VII.

[Inhoud]VII.Dronkenmans-foefje en dronkenmans-redeneering.—In zee.—Een begrafenis.—Johannes in een Tjemara-boom.—Een jacht.—Een uitmuntende raad.—De Kahajan op.—Een Aeolus-harp.—De soengei Troessan.—In de soengei Dahasan.—Een boschspook.—Een muskieten-vestje.—Verdere plannen.—„Pas op je kop”.—Een zwart pak.De twee Zwitsers waren woedend op La Cueille over zijn ontijdig geschreeuw. Ook Johannes toonde zich ontstemd. Een blik evenwel op den Waal loste het raadsel op. Gedurende den tijd, dien de ontvluchting voorafging, had deze stipt zijn woord gehouden en geen droppel jenever geproefd. Zelfs had hij de oorlammen niet gedronken, die den soldaat op voet van oorlog van Gouvernementswege uitgereikt worden. Maar hij had het toch jammer gevonden dien jenever ongebruikt te laten en daarom had hij den kommandant verlof gevraagd, zijn ration sterken drank in een kommetje te mogen ontvangen om er zijne voeten en beenen mee te wasschen, die hij voorgaf dat opgezwollen waren. De algemeene regel is, dat de soldaat zijn oorlam bij den foerier, die het hem aanreikt, terstond uitdrinkt. Toen de officier, achterdochtig tegenover zoo’n dranklustige, en een foefje vermoedende, om genoegzaam drank te kunnen besparen, ten einde eens ter dege dronkenmannetje te spelen, La Cueille de voeten deed ontblooten, vertoonde deze een paar, die zoo opgezet en zoo rood ontstoken schenen,[112]dat de gevraagde permissie zonder aarzeling verleend werd. Aan die voeten mankeerde evenwel niets; de oolijkerd, de achterdocht van den luitenant voorziende, had zich met een paar touwtjes de beide beenen boven het kniegewricht zoodanig afgebonden, dat de bloedsomloop gestremd was en van daar de opgezwollen en branderige voeten. Zorgvuldig bewaarde de Waal nu dien jenever en zoo had hij ruim anderhalven liter verzameld, die in de veldflesch van Johannes en de zijne door Baba Poetjieng aan boord was gebracht. Toen hij nu des avonds, na zijn ontsnapping uit het fort, in de prauw gedoken lag, in afwachting dat het uur van vertrek zoude komen, streelde zijn hand met innig welgevallen de beide veldflesschen en watertandde hij bij de gedachte, dat het oogenblik nabij was, waarop hem vergund zoude wezen, eens een hartigen teug te nemen. Wat kropen die uren langzaam om! Wat was het mistig en kil op het water! Zou dat wel gezond wezen? Langzamerhand begon de overtuiging zich bij hem op te dringen, dat hij toch reeds geheel en al zijn woord gestand had gedaan. Van het oogenblik af, dat hij dat woord verpand had, om vóór het vertrek geen jenever te drinken, was geen droppel drank hem over de lippen gekomen. Maar nu was het vertrek daar; hij was reeds in de prauw, van den wal af. Een ellendig stuk rottan verbond nog maar het vaartuig met het vlot, waaraan het vastgemeerd lag. Zou nu in waarheid kunnen beweerd worden, dat de ontvluchting niet feitelijk begonnen was? Jawel, dat was zij zeker! dat zou de kommandant hun wel aan het verstand brengen, wanneer hij hen nu ontdekte. Kom! een enkele teug zal nu toch geen kwaad meer kunnen stichten. Hij greep een der veldflesschen in het donker, ontkurkte haar voorzichtig en onhoorbaar en nam een flinken teug. Hé! dat smaakte en verwarmde hem; de nachtlucht was[113]toch zoo onaangenaam vochtig. Een tweede teug volgde en was in volumen niets minder dan de eerste.„Train de plaisir de ma bouche à mon estomac,” prevelde de Waal, die zich nu in een uiterst aangename gemoedsstemming begon te gevoelen. Wat duurde het lang, eer dat dat verwenschte lijk gebracht werd. Om den tijd te korten, liet hij den pleiziertrein nog eens rijden. De eerste veldflesch was bijna ledig.Eindelijk! daar kwam men met den doode aandragen. Poeah!! wat een stank; dat was om de cholera op het lijf te krijgen! De rijken drinken champagne en cognac als verweermiddel tegen de ziekte; jenever zal toch wel hetzelfde uitwerksel hebben. En zoo ging het teug op teug en zoo was de inhoud van de tweede veldflesch op weg de eerste te volgen.Toen de Balians met hare prauw aangekomen waren, en de lijkstaatsie zich in beweging stelde, zat La Cueille wezenloos uit te turen, maar hield zich doodstil. De boomen en struiken op de oevers stoven in het nachtelijk duister voorbij, als waren het spookgestalten. Somber en klagend weerklonk de titih over de watervlakte, terwijl de roeiers den vloed met hunne „beseai’s” (pagaaien) kliefden. Achter de doodenprauw gilden de Balians hunne doodengezangen. De vluchtelingen roeiden mede en tuurden overigens stilzwijgend naar de voorbijzwevende oevers. Daar doemden de sombere omtrekken van het fort op. De stem van een schildwacht liet zijn „werda” hooren en kort daarop het bevel om aan te leggen. Daaraan moest voldaan worden. Het hoofd van een sergeant boog over de lijkprauw, maar toen die onderofficier den stank in den neus kreeg, dien de doode verspreidde en hij vernam dat het de begrafenis van een choleralijder betrof, trok hij zich eenigszins verschrikt terug en liet de beide prauwen de reis voortzetten.[114]Nog een paar roeislagen en de vaartuigen waren de landtong voorbijgeschoten. Maar toen kon de dronkaard zijn overmoed niet meer bedwingen:„M.…! pour les têtes de fromage! Enfoncés les Hollandais!” klonk over het water. Wel sprong Johannes op en wilde den Waal den mond dicht houden; maar het was reeds te laat.„Beseai goeloeng goeloeng!” (roeit snel) vermaande hij.Toen het bevel van het fort weerklonk om terug te keeren, brulde La Cueille in volle dronkenmanswoede nogmaals zijn M.…! en voordat iemand het hem beletten kon, greep hij zijn geweer en vuurde het in de richting van het fort af. Al heel spoedig daarop, zagen de opvarenden een groote vlam flikkeren en bijna onmiddellijk daarop dreunde een kanonschot als een vervaarlijke donderslag door de lucht. Tegelijkertijd deinden de prauwen alsof zij beschonken waren en knetterde een levendig geweervuur van den wal. Wat er eigenlijk voorviel, wist niemand der opvarenden bij de algemeene ontsteltenis. Toen het geweervuur ophield, dreven de vaartuigen door den sterken ebstroom voortgezweept, in het midden der zeer breede rivier.In de prauw der Balians waren van de veertien roeiers twee gedood en een gewond. In die der deserteurs was niemand gedeerd en waren allen met den schrik vrij gekomen. Ieder greep zijn „beseai” en roeide met alle kracht, want iedereen begreep, dat een nachtelijke vervolging niet onmogelijk was. Zoo, door zes paren krachtige armen voortgestuwd, terwijl de zevende stuurde, vloog de prauw vooruit en deed het witte schuim onder haren voorsteven opstuiven. Die vaart werd volgehouden totdat de dag aan den hemel gloorde. Voor zich bemerkten toen de vluchtelingen de open zee, waarvan de blauwe golfjes onder den invloed van den zuidoosten[115]wind zich met zilverwit schuim kroonden. Van de Balians-prauw was sedert lang niets meer te bespeuren geweest; die was voorzeker onder de oevers geloopen en zou bij het aanbreken van den dag wel naar Kwala Kapoeas teruggekeerd zijn. Maar dat deerde de deserteurs niets, want noch de priesteressen, noch de roeiers wisten iets van het komplot af.Toen de oostelijke hemel zich in purper hulde, nam Wienersdorf den kijker en liet den blik langs den gezichteinder glijden. Heel in de verte waren twee kruisprauwen zichtbaar, die scherp bij den wind omstreeks noord-oost koersten, alsof zij de Barito-monding wilden halen. Nog verder werd de rook van een stoomschip ontwaard; welke richting dat volgde, kon wegens den afstand niet bepaald worden. Iets om de zuid-west, zoo wat een paar mijlen uit den wal, stevende een prauw, die in haar uiterlijk veel op het vaartuig onzer avonturiers geleek en die den steven naar de kleine Dajak-monding gewend had. Zoodra men de monding uit was, werd om de west gestuurd, waarna een der Dajaksche opvarenden den raad gaf, den wal aan te doen, vooreerst om zich van het lijk te ontdoen, maar voornamelijk om nipah-bladeren1te snijden, ten einde het dak der prauw met versch groen te bedekken en haar zoo aan het waakzaam oog der kruisprauwen te onttrekken. De Europeanen waren van meening dat[116]het eenvoudiger was, het lijk over boord te zetten en, hoewel dat wel weerzin bij de Dajaks verwekte, hadden zij de meerderheid en ploften de kist in zee. Overigens werd de gegeven raad gevolgd, en weldra waren in overvloed bladeren gesneden, waarmede de prauw zoodanig overdekt werd, dat van de lichtgele dakbedekking niets meer te zien en het vaartuig tegen het groen van de dicht begroeide kusten niet te ontwaren was. Men vervolgde nu de reis en hoopte, zoo langs den wal varende, geheel onopgemerkt te blijven. De beseai’s werden met de uiterste voorzichtigheid gehanteerd om in de zonnestralen geene glinsteringen in de wateroppervlakte te veroorzaken. Er werd besloten de Kahajan-monding in te loopen, zich daar in de eerste de beste kreek te verbergen en te wachten tot dat de avond zou zijn gevallen, om de reis westwaarts te vervolgen. Dat alles slaagde naar wensch, hoewel de kruisbooten, na een langen slag bij den wind afgelegd te hebben, gewend hadden en westwaarts waren gestevend, nagenoeg evenwijdig aan de kust, evenwel op zoo’n grooten afstand, dat zij de prauw niet opmerkten. Eindelijk kwamen zij voor de kleine Dajak-monding ten anker. De prauw, die men in het zuid-westen ontwaard had, scheen een handelsvaartuig te zijn, dat zwak bemand was, en in den wind en de vrij holle zee niet veel gang maakte en zwaar werkte. Zacht roeiende bereikten onze vluchtelingen zoo omstreeks het middaguur de Kahajan-monding. Zij voeren die in, vonden spoedig een geschikten inham, waarin zij de prauw onder eenige dicht voorover hangende struiken verdekt opstelden, waarna zij eenige rust trachtten te genieten, want zij waren zeer vermoeid en de aanstaande nacht zou hun weer inspanning genoeg opleveren. Een hunner zou de wacht houden.[117]Zij konden daar zoo omstreeks een paar uren gelegen hebben, toen eensklaps een paar geweerschoten weerklonken, die al vrij spoedig door een kanonschot gevolgd werden. Allen sprongen op en vlug als een kat klom Johannes in een nabijstaanden Tjemara-boom,2die een ruim uitzicht naar de zeezijde opleverde. Wat hij zag, was weinig geruststellend.Een aantal prauwen kwamen de kleine Dajak-rivier uitschieten en deden signalen aan de kruisbooten. Deze laatsten wonden hunne ankers op, heschen de zeilen en maakten zich gereed de prauwen te gemoet te stevenen. Het handelsvaartuig had den boeg gewend, zeil bijgezet en voor den wind afhoudende en door forsche roeislagen geholpen, trachtte het uit de voeten te komen. Toen de prauwenflotille de kruisbooten bereikt had, scheen er raad gehouden te worden, die evenwel niet lang duurde; want al spoedig weerklonken drie losse kanonschoten als bevel aan het handelsvaartuig om bij te leggen. Dat stoorde er zich evenwel niet aan; integendeel, met nog meer kracht dan mogelijk scheen, doorkliefden de roeiers, die nu eensklaps talrijk bleken, het water. Het scheen een flink vaartuig, dat vlug vooruitschoot en zich met gemak op de achteraan rollende deining verhief. Nu begon eene wilde jacht. De kruisbooten zetten zoo veel zeil bij als zij maar konden; de lange roeiriemen geeselden het water. Ook bij de prauwenflotille werd veel inspanning aan den dag gelegd, om te kunnen volgen. Maar het gejaagde vaartuig scheen zijn afstand te behouden; althans Johannes kon niet merken, dat die afstand verminderde. Een paarkanonkogels[118]ricochetteerden op de golvenkruinen; maar voor die ellendige gladziels-vuurmonden van zevenc.m., waarmede de kruisbooten in Nederlandsch-Indië bewapend zijn, was de afstand te groot.Eindelijk kon Johannes van zijn observatiepost niets meer onderscheiden dan een paar onduidelijke stippen in het west-zuid-westen aan den horizon. Toen liet hij zich naar beneden glijden en met een zucht verweet hij La Cueille:„Daar heb je de gevolgen reeds van je dronkemansgeschreeuw. Vervloekte sopie! Men is ons nu op ’t spoor.”„Maar wat heb je gezien?” vroeg Wienersdorf.Johannes vertelde nu wat hij waargenomen had en herhaalde dat verhaal ook in het Dajaksch en besloot met de verzuchting:„De prauw, die zij nazetten is een smokkelprauw van BabaPoetjieng; ik had haar heden ochtend reeds herkend. Maar wat zal er gebeuren, wanneer zij die prauw inhalen? De luitenant is zeker aan boord van de flotille en die zal wel gelasten de geheele kust scherp te onderzoeken. Eer we vier en twintig uren verder zijn, hebben we meer dan tweehonderd vaartuigen zwervende langs de zuidkust,” en knarsetandende vervolgde hij:„Ik wou dat die dronken Waal.…!”Wienersdorf lei hem de hand op den mond:„Schelden en verwijten baat niet op het oogenblik. Er moet gehandeld worden; wat staat ons te doen?”„De geheele onderneming ligt in duigen. Langs de zuidkust kunnen we niet meer voort. Niet waar Dalim?” vervolgde hij tot een der Dajaks en herhaalde in diens taal zijn beweren.„Djaton mandanan augh,” was het antwoord. „Er valt zich zelf niet te bedriegen, de weg is daar afgesloten.”[119]Na een oogenblik met zijne makkers geraadpleegd te hebben, voer hij voort, terwijl hij met de hand naar het noorden wees:„Hetèh!” (daarheen).„De Kahajan op?” vroeg Johannes ontsteld.„Dia” (neen) was het antwoord. „Daar zouden we niet doorkomen. Ook zal de Kahajan wel doorzocht worden; en daarenboven weten we er den weg niet.”„Maar wat dan?”„De Troessan3in.”„Zou die niet doorzocht worden?” vroeg Johannes bitter.„Wel zeker; maar we moeten voort maken. In de Troessan watert de soengei Dahasan uit en die staat in verbinding met de soengei Basarang, die ten noorden van het fort in de Kapoeas hare uitwatering heeft. Niemand weet daarvan iets; ik heb dat eens ontdekt bij het rottan-snijden. Komaan, voort! we hebben geen tijd te verliezen. Eenmaal in de Kapoeas, zal men ons daar voorshands niet zoeken.”Die raad was in de tegenwoordige omstandigheden uitstekend; dat gevoelden allen. Maar allen moesten zich ook bekennen dat, nu de tocht over zee onmogelijk geworden was, men een vreeselijke toekomst tegemoet[120]ging. Maar er viel niet te dralen; ieder oogenblik talmens kon ook dien uitweg onmogelijk maken en daar bleef niets over dan of door zelfmoord een einde aan de ellende te maken, of in handen hunner vervolgers te vallen. Het duurde dan ook niet lang of de prauw, uit haren schuilhoek gehaald, was in volle vaart en erlangde een vrij groote snelheid, daar de vloed begon op te loopen.Zwaar werd er geroeid; maar toch vond men nog gelegenheid om te morren tegen den rampzalige, die de oorzaak van dien tegenspoed was. La Cueille erkende ten volle schuld en begreep dat, hadde hij den mond gehouden, zij een heel eind in de goede vaart en niet meer in te halen zouden geweest zijn, wanneer men te Kwala Kapoeas al iets van hun spoor vernomen zoude hebben. Met gebukten hoofde hoorde hij stilzwijgend de verwijten zijner kameraden aan en trachtte slechts zijn leedwezen te kennen te geven, door met zijn pagaai, zoo krachtig hem maar mogelijk was, het water te klieven.Maar.… wat was dat? Plotseling hielden de Europeanen met roeien op en keken uiterst verbaasd uit. De Dajaks staakten den arbeid en keken ook uit, omdat zij hunne metgezellen zulks zagen doen. Een geluid liet zich hooren als van een Aeolusharp, nu eens ver verwijderd, zacht en vloeiend doch steeds duidelijk; dan weer zoo dichtbij, alsof het aan den buitenwand der prauw ontstond. Het was een volmaakt akkoord dat weerklonk, afwisselend zacht en smeltend, nauwelijks waarneembaar als de adem van een lispelend windje; of vol, krachtig en forsch, alsof de stormwind door een reusachtig snareninstrument joeg. De Europeanen keken elkander schier beangst aan en wisten er niets van te maken. La Cueille sloeg angstig een kruis en prevelde binnensmonds iets, waaruit: „étoile de la mer, priez pour nous” verstaan kon worden. Daaromtrent waren[121]allen het eens, dat het voor hen onverklaarbaar was. Toen de Dajaks begrepen, waaraan die angstige verbazing toe te schrijven was, begonnen zij te lachen. Voor hen was het een gewoon verschijnsel, wat zij „rioeng” (spektakel) ook wel „riwoet haroesan” (adem des vloeds) noemen en waaromtrent zij de navolgende legende verhaalden.De eerste vorst van Bandjermasin, Lamboeng Mangkoerat, van goddelijken oorsprong, had met behulp van Djata-Soerassa, een krokodil, nauw verwant aan Djata, den broeder van Mahatara4, zich een rijk gesticht langs de boorden van de Doesson en hare nevenrivieren. Bij overeenkomst was bepaald, dat, zoodra Lamboeng den troon beklommen zoude hebben, hij aan den kaaiman twee en veertig schoone jonge maagden zoude overleveren, ter voldoening aan diens gruwelijken wellust. Toen het oogenblik daar was om die schuld aan te zuiveren, begaf de nieuwe vorst zich met het begeerde getal jonge meisjes op weg, om die te Kwala Mengkatip af te leveren. Om de langwijligheid der reis te korten, was op de prauw, waarop Lamboeng zich ingescheept had, ook een prachtig gamelanspel aanwezig. Dit scheen evenwel geen genoegzame tijdkorting, want de vorst liet de oogen gaan langs de rij schoonen, en verliefde op eene harer. Verlangen en de lust om te bevredigen is bijna gelijkluidend voor Indische vorsten. Maar de straf liet zich niet lang wachten. Djata-Soerassa, verontwaardigd dat men hem zoo bedriegen wilde, deed met een hevigen slag van zijn staart de prauw kantelen, waardoor de meisjes en het gamelanspel in de diepte verdwenen. Met moeite[122]redde Lamboeng Mangkoerat het leven en had dat slechts te danken aan zijn verheven oorsprong. Het zachte klaaggeschrei der maagden en de wegstervende tonen der Gamelan, bleven op het water zweven en verkondigen zoo nog voortdurend de wraak die Djata-Soerassa genomen heeft.Dalim voegde er echter bij, dat de Europeesche zendelingen de navolgende verklaring van het verschijnsel gegeven hadden: Wanneer de vloed zoo lang gestegen is, dat eerst het rivierwater, daarna het brakke water teruggedrongen is en het onvermengde zeewater begint op te komen, dan komt dat in aanraking met de zoetwaterdeelen, die zich nog bevinden in de tegenstroomingen, die allerwege door de bochten, de inhammen en kreken der rivier gevormd worden. De wrijving der zoutdeelen van het opkomende zeewater met die zoetwaterstroomingen zou dat harmonisch geluid te voorschijn roepen. Die meening wordt vrij aannemelijk doordat het slechts zoo ver vernomen wordt, als het zeewater met den vloed de rivier binnendringt. Bevindt zich een prauw, wanneer de vloed met kracht doorkomt, juist op de grens van zulk een tegenstrooming, zoodanig dat zij het heldere zeewater aan de eene zijde en het gele of bruine rivierwater aan de andere zijde heeft, wat men dikwijls kan waarnemen, dan zal het melodieuse geluid aan den zeewaterkant vernomen worden, zacht en smeltend, wanneer de prauw weinig vaart loopt, of slechts door den stroom voortgestuwd wordt; daarentegen krachtig, vol en doordringend, wanneer de prauw met inspanning voortgeroeid of zeilend door een flinke bries voortgezweept wordt.De „adem des vloeds” begeleidde de vluchtelingen tot aan den ingang der Troessan, dien zij tegen het vallen van den avond bereikten. Toen zij die soengei binnengestevend[123]waren, was eensklaps alles stil en hoorde men van de Aeolusharp niets meer.„Oef!” riep La Cueille, „dat ’s een pak van m’n hart. Het was of geesten rondom de prauw muziek maakten. Wanneer dat den geheelen nacht had moeten duren, was ik gek geworden.”„Narai augh hetèh” (wat is dat voor een gebabbel), bromde een der Dajaks en zich naar Johannes buigende, fluisterde hij dien wat in het oor.Met gedempte stem beval deze nu stilte aan; omdat men zich in een nauw vaarwater bevond, waarin men al heel licht een andere prauw achterop loopen of tegemoet kon komen. Vooral het spreken eener andere taal dan de Dajaksche zou dan allicht aanleiding kunnen geven, dat hun spoor verraden werd.Met inspanning van alle krachten werd nu voortgeroeid en tegen acht uur werd de monding van soengei Dahasan bereikt. Men voer die nog een goed eind naar binnen; maar toen verklaarde Dalim, dat de dag moest afgewacht worden, daar men licht kon verdwalen, wijl hier vele riviertjes elkander kruisen. Dat was waar, maar dat was toch de ware reden niet, waarom hij de reis wenschte gestaakt te zien. Vooreerst waren allen zeer moede; niemand had nog iets gegeten en ook van slapen was niet veel ingekomen; daarenboven begreep Dalim, dat, waar hij bij het rottan snijden met een uitgeholden boomstam tot vaartuig doorgeschoven was, het veel moeite zal kosten, een prauw als die, waarmede de vluchtelingen de reis maakten, er door te brengen. Het daglicht was daarbij onontbeerlijk.„Maar,” vroeg Wienersdorf, „is het hier veilig om den nacht door te brengen? Ware het niet beter nog wat verder door te dringen?”„Neen,” beantwoordde Dalim de laatste vraag. „Hier[124]is volkomen veiligheid. Geen Dajak waagt zich hier. En de „toean Koemdan” (heer kommandant) zal van ons nog wel geen bericht hebben. Die is nog buiten op de jacht achter de prauw van Baba Poetjieng. Als hij morgen avond aan de kleine Dajakmonding terug is, mag hij blij zijn. We hebben gelukkig geen enkel vaartuig, noch in de Kahajan, noch in de Troessan ontmoet. Onmogelijk kan men gissen, dat we hier zitten; want niemand kent dezen doorgang. We hebben dus een paar dagen voor ons om onze maatregelen te kunnen beramen.”„Maar waarom zouden de Dajaks zich hier niet wagen?”„In 1859 kwam Pembekel Soelil om het leven door het springen van een stuk geschut, dat hij eigenhandig tegen de Hollanders afschoot, bij de verdediging zijner benting, bij de monding van de soengei Basarang gebouwd. Om zijn lijk aan de schendende hand der Hollanders te onttrekken, werd het in de soengei Dahasan dicht bij de monding begraven. We zijn straks de plek voorbij gevaren. Maar sedert wordt deze soengei door een Pampahilep bewaakt en wee hem, die het verboden terrein betreedt!”„Een Pampahilep wat is dat?”„Een vreeselijk boschspook, dat iedereen ombrengt, die onder zijn bereik komt. De Pampahilep die hier huist, is er eene van het vrouwelijke geslacht. Wanneer het haar gelukt, een mannelijk individu te bemachtigen, dan noodzaakt zij hem haar echtgenoot te zijn. Na voldoening harer hartstochten verworgt zij haar slachtoffer.”„Brr!quelle canaille!” mompelde de Waal met afgrijzen, „ik wou thans wel een vrouw zijn.”„Dan zou zij een zwagerin van u maken,” zei Dalim lachende. „Zij heeft ook broertjes.”De Waal zuchtte diep en wijdde een vrome gedachte aan Notre Dame de Montaigu.[125]„Maar zijt ge dan niet bang?” vroeg Schlickeisen den Dajak.„Die „sansana” (fabel) bracht ik in de wereld, omdat ik een verborgen weg noodig had om zout, kruit en lood aan de „brandals” (muitelingen) in de Kapoeas te kunnen brengen. Die vrouwelijke Pampahilep houdt iedereen op een afstand.”„Maar gelooven de Dajaks dat maar zoo grif weg?”„Ze zijn zeer bijgeloovig; er zijn vele plekken in hun land, die door boschspoken bewoond worden en waar een Dajak voor geen schatten ter wereld zich zal wagen. Daarenboven had de plotselinge dood van Pembekel Soelil aller gemoederen diep getroffen. In zijn verscheiden werd de hand van den God der blanken gezien en bij den eerbiedvollen schrik, dien ieder inlander in de nabijheid van lijken ondervindt, zou niemand dan met ontzettenden angst vervuld, Soelil’s graf naderen.”„Een prettige buurt in den nacht,” pruttelde La Cueille, „ik zat liever in een estaminet.”„Maar,” vroeg Schlickeisen, „straks verteldet ge, dat om het lijk van Soelil aan de Hollanders te onttrekken, het hier begraven werd. Schenden de Hollanders dan lijken?”„Zij verbieden het koppensnellen aan de Dajaks, maar nemen zelf de koppen van de lijken mede.”„Hebt ge dat gezien?”„Neen, maar ’t is een algemeen verspreid geloof; ik heb zelfs vernomen, dat die koppen in het zout worden gelegd.”„Och loop heen,” hernam Johannes, „’t is eens of tweemalen geschied, dat het hoofd van een voornaam brandal naar Bandjermasin is opgezonden, om de identiteit van den gesneuvelde te constateeren en het volk van diens dood te overtuigen, maar daarna zijn die koppen begraven.”[126]„’k Wou dat jullie met je spoken en dat koppengemaal ’k weet niet waar zat. Ik zal er gewis van droomen heden nacht,” morde La Cueille.Men bleef dus dien nacht waar men was; maar van rusten, waarnaar allen haakten, en van droomen, waarvoor de Waal vreesde, kwam hoegenaamd niets in. Eerst toch moest voor de maag gezorgd worden, die bij allen ten ernstigste protesteerde, dat hij in de laatste vier en twintig uren niets te verwerken had gehad. Eenige droge takken waren gauw gevonden, lucifers hadden de Zwitsers in den zak en weldra vlamde een vroolijk vuurtje, waarboven het maal zoude bereid worden. Door de zorg van Baba Poetjieng waren eenige groene bamboestaken in de prauw aanwezig; daarvan sneed een der Dajaks eenige einden boven en onder de geledingen af, maakte in de aldus verkregen holle buizen, die aan beide uiteinden gesloten waren, een kleine opening, liet daardoor rijstkorrels glijden totdat de buizen bijna gevuld waren en voegde er wat water bij. Vervolgens sloot hij de openingen met een pennetje en wierp de zoo toebereide stukken bamboe in ’t vuur. De Zwitsers zagen verbaasd en nieuwsgierig toe. Zij hadden al eens rondgekeken in de prauw en zich afgevraagd, waarin toch gekookt zou worden; want buiten eenige kleine aarden pannen en een ijzeren kwalie waren zij arm aan keukengereedschap. Na een twintigtal minuten barstten de bamboestukken met een geluid als van een pistoolschot en nam de Dajaksche kok ze uit het vuur, maakte ze verder open en spreidde een smakelijk gaar gekookte rijst uit op een groot blad, dat hij van de eene of andere waterplant in de nabijheid geplukt had.„Verduiveld!” zei Wienersdorf, „dat’s makkelijk, we behoeven niet bang te zijn, potjes of pannetjes te breken; we hebben de pottebakkerswinkel bij ons.”[127]„Ja,” lachte Johannes, „en die winkel is gemakkelijk aan te vullen.”„Dat weet ik nog niet,” meende Schlickeisen, „’k heb sedert ons vertrek geen enkele bamboestruik opgemerkt.”„In de benedenlanden zal je dat ook niet. De bamboe heeft drogen bodem noodig. Wacht maar, we zullen wel bamboestruiken ontmoeten.”Onder die bedrijvigheid had een andere Dajak in een aarden pan wat lombokh (spaansche peper) met wat zout fijn gewreven; Johannes had een paar gedroogde visschen boven het vuur gepoft; zoodat in een ommezien het maal klaar was. Heel veel omslag had de bereiding niet gekost, maar het smaakte overheerlijk, want ingespannen arbeid en ontbering gedurende een etmaal geeft grage magen.Toen ons zevental verzadigd was, wikkelden zij zich zoo goed en zoo kwaad zij konden, de soldaten in hunne spreien en de Dajaks in hunne lompen, en trachtten in slaap te geraken. Met de inboorlingen was dat spoedig het geval; maar den Europeanen werd iedere rust ontzegd, door de zwermen muskieten, die op hen indrongen.De zuid- en ook de westkust van Borneo is tot op een zeer grooten afstand van zee van zulk een lage gesteldheid, dat het land bij iederen vloed, die de wateren in de rivieren en stroomen terugdringt, allerwege overstroomd wordt en dat slechts zelden een eenigszins uitgebreide plek gevonden wordt, die boven den vloedstand droog blijft. Men kan de voornaamste rivieren op de zuidkust als de Doesson, de Kapoeas, de Kahajan een zestal dagen opstoomen en alsdan nog den invloed van eb en vloed ondervinden, terwijl de aangrenzende oevers dagelijks onder water gezet worden. Bij zoo’n vloedstand zijn die oevers verdwenen en worden de grenzen der rivierbedding alleen aangeduid door de vegetatie[128]der oorspronkelijke bosschen, die uit het water omhoog rijzen. Een eerste gevolg van die periodieke overstrooming is een steeds toenemende moerasvorming in het achterwaarts gelegen terrein, waarin ontelbare zwermen muskieten geboren worden, en daar in hun element zijn. Onze vluchtelingen zouden er nu ter dege kennis mede maken. Wel waren zij in het fort te Kwala Kapoeas door die venijnige insecten ook geplaagd, maar daar hadden zij achter de hooge palissadeering van de versterking nog eenigermate bescherming gevonden tegen de aanrukkende zwermen; ook waren hun van bestuurswege „klamboe’s” (bedgordijnen) verstrekt geworden, waarachter zij een ongestoorde rust hadden kunnen genieten.Hier in het ongerepte woud was van bescherming geen sprake. Het was te vergeefs dat zij, op gevaar af van met hun buskruit in de lucht te vliegen, in de prauw een vuurtje stookten, om de onzichtbare vijanden door rook te verdrijven; de bloeddorstige insecten drongen met duizenden en nog eens duizenden door en weldra was het gelaat der Europeanen, als ook hun hals en hunne handen met builen overdekt, welker onaangenaam gejeuk iedere hoop op slaap verijdelde, terwijl bovendien de aanval bleef voortduren en het vernieuwd steken en gonzen onverdragelijk was. Wat benijdden die blankhuiden de Dajaks, die daar lagen te ronken, alsof er geen muskiet ter wereld bestond. Eindelijk in arren moede rezen de wanhopigen op, kropen rondom het vuur en trachtten nu met een bladrijken tak gewapend, zich de muskieten van het lijf te houden.