen wordt. Zoo ook de Tomonggong, bij die voor hem zoo raadselachtige woorden.„Dat zal moeielijk gaan”, fluisterde hij, „de Heer kommandant zal zijn maatregelen wel goed nemen; en ik.…. ik”, vervolgde hij na een oogenblik van weifeling, „ik moet gehoorzamen.”„Bij Mahatara! Tomonggong, red hen, red hen. Zie, ik smeek het. Als gij meent, mij eenige dankbaarheid verschuldigd te zijn, sla dan mijne bede niet af. Het zijn mijne landslieden!”Met saamgevouwen handen, in gebogen houding stond de dokter voor den Dajak. De omstandigheid, waarop hij hier scheen te duiden, trof het hoofd. Kambang, de oudste dochter, de lievelinge des ouden Tomonggongs, was eens door eene „handipèh boemboeng enjoh1,” een zeer gevaarlijke slangensoort, gebeten geworden. De vader in zijn verbijstering liet „obat panawar pari2” halen. Middelerwijl had onze dokter, die bij het ongeval tegenwoordig was, maar geen hulpmiddelen op dat oogenblik ten zijnen dienste had, met groot levensgevaar de wond uitgezogen en ze daarna met een stuk hout uitgebrand. Zoodoende had hij de lieve maagd behouden. Bij die herinnering greep nu de vader, alle wantrouwen latende varen, aangedaan de hand van den[17]redder zijns kinds en prevelde iets met bewogen stem, dat de dokter niet verstaan kon, daar de luitenant met een gevulden sigarenkoker uit het aangrenzende vertrek te voorschijn trad, ieder der aanwezigen een geurige manilla aanbood en zelf eene opstak; waarna hij zich op een stoel neervleide en, als vervolgde hij een reeds aangevangen gesprek, zich tot den Tomonggong richtte:„En niemand in den kampong heeft van die vlucht iets bemerkt, niemand heeft die soldaten gezien?”„Neen Heer.”„Dat is zonderling, hoogst zonderling. Maar hoe weet gij dat, Tomonggong? Zij hebben toch een vaartuig moeten meester worden, want een ontvluchting over land is onmogelijk.”„Indien iemand een djoekoeng3of prauw gemist had, zou daaromtrent zeker een klacht bij mij zijn ingekomen. De ontvluchting van blanken uit het fort daarenboven zal opzien genoeg baren; ik zou daarvan wel wat vernomen hebben, wanneer er reeds iets van bekend ware.”De luitenant bedacht zich een oogenblik. Hij scheen in tweestrijd. Eindelijk hernam hij:„Tomonggong, ik moet die menschen in handen hebben. Eensdeels om het aanlokkelijke van het gegeven voorbeeld bij onze jonge soldaten tegen te gaan, maar ook om vechtpartijen en gruwelen te voorkomen. Want voorzeker zullen zij aangerand en misschien vermoord worden, wanneer zij te midden der stammen in de bovenlanden geraken.”„Ja zeker Heer, zullen zij dat. De „olo kajau” (koppensnellers) zullen hen niet ontzien. Maar zoudt gij[18]denken, dat zij zich naar de binnenlanden, zouden begeven?”„Naar zee is een vlucht zoo goed als onmogelijk,” was het antwoord van den luitenant. „Voor de monding der rivier liggen twee kruisbooten op brandwacht, terwijl de geheele zuidkust door stoomschepen geblokkeerd is. Maar gesteld zelfs, dat zij door dien gordel heen komen, wat dan? Zullen zij zich in een nietige prauw of djoekoeng—want over een zeewaardig vaartuig zullen zij wel niet te beschikken hebben—op de open zee wagen, vooral in dit seizoen, nu de westenwinden met kracht doorblazen? Dat zou met zelfmoord gelijk staan. En dan nog waarheen? Ja, waarheen? Naar Java? dat zou het eenige zijn; maar daar zouden zij ter nauwernood geland zijn, of zij zouden zich in handen der politie bevinden. Men is daar zeer op zijn hoede. Mijns bedunkens kunnen zij niet anders, dan zich in de binnenlanden werpen. Zij zullen de bewoonde oorden vermijden en trachten Sarawak op de noordkust des eilands te bereiken.”„Zouden zij dat niet kunnen over zee?” mengde zich de dokter in het gesprek.„Dan moeten zij eerst de kruisbooten voorbij, dan moeten zij de blokkade verbreken en, is dat alles gelukt, zijn zij Tandjoeng Batoe Titi, de zuidwestelijkste punt van Borneo, omgezeild, dan komen zij in de koerslijn der vaartuigen van Oost-Java naar Borneo’s westkust en naar Singapore; zij komen dan in de volle Chineesche zee, waar in dit seizoen honderd gevaren aangrijnzen en honderd kansen bestaan, om om te komen of opgepakt te worden, tegen niet een kans om te slagen. Ja, naar Sarawak zullen ze trachten te komen, maar dwars door het eiland heen!”„Maar dat is zeer ver Heer,” sprak de Tomonggong[19]ernstig, „en de gevaren zijn niet minder, dat weet gij.”„Ja, dat weet ik, Tomonggong, maar dat zijn gevaren waar tegen te strijden valt en, geloof mij, het zijn kloeke onversaagde kerels. Zij zullen alles beproeven en ik verzeker u, zij zullen alles op het spel zetten. Komaan! er mag niet getalmd worden. Ieder oogenblik is kostbaar. Ga nu naar uw woning terug; roep onmiddellijk de hoofden van de meest nabij gelegen kampongs bijeen. Laat ze een vijftigtal mannen te zamen brengen, voorzie die van levensmiddelen voor een paar dagen. Zij moeten hunne wapenen medevoeren. Dat alles moet over twee uren gereed zijn om te vertrekken. Ik kom dan zelf zien en mijne bevelen mededeelen.”„Maar zal de gevangenneming goedschiks geschieden, Heer?”„Daaraan twijfel ik; maar daarom zei ik de wapenen mede te nemen. Ik stel er hoogen prijs op, de vluchtelingen levend en ongedeerd in handen te krijgen. Mochten zij zich echter te weer stellen en van hunne wapenen gebruik maken, dan.….”Hier aarzelde de luitenant, hij wist hoe zwaar zijne woorden hier golden. De dokter stond doodsbleek met krampachtig gebalde vuisten. De kommandant vervolgde na een oogenblik peinzens met een stem, als bleef hem iets wrangs in de keel steken:„Mochten zij van hunne wapenen gebruik maken, dan is tegenweer geoorloofd. Laat een uwer invloedrijkste hoofden, bij voorbeeld Damboeng Papoendeh, den tocht aanvoeren. Stuur dien man dadelijk bij mij, dan kan ik hem vertellen, wat hij te doen heeft.”De luitenant sprak op afdoenden toon, als gewoon bevelen te geven, als gewoon schielijk maatregelen te beramen en beslissingen te nemen. Zijn geestkracht werkte aanstekelijk op den Tomonggong, die reeds opstond, om[20]heen te ijlen. Een blik op den dokter geworpen, stemde hem tot nadenken. Het gezicht van den medicus teekende angst en vertwijfeling. In een oogenblik, dat de luitenant hem niet opmerkte, namen zijne oogen zulk een smeekende uitdrukking aan, dat de Dajak hem begreep. Deze streek met de hand over zijn sarong, alsof de plooien hem hadden gehinderd en ging daarop weer zitten.„Heer, met uw verlof,” sprak hij zacht maar vast, „het zal niet gaan. Het is reeds laat. Welke opschudding zal een dergelijk bevel in de kampongs niet geven?”„Wel, wat zou dat?” stoof de luitenant op.„Vrouwen en kinderen zullen zeer beangst worden. Men zal in de zaak geheel iets anders zien, dan er in is, en gij weet Heer! dat, niettegenstaande uwe pogingen tot bevrediging der negorij, een groot gedeelte van de bevolking nog niet geheel te vertrouwen is. Daarenboven loopen geruchten—ik deelde ze u gisteren reeds mede—datDoessonschekoppensnellers met hunne rangkan’s4in de buurt verschenen zijn en, hoewel ik daar niet aan geloof, zou het niet onmogelijk te achten zijn, dat een aantal huisgezinnen nog dezen nacht hunne woningen verlieten, om in de wildernis een toevlucht te zoeken.”„Maar Tomonggong!”.… wilde de luitenant hem in de rede vallen.„Geloof mij Heer,” hernam het districtshoofd ernstig en met vaste stem, „geloof mij, gij kent mij, ik ben een trouw onderdaan van de Hollanders. Het doel van die nachtelijke oproeping zal niet, of zal verkeerd begrepen[21]worden. Allen zullen beangst worden en niet het minst de familieleden van hen, die voor dien tocht zullen geprest worden. Daarenboven, werwaarts zullen de uittrekkenden zich wenden? Gij zegt wel, dat de vluchtelingen zich niet zeewaarts zullen begeven hebben. Dat Mijnheer het mij vergeve, mij duizendmaal vergeve; maar ik kan zijn gevoelen zoo maar niet deelen. Maar, al ware het uitgemaakt, onbetwistbaar duidelijk, dat de vluchtelingen landwaarts ingetogen zijn, dan nog herhaal ik mijne vraag, werwaarts zullen mijne Dajaks zich wenden? Het eiland Kalimantan5is zeer groot, en wie zal hen in de dikke duisternis op het goede spoor brengen?”„Maar wat dan?” vroeg de luitenant ongeduldig.„Wachten Heer, wachten,” was het bedaarde antwoord. „Morgen al heel vroeg zal ik wel te weten komen, hoe uwe soldaten ontvlucht zijn en ik verzeker het u, ik zal hen dan gauw op het spoor zijn. Zij hebben het district niet ongemerkt kunnen verlaten; maar waar nu bij de duisternis van den nacht en bij de loopende geruchten aarzeling en vrees heerschen om mij te komen inlichten, zal ik morgen, als de dag helder schijnt, wel spoedig op de hoogte zijn. De bevolking zal dan ook ras weten, wat het doel van den tocht is; vergissing of opzettelijke misleiding is dan niet meer mogelijk, en ongetwijfeld zal het mij dan hoegenaamd geen moeite kosten het noodige getal vrijwilligers bij elkander te brengen. En mocht Mijnheer het niet afkeuren, dan wenschte ik zelf morgen den tocht aan te voeren; iets wat ik heden avond onmogelijk zou kunnen op mij nemen.”[22]De luitenant aarzelde een oogenblik en dacht na. Het was stil in de kamer. Alleen hoorde men de hijgende ademhaling van den dokter en buiten weerklonken de voetstappen der op en neer wandelende schildwachten op de bedding van het geschut, waarbij zij op post stonden. De officier scheen eindelijk een besluit genomen te hebben, althans hij hernam:„Gij hebt gelijk Tomonggong, geheel en al gelijk, en ik dank u voor de goede raadgeving. En toch wenschte ik wel, dat de vervolging nog heden avond had kunnen beginnen; want hoe spoediger in mijne handen, hoe minder de arme drommels te lijden zullen hebben. Zij zullen hun uitstapje duur genoeg betalen,” vervolgde hij bitter en met een zucht: „wie weet wellicht met hun leven!”„Ja, dat weet Hatallah6alleen,” zei de Tomonggong met vromen eerbied in zijn stem, „het gevaar dat zij te gemoet treden is groot.”„Welnu dan,” hernam de luitenant, „tot morgen! al heel vroeg wacht ik eenig bericht. Maar wacht, ik weet nog beter. Om geen tijd te verliezen, kom ik nog vóór zonsopgang bij u, Tomonggong. Wij kunnen dan alles te zamen verder beschikken. Ik ga nu bevelen geven om u uit te laten.”En daarop verliet hij het vertrek.Een oogenblik alleen met het districtshoofd, sprong de dokter op en drukte hem met warmte de hand.„Zij hebben nu een voorsprong van ruim zes uur,” zeide hij met verrukking.„Dat is niet veel”, meende onze Dajak.[23]„Toch genoeg voorshands; o! wat dank ik u!”De luitenant kwam binnen; zij konden het gesprek niet voortzetten.Nadat de Tomonggong afscheid genomen en het fort verlaten had, zaten de kommandant en de dokter nog een poos bij elkander, om de flesch te ledigen, die zoo even ter eere van het districtshoofd ontkurkt was.„Een beroerde geschiedenis!” ontsnapte den luitenant met een stopwoord, dat zijn gemoedsaandoening moest te kennen geven.„Ja zeker, een beroerde geschiedenis, maar vooral voor die arme drommels.”