[Inhoud]XIII.Vaart op de rivier.—Toxicologie.—De „siren” en de „ipoh”.—De soengei Moeroi.—Een vlot.—Op de Danau Ampang.—De „tanggirangs”.—Een wasinzameling.—De aanval.—Plotseling verlicht.—Het gevecht.—Een kamp op leven en dood.—„Blakoe ampoen”.—Een tooneel van onderwerping.„De drommel moge zoo’n stroom halen!” pruttelde La Cueille binnensmonds, „je ziet niet dat we vooruit komen.”En werkelijk het kostte inspanning en ook genoeg zweet onder de tropische zon, om den aandrang van het water te breken en veld te winnen. Er waren soms oogenblikken, als scherpe hoeken omgevaren moesten worden, dat het oog zoo dadelijk niet waarnemen kon of men vorderde ja dan neen. Het was dan of de prauw op de watervlakte heen en weder gierde, zonder voor- of achteruit te komen. Maar dan werden de pagaaien met verdubbelde kracht in ’t water geslagen en eerst langzaam, daarna iets beter, ging het vooruit.Er was een ware kennis van de vaart op de rivier noodig om hoeken af te snijden, bochten te mijden, van stroomdraaiingen gebruik te maken, zand- en rolsteenbanken te ontloopen, rotsblokken om te sturen, in een woord om zonder gevaar de reis in den kortst mogelijken tijd te volbrengen. Wat nog al tot veel omzichtigheid noopte, was de aanwezigheid van een groot aantal doode boomen in de bedding der rivier, die het vaarwater al[246]zeer onveilig maakten. Door storm of overstrooming aan den vasten wal ontrukt, worden die woudreuzen gewoonlijk door den zwaren stroom een eindweegs medegesleept, maar blijven eindelijk zitten, als verankerd door de wortelmassa, die door de klei en steenen daar tusschen opgehoopt, veel zwaarder dan het overige gedeelte van den tronk, over den rivierbodem sleurt en door de oneffenheden daarvan weerhouden, zich eindelijk vastzet. Die boomstammen zijn vooral voor stroom opkomende vaartuigen zeer gevaarlijk, daar zij, met de kruinen in de richting van den stroom liggende, en langzamerhand van bladeren en dunne takken ontdaan, als een geduchte piketteering te beschouwen zijn, welker punten onder zekere helling staande, zich niet altijd voor het oog vertoonen, maar slechts door het koken en opborrelen des waters waarneembaar zijn. Een aanvaring met zulk een „snack”, zooals de Amerikanen dat noemen, is meestal noodlottig en heeft het spoedig zinken van het vaartuig ten gevolge. Dalim en zijn landgenoot, als goed bekend met de rivier, keken dan ook nauwlettend uit en verhoedden zoo onheilen, die, behalve het levensgevaar, dat zij daarstelden, ook nog onherstelbare verliezen—b.v. van de prauw—zouden kunnen berokkenen.La Cueille, dien het zware roeien eenigszins pijnlijk viel, bekeek van tijd tot tijd zijn arm. Daaraan was evenwel niet veel te bespeuren. De snee, die Wienersdorf gemaakt had, was met een korst overdekt, maar overigens zonder eenige ontsteking. Alleen werd rondom het pijlwondje een zwarte kring waargenomen, die zich ter grootte van een gulden uitstrekte. Dalim verklaarde dat dit bij pijlverwondingen steeds het geval was, ook wanneer de gewonde overleed.Wienersdorf kon niet nalaten te vragen, waaruit die[247]vergiften getrokken werden. Toen hij vernam, dat de beide voornaamste, bij de Dajaks bekend onder de namen van „siren” en „ipoh”, plantaardige vergiften zijn, was zijn weetgierigheid uitermate geprikkeld. Hij wilde weten van welke gewassen zij afkomstig zijn, hoe zij bereid worden. Op de eerste vraag kon Dalim noch zijn makker hem voldoende inlichting geven, want van het pedante classificeeren der plantenwereld, zooals de geleerden dat doen, hadden die eenvoudige Dajaks volstrekt geen begrip. Wat de tweede vraag betrof, deze verkreeg een meer voldoend antwoord; Dalim althans had het bereiden van het vergift meermalen bijgewoond. Het kostte evenwel veel moeite hem aan het praten te krijgen. De Dajaks zijn dienaangaande zeer geheimzinnig. Na veel gevraag kwamen zijne mededeelingen op het navolgende neer:In de binnenlanden van Borneo, bij voorkeur op de hellingen van bergen en heuvels, groeit een boom, die door de inboorlingen „Batang Siren” genoemd wordt. Deze boom bereikt, evenals onze eik, den ouderdom van honderd jaren. Zijn stam erlangt bij volle dikte een doorsnede van 1.50 M.Om nu het vergift uit dien boom te trekken, worden in den dikken bast schuinsche inkervingen tot op het hout gemaakt. Uit die inkervingen druppelt een wit melkachtig vocht, dat in bamboezen cylindertjes wordt opgevangen. Dit vocht verkleurt spoedig wanneer het met de dampkringslucht in aanraking komt, wordt geel, daarna bruin en eindelijk zwart bruin. De inzameling moet met de uiterste omzichtigheid geschieden, daar de inademing van de gassen, die zich bij de afscheiding van het vocht en zijn aanraking met de lucht ontwikkelen, zware ziekteprocessen en niet zelden den dood veroorzaakt.[248]Het vocht, zooals het uit den boom gevloeid is, heeft volstrekt geen kracht, het verkrijgt die eerst door een opvolgende uitdamping en koking met andere gewassen.Wanneer het vocht behoorlijk behandeld1en verdikt is, wordt het nog warm in een steenen kannetje of potje gegoten, waarin het spoedig stolt. Dit kannetje wordt door de Dajaks der bovenlanden overal medegenomen en is bevestigd aan den buikband van zijn mandauw. Dit potje wordt slechts even verwarmd, waarna het voldoende is de pijlpunten in de vloeibare zelfstandigheid te doopen en deze te laten afdroppelen. Die punten zijn dan met een dun laagje getah overdekt, dat spoedig stolt.Om te onderzoeken of het vergift de gewenschte kracht bezit, wordt een orang oetan, een kip of een eend met een vergiftigd pijltje verwond. Indien het getroffen dier niet binnen het half uur bezwijkt, wordt de siren op nieuw uitgedampt en met andere vergiftige planten gekookt.De eerste symptomen, die zich bij den gewonde gewoonlijk openbaren, zijn hevige brakingen, die opgevolgd worden door een bevende verlamming der ledematen, die ongeveer tien minuten aanhoudt en onder hevige stuiptrekkingen met den dood eindigt.Het ipohvergift wordt op dezelfde wijze gewonnen en toebereid. Dit is echter het vocht uit een slingerplant, waarvan de moederstam niet dikker dan 2½ dm. middellijn wordt. In de uitwerking van de ipoh wordt met de siren weinig verschil aangetroffen, alleen dat zich geene brakingen voordoen.[249]Alle Dajaks weten deze vergiften te bereiden; maar, daar de beide gewassen uitsluitend in de berglanden voorkomen, zijn de bovenlanders in die bereiding meer bedreven dan de kustbewoners.„Het snelstwerkend vergift”—zoo eindigde Dalim zijn toelichting—„komt uit Siang en Moeroeng, twee landstreken tusschen de bovenDoessonen boven Kapoeas gelegen. Laatstgenoemde heeft daaraan haren naam Kapoeas-Moeroeng ontleend, ter onderscheiding van de Kapoeas-Bohong, die op de westkust uitwatert.”„Komen wij die landschappen Siang en Moeroeng door?” vroeg Wienersdorf gretig.„Ik hoop van niet,” antwoordde Johannes lachend, „ik heb met Dalim een ander reisplan besproken. Wie kan evenwel zeggen, waar we heen zullen dwalen? en hoe vaak we genoodzaakt zullen zijn onze plannen te wijzigen. Wordt evenwel mijn route volvoerd, dan komen we die landschappen wel zeer nabij, maar er niet door.”„Zullen we die gewassen te zien krijgen, waarover Dalim zoo even sprak?”„Ja,” antwoordde deze, „genoeg; maar wat zoudt gij willen?”„Dan hoop ik bladeren, bloemen, takken, wortels en vruchten mede te kunnen nemen.”„Tu, tu, tu! ik zou je raden daarmee voorzichtig te zijn. In sommige tijden van het jaar is het zelfs zeer gevaarlijk onder den wind in de nabijheid van zoo’n boom te verwijlen. Als ge daarop uitgaat, waarschuw mij dan eerst.”„Zijn dat de eenige giftige gewassen, die Borneo oplevert?” vroeg Wienersdorf verder.„Waarachtig niet,” antwoordde Johannes. „Dat zou een armoedige flora opleveren voor een tropisch land. Integendeel, Borneo is rijk aan planten, die den dood kunnen[250]geven. Gelukkig dat het in den aard der bevolking niet ligt, daarvan gebruik te maken. Dat is een geruststelling. We kunnen ons op koppensnellerspartijen, op overvallen, op gevechten van allerlei aard voorbereiden. Bij onze verdere tochten, wanneer we in het hoogland zullen zijn, zullen we in iederen struik een vijand te zien hebben; maar we zullen zonder argwaan kunnen nuttigen, wat men ons zal voorzetten of te koop aanbieden. Er is evenwel een gebruik in de bovenlanden, dat nog al te denken geeft en het vermoeden doet rijzen, dat in vroegere tijden vergiftigingen aan de orde van den dag waren. Nimmer zal daar namelijk een gast iets gebruiken, hetzij eet- of drinkwaren, of de gastheer moet er van geproefd hebben. Het is zelfs een beleefdheidsvorm geworden, den aanreiker van het aangebodene te doen proeven.”Onder deze en dergelijke gesprekken hadden de reizigers duchtig de roeispaan gehanteerd en waren zoo omstreeks het middaguur de soengei Moeroi genaderd. Toen zij die voorbij wilden varen, zagen zij een vlot die breede soengei afzakken, terwijl drie mannen daarop alle krachten inspanden om de vaart van dat onhandelbare ding te temperen. Een der opvarenden riep om hulp, en daar het volgens landsgebruik niet geoorloofd is, die te weigeren, stuurde Dalim zijn prauw naar het vlot en lag deze spoedig daarlangs vastgemeerd. Het kwam er in de eerste plaats op aan, het vlot, dat door den zwaren stroom gegrepen was, naar den wal te sturen en daar vast te leggen. Spoedig hadden onze avonturiers hunne rottankabels voor den dag gehaald, alsook de ankerketting, uit soengei Naning medegenomen. Toen die stevig aan elkander gevoegd waren, werd het eene eind daarvan aan een soort van spil op het vlot vastgemaakt en het andere eind met behulp van een djoekoeng aan den wal gebracht en daar om een zwaren boomstam geslagen. Het[251]vlot inmiddels voortdrijvende, kreeg, toen de kabel strak liep, een vreeselijken schok, waardoor Schlickeisen en La Cueille, daarop minder verdacht, voorover in de rivier tuimelden, maar door Dalim en een paar der nieuwe Dajaksche vrienden gered werden. Niettegenstaande den zwaren schok, hield de kabel zich goed. Zij stond gespannen als een snaar en het vlot trilde onder den aandrang van den stroom. Toen het gevaarte eenigszins naar den wal gezwaaid was, begonnen de mannen het spil te winden, totdat het vlot den boom genaderd was, waaraan het met den kabel vast lag.Onze reizigers vernamen nu, dat de eigenaar van het vlot, een Kwala Kapoeasser, Bapa Andong genaamd, boschproducten in de soengei Moeroi was gaan zoeken; dat hij daarin ook geslaagd was, maar dat hij in den voorlaatsten nacht door een troep Poenan’s overvallen was, waarbij hij vier zijner pandelingen verloren had, die allen gesneld waren. Dat hij en zijne twee overgebleven pandelingen nog in leven waren, hadden zij aan hunne moedige houding te danken. Bij den eersten alarmkreet hadden zij hunne mandauw’s gegrepen en waren de aanvallers koen te gemoet getreden, tijdig genoeg om hun eigen leven te redden, te laat echter om hunne ongelukkige makkers te hulp te komen, die in hun slaap afgemaakt waren. Toen beide partijen wat gepraat hadden, kwamen zij tot de slotsom, dat zij met dezelfde bende koppensnellers hadden te doen gehad en dat uitermate waakzaamheid betracht moest worden; want bij de teleurstelling den gesnelden kop te kotta Towanan te hebben moeten achterlaten, kwam de bloedwraak nog, die de woudloopers over het verlies van hunne beide makkers zoude bezielen.Bapa Andong verzocht Johannes, die, zooals wij weten, als handelaar aan het hoofd der expeditie stond, hulp[252]te verleenen om het vlot naar Danau Ampang te brengen. Hij had daar nog een menigte boschproducten opgeschuurd; met de overgebleven pandelingen was het evenwel onmogelijk het vlot, tegen den stroom derwaarts te voeren. Wel werd er besproken, dien moeitevollen arbeid niet te ondernemen, en die producten met de prauw onzer avonturiers te gaan halen, maar de nabijheid der Poenans deed hen van het plan om zoo hunne krachten te splitsen, afzien. De tien mannen, die nu op het vlot bij elkander waren, konden zich vereenigd zeer sterk noemen; verdeeld, zouden zij afzonderlijk aangevallen en vernietigd kunnen worden. In de Danau (het meer) was Andong2de zoon des eigenaars met nog een zestal pandelingen, omtrent wier lot na het gebeurde de vader zich thans ongerust maakte. Er werd overeengekomen, dat onze reizigers het vlot in het meer zouden helpen brengen, dat zij de behulpzame hand zouden bieden om de aldaar opgestapelde producten te laden, dat zij vervolgens het vlot weer in den Kapoeas-stroom zouden brengen, waarna hunne hulp overbodig werd, daar Bapa Andong van meening was, alsdan nog voor het invallen van den nacht den kampong Pendek-katiempoen te kunnen bereiken. Aldaar had hij tal van verwanten en vrienden en zouden de Poenans zich daar wel niet wagen. Voor die hulp werd toegezegd, werd bepaald, dat bij het scheiden, twee pandelingen op de prauw onzer avonturiers zouden overgaan. Deze zouden te kotta Baroe of te kotta Djangkan, in een woord bij de eerste voorkomende gelegenheid vervangen worden, waarna zij wel gelegenheid zouden vinden met den een of[253]anderen handelaar naar hunne haardsteden terug te keeren.Nadat die overeenkomst getroffen was, werden de handen aan het werk geslagen. Toen het vlot met een hulptros was vastgelegd, werd de hoofdkabel van den boom losgemaakt en per djoekoeng den afstand harer geheele lengte verder gebracht en daar weer om een dikken boom geslagen. Het spil werd weer in beweging gesteld en zoo het vlot tegen den stroom opgehaald. Zoo ging men onafgebroken voort en het is te begrijpen, dat dit een zware arbeid was, vooral voor onze Europeanen, die daaraan niet gewoon waren. Zij kregen daarbij evenwel een inzicht omtrent de bedrijvigheid van het volk, in welks midden zij zich bevonden, en dat in dien arbeid bijzonder te huis scheen.Het vervoer der boschproducten geschiedt van uit de binnenlanden van het zoo waterrijke Borneo bijna niet anders. Onze avonturiers hadden nu ruimschoots gelegenheid om de samenstelling van zoo’n vlot of „lanting”, zooals de inlanders het noemen, op te merken. Het gevaarte, dat zij onder de oogen hadden, bestond uit een tweehonderdtal boomstammen van uitmuntend timmerhout, die met zware rottankabels goed aan elkander verbonden waren. Over die boomen was een vloer van „niboeng”3latten aangebracht. In het midden van het vlot was een vrij ruime hut getimmerd, terwijl aan weerszijde daarvan de producten behoorlijk onder dak opgestapeld waren. Zoo waren daarop aanwezig ruim vier duizend bossen rottan, een paar duizend „gantangs”4[254]„njating” (hars) een honderd pikols bijenwas, een twintig pikols „ngiatoe” (getah-pertjah) en een klein partijtje vogelnestjes. De beide laatste koopwaren had Bapa Andong van eenige handelaren der bovenlanden tegen bijenwas, bij welks vergaring hij bijzonder gelukkig geweest was, ingeruild. De overige producten waren het resultaat van eigen arbeid. De rottan was in de omliggende soengei’s gesneden. De hars was gedeeltelijk aan de boomen zelven gewonnen, gedeeltelijk langs de oevers der rivier ingezameld. Ter bekoming van de edelste soorten van dit product, maakt de Dajak inkervingen in de hem bekende harsachtige boomen en ziet na weinige dagen zijne moeite rijkelijk beloond. De overige soorten heeft hij slechts langs de boorden der rivier, op de zandbanken en landtongen op te rapen. De hars namelijk druipt in sommige tijden van het jaar van de boomen, valt op den grond en neemt aldaar aarddeelen en andere onreinheden op. Bij den eersten den besten watervloed wordt zij medegesleept. Door de onreinheden is zij specifiek iets zwaarder dan het water, zoodat zij wel drijvende, doch ietwat beneden de oppervlakte, den stroomdraad volgt. Brengt nu de wind de breede stroomen van Borneo in beweging, dan wordt die hars door den golfslag op de oevers geworpen of door den stroom op de uitstekende hoeken of zandbanken afgezet. Het gebeurt ook niet zelden, dat op die zandbanken of op de eilanden in die stroomen, in een woord overal in alluvialen grond, weinige voeten onder de oppervlakte des bodems, harsbeddingen van soms meer dan honderd M2. oppervlakte, bij een dikte van 2c.M.tot 3d.M.aangetroffen worden.Dat alles vernamen onze vluchtelingen met groote belangstelling uit de gesprekken hunner nieuwe makkers. Wat het inzamelen van bijenwas betreft, daaromtrent[255]zouden zij zelf ondervinding opdoen en kunnen opmaken, dat die heel wat verschilt van de bijenteelt in Europa.Met inspanning van alle krachten vorderde het vlot langzaam maar toch gestadig. Eindelijk, tegen het vallen van den avond, was het gevaarte den laatsten hoek omgewerkt en de ingang zichtbaar van het kanaal, dat het meer met de rivier verbindt. Maar nu waren de krachten ook uitgeput en was rust noodzakelijk. Er was toch geen mogelijkheid om het vlot bij nachtelijk duister door dat nauwe kanaal te voeren, en werd dus besloten te overnachten ter plaatse waar men was. Het vlot werd aan den wal gemeerd, waarna een gedeelte der bemanning op den oever sprong om het terrein in de nabijheid over een uitgestrektheid van honderd passen middellijn ongeveer van struikgewas te zuiveren, teneinde een vrij uitzicht te hebben, de struiken en takken zooveel mogelijk als een heg aan de grens van die open vlakte op te stapelen en dus een soort van retranchement te hebben, waardoor niet kon heengebroken worden zonder de aandacht te wekken. Verder werd de geheele manschap in twee ploegen verdeeld, die om beurten wakker blijven en scherp uitzien zouden, waarbij Johannes zorgde, dat hij met La Cueille bij de eene en de twee Zwitsers bij de andere ingedeeld werden.Zeer waarschijnlijk waren die voorzorgsmaatregelen oorzaak, dat de nacht ongestoord voorbijging; want de koppensnellers schuwen over het algemeen het gevecht en deinzen gewoonlijk af, wanneer hunne tegenstanders waakzaam zijn en zij dus voorzien kunnen, dat