[Inhoud]XII.Vertrek van Mantangei.—„Petak bapoeti.”—Een nieuw soort van huwelijksgeschenk.—Borneo en Kalimantan.—Kotta Towana.—Een kop gesneld.—La Cueille gekwetst.—Gevecht met de koppensnellers.—La Cueille onder behandeling.—Een laatste salvo pijltjes.—Een nachtwaak.—Verkenning in den morgenstond.—Een begrafenisplechtigheid.Midden in den nacht waren de vluchtelingen van soengei Mantangei op reis gegaan en hadden zij stevig door geroeid. Zij waren nu reeds zeven etmalen onderweg. Het landschap rondom hen begon van karakter te veranderen en langzamerhand zijn alluviale eigendommelijkheid te verliezen. Nog wel niet geheel en al, want soms wisselden zeer zachte glooiingen en verhevenheden van den grond, die zich nog maar alleen door hare veranderde flora deden onderkennen, andermaal met uitgestrekte moerasgronden af, die eindeloos toeschenen, maar, welker grenzen toch bereikt werden.Hoe weinig de verheffing des bodems nog te beteekenen had, konden onze avonturiers afleiden uit het nog steeds regelmatig intreden van eb en vloed, die zich tot op dien aanmerkelijken afstand van de boorden der zee toch nog met zooveel kracht deed gevoelen, dat tweemaal daags de stroomdraad der rivier een tegenovergestelde richting aannam.De „riwoet haroesan” (adem des vloeds) werd evenwel[224]al lang niet meer waargenomen; zoover dringt het zeewater landwaarts niet in. Zelfs was het water ter hoogte waar de deserteurs zich thans bevonden, niet meer brak en bleef ten allen tijde drinkbaar. Het zou ook niet lang meer duren of de vloedstroom zou hen verlaten en zij slechts aan het periodiek rijzen van den waterspiegel en aan het verminderen van de sterkte van den ebstroom, zouden ontwaren, dat de vloed aan de kusten doorstond. En eindelijk, naarmate het terrein zal rijzen, zal ook dat verschijnsel gewijzigd worden, totdat de onverzwakte rivierstroom zal overblijven, tegen wier kracht zij te kampen zullen hebben.Het was zoo omstreeks het einde van „badjagi hai” (3 uur namiddag), toen de reizigers een plek bereikten, die bij de inboorlingen „petak bapoeti” (witte grond) genoemd wordt. Dit is een heuvelenrij van ongeveer veertig voet hoog, bestaande uit verblindend wit zand, niet ongelijk aan een duinenrij, die door den stroom zou zijn doorgebroken. Zelfs de helm ontbrak er niet; want op de hellingen bestaan uitgestrekte plekken met die grassoort of met een dergelijke begroeid. Hier heeft eenmaal de oceaan zijne wateren gerold en beukten zijne machtige golven die duinenrij. Een menigte schelpen worden in dat zand aangetroffen, maar van een geheel andere soort dan die in den kleiachtigen modder, die thans de zuidkust van Borneo omzoomt, gevonden wordt. Een andere omstandigheid, die pleit voor de stelling, dat eenmaal de zuidkust van het thans zoo groote eiland hier aangetroffen werd, is, dat aan de oevers van de Doesson, de Kahajan en de Mantawei rivieren, die met de Kapoeas nagenoeg evenwijdig stroomen, op dezelfde breedte ongeveer, dergelijke duinformatiën aangetroffen worden.Het was voor de Europeanen vooral een uitkomst, zich op dat droge duin wat te kunnen vertreden; want[225]voor hem, die er de gewoonte niet van heeft, is het dagen lang zitten in een prauw met gekruiste beenen uiterst vermoeiend. Zij stapten dan ook heen en weer met een ijver, die bewees, dat zij de achterstallige beweging wilden inhalen en hielden zich daarbij onledig met het plukken van donkerroode vruchten, niet ongelijk aan onze braambeziën, die daar op die droge plek in groote menigte voorkwamen en door hare frissche rinschheid een aangename versnapering aan hun eentonig maal toevoegde.Toen zij daar zoo omstreeks een uur gewandeld hadden, gaf Dalim het sein tot vertrek. Dat viel zeer tegen; want nu het eten daar bereid was geworden, was de hoop ontstaan, dat men het ook daar verorberd zou hebben en men ook verder daar verbleven zoude zijn; hetgeen het uitzicht op een aangename avondwandeling geopend had, alsook daarop dat men, in stede van in die wiegelende prauw, eens lekkertjes op vasten bodem zou hebben kunnen slapen. Maar Dalim had daar geen ooren naar.„We moeten, voor dat de nacht invalt, kotta Towanan bereiken,” beweerde hij.Nader verklaarde hij zich niet; evenwel vertelde hij, dat tepetak bapoetides nachts zooveel muskieten rondzwierven, dat, al gebruikte men nog zooveel brotoali, aan rusten niet te denken zou vallen. Het was, volgens zijn beweren, wel de plek waar de meeste muskieten van het geheele eiland Kalimantan bij elkander waren en zou dat aan de volgende omstandigheid te danken zijn:De zoon van Sultan Koening, den Djata- of krokodillenkoning van de Batang Moeroeng1, zou in het huwelijk[226]treden met de dochter van Anding Maling Goena, den krokodillenvorst van de Kapoeasrivier. Dithuwelijkzou bijpetak bapoetivoltrokken worden en de visschen, waterslangen, garnalen, kikvorschen en andere waterbewoners, aldaar verzameld om de plechtigheid bij te wonen en luister bij te zetten, hadden niets beters weten uit te denken, om hunne hulde te bewijzen, dan den jonggehuwden eenige honderden centenaars muskieten ten huwelijksgeschenk aan te bieden. Dit was dankbaar aangenomen, en de nakomelingen van die muskieten brengen nog steeds op indrukmakende wijze die gewichtige gebeurtenis in het geheugen van den reiziger terug, wiens kwaad gesternte hem hier voert om den nacht door te brengen.„Een raar huwelijkscadeau,” meende La Cueille, „je moet bepaald Dajak zijn om zoo iets te verzinnen. Mijne landslui zouden met zoo’n geschenk weinig gediend zijn.”„Wie weet,” lachte Johannes, „als de Walinnetjes eens de ondervinding opgedaan hadden, dat een vracht muskieten het beste middel is om zelfs den slaperigsten echtgenoot wakker te houden, of dan ook zij niet zoo’n geschenk zouden begeeren. Maar om het even, ik moet erkennen, dat het niet een der aardigste legenden van het Dajakland is.”„Ik hoorde Dalim van een eiland Kalimantan spreken. Wat is dat voor een eiland?” vroeg Wienersdorf.Johannes vertelde toen, dat het de inlandsche naam was van het eiland Borneo, dat de Europeesche benaming, een verbastering van het woord „Broenai”, slechts een heel klein gedeelte van het geheele eiland aanduidt, namelijk van een klein rijk aan de noordwestkust gelegen.„Heeft dat woord „Kalimantan” ook eenige beteekenis?”[227]„„Kalimantawa” is de Dajaksche naam van de doerian. Deze vrucht op Borneo is evenwel niet zoo ellipsvormig als die op Java aangetroffen wordt, maar is aan het benedeneinde eenigszins uitgezet en afgeplat. De overeenkomst van den vorm van het eiland met dien van die vrucht, zou aanleiding tot den naam „Kalimantan” gegeven hebben.”„Dat is geheel onmogelijk,” meende Wienersdorf. „Borneo is een der grootste eilanden der aarde en het nasporen van den omtrek van zulk een groot eiland, dat toch den vorm moet bepalen, vereischt een zekere mate van kundigheden en ontwikkeling, die bij geen volk in den Indischen archipel verondersteld kunnen worden.”Dalim boog zich tot Johannes en fluisterde hem iets in het oor.„Je kunt gelijk hebben,” hernam deze. „Dalim noemt mij daar de woorden „Kaliintan” (rivier der diamanten). Meer welluidend zal men dat vroeger „kalimintan” uitgesproken hebben, en zal het later tot „kalimantan”, volgens sommigen tot „kalimanten” verbasterd zijn. De uitlegging ligt voor de hand. Op Borneo worden, zoowel ter westkust als ter zuid- en oostkust, vele diamanten (intan) gevonden. Er zijn verscheidene plaatsen, die naar dat edelgesteente genoemd worden: Karangintan, Lokhintan, Djintan enz. Mij dunkt dat, vermits langs de oevers van vele rivieren diamanten gevonden werden, die riviertjeskaliintangenoemd werden en deze naam langzamerhand aan het geheele eiland is gegeven geworden.”Onder dergelijk gekout werd de tijd gekort en kwamen de reizigers in de nabijheid van kotta Towanan aan. Dat was een Dajaksche versterking, zooals zij in de binnenlanden van Borneo overal tot bescherming tegen de koppensnellers te vinden zijn. Deze[228]was evenwel in het begin van 1859 tegen de Nederlanders aangelegd. Haar vorm was die eener langwerpige vierkante redoute zonder uitspringende gedeelten; hare borstwering bestond uit stevige ijzerhouten palen van respektabele dikte en was van afstand tot afstand met „hampatongs” versierd. „Hampatongs” zijn levensgroote houten beelden, gewoonlijk Dajaksche strijders in alle mogelijke gevechtstoestanden voorstellende en meestal vrij goed gesneden, altijd in aanmerking genomen het volk, dat ze vervaardigt en van kunst niet veel begrip heeft.Verdedigd werd die sterkte nimmer. Toen het Nederlandsche stoomschip Montrado haar met zijn dertigponders naderde, sloeg der bezetting de schrik om het lijf en zocht zij haar heil in de vlucht.Op een korten afstand genaderd, evenwel nog door de laatste stroombuiging gedekt, raadde Dalim aan te leggen om de kotta eerst te verkennen, daar zij nog al eens tot schuilplaats verstrekt aan „bigal’s en „kajau’s” (rivier-roovers en koppensnellers). Hij, met Schlickeisen en La Cueille, steeg behoorlijk gewapend aan wal en drongen zij het bosch in, om die verkenning te maken. Zij bleven evenwel niet lang uit, maar brachten spoedig het bericht, dat de kotta verlaten bevonden was en dat zij niets, wat onraad kon aanwijzen, hadden opgemerkt.Aanvankelijk was het voornemen zich voor den nacht in de kotta in te richten. Allen hunkerden toch eens een gerusten slaap op den vasten bodem te genieten. Maar toen Wienersdorf den toestand van de versterking en het omliggend terrein opgenomen had, merkte hij op, dat, zoowel de voor- als achterflank bewaakt zoude moeten worden om tegen een overval beveiligd te zijn, daar in beide flanken openingen gevallen waren.[229]Hunne prauw, die alles bevatte wat waarde voor hen had, zoude ook bewaakt moeten worden, zoodat een zoodanige nachtdienst de krachten van het kleine troepje te boven ging en er nog bij kwam, dat niemand hunner den vorigen nacht ook maar een oogenblik gerust had. Er werd dan ook besloten in de prauw te blijven, dan was het voldoende, dat een hunner waakzaam bleef en konden de anderen een ongestoorde rust genieten. Toen de avond gevallen was, begonnen de Dajaks den eersten wachtdienst en zouden de Europeanen de nanachtswachturen voor hunne rekening nemen. Dat was nu wel de aangenaamste regeling niet, maar wel de zekerste, met de wetenschap, dat de inboorling een slecht waker is en vooral na middernacht zittende of staande, geheel onbewust insluimert.Toch zou van nachtrust niet veel komen; zij zou op vreeselijke wijze gestoord en voor de rest van den nacht geheel verijdeld worden.Het kon omstreeks negen uur des avonds zijn. De Europeanen hadden zich in hunne spreien gewikkeld en te slapen gelegd en de drie Dajaks zaten met elkander te fluisteren, toen Dalim de opmerking maakte, dat de voorraad brandhout te gering was, om het vuurtje, dat op den oever aangelegd was, ten einde een overzicht over het terrein te hebben, te onderhouden. Hij droeg een zijner makkers op, dien voorraad aan te vullen, hem daartoe een hoop dorre takken aanwijzende, dien hij over dag in de versterking opgemerkt had. Deze maakte hoegenaamd geen bezwaren, daar hij die takken ook gezien had en hij slechts weinige passen te doen had om ze te bereiken. De achterblijvenden zagen hem bij het schijnsel van het vuur, met zijn mandauw in de hand aan wal stappen en door den ingang der versterking verdwijnen, toen eensklaps[230]een hartverscheurende gil weerklonk, die het bloed der twee wachthebbenden schier deed verstijven en de Europeanen onmiddellijk, als met een tooverslag, op de been bracht. Wienersdorf en La Cueille hadden het eerst ieder een geweer gegrepen en sprongen aan wal. Dalim volgde hen op de hielen met den koppensneller in de vuist; de anderen tuurden scherp uit, met het geweer in den aanslag en den vinger aan den trekker. Behoedzaam en met gevelde bajonet drongen de beide eerstgenoemden den ingang der versterking binnen; maar Wienersdorf struikelde al dadelijk en viel, terwijl hij na zijn val een kreet van afgrijzen uitstiet. Dalim volgde onmiddellijk met een brandend stuk hout in de hand; en bij het zwakke schijnsel daarvan ontwaarden zij het lichaam van hunnen Dajakschen makker, echter hoofdeloos. Het lijk was volgens de regels der Dajaksche kunst behoorlijk gesneld; dat wil zeggen, dat met één slag van den vreeselijken mandauw het hoofd van den romp gescheiden was. In den regel geschiedt die daad zoo verbazend snel, dat in de meeste gevallen het slachtoffer de eeuwigheid instapt, geheel onbewust van het lot dat hem treft. Maar hier scheen de aangevallene in de laatste seconde inzicht in zijn toestand gehad te hebben, af te leiden uit den gil, dien hij geslaakt had. Ook scheen hij met de linkerhand zijn aanvaller nog gegrepen te hebben; want een stuk van een ewah bevond zich in die hand geklemd, terwijl de rechter nog den mandauw omsloten hield.Op weinige passen ter zijde van het lijk zag La Cueille iets in het gras trekken en bewegen. Hij bukte zich en greep er naar; maar stiet een kreet van afgrijzen uit en onmachtig om los te laten, wat hij gegrepen had, hief hij het hoofd van hun makker bij de haren op, dat in de laatste oogenblikken van den bangen[231]doodstrijd de oogen vreeselijk rolde en de kaken en lippen bewoog, alsof hij wat zeggen wilde. Op het zien van dat hoofd riep Dalim verschrikt uit, terwijl hij achteruit stoof:„Oendoer goeloeng goeloeng!” (spoedig terug).Die woorden waren hem nog niet van de lippen, toen een fluitend geluid waargenomen werd en La Cueille met een krassen Waalschen vloek uitgilde, dat hij gekwetst was. Hij bracht zonder den kop los te laten, het geweer in den aanslag; maar Dalim greep hem bij den arm en trok hem naar de prauw, terwijl Wienersdorf de achterhoede dekte en met zijn Remmingtongeweer eenige schoten in de dikke duisternis afgaf. Toen zij in den lichtkring van het vuur bij de prauw traden, meende LaCueillezich iets in de struiken aan den voet van de palissadeering der versterking te zien bewegen; hij rukte zich los van Dalim, wierp den nog bloedenden kop in de prauw en schoot zijn geweer in de richting dier struiken af. Dat schot werd beantwoord met een uittartend: „lēēēēh, lèlèlèlèlè ouiiiit!” en tegelijkertijd drongen eenige gedaanten met den mandauw in de vuist uit de duisternis in den lichtkring te voorschijn. Nu was het evenwel de beurt aan Johannes en Schlickeisen, die kalm in de prauw gebleven waren en het gunstig oogenblik bespiedden om handelend op te treden. Schlickeisen had het tweede Remmingtongeweer in handen; Wienersdorf en de Waal stelden zich in de nabijheid der prauw op, en nu weerklonk een geweervuur, dat de aanvallende Dajaks, die over het algemeen toch al geen helden zijn tegenover vuurwapenen, spoedig op de vlucht dreef. De twee eerste schoten van de twee Europeanen in de prauw waren daarbij afdoende geweest; want die, met alle bedaardheid afgegeven, hadden doel getroffen; men had althans twee der aanvallers zien ter aarde storten.[232]Toen niets meer ontwaard werd aan den oever, hield het vuren op en konden onze avonturiers tot verademing komen. La Cueille klaagde over pijn in den linkerarm. Toen Wienersdorf dien arm onderzocht, bleek het dat de Waal met een vergiftigd pijltje gekwetst was. Allen keken elkander bedrukt aan, want zooveel hadden zij wel van het pijlvergif vernomen, dat de vreeselijke uitwerking daarvan hun bekend was. Dalim greep een handvol keukenzout en wreef daarmede zoo krachtig het tandvleesch van den lijder in, dat zich een overvloedig bloederig speeksel ontlastte. Hij wilde ook de gekwetste plaats inwrijven, maar Wienersdorf stiet hem ter zijde, haalde een fleschje met ammonia liquida te voorschijn, maakte met zijn zakmes een vrij diepe kruissnee over het wondje en liet daarin eenige droppels van zijn alkali vallen. De Waal brulde van pijn, schreeuwde en wrong zich, terwijl hij niet zelden een vroom:„Sainte Vierge, priez pour moi!” afwisselde met een krachtigen Waalschen vloek.Bij al den ernst, dien de omstandigheden medebrachten, kon Johannes toch niet nalaten, La Cueille er op te wijzen, dat hij zijn rol van Arabier al heel aardig vergat en raadde hem aan een innig:„Lā ilāha illa—llāhoe” (Er is geen God dan Allah) te prevelen, in stede van zich tot de Heilige Maagd te wenden. De Waal voelde een innige minachting voor zijnen bruinen stamgenoot, maar had te veel pijn, om die te uiten. Na veel zuchten en klagen, viel hij in een diepen slaap, hetgeen door Dalim als een uiterst gunstig voorteeken werd aangemerkt.Dat voor de overigen aan geen rusten te denken viel, lag voor de hand. Zij wisten den vijand in de onmiddellijke nabijheid en zaten dan ook met het geweer in de hand en den vinger aan den trekker, achter het[233]prauwboord gedoken, den oever gade te slaan, van waar zij een vernieuwden aanval konden verwachten. Langen tijd bleef het rustig en trok niets bijzonders hunne aandacht, toen eensklaps achter hen op de rivier het bekende, maar toch steeds schrikkelijk:„Lēēēh lèlèlèlèlè ouiiiiit!” weerklonk en een hagelbui pijltjes over de prauw heen en onder de dakbedekking er van door floot. Toen de verdedigers zich haastig omkeerden, konden zij nog even een rangkan in den zwaren stroom te midden der rivier zien voorbijschieten, terwijl het uitdagend gegil bleef weerklinken. Zij hadden den tijd nog eenige schoten te lossen, die schenen hun doel niet gemist te hebben, want het uittartend geschreeuw verstomde plotseling en werd vervangen door kreten van smart, die nog geruimen tijd in de nachtelijke stilte weerklonken, langzamerhand verzwakten en eindelijk door den afstand niet meer waarneembaar waren.Op dien Dajakschen oorlogskreet en het daarop gevolgde schieten was La Cueille uiterst verschrikt uit zijn bedwelmenden slaap opgevlogen, had in de dikke duisternis in de prauw rondgetast en de hand gelegd op den bloedigen kop, dien hij zelf eenige uren te voren in de prauw geworpen had, maar wat hem nu in zijn ontsteltenis ontgaan was. In zijn buitensporigen angst en nog geheel onder den invloed van het zoo straks gebeurde, vermeende hij, dat zij overvallen en de koppensnellers aan boord waren en het bloedige werk reeds onder zijn makkers begonnen was. Gelukkig dat hij in dien overspannen toestand geen wapen in de nabijheid had, want bij de duisternis, die er heerschte, zou hij zeker groote onheilen hebben aangericht. In zijne onberedeneerde zucht tot zelfbehoud greep hij toch nog Johannes, dien hij niet herkennen kon, bij den nek en trachtte hem te[234]verworgen, totdat die, eindelijk driftig geworden, hem een paar muilperen toediende, uitroepende:„Die verduivelde Waal! hij legt het op mijn leven toe; de vent is razend.”Toen kwam La Cueille tot bezinning niet alleen, maar schoten ook Wienersdorf en Schlickeisen tot ontzet toe. Allen vermeenden, dat het een plotselinge uitbarsting van verstandsverbijstering was, door het pijlvergif veroorzaakt. Maar zoodra had de Waal zijn ontwaken verhaald, zijn vreeselijken angst, het grijpen van dien kop en wat daarbij in zijn brein was omgegaan, of allen barstten in een uitbundig gelach uit en feliciteerden den vreemdsoortigen koppensneller, die beangst geworden was voor den kop, dien hij zelf te huis had gebracht.