[Inhoud]XIV.Karakter der inlandsche bevolking.—Veertien lijken op het vlot.—Damboeng Papoendeh verschijnt op het tooneel.—Vergeefsche tocht in de soengei Mantangei.—Het „maroetas.”—Terug naar de Kapoeas.—Het nachtelijke schieten.—De reddende bijen.—Hulp in nood.—De scheiding.—Dichterlijke beschouwing van het meer.—Tegenstelling.—Beschaving en barbaarschheid.—Het ontstaan der meren.„Ik ben er nog niet overtuigd van,” sprak La Cueille, „dat we goed gedaan hebben dien vent te laten ontsnappen.”Die volzin bij het aanbreken van den dag geuit, was eigenlijk de voortzetting van het gesprek, dat na de ontvluchting van den koppensneller met de meest mogelijke variatiën had plaats gehad.„Morte la bête, mort le venin,” was de meening van den Waal, die hij dan ook overeenkomstig zijn aard zoo energiek mogelijk mededeelde. Als Sjech zou hij die spreuk wel in het Arabisch weergegeven hebben, ware hij die taal maar machtig geweest.Maar Dalim suste hem en verklaarde, dat zij van dien kajau geen leed meer zouden ondervinden. Het zou zelfs niet onmogelijk zijn, dat zij nu of dan van zijn stam wiens opperhoofd Harimaoung Boekit bleek te zijn veel hulp zouden erlangen. Bij al de gebreken en ondeugden, die het karakter van den bovenlander ontsieren,—verzekerde hij zoo goed hem mogelijk was—is de dankbaarheid,[267]al heeft hij er zelfs geen naam voor in zijn taal, de grondslag van het karakter van den Dajak. Hij had er bij kunnen voegen, dat het ook het kenmerkend karakter is van de geheele inlandsche bevolking van het schoone Insulinde. Zeven achtste van de Nederlanders in Nederland miskennen dat karakter en leggen gebeurtenissen, die den dampkring wel eens met brandlucht vervulden of hem met een lauwen bloedreuk doortrokken, volgens hunne opvattingen uit. Spoort evenwel de onpartijdige geschiedvorscher de oorzaken dier beroeringen op, dan vindt hij, dat onverdraaglijke heerschzucht, inhaligheid en schraapzucht, maar niet het minst oneerlijkheid en kwade trouw, zoo eigen aan het blanke ras, den onderdrukten en uitgezogen natuurgenoot de brandfakkel en het staal in de vuist wrongen.Toen het dag was, telden de opvarenden van het vlot dertien lijken, die onder het vuur der Europeanen waren gevallen, ongerekend het lijk van hem, die door Schlickeisen met de bajonet doorstoken was. De wapenen en maliënkolders der gesneuvelden vielen den overwinnaars ten buit en onder den onverbiddelijken drang der noodzakelijkheid werden de veertien lijken in den koelen schoot van het meer neergelaten.„Een offer aan Djata,” grinnikte Dalim.Och! dat de blanke overweldigers gedurende de vele jaren, dat zij hun schepter loodzwaar op de schouders van de bewoners dier schoone gewesten deden neerkomen, toch aan de eischen der beschaving, die zij zoo huichelachtig in hunne banier voeren, hadden voldaan, dan waren thans gruwelen als het koppensnellen geheel onmogelijk. Dat waren de gedachten, die den beiden Zwitsers bij die plechtigheid door het brein voeren.Ter nauwernood was men met die begrafenis klaar en had men elkander geluk gewenscht, dat hunnerzijds[268]geene verliezen te betreuren waren, of de algemeene aandacht werd gewekt door een drietal prauwen, die zich vertoonden aan den ingang van het verbindingskanaal van het meer met de rivier. De schrik sloeg den Europeanen en ook Dalim met zijn overgebleven tochtgenoot om het hart, toen zij van den achtersteven van de twee eerste prauwen de Nederlandsche vlag zagen waaien. O! het was duidelijk voor onze vluchtelingen; men was hen eindelijk op het spoor en in hunne oogen was alles wat zij tot nu ondervonden hadden slechts kinderspel bij hetgeen hen nu te wachten stond. Ademloos en sprakeloos verbeidden zij wat nu verder gebeuren zou.Bapa Andong, onbewust, en ook niet kunnende raden, wat in het gemoed zijner medeopvarenden omging, zag in de naderende prauwen, wel verre van een gevaar, daarentegen een zekere hulp, als de Poenans zich misschien weer mochten vertoonen. Met zijn zoon en zijne pandelingen stiet hij dan ook tot drie malen toe een doordringend geroep uit:„Gagoeloeng, kantoh ikau! Oūi!!” (Spoedig komt hier ohé!)Wat was er gebeurd, dat die prauwen in dezen stond op het meer bracht? De lezers hebben zeker geraden, dat Damboeng Papoendeh, dien zij van Kwala Kapoeas hebben zien vertrekken, op het tooneel verscheen. Met den ijver, die hem bezielde, was dit jeugdige hoofd, zonder verpoozing doorroeiende, naar soengei Mantangei gestevend. Daar had hij op de plaats der gebeurtenissen zelve het verhaal van den strijd met de slang en het daaropgevolgde vuurgevecht met de mannelijke bevolking andermaal aangehoord en de vernieuwde verzekering bekomen, dat de bedoelde personen de Mantangei opgestevend waren, om de Doesson te bereiken. Hoewel[269]hij daaraan weinig geloof sloeg, waren de berichten toch zoo stellig, dat hij ze niet in den wind mocht slaan. Hij besloot dan ook die soengei op te varen. Somwijlen schudde hij ongeloovig het hoofd en was hij niet ongenegen den terugtocht naar de Kapoeas te bevelen, maar dan werd weer in een doorgekapten tak of een opgeruimden struik een spoor herkend, dat nogkort geledeneen prauw zich door dat weinig bezochte vaarwater baan gebroken had. Eindelijk, na een geheelen dag de Mantangei opgevaren te zijn, kwam hij aan een kleinen kampong aan, Takisan geheeten, waar hij niet verder kon, omdat die kampong „maroetas” was.Maroetas beteekent: onrein. Een huis, een dorp, een landstreek kunnen tengevolge van verscheidene oorzaken voor onrein verklaard worden. Bij voorbeeld ten gevolge van sterfgevallen, ook van besmettelijke ziekten en van gepleegde bloedschande. Wanneer een huis maroetas is, wordt het eenvoudig gesloten en de trap weggenomen. Niemand der bewoners mag daar buiten treden of bezoek ontvangen. Is een dorp of een landstreek verontreinigd, dan worden de toegangen versperd en het is op verbeurte van het leven verboden, die versperringen te overschrijden.Zoo vond Damboeng Papoendeh de soengei Mantangei, als toegang tot den bedoelden kampong, versperd door een dubbelen zwaren rottankabel, welks uiteinden aan den wal door gewapende mannen bewaakt werden. Hij begreep, dat hier geen geweld te gebruiken was; al zoude hij daartoe hebben willen overgaan, dan zouden zijne tochtgenooten zich tegen dat vergrijp ten opzichte hunner godsdienstige instellingen verzet hebben. Van de wachthebbenden bij den kabel vernam hij bovendien, dat het maroetas reeds sedert zeven dagen duurde, dat den volgenden dag de gewone offeranden aan de[270]Sangiangs1zouden gebracht en het gebruikelijke feestmaal zou gehouden worden; waarna de afsluiting opgeheven zoude zijn. In volle zeven dagen tijds was hier dus geen prauw kunnen passeeren; dat was duidelijk. Hij was dus op een valsch spoor en zijn eerste opvatting was de juiste geweest. Lang bedacht hij zich niet; de prauwen werden gewend en de terugtocht met pijlsnelle vaart aangenomen. Het was zaak den verloren tijd in te halen. Het was stikdonker toen men den kampong Mantangei voorbij voer; maar met allen spoed en onverdroten werd dag en nacht doorgeroeid en zoo bevonden zich de vervolgers in den bewusten nacht ter hoogte van Danau Ampang, zonder evenwel te bevroeden, dat zij toen de vluchtelingen zoo nabij waren.Het woei dien nacht stormachtig uit het noordwesten, hetgeen de vaart niet weinig bemoeielijkte en bij de hevige vlagen somwijlen gevaarlijk maakte. Eindelijk zelf uitgeput, gaf Damboeng Papoendeh aan de beden van zijn volk toe, om het overige gedeelte van den nacht in een kreek aan den wal gemeerd door te brengen. Wel deed hij dat noode, want hij had zich in het hoofd gesteld met ijlende vaart kotta Baroe te bereiken, daar berichten in te winnen en zou het hem dan misschien gelukken, wat hij hoopte, namelijk de avonturiers voorbij te stevenen, hen daar in te wachten en met behulp der bevolking gevangen te nemen. Dat plan was hoogst eenvoudig en zoude door zijn eenvoudigheid alle kans van slagen gehad hebben, ware er niet een voorval tusschenbeide gekomen, dat het geheele plan in duigen wierp.[271]Het kon naar gissing van de wachthebbenden drie uur na middernacht zijn, toen plotseling in westelijke richting, evenwel zeer nabij, een doordringend: lēēēh lèlèlè ouiiit! gevolgd door een hevig geweervuur, vernomen werd. Dat gaf licht in de duisternis, want Damboeng begreep, dat zij, die hij vervolgde, in zijne nabijheid en slaags waren, hetzij met kampongbewoners, zooals dat te soengei Mantangei gebeurd was, hetzij met koppensnellers, die in deze buurt eerder te verwachten waren.In gespannen ongeduld ging de nacht voorbij en toen de dag aangebroken was, ontwaarde hij in zijn nabijheid de monding van het kanaal, dat naar het meer voert. Hij had nu de overtuiging, dat het drama, dien nacht afgespeeld, daar had plaats gegrepen. Hij aarzelde dan ook geen oogenblik, om aan het meer een bezoek te brengen. Hij deed zijn makkers hunne wapens in gereedheid brengen en stevende weldra derwaarts.In het kanaal werd niets opmerkenswaardigs of verdachts waargenomen. Maar bij het uitkomen in het meer zag men in de verte aan den oostelijken oever een groot vlot liggen, dat met rottanbossen overdekt was en waarvan de opvarenden de aankomenden toeriepen bij hen te komen. Die kreet van: „gagoeloeng, kantoh ikau!” was goed waarneembaar.Damboeng liet nu een prauw achter ter bewaking van de kanaalmonding, met bepaalden last niemand het meer te doen verlaten en stevende met de twee andere prauwen langs den westelijken oever van de danau, om die in alle bochten en kreken te onderzoeken en zoo langs den noordelijken oever bij het vlot op den oostelijken oever te geraken.Bapa Andong, die het gevaarlijke van die manoeuvre voor de aankomenden inzag, wilde de prauwen andermaal[272]toeroepen, maar Dalim lag de hand gebiedend op den mond, fluisterde hem iets in het oor en liet hem tegelijkertijd de punt van een „badek” (kleine dolk) tusschen de korte ribben voelen. Verschrikt keek de Dajak zijn landgenoot aan en zag toen Dalim’s metgezellen met het geweer of den ontblooten mandauw in de hand, hem met hoogst ernstige gezichten omringen, terwijl zijn eigene makkers op dat kleine tooneel, dat trouwens slechts weinige seconden duurde, geen acht gaven. Hij begreep van dat alles niets, dan alleen dat hij voor het oogenblik den mond moest houden.De beide prauwen daar ginds hielden nog steeds den westelijken oever. Plotseling verhief zich uit die beide vaartuigen een geweldig gegil. Men kon de opvarenden gedurende een oogenblik met de armen heftig zien zwaaien; enkele hunner sprongen in het water en trachtten zich al zwemmende met den meesten spoed van de prauwen te verwijderen, terwijl zij herhaalde malen onderdoken. De kreet: „badjanji! badjanji!!” (de bijen, de bijen) weerklonk door de lucht.En werkelijk het was een woedende aanval van de bijen, wier nesten den vorigen nacht zoo onmeedoogend waren geroofd. Des nachts waren zij, door den rook verstikt en door den hevigen wind weggevoerd, ter aarde gevallen, maar bij het aanbreken van den dag hadden zij hunne nesten opgezocht en daar de gepleegde verwoesting aanschouwd. Nog dagen na zulk een was- en honiginzameling is het uiterst gevaarlijk detanggirangste naderen, waaraan de nesten eenmaal hingen. Damboeng Papoendeh en zijne makkers deden daarvan de wreede ondervinding op. Argeloos waren zij de plek genaderd, toen plotseling, en vóór dat er iets tegen te doen was, wolken van bijen nederdaalden en zich met de grootste verwoedheid op de opvarenden dier[273]prauwen wierpen, iedere wondbare plek huns lichaams overdekten en daar hun giftigen angel in het vleesch boorden.De Europeanen op het vlot keken sprakeloos toe en hadden door den afstand in den beginne weinig begrip van wat er gebeurde; maar toen zij Dalim zagen springen van de pret, toen zij hem hoorden grinniken en vernamen met welke vijanden hunne vervolgers te doen hadden, bekroop ook hen een zelfzuchtig dankbaar gevoel over die ontknooping, die een bloedige botsing voorkwam, welker uitslag onmogelijk te berekenen zou geweest zijn. Toen zij evenwel vernamen in welk levensgevaar die menschen verkeerden, werd hun hart met deernis vervuld en maakte een soort van schaamtegevoel zich van hen meester, dien doodstrijd zoo werkeloos te aanschouwen. De twee Zwitsers waren reeds in een djoekoeng gesprongen om die ongelukkigen, in wie zij geen vijanden maar wel lijdende natuurgenooten zagen, te hulp te ijlen. De Dajaks bezwoeren hen evenwel te blijven; zij zouden een nadering met den dood moeten bekoopen. En inderdaad, de woeste bijenzwermen, onvoldaan over de genomen wraak, begonnen nu, na hun aanval op de prauwen, zich over het meer te verspreiden en zich in hun verbittering op ieder levend wezen te werpen. Wienersdorf en Schlickeisen hadden weldra eenige pijnlijke steken op handen en aangezicht, die hen met een heftig „kreuzmillionensakrament!” aan boord van het vlot een toevlucht in de hut deden nemen en hen noodzaakten