„Die verd.… dieren,” pruttelde La Cueille, „ze zijn nog veel erger dan de vlooien in mijn land. Als we eens een muskieten-vestje aantrokken?”Een muskieten-vestje aantrekken, beteekent in Nederlandsch[129]Indië zich zoodanig te bedrinken, dat in den daarop volgenden dronkenmansslaap geen stoornis te vreezen is. Voor velen daar zijn de muskieten de grondoorzaak van beginnende zucht naar sterken drank.„Is de les al vergeten?” beet hem Wienersdorf grimmig toe. „Je krijgt geen droppel jenever.”„Neen,” bevestigde Johannes, „liever smijt ik onzen geheelen voorraad in ’t water.”La Cueille zweeg; maar een driftig gebaar met zijn tak duidde aan, dat hij zijnmuskieten-vestjetoch voor een uitstekend middel hield.„Nu het toch onmogelijk is te slapen, kunnen we onzen toestand bespreken,” meende Schlickeisen. „Onze omstandigheden zijn geheel veranderd; aan een vlucht over zee valt niet meer te denken, niet waar?”„Neen,” sprak Johannes, „daarop behoeven we niet terug te komen; de geheele zuidkust zal nog weken, ja maanden lang op het nauwkeurigst bewaakt worden. ’t Is wel jammer.”„Dat is het; maar wat nu te doen?”„Dalim wees straks naar het noorden; daar ligt nu de weg. Maar hoe het gaan zal? zie, die vraag waag ik me haast niet te stellen. En toch.…” vervolgde Johannes na eenige aarzeling, „toch, we moeten den toestand onverschrokken onder de oogen durven zien; we moeten het voor en tegen goed wikken en wegen, onze maatregelen goed nemen, want de minste onvoorzichtigheid kan ons uitermate noodlottig worden.”„Spreek, je bent het langst van ons allen in dit land; spreek en wees onze leidsman.”„Gijlieden zult zeker wel gezien hebben, dat ik straks een oogenblik met Dalim sprak. Ziet hier het uitsluitsel van dat gesprek: We zullen trachten door de soengei Basarang in de Kapoeas te komen. Dan varen we die rivier[130]zoo ver op als we kunnen, trekken het Kamintinggebergte over en trachten dan zoo de noordkust te bereiken. Maar verbeeldt jullie je nu niet, dat dat zoo makkelijk en vlug zal gaan, als ik dat vertel.”„Neen, dat begrijpen we,” lachte Wienersdorf, „maar we moeten een plan hebben van ’t geen we bereiken willen.”„Meer weet ik er ook niet van te vertellen. Alleen dat nog, dat we niet voorzichtig genoeg kunnen zijn. In de benedenstreken hebben we alles van de Hollanders te vreezen. Een woord, dat onze tegenwoordigheid op de Kapoeas verraadt, zal aanleiding geven, dat we als wilde dieren gejaagd worden. In de bovenlanden zal het nog minder pluis wezen. Als men daar slechts gist, dat we Europeanen zijn, dan zijn we verloren. Een Europeesche kop heeft daar tot vierduizend gulden waarde.”„Wat je zegt” riep La Cueille verschrikt, terwijl hij zich den schedel betastte, „heeft die bol zoo veel waarde? Jongens! dat wist ik niet. Het is dan zaak er op te passen.”„Maar je spot, niet waar?” vroeg Schlickeisen ongeduldig.„Volstrekt niet. De kop van den Kolonel GeorgMüller, die in 1825 op een wetenschappelijken tocht dwars door het eiland van het oosten naar het westen, vermoord werd, wordt nog bij den stam der Olo Ot Panganen, aan de boven Kapoeas Bohong, die we te passeeren hebben, als een reliquie bewaard. Die kop is voor geen schatten te erlangen. De koppen van de Europeanen van de „Onrust”, je weet wel, dat stoomschip, dat in 1859 in de Doesson door de Dajaks is afgeloopen, zijn allen nagenoeg tegen gezegden prijs aan de omliggende stammen verschacherd. Dien van den kommandant der boot hebben ze, na hem van de vleeschdeelen[131]ontdaan te hebben, met droge katjangboonen gevuld en daarna in ’t water gelegd. De boonen zijn gezwollen en hebben den schedel langs de naden in een groote menigte fragmenten uit elkander doen barsten. Het kleinste stukje is voor tweehonderd realen5van de hand gezet.”„Wat doen ze toch met die koppen?”„Och dat’s een modeartikel, dat zal je in de bovenlanden wel ontwaren. Iederebenting(fort) daar prijkt met een aantal grijnzende schedels op de punten der palissaden. Er is daar geen enkel huis of je vindt er eenige doodshoofden, die als een reusachtige rozenkrans bijeengebonden, bij wijze van sieraad soms als slingerkransen aan den wand prijken. Als een jongeling een meisje ten huwelijk wenscht, wordt niet gevraagd hoeveel rijksdaalders de pretendent medebrengt, wel hoeveel schedels de vrijer kan vertoonen. Begrijp je nu?”„Ik begrijp, dat het zal zijn: pas op je kop.”„Ja, juist! Pas op je kop! dat moet onze grondleus zijn. Daar boven wemelt het van koppensnellers; van die luidjes hebt jullie zeker toch wel eens hooren spreken?”„Voorzeker, maar ik meende, dat het maar grootendeels vertelsels waren,” meende Wienersdorf.„Ja vertelsels, die nog niet eens het tiende gedeelte der volle waarheid aan ’t licht brengen,” sprak Johannes. „Je begrijpt toch dat die koppensnellerijën voor de blanken zoo geheim mogelijk worden gehouden. Gelooft me, het is en blijft: „pas op je kop.” En om daarop met eenige hoop van slagen te kunnen passen, moeten we vooreerst ons soldatenpakje uittrekken; dat zou ons[132]al heel spoedig verraden; dat zou het reeds gedaan hebben, wanneer we de een of andere prauw ontmoet hadden. Baba Poetjieng, voorziende dat die Europeesche kleeding ons in gevaar kon brengen, heeft een pak medegegeven, dat we straks bij daglicht eens zullen bekijken. Daarin zal wel wat te vinden zijn en dan moet de gedaanteverwisseling maar plaats hebben.”„Wat zal ik er kostelijk uitzien, slechts gekleed in een „ewah” zei La Cueille. „’k Zal me verbeelden in het paradijs rond te wandelen, met het traditioneele vijgenblad getooid.”Een „ewah” is een strook grof veelkleurig goed, soms van linnen maar ook van boomschors vervaardigd, die eenige malen zoodanig om het midden gewonden wordt, dat het eene einde achter tusschen de beenen doorgeslagen kan worden en het andere einde, met een franje versierd, voor tot op de knieën afhangt. Dit is bij veld- en bosch-arbeid het eenige kleedingstuk van den Dajak en de lezer begrijpt dat het hem, zoo gekleed, onmogelijk is zijn pantalon-collant te scheuren. La Cueille’s metgezellen lachten over den inval; maar Johannes hernam:„Je zult er zot genoeg uitzien met je witte huid, dat is zeker.”„En jij dan met je koffiekleurigen bast?” vroeg de Waal gebelgd.„Ik …? ik; dat brengt me op een inval. Jullie kunt zoo niet met die blanke bakkessen blijven. Die zouden je dadelijk verraden. Hadt jullie nu maar zoo’n koffiekleurigen bast, maar daarover zal ik straks Dalim eens spreken, daarop zal wel wat te vinden zijn.”„Je zult zien, dat we allen nog een zwart pak aangemeten krijgen,” lachte de Waal.„Zeer waarschijnlijk,” zei Johannes droog, „en dat zal je wat deftig staan.”[133]„Vooral met mijn pantalon-collant.”Allen lachten met uitzondering van Schlickeisen, die te mijmeren zat. Eindelijk vroeg hij Johannes:„Hoe heeft zich die overrompeling van de „Onrust” toch toegedragen?”„Wat zal ik je daarvan zeggen? ’k Zal je vertellen wat ik er van weet.”Het vuur werd wat opgepookt, een goede hoeveelheid brandhout werd er opgeworpen en toen de vlammen helder opdwarrelden en de aangezichten fantastisch verlichtten van onze avonturiers, neergehurkt in die prauw, die te midden van het sombere woud als buiten haar element verloren scheen, begon Johannes het verhaal van het drama.„In het begin van November 1859 kwam de „Onrust” te Poeloe Petak aan, waar toenmaals het fort bestond, dat later naar Kwala Kapoeas verlegd is. De luitenant Bangert, die civiel gezaghebber der Afdeeling Doesson en Bekoempai was, bevond zich aan boord en verzocht en verkreeg van den kommandant te Poeloe Petak een peloton van twintig infanteristen, om den tocht mede naar de Boven-Dousson te maken. Ik ben toen mee geweest. Alles was toen heel rustig en we werden goed ontvangen. ’k Hoorde praten dat het doel van de reis naar de Boven-Doesson was, om te trachten Pangerang Antassari, een der hoofdopstandelingen in den Bandjermasinschen oorlog in handen te krijgen. Maar welke aanbiedingen ook Tomonggong Soerapatti, hoofd der Dajaks van de boven Doesson, gedaan werden, tot het schenden der gastvrijheid, die hij den voortvluchtigen vorst verleende, daartoe was de oorspronkelijke Dajak niet in staat. We zijn toen teruggekeerd, uiterst voldaan over de ontvangst, hoewel niet geslaagd in de zending. In plaats van toen naar Poeloe Petak terug te[134]stoomen om de daar opgenomen militaire macht weer af te zetten, stevende de Onrust recht door naar Bandjermasin, alwaar dat kleine detachement, bij het gebrek aan troepen, al spoedig bij verschillende mobiele kolonnes ingelijfd was. Ik vroeg en verkreeg verlof om naar Poeloe Petak terug te keeren, alwaar ik met een vivres prauw zoo wat tegen den 10nDecember aankwam. Weinige dagen later, ik meen den 16n, kwam de „Onrust” weer voor Poeloe Petak ten anker en bracht voor de bezetting een grooten voorraad vivres en geld mede. De kommandant van de benting ging bij aankomst van het stoomschip aan boord. Als roeier ben ik toen mee geweest en heb bij die gelegenheid een groot gedeelte van het gesprek gehoord, dat tusschen mijn officier en den luitenant Bangert, die andermaal aan boord was, gevoerd werd. Deze laatste vroeg weer om militairen, dat de andere pertinent weigerde. De beide officieren wandelden het niet lange achterdek op en neder en zoo kon ik verscheidene brokstukken opvangen. Zoo hoorde ik mijn kommandant antwoorden:„Het kan niet. Hadt ge mij de twintig man terug bezorgd, die ge de vorige reis medegenomen hebt, dan kondt gij ze weer medenemen. Nu zit ik in een benting groot genoeg voor een half bataillon met hare vuurlijn van ruim vierhonderd meters met zes en twintig geweerdragende manschappen.”„O! ik heb in die reis zoo’n zwaar hoofd,” hernam de ander, „geef me dan maar vijf of zes man mede.”„Geen enkel man”, was het met drift gegeven antwoord, „ik mag die verantwoordelijkheid niet op me nemen. Ge kent den toestand van het gewest zoo goed als ik; de berichten van voorgenomen aanvallen op mijn post zijn zoo stellig, dat het opdagen van den vijand ieder oogenblik kan te gemoet gezien worden. Mag ik bij zoo’n[135]toestand, mijn reeds zoo luttele bezetting nog verzwakken? de gevolgen zouden onberekenbaar kunnen wezen. Maar waarom hebt ge uwe bezwaren te Bandjermasin niet ingebracht? daar had men u versterking kunnen geven, zooveel men wilde.”„Ik heb er over gesproken, maar de rapporten van den kommandant van het stoomschip luidden zoo gunstig over de gezindheid van Soerapatti jegens de blanken, dat versterking overbodig werd geacht. Je weet ook dat de marine er een hekel aan heeft troepen van de landmacht aan boord te hebben. Maar ik herhaal het, ’k heb een zwaar hoofd in dien tocht.”„Kom! je stelt je de zaken te zwart voor. Een stoomschip met een bemanning van twee en vijftig koppen, waarvan verreweg de grootste helft flinke Hollandsche jongens zijn, bewapend met flink en ontzagwekkend geschut, midden op stroom liggend of stoomend, is waarachtig geen kat om zonder handschoenen aan te tasten. En tasten de Heeren Dajaks het aan, dan wou ik wel van de partij zijn.”„God geve dat je gelijk hebt!” sprak Bangert met een zucht.Den volgenden dag vervolgde de „Onrust” haar reis, maar is nimmer teruggekomen. In de laatste dagen van December dreef er een zeer groote kardoeskoker en een luik dicht bij het fort aan den wal. Eenige dagen later werd bij den kampong Palingkey een hoofdeloos lijk opgevischt dat in vergevorderden staat van ontbinding verkeerde, en niet meer te herkennen was. Hemd en gestreepte slaapbroek duidden evenwel aan, dat het het lijk van een Europeaan was. Langen tijd vernam ik weinig geloofwaardigs van het gebeurde. Wel liepen een menigte geruchten, maar die waren zoo uiteenwijkend, dat er geen mouw aan te passen was.[136]Bij een der veelvuldige tochten, die de kommandant van Kwala Kapoeas in de bovenlanden gemaakt heeft, kreeg hij eens een Dajak te pakken. Deze had over het afloopen der „Onrust” veel te verhalen. Of het echter de volle, de geheele waarheid is, dat weet God alleen. Hij was er niet bij geweest, betuigde hij, maar een broeder van zijn vrouw had wel niet meegedaan, maar was in de nabijheid geweest, zoodat hem van het geheele drama niets ontgaan was.„Toen de „Onrust” bij den kampong, waar Soerapatti verblijf hield, ten anker was gekomen.…”„Heette die kampong niet Loentoentoir?” vroeg Schlickeisen.„Neen, ik heb den naam van dien kampong niet vernomen. Maar Loentoentoir is het niet.”„Ik meen dat toch gelezen te hebben.”„Jawel, in de rapporten en couranten is dat ook medegedeeld, maar het zal straks blijken dat dat onmogelijk is. Luister slechts. Toen dus de „Onrust” bij den kampong, waar Soerapatti verblijf hield, ten anker was gekomen, was het omstreeks donker. Toch kwamen nog een paar schoonzoons van het Dajaksche hoofd aan boord en berichtten dat de Tomonggong den volgenden morgen zijne opwachting bij den „toean koemdan” (heer kommandant) zou komen maken. Werkelijk kwam het oude opperhoofd, vergezeld van zes zijner zonen al heel vroeg—zoo omstreeks 8 uur—aan boord. Allen waren slechts gekleed met een „ewah”, alleen de Tomonggong had nog over het naakte bovenlijf een rood lakensch buisje met vergulden kraag. Ook hadden allen volgens nationaal gebruik den „mandauw” (koppensneller) op zijde en een mutsje, een soort van kalotje van apenvel op het hoofd.„De ontmoeting met de officieren aan boord was allerhartelijkst.[137]Er werden handdrukken gewisseld om er aandoenlijk van te worden. De zeven Dajaksche hoofden begaven zich op uitnoodiging van den kommandant van het stoomschip omlaag in diens kajuit en waren weldra in een diep gesprek gewikkeld over de belangen des lands, maar vooral over de oplichting van Pangerang Antassari, die weer ter tafel gebracht werd. Aan het dek waren twee der roeiers, die de hoofden aan boord gebracht hadden, gekomen en hadden een schuilplaats voor de zonnestralen onder de zonnetent gezocht en zich ergens tegen de verschansing neergehurkt. De schildwachten aan de valreep lieten hen ongemoeid en niemand scheen acht op die beide mannen te slaan, die evenwel even als de hoofden met den mandauw gewapend waren. De vier overige roeiers waren in de djoekoeng gebleven, die zij aan boord geroeid hadden en nu aan de trap aan stuurboordszijde vastgemaakt lag. In het eerste oogenblik verzamelde zich de geheele equipage nagenoeg om de beide Dajaks, die tegen de verschansing zaten, om de fraaie arabesken te bewonderen, die bij beide mannen op het bovenlijf zoowel op den rug als op de borst getatouëerd waren. Met echt Oostersche onverschilligheid lieten zij zich door Janmaat bekijken en keerden zich gewillig om, om alle zijden van het wezenlijk fraai tatoueerwerk te vertoonen.„Beneden was het gesprek druk aan den gang. Dat gesprek scheen dorstig te maken; althans de kommandant bood zijn bezoekers een glas bier aan, dat dankbaar aangenomen en gulzig in een teug leeggedronken werd. Later werden om die oorspronkelijke gemoederen te winnen en op hunne snoepachtigheid tespeculeeren, likeuren aangeboden, waarvan de anisette van Wijnand Focking hun bij uitstek scheen te smaken. Zij likten zich de vingers af, ja brachten de enorme lange tongen in de[138]glaasjes om den laatsten droppel van het verleidelijk vocht op te vangen. Een duplikaatje, zelfs een triplikaatje was niet voldoende om het vrijmoedig maar koddig aandringen andermaal ingeschonken te worden, te bevredigen. Er is geen vroolijker mensch in de wereld dan een beschonken Dajak; hij is dan vol lachlust, uiterst levendig en spraakzaam en legt klaarblijkelijk aanleg tot geestigheid aan den dag. Hij is dan onvermoeid in het bezigen van kwinkslagen, die menigmaal, en met recht, een onbedwingbaar gelach opwekken. Het is opmerkelijk, dat een Dajak in dien toestand nimmer twistziek is; hoevelen er ook van die drinkebroers bij elkander zijn, nimmer zullen zij ruzie krijgen met elkander.„De kommandant en de officieren vermaakten zich ter dege met den lustigen troep en wellicht onder den indruk van die vroolijkheid hebben zij hunne gasten niet binnen de grenzen eener betamelijke matigheid gehouden.„Tegen een uur ’s namiddags kwamen de kommandant en de luitenant Bangert met de zeven Dajaks aan het dek om dezen den dertigponder, waarmede het stoomschip gewapend was, te toonen en hun het gebruik uit te leggen. Het was toen ontzettend warm. De zon stond nagenoeg loodrecht boven het schip en geen zuchtje liet zich gevoelen. De bemanning van het schip was beneden, waarschijnlijk in diepe rust bij die aamechtige warmte; alleen de twee schildwachten, die op hun post aan de valreep stonden, en de scheepsdokter waren aan het dek. Deze laatste stond, op zijn elleboog rustende, op de koekoek van de longroom geleund en keek naar voren, waar de uitleg van het gebruik van het kanon aan de Dajaks aan den gang was. Plotseling stiet een der Dajaks, die tegen de verschansing neergehurkt was geweest, zijn „lahap” (oorlogskreet) uit en tegelijkertijd kreeg de geneesheer[139]van achteren een houw tusschen de schouders, zoodat de punt van den mandauw, waarmede de slag was toegebracht, voor tusschen de ribben te voorschijn trad. Zonder een kik te geven stortte de dokter of beter zijn lijk door de koekoek en kwam terecht op de daaronder staande tafel in de longroom. De naastbijzijnde schildwacht doorstak dien aanvaller met zijn bajonet; maar voordat hij zijn wapen nog had kunnen terugtrekken uit het lichaam, viel hij zelf doodelijk getroffen ter neder. Op den uitgestooten oorlogskreet, waren de vier roeiers uit den djoekoeng naar boven gesneld, en hadden zich met den mandauw in de hand onverschrokken op de schildwachten geworpen, die dan ook in een ommezien in hun bloed lagen te baden. Tegelijkertijd met dien „lahap” begon ook de moordpartij voor bij het kanon. De beide officieren stonden geheel ongewapend tegenover de zeven Dajaksche hoofden, die hunne mandauws getrokken hadden. Den kommandant van het stoomschip was het hoofd van den romp gesneld, voordat hij recht begreep wat er gaande was. Met Bangert werd een ondeelbaar oogenblik gedraald. Deze had zeer kort geknipt haar; toen zijn aanvaller hem daarbij wilde grijpen om hem op de gebruikelijke wijze den doodelijken slag toe te brengen, lukte dat niet dadelijk, maar greep de Dajak hem bij den sik. Het slachtoffer had daardoor nog den tijd om zich tot Soerapatti te wenden en hem toe te roepen: Of dat nu de dank was, voor het vele goede, dat hij voor de Dajaks had tot stand gebracht? Waarop Soerapatti hem antwoordde, dat er beraadslaagd was des avonds te voren, om hem, Bangert het leven te sparen; maar dat men er van had moeten afzien, wegens de verregaande kwade trouw der blanken op wier woord geen staat te maken was. Dat het daardoor onmogelijk was, hem naar Bandjermasin terug[140]te zenden; en hem te midden der Dajaks te laten leven, een marteling zou zijn erger dan de dood. Het was dus beter dat ook hij maar gesneld werd. En een teeken gevende, viel de noodlottige slag en hield de gillende Dajak het hoofd boven zijn mond en zwelgde met wellust het fel stroomende bloed op.„Wat gebeurde inmiddels in het benedenschip? Op het leven door den val van den dokter veroorzaakt, waren de officieren in de longroom hevig verschrikt van hun legerstede opgevlogen, maar zij hadden niet eens den tijd naar een kleedingstuk of een wapen te grijpen; voor dat zij tot bezinning gekomen waren, lagen zij in hun bloed te wentelen. De roeiers waren namelijk dadelijk naar beneden gestormd en hadden er maar op ingehouwen, zoolang zich iemand in de longroom geroerd had. In weinige seconden dus, in veel minder tijd dan noodig is geweest om het te verhalen, was het schip van zijn bevelhebbers beroofd. Inmiddels waren ettelijke honderden prauwen van achter een nabij gelegen landtong het schip op zijde geschoten, en nu wemelde het op het dek van uitgelaten bloeddronken vijanden, die van blijdschap allerlei luchtsprongen uitvoerden en kreten uitstieten, die niets menschelijks hadden. Wat in dien tusschentijd in het vooronder voorviel, daarvan zal wel nimmer eenig nauwkeurig bericht te geven zijn. Een aantal Dajaks waren naar beneden gestormd en vonden daar een van angst waanzinnige menschenmassa, waar zij de moeite maar te doen hadden van in te hakken. Tegenweer werd niet geboden, het waren slechts gillende en snikkende waanzinnigen, die slechts kermen en klagen konden en niets deden dan onschadelijk voor de aanvallers de handen te wringen. Was de sleutel der wapenkamer in dat noodlottig oogenblik zoek, of hadden de Dajaks door de koenheid van hun overval, de blanken daarvan afgesneden?[141]Wie zal dat ooit uitmaken? genoeg zij het, dat allen weerloos afgemaakt werden en dat van al de Dajaks, die ten aanval stormden, slechts hij omkwam, die den dokter had neergelegd, en van de overigen niemand zelfs maar een schram bekwam. Toen de laatste der opvarenden in het vooronder in zijn bloed lag te rochelen, stegen de overwinnaars naar het dek en nu begon een feest, dat zijn weerga niet in de Dajaksche geschiedenis gehad heeft en ook waarschijnlijk niet hebben zal. Wel werd het een oogenblik gestoord door een viertal Europeanen,—waarschijnlijk machinisten—die uit de diepte der machinekamer opdoken, hunne pistolen wild en verward afschoten, daarna in allerijl op de raderkasten der boot klommen en in de rivier sprongen. Maar toen het bleek dat niemand gekwetst was, verhoogde die episode nog de feestvreugde. Ras waren eenigedjoekoengsbemand om de „badjai bapoeti” (witte krokodillen) te vervolgen, en nu begon een vreeselijke jacht, die niet eindigde dan met den meest smadelijken dood van de rampzaligen, die een laatste redmiddel in een overhaaste vlucht meenden gevonden te hebben.”„Dagen lang duurde het feest, waartoe de dranken, aan boord gevonden, aan de algemeene vreugde het hunne bijdroegen. Zwangere vrouwen moesten aan boord komen, opdat de aanraking van zulk een overwinningsteeken, der vrucht, die zij droegen, voorspoed en geluk zoude aanbrengen. Alle mannelijke kinderen moesten van heinde en ver komen, om het vaartuig met de hand aan te raken, opdat de geestkracht en de moed hunner vaderen in hen zouden varen.”„Toen het feest afgeloopen was, gingen de Dajaks aan den arbeid. Zij begrepen, dat de blanken alles zouden in ’t werk stellen, om het veroverde schip te hernemen, en ook om consequent met hunne wijze van oorlogvoeren[142]te blijven, die wel toelaat zelf den tegenstander afbreuk te doen, maar dien tegenstander buiten de wet plaatst, wanneer hij eenig succes behaalt, die verovering ten bloedigste te wreken. De Dajaks bouwden dus een fort en kozen daartoe een goed gelegen punt uit aan de uitwatering van de Soengei Lahey, en bewapenden dat met den dertigponder van de „Onrust.” Ik kom nu tot mijn beweren van straks, dat het afloopen van het stoomschip te Loentoentoir niet heeft kunnen plaats hebben, maar hoogerop heeft moeten geschieden. Lahey ligt nagenoeg drie uur stoomens bovenstrooms van Loentoentoir; de stroom in den Doesson aldaar is zeer sterk en nu is het als geheel onmogelijk te achten, dat de Dajaks een zoo zwaar voorwerp als dat stuk geschut met hunne oorspronkelijke middelen zulk een verren afstand zouden hebben kunnen vervoeren.”„Zouden ze dat niet met behulp van een vlot hebben kunnen verrichten? Ik heb gehoord dat ze verbazend knap in het behandelen daarvan zijn,” vroeg Wienersdorf.„Een vlot tegen dien stroom! onmogelijk! heb je wel eens een vlot zien hanteeren? Neen? nu daartoe zal je nog wel in de gelegenheid komen, en dan zul je mij gelijk geven.”„Maar zouden ze het schip niet naar Lahey kunnen gebracht hebben?”„Kom, wees nu niet mal. Vooreerst van een hanteeren der machine hadden ze geen verstand; ze waren er zelfs in den beginne bang voor, en om nu dat vaartuig tegen dien zwaren stroom op te boegseeren, was even ondoenlijk als dat van een vlot zou zijn geweest. Daarenboven, waarom zouden de Dajaks zooveel omslag gemaakt hebben om het schip van Loentoentoir naar Lahey te brengen en het daarna weer naar eerstgenoemde plaats[143]te voeren en het daar te laten zinken. Neen, het schip is òf te Lahey òf iets hoogerop afgeloopen. Een andere meening is onaannemelijk.”„Maar ik heb gelezen, dat de kommandant het schip heeft laten zinken en dat het reeds bij het eindigen van het gevecht onder water verdween.”„Ja, dat heb ik ook gelezen; maar daar is niets van waar. De kommandant is een der eersten gevallen. Welke heldenziel men hem nu ook toedicht, dat feit heeft hij niet kunnen verrichten. Maar er is nog wat. Bij de veelvuldige patrouilles, die later in den omtrek gedaan zijn, hebben de soldaten allerlei voorwerpen gevonden, als zakboekjes der matrozen, papieren en kleedingstukken der officieren, zelfs sieraden, als epauletten en steken, waarop geen spoor te ontdekken was, dat zij in het water gelegen hadden. Is dat niet afdoend? Gelooft me, het schip is dagen, ja wellicht weken lang boven water gebleven en het is niet dan nadat het geheel en al leeg geplunderd was, dat de Dajaks de ankerkettingen hebben laten slippen, na alvorens een gat in den romp gekapt te hebben. Door den zwaren stroom medegesleept, is de Onrust nog eenigen tijd drijvende geweest en is eindelijk te Loentoentoir gezonken. En nu nog, nadat verscheidene jaren over het gebeurde heengegaan zijn, nu ligt de djatiehouten romp van de „Onrust” nog steeds tot schande van de Nederlanders bij Loentoentoir in den Doesson en bij iederen oostmousson, wanneer door het vallen van het water die romp zichtbaar wordt, stroomen de jongelingen en knapen toe, om de „banama assep” (het vuurschip) door hunne vaderen veroverd en aan de Hollanders ontwrongen, te bezien, om dien romp aan te raken en daardoor in de toekomst den moed en den wil deelachtig te worden, eenmaal ook zoo’n heldenfeit te kunnen uitvoeren6.[144]Zij keeren dan naar huis terug om de bekkeneelen te beschouwen van hen, die onder den vreeselijken mandauw vielen.”„Zietdaar,” eindigde Johannes zijn verhaal, „wat ik weet van het afloopen der „Onrust”.”„Oef!” riep La Cueille, „jullie bent lollige jongens; ’t is om de nachtmerrie te krijgen. Eerst van dat boschspook en van dien doojen pembekel; toen dat verdraaide koppensnellen en nu tot slot die uitmoordingsgeschiedenis. ’k Ben blij dat de dag aan den hemel komt. ’k Ben benieuwd wat mooie geschiedenissen morgen op het tapijt zullen komen? En dan dat bloeddrinken! brr! brr!!”„Je zult nog wel meer hooren en ook zien, dat beloof ik je,” zei Johannes lachende, „’t Zal steeds zijn: „pas op je kop,” en breng je dien knikker in het Walenland terug, dan mag je wel naar Kevelaar of Scherpenheuvel trekken om daar een schietgebedje te doen.”„Ik beloof,” prevelde de Waal vroom, terwijl hij aandachtig de handen vouwde, „aan Notre Dame de Montaigu een dubbele waskaars, ieder van twee pond, wanneer ik in mijn land terugkom.”„Met je kop natuurlijk?”De Waal rilde, maar antwoordde niet.[145]1Nipa fructificans is een palmsoort en een der nuttigste gewassen, die de keerkringslanden opleveren. Van de bladeren maakt men matten, die tot velerlei doeleinden maar vooral tot omwandingen van huizen gebruikt worden. De geelachtige mannelijke bloem treedt uit de langwerpige scheede bevallig te voorschijn. Zij is zeer welriekend en lokt door haar rijkdom aan was en honing debijenaan. De vrucht, die trosgewijze groeit, heeft een zoetachtigen smaak niet ongelijk aan een jonge kokosnoot.↑2Tjemara Laoet—Casuarina equisetifolia is een cedersoort die op lage stranden in Indië soms in geheele wouden aangetroffen wordt. Op Borneo wordt zij veel afgewisseld met de Nipah-palm.↑3De Troessan is een natuurlijk verbindingskanaal tusschen de kleine Dajak en de Kahajan-rivieren. In dat kanaal monden vele soengei’s (riviertjes) uit en stellen zelfs gemeenschap met de zee daar. Door de lage gesteldheid des lands vormen die soengei’s een’ waren doolhof van waterwegen, die weer naar de Kahajan of Kapoeas leiden. De Troessan heeft aan de zijde der kleine Dajak een breedte van ongeveer 100 M. Deze breedte behoudt zij langen tijd, doch de Kahajan naderende, splitst zij zich bij een uitermate zwaren boom „bindjai” genaamd, in twee smalle takken, waarvan de noordelijkste geheel verzand is en de andere een ondiep, smal en kronkelend vaarwater oplevert.↑4Mahatara—God. Heeft een broeder en eene zuster. Zie hier over de Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver, Uitgave van Joh. Noman en Zoon, Zalt-Bommel.↑5Reaal is een denkbeeldige munt bij de Dajaks, ter waarde van twee gulden.↑6Op het oogenblik dat dit vel ter drukkerij gaat, twee en twintig jaren na het smartelijk gebeurde, ligt die schandzuil daar nog in den Doesson. De Nederlanders hebben nog de weinige guldens niet kunnen vinden voor eenige ponden kruit, om dat wrak uit den weg te ruimen.↑