hun laf sluipmoordenaarswerk niet zonder gevaar kan geschieden.Met den dageraad werd de arbeid hervat en na een goed uur zwoegens was het vlot in het kanaal; en de zon had nog niet de helft van hare geheele hoogte bereikt, toen het bij de stapelplaats vastgemeerd lag,[256]om de overige lading te ontvangen. Daarmede werd met zoo’n vlugheid te werk gegaan, dat, toen de dag ten einde neigde, alles aan boord gerangschikt, en men tot vertrek gereed was.Intusschen viel er nog een belangrijke arbeid te verrichten. Sedert Bapa Andong met de inzameling zijner boschproducten begonnen was, waarmede een tijdruimte van ongeveer zes maanden gemoeid was, hadden honderden bijenzwermen hun nest gemaakt op en in de boomen, die zich op den westelijken oever van het meer verhieven. De boomen, die deze kleine diertjes daartoe uitkiezen, zijn een zeer hooge soort, met rechten, gladden stam en ver uitstekende takken. De Dajaks noemen zoo’n woudreus: „tanggirang”; in gunstige jaren worden op zulk één boom 200 à 300 bijennesten gevonden. Zoodra Bapa Andong het begin van den arbeid dezer nijvere diertjes opgemerkt had, begon hij zijn maatregelen te nemen, om zich op een gegeven oogenblik hun buit te kunnen toeeigenen. Daartoe had hij in iederen „tanggirang” dagelijks een paar pennen van hard hout op ongeveer 4 d.M. van elkander laten slaan, en was daarmee voortgegaan, totdat de aldus gevormde ladder de benedentakken van den woudreus bereikt had. Die arbeid had lang geduurd, maar kon niet anders uitgevoerd worden, doordat, wilde men de ladder onafgebroken vervaardigen, dat aanhoudende geklop op de „tanggirangs” de bijen zeker zoude verontrusten en een aanval hunnerzijds niet zoude uitblijven. In de laatste dagen hadden de pandelingen van Bapa Andong het terrein rondom de boomen van struiken en onkruid gezuiverd. Men was dus tot handelen gereed en wachtte nog slechts op het gunstige oogenblik. Dat oogenblik scheen nu gekomen.Het was een stormachtige nacht, die ingetreden was,[257]een dier kenteringsnachten in de tropische gewesten, waarin de wind huilde en pogingen scheen aan te wenden om geheele vakken van het oorspronkelijk woud te ontwortelen; een nacht waarin het zwerk met dichte wolken bedekt en de duisternis zoo groot was, dat het aardrijk met een zwart floers overtogen scheen. Met den zoon van Bapa Andong en de zes pandelingen, aan de boorden van het meer aangetroffen, waren nu zeventien mannen te zamen. Deze stegen in de prauw van onze avonturiers en in twee djoekoengs en staken over de schuimende wateren van het meer naar de overzijde, waar de tanggirangs stonden. Daar aangekomen stapten zij aan wal en plaatsten onder iederen boom op vier stokken, een vrij grooten linnen lap in dier voege, dat hij aan de vier punten opgehouden, een zak vormde, die den grond evenwel niet raakte. Toen men daarmee klaar was, werden een aantal fakkels van groen en veel rookgevend hout, te voren vervaardigd, ontstoken. Iedere Dajak greep er een van, en nu ging het bliksemsnel langs de vervaardigde ladders omhoog, tegen de tanggirangs op. In iederen boom klom slechts een man, terwijl inmiddels Bapa Andong en de vier Europeanen met het geweer in de hand beneden in het donker bleven en de wacht hielden.In een ondeelbaar oogenblik waren de klouteraars boven en klopten nu op de talrijke nesten. Met een geluid als wilden zij den storm overtreffen, kwamen de bijen brommend naar buiten, om zich op de aanvallers te werpen, maar, verblind door het licht der fakkels, die hevig heen en weer werden gezwaaid, en verstikt door den rook, die in dikke wolken door de kruinen voer, werden zij door den stormwind ver weggedreven en vielen met honderdduizenden en nog eens honderdduizenden aan de overzij van het meer ter aarde. Zoodra[258]de zwermen verdreven waren, beijverden zich de aanvallers de nesten met een bamboelemmer van de takken los te maken en in de daaronder opengesperde linnen zakken te laten vallen. In een oogwenk om zoo te zeggen was alles geschied en de klouteraars waren reeds beneden, toen de Europeanen nog vol ontzetting naar boven tuurden.Het was dan ook een aangrijpend schouwspel voor hen geweest.Die naakte bruine gedaanten met fladderende haren in dien stormachtigen nacht, bij het onzekere schijnsel der fakkels, pijlsnel naar boven te zien klimmen; die gedaanten zich daar boven hoog in de lucht over de takken te zien buigen, de fakkels heen en weder te zien zwaaien en zich in een dikken rook hullen; die dwaallichten daar hoog boven tusschen de slingerende takken, de weerkaatsing in de wateren van het fel bewogen meer; het gehuil van den storm en het gegons van millioenen bijen, terwijl met tusschenpoozen een weemoedige stem van bovenaf weerklonk en een droevig eentonig gezang tusschen de stormvlagen deed hooren, dat alles kwam hun zoo verrassend, zoo spookachtig voor, dat zij het, vooral bij den korten duur, voor een droom, voor een zinsbedrog hadden kunnen houden, lagen de tallooze nesten, druipende van honig, niet aan hunne voeten om hen van de werkelijkheid te overtuigen.„Sacré matin! dat zijn flinke kerels!” brak La Cueille los.„Wat een behendigheid, vlugheid en bedaard overleg daar bij,” bevestigde Schlickeisen; „kijk, geen enkel ongeval is bij die verbazende onderneming gebeurd.”De bijennesten waren spoedig in de prauw en de djoekoengs geladen en het was nog geen middernacht toen de expeditie aan boord van de lanting terug was.[259]Het wekte de verwondering der Zwitsers, dat Bapa Andong zijn vlot, waarop toch voor een groote waarde aan koopmansgoederen opgestapeld lag, gedurende de helft van den nacht alleen had durven laten. Hij wist toch, meenden zij, dat slecht volk in den omtrek rondzwierf. Maar Dalim verklaarde hun, dat diefstal in de Dajaklanden bijna nimmer voorkomt, dat dat vlot daar maanden zou kunnen liggen, zonder dat iemand er een vinger naar zou uitsteken. Alleen wanneer het afdoende gebleken was, dat het onbeheerd bleef, zou het weggehaald zijn. Het slechte volk, waarvan zij spraken, beoogde slechts één buit, namelijk menschenschedels. Al het overige was hun onverschillig en zouden zij niet aanraken.„En daarom,” zoo besloot de Dajak zijn toelichting, die niet van nationaliteitsgevoel ontbloot was, „en daarom, het is en blijft steeds ons wachtwoord:„pas op je kop, breng je kop thuis.””De bijennesten werden op een stellage, daarvoor expresselijk vervaardigd, geplaatst om uit te druipen. De Zwitsers, die, als de tenant in hun wapenschild5, echte honiglikkers waren en dus nog al belang in die geheele verrichting stelden, vernamen gedurende die bedrijvigheid dat die nesten den naam van „idang” in de Dajaksche taal dragen; dat iedereidanggewoonlijk eenK.G.was en 12 K.G. zuiveren honig oplevert. Men had een tientaltanggirangsvan hunne idangs ontdaan. Deze, berekend op 200 idangs per boom, lagen daar dus 2000 nesten, die een zelfde aantal K.G. was en 24,000 K.G. honig zouden opleveren. De eerst verkregen honig, die van zelf uitdruipt, is de zuiverste en wordt door de liefhebbers voor den fijnsten gehouden. Later worden[260]de idangs in een zak, van ruwe plantaardige vezels vervaardigd, gewrongen en geperst, waarna de was, ter verdere zuivering herhaalde malen in water wordt gekookt en eindelijk in groote schijven of koeken gegoten, die een middellijn van ongeveer 0,5 M. hebben, ± 15 K.G. zwaar zijn, en zoo in den handel gebracht worden.Toen de bijennesten op hunne stellage gestapeld waren, werd de wachtdienst weer ingedeeld als den vorigen nacht en kon de helft der opvarenden trachten rust te genieten.Maar in de Dajaklanden op rust rekenen, is veelal de rekening buiten den waard maken. De eerste uren gingen wel is waar zonder stoornis voorbij; maar nauwelijks had de „takakak”6zijn ochtendgeschreeuw doen hooren en kon het diensvolgens drie uur in den morgenstond zijn, toen de jeugdige Andong iets meende te hooren aan de boschzijde. Als een bronzen standbeeld vatte hij post, luisterde, ja luisterde scherp toe. Daarop wenkte hij zijn makkers, evenwel zonder gedruisch te maken. Allen spitsten de ooren, al hunne zintuigen waren in de gehoorzenuwen overgegaan en jawel, er werd een beweging vernomen als van zacht schuifelende lichamen, die zich met de meeste voorzichtigheid een doortocht trachtten te banen door de beschermende borstwering van afgekapte takken en struiken, die ook hier aangelegd was. Gelukkig was de stormwind gaan liggen, anders ware dat zachte gedruisch niet waarneembaar geweest. In de grootste stilte werden de slapenden gewekt en de gevechtsdispositiën genomen. De Europeanen sloten zich bij elkander aan en hielden de vuurwapenen onder hun bereik. Bij de volslagen[261]duisternis, die er heerschte, schenen die evenwel van weinig nut en daarom hadden zij dan ook als Dajaks, die zij voorstellen moesten, ieder een flinken mandauw ter hand genomen en beloofden zij zich er lustig mee rond te hakken, hoewel La Cueille, terwijl hij zijn wapen trillend omhoog stak, zuchtend het schietgebed prevelde:„Sainte Vierge de Jupille! secourez nous.”Bapa Andong kwam evenwel Johannes iets in het oor fluisteren, wat deze met een glimlach en een goedkeurenden knik beaamde. Toen hij het gesprokene medegedeeld had, namen de Zwitsers de Remmingtongeweren; La Cueille en Johannes wapenden zich met een tirailleurgeweer, maar bovendien met een revolver, terwijl de twee overblijvende geweren geladen gereedstonden om gegrepen te worden.Na die beschikkingen wachtten de verdedigers nog een poos met kloppend hart. Zij keken uit, maar te vergeefs, in het stikdonker was niets te onderscheiden. Bij de stilte, die evenwel ingetreden was, hoorde men zacht schuifelen, soms ook wel een twijgje knappen; anders niets. Plotseling verhieven zich een twintigtal gestalten aan den oever van het meer en sprongen met een wip op het vlot.„Lēēēēh, lèlèlèlè ouiiiit!” weerklonk het luid en deed dit gegil de aanwezigen op het vlot de haren te berge rijzen. Zij begrepen dat zij tegen een overmacht stonden, dat, indien hun krijgslist mislukte, een gevecht op leven en dood onvermijdelijk, de ondergang van allen zeer waarschijnlijk was. De vijandelijke strijders sprongen, vlogen over de beschikbare ruimte van dat gedeelte van het vlot, waar zij aan boord getreden waren. Het was een demonisch schouwspel, die wilden, achter hunne schilden gedoken, met den gevreesden mandauw[262]in de hand, heen en weer te zien springen, de bewoners van het vlot tot den strijd uitdagende. Geen geluid van deze laatsten liet zich hooren en die stilte scheen de aanvallers eenigszins te onthutsen.Eensklaps lieten zich aan het andere einde van het vlot, door de verdedigers bezet, in het donker een paar gedaanten waarnemen, die op de aanvallers toesprongen, hun een paar houwen toebrachten, maar even snel weer verdwenen als zij gekomen waren. Nu brulden de aanvallers hun oorlogskreet andermaal, sloten zich vast aan elkander en, door hunne schilden gedekt, stoven zij den loopgang door, die de voorplecht van het vlot met de achterplecht verbond. Aan het einde trachtten een paar gedaanten hun nog den doorgang te betwisten; maar ook die verdwenen weer even spoedig, toen eensklaps boven op den berg rottanbossen, die het middenvak van het vlot vulden, een helder brandend licht ontstoken werd en te gelijkertijd een hevig geweervuur de aanvallers, die nu ten volle zichtbaar waren, tegenknetterde. Wienersdorf en Schlickeisen schoten hunne repeteergeweren naar hartelust af op den vijandelijken drom, die tot tegen de bajonetten schier opgedrongen was. La Cueille en Johannes in het tweede gelid, schoten eerst hunne geweren af en vervolgden daarna het vuur met hunne revolvers, terwijl het van boven den hoop rottanbossen mandauwhouwen begon te regenen. De verwarring te beschrijven, die onder de aanvallers ontstond, bij het schitteren van dat plotselinge licht en het daarop gevolgde schieten, waarvan in den dicht opeengedrongen hoop in dien doorgang weinig kogels misten, is onmogelijk. Een golvende beweging begon zich te openbaren; eerst vooruit, dan achteruit. Kreten van woede, angstgegil en kermen kruisten zich allerwege. Het was of alle duivels der hel losgebroken waren. Eindelijk[263]splitste zich het kleine hoopje van den overgebleven troep der aanvallers in twee deelen, waarvan het eene, wel het grootste, het hazenpad koos, aan den wal sprong en in het duister verdween; terwijl het andere, over de gesneuvelden heenspringende, een wanhopige poging aanwendde, om de tegenpartij toch nog te lijf te gaan. De schoten knetterden onafgebroken, het kleine manmoedige troepje slonk, slonk nogmaals, maar met een ongeëvenaarde doodsverachting drongen de laatste twee overblijvenden onder de bajonetten der twee Zwitsers in, door zich op den grond te werpen en zoo hunne tegenstanders met het blanke wapen aan de huid te komen. De eene werd door Schlickeisen met de bajonet aan den vloer van het vlot vastgestoken en zoo onschadelijk gemaakt. De andere naderde schuifelende, stond plotseling op, en hief zijn mandauw omhoog om Wienersdorf den doodelijken slag toe te brengen. Deze, geen kans ziende dien slag te pareeren, waartoe ook de strijders te dicht op elkander gedrongen waren, liet zijn geweer eensklaps vallen en greep zijn tegenpartij met zulk een krachtvolle vuist bij de polsen, dat deze zijn mandauw moest laten vallen. Nu begon in die enge ruimte een ontzettende worsteling tusschen de twee mannen, die beiden begrepen, dat het leven van den uitslag afhing. Slechts weinige handbreedten scheidden hen van het meer, welks water donker tegen het vlot kabbelde. Voor de anderen was er niet aan te denken, Wienersdorf te hulp te springen. Vooreerst stond Schlickeisen daartoe in den weg, die zijn tegenpartij nog steeds zich wringend en gillend aan den vloer vastgestoken hield. Maar ook de beide worstelenden sprongen en wrongen zich in hun strijd, borst tegen borst geklemd, zoo vlug dat er zeer groot gevaar zou bestaan hebben, bij het toebrengen van een slag, den Zwitser[264]te treffen in stede van zijn tegenpartij. De kamp duurde zoo nog een kort oogenblik voort, dat evenwel een eeuwigheid toescheen. Eindelijk begonnen de krachten den minder gespierden Dajak te begeven. Toen Wienersdorf dat voelde, schopte hij den gevallen mandauw met een beweging van zijn voet in het meer, deed een laatste maar geweldige inspanning, verhief de beide armen zijns vijands, die hij als in bussen omklemd hield, boog die met reuzenkracht achterover en noodzaakte zoo den hijgenden Dajak voor hem op de knieën te vallen. Kreunend zonk hij in elkander en smeekte:„Blako ampoen!” (ik vraag genade).Op die woorden, die met zacht vloeiende stem en met zulk een innige bede uitgesproken werden, liet de Zwitser den overwonnen vijand los en reikte hem de hand. Op de knieën liggende, aarzelde deze die aan te nemen. Zijn borst hijgde stormachtig, zijne oogen fonkelden als vuurballen. Maar die aarzeling duurde slechts een seconde; toen sprong hij op, greep de hem toegestoken hand, legde zich die op de kruin van zijn hoofd, terwijl hij daarbij den fieren onafhankelijken nek, ten teeken van onderwerping boog. Wat hij met diep bewogen stem mompelde, kon niemand verstaan. Zoo stond de zoon des wouds een kort oogenblik.Eensklaps richtte hij het hoofd op, greep zijn „poeai”7aan de mandauwscheede bevestigd, bracht zich een lichte verwonding aan den arm toe, ving het uitdroppelende bloed in de holte zijner hand en bestreek daarmede het voorhoofd en de lippen van Wienersdorf, die beteuterd stond te kijken en niet wist wat met hem gebeurde. Daarop verwondde hij den Zwitser lichtelijk, ving ook diens bloed op, bestreek zich ook daarmede voorhoofd[265]en lippen, waarna hij de overblijvende druppels in zijn mond liet vallen en zoo opdronk. Nogmaals reikte hij zijn overwinnaar de hand, drukte die, bracht haar aan den mond en wierp vervolgens een trotschen blik op de omstanders, terwijl hij duidelijk verstaanbaar de woordenHarimaoungBoekit8uitsprak, waarna hij, vóór dat iemand er ook maar aan denken kon, om het te beletten, in het meer sprong, welks donkere wateren zich boven zijn hoofd sloten.En alsof het op een afgesproken teeken geschiedde en de natuur den woudzoon bij zijne ontsnapping behulpzaam wilde zijn, bluschte een hevige windvlaag het ontstoken licht plotseling uit, zoodat de opvarenden van het vlot in diepe duisternis gehuld waren.[266]1Hem, die omtrent die manipulatie en omtrent de botanische beschrijvingen van de siren- en ipohgewassen meer wil weten, verwijzen wij naar de „Ethnographische beschrijving der Dajaks” door den Schrijver. Uitgave van Joh. Noman & Zoon, Zalt-Bommel.↑2De ouders nemen in de Dajaklanden steeds den naam van hun oudste kind aan, met voorzetting van de woorden „bapa” (vader) of „indoe” (moeder). De zoon heette hier Andong, bij gevolg zijn vader Bapa Andong; zijne moeder Indoe Andong.↑3Niboeng is een palmsoort, die bijna van de Pinangpalm niet te onderscheiden is. Voor latwerk is die houtsoort onovertroffen. Zij is hard, laat zich gemakkelijk splijten en bezit, wanneer de innerlijke weeke deelen behoorlijk verwijderd zijn, een groote duurzaamheid.↑4Gantang is een maat, welker inhoud voor hars ongeveer op 3.75 K.G. kan berekend worden.↑5De beer.↑6Takakak is een fraaie soort van boschhaan, die op geregelde tijden des nachts ten 9, 12 en 3 uur ongeveer zijn schel klinkend taaakkekakakak doet hooren.↑7Poeai; zie daaromtrent bladz.187.↑8HarimaoungBoekit beteekent bergtijger.↑