van een tehulpsnellen af te zien. Om op het vlot tegen verdere aanvallen beveiligd te zijn, waren de opvarenden verplicht vuren aan te leggen en zich in een dikken rook te hullen.Aan boord van de twee geteisterde prauwen liet zich[274]geen geluid meer hooren. Die vaartuigen dreven, door den stroom medegevoerd, die uit het meer zette, zachtkens naar de monding van het kanaal en zoo buiten den kring der gevaarlijke boomen.Toen Dalim en Bapa Andong konden berekenen, dat de woede der bijen eenigermate gestild was en zij naar de tanggirangs teruggezwermd waren, werd besloten die prauwen te naderen, om te zien wat er te doen viel. Johannes, Wienersdorf en nog een drietal pandelingen zouden hen daarbij vergezellen. Zij namen evenwel vuur en een overvloed van groene takken mede om steeds een dikken rook te kunnen verspreiden.Het schouwspel, dat zich aan de oogen dier mannen voordeed, toen zij bij de prauwen gekomen waren, was allertreurigst. Vier der opvarenden lagen met den dood te worstelen en hadden hevige vlagen van ijlende koorts. Ook de anderen waren zoodanig toegetakeld en hunne aangezichten, handen en armen, in een woord, al de lichaamsdeelen, die aan de aanvallen der verwoede bijen hadden blootgestaan, waren dermate opgezwollen, dat zij niets menschelijks meer vertoonden. Geen enkele was in staat eenige beweging te doen en allen waren schier zinneloos van de hevige pijnen, door die tallooze vergiftigde angels veroorzaakt.Om tegen een herhaling van de aanvallen der bijen beveiligd te zijn, werden de prauwen in het kanaal gebracht, en eenmaal daar aangekomen, beijverden zich voornamelijk de twee Europeanen hulp te verleenen. Zij gaven de lijders te drinken, bestreken hunne gezwollen gezichten en ledematen met klapperolie en met verdunde sirihkalk en troffen al die maatregelen welke hun toestand vorderde. Terwijl men hiermede bezig was, kwam de prauw, die ter bewaking van het kanaal door Damboeng Papoendeh was achtergelaten, en[275]die zich uit angst voor de bijen schuil had gehouden, naderbij. Na eenige woordenwisseling werden de opvarenden van die prauw, twaalf in getal, over de drie prauwen verdeeld, waarna de terugtocht aangenomen werd. Dalim stelde voor, die vaartuigen tot op de Kapoeas te vergezellen, om behulpzaam te kunnen zijn bij de vele kronkelingen, die het kanaal vormt. Toen men evenwel dien stroom bereikt had, waren de vier zieltogenden reeds overleden, en was de toestand van drie anderen, waaronder ook Damboeng Papoendeh, uiterst bedenkelijk geworden. Den roeiers werd dan ook op het hart gedrukt, onverpoosd door te roeien tot de kampong Pendek Katiempoen, waar voor de lijders ten minste eenige hulp te erlangen was.Alvorens evenwel te scheiden, werden de gewonden, die allen in bewusteloozen toestand lagen, nogmaals door Wienersdorf verzorgd en plaatste die bovendien nog naast ieder hunner een klapperdop met drinkwater gevuld, om hun brandenden dorst te lesschen. Gedurende die verzorging nam Johannes de Nederlandsche vlaggen van de beide voornaamste prauwen in beslag. Hij beweerde die uitstekend te kunnen gebruiken, alsook de schriftelijke instructie, die aan Damboeng Papoendeh was uitgereikt en onder het slaapmatje van dat hoofd, in een bamboekoker besloten, opgeborgen lag. Zoowel die instructie als de beide vlaggen waren voorzien van het Nederlandsche wapen, dat vooral op de witte banen der vlaggen sierlijk afgedrukt stond.De prauwen werden nu aan den stroomdraad overgelaten en verwijderden zich snel.Het eerste wat nu na dat vertrek te doen viel, was het vlot, dat zijn geheele lading ontvangen had, uit het meer op de rivier te brengen. Het was toen zoo omstreeks 9 uur des voormiddags en men had dus een[276]goede karrewei voor den boeg. Met lust en ijver werd aan den arbeid getogen, met dat gevolg dat het zware gevaarte bij het vallen van den avond op de rivier lag. De dankbaarheid van Bapa Andong, zoowel voor de hulp bij de behandeling van zijn lanting, als bij het bezoek der koppensnellers ondervonden, was zoo levendig, dat hij, behalve een menigte zijner koopwaren als hars, rottang enz., die den reizigers op hun langen tocht zoo nuttig zouden kunnen zijn, vier zijner pandelingen afstond, in plaats van twee, zooals de afspraak was, om bij het roeien behulpzaam te zijn. Ook stond hij onzen avonturiers tien manden met tabak en eenige stukken sits en katoen voor een luttele som gelds af. Hij had die tabak en die katoentjes medegenomen om ze tegen andere waren in te ruilen, maar het was hem niet gelukt daarvoor den gewilden prijs te erlangen.Men drukte elkander na die beschikkingen hartelijk de hand, de tros werd losgegooid, die het vlot nog bij de monding van het kanaal onbeweeglijk hield en onder den drang van den machtigen stroom stelde het gevaarte zich in beweging. Onze avonturiers bestegen hunne prauw, plantten daarop fier een der Nederlandsche vlaggen, die vroolijk in den wind wapperde, wierpen het vlot nog een luidruchtig hoera toe, sloegen de pagaaien in het water en waren weldra door een der menigvuldige bochten der rivier aan de oogen van de vrienden, wier bedrijvigheid zij gedurende twee maal vierentwintig uren gedeeld hadden, onttrokken.Johannes hield thans zijn makkers voor, dat, nu hun spoor bekend was geworden, vlugheid hen alleen redden kon. Aan een toevallige omstandigheid hadden zij thans hun redding te danken; een dergelijke zou zich niet ten tweeden male voordoen. Hij berekende, dat zij nu zoo wat een voorsprong van een vijftal dagen zouden hebben;[277]in dien tijd zouden zij met wat inspanning een aanmerkelijken afstand kunnen afleggen en wellicht buiten het bereik der Nederlanders zijn. Er werd nu besloten, dat men met den meesten ijver dag en nacht zoude doorroeien. Over dag zouden allen de pagaai hanteeren en des nachts zouden steeds zes in de weer zijn, waarvan telkens twee om de vier uren door anderen zouden vervangen worden, opdat allen de noodige rust genieten en de krachten gespaard blijven zouden.Het was daarenboven een flink vaartuig, dat de Chinees BabaPoetjiengaan de deserteurs geleverd had. Rank en scherp gebouwd lag het als een zeevogel op het water en kliefde gemakkelijk en met bevalligheid en snelheid de oppervlakte. Er waren weinig vaartuigen in de Dajaklanden, die in vlugheid ook maar daarmee gelijkgesteld konden worden.„Dat’s alweer achter den rug!” begon La Cueille, toen zij tegen het middaguur wat rust namen, ook om het maal te bereiden, „de gebeurtenissen volgen elkander wel spoedig op. Voorgisteren die dans te kotta Towanan en nu verleden nacht andermaal. ’t Is alsof, nuwijop reis zijn, alle koppensnellers van geheel Borneo op het pad zijn.”„Loop heen,” antwoordde hem Johannes, „we hebben in den afgeloopen nacht met hetzelfde troepje te doen gehad als te kotta Towanan. Denk je, dat we na ons vertrek van daar een oogenblik onbespied zijn gebleven? Neen, ze hebben steeds rond ons gewaard; daar kunt ge zeker van zijn. En het oogenblik van aanval was niet slecht gekozen. Zij hebben ons den geheelen dag met dat vlot zien sjouwen, daarna die was- en honinginzameling, die onzen geheelen voornacht in beslag nam. Zij rekenden op onze uitputting en meenden ons in diepen slaap gedompeld aan te treffen.”[278]„Maar waarom dan dat gegil, toen ze op het vlot sprongen?” vroeg Schlickeisen.„Dat is Dajaksche gewoonte, die onbedwingbaar is. Maar toch heeft dat gillen zijn nuttige zijde voor den aanvaller. In ons geval, nu we op de been waren, was het vrij overbodig; maar bij mindere waakzaamheid heeft het alle kansen voor zich, den overvallene te ontstellen, in verwarring te brengen en radeloos van angst te maken. Verbeeldt je, dat we uit onzen eersten slaap met dien kreet gewekt waren geworden.”„Dat had er gek genoeg uitgezien. ’t Kwam me nu al hachelijk genoeg voor,” bekende de Waal gulweg. „Toen die kerels zoo schreeuwende en tierende in het donker rondsprongen, kwam me ons getal tegenover hen al zeer klein voor. Maar wie heeft die list uitgedacht, om hen in dien nauwen doorgang te lokken en waar kwam eensklaps dat licht van daan? Het had veel van een wonder!”„Nu, dan mag je aan Bapa Andong wel een schietgebedje brengen,” antwoordde Johannes, „hij had reeds over dag een hoeveelheid hars heel fijn gestampt, die op een roosterwerk van gespleten rottan boven een laag aardolie op een bord, uitgespreid en daarmede in aanraking gebracht. Een vlammetje was voldoende om een helder licht te ontsteken en dat vlammetje had ik hem bezorgd, door hem een doosje lucifers in de hand te stoppen.”„Ik dacht eerst dat er brand ontstond. ’t Was een prachtig licht; we hadden een helder gezicht op die halve duivels, terwijl we achter dien hoek in het donker staande, bijna onzichtbaar waren. Ieder schot was dan ook raak.”„Ja, er zijn al weer menschenlevens genoeg opgeofferd,” zuchtte Wienersdorf; „’t is een vreeselijke tocht. Wanneer en hoe zal die eindigen?”[279]„Daarover hebben we ons thans minder te bekommeren. We zitten in het schuitje en moeten meevaren,” sprak Johannes ernstig. „Vooral mag ons geen kleinmoedigheid bevangen. Onze leus moet blijven: pas op je kop. Hij, die dien kop te nabij komt, moge de gevolgen daarvan ondervinden. We bevinden ons in de noodzakelijkheid van tegenweer.”„Maar die noodzakelijkheid heeft toch schrikkelijke gevolgen.”Schlickeisen beijverde zich aan het gesprek een wending te geven.„Wat een fraai meer,” zeide hij met een soort van bewondering, „was dat, waarin we het vlot brachten. De eerste aanblik was voor mij betooverend. Die gladde wateroppervlakte zonder eenigen rimpel, die als een spiegel hare geheele omgeving en den hemel daarboven zoo blauw en zoo rein weerkaatste; die bochten en inhammen, die zich onder het donkere loof van het maagdelijk woud schenen te verliezen; die kapen en landtongen, die als het verlangen te kennen gaven zich in het kristallijnen vocht te willen ontmoeten en te omhelzen; en niet het minst de wildernis, welke dien spiegel omlijstte met hare grillige struiken en fantastische klimop- en slingerplanten, met hare woudreuzen, die hoog in de lucht hun glinsterend en donker loover scherp tegen het azuurblauw afteekenden en waartusschen de orchideeën met hare wonderlijke bloemen en haar fraai en soms zoo fijn gevormd groen een betooverende versiering aanbrachten; dat alles leverde zulk een verrukkelijk geheel op, dat ik een oogenblik verrukt bleef staren.”Wienersdorf, die eerst met het hoofd op de borst, als in nadenken verzonken, gezeten had, werd langzamerhand bij die ontboezeming geboeid. Hij hief zachtkens[280]het hoofd op, wendde den blik naar den spreker en hoorde hem aandachtig aan. Zijne mismoedige gedachten scheen hij te laten varen of beter zij schenen van vorm te veranderen en op zijn gelaat was de weerkaatsing te lezen van de woorden zijns makkers.„O ja! ’t was fraai, dat meer,” hernam hij, toen gene zweeg. „Vooral fraai in zijn eenzaamheid en verlatenheid. Het blonk en schitterde daar onder de stralen der keerkringszon als een diamant pas ontsnapt aan de hand des Scheppers, als een parel nog onbezoedeld, nog onbeduimeld door ’s menschen hand.”„Ha! ha! ha!!” schreeuwde Johannes het uit.„Lach je daarmede?” vroeg Wienersdorf eenigszins verstoord.„Ga voort, ga voort!” zei de Sienjo, terwijl hij bleef voortlachen; „laten zich uwe dichterzielen niet aan mij, prozamensch, storen. Zoo iets is wel eens aardig om te hooren.”„Ik was opgetogen,” ging Wienersdorf voort, „daar aan die boorden geen fabriekswalm te bespeuren, geen stoombooten de gladde oppervlakte te zien verbreken, het schril gefluit van spoortreinen de kalme en heilige rust der oevers niet te hooren storen, geen menschelijk gewemel waar te nemen, dat slechts woeker en winstbejag beoogt. Men gevoelde zich daar alleen, alleen onder het oog van God.”„Verd.… mooi! ’k wou dat ik het gezegd had,” viel Johannes hem scherp in de rede. „O! wat is soms het menschenoog blind, vooral wanneer het zich in dichterlijke heerlijkheden baadt. Of beter, wat ziet zoo’n dichtersoog de zaken anders dan zij zijn! ’t Is waar, we hebben bij dat meer noch den rook van fabrieksschoorsteenen gezien, noch het gefluit van voortijlende locomotieven of stoombooten gehoord; geen[281]nijvere fabrikanten verdrongen er zich met steeds rustelooze handelaren; en dat is zeer te betreuren in stede van aanleiding tot opgetogenheid te geven. We hebben op die boorden heel wat anders gezien. Geen fabriekswalm, maar den blauwen, spiraalvormigen rook van het houtvuurtje, waarboven de sluipmoordenaar in het dichte bosch de buitgemaakte menschenhoofden zat te roosteren om ze van de vleeschdeelen te ontdoen. Geen stoomgefluit gehoord, neen, maar den oorlogskreet der onverlaten, die den vermoeide in zijn slaap verrassen, den oorlogskreet die snerpend en schril door merg en beenderen dringt, als doodsbedreiging waaraan de bedreigde niet vermag te ontkomen dan door zelf te dooden. En ge waagt het dat meer een diamant te noemen, pas ontsprongen aan de hand des Scheppers, een parel nog onbezoedeld door ’s menschen hand! ge zegt, u daar alleen, alleen met God gevoeld te hebben! Veel eer die ge het Opperwezen betuigt! Maar wat waren de kajau’s dan die met opgeheven zwaard op ons indrongen? Wat waren de Dajaks, die ons op het vlot omringden? Waren dat geen menschen? Alleen, alleen met God! Neen, we zijn er wel degelijk met de menschen in aanraking gekomen, zelfs met menschen van het allergeringste gehalte. Met menschen, eensdeels slechts behebt met den dierlijken lust tot moorden, alleen om te moorden, voor wie het hooren van angstgegil en doodgerochel de grootste streeling, het verhevenste genot daarstelt; anderdeels met menschen, voor wie het najagen van zingenot de eenige prikkel in het leven is, de eenige zweepslag, die ten arbeid voert.”