„We zullen dien kop netjes voor je klaarmaken en poetsen,” zei Johannes, „dan kun je hem mee naar Jupille nemen. Als ex-voto zou hij onbetaalbaar prijken; toch moet ik je afraden hem daarvoor te bezigen. Wie weet hoe lief je de Walinnetjes zullen aankijken, als je je op Dajaksche wijze deklareert en de uitverkorene een bekkeneel aanbiedt.”Allen schaterden het uit over den uitval, behalve La Cueille, die van den schrik nog niet geheel bekomen was. Een flinke teug toeak hielp hem evenwel op streek.Na dergelijke gebeurtenissen viel aan slapen niet meer te denken; hoewel Dalim de verzekering gaf, dat nu niets meer te vreezen was, daar het troepje koppensnellers gevlucht was, en zij het waarschijnlijk waren, die in dien rangkan voorbij vloden. Dat woordje „waarschijnlijk” klonk evenwel onrustbarend in de ooren van allen; zekerheid bestond dus niet, en daarom werd dan ook maar besloten de uiterste voorzichtigheid te betrachten en de verschijning van Aurora met het geweer in de hand af te wachten. Waakzaam zijn en praten[235]kon echter zeer goed met elkander gaan; de tongen roerden zich dan ook op een wijze die bewees, dat de geschokte zenuwen nog lang niet in rust waren.„Dat gaat goed,” meende Schlickeisen, „in twee dagen tijd heeft onze kleine macht een verlies geleden van een doode en twee gekwetsten. Als dat zoo voortgaat naar mate wij de bovenlanden naderen, dan zullen er niet veel van ons overblijven om in het oude Europa te gaan verhalen, wat er van ons geworden is.”„Ah bah! dacht je dat we er zonder kleerscheuren zouden afkomen?” vroeg Johannes; „als de helft van ons de Chineesche zee bereikt, dan mag die—de helft bedoel ik, niet de zee—van geluk spreken. Eigenlijk is ons aller leventje geen enkel dubbeltje waard.”„Je bent nog al lollig met je voorstellingen,” lachte Wienersdorf.„Hij is net zoo lollig als zijn natuurlijke huid blank is,” gromde La Cueille. „Die nare Sienjo maakt iemand het leven nog onaangenamer dan het is. Al die verhalen en voorspellingen doen niets ter zake af en kunnen ook niets aan onzen toestand veranderen. Ze maken je maar ontijdig onlekker.”„Je moet het leven nemen zoo als het is en de toestanden onverschrokken onder de oogen durven zien. Zich illusiën scheppen leidt tot niets dan tot teleurstellingen. Ons steeds voorbereid houden op alle gebeurlijkheden, dat moet ons steeds voor oogen zweven; dan komen de rampen nimmer onverwacht. Maar zich muizenissen in ’t hoofd te halen, is ook onverstandig. Onze toestand is nog zoo heel erg niet; ’t is te betreuren dat we een onzer makkers verloren hebben, maar een geluk is het, dat geen van ons vieren gevallen is. Dat zou een ware ramp zijn. We zullen zien den ontbrekende te[236]vervangen; ja, ik denk er zelfs aan, onze macht uit te breiden, zoodra de gelegenheid zich daartoe zal voordoen. Want dat valt niet te ontveinzen, hoe verder we de binnenlanden zullen intrekken, hoe meer de gevaren zullen toenemen. Wat nu evenwel de gekwetsten betreft, dat heeft niet veel te beduiden. De boabeet van Wienersdorf is zoo goed als genezen en nu La Cueille nog niet dood is, kunnen we over dien speldenprik lachen. Wat heeft die Waal een spektakel gemaakt!” schaterde Johannes.„Nu ik nog niet dood ben. Je spreekt er gemakkelijk over,” pruttelde de betrokkene rillend bij de gedachte. „Was daar dan gevaar voor?”„Toen ik dat pijltje zag, gaf ik geen oortje voor je leven. Die dingen werken verbazend snel. Eerst wat beven, dan wat tandenknarsen, eindelijk wat verwarde taal en spektakel als van een lastigen dronkaard; daarmee is alles uit en dat nog wel binnen het half uur. Nu er al veel langer tijd verstreken is, behoef je je niet meer ongerust te maken.”De Waal deed een zucht van verlichting hooren.„Maar Wienersdorf,” vervolgde Johannes, „moet dat fleschje met dat stinkend goed zorgvuldig bewaren. Hij heeft daarmee wonderen verricht.”„Dalim beweert dat het keukenzout La Cueille gered heeft.”„Het mocht wat,” lachte Johannes, „ik heb den kommandant te Kwala Kapoeas veel proeven zien nemen met het pijlvergif, op honden, apen en kippen. De zoutproef mislukte altijd. Steeds stierven de gekwetste dieren. Werd daarentegen dat stinkende vocht gebezigd, dan genazen zij bijna allen.”Wienersdorf zat in gedachten verzonken met het hoofd in de hand.[237]„Het is me toch iets raadselachtigs,” sprak hij eindelijk, „hoe die kerels in die versterking gekomen zijn. We hadden haar en het omliggend terrein toch zoo goed verkend.”„Dat hadden we ook,” antwoordde Johannes, „maar je zult wel opgemerkt hebben, dat in de achterflank van de kotta een paar gaten in de palissadeering bestaan. Nu bevonden zich die kerels binnen de enceinte en hebben, waakzaam als ze zijn, ons zien aankomen. Niet wetende wie we waren en ook onbekend met onze getalsterkte, namen zij door die gaten onbemerkt de wijk naar de wildernis. Van toen af hebben ze ons geen oogenblik onbespied gelaten en toen we geloofden alleen ter plaatse te zijn, gluurden een aantal vurige oogen van achter struiken en boomstammen ons achterna. ’t Is zeer waarschijnlijk een geluk voor ons allen geweest, dat onze Dajaksche makker dat brandhout ging halen. Voor een echten koppensneller was die gelegenheid te schoon, om onbenut voorbij te laten gaan. Ware die daad uitgebleven, wie weet of zich dan niet de gelegenheid voorgedaan had, ons in den laten nacht te komen overvallen. Een geeuwerig oogenblik van een schildwacht, het onwillekeurig sluiten der oogen, al was het ook maar gedurende weinige seconden, zou de gewenschte gelegenheid hebben aangeboden en weest verzekerd, dat die speurhonden haar niet onbenut voorbij zouden hebben laten gaan.”„Waarom schreeuwde je toch zoo bij het binnentreden der kotta?” vroeg La Cueille aan Wienersdorf.„Wel, ik struikelde en viel zoo lang ik was op het onthoofde lijk, dat nog te stuiptrekken lag. Ik stak mijn rechterhand uit om me op te richten en sloeg die op den romp, waaruit het warme bloed met stralen sprong. Verduiveld! wat rilling me toen langs de ruggewervels[238]voer! Maar jij moet ook zoo iets gevoeld hebben, van wat ik ondervond, toen je dien grijnzenden kop te pakken kreegt. Maar,” wendde Wienersdorf zich tot Dalim, „waarom deedt ge ons teruggaan, toen La Cueille dien kop opstak?”„Omdat die kop mij het bewijs leverde, dat de kajau’s nog in de nabijheid waren. Niet dan hoogst zelden verlaat de koppensneller het terrein, zonder den gesnelden kop mede te nemen. Dan ook wist ik niet hoe sterk die troep was.”„Ik meende dat de kajau steeds zijn slachtoffer bij het haar grijpt en dan den noodlottigen slag toebragt. Hoe is het nu mogelijk geweest, dat die kop op den grond gerold is?”„Dat begrijp ik ook niet goed,” verzekerde de Dajak. „In den regel gaat dat grijpen bij het haar en het toebrengen van den slag zoo snel in zijn werk, dat het slachtoffer gewoonlijk niet weet wat met hem voorvalt en den tijd niet heeft, een gil te slaken. Ge moet niet vergeten, dat de koppensneller, zorgvuldig achter struik of boomstam verscholen, zijn prooi onverwachts bespringt. En de behendigheid dier menschen is zóó groot, dat uiterst zelden een tweede slag noodig is, om het hoofd van den romp te scheiden. Er hebben zich gevallen van vlugheid voorgedaan, waar het slachtoffer nog eenige passen met zwaaiende armen voortliep, nadat de bloedige scheiding had plaats gegrepen en dan eerst nederstortte. Bij mijn makker schijnt het niet zoo snel toegegaan te zijn; hij heeft nog den tijd gehad te schreeuwen; bij een laatste poging tot zelfbehoud heeft hij nog getracht zijn bespringer te grijpen en hem waarschijnlijk een slag met zijn mandauw toegebracht. Bij die kortstondige worsteling heeft deze laatste den kop laten glippen op het oogenblik, dat wij door de[239]deur drongen. Dat de kajau’s in onze nabijheid waren, bewezen de pijltjes, die op ons afgezonden werden. Onze Sjech weet daar meer van te vertellen, niet waar?”„Ge zegt, dat uiterst zelden een tweede slag noodig is, om den kop van den romp te scheiden,” sprak Wienersdorf, „die behendigheid is toch merkwaardig. Hoe vaak toch is het in Europa niet in vroegere eeuwen gebeurd, dat bij terechtstellingen de beul herhaaldelijk moest toeslaan. Wanneer de executie met het zwaard plaats had, kwam dat zelfs dikwijls voor; toen de bijl en het blok gebezigd werden, vond het nog plaats, en er zijn zelfs gevallen bij het guillotineeren voorgekomen, dat de valbijl voor de tweede maal omhoog moest gehaald worden, om het slachtoffer af te maken.”„De Dajaksche jongelingen in de bovenlanden oefenen zich geregeld in het koppensnellen,” verklaarde Dalim. „Eerst plaatsen zij een klapperdop op een dunnen staak en is het voor het kind een behendig stuk dien staak vlak onder de noot, zonder deze te beschadigen, door te houwen; later, als zij meer kracht bekomen hebben, wordt de staak vervangen door een pop ter grootte van een veertienjarigen knaap, met een nekstuk van zacht maar toch veerkrachtig handjolotong2hout, en om de illusie te volmaken, wordt de klappernoot met een pruik versierd, vervaardigd van de vezels van den arengpalm, die, wanneer zij goed toebereid zijn, wel wat overeenkomst hebben met het sluike haar van de menschen van dit land. Van daar die groote bedrevenheid. Op lateren leeftijd onderhouden zij die, door ijverig aan sneltochten deel te nemen.”[240]„Ik moet er nog bijvoegen,” vervolgde Johannes de toelichting, „dat de Dajaks, zelfs die van de benedenlanden, zonder die oefening een buitengewone behendigheid bezitten in het hanteeren van den mandauw. Ik heb het te Kwala Kapoeas bijgewoond, dat in tegenwoordigheid van den kommandant iedere Dajak, hoe zwak zijn voorkomen ook was, een rijpe, doch nog groene klappernoot telkenmale en zonder eenige inspanning over dwars in tweeën sloeg, zoodanig, dat beide helften behoorlijk gescheiden waren. Geen Europeaan, hoe stevig ook, en welke kracht hij ook aanwendde, kon het verder brengen dan tot op de houtschaal der noot. De vezelige bast had den slag gebroken.”„Het blijft het oude liedje: „pas op je kop”,” mompelde La Cueille; „ik wou dat ik in mijn België gebleven was.O Belgique! o Belgique! mes amours, tu auras toujours,” neuriede hij.„Een rare instelling toch,” vervolgde Schlickeisen, „zijn meisje menschenkoppen aan te bieden.”„Zeker heel raar, maar toch een, waarvan de grond wel te raden is,” antwoordde Johannes. „Aanvankelijk zal het wel geweest zijn, dat de aanstaande een bewijs zijner dapperheid moest geven als waarborg, dat hij zijn vrouw en kroost zou weten te beschermen. En het beste bewijs, dat hij in die oorspronkelijke maatschappij van die dapperheid kon leveren, was wel het hoofd van een door hem gevelden vijand. Later is dat verbasterd en zijn de schedels tot weeldeartikelen geworden, die tot afschuwelijke sluipmoorden, somtijds van vrouwen en kinderen, en tot een afzichtelijken handel aanleiding geven. Zoodat een instelling, die met goede bedoelingen in het leven werd geroepen, tot een vloek van de geheele bevolking van een der grootste eilanden der aarde geworden is.”[241]„Maar in de benedenstreken, kan toch die gruwel niet meer plaats hebben, niet waar?” vroeg Wienersdorf aan Dalim.„We durven niet,” antwoordde deze, „de Hollanders willen het niet hebben.”„Dus alleen omdat die het verbieden, laat men het. Vindt ge dan het koppensnellen niet een afschuwelijk bedrijf?”„Tawèh! angat, kamaangkoe hirah,” (Wie zal dat uitmaken! volgens mijne opvatting wel mogelijk), was het flegmatieke antwoord, hetwelk bewees, dat de overtuiging van die afschuwelijkheid hier nog geen ingang gevonden had.Onder dergelijke gesprekken kropen de nachtelijke uren om, en verscheen eindelijk de dageraad, die door onze vrienden met een zucht van verlichting begroet werd. Toen het geheel dag was geworden, werd de kotta met alle behoedzaamheid verkend en vonden de veldontdekkers daarin niets dan het onthoofde lijk huns makkers. Op een geringen afstand daarvan lag een kleine plas bloed; maar die kon even goed van het afgehouwen hoofd als van een der koppensnellers afkomstig zijn. Bij de palissadeering evenwel werden ook bloeddroppels waargenomen, terwijl bij een der openingen op het paalwerk bloedige vingers afgedrukt stonden. Het was dus niet te gewaagd aan te nemen, dat de bespringers ook verliezen hadden, maar toch was er eenige teleurstelling op de gezichten der Zwitsers te lezen, omdat zij geene lijken van gevallen vijanden vonden.„Zouden die canailles er zonder kleerscheuren afgekomen zijn?” vroeg Schlickeisen niet zonder ergernis.„Neen zeker niet,” antwoordde Johannes eenigszins met drift, „dat bewijzen de bloedsporen die, ik zag het zoo even, tot aan den rivierkant, waar de kajau’s in[242]hun rangkan gestegen zijn, gevolgd kunnen worden. We moeten het terrein nog wat nader onderzoeken. Er valt evenwel te bedenken, dat het bij alle inboorlingen van Nederlandsch Indië tot een groote schande gerekend wordt, de lijken hunner gevallen wapenbroeders in de handen der vijanden achter te laten. Zoo het maar eenigszins mogelijk is, worden die steeds meegevoerd.”Toen de kotta onderzocht was, traden de deserteurs door een der openingen naar buiten, maar zochten lang te vergeefs in den omtrek. Eindelijk evenwel bij een zeer dichten struik, werd een plek waargenomen, waar het spichtige gras over eenige uitgestrektheid plat gedrukt was, alsof daar een menschelijk wezen gerust had. Toen Schlickeisen zich met het hakmes een doortocht tusschen de slinger- en doorngewassen tot het dichtste gedeelte van den struik gebaand had, zag hij daar twee lijken liggen, gekleed in vollen oorlogstooi, met den „karoenkoeng”, een maliënkolder van rottanschakels aan, met het mutsje van apenvel op het hoofd, in de linkerhand het beschermend schild, en in de andere den ontblooten mandauw geklemd. Volgens Dalim waren het Poenan’s, een Dajaksche stam, die in de binnenlanden van Borneo bij de bronnen van de Kahajan-Doesson- en Koetei-rivieren te huis hoort. Die stam is berucht door de stoutheid zijner tochten tot het verwerven van koppen. Beide mannen, die door geweerkogels geveld waren, hadden reeds verscheidene levensdraden afgesneden, te oordeelen naar de vlokken menschenhaar, die de grepen en scheeden hunner mandauws versierden. Het waren nog jonge kerels; maar Dalim verzekerde toch, dat de eene reeds vier en de andere zeven koppen had gesneld. Dit bleek uit het aantal bandjes van rooden rottan die de mandauwscheeden omwoelden.De beide Dajaksche tochtgenooten eigenden zich de[243]wapenen en de maliënkolders van de verslagenen toe en ploften daarna hunne lijken in de rivier, als een offer aan Djata, den opperkoning der krokodillen. Hun gesneuvelden makker waschten zij behoorlijk, beschilderden hem het voorhoofd en de nagels met sirihspuug, bij gebrek aan eenige andere verfstof, waarna zij met behulp der Europeanen een graf dolven en hem daarin legden. Zij plaatsten het hoofd op den romp, gaven het lijk den mandauw in de hand en legden zijn lans naast hem in den kuil. Toen zij daarmede klaar waren, nam ieder hunner een handvol rauwe rijst, strooiden die op het lichaam onder het uitspreken der woorden:„Djetoh akam” (dat is voor u).Vervolgens strooiden zij een tweede handvol, zeggende:„Djetoh impahitkoe” (dat zend ik aan mijne voorvaderen).En eindelijk nog een derde, waarbij zij prevelden:„Djetoh akau X X” (dit is voor X X), waarbij zij de namen noemden hunner bloedverwanten, die het laatst gestorven waren.Dat rijststrooien heet „mambowor” en mag bij begrafenissen nimmer achterwege gelaten worden. Na die plechtigheid hieven de beide makkers van den overledene een doordringend gegil aan, dat „tatoem” (de dooden beweenen) genoemd wordt, waarna zij het graf vulden. Om lijkschennis te voorkomen, hadden zij tot grafplaats een kleine plek tusschen dicht ineen gegroeide struiken uitgekozen, en eerst de graszoden daarvan zorgvuldig uitgestoken en zonder ze te beschadigen behoedzaam op zijde gelegd. Vervolgens hadden zij de uitgedolven aarde op een sprei verzameld, daarbij zorg dragende, dat geen kluitje daarnaast viel. Bij het vullen van den grafkuil trapten zij de aarde vast aan, plantten vervolgens een paar struikjes er op en herplaatsten[244]toen de zoden zoo nauwkeurig, dat het meest scherpziend oog niet kon ontwaren, waar de schop hare groeve ingesneden had. De overtollige aarde, op de sprei achtergebleven, werd met angstvalligheid in de rivier geworpen en het geheele graf rijkelijk met water besproeid, om verwelking der graszoden en der geplante struiken te voorkomen.Toen dat alles afgeloopen was, bestegen de vluchtelingen hunne prauw, sloegen de pagaaien met kracht in het water en verlieten die plek, die hun zoo noodlottig had kunnen worden.[245]1Batang Moeroeng is de naam van den westelijken arm van de Doesson, van Moeara Poeloe af, waar die rivier zich in twee takken splitst, tot aan zee. Bij de Europeanen heet die arm Kleine Dajakrivier.↑2Zie over dezen boom de noot op bladz.211. Er kan hier nog bijgevoegd worden, dat dit hout bij voorkeur tot het beschreven doel gebezigd wordt omdat het door zijn kurkachtigheid het meest overeenkomt met het nekweefsel.↑