[Inhoud]XIII.Vaart op de rivier.—Toxicologie.—De „siren” en de „ipoh”.—De soengei Moeroi.—Een vlot.—Op de Danau Ampang.—De „tanggirangs”.—Een wasinzameling.—De aanval.—Plotseling verlicht.—Het gevecht.—Een kamp op leven en dood.—„Blakoe ampoen”.—Een tooneel van onderwerping.„De drommel moge zoo’n stroom halen!” pruttelde La Cueille binnensmonds, „je ziet niet dat we vooruit komen.”En werkelijk het kostte inspanning en ook genoeg zweet onder de tropische zon, om den aandrang van het water te breken en veld te winnen. Er waren soms oogenblikken, als scherpe hoeken omgevaren moesten worden, dat het oog zoo dadelijk niet waarnemen kon of men vorderde ja dan neen. Het was dan of de prauw op de watervlakte heen en weder gierde, zonder voor- of achteruit te komen. Maar dan werden de pagaaien met verdubbelde kracht in ’t water geslagen en eerst langzaam, daarna iets beter, ging het vooruit.Er was een ware kennis van de vaart op de rivier noodig om hoeken af te snijden, bochten te mijden, van stroomdraaiingen gebruik te maken, zand- en rolsteenbanken te ontloopen, rotsblokken om te sturen, in een woord om zonder gevaar de reis in den kortst mogelijken tijd te volbrengen. Wat nog al tot veel omzichtigheid noopte, was de aanwezigheid van een groot aantal doode boomen in de bedding der rivier, die het vaarwater al[246]zeer onveilig maakten. Door storm of overstrooming aan den vasten wal ontrukt, worden die woudreuzen gewoonlijk door den zwaren stroom een eindweegs medegesleept, maar blijven eindelijk zitten, als verankerd door de wortelmassa, die door de klei en steenen daar tusschen opgehoopt, veel zwaarder dan het overige gedeelte van den tronk, over den rivierbodem sleurt en door de oneffenheden daarvan weerhouden, zich eindelijk vastzet. Die boomstammen zijn vooral voor stroom opkomende vaartuigen zeer gevaarlijk, daar zij, met de kruinen in de richting van den stroom liggende, en langzamerhand van bladeren en dunne takken ontdaan, als een geduchte piketteering te beschouwen zijn, welker punten onder zekere helling staande, zich niet altijd voor het oog vertoonen, maar slechts door het koken en opborrelen des waters waarneembaar zijn. Een aanvaring met zulk een „snack”, zooals de Amerikanen dat noemen, is meestal noodlottig en heeft het spoedig zinken van het vaartuig ten gevolge. Dalim en zijn landgenoot, als goed bekend met de rivier, keken dan ook nauwlettend uit en verhoedden zoo onheilen, die, behalve het levensgevaar, dat zij daarstelden, ook nog onherstelbare verliezen—b.v. van de prauw—zouden kunnen berokkenen.La Cueille, dien het zware roeien eenigszins pijnlijk viel, bekeek van tijd tot tijd zijn arm. Daaraan was evenwel niet veel te bespeuren. De snee, die Wienersdorf gemaakt had, was met een korst overdekt, maar overigens zonder eenige ontsteking. Alleen werd rondom het pijlwondje een zwarte kring waargenomen, die zich ter grootte van een gulden uitstrekte. Dalim verklaarde dat dit bij pijlverwondingen steeds het geval was, ook wanneer de gewonde overleed.Wienersdorf kon niet nalaten te vragen, waaruit die[247]vergiften getrokken werden. Toen hij vernam, dat de beide voornaamste, bij de Dajaks bekend onder de namen van „siren” en „ipoh”, plantaardige vergiften zijn, was zijn weetgierigheid uitermate geprikkeld. Hij wilde weten van welke gewassen zij afkomstig zijn, hoe zij bereid worden. Op de eerste vraag kon Dalim noch zijn makker hem voldoende inlichting geven, want van het pedante classificeeren der plantenwereld, zooals de geleerden dat doen, hadden die eenvoudige Dajaks volstrekt geen begrip. Wat de tweede vraag betrof, deze verkreeg een meer voldoend antwoord; Dalim althans had het bereiden van het vergift meermalen bijgewoond. Het kostte evenwel veel moeite hem aan het praten te krijgen. De Dajaks zijn dienaangaande zeer geheimzinnig. Na veel gevraag kwamen zijne mededeelingen op het navolgende neer:In de binnenlanden van Borneo, bij voorkeur op de hellingen van bergen en heuvels, groeit een boom, die door de inboorlingen „Batang Siren” genoemd wordt. Deze boom bereikt, evenals onze eik, den ouderdom van honderd jaren. Zijn stam erlangt bij volle dikte een doorsnede van 1.50 M.Om nu het vergift uit dien boom te trekken, worden in den dikken bast schuinsche inkervingen tot op het hout gemaakt. Uit die inkervingen druppelt een wit melkachtig vocht, dat in bamboezen cylindertjes wordt opgevangen. Dit vocht verkleurt spoedig wanneer het met de dampkringslucht in aanraking komt, wordt geel, daarna bruin en eindelijk zwart bruin. De inzameling moet met de uiterste omzichtigheid geschieden, daar de inademing van de gassen, die zich bij de afscheiding van het vocht en zijn aanraking met de lucht ontwikkelen, zware ziekteprocessen en niet zelden den dood veroorzaakt.[248]Het vocht, zooals het uit den boom gevloeid is, heeft volstrekt geen kracht, het verkrijgt die eerst door een opvolgende uitdamping en koking met andere gewassen.Wanneer het vocht behoorlijk behandeld1en verdikt is, wordt het nog warm in een steenen kannetje of potje gegoten, waarin het spoedig stolt. Dit kannetje wordt door de Dajaks der bovenlanden overal medegenomen en is bevestigd aan den buikband van zijn mandauw. Dit potje wordt slechts even verwarmd, waarna het voldoende is de pijlpunten in de vloeibare zelfstandigheid te doopen en deze te laten afdroppelen. Die punten zijn dan met een dun laagje getah overdekt, dat spoedig stolt.Om te onderzoeken of het vergift de gewenschte kracht bezit, wordt een orang oetan, een kip of een eend met een vergiftigd pijltje verwond. Indien het getroffen dier niet binnen het half uur bezwijkt, wordt de siren op nieuw uitgedampt en met andere vergiftige planten gekookt.De eerste symptomen, die zich bij den gewonde gewoonlijk openbaren, zijn hevige brakingen, die opgevolgd worden door een bevende verlamming der ledematen, die ongeveer tien minuten aanhoudt en onder hevige stuiptrekkingen met den dood eindigt.Het ipohvergift wordt op dezelfde wijze gewonnen en toebereid. Dit is echter het vocht uit een slingerplant, waarvan de moederstam niet dikker dan 2½ dm. middellijn wordt. In de uitwerking van de ipoh wordt met de siren weinig verschil aangetroffen, alleen dat zich geene brakingen voordoen.[249]Alle Dajaks weten deze vergiften te bereiden; maar, daar de beide gewassen uitsluitend in de berglanden voorkomen, zijn de bovenlanders in die bereiding meer bedreven dan de kustbewoners.„Het snelstwerkend vergift”—zoo eindigde Dalim zijn toelichting—„komt uit Siang en Moeroeng, twee landstreken tusschen de bovenDoessonen boven Kapoeas gelegen. Laatstgenoemde heeft daaraan haren naam Kapoeas-Moeroeng ontleend, ter onderscheiding van de Kapoeas-Bohong, die op de westkust uitwatert.”„Komen wij die landschappen Siang en Moeroeng door?” vroeg Wienersdorf gretig.„Ik hoop van niet,” antwoordde Johannes lachend, „ik heb met Dalim een ander reisplan besproken. Wie kan evenwel zeggen, waar we heen zullen dwalen? en hoe vaak we genoodzaakt zullen zijn onze plannen te wijzigen. Wordt evenwel mijn route volvoerd, dan komen we die landschappen wel zeer nabij, maar er niet door.”„Zullen we die gewassen te zien krijgen, waarover Dalim zoo even sprak?”„Ja,” antwoordde deze, „genoeg; maar wat zoudt gij willen?”„Dan hoop ik bladeren, bloemen, takken, wortels en vruchten mede te kunnen nemen.”„Tu, tu, tu! ik zou je raden daarmee voorzichtig te zijn. In sommige tijden van het jaar is het zelfs zeer gevaarlijk onder den wind in de nabijheid van zoo’n boom te verwijlen. Als ge daarop uitgaat, waarschuw mij dan eerst.”„Zijn dat de eenige giftige gewassen, die Borneo oplevert?” vroeg Wienersdorf verder.„Waarachtig niet,” antwoordde Johannes. „Dat zou een armoedige flora opleveren voor een tropisch land. Integendeel, Borneo is rijk aan planten, die den dood kunnen[250]geven. Gelukkig dat het in den aard der bevolking niet ligt, daarvan gebruik te maken. Dat is een geruststelling. We kunnen ons op koppensnellerspartijen, op overvallen, op gevechten van allerlei aard voorbereiden. Bij onze verdere tochten, wanneer we in het hoogland zullen zijn, zullen we in iederen struik een vijand te zien hebben; maar we zullen zonder argwaan kunnen nuttigen, wat men ons zal voorzetten of te koop aanbieden. Er is evenwel een gebruik in de bovenlanden, dat nog al te denken geeft en het vermoeden doet rijzen, dat in vroegere tijden vergiftigingen aan de orde van den dag waren. Nimmer zal daar namelijk een gast iets gebruiken, hetzij eet- of drinkwaren, of de gastheer moet er van geproefd hebben. Het is zelfs een beleefdheidsvorm geworden, den aanreiker van het aangebodene te doen proeven.”Onder deze en dergelijke gesprekken hadden de reizigers duchtig de roeispaan gehanteerd en waren zoo omstreeks het middaguur de soengei Moeroi genaderd. Toen zij die voorbij wilden varen, zagen zij een vlot die breede soengei afzakken, terwijl drie mannen daarop alle krachten inspanden om de vaart van dat onhandelbare ding te temperen. Een der opvarenden riep om hulp, en daar het volgens landsgebruik niet geoorloofd is, die te weigeren, stuurde Dalim zijn prauw naar het vlot en lag deze spoedig daarlangs vastgemeerd. Het kwam er in de eerste plaats op aan, het vlot, dat door den zwaren stroom gegrepen was, naar den wal te sturen en daar vast te leggen. Spoedig hadden onze avonturiers hunne rottankabels voor den dag gehaald, alsook de ankerketting, uit soengei Naning medegenomen. Toen die stevig aan elkander gevoegd waren, werd het eene eind daarvan aan een soort van spil op het vlot vastgemaakt en het andere eind met behulp van een djoekoeng aan den wal gebracht en daar om een zwaren boomstam geslagen. Het[251]vlot inmiddels voortdrijvende, kreeg, toen de kabel strak liep, een vreeselijken schok, waardoor Schlickeisen en La Cueille, daarop minder verdacht, voorover in de rivier tuimelden, maar door Dalim en een paar der nieuwe Dajaksche vrienden gered werden. Niettegenstaande den zwaren schok, hield de kabel zich goed. Zij stond gespannen als een snaar en het vlot trilde onder den aandrang van den stroom. Toen het gevaarte eenigszins naar den wal gezwaaid was, begonnen de mannen het spil te winden, totdat het vlot den boom genaderd was, waaraan het met den kabel vast lag.Onze reizigers vernamen nu, dat de eigenaar van het vlot, een Kwala Kapoeasser, Bapa Andong genaamd, boschproducten in de soengei Moeroi was gaan zoeken; dat hij daarin ook geslaagd was, maar dat hij in den voorlaatsten nacht door een troep Poenan’s overvallen was, waarbij hij vier zijner pandelingen verloren had, die allen gesneld waren. Dat hij en zijne twee overgebleven pandelingen nog in leven waren, hadden zij aan hunne moedige houding te danken. Bij den eersten alarmkreet hadden zij hunne mandauw’s gegrepen en waren de aanvallers koen te gemoet getreden, tijdig genoeg om hun eigen leven te redden, te laat echter om hunne ongelukkige makkers te hulp te komen, die in hun slaap afgemaakt waren. Toen beide partijen wat gepraat hadden, kwamen zij tot de slotsom, dat zij met dezelfde bende koppensnellers hadden te doen gehad en dat uitermate waakzaamheid betracht moest worden; want bij de teleurstelling den gesnelden kop te kotta Towanan te hebben moeten achterlaten, kwam de bloedwraak nog, die de woudloopers over het verlies van hunne beide makkers zoude bezielen.Bapa Andong verzocht Johannes, die, zooals wij weten, als handelaar aan het hoofd der expeditie stond, hulp[252]te verleenen om het vlot naar Danau Ampang te brengen. Hij had daar nog een menigte boschproducten opgeschuurd; met de overgebleven pandelingen was het evenwel onmogelijk het vlot, tegen den stroom derwaarts te voeren. Wel werd er besproken, dien moeitevollen arbeid niet te ondernemen, en die producten met de prauw onzer avonturiers te gaan halen, maar de nabijheid der Poenans deed hen van het plan om zoo hunne krachten te splitsen, afzien. De tien mannen, die nu op het vlot bij elkander waren, konden zich vereenigd zeer sterk noemen; verdeeld, zouden zij afzonderlijk aangevallen en vernietigd kunnen worden. In de Danau (het meer) was Andong2de zoon des eigenaars met nog een zestal pandelingen, omtrent wier lot na het gebeurde de vader zich thans ongerust maakte. Er werd overeengekomen, dat onze reizigers het vlot in het meer zouden helpen brengen, dat zij de behulpzame hand zouden bieden om de aldaar opgestapelde producten te laden, dat zij vervolgens het vlot weer in den Kapoeas-stroom zouden brengen, waarna hunne hulp overbodig werd, daar Bapa Andong van meening was, alsdan nog voor het invallen van den nacht den kampong Pendek-katiempoen te kunnen bereiken. Aldaar had hij tal van verwanten en vrienden en zouden de Poenans zich daar wel niet wagen. Voor die hulp werd toegezegd, werd bepaald, dat bij het scheiden, twee pandelingen op de prauw onzer avonturiers zouden overgaan. Deze zouden te kotta Baroe of te kotta Djangkan, in een woord bij de eerste voorkomende gelegenheid vervangen worden, waarna zij wel gelegenheid zouden vinden met den een of[253]anderen handelaar naar hunne haardsteden terug te keeren.Nadat die overeenkomst getroffen was, werden de handen aan het werk geslagen. Toen het vlot met een hulptros was vastgelegd, werd de hoofdkabel van den boom losgemaakt en per djoekoeng den afstand harer geheele lengte verder gebracht en daar weer om een dikken boom geslagen. Het spil werd weer in beweging gesteld en zoo het vlot tegen den stroom opgehaald. Zoo ging men onafgebroken voort en het is te begrijpen, dat dit een zware arbeid was, vooral voor onze Europeanen, die daaraan niet gewoon waren. Zij kregen daarbij evenwel een inzicht omtrent de bedrijvigheid van het volk, in welks midden zij zich bevonden, en dat in dien arbeid bijzonder te huis scheen.Het vervoer der boschproducten geschiedt van uit de binnenlanden van het zoo waterrijke Borneo bijna niet anders. Onze avonturiers hadden nu ruimschoots gelegenheid om de samenstelling van zoo’n vlot of „lanting”, zooals de inlanders het noemen, op te merken. Het gevaarte, dat zij onder de oogen hadden, bestond uit een tweehonderdtal boomstammen van uitmuntend timmerhout, die met zware rottankabels goed aan elkander verbonden waren. Over die boomen was een vloer van „niboeng”3latten aangebracht. In het midden van het vlot was een vrij ruime hut getimmerd, terwijl aan weerszijde daarvan de producten behoorlijk onder dak opgestapeld waren. Zoo waren daarop aanwezig ruim vier duizend bossen rottan, een paar duizend „gantangs”4[254]„njating” (hars) een honderd pikols bijenwas, een twintig pikols „ngiatoe” (getah-pertjah) en een klein partijtje vogelnestjes. De beide laatste koopwaren had Bapa Andong van eenige handelaren der bovenlanden tegen bijenwas, bij welks vergaring hij bijzonder gelukkig geweest was, ingeruild. De overige producten waren het resultaat van eigen arbeid. De rottan was in de omliggende soengei’s gesneden. De hars was gedeeltelijk aan de boomen zelven gewonnen, gedeeltelijk langs de oevers der rivier ingezameld. Ter bekoming van de edelste soorten van dit product, maakt de Dajak inkervingen in de hem bekende harsachtige boomen en ziet na weinige dagen zijne moeite rijkelijk beloond. De overige soorten heeft hij slechts langs de boorden der rivier, op de zandbanken en landtongen op te rapen. De hars namelijk druipt in sommige tijden van het jaar van de boomen, valt op den grond en neemt aldaar aarddeelen en andere onreinheden op. Bij den eersten den besten watervloed wordt zij medegesleept. Door de onreinheden is zij specifiek iets zwaarder dan het water, zoodat zij wel drijvende, doch ietwat beneden de oppervlakte, den stroomdraad volgt. Brengt nu de wind de breede stroomen van Borneo in beweging, dan wordt die hars door den golfslag op de oevers geworpen of door den stroom op de uitstekende hoeken of zandbanken afgezet. Het gebeurt ook niet zelden, dat op die zandbanken of op de eilanden in die stroomen, in een woord overal in alluvialen grond, weinige voeten onder de oppervlakte des bodems, harsbeddingen van soms meer dan honderd M2. oppervlakte, bij een dikte van 2c.M.tot 3d.M.aangetroffen worden.Dat alles vernamen onze vluchtelingen met groote belangstelling uit de gesprekken hunner nieuwe makkers. Wat het inzamelen van bijenwas betreft, daaromtrent[255]zouden zij zelf ondervinding opdoen en kunnen opmaken, dat die heel wat verschilt van de bijenteelt in Europa.Met inspanning van alle krachten vorderde het vlot langzaam maar toch gestadig. Eindelijk, tegen het vallen van den avond, was het gevaarte den laatsten hoek omgewerkt en de ingang zichtbaar van het kanaal, dat het meer met de rivier verbindt. Maar nu waren de krachten ook uitgeput en was rust noodzakelijk. Er was toch geen mogelijkheid om het vlot bij nachtelijk duister door dat nauwe kanaal te voeren, en werd dus besloten te overnachten ter plaatse waar men was. Het vlot werd aan den wal gemeerd, waarna een gedeelte der bemanning op den oever sprong om het terrein in de nabijheid over een uitgestrektheid van honderd passen middellijn ongeveer van struikgewas te zuiveren, teneinde een vrij uitzicht te hebben, de struiken en takken zooveel mogelijk als een heg aan de grens van die open vlakte op te stapelen en dus een soort van retranchement te hebben, waardoor niet kon heengebroken worden zonder de aandacht te wekken. Verder werd de geheele manschap in twee ploegen verdeeld, die om beurten wakker blijven en scherp uitzien zouden, waarbij Johannes zorgde, dat hij met La Cueille bij de eene en de twee Zwitsers bij de andere ingedeeld werden.Zeer waarschijnlijk waren die voorzorgsmaatregelen oorzaak, dat de nacht ongestoord voorbijging; want de koppensnellers schuwen over het algemeen het gevecht en deinzen gewoonlijk af, wanneer hunne tegenstanders waakzaam zijn en zij dus voorzien kunnen, dat hun laf sluipmoordenaarswerk niet zonder gevaar kan geschieden.Met den dageraad werd de arbeid hervat en na een goed uur zwoegens was het vlot in het kanaal; en de zon had nog niet de helft van hare geheele hoogte bereikt, toen het bij de stapelplaats vastgemeerd lag,[256]om de overige lading te ontvangen. Daarmede werd met zoo’n vlugheid te werk gegaan, dat, toen de dag ten einde neigde, alles