[Inhoud]VII.Dronkenmans-foefje en dronkenmans-redeneering.—In zee.—Een begrafenis.—Johannes in een Tjemara-boom.—Een jacht.—Een uitmuntende raad.—De Kahajan op.—Een Aeolus-harp.—De soengei Troessan.—In de soengei Dahasan.—Een boschspook.—Een muskieten-vestje.—Verdere plannen.—„Pas op je kop”.—Een zwart pak.De twee Zwitsers waren woedend op La Cueille over zijn ontijdig geschreeuw. Ook Johannes toonde zich ontstemd. Een blik evenwel op den Waal loste het raadsel op. Gedurende den tijd, dien de ontvluchting voorafging, had deze stipt zijn woord gehouden en geen droppel jenever geproefd. Zelfs had hij de oorlammen niet gedronken, die den soldaat op voet van oorlog van Gouvernementswege uitgereikt worden. Maar hij had het toch jammer gevonden dien jenever ongebruikt te laten en daarom had hij den kommandant verlof gevraagd, zijn ration sterken drank in een kommetje te mogen ontvangen om er zijne voeten en beenen mee te wasschen, die hij voorgaf dat opgezwollen waren. De algemeene regel is, dat de soldaat zijn oorlam bij den foerier, die het hem aanreikt, terstond uitdrinkt. Toen de officier, achterdochtig tegenover zoo’n dranklustige, en een foefje vermoedende, om genoegzaam drank te kunnen besparen, ten einde eens ter dege dronkenmannetje te spelen, La Cueille de voeten deed ontblooten, vertoonde deze een paar, die zoo opgezet en zoo rood ontstoken schenen,[112]dat de gevraagde permissie zonder aarzeling verleend werd. Aan die voeten mankeerde evenwel niets; de oolijkerd, de achterdocht van den luitenant voorziende, had zich met een paar touwtjes de beide beenen boven het kniegewricht zoodanig afgebonden, dat de bloedsomloop gestremd was en van daar de opgezwollen en branderige voeten. Zorgvuldig bewaarde de Waal nu dien jenever en zoo had hij ruim anderhalven liter verzameld, die in de veldflesch van Johannes en de zijne door Baba Poetjieng aan boord was gebracht. Toen hij nu des avonds, na zijn ontsnapping uit het fort, in de prauw gedoken lag, in afwachting dat het uur van vertrek zoude komen, streelde zijn hand met innig welgevallen de beide veldflesschen en watertandde hij bij de gedachte, dat het oogenblik nabij was, waarop hem vergund zoude wezen, eens een hartigen teug te nemen. Wat kropen die uren langzaam om! Wat was het mistig en kil op het water! Zou dat wel gezond wezen? Langzamerhand begon de overtuiging zich bij hem op te dringen, dat hij toch reeds geheel en al zijn woord gestand had gedaan. Van het oogenblik af, dat hij dat woord verpand had, om vóór het vertrek geen jenever te drinken, was geen droppel drank hem over de lippen gekomen. Maar nu was het vertrek daar; hij was reeds in de prauw, van den wal af. Een ellendig stuk rottan verbond nog maar het vaartuig met het vlot, waaraan het vastgemeerd lag. Zou nu in waarheid kunnen beweerd worden, dat de ontvluchting niet feitelijk begonnen was? Jawel, dat was zij zeker! dat zou de kommandant hun wel aan het verstand brengen, wanneer hij hen nu ontdekte. Kom! een enkele teug zal nu toch geen kwaad meer kunnen stichten. Hij greep een der veldflesschen in het donker, ontkurkte haar voorzichtig en onhoorbaar en nam een flinken teug. Hé! dat smaakte en verwarmde hem; de nachtlucht was[113]toch zoo onaangenaam vochtig. Een tweede teug volgde en was in volumen niets minder dan de eerste.„Train de plaisir de ma bouche à mon estomac,” prevelde de Waal, die zich nu in een uiterst aangename gemoedsstemming begon te gevoelen. Wat duurde het lang, eer dat dat verwenschte lijk gebracht werd. Om den tijd te korten, liet hij den pleiziertrein nog eens rijden. De eerste veldflesch was bijna ledig.Eindelijk! daar kwam men met den doode aandragen. Poeah!! wat een stank; dat was om de cholera op het lijf te krijgen! De rijken drinken champagne en cognac als verweermiddel tegen de ziekte; jenever zal toch wel hetzelfde uitwerksel hebben. En zoo ging het teug op teug en zoo was de inhoud van de tweede veldflesch op weg de eerste te volgen.Toen de Balians met hare prauw aangekomen waren, en de lijkstaatsie zich in beweging stelde, zat La Cueille wezenloos uit te turen, maar hield zich doodstil. De boomen en struiken op de oevers stoven in het nachtelijk duister voorbij, als waren het spookgestalten. Somber en klagend weerklonk de titih over de watervlakte, terwijl de roeiers den vloed met hunne „beseai’s” (pagaaien) kliefden. Achter de doodenprauw gilden de Balians hunne doodengezangen. De vluchtelingen roeiden mede en tuurden overigens stilzwijgend naar de voorbijzwevende oevers. Daar doemden de sombere omtrekken van het fort op. De stem van een schildwacht liet zijn „werda” hooren en kort daarop het bevel om aan te leggen. Daaraan moest voldaan worden. Het hoofd van een sergeant boog over de lijkprauw, maar toen die onderofficier den stank in den neus kreeg, dien de doode verspreidde en hij vernam dat het de begrafenis van een choleralijder betrof, trok hij zich eenigszins verschrikt terug en liet de beide prauwen de reis voortzetten.[114]Nog een paar roeislagen en de vaartuigen waren de landtong voorbijgeschoten. Maar toen kon de dronkaard zijn overmoed niet meer bedwingen:„M.…! pour les têtes de fromage! Enfoncés les Hollandais!” klonk over het water. Wel sprong Johannes op en wilde den Waal den mond dicht houden; maar het was reeds te laat.„Beseai goeloeng goeloeng!” (roeit snel) vermaande hij.Toen het bevel van het fort weerklonk om terug te keeren, brulde La Cueille in volle dronkenmanswoede nogmaals zijn M.…! en voordat iemand het hem beletten kon, greep hij zijn geweer en vuurde het in de richting van het fort af. Al heel spoedig daarop, zagen de opvarenden een groote vlam flikkeren en bijna onmiddellijk daarop dreunde een kanonschot als een vervaarlijke donderslag door de lucht. Tegelijkertijd deinden de prauwen alsof zij beschonken waren en knetterde een levendig geweervuur van den wal. Wat er eigenlijk voorviel, wist niemand der opvarenden bij de algemeene ontsteltenis. Toen het geweervuur ophield, dreven de vaartuigen door den sterken ebstroom voortgezweept, in het midden der zeer breede rivier.In de prauw der Balians waren van de veertien roeiers twee gedood en een gewond. In die der deserteurs was niemand gedeerd en waren allen met den schrik vrij gekomen. Ieder greep zijn „beseai” en roeide met alle kracht, want iedereen begreep, dat een nachtelijke vervolging niet onmogelijk was. Zoo, door zes paren krachtige armen voortgestuwd, terwijl de zevende stuurde, vloog de prauw vooruit en deed het witte schuim onder haren voorsteven opstuiven. Die vaart werd volgehouden totdat de dag aan den hemel gloorde. Voor zich bemerkten toen de vluchtelingen de open zee, waarvan de blauwe golfjes onder den invloed van den zuidoosten[115]wind zich met zilverwit schuim kroonden. Van de Balians-prauw was sedert lang niets meer te bespeuren geweest; die was voorzeker onder de oevers geloopen en zou bij het aanbreken van den dag wel naar Kwala Kapoeas teruggekeerd zijn. Maar dat deerde de deserteurs niets, want noch de priesteressen, noch de roeiers wisten iets van het komplot af.Toen de oostelijke hemel zich in purper hulde, nam Wienersdorf den kijker en liet den blik langs den gezichteinder glijden. Heel in de verte waren twee kruisprauwen zichtbaar, die scherp bij den wind omstreeks noord-oost koersten, alsof zij de Barito-monding wilden halen. Nog verder werd de rook van een stoomschip ontwaard; welke richting dat volgde, kon wegens den afstand niet bepaald worden. Iets om de zuid-west, zoo wat een paar mijlen uit den wal, stevende een prauw, die in haar uiterlijk veel op het vaartuig onzer avonturiers geleek en die den steven naar de kleine Dajak-monding gewend had. Zoodra men de monding uit was, werd om de west gestuurd, waarna een der Dajaksche opvarenden den raad gaf, den wal aan te doen, vooreerst om zich van het lijk te ontdoen, maar voornamelijk om nipah-bladeren1te snijden, ten einde het dak der prauw met versch groen te bedekken en haar zoo aan het waakzaam oog der kruisprauwen te onttrekken. De Europeanen waren van meening dat[116]het eenvoudiger was, het lijk over boord te zetten en, hoewel dat wel weerzin bij de Dajaks verwekte, hadden zij de meerderheid en ploften de kist in zee. Overigens werd de gegeven raad gevolgd, en weldra waren in overvloed bladeren gesneden, waarmede de prauw zoodanig overdekt werd, dat van de lichtgele dakbedekking niets meer te zien en het vaartuig tegen het groen van de dicht begroeide kusten niet te ontwaren was. Men vervolgde nu de reis en hoopte, zoo langs den wal varende, geheel onopgemerkt te blijven. De beseai’s werden met de uiterste voorzichtigheid gehanteerd om in de zonnestralen geene glinsteringen in de wateroppervlakte te veroorzaken. Er werd besloten de Kahajan-monding in te loopen, zich daar in de eerste de beste kreek te verbergen en te wachten tot dat de avond zou zijn gevallen, om de reis westwaarts te vervolgen. Dat alles slaagde naar wensch, hoewel de kruisbooten, na een langen slag bij den wind afgelegd te hebben, gewend hadden en westwaarts waren gestevend, nagenoeg evenwijdig aan de kust, evenwel op zoo’n grooten afstand, dat zij de prauw niet opmerkten. Eindelijk kwamen zij voor de kleine Dajak-monding ten anker. De prauw, die men in het zuid-westen ontwaard had, scheen een handelsvaartuig te zijn, dat zwak bemand was, en in den wind en de vrij holle zee niet veel gang maakte en zwaar werkte. Zacht roeiende bereikten onze vluchtelingen zoo omstreeks het middaguur de Kahajan-monding. Zij voeren die in, vonden spoedig een geschikten inham, waarin zij de prauw onder eenige dicht voorover hangende struiken verdekt opstelden, waarna zij eenige rust trachtten te genieten, want zij waren zeer vermoeid en de aanstaande nacht zou hun weer inspanning genoeg opleveren. Een hunner zou de wacht houden.[117]Zij konden daar zoo omstreeks een paar uren gelegen hebben, toen eensklaps een paar geweerschoten weerklonken, die al vrij spoedig door een kanonschot gevolgd werden. Allen sprongen op en vlug als een kat klom Johannes in een nabijstaanden Tjemara-boom,2die een ruim uitzicht naar de zeezijde opleverde. Wat hij zag, was weinig geruststellend.Een aantal prauwen kwamen de kleine Dajak-rivier uitschieten en deden signalen aan de kruisbooten. Deze laatsten wonden hunne ankers op, heschen de zeilen en maakten zich gereed de prauwen te gemoet te stevenen. Het handelsvaartuig had den boeg gewend, zeil bijgezet en voor den wind afhoudende en door forsche roeislagen geholpen, trachtte het uit de voeten te komen. Toen de prauwenflotille de kruisbooten bereikt had, scheen er raad gehouden te worden, die evenwel niet lang duurde; want al spoedig weerklonken drie losse kanonschoten als bevel aan het handelsvaartuig om bij te leggen. Dat stoorde er zich evenwel niet aan; integendeel, met nog meer kracht dan mogelijk scheen, doorkliefden de roeiers, die nu eensklaps talrijk bleken, het water. Het scheen een flink vaartuig, dat vlug vooruitschoot en zich met gemak op de achteraan rollende deining verhief. Nu begon eene wilde jacht. De kruisbooten zetten zoo veel zeil bij als zij maar konden; de lange roeiriemen geeselden het water. Ook bij de prauwenflotille werd veel inspanning aan den dag gelegd, om te kunnen volgen. Maar het gejaagde vaartuig scheen zijn afstand te behouden; althans Johannes kon niet merken, dat die afstand verminderde. Een paarkanonkogels[118]ricochetteerden op de golvenkruinen; maar voor die ellendige gladziels-vuurmonden van zevenc.m., waarmede de kruisbooten in Nederlandsch-Indië bewapend zijn, was de afstand te groot.Eindelijk kon Johannes van zijn observatiepost niets meer onderscheiden dan een paar onduidelijke stippen in het west-zuid-westen aan den horizon. Toen liet hij zich naar beneden glijden en met een zucht verweet hij La Cueille:„Daar heb je de gevolgen reeds van je dronkemansgeschreeuw. Vervloekte sopie! Men is ons nu op ’t spoor.”„Maar wat heb je gezien?” vroeg Wienersdorf.Johannes vertelde nu wat hij waargenomen had en herhaalde dat verhaal ook in het Dajaksch en besloot met de verzuchting:„De prauw, die zij nazetten is een smokkelprauw van BabaPoetjieng; ik had haar heden ochtend reeds herkend. Maar wat zal er gebeuren, wanneer zij die prauw inhalen? De luitenant is zeker aan boord van de flotille en die zal wel gelasten de geheele kust scherp te onderzoeken. Eer we vier en twintig uren verder zijn, hebben we meer dan tweehonderd vaartuigen zwervende langs de zuidkust,” en knarsetandende vervolgde hij:„Ik wou dat die dronken Waal.…!”Wienersdorf lei hem de hand op den mond:„Schelden en verwijten baat niet op het oogenblik. Er moet gehandeld worden; wat staat ons te doen?”„De geheele onderneming ligt in duigen. Langs de zuidkust kunnen we niet meer voort. Niet waar Dalim?” vervolgde hij tot een der Dajaks en herhaalde in diens taal zijn beweren.„Djaton mandanan augh,” was het antwoord. „Er valt zich zelf niet te bedriegen, de weg is daar afgesloten.”[119]Na een oogenblik met zijne makkers geraadpleegd te hebben, voer hij voort, terwijl hij met de hand naar het noorden wees:„Hetèh!” (daarheen).„De Kahajan op?” vroeg Johannes ontsteld.„Dia” (neen) was het antwoord. „Daar zouden we niet doorkomen. Ook zal de Kahajan wel doorzocht worden; en daarenboven weten we er den weg niet.”„Maar wat dan?”„De Troessan3in.”„Zou die niet doorzocht worden?” vroeg Johannes bitter.„Wel zeker; maar we moeten voort maken. In de Troessan watert de soengei Dahasan uit en die staat in verbinding met de soengei Basarang, die ten noorden van het fort in de Kapoeas hare uitwatering heeft. Niemand weet daarvan iets; ik heb dat eens ontdekt bij het rottan-snijden. Komaan, voort! we hebben geen tijd te verliezen. Eenmaal in de Kapoeas, zal men ons daar voorshands niet zoeken.”Die raad was in de tegenwoordige omstandigheden uitstekend; dat gevoelden allen. Maar allen moesten zich ook bekennen dat, nu de tocht over zee onmogelijk geworden was, men een vreeselijke toekomst tegemoet[120]ging. Maar er viel niet te dralen; ieder oogenblik talmens kon ook dien uitweg onmogelijk maken en daar bleef niets over dan of door zelfmoord een einde aan de ellende te maken, of in handen hunner vervolgers te vallen. Het duurde dan ook niet lang of de prauw, uit haren schuilhoek gehaald, was in volle vaart en erlangde een vrij groote snelheid, daar de vloed begon op te loopen.Zwaar werd er geroeid; maar toch vond men nog gelegenheid om te morren tegen den rampzalige, die de oorzaak van dien tegenspoed was. La Cueille erkende ten volle schuld en begreep dat, hadde hij den mond gehouden, zij een heel eind in de goede vaart en niet meer in te halen zouden geweest zijn, wanneer men te Kwala Kapoeas al iets van hun spoor vernomen zoude hebben. Met gebukten hoofde hoorde hij stilzwijgend de verwijten zijner kameraden aan en trachtte slechts zijn leedwezen te kennen te geven, door met zijn pagaai, zoo krachtig hem maar mogelijk was, het water te klieven.Maar.… wat was dat? Plotseling hielden de Europeanen met roeien op en keken uiterst verbaasd uit. De Dajaks staakten den arbeid en keken ook uit, omdat zij hunne metgezellen zulks zagen doen. Een geluid liet zich hooren als van een Aeolusharp, nu eens ver verwijderd, zacht en vloeiend doch steeds duidelijk; dan weer zoo dichtbij, alsof het aan den buitenwand der prauw ontstond. Het was een volmaakt akkoord dat weerklonk, afwisselend zacht en smeltend, nauwelijks waarneembaar als de adem van een lispelend windje; of vol, krachtig en forsch, alsof de stormwind door een reusachtig snareninstrument joeg. De Europeanen keken elkander schier beangst aan en wisten er niets van te maken. La Cueille sloeg angstig een kruis en prevelde binnensmonds iets, waaruit: „étoile de la mer, priez pour nous” verstaan kon worden. Daaromtrent waren[121]allen het eens, dat het voor hen onverklaarbaar was. Toen de Dajaks begrepen, waaraan die angstige verbazing toe te schrijven was, begonnen zij te lachen. Voor hen was het een gewoon verschijnsel, wat zij „rioeng” (spektakel) ook wel „riwoet haroesan” (adem des vloeds) noemen en waaromtrent zij de navolgende legende verhaalden.De eerste vorst van Bandjermasin, Lamboeng Mangkoerat, van goddelijken oorsprong, had met behulp van Djata-Soerassa, een krokodil, nauw verwant aan Djata, den broeder van Mahatara4, zich een rijk gesticht langs de boorden van de Doesson en hare nevenrivieren. Bij overeenkomst was bepaald, dat, zoodra Lamboeng den troon beklommen zoude hebben, hij aan den kaaiman twee en veertig schoone jonge maagden zoude overleveren, ter voldoening aan diens gruwelijken wellust. Toen het oogenblik daar was om die schuld aan te zuiveren, begaf de nieuwe vorst zich met het begeerde getal jonge meisjes op weg, om die te Kwala Mengkatip af te leveren. Om de langwijligheid der reis te korten, was op de prauw, waarop Lamboeng zich ingescheept had, ook een prachtig gamelanspel aanwezig. Dit scheen evenwel geen genoegzame tijdkorting, want de vorst liet de oogen gaan langs de rij schoonen, en verliefde op eene harer. Verlangen en de lust om te bevredigen is bijna gelijkluidend voor Indische vorsten. Maar de straf liet zich niet lang wachten. Djata-Soerassa, verontwaardigd dat men hem zoo bedriegen wilde, deed met een hevigen slag van zijn staart de prauw kantelen, waardoor de meisjes en het gamelanspel in de diepte verdwenen. Met moeite[122]redde Lamboeng Mangkoerat het leven en had dat slechts te danken aan zijn verheven oorsprong. Het zachte klaaggeschrei der maagden en de wegstervende tonen der Gamelan, bleven op het water zweven en verkondigen zoo nog voortdurend de wraak die Djata-Soerassa genomen heeft.Dalim voegde er echter bij, dat de Europeesche zendelingen de navolgende verklaring van het verschijnsel gegeven hadden: Wanneer de vloed zoo lang gestegen is, dat eerst het rivierwater, daarna het brakke water teruggedrongen is en het onvermengde zeewater begint op te komen, dan komt dat in aanraking met de zoetwaterdeelen, die zich nog bevinden in de tegenstroomingen, die allerwege door de bochten, de inhammen en kreken der rivier gevormd worden. De wrijving der zoutdeelen van het opkomende zeewater met die zoetwaterstroomingen zou dat harmonisch geluid te voorschijn roepen. Die meening wordt vrij aannemelijk doordat het slechts zoo ver vernomen wordt, als het zeewater met den vloed de rivier binnendringt. Bevindt zich een prauw, wanneer de vloed met kracht doorkomt, juist op de grens van zulk een tegenstrooming, zoodanig dat zij het heldere zeewater aan de eene zijde en het gele of bruine rivierwater aan de andere zijde heeft, wat men dikwijls kan waarnemen, dan zal het melodieuse geluid aan den zeewaterkant vernomen worden, zacht en smeltend, wanneer de prauw weinig vaart loopt, of slechts door den stroom voortgestuwd wordt; daarentegen krachtig, vol en doordringend, wanneer de prauw met inspanning voortgeroeid of zeilend door een flinke bries voortgezweept wordt.De „adem des vloeds” begeleidde de vluchtelingen tot aan den ingang der Troessan, dien zij tegen het vallen van den avond bereikten. Toen zij die soengei binnengestevend[123]waren, was eensklaps alles stil en hoorde men van de Aeolusharp niets meer.„Oef!” riep La Cueille, „dat ’s een pak van m’n hart. Het was of geesten rondom de prauw muziek maakten. Wanneer dat den geheelen nacht had moeten duren, was ik gek geworden.”„Narai augh hetèh” (wat is dat voor een gebabbel), bromde een der Dajaks en zich naar Johannes buigende, fluisterde hij dien wat in het oor.Met gedempte stem beval deze nu stilte aan; omdat men zich in een nauw vaarwater bevond, waarin men al heel licht een andere prauw achterop loopen of tegemoet kon komen. Vooral het spreken eener andere taal dan de Dajaksche zou dan allicht aanleiding kunnen geven, dat hun spoor verraden werd.Met inspanning van alle krachten werd nu voortgeroeid en tegen acht uur werd de monding van soengei Dahasan bereikt. Men voer die nog een goed eind naar binnen; maar toen verklaarde Dalim, dat de dag moest afgewacht worden, daar men licht kon verdwalen, wijl hier vele riviertjes elkander kruisen. Dat was waar, maar dat was toch de ware reden niet, waarom hij de reis wenschte gestaakt te zien. Vooreerst waren allen zeer moede; niemand had nog iets gegeten en ook van slapen was niet veel ingekomen; daarenboven begreep Dalim, dat, waar hij bij het rottan snijden met een uitgeholden boomstam tot vaartuig doorgeschoven was, het veel moeite zal kosten, een prauw als die, waarmede de vluchtelingen de reis maakten, er door te brengen. Het daglicht was daarbij onontbeerlijk.„Maar,” vroeg Wienersdorf, „is het hier veilig om den nacht door te brengen? Ware het niet beter nog wat verder door te dringen?”„Neen,” beantwoordde Dalim de laatste vraag. „Hier[124]is volkomen veiligheid. Geen Dajak waagt zich hier. En de „toean Koemdan” (heer kommandant) zal van ons nog wel geen bericht hebben. Die is nog buiten op de jacht achter de prauw van Baba Poetjieng. Als hij morgen avond aan de kleine Dajakmonding terug is, mag hij blij zijn. We hebben gelukkig geen enkel vaartuig, noch in de Kahajan, noch in de Troessan ontmoet. Onmogelijk kan men gissen, dat we hier zitten; want niemand kent dezen doorgang. We hebben dus een paar dagen voor ons om onze maatregelen te kunnen beramen.”„Maar waarom zouden de Dajaks zich hier niet wagen?”„In 1859 kwam Pembekel Soelil om het leven door het springen van een stuk geschut, dat hij eigenhandig tegen de Hollanders afschoot, bij de verdediging zijner benting, bij de monding van de soengei Basarang gebouwd. Om zijn lijk aan de schendende hand der Hollanders te onttrekken, werd het in de soengei Dahasan dicht bij de monding begraven. We zijn straks de plek voorbij gevaren. Maar sedert wordt deze soengei door een Pampahilep bewaakt en wee hem, die het verboden terrein betreedt!”„Een Pampahilep wat is dat?”„Een vreeselijk boschspook, dat iedereen ombrengt, die onder zijn bereik komt. De Pampahilep die hier huist, is er eene van het vrouwelijke geslacht. Wanneer het haar gelukt, een mannelijk individu te bemachtigen, dan noodzaakt zij hem haar echtgenoot te zijn. Na voldoening harer hartstochten verworgt zij haar slachtoffer.”„Brr!quelle canaille!” mompelde de Waal met afgrijzen, „ik wou thans wel een vrouw zijn.”„Dan zou zij een zwagerin van u maken,” zei Dalim lachende. „Zij heeft ook broertjes.”De Waal zuchtte diep en wijdde een vrome gedachte aan Notre Dame de Montaigu.[125]„Maar zijt ge dan niet bang?” vroeg Schlickeisen den Dajak.„Die „sansana” (fabel) bracht ik in de wereld, omdat ik een verborgen weg noodig had om zout, kruit en lood aan de „brandals” (muitelingen) in de Kapoeas te kunnen brengen. Die vrouwelijke Pampahilep houdt iedereen op een afstand.”„Maar gelooven de Dajaks dat maar zoo grif weg?”„Ze zijn zeer bijgeloovig; er zijn vele plekken in hun land, die door boschspoken bewoond worden en waar een Dajak voor geen schatten ter wereld zich zal wagen. Daarenboven had de plotselinge dood van Pembekel Soelil aller gemoederen diep getroffen. In zijn verscheiden werd de hand van den God der blanken gezien en bij den eerbiedvollen schrik, dien ieder inlander in de nabijheid van lijken ondervindt, zou niemand dan met ontzettenden angst vervuld, Soelil’s graf naderen.”„Een prettige buurt in den nacht,” pruttelde La Cueille, „ik zat liever in een estaminet.”„Maar,” vroeg Schlickeisen, „straks verteldet ge, dat om het lijk van Soelil aan de Hollanders te onttrekken, het hier begraven werd. Schenden de Hollanders dan lijken?”„Zij verbieden het koppensnellen aan de Dajaks, maar nemen zelf de koppen van de lijken mede.”„Hebt ge dat gezien?”„Neen, maar ’t is een algemeen verspreid geloof; ik heb zelfs vernomen, dat die koppen in het zout worden gelegd.”„Och loop heen,” hernam Johannes, „’t is eens of tweemalen geschied, dat het hoofd van een voornaam brandal naar Bandjermasin is opgezonden, om de identiteit van den gesneuvelde te constateeren en het volk van diens dood te overtuigen, maar daarna zijn die koppen begraven.”[126]„’k Wou dat jullie met je spoken en dat koppengemaal ’k weet niet waar zat. Ik zal er gewis van droomen heden nacht,” morde La Cueille.Men bleef dus dien nacht waar men was; maar van rusten, waarnaar allen haakten, en van droomen, waarvoor de Waal vreesde, kwam hoegenaamd niets in. Eerst toch moest voor de maag gezorgd worden, die bij allen ten ernstigste protesteerde, dat hij in de laatste vier en twintig uren niets te verwerken had gehad. Eenige droge takken waren gauw gevonden, lucifers hadden de Zwitsers in den zak en weldra vlamde een vroolijk vuurtje, waarboven het maal zoude bereid worden. Door de zorg van Baba Poetjieng waren eenige groene bamboestaken in de prauw aanwezig; daarvan sneed een der Dajaks eenige einden boven en onder de geledingen af, maakte in de aldus verkregen holle buizen, die aan beide uiteinden gesloten waren, een kleine opening, liet daardoor rijstkorrels glijden totdat de buizen bijna gevuld waren en voegde er wat water bij. Vervolgens sloot hij de openingen met een pennetje en wierp de zoo toebereide stukken bamboe in ’t vuur. De Zwitsers zagen verbaasd en nieuwsgierig toe. Zij hadden al eens rondgekeken in de prauw en zich afgevraagd, waarin toch gekookt zou worden; want buiten eenige kleine aarden pannen en een ijzeren kwalie waren zij arm aan keukengereedschap. Na een twintigtal minuten barstten de bamboestukken met een geluid als van een pistoolschot en nam de Dajaksche kok ze uit het vuur, maakte ze verder open en spreidde een smakelijk gaar gekookte rijst uit op een groot blad, dat hij van de eene of andere waterplant in de nabijheid geplukt had.„Verduiveld!” zei Wienersdorf, „dat’s makkelijk, we behoeven niet bang te zijn, potjes of pannetjes te breken; we hebben de pottebakkerswinkel bij ons.”[127]„Ja,” lachte Johannes, „en die winkel is gemakkelijk aan te vullen.”„Dat weet ik nog niet,” meende Schlickeisen, „’k heb sedert ons vertrek geen enkele bamboestruik opgemerkt.”„In de benedenlanden zal je dat ook niet. De bamboe heeft drogen bodem noodig. Wacht maar, we zullen wel bamboestruiken ontmoeten.”Onder die bedrijvigheid had een andere Dajak in een aarden pan wat lombokh (spaansche peper) met wat zout fijn gewreven; Johannes had een paar gedroogde visschen boven het vuur gepoft; zoodat in een ommezien het maal klaar was. Heel veel omslag had de bereiding niet gekost, maar het smaakte overheerlijk, want ingespannen arbeid en ontbering gedurende een etmaal geeft grage magen.Toen ons zevental verzadigd was, wikkelden zij zich zoo goed en zoo kwaad zij konden, de soldaten in hunne spreien en de Dajaks in hunne lompen, en trachtten in slaap te geraken. Met de inboorlingen was dat spoedig het geval; maar den Europeanen werd iedere rust ontzegd, door de zwermen muskieten, die op hen indrongen.De zuid- en ook de westkust van Borneo is tot op een zeer grooten afstand van zee van zulk een lage gesteldheid, dat het land bij iederen vloed, die de wateren in de rivieren en stroomen terugdringt, allerwege overstroomd wordt en dat slechts zelden een eenigszins uitgebreide plek gevonden wordt, die boven den vloedstand droog blijft. Men kan de voornaamste rivieren op de zuidkust als de Doesson, de Kapoeas, de Kahajan een zestal dagen opstoomen en alsdan nog den invloed van eb en vloed ondervinden, terwijl de aangrenzende oevers dagelijks onder water gezet worden. Bij zoo’n vloedstand zijn die oevers verdwenen en worden de grenzen der rivierbedding alleen aangeduid door de vegetatie[128]der oorspronkelijke bosschen, die uit het water omhoog rijzen. Een eerste gevolg van die periodieke overstrooming is een steeds toenemende moerasvorming in het achterwaarts gelegen terrein, waarin ontelbare zwermen muskieten geboren worden, en daar in hun element zijn. Onze vluchtelingen zouden er nu ter dege kennis mede maken. Wel waren zij in het fort te Kwala Kapoeas door die venijnige insecten ook geplaagd, maar daar hadden zij achter de hooge palissadeering van de versterking nog eenigermate bescherming gevonden tegen de aanrukkende zwermen; ook waren hun van bestuurswege „klamboe’s” (bedgordijnen) verstrekt geworden, waarachter zij een ongestoorde rust hadden kunnen genieten.Hier in het ongerepte woud was van bescherming geen sprake. Het was te vergeefs dat zij, op gevaar af van met hun buskruit in de lucht te vliegen, in de prauw een vuurtje stookten, om de onzichtbare vijanden door rook te verdrijven; de bloeddorstige insecten drongen met duizenden en nog eens duizenden door en weldra was het gelaat der Europeanen, als ook hun hals en hunne handen met builen overdekt, welker onaangenaam gejeuk iedere hoop op slaap verijdelde, terwijl bovendien de aanval bleef voortduren en het vernieuwd steken en gonzen onverdragelijk was. Wat benijdden die blankhuiden de Dajaks, die daar lagen te ronken, alsof er geen muskiet ter wereld bestond. Eindelijk in arren moede rezen de wanhopigen op, kropen rondom het vuur en trachtten nu met een bladrijken tak gewapend, zich de muskieten van het lijf te houden.