[Inhoud]XII.Vertrek van Mantangei.—„Petak bapoeti.”—Een nieuw soort van huwelijksgeschenk.—Borneo en Kalimantan.—Kotta Towana.—Een kop gesneld.—La Cueille gekwetst.—Gevecht met de koppensnellers.—La Cueille onder behandeling.—Een laatste salvo pijltjes.—Een nachtwaak.—Verkenning in den morgenstond.—Een begrafenisplechtigheid.Midden in den nacht waren de vluchtelingen van soengei Mantangei op reis gegaan en hadden zij stevig door geroeid. Zij waren nu reeds zeven etmalen onderweg. Het landschap rondom hen begon van karakter te veranderen en langzamerhand zijn alluviale eigendommelijkheid te verliezen. Nog wel niet geheel en al, want soms wisselden zeer zachte glooiingen en verhevenheden van den grond, die zich nog maar alleen door hare veranderde flora deden onderkennen, andermaal met uitgestrekte moerasgronden af, die eindeloos toeschenen, maar, welker grenzen toch bereikt werden.Hoe weinig de verheffing des bodems nog te beteekenen had, konden onze avonturiers afleiden uit het nog steeds regelmatig intreden van eb en vloed, die zich tot op dien aanmerkelijken afstand van de boorden der zee toch nog met zooveel kracht deed gevoelen, dat tweemaal daags de stroomdraad der rivier een tegenovergestelde richting aannam.De „riwoet haroesan” (adem des vloeds) werd evenwel[224]al lang niet meer waargenomen; zoover dringt het zeewater landwaarts niet in. Zelfs was het water ter hoogte waar de deserteurs zich thans bevonden, niet meer brak en bleef ten allen tijde drinkbaar. Het zou ook niet lang meer duren of de vloedstroom zou hen verlaten en zij slechts aan het periodiek rijzen van den waterspiegel en aan het verminderen van de sterkte van den ebstroom, zouden ontwaren, dat de vloed aan de kusten doorstond. En eindelijk, naarmate het terrein zal rijzen, zal ook dat verschijnsel gewijzigd worden, totdat de onverzwakte rivierstroom zal overblijven, tegen wier kracht zij te kampen zullen hebben.Het was zoo omstreeks het einde van „badjagi hai” (3 uur namiddag), toen de reizigers een plek bereikten, die bij de inboorlingen „petak bapoeti” (witte grond) genoemd wordt. Dit is een heuvelenrij van ongeveer veertig voet hoog, bestaande uit verblindend wit zand, niet ongelijk aan een duinenrij, die door den stroom zou zijn doorgebroken. Zelfs de helm ontbrak er niet; want op de hellingen bestaan uitgestrekte plekken met die grassoort of met een dergelijke begroeid. Hier heeft eenmaal de oceaan zijne wateren gerold en beukten zijne machtige golven die duinenrij. Een menigte schelpen worden in dat zand aangetroffen, maar van een geheel andere soort dan die in den kleiachtigen modder, die thans de zuidkust van Borneo omzoomt, gevonden wordt. Een andere omstandigheid, die pleit voor de stelling, dat eenmaal de zuidkust van het thans zoo groote eiland hier aangetroffen werd, is, dat aan de oevers van de Doesson, de Kahajan en de Mantawei rivieren, die met de Kapoeas nagenoeg evenwijdig stroomen, op dezelfde breedte ongeveer, dergelijke duinformatiën aangetroffen worden.Het was voor de Europeanen vooral een uitkomst, zich op dat droge duin wat te kunnen vertreden; want[225]voor hem, die er de gewoonte niet van heeft, is het dagen lang zitten in een prauw met gekruiste beenen uiterst vermoeiend. Zij stapten dan ook heen en weer met een ijver, die bewees, dat zij de achterstallige beweging wilden inhalen en hielden zich daarbij onledig met het plukken van donkerroode vruchten, niet ongelijk aan onze braambeziën, die daar op die droge plek in groote menigte voorkwamen en door hare frissche rinschheid een aangename versnapering aan hun eentonig maal toevoegde.Toen zij daar zoo omstreeks een uur gewandeld hadden, gaf Dalim het sein tot vertrek. Dat viel zeer tegen; want nu het eten daar bereid was geworden, was de hoop ontstaan, dat men het ook daar verorberd zou hebben en men ook verder daar verbleven zoude zijn; hetgeen het uitzicht op een aangename avondwandeling geopend had, alsook daarop dat men, in stede van in die wiegelende prauw, eens lekkertjes op vasten bodem zou hebben kunnen slapen. Maar Dalim had daar geen ooren naar.„We moeten, voor dat de nacht invalt, kotta Towanan bereiken,” beweerde hij.Nader verklaarde hij zich niet; evenwel vertelde hij, dat tepetak bapoetides nachts zooveel muskieten rondzwierven, dat, al gebruikte men nog zooveel brotoali, aan rusten niet te denken zou vallen. Het was, volgens zijn beweren, wel de plek waar de meeste muskieten van het geheele eiland Kalimantan bij elkander waren en zou dat aan de volgende omstandigheid te danken zijn:De zoon van Sultan Koening, den Djata- of krokodillenkoning van de Batang Moeroeng1, zou in het huwelijk[226]treden met de dochter van Anding Maling Goena, den krokodillenvorst van de Kapoeasrivier. Dithuwelijkzou bijpetak bapoetivoltrokken worden en de visschen, waterslangen, garnalen, kikvorschen en andere waterbewoners, aldaar verzameld om de plechtigheid bij te wonen en luister bij te zetten, hadden niets beters weten uit te denken, om hunne hulde te bewijzen, dan den jonggehuwden eenige honderden centenaars muskieten ten huwelijksgeschenk aan te bieden. Dit was dankbaar aangenomen, en de nakomelingen van die muskieten brengen nog steeds op indrukmakende wijze die gewichtige gebeurtenis in het geheugen van den reiziger terug, wiens kwaad gesternte hem hier voert om den nacht door te brengen.„Een raar huwelijkscadeau,” meende La Cueille, „je moet bepaald Dajak zijn om zoo iets te verzinnen. Mijne landslui zouden met zoo’n geschenk weinig gediend zijn.”„Wie weet,” lachte Johannes, „als de Walinnetjes eens de ondervinding opgedaan hadden, dat een vracht muskieten het beste middel is om zelfs den slaperigsten echtgenoot wakker te houden, of dan ook zij niet zoo’n geschenk zouden begeeren. Maar om het even, ik moet erkennen, dat het niet een der aardigste legenden van het Dajakland is.”„Ik hoorde Dalim van een eiland Kalimantan spreken. Wat is dat voor een eiland?” vroeg Wienersdorf.Johannes vertelde toen, dat het de inlandsche naam was van het eiland Borneo, dat de Europeesche benaming, een verbastering van het woord „Broenai”, slechts een heel klein gedeelte van het geheele eiland aanduidt, namelijk van een klein rijk aan de noordwestkust gelegen.„Heeft dat woord „Kalimantan” ook eenige beteekenis?”[227]„„Kalimantawa” is de Dajaksche naam van de doerian. Deze vrucht op Borneo is evenwel niet zoo ellipsvormig als die op Java aangetroffen wordt, maar is aan het benedeneinde eenigszins uitgezet en afgeplat. De overeenkomst van den vorm van het eiland met dien van die vrucht, zou aanleiding tot den naam „Kalimantan” gegeven hebben.”„Dat is geheel onmogelijk,” meende Wienersdorf. „Borneo is een der grootste eilanden der aarde en het nasporen van den omtrek van zulk een groot eiland, dat toch den vorm moet bepalen, vereischt een zekere mate van kundigheden en ontwikkeling, die bij geen volk in den Indischen archipel verondersteld kunnen worden.”Dalim boog zich tot Johannes en fluisterde hem iets in het oor.„Je kunt gelijk hebben,” hernam deze. „Dalim noemt mij daar de woorden „Kaliintan” (rivier der diamanten). Meer welluidend zal men dat vroeger „kalimintan” uitgesproken hebben, en zal het later tot „kalimantan”, volgens sommigen tot „kalimanten” verbasterd zijn. De uitlegging ligt voor de hand. Op Borneo worden, zoowel ter westkust als ter zuid- en oostkust, vele diamanten (intan) gevonden. Er zijn verscheidene plaatsen, die naar dat edelgesteente genoemd worden: Karangintan, Lokhintan, Djintan enz. Mij dunkt dat, vermits langs de oevers van vele rivieren diamanten gevonden werden, die riviertjeskaliintangenoemd werden en deze naam langzamerhand aan het geheele eiland is gegeven geworden.”Onder dergelijk gekout werd de tijd gekort en kwamen de reizigers in de nabijheid van kotta Towanan aan. Dat was een Dajaksche versterking, zooals zij in de binnenlanden van Borneo overal tot bescherming tegen de koppensnellers te vinden zijn. Deze[228]was evenwel in het begin van 1859 tegen de Nederlanders aangelegd. Haar vorm was die eener langwerpige vierkante redoute zonder uitspringende gedeelten; hare borstwering bestond uit stevige ijzerhouten palen van respektabele dikte en was van afstand tot afstand met „hampatongs” versierd. „Hampatongs” zijn levensgroote houten beelden, gewoonlijk Dajaksche strijders in alle mogelijke gevechtstoestanden voorstellende en meestal vrij goed gesneden, altijd in aanmerking genomen het volk, dat ze vervaardigt en van kunst niet veel begrip heeft.Verdedigd werd die sterkte nimmer. Toen het Nederlandsche stoomschip Montrado haar met zijn dertigponders naderde, sloeg der bezetting de schrik om het lijf en zocht zij haar heil in de vlucht.Op een korten afstand genaderd, evenwel nog door de laatste stroombuiging gedekt, raadde Dalim aan te leggen om de kotta eerst te verkennen, daar zij nog al eens tot schuilplaats verstrekt aan „bigal’s en „kajau’s” (rivier-roovers en koppensnellers). Hij, met Schlickeisen en La Cueille, steeg behoorlijk gewapend aan wal en drongen zij het bosch in, om die verkenning te maken. Zij bleven evenwel niet lang uit, maar brachten spoedig het bericht, dat de kotta verlaten bevonden was en dat zij niets, wat onraad kon aanwijzen, hadden opgemerkt.Aanvankelijk was het voornemen zich voor den nacht in de kotta in te richten. Allen hunkerden toch eens een gerusten slaap op den vasten bodem te genieten. Maar toen Wienersdorf den toestand van de versterking en het omliggend terrein opgenomen had, merkte hij op, dat, zoowel de voor- als achterflank bewaakt zoude moeten worden om tegen een overval beveiligd te zijn, daar in beide flanken openingen gevallen waren.[229]Hunne prauw, die alles bevatte wat waarde voor hen had, zoude ook bewaakt moeten worden, zoodat een zoodanige nachtdienst de krachten van het kleine troepje te boven ging en er nog bij kwam, dat niemand hunner den vorigen nacht ook maar een oogenblik gerust had. Er werd dan ook besloten in de prauw te blijven, dan was het voldoende, dat een hunner waakzaam bleef en konden de anderen een ongestoorde rust genieten. Toen de avond gevallen was, begonnen de Dajaks den eersten wachtdienst en zouden de Europeanen de nanachtswachturen voor hunne rekening nemen. Dat was nu wel de aangenaamste regeling niet, maar wel de zekerste, met de wetenschap, dat de inboorling een slecht waker is en vooral na middernacht zittende of staande, geheel onbewust insluimert.Toch zou van nachtrust niet veel komen; zij zou op vreeselijke wijze gestoord en voor de rest van den nacht geheel verijdeld worden.Het kon omstreeks negen uur des avonds zijn. De Europeanen hadden zich in hunne spreien gewikkeld en te slapen gelegd en de drie Dajaks zaten met elkander te fluisteren, toen Dalim de opmerking maakte, dat de voorraad brandhout te gering was, om het vuurtje, dat op den oever aangelegd was, ten einde een overzicht over het terrein te hebben, te onderhouden. Hij droeg een zijner makkers op, dien voorraad aan te vullen, hem daartoe een hoop dorre takken aanwijzende, dien hij over dag in de versterking opgemerkt had. Deze maakte hoegenaamd geen bezwaren, daar hij die takken ook gezien had en hij slechts weinige passen te doen had om ze te bereiken. De achterblijvenden zagen hem bij het schijnsel van het vuur, met zijn mandauw in de hand aan wal stappen en door den ingang der versterking verdwijnen, toen eensklaps[230]een hartverscheurende gil weerklonk, die het bloed der twee wachthebbenden schier deed verstijven en de Europeanen onmiddellijk, als met een tooverslag, op de been bracht. Wienersdorf en La Cueille hadden het eerst ieder een geweer gegrepen en sprongen aan wal. Dalim volgde hen op de hielen met den koppensneller in de vuist; de anderen tuurden scherp uit, met het geweer in den aanslag en den vinger aan den trekker. Behoedzaam en met gevelde bajonet drongen de beide eerstgenoemden den ingang der versterking binnen; maar Wienersdorf struikelde al dadelijk en viel, terwijl hij na zijn val een kreet van afgrijzen uitstiet. Dalim volgde onmiddellijk met een brandend stuk hout in de hand; en bij het zwakke schijnsel daarvan ontwaarden zij het lichaam van hunnen Dajakschen makker, echter hoofdeloos. Het lijk was volgens de regels der Dajaksche kunst behoorlijk gesneld; dat wil zeggen, dat met één slag van den vreeselijken mandauw het hoofd van den romp gescheiden was. In den regel geschiedt die daad zoo verbazend snel, dat in de meeste gevallen het slachtoffer de eeuwigheid instapt, geheel onbewust van het lot dat hem treft. Maar hier scheen de aangevallene in de laatste seconde inzicht in zijn toestand gehad te hebben, af te leiden uit den gil, dien hij geslaakt had. Ook scheen hij met de linkerhand zijn aanvaller nog gegrepen te hebben; want een stuk van een ewah bevond zich in die hand geklemd, terwijl de rechter nog den mandauw omsloten hield.Op weinige passen ter zijde van het lijk zag La Cueille iets in het gras trekken en bewegen. Hij bukte zich en greep er naar; maar stiet een kreet van afgrijzen uit en onmachtig om los te laten, wat hij gegrepen had, hief hij het hoofd van hun makker bij de haren op, dat in de laatste oogenblikken van den bangen[231]doodstrijd de oogen vreeselijk rolde en de kaken en lippen bewoog, alsof hij wat zeggen wilde. Op het zien van dat hoofd riep Dalim verschrikt uit, terwijl hij achteruit stoof:„Oendoer goeloeng goeloeng!” (spoedig terug).Die woorden waren hem nog niet van de lippen, toen een fluitend geluid waargenomen werd en La Cueille met een krassen Waalschen vloek uitgilde, dat hij gekwetst was. Hij bracht zonder den kop los te laten, het geweer in den aanslag; maar Dalim greep hem bij den arm en trok hem naar de prauw, terwijl Wienersdorf de achterhoede dekte en met zijn Remmingtongeweer eenige schoten in de dikke duisternis afgaf. Toen zij in den lichtkring van het vuur bij de prauw traden, meende LaCueillezich iets in de struiken aan den voet van de palissadeering der versterking te zien bewegen; hij rukte zich los van Dalim, wierp den nog bloedenden kop in de prauw en schoot zijn geweer in de richting dier struiken af. Dat schot werd beantwoord met een uittartend: „lēēēēh, lèlèlèlèlè ouiiiit!” en tegelijkertijd drongen eenige gedaanten met den mandauw in de vuist uit de duisternis in den lichtkring te voorschijn. Nu was het evenwel de beurt aan Johannes en Schlickeisen, die kalm in de prauw gebleven waren en het gunstig oogenblik bespiedden om handelend op te treden. Schlickeisen had het tweede Remmingtongeweer in handen; Wienersdorf en de Waal stelden zich in de nabijheid der prauw op, en nu weerklonk een geweervuur, dat de aanvallende Dajaks, die over het algemeen toch al geen helden zijn tegenover vuurwapenen, spoedig op de vlucht dreef. De twee eerste schoten van de twee Europeanen in de prauw waren daarbij afdoende geweest; want die, met alle bedaardheid afgegeven, hadden doel getroffen; men had althans twee der aanvallers zien ter aarde storten.[232]Toen niets meer ontwaard werd aan den oever, hield het vuren op en konden onze avonturiers tot verademing komen. La Cueille klaagde over pijn in den linkerarm. Toen Wienersdorf dien arm onderzocht, bleek het dat de Waal met een vergiftigd pijltje gekwetst was. Allen keken elkander bedrukt aan, want zooveel hadden zij wel van het pijlvergif vernomen, dat de vreeselijke uitwerking daarvan hun bekend was. Dalim greep een handvol keukenzout en wreef daarmede zoo krachtig het tandvleesch van den lijder in, dat zich een overvloedig bloederig speeksel ontlastte. Hij wilde ook de gekwetste plaats inwrijven, maar Wienersdorf stiet hem ter zijde, haalde een fleschje met ammonia liquida te voorschijn, maakte met zijn zakmes een vrij diepe kruissnee over het wondje en liet daarin eenige droppels van zijn alkali vallen. De Waal brulde van pijn, schreeuwde en wrong zich, terwijl hij niet zelden een vroom:„Sainte Vierge, priez pour moi!” afwisselde met een krachtigen Waalschen vloek.Bij al den ernst, dien de omstandigheden medebrachten, kon Johannes toch niet nalaten, La Cueille er op te wijzen, dat hij zijn rol van Arabier al heel aardig vergat en raadde hem aan een innig:„Lā ilāha illa—llāhoe” (Er is geen God dan Allah) te prevelen, in stede van zich tot de Heilige Maagd te wenden. De Waal voelde een innige minachting voor zijnen bruinen stamgenoot, maar had te veel pijn, om die te uiten. Na veel zuchten en klagen, viel hij in een diepen slaap, hetgeen door Dalim als een uiterst gunstig voorteeken werd aangemerkt.Dat voor de overigen aan geen rusten te denken viel, lag voor de hand. Zij wisten den vijand in de onmiddellijke nabijheid en zaten dan ook met het geweer in de hand en den vinger aan den trekker, achter het[233]prauwboord gedoken, den oever gade te slaan, van waar zij een vernieuwden aanval konden verwachten. Langen tijd bleef het rustig en trok niets bijzonders hunne aandacht, toen eensklaps achter hen op de rivier het bekende, maar toch steeds schrikkelijk:„Lēēēh lèlèlèlèlè ouiiiiit!” weerklonk en een hagelbui pijltjes over de prauw heen en onder de dakbedekking er van door floot. Toen de verdedigers zich haastig omkeerden, konden zij nog even een rangkan in den zwaren stroom te midden der rivier zien voorbijschieten, terwijl het uitdagend gegil bleef weerklinken. Zij hadden den tijd nog eenige schoten te lossen, die schenen hun doel niet gemist te hebben, want het uittartend geschreeuw verstomde plotseling en werd vervangen door kreten van smart, die nog geruimen tijd in de nachtelijke stilte weerklonken, langzamerhand verzwakten en eindelijk door den afstand niet meer waarneembaar waren.Op dien Dajakschen oorlogskreet en het daarop gevolgde schieten was La Cueille uiterst verschrikt uit zijn bedwelmenden slaap opgevlogen, had in de dikke duisternis in de prauw rondgetast en de hand gelegd op den bloedigen kop, dien hij zelf eenige uren te voren in de prauw geworpen had, maar wat hem nu in zijn ontsteltenis ontgaan was. In zijn buitensporigen angst en nog geheel onder den invloed van het zoo straks gebeurde, vermeende hij, dat zij overvallen en de koppensnellers aan boord waren en het bloedige werk reeds onder zijn makkers begonnen was. Gelukkig dat hij in dien overspannen toestand geen wapen in de nabijheid had, want bij de duisternis, die er heerschte, zou hij zeker groote onheilen hebben aangericht. In zijne onberedeneerde zucht tot zelfbehoud greep hij toch nog Johannes, dien hij niet herkennen kon, bij den nek en trachtte hem te[234]verworgen, totdat die, eindelijk driftig geworden, hem een paar muilperen toediende, uitroepende:„Die verduivelde Waal! hij legt het op mijn leven toe; de vent is razend.”Toen kwam La Cueille tot bezinning niet alleen, maar schoten ook Wienersdorf en Schlickeisen tot ontzet toe. Allen vermeenden, dat het een plotselinge uitbarsting van verstandsverbijstering was, door het pijlvergif veroorzaakt. Maar zoodra had de Waal zijn ontwaken verhaald, zijn vreeselijken angst, het grijpen van dien kop en wat daarbij in zijn brein was omgegaan, of allen barstten in een uitbundig gelach uit en feliciteerden den vreemdsoortigen koppensneller, die beangst geworden was voor den kop, dien hij zelf te huis had gebracht.