aan boord gerangschikt, en men tot vertrek gereed was.Intusschen viel er nog een belangrijke arbeid te verrichten. Sedert Bapa Andong met de inzameling zijner boschproducten begonnen was, waarmede een tijdruimte van ongeveer zes maanden gemoeid was, hadden honderden bijenzwermen hun nest gemaakt op en in de boomen, die zich op den westelijken oever van het meer verhieven. De boomen, die deze kleine diertjes daartoe uitkiezen, zijn een zeer hooge soort, met rechten, gladden stam en ver uitstekende takken. De Dajaks noemen zoo’n woudreus: „tanggirang”; in gunstige jaren worden op zulk één boom 200 à 300 bijennesten gevonden. Zoodra Bapa Andong het begin van den arbeid dezer nijvere diertjes opgemerkt had, begon hij zijn maatregelen te nemen, om zich op een gegeven oogenblik hun buit te kunnen toeeigenen. Daartoe had hij in iederen „tanggirang” dagelijks een paar pennen van hard hout op ongeveer 4 d.M. van elkander laten slaan, en was daarmee voortgegaan, totdat de aldus gevormde ladder de benedentakken van den woudreus bereikt had. Die arbeid had lang geduurd, maar kon niet anders uitgevoerd worden, doordat, wilde men de ladder onafgebroken vervaardigen, dat aanhoudende geklop op de „tanggirangs” de bijen zeker zoude verontrusten en een aanval hunnerzijds niet zoude uitblijven. In de laatste dagen hadden de pandelingen van Bapa Andong het terrein rondom de boomen van struiken en onkruid gezuiverd. Men was dus tot handelen gereed en wachtte nog slechts op het gunstige oogenblik. Dat oogenblik scheen nu gekomen.Het was een stormachtige nacht, die ingetreden was,[257]een dier kenteringsnachten in de tropische gewesten, waarin de wind huilde en pogingen scheen aan te wenden om geheele vakken van het oorspronkelijk woud te ontwortelen; een nacht waarin het zwerk met dichte wolken bedekt en de duisternis zoo groot was, dat het aardrijk met een zwart floers overtogen scheen. Met den zoon van Bapa Andong en de zes pandelingen, aan de boorden van het meer aangetroffen, waren nu zeventien mannen te zamen. Deze stegen in de prauw van onze avonturiers en in twee djoekoengs en staken over de schuimende wateren van het meer naar de overzijde, waar de tanggirangs stonden. Daar aangekomen stapten zij aan wal en plaatsten onder iederen boom op vier stokken, een vrij grooten linnen lap in dier voege, dat hij aan de vier punten opgehouden, een zak vormde, die den grond evenwel niet raakte. Toen men daarmee klaar was, werden een aantal fakkels van groen en veel rookgevend hout, te voren vervaardigd, ontstoken. Iedere Dajak greep er een van, en nu ging het bliksemsnel langs de vervaardigde ladders omhoog, tegen de tanggirangs op. In iederen boom klom slechts een man, terwijl inmiddels Bapa Andong en de vier Europeanen met het geweer in de hand beneden in het donker bleven en de wacht hielden.In een ondeelbaar oogenblik waren de klouteraars boven en klopten nu op de talrijke nesten. Met een geluid als wilden zij den storm overtreffen, kwamen de bijen brommend naar buiten, om zich op de aanvallers te werpen, maar, verblind door het licht der fakkels, die hevig heen en weer werden gezwaaid, en verstikt door den rook, die in dikke wolken door de kruinen voer, werden zij door den stormwind ver weggedreven en vielen met honderdduizenden en nog eens honderdduizenden aan de overzij van het meer ter aarde. Zoodra[258]de zwermen verdreven waren, beijverden zich de aanvallers de nesten met een bamboelemmer van de takken los te maken en in de daaronder opengesperde linnen zakken te laten vallen. In een oogwenk om zoo te zeggen was alles geschied en de klouteraars waren reeds beneden, toen de Europeanen nog vol ontzetting naar boven tuurden.Het was dan ook een aangrijpend schouwspel voor hen geweest.Die naakte bruine gedaanten met fladderende haren in dien stormachtigen nacht, bij het onzekere schijnsel der fakkels, pijlsnel naar boven te zien klimmen; die gedaanten zich daar boven hoog in de lucht over de takken te zien buigen, de fakkels heen en weder te zien zwaaien en zich in een dikken rook hullen; die dwaallichten daar hoog boven tusschen de slingerende takken, de weerkaatsing in de wateren van het fel bewogen meer; het gehuil van den storm en het gegons van millioenen bijen, terwijl met tusschenpoozen een weemoedige stem van bovenaf weerklonk en een droevig eentonig gezang tusschen de stormvlagen deed hooren, dat alles kwam hun zoo verrassend, zoo spookachtig voor, dat zij het, vooral bij den korten duur, voor een droom, voor een zinsbedrog hadden kunnen houden, lagen de tallooze nesten, druipende van honig, niet aan hunne voeten om hen van de werkelijkheid te overtuigen.„Sacré matin! dat zijn flinke kerels!” brak La Cueille los.„Wat een behendigheid, vlugheid en bedaard overleg daar bij,” bevestigde Schlickeisen; „kijk, geen enkel ongeval is bij die verbazende onderneming gebeurd.”De bijennesten waren spoedig in de prauw en de djoekoengs geladen en het was nog geen middernacht toen de expeditie aan boord van de lanting terug was.[259]Het wekte de verwondering der Zwitsers, dat Bapa Andong zijn vlot, waarop toch voor een groote waarde aan koopmansgoederen opgestapeld lag, gedurende de helft van den nacht alleen had durven laten. Hij wist toch, meenden zij, dat slecht volk in den omtrek rondzwierf. Maar Dalim verklaarde hun, dat diefstal in de Dajaklanden bijna nimmer voorkomt, dat dat vlot daar maanden zou kunnen liggen, zonder dat iemand er een vinger naar zou uitsteken. Alleen wanneer het afdoende gebleken was, dat het onbeheerd bleef, zou het weggehaald zijn. Het slechte volk, waarvan zij spraken, beoogde slechts één buit, namelijk menschenschedels. Al het overige was hun onverschillig en zouden zij niet aanraken.„En daarom,” zoo besloot de Dajak zijn toelichting, die niet van nationaliteitsgevoel ontbloot was, „en daarom, het is en blijft steeds ons wachtwoord:„pas op je kop, breng je kop thuis.””De bijennesten werden op een stellage, daarvoor expresselijk vervaardigd, geplaatst om uit te druipen. De Zwitsers, die, als de tenant in hun wapenschild5, echte honiglikkers waren en dus nog al belang in die geheele verrichting stelden, vernamen gedurende die bedrijvigheid dat die nesten den naam van „idang” in de Dajaksche taal dragen; dat iedereidanggewoonlijk eenK.G.was en 12 K.G. zuiveren honig oplevert. Men had een tientaltanggirangsvan hunne idangs ontdaan. Deze, berekend op 200 idangs per boom, lagen daar dus 2000 nesten, die een zelfde aantal K.G. was en 24,000 K.G. honig zouden opleveren. De eerst verkregen honig, die van zelf uitdruipt, is de zuiverste en wordt door de liefhebbers voor den fijnsten gehouden. Later worden[260]de idangs in een zak, van ruwe plantaardige vezels vervaardigd, gewrongen en geperst, waarna de was, ter verdere zuivering herhaalde malen in water wordt gekookt en eindelijk in groote schijven of koeken gegoten, die een middellijn van ongeveer 0,5 M. hebben, ± 15 K.G. zwaar zijn, en zoo in den handel gebracht worden.Toen de bijennesten op hunne stellage gestapeld waren, werd de wachtdienst weer ingedeeld als den vorigen nacht en kon de helft der opvarenden trachten rust te genieten.Maar in de Dajaklanden op rust rekenen, is veelal de rekening buiten den waard maken. De eerste uren gingen wel is waar zonder stoornis voorbij; maar nauwelijks had de „takakak”6zijn ochtendgeschreeuw doen hooren en kon het diensvolgens drie uur in den morgenstond zijn, toen de jeugdige Andong iets meende te hooren aan de boschzijde. Als een bronzen standbeeld vatte hij post, luisterde, ja luisterde scherp toe. Daarop wenkte hij zijn makkers, evenwel zonder gedruisch te maken. Allen spitsten de ooren, al hunne zintuigen waren in de gehoorzenuwen overgegaan en jawel, er werd een beweging vernomen als van zacht schuifelende lichamen, die zich met de meeste voorzichtigheid een doortocht trachtten te banen door de beschermende borstwering van afgekapte takken en struiken, die ook hier aangelegd was. Gelukkig was de stormwind gaan liggen, anders ware dat zachte gedruisch niet waarneembaar geweest. In de grootste stilte werden de slapenden gewekt en de gevechtsdispositiën genomen. De Europeanen sloten zich bij elkander aan en hielden de vuurwapenen onder hun bereik. Bij de volslagen[261]duisternis, die er heerschte, schenen die evenwel van weinig nut en daarom hadden zij dan ook als Dajaks, die zij voorstellen moesten, ieder een flinken mandauw ter hand genomen en beloofden zij zich er lustig mee rond te hakken, hoewel La Cueille, terwijl hij zijn wapen trillend omhoog stak, zuchtend het schietgebed prevelde:„Sainte Vierge de Jupille! secourez nous.”Bapa Andong kwam evenwel Johannes iets in het oor fluisteren, wat deze met een glimlach en een goedkeurenden knik beaamde. Toen hij het gesprokene medegedeeld had, namen de Zwitsers de Remmingtongeweren; La Cueille en Johannes wapenden zich met een tirailleurgeweer, maar bovendien met een revolver, terwijl de twee overblijvende geweren geladen gereedstonden om gegrepen te worden.Na die beschikkingen wachtten de verdedigers nog een poos met kloppend hart. Zij keken uit, maar te vergeefs, in het stikdonker was niets te onderscheiden. Bij de stilte, die evenwel ingetreden was, hoorde men zacht schuifelen, soms ook wel een twijgje knappen; anders niets. Plotseling verhieven zich een twintigtal gestalten aan den oever van het meer en sprongen met een wip op het vlot.„Lēēēēh, lèlèlèlè ouiiiit!” weerklonk het luid en deed dit gegil de aanwezigen op het vlot de haren te berge rijzen. Zij begrepen dat zij tegen een overmacht stonden, dat, indien hun krijgslist mislukte, een gevecht op leven en dood onvermijdelijk, de ondergang van allen zeer waarschijnlijk was. De vijandelijke strijders sprongen, vlogen over de beschikbare ruimte van dat gedeelte van het vlot, waar zij aan boord getreden waren. Het was een demonisch schouwspel, die wilden, achter hunne schilden gedoken, met den gevreesden mandauw[262]in de hand, heen en weer te zien springen, de bewoners van het vlot tot den strijd uitdagende. Geen geluid van deze laatsten liet zich hooren en die stilte scheen de aanvallers eenigszins te onthutsen.Eensklaps lieten zich aan het andere einde van het vlot, door de verdedigers bezet, in het donker een paar gedaanten waarnemen, die op de aanvallers toesprongen, hun een paar houwen toebrachten, maar even snel weer verdwenen als zij gekomen waren. Nu brulden de aanvallers hun oorlogskreet andermaal, sloten zich vast aan elkander en, door hunne schilden gedekt, stoven zij den loopgang door, die de voorplecht van het vlot met de achterplecht verbond. Aan het einde trachtten een paar gedaanten hun nog den doorgang te betwisten; maar ook die verdwenen weer even spoedig, toen eensklaps boven op den berg rottanbossen, die het middenvak van het vlot vulden, een helder brandend licht ontstoken werd en te gelijkertijd een hevig geweervuur de aanvallers, die nu ten volle zichtbaar waren, tegenknetterde. Wienersdorf en Schlickeisen schoten hunne repeteergeweren naar hartelust af op den vijandelijken drom, die tot tegen de bajonetten schier opgedrongen was. La Cueille en Johannes in het tweede gelid, schoten eerst hunne geweren af en vervolgden daarna het vuur met hunne revolvers, terwijl het van boven den hoop rottanbossen mandauwhouwen begon te regenen. De verwarring te beschrijven, die onder de aanvallers ontstond, bij het schitteren van dat plotselinge licht en het daarop gevolgde schieten, waarvan in den dicht opeengedrongen hoop in dien doorgang weinig kogels misten, is onmogelijk. Een golvende beweging begon zich te openbaren; eerst vooruit, dan achteruit. Kreten van woede, angstgegil en kermen kruisten zich allerwege. Het was of alle duivels der hel losgebroken waren. Eindelijk[263]splitste zich het kleine hoopje van den overgebleven troep der aanvallers in twee deelen, waarvan het eene, wel het grootste, het hazenpad koos, aan den wal sprong en in het duister verdween; terwijl het andere, over de gesneuvelden heenspringende, een wanhopige poging aanwendde, om de tegenpartij toch nog te lijf te gaan. De schoten knetterden onafgebroken, het kleine manmoedige troepje slonk, slonk nogmaals, maar met een ongeëvenaarde doodsverachting drongen de laatste twee overblijvenden onder de bajonetten der twee Zwitsers in, door zich op den grond te werpen en zoo hunne tegenstanders met het blanke wapen aan de huid te komen. De eene werd door Schlickeisen met de bajonet aan den vloer van het vlot vastgestoken en zoo onschadelijk gemaakt. De andere naderde schuifelende, stond plotseling op, en hief zijn mandauw omhoog om Wienersdorf den doodelijken slag toe te brengen. Deze, geen kans ziende dien slag te pareeren, waartoe ook de strijders te dicht op elkander gedrongen waren, liet zijn geweer eensklaps vallen en greep zijn tegenpartij met zulk een krachtvolle vuist bij de polsen, dat deze zijn mandauw moest laten vallen. Nu begon in die enge ruimte een ontzettende worsteling tusschen de twee mannen, die beiden begrepen, dat het leven van den uitslag afhing. Slechts weinige handbreedten scheidden hen van het meer, welks water donker tegen het vlot kabbelde. Voor de anderen was er niet aan te denken, Wienersdorf te hulp te springen. Vooreerst stond Schlickeisen daartoe in den weg, die zijn tegenpartij nog steeds zich wringend en gillend aan den vloer vastgestoken hield. Maar ook de beide worstelenden sprongen en wrongen zich in hun strijd, borst tegen borst geklemd, zoo vlug dat er zeer groot gevaar zou bestaan hebben, bij het toebrengen van een slag, den Zwitser[264]te treffen in stede van zijn tegenpartij. De kamp duurde zoo nog een kort oogenblik voort, dat evenwel een eeuwigheid toescheen. Eindelijk begonnen de krachten den minder gespierden Dajak te begeven. Toen Wienersdorf dat voelde, schopte hij den gevallen mandauw met een beweging van zijn voet in het meer, deed een laatste maar geweldige inspanning, verhief de beide armen zijns vijands, die hij als in bussen omklemd hield, boog die met reuzenkracht achterover en noodzaakte zoo den hijgenden Dajak voor hem op de knieën te vallen. Kreunend zonk hij in elkander en smeekte:„Blako ampoen!” (ik vraag genade).Op die woorden, die met zacht vloeiende stem en met zulk een innige bede uitgesproken werden, liet de Zwitser den overwonnen vijand los en reikte hem de hand. Op de knieën liggende, aarzelde deze die aan te nemen. Zijn borst hijgde stormachtig, zijne oogen fonkelden als vuurballen. Maar die aarzeling duurde slechts een seconde; toen sprong hij op, greep de hem toegestoken hand, legde zich die op de kruin van zijn hoofd, terwijl hij daarbij den fieren onafhankelijken nek, ten teeken van onderwerping boog. Wat hij met diep bewogen stem mompelde, kon niemand verstaan. Zoo stond de zoon des wouds een kort oogenblik.Eensklaps richtte hij het hoofd op, greep zijn „poeai”7aan de mandauwscheede bevestigd, bracht zich een lichte verwonding aan den arm toe, ving het uitdroppelende bloed in de holte zijner hand en bestreek daarmede het voorhoofd en de lippen van Wienersdorf, die beteuterd stond te kijken en niet wist wat met hem gebeurde. Daarop verwondde hij den Zwitser lichtelijk, ving ook diens bloed op, bestreek zich ook daarmede voorhoofd[265]en lippen, waarna hij de overblijvende druppels in zijn mond liet vallen en zoo opdronk. Nogmaals reikte hij zijn overwinnaar de hand, drukte die, bracht haar aan den mond en wierp vervolgens een trotschen blik op de omstanders, terwijl hij duidelijk verstaanbaar de woordenHarimaoungBoekit8uitsprak, waarna hij, vóór dat iemand er ook maar aan denken kon, om het te beletten, in het meer sprong, welks donkere wateren zich boven zijn hoofd sloten.En alsof het op een afgesproken teeken geschiedde en de natuur den woudzoon bij zijne ontsnapping behulpzaam wilde zijn, bluschte een hevige windvlaag het ontstoken licht plotseling uit, zoodat de opvarenden van het vlot in diepe duisternis gehuld waren.[266]1Hem, die omtrent die manipulatie en omtrent de botanische beschrijvingen van de siren- en ipohgewassen meer wil weten, verwijzen wij naar de „Ethnographische beschrijving der Dajaks” door den Schrijver. Uitgave van Joh. Noman & Zoon, Zalt-Bommel.↑2De ouders nemen in de Dajaklanden steeds den naam van hun oudste kind aan, met voorzetting van de woorden „bapa” (vader) of „indoe” (moeder). De zoon heette hier Andong, bij gevolg zijn vader Bapa Andong; zijne moeder Indoe Andong.↑3Niboeng is een palmsoort, die bijna van de Pinangpalm niet te onderscheiden is. Voor latwerk is die houtsoort onovertroffen. Zij is hard, laat zich gemakkelijk splijten en bezit, wanneer de innerlijke weeke deelen behoorlijk verwijderd zijn, een groote duurzaamheid.↑4Gantang is een maat, welker inhoud voor hars ongeveer op 3.75 K.G. kan berekend worden.↑5De beer.↑6Takakak is een fraaie soort van boschhaan, die op geregelde tijden des nachts ten 9, 12 en 3 uur ongeveer zijn schel klinkend taaakkekakakak doet hooren.↑7Poeai; zie daaromtrent bladz.187.↑8HarimaoungBoekit beteekent bergtijger.↑
XIII.Vaart op de rivier.—Toxicologie.—De „siren” en de „ipoh”.—De soengei Moeroi.—Een vlot.—Op de Danau Ampang.—De „tanggirangs”.—Een wasinzameling.—De aanval.—Plotseling verlicht.—Het gevecht.—Een kamp op leven en dood.—„Blakoe ampoen”.—Een tooneel van onderwerping.
Vaart op de rivier.—Toxicologie.—De „siren” en de „ipoh”.—De soengei Moeroi.—Een vlot.—Op de Danau Ampang.—De „tanggirangs”.—Een wasinzameling.—De aanval.—Plotseling verlicht.—Het gevecht.—Een kamp op leven en dood.—„Blakoe ampoen”.—Een tooneel van onderwerping.
Vaart op de rivier.—Toxicologie.—De „siren” en de „ipoh”.—De soengei Moeroi.—Een vlot.—Op de Danau Ampang.—De „tanggirangs”.—Een wasinzameling.—De aanval.—Plotseling verlicht.—Het gevecht.—Een kamp op leven en dood.—„Blakoe ampoen”.—Een tooneel van onderwerping.