„Die verd.… dieren,” pruttelde La Cueille, „ze zijn nog veel erger dan de vlooien in mijn land. Als we eens een muskieten-vestje aantrokken?”Een muskieten-vestje aantrekken, beteekent in Nederlandsch[129]Indië zich zoodanig te bedrinken, dat in den daarop volgenden dronkenmansslaap geen stoornis te vreezen is. Voor velen daar zijn de muskieten de grondoorzaak van beginnende zucht naar sterken drank.„Is de les al vergeten?” beet hem Wienersdorf grimmig toe. „Je krijgt geen droppel jenever.”„Neen,” bevestigde Johannes, „liever smijt ik onzen geheelen voorraad in ’t water.”La Cueille zweeg; maar een driftig gebaar met zijn tak duidde aan, dat hij zijnmuskieten-vestjetoch voor een uitstekend middel hield.„Nu het toch onmogelijk is te slapen, kunnen we onzen toestand bespreken,” meende Schlickeisen. „Onze omstandigheden zijn geheel veranderd; aan een vlucht over zee valt niet meer te denken, niet waar?”„Neen,” sprak Johannes, „daarop behoeven we niet terug te komen; de geheele zuidkust zal nog weken, ja maanden lang op het nauwkeurigst bewaakt worden. ’t Is wel jammer.”„Dat is het; maar wat nu te doen?”„Dalim wees straks naar het noorden; daar ligt nu de weg. Maar hoe het gaan zal? zie, die vraag waag ik me haast niet te stellen. En toch.…” vervolgde Johannes na eenige aarzeling, „toch, we moeten den toestand onverschrokken onder de oogen durven zien; we moeten het voor en tegen goed wikken en wegen, onze maatregelen goed nemen, want de minste onvoorzichtigheid kan ons uitermate noodlottig worden.”„Spreek, je bent het langst van ons allen in dit land; spreek en wees onze leidsman.”„Gijlieden zult zeker wel gezien hebben, dat ik straks een oogenblik met Dalim sprak. Ziet hier het uitsluitsel van dat gesprek: We zullen trachten door de soengei Basarang in de Kapoeas te komen. Dan varen we die rivier[130]zoo ver op als we kunnen, trekken het Kamintinggebergte over en trachten dan zoo de noordkust te bereiken. Maar verbeeldt jullie je nu niet, dat dat zoo makkelijk en vlug zal gaan, als ik dat vertel.”„Neen, dat begrijpen we,” lachte Wienersdorf, „maar we moeten een plan hebben van ’t geen we bereiken willen.”„Meer weet ik er ook niet van te vertellen. Alleen dat nog, dat we niet voorzichtig genoeg kunnen zijn. In de benedenstreken hebben we alles van de Hollanders te vreezen. Een woord, dat onze tegenwoordigheid op de Kapoeas verraadt, zal aanleiding geven, dat we als wilde dieren gejaagd worden. In de bovenlanden zal het nog minder pluis wezen. Als men daar slechts gist, dat we Europeanen zijn, dan zijn we verloren. Een Europeesche kop heeft daar tot vierduizend gulden waarde.”„Wat je zegt” riep La Cueille verschrikt, terwijl hij zich den schedel betastte, „heeft die bol zoo veel waarde? Jongens! dat wist ik niet. Het is dan zaak er op te passen.”„Maar je spot, niet waar?” vroeg Schlickeisen ongeduldig.„Volstrekt niet. De kop van den Kolonel GeorgMüller, die in 1825 op een wetenschappelijken tocht dwars door het eiland van het oosten naar het westen, vermoord werd, wordt nog bij den stam der Olo Ot Panganen, aan de boven Kapoeas Bohong, die we te passeeren hebben, als een reliquie bewaard. Die kop is voor geen schatten te erlangen. De koppen van de Europeanen van de „Onrust”, je weet wel, dat stoomschip, dat in 1859 in de Doesson door de Dajaks is afgeloopen, zijn allen nagenoeg tegen gezegden prijs aan de omliggende stammen verschacherd. Dien van den kommandant der boot hebben ze, na hem van de vleeschdeelen[131]ontdaan te hebben, met droge katjangboonen gevuld en daarna in ’t water gelegd. De boonen zijn gezwollen en hebben den schedel langs de naden in een groote menigte fragmenten uit elkander doen barsten. Het kleinste stukje is voor tweehonderd realen5van de hand gezet.”„Wat doen ze toch met die koppen?”„Och dat’s een modeartikel, dat zal je in de bovenlanden wel ontwaren. Iederebenting(fort) daar prijkt met een aantal grijnzende schedels op de punten der palissaden. Er is daar geen enkel huis of je vindt er eenige doodshoofden, die als een reusachtige rozenkrans bijeengebonden, bij wijze van sieraad soms als slingerkransen aan den wand prijken. Als een jongeling een meisje ten huwelijk wenscht, wordt niet gevraagd hoeveel rijksdaalders de pretendent medebrengt, wel hoeveel schedels de vrijer kan vertoonen. Begrijp je nu?”„Ik begrijp, dat het zal zijn: pas op je kop.”„Ja, juist! Pas op je kop! dat moet onze grondleus zijn. Daar boven wemelt het van koppensnellers; van die luidjes hebt jullie zeker toch wel eens hooren spreken?”„Voorzeker, maar ik meende, dat het maar grootendeels vertelsels waren,” meende Wienersdorf.„Ja vertelsels, die nog niet eens het tiende gedeelte der volle waarheid aan ’t licht brengen,” sprak Johannes. „Je begrijpt toch dat die koppensnellerijën voor de blanken zoo geheim mogelijk worden gehouden. Gelooft me, het is en blijft: „pas op je kop.” En om daarop met eenige hoop van slagen te kunnen passen, moeten we vooreerst ons soldatenpakje uittrekken; dat zou ons[132]al heel spoedig verraden; dat zou het reeds gedaan hebben, wanneer we de een of andere prauw ontmoet hadden. Baba Poetjieng, voorziende dat die Europeesche kleeding ons in gevaar kon brengen, heeft een pak medegegeven, dat we straks bij daglicht eens zullen bekijken. Daarin zal wel wat te vinden zijn en dan moet de gedaanteverwisseling maar plaats hebben.”„Wat zal ik er kostelijk uitzien, slechts gekleed in een „ewah” zei La Cueille. „’k Zal me verbeelden in het paradijs rond te wandelen, met het traditioneele vijgenblad getooid.”Een „ewah” is een strook grof veelkleurig goed, soms van linnen maar ook van boomschors vervaardigd, die eenige malen zoodanig om het midden gewonden wordt, dat het eene einde achter tusschen de beenen doorgeslagen kan worden en het andere einde, met een franje versierd, voor tot op de knieën afhangt. Dit is bij veld- en bosch-arbeid het eenige kleedingstuk van den Dajak en de lezer begrijpt dat het hem, zoo gekleed, onmogelijk is zijn pantalon-collant te scheuren. La Cueille’s metgezellen lachten over den inval; maar Johannes hernam:„Je zult er zot genoeg uitzien met je witte huid, dat is zeker.”„En jij dan met je koffiekleurigen bast?” vroeg de Waal gebelgd.„Ik …? ik; dat brengt me op een inval. Jullie kunt zoo niet met die blanke bakkessen blijven. Die zouden je dadelijk verraden. Hadt jullie nu maar zoo’n koffiekleurigen bast, maar daarover zal ik straks Dalim eens spreken, daarop zal wel wat te vinden zijn.”„Je zult zien, dat we allen nog een zwart pak aangemeten krijgen,” lachte de Waal.„Zeer waarschijnlijk,” zei Johannes droog, „en dat zal je wat deftig staan.”[133]„Vooral met mijn pantalon-collant.”Allen lachten met uitzondering van Schlickeisen, die te mijmeren zat. Eindelijk vroeg hij Johannes:„Hoe heeft zich die overrompeling van de „Onrust” toch toegedragen?”„Wat zal ik je daarvan zeggen? ’k Zal je vertellen wat ik er van weet.”Het vuur werd wat opgepookt, een goede hoeveelheid brandhout werd er opgeworpen en toen de vlammen helder opdwarrelden en de aangezichten fantastisch verlichtten van onze avonturiers, neergehurkt in die prauw, die te midden van het sombere woud als buiten haar element verloren scheen, begon Johannes het verhaal van het drama.„In het begin van November 1859 kwam de „Onrust” te Poeloe Petak aan, waar toenmaals het fort bestond, dat later naar Kwala Kapoeas verlegd is. De luitenant Bangert, die civiel gezaghebber der Afdeeling Doesson en Bekoempai was, bevond zich aan boord en verzocht en verkreeg van den kommandant te Poeloe Petak een peloton van twintig infanteristen, om den tocht mede naar de Boven-Dousson te maken. Ik ben toen mee geweest. Alles was toen heel rustig en we werden goed ontvangen. ’k Hoorde praten dat het doel van de reis naar de Boven-Doesson was, om te trachten Pangerang Antassari, een der hoofdopstandelingen in den Bandjermasinschen oorlog in handen te krijgen. Maar welke aanbiedingen ook Tomonggong Soerapatti, hoofd der Dajaks van de boven Doesson, gedaan werden, tot het schenden der gastvrijheid, die hij den voortvluchtigen vorst verleende, daartoe was de oorspronkelijke Dajak niet in staat. We zijn toen teruggekeerd, uiterst voldaan over de ontvangst, hoewel niet geslaagd in de zending. In plaats van toen naar Poeloe Petak terug te[134]stoomen om de daar opgenomen militaire macht weer af te zetten, stevende de Onrust recht door naar Bandjermasin, alwaar dat kleine detachement, bij het gebrek aan troepen, al spoedig bij verschillende mobiele kolonnes ingelijfd was. Ik vroeg en verkreeg verlof om naar Poeloe Petak terug te keeren, alwaar ik met een vivres prauw zoo wat tegen den 10nDecember aankwam. Weinige dagen later, ik meen den 16n, kwam de „Onrust” weer voor Poeloe Petak ten anker en bracht voor de bezetting een grooten voorraad vivres en geld mede. De kommandant van de benting ging bij aankomst van het stoomschip aan boord. Als roeier ben ik toen mee geweest en heb bij die gelegenheid een groot gedeelte van het gesprek gehoord, dat tusschen mijn officier en den luitenant Bangert, die andermaal aan boord was, gevoerd werd. Deze laatste vroeg weer om militairen, dat de andere pertinent weigerde. De beide officieren wandelden het niet lange achterdek op en neder en zoo kon ik verscheidene brokstukken opvangen. Zoo hoorde ik mijn kommandant antwoorden:„Het kan niet. Hadt ge mij de twintig man terug bezorgd, die ge de vorige reis medegenomen hebt, dan kondt gij ze weer medenemen. Nu zit ik in een benting groot genoeg voor een half bataillon met hare vuurlijn van ruim vierhonderd meters met zes en twintig geweerdragende manschappen.”„O! ik heb in die reis zoo’n zwaar hoofd,” hernam de ander, „geef me dan maar vijf of zes man mede.”„Geen enkel man”, was het met drift gegeven antwoord, „ik mag die verantwoordelijkheid niet op me nemen. Ge kent den toestand van het gewest zoo goed als ik; de berichten van voorgenomen aanvallen op mijn post zijn zoo stellig, dat het opdagen van den vijand ieder oogenblik kan te gemoet gezien worden. Mag ik bij zoo’n[135]toestand, mijn reeds zoo luttele bezetting nog verzwakken? de gevolgen zouden onberekenbaar kunnen wezen. Maar waarom hebt ge uwe bezwaren te Bandjermasin niet ingebracht? daar had men u versterking kunnen geven, zooveel men wilde.”„Ik heb er over gesproken, maar de rapporten van den kommandant van het stoomschip luidden zoo gunstig over de gezindheid van Soerapatti jegens de blanken, dat versterking overbodig werd geacht. Je weet ook dat de marine er een hekel aan heeft troepen van de landmacht aan boord te hebben. Maar ik herhaal het, ’k heb een zwaar hoofd in dien tocht.”„Kom! je stelt je de zaken te zwart voor. Een stoomschip met een bemanning van twee en vijftig koppen, waarvan verreweg de grootste helft flinke Hollandsche jongens zijn, bewapend met flink en ontzagwekkend geschut, midden op stroom liggend of stoomend, is waarachtig geen kat om zonder handschoenen aan te tasten. En tasten de Heeren Dajaks het aan, dan wou ik wel van de partij zijn.”„God geve dat je gelijk hebt!” sprak Bangert met een zucht.Den volgenden dag vervolgde de „Onrust” haar reis, maar is nimmer teruggekomen. In de laatste dagen van December dreef er een zeer groote kardoeskoker en een luik dicht bij het fort aan den wal. Eenige dagen later werd bij den kampong Palingkey een hoofdeloos lijk opgevischt dat in vergevorderden staat van ontbinding verkeerde, en niet meer te herkennen was. Hemd en gestreepte slaapbroek duidden evenwel aan, dat het het lijk van een Europeaan was. Langen tijd vernam ik weinig geloofwaardigs van het gebeurde. Wel liepen een menigte geruchten, maar die waren zoo uiteenwijkend, dat er geen mouw aan te passen was.[136]Bij een der veelvuldige tochten, die de kommandant van Kwala Kapoeas in de bovenlanden gemaakt heeft, kreeg hij eens een Dajak te pakken. Deze had over het afloopen der „Onrust” veel te verhalen. Of het echter de volle, de geheele waarheid is, dat weet God alleen. Hij was er niet bij geweest, betuigde hij, maar een broeder van zijn vrouw had wel niet meegedaan, maar was in de nabijheid geweest, zoodat hem van het geheele drama niets ontgaan was.„Toen de „Onrust” bij den kampong, waar Soerapatti verblijf hield, ten anker was gekomen.…”„Heette die kampong niet Loentoentoir?” vroeg Schlickeisen.„Neen, ik heb den naam van dien kampong niet vernomen. Maar Loentoentoir is het niet.”„Ik meen dat toch gelezen te hebben.”„Jawel, in de rapporten en couranten is dat ook medegedeeld, maar het zal straks blijken dat dat onmogelijk is. Luister slechts. Toen dus de „Onrust” bij den kampong, waar Soerapatti verblijf hield, ten anker was gekomen, was het omstreeks donker. Toch kwamen nog een paar schoonzoons van het Dajaksche hoofd aan boord en berichtten dat de Tomonggong den volgenden morgen zijne opwachting bij den „toean koemdan” (heer kommandant) zou komen maken. Werkelijk kwam het oude opperhoofd, vergezeld van zes zijner zonen al heel vroeg—zoo omstreeks 8 uur—aan boord. Allen waren slechts gekleed met een „ewah”, alleen de Tomonggong had nog over het naakte bovenlijf een rood lakensch buisje met vergulden kraag. Ook hadden allen volgens nationaal gebruik den „mandauw” (koppensneller) op zijde en een mutsje, een soort van kalotje van apenvel op het hoofd.„De ontmoeting met de officieren aan boord was allerhartelijkst.[137]Er werden handdrukken gewisseld om er aandoenlijk van te worden. De zeven Dajaksche hoofden begaven zich op uitnoodiging van den kommandant van het stoomschip omlaag in diens kajuit en waren weldra in een diep gesprek gewikkeld over de belangen des lands, maar vooral over de oplichting van Pangerang Antassari, die weer ter tafel gebracht werd. Aan het dek waren twee der roeiers, die de hoofden aan boord gebracht hadden, gekomen en hadden een schuilplaats voor de zonnestralen onder de zonnetent gezocht en zich ergens tegen de verschansing neergehurkt. De schildwachten aan de valreep lieten hen ongemoeid en niemand scheen acht op die beide mannen te slaan, die evenwel even als de hoofden met den mandauw gewapend waren. De vier overige roeiers waren in de djoekoeng gebleven, die zij aan boord geroeid hadden en nu aan de trap aan stuurboordszijde vastgemaakt lag. In het eerste oogenblik verzamelde zich de geheele equipage nagenoeg om de beide Dajaks, die tegen de verschansing zaten, om de fraaie arabesken te bewonderen, die bij beide mannen op het bovenlijf zoowel op den rug als op de borst getatouëerd waren. Met echt Oostersche onverschilligheid lieten zij zich door Janmaat bekijken en keerden zich gewillig om, om alle zijden van het wezenlijk fraai tatoueerwerk te vertoonen.„Beneden was het gesprek druk aan den gang. Dat gesprek scheen dorstig te maken; althans de kommandant bood zijn bezoekers een glas bier aan, dat dankbaar aangenomen en gulzig in een teug leeggedronken werd. Later werden om die oorspronkelijke gemoederen te winnen en op hunne snoepachtigheid tespeculeeren, likeuren aangeboden, waarvan de anisette van Wijnand Focking hun bij uitstek scheen te smaken. Zij likten zich de vingers af, ja brachten de enorme lange tongen in de[138]glaasjes om den laatsten droppel van het verleidelijk vocht op te vangen. Een duplikaatje, zelfs een triplikaatje was niet voldoende om het vrijmoedig maar koddig aandringen andermaal ingeschonken te worden, te bevredigen. Er is geen vroolijker mensch in de wereld dan een beschonken Dajak; hij is dan vol lachlust, uiterst levendig en spraakzaam en legt klaarblijkelijk aanleg tot geestigheid aan den dag. Hij is dan onvermoeid in het bezigen van kwinkslagen, die menigmaal, en met recht, een onbedwingbaar gelach opwekken. Het is opmerkelijk, dat een Dajak in dien toestand nimmer twistziek is; hoevelen er ook van die drinkebroers bij elkander zijn, nimmer zullen zij ruzie krijgen met elkander.„De kommandant en de officieren vermaakten zich ter dege met den lustigen troep en wellicht onder den indruk van die vroolijkheid hebben zij hunne gasten niet binnen de grenzen eener betamelijke matigheid gehouden.„Tegen een uur ’s namiddags kwamen de kommandant en de luitenant Bangert met de zeven Dajaks aan het dek om dezen den dertigponder, waarmede het stoomschip gewapend was, te toonen en hun het gebruik uit te leggen. Het was toen ontzettend warm. De zon stond nagenoeg loodrecht boven het schip en geen zuchtje liet zich gevoelen. De bemanning van het schip was beneden, waarschijnlijk in diepe rust bij die aamechtige warmte; alleen de twee schildwachten, die op hun post aan de valreep stonden, en de scheepsdokter waren aan het dek. Deze laatste stond, op zijn elleboog rustende, op de koekoek van de longroom geleund en keek naar voren, waar de uitleg van het gebruik van het kanon aan de Dajaks aan den gang was. Plotseling stiet een der Dajaks, die tegen de verschansing neergehurkt was geweest, zijn „lahap” (oorlogskreet) uit en tegelijkertijd kreeg de geneesheer[139]van achteren een houw tusschen de schouders, zoodat de punt van den mandauw, waarmede de slag was toegebracht, voor tusschen de ribben te voorschijn trad. Zonder een kik te geven stortte de dokter of beter zijn lijk door de koekoek en kwam terecht op de daaronder staande tafel in de longroom. De naastbijzijnde schildwacht doorstak dien aanvaller met zijn bajonet; maar voordat hij zijn wapen nog had kunnen terugtrekken uit het lichaam, viel hij zelf doodelijk getroffen ter neder. Op den uitgestooten oorlogskreet, waren de vier roeiers uit den djoekoeng naar boven gesneld, en hadden zich met den mandauw in de hand onverschrokken op de schildwachten geworpen, die dan ook in een ommezien in hun bloed lagen te baden. Tegelijkertijd met dien „lahap” begon ook de moordpartij voor bij het kanon. De beide officieren stonden geheel ongewapend tegenover de zeven Dajaksche hoofden, die hunne mandauws getrokken hadden. Den kommandant van het stoomschip was het hoofd van den romp gesneld, voordat hij recht begreep wat er gaande was. Met Bangert werd een ondeelbaar oogenblik gedraald. Deze had zeer kort geknipt haar; toen zijn aanvaller hem daarbij wilde grijpen om hem op de gebruikelijke wijze den doodelijken slag toe te brengen, lukte dat niet dadelijk, maar greep de Dajak hem bij den sik. Het slachtoffer had daardoor nog den tijd om zich tot Soerapatti te wenden en hem toe te roepen: Of dat nu de dank was, voor het vele goede, dat hij voor de Dajaks had tot stand gebracht? Waarop Soerapatti hem antwoordde, dat er beraadslaagd was des avonds te voren, om hem, Bangert het leven te sparen; maar dat men er van had moeten afzien, wegens de verregaande kwade trouw der blanken op wier woord geen staat te maken was. Dat het daardoor onmogelijk was, hem naar Bandjermasin terug[140]te zenden; en hem te midden der Dajaks te laten leven, een marteling zou zijn erger dan de dood. Het was dus beter dat ook hij maar gesneld werd. En een teeken gevende, viel de noodlottige slag en hield de gillende Dajak het hoofd boven zijn mond en zwelgde met wellust het fel stroomende bloed op.„Wat gebeurde inmiddels in het benedenschip? Op het leven door den val van den dokter veroorzaakt, waren de officieren in de longroom hevig verschrikt van hun legerstede opgevlogen, maar zij hadden niet eens den tijd naar een kleedingstuk of een wapen te grijpen; voor dat zij tot bezinning gekomen waren, lagen zij in hun bloed te wentelen. De roeiers waren namelijk dadelijk naar beneden gestormd en hadden er maar op ingehouwen, zoolang zich iemand in de longroom geroerd had. In weinige seconden dus, in veel minder tijd dan noodig is geweest om het te verhalen, was het schip van zijn bevelhebbers beroofd. Inmiddels waren ettelijke honderden prauwen van achter een nabij gelegen landtong het schip op zijde geschoten, en nu wemelde het op het dek van uitgelaten bloeddronken vijanden, die van blijdschap allerlei luchtsprongen uitvoerden en kreten uitstieten, die niets menschelijks hadden. Wat in dien tusschentijd in het vooronder voorviel, daarvan zal wel nimmer eenig nauwkeurig bericht te geven zijn. Een aantal Dajaks waren naar beneden gestormd en vonden daar een van angst waanzinnige menschenmassa, waar zij de moeite maar te doen hadden van in te hakken. Tegenweer werd niet geboden, het waren slechts gillende en snikkende waanzinnigen, die slechts kermen en klagen konden en niets deden dan onschadelijk voor de aanvallers de handen te wringen. Was de sleutel der wapenkamer in dat noodlottig oogenblik zoek, of hadden de Dajaks door de koenheid van hun overval, de blanken daarvan afgesneden?[141]Wie zal dat ooit uitmaken? genoeg zij het, dat allen weerloos afgemaakt werden en dat van al de Dajaks, die ten aanval stormden, slechts hij omkwam, die den dokter had neergelegd, en van de overigen niemand zelfs maar een schram bekwam. Toen de laatste der opvarenden in het vooronder in zijn bloed lag te rochelen, stegen de overwinnaars naar het dek en nu begon een feest, dat zijn weerga niet in de Dajaksche geschiedenis gehad heeft en ook waarschijnlijk niet hebben zal. Wel werd het een oogenblik gestoord door een viertal Europeanen,—waarschijnlijk machinisten—die uit de diepte der machinekamer opdoken, hunne pistolen wild en verward afschoten, daarna in allerijl op de raderkasten der boot klommen en in de rivier sprongen. Maar toen het bleek dat niemand gekwetst was, verhoogde die episode nog de feestvreugde. Ras waren eenigedjoekoengsbemand om de „badjai bapoeti” (witte krokodillen) te vervolgen, en nu begon een vreeselijke jacht, die niet eindigde dan met den meest smadelijken dood van de rampzaligen, die een laatste redmiddel in een overhaaste vlucht meenden gevonden te hebben.”„Dagen lang duurde het feest, waartoe de dranken, aan boord gevonden, aan de algemeene vreugde het hunne bijdroegen. Zwangere vrouwen moesten aan boord komen, opdat de aanraking van zulk een overwinningsteeken, der vrucht, die zij droegen, voorspoed en geluk zoude aanbrengen. Alle mannelijke kinderen moesten van heinde en ver komen, om het vaartuig met de hand aan te raken, opdat de geestkracht en de moed hunner vaderen in hen zouden varen.”„Toen het feest afgeloopen was, gingen de Dajaks aan den arbeid. Zij begrepen, dat de blanken alles zouden in ’t werk stellen, om het veroverde schip te hernemen, en ook om consequent met hunne wijze van oorlogvoeren[142]te blijven, die wel toelaat zelf den tegenstander afbreuk te doen, maar dien tegenstander buiten de wet plaatst, wanneer hij eenig succes behaalt, die verovering ten bloedigste te wreken. De Dajaks bouwden dus een fort en kozen daartoe een goed gelegen punt uit aan de uitwatering van de Soengei Lahey, en bewapenden dat met den dertigponder van de „Onrust.” Ik kom nu tot mijn beweren van straks, dat het afloopen van het stoomschip te Loentoentoir niet heeft kunnen plaats hebben, maar hoogerop heeft moeten geschieden. Lahey ligt nagenoeg drie uur stoomens bovenstrooms van Loentoentoir; de stroom in den Doesson aldaar is zeer sterk en nu is het als geheel onmogelijk te achten, dat de Dajaks een zoo zwaar voorwerp als dat stuk geschut met hunne oorspronkelijke middelen zulk een verren afstand zouden hebben kunnen vervoeren.”„Zouden ze dat niet met behulp van een vlot hebben kunnen verrichten? Ik heb gehoord dat ze verbazend knap in het behandelen daarvan zijn,” vroeg Wienersdorf.„Een vlot tegen dien stroom! onmogelijk! heb je wel eens een vlot zien hanteeren? Neen? nu daartoe zal je nog wel in de gelegenheid komen, en dan zul je mij gelijk geven.”„Maar zouden ze het schip niet naar Lahey kunnen gebracht hebben?”„Kom, wees nu niet mal. Vooreerst van een hanteeren der machine hadden ze geen verstand; ze waren er zelfs in den beginne bang voor, en om nu dat vaartuig tegen dien zwaren stroom op te boegseeren, was even ondoenlijk als dat van een vlot zou zijn geweest. Daarenboven, waarom zouden de Dajaks zooveel omslag gemaakt hebben om het schip van Loentoentoir naar Lahey te brengen en het daarna weer naar eerstgenoemde plaats[143]te voeren en het daar te laten zinken. Neen, het schip is òf te Lahey òf iets hoogerop afgeloopen. Een andere meening is onaannemelijk.”„Maar ik heb gelezen, dat de kommandant het schip heeft laten zinken en dat het reeds bij het eindigen van het gevecht onder water verdween.”„Ja, dat heb ik ook gelezen; maar daar is niets van waar. De kommandant is een der eersten gevallen. Welke heldenziel men hem nu ook toedicht, dat feit heeft hij niet kunnen verrichten. Maar er is nog wat. Bij de veelvuldige patrouilles, die later in den omtrek gedaan zijn, hebben de soldaten allerlei voorwerpen gevonden, als zakboekjes der matrozen, papieren en kleedingstukken der officieren, zelfs sieraden, als epauletten en steken, waarop geen spoor te ontdekken was, dat zij in het water gelegen hadden. Is dat niet afdoend? Gelooft me, het schip is dagen, ja wellicht weken lang boven water gebleven en het is niet dan nadat het geheel en al leeg geplunderd was, dat de Dajaks de ankerkettingen hebben laten slippen, na alvorens een gat in den romp gekapt te hebben. Door den zwaren stroom medegesleept, is de Onrust nog eenigen tijd drijvende geweest en is eindelijk te Loentoentoir gezonken. En nu nog, nadat verscheidene jaren over het gebeurde heengegaan zijn, nu ligt de djatiehouten romp van de „Onrust” nog steeds tot schande van de Nederlanders bij Loentoentoir in den Doesson en bij iederen oostmousson, wanneer door het vallen van het water die romp zichtbaar wordt, stroomen de jongelingen en knapen toe, om de „banama assep” (het vuurschip) door hunne vaderen veroverd en aan de Hollanders ontwrongen, te bezien, om dien romp aan te raken en daardoor in de toekomst den moed en den wil deelachtig te worden, eenmaal ook zoo’n heldenfeit te kunnen uitvoeren6.[144]Zij keeren dan naar huis terug om de bekkeneelen te beschouwen van hen, die onder den vreeselijken mandauw vielen.”„Zietdaar,” eindigde Johannes zijn verhaal, „wat ik weet van het afloopen der „Onrust”.”„Oef!” riep La Cueille, „jullie bent lollige jongens; ’t is om de nachtmerrie te krijgen. Eerst van dat boschspook en van dien doojen pembekel; toen dat verdraaide koppensnellen en nu tot slot die uitmoordingsgeschiedenis. ’k Ben blij dat de dag aan den hemel komt. ’k Ben benieuwd wat mooie geschiedenissen morgen op het tapijt zullen komen? En dan dat bloeddrinken! brr! brr!!”„Je zult nog wel meer hooren en ook zien, dat beloof ik je,” zei Johannes lachende, „’t Zal steeds zijn: „pas op je kop,” en breng je dien knikker in het Walenland terug, dan mag je wel naar Kevelaar of Scherpenheuvel trekken om daar een schietgebedje te doen.”„Ik beloof,” prevelde de Waal vroom, terwijl hij aandachtig de handen vouwde, „aan Notre Dame de Montaigu een dubbele waskaars, ieder van twee pond, wanneer ik in mijn land terugkom.”„Met je kop natuurlijk?”De Waal rilde, maar antwoordde niet.[145]1Nipa fructificans is een palmsoort en een der nuttigste gewassen, die de keerkringslanden opleveren. Van de bladeren maakt men matten, die tot velerlei doeleinden maar vooral tot omwandingen van huizen gebruikt worden. De geelachtige mannelijke bloem treedt uit de langwerpige scheede bevallig te voorschijn. Zij is zeer welriekend en lokt door haar rijkdom aan was en honing debijenaan. De vrucht, die trosgewijze groeit, heeft een zoetachtigen smaak niet ongelijk aan een jonge kokosnoot.↑2Tjemara Laoet—Casuarina equisetifolia is een cedersoort die op lage stranden in Indië soms in geheele wouden aangetroffen wordt. Op Borneo wordt zij veel afgewisseld met de Nipah-palm.↑3De Troessan is een natuurlijk verbindingskanaal tusschen de kleine Dajak en de Kahajan-rivieren. In dat kanaal monden vele soengei’s (riviertjes) uit en stellen zelfs gemeenschap met de zee daar. Door de lage gesteldheid des lands vormen die soengei’s een’ waren doolhof van waterwegen, die weer naar de Kahajan of Kapoeas leiden. De Troessan heeft aan de zijde der kleine Dajak een breedte van ongeveer 100 M. Deze breedte behoudt zij langen tijd, doch de Kahajan naderende, splitst zij zich bij een uitermate zwaren boom „bindjai” genaamd, in twee smalle takken, waarvan de noordelijkste geheel verzand is en de andere een ondiep, smal en kronkelend vaarwater oplevert.↑4Mahatara—God. Heeft een broeder en eene zuster. Zie hier over de Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver, Uitgave van Joh. Noman en Zoon, Zalt-Bommel.↑5Reaal is een denkbeeldige munt bij de Dajaks, ter waarde van twee gulden.↑6Op het oogenblik dat dit vel ter drukkerij gaat, twee en twintig jaren na het smartelijk gebeurde, ligt die schandzuil daar nog in den Doesson. De Nederlanders hebben nog de weinige guldens niet kunnen vinden voor eenige ponden kruit, om dat wrak uit den weg te ruimen.↑