„Maar voor mij niet minder. Behalve de inspanningen en vermoeienissen, behalve de gevaren van allerlei aard, die mij te wachten staan, zullen ook wel de noodige standjes afgeschoven worden. Gij weet, bij ons legt men zoo gaarne de zaken ten nadeele uit en zoekt men daaraan een hatelijken zelfkant. Het zoeken van een zondebok, wanneer iets onaangenaams voorvalt, is eene inheemsche Nederlandsche ziekte.”„Maar de overste Afdeelings-Kommandant is toch daar de man niet toe!”„O, die zal het ook niet doen. Het zal wel van hooger komen. O! zij zijn te Batavia zoo snugger! Als het er op aankomt naar het hoofdbestuur in den Haag te kunnen rapporteeren, dat door het geringe doorzicht en de weinig menschkundige handelingen van een luitenant, vier Europeesche soldaten in vollen oorlogstijd gedrost zijn; en als men er dan bijvoegen kan, dat de schuldige ernstig is te recht gewezen, dan is het genot zonder weerga. Men is dan tevreden in den Haag en vraagt naar meer niet. Zelf heeft men immers geen schuld?”„Geen schuld!!” stoof de dokter woedend op. „Geen[24]schuld!! de geheele schuld ligt in den Haag; want.…”„Tu tu tu, mijn waarde mof, geen politiek, wat ik je bidden mag,” stopte de luitenant bij tijds. „Al heb je gelijk, dan heb je toch ongelijk, zooveel ervaring heb je toch reeds in het leven opgedaan. Kom, het is al laat geworden, laten wij ons mandje gaan opzoeken, het is morgen vroeg dag, althans voor mij.”De beide mannen reikten elkander de hand; de dokter verliet het vertrek om naar zijn mandje te gaan, zooals de uitdrukking luidde. Alvorens evenwel in het zijne te kruipen, ging de luitenant nog eens de ronde doen om zich te overtuigen, dat de noodige waakzaamheid werd betracht.Een oogenblik stond hij op het zuidelijk bastion te turen. Die geschutstelling beheerschte de geheele watervlakte, gevormd door de samenvloeiing van de Poeloe-Petak rivier met de Kapoeas-Moeroeng, aldaar ruim twaalf honderd ellen breed. De nacht was in zijne volle pracht; de sterren schitterden aan den donkerblauwen hemel en weerkaatsten met liefelijken glans in den vloed; de bosschen, die de oevers omzoomden, staken scherp en als een zwarte massa tegen den niet geheel donkeren gezichteinder af. Op den oostelijken oever van de Poeloe-Petak rivier ontwaarde men de omtrekken van de Dajaksche woningen tusschen het groen, en hier en daar flikkerde de vlam eener lamp tusschen de boomen en struiken.Behalve eenige blaffende honden in de verte, was alles doodstil en liet zich het geruisch en gekabbel van den snelvlietenden stroom zacht, maar duidelijk waarnemen.Terwijl de luitenant daar stond, tegen de borstwering geleund, dat schouwspel aan te staren, en hij in gedachten verzonken scheen, lieten zich plotseling de tonen der „titih” hooren.[25]De „titih” is bij de Dajaks de doodenklok. Zij bestaat uit vier „garantong’s” (metalen bekkens van verschillende grootte) en weerklinkt de eerste maal, zoodra iemand gestorven is; de tweede maal, wanneer het lijk in de kist gelegd wordt; de derde maal, wanneer het lijk naar zijne laatste woning gevoerd wordt, en eindelijk de laatste maal, wanneer die woning gesloten wordt. Alleen bij de overvoering van het lijk klinkt de doodenklok aanhoudend, zoolang de vaart duurt; de andere keeren weerklinkt zij slechts telkenmale gedurende vijf minuten. Men luidt haar, door met regelmatige tusschenpoozen van ongeveer twee seconden een slag te doen hooren op de drie garantong’s met lichten toon en die te doen volgen door een zwaren toon. Uiterst weemoedig weerklinkt dat ting, ting, ting, toong over Borneo’s breede stroomen en stemt wel tot droefgeestigheid.Bij de eerste tonen, die weerklonken, had de luitenant het oor gespitst en zich de vraag gedaan, wie er wel overleden kon zijn in den kampong. Maar weldra waren zijne gedachten weer op de desertie, die plaats gehad had, gevestigd. Toen evenwel de „titih” na een poos niet ophield en bleef weerklinken, begreep hij, dat een uitvaart plaats had en dat wekte wel ietwat zijne verwondering. Met dat het zeldzaam zoude zijn, dat de Dajaks hunne dooden bij nacht bijzetten; hoewel nu niet algemeen, gebeurde dat wel meer, vooral wanneer de overledene aan een besmettelijke ziekte bezweken was; maar in den laatsten tijd had de luitenant verzocht geen uitvaarten meer te houden gedurende den nacht wegens den oorlogstijd, en dat alleen te doen bij volstrekte noodzakelijkheid. Sedert lang was op dat verzoek, eer een bevel, geen inbreuk gemaakt en nu, nu, dat was wel toevallig.…[26]„Ha! ik ben er,” zei de luitenant als gerustgesteld, „ik ben er, gisteren heeft mij de Tomonggong verteld, dat er twee gevallen van cholera in kampong Soengei Antassan Barimba waren. Een daarvan zal overleden zijn. De kerels hebben gelijk den doode maar weg te moffelen.”En werkelijk, heel in de verte, van den kant des genoemden kampongs, verschenen twee prauwen, overvloedig met vlaggen en fakkels versierd, welke laatsten haar rood licht over de watervlakte weerkaatsten. Akelig klonken de tonen der „titih” in de nachtelijke stilte. Toen de prauwen langzamerhand nader bij kwamen, weerklonken nog andere geluiden en kon men duidelijk de gezangen der „balians” (priesteressen), die zij met een dof getrommel op hare „katambong’s” (kleine trommen) begeleidden, waarnemen. Toen de vaartuigen nog dichter bij kwamen, klonk het treurgezang:„Dadari liau olo matäi, tandjoeng dari liau balongkang, tandjoeng-danoem …” enz.7over de watervlakte en bereikte des luitenants gehoor. Alles scheen dan ook in orde; uit de voorste prauw klonken de gezangen en het getrommel der balians; achter dat vaartuig volgde onmiddellijk de prauw, waarin de „raoeng” (doodkist met beeldhouwwerk versierd) geplaatst was, en waarin de „titih” geslagen werd. Om evenwel op alles voorbereid te zijn in een tijd van listen en lagen, teneinde onze posten te overrompelen, deed de luitenant de manschappen der wacht onder de wapens komen en postvatten op het bastion, waarop hij zich bevond. Ook gelastte hij een onderofficier, de naderende prauwen te verkennen en op alles nauwkeurig acht te geven. Toen een der[27]schildwachten zijn „werda” deed weerklinken, werd die roep naar behooren beantwoord en aan het bevel, om aan te leggen, onmiddellijk voldaan. De sergeant doorzocht de eerste prauw, wisselde een kwinkslag met de priesteressen, maar ontwaarde niets verdachts. In de tweede was ook niets te bespeuren. Een akelige stank, eigen aan de lijken van hen, die aan cholera bezweken zijn, steeg uit deraoengop en noodzaakte het onderzoek te verkorten. De vaartuigen staken van wal en onder den krachtigen roeislag van een twintigtal roeiers, geholpen door den zwaren stroom, schoten zij spoedig het fort voorbij. De luitenant tuurde hen nog na en scheen als in gedachten verzonken, toen plotseling een hoofd zich als een zwarte schim boven de dakbedekking van de tweede prauw vertoonde en een stem zich verhief, die uitriep:„M.…! pour les têtes de fromage! Enfoncés les Hollandais!”Het metM.…aangeduide woord was het woord van Cambronne in den slag van Waterloo, en is bij onze zuidelijke broeders zeer in zwang; zoo ook het „tête de fromage” als scheldwoord tegen de Hollanders.Onze luitenant was dan ook dadelijk op de hoogte en begreep, dat de vluchtelingen zich in de doodenprauw bevonden. Hij riep den roeiers toe:„Gagoelong kantoh ikau, mambalik goelongoeloeng!” (Halt! hierkomen, dadelijk omkeeren.)Tot antwoord klonk nogmaals hetM.…!, gevolgd door een geweerschot, dat een Javaansch soldaat, naast den luitenant staande, lichtelijk schrampte. Toen draaide de luitenant met behulp van een paar soldaten het kanon, dat op het bastion stond—een 7 Cm. op cirkelaffuit—en steeds geladen was, snel in de richting der prauwen, boog zich over het stuk, gaf het met[28]behulp der stelschroef de noodige inclinatie, greep den vuurstok, waarop de zunder, ontstak dezen aan de steeds brandende lont en.… boum! daar dreunde het schot. Het was echter nacht en het richten vrij onzeker geweest. Daarenboven dreef de snelle stroom de prauwen overhaast voort en repten ook de roeiers zich met inspanning om uit die gevaarlijke buurt te geraken. De kogel sloeg vlak achter de achterste prauw in het water, ricochetteerde, sprong over dat vaartuig en sloeg door de dakbedekking van het voorste en bracht zoo, door de wieling van het water en door den schok tegen het dak, de beide prauwen in groot gevaar van om te slaan en te zinken. Dadelijk daarop en nog vóór dat de algemeene ontsteltenis maar eenigszins bedaard was, weerklonk van het bastion een salvo geweerschoten, dat een hagelbui van kogels door de prauwen joeg, waardoor twee roeiers gedood en een gewond werden. Maar de stroom sleepte de vaartuigen met kracht mede; nog voor dat herladen kon zijn, waren zij aan het gezicht onttrokken en in het nachtelijk duister verdwenen.„Dat salvo was raak,” zei de dokter, die zijn bed uitgevlogen was, en nu naast den kommandant op het bastion stond, „dat salvo was raak, wat een gegil ging er uit de prauwen op!”„Ja het was raak,” antwoordde de luitenant ernstig, „maar.… dat is de eerste maat van het liedje, dat gezongen wordt. Ik had mij door den Tomonggong niet moeten laten overhalen, om den tocht tot morgen uit te stellen, wellicht ware dan het nu gebeurde voorkomen geworden. Hebt gij Troenosmito verbonden?”„Niet noodig geweest, een onbeduidende schramp, die ik met jenever met water heb doen afwasschen.”„Kom, laten wij dan gaan slapen; ik weet nu waarheen[29]de deserteurs getogen zijn; morgen al heel vroeg kan de vervolging beginnen.”Beide mannen reikten elkaar nogmaals de hand en weldra verving een diepe stilte het rumoer van straks, een stilte, die slechts afgebroken werd door den rustigen stap der schildwachten.[30]1„Handipèh” beteekent slang; „boemboeng enjoh” is de naam van de fijne nog niet ontwikkelde bladeren van den klapperboom. De slang, aldus genoemd, is een boomslang, wordt zoo wat twee d.M. lang, is zeer dun van lijf, zoo wat ter dikte van een pijpensteel, heeft een fraaie lichtgroene kleur en is zeer vergiftig.↑2„Panawar” is een slingerplant, welker stam zoo wat een vinger dik wordt. Er zijn twee soorten: de „panawar gantong” heeft geelachtig hout; de „panawar pari” bruinachtig. Deze laatste is zeer bitter en wordt fijngewreven als tegengift tegen slangenbeten gebruikt.↑3Djoekoeng is een boomstam uitgehold en zoo tot vaartuig gevormd.↑4Rangkan en djoekoeng zijn vaartuigen, van een uitgeholden boomstam gemaakt. De rangkan is echter veel grooter dan de djoekoeng.In eerstgenoemd kunnen twintig tot veertig personen plaatsnemen, in laatstgenoemd hoogstens drie of vier.↑5Kalimantan is de naam van het eiland Borneo bij de inlandsche bewoners.↑6Mahatara en Hatallah beteekenen beide „God”. Het eerste woord zal de Dajak evenwel nimmer gebruiken, wanneer hij tot een Europeaan of een Maleier spreekt. Het andere woord wordt nimmer gebezigd, wanneer Dajaks onder elkander zijn.↑7Vlucht, ziel des overledenen, stijg op den nevel, vlucht, ziel des gevallenen, des verlorenen, bewandel het water.↑