„De drommel moge zoo’n stroom halen!” pruttelde La Cueille binnensmonds, „je ziet niet dat we vooruit komen.”En werkelijk het kostte inspanning en ook genoeg zweet onder de tropische zon, om den aandrang van het water te breken en veld te winnen. Er waren soms oogenblikken, als scherpe hoeken omgevaren moesten worden, dat het oog zoo dadelijk niet waarnemen kon of men vorderde ja dan neen. Het was dan of de prauw op de watervlakte heen en weder gierde, zonder voor- of achteruit te komen. Maar dan werden de pagaaien met verdubbelde kracht in ’t water geslagen en eerst langzaam, daarna iets beter, ging het vooruit.Er was een ware kennis van de vaart op de rivier noodig om hoeken af te snijden, bochten te mijden, van stroomdraaiingen gebruik te maken, zand- en rolsteenbanken te ontloopen, rotsblokken om te sturen, in een woord om zonder gevaar de reis in den kortst mogelijken tijd te volbrengen. Wat nog al tot veel omzichtigheid noopte, was de aanwezigheid van een groot aantal doode boomen in de bedding der rivier, die het vaarwater al[246]zeer onveilig maakten. Door storm of overstrooming aan den vasten wal ontrukt, worden die woudreuzen gewoonlijk door den zwaren stroom een eindweegs medegesleept, maar blijven eindelijk zitten, als verankerd door de wortelmassa, die door de klei en steenen daar tusschen opgehoopt, veel zwaarder dan het overige gedeelte van den tronk, over den rivierbodem sleurt en door de oneffenheden daarvan weerhouden, zich eindelijk vastzet. Die boomstammen zijn vooral voor stroom opkomende vaartuigen zeer gevaarlijk, daar zij, met de kruinen in de richting van den stroom liggende, en langzamerhand van bladeren en dunne takken ontdaan, als een geduchte piketteering te beschouwen zijn, welker punten onder zekere helling staande, zich niet altijd voor het oog vertoonen, maar slechts door het koken en opborrelen des waters waarneembaar zijn. Een aanvaring met zulk een „snack”, zooals de Amerikanen dat noemen, is meestal noodlottig en heeft het spoedig zinken van het vaartuig ten gevolge. Dalim en zijn landgenoot, als goed bekend met de rivier, keken dan ook nauwlettend uit en verhoedden zoo onheilen, die, behalve het levensgevaar, dat zij daarstelden, ook nog onherstelbare verliezen—b.v. van de prauw—zouden kunnen berokkenen.La Cueille, dien het zware roeien eenigszins pijnlijk viel, bekeek van tijd tot tijd zijn arm. Daaraan was evenwel niet veel te bespeuren. De snee, die Wienersdorf gemaakt had, was met een korst overdekt, maar overigens zonder eenige ontsteking. Alleen werd rondom het pijlwondje een zwarte kring waargenomen, die zich ter grootte van een gulden uitstrekte. Dalim verklaarde dat dit bij pijlverwondingen steeds het geval was, ook wanneer de gewonde overleed.Wienersdorf kon niet nalaten te vragen, waaruit die[247]vergiften getrokken werden. Toen hij vernam, dat de beide voornaamste, bij de Dajaks bekend onder de namen van „siren” en „ipoh”, plantaardige vergiften zijn, was zijn weetgierigheid uitermate geprikkeld. Hij wilde weten van welke gewassen zij afkomstig zijn, hoe zij bereid worden. Op de eerste vraag kon Dalim noch zijn makker hem voldoende inlichting geven, want van het pedante classificeeren der plantenwereld, zooals de geleerden dat doen, hadden die eenvoudige Dajaks volstrekt geen begrip. Wat de tweede vraag betrof, deze verkreeg een meer voldoend antwoord; Dalim althans had het bereiden van het vergift meermalen bijgewoond. Het kostte evenwel veel moeite hem aan het praten te krijgen. De Dajaks zijn dienaangaande zeer geheimzinnig. Na veel gevraag kwamen zijne mededeelingen op het navolgende neer:In de binnenlanden van Borneo, bij voorkeur op de hellingen van bergen en heuvels, groeit een boom, die door de inboorlingen „Batang Siren” genoemd wordt. Deze boom bereikt, evenals onze eik, den ouderdom van honderd jaren. Zijn stam erlangt bij volle dikte een doorsnede van 1.50 M.Om nu het vergift uit dien boom te trekken, worden in den dikken bast schuinsche inkervingen tot op het hout gemaakt. Uit die inkervingen druppelt een wit melkachtig vocht, dat in bamboezen cylindertjes wordt opgevangen. Dit vocht verkleurt spoedig wanneer het met de dampkringslucht in aanraking komt, wordt geel, daarna bruin en eindelijk zwart bruin. De inzameling moet met de uiterste omzichtigheid geschieden, daar de inademing van de gassen, die zich bij de afscheiding van het vocht en zijn aanraking met de lucht ontwikkelen, zware ziekteprocessen en niet zelden den dood veroorzaakt.[248]Het vocht, zooals het uit den boom gevloeid is, heeft volstrekt geen kracht, het verkrijgt die eerst door een opvolgende uitdamping en koking met andere gewassen.Wanneer het vocht behoorlijk behandeld1en verdikt is, wordt het nog warm in een steenen kannetje of potje gegoten, waarin het spoedig stolt. Dit kannetje wordt door de Dajaks der bovenlanden overal medegenomen en is bevestigd aan den buikband van zijn mandauw. Dit potje wordt slechts even verwarmd, waarna het voldoende is de pijlpunten in de vloeibare zelfstandigheid te doopen en deze te laten afdroppelen. Die punten zijn dan met een dun laagje getah overdekt, dat spoedig stolt.Om te onderzoeken of het vergift de gewenschte kracht bezit, wordt een orang oetan, een kip of een eend met een vergiftigd pijltje verwond. Indien het getroffen dier niet binnen het half uur bezwijkt, wordt de siren op nieuw uitgedampt en met andere vergiftige planten gekookt.De eerste symptomen, die zich bij den gewonde gewoonlijk openbaren, zijn hevige brakingen, die opgevolgd worden door een bevende verlamming der ledematen, die ongeveer tien minuten aanhoudt en onder hevige stuiptrekkingen met den dood eindigt.Het ipohvergift wordt op dezelfde wijze gewonnen en toebereid. Dit is echter het vocht uit een slingerplant, waarvan de moederstam niet dikker dan 2½ dm. middellijn wordt. In de uitwerking van de ipoh wordt met de siren weinig verschil aangetroffen, alleen dat zich geene brakingen voordoen.[249]Alle Dajaks weten deze vergiften te bereiden; maar, daar de beide gewassen uitsluitend in de berglanden voorkomen, zijn de bovenlanders in die bereiding meer bedreven dan de kustbewoners.„Het snelstwerkend vergift”—zoo eindigde Dalim zijn toelichting—„komt uit Siang en Moeroeng, twee landstreken tusschen de bovenDoessonen boven Kapoeas gelegen. Laatstgenoemde heeft daaraan haren naam Kapoeas-Moeroeng ontleend, ter onderscheiding van de Kapoeas-Bohong, die op de westkust uitwatert.”„Komen wij die landschappen Siang en Moeroeng door?” vroeg Wienersdorf gretig.„Ik hoop van niet,” antwoordde Johannes lachend, „ik heb met Dalim een ander reisplan besproken. Wie kan evenwel zeggen, waar we heen zullen dwalen? en hoe vaak we genoodzaakt zullen zijn onze plannen te wijzigen. Wordt evenwel mijn route volvoerd, dan komen we die landschappen wel zeer nabij, maar er niet door.”„Zullen we die gewassen te zien krijgen, waarover Dalim zoo even sprak?”„Ja,” antwoordde deze, „genoeg; maar wat zoudt gij willen?”„Dan hoop ik bladeren, bloemen, takken, wortels en vruchten mede te kunnen nemen.”„Tu, tu, tu! ik zou je raden daarmee voorzichtig te zijn. In sommige tijden van het jaar is het zelfs zeer gevaarlijk onder den wind in de nabijheid van zoo’n boom te verwijlen. Als ge daarop uitgaat, waarschuw mij dan eerst.”„Zijn dat de eenige giftige gewassen, die Borneo oplevert?” vroeg Wienersdorf verder.„Waarachtig niet,” antwoordde Johannes. „Dat zou een armoedige flora opleveren voor een tropisch land. Integendeel, Borneo is rijk aan planten, die den dood kunnen[250]geven. Gelukkig dat het in den aard der bevolking niet ligt, daarvan gebruik te maken. Dat is een geruststelling. We kunnen ons op koppensnellerspartijen, op overvallen, op gevechten van allerlei aard voorbereiden. Bij onze verdere tochten, wanneer we in het hoogland zullen zijn, zullen we in iederen struik een vijand te zien hebben; maar we zullen zonder argwaan kunnen nuttigen, wat men ons zal voorzetten of te koop aanbieden. Er is evenwel een gebruik in de bovenlanden, dat nog al te denken geeft en het vermoeden doet rijzen, dat in vroegere tijden vergiftigingen aan de orde van den dag waren. Nimmer zal daar namelijk een gast iets gebruiken, hetzij eet- of drinkwaren, of de gastheer moet er van geproefd hebben. Het is zelfs een beleefdheidsvorm geworden, den aanreiker van het aangebodene te doen proeven.”Onder deze en dergelijke gesprekken hadden de reizigers duchtig de roeispaan gehanteerd en waren zoo omstreeks het middaguur de soengei Moeroi genaderd. Toen zij die voorbij wilden varen, zagen zij een vlot die breede soengei afzakken, terwijl drie mannen daarop alle krachten inspanden om de vaart van dat onhandelbare ding te temperen. Een der opvarenden riep om hulp, en daar het volgens landsgebruik niet geoorloofd is, die te weigeren, stuurde Dalim zijn prauw naar het vlot en lag deze spoedig daarlangs vastgemeerd. Het kwam er in de eerste plaats op aan, het vlot, dat door den zwaren stroom gegrepen was, naar den wal te sturen en daar vast te leggen. Spoedig hadden onze avonturiers hunne rottankabels voor den dag gehaald, alsook de ankerketting, uit soengei Naning medegenomen. Toen die stevig aan elkander gevoegd waren, werd het eene eind daarvan aan een soort van spil op het vlot vastgemaakt en het andere eind met behulp van een djoekoeng aan den wal gebracht en daar om een zwaren boomstam geslagen. Het[251]vlot inmiddels voortdrijvende, kreeg, toen de kabel strak liep, een vreeselijken schok, waardoor Schlickeisen en La Cueille, daarop minder verdacht, voorover in de rivier tuimelden, maar door Dalim en een paar der nieuwe Dajaksche vrienden gered werden. Niettegenstaande den zwaren schok, hield de kabel zich goed. Zij stond gespannen als een snaar en het vlot trilde onder den aandrang van den stroom. Toen het gevaarte eenigszins naar den wal gezwaaid was, begonnen de mannen het spil te winden, totdat het vlot den boom genaderd was, waaraan het met den kabel vast lag.Onze reizigers vernamen nu, dat de eigenaar van het vlot, een Kwala Kapoeasser, Bapa Andong genaamd, boschproducten in de soengei Moeroi was gaan zoeken; dat hij daarin ook geslaagd was, maar dat hij in den voorlaatsten nacht door een troep Poenan’s overvallen was, waarbij hij vier zijner pandelingen verloren had, die allen gesneld waren. Dat hij en zijne twee overgebleven pandelingen nog in leven waren, hadden zij aan hunne moedige houding te danken. Bij den eersten alarmkreet hadden zij hunne mandauw’s gegrepen en waren de aanvallers koen te gemoet getreden, tijdig genoeg om hun eigen leven te redden, te laat echter om hunne ongelukkige makkers te hulp te komen, die in hun slaap afgemaakt waren. Toen beide partijen wat gepraat hadden, kwamen zij tot de slotsom, dat zij met dezelfde bende koppensnellers hadden te doen gehad en dat uitermate waakzaamheid betracht moest worden; want bij de teleurstelling den gesnelden kop te kotta Towanan te hebben moeten achterlaten, kwam de bloedwraak nog, die de woudloopers over het verlies van hunne beide makkers zoude bezielen.Bapa Andong verzocht Johannes, die, zooals wij weten, als handelaar aan het hoofd der expeditie stond, hulp[252]te verleenen om het vlot naar Danau Ampang te brengen. Hij had daar nog een menigte boschproducten opgeschuurd; met de overgebleven pandelingen was het evenwel onmogelijk het vlot, tegen den stroom derwaarts te voeren. Wel werd er besproken, dien moeitevollen arbeid niet te ondernemen, en die producten met de prauw onzer avonturiers te gaan halen, maar de nabijheid der Poenans deed hen van het plan om zoo hunne krachten te splitsen, afzien. De tien mannen, die nu op het vlot bij elkander waren, konden zich vereenigd zeer sterk noemen; verdeeld, zouden zij afzonderlijk aangevallen en vernietigd kunnen worden. In de Danau (het meer) was Andong2de zoon des eigenaars met nog een zestal pandelingen, omtrent wier lot na het gebeurde de vader zich thans ongerust maakte. Er werd overeengekomen, dat onze reizigers het vlot in het meer zouden helpen brengen, dat zij de behulpzame hand zouden bieden om de aldaar opgestapelde producten te laden, dat zij vervolgens het vlot weer in den Kapoeas-stroom zouden brengen, waarna hunne hulp overbodig werd, daar Bapa Andong van meening was, alsdan nog voor het invallen van den nacht den kampong Pendek-katiempoen te kunnen bereiken. Aldaar had hij tal van verwanten en vrienden en zouden de Poenans zich daar wel niet wagen. Voor die hulp werd toegezegd, werd bepaald, dat bij het scheiden, twee pandelingen op de prauw onzer avonturiers zouden overgaan. Deze zouden te kotta Baroe of te kotta Djangkan, in een woord bij de eerste voorkomende gelegenheid vervangen worden, waarna zij wel gelegenheid zouden vinden met den een of[253]anderen handelaar naar hunne haardsteden terug te keeren.Nadat die overeenkomst getroffen was, werden de handen aan het werk geslagen. Toen het vlot met een hulptros was vastgelegd, werd de hoofdkabel van den boom losgemaakt en per djoekoeng den afstand harer geheele lengte verder gebracht en daar weer om een dikken boom geslagen. Het spil werd weer in beweging gesteld en zoo het vlot tegen den stroom opgehaald. Zoo ging men onafgebroken voort en het is te begrijpen, dat dit een zware arbeid was, vooral voor onze Europeanen, die daaraan niet gewoon waren. Zij kregen daarbij evenwel een inzicht omtrent de bedrijvigheid van het volk, in welks midden zij zich bevonden, en dat in dien arbeid bijzonder te huis scheen.Het vervoer der boschproducten geschiedt van uit de binnenlanden van het zoo waterrijke Borneo bijna niet anders. Onze avonturiers hadden nu ruimschoots gelegenheid om de samenstelling van zoo’n vlot of „lanting”, zooals de inlanders het noemen, op te merken. Het gevaarte, dat zij onder de oogen hadden, bestond uit een tweehonderdtal boomstammen van uitmuntend timmerhout, die met zware rottankabels goed aan elkander verbonden waren. Over die boomen was een vloer van „niboeng”3latten aangebracht. In het midden van het vlot was een vrij ruime hut getimmerd, terwijl aan weerszijde daarvan de producten behoorlijk onder dak opgestapeld waren. Zoo waren daarop aanwezig ruim vier duizend bossen rottan, een paar duizend „gantangs”4[254]„njating” (hars) een honderd pikols bijenwas, een twintig pikols „ngiatoe” (getah-pertjah) en een klein partijtje vogelnestjes. De beide laatste koopwaren had Bapa Andong van eenige handelaren der bovenlanden tegen bijenwas, bij welks vergaring hij bijzonder gelukkig geweest was, ingeruild. De overige producten waren het resultaat van eigen arbeid. De rottan was in de omliggende soengei’s gesneden. De hars was gedeeltelijk aan de boomen zelven gewonnen, gedeeltelijk langs de oevers der rivier ingezameld. Ter bekoming van de edelste soorten van dit product, maakt de Dajak inkervingen in de hem bekende harsachtige boomen en ziet na weinige dagen zijne moeite rijkelijk beloond. De overige soorten heeft hij slechts langs de boorden der rivier, op de zandbanken en landtongen op te rapen. De hars namelijk druipt in sommige tijden van het jaar van de boomen, valt op den grond en neemt aldaar aarddeelen en andere onreinheden op. Bij den eersten den besten watervloed wordt zij medegesleept. Door de onreinheden is zij specifiek iets zwaarder dan het water, zoodat zij wel drijvende, doch ietwat beneden de oppervlakte, den stroomdraad volgt. Brengt nu de wind de breede stroomen van Borneo in beweging, dan wordt die hars door den golfslag op de oevers geworpen of door den stroom op de uitstekende hoeken of zandbanken afgezet. Het gebeurt ook niet zelden, dat op die zandbanken of op de eilanden in die stroomen, in een woord overal in alluvialen grond, weinige voeten onder de oppervlakte des bodems, harsbeddingen van soms meer dan honderd M2. oppervlakte, bij een dikte van 2c.M.tot 3d.M.aangetroffen worden.Dat alles vernamen onze vluchtelingen met groote belangstelling uit de gesprekken hunner nieuwe makkers. Wat het inzamelen van bijenwas betreft, daaromtrent[255]zouden zij zelf ondervinding opdoen en kunnen opmaken, dat die heel wat verschilt van de bijenteelt in Europa.Met inspanning van alle krachten vorderde het vlot langzaam maar toch gestadig. Eindelijk, tegen het vallen van den avond, was het gevaarte den laatsten hoek omgewerkt en de ingang zichtbaar van het kanaal, dat het meer met de rivier verbindt. Maar nu waren de krachten ook uitgeput en was rust noodzakelijk. Er was toch geen mogelijkheid om het vlot bij nachtelijk duister door dat nauwe kanaal te voeren, en werd dus besloten te overnachten ter plaatse waar men was. Het vlot werd aan den wal gemeerd, waarna een gedeelte der bemanning op den oever sprong om het terrein in de nabijheid over een uitgestrektheid van honderd passen middellijn ongeveer van struikgewas te zuiveren, teneinde een vrij uitzicht te hebben, de struiken en takken zooveel mogelijk als een heg aan de grens van die open vlakte op te stapelen en dus een soort van retranchement te hebben, waardoor niet kon heengebroken worden zonder de aandacht te wekken. Verder werd de geheele manschap in twee ploegen verdeeld, die om beurten wakker blijven en scherp uitzien zouden, waarbij Johannes zorgde, dat hij met La Cueille bij de eene en de twee Zwitsers bij de andere ingedeeld werden.Zeer waarschijnlijk waren die voorzorgsmaatregelen oorzaak, dat de nacht ongestoord voorbijging; want de koppensnellers schuwen over het algemeen het gevecht en deinzen gewoonlijk af, wanneer hunne tegenstanders waakzaam zijn en zij dus voorzien kunnen, dat hun laf sluipmoordenaarswerk niet zonder gevaar kan geschieden.Met den dageraad werd de arbeid hervat en na een goed uur zwoegens was het vlot in het kanaal; en de zon had nog niet de helft van hare geheele hoogte bereikt, toen het bij de stapelplaats vastgemeerd lag,[256]om de overige lading te ontvangen. Daarmede werd met zoo’n vlugheid te werk gegaan, dat, toen de dag ten einde neigde, alles aan boord gerangschikt, en men tot vertrek gereed was.Intusschen viel er nog een belangrijke arbeid te verrichten. Sedert Bapa Andong met de inzameling zijner boschproducten begonnen was, waarmede een tijdruimte van ongeveer zes maanden gemoeid was, hadden honderden bijenzwermen hun nest gemaakt op en in de boomen, die zich op den westelijken oever van het meer verhieven. De