VII.Dronkenmans-foefje en dronkenmans-redeneering.—In zee.—Een begrafenis.—Johannes in een Tjemara-boom.—Een jacht.—Een uitmuntende raad.—De Kahajan op.—Een Aeolus-harp.—De soengei Troessan.—In de soengei Dahasan.—Een boschspook.—Een muskieten-vestje.—Verdere plannen.—„Pas op je kop”.—Een zwart pak.

Dronkenmans-foefje en dronkenmans-redeneering.—In zee.—Een begrafenis.—Johannes in een Tjemara-boom.—Een jacht.—Een uitmuntende raad.—De Kahajan op.—Een Aeolus-harp.—De soengei Troessan.—In de soengei Dahasan.—Een boschspook.—Een muskieten-vestje.—Verdere plannen.—„Pas op je kop”.—Een zwart pak.

Dronkenmans-foefje en dronkenmans-redeneering.—In zee.—Een begrafenis.—Johannes in een Tjemara-boom.—Een jacht.—Een uitmuntende raad.—De Kahajan op.—Een Aeolus-harp.—De soengei Troessan.—In de soengei Dahasan.—Een boschspook.—Een muskieten-vestje.—Verdere plannen.—„Pas op je kop”.—Een zwart pak.

De twee Zwitsers waren woedend op La Cueille over zijn ontijdig geschreeuw. Ook Johannes toonde zich ontstemd. Een blik evenwel op den Waal loste het raadsel op. Gedurende den tijd, dien de ontvluchting voorafging, had deze stipt zijn woord gehouden en geen droppel jenever geproefd. Zelfs had hij de oorlammen niet gedronken, die den soldaat op voet van oorlog van Gouvernementswege uitgereikt worden. Maar hij had het toch jammer gevonden dien jenever ongebruikt te laten en daarom had hij den kommandant verlof gevraagd, zijn ration sterken drank in een kommetje te mogen ontvangen om er zijne voeten en beenen mee te wasschen, die hij voorgaf dat opgezwollen waren. De algemeene regel is, dat de soldaat zijn oorlam bij den foerier, die het hem aanreikt, terstond uitdrinkt. Toen de officier, achterdochtig tegenover zoo’n dranklustige, en een foefje vermoedende, om genoegzaam drank te kunnen besparen, ten einde eens ter dege dronkenmannetje te spelen, La Cueille de voeten deed ontblooten, vertoonde deze een paar, die zoo opgezet en zoo rood ontstoken schenen,[112]dat de gevraagde permissie zonder aarzeling verleend werd. Aan die voeten mankeerde evenwel niets; de oolijkerd, de achterdocht van den luitenant voorziende, had zich met een paar touwtjes de beide beenen boven het kniegewricht zoodanig afgebonden, dat de bloedsomloop gestremd was en van daar de opgezwollen en branderige voeten. Zorgvuldig bewaarde de Waal nu dien jenever en zoo had hij ruim anderhalven liter verzameld, die in de veldflesch van Johannes en de zijne door Baba Poetjieng aan boord was gebracht. Toen hij nu des avonds, na zijn ontsnapping uit het fort, in de prauw gedoken lag, in afwachting dat het uur van vertrek zoude komen, streelde zijn hand met innig welgevallen de beide veldflesschen en watertandde hij bij de gedachte, dat het oogenblik nabij was, waarop hem vergund zoude wezen, eens een hartigen teug te nemen. Wat kropen die uren langzaam om! Wat was het mistig en kil op het water! Zou dat wel gezond wezen? Langzamerhand begon de overtuiging zich bij hem op te dringen, dat hij toch reeds geheel en al zijn woord gestand had gedaan. Van het oogenblik af, dat hij dat woord verpand had, om vóór het vertrek geen jenever te drinken, was geen droppel drank hem over de lippen gekomen. Maar nu was het vertrek daar; hij was reeds in de prauw, van den wal af. Een ellendig stuk rottan verbond nog maar het vaartuig met het vlot, waaraan het vastgemeerd lag. Zou nu in waarheid kunnen beweerd worden, dat de ontvluchting niet feitelijk begonnen was? Jawel, dat was zij zeker! dat zou de kommandant hun wel aan het verstand brengen, wanneer hij hen nu ontdekte. Kom! een enkele teug zal nu toch geen kwaad meer kunnen stichten. Hij greep een der veldflesschen in het donker, ontkurkte haar voorzichtig en onhoorbaar en nam een flinken teug. Hé! dat smaakte en verwarmde hem; de nachtlucht was[113]toch zoo onaangenaam vochtig. Een tweede teug volgde en was in volumen niets minder dan de eerste.„Train de plaisir de ma bouche à mon estomac,” prevelde de Waal, die zich nu in een uiterst aangename gemoedsstemming begon te gevoelen. Wat duurde het lang, eer dat dat verwenschte lijk gebracht werd. Om den tijd te korten, liet hij den pleiziertrein nog eens rijden. De eerste veldflesch was bijna ledig.Eindelijk! daar kwam men met den doode aandragen. Poeah!! wat een stank; dat was om de cholera op het lijf te krijgen! De rijken drinken champagne en cognac als verweermiddel tegen de ziekte; jenever zal toch wel hetzelfde uitwerksel hebben. En zoo ging het teug op teug en zoo was de inhoud van de tweede veldflesch op weg de eerste te volgen.Toen de Balians met hare prauw aangekomen waren, en de lijkstaatsie zich in beweging stelde, zat La Cueille wezenloos uit te turen, maar hield zich doodstil. De boomen en struiken op de oevers stoven in het nachtelijk duister voorbij, als waren het spookgestalten. Somber en klagend weerklonk de titih over de watervlakte, terwijl de roeiers den vloed met hunne „beseai’s” (pagaaien) kliefden. Achter de doodenprauw gilden de Balians hunne doodengezangen. De vluchtelingen roeiden mede en tuurden overigens stilzwijgend naar de voorbijzwevende oevers. Daar doemden de sombere omtrekken van het fort op. De stem van een schildwacht liet zijn „werda” hooren en kort daarop het bevel om aan te leggen. Daaraan moest voldaan worden. Het hoofd van een sergeant boog over de lijkprauw, maar toen die onderofficier den stank in den neus kreeg, dien de doode verspreidde en hij vernam dat het de begrafenis van een choleralijder betrof, trok hij zich eenigszins verschrikt terug en liet de beide prauwen de reis voortzetten.[114]Nog een paar roeislagen en de vaartuigen waren de landtong voorbijgeschoten. Maar toen kon de dronkaard zijn overmoed niet meer bedwingen:„M.…! pour les têtes de fromage! Enfoncés les Hollandais!” klonk over het water. Wel sprong Johannes op en wilde den Waal den mond dicht houden; maar het was reeds te laat.„Beseai goeloeng goeloeng!” (roeit snel) vermaande hij.Toen het bevel van het fort weerklonk om terug te keeren, brulde La Cueille in volle dronkenmanswoede nogmaals zijn M.…! en voordat iemand het hem beletten kon, greep hij zijn geweer en vuurde het in de richting van het fort af. Al heel spoedig daarop, zagen de opvarenden een groote vlam flikkeren en bijna onmiddellijk daarop dreunde een kanonschot als een vervaarlijke donderslag door de lucht. Tegelijkertijd deinden de prauwen alsof zij beschonken waren en knetterde een levendig geweervuur van den wal. Wat er eigenlijk voorviel, wist niemand der opvarenden bij de algemeene ontsteltenis. Toen het geweervuur ophield, dreven de vaartuigen door den sterken ebstroom voortgezweept, in het midden der zeer breede rivier.In de prauw der Balians waren van de veertien roeiers twee gedood en een gewond. In die der deserteurs was niemand gedeerd en waren allen met den schrik vrij gekomen. Ieder greep zijn „beseai” en roeide met alle kracht, want iedereen begreep, dat een nachtelijke vervolging niet onmogelijk was. Zoo, door zes paren krachtige armen voortgestuwd, terwijl de zevende stuurde, vloog de prauw vooruit en deed het witte schuim onder haren voorsteven opstuiven. Die vaart werd volgehouden totdat de dag aan den hemel gloorde. Voor zich bemerkten toen de vluchtelingen de open zee, waarvan de blauwe golfjes onder den invloed van den zuidoosten[115]wind zich met zilverwit schuim kroonden. Van de Balians-prauw was sedert lang niets meer te bespeuren geweest; die was voorzeker onder de oevers geloopen en zou bij het aanbreken van den dag wel naar Kwala Kapoeas teruggekeerd zijn. Maar dat deerde de deserteurs niets, want noch de priesteressen, noch de roeiers wisten iets van het komplot af.Toen de oostelijke hemel zich in purper hulde, nam Wienersdorf den kijker en liet den blik langs den gezichteinder glijden. Heel in de verte waren twee kruisprauwen zichtbaar, die scherp bij den wind omstreeks noord-oost koersten, alsof zij de Barito-monding wilden halen. Nog verder werd de rook van een stoomschip ontwaard; welke richting dat volgde, kon wegens den afstand niet bepaald worden. Iets om de zuid-west, zoo wat een paar mijlen uit den wal, stevende een prauw, die in haar uiterlijk veel op het vaartuig onzer avonturiers geleek en die den steven naar de kleine Dajak-monding gewend had. Zoodra men de monding uit was, werd om de west gestuurd, waarna een der Dajaksche opvarenden den raad gaf, den wal aan te doen, vooreerst om zich van het lijk te ontdoen, maar voornamelijk om nipah-bladeren1te snijden, ten einde het dak der prauw met versch groen te bedekken en haar zoo aan het waakzaam oog der kruisprauwen te onttrekken. De Europeanen waren van meening dat[116]het eenvoudiger was, het lijk over boord te zetten en, hoewel dat wel weerzin bij de Dajaks verwekte, hadden zij de meerderheid en ploften de kist in zee. Overigens werd de gegeven raad gevolgd, en weldra waren in overvloed bladeren gesneden, waarmede de prauw zoodanig overdekt werd, dat van de lichtgele dakbedekking niets meer te zien en het vaartuig tegen het groen van de dicht begroeide kusten niet te ontwaren was. Men vervolgde nu de reis en hoopte, zoo langs den wal varende, geheel onopgemerkt te blijven. De beseai’s werden met de uiterste voorzichtigheid gehanteerd om in de zonnestralen geene glinsteringen in de wateroppervlakte te veroorzaken. Er werd besloten de Kahajan-monding in te loopen, zich daar in de eerste de beste kreek te verbergen en te wachten tot dat de avond zou zijn gevallen, om de reis westwaarts te vervolgen. Dat alles slaagde naar wensch, hoewel de kruisbooten, na een langen slag bij den wind afgelegd te hebben, gewend hadden en westwaarts waren gestevend, nagenoeg evenwijdig aan de kust, evenwel op zoo’n grooten afstand, dat zij de prauw niet opmerkten. Eindelijk kwamen zij voor de kleine Dajak-monding ten anker. De prauw, die men in het zuid-westen ontwaard had, scheen een handelsvaartuig te zijn, dat zwak bemand was, en in den wind en de vrij holle zee niet veel gang maakte en zwaar werkte. Zacht roeiende bereikten onze vluchtelingen zoo omstreeks het middaguur de Kahajan-monding. Zij voeren die in, vonden spoedig een geschikten inham, waarin zij de prauw onder eenige dicht voorover hangende struiken verdekt opstelden, waarna zij eenige rust trachtten te genieten, want zij waren zeer vermoeid en de aanstaande nacht zou hun weer inspanning genoeg opleveren. Een hunner zou de wacht houden.[117]Zij konden daar zoo omstreeks een paar uren gelegen hebben, toen eensklaps een paar geweerschoten weerklonken, die al vrij spoedig door een kanonschot gevolgd werden. Allen sprongen op en vlug als een kat klom Johannes in een nabijstaanden Tjemara-boom,2die een ruim uitzicht naar de zeezijde opleverde. Wat hij zag, was weinig geruststellend.Een aantal prauwen kwamen de kleine Dajak-rivier uitschieten en deden signalen aan de kruisbooten. Deze laatsten wonden hunne ankers op, heschen de zeilen en maakten zich gereed de prauwen te gemoet te stevenen. Het handelsvaartuig had den boeg gewend, zeil bijgezet en voor den wind afhoudende en door forsche roeislagen geholpen, trachtte het uit de voeten te komen. Toen de prauwenflotille de kruisbooten bereikt had, scheen er raad gehouden te worden, die evenwel niet lang duurde; want al spoedig weerklonken drie losse kanonschoten als bevel aan het handelsvaartuig om bij te leggen. Dat stoorde er zich evenwel niet aan; integendeel, met nog meer kracht dan mogelijk scheen, doorkliefden de roeiers, die nu eensklaps talrijk bleken, het water. Het scheen een flink vaartuig, dat vlug vooruitschoot en zich met gemak op de achteraan rollende deining verhief. Nu begon eene wilde jacht. De kruisbooten zetten zoo veel zeil bij als zij maar konden; de lange roeiriemen geeselden het water. Ook bij de prauwenflotille werd veel inspanning aan den dag gelegd, om te kunnen volgen. Maar het gejaagde vaartuig scheen zijn afstand te behouden; althans Johannes kon niet merken, dat die afstand verminderde. Een paarkanonkogels[118]ricochetteerden op de golvenkruinen; maar voor die ellendige gladziels-vuurmonden van zevenc.m., waarmede de kruisbooten in Nederlandsch-Indië bewapend zijn, was de afstand te groot.Eindelijk kon Johannes van zijn observatiepost niets meer onderscheiden dan een paar onduidelijke stippen in het west-zuid-westen aan den horizon. Toen liet hij zich naar beneden glijden en met een zucht verweet hij La Cueille:„Daar heb je de gevolgen reeds van je dronkemansgeschreeuw. Vervloekte sopie! Men is ons nu op ’t spoor.”„Maar wat heb je gezien?” vroeg Wienersdorf.Johannes vertelde nu wat hij waargenomen had en herhaalde dat verhaal ook in het Dajaksch en besloot met de verzuchting:„De prauw, die zij nazetten is een smokkelprauw van BabaPoetjieng; ik had haar heden ochtend reeds herkend. Maar wat zal er gebeuren, wanneer zij die prauw inhalen? De luitenant is zeker aan boord van de flotille en die zal wel gelasten de geheele kust scherp te onderzoeken. Eer we vier en twintig uren verder zijn, hebben we meer dan tweehonderd vaartuigen zwervende langs de zuidkust,” en knarsetandende vervolgde hij:„Ik wou dat die dronken Waal.…!”Wienersdorf lei hem de hand op den mond:„Schelden en verwijten baat niet op het oogenblik. Er moet gehandeld worden; wat staat ons te doen?”„De geheele onderneming ligt in duigen. Langs de zuidkust kunnen we niet meer voort. Niet waar Dalim?” vervolgde hij tot een der Dajaks en herhaalde in diens taal zijn beweren.„Djaton mandanan augh,” was het antwoord. „Er valt zich zelf niet te bedriegen, de weg is daar afgesloten.”[119]Na een oogenblik met zijne makkers geraadpleegd te hebben, voer hij voort, terwijl hij met de hand naar het noorden wees:„Hetèh!” (daarheen).„De Kahajan op?” vroeg Johannes ontsteld.„Dia” (neen) was het antwoord. „Daar zouden we niet doorkomen. Ook zal de Kahajan wel doorzocht worden; en daarenboven weten we er den weg niet.”„Maar wat dan?”„De Troessan3in.”„Zou die niet doorzocht worden?” vroeg Johannes bitter.„Wel zeker; maar we moeten voort maken. In de Troessan watert de soengei Dahasan uit en die staat in verbinding met de soengei Basarang, die ten noorden van het fort in de Kapoeas hare uitwatering heeft. Niemand weet daarvan iets; ik heb dat eens ontdekt bij het rottan-snijden. Komaan, voort! we hebben geen tijd te verliezen. Eenmaal in de Kapoeas, zal men ons daar voorshands niet zoeken.”Die raad was in de tegenwoordige omstandigheden uitstekend; dat gevoelden allen. Maar allen moesten zich ook bekennen dat, nu de tocht over zee onmogelijk geworden was, men een vreeselijke toekomst tegemoet[120]ging. Maar er viel niet te dralen; ieder oogenblik talmens kon ook dien uitweg onmogelijk maken en daar bleef niets over dan of door zelfmoord een einde aan de ellende te maken, of in handen hunner vervolgers te vallen. Het duurde dan ook niet lang of de prauw, uit haren schuilhoek gehaald, was in volle vaart en erlangde een vrij groote snelheid, daar de vloed begon op te loopen.Zwaar werd er geroeid; maar toch vond men nog gelegenheid om te morren tegen den rampzalige, die de oorzaak van dien tegenspoed was. La Cueille erkende ten volle schuld en begreep dat, hadde hij den mond gehouden, zij een heel eind in de goede vaart en niet meer in te halen zouden geweest zijn, wanneer men te Kwala Kapoeas al iets van hun spoor vernomen zoude hebben. Met gebukten hoofde hoorde hij stilzwijgend de verwijten zijner kameraden aan en trachtte slechts zijn leedwezen te kennen te geven, door met zijn pagaai, zoo krachtig hem maar mogelijk was, het water te klieven.Maar.… wat was dat? Plotseling hielden de Europeanen met roeien op en keken uiterst verbaasd uit. De Dajaks staakten den arbeid en keken ook uit, omdat zij hunne metgezellen zulks zagen doen. Een geluid liet zich hooren als van een Aeolusharp, nu eens ver verwijderd, zacht en vloeiend doch steeds duidelijk; dan weer zoo dichtbij, alsof het aan den buitenwand der prauw ontstond. Het was een volmaakt akkoord dat weerklonk, afwisselend zacht en smeltend, nauwelijks waarneembaar als de adem van een lispelend windje; of vol, krachtig en forsch, alsof de stormwind door een reusachtig snareninstrument joeg. De Europeanen keken elkander schier beangst aan en wisten er niets van te maken. La Cueille sloeg angstig een kruis en prevelde binnensmonds iets, waaruit: „étoile de la mer, priez pour nous” verstaan kon worden. Daaromtrent waren[121]allen het eens, dat het voor hen onverklaarbaar was. Toen de Dajaks begrepen, waaraan die angstige verbazing toe te schrijven was, begonnen zij te lachen. Voor hen was het een gewoon verschijnsel, wat zij „rioeng” (spektakel) ook wel „riwoet haroesan” (adem des vloeds) noemen en waaromtrent zij de navolgende legende verhaalden.De eerste vorst van Bandjermasin, Lamboeng Mangkoerat, van goddelijken oorsprong, had met behulp van Djata-Soerassa, een krokodil, nauw verwant aan Djata, den broeder van Mahatara4, zich een rijk gesticht langs de boorden van de Doesson en hare nevenrivieren. Bij overeenkomst was bepaald, dat, zoodra Lamboeng den troon beklommen zoude hebben, hij aan den kaaiman twee en veertig schoone jonge maagden zoude overleveren, ter voldoening aan diens gruwelijken wellust. Toen het oogenblik daar was om die schuld aan te zuiveren, begaf de nieuwe vorst zich met het begeerde getal jonge meisjes op weg, om die te Kwala Mengkatip af te leveren. Om de langwijligheid der reis te korten, was op de prauw, waarop Lamboeng zich ingescheept had, ook een prachtig gamelanspel aanwezig. Dit scheen evenwel geen genoegzame tijdkorting, want de vorst liet de oogen gaan langs de rij schoonen, en verliefde op eene harer. Verlangen en de lust om te bevredigen is bijna gelijkluidend voor Indische vorsten. Maar de straf liet zich niet lang wachten. Djata-Soerassa, verontwaardigd dat men hem zoo bedriegen wilde, deed met een hevigen slag van zijn staart de prauw kantelen, waardoor de meisjes en het gamelanspel in de diepte verdwenen. Met moeite[122]redde Lamboeng Mangkoerat het leven en had dat slechts te danken aan zijn verheven oorsprong. Het zachte klaaggeschrei der maagden en de wegstervende tonen der Gamelan, bleven op het water zweven en verkondigen zoo nog voortdurend de wraak die Djata-Soerassa genomen heeft.Dalim voegde er echter bij, dat de Europeesche zendelingen de navolgende verklaring van het verschijnsel gegeven hadden: Wanneer de vloed zoo lang gestegen is, dat eerst het rivierwater, daarna het brakke water teruggedrongen is en het onvermengde zeewater begint op te komen, dan komt dat in aanraking met de zoetwaterdeelen, die zich nog bevinden in de tegenstroomingen, die allerwege door de bochten, de inhammen en kreken der rivier gevormd worden. De wrijving der zoutdeelen van het opkomende zeewater met die zoetwaterstroomingen zou dat harmonisch geluid te voorschijn roepen. Die meening wordt vrij aannemelijk doordat het slechts zoo ver vernomen wordt, als het zeewater met den vloed de rivier binnendringt. Bevindt zich een prauw, wanneer de vloed met kracht doorkomt, juist op de grens van zulk een tegenstrooming, zoodanig dat zij het heldere zeewater aan de eene zijde en het gele of bruine rivierwater aan de andere zijde heeft, wat men dikwijls kan waarnemen, dan zal het melodieuse geluid aan den zeewaterkant vernomen worden, zacht en smeltend, wanneer de prauw weinig vaart loopt, of slechts door den stroom voortgestuwd wordt; daarentegen krachtig, vol en doordringend, wanneer de prauw met inspanning voortgeroeid of zeilend door een flinke bries voortgezweept wordt.De „adem des vloeds” begeleidde de vluchtelingen tot aan den ingang der Troessan, dien zij tegen het vallen van den avond bereikten. Toen zij die soengei binnengestevend[123]waren, was eensklaps alles stil en hoorde men van de Aeolusharp niets meer.„Oef!” riep La Cueille, „dat ’s een pak van m’n hart. Het was of geesten rondom de prauw muziek maakten. Wanneer dat den geheelen nacht had moeten duren, was ik gek geworden.”„Narai augh hetèh” (wat is dat voor een gebabbel), bromde een der Dajaks en zich naar Johannes buigende, fluisterde hij dien wat in het oor.Met gedempte stem beval deze nu stilte aan; omdat men zich in een nauw vaarwater bevond, waarin men al heel licht een andere prauw achterop loopen of tegemoet kon komen. Vooral het spreken eener andere taal dan de Dajaksche zou dan allicht aanleiding kunnen geven, dat hun spoor verraden werd.Met inspanning van alle krachten werd nu voortgeroeid en tegen acht uur werd de monding van soengei Dahasan bereikt. Men voer die nog een goed eind naar binnen; maar toen verklaarde Dalim, dat de dag moest afgewacht worden, daar men licht kon verdwalen, wijl hier vele riviertjes elkander kruisen. Dat was waar, maar dat was toch de ware reden niet, waarom hij de reis wenschte gestaakt te zien. Vooreerst waren allen zeer moede; niemand had nog iets gegeten en ook van slapen was niet veel ingekomen; daarenboven begreep Dalim, dat, waar hij bij het rottan snijden met een uitgeholden boomstam tot vaartuig doorgeschoven was, het veel moeite zal kosten, een prauw als die, waarmede de vluchtelingen de reis maakten, er door te brengen. Het daglicht was daarbij onontbeerlijk.„Maar,” vroeg Wienersdorf, „is het hier veilig om den nacht door te brengen? Ware het niet beter nog wat verder door te dringen?”„Neen,” beantwoordde Dalim de laatste vraag. „Hier[124]is volkomen veiligheid. Geen Dajak waagt zich hier. En de „toean Koemdan” (heer kommandant) zal van ons nog wel geen bericht hebben. Die is nog buiten op de jacht achter de prauw van Baba Poetjieng. Als hij morgen avond aan de kleine Dajakmonding terug is, mag hij blij zijn. We hebben gelukkig geen enkel vaartuig, noch in de Kahajan, noch in de Troessan ontmoet. Onmogelijk kan men gissen, dat we hier zitten; want niemand kent dezen doorgang. We hebben dus een paar dagen voor ons om onze maatregelen te kunnen beramen.”„Maar waarom zouden de Dajaks zich hier niet wagen?”„In 1859 kwam Pembekel Soelil om het leven door het springen van een stuk geschut, dat hij eigenhandig tegen de Hollanders afschoot, bij de verdediging zijner benting, bij de monding van de soengei Basarang gebouwd. Om zijn lijk aan de schendende hand der Hollanders te onttrekken, werd het in de soengei Dahasan dicht bij de monding begraven. We zijn straks de plek voorbij gevaren. Maar sedert wordt deze soengei door een Pampahilep bewaakt en wee hem, die het verboden terrein betreedt!”„Een Pampahilep wat is dat?”„Een vreeselijk boschspook, dat iedereen ombrengt, die onder zijn bereik komt. De Pampahilep die hier huist, is er eene van het vrouwelijke geslacht. Wanneer het haar gelukt, een mannelijk individu te bemachtigen, dan noodzaakt zij hem haar echtgenoot te zijn. Na voldoening harer hartstochten verworgt zij haar slachtoffer.”„Brr!quelle canaille!” mompelde de Waal met afgrijzen, „ik wou thans wel een vrouw zijn.”„Dan zou zij een zwagerin van u maken,” zei Dalim lachende. „Zij heeft ook broertjes.”De Waal zuchtte diep en wijdde een vrome gedachte aan Notre Dame de Montaigu.[125]„Maar zijt ge dan niet bang?” vroeg Schlickeisen den Dajak.„Die „sansana” (fabel) bracht ik in de wereld, omdat ik een verborgen weg noodig had om zout, kruit en lood aan de „brandals” (muitelingen) in de Kapoeas te kunnen brengen. Die vrouwelijke Pampahilep houdt iedereen op een afstand.”„Maar gelooven de Dajaks dat maar zoo grif weg?”„Ze zijn zeer bijgeloovig; er zijn vele plekken in hun land, die door boschspoken bewoond worden en waar een Dajak voor geen schatten ter wereld zich zal wagen. Daarenboven had de plotselinge dood van Pembekel Soelil aller gemoederen diep getroffen. In zijn verscheiden werd de hand van den God der blanken gezien en bij den eerbiedvollen schrik, dien ieder inlander in de nabijheid van lijken ondervindt, zou niemand dan met ontzettenden angst vervuld, Soelil’s graf naderen.”„Een prettige buurt in den nacht,” pruttelde La Cueille, „ik zat liever in een estaminet.”„Maar,” vroeg Schlickeisen, „straks verteldet ge, dat om het lijk van Soelil aan de Hollanders te onttrekken, het hier begraven werd. Schenden de Hollanders dan lijken?”„Zij verbieden het koppensnellen aan de Dajaks, maar nemen zelf de koppen van de lijken mede.”„Hebt ge dat gezien?”„Neen, maar ’t is een algemeen verspreid geloof; ik heb zelfs vernomen, dat die koppen in het zout worden gelegd.”„Och loop heen,” hernam Johannes, „’t is eens of tweemalen geschied, dat het hoofd van een voornaam brandal naar Bandjermasin is opgezonden, om de identiteit van den gesneuvelde te constateeren en het volk van diens dood te overtuigen, maar daarna zijn die koppen begraven.”[126]„’k Wou dat jullie met je spoken en dat koppengemaal ’k weet niet waar zat. Ik zal er gewis van droomen heden nacht,” morde La Cueille.Men bleef dus dien nacht waar men was; maar van rusten, waarnaar allen haakten, en van droomen, waarvoor de Waal vreesde, kwam hoegenaamd niets in. Eerst toch moest voor de maag gezorgd worden, die bij allen ten ernstigste protesteerde, dat hij in de laatste vier en twintig uren niets te verwerken had gehad. Eenige droge takken waren gauw gevonden, lucifers hadden de Zwitsers in den zak en weldra vlamde een vroolijk vuurtje, waarboven het maal zoude bereid worden. Door de zorg van Baba Poetjieng waren eenige groene bamboestaken in de prauw aanwezig; daarvan sneed een der Dajaks eenige einden boven en onder de geledingen af, maakte in de aldus verkregen holle buizen, die aan beide uiteinden gesloten waren, een kleine opening, liet daardoor rijstkorrels glijden totdat de buizen bijna gevuld waren en voegde er wat water bij. Vervolgens sloot hij de openingen met een pennetje en wierp de zoo toebereide stukken bamboe in ’t vuur. De Zwitsers zagen verbaasd en nieuwsgierig toe. Zij hadden al eens rondgekeken in de prauw en zich afgevraagd, waarin toch gekookt zou worden; want buiten eenige kleine aarden pannen en een ijzeren kwalie waren zij arm aan keukengereedschap. Na een twintigtal minuten barstten de bamboestukken met een geluid als van een pistoolschot en nam de Dajaksche kok ze uit het vuur, maakte ze verder open en spreidde een smakelijk gaar gekookte rijst uit op een groot blad, dat hij van de eene of andere waterplant in de nabijheid geplukt had.„Verduiveld!” zei Wienersdorf, „dat’s makkelijk, we behoeven niet bang te zijn, potjes of pannetjes te breken; we hebben de pottebakkerswinkel bij ons.”[127]„Ja,” lachte Johannes, „en die winkel is gemakkelijk aan te vullen.”„Dat weet ik nog niet,” meende Schlickeisen, „’k heb sedert ons vertrek geen enkele bamboestruik opgemerkt.”„In de benedenlanden zal je dat ook niet. De bamboe heeft drogen bodem noodig. Wacht maar, we zullen wel bamboestruiken ontmoeten.”Onder die bedrijvigheid had een andere Dajak in een aarden pan wat lombokh (spaansche peper) met wat zout fijn gewreven; Johannes had een paar gedroogde visschen boven het vuur gepoft; zoodat in een ommezien het maal klaar was. Heel veel omslag had de bereiding niet gekost, maar het smaakte overheerlijk, want ingespannen arbeid en ontbering gedurende een etmaal geeft grage magen.Toen ons zevental verzadigd was, wikkelden zij zich zoo goed en zoo kwaad zij konden, de soldaten in hunne spreien en de Dajaks in hunne lompen, en trachtten in slaap te geraken. Met de inboorlingen was dat spoedig het geval; maar den Europeanen werd iedere rust ontzegd, door de zwermen muskieten, die op hen indrongen.De zuid- en ook de westkust van Borneo is tot op een zeer grooten afstand van zee van zulk een lage gesteldheid, dat het land bij iederen vloed, die de wateren in de rivieren en stroomen terugdringt, allerwege overstroomd wordt en dat slechts zelden een eenigszins uitgebreide plek gevonden wordt, die boven den vloedstand droog blijft. Men kan de voornaamste rivieren op de zuidkust als de Doesson, de Kapoeas, de Kahajan een zestal dagen opstoomen en alsdan nog den invloed van eb en vloed ondervinden, terwijl de aangrenzende oevers dagelijks onder water gezet worden. Bij zoo’n vloedstand zijn die oevers verdwenen en worden de grenzen der rivierbedding alleen aangeduid door de vegetatie[128]der oorspronkelijke bosschen, die uit het water omhoog rijzen. Een eerste gevolg van die periodieke overstrooming is een steeds toenemende moerasvorming in het achterwaarts gelegen terrein, waarin ontelbare zwermen muskieten geboren worden, en daar in hun element zijn. Onze vluchtelingen zouden er nu ter dege kennis mede maken. Wel waren zij in het fort te Kwala Kapoeas door die venijnige insecten ook geplaagd, maar daar hadden zij achter de hooge palissadeering van de versterking nog eenigermate bescherming gevonden tegen de aanrukkende zwermen; ook waren hun van bestuurswege „klamboe’s” (bedgordijnen) verstrekt geworden, waarachter zij een ongestoorde rust hadden kunnen genieten.Hier in het ongerepte woud was van bescherming geen sprake. Het was te vergeefs dat zij, op gevaar af van met hun buskruit in de lucht te vliegen, in de prauw een vuurtje stookten, om de onzichtbare vijanden door rook te verdrijven; de bloeddorstige insecten drongen met duizenden en nog eens duizenden door en weldra was het gelaat der Europeanen, als ook hun hals en hunne handen met builen overdekt, welker onaangenaam gejeuk iedere hoop op slaap verijdelde, terwijl bovendien de aanval bleef voortduren en het vernieuwd steken en gonzen onverdragelijk was. Wat benijdden die blankhuiden de Dajaks, die daar lagen te ronken, alsof er geen muskiet ter wereld bestond. Eindelijk in arren moede rezen de wanhopigen op, kropen rondom het vuur en trachtten nu met een bladrijken tak gewapend, zich de muskieten van het lijf te houden.„Die verd.… dieren,” pruttelde La Cueille, „ze zijn nog veel erger dan de vlooien in mijn land. Als we eens een muskieten-vestje aantrokken?”Een muskieten-vestje aantrekken, beteekent in Nederlandsch[129]Indië zich zoodanig te bedrinken, dat in den daarop volgenden dronkenmansslaap geen stoornis te vreezen is. Voor velen daar zijn de muskieten de grondoorzaak van beginnende zucht naar sterken drank.„Is de les al vergeten?” beet hem Wienersdorf grimmig toe. „Je krijgt geen droppel jenever.”„Neen,” bevestigde Johannes, „liever smijt ik onzen geheelen voorraad in ’t water.”La Cueille zweeg; maar een driftig gebaar met zijn tak duidde aan, dat hij zijnmuskieten-vestjetoch voor een uitstekend middel hield.„Nu het toch onmogelijk is te slapen, kunnen we onzen toestand bespreken,” meende Schlickeisen. „Onze omstandigheden zijn geheel veranderd; aan een vlucht over zee valt niet meer te denken, niet waar?”„Neen,” sprak Johannes, „daarop behoeven we niet terug te komen; de geheele zuidkust zal nog weken, ja maanden lang op het nauwkeurigst bewaakt worden. ’t Is wel jammer.”„Dat is het; maar wat nu te doen?”„Dalim wees straks naar het noorden; daar ligt nu de weg. Maar hoe het gaan zal? zie, die vraag waag ik me haast niet te stellen. En toch.…” vervolgde Johannes na eenige aarzeling, „toch, we moeten den toestand onverschrokken onder de oogen durven zien; we moeten het voor en tegen goed wikken en wegen, onze maatregelen goed nemen, want de minste onvoorzichtigheid kan ons uitermate noodlottig worden.”„Spreek, je bent het langst van ons allen in dit land; spreek en wees onze leidsman.”„Gijlieden zult zeker wel gezien hebben, dat ik straks een oogenblik met Dalim sprak. Ziet hier het uitsluitsel van dat gesprek: We zullen trachten door de soengei Basarang in de Kapoeas te komen. Dan varen we die rivier[130]zoo ver op als we kunnen, trekken het Kamintinggebergte over en trachten dan zoo de noordkust te bereiken. Maar verbeeldt jullie je nu niet, dat dat zoo makkelijk en vlug zal gaan, als ik dat vertel.”„Neen, dat begrijpen we,” lachte Wienersdorf, „maar we moeten een plan hebben van ’t geen we bereiken willen.”„Meer weet ik er ook niet van te vertellen. Alleen dat nog, dat we niet voorzichtig genoeg kunnen zijn. In de benedenstreken hebben we alles van de Hollanders te vreezen. Een woord, dat onze tegenwoordigheid op de Kapoeas verraadt, zal aanleiding geven, dat we als wilde dieren gejaagd worden. In de bovenlanden zal het nog minder pluis wezen. Als men daar slechts gist, dat we Europeanen zijn, dan zijn we verloren. Een Europeesche kop heeft daar tot vierduizend gulden waarde.”„Wat je zegt” riep La Cueille verschrikt, terwijl hij zich den schedel betastte, „heeft die bol zoo veel waarde? Jongens! dat wist ik niet. Het is dan zaak er op te passen.”„Maar je spot, niet waar?” vroeg Schlickeisen ongeduldig.„Volstrekt niet. De kop van den Kolonel GeorgMüller, die in 1825 op een wetenschappelijken tocht dwars door het eiland van het oosten naar het westen, vermoord werd, wordt nog bij den stam der Olo Ot Panganen, aan de boven Kapoeas Bohong, die we te passeeren hebben, als een reliquie bewaard. Die kop is voor geen schatten te erlangen. De koppen van de Europeanen van de „Onrust”, je weet wel, dat stoomschip, dat in 1859 in de Doesson door de Dajaks is afgeloopen, zijn allen nagenoeg tegen gezegden prijs aan de omliggende stammen verschacherd. Dien van den kommandant der boot hebben ze, na hem van de vleeschdeelen[131]ontdaan te hebben, met droge katjangboonen gevuld en daarna in ’t water gelegd. De boonen zijn gezwollen en hebben den schedel langs de naden in een groote menigte fragmenten uit elkander doen barsten. Het kleinste stukje is voor tweehonderd realen5van de hand gezet.”„Wat doen ze toch met die koppen?”„Och dat’s een modeartikel, dat zal je in de bovenlanden wel ontwaren. Iederebenting(fort) daar prijkt met een aantal grijnzende schedels op de punten der palissaden. Er is daar geen enkel huis of je vindt er eenige doodshoofden, die als een reusachtige rozenkrans bijeengebonden, bij wijze van sieraad soms als slingerkransen aan den wand prijken. Als een jongeling een meisje ten huwelijk wenscht, wordt niet gevraagd hoeveel rijksdaalders de pretendent medebrengt, wel hoeveel schedels de vrijer kan vertoonen. Begrijp je nu?”„Ik begrijp, dat het zal zijn: pas op je kop.”„Ja, juist! Pas op je kop! dat moet onze grondleus zijn. Daar boven wemelt het van koppensnellers; van die luidjes hebt jullie zeker toch wel eens hooren spreken?”„Voorzeker, maar ik meende, dat het maar grootendeels vertelsels waren,” meende Wienersdorf.„Ja vertelsels, die nog niet eens het tiende gedeelte der volle waarheid aan ’t licht brengen,” sprak Johannes. „Je begrijpt toch dat die koppensnellerijën voor de blanken zoo geheim mogelijk worden gehouden. Gelooft me, het is en blijft: „pas op je kop.” En om daarop met eenige hoop van slagen te kunnen passen, moeten we vooreerst ons soldatenpakje uittrekken; dat zou ons[132]al heel spoedig verraden; dat zou het reeds gedaan hebben, wanneer we de een of andere prauw ontmoet hadden. Baba Poetjieng, voorziende dat die Europeesche kleeding ons in gevaar kon brengen, heeft een pak medegegeven, dat we straks bij daglicht eens zullen bekijken. Daarin zal wel wat te vinden zijn en dan moet de gedaanteverwisseling maar plaats hebben.”„Wat zal ik er kostelijk uitzien, slechts gekleed in een „ewah” zei La Cueille. „’k Zal me verbeelden in het paradijs rond te wandelen, met het traditioneele vijgenblad getooid.”Een „ewah” is een strook grof veelkleurig goed, soms van linnen maar ook van boomschors vervaardigd, die eenige malen zoodanig om het midden gewonden wordt, dat het eene einde achter tusschen de beenen doorgeslagen kan worden en het andere einde, met een franje versierd, voor tot op de knieën afhangt. Dit is bij veld- en bosch-arbeid het eenige kleedingstuk van den Dajak en de lezer begrijpt dat het hem, zoo gekleed, onmogelijk is zijn pantalon-collant te scheuren. La Cueille’s metgezellen lachten over den inval; maar Johannes hernam:„Je zult er zot genoeg uitzien met je witte huid, dat is zeker.”„En jij dan met je koffiekleurigen bast?” vroeg de Waal gebelgd.„Ik …? ik; dat brengt me op een inval. Jullie kunt zoo niet met die blanke bakkessen blijven. Die zouden je dadelijk verraden. Hadt jullie nu maar zoo’n koffiekleurigen bast, maar daarover zal ik straks Dalim eens spreken, daarop zal wel wat te vinden zijn.”„Je zult zien, dat we allen nog een zwart pak aangemeten krijgen,” lachte de Waal.„Zeer waarschijnlijk,” zei Johannes droog, „en dat zal je wat deftig staan.”[133]„Vooral met mijn pantalon-collant.”Allen lachten met uitzondering van Schlickeisen, die te mijmeren zat. Eindelijk vroeg hij Johannes:„Hoe heeft zich die overrompeling van de „Onrust” toch toegedragen?”„Wat zal ik je daarvan zeggen? ’k Zal je vertellen wat ik er van weet.”Het vuur werd wat opgepookt, een goede hoeveelheid brandhout werd er opgeworpen en toen de vlammen helder opdwarrelden en de aangezichten fantastisch verlichtten van onze avonturiers, neergehurkt in die prauw, die te midden van het sombere woud als buiten haar element verloren scheen, begon Johannes het verhaal van het drama.„In het begin van November 1859 kwam de „Onrust” te Poeloe Petak aan, waar toenmaals het fort bestond, dat later naar Kwala Kapoeas verlegd is. De luitenant Bangert, die civiel gezaghebber der Afdeeling Doesson en Bekoempai was, bevond zich aan boord en verzocht en verkreeg van den kommandant te Poeloe Petak een peloton van twintig infanteristen, om den tocht mede naar de Boven-Dousson te maken. Ik ben toen mee geweest. Alles was toen heel rustig en we werden goed ontvangen. ’k Hoorde praten dat het doel van de reis naar de Boven-Doesson was, om te trachten Pangerang Antassari, een der hoofdopstandelingen in den Bandjermasinschen oorlog in handen te krijgen. Maar welke aanbiedingen ook Tomonggong Soerapatti, hoofd der Dajaks van de boven Doesson, gedaan werden, tot het schenden der gastvrijheid, die hij den voortvluchtigen vorst verleende, daartoe was de oorspronkelijke Dajak niet in staat. We zijn toen teruggekeerd, uiterst voldaan over de ontvangst, hoewel niet geslaagd in de zending. In plaats van toen naar Poeloe Petak terug te[134]stoomen om de daar opgenomen militaire macht weer af te zetten, stevende de Onrust recht door naar Bandjermasin, alwaar dat kleine detachement, bij het gebrek aan troepen, al spoedig bij verschillende mobiele kolonnes ingelijfd was. Ik vroeg en verkreeg verlof om naar Poeloe Petak terug te keeren, alwaar ik met een vivres prauw zoo wat tegen den 10nDecember aankwam. Weinige dagen later, ik meen den 16n, kwam de „Onrust” weer voor Poeloe Petak ten anker en bracht voor de bezetting een grooten voorraad vivres en geld mede. De kommandant van de benting ging bij aankomst van het stoomschip aan boord. Als roeier ben ik toen mee geweest en heb bij die gelegenheid een groot gedeelte van het gesprek gehoord, dat tusschen mijn officier en den luitenant Bangert, die andermaal aan boord was, gevoerd werd. Deze laatste vroeg weer om militairen, dat de andere pertinent weigerde. De beide officieren wandelden het niet lange achterdek op en neder en zoo kon ik verscheidene brokstukken opvangen. Zoo hoorde ik mijn kommandant antwoorden:„Het kan niet. Hadt ge mij de twintig man terug bezorgd, die ge de vorige reis medegenomen hebt, dan kondt gij ze weer medenemen. Nu zit ik in een benting groot genoeg voor een half bataillon met hare vuurlijn van ruim vierhonderd meters met zes en twintig geweerdragende manschappen.”„O! ik heb in die reis zoo’n zwaar hoofd,” hernam de ander, „geef me dan maar vijf of zes man mede.”„Geen enkel man”, was het met drift gegeven antwoord, „ik mag die verantwoordelijkheid niet op me nemen. Ge kent den toestand van het gewest zoo goed als ik; de berichten van voorgenomen aanvallen op mijn post zijn zoo stellig, dat het opdagen van den vijand ieder oogenblik kan te gemoet gezien worden. Mag ik bij zoo’n[135]toestand, mijn reeds zoo luttele bezetting nog verzwakken? de gevolgen zouden onberekenbaar kunnen wezen. Maar waarom hebt ge uwe bezwaren te Bandjermasin niet ingebracht? daar had men u versterking kunnen geven, zooveel men wilde.”„Ik heb er over gesproken, maar de rapporten van den kommandant van het stoomschip luidden zoo gunstig over de gezindheid van Soerapatti jegens de blanken, dat versterking overbodig werd geacht. Je weet ook dat de marine er een hekel aan heeft troepen van de landmacht aan boord te hebben. Maar ik herhaal het, ’k heb een zwaar hoofd in dien tocht.”„Kom! je stelt je de zaken te zwart voor. Een stoomschip met een bemanning van twee en vijftig koppen, waarvan verreweg de grootste helft flinke Hollandsche jongens zijn, bewapend met flink en ontzagwekkend geschut, midden op stroom liggend of stoomend, is waarachtig geen kat om zonder handschoenen aan te tasten. En tasten de Heeren Dajaks het aan, dan wou ik wel van de partij zijn.”„God geve dat je gelijk hebt!” sprak Bangert met een zucht.Den volgenden dag vervolgde de „Onrust” haar reis, maar is nimmer teruggekomen. In de laatste dagen van December dreef er een zeer groote kardoeskoker en een luik dicht bij het fort aan den wal. Eenige dagen later werd bij den kampong Palingkey een hoofdeloos lijk opgevischt dat in vergevorderden staat van ontbinding verkeerde, en niet meer te herkennen was. Hemd en gestreepte slaapbroek duidden evenwel aan, dat het het lijk van een Europeaan was. Langen tijd vernam ik weinig geloofwaardigs van het gebeurde. Wel liepen een menigte geruchten, maar die waren zoo uiteenwijkend, dat er geen mouw aan te passen was.[136]Bij een der veelvuldige tochten, die de kommandant van Kwala Kapoeas in de bovenlanden gemaakt heeft, kreeg hij eens een Dajak te pakken. Deze had over het afloopen der „Onrust” veel te verhalen. Of het echter de volle, de geheele waarheid is, dat weet God alleen. Hij was er niet bij geweest, betuigde hij, maar een broeder van zijn vrouw had wel niet meegedaan, maar was in de nabijheid geweest, zoodat hem van het geheele drama niets ontgaan was.„Toen de „Onrust” bij den kampong, waar Soerapatti verblijf hield, ten anker was gekomen.…”„Heette die kampong niet Loentoentoir?” vroeg Schlickeisen.„Neen, ik heb den naam van dien kampong niet vernomen. Maar Loentoentoir is het niet.”„Ik meen dat toch gelezen te hebben.”„Jawel, in de rapporten en couranten is dat ook medegedeeld, maar het zal straks blijken dat dat onmogelijk is. Luister slechts. Toen dus de „Onrust” bij den kampong, waar Soerapatti verblijf hield, ten anker was gekomen, was het omstreeks donker. Toch kwamen nog een paar schoonzoons van het Dajaksche hoofd aan boord en berichtten dat de Tomonggong den volgenden morgen zijne opwachting bij den „toean koemdan” (heer kommandant) zou komen maken. Werkelijk kwam het oude opperhoofd, vergezeld van zes zijner zonen al heel vroeg—zoo omstreeks 8 uur—aan boord. Allen waren slechts gekleed met een „ewah”, alleen de Tomonggong had nog over het naakte bovenlijf een rood lakensch buisje met vergulden kraag. Ook hadden allen volgens nationaal gebruik den „mandauw” (koppensneller) op zijde en een mutsje, een soort van kalotje van apenvel op het hoofd.„De ontmoeting met de officieren aan boord was allerhartelijkst.[137]Er werden handdrukken gewisseld om er aandoenlijk van te worden. De zeven Dajaksche hoofden begaven zich op uitnoodiging van den kommandant van het stoomschip omlaag in diens kajuit en waren weldra in een diep gesprek gewikkeld over de belangen des lands, maar vooral over de oplichting van Pangerang Antassari, die weer ter tafel gebracht werd. Aan het dek waren twee der roeiers, die de hoofden aan boord gebracht hadden, gekomen en hadden een schuilplaats voor de zonnestralen onder de zonnetent gezocht en zich ergens tegen de verschansing neergehurkt. De schildwachten aan de valreep lieten hen ongemoeid en niemand scheen acht op die beide mannen te slaan, die evenwel even als de hoofden met den mandauw gewapend waren. De vier overige roeiers waren in de djoekoeng gebleven, die zij aan boord geroeid hadden en nu aan de trap aan stuurboordszijde vastgemaakt lag. In het eerste oogenblik verzamelde zich de geheele equipage nagenoeg om de beide Dajaks, die tegen de verschansing zaten, om de fraaie arabesken te bewonderen, die bij beide mannen op het bovenlijf zoowel op den rug als op de borst getatouëerd waren. Met echt Oostersche onverschilligheid lieten zij zich door Janmaat bekijken en keerden zich gewillig om, om alle zijden van het wezenlijk fraai tatoueerwerk te vertoonen.„Beneden was het gesprek druk aan den gang. Dat gesprek scheen dorstig te maken; althans de kommandant bood zijn bezoekers een glas bier aan, dat dankbaar aangenomen en gulzig in een teug leeggedronken werd. Later werden om die oorspronkelijke gemoederen te winnen en op hunne snoepachtigheid tespeculeeren, likeuren aangeboden, waarvan de anisette van Wijnand Focking hun bij uitstek scheen te smaken. Zij likten zich de vingers af, ja brachten de enorme lange tongen in de[138]glaasjes om den laatsten droppel van het verleidelijk vocht op te vangen. Een duplikaatje, zelfs een triplikaatje was niet voldoende om het vrijmoedig maar koddig aandringen andermaal ingeschonken te worden, te bevredigen. Er is geen vroolijker mensch in de wereld dan een beschonken Dajak; hij is dan vol lachlust, uiterst levendig en spraakzaam en legt klaarblijkelijk aanleg tot geestigheid aan den dag. Hij is dan onvermoeid in het bezigen van kwinkslagen, die menigmaal, en met recht, een onbedwingbaar gelach opwekken. Het is opmerkelijk, dat een Dajak in dien toestand nimmer twistziek is; hoevelen er ook van die drinkebroers bij elkander zijn, nimmer zullen zij ruzie krijgen met elkander.„De kommandant en de officieren vermaakten zich ter dege met den lustigen troep en wellicht onder den indruk van die vroolijkheid hebben zij hunne gasten niet binnen de grenzen eener betamelijke matigheid gehouden.„Tegen een uur ’s namiddags kwamen de kommandant en de luitenant Bangert met de zeven Dajaks aan het dek om dezen den dertigponder, waarmede het stoomschip gewapend was, te toonen en hun het gebruik uit te leggen. Het was toen ontzettend warm. De zon stond nagenoeg loodrecht boven het schip en geen zuchtje liet zich gevoelen. De bemanning van het schip was beneden, waarschijnlijk in diepe rust bij die aamechtige warmte; alleen de twee schildwachten, die op hun post aan de valreep stonden, en de scheepsdokter waren aan het dek. Deze laatste stond, op zijn elleboog rustende, op de koekoek van de longroom geleund en keek naar voren, waar de uitleg van het gebruik van het kanon aan de Dajaks aan den gang was. Plotseling stiet een der Dajaks, die tegen de verschansing neergehurkt was geweest, zijn „lahap” (oorlogskreet) uit en tegelijkertijd kreeg de geneesheer[139]van achteren een houw tusschen de schouders, zoodat de punt van den mandauw, waarmede de slag was toegebracht, voor tusschen de ribben te voorschijn trad. Zonder een kik te geven stortte de dokter of beter zijn lijk door de koekoek en kwam terecht op de daaronder staande tafel in de longroom. De naastbijzijnde schildwacht doorstak dien aanvaller met zijn bajonet; maar voordat hij zijn wapen nog had kunnen terugtrekken uit het lichaam, viel hij zelf doodelijk getroffen ter neder. Op den uitgestooten oorlogskreet, waren de vier roeiers uit den djoekoeng naar boven gesneld, en hadden zich met den mandauw in de hand onverschrokken op de schildwachten geworpen, die dan ook in een ommezien in hun bloed lagen te baden. Tegelijkertijd met dien „lahap” begon ook de moordpartij voor bij het kanon. De beide officieren stonden geheel ongewapend tegenover de zeven Dajaksche hoofden, die hunne mandauws getrokken hadden. Den kommandant van het stoomschip was het hoofd van den romp gesneld, voordat hij recht begreep wat er gaande was. Met Bangert werd een ondeelbaar oogenblik gedraald. Deze had zeer kort geknipt haar; toen zijn aanvaller hem daarbij wilde grijpen om hem op de gebruikelijke wijze den doodelijken slag toe te brengen, lukte dat niet dadelijk, maar greep de Dajak hem bij den sik. Het slachtoffer had daardoor nog den tijd om zich tot Soerapatti te wenden en hem toe te roepen: Of dat nu de dank was, voor het vele goede, dat hij voor de Dajaks had tot stand gebracht? Waarop Soerapatti hem antwoordde, dat er beraadslaagd was des avonds te voren, om hem, Bangert het leven te sparen; maar dat men er van had moeten afzien, wegens de verregaande kwade trouw der blanken op wier woord geen staat te maken was. Dat het daardoor onmogelijk was, hem naar Bandjermasin terug[140]te zenden; en hem te midden der Dajaks te laten leven, een marteling zou zijn erger dan de dood. Het was dus beter dat ook hij maar gesneld werd. En een teeken gevende, viel de noodlottige slag en hield de gillende Dajak het hoofd boven zijn mond en zwelgde met wellust het fel stroomende bloed op.„Wat gebeurde inmiddels in het benedenschip? Op het leven door den val van den dokter veroorzaakt, waren de officieren in de longroom hevig verschrikt van hun legerstede opgevlogen, maar zij hadden niet eens den tijd naar een kleedingstuk of een wapen te grijpen; voor dat zij tot bezinning gekomen waren, lagen zij in hun bloed te wentelen. De roeiers waren namelijk dadelijk naar beneden gestormd en hadden er maar op ingehouwen, zoolang zich iemand in de longroom geroerd had. In weinige seconden dus, in veel minder tijd dan noodig is geweest om het te verhalen, was het schip van zijn bevelhebbers beroofd. Inmiddels waren ettelijke honderden prauwen van achter een nabij gelegen landtong het schip op zijde geschoten, en nu wemelde het op het dek van uitgelaten bloeddronken vijanden, die van blijdschap allerlei luchtsprongen uitvoerden en kreten uitstieten, die niets menschelijks hadden. Wat in dien tusschentijd in het vooronder voorviel, daarvan zal wel nimmer eenig nauwkeurig bericht te geven zijn. Een aantal Dajaks waren naar beneden gestormd en vonden daar een van angst waanzinnige menschenmassa, waar zij de moeite maar te doen hadden van in te hakken. Tegenweer werd niet geboden, het waren slechts gillende en snikkende waanzinnigen, die slechts kermen en klagen konden en niets deden dan onschadelijk voor de aanvallers de handen te wringen. Was de sleutel der wapenkamer in dat noodlottig oogenblik zoek, of hadden de Dajaks door de koenheid van hun overval, de blanken daarvan afgesneden?[141]Wie zal dat ooit uitmaken? genoeg zij het, dat allen weerloos afgemaakt werden en dat van al de Dajaks, die ten aanval stormden, slechts hij omkwam, die den dokter had neergelegd, en van de overigen niemand zelfs maar een schram bekwam. Toen de laatste der opvarenden in het vooronder in zijn bloed lag te rochelen, stegen de overwinnaars naar het dek en nu begon een feest, dat zijn weerga niet in de Dajaksche geschiedenis gehad heeft en ook waarschijnlijk niet hebben zal. Wel werd het een oogenblik gestoord door een viertal Europeanen,—waarschijnlijk machinisten—die uit de diepte der machinekamer opdoken, hunne pistolen wild en verward afschoten, daarna in allerijl op de raderkasten der boot klommen en in de rivier sprongen. Maar toen het bleek dat niemand gekwetst was, verhoogde die episode nog de feestvreugde. Ras waren eenigedjoekoengsbemand om de „badjai bapoeti” (witte krokodillen) te vervolgen, en nu begon een vreeselijke jacht, die niet eindigde dan met den meest smadelijken dood van de rampzaligen, die een laatste redmiddel in een overhaaste vlucht meenden gevonden te hebben.”„Dagen lang duurde het feest, waartoe de dranken, aan boord gevonden, aan de algemeene vreugde het hunne bijdroegen. Zwangere vrouwen moesten aan boord komen, opdat de aanraking van zulk een overwinningsteeken, der vrucht, die zij droegen, voorspoed en geluk zoude aanbrengen. Alle mannelijke kinderen moesten van heinde en ver komen, om het vaartuig met de hand aan te raken, opdat de geestkracht en de moed hunner vaderen in hen zouden varen.”„Toen het feest afgeloopen was, gingen de Dajaks aan den arbeid. Zij begrepen, dat de blanken alles zouden in ’t werk stellen, om het veroverde schip te hernemen, en ook om consequent met hunne wijze van oorlogvoeren[142]te blijven, die wel toelaat zelf den tegenstander afbreuk te doen, maar dien tegenstander buiten de wet plaatst, wanneer hij eenig succes behaalt, die verovering ten bloedigste te wreken. De Dajaks bouwden dus een fort en kozen daartoe een goed gelegen punt uit aan de uitwatering van de Soengei Lahey, en bewapenden dat met den dertigponder van de „Onrust.” Ik kom nu tot mijn beweren van straks, dat het afloopen van het stoomschip te Loentoentoir niet heeft kunnen plaats hebben, maar hoogerop heeft moeten geschieden. Lahey ligt nagenoeg drie uur stoomens bovenstrooms van Loentoentoir; de stroom in den Doesson aldaar is zeer sterk en nu is het als geheel onmogelijk te achten, dat de Dajaks een zoo zwaar voorwerp als dat stuk geschut met hunne oorspronkelijke middelen zulk een verren afstand zouden hebben kunnen vervoeren.”„Zouden ze dat niet met behulp van een vlot hebben kunnen verrichten? Ik heb gehoord dat ze verbazend knap in het behandelen daarvan zijn,” vroeg Wienersdorf.„Een vlot tegen dien stroom! onmogelijk! heb je wel eens een vlot zien hanteeren? Neen? nu daartoe zal je nog wel in de gelegenheid komen, en dan zul je mij gelijk geven.”„Maar zouden ze het schip niet naar Lahey kunnen gebracht hebben?”„Kom, wees nu niet mal. Vooreerst van een hanteeren der machine hadden ze geen verstand; ze waren er zelfs in den beginne bang voor, en om nu dat vaartuig tegen dien zwaren stroom op te boegseeren, was even ondoenlijk als dat van een vlot zou zijn geweest. Daarenboven, waarom zouden de Dajaks zooveel omslag gemaakt hebben om het schip van Loentoentoir naar Lahey te brengen en het daarna weer naar eerstgenoemde plaats[143]te voeren en het daar te laten zinken. Neen, het schip is òf te Lahey òf iets hoogerop afgeloopen. Een andere meening is onaannemelijk.”„Maar ik heb gelezen, dat de kommandant het schip heeft laten zinken en dat het reeds bij het eindigen van het gevecht onder water verdween.”„Ja, dat heb ik ook gelezen; maar daar is niets van waar. De kommandant is een der eersten gevallen. Welke heldenziel men hem nu ook toedicht, dat feit heeft hij niet kunnen verrichten. Maar er is nog wat. Bij de veelvuldige patrouilles, die later in den omtrek gedaan zijn, hebben de soldaten allerlei voorwerpen gevonden, als zakboekjes der matrozen, papieren en kleedingstukken der officieren, zelfs sieraden, als epauletten en steken, waarop geen spoor te ontdekken was, dat zij in het water gelegen hadden. Is dat niet afdoend? Gelooft me, het schip is dagen, ja wellicht weken lang boven water gebleven en het is niet dan nadat het geheel en al leeg geplunderd was, dat de Dajaks de ankerkettingen hebben laten slippen, na alvorens een gat in den romp gekapt te hebben. Door den zwaren stroom medegesleept, is de Onrust nog eenigen tijd drijvende geweest en is eindelijk te Loentoentoir gezonken. En nu nog, nadat verscheidene jaren over het gebeurde heengegaan zijn, nu ligt de djatiehouten romp van de „Onrust” nog steeds tot schande van de Nederlanders bij Loentoentoir in den Doesson en bij iederen oostmousson, wanneer door het vallen van het water die romp zichtbaar wordt, stroomen de jongelingen en knapen toe, om de „banama assep” (het vuurschip) door hunne vaderen veroverd en aan de Hollanders ontwrongen, te bezien, om dien romp aan te raken en daardoor in de toekomst den moed en den wil deelachtig te worden, eenmaal ook zoo’n heldenfeit te kunnen uitvoeren6.[144]Zij keeren dan naar huis terug om de bekkeneelen te beschouwen van hen, die onder den vreeselijken mandauw vielen.”„Zietdaar,” eindigde Johannes zijn verhaal, „wat ik weet van het afloopen der „Onrust”.”„Oef!” riep La Cueille, „jullie bent lollige jongens; ’t is om de nachtmerrie te krijgen. Eerst van dat boschspook en van dien doojen pembekel; toen dat verdraaide koppensnellen en nu tot slot die uitmoordingsgeschiedenis. ’k Ben blij dat de dag aan den hemel komt. ’k Ben benieuwd wat mooie geschiedenissen morgen op het tapijt zullen komen? En dan dat bloeddrinken! brr! brr!!”„Je zult nog wel meer hooren en ook zien, dat beloof ik je,” zei Johannes lachende, „’t Zal steeds zijn: „pas op je kop,” en breng je dien knikker in het Walenland terug, dan mag je wel naar Kevelaar of Scherpenheuvel trekken om daar een schietgebedje te doen.”„Ik beloof,” prevelde de Waal vroom, terwijl hij aandachtig de handen vouwde, „aan Notre Dame de Montaigu een dubbele waskaars, ieder van twee pond, wanneer ik in mijn land terugkom.”„Met je kop natuurlijk?”De Waal rilde, maar antwoordde niet.[145]