„We zullen dien kop netjes voor je klaarmaken en poetsen,” zei Johannes, „dan kun je hem mee naar Jupille nemen. Als ex-voto zou hij onbetaalbaar prijken; toch moet ik je afraden hem daarvoor te bezigen. Wie weet hoe lief je de Walinnetjes zullen aankijken, als je je op Dajaksche wijze deklareert en de uitverkorene een bekkeneel aanbiedt.”Allen schaterden het uit over den uitval, behalve La Cueille, die van den schrik nog niet geheel bekomen was. Een flinke teug toeak hielp hem evenwel op streek.Na dergelijke gebeurtenissen viel aan slapen niet meer te denken; hoewel Dalim de verzekering gaf, dat nu niets meer te vreezen was, daar het troepje koppensnellers gevlucht was, en zij het waarschijnlijk waren, die in dien rangkan voorbij vloden. Dat woordje „waarschijnlijk” klonk evenwel onrustbarend in de ooren van allen; zekerheid bestond dus niet, en daarom werd dan ook maar besloten de uiterste voorzichtigheid te betrachten en de verschijning van Aurora met het geweer in de hand af te wachten. Waakzaam zijn en praten[235]kon echter zeer goed met elkander gaan; de tongen roerden zich dan ook op een wijze die bewees, dat de geschokte zenuwen nog lang niet in rust waren.„Dat gaat goed,” meende Schlickeisen, „in twee dagen tijd heeft onze kleine macht een verlies geleden van een doode en twee gekwetsten. Als dat zoo voortgaat naar mate wij de bovenlanden naderen, dan zullen er niet veel van ons overblijven om in het oude Europa te gaan verhalen, wat er van ons geworden is.”„Ah bah! dacht je dat we er zonder kleerscheuren zouden afkomen?” vroeg Johannes; „als de helft van ons de Chineesche zee bereikt, dan mag die—de helft bedoel ik, niet de zee—van geluk spreken. Eigenlijk is ons aller leventje geen enkel dubbeltje waard.”„Je bent nog al lollig met je voorstellingen,” lachte Wienersdorf.„Hij is net zoo lollig als zijn natuurlijke huid blank is,” gromde La Cueille. „Die nare Sienjo maakt iemand het leven nog onaangenamer dan het is. Al die verhalen en voorspellingen doen niets ter zake af en kunnen ook niets aan onzen toestand veranderen. Ze maken je maar ontijdig onlekker.”„Je moet het leven nemen zoo als het is en de toestanden onverschrokken onder de oogen durven zien. Zich illusiën scheppen leidt tot niets dan tot teleurstellingen. Ons steeds voorbereid houden op alle gebeurlijkheden, dat moet ons steeds voor oogen zweven; dan komen de rampen nimmer onverwacht. Maar zich muizenissen in ’t hoofd te halen, is ook onverstandig. Onze toestand is nog zoo heel erg niet; ’t is te betreuren dat we een onzer makkers verloren hebben, maar een geluk is het, dat geen van ons vieren gevallen is. Dat zou een ware ramp zijn. We zullen zien den ontbrekende te[236]vervangen; ja, ik denk er zelfs aan, onze macht uit te breiden, zoodra de gelegenheid zich daartoe zal voordoen. Want dat valt niet te ontveinzen, hoe verder we de binnenlanden zullen intrekken, hoe meer de gevaren zullen toenemen. Wat nu evenwel de gekwetsten betreft, dat heeft niet veel te beduiden. De boabeet van Wienersdorf is zoo goed als genezen en nu La Cueille nog niet dood is, kunnen we over dien speldenprik lachen. Wat heeft die Waal een spektakel gemaakt!” schaterde Johannes.„Nu ik nog niet dood ben. Je spreekt er gemakkelijk over,” pruttelde de betrokkene rillend bij de gedachte. „Was daar dan gevaar voor?”„Toen ik dat pijltje zag, gaf ik geen oortje voor je leven. Die dingen werken verbazend snel. Eerst wat beven, dan wat tandenknarsen, eindelijk wat verwarde taal en spektakel als van een lastigen dronkaard; daarmee is alles uit en dat nog wel binnen het half uur. Nu er al veel langer tijd verstreken is, behoef je je niet meer ongerust te maken.”De Waal deed een zucht van verlichting hooren.„Maar Wienersdorf,” vervolgde Johannes, „moet dat fleschje met dat stinkend goed zorgvuldig bewaren. Hij heeft daarmee wonderen verricht.”„Dalim beweert dat het keukenzout La Cueille gered heeft.”„Het mocht wat,” lachte Johannes, „ik heb den kommandant te Kwala Kapoeas veel proeven zien nemen met het pijlvergif, op honden, apen en kippen. De zoutproef mislukte altijd. Steeds stierven de gekwetste dieren. Werd daarentegen dat stinkende vocht gebezigd, dan genazen zij bijna allen.”Wienersdorf zat in gedachten verzonken met het hoofd in de hand.[237]„Het is me toch iets raadselachtigs,” sprak hij eindelijk, „hoe die kerels in die versterking gekomen zijn. We hadden haar en het omliggend terrein toch zoo goed verkend.”„Dat hadden we ook,” antwoordde Johannes, „maar je zult wel opgemerkt hebben, dat in de achterflank van de kotta een paar gaten in de palissadeering bestaan. Nu bevonden zich die kerels binnen de enceinte en hebben, waakzaam als ze zijn, ons zien aankomen. Niet wetende wie we waren en ook onbekend met onze getalsterkte, namen zij door die gaten onbemerkt de wijk naar de wildernis. Van toen af hebben ze ons geen oogenblik onbespied gelaten en toen we geloofden alleen ter plaatse te zijn, gluurden een aantal vurige oogen van achter struiken en boomstammen ons achterna. ’t Is zeer waarschijnlijk een geluk voor ons allen geweest, dat onze Dajaksche makker dat brandhout ging halen. Voor een echten koppensneller was die gelegenheid te schoon, om onbenut voorbij te laten gaan. Ware die daad uitgebleven, wie weet of zich dan niet de gelegenheid voorgedaan had, ons in den laten nacht te komen overvallen. Een geeuwerig oogenblik van een schildwacht, het onwillekeurig sluiten der oogen, al was het ook maar gedurende weinige seconden, zou de gewenschte gelegenheid hebben aangeboden en weest verzekerd, dat die speurhonden haar niet onbenut voorbij zouden hebben laten gaan.”„Waarom schreeuwde je toch zoo bij het binnentreden der kotta?” vroeg La Cueille aan Wienersdorf.„Wel, ik struikelde en viel zoo lang ik was op het onthoofde lijk, dat nog te stuiptrekken lag. Ik stak mijn rechterhand uit om me op te richten en sloeg die op den romp, waaruit het warme bloed met stralen sprong. Verduiveld! wat rilling me toen langs de ruggewervels[238]voer! Maar jij moet ook zoo iets gevoeld hebben, van wat ik ondervond, toen je dien grijnzenden kop te pakken kreegt. Maar,” wendde Wienersdorf zich tot Dalim, „waarom deedt ge ons teruggaan, toen La Cueille dien kop opstak?”„Omdat die kop mij het bewijs leverde, dat de kajau’s nog in de nabijheid waren. Niet dan hoogst zelden verlaat de koppensneller het terrein, zonder den gesnelden kop mede te nemen. Dan ook wist ik niet hoe sterk die troep was.”„Ik meende dat de kajau steeds zijn slachtoffer bij het haar grijpt en dan den noodlottigen slag toebragt. Hoe is het nu mogelijk geweest, dat die kop op den grond gerold is?”„Dat begrijp ik ook niet goed,” verzekerde de Dajak. „In den regel gaat dat grijpen bij het haar en het toebrengen van den slag zoo snel in zijn werk, dat het slachtoffer gewoonlijk niet weet wat met hem voorvalt en den tijd niet heeft, een gil te slaken. Ge moet niet vergeten, dat de koppensneller, zorgvuldig achter struik of boomstam verscholen, zijn prooi onverwachts bespringt. En de behendigheid dier menschen is zóó groot, dat uiterst zelden een tweede slag noodig is, om het hoofd van den romp te scheiden. Er hebben zich gevallen van vlugheid voorgedaan, waar het slachtoffer nog eenige passen met zwaaiende armen voortliep, nadat de bloedige scheiding had plaats gegrepen en dan eerst nederstortte. Bij mijn makker schijnt het niet zoo snel toegegaan te zijn; hij heeft nog den tijd gehad te schreeuwen; bij een laatste poging tot zelfbehoud heeft hij nog getracht zijn bespringer te grijpen en hem waarschijnlijk een slag met zijn mandauw toegebracht. Bij die kortstondige worsteling heeft deze laatste den kop laten glippen op het oogenblik, dat wij door de[239]deur drongen. Dat de kajau’s in onze nabijheid waren, bewezen de pijltjes, die op ons afgezonden werden. Onze Sjech weet daar meer van te vertellen, niet waar?”„Ge zegt, dat uiterst zelden een tweede slag noodig is, om den kop van den romp te scheiden,” sprak Wienersdorf, „die behendigheid is toch merkwaardig. Hoe vaak toch is het in Europa niet in vroegere eeuwen gebeurd, dat bij terechtstellingen de beul herhaaldelijk moest toeslaan. Wanneer de executie met het zwaard plaats had, kwam dat zelfs dikwijls voor; toen de bijl en het blok gebezigd werden, vond het nog plaats, en er zijn zelfs gevallen bij het guillotineeren voorgekomen, dat de valbijl voor de tweede maal omhoog moest gehaald worden, om het slachtoffer af te maken.”„De Dajaksche jongelingen in de bovenlanden oefenen zich geregeld in het koppensnellen,” verklaarde Dalim. „Eerst plaatsen zij een klapperdop op een dunnen staak en is het voor het kind een behendig stuk dien staak vlak onder de noot, zonder deze te beschadigen, door te houwen; later, als zij meer kracht bekomen hebben, wordt de staak vervangen door een pop ter grootte van een veertienjarigen knaap, met een nekstuk van zacht maar toch veerkrachtig handjolotong2hout, en om de illusie te volmaken, wordt de klappernoot met een pruik versierd, vervaardigd van de vezels van den arengpalm, die, wanneer zij goed toebereid zijn, wel wat overeenkomst hebben met het sluike haar van de menschen van dit land. Van daar die groote bedrevenheid. Op lateren leeftijd onderhouden zij die, door ijverig aan sneltochten deel te nemen.”[240]„Ik moet er nog bijvoegen,” vervolgde Johannes de toelichting, „dat de Dajaks, zelfs die van de benedenlanden, zonder die oefening een buitengewone behendigheid bezitten in het hanteeren van den mandauw. Ik heb het te Kwala Kapoeas bijgewoond, dat in tegenwoordigheid van den kommandant iedere Dajak, hoe zwak zijn voorkomen ook was, een rijpe, doch nog groene klappernoot telkenmale en zonder eenige inspanning over dwars in tweeën sloeg, zoodanig, dat beide helften behoorlijk gescheiden waren. Geen Europeaan, hoe stevig ook, en welke kracht hij ook aanwendde, kon het verder brengen dan tot op de houtschaal der noot. De vezelige bast had den slag gebroken.”„Het blijft het oude liedje: „pas op je kop”,” mompelde La Cueille; „ik wou dat ik in mijn België gebleven was.O Belgique! o Belgique! mes amours, tu auras toujours,” neuriede hij.„Een rare instelling toch,” vervolgde Schlickeisen, „zijn meisje menschenkoppen aan te bieden.”„Zeker heel raar, maar toch een, waarvan de grond wel te raden is,” antwoordde Johannes. „Aanvankelijk zal het wel geweest zijn, dat de aanstaande een bewijs zijner dapperheid moest geven als waarborg, dat hij zijn vrouw en kroost zou weten te beschermen. En het beste bewijs, dat hij in die oorspronkelijke maatschappij van die dapperheid kon leveren, was wel het hoofd van een door hem gevelden vijand. Later is dat verbasterd en zijn de schedels tot weeldeartikelen geworden, die tot afschuwelijke sluipmoorden, somtijds van vrouwen en kinderen, en tot een afzichtelijken handel aanleiding geven. Zoodat een instelling, die met goede bedoelingen in het leven werd geroepen, tot een vloek van de geheele bevolking van een der grootste eilanden der aarde geworden is.”[241]„Maar in de benedenstreken, kan toch die gruwel niet meer plaats hebben, niet waar?” vroeg Wienersdorf aan Dalim.„We durven niet,” antwoordde deze, „de Hollanders willen het niet hebben.”„Dus alleen omdat die het verbieden, laat men het. Vindt ge dan het koppensnellen niet een afschuwelijk bedrijf?”„Tawèh! angat, kamaangkoe hirah,” (Wie zal dat uitmaken! volgens mijne opvatting wel mogelijk), was het flegmatieke antwoord, hetwelk bewees, dat de overtuiging van die afschuwelijkheid hier nog geen ingang gevonden had.Onder dergelijke gesprekken kropen de nachtelijke uren om, en verscheen eindelijk de dageraad, die door onze vrienden met een zucht van verlichting begroet werd. Toen het geheel dag was geworden, werd de kotta met alle behoedzaamheid verkend en vonden de veldontdekkers daarin niets dan het onthoofde lijk huns makkers. Op een geringen afstand daarvan lag een kleine plas bloed; maar die kon even goed van het afgehouwen hoofd als van een der koppensnellers afkomstig zijn. Bij de palissadeering evenwel werden ook bloeddroppels waargenomen, terwijl bij een der openingen op het paalwerk bloedige vingers afgedrukt stonden. Het was dus niet te gewaagd aan te nemen, dat de bespringers ook verliezen hadden, maar toch was er eenige teleurstelling op de gezichten der Zwitsers te lezen, omdat zij geene lijken van gevallen vijanden vonden.„Zouden die canailles er zonder kleerscheuren afgekomen zijn?” vroeg Schlickeisen niet zonder ergernis.„Neen zeker niet,” antwoordde Johannes eenigszins met drift, „dat bewijzen de bloedsporen die, ik zag het zoo even, tot aan den rivierkant, waar de kajau’s in[242]hun rangkan gestegen zijn, gevolgd kunnen worden. We moeten het terrein nog wat nader onderzoeken. Er valt evenwel te bedenken, dat het bij alle inboorlingen van Nederlandsch Indië tot een groote schande gerekend wordt, de lijken hunner gevallen wapenbroeders in de handen der vijanden achter te laten. Zoo het maar eenigszins mogelijk is, worden die steeds meegevoerd.”Toen de kotta onderzocht was, traden de deserteurs door een der openingen naar buiten, maar zochten lang te vergeefs in den omtrek. Eindelijk evenwel bij een zeer dichten struik, werd een plek waargenomen, waar het spichtige gras over eenige uitgestrektheid plat gedrukt was, alsof daar een menschelijk wezen gerust had. Toen Schlickeisen zich met het hakmes een doortocht tusschen de slinger- en doorngewassen tot het dichtste gedeelte van den struik gebaand had, zag hij daar twee lijken liggen, gekleed in vollen oorlogstooi, met den „karoenkoeng”, een maliënkolder van rottanschakels aan, met het mutsje van apenvel op het hoofd, in de linkerhand het beschermend schild, en in de andere den ontblooten mandauw geklemd. Volgens Dalim waren het Poenan’s, een Dajaksche stam, die in de binnenlanden van Borneo bij de bronnen van de Kahajan-Doesson- en Koetei-rivieren te huis hoort. Die stam is berucht door de stoutheid zijner tochten tot het verwerven van koppen. Beide mannen, die door geweerkogels geveld waren, hadden reeds verscheidene levensdraden afgesneden, te oordeelen naar de vlokken menschenhaar, die de grepen en scheeden hunner mandauws versierden. Het waren nog jonge kerels; maar Dalim verzekerde toch, dat de eene reeds vier en de andere zeven koppen had gesneld. Dit bleek uit het aantal bandjes van rooden rottan die de mandauwscheeden omwoelden.De beide Dajaksche tochtgenooten eigenden zich de[243]wapenen en de maliënkolders van de verslagenen toe en ploften daarna hunne lijken in de rivier, als een offer aan Djata, den opperkoning der krokodillen. Hun gesneuvelden makker waschten zij behoorlijk, beschilderden hem het voorhoofd en de nagels met sirihspuug, bij gebrek aan eenige andere verfstof, waarna zij met behulp der Europeanen een graf dolven en hem daarin legden. Zij plaatsten het hoofd op den romp, gaven het lijk den mandauw in de hand en legden zijn lans naast hem in den kuil. Toen zij daarmede klaar waren, nam ieder hunner een handvol rauwe rijst, strooiden die op het lichaam onder het uitspreken der woorden:„Djetoh akam” (dat is voor u).Vervolgens strooiden zij een tweede handvol, zeggende:„Djetoh impahitkoe” (dat zend ik aan mijne voorvaderen).En eindelijk nog een derde, waarbij zij prevelden:„Djetoh akau X X” (dit is voor X X), waarbij zij de namen noemden hunner bloedverwanten, die het laatst gestorven waren.Dat rijststrooien heet „mambowor” en mag bij begrafenissen nimmer achterwege gelaten worden. Na die plechtigheid hieven de beide makkers van den overledene een doordringend gegil aan, dat „tatoem” (de dooden beweenen) genoemd wordt, waarna zij het graf vulden. Om lijkschennis te voorkomen, hadden zij tot grafplaats een kleine plek tusschen dicht ineen gegroeide struiken uitgekozen, en eerst de graszoden daarvan zorgvuldig uitgestoken en zonder ze te beschadigen behoedzaam op zijde gelegd. Vervolgens hadden zij de uitgedolven aarde op een sprei verzameld, daarbij zorg dragende, dat geen kluitje daarnaast viel. Bij het vullen van den grafkuil trapten zij de aarde vast aan, plantten vervolgens een paar struikjes er op en herplaatsten[244]toen de zoden zoo nauwkeurig, dat het meest scherpziend oog niet kon ontwaren, waar de schop hare groeve ingesneden had. De overtollige aarde, op de sprei achtergebleven, werd met angstvalligheid in de rivier geworpen en het geheele graf rijkelijk met water besproeid, om verwelking der graszoden en der geplante struiken te voorkomen.Toen dat alles afgeloopen was, bestegen de vluchtelingen hunne prauw, sloegen de pagaaien met kracht in het water en verlieten die plek, die hun zoo noodlottig had kunnen worden.[245]1Batang Moeroeng is de naam van den westelijken arm van de Doesson, van Moeara Poeloe af, waar die rivier zich in twee takken splitst, tot aan zee. Bij de Europeanen heet die arm Kleine Dajakrivier.↑2Zie over dezen boom de noot op bladz.211. Er kan hier nog bijgevoegd worden, dat dit hout bij voorkeur tot het beschreven doel gebezigd wordt omdat het door zijn kurkachtigheid het meest overeenkomt met het nekweefsel.↑
XII.Vertrek van Mantangei.—„Petak bapoeti.”—Een nieuw soort van huwelijksgeschenk.—Borneo en Kalimantan.—Kotta Towana.—Een kop gesneld.—La Cueille gekwetst.—Gevecht met de koppensnellers.—La Cueille onder behandeling.—Een laatste salvo pijltjes.—Een nachtwaak.—Verkenning in den morgenstond.—Een begrafenisplechtigheid.
Vertrek van Mantangei.—„Petak bapoeti.”—Een nieuw soort van huwelijksgeschenk.—Borneo en Kalimantan.—Kotta Towana.—Een kop gesneld.—La Cueille gekwetst.—Gevecht met de koppensnellers.—La Cueille onder behandeling.—Een laatste salvo pijltjes.—Een nachtwaak.—Verkenning in den morgenstond.—Een begrafenisplechtigheid.