boomen, die deze kleine diertjes daartoe uitkiezen, zijn een zeer hooge soort, met rechten, gladden stam en ver uitstekende takken. De Dajaks noemen zoo’n woudreus: „tanggirang”; in gunstige jaren worden op zulk één boom 200 à 300 bijennesten gevonden. Zoodra Bapa Andong het begin van den arbeid dezer nijvere diertjes opgemerkt had, begon hij zijn maatregelen te nemen, om zich op een gegeven oogenblik hun buit te kunnen toeeigenen. Daartoe had hij in iederen „tanggirang” dagelijks een paar pennen van hard hout op ongeveer 4 d.M. van elkander laten slaan, en was daarmee voortgegaan, totdat de aldus gevormde ladder de benedentakken van den woudreus bereikt had. Die arbeid had lang geduurd, maar kon niet anders uitgevoerd worden, doordat, wilde men de ladder onafgebroken vervaardigen, dat aanhoudende geklop op de „tanggirangs” de bijen zeker zoude verontrusten en een aanval hunnerzijds niet zoude uitblijven. In de laatste dagen hadden de pandelingen van Bapa Andong het terrein rondom de boomen van struiken en onkruid gezuiverd. Men was dus tot handelen gereed en wachtte nog slechts op het gunstige oogenblik. Dat oogenblik scheen nu gekomen.Het was een stormachtige nacht, die ingetreden was,[257]een dier kenteringsnachten in de tropische gewesten, waarin de wind huilde en pogingen scheen aan te wenden om geheele vakken van het oorspronkelijk woud te ontwortelen; een nacht waarin het zwerk met dichte wolken bedekt en de duisternis zoo groot was, dat het aardrijk met een zwart floers overtogen scheen. Met den zoon van Bapa Andong en de zes pandelingen, aan de boorden van het meer aangetroffen, waren nu zeventien mannen te zamen. Deze stegen in de prauw van onze avonturiers en in twee djoekoengs en staken over de schuimende wateren van het meer naar de overzijde, waar de tanggirangs stonden. Daar aangekomen stapten zij aan wal en plaatsten onder iederen boom op vier stokken, een vrij grooten linnen lap in dier voege, dat hij aan de vier punten opgehouden, een zak vormde, die den grond evenwel niet raakte. Toen men daarmee klaar was, werden een aantal fakkels van groen en veel rookgevend hout, te voren vervaardigd, ontstoken. Iedere Dajak greep er een van, en nu ging het bliksemsnel langs de vervaardigde ladders omhoog, tegen de tanggirangs op. In iederen boom klom slechts een man, terwijl inmiddels Bapa Andong en de vier Europeanen met het geweer in de hand beneden in het donker bleven en de wacht hielden.In een ondeelbaar oogenblik waren de klouteraars boven en klopten nu op de talrijke nesten. Met een geluid als wilden zij den storm overtreffen, kwamen de bijen brommend naar buiten, om zich op de aanvallers te werpen, maar, verblind door het licht der fakkels, die hevig heen en weer werden gezwaaid, en verstikt door den rook, die in dikke wolken door de kruinen voer, werden zij door den stormwind ver weggedreven en vielen met honderdduizenden en nog eens honderdduizenden aan de overzij van het meer ter aarde. Zoodra[258]de zwermen verdreven waren, beijverden zich de aanvallers de nesten met een bamboelemmer van de takken los te maken en in de daaronder opengesperde linnen zakken te laten vallen. In een oogwenk om zoo te zeggen was alles geschied en de klouteraars waren reeds beneden, toen de Europeanen nog vol ontzetting naar boven tuurden.Het was dan ook een aangrijpend schouwspel voor hen geweest.Die naakte bruine gedaanten met fladderende haren in dien stormachtigen nacht, bij het onzekere schijnsel der fakkels, pijlsnel naar boven te zien klimmen; die gedaanten zich daar boven hoog in de lucht over de takken te zien buigen, de fakkels heen en weder te zien zwaaien en zich in een dikken rook hullen; die dwaallichten daar hoog boven tusschen de slingerende takken, de weerkaatsing in de wateren van het fel bewogen meer; het gehuil van den storm en het gegons van millioenen bijen, terwijl met tusschenpoozen een weemoedige stem van bovenaf weerklonk en een droevig eentonig gezang tusschen de stormvlagen deed hooren, dat alles kwam hun zoo verrassend, zoo spookachtig voor, dat zij het, vooral bij den korten duur, voor een droom, voor een zinsbedrog hadden kunnen houden, lagen de tallooze nesten, druipende van honig, niet aan hunne voeten om hen van de werkelijkheid te overtuigen.„Sacré matin! dat zijn flinke kerels!” brak La Cueille los.„Wat een behendigheid, vlugheid en bedaard overleg daar bij,” bevestigde Schlickeisen; „kijk, geen enkel ongeval is bij die verbazende onderneming gebeurd.”De bijennesten waren spoedig in de prauw en de djoekoengs geladen en het was nog geen middernacht toen de expeditie aan boord van de lanting terug was.[259]Het wekte de verwondering der Zwitsers, dat Bapa Andong zijn vlot, waarop toch voor een groote waarde aan koopmansgoederen opgestapeld lag, gedurende de helft van den nacht alleen had durven laten. Hij wist toch, meenden zij, dat slecht volk in den omtrek rondzwierf. Maar Dalim verklaarde hun, dat diefstal in de Dajaklanden bijna nimmer voorkomt, dat dat vlot daar maanden zou kunnen liggen, zonder dat iemand er een vinger naar zou uitsteken. Alleen wanneer het afdoende gebleken was, dat het onbeheerd bleef, zou het weggehaald zijn. Het slechte volk, waarvan zij spraken, beoogde slechts één buit, namelijk menschenschedels. Al het overige was hun onverschillig en zouden zij niet aanraken.„En daarom,” zoo besloot de Dajak zijn toelichting, die niet van nationaliteitsgevoel ontbloot was, „en daarom, het is en blijft steeds ons wachtwoord:„pas op je kop, breng je kop thuis.””De bijennesten werden op een stellage, daarvoor expresselijk vervaardigd, geplaatst om uit te druipen. De Zwitsers, die, als de tenant in hun wapenschild5, echte honiglikkers waren en dus nog al belang in die geheele verrichting stelden, vernamen gedurende die bedrijvigheid dat die nesten den naam van „idang” in de Dajaksche taal dragen; dat iedereidanggewoonlijk eenK.G.was en 12 K.G. zuiveren honig oplevert. Men had een tientaltanggirangsvan hunne idangs ontdaan. Deze, berekend op 200 idangs per boom, lagen daar dus 2000 nesten, die een zelfde aantal K.G. was en 24,000 K.G. honig zouden opleveren. De eerst verkregen honig, die van zelf uitdruipt, is de zuiverste en wordt door de liefhebbers voor den fijnsten gehouden. Later worden[260]de idangs in een zak, van ruwe plantaardige vezels vervaardigd, gewrongen en geperst, waarna de was, ter verdere zuivering herhaalde malen in water wordt gekookt en eindelijk in groote schijven of koeken gegoten, die een middellijn van ongeveer 0,5 M. hebben, ± 15 K.G. zwaar zijn, en zoo in den handel gebracht worden.Toen de bijennesten op hunne stellage gestapeld waren, werd de wachtdienst weer ingedeeld als den vorigen nacht en kon de helft der opvarenden trachten rust te genieten.Maar in de Dajaklanden op rust rekenen, is veelal de rekening buiten den waard maken. De eerste uren gingen wel is waar zonder stoornis voorbij; maar nauwelijks had de „takakak”6zijn ochtendgeschreeuw doen hooren en kon het diensvolgens drie uur in den morgenstond zijn, toen de jeugdige Andong iets meende te hooren aan de boschzijde. Als een bronzen standbeeld vatte hij post, luisterde, ja luisterde scherp toe. Daarop wenkte hij zijn makkers, evenwel zonder gedruisch te maken. Allen spitsten de ooren, al hunne zintuigen waren in de gehoorzenuwen overgegaan en jawel, er werd een beweging vernomen als van zacht schuifelende lichamen, die zich met de meeste voorzichtigheid een doortocht trachtten te banen door de beschermende borstwering van afgekapte takken en struiken, die ook hier aangelegd was. Gelukkig was de stormwind gaan liggen, anders ware dat zachte gedruisch niet waarneembaar geweest. In de grootste stilte werden de slapenden gewekt en de gevechtsdispositiën genomen. De Europeanen sloten zich bij elkander aan en hielden de vuurwapenen onder hun bereik. Bij de volslagen[261]duisternis, die er heerschte, schenen die evenwel van weinig nut en daarom hadden zij dan ook als Dajaks, die zij voorstellen moesten, ieder een flinken mandauw ter hand genomen en beloofden zij zich er lustig mee rond te hakken, hoewel La Cueille, terwijl hij zijn wapen trillend omhoog stak, zuchtend het schietgebed prevelde:„Sainte Vierge de Jupille! secourez nous.”Bapa Andong kwam evenwel Johannes iets in het oor fluisteren, wat deze met een glimlach en een goedkeurenden knik beaamde. Toen hij het gesprokene medegedeeld had, namen de Zwitsers de Remmingtongeweren; La Cueille en Johannes wapenden zich met een tirailleurgeweer, maar bovendien met een revolver, terwijl de twee overblijvende geweren geladen gereedstonden om gegrepen te worden.Na die beschikkingen wachtten de verdedigers nog een poos met kloppend hart. Zij keken uit, maar te vergeefs, in het stikdonker was niets te onderscheiden. Bij de stilte, die evenwel ingetreden was, hoorde men zacht schuifelen, soms ook wel een twijgje knappen; anders niets. Plotseling verhieven zich een twintigtal gestalten aan den oever van het meer en sprongen met een wip op het vlot.„Lēēēēh, lèlèlèlè ouiiiit!” weerklonk het luid en deed dit gegil de aanwezigen op het vlot de haren te berge rijzen. Zij begrepen dat zij tegen een overmacht stonden, dat, indien hun krijgslist mislukte, een gevecht op leven en dood onvermijdelijk, de ondergang van allen zeer waarschijnlijk was. De vijandelijke strijders sprongen, vlogen over de beschikbare ruimte van dat gedeelte van het vlot, waar zij aan boord getreden waren. Het was een demonisch schouwspel, die wilden, achter hunne schilden gedoken, met den gevreesden mandauw[262]in de hand, heen en weer te zien springen, de bewoners van het vlot tot den strijd uitdagende. Geen geluid van deze laatsten liet zich hooren en die stilte scheen de aanvallers eenigszins te onthutsen.Eensklaps lieten zich aan het andere einde van het vlot, door de verdedigers bezet, in het donker een paar gedaanten waarnemen, die op de aanvallers toesprongen, hun een paar houwen toebrachten, maar even snel weer verdwenen als zij gekomen waren. Nu brulden de aanvallers hun oorlogskreet andermaal, sloten zich vast aan elkander en, door hunne schilden gedekt, stoven zij den loopgang door, die de voorplecht van het vlot met de achterplecht verbond. Aan het einde trachtten een paar gedaanten hun nog den doorgang te betwisten; maar ook die verdwenen weer even spoedig, toen eensklaps boven op den berg rottanbossen, die het middenvak van het vlot vulden, een helder brandend licht ontstoken werd en te gelijkertijd een hevig geweervuur de aanvallers, die nu ten volle zichtbaar waren, tegenknetterde. Wienersdorf en Schlickeisen schoten hunne repeteergeweren naar hartelust af op den vijandelijken drom, die tot tegen de bajonetten schier opgedrongen was. La Cueille en Johannes in het tweede gelid, schoten eerst hunne geweren af en vervolgden daarna het vuur met hunne revolvers, terwijl het van boven den hoop rottanbossen mandauwhouwen begon te regenen. De verwarring te beschrijven, die onder de aanvallers ontstond, bij het schitteren van dat plotselinge licht en het daarop gevolgde schieten, waarvan in den dicht opeengedrongen hoop in dien doorgang weinig kogels misten, is onmogelijk. Een golvende beweging begon zich te openbaren; eerst vooruit, dan achteruit. Kreten van woede, angstgegil en kermen kruisten zich allerwege. Het was of alle duivels der hel losgebroken waren. Eindelijk[263]splitste zich het kleine hoopje van den overgebleven troep der aanvallers in twee deelen, waarvan het eene, wel het grootste, het hazenpad koos, aan den wal sprong en in het duister verdween; terwijl het andere, over de gesneuvelden heenspringende, een wanhopige poging aanwendde, om de tegenpartij toch nog te lijf te gaan. De schoten knetterden onafgebroken, het kleine manmoedige troepje slonk, slonk nogmaals, maar met een ongeëvenaarde doodsverachting drongen de laatste twee overblijvenden onder de bajonetten der twee Zwitsers in, door zich op den grond te werpen en zoo hunne tegenstanders met het blanke wapen aan de huid te komen. De eene werd door Schlickeisen met de bajonet aan den vloer van het vlot vastgestoken en zoo onschadelijk gemaakt. De andere naderde schuifelende, stond plotseling op, en hief zijn mandauw omhoog om Wienersdorf den doodelijken slag toe te brengen. Deze, geen kans ziende dien slag te pareeren, waartoe ook de strijders te dicht op elkander gedrongen waren, liet zijn geweer eensklaps vallen en greep zijn tegenpartij met zulk een krachtvolle vuist bij de polsen, dat deze zijn mandauw moest laten vallen. Nu begon in die enge ruimte een ontzettende worsteling tusschen de twee mannen, die beiden begrepen, dat het leven van den uitslag afhing. Slechts weinige handbreedten scheidden hen van het meer, welks water donker tegen het vlot kabbelde. Voor de anderen was er niet aan te denken, Wienersdorf te hulp te springen. Vooreerst stond Schlickeisen daartoe in den weg, die zijn tegenpartij nog steeds zich wringend en gillend aan den vloer vastgestoken hield. Maar ook de beide worstelenden sprongen en wrongen zich in hun strijd, borst tegen borst geklemd, zoo vlug dat er zeer groot gevaar zou bestaan hebben, bij het toebrengen van een slag, den Zwitser[264]te treffen in stede van zijn tegenpartij. De kamp duurde zoo nog een kort oogenblik voort, dat evenwel een eeuwigheid toescheen. Eindelijk begonnen de krachten den minder gespierden Dajak te begeven. Toen Wienersdorf dat voelde, schopte hij den gevallen mandauw met een beweging van zijn voet in het meer, deed een laatste maar geweldige inspanning, verhief de beide armen zijns vijands, die hij als in bussen omklemd hield, boog die met reuzenkracht achterover en noodzaakte zoo den hijgenden Dajak voor hem op de knieën te vallen. Kreunend zonk hij in elkander en smeekte:„Blako ampoen!” (ik vraag genade).Op die woorden, die met zacht vloeiende stem en met zulk een innige bede uitgesproken werden, liet de Zwitser den overwonnen vijand los en reikte hem de hand. Op de knieën liggende, aarzelde deze die aan te nemen. Zijn borst hijgde stormachtig, zijne oogen fonkelden als vuurballen. Maar die aarzeling duurde slechts een seconde; toen sprong hij op, greep de hem toegestoken hand, legde zich die op de kruin van zijn hoofd, terwijl hij daarbij den fieren onafhankelijken nek, ten teeken van onderwerping boog. Wat hij met diep bewogen stem mompelde, kon niemand verstaan. Zoo stond de zoon des wouds een kort oogenblik.Eensklaps richtte hij het hoofd op, greep zijn „poeai”7aan de mandauwscheede bevestigd, bracht zich een lichte verwonding aan den arm toe, ving het uitdroppelende bloed in de holte zijner hand en bestreek daarmede het voorhoofd en de lippen van Wienersdorf, die beteuterd stond te kijken en niet wist wat met hem gebeurde. Daarop verwondde hij den Zwitser lichtelijk, ving ook diens bloed op, bestreek zich ook daarmede voorhoofd[265]en lippen, waarna hij de overblijvende druppels in zijn mond liet vallen en zoo opdronk. Nogmaals reikte hij zijn overwinnaar de hand, drukte die, bracht haar aan den mond en wierp vervolgens een trotschen blik op de omstanders, terwijl hij duidelijk verstaanbaar de woordenHarimaoungBoekit8uitsprak, waarna hij, vóór dat iemand er ook maar aan denken kon, om het te beletten, in het meer sprong, welks donkere wateren zich boven zijn hoofd sloten.En alsof het op een afgesproken teeken geschiedde en de natuur den woudzoon bij zijne ontsnapping behulpzaam wilde zijn, bluschte een hevige windvlaag het ontstoken licht plotseling uit, zoodat de opvarenden van het vlot in diepe duisternis gehuld waren.[266]
„De drommel moge zoo’n stroom halen!” pruttelde La Cueille binnensmonds, „je ziet niet dat we vooruit komen.”
En werkelijk het kostte inspanning en ook genoeg zweet onder de tropische zon, om den aandrang van het water te breken en veld te winnen. Er waren soms oogenblikken, als scherpe hoeken omgevaren moesten worden, dat het oog zoo dadelijk niet waarnemen kon of men vorderde ja dan neen. Het was dan of de prauw op de watervlakte heen en weder gierde, zonder voor- of achteruit te komen. Maar dan werden de pagaaien met verdubbelde kracht in ’t water geslagen en eerst langzaam, daarna iets beter, ging het vooruit.
Er was een ware kennis van de vaart op de rivier noodig om hoeken af te snijden, bochten te mijden, van stroomdraaiingen gebruik te maken, zand- en rolsteenbanken te ontloopen, rotsblokken om te sturen, in een woord om zonder gevaar de reis in den kortst mogelijken tijd te volbrengen. Wat nog al tot veel omzichtigheid noopte, was de aanwezigheid van een groot aantal doode boomen in de bedding der rivier, die het vaarwater al[246]zeer onveilig maakten. Door storm of overstrooming aan den vasten wal ontrukt, worden die woudreuzen gewoonlijk door den zwaren stroom een eindweegs medegesleept, maar blijven eindelijk zitten, als verankerd door de wortelmassa, die door de klei en steenen daar tusschen opgehoopt, veel zwaarder dan het overige gedeelte van den tronk, over den rivierbodem sleurt en door de oneffenheden daarvan weerhouden, zich eindelijk vastzet. Die boomstammen zijn vooral voor stroom opkomende vaartuigen zeer gevaarlijk, daar zij, met de kruinen in de richting van den stroom liggende, en langzamerhand van bladeren en dunne takken ontdaan, als een geduchte piketteering te beschouwen zijn, welker punten onder zekere helling staande, zich niet altijd voor het oog vertoonen, maar slechts door het koken en opborrelen des waters waarneembaar zijn. Een aanvaring met zulk een „snack”, zooals de Amerikanen dat noemen, is meestal noodlottig en heeft het spoedig zinken van het vaartuig ten gevolge. Dalim en zijn landgenoot, als goed bekend met de rivier, keken dan ook nauwlettend uit en verhoedden zoo onheilen, die, behalve het levensgevaar, dat zij daarstelden, ook nog onherstelbare verliezen—b.v. van de prauw—zouden kunnen berokkenen.
La Cueille, dien het zware roeien eenigszins pijnlijk viel, bekeek van tijd tot tijd zijn arm. Daaraan was evenwel niet veel te bespeuren. De snee, die Wienersdorf gemaakt had, was met een korst overdekt, maar overigens zonder eenige ontsteking. Alleen werd rondom het pijlwondje een zwarte kring waargenomen, die zich ter grootte van een gulden uitstrekte. Dalim verklaarde dat dit bij pijlverwondingen steeds het geval was, ook wanneer de gewonde overleed.