De twee Zwitsers waren woedend op La Cueille over zijn ontijdig geschreeuw. Ook Johannes toonde zich ontstemd. Een blik evenwel op den Waal loste het raadsel op. Gedurende den tijd, dien de ontvluchting voorafging, had deze stipt zijn woord gehouden en geen droppel jenever geproefd. Zelfs had hij de oorlammen niet gedronken, die den soldaat op voet van oorlog van Gouvernementswege uitgereikt worden. Maar hij had het toch jammer gevonden dien jenever ongebruikt te laten en daarom had hij den kommandant verlof gevraagd, zijn ration sterken drank in een kommetje te mogen ontvangen om er zijne voeten en beenen mee te wasschen, die hij voorgaf dat opgezwollen waren. De algemeene regel is, dat de soldaat zijn oorlam bij den foerier, die het hem aanreikt, terstond uitdrinkt. Toen de officier, achterdochtig tegenover zoo’n dranklustige, en een foefje vermoedende, om genoegzaam drank te kunnen besparen, ten einde eens ter dege dronkenmannetje te spelen, La Cueille de voeten deed ontblooten, vertoonde deze een paar, die zoo opgezet en zoo rood ontstoken schenen,[112]dat de gevraagde permissie zonder aarzeling verleend werd. Aan die voeten mankeerde evenwel niets; de oolijkerd, de achterdocht van den luitenant voorziende, had zich met een paar touwtjes de beide beenen boven het kniegewricht zoodanig afgebonden, dat de bloedsomloop gestremd was en van daar de opgezwollen en branderige voeten. Zorgvuldig bewaarde de Waal nu dien jenever en zoo had hij ruim anderhalven liter verzameld, die in de veldflesch van Johannes en de zijne door Baba Poetjieng aan boord was gebracht. Toen hij nu des avonds, na zijn ontsnapping uit het fort, in de prauw gedoken lag, in afwachting dat het uur van vertrek zoude komen, streelde zijn hand met innig welgevallen de beide veldflesschen en watertandde hij bij de gedachte, dat het oogenblik nabij was, waarop hem vergund zoude wezen, eens een hartigen teug te nemen. Wat kropen die uren langzaam om! Wat was het mistig en kil op het water! Zou dat wel gezond wezen? Langzamerhand begon de overtuiging zich bij hem op te dringen, dat hij toch reeds geheel en al zijn woord gestand had gedaan. Van het oogenblik af, dat hij dat woord verpand had, om vóór het vertrek geen jenever te drinken, was geen droppel drank hem over de lippen gekomen. Maar nu was het vertrek daar; hij was reeds in de prauw, van den wal af. Een ellendig stuk rottan verbond nog maar het vaartuig met het vlot, waaraan het vastgemeerd lag. Zou nu in waarheid kunnen beweerd worden, dat de ontvluchting niet feitelijk begonnen was? Jawel, dat was zij zeker! dat zou de kommandant hun wel aan het verstand brengen, wanneer hij hen nu ontdekte. Kom! een enkele teug zal nu toch geen kwaad meer kunnen stichten. Hij greep een der veldflesschen in het donker, ontkurkte haar voorzichtig en onhoorbaar en nam een flinken teug. Hé! dat smaakte en verwarmde hem; de nachtlucht was[113]toch zoo onaangenaam vochtig. Een tweede teug volgde en was in volumen niets minder dan de eerste.

„Train de plaisir de ma bouche à mon estomac,” prevelde de Waal, die zich nu in een uiterst aangename gemoedsstemming begon te gevoelen. Wat duurde het lang, eer dat dat verwenschte lijk gebracht werd. Om den tijd te korten, liet hij den pleiziertrein nog eens rijden. De eerste veldflesch was bijna ledig.

Eindelijk! daar kwam men met den doode aandragen. Poeah!! wat een stank; dat was om de cholera op het lijf te krijgen! De rijken drinken champagne en cognac als verweermiddel tegen de ziekte; jenever zal toch wel hetzelfde uitwerksel hebben. En zoo ging het teug op teug en zoo was de inhoud van de tweede veldflesch op weg de eerste te volgen.

Toen de Balians met hare prauw aangekomen waren, en de lijkstaatsie zich in beweging stelde, zat La Cueille wezenloos uit te turen, maar hield zich doodstil. De boomen en struiken op de oevers stoven in het nachtelijk duister voorbij, als waren het spookgestalten. Somber en klagend weerklonk de titih over de watervlakte, terwijl de roeiers den vloed met hunne „beseai’s” (pagaaien) kliefden. Achter de doodenprauw gilden de Balians hunne doodengezangen. De vluchtelingen roeiden mede en tuurden overigens stilzwijgend naar de voorbijzwevende oevers. Daar doemden de sombere omtrekken van het fort op. De stem van een schildwacht liet zijn „werda” hooren en kort daarop het bevel om aan te leggen. Daaraan moest voldaan worden. Het hoofd van een sergeant boog over de lijkprauw, maar toen die onderofficier den stank in den neus kreeg, dien de doode verspreidde en hij vernam dat het de begrafenis van een choleralijder betrof, trok hij zich eenigszins verschrikt terug en liet de beide prauwen de reis voortzetten.[114]Nog een paar roeislagen en de vaartuigen waren de landtong voorbijgeschoten. Maar toen kon de dronkaard zijn overmoed niet meer bedwingen:

„M.…! pour les têtes de fromage! Enfoncés les Hollandais!” klonk over het water. Wel sprong Johannes op en wilde den Waal den mond dicht houden; maar het was reeds te laat.