Vertrek van Mantangei.—„Petak bapoeti.”—Een nieuw soort van huwelijksgeschenk.—Borneo en Kalimantan.—Kotta Towana.—Een kop gesneld.—La Cueille gekwetst.—Gevecht met de koppensnellers.—La Cueille onder behandeling.—Een laatste salvo pijltjes.—Een nachtwaak.—Verkenning in den morgenstond.—Een begrafenisplechtigheid.
Midden in den nacht waren de vluchtelingen van soengei Mantangei op reis gegaan en hadden zij stevig door geroeid. Zij waren nu reeds zeven etmalen onderweg. Het landschap rondom hen begon van karakter te veranderen en langzamerhand zijn alluviale eigendommelijkheid te verliezen. Nog wel niet geheel en al, want soms wisselden zeer zachte glooiingen en verhevenheden van den grond, die zich nog maar alleen door hare veranderde flora deden onderkennen, andermaal met uitgestrekte moerasgronden af, die eindeloos toeschenen, maar, welker grenzen toch bereikt werden.Hoe weinig de verheffing des bodems nog te beteekenen had, konden onze avonturiers afleiden uit het nog steeds regelmatig intreden van eb en vloed, die zich tot op dien aanmerkelijken afstand van de boorden der zee toch nog met zooveel kracht deed gevoelen, dat tweemaal daags de stroomdraad der rivier een tegenovergestelde richting aannam.De „riwoet haroesan” (adem des vloeds) werd evenwel[224]al lang niet meer waargenomen; zoover dringt het zeewater landwaarts niet in. Zelfs was het water ter hoogte waar de deserteurs zich thans bevonden, niet meer brak en bleef ten allen tijde drinkbaar. Het zou ook niet lang meer duren of de vloedstroom zou hen verlaten en zij slechts aan het periodiek rijzen van den waterspiegel en aan het verminderen van de sterkte van den ebstroom, zouden ontwaren, dat de vloed aan de kusten doorstond. En eindelijk, naarmate het terrein zal rijzen, zal ook dat verschijnsel gewijzigd worden, totdat de onverzwakte rivierstroom zal overblijven, tegen wier kracht zij te kampen zullen hebben.Het was zoo omstreeks het einde van „badjagi hai” (3 uur namiddag), toen de reizigers een plek bereikten, die bij de inboorlingen „petak bapoeti” (witte grond) genoemd wordt. Dit is een heuvelenrij van ongeveer veertig voet hoog, bestaande uit verblindend wit zand, niet ongelijk aan een duinenrij, die door den stroom zou zijn doorgebroken. Zelfs de helm ontbrak er niet; want op de hellingen bestaan uitgestrekte plekken met die grassoort of met een dergelijke begroeid. Hier heeft eenmaal de oceaan zijne wateren gerold en beukten zijne machtige golven die duinenrij. Een menigte schelpen worden in dat zand aangetroffen, maar van een geheel andere soort dan die in den kleiachtigen modder, die thans de zuidkust van Borneo omzoomt, gevonden wordt. Een andere omstandigheid, die pleit voor de stelling, dat eenmaal de zuidkust van het thans zoo groote eiland hier aangetroffen werd, is, dat aan de oevers van de Doesson, de Kahajan en de Mantawei rivieren, die met de Kapoeas nagenoeg evenwijdig stroomen, op dezelfde breedte ongeveer, dergelijke duinformatiën aangetroffen worden.Het was voor de Europeanen vooral een uitkomst, zich op dat droge duin wat te kunnen vertreden; want[225]voor hem, die er de gewoonte niet van heeft, is het dagen lang zitten in een prauw met gekruiste beenen uiterst vermoeiend. Zij stapten dan ook heen en weer met een ijver, die bewees, dat zij de achterstallige beweging wilden inhalen en hielden zich daarbij onledig met het plukken van donkerroode vruchten, niet ongelijk aan onze braambeziën, die daar op die droge plek in groote menigte voorkwamen en door hare frissche rinschheid een aangename versnapering aan hun eentonig maal toevoegde.Toen zij daar zoo omstreeks een uur gewandeld hadden, gaf Dalim het sein tot vertrek. Dat viel zeer tegen; want nu het eten daar bereid was geworden, was de hoop ontstaan, dat men het ook daar verorberd zou hebben en men ook verder daar verbleven zoude zijn; hetgeen het uitzicht op een aangename avondwandeling geopend had, alsook daarop dat men, in stede van in die wiegelende prauw, eens lekkertjes op vasten bodem zou hebben kunnen slapen. Maar Dalim had daar geen ooren naar.„We moeten, voor dat de nacht invalt, kotta Towanan bereiken,” beweerde hij.Nader verklaarde hij zich niet; evenwel vertelde hij, dat tepetak bapoetides nachts zooveel muskieten rondzwierven, dat, al gebruikte men nog zooveel brotoali, aan rusten niet te denken zou vallen. Het was, volgens zijn beweren, wel de plek waar de meeste muskieten van het geheele eiland Kalimantan bij elkander waren en zou dat aan de volgende omstandigheid te danken zijn:De zoon van Sultan Koening, den Djata- of krokodillenkoning van de Batang Moeroeng1, zou in het huwelijk[226]treden met de dochter van Anding Maling Goena, den krokodillenvorst van de Kapoeasrivier. Dithuwelijkzou bijpetak bapoetivoltrokken worden en de visschen, waterslangen, garnalen, kikvorschen en andere waterbewoners, aldaar verzameld om de plechtigheid bij te wonen en luister bij te zetten, hadden niets beters weten uit te denken, om hunne hulde te bewijzen, dan den jonggehuwden eenige honderden centenaars muskieten ten huwelijksgeschenk aan te bieden. Dit was dankbaar aangenomen, en de nakomelingen van die muskieten brengen nog steeds op indrukmakende wijze die gewichtige gebeurtenis in het geheugen van den reiziger terug, wiens kwaad gesternte hem hier voert om den nacht door te brengen.„Een raar huwelijkscadeau,” meende La Cueille, „je moet bepaald Dajak zijn om zoo iets te verzinnen. Mijne landslui zouden met zoo’n geschenk weinig gediend zijn.”„Wie weet,” lachte Johannes, „als de Walinnetjes eens de ondervinding opgedaan hadden, dat een vracht muskieten het beste middel is om zelfs den slaperigsten echtgenoot wakker te houden, of dan ook zij niet zoo’n geschenk zouden begeeren. Maar om het even, ik moet erkennen, dat het niet een der aardigste legenden van het Dajakland is.”„Ik hoorde Dalim van een eiland Kalimantan spreken. Wat is dat voor een eiland?” vroeg Wienersdorf.Johannes vertelde toen, dat het de inlandsche naam was van het eiland Borneo, dat de Europeesche benaming, een verbastering van het woord „Broenai”, slechts een heel klein gedeelte van het geheele eiland aanduidt, namelijk van een klein rijk aan de noordwestkust gelegen.„Heeft dat woord „Kalimantan” ook eenige beteekenis?”[227]„„Kalimantawa” is de Dajaksche naam van de doerian. Deze vrucht op Borneo is evenwel niet zoo ellipsvormig als die op Java aangetroffen wordt, maar is aan het benedeneinde eenigszins uitgezet en afgeplat. De overeenkomst van den vorm van het eiland met dien van die vrucht, zou aanleiding tot den naam „Kalimantan” gegeven hebben.”„Dat is geheel onmogelijk,” meende Wienersdorf. „Borneo is een der grootste eilanden der aarde en het nasporen van den omtrek van zulk een groot eiland, dat toch den vorm moet bepalen, vereischt een zekere mate van kundigheden en ontwikkeling, die bij geen volk in den Indischen archipel verondersteld kunnen worden.”Dalim boog zich tot Johannes en fluisterde hem iets in het oor.„Je kunt gelijk hebben,” hernam deze. „Dalim noemt mij daar de woorden „Kaliintan” (rivier der diamanten). Meer welluidend zal men dat vroeger „kalimintan” uitgesproken hebben, en zal het later tot „kalimantan”, volgens sommigen tot „kalimanten” verbasterd zijn. De uitlegging ligt voor de hand. Op Borneo worden, zoowel ter westkust als ter zuid- en oostkust, vele diamanten (intan) gevonden. Er zijn verscheidene plaatsen, die naar dat edelgesteente genoemd worden: Karangintan, Lokhintan, Djintan enz. Mij dunkt dat, vermits langs de oevers van vele rivieren diamanten gevonden werden, die riviertjeskaliintangenoemd werden en deze naam langzamerhand aan het geheele eiland is gegeven geworden.”Onder dergelijk gekout werd de tijd gekort en kwamen de reizigers in de nabijheid van kotta Towanan aan. Dat was een Dajaksche versterking, zooals zij in de binnenlanden van Borneo overal tot bescherming tegen de koppensnellers te vinden zijn. Deze[228]was evenwel in het begin van 1859 tegen de Nederlanders aangelegd. Haar vorm was die eener langwerpige vierkante redoute zonder uitspringende gedeelten; hare borstwering bestond uit stevige ijzerhouten palen van respektabele dikte en was van afstand tot afstand met „hampatongs” versierd. „Hampatongs” zijn levensgroote houten beelden, gewoonlijk Dajaksche strijders in alle mogelijke gevechtstoestanden voorstellende en meestal vrij goed gesneden, altijd in aanmerking genomen het volk, dat ze vervaardigt en van kunst niet veel begrip heeft.Verdedigd werd die sterkte nimmer. Toen het Nederlandsche stoomschip Montrado haar met zijn dertigponders naderde, sloeg der bezetting de schrik om het lijf en zocht zij haar heil in de vlucht.Op een korten afstand genaderd, evenwel nog door de laatste stroombuiging gedekt, raadde Dalim aan te leggen om de kotta eerst te verkennen, daar zij nog al eens tot schuilplaats verstrekt aan „bigal’s en „kajau’s” (rivier-roovers en koppensnellers). Hij, met Schlickeisen en La Cueille, steeg behoorlijk gewapend aan wal en drongen zij het bosch in, om die verkenning te maken. Zij bleven evenwel niet lang uit, maar brachten spoedig het bericht, dat de kotta verlaten bevonden was en dat zij niets, wat onraad kon aanwijzen, hadden opgemerkt.Aanvankelijk was het voornemen zich voor den nacht in de kotta in te richten. Allen hunkerden toch eens een gerusten slaap op den vasten bodem te genieten. Maar toen Wienersdorf den toestand van de versterking en het omliggend terrein opgenomen had, merkte hij op, dat, zoowel de voor- als achterflank bewaakt zoude moeten worden om tegen een overval beveiligd te zijn, daar in beide flanken openingen gevallen waren.[229]Hunne prauw, die alles bevatte wat waarde voor hen had, zoude ook bewaakt moeten worden, zoodat een zoodanige nachtdienst de krachten van het kleine troepje te boven ging en er nog bij kwam, dat niemand hunner den vorigen nacht ook maar een oogenblik gerust had. Er werd dan ook besloten in de prauw te blijven, dan was het voldoende, dat een hunner waakzaam bleef en konden de anderen een ongestoorde rust genieten. Toen de avond gevallen was, begonnen de Dajaks den eersten wachtdienst en zouden de Europeanen de nanachtswachturen voor hunne rekening nemen. Dat was nu wel de aangenaamste regeling niet, maar wel de zekerste, met de wetenschap, dat de inboorling een slecht waker is en vooral na middernacht zittende of staande, geheel onbewust insluimert.Toch zou van nachtrust niet veel komen; zij zou op vreeselijke wijze gestoord en voor de rest van den nacht geheel verijdeld worden.Het kon omstreeks negen uur des avonds zijn. De Europeanen hadden zich in hunne spreien gewikkeld en te slapen gelegd en de drie Dajaks zaten met elkander te fluisteren, toen Dalim de opmerking maakte, dat de voorraad brandhout te gering was, om het vuurtje, dat op den oever aangelegd was, ten einde een overzicht over het terrein te hebben, te onderhouden. Hij droeg een zijner makkers op, dien voorraad aan te vullen, hem daartoe een hoop dorre takken aanwijzende, dien hij over dag in de versterking opgemerkt had. Deze maakte hoegenaamd geen bezwaren, daar hij die takken ook gezien had en hij slechts weinige passen te doen had om ze te bereiken. De achterblijvenden zagen hem bij het schijnsel van het vuur, met zijn mandauw in de hand aan wal stappen en door den ingang der versterking verdwijnen, toen eensklaps[230]een hartverscheurende gil weerklonk, die het bloed der twee wachthebbenden schier deed verstijven en de Europeanen onmiddellijk, als met een tooverslag, op de been bracht. Wienersdorf en La Cueille hadden het eerst ieder een geweer gegrepen en sprongen aan wal. Dalim volgde hen op de hielen met den koppensneller in de vuist; de anderen tuurden scherp uit, met het geweer in den aanslag en den vinger aan den trekker. Behoedzaam en met gevelde bajonet drongen de beide eerstgenoemden den ingang der versterking binnen; maar Wienersdorf struikelde al dadelijk en viel, terwijl hij na zijn val een kreet van afgrijzen uitstiet. Dalim volgde onmiddellijk met een brandend stuk hout in de hand; en bij het zwakke schijnsel daarvan ontwaarden zij het lichaam van hunnen Dajakschen makker, echter hoofdeloos. Het lijk was volgens de regels der Dajaksche kunst behoorlijk gesneld; dat wil zeggen, dat met één slag van den vreeselijken mandauw het hoofd van den romp gescheiden was. In den regel geschiedt die daad zoo verbazend snel, dat in de meeste gevallen het slachtoffer de eeuwigheid instapt, geheel onbewust van het lot dat hem treft. Maar hier scheen de aangevallene in de laatste seconde inzicht in zijn toestand gehad te hebben, af te leiden uit den gil, dien hij geslaakt had. Ook scheen hij met de linkerhand zijn aanvaller nog gegrepen te hebben; want een stuk van een ewah bevond zich in die hand geklemd, terwijl de rechter nog den mandauw omsloten hield.Op weinige passen ter zijde van het lijk zag La Cueille iets in het gras trekken en bewegen. Hij bukte zich en greep er naar; maar stiet een kreet van afgrijzen uit en onmachtig om los te laten, wat hij gegrepen had, hief hij het hoofd van hun makker bij de haren op, dat in de laatste oogenblikken van den bangen[231]doodstrijd de oogen vreeselijk rolde en de kaken en lippen bewoog, alsof hij wat zeggen wilde. Op het zien van dat hoofd riep Dalim verschrikt uit, terwijl hij achteruit stoof:„Oendoer goeloeng goeloeng!” (spoedig terug).Die woorden waren hem nog niet van de lippen, toen een fluitend geluid waargenomen werd en La Cueille met een krassen Waalschen vloek uitgilde, dat hij gekwetst was. Hij bracht zonder den kop los te laten, het geweer in den aanslag; maar Dalim greep hem bij den arm en trok hem naar de prauw, terwijl Wienersdorf de achterhoede dekte en met zijn Remmingtongeweer eenige schoten in de dikke duisternis afgaf. Toen zij in den lichtkring van het vuur bij de prauw traden, meende LaCueillezich iets in de struiken aan den voet van de palissadeering der versterking te zien bewegen; hij rukte zich los van Dalim, wierp den nog bloedenden kop in de prauw en schoot zijn geweer in de richting dier struiken af. Dat schot werd beantwoord met een uittartend: „lēēēēh, lèlèlèlèlè ouiiiit!” en tegelijkertijd drongen eenige gedaanten met den mandauw in de vuist uit de duisternis in den lichtkring te voorschijn. Nu was het evenwel de beurt aan Johannes en Schlickeisen, die kalm in de prauw gebleven waren en het gunstig oogenblik bespiedden om handelend op te treden. Schlickeisen had het tweede Remmingtongeweer in handen; Wienersdorf en de Waal stelden zich in de nabijheid der prauw op, en nu weerklonk een geweervuur, dat de aanvallende Dajaks, die over het algemeen toch al geen helden zijn tegenover vuurwapenen, spoedig op de vlucht dreef. De twee eerste schoten van de twee Europeanen in de prauw waren daarbij afdoende geweest; want die, met alle bedaardheid afgegeven, hadden doel getroffen; men had althans twee der aanvallers zien ter aarde storten.[232]Toen niets meer ontwaard werd aan den oever, hield het vuren op en konden onze avonturiers tot verademing komen. La Cueille klaagde over pijn in den linkerarm. Toen Wienersdorf dien arm onderzocht, bleek het dat de Waal met een vergiftigd pijltje gekwetst was. Allen keken elkander bedrukt aan, want zooveel hadden zij wel van het pijlvergif vernomen, dat de vreeselijke uitwerking daarvan hun bekend was. Dalim greep een handvol keukenzout en wreef daarmede zoo krachtig het tandvleesch van den lijder in, dat zich een overvloedig bloederig speeksel ontlastte. Hij wilde ook de gekwetste plaats inwrijven, maar Wienersdorf stiet hem ter zijde, haalde een fleschje met ammonia liquida te voorschijn, maakte met zijn zakmes een vrij diepe kruissnee over het wondje en liet daarin eenige droppels van zijn alkali vallen. De Waal brulde van pijn, schreeuwde en wrong zich, terwijl hij niet zelden een vroom:„Sainte Vierge, priez pour moi!” afwisselde met een krachtigen Waalschen vloek.Bij al den ernst, dien de omstandigheden medebrachten, kon Johannes toch niet nalaten, La Cueille er op te wijzen, dat hij zijn rol van Arabier al heel aardig vergat en raadde hem aan een innig:„Lā ilāha illa—llāhoe” (Er is geen God dan Allah) te prevelen, in stede van zich tot de Heilige Maagd te wenden. De Waal voelde een innige minachting voor zijnen bruinen stamgenoot, maar had te veel pijn, om die te uiten. Na veel zuchten en klagen, viel hij in een diepen slaap, hetgeen door Dalim als een uiterst gunstig voorteeken werd aangemerkt.Dat voor de overigen aan geen rusten te denken viel, lag voor de hand. Zij wisten den vijand in de onmiddellijke nabijheid en zaten dan ook met het geweer in de hand en den vinger aan den trekker, achter het[233]prauwboord gedoken, den oever gade te slaan, van waar zij een vernieuwden aanval konden verwachten. Langen tijd bleef het rustig en trok niets bijzonders hunne aandacht, toen eensklaps achter hen op de rivier het bekende, maar toch steeds schrikkelijk:„Lēēēh lèlèlèlèlè ouiiiiit!” weerklonk en een hagelbui pijltjes over de prauw heen en onder de dakbedekking er van door floot. Toen de verdedigers zich haastig omkeerden, konden zij nog even een rangkan in den zwaren stroom te midden der rivier zien voorbijschieten, terwijl het uitdagend gegil bleef weerklinken. Zij hadden den tijd nog eenige schoten te lossen, die schenen hun doel niet gemist te hebben, want het uittartend geschreeuw verstomde plotseling en werd vervangen door kreten van smart, die nog geruimen tijd in de nachtelijke stilte weerklonken, langzamerhand verzwakten en eindelijk door den afstand niet meer waarneembaar waren.Op dien Dajakschen oorlogskreet en het daarop gevolgde schieten was La Cueille uiterst verschrikt uit zijn bedwelmenden slaap opgevlogen, had in de dikke duisternis in de prauw rondgetast en de hand gelegd op den bloedigen kop, dien hij zelf eenige uren te voren in de prauw geworpen had, maar wat hem nu in zijn ontsteltenis ontgaan was. In zijn buitensporigen angst en nog geheel onder den invloed van het zoo straks gebeurde, vermeende hij, dat zij overvallen en de koppensnellers aan boord waren en het bloedige werk reeds onder zijn makkers begonnen was. Gelukkig dat hij in dien overspannen toestand geen wapen in de nabijheid had, want bij de duisternis, die er heerschte, zou hij zeker groote onheilen hebben aangericht. In zijne onberedeneerde zucht tot zelfbehoud greep hij toch nog Johannes, dien hij niet herkennen kon, bij den nek en trachtte hem te[234]verworgen, totdat die, eindelijk driftig geworden, hem een paar muilperen toediende, uitroepende:„Die verduivelde Waal! hij legt het op mijn leven toe; de vent is razend.”Toen kwam La Cueille tot bezinning niet alleen, maar schoten ook Wienersdorf en Schlickeisen tot ontzet toe. Allen vermeenden, dat het een plotselinge uitbarsting van verstandsverbijstering was, door het pijlvergif veroorzaakt. Maar zoodra had de Waal zijn ontwaken verhaald, zijn vreeselijken angst, het grijpen van dien kop en wat daarbij in zijn brein was omgegaan, of allen barstten in een uitbundig gelach uit en feliciteerden den vreemdsoortigen koppensneller, die beangst geworden was voor den kop, dien hij zelf te huis had gebracht.