„O! houd op, niet verder,” stoof Wienersdorf niet zonder verontwaardiging op. „Voor de koppensnellers is geen verdediging in te brengen; die laat ik onder de volle zwaarte van je verontwaardiging. Maar de[282]andere Dajaks, wier bedrijvigheid, wier tobben en zwoegen we van nabij, al was het ook maar kortstondig, hebben kunnen gadeslaan; die menschen, die zich dat leven in de wildernis maanden lang getroosten, om het woud zijn schatten te ontvoeren, die wensch ik te verdedigen, die stel ik oneindig hooger dan gij dat schijnt te doen; en het is voor hen dat ik met nadruk opkom, wanneer ik hen hoor afschilderen als wezens, alleen gedreven door het najagen van zingenot. Ik noem hun zwoegen en tobben, hunne bedrijvigheid de handelswereld in haar kiem. Het moge waar zijn, dat zingenot voor hen een groote prikkel is; maar dat valt van iederen handelaar, van iederen nijverheidsman, ja van ieder menschelijk wezen der westersche maatschappij te zeggen.”„Wel zeker; maar dan het woord zingenot in zijn meer edele beteekenis,” viel hier Schlickeisen zijn landgenoot in de rede. „Iedere poging van den mensch om zijn maatschappelijke positie te verbeteren, iedere zucht tot veredeling van smaak, de zorgen voor het welzijn en de toekomst van vrouw en kinderen, verschaffen zingenot. Maar van die soort is hier geen sprake; hier wordt slechts bedoeld zingenot van het meest dierlijke gehalte. Laat je eens vertellen door Johannes, die reeds vele jaren op dit eiland doorbracht, wat er met dat vlot van Bapa Andong zal gebeuren.”Wienersdorf keek vragend op.„O!” beantwoordde Johannes dien blik, „dat zal gauw verteld zijn. Luister. Na een inspanning van nog vele weken zal hij dat vlot, waarop de schatten, ontvoerd uit de vele meren en soengei’s, opgestapeld liggen, te Bandjermasin aangebracht hebben. Eerst worden de rottan, de hars, de getah pertjah, de was, de vogelnestjes enz. verkocht of eigenlijk in den roes van het[283]oogenblik op een liederlijke wijze verkwanseld. Daarna volgt de hut op het vlot, die steeds van flinke materialen vervaardigd is, vervolgens de vloer en eindelijk de boomstammen, waarop het geheel dreef. Alles, alles wordt te gelde gemaakt. Maar van het eerste oogenblik van aankomst op die hoofdplaats af is een leven van dronkenschap en ongebondenheid begonnen, dat voortgezet zal worden, zoolang een gulden in den zak zal rammelen. Wanneer nu Bapa Andong na maanden lange afwezigheid bij vrouw en kinderen terugkomt, brengt hij niets mee tot verbetering van hun schamel lot, of het zou moeten zijn voor ieder een stel eenvoudige kleedingstukken, welker aanschaffing hem door de noodzakelijkheid geboden wordt; maar het is nog lang niet zeker, dat hij daaraan zal voldoen. Het zal al uiterst gelukkig uitkomen, als hij zonder schulden wederkeert, ook wanneer hij het geheele aantal pandelingen, waarmede hij ten arbeid toog, thuis zal brengen. In den regel worden daarvan bij zulke gelegenheden verscheidene verkocht. Hij zal dan aan den arbeid gaan om zijn rijstveld te bebouwen, anders heeft hij met de zijnen niet te eten, en wanneer het seizoen weer daar zal zijn om boschproducten te gaan zamelen, zal hij weer uittrekken, vrouw en kinderen in schamelen toestand achterlatende.”„Als dat zoo is, dan is Bapa Andong een slechte kerel; maar ik kan niet gelooven, dat het meerendeel der Dajaksche bevolking zoo zal handelen.”„Op de schets die ik gaf, maken zeer weinigen uitzondering. Er zijn zeer weinig welgestelde Dajaks en bij den rijkdom hunner bosschen mag dat wel als bewijs voor mijn beweren gelden. Zie hunne woningen, die de ellendigste en afzichtelijkste krotten der wereld zijn; zie hunne kleeding, die, als de Dajak gekleed is, uit[284]akelige, vuile en smerige vodden bestaat, nog meerendeels uit boombast geklopt2, ter nauwernood aan de oorspronkelijke dierenhuid gelijk. Ge zult dat in de bovenlanden nog beter kunnen opmerken.”„’t Is wel treurig, wat je me daar vertelt,” hernam Wienersdorf eenigszins bitter, „de mensch is een vloek voor dit mooie land.”„Neen, het land is een vloek voor den mensch,” hervatte Schlickeisen met vuur, „het land is te rijk, het verspilt zijn schatten zonder den mensch tot gezetten arbeid te noodzaken. Deze heeft zich maar te bukken om ze op te rapen; dat maakt hem lui en de luiheid is de grondslag van veel kwaad.”Ja, daar was de vinger gelegd op de wond, op de open wond, die aan het levensbestaan van de menschelijke wezens op het schoonste, het rijkste en het uitgebreidste eiland van de Nederlandsche bezittingen, dien smaragdengordel om den evenaar, knaagt. Gedurende de lange jaren, dat de Hollanders aanspraak op het bezit van het eiland Borneo maken en alles in het werk stellen om wangunstig andere natiën daarvan verwijderd te houden, hebben zij niets, hoegenaamd niets gedaan om het volk tot arbeidzaamheid op te wekken. Integendeel, soms kunnen zij den schijn niet ontgaan, zich van de volksondeugden bediend te hebben om voor de lieve kas munt te slaan.Wienersdorf zat een oogenblik met het hoofd in de hand en scheen na te denken over hetgeen hij gehoord had. Eindelijk hernam hij tegen Johannes:„Je zei daar straks dat het nog vele weken zou[285]duren alvorens dat vlot te Bandjermasin zou aankomen. Dat is toch overdreven, niet waar?”„Overdreven! waarachtig niet. De opvarenden van zoo’n vlot roeien zelden, of het gevaarte moet in een tegenstroom of in een draaikolk geraakt zijn. Soms ook wel, wanneer het gevaar dreigt om tegen den wal geworpen te worden. Wanneer dat vlot nu een weinig verder de Kapoeas afgezakt zal zijn, dan is het in de streken aangekomen, waar zich de invloed van het rijzen en dalen der zee doet gevoelen. „Tijd is geen geld”, bij den Dajak; bij het doorkomen van den vloed meert hij zijn lanting aan den wal vast en wacht dood kalm de invallende eb af om de reis te vervolgen. Ga nu in gedachten eens na, welke afstanden af te leggen zijn: eerst de Kapoeas af tot aan hare uitwatering, dan de Batang Moeroeng op tot aan Moeara Poelau, dan weer de Barito af tot aan Schans van Thuyll en eindelijk de Martapoerarivier op tot aan de hoofdplaats; en bedenk daarbij dat dagelijks slechts weinige kilometers gedurende het ebben van het water afgelegd worden, dan zal je ’t kunnen begrijpen, dat verscheidene weken met zoo’n reis gemoeid zijn.”„Maar,” was de schijnbaar niet ongegronde opmerking van La Cueille, „we hebben dat vlot toch met de spil tegen den stroom zien ophalen; we hebben daaraan dapper meegedaan. Onze Dajaks zullen dat toch ook wel doen, wanneer ze in den vloed komen.”„Het mocht wat,” was het antwoord van Johannes. „Toen zij dat vlot van soengei Moeroi naar Danau Ampang brachten, konden ze niet anders; er loopt daar geen vloedstroom. Hadden ze anders kunnen handelen, wees dan verzekerd, dat ze zich de moeite wel gespaard zouden hebben, al was er nog zoo veel tijd mee gemoeid geweest.”[286]„Dat alles begrijp ik nu,” hernam Wienersdorf, „ik heb echter op een ander punt weer inlichting noodig. Je hadt het zoo even over de vele meren en soengei’s, waaruit Bapa Andong zijnboschproductenzou gehaald hebben. Soengei’s zijn er legio, dat weet ik, maar meren? Zijn er dan nog meer, behalve dit Danau Ampang? Dit is al een merkwaardigheid in een bodem van alluviale vorming, zooals de zone is, waarin we ons thans bevinden; bestaan er meerdere dan is de merkwaardigheid des te grooter.”„Ik kan je daaromtrent volkomen inlichten,” was het antwoord van Johannes. „We bevinden ons juist te midden van den meergordel. We zijn er reeds een half dozijn gepasseerd, waarvan de voornaamste zijn: Danau Telaga, Danau Telok Katjang, welke laatste oneindig veel grooter in oppervlakte dan Danau Ampang, dat wij bezocht hebben. Dwars van ons, maar op den oostelijken kant der rivier, ligt Danau Lihon en verder zullen we nog wel een half dozijn passeeren, waarvan Danau Sapoipondong en Danau Lawang de voornaamste zijn. Ik noemde dit den merengordel, omdat in de nevengelegen stroomen Doesson en Kahajan, die met de Kapoeas evenwijdig van noord naar zuid vloeien, op dezelfde breedten ook aan weerszijden een groot aantal meren gevonden wordt.”„Maar waaraan zou de vorming van die meren in dat lage terrein toe te schrijven zijn?”„Zoo je eenige reizen in deze streken gemaakt hadt, zou je die vorming niet vreemd voorkomen. Zij hangt geheel te samen met het aanwezen van de geheele alluviale streek, die de zuidkust daarstelt en nog in volle vorming verkeert. We zijn thans in het hoogwaterseizoen, zoodat de oevertaluds niet zichtbaar zijn; anders zou je al gemerkt hebben, dat de rivier niet altijd[287]gestroomd heeft, waar thans hare bedding is. Zij zal ook niet altijd blijven stroomen, waar zij dat nu doet. Betrekkelijk geringe tijdruimten zijn er noodig om daarin aanmerkelijke wijzigingen te brengen; en iemand, die hier vroeger geweest is en deze streken daarna in een tiental jaren niet bezocht heeft, zou zich op sommige gedeelten der rivieren in dezen gordel niet herkennen. Zooals je ziet, vormt de rivier tallooze kronkelingen; soms keert zij op hare schreden terug en stroomt dan een wijl van zuid naar noord. Er zijn punten, waar de oevers van beide stroomgedeelten zoo dicht bij elkander komen, dat een persoon, op den eenen oever geplaatst, met iemand op denzelfden oever, maar in een andere bocht, zonder inspanning een gesprek zou kunnen voeren. Was onze prauw zoo laag van boord niet, of was het terrein zoo begroeid niet, dan zouden we dikwijls gedeelten van de rivier zien, waar we uren geleden geweest zijn of waar we eerst na een aanmerkelijk tijdsverloop komen zullen. Wat is het gevolg van die vele kronkelingen? In de bochten, en dat is genoegzaam zichtbaar, wordt de bodem langzaam maar gestadig uitgehold en ondermijnd; de oevers van twee zulke nabijgelegen bochten naderen elkander gedurig. De landengte, die zulk een schiereiland aan den vasten wal verbindt, wordt gedurig smaller en smaller en eindelijk breekt zij door. Eerst vormt dat een smal kanaal, hetwelk soms aanmerkelijke gedeelten van de rivier afsnijdt en de vaart, als men er goed mede bekend is, aanmerkelijk bekort. Dat kanaal heet dan: antassan. Maar die antassan wordt met elken watervloed breeder en eindelijk spoedt de geheele watermassa der rivier zich als langs den kortsten weg door dat nieuw gevormde bed. De beide mondingen van de oude bedding verzanden langzamerhand, het hierdoor afgesneden gedeelte,[288]dat nu een minder of meer aanmerkelijken plas vormt, kan den toevoer van water, dat het van grootere of kleinere soengei’s ontvangt, niet genoegzaam loozen; de oevers worden langzamerhand overstroomd, het terrein rondom wordt moerassig en de vorming van het meer heeft een aanvang genomen. Allengskens worden de rivierbedding en ook hare oeverkanten door bezinking van modder en zand, maar voornamelijk van plantendetritus opgehoogd, waardoor een dam tusschen het meer en de rivier ontstaat. Maar bij iederen westmoesson hebben herhaaldelijk overstroomingen plaats, waardoor telkens een groote watermassa zich in de Danau uitstort en dit al grooter en grooter maakt. Bij terugkeer van de rivieroppervlakte tot haar peil, keert ook een gedeelte van het meerwater naar de rivierbedding terug, waardoor dan door het laagste gedeelte van den dam een kanaal gevormd wordt, dat het meer voortdurend met den stroom in gemeenschap stelt. Zietdaar, wat ik meen opgemerkt te hebben en hoe ik mijzelven het ontstaan van dat groot aantal meren verklaard heb.”„Bravo!” riep Wienersdorf in de handen klappende, „bravo! voor die uitlegging. ’k Geloof niet dat er een betere te geven is. Maar die meren moeten zeer vischrijk zijn?”„Dat zijn ze ook. ’t Is verbazend hoe het daar van visschen krioelt. Groote en kleine, visschen die een lengte bereiken van 1 tot 2 M., zooals de dahoeman, een soort van paling, de behoe of gaboes, zooals hij op Java geheeten wordt, de djampol, een geelwitte visch, die bijzonder lekker is, de kaloi, een witvisch, enz. enz., te veel om allen op te noemen. Die visschenwereld heeft echter een geduchten vijand in den kaaiman, die er groote verwoestingen onder aanricht. Zoo’n meer is dan ook het luilekkerland voor die monsters, die er[289]welig tieren. De Dajaks verzekeren ook, dat een soort van hippopotamus of rivierpaard in die meren te huis behoort. Ik heb er nooit een gezien en van al de inboorlingen, wien ik er naar vroeg, konden maar zeer weinige bevestigen, zoo’n monster ooit onder de oogen gehad te hebben. Zooveel is zeker, dat zij er een naam voor hebben in hunne taal. Dat dier heet bij hen „kadjamiena” en wordt voor een bovennatuurlijk en uiterst boosaardig wezen gehouden.”„Die Sienjo is toch nog zoo dom niet, als hem zijn hoofddoek wel tooit,” dacht La Cueille bij zich zelven.Middelerwijl was het middagmaal verorberd en het uurtje van rust verstreken. Met hernieuwde krachten nam men de pagaaien ter hand en werd de reis hervat.[290]1Sangiangs zijn bovenaardsche hulpvaardige wezens, die als boden van Mahatara (God) den menschen veel goeds aanbrengen. Aan die wezens worden vele offeranden gebracht. Zie daarover Ethnogr. beschrijving der Dajaks door den schrijver dezes.↑2Van vele boomsoorten wordt de lenige en zachte bast gebezigd om kleedingstukken te vervaardigen. Ziet hierover: Ethnographische beschrijving der Dajaks, van den schrijver.↑