„Beseai goeloeng goeloeng!” (roeit snel) vermaande hij.

Toen het bevel van het fort weerklonk om terug te keeren, brulde La Cueille in volle dronkenmanswoede nogmaals zijn M.…! en voordat iemand het hem beletten kon, greep hij zijn geweer en vuurde het in de richting van het fort af. Al heel spoedig daarop, zagen de opvarenden een groote vlam flikkeren en bijna onmiddellijk daarop dreunde een kanonschot als een vervaarlijke donderslag door de lucht. Tegelijkertijd deinden de prauwen alsof zij beschonken waren en knetterde een levendig geweervuur van den wal. Wat er eigenlijk voorviel, wist niemand der opvarenden bij de algemeene ontsteltenis. Toen het geweervuur ophield, dreven de vaartuigen door den sterken ebstroom voortgezweept, in het midden der zeer breede rivier.

In de prauw der Balians waren van de veertien roeiers twee gedood en een gewond. In die der deserteurs was niemand gedeerd en waren allen met den schrik vrij gekomen. Ieder greep zijn „beseai” en roeide met alle kracht, want iedereen begreep, dat een nachtelijke vervolging niet onmogelijk was. Zoo, door zes paren krachtige armen voortgestuwd, terwijl de zevende stuurde, vloog de prauw vooruit en deed het witte schuim onder haren voorsteven opstuiven. Die vaart werd volgehouden totdat de dag aan den hemel gloorde. Voor zich bemerkten toen de vluchtelingen de open zee, waarvan de blauwe golfjes onder den invloed van den zuidoosten[115]wind zich met zilverwit schuim kroonden. Van de Balians-prauw was sedert lang niets meer te bespeuren geweest; die was voorzeker onder de oevers geloopen en zou bij het aanbreken van den dag wel naar Kwala Kapoeas teruggekeerd zijn. Maar dat deerde de deserteurs niets, want noch de priesteressen, noch de roeiers wisten iets van het komplot af.

Toen de oostelijke hemel zich in purper hulde, nam Wienersdorf den kijker en liet den blik langs den gezichteinder glijden. Heel in de verte waren twee kruisprauwen zichtbaar, die scherp bij den wind omstreeks noord-oost koersten, alsof zij de Barito-monding wilden halen. Nog verder werd de rook van een stoomschip ontwaard; welke richting dat volgde, kon wegens den afstand niet bepaald worden. Iets om de zuid-west, zoo wat een paar mijlen uit den wal, stevende een prauw, die in haar uiterlijk veel op het vaartuig onzer avonturiers geleek en die den steven naar de kleine Dajak-monding gewend had. Zoodra men de monding uit was, werd om de west gestuurd, waarna een der Dajaksche opvarenden den raad gaf, den wal aan te doen, vooreerst om zich van het lijk te ontdoen, maar voornamelijk om nipah-bladeren1te snijden, ten einde het dak der prauw met versch groen te bedekken en haar zoo aan het waakzaam oog der kruisprauwen te onttrekken. De Europeanen waren van meening dat[116]het eenvoudiger was, het lijk over boord te zetten en, hoewel dat wel weerzin bij de Dajaks verwekte, hadden zij de meerderheid en ploften de kist in zee. Overigens werd de gegeven raad gevolgd, en weldra waren in overvloed bladeren gesneden, waarmede de prauw zoodanig overdekt werd, dat van de lichtgele dakbedekking niets meer te zien en het vaartuig tegen het groen van de dicht begroeide kusten niet te ontwaren was. Men vervolgde nu de reis en hoopte, zoo langs den wal varende, geheel onopgemerkt te blijven. De beseai’s werden met de uiterste voorzichtigheid gehanteerd om in de zonnestralen geene glinsteringen in de wateroppervlakte te veroorzaken. Er werd besloten de Kahajan-monding in te loopen, zich daar in de eerste de beste kreek te verbergen en te wachten tot dat de avond zou zijn gevallen, om de reis westwaarts te vervolgen. Dat alles slaagde naar wensch, hoewel de kruisbooten, na een langen slag bij den wind afgelegd te hebben, gewend hadden en westwaarts waren gestevend, nagenoeg evenwijdig aan de kust, evenwel op zoo’n grooten afstand, dat zij de prauw niet opmerkten. Eindelijk kwamen zij voor de kleine Dajak-monding ten anker. De prauw, die men in het zuid-westen ontwaard had, scheen een handelsvaartuig te zijn, dat zwak bemand was, en in den wind en de vrij holle zee niet veel gang maakte en zwaar werkte. Zacht roeiende bereikten onze vluchtelingen zoo omstreeks het middaguur de Kahajan-monding. Zij voeren die in, vonden spoedig een geschikten inham, waarin zij de prauw onder eenige dicht voorover hangende struiken verdekt opstelden, waarna zij eenige rust trachtten te genieten, want zij waren zeer vermoeid en de aanstaande nacht zou hun weer inspanning genoeg opleveren. Een hunner zou de wacht houden.[117]

Zij konden daar zoo omstreeks een paar uren gelegen hebben, toen eensklaps een paar geweerschoten weerklonken, die al vrij spoedig door een kanonschot gevolgd werden. Allen sprongen op en vlug als een kat klom Johannes in een nabijstaanden Tjemara-boom,2die een ruim uitzicht naar de zeezijde opleverde. Wat hij zag, was weinig geruststellend.

Een aantal prauwen kwamen de kleine Dajak-rivier uitschieten en deden signalen aan de kruisbooten. Deze laatsten wonden hunne ankers op, heschen de zeilen en maakten zich gereed de prauwen te gemoet te stevenen. Het handelsvaartuig had den boeg gewend, zeil bijgezet en voor den wind afhoudende en door forsche roeislagen geholpen, trachtte het uit de voeten te komen. Toen de prauwenflotille de kruisbooten bereikt had, scheen er raad gehouden te worden, die evenwel niet lang duurde; want al spoedig weerklonken drie losse kanonschoten als bevel aan het handelsvaartuig om bij te leggen. Dat stoorde er zich evenwel niet aan; integendeel, met nog meer kracht dan mogelijk scheen, doorkliefden de roeiers, die nu eensklaps talrijk bleken, het water. Het scheen een flink vaartuig, dat vlug vooruitschoot en zich met gemak op de achteraan rollende deining verhief. Nu begon eene wilde jacht. De kruisbooten zetten zoo veel zeil bij als zij maar konden; de lange roeiriemen geeselden het water. Ook bij de prauwenflotille werd veel inspanning aan den dag gelegd, om te kunnen volgen. Maar het gejaagde vaartuig scheen zijn afstand te behouden; althans Johannes kon niet merken, dat die afstand verminderde. Een paarkanonkogels[118]ricochetteerden op de golvenkruinen; maar voor die ellendige gladziels-vuurmonden van zevenc.m., waarmede de kruisbooten in Nederlandsch-Indië bewapend zijn, was de afstand te groot.

Eindelijk kon Johannes van zijn observatiepost niets meer onderscheiden dan een paar onduidelijke stippen in het west-zuid-westen aan den horizon. Toen liet hij zich naar beneden glijden en met een zucht verweet hij La Cueille:

„Daar heb je de gevolgen reeds van je dronkemansgeschreeuw. Vervloekte sopie! Men is ons nu op ’t spoor.”

„Maar wat heb je gezien?” vroeg Wienersdorf.

Johannes vertelde nu wat hij waargenomen had en herhaalde dat verhaal ook in het Dajaksch en besloot met de verzuchting:

„De prauw, die zij nazetten is een smokkelprauw van BabaPoetjieng; ik had haar heden ochtend reeds herkend. Maar wat zal er gebeuren, wanneer zij die prauw inhalen? De luitenant is zeker aan boord van de flotille en die zal wel gelasten de geheele kust scherp te onderzoeken. Eer we vier en twintig uren verder zijn, hebben we meer dan tweehonderd vaartuigen zwervende langs de zuidkust,” en knarsetandende vervolgde hij:

„Ik wou dat die dronken Waal.…!”

Wienersdorf lei hem de hand op den mond:

„Schelden en verwijten baat niet op het oogenblik. Er moet gehandeld worden; wat staat ons te doen?”

„De geheele onderneming ligt in duigen. Langs de zuidkust kunnen we niet meer voort. Niet waar Dalim?” vervolgde hij tot een der Dajaks en herhaalde in diens taal zijn beweren.

„Djaton mandanan augh,” was het antwoord. „Er valt zich zelf niet te bedriegen, de weg is daar afgesloten.”[119]

Na een oogenblik met zijne makkers geraadpleegd te hebben, voer hij voort, terwijl hij met de hand naar het noorden wees:

„Hetèh!” (daarheen).

„De Kahajan op?” vroeg Johannes ontsteld.

„Dia” (neen) was het antwoord. „Daar zouden we niet doorkomen. Ook zal de Kahajan wel doorzocht worden; en daarenboven weten we er den weg niet.”

„Maar wat dan?”

„De Troessan3in.”

„Zou die niet doorzocht worden?” vroeg Johannes bitter.

„Wel zeker; maar we moeten voort maken. In de Troessan watert de soengei Dahasan uit en die staat in verbinding met de soengei Basarang, die ten noorden van het fort in de Kapoeas hare uitwatering heeft. Niemand weet daarvan iets; ik heb dat eens ontdekt bij het rottan-snijden. Komaan, voort! we hebben geen tijd te verliezen. Eenmaal in de Kapoeas, zal men ons daar voorshands niet zoeken.”

Die raad was in de tegenwoordige omstandigheden uitstekend; dat gevoelden allen. Maar allen moesten zich ook bekennen dat, nu de tocht over zee onmogelijk geworden was, men een vreeselijke toekomst tegemoet[120]ging. Maar er viel niet te dralen; ieder oogenblik talmens kon ook dien uitweg onmogelijk maken en daar bleef niets over dan of door zelfmoord een einde aan de ellende te maken, of in handen hunner vervolgers te vallen. Het duurde dan ook niet lang of de prauw, uit haren schuilhoek gehaald, was in volle vaart en erlangde een vrij groote snelheid, daar de vloed begon op te loopen.

Zwaar werd er geroeid; maar toch vond men nog gelegenheid om te morren tegen den rampzalige, die de oorzaak van dien tegenspoed was. La Cueille erkende ten volle schuld en begreep dat, hadde hij den mond gehouden, zij een heel eind in de goede vaart en niet meer in te halen zouden geweest zijn, wanneer men te Kwala Kapoeas al iets van hun spoor vernomen zoude hebben. Met gebukten hoofde hoorde hij stilzwijgend de verwijten zijner kameraden aan en trachtte slechts zijn leedwezen te kennen te geven, door met zijn pagaai, zoo krachtig hem maar mogelijk was, het water te klieven.

Maar.… wat was dat? Plotseling hielden de Europeanen met roeien op en keken uiterst verbaasd uit. De Dajaks staakten den arbeid en keken ook uit, omdat zij hunne metgezellen zulks zagen doen. Een geluid liet zich hooren als van een Aeolusharp, nu eens ver verwijderd, zacht en vloeiend doch steeds duidelijk; dan weer zoo dichtbij, alsof het aan den buitenwand der prauw ontstond. Het was een volmaakt akkoord dat weerklonk, afwisselend zacht en smeltend, nauwelijks waarneembaar als de adem van een lispelend windje; of vol, krachtig en forsch, alsof de stormwind door een reusachtig snareninstrument joeg. De Europeanen keken elkander schier beangst aan en wisten er niets van te maken. La Cueille sloeg angstig een kruis en prevelde binnensmonds iets, waaruit: „étoile de la mer, priez pour nous” verstaan kon worden. Daaromtrent waren[121]allen het eens, dat het voor hen onverklaarbaar was. Toen de Dajaks begrepen, waaraan die angstige verbazing toe te schrijven was, begonnen zij te lachen. Voor hen was het een gewoon verschijnsel, wat zij „rioeng” (spektakel) ook wel „riwoet haroesan” (adem des vloeds) noemen en waaromtrent zij de navolgende legende verhaalden.

De eerste vorst van Bandjermasin, Lamboeng Mangkoerat, van goddelijken oorsprong, had met behulp van Djata-Soerassa, een krokodil, nauw verwant aan Djata, den broeder van Mahatara4, zich een rijk gesticht langs de boorden van de Doesson en hare nevenrivieren. Bij overeenkomst was bepaald, dat, zoodra Lamboeng den troon beklommen zoude hebben, hij aan den kaaiman twee en veertig schoone jonge maagden zoude overleveren, ter voldoening aan diens gruwelijken wellust. Toen het oogenblik daar was om die schuld aan te zuiveren, begaf de nieuwe vorst zich met het begeerde getal jonge meisjes op weg, om die te Kwala Mengkatip af te leveren. Om de langwijligheid der reis te korten, was op de prauw, waarop Lamboeng zich ingescheept had, ook een prachtig gamelanspel aanwezig. Dit scheen evenwel geen genoegzame tijdkorting, want de vorst liet de oogen gaan langs de rij schoonen, en verliefde op eene harer. Verlangen en de lust om te bevredigen is bijna gelijkluidend voor Indische vorsten. Maar de straf liet zich niet lang wachten. Djata-Soerassa, verontwaardigd dat men hem zoo bedriegen wilde, deed met een hevigen slag van zijn staart de prauw kantelen, waardoor de meisjes en het gamelanspel in de diepte verdwenen. Met moeite[122]redde Lamboeng Mangkoerat het leven en had dat slechts te danken aan zijn verheven oorsprong. Het zachte klaaggeschrei der maagden en de wegstervende tonen der Gamelan, bleven op het water zweven en verkondigen zoo nog voortdurend de wraak die Djata-Soerassa genomen heeft.

Dalim voegde er echter bij, dat de Europeesche zendelingen de navolgende verklaring van het verschijnsel gegeven hadden: Wanneer de vloed zoo lang gestegen is, dat eerst het rivierwater, daarna het brakke water teruggedrongen is en het onvermengde zeewater begint op te komen, dan komt dat in aanraking met de zoetwaterdeelen, die zich nog bevinden in de tegenstroomingen, die allerwege door de bochten, de inhammen en kreken der rivier gevormd worden. De wrijving der zoutdeelen van het opkomende zeewater met die zoetwaterstroomingen zou dat harmonisch geluid te voorschijn roepen. Die meening wordt vrij aannemelijk doordat het slechts zoo ver vernomen wordt, als het zeewater met den vloed de rivier binnendringt. Bevindt zich een prauw, wanneer de vloed met kracht doorkomt, juist op de grens van zulk een tegenstrooming, zoodanig dat zij het heldere zeewater aan de eene zijde en het gele of bruine rivierwater aan de andere zijde heeft, wat men dikwijls kan waarnemen, dan zal het melodieuse geluid aan den zeewaterkant vernomen worden, zacht en smeltend, wanneer de prauw weinig vaart loopt, of slechts door den stroom voortgestuwd wordt; daarentegen krachtig, vol en doordringend, wanneer de prauw met inspanning voortgeroeid of zeilend door een flinke bries voortgezweept wordt.

De „adem des vloeds” begeleidde de vluchtelingen tot aan den ingang der Troessan, dien zij tegen het vallen van den avond bereikten. Toen zij die soengei binnengestevend[123]waren, was eensklaps alles stil en hoorde men van de Aeolusharp niets meer.

„Oef!” riep La Cueille, „dat ’s een pak van m’n hart. Het was of geesten rondom de prauw muziek maakten. Wanneer dat den geheelen nacht had moeten duren, was ik gek geworden.”

„Narai augh hetèh” (wat is dat voor een gebabbel), bromde een der Dajaks en zich naar Johannes buigende, fluisterde hij dien wat in het oor.

Met gedempte stem beval deze nu stilte aan; omdat men zich in een nauw vaarwater bevond, waarin men al heel licht een andere prauw achterop loopen of tegemoet kon komen. Vooral het spreken eener andere taal dan de Dajaksche zou dan allicht aanleiding kunnen geven, dat hun spoor verraden werd.

Met inspanning van alle krachten werd nu voortgeroeid en tegen acht uur werd de monding van soengei Dahasan bereikt. Men voer die nog een goed eind naar binnen; maar toen verklaarde Dalim, dat de dag moest afgewacht worden, daar men licht kon verdwalen, wijl hier vele riviertjes elkander kruisen. Dat was waar, maar dat was toch de ware reden niet, waarom hij de reis wenschte gestaakt te zien. Vooreerst waren allen zeer moede; niemand had nog iets gegeten en ook van slapen was niet veel ingekomen; daarenboven begreep Dalim, dat, waar hij bij het rottan snijden met een uitgeholden boomstam tot vaartuig doorgeschoven was, het veel moeite zal kosten, een prauw als die, waarmede de vluchtelingen de reis maakten, er door te brengen. Het daglicht was daarbij onontbeerlijk.

„Maar,” vroeg Wienersdorf, „is het hier veilig om den nacht door te brengen? Ware het niet beter nog wat verder door te dringen?”

„Neen,” beantwoordde Dalim de laatste vraag. „Hier[124]is volkomen veiligheid. Geen Dajak waagt zich hier. En de „toean Koemdan” (heer kommandant) zal van ons nog wel geen bericht hebben. Die is nog buiten op de jacht achter de prauw van Baba Poetjieng. Als hij morgen avond aan de kleine Dajakmonding terug is, mag hij blij zijn. We hebben gelukkig geen enkel vaartuig, noch in de Kahajan, noch in de Troessan ontmoet. Onmogelijk kan men gissen, dat we hier zitten; want niemand kent dezen doorgang. We hebben dus een paar dagen voor ons om onze maatregelen te kunnen beramen.”

„Maar waarom zouden de Dajaks zich hier niet wagen?”

„In 1859 kwam Pembekel Soelil om het leven door het springen van een stuk geschut, dat hij eigenhandig tegen de Hollanders afschoot, bij de verdediging zijner benting, bij de monding van de soengei Basarang gebouwd. Om zijn lijk aan de schendende hand der Hollanders te onttrekken, werd het in de soengei Dahasan dicht bij de monding begraven. We zijn straks de plek voorbij gevaren. Maar sedert wordt deze soengei door een Pampahilep bewaakt en wee hem, die het verboden terrein betreedt!”

„Een Pampahilep wat is dat?”

„Een vreeselijk boschspook, dat iedereen ombrengt, die onder zijn bereik komt. De Pampahilep die hier huist, is er eene van het vrouwelijke geslacht. Wanneer het haar gelukt, een mannelijk individu te bemachtigen, dan noodzaakt zij hem haar echtgenoot te zijn. Na voldoening harer hartstochten verworgt zij haar slachtoffer.”

„Brr!quelle canaille!” mompelde de Waal met afgrijzen, „ik wou thans wel een vrouw zijn.”

„Dan zou zij een zwagerin van u maken,” zei Dalim lachende. „Zij heeft ook broertjes.”

De Waal zuchtte diep en wijdde een vrome gedachte aan Notre Dame de Montaigu.[125]

„Maar zijt ge dan niet bang?” vroeg Schlickeisen den Dajak.

„Die „sansana” (fabel) bracht ik in de wereld, omdat ik een verborgen weg noodig had om zout, kruit en lood aan de „brandals” (muitelingen) in de Kapoeas te kunnen brengen. Die vrouwelijke Pampahilep houdt iedereen op een afstand.”

„Maar gelooven de Dajaks dat maar zoo grif weg?”

„Ze zijn zeer bijgeloovig; er zijn vele plekken in hun land, die door boschspoken bewoond worden en waar een Dajak voor geen schatten ter wereld zich zal wagen. Daarenboven had de plotselinge dood van Pembekel Soelil aller gemoederen diep getroffen. In zijn verscheiden werd de hand van den God der blanken gezien en bij den eerbiedvollen schrik, dien ieder inlander in de nabijheid van lijken ondervindt, zou niemand dan met ontzettenden angst vervuld, Soelil’s graf naderen.”

„Een prettige buurt in den nacht,” pruttelde La Cueille, „ik zat liever in een estaminet.”

„Maar,” vroeg Schlickeisen, „straks verteldet ge, dat om het lijk van Soelil aan de Hollanders te onttrekken, het hier begraven werd. Schenden de Hollanders dan lijken?”

„Zij verbieden het koppensnellen aan de Dajaks, maar nemen zelf de koppen van de lijken mede.”

„Hebt ge dat gezien?”

„Neen, maar ’t is een algemeen verspreid geloof; ik heb zelfs vernomen, dat die koppen in het zout worden gelegd.”

„Och loop heen,” hernam Johannes, „’t is eens of tweemalen geschied, dat het hoofd van een voornaam brandal naar Bandjermasin is opgezonden, om de identiteit van den gesneuvelde te constateeren en het volk van diens dood te overtuigen, maar daarna zijn die koppen begraven.”[126]

„’k Wou dat jullie met je spoken en dat koppengemaal ’k weet niet waar zat. Ik zal er gewis van droomen heden nacht,” morde La Cueille.

Men bleef dus dien nacht waar men was; maar van rusten, waarnaar allen haakten, en van droomen, waarvoor de Waal vreesde, kwam hoegenaamd niets in. Eerst toch moest voor de maag gezorgd worden, die bij allen ten ernstigste protesteerde, dat hij in de laatste vier en twintig uren niets te verwerken had gehad. Eenige droge takken waren gauw gevonden, lucifers hadden de Zwitsers in den zak en weldra vlamde een vroolijk vuurtje, waarboven het maal zoude bereid worden. Door de zorg van Baba Poetjieng waren eenige groene bamboestaken in de prauw aanwezig; daarvan sneed een der Dajaks eenige einden boven en onder de geledingen af, maakte in de aldus verkregen holle buizen, die aan beide uiteinden gesloten waren, een kleine opening, liet daardoor rijstkorrels glijden totdat de buizen bijna gevuld waren en voegde er wat water bij. Vervolgens sloot hij de openingen met een pennetje en wierp de zoo toebereide stukken bamboe in ’t vuur. De Zwitsers zagen verbaasd en nieuwsgierig toe. Zij hadden al eens rondgekeken in de prauw en zich afgevraagd, waarin toch gekookt zou worden; want buiten eenige kleine aarden pannen en een ijzeren kwalie waren zij arm aan keukengereedschap. Na een twintigtal minuten barstten de bamboestukken met een geluid als van een pistoolschot en nam de Dajaksche kok ze uit het vuur, maakte ze verder open en spreidde een smakelijk gaar gekookte rijst uit op een groot blad, dat hij van de eene of andere waterplant in de nabijheid geplukt had.

„Verduiveld!” zei Wienersdorf, „dat’s makkelijk, we behoeven niet bang te zijn, potjes of pannetjes te breken; we hebben de pottebakkerswinkel bij ons.”[127]

„Ja,” lachte Johannes, „en die winkel is gemakkelijk aan te vullen.”

„Dat weet ik nog niet,” meende Schlickeisen, „’k heb sedert ons vertrek geen enkele bamboestruik opgemerkt.”

„In de benedenlanden zal je dat ook niet. De bamboe heeft drogen bodem noodig. Wacht maar, we zullen wel bamboestruiken ontmoeten.”

Onder die bedrijvigheid had een andere Dajak in een aarden pan wat lombokh (spaansche peper) met wat zout fijn gewreven; Johannes had een paar gedroogde visschen boven het vuur gepoft; zoodat in een ommezien het maal klaar was. Heel veel omslag had de bereiding niet gekost, maar het smaakte overheerlijk, want ingespannen arbeid en ontbering gedurende een etmaal geeft grage magen.

Toen ons zevental verzadigd was, wikkelden zij zich zoo goed en zoo kwaad zij konden, de soldaten in hunne spreien en de Dajaks in hunne lompen, en trachtten in slaap te geraken. Met de inboorlingen was dat spoedig het geval; maar den Europeanen werd iedere rust ontzegd, door de zwermen muskieten, die op hen indrongen.

De zuid- en ook de westkust van Borneo is tot op een zeer grooten afstand van zee van zulk een lage gesteldheid, dat het land bij iederen vloed, die de wateren in de rivieren en stroomen terugdringt, allerwege overstroomd wordt en dat slechts zelden een eenigszins uitgebreide plek gevonden wordt, die boven den vloedstand droog blijft. Men kan de voornaamste rivieren op de zuidkust als de Doesson, de Kapoeas, de Kahajan een zestal dagen opstoomen en alsdan nog den invloed van eb en vloed ondervinden, terwijl de aangrenzende oevers dagelijks onder water gezet worden. Bij zoo’n vloedstand zijn die oevers verdwenen en worden de grenzen der rivierbedding alleen aangeduid door de vegetatie[128]der oorspronkelijke bosschen, die uit het water omhoog rijzen. Een eerste gevolg van die periodieke overstrooming is een steeds toenemende moerasvorming in het achterwaarts gelegen terrein, waarin ontelbare zwermen muskieten geboren worden, en daar in hun element zijn. Onze vluchtelingen zouden er nu ter dege kennis mede maken. Wel waren zij in het fort te Kwala Kapoeas door die venijnige insecten ook geplaagd, maar daar hadden zij achter de hooge palissadeering van de versterking nog eenigermate bescherming gevonden tegen de aanrukkende zwermen; ook waren hun van bestuurswege „klamboe’s” (bedgordijnen) verstrekt geworden, waarachter zij een ongestoorde rust hadden kunnen genieten.

Hier in het ongerepte woud was van bescherming geen sprake. Het was te vergeefs dat zij, op gevaar af van met hun buskruit in de lucht te vliegen, in de prauw een vuurtje stookten, om de onzichtbare vijanden door rook te verdrijven; de bloeddorstige insecten drongen met duizenden en nog eens duizenden door en weldra was het gelaat der Europeanen, als ook hun hals en hunne handen met builen overdekt, welker onaangenaam gejeuk iedere hoop op slaap verijdelde, terwijl bovendien de aanval bleef voortduren en het vernieuwd steken en gonzen onverdragelijk was. Wat benijdden die blankhuiden de Dajaks, die daar lagen te ronken, alsof er geen muskiet ter wereld bestond. Eindelijk in arren moede rezen de wanhopigen op, kropen rondom het vuur en trachtten nu met een bladrijken tak gewapend, zich de muskieten van het lijf te houden.

„Die verd.… dieren,” pruttelde La Cueille, „ze zijn nog veel erger dan de vlooien in mijn land. Als we eens een muskieten-vestje aantrokken?”

Een muskieten-vestje aantrekken, beteekent in Nederlandsch[129]Indië zich zoodanig te bedrinken, dat in den daarop volgenden dronkenmansslaap geen stoornis te vreezen is. Voor velen daar zijn de muskieten de grondoorzaak van beginnende zucht naar sterken drank.

„Is de les al vergeten?” beet hem Wienersdorf grimmig toe. „Je krijgt geen droppel jenever.”

„Neen,” bevestigde Johannes, „liever smijt ik onzen geheelen voorraad in ’t water.”

La Cueille zweeg; maar een driftig gebaar met zijn tak duidde aan, dat hij zijnmuskieten-vestjetoch voor een uitstekend middel hield.

„Nu het toch onmogelijk is te slapen, kunnen we onzen toestand bespreken,” meende Schlickeisen. „Onze omstandigheden zijn geheel veranderd; aan een vlucht over zee valt niet meer te denken, niet waar?”

„Neen,” sprak Johannes, „daarop behoeven we niet terug te komen; de geheele zuidkust zal nog weken, ja maanden lang op het nauwkeurigst bewaakt worden. ’t Is wel jammer.”

„Dat is het; maar wat nu te doen?”

„Dalim wees straks naar het noorden; daar ligt nu de weg. Maar hoe het gaan zal? zie, die vraag waag ik me haast niet te stellen. En toch.…” vervolgde Johannes na eenige aarzeling, „toch, we moeten den toestand onverschrokken onder de oogen durven zien; we moeten het voor en tegen goed wikken en wegen, onze maatregelen goed nemen, want de minste onvoorzichtigheid kan ons uitermate noodlottig worden.”

„Spreek, je bent het langst van ons allen in dit land; spreek en wees onze leidsman.”

„Gijlieden zult zeker wel gezien hebben, dat ik straks een oogenblik met Dalim sprak. Ziet hier het uitsluitsel van dat gesprek: We zullen trachten door de soengei Basarang in de Kapoeas te komen. Dan varen we die rivier[130]zoo ver op als we kunnen, trekken het Kamintinggebergte over en trachten dan zoo de noordkust te bereiken. Maar verbeeldt jullie je nu niet, dat dat zoo makkelijk en vlug zal gaan, als ik dat vertel.”

„Neen, dat begrijpen we,” lachte Wienersdorf, „maar we moeten een plan hebben van ’t geen we bereiken willen.”

„Meer weet ik er ook niet van te vertellen. Alleen dat nog, dat we niet voorzichtig genoeg kunnen zijn. In de benedenstreken hebben we alles van de Hollanders te vreezen. Een woord, dat onze tegenwoordigheid op de Kapoeas verraadt, zal aanleiding geven, dat we als wilde dieren gejaagd worden. In de bovenlanden zal het nog minder pluis wezen. Als men daar slechts gist, dat we Europeanen zijn, dan zijn we verloren. Een Europeesche kop heeft daar tot vierduizend gulden waarde.”

„Wat je zegt” riep La Cueille verschrikt, terwijl hij zich den schedel betastte, „heeft die bol zoo veel waarde? Jongens! dat wist ik niet. Het is dan zaak er op te passen.”

„Maar je spot, niet waar?” vroeg Schlickeisen ongeduldig.

„Volstrekt niet. De kop van den Kolonel GeorgMüller, die in 1825 op een wetenschappelijken tocht dwars door het eiland van het oosten naar het westen, vermoord werd, wordt nog bij den stam der Olo Ot Panganen, aan de boven Kapoeas Bohong, die we te passeeren hebben, als een reliquie bewaard. Die kop is voor geen schatten te erlangen. De koppen van de Europeanen van de „Onrust”, je weet wel, dat stoomschip, dat in 1859 in de Doesson door de Dajaks is afgeloopen, zijn allen nagenoeg tegen gezegden prijs aan de omliggende stammen verschacherd. Dien van den kommandant der boot hebben ze, na hem van de vleeschdeelen[131]ontdaan te hebben, met droge katjangboonen gevuld en daarna in ’t water gelegd. De boonen zijn gezwollen en hebben den schedel langs de naden in een groote menigte fragmenten uit elkander doen barsten. Het kleinste stukje is voor tweehonderd realen5van de hand gezet.”

„Wat doen ze toch met die koppen?”

„Och dat’s een modeartikel, dat zal je in de bovenlanden wel ontwaren. Iederebenting(fort) daar prijkt met een aantal grijnzende schedels op de punten der palissaden. Er is daar geen enkel huis of je vindt er eenige doodshoofden, die als een reusachtige rozenkrans bijeengebonden, bij wijze van sieraad soms als slingerkransen aan den wand prijken. Als een jongeling een meisje ten huwelijk wenscht, wordt niet gevraagd hoeveel rijksdaalders de pretendent medebrengt, wel hoeveel schedels de vrijer kan vertoonen. Begrijp je nu?”

„Ik begrijp, dat het zal zijn: pas op je kop.”

„Ja, juist! Pas op je kop! dat moet onze grondleus zijn. Daar boven wemelt het van koppensnellers; van die luidjes hebt jullie zeker toch wel eens hooren spreken?”

„Voorzeker, maar ik meende, dat het maar grootendeels vertelsels waren,” meende Wienersdorf.

„Ja vertelsels, die nog niet eens het tiende gedeelte der volle waarheid aan ’t licht brengen,” sprak Johannes. „Je begrijpt toch dat die koppensnellerijën voor de blanken zoo geheim mogelijk worden gehouden. Gelooft me, het is en blijft: „pas op je kop.” En om daarop met eenige hoop van slagen te kunnen passen, moeten we vooreerst ons soldatenpakje uittrekken; dat zou ons[132]al heel spoedig verraden; dat zou het reeds gedaan hebben, wanneer we de een of andere prauw ontmoet hadden. Baba Poetjieng, voorziende dat die Europeesche kleeding ons in gevaar kon brengen, heeft een pak medegegeven, dat we straks bij daglicht eens zullen bekijken. Daarin zal wel wat te vinden zijn en dan moet de gedaanteverwisseling maar plaats hebben.”