„We zullen dien kop netjes voor je klaarmaken en poetsen,” zei Johannes, „dan kun je hem mee naar Jupille nemen. Als ex-voto zou hij onbetaalbaar prijken; toch moet ik je afraden hem daarvoor te bezigen. Wie weet hoe lief je de Walinnetjes zullen aankijken, als je je op Dajaksche wijze deklareert en de uitverkorene een bekkeneel aanbiedt.”Allen schaterden het uit over den uitval, behalve La Cueille, die van den schrik nog niet geheel bekomen was. Een flinke teug toeak hielp hem evenwel op streek.Na dergelijke gebeurtenissen viel aan slapen niet meer te denken; hoewel Dalim de verzekering gaf, dat nu niets meer te vreezen was, daar het troepje koppensnellers gevlucht was, en zij het waarschijnlijk waren, die in dien rangkan voorbij vloden. Dat woordje „waarschijnlijk” klonk evenwel onrustbarend in de ooren van allen; zekerheid bestond dus niet, en daarom werd dan ook maar besloten de uiterste voorzichtigheid te betrachten en de verschijning van Aurora met het geweer in de hand af te wachten. Waakzaam zijn en praten[235]kon echter zeer goed met elkander gaan; de tongen roerden zich dan ook op een wijze die bewees, dat de geschokte zenuwen nog lang niet in rust waren.„Dat gaat goed,” meende Schlickeisen, „in twee dagen tijd heeft onze kleine macht een verlies geleden van een doode en twee gekwetsten. Als dat zoo voortgaat naar mate wij de bovenlanden naderen, dan zullen er niet veel van ons overblijven om in het oude Europa te gaan verhalen, wat er van ons geworden is.”„Ah bah! dacht je dat we er zonder kleerscheuren zouden afkomen?” vroeg Johannes; „als de helft van ons de Chineesche zee bereikt, dan mag die—de helft bedoel ik, niet de zee—van geluk spreken. Eigenlijk is ons aller leventje geen enkel dubbeltje waard.”„Je bent nog al lollig met je voorstellingen,” lachte Wienersdorf.„Hij is net zoo lollig als zijn natuurlijke huid blank is,” gromde La Cueille. „Die nare Sienjo maakt iemand het leven nog onaangenamer dan het is. Al die verhalen en voorspellingen doen niets ter zake af en kunnen ook niets aan onzen toestand veranderen. Ze maken je maar ontijdig onlekker.”„Je moet het leven nemen zoo als het is en de toestanden onverschrokken onder de oogen durven zien. Zich illusiën scheppen leidt tot niets dan tot teleurstellingen. Ons steeds voorbereid houden op alle gebeurlijkheden, dat moet ons steeds voor oogen zweven; dan komen de rampen nimmer onverwacht. Maar zich muizenissen in ’t hoofd te halen, is ook onverstandig. Onze toestand is nog zoo heel erg niet; ’t is te betreuren dat we een onzer makkers verloren hebben, maar een geluk is het, dat geen van ons vieren gevallen is. Dat zou een ware ramp zijn. We zullen zien den ontbrekende te[236]vervangen; ja, ik denk er zelfs aan, onze macht uit te breiden, zoodra de gelegenheid zich daartoe zal voordoen. Want dat valt niet te ontveinzen, hoe verder we de binnenlanden zullen intrekken, hoe meer de gevaren zullen toenemen. Wat nu evenwel de gekwetsten betreft, dat heeft niet veel te beduiden. De boabeet van Wienersdorf is zoo goed als genezen en nu La Cueille nog niet dood is, kunnen we over dien speldenprik lachen. Wat heeft die Waal een spektakel gemaakt!” schaterde Johannes.„Nu ik nog niet dood ben. Je spreekt er gemakkelijk over,” pruttelde de betrokkene rillend bij de gedachte. „Was daar dan gevaar voor?”„Toen ik dat pijltje zag, gaf ik geen oortje voor je leven. Die dingen werken verbazend snel. Eerst wat beven, dan wat tandenknarsen, eindelijk wat verwarde taal en spektakel als van een lastigen dronkaard; daarmee is alles uit en dat nog wel binnen het half uur. Nu er al veel langer tijd verstreken is, behoef je je niet meer ongerust te maken.”De Waal deed een zucht van verlichting hooren.„Maar Wienersdorf,” vervolgde Johannes, „moet dat fleschje met dat stinkend goed zorgvuldig bewaren. Hij heeft daarmee wonderen verricht.”„Dalim beweert dat het keukenzout La Cueille gered heeft.”„Het mocht wat,” lachte Johannes, „ik heb den kommandant te Kwala Kapoeas veel proeven zien nemen met het pijlvergif, op honden, apen en kippen. De zoutproef mislukte altijd. Steeds stierven de gekwetste dieren. Werd daarentegen dat stinkende vocht gebezigd, dan genazen zij bijna allen.”Wienersdorf zat in gedachten verzonken met het hoofd in de hand.[237]„Het is me toch iets raadselachtigs,” sprak hij eindelijk, „hoe die kerels in die versterking gekomen zijn. We hadden haar en het omliggend terrein toch zoo goed verkend.”„Dat hadden we ook,” antwoordde Johannes, „maar je zult wel opgemerkt hebben, dat in de achterflank van de kotta een paar gaten in de palissadeering bestaan. Nu bevonden zich die kerels binnen de enceinte en hebben, waakzaam als ze zijn, ons zien aankomen. Niet wetende wie we waren en ook onbekend met onze getalsterkte, namen zij door die gaten onbemerkt de wijk naar de wildernis. Van toen af hebben ze ons geen oogenblik onbespied gelaten en toen we geloofden alleen ter plaatse te zijn, gluurden een aantal vurige oogen van achter struiken en boomstammen ons achterna. ’t Is zeer waarschijnlijk een geluk voor ons allen geweest, dat onze Dajaksche makker dat brandhout ging halen. Voor een echten koppensneller was die gelegenheid te schoon, om onbenut voorbij te laten gaan. Ware die daad uitgebleven, wie weet of zich dan niet de gelegenheid voorgedaan had, ons in den laten nacht te komen overvallen. Een geeuwerig oogenblik van een schildwacht, het onwillekeurig sluiten der oogen, al was het ook maar gedurende weinige seconden, zou de gewenschte gelegenheid hebben aangeboden en weest verzekerd, dat die speurhonden haar niet onbenut voorbij zouden hebben laten gaan.”„Waarom schreeuwde je toch zoo bij het binnentreden der kotta?” vroeg La Cueille aan Wienersdorf.„Wel, ik struikelde en viel zoo lang ik was op het onthoofde lijk, dat nog te stuiptrekken lag. Ik stak mijn rechterhand uit om me op te richten en sloeg die op den romp, waaruit het warme bloed met stralen sprong. Verduiveld! wat rilling me toen langs de ruggewervels[238]voer! Maar jij moet ook zoo iets gevoeld hebben, van wat ik ondervond, toen je dien grijnzenden kop te pakken kreegt. Maar,” wendde Wienersdorf zich tot Dalim, „waarom deedt ge ons teruggaan, toen La Cueille dien kop opstak?”„Omdat die kop mij het bewijs leverde, dat de kajau’s nog in de nabijheid waren. Niet dan hoogst zelden verlaat de koppensneller het terrein, zonder den gesnelden kop mede te nemen. Dan ook wist ik niet hoe sterk die troep was.”„Ik meende dat de kajau steeds zijn slachtoffer bij het haar grijpt en dan den noodlottigen slag toebragt. Hoe is het nu mogelijk geweest, dat die kop op den grond gerold is?”„Dat begrijp ik ook niet goed,” verzekerde de Dajak. „In den regel gaat dat grijpen bij het haar en het toebrengen van den slag zoo snel in zijn werk, dat het slachtoffer gewoonlijk niet weet wat met hem voorvalt en den tijd niet heeft, een gil te slaken. Ge moet niet vergeten, dat de koppensneller, zorgvuldig achter struik of boomstam verscholen, zijn prooi onverwachts bespringt. En de behendigheid dier menschen is zóó groot, dat uiterst zelden een tweede slag noodig is, om het hoofd van den romp te scheiden. Er hebben zich gevallen van vlugheid voorgedaan, waar het slachtoffer nog eenige passen met zwaaiende armen voortliep, nadat de bloedige scheiding had plaats gegrepen en dan eerst nederstortte. Bij mijn makker schijnt het niet zoo snel toegegaan te zijn; hij heeft nog den tijd gehad te schreeuwen; bij een laatste poging tot zelfbehoud heeft hij nog getracht zijn bespringer te grijpen en hem waarschijnlijk een slag met zijn mandauw toegebracht. Bij die kortstondige worsteling heeft deze laatste den kop laten glippen op het oogenblik, dat wij door de[239]deur drongen. Dat de kajau’s in onze nabijheid waren, bewezen de pijltjes, die op ons afgezonden werden. Onze Sjech weet daar meer van te vertellen, niet waar?”„Ge zegt, dat uiterst zelden een tweede slag noodig is, om den kop van den romp te scheiden,” sprak Wienersdorf, „die behendigheid is toch merkwaardig. Hoe vaak toch is het in Europa niet in vroegere eeuwen gebeurd, dat bij terechtstellingen de beul herhaaldelijk moest toeslaan. Wanneer de executie met het zwaard plaats had, kwam dat zelfs dikwijls voor; toen de bijl en het blok gebezigd werden, vond het nog plaats, en er zijn zelfs gevallen bij het guillotineeren voorgekomen, dat de valbijl voor de tweede maal omhoog moest gehaald worden, om het slachtoffer af te maken.”„De Dajaksche jongelingen in de bovenlanden oefenen zich geregeld in het koppensnellen,” verklaarde Dalim. „Eerst plaatsen zij een klapperdop op een dunnen staak en is het voor het kind een behendig stuk dien staak vlak onder de noot, zonder deze te beschadigen, door te houwen; later, als zij meer kracht bekomen hebben, wordt de staak vervangen door een pop ter grootte van een veertienjarigen knaap, met een nekstuk van zacht maar toch veerkrachtig handjolotong2hout, en om de illusie te volmaken, wordt de klappernoot met een pruik versierd, vervaardigd van de vezels van den arengpalm, die, wanneer zij goed toebereid zijn, wel wat overeenkomst hebben met het sluike haar van de menschen van dit land. Van daar die groote bedrevenheid. Op lateren leeftijd onderhouden zij die, door ijverig aan sneltochten deel te nemen.”[240]„Ik moet er nog bijvoegen,” vervolgde Johannes de toelichting, „dat de Dajaks, zelfs die van de benedenlanden, zonder die oefening een buitengewone behendigheid bezitten in het hanteeren van den mandauw. Ik heb het te Kwala Kapoeas bijgewoond, dat in tegenwoordigheid van den kommandant iedere Dajak, hoe zwak zijn voorkomen ook was, een rijpe, doch nog groene klappernoot telkenmale en zonder eenige inspanning over dwars in tweeën sloeg, zoodanig, dat beide helften behoorlijk gescheiden waren. Geen Europeaan, hoe stevig ook, en welke kracht hij ook aanwendde, kon het verder brengen dan tot op de houtschaal der noot. De vezelige bast had den slag gebroken.”„Het blijft het oude liedje: „pas op je kop”,” mompelde La Cueille; „ik wou dat ik in mijn België gebleven was.O Belgique! o Belgique! mes amours, tu auras toujours,” neuriede hij.„Een rare instelling toch,” vervolgde Schlickeisen, „zijn meisje menschenkoppen aan te bieden.”„Zeker heel raar, maar toch een, waarvan de grond wel te raden is,” antwoordde Johannes. „Aanvankelijk zal het wel geweest zijn, dat de aanstaande een bewijs zijner dapperheid moest geven als waarborg, dat hij zijn vrouw en kroost zou weten te beschermen. En het beste bewijs, dat hij in die oorspronkelijke maatschappij van die dapperheid kon leveren, was wel het hoofd van een door hem gevelden vijand. Later is dat verbasterd en zijn de schedels tot weeldeartikelen geworden, die tot afschuwelijke sluipmoorden, somtijds van vrouwen en kinderen, en tot een afzichtelijken handel aanleiding geven. Zoodat een instelling, die met goede bedoelingen in het leven werd geroepen, tot een vloek van de geheele bevolking van een der grootste eilanden der aarde geworden is.”[241]„Maar in de benedenstreken, kan toch die gruwel niet meer plaats hebben, niet waar?” vroeg Wienersdorf aan Dalim.„We durven niet,” antwoordde deze, „de Hollanders willen het niet hebben.”„Dus alleen omdat die het verbieden, laat men het. Vindt ge dan het koppensnellen niet een afschuwelijk bedrijf?”„Tawèh! angat, kamaangkoe hirah,” (Wie zal dat uitmaken! volgens mijne opvatting wel mogelijk), was het flegmatieke antwoord, hetwelk bewees, dat de overtuiging van die afschuwelijkheid hier nog geen ingang gevonden had.Onder dergelijke gesprekken kropen de nachtelijke uren om, en verscheen eindelijk de dageraad, die door onze vrienden met een zucht van verlichting begroet werd. Toen het geheel dag was geworden, werd de kotta met alle behoedzaamheid verkend en vonden de veldontdekkers daarin niets dan het onthoofde lijk huns makkers. Op een geringen afstand daarvan lag een kleine plas bloed; maar die kon even goed van het afgehouwen hoofd als van een der koppensnellers afkomstig zijn. Bij de palissadeering evenwel werden ook bloeddroppels waargenomen, terwijl bij een der openingen op het paalwerk bloedige vingers afgedrukt stonden. Het was dus niet te gewaagd aan te nemen, dat de bespringers ook verliezen hadden, maar toch was er eenige teleurstelling op de gezichten der Zwitsers te lezen, omdat zij geene lijken van gevallen vijanden vonden.„Zouden die canailles er zonder kleerscheuren afgekomen zijn?” vroeg Schlickeisen niet zonder ergernis.„Neen zeker niet,” antwoordde Johannes eenigszins met drift, „dat bewijzen de bloedsporen die, ik zag het zoo even, tot aan den rivierkant, waar de kajau’s in[242]hun rangkan gestegen zijn, gevolgd kunnen worden. We moeten het terrein nog wat nader onderzoeken. Er valt evenwel te bedenken, dat het bij alle inboorlingen van Nederlandsch Indië tot een groote schande gerekend wordt, de lijken hunner gevallen wapenbroeders in de handen der vijanden achter te laten. Zoo het maar eenigszins mogelijk is, worden die steeds meegevoerd.”Toen de kotta onderzocht was, traden de deserteurs door een der openingen naar buiten, maar zochten lang te vergeefs in den omtrek. Eindelijk evenwel bij een zeer dichten struik, werd een plek waargenomen, waar het spichtige gras over eenige uitgestrektheid plat gedrukt was, alsof daar een menschelijk wezen gerust had. Toen Schlickeisen zich met het hakmes een doortocht tusschen de slinger- en doorngewassen tot het dichtste gedeelte van den struik gebaand had, zag hij daar twee lijken liggen, gekleed in vollen oorlogstooi, met den „karoenkoeng”, een maliënkolder van rottanschakels aan, met het mutsje van apenvel op het hoofd, in de linkerhand het beschermend schild, en in de andere den ontblooten mandauw geklemd. Volgens Dalim waren het Poenan’s, een Dajaksche stam, die in de binnenlanden van Borneo bij de bronnen van de Kahajan-Doesson- en Koetei-rivieren te huis hoort. Die stam is berucht door de stoutheid zijner tochten tot het verwerven van koppen. Beide mannen, die door geweerkogels geveld waren, hadden reeds verscheidene levensdraden afgesneden, te oordeelen naar de vlokken menschenhaar, die de grepen en scheeden hunner mandauws versierden. Het waren nog jonge kerels; maar Dalim verzekerde toch, dat de eene reeds vier en de andere zeven koppen had gesneld. Dit bleek uit het aantal bandjes van rooden rottan die de mandauwscheeden omwoelden.De beide Dajaksche tochtgenooten eigenden zich de[243]wapenen en de maliënkolders van de verslagenen toe en ploften daarna hunne lijken in de rivier, als een offer aan Djata, den opperkoning der krokodillen. Hun gesneuvelden makker waschten zij behoorlijk, beschilderden hem het voorhoofd en de nagels met sirihspuug, bij gebrek aan eenige andere verfstof, waarna zij met behulp der Europeanen een graf dolven en hem daarin legden. Zij plaatsten het hoofd op den romp, gaven het lijk den mandauw in de hand en legden zijn lans naast hem in den kuil. Toen zij daarmede klaar waren, nam ieder hunner een handvol rauwe rijst, strooiden die op het lichaam onder het uitspreken der woorden:„Djetoh akam” (dat is voor u).Vervolgens strooiden zij een tweede handvol, zeggende:„Djetoh impahitkoe” (dat zend ik aan mijne voorvaderen).En eindelijk nog een derde, waarbij zij prevelden:„Djetoh akau X X” (dit is voor X X), waarbij zij de namen noemden hunner bloedverwanten, die het laatst gestorven waren.Dat rijststrooien heet „mambowor” en mag bij begrafenissen nimmer achterwege gelaten worden. Na die plechtigheid hieven de beide makkers van den overledene een doordringend gegil aan, dat „tatoem” (de dooden beweenen) genoemd wordt, waarna zij het graf vulden. Om lijkschennis te voorkomen, hadden zij tot grafplaats een kleine plek tusschen dicht ineen gegroeide struiken uitgekozen, en eerst de graszoden daarvan zorgvuldig uitgestoken en zonder ze te beschadigen behoedzaam op zijde gelegd. Vervolgens hadden zij de uitgedolven aarde op een sprei verzameld, daarbij zorg dragende, dat geen kluitje daarnaast viel. Bij het vullen van den grafkuil trapten zij de aarde vast aan, plantten vervolgens een paar struikjes er op en herplaatsten[244]toen de zoden zoo nauwkeurig, dat het meest scherpziend oog niet kon ontwaren, waar de schop hare groeve ingesneden had. De overtollige aarde, op de sprei achtergebleven, werd met angstvalligheid in de rivier geworpen en het geheele graf rijkelijk met water besproeid, om verwelking der graszoden en der geplante struiken te voorkomen.Toen dat alles afgeloopen was, bestegen de vluchtelingen hunne prauw, sloegen de pagaaien met kracht in het water en verlieten die plek, die hun zoo noodlottig had kunnen worden.[245]
Midden in den nacht waren de vluchtelingen van soengei Mantangei op reis gegaan en hadden zij stevig door geroeid. Zij waren nu reeds zeven etmalen onderweg. Het landschap rondom hen begon van karakter te veranderen en langzamerhand zijn alluviale eigendommelijkheid te verliezen. Nog wel niet geheel en al, want soms wisselden zeer zachte glooiingen en verhevenheden van den grond, die zich nog maar alleen door hare veranderde flora deden onderkennen, andermaal met uitgestrekte moerasgronden af, die eindeloos toeschenen, maar, welker grenzen toch bereikt werden.
Hoe weinig de verheffing des bodems nog te beteekenen had, konden onze avonturiers afleiden uit het nog steeds regelmatig intreden van eb en vloed, die zich tot op dien aanmerkelijken afstand van de boorden der zee toch nog met zooveel kracht deed gevoelen, dat tweemaal daags de stroomdraad der rivier een tegenovergestelde richting aannam.