[Inhoud]XIV.Karakter der inlandsche bevolking.—Veertien lijken op het vlot.—Damboeng Papoendeh verschijnt op het tooneel.—Vergeefsche tocht in de soengei Mantangei.—Het „maroetas.”—Terug naar de Kapoeas.—Het nachtelijke schieten.—De reddende bijen.—Hulp in nood.—De scheiding.—Dichterlijke beschouwing van het meer.—Tegenstelling.—Beschaving en barbaarschheid.—Het ontstaan der meren.„Ik ben er nog niet overtuigd van,” sprak La Cueille, „dat we goed gedaan hebben dien vent te laten ontsnappen.”Die volzin bij het aanbreken van den dag geuit, was eigenlijk de voortzetting van het gesprek, dat na de ontvluchting van den koppensneller met de meest mogelijke variatiën had plaats gehad.„Morte la bête, mort le venin,” was de meening van den Waal, die hij dan ook overeenkomstig zijn aard zoo energiek mogelijk mededeelde. Als Sjech zou hij die spreuk wel in het Arabisch weergegeven hebben, ware hij die taal maar machtig geweest.Maar Dalim suste hem en verklaarde, dat zij van dien kajau geen leed meer zouden ondervinden. Het zou zelfs niet onmogelijk zijn, dat zij nu of dan van zijn stam wiens opperhoofd Harimaoung Boekit bleek te zijn veel hulp zouden erlangen. Bij al de gebreken en ondeugden, die het karakter van den bovenlander ontsieren,—verzekerde hij zoo goed hem mogelijk was—is de dankbaarheid,[267]al heeft hij er zelfs geen naam voor in zijn taal, de grondslag van het karakter van den Dajak. Hij had er bij kunnen voegen, dat het ook het kenmerkend karakter is van de geheele inlandsche bevolking van het schoone Insulinde. Zeven achtste van de Nederlanders in Nederland miskennen dat karakter en leggen gebeurtenissen, die den dampkring wel eens met brandlucht vervulden of hem met een lauwen bloedreuk doortrokken, volgens hunne opvattingen uit. Spoort evenwel de onpartijdige geschiedvorscher de oorzaken dier beroeringen op, dan vindt hij, dat onverdraaglijke heerschzucht, inhaligheid en schraapzucht, maar niet het minst oneerlijkheid en kwade trouw, zoo eigen aan het blanke ras, den onderdrukten en uitgezogen natuurgenoot de brandfakkel en het staal in de vuist wrongen.Toen het dag was, telden de opvarenden van het vlot dertien lijken, die onder het vuur der Europeanen waren gevallen, ongerekend het lijk van hem, die door Schlickeisen met de bajonet doorstoken was. De wapenen en maliënkolders der gesneuvelden vielen den overwinnaars ten buit en onder den onverbiddelijken drang der noodzakelijkheid werden de veertien lijken in den koelen schoot van het meer neergelaten.„Een offer aan Djata,” grinnikte Dalim.Och! dat de blanke overweldigers gedurende de vele jaren, dat zij hun schepter loodzwaar op de schouders van de bewoners dier schoone gewesten deden neerkomen, toch aan de eischen der beschaving, die zij zoo huichelachtig in hunne banier voeren, hadden voldaan, dan waren thans gruwelen als het koppensnellen geheel onmogelijk. Dat waren de gedachten, die den beiden Zwitsers bij die plechtigheid door het brein voeren.Ter nauwernood was men met die begrafenis klaar en had men elkander geluk gewenscht, dat hunnerzijds[268]geene verliezen te betreuren waren, of de algemeene aandacht werd gewekt door een drietal prauwen, die zich vertoonden aan den ingang van het verbindingskanaal van het meer met de rivier. De schrik sloeg den Europeanen en ook Dalim met zijn overgebleven tochtgenoot om het hart, toen zij van den achtersteven van de twee eerste prauwen de Nederlandsche vlag zagen waaien. O! het was duidelijk voor onze vluchtelingen; men was hen eindelijk op het spoor en in hunne oogen was alles wat zij tot nu ondervonden hadden slechts kinderspel bij hetgeen hen nu te wachten stond. Ademloos en sprakeloos verbeidden zij wat nu verder gebeuren zou.Bapa Andong, onbewust, en ook niet kunnende raden, wat in het gemoed zijner medeopvarenden omging, zag in de naderende prauwen, wel verre van een gevaar, daarentegen een zekere hulp, als de Poenans zich misschien weer mochten vertoonen. Met zijn zoon en zijne pandelingen stiet hij dan ook tot drie malen toe een doordringend geroep uit:„Gagoeloeng, kantoh ikau! Oūi!!” (Spoedig komt hier ohé!)Wat was er gebeurd, dat die prauwen in dezen stond op het meer bracht? De lezers hebben zeker geraden, dat Damboeng Papoendeh, dien zij van Kwala Kapoeas hebben zien vertrekken, op het tooneel verscheen. Met den ijver, die hem bezielde, was dit jeugdige hoofd, zonder verpoozing doorroeiende, naar soengei Mantangei gestevend. Daar had hij op de plaats der gebeurtenissen zelve het verhaal van den strijd met de slang en het daaropgevolgde vuurgevecht met de mannelijke bevolking andermaal aangehoord en de vernieuwde verzekering bekomen, dat de bedoelde personen de Mantangei opgestevend waren, om de Doesson te bereiken. Hoewel[269]hij daaraan weinig geloof sloeg, waren de berichten toch zoo stellig, dat hij ze niet in den wind mocht slaan. Hij besloot dan ook die soengei op te varen. Somwijlen schudde hij ongeloovig het hoofd en was hij niet ongenegen den terugtocht naar de Kapoeas te bevelen, maar dan werd weer in een doorgekapten tak of een opgeruimden struik een spoor herkend, dat nogkort geledeneen prauw zich door dat weinig bezochte vaarwater baan gebroken had. Eindelijk, na een geheelen dag de Mantangei opgevaren te zijn, kwam hij aan een kleinen kampong aan, Takisan geheeten, waar hij niet verder kon, omdat die kampong „maroetas” was.Maroetas beteekent: onrein. Een huis, een dorp, een landstreek kunnen tengevolge van verscheidene oorzaken voor onrein verklaard worden. Bij voorbeeld ten gevolge van sterfgevallen, ook van besmettelijke ziekten en van gepleegde bloedschande. Wanneer een huis maroetas is, wordt het eenvoudig gesloten en de trap weggenomen. Niemand der bewoners mag daar buiten treden of bezoek ontvangen. Is een dorp of een landstreek verontreinigd, dan worden de toegangen versperd en het is op verbeurte van het leven verboden, die versperringen te overschrijden.Zoo vond Damboeng Papoendeh de soengei Mantangei, als toegang tot den bedoelden kampong, versperd door een dubbelen zwaren rottankabel, welks uiteinden aan den wal door gewapende mannen bewaakt werden. Hij begreep, dat hier geen geweld te gebruiken was; al zoude hij daartoe hebben willen overgaan, dan zouden zijne tochtgenooten zich tegen dat vergrijp ten opzichte hunner godsdienstige instellingen verzet hebben. Van de wachthebbenden bij den kabel vernam hij bovendien, dat het maroetas reeds sedert zeven dagen duurde, dat den volgenden dag de gewone offeranden aan de[270]Sangiangs1zouden gebracht en het gebruikelijke feestmaal zou gehouden worden; waarna de afsluiting opgeheven zoude zijn. In volle zeven dagen tijds was hier dus geen prauw kunnen passeeren; dat was duidelijk. Hij was dus op een valsch spoor en zijn eerste opvatting was de juiste geweest. Lang bedacht hij zich niet; de prauwen werden gewend en de terugtocht met pijlsnelle vaart aangenomen. Het was zaak den verloren tijd in te halen. Het was stikdonker toen men den kampong Mantangei voorbij voer; maar met allen spoed en onverdroten werd dag en nacht doorgeroeid en zoo bevonden zich de vervolgers in den bewusten nacht ter hoogte van Danau Ampang, zonder evenwel te bevroeden, dat zij toen de vluchtelingen zoo nabij waren.Het woei dien nacht stormachtig uit het noordwesten, hetgeen de vaart niet weinig bemoeielijkte en bij de hevige vlagen somwijlen gevaarlijk maakte. Eindelijk zelf uitgeput, gaf Damboeng Papoendeh aan de beden van zijn volk toe, om het overige gedeelte van den nacht in een kreek aan den wal gemeerd door te brengen. Wel deed hij dat noode, want hij had zich in het hoofd gesteld met ijlende vaart kotta Baroe te bereiken, daar berichten in te winnen en zou het hem dan misschien gelukken, wat hij hoopte, namelijk de avonturiers voorbij te stevenen, hen daar in te wachten en met behulp der bevolking gevangen te nemen. Dat plan was hoogst eenvoudig en zoude door zijn eenvoudigheid alle kans van slagen gehad hebben, ware er niet een voorval tusschenbeide gekomen, dat het geheele plan in duigen wierp.[271]Het kon naar gissing van de wachthebbenden drie uur na middernacht zijn, toen plotseling in westelijke richting, evenwel zeer nabij, een doordringend: lēēēh lèlèlè ouiiit! gevolgd door een hevig geweervuur, vernomen werd. Dat gaf licht in de duisternis, want Damboeng begreep, dat zij, die hij vervolgde, in zijne nabijheid en slaags waren, hetzij met kampongbewoners, zooals dat te soengei Mantangei gebeurd was, hetzij met koppensnellers, die in deze buurt eerder te verwachten waren.In gespannen ongeduld ging de nacht voorbij en toen de dag aangebroken was, ontwaarde hij in zijn nabijheid de monding van het kanaal, dat naar het meer voert. Hij had nu de overtuiging, dat het drama, dien nacht afgespeeld, daar had plaats gegrepen. Hij aarzelde dan ook geen oogenblik, om aan het meer een bezoek te brengen. Hij deed zijn makkers hunne wapens in gereedheid brengen en stevende weldra derwaarts.In het kanaal werd niets opmerkenswaardigs of verdachts waargenomen. Maar bij het uitkomen in het meer zag men in de verte aan den oostelijken oever een groot vlot liggen, dat met rottanbossen overdekt was en waarvan de opvarenden de aankomenden toeriepen bij hen te komen. Die kreet van: „gagoeloeng, kantoh ikau!” was goed waarneembaar.Damboeng liet nu een prauw achter ter bewaking van de kanaalmonding, met bepaalden last niemand het meer te doen verlaten en stevende met de twee andere prauwen langs den westelijken oever van de danau, om die in alle bochten en kreken te onderzoeken en zoo langs den noordelijken oever bij het vlot op den oostelijken oever te geraken.Bapa Andong, die het gevaarlijke van die manoeuvre voor de aankomenden inzag, wilde de prauwen andermaal[272]toeroepen, maar Dalim lag de hand gebiedend op den mond, fluisterde hem iets in het oor en liet hem tegelijkertijd de punt van een „badek” (kleine dolk) tusschen de korte ribben voelen. Verschrikt keek de Dajak zijn landgenoot aan en zag toen Dalim’s metgezellen met het geweer of den ontblooten mandauw in de hand, hem met hoogst ernstige gezichten omringen, terwijl zijn eigene makkers op dat kleine tooneel, dat trouwens slechts weinige seconden duurde, geen acht gaven. Hij begreep van dat alles niets, dan alleen dat hij voor het oogenblik den mond moest houden.De beide prauwen daar ginds hielden nog steeds den westelijken oever. Plotseling verhief zich uit die beide vaartuigen een geweldig gegil. Men kon de opvarenden gedurende een oogenblik met de armen heftig zien zwaaien; enkele hunner sprongen in het water en trachtten zich al zwemmende met den meesten spoed van de prauwen te verwijderen, terwijl zij herhaalde malen onderdoken. De kreet: „badjanji! badjanji!!” (de bijen, de bijen) weerklonk door de lucht.En werkelijk het was een woedende aanval van de bijen, wier nesten den vorigen nacht zoo onmeedoogend waren geroofd. Des nachts waren zij, door den rook verstikt en door den hevigen wind weggevoerd, ter aarde gevallen, maar bij het aanbreken van den dag hadden zij hunne nesten opgezocht en daar de gepleegde verwoesting aanschouwd. Nog dagen na zulk een was- en honiginzameling is het uiterst gevaarlijk detanggirangste naderen, waaraan de nesten eenmaal hingen. Damboeng Papoendeh en zijne makkers deden daarvan de wreede ondervinding op. Argeloos waren zij de plek genaderd, toen plotseling, en vóór dat er iets tegen te doen was, wolken van bijen nederdaalden en zich met de grootste verwoedheid op de opvarenden dier[273]prauwen wierpen, iedere wondbare plek huns lichaams overdekten en daar hun giftigen angel in het vleesch boorden.De Europeanen op het vlot keken sprakeloos toe en hadden door den afstand in den beginne weinig begrip van wat er gebeurde; maar toen zij Dalim zagen springen van de pret, toen