II.Eerste kennismaking met Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara.—De beet eener slang.—Beraadslaging.—Een zondenbok.—De „titih.”—Eene cholerauitvaart.—Een geweerschot, gevolgd door een kanonschot en een salvo.—De eerste maat van een begonnen liedje.—

Eerste kennismaking met Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara.—De beet eener slang.—Beraadslaging.—Een zondenbok.—De „titih.”—Eene cholerauitvaart.—Een geweerschot, gevolgd door een kanonschot en een salvo.—De eerste maat van een begonnen liedje.—

Eerste kennismaking met Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara.—De beet eener slang.—Beraadslaging.—Een zondenbok.—De „titih.”—Eene cholerauitvaart.—Een geweerschot, gevolgd door een kanonschot en een salvo.—De eerste maat van een begonnen liedje.—

„Neem plaats, Tomonggong,” zei de kommandant met plichtpleging, terwijl hij een stoel naderbij schoof, „ik ga even sigaren krijgen.”De Tomonggong trad middelerwijl op den dokter toe, boog ongedwongen het hoofd, stak hem de hand toe en prevelde zijn groet:„Tabeh toean, saja harap toean ada baik” (Goeden dag mijnheer, ik hoop dat mijnheer wel is).De dokter was uit zijn gemakkelijke houding opgesprongen; hij deed een stap voorwaarts, greep de hem toegestoken hand en drukte haar met warmte. Van de kortstondige afwezigheid van den luitenant gebruik makende, fluisterde hij het districtshoofd toe, na eerst behoedzaam en angstig rondgekeken te hebben:„Zij moeten gered worden, zij mogen niet in handen der Hollanders vallen!”De Tomonggong sloeg een doordringenden blik op den dokter; zijn goedaardig gezicht teekende verbazing. Aan verraad en valschheid gewoon, te midden daarvan om zoo te zeggen levende, is het eerste gevoel van den[16]Oosterling, hoe rechtschapen hij zelf moge wezen, een gevoel van wantrouwen. Hij denkt steeds, dat hem een strik gespannen wordt. Zoo ook de Tomonggong, bij die voor hem zoo raadselachtige woorden.„Dat zal moeielijk gaan”, fluisterde hij, „de Heer kommandant zal zijn maatregelen wel goed nemen; en ik.…. ik”, vervolgde hij na een oogenblik van weifeling, „ik moet gehoorzamen.”„Bij Mahatara! Tomonggong, red hen, red hen. Zie, ik smeek het. Als gij meent, mij eenige dankbaarheid verschuldigd te zijn, sla dan mijne bede niet af. Het zijn mijne landslieden!”Met saamgevouwen handen, in gebogen houding stond de dokter voor den Dajak. De omstandigheid, waarop hij hier scheen te duiden, trof het hoofd. Kambang, de oudste dochter, de lievelinge des ouden Tomonggongs, was eens door eene „handipèh boemboeng enjoh1,” een zeer gevaarlijke slangensoort, gebeten geworden. De vader in zijn verbijstering liet „obat panawar pari2” halen. Middelerwijl had onze dokter, die bij het ongeval tegenwoordig was, maar geen hulpmiddelen op dat oogenblik ten zijnen dienste had, met groot levensgevaar de wond uitgezogen en ze daarna met een stuk hout uitgebrand. Zoodoende had hij de lieve maagd behouden. Bij die herinnering greep nu de vader, alle wantrouwen latende varen, aangedaan de hand van den[17]redder zijns kinds en prevelde iets met bewogen stem, dat de dokter niet verstaan kon, daar de luitenant met een gevulden sigarenkoker uit het aangrenzende vertrek te voorschijn trad, ieder der aanwezigen een geurige manilla aanbood en zelf eene opstak; waarna hij zich op een stoel neervleide en, als vervolgde hij een reeds aangevangen gesprek, zich tot den Tomonggong richtte:„En niemand in den kampong heeft van die vlucht iets bemerkt, niemand heeft die soldaten gezien?”„Neen Heer.”„Dat is zonderling, hoogst zonderling. Maar hoe weet gij dat, Tomonggong? Zij hebben toch een vaartuig moeten meester worden, want een ontvluchting over land is onmogelijk.”„Indien iemand een djoekoeng3of prauw gemist had, zou daaromtrent zeker een klacht bij mij zijn ingekomen. De ontvluchting van blanken uit het fort daarenboven zal opzien genoeg baren; ik zou daarvan wel wat vernomen hebben, wanneer er reeds iets van bekend ware.”De luitenant bedacht zich een oogenblik. Hij scheen in tweestrijd. Eindelijk hernam hij:„Tomonggong, ik moet die menschen in handen hebben. Eensdeels om het aanlokkelijke van het gegeven voorbeeld bij onze jonge soldaten tegen te gaan, maar ook om vechtpartijen en gruwelen te voorkomen. Want voorzeker zullen zij aangerand en misschien vermoord worden, wanneer zij te midden der stammen in de bovenlanden geraken.”„Ja zeker Heer, zullen zij dat. De „olo kajau” (koppensnellers) zullen hen niet ontzien. Maar zoudt gij[18]denken, dat zij zich naar de binnenlanden, zouden begeven?”„Naar zee is een vlucht zoo goed als onmogelijk,” was het antwoord van den luitenant. „Voor de monding der rivier liggen twee kruisbooten op brandwacht, terwijl de geheele zuidkust door stoomschepen geblokkeerd is. Maar gesteld zelfs, dat zij door dien gordel heen komen, wat dan? Zullen zij zich in een nietige prauw of djoekoeng—want over een zeewaardig vaartuig zullen zij wel niet te beschikken hebben—op de open zee wagen, vooral in dit seizoen, nu de westenwinden met kracht doorblazen? Dat zou met zelfmoord gelijk staan. En dan nog waarheen? Ja, waarheen? Naar Java? dat zou het eenige zijn; maar daar zouden zij ter nauwernood geland zijn, of zij zouden zich in handen der politie bevinden. Men is daar zeer op zijn hoede. Mijns bedunkens kunnen zij niet anders, dan zich in de binnenlanden werpen. Zij zullen de bewoonde oorden vermijden en trachten Sarawak op de noordkust des eilands te bereiken.”„Zouden zij dat niet kunnen over zee?” mengde zich de dokter in het gesprek.„Dan moeten zij eerst de kruisbooten voorbij, dan moeten zij de blokkade verbreken en, is dat alles gelukt, zijn zij Tandjoeng Batoe Titi, de zuidwestelijkste punt van Borneo, omgezeild, dan komen zij in de koerslijn der vaartuigen van Oost-Java naar Borneo’s westkust en naar Singapore; zij komen dan in de volle Chineesche zee, waar in dit seizoen honderd gevaren aangrijnzen en honderd kansen bestaan, om om te komen of opgepakt te worden, tegen niet een kans om te slagen. Ja, naar Sarawak zullen ze trachten te komen, maar dwars door het eiland heen!”„Maar dat is zeer ver Heer,” sprak de Tomonggong[19]ernstig, „en de gevaren zijn niet minder, dat weet gij.”„Ja, dat weet ik, Tomonggong, maar dat zijn gevaren waar tegen te strijden valt en, geloof mij, het zijn kloeke onversaagde kerels. Zij zullen alles beproeven en ik verzeker u, zij zullen alles op het spel zetten. Komaan! er mag niet getalmd worden. Ieder oogenblik is kostbaar. Ga nu naar uw woning terug; roep onmiddellijk de hoofden van de meest nabij gelegen kampongs bijeen. Laat ze een vijftigtal mannen te zamen brengen, voorzie die van levensmiddelen voor een paar dagen. Zij moeten hunne wapenen medevoeren. Dat alles moet over twee uren gereed zijn om te vertrekken. Ik kom dan zelf zien en mijne bevelen mededeelen.”„Maar zal de gevangenneming goedschiks geschieden, Heer?”„Daaraan twijfel ik; maar daarom zei ik de wapenen mede te nemen. Ik stel er hoogen prijs op, de vluchtelingen levend en ongedeerd in handen te krijgen. Mochten zij zich echter te weer stellen en van hunne wapenen gebruik maken, dan.