De „riwoet haroesan” (adem des vloeds) werd evenwel[224]al lang niet meer waargenomen; zoover dringt het zeewater landwaarts niet in. Zelfs was het water ter hoogte waar de deserteurs zich thans bevonden, niet meer brak en bleef ten allen tijde drinkbaar. Het zou ook niet lang meer duren of de vloedstroom zou hen verlaten en zij slechts aan het periodiek rijzen van den waterspiegel en aan het verminderen van de sterkte van den ebstroom, zouden ontwaren, dat de vloed aan de kusten doorstond. En eindelijk, naarmate het terrein zal rijzen, zal ook dat verschijnsel gewijzigd worden, totdat de onverzwakte rivierstroom zal overblijven, tegen wier kracht zij te kampen zullen hebben.
Het was zoo omstreeks het einde van „badjagi hai” (3 uur namiddag), toen de reizigers een plek bereikten, die bij de inboorlingen „petak bapoeti” (witte grond) genoemd wordt. Dit is een heuvelenrij van ongeveer veertig voet hoog, bestaande uit verblindend wit zand, niet ongelijk aan een duinenrij, die door den stroom zou zijn doorgebroken. Zelfs de helm ontbrak er niet; want op de hellingen bestaan uitgestrekte plekken met die grassoort of met een dergelijke begroeid. Hier heeft eenmaal de oceaan zijne wateren gerold en beukten zijne machtige golven die duinenrij. Een menigte schelpen worden in dat zand aangetroffen, maar van een geheel andere soort dan die in den kleiachtigen modder, die thans de zuidkust van Borneo omzoomt, gevonden wordt. Een andere omstandigheid, die pleit voor de stelling, dat eenmaal de zuidkust van het thans zoo groote eiland hier aangetroffen werd, is, dat aan de oevers van de Doesson, de Kahajan en de Mantawei rivieren, die met de Kapoeas nagenoeg evenwijdig stroomen, op dezelfde breedte ongeveer, dergelijke duinformatiën aangetroffen worden.
Het was voor de Europeanen vooral een uitkomst, zich op dat droge duin wat te kunnen vertreden; want[225]voor hem, die er de gewoonte niet van heeft, is het dagen lang zitten in een prauw met gekruiste beenen uiterst vermoeiend. Zij stapten dan ook heen en weer met een ijver, die bewees, dat zij de achterstallige beweging wilden inhalen en hielden zich daarbij onledig met het plukken van donkerroode vruchten, niet ongelijk aan onze braambeziën, die daar op die droge plek in groote menigte voorkwamen en door hare frissche rinschheid een aangename versnapering aan hun eentonig maal toevoegde.
Toen zij daar zoo omstreeks een uur gewandeld hadden, gaf Dalim het sein tot vertrek. Dat viel zeer tegen; want nu het eten daar bereid was geworden, was de hoop ontstaan, dat men het ook daar verorberd zou hebben en men ook verder daar verbleven zoude zijn; hetgeen het uitzicht op een aangename avondwandeling geopend had, alsook daarop dat men, in stede van in die wiegelende prauw, eens lekkertjes op vasten bodem zou hebben kunnen slapen. Maar Dalim had daar geen ooren naar.
„We moeten, voor dat de nacht invalt, kotta Towanan bereiken,” beweerde hij.
Nader verklaarde hij zich niet; evenwel vertelde hij, dat tepetak bapoetides nachts zooveel muskieten rondzwierven, dat, al gebruikte men nog zooveel brotoali, aan rusten niet te denken zou vallen. Het was, volgens zijn beweren, wel de plek waar de meeste muskieten van het geheele eiland Kalimantan bij elkander waren en zou dat aan de volgende omstandigheid te danken zijn:
De zoon van Sultan Koening, den Djata- of krokodillenkoning van de Batang Moeroeng1, zou in het huwelijk[226]treden met de dochter van Anding Maling Goena, den krokodillenvorst van de Kapoeasrivier. Dithuwelijkzou bijpetak bapoetivoltrokken worden en de visschen, waterslangen, garnalen, kikvorschen en andere waterbewoners, aldaar verzameld om de plechtigheid bij te wonen en luister bij te zetten, hadden niets beters weten uit te denken, om hunne hulde te bewijzen, dan den jonggehuwden eenige honderden centenaars muskieten ten huwelijksgeschenk aan te bieden. Dit was dankbaar aangenomen, en de nakomelingen van die muskieten brengen nog steeds op indrukmakende wijze die gewichtige gebeurtenis in het geheugen van den reiziger terug, wiens kwaad gesternte hem hier voert om den nacht door te brengen.
„Een raar huwelijkscadeau,” meende La Cueille, „je moet bepaald Dajak zijn om zoo iets te verzinnen. Mijne landslui zouden met zoo’n geschenk weinig gediend zijn.”
„Wie weet,” lachte Johannes, „als de Walinnetjes eens de ondervinding opgedaan hadden, dat een vracht muskieten het beste middel is om zelfs den slaperigsten echtgenoot wakker te houden, of dan ook zij niet zoo’n geschenk zouden begeeren. Maar om het even, ik moet erkennen, dat het niet een der aardigste legenden van het Dajakland is.”
„Ik hoorde Dalim van een eiland Kalimantan spreken. Wat is dat voor een eiland?” vroeg Wienersdorf.
Johannes vertelde toen, dat het de inlandsche naam was van het eiland Borneo, dat de Europeesche benaming, een verbastering van het woord „Broenai”, slechts een heel klein gedeelte van het geheele eiland aanduidt, namelijk van een klein rijk aan de noordwestkust gelegen.
„Heeft dat woord „Kalimantan” ook eenige beteekenis?”[227]
„„Kalimantawa” is de Dajaksche naam van de doerian. Deze vrucht op Borneo is evenwel niet zoo ellipsvormig als die op Java aangetroffen wordt, maar is aan het benedeneinde eenigszins uitgezet en afgeplat. De overeenkomst van den vorm van het eiland met dien van die vrucht, zou aanleiding tot den naam „Kalimantan” gegeven hebben.”
„Dat is geheel onmogelijk,” meende Wienersdorf. „Borneo is een der grootste eilanden der aarde en het nasporen van den omtrek van zulk een groot eiland, dat toch den vorm moet bepalen, vereischt een zekere mate van kundigheden en ontwikkeling, die bij geen volk in den Indischen archipel verondersteld kunnen worden.”
Dalim boog zich tot Johannes en fluisterde hem iets in het oor.
„Je kunt gelijk hebben,” hernam deze. „Dalim noemt mij daar de woorden „Kaliintan” (rivier der diamanten). Meer welluidend zal men dat vroeger „kalimintan” uitgesproken hebben, en zal het later tot „kalimantan”, volgens sommigen tot „kalimanten” verbasterd zijn. De uitlegging ligt voor de hand. Op Borneo worden, zoowel ter westkust als ter zuid- en oostkust, vele diamanten (intan) gevonden. Er zijn verscheidene plaatsen, die naar dat edelgesteente genoemd worden: Karangintan, Lokhintan, Djintan enz. Mij dunkt dat, vermits langs de oevers van vele rivieren diamanten gevonden werden, die riviertjeskaliintangenoemd werden en deze naam langzamerhand aan het geheele eiland is gegeven geworden.”
Onder dergelijk gekout werd de tijd gekort en kwamen de reizigers in de nabijheid van kotta Towanan aan. Dat was een Dajaksche versterking, zooals zij in de binnenlanden van Borneo overal tot bescherming tegen de koppensnellers te vinden zijn. Deze[228]was evenwel in het begin van 1859 tegen de Nederlanders aangelegd. Haar vorm was die eener langwerpige vierkante redoute zonder uitspringende gedeelten; hare borstwering bestond uit stevige ijzerhouten palen van respektabele dikte en was van afstand tot afstand met „hampatongs” versierd. „Hampatongs” zijn levensgroote houten beelden, gewoonlijk Dajaksche strijders in alle mogelijke gevechtstoestanden voorstellende en meestal vrij goed gesneden, altijd in aanmerking genomen het volk, dat ze vervaardigt en van kunst niet veel begrip heeft.
Verdedigd werd die sterkte nimmer. Toen het Nederlandsche stoomschip Montrado haar met zijn dertigponders naderde, sloeg der bezetting de schrik om het lijf en zocht zij haar heil in de vlucht.
Op een korten afstand genaderd, evenwel nog door de laatste stroombuiging gedekt, raadde Dalim aan te leggen om de kotta eerst te verkennen, daar zij nog al eens tot schuilplaats verstrekt aan „bigal’s en „kajau’s” (rivier-roovers en koppensnellers). Hij, met Schlickeisen en La Cueille, steeg behoorlijk gewapend aan wal en drongen zij het bosch in, om die verkenning te maken. Zij bleven evenwel niet lang uit, maar brachten spoedig het bericht, dat de kotta verlaten bevonden was en dat zij niets, wat onraad kon aanwijzen, hadden opgemerkt.
Aanvankelijk was het voornemen zich voor den nacht in de kotta in te richten. Allen hunkerden toch eens een gerusten slaap op den vasten bodem te genieten. Maar toen Wienersdorf den toestand van de versterking en het omliggend terrein opgenomen had, merkte hij op, dat, zoowel de voor- als achterflank bewaakt zoude moeten worden om tegen een overval beveiligd te zijn, daar in beide flanken openingen gevallen waren.[229]Hunne prauw, die alles bevatte wat waarde voor hen had, zoude ook bewaakt moeten worden, zoodat een zoodanige nachtdienst de krachten van het kleine troepje te boven ging en er nog bij kwam, dat niemand hunner den vorigen nacht ook maar een oogenblik gerust had. Er werd dan ook besloten in de prauw te blijven, dan was het voldoende, dat een hunner waakzaam bleef en konden de anderen een ongestoorde rust genieten. Toen de avond gevallen was, begonnen de Dajaks den eersten wachtdienst en zouden de Europeanen de nanachtswachturen voor hunne rekening nemen. Dat was nu wel de aangenaamste regeling niet, maar wel de zekerste, met de wetenschap, dat de inboorling een slecht waker is en vooral na middernacht zittende of staande, geheel onbewust insluimert.
Toch zou van nachtrust niet veel komen; zij zou op vreeselijke wijze gestoord en voor de rest van den nacht geheel verijdeld worden.
Het kon omstreeks negen uur des avonds zijn. De Europeanen hadden zich in hunne spreien gewikkeld en te slapen gelegd en de drie Dajaks zaten met elkander te fluisteren, toen Dalim de opmerking maakte, dat de voorraad brandhout te gering was, om het vuurtje, dat op den oever aangelegd was, ten einde een overzicht over het terrein te hebben, te onderhouden. Hij droeg een zijner makkers op, dien voorraad aan te vullen, hem daartoe een hoop dorre takken aanwijzende, dien hij over dag in de versterking opgemerkt had. Deze maakte hoegenaamd geen bezwaren, daar hij die takken ook gezien had en hij slechts weinige passen te doen had om ze te bereiken. De achterblijvenden zagen hem bij het schijnsel van het vuur, met zijn mandauw in de hand aan wal stappen en door den ingang der versterking verdwijnen, toen eensklaps[230]een hartverscheurende gil weerklonk, die het bloed der twee wachthebbenden schier deed verstijven en de Europeanen onmiddellijk, als met een tooverslag, op de been bracht. Wienersdorf en La Cueille hadden het eerst ieder een geweer gegrepen en sprongen aan wal. Dalim volgde hen op de hielen met den koppensneller in de vuist; de anderen tuurden scherp uit, met het geweer in den aanslag en den vinger aan den trekker. Behoedzaam en met gevelde bajonet drongen de beide eerstgenoemden den ingang der versterking binnen; maar Wienersdorf struikelde al dadelijk en viel, terwijl hij na zijn val een kreet van afgrijzen uitstiet. Dalim volgde onmiddellijk met een brandend stuk hout in de hand; en bij het zwakke schijnsel daarvan ontwaarden zij het lichaam van hunnen Dajakschen makker, echter hoofdeloos. Het lijk was volgens de regels der Dajaksche kunst behoorlijk gesneld; dat wil zeggen, dat met één slag van den vreeselijken mandauw het hoofd van den romp gescheiden was. In den regel geschiedt die daad zoo verbazend snel, dat in de meeste gevallen het slachtoffer de eeuwigheid instapt, geheel onbewust van het lot dat hem treft. Maar hier scheen de aangevallene in de laatste seconde inzicht in zijn toestand gehad te hebben, af te leiden uit den gil, dien hij geslaakt had. Ook scheen hij met de linkerhand zijn aanvaller nog gegrepen te hebben; want een stuk van een ewah bevond zich in die hand geklemd, terwijl de rechter nog den mandauw omsloten hield.
Op weinige passen ter zijde van het lijk zag La Cueille iets in het gras trekken en bewegen. Hij bukte zich en greep er naar; maar stiet een kreet van afgrijzen uit en onmachtig om los te laten, wat hij gegrepen had, hief hij het hoofd van hun makker bij de haren op, dat in de laatste oogenblikken van den bangen[231]doodstrijd de oogen vreeselijk rolde en de kaken en lippen bewoog, alsof hij wat zeggen wilde. Op het zien van dat hoofd riep Dalim verschrikt uit, terwijl hij achteruit stoof:
„Oendoer goeloeng goeloeng!” (spoedig terug).
Die woorden waren hem nog niet van de lippen, toen een fluitend geluid waargenomen werd en La Cueille met een krassen Waalschen vloek uitgilde, dat hij gekwetst was. Hij bracht zonder den kop los te laten, het geweer in den aanslag; maar Dalim greep hem bij den arm en trok hem naar de prauw, terwijl Wienersdorf de achterhoede dekte en met zijn Remmingtongeweer eenige schoten in de dikke duisternis afgaf. Toen zij in den lichtkring van het vuur bij de prauw traden, meende LaCueillezich iets in de struiken aan den voet van de palissadeering der versterking te zien bewegen; hij rukte zich los van Dalim, wierp den nog bloedenden kop in de prauw en schoot zijn geweer in de richting dier struiken af. Dat schot werd beantwoord met een uittartend: „lēēēēh, lèlèlèlèlè ouiiiit!” en tegelijkertijd drongen eenige gedaanten met den mandauw in de vuist uit de duisternis in den lichtkring te voorschijn. Nu was het evenwel de beurt aan Johannes en Schlickeisen, die kalm in de prauw gebleven waren en het gunstig oogenblik bespiedden om handelend op te treden. Schlickeisen had het tweede Remmingtongeweer in handen; Wienersdorf en de Waal stelden zich in de nabijheid der prauw op, en nu weerklonk een geweervuur, dat de aanvallende Dajaks, die over het algemeen toch al geen helden zijn tegenover vuurwapenen, spoedig op de vlucht dreef. De twee eerste schoten van de twee Europeanen in de prauw waren daarbij afdoende geweest; want die, met alle bedaardheid afgegeven, hadden doel getroffen; men had althans twee der aanvallers zien ter aarde storten.[232]
Toen niets meer ontwaard werd aan den oever, hield het vuren op en konden onze avonturiers tot verademing komen. La Cueille klaagde over pijn in den linkerarm. Toen Wienersdorf dien arm onderzocht, bleek het dat de Waal met een vergiftigd pijltje gekwetst was. Allen keken elkander bedrukt aan, want zooveel hadden zij wel van het pijlvergif vernomen, dat de vreeselijke uitwerking daarvan hun bekend was. Dalim greep een handvol keukenzout en wreef daarmede zoo krachtig het tandvleesch van den lijder in, dat zich een overvloedig bloederig speeksel ontlastte. Hij wilde ook de gekwetste plaats inwrijven, maar Wienersdorf stiet hem ter zijde, haalde een fleschje met ammonia liquida te voorschijn, maakte met zijn zakmes een vrij diepe kruissnee over het wondje en liet daarin eenige droppels van zijn alkali vallen. De Waal brulde van pijn, schreeuwde en wrong zich, terwijl hij niet zelden een vroom:
„Sainte Vierge, priez pour moi!” afwisselde met een krachtigen Waalschen vloek.
Bij al den ernst, dien de omstandigheden medebrachten, kon Johannes toch niet nalaten, La Cueille er op te wijzen, dat hij zijn rol van Arabier al heel aardig vergat en raadde hem aan een innig:
„Lā ilāha illa—llāhoe” (Er is geen God dan Allah) te prevelen, in stede van zich tot de Heilige Maagd te wenden. De Waal voelde een innige minachting voor zijnen bruinen stamgenoot, maar had te veel pijn, om die te uiten. Na veel zuchten en klagen, viel hij in een diepen slaap, hetgeen door Dalim als een uiterst gunstig voorteeken werd aangemerkt.
Dat voor de overigen aan geen rusten te denken viel, lag voor de hand. Zij wisten den vijand in de onmiddellijke nabijheid en zaten dan ook met het geweer in de hand en den vinger aan den trekker, achter het[233]prauwboord gedoken, den oever gade te slaan, van waar zij een vernieuwden aanval konden verwachten. Langen tijd bleef het rustig en trok niets bijzonders hunne aandacht, toen eensklaps achter hen op de rivier het bekende, maar toch steeds schrikkelijk:
„Lēēēh lèlèlèlèlè ouiiiiit!” weerklonk en een hagelbui pijltjes over de prauw heen en onder de dakbedekking er van door floot. Toen de verdedigers zich haastig omkeerden, konden zij nog even een rangkan in den zwaren stroom te midden der rivier zien voorbijschieten, terwijl het uitdagend gegil bleef weerklinken. Zij hadden den tijd nog eenige schoten te lossen, die schenen hun doel niet gemist te hebben, want het uittartend geschreeuw verstomde plotseling en werd vervangen door kreten van smart, die nog geruimen tijd in de nachtelijke stilte weerklonken, langzamerhand verzwakten en eindelijk door den afstand niet meer waarneembaar waren.
Op dien Dajakschen oorlogskreet en het daarop gevolgde schieten was La Cueille uiterst verschrikt uit zijn bedwelmenden slaap opgevlogen, had in de dikke duisternis in de prauw rondgetast en de hand gelegd op den bloedigen kop, dien hij zelf eenige uren te voren in de prauw geworpen had, maar wat hem nu in zijn ontsteltenis ontgaan was. In zijn buitensporigen angst en nog geheel onder den invloed van het zoo straks gebeurde, vermeende hij, dat zij overvallen en de koppensnellers aan boord waren en het bloedige werk reeds onder zijn makkers begonnen was. Gelukkig dat hij in dien overspannen toestand geen wapen in de nabijheid had, want bij de duisternis, die er heerschte, zou hij zeker groote onheilen hebben aangericht. In zijne onberedeneerde zucht tot zelfbehoud greep hij toch nog Johannes, dien hij niet herkennen kon, bij den nek en trachtte hem te[234]verworgen, totdat die, eindelijk driftig geworden, hem een paar muilperen toediende, uitroepende:
„Die verduivelde Waal! hij legt het op mijn leven toe; de vent is razend.”
Toen kwam La Cueille tot bezinning niet alleen, maar schoten ook Wienersdorf en Schlickeisen tot ontzet toe. Allen vermeenden, dat het een plotselinge uitbarsting van verstandsverbijstering was, door het pijlvergif veroorzaakt. Maar zoodra had de Waal zijn ontwaken verhaald, zijn vreeselijken angst, het grijpen van dien kop en wat daarbij in zijn brein was omgegaan, of allen barstten in een uitbundig gelach uit en feliciteerden den vreemdsoortigen koppensneller, die beangst geworden was voor den kop, dien hij zelf te huis had gebracht.
„We zullen dien kop netjes voor je klaarmaken en poetsen,” zei Johannes, „dan kun je hem mee naar Jupille nemen. Als ex-voto zou hij onbetaalbaar prijken; toch moet ik je afraden hem daarvoor te bezigen. Wie weet hoe lief je de Walinnetjes zullen aankijken, als je je op Dajaksche wijze deklareert en de uitverkorene een bekkeneel aanbiedt.”