Wienersdorf kon niet nalaten te vragen, waaruit die[247]vergiften getrokken werden. Toen hij vernam, dat de beide voornaamste, bij de Dajaks bekend onder de namen van „siren” en „ipoh”, plantaardige vergiften zijn, was zijn weetgierigheid uitermate geprikkeld. Hij wilde weten van welke gewassen zij afkomstig zijn, hoe zij bereid worden. Op de eerste vraag kon Dalim noch zijn makker hem voldoende inlichting geven, want van het pedante classificeeren der plantenwereld, zooals de geleerden dat doen, hadden die eenvoudige Dajaks volstrekt geen begrip. Wat de tweede vraag betrof, deze verkreeg een meer voldoend antwoord; Dalim althans had het bereiden van het vergift meermalen bijgewoond. Het kostte evenwel veel moeite hem aan het praten te krijgen. De Dajaks zijn dienaangaande zeer geheimzinnig. Na veel gevraag kwamen zijne mededeelingen op het navolgende neer:
In de binnenlanden van Borneo, bij voorkeur op de hellingen van bergen en heuvels, groeit een boom, die door de inboorlingen „Batang Siren” genoemd wordt. Deze boom bereikt, evenals onze eik, den ouderdom van honderd jaren. Zijn stam erlangt bij volle dikte een doorsnede van 1.50 M.
Om nu het vergift uit dien boom te trekken, worden in den dikken bast schuinsche inkervingen tot op het hout gemaakt. Uit die inkervingen druppelt een wit melkachtig vocht, dat in bamboezen cylindertjes wordt opgevangen. Dit vocht verkleurt spoedig wanneer het met de dampkringslucht in aanraking komt, wordt geel, daarna bruin en eindelijk zwart bruin. De inzameling moet met de uiterste omzichtigheid geschieden, daar de inademing van de gassen, die zich bij de afscheiding van het vocht en zijn aanraking met de lucht ontwikkelen, zware ziekteprocessen en niet zelden den dood veroorzaakt.[248]
Het vocht, zooals het uit den boom gevloeid is, heeft volstrekt geen kracht, het verkrijgt die eerst door een opvolgende uitdamping en koking met andere gewassen.
Wanneer het vocht behoorlijk behandeld1en verdikt is, wordt het nog warm in een steenen kannetje of potje gegoten, waarin het spoedig stolt. Dit kannetje wordt door de Dajaks der bovenlanden overal medegenomen en is bevestigd aan den buikband van zijn mandauw. Dit potje wordt slechts even verwarmd, waarna het voldoende is de pijlpunten in de vloeibare zelfstandigheid te doopen en deze te laten afdroppelen. Die punten zijn dan met een dun laagje getah overdekt, dat spoedig stolt.
Om te onderzoeken of het vergift de gewenschte kracht bezit, wordt een orang oetan, een kip of een eend met een vergiftigd pijltje verwond. Indien het getroffen dier niet binnen het half uur bezwijkt, wordt de siren op nieuw uitgedampt en met andere vergiftige planten gekookt.
De eerste symptomen, die zich bij den gewonde gewoonlijk openbaren, zijn hevige brakingen, die opgevolgd worden door een bevende verlamming der ledematen, die ongeveer tien minuten aanhoudt en onder hevige stuiptrekkingen met den dood eindigt.
Het ipohvergift wordt op dezelfde wijze gewonnen en toebereid. Dit is echter het vocht uit een slingerplant, waarvan de moederstam niet dikker dan 2½ dm. middellijn wordt. In de uitwerking van de ipoh wordt met de siren weinig verschil aangetroffen, alleen dat zich geene brakingen voordoen.[249]
Alle Dajaks weten deze vergiften te bereiden; maar, daar de beide gewassen uitsluitend in de berglanden voorkomen, zijn de bovenlanders in die bereiding meer bedreven dan de kustbewoners.
„Het snelstwerkend vergift”—zoo eindigde Dalim zijn toelichting—„komt uit Siang en Moeroeng, twee landstreken tusschen de bovenDoessonen boven Kapoeas gelegen. Laatstgenoemde heeft daaraan haren naam Kapoeas-Moeroeng ontleend, ter onderscheiding van de Kapoeas-Bohong, die op de westkust uitwatert.”
„Komen wij die landschappen Siang en Moeroeng door?” vroeg Wienersdorf gretig.
„Ik hoop van niet,” antwoordde Johannes lachend, „ik heb met Dalim een ander reisplan besproken. Wie kan evenwel zeggen, waar we heen zullen dwalen? en hoe vaak we genoodzaakt zullen zijn onze plannen te wijzigen. Wordt evenwel mijn route volvoerd, dan komen we die landschappen wel zeer nabij, maar er niet door.”
„Zullen we die gewassen te zien krijgen, waarover Dalim zoo even sprak?”
„Ja,” antwoordde deze, „genoeg; maar wat zoudt gij willen?”
„Dan hoop ik bladeren, bloemen, takken, wortels en vruchten mede te kunnen nemen.”
„Tu, tu, tu! ik zou je raden daarmee voorzichtig te zijn. In sommige tijden van het jaar is het zelfs zeer gevaarlijk onder den wind in de nabijheid van zoo’n boom te verwijlen. Als ge daarop uitgaat, waarschuw mij dan eerst.”
„Zijn dat de eenige giftige gewassen, die Borneo oplevert?” vroeg Wienersdorf verder.
„Waarachtig niet,” antwoordde Johannes. „Dat zou een armoedige flora opleveren voor een tropisch land. Integendeel, Borneo is rijk aan planten, die den dood kunnen[250]geven. Gelukkig dat het in den aard der bevolking niet ligt, daarvan gebruik te maken. Dat is een geruststelling. We kunnen ons op koppensnellerspartijen, op overvallen, op gevechten van allerlei aard voorbereiden. Bij onze verdere tochten, wanneer we in het hoogland zullen zijn, zullen we in iederen struik een vijand te zien hebben; maar we zullen zonder argwaan kunnen nuttigen, wat men ons zal voorzetten of te koop aanbieden. Er is evenwel een gebruik in de bovenlanden, dat nog al te denken geeft en het vermoeden doet rijzen, dat in vroegere tijden vergiftigingen aan de orde van den dag waren. Nimmer zal daar namelijk een gast iets gebruiken, hetzij eet- of drinkwaren, of de gastheer moet er van geproefd hebben. Het is zelfs een beleefdheidsvorm geworden, den aanreiker van het aangebodene te doen proeven.”
Onder deze en dergelijke gesprekken hadden de reizigers duchtig de roeispaan gehanteerd en waren zoo omstreeks het middaguur de soengei Moeroi genaderd. Toen zij die voorbij wilden varen, zagen zij een vlot die breede soengei afzakken, terwijl drie mannen daarop alle krachten inspanden om de vaart van dat onhandelbare ding te temperen. Een der opvarenden riep om hulp, en daar het volgens landsgebruik niet geoorloofd is, die te weigeren, stuurde Dalim zijn prauw naar het vlot en lag deze spoedig daarlangs vastgemeerd. Het kwam er in de eerste plaats op aan, het vlot, dat door den zwaren stroom gegrepen was, naar den wal te sturen en daar vast te leggen. Spoedig hadden onze avonturiers hunne rottankabels voor den dag gehaald, alsook de ankerketting, uit soengei Naning medegenomen. Toen die stevig aan elkander gevoegd waren, werd het eene eind daarvan aan een soort van spil op het vlot vastgemaakt en het andere eind met behulp van een djoekoeng aan den wal gebracht en daar om een zwaren boomstam geslagen. Het[251]vlot inmiddels voortdrijvende, kreeg, toen de kabel strak liep, een vreeselijken schok, waardoor Schlickeisen en La Cueille, daarop minder verdacht, voorover in de rivier tuimelden, maar door Dalim en een paar der nieuwe Dajaksche vrienden gered werden. Niettegenstaande den zwaren schok, hield de kabel zich goed. Zij stond gespannen als een snaar en het vlot trilde onder den aandrang van den stroom. Toen het gevaarte eenigszins naar den wal gezwaaid was, begonnen de mannen het spil te winden, totdat het vlot den boom genaderd was, waaraan het met den kabel vast lag.
Onze reizigers vernamen nu, dat de eigenaar van het vlot, een Kwala Kapoeasser, Bapa Andong genaamd, boschproducten in de soengei Moeroi was gaan zoeken; dat hij daarin ook geslaagd was, maar dat hij in den voorlaatsten nacht door een troep Poenan’s overvallen was, waarbij hij vier zijner pandelingen verloren had, die allen gesneld waren. Dat hij en zijne twee overgebleven pandelingen nog in leven waren, hadden zij aan hunne moedige houding te danken. Bij den eersten alarmkreet hadden zij hunne mandauw’s gegrepen en waren de aanvallers koen te gemoet getreden, tijdig genoeg om hun eigen leven te redden, te laat echter om hunne ongelukkige makkers te hulp te komen, die in hun slaap afgemaakt waren. Toen beide partijen wat gepraat hadden, kwamen zij tot de slotsom, dat zij met dezelfde bende koppensnellers hadden te doen gehad en dat uitermate waakzaamheid betracht moest worden; want bij de teleurstelling den gesnelden kop te kotta Towanan te hebben moeten achterlaten, kwam de bloedwraak nog, die de woudloopers over het verlies van hunne beide makkers zoude bezielen.
Bapa Andong verzocht Johannes, die, zooals wij weten, als handelaar aan het hoofd der expeditie stond, hulp[252]te verleenen om het vlot naar Danau Ampang te brengen. Hij had daar nog een menigte boschproducten opgeschuurd; met de overgebleven pandelingen was het evenwel onmogelijk het vlot, tegen den stroom derwaarts te voeren. Wel werd er besproken, dien moeitevollen arbeid niet te ondernemen, en die producten met de prauw onzer avonturiers te gaan halen, maar de nabijheid der Poenans deed hen van het plan om zoo hunne krachten te splitsen, afzien. De tien mannen, die nu op het vlot bij elkander waren, konden zich vereenigd zeer sterk noemen; verdeeld, zouden zij afzonderlijk aangevallen en vernietigd kunnen worden. In de Danau (het meer) was Andong2de zoon des eigenaars met nog een zestal pandelingen, omtrent wier lot na het gebeurde de vader zich thans ongerust maakte. Er werd overeengekomen, dat onze reizigers het vlot in het meer zouden helpen brengen, dat zij de behulpzame hand zouden bieden om de aldaar opgestapelde producten te laden, dat zij vervolgens het vlot weer in den Kapoeas-stroom zouden brengen, waarna hunne hulp overbodig werd, daar Bapa Andong van meening was, alsdan nog voor het invallen van den nacht den kampong Pendek-katiempoen te kunnen bereiken. Aldaar had hij tal van verwanten en vrienden en zouden de Poenans zich daar wel niet wagen. Voor die hulp werd toegezegd, werd bepaald, dat bij het scheiden, twee pandelingen op de prauw onzer avonturiers zouden overgaan. Deze zouden te kotta Baroe of te kotta Djangkan, in een woord bij de eerste voorkomende gelegenheid vervangen worden, waarna zij wel gelegenheid zouden vinden met den een of[253]anderen handelaar naar hunne haardsteden terug te keeren.
Nadat die overeenkomst getroffen was, werden de handen aan het werk geslagen. Toen het vlot met een hulptros was vastgelegd, werd de hoofdkabel van den boom losgemaakt en per djoekoeng den afstand harer geheele lengte verder gebracht en daar weer om een dikken boom geslagen. Het spil werd weer in beweging gesteld en zoo het vlot tegen den stroom opgehaald. Zoo ging men onafgebroken voort en het is te begrijpen, dat dit een zware arbeid was, vooral voor onze Europeanen, die daaraan niet gewoon waren. Zij kregen daarbij evenwel een inzicht omtrent de bedrijvigheid van het volk, in welks midden zij zich bevonden, en dat in dien arbeid bijzonder te huis scheen.
Het vervoer der boschproducten geschiedt van uit de binnenlanden van het zoo waterrijke Borneo bijna niet anders. Onze avonturiers hadden nu ruimschoots gelegenheid om de samenstelling van zoo’n vlot of „lanting”, zooals de inlanders het noemen, op te merken. Het gevaarte, dat zij onder de oogen hadden, bestond uit een tweehonderdtal boomstammen van uitmuntend timmerhout, die met zware rottankabels goed aan elkander verbonden waren. Over die boomen was een vloer van „niboeng”3latten aangebracht. In het midden van het vlot was een vrij ruime hut getimmerd, terwijl aan weerszijde daarvan de producten behoorlijk onder dak opgestapeld waren. Zoo waren daarop aanwezig ruim vier duizend bossen rottan, een paar duizend „gantangs”4[254]„njating” (hars) een honderd pikols bijenwas, een twintig pikols „ngiatoe” (getah-pertjah) en een klein partijtje vogelnestjes. De beide laatste koopwaren had Bapa Andong van eenige handelaren der bovenlanden tegen bijenwas, bij welks vergaring hij bijzonder gelukkig geweest was, ingeruild. De overige producten waren het resultaat van eigen arbeid. De rottan was in de omliggende soengei’s gesneden. De hars was gedeeltelijk aan de boomen zelven gewonnen, gedeeltelijk langs de oevers der rivier ingezameld. Ter bekoming van de edelste soorten van dit product, maakt de Dajak inkervingen in de hem bekende harsachtige boomen en ziet na weinige dagen zijne moeite rijkelijk beloond. De overige soorten heeft hij slechts langs de boorden der rivier, op de zandbanken en landtongen op te rapen. De hars namelijk druipt in sommige tijden van het jaar van de boomen, valt op den grond en neemt aldaar aarddeelen en andere onreinheden op. Bij den eersten den besten watervloed wordt zij medegesleept. Door de onreinheden is zij specifiek iets zwaarder dan het water, zoodat zij wel drijvende, doch ietwat beneden de oppervlakte, den stroomdraad volgt. Brengt nu de wind de breede stroomen van Borneo in beweging, dan wordt die hars door den golfslag op de oevers geworpen of door den stroom op de uitstekende hoeken of zandbanken afgezet. Het gebeurt ook niet zelden, dat op die zandbanken of op de eilanden in die stroomen, in een woord overal in alluvialen grond, weinige voeten onder de oppervlakte des bodems, harsbeddingen van soms meer dan honderd M2. oppervlakte, bij een dikte van 2c.M.tot 3d.M.aangetroffen worden.
Dat alles vernamen onze vluchtelingen met groote belangstelling uit de gesprekken hunner nieuwe makkers. Wat het inzamelen van bijenwas betreft, daaromtrent[255]zouden zij zelf ondervinding opdoen en kunnen opmaken, dat die heel wat verschilt van de bijenteelt in Europa.
Met inspanning van alle krachten vorderde het vlot langzaam maar toch gestadig. Eindelijk, tegen het vallen van den avond, was het gevaarte den laatsten hoek omgewerkt en de ingang zichtbaar van het kanaal, dat het meer met de rivier verbindt. Maar nu waren de krachten ook uitgeput en was rust noodzakelijk. Er was toch geen mogelijkheid om het vlot bij nachtelijk duister door dat nauwe kanaal te voeren, en werd dus besloten te overnachten ter plaatse waar men was. Het vlot werd aan den wal gemeerd, waarna een gedeelte der bemanning op den oever sprong om het terrein in de nabijheid over een uitgestrektheid van honderd passen middellijn ongeveer van struikgewas te zuiveren, teneinde een vrij uitzicht te hebben, de struiken en takken zooveel mogelijk als een heg aan de grens van die open vlakte op te stapelen en dus een soort van retranchement te hebben, waardoor niet kon heengebroken worden zonder de aandacht te wekken. Verder werd de geheele manschap in twee ploegen verdeeld, die om beurten wakker blijven en scherp uitzien zouden, waarbij Johannes zorgde, dat hij met La Cueille bij de eene en de twee Zwitsers bij de andere ingedeeld werden.
Zeer waarschijnlijk waren die voorzorgsmaatregelen oorzaak, dat de nacht ongestoord voorbijging; want de koppensnellers schuwen over het algemeen het gevecht en deinzen gewoonlijk af, wanneer hunne tegenstanders waakzaam zijn en zij dus voorzien kunnen, dat hun laf sluipmoordenaarswerk niet zonder gevaar kan geschieden.
Met den dageraad werd de arbeid hervat en na een goed uur zwoegens was het vlot in het kanaal; en de zon had nog niet de helft van hare geheele hoogte bereikt, toen het bij de stapelplaats vastgemeerd lag,[256]om de overige lading te ontvangen. Daarmede werd met zoo’n vlugheid te werk gegaan, dat, toen de dag ten einde neigde, alles aan boord gerangschikt, en men tot vertrek gereed was.
Intusschen viel er nog een belangrijke arbeid te verrichten. Sedert Bapa Andong met de inzameling zijner boschproducten begonnen was, waarmede een tijdruimte van ongeveer zes maanden gemoeid was, hadden honderden bijenzwermen hun nest gemaakt op en in de boomen, die zich op den westelijken oever van het meer verhieven. De boomen, die deze kleine diertjes daartoe uitkiezen, zijn een zeer hooge soort, met rechten, gladden stam en ver uitstekende takken. De Dajaks noemen zoo’n woudreus: „tanggirang”; in gunstige jaren worden op zulk één boom 200 à 300 bijennesten gevonden. Zoodra Bapa Andong het begin van den arbeid dezer nijvere diertjes opgemerkt had, begon hij zijn maatregelen te nemen, om zich op een gegeven oogenblik hun buit te kunnen toeeigenen. Daartoe had hij in iederen „tanggirang” dagelijks een paar pennen van hard hout op ongeveer 4 d.M. van elkander laten slaan, en was daarmee voortgegaan, totdat de aldus gevormde ladder de benedentakken van den woudreus bereikt had. Die arbeid had lang geduurd, maar kon niet anders uitgevoerd worden, doordat, wilde men de ladder onafgebroken vervaardigen, dat aanhoudende geklop op de „tanggirangs” de bijen zeker zoude verontrusten en een aanval hunnerzijds niet zoude uitblijven. In de laatste dagen hadden de pandelingen van Bapa Andong het terrein rondom de boomen van struiken en onkruid gezuiverd. Men was dus tot handelen gereed en wachtte nog slechts op het gunstige oogenblik. Dat oogenblik scheen nu gekomen.
Het was een stormachtige nacht, die ingetreden was,[257]een dier kenteringsnachten in de tropische gewesten, waarin de wind huilde en pogingen scheen aan te wenden om geheele vakken van het oorspronkelijk woud te ontwortelen; een nacht waarin het zwerk met dichte wolken bedekt en de duisternis zoo groot was, dat het aardrijk met een zwart floers overtogen scheen. Met den zoon van Bapa Andong en de zes pandelingen, aan de boorden van het meer aangetroffen, waren nu zeventien mannen te zamen. Deze stegen in de prauw van onze avonturiers en in twee djoekoengs en staken over de schuimende wateren van het meer naar de overzijde, waar de tanggirangs stonden. Daar aangekomen stapten zij aan wal en plaatsten onder iederen boom op vier stokken, een vrij grooten linnen lap in dier voege, dat hij aan de vier punten opgehouden, een zak vormde, die den grond evenwel niet raakte. Toen men daarmee klaar was, werden een aantal fakkels van groen en veel rookgevend hout, te voren vervaardigd, ontstoken. Iedere Dajak greep er een van, en nu ging het bliksemsnel langs de vervaardigde ladders omhoog, tegen de tanggirangs op. In iederen boom klom slechts een man, terwijl inmiddels Bapa Andong en de vier Europeanen met het geweer in de hand beneden in het donker bleven en de wacht hielden.