….”Hier aarzelde de luitenant, hij wist hoe zwaar zijne woorden hier golden. De dokter stond doodsbleek met krampachtig gebalde vuisten. De kommandant vervolgde na een oogenblik peinzens met een stem, als bleef hem iets wrangs in de keel steken:„Mochten zij van hunne wapenen gebruik maken, dan is tegenweer geoorloofd. Laat een uwer invloedrijkste hoofden, bij voorbeeld Damboeng Papoendeh, den tocht aanvoeren. Stuur dien man dadelijk bij mij, dan kan ik hem vertellen, wat hij te doen heeft.”De luitenant sprak op afdoenden toon, als gewoon bevelen te geven, als gewoon schielijk maatregelen te beramen en beslissingen te nemen. Zijn geestkracht werkte aanstekelijk op den Tomonggong, die reeds opstond, om[20]heen te ijlen. Een blik op den dokter geworpen, stemde hem tot nadenken. Het gezicht van den medicus teekende angst en vertwijfeling. In een oogenblik, dat de luitenant hem niet opmerkte, namen zijne oogen zulk een smeekende uitdrukking aan, dat de Dajak hem begreep. Deze streek met de hand over zijn sarong, alsof de plooien hem hadden gehinderd en ging daarop weer zitten.„Heer, met uw verlof,” sprak hij zacht maar vast, „het zal niet gaan. Het is reeds laat. Welke opschudding zal een dergelijk bevel in de kampongs niet geven?”„Wel, wat zou dat?” stoof de luitenant op.„Vrouwen en kinderen zullen zeer beangst worden. Men zal in de zaak geheel iets anders zien, dan er in is, en gij weet Heer! dat, niettegenstaande uwe pogingen tot bevrediging der negorij, een groot gedeelte van de bevolking nog niet geheel te vertrouwen is. Daarenboven loopen geruchten—ik deelde ze u gisteren reeds mede—datDoessonschekoppensnellers met hunne rangkan’s4in de buurt verschenen zijn en, hoewel ik daar niet aan geloof, zou het niet onmogelijk te achten zijn, dat een aantal huisgezinnen nog dezen nacht hunne woningen verlieten, om in de wildernis een toevlucht te zoeken.”„Maar Tomonggong!”.… wilde de luitenant hem in de rede vallen.„Geloof mij Heer,” hernam het districtshoofd ernstig en met vaste stem, „geloof mij, gij kent mij, ik ben een trouw onderdaan van de Hollanders. Het doel van die nachtelijke oproeping zal niet, of zal verkeerd begrepen[21]worden. Allen zullen beangst worden en niet het minst de familieleden van hen, die voor dien tocht zullen geprest worden. Daarenboven, werwaarts zullen de uittrekkenden zich wenden? Gij zegt wel, dat de vluchtelingen zich niet zeewaarts zullen begeven hebben. Dat Mijnheer het mij vergeve, mij duizendmaal vergeve; maar ik kan zijn gevoelen zoo maar niet deelen. Maar, al ware het uitgemaakt, onbetwistbaar duidelijk, dat de vluchtelingen landwaarts ingetogen zijn, dan nog herhaal ik mijne vraag, werwaarts zullen mijne Dajaks zich wenden? Het eiland Kalimantan5is zeer groot, en wie zal hen in de dikke duisternis op het goede spoor brengen?”„Maar wat dan?” vroeg de luitenant ongeduldig.„Wachten Heer, wachten,” was het bedaarde antwoord. „Morgen al heel vroeg zal ik wel te weten komen, hoe uwe soldaten ontvlucht zijn en ik verzeker het u, ik zal hen dan gauw op het spoor zijn. Zij hebben het district niet ongemerkt kunnen verlaten; maar waar nu bij de duisternis van den nacht en bij de loopende geruchten aarzeling en vrees heerschen om mij te komen inlichten, zal ik morgen, als de dag helder schijnt, wel spoedig op de hoogte zijn. De bevolking zal dan ook ras weten, wat het doel van den tocht is; vergissing of opzettelijke misleiding is dan niet meer mogelijk, en ongetwijfeld zal het mij dan hoegenaamd geen moeite kosten het noodige getal vrijwilligers bij elkander te brengen. En mocht Mijnheer het niet afkeuren, dan wenschte ik zelf morgen den tocht aan te voeren; iets wat ik heden avond onmogelijk zou kunnen op mij nemen.”[22]De luitenant aarzelde een oogenblik en dacht na. Het was stil in de kamer. Alleen hoorde men de hijgende ademhaling van den dokter en buiten weerklonken de voetstappen der op en neer wandelende schildwachten op de bedding van het geschut, waarbij zij op post stonden. De officier scheen eindelijk een besluit genomen te hebben, althans hij hernam:„Gij hebt gelijk Tomonggong, geheel en al gelijk, en ik dank u voor de goede raadgeving. En toch wenschte ik wel, dat de vervolging nog heden avond had kunnen beginnen; want hoe spoediger in mijne handen, hoe minder de arme drommels te lijden zullen hebben. Zij zullen hun uitstapje duur genoeg betalen,” vervolgde hij bitter en met een zucht: „wie weet wellicht met hun leven!”„Ja, dat weet Hatallah6alleen,” zei de Tomonggong met vromen eerbied in zijn stem, „het gevaar dat zij te gemoet treden is groot.”„Welnu dan,” hernam de luitenant, „tot morgen! al heel vroeg wacht ik eenig bericht. Maar wacht, ik weet nog beter. Om geen tijd te verliezen, kom ik nog vóór zonsopgang bij u, Tomonggong. Wij kunnen dan alles te zamen verder beschikken. Ik ga nu bevelen geven om u uit te laten.”En daarop verliet hij het vertrek.Een oogenblik alleen met het districtshoofd, sprong de dokter op en drukte hem met warmte de hand.„Zij hebben nu een voorsprong van ruim zes uur,” zeide hij met verrukking.„Dat is niet veel”, meende onze Dajak.[23]„Toch genoeg voorshands; o! wat dank ik u!”De luitenant kwam binnen; zij konden het gesprek niet voortzetten.Nadat de Tomonggong afscheid genomen en het fort verlaten had, zaten de kommandant en de dokter nog een poos bij elkander, om de flesch te ledigen, die zoo even ter eere van het districtshoofd ontkurkt was.„Een beroerde geschiedenis!” ontsnapte den luitenant met een stopwoord, dat zijn gemoedsaandoening moest te kennen geven.„Ja zeker, een beroerde geschiedenis, maar vooral voor die arme drommels.”„Maar voor mij niet minder. Behalve de inspanningen en vermoeienissen, behalve de gevaren van allerlei aard, die mij te wachten staan, zullen ook wel de noodige standjes afgeschoven worden. Gij weet, bij ons legt men zoo gaarne de zaken ten nadeele uit en zoekt men daaraan een hatelijken zelfkant. Het zoeken van een zondebok, wanneer iets onaangenaams voorvalt, is eene inheemsche Nederlandsche ziekte.”„Maar de overste Afdeelings-Kommandant is toch daar de man niet toe!”„O, die zal het ook niet doen. Het zal wel van hooger komen. O! zij zijn te Batavia zoo snugger! Als het er op aankomt naar het hoofdbestuur in den Haag te kunnen rapporteeren, dat door het geringe doorzicht en de weinig menschkundige handelingen van een luitenant, vier Europeesche soldaten in vollen oorlogstijd gedrost zijn; en als men er dan bijvoegen kan, dat de schuldige ernstig is te recht gewezen, dan is het genot zonder weerga. Men is dan tevreden in den Haag en vraagt naar meer niet. Zelf heeft men immers geen schuld?”„Geen schuld!!” stoof de dokter woedend op. „Geen[24]schuld!! de geheele schuld ligt in den Haag; want.…”„Tu tu tu, mijn waarde mof, geen politiek, wat ik je bidden mag,” stopte de luitenant bij tijds. „Al heb je gelijk, dan heb je toch ongelijk, zooveel ervaring heb je toch reeds in het leven opgedaan. Kom, het is al laat geworden, laten wij ons mandje gaan opzoeken, het is morgen vroeg dag, althans voor mij.”De beide mannen reikten elkander de hand; de dokter verliet het vertrek om naar zijn mandje te gaan, zooals de uitdrukking luidde. Alvorens evenwel in het zijne te kruipen, ging de luitenant nog eens de ronde doen om zich te overtuigen, dat de noodige waakzaamheid werd betracht.Een oogenblik stond hij op het zuidelijk bastion te turen. Die geschutstelling beheerschte de geheele watervlakte, gevormd door de samenvloeiing van de Poeloe-Petak rivier met de Kapoeas-Moeroeng, aldaar ruim twaalf honderd ellen breed. De nacht was in zijne volle pracht; de sterren schitterden aan den donkerblauwen hemel en weerkaatsten met liefelijken glans in den vloed; de bosschen, die de oevers omzoomden, staken scherp en als een zwarte massa tegen den niet geheel donkeren gezichteinder af. Op den oostelijken oever van de Poeloe-Petak rivier ontwaarde men de omtrekken van de Dajaksche woningen tusschen het groen, en hier en daar flikkerde de vlam eener lamp tusschen de boomen en struiken.Behalve eenige blaffende honden in de verte, was alles doodstil en liet zich het geruisch en gekabbel van den snelvlietenden stroom zacht, maar duidelijk waarnemen.Terwijl de luitenant daar stond, tegen de borstwering geleund, dat schouwspel aan te staren, en hij in gedachten verzonken scheen, lieten zich plotseling de tonen der „titih” hooren.