Allen schaterden het uit over den uitval, behalve La Cueille, die van den schrik nog niet geheel bekomen was. Een flinke teug toeak hielp hem evenwel op streek.
Na dergelijke gebeurtenissen viel aan slapen niet meer te denken; hoewel Dalim de verzekering gaf, dat nu niets meer te vreezen was, daar het troepje koppensnellers gevlucht was, en zij het waarschijnlijk waren, die in dien rangkan voorbij vloden. Dat woordje „waarschijnlijk” klonk evenwel onrustbarend in de ooren van allen; zekerheid bestond dus niet, en daarom werd dan ook maar besloten de uiterste voorzichtigheid te betrachten en de verschijning van Aurora met het geweer in de hand af te wachten. Waakzaam zijn en praten[235]kon echter zeer goed met elkander gaan; de tongen roerden zich dan ook op een wijze die bewees, dat de geschokte zenuwen nog lang niet in rust waren.
„Dat gaat goed,” meende Schlickeisen, „in twee dagen tijd heeft onze kleine macht een verlies geleden van een doode en twee gekwetsten. Als dat zoo voortgaat naar mate wij de bovenlanden naderen, dan zullen er niet veel van ons overblijven om in het oude Europa te gaan verhalen, wat er van ons geworden is.”
„Ah bah! dacht je dat we er zonder kleerscheuren zouden afkomen?” vroeg Johannes; „als de helft van ons de Chineesche zee bereikt, dan mag die—de helft bedoel ik, niet de zee—van geluk spreken. Eigenlijk is ons aller leventje geen enkel dubbeltje waard.”
„Je bent nog al lollig met je voorstellingen,” lachte Wienersdorf.
„Hij is net zoo lollig als zijn natuurlijke huid blank is,” gromde La Cueille. „Die nare Sienjo maakt iemand het leven nog onaangenamer dan het is. Al die verhalen en voorspellingen doen niets ter zake af en kunnen ook niets aan onzen toestand veranderen. Ze maken je maar ontijdig onlekker.”
„Je moet het leven nemen zoo als het is en de toestanden onverschrokken onder de oogen durven zien. Zich illusiën scheppen leidt tot niets dan tot teleurstellingen. Ons steeds voorbereid houden op alle gebeurlijkheden, dat moet ons steeds voor oogen zweven; dan komen de rampen nimmer onverwacht. Maar zich muizenissen in ’t hoofd te halen, is ook onverstandig. Onze toestand is nog zoo heel erg niet; ’t is te betreuren dat we een onzer makkers verloren hebben, maar een geluk is het, dat geen van ons vieren gevallen is. Dat zou een ware ramp zijn. We zullen zien den ontbrekende te[236]vervangen; ja, ik denk er zelfs aan, onze macht uit te breiden, zoodra de gelegenheid zich daartoe zal voordoen. Want dat valt niet te ontveinzen, hoe verder we de binnenlanden zullen intrekken, hoe meer de gevaren zullen toenemen. Wat nu evenwel de gekwetsten betreft, dat heeft niet veel te beduiden. De boabeet van Wienersdorf is zoo goed als genezen en nu La Cueille nog niet dood is, kunnen we over dien speldenprik lachen. Wat heeft die Waal een spektakel gemaakt!” schaterde Johannes.
„Nu ik nog niet dood ben. Je spreekt er gemakkelijk over,” pruttelde de betrokkene rillend bij de gedachte. „Was daar dan gevaar voor?”
„Toen ik dat pijltje zag, gaf ik geen oortje voor je leven. Die dingen werken verbazend snel. Eerst wat beven, dan wat tandenknarsen, eindelijk wat verwarde taal en spektakel als van een lastigen dronkaard; daarmee is alles uit en dat nog wel binnen het half uur. Nu er al veel langer tijd verstreken is, behoef je je niet meer ongerust te maken.”
De Waal deed een zucht van verlichting hooren.
„Maar Wienersdorf,” vervolgde Johannes, „moet dat fleschje met dat stinkend goed zorgvuldig bewaren. Hij heeft daarmee wonderen verricht.”
„Dalim beweert dat het keukenzout La Cueille gered heeft.”
„Het mocht wat,” lachte Johannes, „ik heb den kommandant te Kwala Kapoeas veel proeven zien nemen met het pijlvergif, op honden, apen en kippen. De zoutproef mislukte altijd. Steeds stierven de gekwetste dieren. Werd daarentegen dat stinkende vocht gebezigd, dan genazen zij bijna allen.”
Wienersdorf zat in gedachten verzonken met het hoofd in de hand.[237]
„Het is me toch iets raadselachtigs,” sprak hij eindelijk, „hoe die kerels in die versterking gekomen zijn. We hadden haar en het omliggend terrein toch zoo goed verkend.”
„Dat hadden we ook,” antwoordde Johannes, „maar je zult wel opgemerkt hebben, dat in de achterflank van de kotta een paar gaten in de palissadeering bestaan. Nu bevonden zich die kerels binnen de enceinte en hebben, waakzaam als ze zijn, ons zien aankomen. Niet wetende wie we waren en ook onbekend met onze getalsterkte, namen zij door die gaten onbemerkt de wijk naar de wildernis. Van toen af hebben ze ons geen oogenblik onbespied gelaten en toen we geloofden alleen ter plaatse te zijn, gluurden een aantal vurige oogen van achter struiken en boomstammen ons achterna. ’t Is zeer waarschijnlijk een geluk voor ons allen geweest, dat onze Dajaksche makker dat brandhout ging halen. Voor een echten koppensneller was die gelegenheid te schoon, om onbenut voorbij te laten gaan. Ware die daad uitgebleven, wie weet of zich dan niet de gelegenheid voorgedaan had, ons in den laten nacht te komen overvallen. Een geeuwerig oogenblik van een schildwacht, het onwillekeurig sluiten der oogen, al was het ook maar gedurende weinige seconden, zou de gewenschte gelegenheid hebben aangeboden en weest verzekerd, dat die speurhonden haar niet onbenut voorbij zouden hebben laten gaan.”
„Waarom schreeuwde je toch zoo bij het binnentreden der kotta?” vroeg La Cueille aan Wienersdorf.
„Wel, ik struikelde en viel zoo lang ik was op het onthoofde lijk, dat nog te stuiptrekken lag. Ik stak mijn rechterhand uit om me op te richten en sloeg die op den romp, waaruit het warme bloed met stralen sprong. Verduiveld! wat rilling me toen langs de ruggewervels[238]voer! Maar jij moet ook zoo iets gevoeld hebben, van wat ik ondervond, toen je dien grijnzenden kop te pakken kreegt. Maar,” wendde Wienersdorf zich tot Dalim, „waarom deedt ge ons teruggaan, toen La Cueille dien kop opstak?”
„Omdat die kop mij het bewijs leverde, dat de kajau’s nog in de nabijheid waren. Niet dan hoogst zelden verlaat de koppensneller het terrein, zonder den gesnelden kop mede te nemen. Dan ook wist ik niet hoe sterk die troep was.”
„Ik meende dat de kajau steeds zijn slachtoffer bij het haar grijpt en dan den noodlottigen slag toebragt. Hoe is het nu mogelijk geweest, dat die kop op den grond gerold is?”
„Dat begrijp ik ook niet goed,” verzekerde de Dajak. „In den regel gaat dat grijpen bij het haar en het toebrengen van den slag zoo snel in zijn werk, dat het slachtoffer gewoonlijk niet weet wat met hem voorvalt en den tijd niet heeft, een gil te slaken. Ge moet niet vergeten, dat de koppensneller, zorgvuldig achter struik of boomstam verscholen, zijn prooi onverwachts bespringt. En de behendigheid dier menschen is zóó groot, dat uiterst zelden een tweede slag noodig is, om het hoofd van den romp te scheiden. Er hebben zich gevallen van vlugheid voorgedaan, waar het slachtoffer nog eenige passen met zwaaiende armen voortliep, nadat de bloedige scheiding had plaats gegrepen en dan eerst nederstortte. Bij mijn makker schijnt het niet zoo snel toegegaan te zijn; hij heeft nog den tijd gehad te schreeuwen; bij een laatste poging tot zelfbehoud heeft hij nog getracht zijn bespringer te grijpen en hem waarschijnlijk een slag met zijn mandauw toegebracht. Bij die kortstondige worsteling heeft deze laatste den kop laten glippen op het oogenblik, dat wij door de[239]deur drongen. Dat de kajau’s in onze nabijheid waren, bewezen de pijltjes, die op ons afgezonden werden. Onze Sjech weet daar meer van te vertellen, niet waar?”
„Ge zegt, dat uiterst zelden een tweede slag noodig is, om den kop van den romp te scheiden,” sprak Wienersdorf, „die behendigheid is toch merkwaardig. Hoe vaak toch is het in Europa niet in vroegere eeuwen gebeurd, dat bij terechtstellingen de beul herhaaldelijk moest toeslaan. Wanneer de executie met het zwaard plaats had, kwam dat zelfs dikwijls voor; toen de bijl en het blok gebezigd werden, vond het nog plaats, en er zijn zelfs gevallen bij het guillotineeren voorgekomen, dat de valbijl voor de tweede maal omhoog moest gehaald worden, om het slachtoffer af te maken.”
„De Dajaksche jongelingen in de bovenlanden oefenen zich geregeld in het koppensnellen,” verklaarde Dalim. „Eerst plaatsen zij een klapperdop op een dunnen staak en is het voor het kind een behendig stuk dien staak vlak onder de noot, zonder deze te beschadigen, door te houwen; later, als zij meer kracht bekomen hebben, wordt de staak vervangen door een pop ter grootte van een veertienjarigen knaap, met een nekstuk van zacht maar toch veerkrachtig handjolotong2hout, en om de illusie te volmaken, wordt de klappernoot met een pruik versierd, vervaardigd van de vezels van den arengpalm, die, wanneer zij goed toebereid zijn, wel wat overeenkomst hebben met het sluike haar van de menschen van dit land. Van daar die groote bedrevenheid. Op lateren leeftijd onderhouden zij die, door ijverig aan sneltochten deel te nemen.”[240]
„Ik moet er nog bijvoegen,” vervolgde Johannes de toelichting, „dat de Dajaks, zelfs die van de benedenlanden, zonder die oefening een buitengewone behendigheid bezitten in het hanteeren van den mandauw. Ik heb het te Kwala Kapoeas bijgewoond, dat in tegenwoordigheid van den kommandant iedere Dajak, hoe zwak zijn voorkomen ook was, een rijpe, doch nog groene klappernoot telkenmale en zonder eenige inspanning over dwars in tweeën sloeg, zoodanig, dat beide helften behoorlijk gescheiden waren. Geen Europeaan, hoe stevig ook, en welke kracht hij ook aanwendde, kon het verder brengen dan tot op de houtschaal der noot. De vezelige bast had den slag gebroken.”
„Het blijft het oude liedje: „pas op je kop”,” mompelde La Cueille; „ik wou dat ik in mijn België gebleven was.O Belgique! o Belgique! mes amours, tu auras toujours,” neuriede hij.
„Een rare instelling toch,” vervolgde Schlickeisen, „zijn meisje menschenkoppen aan te bieden.”
„Zeker heel raar, maar toch een, waarvan de grond wel te raden is,” antwoordde Johannes. „Aanvankelijk zal het wel geweest zijn, dat de aanstaande een bewijs zijner dapperheid moest geven als waarborg, dat hij zijn vrouw en kroost zou weten te beschermen. En het beste bewijs, dat hij in die oorspronkelijke maatschappij van die dapperheid kon leveren, was wel het hoofd van een door hem gevelden vijand. Later is dat verbasterd en zijn de schedels tot weeldeartikelen geworden, die tot afschuwelijke sluipmoorden, somtijds van vrouwen en kinderen, en tot een afzichtelijken handel aanleiding geven. Zoodat een instelling, die met goede bedoelingen in het leven werd geroepen, tot een vloek van de geheele bevolking van een der grootste eilanden der aarde geworden is.”[241]
„Maar in de benedenstreken, kan toch die gruwel niet meer plaats hebben, niet waar?” vroeg Wienersdorf aan Dalim.
„We durven niet,” antwoordde deze, „de Hollanders willen het niet hebben.”
„Dus alleen omdat die het verbieden, laat men het. Vindt ge dan het koppensnellen niet een afschuwelijk bedrijf?”
„Tawèh! angat, kamaangkoe hirah,” (Wie zal dat uitmaken! volgens mijne opvatting wel mogelijk), was het flegmatieke antwoord, hetwelk bewees, dat de overtuiging van die afschuwelijkheid hier nog geen ingang gevonden had.
Onder dergelijke gesprekken kropen de nachtelijke uren om, en verscheen eindelijk de dageraad, die door onze vrienden met een zucht van verlichting begroet werd. Toen het geheel dag was geworden, werd de kotta met alle behoedzaamheid verkend en vonden de veldontdekkers daarin niets dan het onthoofde lijk huns makkers. Op een geringen afstand daarvan lag een kleine plas bloed; maar die kon even goed van het afgehouwen hoofd als van een der koppensnellers afkomstig zijn. Bij de palissadeering evenwel werden ook bloeddroppels waargenomen, terwijl bij een der openingen op het paalwerk bloedige vingers afgedrukt stonden. Het was dus niet te gewaagd aan te nemen, dat de bespringers ook verliezen hadden, maar toch was er eenige teleurstelling op de gezichten der Zwitsers te lezen, omdat zij geene lijken van gevallen vijanden vonden.
„Zouden die canailles er zonder kleerscheuren afgekomen zijn?” vroeg Schlickeisen niet zonder ergernis.
„Neen zeker niet,” antwoordde Johannes eenigszins met drift, „dat bewijzen de bloedsporen die, ik zag het zoo even, tot aan den rivierkant, waar de kajau’s in[242]hun rangkan gestegen zijn, gevolgd kunnen worden. We moeten het terrein nog wat nader onderzoeken. Er valt evenwel te bedenken, dat het bij alle inboorlingen van Nederlandsch Indië tot een groote schande gerekend wordt, de lijken hunner gevallen wapenbroeders in de handen der vijanden achter te laten. Zoo het maar eenigszins mogelijk is, worden die steeds meegevoerd.”
Toen de kotta onderzocht was, traden de deserteurs door een der openingen naar buiten, maar zochten lang te vergeefs in den omtrek. Eindelijk evenwel bij een zeer dichten struik, werd een plek waargenomen, waar het spichtige gras over eenige uitgestrektheid plat gedrukt was, alsof daar een menschelijk wezen gerust had. Toen Schlickeisen zich met het hakmes een doortocht tusschen de slinger- en doorngewassen tot het dichtste gedeelte van den struik gebaand had, zag hij daar twee lijken liggen, gekleed in vollen oorlogstooi, met den „karoenkoeng”, een maliënkolder van rottanschakels aan, met het mutsje van apenvel op het hoofd, in de linkerhand het beschermend schild, en in de andere den ontblooten mandauw geklemd. Volgens Dalim waren het Poenan’s, een Dajaksche stam, die in de binnenlanden van Borneo bij de bronnen van de Kahajan-Doesson- en Koetei-rivieren te huis hoort. Die stam is berucht door de stoutheid zijner tochten tot het verwerven van koppen. Beide mannen, die door geweerkogels geveld waren, hadden reeds verscheidene levensdraden afgesneden, te oordeelen naar de vlokken menschenhaar, die de grepen en scheeden hunner mandauws versierden. Het waren nog jonge kerels; maar Dalim verzekerde toch, dat de eene reeds vier en de andere zeven koppen had gesneld. Dit bleek uit het aantal bandjes van rooden rottan die de mandauwscheeden omwoelden.
De beide Dajaksche tochtgenooten eigenden zich de[243]wapenen en de maliënkolders van de verslagenen toe en ploften daarna hunne lijken in de rivier, als een offer aan Djata, den opperkoning der krokodillen. Hun gesneuvelden makker waschten zij behoorlijk, beschilderden hem het voorhoofd en de nagels met sirihspuug, bij gebrek aan eenige andere verfstof, waarna zij met behulp der Europeanen een graf dolven en hem daarin legden. Zij plaatsten het hoofd op den romp, gaven het lijk den mandauw in de hand en legden zijn lans naast hem in den kuil. Toen zij daarmede klaar waren, nam ieder hunner een handvol rauwe rijst, strooiden die op het lichaam onder het uitspreken der woorden:
„Djetoh akam” (dat is voor u).
Vervolgens strooiden zij een tweede handvol, zeggende:
„Djetoh impahitkoe” (dat zend ik aan mijne voorvaderen).
En eindelijk nog een derde, waarbij zij prevelden:
„Djetoh akau X X” (dit is voor X X), waarbij zij de namen noemden hunner bloedverwanten, die het laatst gestorven waren.
Dat rijststrooien heet „mambowor” en mag bij begrafenissen nimmer achterwege gelaten worden. Na die plechtigheid hieven de beide makkers van den overledene een doordringend gegil aan, dat „tatoem” (de dooden beweenen) genoemd wordt, waarna zij het graf vulden. Om lijkschennis te voorkomen, hadden zij tot grafplaats een kleine plek tusschen dicht ineen gegroeide struiken uitgekozen, en eerst de graszoden daarvan zorgvuldig uitgestoken en zonder ze te beschadigen behoedzaam op zijde gelegd. Vervolgens hadden zij de uitgedolven aarde op een sprei verzameld, daarbij zorg dragende, dat geen kluitje daarnaast viel. Bij het vullen van den grafkuil trapten zij de aarde vast aan, plantten vervolgens een paar struikjes er op en herplaatsten[244]toen de zoden zoo nauwkeurig, dat het meest scherpziend oog niet kon ontwaren, waar de schop hare groeve ingesneden had. De overtollige aarde, op de sprei achtergebleven, werd met angstvalligheid in de rivier geworpen en het geheele graf rijkelijk met water besproeid, om verwelking der graszoden en der geplante struiken te voorkomen.
Toen dat alles afgeloopen was, bestegen de vluchtelingen hunne prauw, sloegen de pagaaien met kracht in het water en verlieten die plek, die hun zoo noodlottig had kunnen worden.[245]
1Batang Moeroeng is de naam van den westelijken arm van de Doesson, van Moeara Poeloe af, waar die rivier zich in twee takken splitst, tot aan zee. Bij de Europeanen heet die arm Kleine Dajakrivier.↑2Zie over dezen boom de noot op bladz.211. Er kan hier nog bijgevoegd worden, dat dit hout bij voorkeur tot het beschreven doel gebezigd wordt omdat het door zijn kurkachtigheid het meest overeenkomt met het nekweefsel.↑
1Batang Moeroeng is de naam van den westelijken arm van de Doesson, van Moeara Poeloe af, waar die rivier zich in twee takken splitst, tot aan zee. Bij de Europeanen heet die arm Kleine Dajakrivier.↑2Zie over dezen boom de noot op bladz.211. Er kan hier nog bijgevoegd worden, dat dit hout bij voorkeur tot het beschreven doel gebezigd wordt omdat het door zijn kurkachtigheid het meest overeenkomt met het nekweefsel.↑
1Batang Moeroeng is de naam van den westelijken arm van de Doesson, van Moeara Poeloe af, waar die rivier zich in twee takken splitst, tot aan zee. Bij de Europeanen heet die arm Kleine Dajakrivier.↑
1Batang Moeroeng is de naam van den westelijken arm van de Doesson, van Moeara Poeloe af, waar die rivier zich in twee takken splitst, tot aan zee. Bij de Europeanen heet die arm Kleine Dajakrivier.↑
2Zie over dezen boom de noot op bladz.211. Er kan hier nog bijgevoegd worden, dat dit hout bij voorkeur tot het beschreven doel gebezigd wordt omdat het door zijn kurkachtigheid het meest overeenkomt met het nekweefsel.↑
2Zie over dezen boom de noot op bladz.211. Er kan hier nog bijgevoegd worden, dat dit hout bij voorkeur tot het beschreven doel gebezigd wordt omdat het door zijn kurkachtigheid het meest overeenkomt met het nekweefsel.↑