zij hem hoorden grinniken en vernamen met welke vijanden hunne vervolgers te doen hadden, bekroop ook hen een zelfzuchtig dankbaar gevoel over die ontknooping, die een bloedige botsing voorkwam, welker uitslag onmogelijk te berekenen zou geweest zijn. Toen zij evenwel vernamen in welk levensgevaar die menschen verkeerden, werd hun hart met deernis vervuld en maakte een soort van schaamtegevoel zich van hen meester, dien doodstrijd zoo werkeloos te aanschouwen. De twee Zwitsers waren reeds in een djoekoeng gesprongen om die ongelukkigen, in wie zij geen vijanden maar wel lijdende natuurgenooten zagen, te hulp te ijlen. De Dajaks bezwoeren hen evenwel te blijven; zij zouden een nadering met den dood moeten bekoopen. En inderdaad, de woeste bijenzwermen, onvoldaan over de genomen wraak, begonnen nu, na hun aanval op de prauwen, zich over het meer te verspreiden en zich in hun verbittering op ieder levend wezen te werpen. Wienersdorf en Schlickeisen hadden weldra eenige pijnlijke steken op handen en aangezicht, die hen met een heftig „kreuzmillionensakrament!” aan boord van het vlot een toevlucht in de hut deden nemen en hen noodzaakten van een tehulpsnellen af te zien. Om op het vlot tegen verdere aanvallen beveiligd te zijn, waren de opvarenden verplicht vuren aan te leggen en zich in een dikken rook te hullen.Aan boord van de twee geteisterde prauwen liet zich[274]geen geluid meer hooren. Die vaartuigen dreven, door den stroom medegevoerd, die uit het meer zette, zachtkens naar de monding van het kanaal en zoo buiten den kring der gevaarlijke boomen.Toen Dalim en Bapa Andong konden berekenen, dat de woede der bijen eenigermate gestild was en zij naar de tanggirangs teruggezwermd waren, werd besloten die prauwen te naderen, om te zien wat er te doen viel. Johannes, Wienersdorf en nog een drietal pandelingen zouden hen daarbij vergezellen. Zij namen evenwel vuur en een overvloed van groene takken mede om steeds een dikken rook te kunnen verspreiden.Het schouwspel, dat zich aan de oogen dier mannen voordeed, toen zij bij de prauwen gekomen waren, was allertreurigst. Vier der opvarenden lagen met den dood te worstelen en hadden hevige vlagen van ijlende koorts. Ook de anderen waren zoodanig toegetakeld en hunne aangezichten, handen en armen, in een woord, al de lichaamsdeelen, die aan de aanvallen der verwoede bijen hadden blootgestaan, waren dermate opgezwollen, dat zij niets menschelijks meer vertoonden. Geen enkele was in staat eenige beweging te doen en allen waren schier zinneloos van de hevige pijnen, door die tallooze vergiftigde angels veroorzaakt.Om tegen een herhaling van de aanvallen der bijen beveiligd te zijn, werden de prauwen in het kanaal gebracht, en eenmaal daar aangekomen, beijverden zich voornamelijk de twee Europeanen hulp te verleenen. Zij gaven de lijders te drinken, bestreken hunne gezwollen gezichten en ledematen met klapperolie en met verdunde sirihkalk en troffen al die maatregelen welke hun toestand vorderde. Terwijl men hiermede bezig was, kwam de prauw, die ter bewaking van het kanaal door Damboeng Papoendeh was achtergelaten, en[275]die zich uit angst voor de bijen schuil had gehouden, naderbij. Na eenige woordenwisseling werden de opvarenden van die prauw, twaalf in getal, over de drie prauwen verdeeld, waarna de terugtocht aangenomen werd. Dalim stelde voor, die vaartuigen tot op de Kapoeas te vergezellen, om behulpzaam te kunnen zijn bij de vele kronkelingen, die het kanaal vormt. Toen men evenwel dien stroom bereikt had, waren de vier zieltogenden reeds overleden, en was de toestand van drie anderen, waaronder ook Damboeng Papoendeh, uiterst bedenkelijk geworden. Den roeiers werd dan ook op het hart gedrukt, onverpoosd door te roeien tot de kampong Pendek Katiempoen, waar voor de lijders ten minste eenige hulp te erlangen was.Alvorens evenwel te scheiden, werden de gewonden, die allen in bewusteloozen toestand lagen, nogmaals door Wienersdorf verzorgd en plaatste die bovendien nog naast ieder hunner een klapperdop met drinkwater gevuld, om hun brandenden dorst te lesschen. Gedurende die verzorging nam Johannes de Nederlandsche vlaggen van de beide voornaamste prauwen in beslag. Hij beweerde die uitstekend te kunnen gebruiken, alsook de schriftelijke instructie, die aan Damboeng Papoendeh was uitgereikt en onder het slaapmatje van dat hoofd, in een bamboekoker besloten, opgeborgen lag. Zoowel die instructie als de beide vlaggen waren voorzien van het Nederlandsche wapen, dat vooral op de witte banen der vlaggen sierlijk afgedrukt stond.De prauwen werden nu aan den stroomdraad overgelaten en verwijderden zich snel.Het eerste wat nu na dat vertrek te doen viel, was het vlot, dat zijn geheele lading ontvangen had, uit het meer op de rivier te brengen. Het was toen zoo omstreeks 9 uur des voormiddags en men had dus een[276]goede karrewei voor den boeg. Met lust en ijver werd aan den arbeid getogen, met dat gevolg dat het zware gevaarte bij het vallen van den avond op de rivier lag. De dankbaarheid van Bapa Andong, zoowel voor de hulp bij de behandeling van zijn lanting, als bij het bezoek der koppensnellers ondervonden, was zoo levendig, dat hij, behalve een menigte zijner koopwaren als hars, rottang enz., die den reizigers op hun langen tocht zoo nuttig zouden kunnen zijn, vier zijner pandelingen afstond, in plaats van twee, zooals de afspraak was, om bij het roeien behulpzaam te zijn. Ook stond hij onzen avonturiers tien manden met tabak en eenige stukken sits en katoen voor een luttele som gelds af. Hij had die tabak en die katoentjes medegenomen om ze tegen andere waren in te ruilen, maar het was hem niet gelukt daarvoor den gewilden prijs te erlangen.Men drukte elkander na die beschikkingen hartelijk de hand, de tros werd losgegooid, die het vlot nog bij de monding van het kanaal onbeweeglijk hield en onder den drang van den machtigen stroom stelde het gevaarte zich in beweging. Onze avonturiers bestegen hunne prauw, plantten daarop fier een der Nederlandsche vlaggen, die vroolijk in den wind wapperde, wierpen het vlot nog een luidruchtig hoera toe, sloegen de pagaaien in het water en waren weldra door een der menigvuldige bochten der rivier aan de oogen van de vrienden, wier bedrijvigheid zij gedurende twee maal vierentwintig uren gedeeld hadden, onttrokken.Johannes hield thans zijn makkers voor, dat, nu hun spoor bekend was geworden, vlugheid hen alleen redden kon. Aan een toevallige omstandigheid hadden zij thans hun redding te danken; een dergelijke zou zich niet ten tweeden male voordoen. Hij berekende, dat zij nu zoo wat een voorsprong van een vijftal dagen zouden hebben;[277]in dien tijd zouden zij met wat inspanning een aanmerkelijken afstand kunnen afleggen en wellicht buiten het bereik der Nederlanders zijn. Er werd nu besloten, dat men met den meesten ijver dag en nacht zoude doorroeien. Over dag zouden allen de pagaai hanteeren en des nachts zouden steeds zes in de weer zijn, waarvan telkens twee om de vier uren door anderen zouden vervangen worden, opdat allen de noodige rust genieten en de krachten gespaard blijven zouden.Het was daarenboven een flink vaartuig, dat de Chinees BabaPoetjiengaan de deserteurs geleverd had. Rank en scherp gebouwd lag het als een zeevogel op het water en kliefde gemakkelijk en met bevalligheid en snelheid de oppervlakte. Er waren weinig vaartuigen in de Dajaklanden, die in vlugheid ook maar daarmee gelijkgesteld konden worden.„Dat’s alweer achter den rug!” begon La Cueille, toen zij tegen het middaguur wat rust namen, ook om het maal te bereiden, „de gebeurtenissen volgen elkander wel spoedig op. Voorgisteren die dans te kotta Towanan en nu verleden nacht andermaal. ’t Is alsof, nuwijop reis zijn, alle koppensnellers van geheel Borneo op het pad zijn.”„Loop heen,” antwoordde hem Johannes, „we hebben in den afgeloopen nacht met hetzelfde troepje te doen gehad als te kotta Towanan. Denk je, dat we na ons vertrek van daar een oogenblik onbespied zijn gebleven? Neen, ze hebben steeds rond ons gewaard; daar kunt ge zeker van zijn. En het oogenblik van aanval was niet slecht gekozen. Zij hebben ons den geheelen dag met dat vlot zien sjouwen, daarna die was- en honinginzameling, die onzen geheelen voornacht in beslag nam. Zij rekenden op onze uitputting en meenden ons in diepen slaap gedompeld aan te treffen.”[278]„Maar waarom dan dat gegil, toen ze op het vlot sprongen?” vroeg Schlickeisen.„Dat is Dajaksche gewoonte, die onbedwingbaar is. Maar toch heeft dat gillen zijn nuttige zijde voor den aanvaller. In ons geval, nu we op de been waren, was het vrij overbodig; maar bij mindere waakzaamheid heeft het alle kansen voor zich, den overvallene te ontstellen, in verwarring te brengen en radeloos van angst te maken. Verbeeldt je, dat we uit onzen eersten slaap met dien kreet gewekt waren geworden.”„Dat had er gek genoeg uitgezien. ’t Kwam me nu al hachelijk genoeg voor,” bekende de Waal gulweg. „Toen die kerels zoo schreeuwende en tierende in het donker rondsprongen, kwam me ons getal tegenover hen al zeer klein voor. Maar wie heeft die list uitgedacht, om hen in dien nauwen doorgang te lokken en waar kwam eensklaps dat licht van daan? Het had veel van een wonder!”„Nu, dan mag je aan Bapa Andong wel een schietgebedje brengen,” antwoordde Johannes, „hij had reeds over dag een hoeveelheid hars heel fijn gestampt, die op een roosterwerk van gespleten rottan boven een laag aardolie op een bord, uitgespreid en daarmede in aanraking gebracht. Een vlammetje was voldoende om een helder licht te ontsteken en dat vlammetje had ik hem bezorgd, door hem een doosje lucifers in de hand te stoppen.”„Ik dacht eerst dat er brand ontstond. ’t Was een prachtig licht; we hadden een helder gezicht op die halve duivels, terwijl we achter dien hoek in het donker staande, bijna onzichtbaar waren. Ieder schot was dan ook raak.”„Ja, er zijn al weer menschenlevens genoeg opgeofferd,” zuchtte Wienersdorf; „’t is een vreeselijke tocht. Wanneer en hoe zal die eindigen?”[279]„Daarover hebben we ons thans minder te bekommeren. We zitten in het schuitje en moeten meevaren,” sprak Johannes ernstig. „Vooral mag ons geen kleinmoedigheid bevangen. Onze leus moet blijven: pas op je kop. Hij, die dien kop te nabij komt, moge de gevolgen daarvan ondervinden. We bevinden ons in de noodzakelijkheid van tegenweer.”„Maar die noodzakelijkheid heeft toch schrikkelijke gevolgen.”Schlickeisen beijverde zich aan het gesprek een wending te geven.„Wat een fraai meer,” zeide hij met een soort van bewondering, „was dat, waarin we het vlot brachten. De eerste aanblik was voor mij betooverend. Die gladde wateroppervlakte zonder eenigen rimpel, die als een spiegel hare geheele omgeving en den hemel daarboven zoo blauw en zoo rein weerkaatste; die bochten en inhammen, die zich onder het donkere loof van het maagdelijk woud schenen te verliezen; die kapen en landtongen, die als het verlangen te kennen gaven zich in het kristallijnen vocht te willen ontmoeten en te omhelzen; en niet het minst de wildernis, welke dien spiegel omlijstte met hare grillige struiken en fantastische klimop- en slingerplanten, met hare woudreuzen, die hoog in de lucht hun glinsterend en donker loover scherp tegen het azuurblauw afteekenden en waartusschen de orchideeën met hare wonderlijke bloemen en haar fraai en soms zoo fijn gevormd groen een betooverende versiering aanbrachten; dat alles leverde zulk een verrukkelijk geheel op, dat ik een oogenblik verrukt bleef staren.”Wienersdorf, die eerst met het hoofd op de borst, als in nadenken verzonken, gezeten had, werd langzamerhand bij die ontboezeming geboeid. Hij hief zachtkens[280]het hoofd op, wendde den blik naar den spreker en hoorde hem aandachtig aan. Zijne mismoedige gedachten scheen hij te laten varen of beter zij schenen van vorm te veranderen en op zijn gelaat was de weerkaatsing te lezen van de woorden zijns makkers.„O ja! ’t was fraai, dat meer,” hernam hij, toen gene zweeg. „Vooral fraai in zijn eenzaamheid en verlatenheid. Het blonk en schitterde daar onder de stralen der keerkringszon als een diamant pas ontsnapt aan de hand des Scheppers, als een parel nog onbezoedeld, nog onbeduimeld door ’s menschen hand.”„Ha! ha! ha!!” schreeuwde Johannes het uit.„Lach je daarmede?” vroeg Wienersdorf eenigszins verstoord.„Ga voort, ga voort!” zei de Sienjo, terwijl hij bleef voortlachen; „laten zich uwe dichterzielen niet aan mij, prozamensch, storen. Zoo iets is wel eens aardig om te hooren.”„Ik was opgetogen,” ging Wienersdorf voort, „daar aan die boorden geen fabriekswalm te bespeuren, geen stoombooten de gladde oppervlakte te zien verbreken, het schril gefluit van spoortreinen de kalme en heilige rust der oevers niet te hooren storen, geen menschelijk gewemel waar te nemen, dat slechts woeker en winstbejag beoogt. Men gevoelde zich daar alleen, alleen onder het oog van God.”„Verd.