„Wat zal ik er kostelijk uitzien, slechts gekleed in een „ewah” zei La Cueille. „’k Zal me verbeelden in het paradijs rond te wandelen, met het traditioneele vijgenblad getooid.”

Een „ewah” is een strook grof veelkleurig goed, soms van linnen maar ook van boomschors vervaardigd, die eenige malen zoodanig om het midden gewonden wordt, dat het eene einde achter tusschen de beenen doorgeslagen kan worden en het andere einde, met een franje versierd, voor tot op de knieën afhangt. Dit is bij veld- en bosch-arbeid het eenige kleedingstuk van den Dajak en de lezer begrijpt dat het hem, zoo gekleed, onmogelijk is zijn pantalon-collant te scheuren. La Cueille’s metgezellen lachten over den inval; maar Johannes hernam:

„Je zult er zot genoeg uitzien met je witte huid, dat is zeker.”

„En jij dan met je koffiekleurigen bast?” vroeg de Waal gebelgd.

„Ik …? ik; dat brengt me op een inval. Jullie kunt zoo niet met die blanke bakkessen blijven. Die zouden je dadelijk verraden. Hadt jullie nu maar zoo’n koffiekleurigen bast, maar daarover zal ik straks Dalim eens spreken, daarop zal wel wat te vinden zijn.”

„Je zult zien, dat we allen nog een zwart pak aangemeten krijgen,” lachte de Waal.

„Zeer waarschijnlijk,” zei Johannes droog, „en dat zal je wat deftig staan.”[133]

„Vooral met mijn pantalon-collant.”

Allen lachten met uitzondering van Schlickeisen, die te mijmeren zat. Eindelijk vroeg hij Johannes:

„Hoe heeft zich die overrompeling van de „Onrust” toch toegedragen?”

„Wat zal ik je daarvan zeggen? ’k Zal je vertellen wat ik er van weet.”

Het vuur werd wat opgepookt, een goede hoeveelheid brandhout werd er opgeworpen en toen de vlammen helder opdwarrelden en de aangezichten fantastisch verlichtten van onze avonturiers, neergehurkt in die prauw, die te midden van het sombere woud als buiten haar element verloren scheen, begon Johannes het verhaal van het drama.

„In het begin van November 1859 kwam de „Onrust” te Poeloe Petak aan, waar toenmaals het fort bestond, dat later naar Kwala Kapoeas verlegd is. De luitenant Bangert, die civiel gezaghebber der Afdeeling Doesson en Bekoempai was, bevond zich aan boord en verzocht en verkreeg van den kommandant te Poeloe Petak een peloton van twintig infanteristen, om den tocht mede naar de Boven-Dousson te maken. Ik ben toen mee geweest. Alles was toen heel rustig en we werden goed ontvangen. ’k Hoorde praten dat het doel van de reis naar de Boven-Doesson was, om te trachten Pangerang Antassari, een der hoofdopstandelingen in den Bandjermasinschen oorlog in handen te krijgen. Maar welke aanbiedingen ook Tomonggong Soerapatti, hoofd der Dajaks van de boven Doesson, gedaan werden, tot het schenden der gastvrijheid, die hij den voortvluchtigen vorst verleende, daartoe was de oorspronkelijke Dajak niet in staat. We zijn toen teruggekeerd, uiterst voldaan over de ontvangst, hoewel niet geslaagd in de zending. In plaats van toen naar Poeloe Petak terug te[134]stoomen om de daar opgenomen militaire macht weer af te zetten, stevende de Onrust recht door naar Bandjermasin, alwaar dat kleine detachement, bij het gebrek aan troepen, al spoedig bij verschillende mobiele kolonnes ingelijfd was. Ik vroeg en verkreeg verlof om naar Poeloe Petak terug te keeren, alwaar ik met een vivres prauw zoo wat tegen den 10nDecember aankwam. Weinige dagen later, ik meen den 16n, kwam de „Onrust” weer voor Poeloe Petak ten anker en bracht voor de bezetting een grooten voorraad vivres en geld mede. De kommandant van de benting ging bij aankomst van het stoomschip aan boord. Als roeier ben ik toen mee geweest en heb bij die gelegenheid een groot gedeelte van het gesprek gehoord, dat tusschen mijn officier en den luitenant Bangert, die andermaal aan boord was, gevoerd werd. Deze laatste vroeg weer om militairen, dat de andere pertinent weigerde. De beide officieren wandelden het niet lange achterdek op en neder en zoo kon ik verscheidene brokstukken opvangen. Zoo hoorde ik mijn kommandant antwoorden:

„Het kan niet. Hadt ge mij de twintig man terug bezorgd, die ge de vorige reis medegenomen hebt, dan kondt gij ze weer medenemen. Nu zit ik in een benting groot genoeg voor een half bataillon met hare vuurlijn van ruim vierhonderd meters met zes en twintig geweerdragende manschappen.”

„O! ik heb in die reis zoo’n zwaar hoofd,” hernam de ander, „geef me dan maar vijf of zes man mede.”

„Geen enkel man”, was het met drift gegeven antwoord, „ik mag die verantwoordelijkheid niet op me nemen. Ge kent den toestand van het gewest zoo goed als ik; de berichten van voorgenomen aanvallen op mijn post zijn zoo stellig, dat het opdagen van den vijand ieder oogenblik kan te gemoet gezien worden. Mag ik bij zoo’n[135]toestand, mijn reeds zoo luttele bezetting nog verzwakken? de gevolgen zouden onberekenbaar kunnen wezen. Maar waarom hebt ge uwe bezwaren te Bandjermasin niet ingebracht? daar had men u versterking kunnen geven, zooveel men wilde.”

„Ik heb er over gesproken, maar de rapporten van den kommandant van het stoomschip luidden zoo gunstig over de gezindheid van Soerapatti jegens de blanken, dat versterking overbodig werd geacht. Je weet ook dat de marine er een hekel aan heeft troepen van de landmacht aan boord te hebben. Maar ik herhaal het, ’k heb een zwaar hoofd in dien tocht.”

„Kom! je stelt je de zaken te zwart voor. Een stoomschip met een bemanning van twee en vijftig koppen, waarvan verreweg de grootste helft flinke Hollandsche jongens zijn, bewapend met flink en ontzagwekkend geschut, midden op stroom liggend of stoomend, is waarachtig geen kat om zonder handschoenen aan te tasten. En tasten de Heeren Dajaks het aan, dan wou ik wel van de partij zijn.”

„God geve dat je gelijk hebt!” sprak Bangert met een zucht.

Den volgenden dag vervolgde de „Onrust” haar reis, maar is nimmer teruggekomen. In de laatste dagen van December dreef er een zeer groote kardoeskoker en een luik dicht bij het fort aan den wal. Eenige dagen later werd bij den kampong Palingkey een hoofdeloos lijk opgevischt dat in vergevorderden staat van ontbinding verkeerde, en niet meer te herkennen was. Hemd en gestreepte slaapbroek duidden evenwel aan, dat het het lijk van een Europeaan was. Langen tijd vernam ik weinig geloofwaardigs van het gebeurde. Wel liepen een menigte geruchten, maar die waren zoo uiteenwijkend, dat er geen mouw aan te passen was.[136]

Bij een der veelvuldige tochten, die de kommandant van Kwala Kapoeas in de bovenlanden gemaakt heeft, kreeg hij eens een Dajak te pakken. Deze had over het afloopen der „Onrust” veel te verhalen. Of het echter de volle, de geheele waarheid is, dat weet God alleen. Hij was er niet bij geweest, betuigde hij, maar een broeder van zijn vrouw had wel niet meegedaan, maar was in de nabijheid geweest, zoodat hem van het geheele drama niets ontgaan was.

„Toen de „Onrust” bij den kampong, waar Soerapatti verblijf hield, ten anker was gekomen.…”

„Heette die kampong niet Loentoentoir?” vroeg Schlickeisen.

„Neen, ik heb den naam van dien kampong niet vernomen. Maar Loentoentoir is het niet.”

„Ik meen dat toch gelezen te hebben.”

„Jawel, in de rapporten en couranten is dat ook medegedeeld, maar het zal straks blijken dat dat onmogelijk is. Luister slechts. Toen dus de „Onrust” bij den kampong, waar Soerapatti verblijf hield, ten anker was gekomen, was het omstreeks donker. Toch kwamen nog een paar schoonzoons van het Dajaksche hoofd aan boord en berichtten dat de Tomonggong den volgenden morgen zijne opwachting bij den „toean koemdan” (heer kommandant) zou komen maken. Werkelijk kwam het oude opperhoofd, vergezeld van zes zijner zonen al heel vroeg—zoo omstreeks 8 uur—aan boord. Allen waren slechts gekleed met een „ewah”, alleen de Tomonggong had nog over het naakte bovenlijf een rood lakensch buisje met vergulden kraag. Ook hadden allen volgens nationaal gebruik den „mandauw” (koppensneller) op zijde en een mutsje, een soort van kalotje van apenvel op het hoofd.

„De ontmoeting met de officieren aan boord was allerhartelijkst.[137]Er werden handdrukken gewisseld om er aandoenlijk van te worden. De zeven Dajaksche hoofden begaven zich op uitnoodiging van den kommandant van het stoomschip omlaag in diens kajuit en waren weldra in een diep gesprek gewikkeld over de belangen des lands, maar vooral over de oplichting van Pangerang Antassari, die weer ter tafel gebracht werd. Aan het dek waren twee der roeiers, die de hoofden aan boord gebracht hadden, gekomen en hadden een schuilplaats voor de zonnestralen onder de zonnetent gezocht en zich ergens tegen de verschansing neergehurkt. De schildwachten aan de valreep lieten hen ongemoeid en niemand scheen acht op die beide mannen te slaan, die evenwel even als de hoofden met den mandauw gewapend waren. De vier overige roeiers waren in de djoekoeng gebleven, die zij aan boord geroeid hadden en nu aan de trap aan stuurboordszijde vastgemaakt lag. In het eerste oogenblik verzamelde zich de geheele equipage nagenoeg om de beide Dajaks, die tegen de verschansing zaten, om de fraaie arabesken te bewonderen, die bij beide mannen op het bovenlijf zoowel op den rug als op de borst getatouëerd waren. Met echt Oostersche onverschilligheid lieten zij zich door Janmaat bekijken en keerden zich gewillig om, om alle zijden van het wezenlijk fraai tatoueerwerk te vertoonen.

„Beneden was het gesprek druk aan den gang. Dat gesprek scheen dorstig te maken; althans de kommandant bood zijn bezoekers een glas bier aan, dat dankbaar aangenomen en gulzig in een teug leeggedronken werd. Later werden om die oorspronkelijke gemoederen te winnen en op hunne snoepachtigheid tespeculeeren, likeuren aangeboden, waarvan de anisette van Wijnand Focking hun bij uitstek scheen te smaken. Zij likten zich de vingers af, ja brachten de enorme lange tongen in de[138]glaasjes om den laatsten droppel van het verleidelijk vocht op te vangen. Een duplikaatje, zelfs een triplikaatje was niet voldoende om het vrijmoedig maar koddig aandringen andermaal ingeschonken te worden, te bevredigen. Er is geen vroolijker mensch in de wereld dan een beschonken Dajak; hij is dan vol lachlust, uiterst levendig en spraakzaam en legt klaarblijkelijk aanleg tot geestigheid aan den dag. Hij is dan onvermoeid in het bezigen van kwinkslagen, die menigmaal, en met recht, een onbedwingbaar gelach opwekken. Het is opmerkelijk, dat een Dajak in dien toestand nimmer twistziek is; hoevelen er ook van die drinkebroers bij elkander zijn, nimmer zullen zij ruzie krijgen met elkander.

„De kommandant en de officieren vermaakten zich ter dege met den lustigen troep en wellicht onder den indruk van die vroolijkheid hebben zij hunne gasten niet binnen de grenzen eener betamelijke matigheid gehouden.

„Tegen een uur ’s namiddags kwamen de kommandant en de luitenant Bangert met de zeven Dajaks aan het dek om dezen den dertigponder, waarmede het stoomschip gewapend was, te toonen en hun het gebruik uit te leggen. Het was toen ontzettend warm. De zon stond nagenoeg loodrecht boven het schip en geen zuchtje liet zich gevoelen. De bemanning van het schip was beneden, waarschijnlijk in diepe rust bij die aamechtige warmte; alleen de twee schildwachten, die op hun post aan de valreep stonden, en de scheepsdokter waren aan het dek. Deze laatste stond, op zijn elleboog rustende, op de koekoek van de longroom geleund en keek naar voren, waar de uitleg van het gebruik van het kanon aan de Dajaks aan den gang was. Plotseling stiet een der Dajaks, die tegen de verschansing neergehurkt was geweest, zijn „lahap” (oorlogskreet) uit en tegelijkertijd kreeg de geneesheer[139]van achteren een houw tusschen de schouders, zoodat de punt van den mandauw, waarmede de slag was toegebracht, voor tusschen de ribben te voorschijn trad. Zonder een kik te geven stortte de dokter of beter zijn lijk door de koekoek en kwam terecht op de daaronder staande tafel in de longroom. De naastbijzijnde schildwacht doorstak dien aanvaller met zijn bajonet; maar voordat hij zijn wapen nog had kunnen terugtrekken uit het lichaam, viel hij zelf doodelijk getroffen ter neder. Op den uitgestooten oorlogskreet, waren de vier roeiers uit den djoekoeng naar boven gesneld, en hadden zich met den mandauw in de hand onverschrokken op de schildwachten geworpen, die dan ook in een ommezien in hun bloed lagen te baden. Tegelijkertijd met dien „lahap” begon ook de moordpartij voor bij het kanon. De beide officieren stonden geheel ongewapend tegenover de zeven Dajaksche hoofden, die hunne mandauws getrokken hadden. Den kommandant van het stoomschip was het hoofd van den romp gesneld, voordat hij recht begreep wat er gaande was. Met Bangert werd een ondeelbaar oogenblik gedraald. Deze had zeer kort geknipt haar; toen zijn aanvaller hem daarbij wilde grijpen om hem op de gebruikelijke wijze den doodelijken slag toe te brengen, lukte dat niet dadelijk, maar greep de Dajak hem bij den sik. Het slachtoffer had daardoor nog den tijd om zich tot Soerapatti te wenden en hem toe te roepen: Of dat nu de dank was, voor het vele goede, dat hij voor de Dajaks had tot stand gebracht? Waarop Soerapatti hem antwoordde, dat er beraadslaagd was des avonds te voren, om hem, Bangert het leven te sparen; maar dat men er van had moeten afzien, wegens de verregaande kwade trouw der blanken op wier woord geen staat te maken was. Dat het daardoor onmogelijk was, hem naar Bandjermasin terug[140]te zenden; en hem te midden der Dajaks te laten leven, een marteling zou zijn erger dan de dood. Het was dus beter dat ook hij maar gesneld werd. En een teeken gevende, viel de noodlottige slag en hield de gillende Dajak het hoofd boven zijn mond en zwelgde met wellust het fel stroomende bloed op.

„Wat gebeurde inmiddels in het benedenschip? Op het leven door den val van den dokter veroorzaakt, waren de officieren in de longroom hevig verschrikt van hun legerstede opgevlogen, maar zij hadden niet eens den tijd naar een kleedingstuk of een wapen te grijpen; voor dat zij tot bezinning gekomen waren, lagen zij in hun bloed te wentelen. De roeiers waren namelijk dadelijk naar beneden gestormd en hadden er maar op ingehouwen, zoolang zich iemand in de longroom geroerd had. In weinige seconden dus, in veel minder tijd dan noodig is geweest om het te verhalen, was het schip van zijn bevelhebbers beroofd. Inmiddels waren ettelijke honderden prauwen van achter een nabij gelegen landtong het schip op zijde geschoten, en nu wemelde het op het dek van uitgelaten bloeddronken vijanden, die van blijdschap allerlei luchtsprongen uitvoerden en kreten uitstieten, die niets menschelijks hadden. Wat in dien tusschentijd in het vooronder voorviel, daarvan zal wel nimmer eenig nauwkeurig bericht te geven zijn. Een aantal Dajaks waren naar beneden gestormd en vonden daar een van angst waanzinnige menschenmassa, waar zij de moeite maar te doen hadden van in te hakken. Tegenweer werd niet geboden, het waren slechts gillende en snikkende waanzinnigen, die slechts kermen en klagen konden en niets deden dan onschadelijk voor de aanvallers de handen te wringen. Was de sleutel der wapenkamer in dat noodlottig oogenblik zoek, of hadden de Dajaks door de koenheid van hun overval, de blanken daarvan afgesneden?[141]Wie zal dat ooit uitmaken? genoeg zij het, dat allen weerloos afgemaakt werden en dat van al de Dajaks, die ten aanval stormden, slechts hij omkwam, die den dokter had neergelegd, en van de overigen niemand zelfs maar een schram bekwam. Toen de laatste der opvarenden in het vooronder in zijn bloed lag te rochelen, stegen de overwinnaars naar het dek en nu begon een feest, dat zijn weerga niet in de Dajaksche geschiedenis gehad heeft en ook waarschijnlijk niet hebben zal. Wel werd het een oogenblik gestoord door een viertal Europeanen,—waarschijnlijk machinisten—die uit de diepte der machinekamer opdoken, hunne pistolen wild en verward afschoten, daarna in allerijl op de raderkasten der boot klommen en in de rivier sprongen. Maar toen het bleek dat niemand gekwetst was, verhoogde die episode nog de feestvreugde. Ras waren eenigedjoekoengsbemand om de „badjai bapoeti” (witte krokodillen) te vervolgen, en nu begon een vreeselijke jacht, die niet eindigde dan met den meest smadelijken dood van de rampzaligen, die een laatste redmiddel in een overhaaste vlucht meenden gevonden te hebben.”

„Dagen lang duurde het feest, waartoe de dranken, aan boord gevonden, aan de algemeene vreugde het hunne bijdroegen. Zwangere vrouwen moesten aan boord komen, opdat de aanraking van zulk een overwinningsteeken, der vrucht, die zij droegen, voorspoed en geluk zoude aanbrengen. Alle mannelijke kinderen moesten van heinde en ver komen, om het vaartuig met de hand aan te raken, opdat de geestkracht en de moed hunner vaderen in hen zouden varen.”

„Toen het feest afgeloopen was, gingen de Dajaks aan den arbeid. Zij begrepen, dat de blanken alles zouden in ’t werk stellen, om het veroverde schip te hernemen, en ook om consequent met hunne wijze van oorlogvoeren[142]te blijven, die wel toelaat zelf den tegenstander afbreuk te doen, maar dien tegenstander buiten de wet plaatst, wanneer hij eenig succes behaalt, die verovering ten bloedigste te wreken. De Dajaks bouwden dus een fort en kozen daartoe een goed gelegen punt uit aan de uitwatering van de Soengei Lahey, en bewapenden dat met den dertigponder van de „Onrust.” Ik kom nu tot mijn beweren van straks, dat het afloopen van het stoomschip te Loentoentoir niet heeft kunnen plaats hebben, maar hoogerop heeft moeten geschieden. Lahey ligt nagenoeg drie uur stoomens bovenstrooms van Loentoentoir; de stroom in den Doesson aldaar is zeer sterk en nu is het als geheel onmogelijk te achten, dat de Dajaks een zoo zwaar voorwerp als dat stuk geschut met hunne oorspronkelijke middelen zulk een verren afstand zouden hebben kunnen vervoeren.”

„Zouden ze dat niet met behulp van een vlot hebben kunnen verrichten? Ik heb gehoord dat ze verbazend knap in het behandelen daarvan zijn,” vroeg Wienersdorf.

„Een vlot tegen dien stroom! onmogelijk! heb je wel eens een vlot zien hanteeren? Neen? nu daartoe zal je nog wel in de gelegenheid komen, en dan zul je mij gelijk geven.”

„Maar zouden ze het schip niet naar Lahey kunnen gebracht hebben?”

„Kom, wees nu niet mal. Vooreerst van een hanteeren der machine hadden ze geen verstand; ze waren er zelfs in den beginne bang voor, en om nu dat vaartuig tegen dien zwaren stroom op te boegseeren, was even ondoenlijk als dat van een vlot zou zijn geweest. Daarenboven, waarom zouden de Dajaks zooveel omslag gemaakt hebben om het schip van Loentoentoir naar Lahey te brengen en het daarna weer naar eerstgenoemde plaats[143]te voeren en het daar te laten zinken. Neen, het schip is òf te Lahey òf iets hoogerop afgeloopen. Een andere meening is onaannemelijk.”

„Maar ik heb gelezen, dat de kommandant het schip heeft laten zinken en dat het reeds bij het eindigen van het gevecht onder water verdween.”

„Ja, dat heb ik ook gelezen; maar daar is niets van waar. De kommandant is een der eersten gevallen. Welke heldenziel men hem nu ook toedicht, dat feit heeft hij niet kunnen verrichten. Maar er is nog wat. Bij de veelvuldige patrouilles, die later in den omtrek gedaan zijn, hebben de soldaten allerlei voorwerpen gevonden, als zakboekjes der matrozen, papieren en kleedingstukken der officieren, zelfs sieraden, als epauletten en steken, waarop geen spoor te ontdekken was, dat zij in het water gelegen hadden. Is dat niet afdoend? Gelooft me, het schip is dagen, ja wellicht weken lang boven water gebleven en het is niet dan nadat het geheel en al leeg geplunderd was, dat de Dajaks de ankerkettingen hebben laten slippen, na alvorens een gat in den romp gekapt te hebben. Door den zwaren stroom medegesleept, is de Onrust nog eenigen tijd drijvende geweest en is eindelijk te Loentoentoir gezonken. En nu nog, nadat verscheidene jaren over het gebeurde heengegaan zijn, nu ligt de djatiehouten romp van de „Onrust” nog steeds tot schande van de Nederlanders bij Loentoentoir in den Doesson en bij iederen oostmousson, wanneer door het vallen van het water die romp zichtbaar wordt, stroomen de jongelingen en knapen toe, om de „banama assep” (het vuurschip) door hunne vaderen veroverd en aan de Hollanders ontwrongen, te bezien, om dien romp aan te raken en daardoor in de toekomst den moed en den wil deelachtig te worden, eenmaal ook zoo’n heldenfeit te kunnen uitvoeren6.[144]Zij keeren dan naar huis terug om de bekkeneelen te beschouwen van hen, die onder den vreeselijken mandauw vielen.”

„Zietdaar,” eindigde Johannes zijn verhaal, „wat ik weet van het afloopen der „Onrust”.”

„Oef!” riep La Cueille, „jullie bent lollige jongens; ’t is om de nachtmerrie te krijgen. Eerst van dat boschspook en van dien doojen pembekel; toen dat verdraaide koppensnellen en nu tot slot die uitmoordingsgeschiedenis. ’k Ben blij dat de dag aan den hemel komt. ’k Ben benieuwd wat mooie geschiedenissen morgen op het tapijt zullen komen? En dan dat bloeddrinken! brr! brr!!”

„Je zult nog wel meer hooren en ook zien, dat beloof ik je,” zei Johannes lachende, „’t Zal steeds zijn: „pas op je kop,” en breng je dien knikker in het Walenland terug, dan mag je wel naar Kevelaar of Scherpenheuvel trekken om daar een schietgebedje te doen.”

„Ik beloof,” prevelde de Waal vroom, terwijl hij aandachtig de handen vouwde, „aan Notre Dame de Montaigu een dubbele waskaars, ieder van twee pond, wanneer ik in mijn land terugkom.”

„Met je kop natuurlijk?”

De Waal rilde, maar antwoordde niet.[145]

1Nipa fructificans is een palmsoort en een der nuttigste gewassen, die de keerkringslanden opleveren. Van de bladeren maakt men matten, die tot velerlei doeleinden maar vooral tot omwandingen van huizen gebruikt worden. De geelachtige mannelijke bloem treedt uit de langwerpige scheede bevallig te voorschijn. Zij is zeer welriekend en lokt door haar rijkdom aan was en honing debijenaan. De vrucht, die trosgewijze groeit, heeft een zoetachtigen smaak niet ongelijk aan een jonge kokosnoot.↑2Tjemara Laoet—Casuarina equisetifolia is een cedersoort die op lage stranden in Indië soms in geheele wouden aangetroffen wordt. Op Borneo wordt zij veel afgewisseld met de Nipah-palm.↑3De Troessan is een natuurlijk verbindingskanaal tusschen de kleine Dajak en de Kahajan-rivieren. In dat kanaal monden vele soengei’s (riviertjes) uit en stellen zelfs gemeenschap met de zee daar. Door de lage gesteldheid des lands vormen die soengei’s een’ waren doolhof van waterwegen, die weer naar de Kahajan of Kapoeas leiden. De Troessan heeft aan de zijde der kleine Dajak een breedte van ongeveer 100 M. Deze breedte behoudt zij langen tijd, doch de Kahajan naderende, splitst zij zich bij een uitermate zwaren boom „bindjai” genaamd, in twee smalle takken, waarvan de noordelijkste geheel verzand is en de andere een ondiep, smal en kronkelend vaarwater oplevert.↑4Mahatara—God. Heeft een broeder en eene zuster. Zie hier over de Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver, Uitgave van Joh. Noman en Zoon, Zalt-Bommel.↑5Reaal is een denkbeeldige munt bij de Dajaks, ter waarde van twee gulden.↑6Op het oogenblik dat dit vel ter drukkerij gaat, twee en twintig jaren na het smartelijk gebeurde, ligt die schandzuil daar nog in den Doesson. De Nederlanders hebben nog de weinige guldens niet kunnen vinden voor eenige ponden kruit, om dat wrak uit den weg te ruimen.↑

1Nipa fructificans is een palmsoort en een der nuttigste gewassen, die de keerkringslanden opleveren. Van de bladeren maakt men matten, die tot velerlei doeleinden maar vooral tot omwandingen van huizen gebruikt worden. De geelachtige mannelijke bloem treedt uit de langwerpige scheede bevallig te voorschijn. Zij is zeer welriekend en lokt door haar rijkdom aan was en honing debijenaan. De vrucht, die trosgewijze groeit, heeft een zoetachtigen smaak niet ongelijk aan een jonge kokosnoot.↑2Tjemara Laoet—Casuarina equisetifolia is een cedersoort die op lage stranden in Indië soms in geheele wouden aangetroffen wordt. Op Borneo wordt zij veel afgewisseld met de Nipah-palm.↑3De Troessan is een natuurlijk verbindingskanaal tusschen de kleine Dajak en de Kahajan-rivieren. In dat kanaal monden vele soengei’s (riviertjes) uit en stellen zelfs gemeenschap met de zee daar. Door de lage gesteldheid des lands vormen die soengei’s een’ waren doolhof van waterwegen, die weer naar de Kahajan of Kapoeas leiden. De Troessan heeft aan de zijde der kleine Dajak een breedte van ongeveer 100 M. Deze breedte behoudt zij langen tijd, doch de Kahajan naderende, splitst zij zich bij een uitermate zwaren boom „bindjai” genaamd, in twee smalle takken, waarvan de noordelijkste geheel verzand is en de andere een ondiep, smal en kronkelend vaarwater oplevert.↑4Mahatara—God. Heeft een broeder en eene zuster. Zie hier over de Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver, Uitgave van Joh. Noman en Zoon, Zalt-Bommel.↑5Reaal is een denkbeeldige munt bij de Dajaks, ter waarde van twee gulden.↑6Op het oogenblik dat dit vel ter drukkerij gaat, twee en twintig jaren na het smartelijk gebeurde, ligt die schandzuil daar nog in den Doesson. De Nederlanders hebben nog de weinige guldens niet kunnen vinden voor eenige ponden kruit, om dat wrak uit den weg te ruimen.↑

1Nipa fructificans is een palmsoort en een der nuttigste gewassen, die de keerkringslanden opleveren. Van de bladeren maakt men matten, die tot velerlei doeleinden maar vooral tot omwandingen van huizen gebruikt worden. De geelachtige mannelijke bloem treedt uit de langwerpige scheede bevallig te voorschijn. Zij is zeer welriekend en lokt door haar rijkdom aan was en honing debijenaan. De vrucht, die trosgewijze groeit, heeft een zoetachtigen smaak niet ongelijk aan een jonge kokosnoot.↑

1Nipa fructificans is een palmsoort en een der nuttigste gewassen, die de keerkringslanden opleveren. Van de bladeren maakt men matten, die tot velerlei doeleinden maar vooral tot omwandingen van huizen gebruikt worden. De geelachtige mannelijke bloem treedt uit de langwerpige scheede bevallig te voorschijn. Zij is zeer welriekend en lokt door haar rijkdom aan was en honing debijenaan. De vrucht, die trosgewijze groeit, heeft een zoetachtigen smaak niet ongelijk aan een jonge kokosnoot.↑

2Tjemara Laoet—Casuarina equisetifolia is een cedersoort die op lage stranden in Indië soms in geheele wouden aangetroffen wordt. Op Borneo wordt zij veel afgewisseld met de Nipah-palm.↑

2Tjemara Laoet—Casuarina equisetifolia is een cedersoort die op lage stranden in Indië soms in geheele wouden aangetroffen wordt. Op Borneo wordt zij veel afgewisseld met de Nipah-palm.↑

3De Troessan is een natuurlijk verbindingskanaal tusschen de kleine Dajak en de Kahajan-rivieren. In dat kanaal monden vele soengei’s (riviertjes) uit en stellen zelfs gemeenschap met de zee daar. Door de lage gesteldheid des lands vormen die soengei’s een’ waren doolhof van waterwegen, die weer naar de Kahajan of Kapoeas leiden. De Troessan heeft aan de zijde der kleine Dajak een breedte van ongeveer 100 M. Deze breedte behoudt zij langen tijd, doch de Kahajan naderende, splitst zij zich bij een uitermate zwaren boom „bindjai” genaamd, in twee smalle takken, waarvan de noordelijkste geheel verzand is en de andere een ondiep, smal en kronkelend vaarwater oplevert.↑

3De Troessan is een natuurlijk verbindingskanaal tusschen de kleine Dajak en de Kahajan-rivieren. In dat kanaal monden vele soengei’s (riviertjes) uit en stellen zelfs gemeenschap met de zee daar. Door de lage gesteldheid des lands vormen die soengei’s een’ waren doolhof van waterwegen, die weer naar de Kahajan of Kapoeas leiden. De Troessan heeft aan de zijde der kleine Dajak een breedte van ongeveer 100 M. Deze breedte behoudt zij langen tijd, doch de Kahajan naderende, splitst zij zich bij een uitermate zwaren boom „bindjai” genaamd, in twee smalle takken, waarvan de noordelijkste geheel verzand is en de andere een ondiep, smal en kronkelend vaarwater oplevert.↑

4Mahatara—God. Heeft een broeder en eene zuster. Zie hier over de Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver, Uitgave van Joh. Noman en Zoon, Zalt-Bommel.↑

4Mahatara—God. Heeft een broeder en eene zuster. Zie hier over de Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver, Uitgave van Joh. Noman en Zoon, Zalt-Bommel.↑

5Reaal is een denkbeeldige munt bij de Dajaks, ter waarde van twee gulden.↑

5Reaal is een denkbeeldige munt bij de Dajaks, ter waarde van twee gulden.↑

6Op het oogenblik dat dit vel ter drukkerij gaat, twee en twintig jaren na het smartelijk gebeurde, ligt die schandzuil daar nog in den Doesson. De Nederlanders hebben nog de weinige guldens niet kunnen vinden voor eenige ponden kruit, om dat wrak uit den weg te ruimen.↑

6Op het oogenblik dat dit vel ter drukkerij gaat, twee en twintig jaren na het smartelijk gebeurde, ligt die schandzuil daar nog in den Doesson. De Nederlanders hebben nog de weinige guldens niet kunnen vinden voor eenige ponden kruit, om dat wrak uit den weg te ruimen.↑


Back to IndexNext