[25]De „titih” is bij de Dajaks de doodenklok. Zij bestaat uit vier „garantong’s” (metalen bekkens van verschillende grootte) en weerklinkt de eerste maal, zoodra iemand gestorven is; de tweede maal, wanneer het lijk in de kist gelegd wordt; de derde maal, wanneer het lijk naar zijne laatste woning gevoerd wordt, en eindelijk de laatste maal, wanneer die woning gesloten wordt. Alleen bij de overvoering van het lijk klinkt de doodenklok aanhoudend, zoolang de vaart duurt; de andere keeren weerklinkt zij slechts telkenmale gedurende vijf minuten. Men luidt haar, door met regelmatige tusschenpoozen van ongeveer twee seconden een slag te doen hooren op de drie garantong’s met lichten toon en die te doen volgen door een zwaren toon. Uiterst weemoedig weerklinkt dat ting, ting, ting, toong over Borneo’s breede stroomen en stemt wel tot droefgeestigheid.Bij de eerste tonen, die weerklonken, had de luitenant het oor gespitst en zich de vraag gedaan, wie er wel overleden kon zijn in den kampong. Maar weldra waren zijne gedachten weer op de desertie, die plaats gehad had, gevestigd. Toen evenwel de „titih” na een poos niet ophield en bleef weerklinken, begreep hij, dat een uitvaart plaats had en dat wekte wel ietwat zijne verwondering. Met dat het zeldzaam zoude zijn, dat de Dajaks hunne dooden bij nacht bijzetten; hoewel nu niet algemeen, gebeurde dat wel meer, vooral wanneer de overledene aan een besmettelijke ziekte bezweken was; maar in den laatsten tijd had de luitenant verzocht geen uitvaarten meer te houden gedurende den nacht wegens den oorlogstijd, en dat alleen te doen bij volstrekte noodzakelijkheid. Sedert lang was op dat verzoek, eer een bevel, geen inbreuk gemaakt en nu, nu, dat was wel toevallig.…[26]„Ha! ik ben er,” zei de luitenant als gerustgesteld, „ik ben er, gisteren heeft mij de Tomonggong verteld, dat er twee gevallen van cholera in kampong Soengei Antassan Barimba waren. Een daarvan zal overleden zijn. De kerels hebben gelijk den doode maar weg te moffelen.”En werkelijk, heel in de verte, van den kant des genoemden kampongs, verschenen twee prauwen, overvloedig met vlaggen en fakkels versierd, welke laatsten haar rood licht over de watervlakte weerkaatsten. Akelig klonken de tonen der „titih” in de nachtelijke stilte. Toen de prauwen langzamerhand nader bij kwamen, weerklonken nog andere geluiden en kon men duidelijk de gezangen der „balians” (priesteressen), die zij met een dof getrommel op hare „katambong’s” (kleine trommen) begeleidden, waarnemen. Toen de vaartuigen nog dichter bij kwamen, klonk het treurgezang:„Dadari liau olo matäi, tandjoeng dari liau balongkang, tandjoeng-danoem …” enz.7over de watervlakte en bereikte des luitenants gehoor. Alles scheen dan ook in orde; uit de voorste prauw klonken de gezangen en het getrommel der balians; achter dat vaartuig volgde onmiddellijk de prauw, waarin de „raoeng” (doodkist met beeldhouwwerk versierd) geplaatst was, en waarin de „titih” geslagen werd. Om evenwel op alles voorbereid te zijn in een tijd van listen en lagen, teneinde onze posten te overrompelen, deed de luitenant de manschappen der wacht onder de wapens komen en postvatten op het bastion, waarop hij zich bevond. Ook gelastte hij een onderofficier, de naderende prauwen te verkennen en op alles nauwkeurig acht te geven. Toen een der[27]schildwachten zijn „werda” deed weerklinken, werd die roep naar behooren beantwoord en aan het bevel, om aan te leggen, onmiddellijk voldaan. De sergeant doorzocht de eerste prauw, wisselde een kwinkslag met de priesteressen, maar ontwaarde niets verdachts. In de tweede was ook niets te bespeuren. Een akelige stank, eigen aan de lijken van hen, die aan cholera bezweken zijn, steeg uit deraoengop en noodzaakte het onderzoek te verkorten. De vaartuigen staken van wal en onder den krachtigen roeislag van een twintigtal roeiers, geholpen door den zwaren stroom, schoten zij spoedig het fort voorbij. De luitenant tuurde hen nog na en scheen als in gedachten verzonken, toen plotseling een hoofd zich als een zwarte schim boven de dakbedekking van de tweede prauw vertoonde en een stem zich verhief, die uitriep:„M.…! pour les têtes de fromage! Enfoncés les Hollandais!”Het metM.…aangeduide woord was het woord van Cambronne in den slag van Waterloo, en is bij onze zuidelijke broeders zeer in zwang; zoo ook het „tête de fromage” als scheldwoord tegen de Hollanders.Onze luitenant was dan ook dadelijk op de hoogte en begreep, dat de vluchtelingen zich in de doodenprauw bevonden. Hij riep den roeiers toe:„Gagoelong kantoh ikau, mambalik goelongoeloeng!” (Halt! hierkomen, dadelijk omkeeren.)Tot antwoord klonk nogmaals hetM.…!, gevolgd door een geweerschot, dat een Javaansch soldaat, naast den luitenant staande, lichtelijk schrampte. Toen draaide de luitenant met behulp van een paar soldaten het kanon, dat op het bastion stond—een 7 Cm. op cirkelaffuit—en steeds geladen was, snel in de richting der prauwen, boog zich over het stuk, gaf het met[28]behulp der stelschroef de noodige inclinatie, greep den vuurstok, waarop de zunder, ontstak dezen aan de steeds brandende lont en.… boum! daar dreunde het schot. Het was echter nacht en het richten vrij onzeker geweest. Daarenboven dreef de snelle stroom de prauwen overhaast voort en repten ook de roeiers zich met inspanning om uit die gevaarlijke buurt te geraken. De kogel sloeg vlak achter de achterste prauw in het water, ricochetteerde, sprong over dat vaartuig en sloeg door de dakbedekking van het voorste en bracht zoo, door de wieling van het water en door den schok tegen het dak, de beide prauwen in groot gevaar van om te slaan en te zinken. Dadelijk daarop en nog vóór dat de algemeene ontsteltenis maar eenigszins bedaard was, weerklonk van het bastion een salvo geweerschoten, dat een hagelbui van kogels door de prauwen joeg, waardoor twee roeiers gedood en een gewond werden. Maar de stroom sleepte de vaartuigen met kracht mede; nog voor dat herladen kon zijn, waren zij aan het gezicht onttrokken en in het nachtelijk duister verdwenen.„Dat salvo was raak,” zei de dokter, die zijn bed uitgevlogen was, en nu naast den kommandant op het bastion stond, „dat salvo was raak, wat een gegil ging er uit de prauwen op!”„Ja het was raak,” antwoordde de luitenant ernstig, „maar.… dat is de eerste maat van het liedje, dat gezongen wordt. Ik had mij door den Tomonggong niet moeten laten overhalen, om den tocht tot morgen uit te stellen, wellicht ware dan het nu gebeurde voorkomen geworden. Hebt gij Troenosmito verbonden?”„Niet noodig geweest, een onbeduidende schramp, die ik met jenever met water heb doen afwasschen.”„Kom, laten wij dan gaan slapen; ik weet nu waarheen[29]de deserteurs getogen zijn; morgen al heel vroeg kan de vervolging beginnen.”Beide mannen reikten elkaar nogmaals de hand en weldra verving een diepe stilte het rumoer van straks, een stilte, die slechts afgebroken werd door den rustigen stap der schildwachten.[30]