… mooi! ’k wou dat ik het gezegd had,” viel Johannes hem scherp in de rede. „O! wat is soms het menschenoog blind, vooral wanneer het zich in dichterlijke heerlijkheden baadt. Of beter, wat ziet zoo’n dichtersoog de zaken anders dan zij zijn! ’t Is waar, we hebben bij dat meer noch den rook van fabrieksschoorsteenen gezien, noch het gefluit van voortijlende locomotieven of stoombooten gehoord; geen[281]nijvere fabrikanten verdrongen er zich met steeds rustelooze handelaren; en dat is zeer te betreuren in stede van aanleiding tot opgetogenheid te geven. We hebben op die boorden heel wat anders gezien. Geen fabriekswalm, maar den blauwen, spiraalvormigen rook van het houtvuurtje, waarboven de sluipmoordenaar in het dichte bosch de buitgemaakte menschenhoofden zat te roosteren om ze van de vleeschdeelen te ontdoen. Geen stoomgefluit gehoord, neen, maar den oorlogskreet der onverlaten, die den vermoeide in zijn slaap verrassen, den oorlogskreet die snerpend en schril door merg en beenderen dringt, als doodsbedreiging waaraan de bedreigde niet vermag te ontkomen dan door zelf te dooden. En ge waagt het dat meer een diamant te noemen, pas ontsprongen aan de hand des Scheppers, een parel nog onbezoedeld door ’s menschen hand! ge zegt, u daar alleen, alleen met God gevoeld te hebben! Veel eer die ge het Opperwezen betuigt! Maar wat waren de kajau’s dan die met opgeheven zwaard op ons indrongen? Wat waren de Dajaks, die ons op het vlot omringden? Waren dat geen menschen? Alleen, alleen met God! Neen, we zijn er wel degelijk met de menschen in aanraking gekomen, zelfs met menschen van het allergeringste gehalte. Met menschen, eensdeels slechts behebt met den dierlijken lust tot moorden, alleen om te moorden, voor wie het hooren van angstgegil en doodgerochel de grootste streeling, het verhevenste genot daarstelt; anderdeels met menschen, voor wie het najagen van zingenot de eenige prikkel in het leven is, de eenige zweepslag, die ten arbeid voert.”„O! houd op, niet verder,” stoof Wienersdorf niet zonder verontwaardiging op. „Voor de koppensnellers is geen verdediging in te brengen; die laat ik onder de volle zwaarte van je verontwaardiging. Maar de[282]andere Dajaks, wier bedrijvigheid, wier tobben en zwoegen we van nabij, al was het ook maar kortstondig, hebben kunnen gadeslaan; die menschen, die zich dat leven in de wildernis maanden lang getroosten, om het woud zijn schatten te ontvoeren, die wensch ik te verdedigen, die stel ik oneindig hooger dan gij dat schijnt te doen; en het is voor hen dat ik met nadruk opkom, wanneer ik hen hoor afschilderen als wezens, alleen gedreven door het najagen van zingenot. Ik noem hun zwoegen en tobben, hunne bedrijvigheid de handelswereld in haar kiem. Het moge waar zijn, dat zingenot voor hen een groote prikkel is; maar dat valt van iederen handelaar, van iederen nijverheidsman, ja van ieder menschelijk wezen der westersche maatschappij te zeggen.”„Wel zeker; maar dan het woord zingenot in zijn meer edele beteekenis,” viel hier Schlickeisen zijn landgenoot in de rede. „Iedere poging van den mensch om zijn maatschappelijke positie te verbeteren, iedere zucht tot veredeling van smaak, de zorgen voor het welzijn en de toekomst van vrouw en kinderen, verschaffen zingenot. Maar van die soort is hier geen sprake; hier wordt slechts bedoeld zingenot van het meest dierlijke gehalte. Laat je eens vertellen door Johannes, die reeds vele jaren op dit eiland doorbracht, wat er met dat vlot van Bapa Andong zal gebeuren.”Wienersdorf keek vragend op.„O!” beantwoordde Johannes dien blik, „dat zal gauw verteld zijn. Luister. Na een inspanning van nog vele weken zal hij dat vlot, waarop de schatten, ontvoerd uit de vele meren en soengei’s, opgestapeld liggen, te Bandjermasin aangebracht hebben. Eerst worden de rottan, de hars, de getah pertjah, de was, de vogelnestjes enz. verkocht of eigenlijk in den roes van het[283]oogenblik op een liederlijke wijze verkwanseld. Daarna volgt de hut op het vlot, die steeds van flinke materialen vervaardigd is, vervolgens de vloer en eindelijk de boomstammen, waarop het geheel dreef. Alles, alles wordt te gelde gemaakt. Maar van het eerste oogenblik van aankomst op die hoofdplaats af is een leven van dronkenschap en ongebondenheid begonnen, dat voortgezet zal worden, zoolang een gulden in den zak zal rammelen. Wanneer nu Bapa Andong na maanden lange afwezigheid bij vrouw en kinderen terugkomt, brengt hij niets mee tot verbetering van hun schamel lot, of het zou moeten zijn voor ieder een stel eenvoudige kleedingstukken, welker aanschaffing hem door de noodzakelijkheid geboden wordt; maar het is nog lang niet zeker, dat hij daaraan zal voldoen. Het zal al uiterst gelukkig uitkomen, als hij zonder schulden wederkeert, ook wanneer hij het geheele aantal pandelingen, waarmede hij ten arbeid toog, thuis zal brengen. In den regel worden daarvan bij zulke gelegenheden verscheidene verkocht. Hij zal dan aan den arbeid gaan om zijn rijstveld te bebouwen, anders heeft hij met de zijnen niet te eten, en wanneer het seizoen weer daar zal zijn om boschproducten te gaan zamelen, zal hij weer uittrekken, vrouw en kinderen in schamelen toestand achterlatende.”„Als dat zoo is, dan is Bapa Andong een slechte kerel; maar ik kan niet gelooven, dat het meerendeel der Dajaksche bevolking zoo zal handelen.”„Op de schets die ik gaf, maken zeer weinigen uitzondering. Er zijn zeer weinig welgestelde Dajaks en bij den rijkdom hunner bosschen mag dat wel als bewijs voor mijn beweren gelden. Zie hunne woningen, die de ellendigste en afzichtelijkste krotten der wereld zijn; zie hunne kleeding, die, als de Dajak gekleed is, uit[284]akelige, vuile en smerige vodden bestaat, nog meerendeels uit boombast geklopt2, ter nauwernood aan de oorspronkelijke dierenhuid gelijk. Ge zult dat in de bovenlanden nog beter kunnen opmerken.”„’t Is wel treurig, wat je me daar vertelt,” hernam Wienersdorf eenigszins bitter, „de mensch is een vloek voor dit mooie land.”„Neen, het land is een vloek voor den mensch,” hervatte Schlickeisen met vuur, „het land is te rijk, het verspilt zijn schatten zonder den mensch tot gezetten arbeid te noodzaken. Deze heeft zich maar te bukken om ze op te rapen; dat maakt hem lui en de luiheid is de grondslag van veel kwaad.”Ja, daar was de vinger gelegd op de wond, op de open wond, die aan het levensbestaan van de menschelijke wezens op het schoonste, het rijkste en het uitgebreidste eiland van de Nederlandsche bezittingen, dien smaragdengordel om den evenaar, knaagt. Gedurende de lange jaren, dat de Hollanders aanspraak op het bezit van het eiland Borneo maken en alles in het werk stellen om wangunstig andere natiën daarvan verwijderd te houden, hebben zij niets, hoegenaamd niets gedaan om het volk tot arbeidzaamheid op te wekken. Integendeel, soms kunnen zij den schijn niet ontgaan, zich van de volksondeugden bediend te hebben om voor de lieve kas munt te slaan.Wienersdorf zat een oogenblik met het hoofd in de hand en scheen na te denken over hetgeen hij gehoord had. Eindelijk hernam hij tegen Johannes:„Je zei daar straks dat het nog vele weken zou[285]duren alvorens dat vlot te Bandjermasin zou aankomen. Dat is toch overdreven, niet waar?”„Overdreven! waarachtig niet. De opvarenden van zoo’n vlot roeien zelden, of het gevaarte moet in een tegenstroom of in een draaikolk geraakt zijn. Soms ook wel, wanneer het gevaar dreigt om tegen den wal geworpen te worden. Wanneer dat vlot nu een weinig verder de Kapoeas afgezakt zal zijn, dan is het in de streken aangekomen, waar zich de invloed van het rijzen en dalen der zee doet gevoelen. „Tijd is geen geld”, bij den Dajak; bij het doorkomen van den vloed meert hij zijn lanting aan den wal vast en wacht dood kalm de invallende eb af om de reis te vervolgen. Ga nu in gedachten eens na, welke afstanden af te leggen zijn: eerst de Kapoeas af tot aan hare uitwatering, dan de Batang Moeroeng op tot aan Moeara Poelau, dan weer de Barito af tot aan Schans van Thuyll en eindelijk de Martapoerarivier op tot aan de hoofdplaats; en bedenk daarbij dat dagelijks slechts weinige kilometers gedurende het ebben van het water afgelegd worden, dan zal je ’t kunnen begrijpen, dat verscheidene weken met zoo’n reis gemoeid zijn.”„Maar,” was de schijnbaar niet ongegronde opmerking van La Cueille, „we hebben dat vlot toch met de spil tegen den stroom zien ophalen; we hebben daaraan dapper meegedaan. Onze Dajaks zullen dat toch ook wel doen, wanneer ze in den vloed komen.”„Het mocht wat,” was het antwoord van Johannes. „Toen zij dat vlot van soengei Moeroi naar Danau Ampang brachten, konden ze niet anders; er loopt daar geen vloedstroom. Hadden ze anders kunnen handelen, wees dan verzekerd, dat ze zich de moeite wel gespaard zouden hebben, al was er nog zoo veel tijd mee gemoeid geweest.”[286]„Dat alles begrijp ik nu,” hernam Wienersdorf, „ik heb echter op een ander punt weer inlichting noodig. Je hadt het zoo even over de vele meren en soengei’s, waaruit Bapa Andong zijnboschproductenzou gehaald hebben. Soengei’s zijn er legio, dat weet ik, maar meren? Zijn er dan nog meer, behalve dit Danau Ampang? Dit is al een merkwaardigheid in een bodem van alluviale vorming, zooals de zone is, waarin we ons thans bevinden; bestaan er meerdere dan is de merkwaardigheid des te grooter.”„Ik kan je daaromtrent volkomen inlichten,” was het antwoord van Johannes. „We bevinden ons juist te midden van den meergordel. We zijn er reeds een half dozijn gepasseerd, waarvan de voornaamste zijn: Danau Telaga, Danau Telok Katjang, welke laatste oneindig veel grooter in oppervlakte dan Danau Ampang, dat wij bezocht hebben. Dwars van ons, maar op den oostelijken kant der rivier, ligt Danau Lihon en verder zullen we nog wel een half dozijn passeeren, waarvan Danau Sapoipondong en Danau Lawang de voornaamste zijn. Ik noemde dit den merengordel, omdat in de nevengelegen stroomen Doesson en Kahajan, die met de Kapoeas evenwijdig van noord naar zuid vloeien, op dezelfde breedten ook aan weerszijden een groot aantal meren gevonden wordt.”„Maar waaraan zou de vorming van die meren in dat lage terrein toe te schrijven zijn?”„Zoo je eenige reizen in deze streken gemaakt hadt, zou je die vorming niet vreemd voorkomen. Zij hangt geheel te samen met het aanwezen van de geheele alluviale streek, die de zuidkust daarstelt en nog in volle vorming verkeert. We zijn thans in het hoogwaterseizoen, zoodat de oevertaluds niet zichtbaar zijn; anders zou je al gemerkt hebben, dat de rivier niet altijd[287]gestroomd heeft, waar thans hare bedding is. Zij zal ook niet altijd blijven stroomen, waar zij dat nu doet. Betrekkelijk geringe tijdruimten zijn er noodig om daarin aanmerkelijke wijzigingen te brengen; en iemand, die hier vroeger geweest is en deze streken daarna in een tiental jaren niet bezocht heeft, zou zich op sommige gedeelten der rivieren in dezen gordel niet herkennen. Zooals je ziet, vormt de rivier tallooze kronkelingen; soms keert zij op hare schreden terug en stroomt dan een wijl van zuid naar noord. Er zijn punten, waar de oevers van beide stroomgedeelten zoo dicht bij elkander komen, dat een persoon, op den eenen oever geplaatst, met iemand op denzelfden oever, maar in een andere bocht, zonder inspanning een gesprek zou kunnen voeren. Was onze prauw zoo laag van boord niet, of was het terrein zoo begroeid niet, dan zouden we dikwijls gedeelten van de rivier zien, waar we uren geleden geweest zijn of waar we eerst na een aanmerkelijk tijdsverloop komen zullen. Wat is het gevolg van die vele kronkelingen? In de bochten, en dat is genoegzaam zichtbaar, wordt de bodem langzaam maar gestadig uitgehold en ondermijnd; de oevers van twee zulke nabijgelegen bochten naderen elkander gedurig. De landengte, die zulk een schiereiland aan den vasten wal verbindt, wordt gedurig smaller en smaller en eindelijk breekt zij door. Eerst vormt dat een smal kanaal, hetwelk soms aanmerkelijke gedeelten van de rivier afsnijdt en de vaart, als men er goed mede bekend is, aanmerkelijk bekort. Dat kanaal heet dan: antassan. Maar die antassan wordt met elken watervloed breeder en eindelijk spoedt de geheele watermassa der rivier zich als langs den kortsten weg door dat nieuw gevormde bed. De beide mondingen van de oude bedding verzanden langzamerhand, het hierdoor afgesneden gedeelte,[288]dat nu een minder of meer aanmerkelijken plas vormt, kan den toevoer van water, dat het van grootere of kleinere soengei’s ontvangt, niet genoegzaam loozen; de oevers worden langzamerhand overstroomd, het terrein rondom wordt moerassig en de vorming van het meer heeft een aanvang genomen. Allengskens worden de rivierbedding en ook hare oeverkanten door bezinking van modder en zand, maar voornamelijk van plantendetritus opgehoogd, waardoor een dam tusschen het meer en de rivier ontstaat. Maar bij iederen westmoesson hebben herhaaldelijk overstroomingen plaats, waardoor telkens een groote watermassa zich in de Danau uitstort en dit al grooter en grooter maakt. Bij terugkeer van de rivieroppervlakte tot haar peil, keert ook een gedeelte van het meerwater naar de rivierbedding terug, waardoor dan door het laagste gedeelte van den dam een kanaal gevormd wordt, dat het meer voortdurend met den stroom in gemeenschap stelt. Zietdaar, wat ik meen opgemerkt te hebben en hoe ik mijzelven het ontstaan van dat groot aantal meren verklaard heb.”