In een ondeelbaar oogenblik waren de klouteraars boven en klopten nu op de talrijke nesten. Met een geluid als wilden zij den storm overtreffen, kwamen de bijen brommend naar buiten, om zich op de aanvallers te werpen, maar, verblind door het licht der fakkels, die hevig heen en weer werden gezwaaid, en verstikt door den rook, die in dikke wolken door de kruinen voer, werden zij door den stormwind ver weggedreven en vielen met honderdduizenden en nog eens honderdduizenden aan de overzij van het meer ter aarde. Zoodra[258]de zwermen verdreven waren, beijverden zich de aanvallers de nesten met een bamboelemmer van de takken los te maken en in de daaronder opengesperde linnen zakken te laten vallen. In een oogwenk om zoo te zeggen was alles geschied en de klouteraars waren reeds beneden, toen de Europeanen nog vol ontzetting naar boven tuurden.
Het was dan ook een aangrijpend schouwspel voor hen geweest.
Die naakte bruine gedaanten met fladderende haren in dien stormachtigen nacht, bij het onzekere schijnsel der fakkels, pijlsnel naar boven te zien klimmen; die gedaanten zich daar boven hoog in de lucht over de takken te zien buigen, de fakkels heen en weder te zien zwaaien en zich in een dikken rook hullen; die dwaallichten daar hoog boven tusschen de slingerende takken, de weerkaatsing in de wateren van het fel bewogen meer; het gehuil van den storm en het gegons van millioenen bijen, terwijl met tusschenpoozen een weemoedige stem van bovenaf weerklonk en een droevig eentonig gezang tusschen de stormvlagen deed hooren, dat alles kwam hun zoo verrassend, zoo spookachtig voor, dat zij het, vooral bij den korten duur, voor een droom, voor een zinsbedrog hadden kunnen houden, lagen de tallooze nesten, druipende van honig, niet aan hunne voeten om hen van de werkelijkheid te overtuigen.
„Sacré matin! dat zijn flinke kerels!” brak La Cueille los.
„Wat een behendigheid, vlugheid en bedaard overleg daar bij,” bevestigde Schlickeisen; „kijk, geen enkel ongeval is bij die verbazende onderneming gebeurd.”
De bijennesten waren spoedig in de prauw en de djoekoengs geladen en het was nog geen middernacht toen de expeditie aan boord van de lanting terug was.[259]
Het wekte de verwondering der Zwitsers, dat Bapa Andong zijn vlot, waarop toch voor een groote waarde aan koopmansgoederen opgestapeld lag, gedurende de helft van den nacht alleen had durven laten. Hij wist toch, meenden zij, dat slecht volk in den omtrek rondzwierf. Maar Dalim verklaarde hun, dat diefstal in de Dajaklanden bijna nimmer voorkomt, dat dat vlot daar maanden zou kunnen liggen, zonder dat iemand er een vinger naar zou uitsteken. Alleen wanneer het afdoende gebleken was, dat het onbeheerd bleef, zou het weggehaald zijn. Het slechte volk, waarvan zij spraken, beoogde slechts één buit, namelijk menschenschedels. Al het overige was hun onverschillig en zouden zij niet aanraken.
„En daarom,” zoo besloot de Dajak zijn toelichting, die niet van nationaliteitsgevoel ontbloot was, „en daarom, het is en blijft steeds ons wachtwoord:„pas op je kop, breng je kop thuis.””
De bijennesten werden op een stellage, daarvoor expresselijk vervaardigd, geplaatst om uit te druipen. De Zwitsers, die, als de tenant in hun wapenschild5, echte honiglikkers waren en dus nog al belang in die geheele verrichting stelden, vernamen gedurende die bedrijvigheid dat die nesten den naam van „idang” in de Dajaksche taal dragen; dat iedereidanggewoonlijk eenK.G.was en 12 K.G. zuiveren honig oplevert. Men had een tientaltanggirangsvan hunne idangs ontdaan. Deze, berekend op 200 idangs per boom, lagen daar dus 2000 nesten, die een zelfde aantal K.G. was en 24,000 K.G. honig zouden opleveren. De eerst verkregen honig, die van zelf uitdruipt, is de zuiverste en wordt door de liefhebbers voor den fijnsten gehouden. Later worden[260]de idangs in een zak, van ruwe plantaardige vezels vervaardigd, gewrongen en geperst, waarna de was, ter verdere zuivering herhaalde malen in water wordt gekookt en eindelijk in groote schijven of koeken gegoten, die een middellijn van ongeveer 0,5 M. hebben, ± 15 K.G. zwaar zijn, en zoo in den handel gebracht worden.
Toen de bijennesten op hunne stellage gestapeld waren, werd de wachtdienst weer ingedeeld als den vorigen nacht en kon de helft der opvarenden trachten rust te genieten.
Maar in de Dajaklanden op rust rekenen, is veelal de rekening buiten den waard maken. De eerste uren gingen wel is waar zonder stoornis voorbij; maar nauwelijks had de „takakak”6zijn ochtendgeschreeuw doen hooren en kon het diensvolgens drie uur in den morgenstond zijn, toen de jeugdige Andong iets meende te hooren aan de boschzijde. Als een bronzen standbeeld vatte hij post, luisterde, ja luisterde scherp toe. Daarop wenkte hij zijn makkers, evenwel zonder gedruisch te maken. Allen spitsten de ooren, al hunne zintuigen waren in de gehoorzenuwen overgegaan en jawel, er werd een beweging vernomen als van zacht schuifelende lichamen, die zich met de meeste voorzichtigheid een doortocht trachtten te banen door de beschermende borstwering van afgekapte takken en struiken, die ook hier aangelegd was. Gelukkig was de stormwind gaan liggen, anders ware dat zachte gedruisch niet waarneembaar geweest. In de grootste stilte werden de slapenden gewekt en de gevechtsdispositiën genomen. De Europeanen sloten zich bij elkander aan en hielden de vuurwapenen onder hun bereik. Bij de volslagen[261]duisternis, die er heerschte, schenen die evenwel van weinig nut en daarom hadden zij dan ook als Dajaks, die zij voorstellen moesten, ieder een flinken mandauw ter hand genomen en beloofden zij zich er lustig mee rond te hakken, hoewel La Cueille, terwijl hij zijn wapen trillend omhoog stak, zuchtend het schietgebed prevelde:
„Sainte Vierge de Jupille! secourez nous.”
Bapa Andong kwam evenwel Johannes iets in het oor fluisteren, wat deze met een glimlach en een goedkeurenden knik beaamde. Toen hij het gesprokene medegedeeld had, namen de Zwitsers de Remmingtongeweren; La Cueille en Johannes wapenden zich met een tirailleurgeweer, maar bovendien met een revolver, terwijl de twee overblijvende geweren geladen gereedstonden om gegrepen te worden.
Na die beschikkingen wachtten de verdedigers nog een poos met kloppend hart. Zij keken uit, maar te vergeefs, in het stikdonker was niets te onderscheiden. Bij de stilte, die evenwel ingetreden was, hoorde men zacht schuifelen, soms ook wel een twijgje knappen; anders niets. Plotseling verhieven zich een twintigtal gestalten aan den oever van het meer en sprongen met een wip op het vlot.
„Lēēēēh, lèlèlèlè ouiiiit!” weerklonk het luid en deed dit gegil de aanwezigen op het vlot de haren te berge rijzen. Zij begrepen dat zij tegen een overmacht stonden, dat, indien hun krijgslist mislukte, een gevecht op leven en dood onvermijdelijk, de ondergang van allen zeer waarschijnlijk was. De vijandelijke strijders sprongen, vlogen over de beschikbare ruimte van dat gedeelte van het vlot, waar zij aan boord getreden waren. Het was een demonisch schouwspel, die wilden, achter hunne schilden gedoken, met den gevreesden mandauw[262]in de hand, heen en weer te zien springen, de bewoners van het vlot tot den strijd uitdagende. Geen geluid van deze laatsten liet zich hooren en die stilte scheen de aanvallers eenigszins te onthutsen.
Eensklaps lieten zich aan het andere einde van het vlot, door de verdedigers bezet, in het donker een paar gedaanten waarnemen, die op de aanvallers toesprongen, hun een paar houwen toebrachten, maar even snel weer verdwenen als zij gekomen waren. Nu brulden de aanvallers hun oorlogskreet andermaal, sloten zich vast aan elkander en, door hunne schilden gedekt, stoven zij den loopgang door, die de voorplecht van het vlot met de achterplecht verbond. Aan het einde trachtten een paar gedaanten hun nog den doorgang te betwisten; maar ook die verdwenen weer even spoedig, toen eensklaps boven op den berg rottanbossen, die het middenvak van het vlot vulden, een helder brandend licht ontstoken werd en te gelijkertijd een hevig geweervuur de aanvallers, die nu ten volle zichtbaar waren, tegenknetterde. Wienersdorf en Schlickeisen schoten hunne repeteergeweren naar hartelust af op den vijandelijken drom, die tot tegen de bajonetten schier opgedrongen was. La Cueille en Johannes in het tweede gelid, schoten eerst hunne geweren af en vervolgden daarna het vuur met hunne revolvers, terwijl het van boven den hoop rottanbossen mandauwhouwen begon te regenen. De verwarring te beschrijven, die onder de aanvallers ontstond, bij het schitteren van dat plotselinge licht en het daarop gevolgde schieten, waarvan in den dicht opeengedrongen hoop in dien doorgang weinig kogels misten, is onmogelijk. Een golvende beweging begon zich te openbaren; eerst vooruit, dan achteruit. Kreten van woede, angstgegil en kermen kruisten zich allerwege. Het was of alle duivels der hel losgebroken waren. Eindelijk[263]splitste zich het kleine hoopje van den overgebleven troep der aanvallers in twee deelen, waarvan het eene, wel het grootste, het hazenpad koos, aan den wal sprong en in het duister verdween; terwijl het andere, over de gesneuvelden heenspringende, een wanhopige poging aanwendde, om de tegenpartij toch nog te lijf te gaan. De schoten knetterden onafgebroken, het kleine manmoedige troepje slonk, slonk nogmaals, maar met een ongeëvenaarde doodsverachting drongen de laatste twee overblijvenden onder de bajonetten der twee Zwitsers in, door zich op den grond te werpen en zoo hunne tegenstanders met het blanke wapen aan de huid te komen. De eene werd door Schlickeisen met de bajonet aan den vloer van het vlot vastgestoken en zoo onschadelijk gemaakt. De andere naderde schuifelende, stond plotseling op, en hief zijn mandauw omhoog om Wienersdorf den doodelijken slag toe te brengen. Deze, geen kans ziende dien slag te pareeren, waartoe ook de strijders te dicht op elkander gedrongen waren, liet zijn geweer eensklaps vallen en greep zijn tegenpartij met zulk een krachtvolle vuist bij de polsen, dat deze zijn mandauw moest laten vallen. Nu begon in die enge ruimte een ontzettende worsteling tusschen de twee mannen, die beiden begrepen, dat het leven van den uitslag afhing. Slechts weinige handbreedten scheidden hen van het meer, welks water donker tegen het vlot kabbelde. Voor de anderen was er niet aan te denken, Wienersdorf te hulp te springen. Vooreerst stond Schlickeisen daartoe in den weg, die zijn tegenpartij nog steeds zich wringend en gillend aan den vloer vastgestoken hield. Maar ook de beide worstelenden sprongen en wrongen zich in hun strijd, borst tegen borst geklemd, zoo vlug dat er zeer groot gevaar zou bestaan hebben, bij het toebrengen van een slag, den Zwitser[264]te treffen in stede van zijn tegenpartij. De kamp duurde zoo nog een kort oogenblik voort, dat evenwel een eeuwigheid toescheen. Eindelijk begonnen de krachten den minder gespierden Dajak te begeven. Toen Wienersdorf dat voelde, schopte hij den gevallen mandauw met een beweging van zijn voet in het meer, deed een laatste maar geweldige inspanning, verhief de beide armen zijns vijands, die hij als in bussen omklemd hield, boog die met reuzenkracht achterover en noodzaakte zoo den hijgenden Dajak voor hem op de knieën te vallen. Kreunend zonk hij in elkander en smeekte:
„Blako ampoen!” (ik vraag genade).
Op die woorden, die met zacht vloeiende stem en met zulk een innige bede uitgesproken werden, liet de Zwitser den overwonnen vijand los en reikte hem de hand. Op de knieën liggende, aarzelde deze die aan te nemen. Zijn borst hijgde stormachtig, zijne oogen fonkelden als vuurballen. Maar die aarzeling duurde slechts een seconde; toen sprong hij op, greep de hem toegestoken hand, legde zich die op de kruin van zijn hoofd, terwijl hij daarbij den fieren onafhankelijken nek, ten teeken van onderwerping boog. Wat hij met diep bewogen stem mompelde, kon niemand verstaan. Zoo stond de zoon des wouds een kort oogenblik.
Eensklaps richtte hij het hoofd op, greep zijn „poeai”7aan de mandauwscheede bevestigd, bracht zich een lichte verwonding aan den arm toe, ving het uitdroppelende bloed in de holte zijner hand en bestreek daarmede het voorhoofd en de lippen van Wienersdorf, die beteuterd stond te kijken en niet wist wat met hem gebeurde. Daarop verwondde hij den Zwitser lichtelijk, ving ook diens bloed op, bestreek zich ook daarmede voorhoofd[265]en lippen, waarna hij de overblijvende druppels in zijn mond liet vallen en zoo opdronk. Nogmaals reikte hij zijn overwinnaar de hand, drukte die, bracht haar aan den mond en wierp vervolgens een trotschen blik op de omstanders, terwijl hij duidelijk verstaanbaar de woordenHarimaoungBoekit8uitsprak, waarna hij, vóór dat iemand er ook maar aan denken kon, om het te beletten, in het meer sprong, welks donkere wateren zich boven zijn hoofd sloten.
En alsof het op een afgesproken teeken geschiedde en de natuur den woudzoon bij zijne ontsnapping behulpzaam wilde zijn, bluschte een hevige windvlaag het ontstoken licht plotseling uit, zoodat de opvarenden van het vlot in diepe duisternis gehuld waren.[266]
1Hem, die omtrent die manipulatie en omtrent de botanische beschrijvingen van de siren- en ipohgewassen meer wil weten, verwijzen wij naar de „Ethnographische beschrijving der Dajaks” door den Schrijver. Uitgave van Joh. Noman & Zoon, Zalt-Bommel.↑2De ouders nemen in de Dajaklanden steeds den naam van hun oudste kind aan, met voorzetting van de woorden „bapa” (vader) of „indoe” (moeder). De zoon heette hier Andong, bij gevolg zijn vader Bapa Andong; zijne moeder Indoe Andong.↑3Niboeng is een palmsoort, die bijna van de Pinangpalm niet te onderscheiden is. Voor latwerk is die houtsoort onovertroffen. Zij is hard, laat zich gemakkelijk splijten en bezit, wanneer de innerlijke weeke deelen behoorlijk verwijderd zijn, een groote duurzaamheid.↑4Gantang is een maat, welker inhoud voor hars ongeveer op 3.75 K.G. kan berekend worden.↑5De beer.↑6Takakak is een fraaie soort van boschhaan, die op geregelde tijden des nachts ten 9, 12 en 3 uur ongeveer zijn schel klinkend taaakkekakakak doet hooren.↑7Poeai; zie daaromtrent bladz.187.↑8HarimaoungBoekit beteekent bergtijger.↑
1Hem, die omtrent die manipulatie en omtrent de botanische beschrijvingen van de siren- en ipohgewassen meer wil weten, verwijzen wij naar de „Ethnographische beschrijving der Dajaks” door den Schrijver. Uitgave van Joh. Noman & Zoon, Zalt-Bommel.↑2De ouders nemen in de Dajaklanden steeds den naam van hun oudste kind aan, met voorzetting van de woorden „bapa” (vader) of „indoe” (moeder). De zoon heette hier Andong, bij gevolg zijn vader Bapa Andong; zijne moeder Indoe Andong.↑3Niboeng is een palmsoort, die bijna van de Pinangpalm niet te onderscheiden is. Voor latwerk is die houtsoort onovertroffen. Zij is hard, laat zich gemakkelijk splijten en bezit, wanneer de innerlijke weeke deelen behoorlijk verwijderd zijn, een groote duurzaamheid.↑4Gantang is een maat, welker inhoud voor hars ongeveer op 3.75 K.G. kan berekend worden.↑5De beer.↑6Takakak is een fraaie soort van boschhaan, die op geregelde tijden des nachts ten 9, 12 en 3 uur ongeveer zijn schel klinkend taaakkekakakak doet hooren.↑7Poeai; zie daaromtrent bladz.187.↑8HarimaoungBoekit beteekent bergtijger.↑
1Hem, die omtrent die manipulatie en omtrent de botanische beschrijvingen van de siren- en ipohgewassen meer wil weten, verwijzen wij naar de „Ethnographische beschrijving der Dajaks” door den Schrijver. Uitgave van Joh. Noman & Zoon, Zalt-Bommel.↑
1Hem, die omtrent die manipulatie en omtrent de botanische beschrijvingen van de siren- en ipohgewassen meer wil weten, verwijzen wij naar de „Ethnographische beschrijving der Dajaks” door den Schrijver. Uitgave van Joh. Noman & Zoon, Zalt-Bommel.↑
2De ouders nemen in de Dajaklanden steeds den naam van hun oudste kind aan, met voorzetting van de woorden „bapa” (vader) of „indoe” (moeder). De zoon heette hier Andong, bij gevolg zijn vader Bapa Andong; zijne moeder Indoe Andong.↑
2De ouders nemen in de Dajaklanden steeds den naam van hun oudste kind aan, met voorzetting van de woorden „bapa” (vader) of „indoe” (moeder). De zoon heette hier Andong, bij gevolg zijn vader Bapa Andong; zijne moeder Indoe Andong.↑
3Niboeng is een palmsoort, die bijna van de Pinangpalm niet te onderscheiden is. Voor latwerk is die houtsoort onovertroffen. Zij is hard, laat zich gemakkelijk splijten en bezit, wanneer de innerlijke weeke deelen behoorlijk verwijderd zijn, een groote duurzaamheid.↑
3Niboeng is een palmsoort, die bijna van de Pinangpalm niet te onderscheiden is. Voor latwerk is die houtsoort onovertroffen. Zij is hard, laat zich gemakkelijk splijten en bezit, wanneer de innerlijke weeke deelen behoorlijk verwijderd zijn, een groote duurzaamheid.↑
4Gantang is een maat, welker inhoud voor hars ongeveer op 3.75 K.G. kan berekend worden.↑
4Gantang is een maat, welker inhoud voor hars ongeveer op 3.75 K.G. kan berekend worden.↑
5De beer.↑
5De beer.↑
6Takakak is een fraaie soort van boschhaan, die op geregelde tijden des nachts ten 9, 12 en 3 uur ongeveer zijn schel klinkend taaakkekakakak doet hooren.↑
6Takakak is een fraaie soort van boschhaan, die op geregelde tijden des nachts ten 9, 12 en 3 uur ongeveer zijn schel klinkend taaakkekakakak doet hooren.↑
7Poeai; zie daaromtrent bladz.187.↑
7Poeai; zie daaromtrent bladz.187.↑
8HarimaoungBoekit beteekent bergtijger.↑
8HarimaoungBoekit beteekent bergtijger.↑