„Neem plaats, Tomonggong,” zei de kommandant met plichtpleging, terwijl hij een stoel naderbij schoof, „ik ga even sigaren krijgen.”

De Tomonggong trad middelerwijl op den dokter toe, boog ongedwongen het hoofd, stak hem de hand toe en prevelde zijn groet:

„Tabeh toean, saja harap toean ada baik” (Goeden dag mijnheer, ik hoop dat mijnheer wel is).

De dokter was uit zijn gemakkelijke houding opgesprongen; hij deed een stap voorwaarts, greep de hem toegestoken hand en drukte haar met warmte. Van de kortstondige afwezigheid van den luitenant gebruik makende, fluisterde hij het districtshoofd toe, na eerst behoedzaam en angstig rondgekeken te hebben:

„Zij moeten gered worden, zij mogen niet in handen der Hollanders vallen!”

De Tomonggong sloeg een doordringenden blik op den dokter; zijn goedaardig gezicht teekende verbazing. Aan verraad en valschheid gewoon, te midden daarvan om zoo te zeggen levende, is het eerste gevoel van den[16]Oosterling, hoe rechtschapen hij zelf moge wezen, een gevoel van wantrouwen. Hij denkt steeds, dat hem een strik gespannen wordt. Zoo ook de Tomonggong, bij die voor hem zoo raadselachtige woorden.

„Dat zal moeielijk gaan”, fluisterde hij, „de Heer kommandant zal zijn maatregelen wel goed nemen; en ik.…. ik”, vervolgde hij na een oogenblik van weifeling, „ik moet gehoorzamen.”

„Bij Mahatara! Tomonggong, red hen, red hen. Zie, ik smeek het. Als gij meent, mij eenige dankbaarheid verschuldigd te zijn, sla dan mijne bede niet af. Het zijn mijne landslieden!”

Met saamgevouwen handen, in gebogen houding stond de dokter voor den Dajak. De omstandigheid, waarop hij hier scheen te duiden, trof het hoofd. Kambang, de oudste dochter, de lievelinge des ouden Tomonggongs, was eens door eene „handipèh boemboeng enjoh1,” een zeer gevaarlijke slangensoort, gebeten geworden. De vader in zijn verbijstering liet „obat panawar pari2” halen. Middelerwijl had onze dokter, die bij het ongeval tegenwoordig was, maar geen hulpmiddelen op dat oogenblik ten zijnen dienste had, met groot levensgevaar de wond uitgezogen en ze daarna met een stuk hout uitgebrand. Zoodoende had hij de lieve maagd behouden. Bij die herinnering greep nu de vader, alle wantrouwen latende varen, aangedaan de hand van den[17]redder zijns kinds en prevelde iets met bewogen stem, dat de dokter niet verstaan kon, daar de luitenant met een gevulden sigarenkoker uit het aangrenzende vertrek te voorschijn trad, ieder der aanwezigen een geurige manilla aanbood en zelf eene opstak; waarna hij zich op een stoel neervleide en, als vervolgde hij een reeds aangevangen gesprek, zich tot den Tomonggong richtte:

„En niemand in den kampong heeft van die vlucht iets bemerkt, niemand heeft die soldaten gezien?”

„Neen Heer.”

„Dat is zonderling, hoogst zonderling. Maar hoe weet gij dat, Tomonggong? Zij hebben toch een vaartuig moeten meester worden, want een ontvluchting over land is onmogelijk.”

„Indien iemand een djoekoeng3of prauw gemist had, zou daaromtrent zeker een klacht bij mij zijn ingekomen. De ontvluchting van blanken uit het fort daarenboven zal opzien genoeg baren; ik zou daarvan wel wat vernomen hebben, wanneer er reeds iets van bekend ware.”

De luitenant bedacht zich een oogenblik. Hij scheen in tweestrijd. Eindelijk hernam hij:

„Tomonggong, ik moet die menschen in handen hebben. Eensdeels om het aanlokkelijke van het gegeven voorbeeld bij onze jonge soldaten tegen te gaan, maar ook om vechtpartijen en gruwelen te voorkomen. Want voorzeker zullen zij aangerand en misschien vermoord worden, wanneer zij te midden der stammen in de bovenlanden geraken.”

„Ja zeker Heer, zullen zij dat. De „olo kajau” (koppensnellers) zullen hen niet ontzien. Maar zoudt gij[18]denken, dat zij zich naar de binnenlanden, zouden begeven?”

„Naar zee is een vlucht zoo goed als onmogelijk,” was het antwoord van den luitenant. „Voor de monding der rivier liggen twee kruisbooten op brandwacht, terwijl de geheele zuidkust door stoomschepen geblokkeerd is. Maar gesteld zelfs, dat zij door dien gordel heen komen, wat dan? Zullen zij zich in een nietige prauw of djoekoeng—want over een zeewaardig vaartuig zullen zij wel niet te beschikken hebben—op de open zee wagen, vooral in dit seizoen, nu de westenwinden met kracht doorblazen? Dat zou met zelfmoord gelijk staan. En dan nog waarheen? Ja, waarheen? Naar Java? dat zou het eenige zijn; maar daar zouden zij ter nauwernood geland zijn, of zij zouden zich in handen der politie bevinden. Men is daar zeer op zijn hoede. Mijns bedunkens kunnen zij niet anders, dan zich in de binnenlanden werpen. Zij zullen de bewoonde oorden vermijden en trachten Sarawak op de noordkust des eilands te bereiken.”

„Zouden zij dat niet kunnen over zee?” mengde zich de dokter in het gesprek.

„Dan moeten zij eerst de kruisbooten voorbij, dan moeten zij de blokkade verbreken en, is dat alles gelukt, zijn zij Tandjoeng Batoe Titi, de zuidwestelijkste punt van Borneo, omgezeild, dan komen zij in de koerslijn der vaartuigen van Oost-Java naar Borneo’s westkust en naar Singapore; zij komen dan in de volle Chineesche zee, waar in dit seizoen honderd gevaren aangrijnzen en honderd kansen bestaan, om om te komen of opgepakt te worden, tegen niet een kans om te slagen. Ja, naar Sarawak zullen ze trachten te komen, maar dwars door het eiland heen!”

„Maar dat is zeer ver Heer,” sprak de Tomonggong[19]ernstig, „en de gevaren zijn niet minder, dat weet gij.”

„Ja, dat weet ik, Tomonggong, maar dat zijn gevaren waar tegen te strijden valt en, geloof mij, het zijn kloeke onversaagde kerels. Zij zullen alles beproeven en ik verzeker u, zij zullen alles op het spel zetten. Komaan! er mag niet getalmd worden. Ieder oogenblik is kostbaar. Ga nu naar uw woning terug; roep onmiddellijk de hoofden van de meest nabij gelegen kampongs bijeen. Laat ze een vijftigtal mannen te zamen brengen, voorzie die van levensmiddelen voor een paar dagen. Zij moeten hunne wapenen medevoeren. Dat alles moet over twee uren gereed zijn om te vertrekken. Ik kom dan zelf zien en mijne bevelen mededeelen.”

„Maar zal de gevangenneming goedschiks geschieden, Heer?”

„Daaraan twijfel ik; maar daarom zei ik de wapenen mede te nemen. Ik stel er hoogen prijs op, de vluchtelingen levend en ongedeerd in handen te krijgen. Mochten zij zich echter te weer stellen en van hunne wapenen gebruik maken, dan.….”

Hier aarzelde de luitenant, hij wist hoe zwaar zijne woorden hier golden. De dokter stond doodsbleek met krampachtig gebalde vuisten. De kommandant vervolgde na een oogenblik peinzens met een stem, als bleef hem iets wrangs in de keel steken:

„Mochten zij van hunne wapenen gebruik maken, dan is tegenweer geoorloofd. Laat een uwer invloedrijkste hoofden, bij voorbeeld Damboeng Papoendeh, den tocht aanvoeren. Stuur dien man dadelijk bij mij, dan kan ik hem vertellen, wat hij te doen heeft.”

De luitenant sprak op afdoenden toon, als gewoon bevelen te geven, als gewoon schielijk maatregelen te beramen en beslissingen te nemen. Zijn geestkracht werkte aanstekelijk op den Tomonggong, die reeds opstond, om[20]heen te ijlen. Een blik op den dokter geworpen, stemde hem tot nadenken. Het gezicht van den medicus teekende angst en vertwijfeling. In een oogenblik, dat de luitenant hem niet opmerkte, namen zijne oogen zulk een smeekende uitdrukking aan, dat de Dajak hem begreep. Deze streek met de hand over zijn sarong, alsof de plooien hem hadden gehinderd en ging daarop weer zitten.

„Heer, met uw verlof,” sprak hij zacht maar vast, „het zal niet gaan. Het is reeds laat. Welke opschudding zal een dergelijk bevel in de kampongs niet geven?”

„Wel, wat zou dat?” stoof de luitenant op.

„Vrouwen en kinderen zullen zeer beangst worden. Men zal in de zaak geheel iets anders zien, dan er in is, en gij weet Heer! dat, niettegenstaande uwe pogingen tot bevrediging der negorij, een groot gedeelte van de bevolking nog niet geheel te vertrouwen is. Daarenboven loopen geruchten—ik deelde ze u gisteren reeds mede—datDoessonschekoppensnellers met hunne rangkan’s4in de buurt verschenen zijn en, hoewel ik daar niet aan geloof, zou het niet onmogelijk te achten zijn, dat een aantal huisgezinnen nog dezen nacht hunne woningen verlieten, om in de wildernis een toevlucht te zoeken.”

„Maar Tomonggong!”.… wilde de luitenant hem in de rede vallen.

„Geloof mij Heer,” hernam het districtshoofd ernstig en met vaste stem, „geloof mij, gij kent mij, ik ben een trouw onderdaan van de Hollanders. Het doel van die nachtelijke oproeping zal niet, of zal verkeerd begrepen[21]worden. Allen zullen beangst worden en niet het minst de familieleden van hen, die voor dien tocht zullen geprest worden. Daarenboven, werwaarts zullen de uittrekkenden zich wenden? Gij zegt wel, dat de vluchtelingen zich niet zeewaarts zullen begeven hebben. Dat Mijnheer het mij vergeve, mij duizendmaal vergeve; maar ik kan zijn gevoelen zoo maar niet deelen. Maar, al ware het uitgemaakt, onbetwistbaar duidelijk, dat de vluchtelingen landwaarts ingetogen zijn, dan nog herhaal ik mijne vraag, werwaarts zullen mijne Dajaks zich wenden? Het eiland Kalimantan5is zeer groot, en wie zal hen in de dikke duisternis op het goede spoor brengen?”

„Maar wat dan?” vroeg de luitenant ongeduldig.