„Bravo!” riep Wienersdorf in de handen klappende, „bravo! voor die uitlegging. ’k Geloof niet dat er een betere te geven is. Maar die meren moeten zeer vischrijk zijn?”„Dat zijn ze ook. ’t Is verbazend hoe het daar van visschen krioelt. Groote en kleine, visschen die een lengte bereiken van 1 tot 2 M., zooals de dahoeman, een soort van paling, de behoe of gaboes, zooals hij op Java geheeten wordt, de djampol, een geelwitte visch, die bijzonder lekker is, de kaloi, een witvisch, enz. enz., te veel om allen op te noemen. Die visschenwereld heeft echter een geduchten vijand in den kaaiman, die er groote verwoestingen onder aanricht. Zoo’n meer is dan ook het luilekkerland voor die monsters, die er[289]welig tieren. De Dajaks verzekeren ook, dat een soort van hippopotamus of rivierpaard in die meren te huis behoort. Ik heb er nooit een gezien en van al de inboorlingen, wien ik er naar vroeg, konden maar zeer weinige bevestigen, zoo’n monster ooit onder de oogen gehad te hebben. Zooveel is zeker, dat zij er een naam voor hebben in hunne taal. Dat dier heet bij hen „kadjamiena” en wordt voor een bovennatuurlijk en uiterst boosaardig wezen gehouden.”„Die Sienjo is toch nog zoo dom niet, als hem zijn hoofddoek wel tooit,” dacht La Cueille bij zich zelven.Middelerwijl was het middagmaal verorberd en het uurtje van rust verstreken. Met hernieuwde krachten nam men de pagaaien ter hand en werd de reis hervat.[290]1Sangiangs zijn bovenaardsche hulpvaardige wezens, die als boden van Mahatara (God) den menschen veel goeds aanbrengen. Aan die wezens worden vele offeranden gebracht. Zie daarover Ethnogr. beschrijving der Dajaks door den schrijver dezes.↑2Van vele boomsoorten wordt de lenige en zachte bast gebezigd om kleedingstukken te vervaardigen. Ziet hierover: Ethnographische beschrijving der Dajaks, van den schrijver.↑
XIV.Karakter der inlandsche bevolking.—Veertien lijken op het vlot.—Damboeng Papoendeh verschijnt op het tooneel.—Vergeefsche tocht in de soengei Mantangei.—Het „maroetas.”—Terug naar de Kapoeas.—Het nachtelijke schieten.—De reddende bijen.—Hulp in nood.—De scheiding.—Dichterlijke beschouwing van het meer.—Tegenstelling.—Beschaving en barbaarschheid.—Het ontstaan der meren.
Karakter der inlandsche bevolking.—Veertien lijken op het vlot.—Damboeng Papoendeh verschijnt op het tooneel.—Vergeefsche tocht in de soengei Mantangei.—Het „maroetas.”—Terug naar de Kapoeas.—Het nachtelijke schieten.—De reddende bijen.—Hulp in nood.—De scheiding.—Dichterlijke beschouwing van het meer.—Tegenstelling.—Beschaving en barbaarschheid.—Het ontstaan der meren.
Karakter der inlandsche bevolking.—Veertien lijken op het vlot.—Damboeng Papoendeh verschijnt op het tooneel.—Vergeefsche tocht in de soengei Mantangei.—Het „maroetas.”—Terug naar de Kapoeas.—Het nachtelijke schieten.—De reddende bijen.—Hulp in nood.—De scheiding.—Dichterlijke beschouwing van het meer.—Tegenstelling.—Beschaving en barbaarschheid.—Het ontstaan der meren.
„Ik ben er nog niet overtuigd van,” sprak La Cueille, „dat we goed gedaan hebben dien vent te laten ontsnappen.”Die volzin bij het aanbreken van den dag geuit, was eigenlijk de voortzetting van het gesprek, dat na de ontvluchting van den koppensneller met de meest mogelijke variatiën had plaats gehad.„Morte la bête, mort le venin,” was de meening van den Waal, die hij dan ook overeenkomstig zijn aard zoo energiek mogelijk mededeelde. Als Sjech zou hij die spreuk wel in het Arabisch weergegeven hebben, ware hij die taal maar machtig geweest.Maar Dalim suste hem en verklaarde, dat zij van dien kajau geen leed meer zouden ondervinden. Het zou zelfs niet onmogelijk zijn, dat zij nu of dan van zijn stam wiens opperhoofd Harimaoung Boekit bleek te zijn veel hulp zouden erlangen. Bij al de gebreken en ondeugden, die het karakter van den bovenlander ontsieren,—verzekerde hij zoo goed hem mogelijk was—is de dankbaarheid,[267]al heeft hij er zelfs geen naam voor in zijn taal, de grondslag van het karakter van den Dajak. Hij had er bij kunnen voegen, dat het ook het kenmerkend karakter is van de geheele inlandsche bevolking van het schoone Insulinde. Zeven achtste van de Nederlanders in Nederland miskennen dat karakter en leggen gebeurtenissen, die den dampkring wel eens met brandlucht vervulden of hem met een lauwen bloedreuk doortrokken, volgens hunne opvattingen uit. Spoort evenwel de onpartijdige geschiedvorscher de oorzaken dier beroeringen op, dan vindt hij, dat onverdraaglijke heerschzucht, inhaligheid en schraapzucht, maar niet het minst oneerlijkheid en kwade trouw, zoo eigen aan het blanke ras, den onderdrukten en uitgezogen natuurgenoot de brandfakkel en het staal in de vuist wrongen.Toen het dag was, telden de opvarenden van het vlot dertien lijken, die onder het vuur der Europeanen waren gevallen, ongerekend het lijk van hem, die door Schlickeisen met de bajonet doorstoken was. De wapenen en maliënkolders der gesneuvelden vielen den overwinnaars ten buit en onder den onverbiddelijken drang der noodzakelijkheid werden de veertien lijken in den koelen schoot van het meer neergelaten.„Een offer aan Djata,” grinnikte Dalim.Och! dat de blanke overweldigers gedurende de vele jaren, dat zij hun schepter loodzwaar op de schouders van de bewoners dier schoone gewesten deden neerkomen, toch aan de eischen der beschaving, die zij zoo huichelachtig in hunne banier voeren, hadden voldaan, dan waren thans gruwelen als het koppensnellen geheel onmogelijk. Dat waren de gedachten, die den beiden Zwitsers bij die plechtigheid door het brein voeren.Ter nauwernood was men met die begrafenis klaar en had men elkander geluk gewenscht, dat hunnerzijds[268]geene verliezen te betreuren waren, of de algemeene aandacht werd gewekt door een drietal prauwen, die zich vertoonden aan den ingang van het verbindingskanaal van het meer met de rivier. De schrik sloeg den Europeanen en ook Dalim met zijn overgebleven tochtgenoot om het hart, toen zij van den achtersteven van de twee eerste prauwen de Nederlandsche vlag zagen waaien. O! het was duidelijk voor onze vluchtelingen; men was hen eindelijk op het spoor en in hunne oogen was alles wat zij tot nu ondervonden hadden slechts kinderspel bij hetgeen hen nu te wachten stond. Ademloos en sprakeloos verbeidden zij wat nu verder gebeuren zou.Bapa Andong, onbewust, en ook niet kunnende raden, wat in het gemoed zijner medeopvarenden omging, zag in de naderende prauwen, wel verre van een gevaar, daarentegen een zekere hulp, als de Poenans zich misschien weer mochten vertoonen. Met zijn zoon en zijne pandelingen stiet hij dan ook tot drie malen toe een doordringend geroep uit:„Gagoeloeng, kantoh ikau! Oūi!!” (Spoedig komt hier ohé!)Wat was er gebeurd, dat die prauwen in dezen stond op het meer bracht? De lezers hebben zeker geraden, dat Damboeng Papoendeh, dien zij van Kwala Kapoeas hebben zien vertrekken, op het tooneel verscheen. Met den ijver, die hem bezielde, was dit jeugdige hoofd, zonder verpoozing doorroeiende, naar soengei Mantangei gestevend. Daar had hij op de plaats der gebeurtenissen zelve het verhaal van den strijd met de slang en het daaropgevolgde vuurgevecht met de mannelijke bevolking andermaal aangehoord en de vernieuwde verzekering bekomen, dat de bedoelde personen de Mantangei opgestevend waren, om de Doesson te bereiken. Hoewel[269]hij daaraan weinig geloof sloeg, waren de berichten toch zoo stellig, dat hij ze niet in den wind mocht slaan. Hij besloot dan ook die soengei op te varen. Somwijlen schudde hij ongeloovig het hoofd en was hij niet ongenegen den terugtocht naar de Kapoeas te bevelen, maar dan werd weer in een doorgekapten tak of een opgeruimden struik een spoor herkend, dat nogkort geledeneen prauw zich door dat weinig bezochte vaarwater baan gebroken had. Eindelijk, na een geheelen dag de Mantangei opgevaren te zijn, kwam hij aan een kleinen kampong aan, Takisan geheeten, waar hij niet verder kon, omdat die kampong „maroetas” was.Maroetas beteekent: onrein. Een huis, een dorp, een landstreek kunnen tengevolge van verscheidene oorzaken voor onrein verklaard worden. Bij voorbeeld ten gevolge van sterfgevallen, ook van besmettelijke ziekten en van gepleegde bloedschande. Wanneer een huis maroetas is, wordt het eenvoudig gesloten en de trap weggenomen. Niemand der bewoners mag daar buiten treden of bezoek ontvangen. Is een dorp of een landstreek verontreinigd, dan worden de toegangen versperd en het is op verbeurte van het leven verboden, die versperringen te overschrijden.Zoo vond Damboeng Papoendeh de soengei Mantangei, als toegang tot den bedoelden kampong, versperd door een dubbelen zwaren rottankabel, welks uiteinden aan den wal door gewapende mannen bewaakt werden. Hij begreep, dat hier geen geweld te gebruiken was; al zoude hij daartoe hebben willen overgaan, dan zouden zijne tochtgenooten zich tegen dat vergrijp ten opzichte hunner godsdienstige instellingen verzet hebben. Van de wachthebbenden bij den kabel vernam hij bovendien, dat het maroetas reeds sedert zeven dagen duurde, dat den volgenden dag de gewone offeranden aan de[270]Sangiangs1zouden gebracht en het gebruikelijke feestmaal zou gehouden worden; waarna de afsluiting opgeheven zoude zijn. In volle zeven dagen tijds was hier dus geen prauw kunnen passeeren; dat was duidelijk. Hij was dus op een valsch spoor en zijn eerste opvatting was de juiste geweest. Lang bedacht hij zich niet; de prauwen werden gewend en de terugtocht met pijlsnelle vaart aangenomen. Het was zaak den verloren tijd in te halen. Het was stikdonker toen men den kampong Mantangei voorbij voer; maar met allen spoed en onverdroten werd dag en nacht doorgeroeid en zoo bevonden zich de vervolgers in den bewusten nacht ter hoogte van Danau Ampang, zonder evenwel te bevroeden, dat zij toen de vluchtelingen zoo nabij waren.Het woei dien nacht stormachtig uit het noordwesten, hetgeen de vaart niet weinig bemoeielijkte en bij de hevige vlagen somwijlen gevaarlijk maakte. Eindelijk zelf uitgeput, gaf Damboeng Papoendeh aan de beden van zijn volk toe, om het overige gedeelte van den nacht in een kreek aan den wal gemeerd door te brengen. Wel deed hij dat noode, want hij had zich in het hoofd gesteld met ijlende vaart kotta Baroe te bereiken, daar berichten in te winnen en zou het hem dan misschien gelukken, wat hij hoopte, namelijk de avonturiers voorbij te stevenen, hen daar in te wachten en met behulp der bevolking gevangen te nemen. Dat plan was hoogst eenvoudig en zoude door zijn eenvoudigheid alle kans van slagen gehad hebben, ware er niet een voorval tusschenbeide gekomen, dat het geheele plan in duigen wierp.