„Wachten Heer, wachten,” was het bedaarde antwoord. „Morgen al heel vroeg zal ik wel te weten komen, hoe uwe soldaten ontvlucht zijn en ik verzeker het u, ik zal hen dan gauw op het spoor zijn. Zij hebben het district niet ongemerkt kunnen verlaten; maar waar nu bij de duisternis van den nacht en bij de loopende geruchten aarzeling en vrees heerschen om mij te komen inlichten, zal ik morgen, als de dag helder schijnt, wel spoedig op de hoogte zijn. De bevolking zal dan ook ras weten, wat het doel van den tocht is; vergissing of opzettelijke misleiding is dan niet meer mogelijk, en ongetwijfeld zal het mij dan hoegenaamd geen moeite kosten het noodige getal vrijwilligers bij elkander te brengen. En mocht Mijnheer het niet afkeuren, dan wenschte ik zelf morgen den tocht aan te voeren; iets wat ik heden avond onmogelijk zou kunnen op mij nemen.”[22]

De luitenant aarzelde een oogenblik en dacht na. Het was stil in de kamer. Alleen hoorde men de hijgende ademhaling van den dokter en buiten weerklonken de voetstappen der op en neer wandelende schildwachten op de bedding van het geschut, waarbij zij op post stonden. De officier scheen eindelijk een besluit genomen te hebben, althans hij hernam:

„Gij hebt gelijk Tomonggong, geheel en al gelijk, en ik dank u voor de goede raadgeving. En toch wenschte ik wel, dat de vervolging nog heden avond had kunnen beginnen; want hoe spoediger in mijne handen, hoe minder de arme drommels te lijden zullen hebben. Zij zullen hun uitstapje duur genoeg betalen,” vervolgde hij bitter en met een zucht: „wie weet wellicht met hun leven!”

„Ja, dat weet Hatallah6alleen,” zei de Tomonggong met vromen eerbied in zijn stem, „het gevaar dat zij te gemoet treden is groot.”

„Welnu dan,” hernam de luitenant, „tot morgen! al heel vroeg wacht ik eenig bericht. Maar wacht, ik weet nog beter. Om geen tijd te verliezen, kom ik nog vóór zonsopgang bij u, Tomonggong. Wij kunnen dan alles te zamen verder beschikken. Ik ga nu bevelen geven om u uit te laten.”

En daarop verliet hij het vertrek.

Een oogenblik alleen met het districtshoofd, sprong de dokter op en drukte hem met warmte de hand.

„Zij hebben nu een voorsprong van ruim zes uur,” zeide hij met verrukking.

„Dat is niet veel”, meende onze Dajak.[23]

„Toch genoeg voorshands; o! wat dank ik u!”

De luitenant kwam binnen; zij konden het gesprek niet voortzetten.

Nadat de Tomonggong afscheid genomen en het fort verlaten had, zaten de kommandant en de dokter nog een poos bij elkander, om de flesch te ledigen, die zoo even ter eere van het districtshoofd ontkurkt was.

„Een beroerde geschiedenis!” ontsnapte den luitenant met een stopwoord, dat zijn gemoedsaandoening moest te kennen geven.

„Ja zeker, een beroerde geschiedenis, maar vooral voor die arme drommels.”

„Maar voor mij niet minder. Behalve de inspanningen en vermoeienissen, behalve de gevaren van allerlei aard, die mij te wachten staan, zullen ook wel de noodige standjes afgeschoven worden. Gij weet, bij ons legt men zoo gaarne de zaken ten nadeele uit en zoekt men daaraan een hatelijken zelfkant. Het zoeken van een zondebok, wanneer iets onaangenaams voorvalt, is eene inheemsche Nederlandsche ziekte.”

„Maar de overste Afdeelings-Kommandant is toch daar de man niet toe!”

„O, die zal het ook niet doen. Het zal wel van hooger komen. O! zij zijn te Batavia zoo snugger! Als het er op aankomt naar het hoofdbestuur in den Haag te kunnen rapporteeren, dat door het geringe doorzicht en de weinig menschkundige handelingen van een luitenant, vier Europeesche soldaten in vollen oorlogstijd gedrost zijn; en als men er dan bijvoegen kan, dat de schuldige ernstig is te recht gewezen, dan is het genot zonder weerga. Men is dan tevreden in den Haag en vraagt naar meer niet. Zelf heeft men immers geen schuld?”

„Geen schuld!!” stoof de dokter woedend op. „Geen[24]schuld!! de geheele schuld ligt in den Haag; want.…”

„Tu tu tu, mijn waarde mof, geen politiek, wat ik je bidden mag,” stopte de luitenant bij tijds. „Al heb je gelijk, dan heb je toch ongelijk, zooveel ervaring heb je toch reeds in het leven opgedaan. Kom, het is al laat geworden, laten wij ons mandje gaan opzoeken, het is morgen vroeg dag, althans voor mij.”

De beide mannen reikten elkander de hand; de dokter verliet het vertrek om naar zijn mandje te gaan, zooals de uitdrukking luidde. Alvorens evenwel in het zijne te kruipen, ging de luitenant nog eens de ronde doen om zich te overtuigen, dat de noodige waakzaamheid werd betracht.

Een oogenblik stond hij op het zuidelijk bastion te turen. Die geschutstelling beheerschte de geheele watervlakte, gevormd door de samenvloeiing van de Poeloe-Petak rivier met de Kapoeas-Moeroeng, aldaar ruim twaalf honderd ellen breed. De nacht was in zijne volle pracht; de sterren schitterden aan den donkerblauwen hemel en weerkaatsten met liefelijken glans in den vloed; de bosschen, die de oevers omzoomden, staken scherp en als een zwarte massa tegen den niet geheel donkeren gezichteinder af. Op den oostelijken oever van de Poeloe-Petak rivier ontwaarde men de omtrekken van de Dajaksche woningen tusschen het groen, en hier en daar flikkerde de vlam eener lamp tusschen de boomen en struiken.

Behalve eenige blaffende honden in de verte, was alles doodstil en liet zich het geruisch en gekabbel van den snelvlietenden stroom zacht, maar duidelijk waarnemen.

Terwijl de luitenant daar stond, tegen de borstwering geleund, dat schouwspel aan te staren, en hij in gedachten verzonken scheen, lieten zich plotseling de tonen der „titih” hooren.[25]

De „titih” is bij de Dajaks de doodenklok. Zij bestaat uit vier „garantong’s” (metalen bekkens van verschillende grootte) en weerklinkt de eerste maal, zoodra iemand gestorven is; de tweede maal, wanneer het lijk in de kist gelegd wordt; de derde maal, wanneer het lijk naar zijne laatste woning gevoerd wordt, en eindelijk de laatste maal, wanneer die woning gesloten wordt. Alleen bij de overvoering van het lijk klinkt de doodenklok aanhoudend, zoolang de vaart duurt; de andere keeren weerklinkt zij slechts telkenmale gedurende vijf minuten. Men luidt haar, door met regelmatige tusschenpoozen van ongeveer twee seconden een slag te doen hooren op de drie garantong’s met lichten toon en die te doen volgen door een zwaren toon. Uiterst weemoedig weerklinkt dat ting, ting, ting, toong over Borneo’s breede stroomen en stemt wel tot droefgeestigheid.

Bij de eerste tonen, die weerklonken, had de luitenant het oor gespitst en zich de vraag gedaan, wie er wel overleden kon zijn in den kampong. Maar weldra waren zijne gedachten weer op de desertie, die plaats gehad had, gevestigd. Toen evenwel de „titih” na een poos niet ophield en bleef weerklinken, begreep hij, dat een uitvaart plaats had en dat wekte wel ietwat zijne verwondering. Met dat het zeldzaam zoude zijn, dat de Dajaks hunne dooden bij nacht bijzetten; hoewel nu niet algemeen, gebeurde dat wel meer, vooral wanneer de overledene aan een besmettelijke ziekte bezweken was; maar in den laatsten tijd had de luitenant verzocht geen uitvaarten meer te houden gedurende den nacht wegens den oorlogstijd, en dat alleen te doen bij volstrekte noodzakelijkheid. Sedert lang was op dat verzoek, eer een bevel, geen inbreuk gemaakt en nu, nu, dat was wel toevallig.…[26]

„Ha! ik ben er,” zei de luitenant als gerustgesteld, „ik ben er, gisteren heeft mij de Tomonggong verteld, dat er twee gevallen van cholera in kampong Soengei Antassan Barimba waren. Een daarvan zal overleden zijn. De kerels hebben gelijk den doode maar weg te moffelen.”

En werkelijk, heel in de verte, van den kant des genoemden kampongs, verschenen twee prauwen, overvloedig met vlaggen en fakkels versierd, welke laatsten haar rood licht over de watervlakte weerkaatsten. Akelig klonken de tonen der „titih” in de nachtelijke stilte. Toen de prauwen langzamerhand nader bij kwamen, weerklonken nog andere geluiden en kon men duidelijk de gezangen der „balians” (priesteressen), die zij met een dof getrommel op hare „katambong’s” (kleine trommen) begeleidden, waarnemen. Toen de vaartuigen nog dichter bij kwamen, klonk het treurgezang:

„Dadari liau olo matäi, tandjoeng dari liau balongkang, tandjoeng-danoem …” enz.7over de watervlakte en bereikte des luitenants gehoor. Alles scheen dan ook in orde; uit de voorste prauw klonken de gezangen en het getrommel der balians; achter dat vaartuig volgde onmiddellijk de prauw, waarin de „raoeng” (doodkist met beeldhouwwerk versierd) geplaatst was, en waarin de „titih” geslagen werd. Om evenwel op alles voorbereid te zijn in een tijd van listen en lagen, teneinde onze posten te overrompelen, deed de luitenant de manschappen der wacht onder de wapens komen en postvatten op het bastion, waarop hij zich bevond. Ook gelastte hij een onderofficier, de naderende prauwen te verkennen en op alles nauwkeurig acht te geven. Toen een der[27]schildwachten zijn „werda” deed weerklinken, werd die roep naar behooren beantwoord en aan het bevel, om aan te leggen, onmiddellijk voldaan. De sergeant doorzocht de eerste prauw, wisselde een kwinkslag met de priesteressen, maar ontwaarde niets verdachts. In de tweede was ook niets te bespeuren. Een akelige stank, eigen aan de lijken van hen, die aan cholera bezweken zijn, steeg uit deraoengop en noodzaakte het onderzoek te verkorten. De vaartuigen staken van wal en onder den krachtigen roeislag van een twintigtal roeiers, geholpen door den zwaren stroom, schoten zij spoedig het fort voorbij. De luitenant tuurde hen nog na en scheen als in gedachten verzonken, toen plotseling een hoofd zich als een zwarte schim boven de dakbedekking van de tweede prauw vertoonde en een stem zich verhief, die uitriep:

„M.…! pour les têtes de fromage! Enfoncés les Hollandais!”

Het metM.…aangeduide woord was het woord van Cambronne in den slag van Waterloo, en is bij onze zuidelijke broeders zeer in zwang; zoo ook het „tête de fromage” als scheldwoord tegen de Hollanders.

Onze luitenant was dan ook dadelijk op de hoogte en begreep, dat de vluchtelingen zich in de doodenprauw bevonden. Hij riep den roeiers toe:

„Gagoelong kantoh ikau, mambalik goelongoeloeng!” (Halt! hierkomen, dadelijk omkeeren.)

Tot antwoord klonk nogmaals hetM.…!, gevolgd door een geweerschot, dat een Javaansch soldaat, naast den luitenant staande, lichtelijk schrampte. Toen draaide de luitenant met behulp van een paar soldaten het kanon, dat op het bastion stond—een 7 Cm. op cirkelaffuit—en steeds geladen was, snel in de richting der prauwen, boog zich over het stuk, gaf het met[28]behulp der stelschroef de noodige inclinatie, greep den vuurstok, waarop de zunder, ontstak dezen aan de steeds brandende lont en.… boum! daar dreunde het schot. Het was echter nacht en het richten vrij onzeker geweest. Daarenboven dreef de snelle stroom de prauwen overhaast voort en repten ook de roeiers zich met inspanning om uit die gevaarlijke buurt te geraken. De kogel sloeg vlak achter de achterste prauw in het water, ricochetteerde, sprong over dat vaartuig en sloeg door de dakbedekking van het voorste en bracht zoo, door de wieling van het water en door den schok tegen het dak, de beide prauwen in groot gevaar van om te slaan en te zinken. Dadelijk daarop en nog vóór dat de algemeene ontsteltenis maar eenigszins bedaard was, weerklonk van het bastion een salvo geweerschoten, dat een hagelbui van kogels door de prauwen joeg, waardoor twee roeiers gedood en een gewond werden. Maar de stroom sleepte de vaartuigen met kracht mede; nog voor dat herladen kon zijn, waren zij aan het gezicht onttrokken en in het nachtelijk duister verdwenen.

„Dat salvo was raak,” zei de dokter, die zijn bed uitgevlogen was, en nu naast den kommandant op het bastion stond, „dat salvo was raak, wat een gegil ging er uit de prauwen op!”

„Ja het was raak,” antwoordde de luitenant ernstig, „maar.… dat is de eerste maat van het liedje, dat gezongen wordt. Ik had mij door den Tomonggong niet moeten laten overhalen, om den tocht tot morgen uit te stellen, wellicht ware dan het nu gebeurde voorkomen geworden. Hebt gij Troenosmito verbonden?”

„Niet noodig geweest, een onbeduidende schramp, die ik met jenever met water heb doen afwasschen.”

„Kom, laten wij dan gaan slapen; ik weet nu waarheen[29]de deserteurs getogen zijn; morgen al heel vroeg kan de vervolging beginnen.”

Beide mannen reikten elkaar nogmaals de hand en weldra verving een diepe stilte het rumoer van straks, een stilte, die slechts afgebroken werd door den rustigen stap der schildwachten.[30]

1„Handipèh” beteekent slang; „boemboeng enjoh” is de naam van de fijne nog niet ontwikkelde bladeren van den klapperboom. De slang, aldus genoemd, is een boomslang, wordt zoo wat twee d.M. lang, is zeer dun van lijf, zoo wat ter dikte van een pijpensteel, heeft een fraaie lichtgroene kleur en is zeer vergiftig.↑2„Panawar” is een slingerplant, welker stam zoo wat een vinger dik wordt. Er zijn twee soorten: de „panawar gantong” heeft geelachtig hout; de „panawar pari” bruinachtig. Deze laatste is zeer bitter en wordt fijngewreven als tegengift tegen slangenbeten gebruikt.↑3Djoekoeng is een boomstam uitgehold en zoo tot vaartuig gevormd.↑4Rangkan en djoekoeng zijn vaartuigen, van een uitgeholden boomstam gemaakt. De rangkan is echter veel grooter dan de djoekoeng.In eerstgenoemd kunnen twintig tot veertig personen plaatsnemen, in laatstgenoemd hoogstens drie of vier.↑5Kalimantan is de naam van het eiland Borneo bij de inlandsche bewoners.↑6Mahatara en Hatallah beteekenen beide „God”. Het eerste woord zal de Dajak evenwel nimmer gebruiken, wanneer hij tot een Europeaan of een Maleier spreekt. Het andere woord wordt nimmer gebezigd, wanneer Dajaks onder elkander zijn.↑7Vlucht, ziel des overledenen, stijg op den nevel, vlucht, ziel des gevallenen, des verlorenen, bewandel het water.↑

1„Handipèh” beteekent slang; „boemboeng enjoh” is de naam van de fijne nog niet ontwikkelde bladeren van den klapperboom. De slang, aldus genoemd, is een boomslang, wordt zoo wat twee d.M. lang, is zeer dun van lijf, zoo wat ter dikte van een pijpensteel, heeft een fraaie lichtgroene kleur en is zeer vergiftig.↑2„Panawar” is een slingerplant, welker stam zoo wat een vinger dik wordt. Er zijn twee soorten: de „panawar gantong” heeft geelachtig hout; de „panawar pari” bruinachtig. Deze laatste is zeer bitter en wordt fijngewreven als tegengift tegen slangenbeten gebruikt.↑3Djoekoeng is een boomstam uitgehold en zoo tot vaartuig gevormd.↑4Rangkan en djoekoeng zijn vaartuigen, van een uitgeholden boomstam gemaakt. De rangkan is echter veel grooter dan de djoekoeng.In eerstgenoemd kunnen twintig tot veertig personen plaatsnemen, in laatstgenoemd hoogstens drie of vier.↑5Kalimantan is de naam van het eiland Borneo bij de inlandsche bewoners.↑6Mahatara en Hatallah beteekenen beide „God”. Het eerste woord zal de Dajak evenwel nimmer gebruiken, wanneer hij tot een Europeaan of een Maleier spreekt. Het andere woord wordt nimmer gebezigd, wanneer Dajaks onder elkander zijn.↑7Vlucht, ziel des overledenen, stijg op den nevel, vlucht, ziel des gevallenen, des verlorenen, bewandel het water.↑

1„Handipèh” beteekent slang; „boemboeng enjoh” is de naam van de fijne nog niet ontwikkelde bladeren van den klapperboom. De slang, aldus genoemd, is een boomslang, wordt zoo wat twee d.M. lang, is zeer dun van lijf, zoo wat ter dikte van een pijpensteel, heeft een fraaie lichtgroene kleur en is zeer vergiftig.↑

1„Handipèh” beteekent slang; „boemboeng enjoh” is de naam van de fijne nog niet ontwikkelde bladeren van den klapperboom. De slang, aldus genoemd, is een boomslang, wordt zoo wat twee d.M. lang, is zeer dun van lijf, zoo wat ter dikte van een pijpensteel, heeft een fraaie lichtgroene kleur en is zeer vergiftig.↑

2„Panawar” is een slingerplant, welker stam zoo wat een vinger dik wordt. Er zijn twee soorten: de „panawar gantong” heeft geelachtig hout; de „panawar pari” bruinachtig. Deze laatste is zeer bitter en wordt fijngewreven als tegengift tegen slangenbeten gebruikt.↑

2„Panawar” is een slingerplant, welker stam zoo wat een vinger dik wordt. Er zijn twee soorten: de „panawar gantong” heeft geelachtig hout; de „panawar pari” bruinachtig. Deze laatste is zeer bitter en wordt fijngewreven als tegengift tegen slangenbeten gebruikt.↑

3Djoekoeng is een boomstam uitgehold en zoo tot vaartuig gevormd.↑

3Djoekoeng is een boomstam uitgehold en zoo tot vaartuig gevormd.↑

4Rangkan en djoekoeng zijn vaartuigen, van een uitgeholden boomstam gemaakt. De rangkan is echter veel grooter dan de djoekoeng.In eerstgenoemd kunnen twintig tot veertig personen plaatsnemen, in laatstgenoemd hoogstens drie of vier.↑

4Rangkan en djoekoeng zijn vaartuigen, van een uitgeholden boomstam gemaakt. De rangkan is echter veel grooter dan de djoekoeng.In eerstgenoemd kunnen twintig tot veertig personen plaatsnemen, in laatstgenoemd hoogstens drie of vier.↑

5Kalimantan is de naam van het eiland Borneo bij de inlandsche bewoners.↑

5Kalimantan is de naam van het eiland Borneo bij de inlandsche bewoners.↑

6Mahatara en Hatallah beteekenen beide „God”. Het eerste woord zal de Dajak evenwel nimmer gebruiken, wanneer hij tot een Europeaan of een Maleier spreekt. Het andere woord wordt nimmer gebezigd, wanneer Dajaks onder elkander zijn.↑

6Mahatara en Hatallah beteekenen beide „God”. Het eerste woord zal de Dajak evenwel nimmer gebruiken, wanneer hij tot een Europeaan of een Maleier spreekt. Het andere woord wordt nimmer gebezigd, wanneer Dajaks onder elkander zijn.↑

7Vlucht, ziel des overledenen, stijg op den nevel, vlucht, ziel des gevallenen, des verlorenen, bewandel het water.↑

7Vlucht, ziel des overledenen, stijg op den nevel, vlucht, ziel des gevallenen, des verlorenen, bewandel het water.↑


Back to IndexNext