[271]Het kon naar gissing van de wachthebbenden drie uur na middernacht zijn, toen plotseling in westelijke richting, evenwel zeer nabij, een doordringend: lēēēh lèlèlè ouiiit! gevolgd door een hevig geweervuur, vernomen werd. Dat gaf licht in de duisternis, want Damboeng begreep, dat zij, die hij vervolgde, in zijne nabijheid en slaags waren, hetzij met kampongbewoners, zooals dat te soengei Mantangei gebeurd was, hetzij met koppensnellers, die in deze buurt eerder te verwachten waren.In gespannen ongeduld ging de nacht voorbij en toen de dag aangebroken was, ontwaarde hij in zijn nabijheid de monding van het kanaal, dat naar het meer voert. Hij had nu de overtuiging, dat het drama, dien nacht afgespeeld, daar had plaats gegrepen. Hij aarzelde dan ook geen oogenblik, om aan het meer een bezoek te brengen. Hij deed zijn makkers hunne wapens in gereedheid brengen en stevende weldra derwaarts.In het kanaal werd niets opmerkenswaardigs of verdachts waargenomen. Maar bij het uitkomen in het meer zag men in de verte aan den oostelijken oever een groot vlot liggen, dat met rottanbossen overdekt was en waarvan de opvarenden de aankomenden toeriepen bij hen te komen. Die kreet van: „gagoeloeng, kantoh ikau!” was goed waarneembaar.Damboeng liet nu een prauw achter ter bewaking van de kanaalmonding, met bepaalden last niemand het meer te doen verlaten en stevende met de twee andere prauwen langs den westelijken oever van de danau, om die in alle bochten en kreken te onderzoeken en zoo langs den noordelijken oever bij het vlot op den oostelijken oever te geraken.Bapa Andong, die het gevaarlijke van die manoeuvre voor de aankomenden inzag, wilde de prauwen andermaal[272]toeroepen, maar Dalim lag de hand gebiedend op den mond, fluisterde hem iets in het oor en liet hem tegelijkertijd de punt van een „badek” (kleine dolk) tusschen de korte ribben voelen. Verschrikt keek de Dajak zijn landgenoot aan en zag toen Dalim’s metgezellen met het geweer of den ontblooten mandauw in de hand, hem met hoogst ernstige gezichten omringen, terwijl zijn eigene makkers op dat kleine tooneel, dat trouwens slechts weinige seconden duurde, geen acht gaven. Hij begreep van dat alles niets, dan alleen dat hij voor het oogenblik den mond moest houden.De beide prauwen daar ginds hielden nog steeds den westelijken oever. Plotseling verhief zich uit die beide vaartuigen een geweldig gegil. Men kon de opvarenden gedurende een oogenblik met de armen heftig zien zwaaien; enkele hunner sprongen in het water en trachtten zich al zwemmende met den meesten spoed van de prauwen te verwijderen, terwijl zij herhaalde malen onderdoken. De kreet: „badjanji! badjanji!!” (de bijen, de bijen) weerklonk door de lucht.En werkelijk het was een woedende aanval van de bijen, wier nesten den vorigen nacht zoo onmeedoogend waren geroofd. Des nachts waren zij, door den rook verstikt en door den hevigen wind weggevoerd, ter aarde gevallen, maar bij het aanbreken van den dag hadden zij hunne nesten opgezocht en daar de gepleegde verwoesting aanschouwd. Nog dagen na zulk een was- en honiginzameling is het uiterst gevaarlijk detanggirangste naderen, waaraan de nesten eenmaal hingen. Damboeng Papoendeh en zijne makkers deden daarvan de wreede ondervinding op. Argeloos waren zij de plek genaderd, toen plotseling, en vóór dat er iets tegen te doen was, wolken van bijen nederdaalden en zich met de grootste verwoedheid op de opvarenden dier[273]prauwen wierpen, iedere wondbare plek huns lichaams overdekten en daar hun giftigen angel in het vleesch boorden.De Europeanen op het vlot keken sprakeloos toe en hadden door den afstand in den beginne weinig begrip van wat er gebeurde; maar toen zij Dalim zagen springen van de pret, toen zij hem hoorden grinniken en vernamen met welke vijanden hunne vervolgers te doen hadden, bekroop ook hen een zelfzuchtig dankbaar gevoel over die ontknooping, die een bloedige botsing voorkwam, welker uitslag onmogelijk te berekenen zou geweest zijn. Toen zij evenwel vernamen in welk levensgevaar die menschen verkeerden, werd hun hart met deernis vervuld en maakte een soort van schaamtegevoel zich van hen meester, dien doodstrijd zoo werkeloos te aanschouwen. De twee Zwitsers waren reeds in een djoekoeng gesprongen om die ongelukkigen, in wie zij geen vijanden maar wel lijdende natuurgenooten zagen, te hulp te ijlen. De Dajaks bezwoeren hen evenwel te blijven; zij zouden een nadering met den dood moeten bekoopen. En inderdaad, de woeste bijenzwermen, onvoldaan over de genomen wraak, begonnen nu, na hun aanval op de prauwen, zich over het meer te verspreiden en zich in hun verbittering op ieder levend wezen te werpen. Wienersdorf en Schlickeisen hadden weldra eenige pijnlijke steken op handen en aangezicht, die hen met een heftig „kreuzmillionensakrament!” aan boord van het vlot een toevlucht in de hut deden nemen en hen noodzaakten van een tehulpsnellen af te zien. Om op het vlot tegen verdere aanvallen beveiligd te zijn, waren de opvarenden verplicht vuren aan te leggen en zich in een dikken rook te hullen.Aan boord van de twee geteisterde prauwen liet zich[274]geen geluid meer hooren. Die vaartuigen dreven, door den stroom medegevoerd, die uit het meer zette, zachtkens naar de monding van het kanaal en zoo buiten den kring der gevaarlijke boomen.Toen Dalim en Bapa Andong konden berekenen, dat de woede der bijen eenigermate gestild was en zij naar de tanggirangs teruggezwermd waren, werd besloten die prauwen te naderen, om te zien wat er te doen viel. Johannes, Wienersdorf en nog een drietal pandelingen zouden hen daarbij vergezellen. Zij namen evenwel vuur en een overvloed van groene takken mede om steeds een dikken rook te kunnen verspreiden.Het schouwspel, dat zich aan de oogen dier mannen voordeed, toen zij bij de prauwen gekomen waren, was allertreurigst. Vier der opvarenden lagen met den dood te worstelen en hadden hevige vlagen van ijlende koorts. Ook de anderen waren zoodanig toegetakeld en hunne aangezichten, handen en armen, in een woord, al de lichaamsdeelen, die aan de aanvallen der verwoede bijen hadden blootgestaan, waren dermate opgezwollen, dat zij niets menschelijks meer vertoonden. Geen enkele was in staat eenige beweging te doen en allen waren schier zinneloos van de hevige pijnen, door die tallooze vergiftigde angels veroorzaakt.Om tegen een herhaling van de aanvallen der bijen beveiligd te zijn, werden de prauwen in het kanaal gebracht, en eenmaal daar aangekomen, beijverden zich voornamelijk de twee Europeanen hulp te verleenen. Zij gaven de lijders te drinken, bestreken hunne gezwollen gezichten en ledematen met klapperolie en met verdunde sirihkalk en troffen al die maatregelen welke hun toestand vorderde. Terwijl men hiermede bezig was, kwam de prauw, die ter bewaking van het kanaal door Damboeng Papoendeh was achtergelaten, en[275]die zich uit angst voor de bijen schuil had gehouden, naderbij. Na eenige woordenwisseling werden de opvarenden van die prauw, twaalf in getal, over de drie prauwen verdeeld, waarna de terugtocht aangenomen werd. Dalim stelde voor, die vaartuigen tot op de Kapoeas te vergezellen, om behulpzaam te kunnen zijn bij de vele kronkelingen, die het kanaal vormt. Toen men evenwel dien stroom bereikt had, waren de vier zieltogenden reeds overleden, en was de toestand van drie anderen, waaronder ook Damboeng Papoendeh, uiterst bedenkelijk geworden. Den roeiers werd dan ook op het hart gedrukt, onverpoosd door te roeien tot de kampong Pendek Katiempoen, waar voor de lijders ten minste eenige hulp te erlangen was.Alvorens evenwel te scheiden, werden de gewonden, die allen in bewusteloozen toestand lagen, nogmaals door Wienersdorf verzorgd en plaatste die bovendien nog naast ieder hunner een klapperdop met drinkwater gevuld, om hun brandenden dorst te lesschen. Gedurende die verzorging nam Johannes de Nederlandsche vlaggen van de beide voornaamste prauwen in beslag. Hij beweerde die uitstekend te kunnen gebruiken, alsook de schriftelijke instructie, die aan Damboeng Papoendeh was uitgereikt en onder het slaapmatje van dat hoofd, in een bamboekoker besloten, opgeborgen lag. Zoowel die instructie als de beide vlaggen waren voorzien van het Nederlandsche wapen, dat vooral op de witte banen der vlaggen sierlijk afgedrukt stond.De prauwen werden nu aan den stroomdraad overgelaten en verwijderden zich snel.Het eerste wat nu na dat vertrek te doen viel, was het vlot, dat zijn geheele lading ontvangen had, uit het meer op de rivier te brengen. Het was toen zoo omstreeks 9 uur des voormiddags en men had dus een[276]goede karrewei voor den boeg. Met lust en ijver werd aan den arbeid getogen, met dat gevolg dat het zware gevaarte bij het vallen van den avond op de rivier lag. De dankbaarheid van Bapa Andong, zoowel voor de hulp bij de behandeling van zijn lanting, als bij het bezoek der koppensnellers ondervonden, was zoo levendig, dat hij, behalve een menigte zijner koopwaren als hars, rottang enz., die den reizigers op hun langen tocht zoo nuttig zouden kunnen zijn, vier zijner pandelingen afstond, in plaats van twee, zooals de afspraak was, om bij het roeien behulpzaam te zijn. Ook stond hij onzen avonturiers tien manden met tabak en eenige stukken sits en katoen voor een luttele som gelds af. Hij had die tabak en die katoentjes medegenomen om ze tegen andere waren in te ruilen, maar het was hem niet gelukt daarvoor den gewilden prijs te erlangen.Men drukte elkander na die beschikkingen hartelijk de hand, de tros werd losgegooid, die het vlot nog bij de monding van het kanaal onbeweeglijk hield en onder den drang van den machtigen stroom stelde het gevaarte zich in beweging. Onze avonturiers bestegen hunne prauw, plantten daarop fier een der Nederlandsche vlaggen, die vroolijk in den wind wapperde, wierpen het vlot nog een luidruchtig hoera toe, sloegen de pagaaien in het water en waren weldra door een der menigvuldige bochten der rivier aan de oogen van de vrienden, wier bedrijvigheid zij gedurende twee maal vierentwintig uren gedeeld hadden, onttrokken.Johannes hield thans zijn makkers voor, dat, nu hun spoor bekend was geworden, vlugheid hen alleen redden kon. Aan een toevallige omstandigheid hadden zij thans hun redding te danken; een dergelijke zou zich niet ten tweeden male voordoen. Hij berekende, dat zij nu zoo wat een voorsprong van een vijftal dagen zouden hebben;[277]in dien tijd zouden zij met wat inspanning een aanmerkelijken afstand kunnen afleggen en wellicht buiten het bereik der Nederlanders zijn. Er werd nu besloten, dat men met den meesten ijver dag en nacht zoude doorroeien. Over dag zouden allen de pagaai hanteeren en des nachts zouden steeds zes in de weer zijn, waarvan telkens twee om de vier uren door anderen zouden vervangen worden, opdat allen de noodige rust genieten en de krachten gespaard blijven zouden.Het was daarenboven een flink vaartuig, dat de Chinees BabaPoetjiengaan de deserteurs geleverd had. Rank en scherp gebouwd lag het als een zeevogel op het water en kliefde gemakkelijk en met bevalligheid en snelheid de oppervlakte. Er waren weinig vaartuigen in de Dajaklanden, die in vlugheid ook maar daarmee gelijkgesteld konden worden.„Dat’s alweer achter den rug!” begon La Cueille, toen zij tegen het middaguur wat rust namen, ook om het maal te bereiden, „de gebeurtenissen volgen elkander wel spoedig op. Voorgisteren die dans te kotta Towanan en nu verleden nacht andermaal. ’t Is alsof, nuwijop reis zijn, alle koppensnellers van geheel Borneo op het pad zijn.”„Loop heen,” antwoordde hem Johannes, „we hebben in den afgeloopen nacht met hetzelfde troepje te doen gehad als te kotta Towanan. Denk je, dat we na ons vertrek van daar een oogenblik onbespied zijn gebleven? Neen, ze hebben steeds rond ons gewaard; daar kunt ge zeker van zijn. En het oogenblik van aanval was niet slecht gekozen. Zij hebben ons den geheelen dag met dat vlot zien sjouwen, daarna die was- en honinginzameling, die onzen geheelen voornacht in beslag nam. Zij rekenden op onze uitputting en meenden ons in diepen slaap gedompeld aan te treffen.”[278]„Maar waarom dan dat gegil, toen ze op het vlot sprongen?” vroeg Schlickeisen.„Dat is Dajaksche gewoonte, die onbedwingbaar is. Maar toch heeft dat gillen zijn nuttige zijde voor den aanvaller. In ons geval, nu we op de been waren, was het vrij overbodig; maar bij mindere waakzaamheid heeft het alle kansen voor zich, den overvallene te ontstellen, in verwarring te brengen en radeloos van angst te maken. Verbeeldt je, dat we uit onzen eersten slaap met dien kreet gewekt waren geworden.”„Dat had er gek genoeg uitgezien. ’t Kwam me nu al hachelijk genoeg voor,” bekende de Waal gulweg. „Toen die kerels zoo schreeuwende en tierende in het donker rondsprongen, kwam me ons getal tegenover hen al zeer klein voor. Maar wie heeft die list uitgedacht, om hen in dien nauwen doorgang te lokken en waar kwam eensklaps dat licht van daan? Het had veel van een wonder!”„Nu, dan mag je aan Bapa Andong wel een schietgebedje brengen,” antwoordde Johannes, „hij had reeds over dag een hoeveelheid hars heel fijn gestampt, die op een roosterwerk van gespleten rottan boven een laag aardolie op een bord, uitgespreid en daarmede in aanraking gebracht. Een vlammetje was voldoende om een helder licht te ontsteken en dat vlammetje had ik hem bezorgd, door hem een doosje lucifers in de hand te stoppen.”„Ik dacht eerst dat er brand ontstond. ’t Was een prachtig licht; we hadden een helder gezicht op die halve duivels, terwijl we achter dien hoek in het donker staande, bijna onzichtbaar waren. Ieder schot was dan ook raak.”„Ja, er zijn al weer menschenlevens genoeg opgeofferd,” zuchtte Wienersdorf; „’t is een vreeselijke tocht. Wanneer en hoe zal die eindigen?”[279]„Daarover hebben we ons thans minder te bekommeren. We zitten in het schuitje en moeten meevaren,” sprak Johannes ernstig. „Vooral mag ons geen kleinmoedigheid bevangen. Onze leus moet blijven: pas op je kop. Hij, die dien kop te nabij komt, moge de gevolgen daarvan ondervinden. We bevinden ons in de noodzakelijkheid van tegenweer.”„Maar die noodzakelijkheid heeft toch schrikkelijke gevolgen.”Schlickeisen beijverde zich aan het gesprek een wending te geven.„Wat een fraai meer,” zeide hij met een soort van bewondering, „was dat, waarin we het vlot brachten. De eerste aanblik was voor mij betooverend. Die gladde wateroppervlakte zonder eenigen rimpel, die als een spiegel hare geheele omgeving en den hemel daarboven zoo blauw en zoo rein weerkaatste; die bochten en inhammen, die zich onder het donkere loof van het maagdelijk woud schenen te verliezen; die kapen en landtongen, die als het verlangen te kennen gaven zich in het kristallijnen vocht te willen ontmoeten en te omhelzen; en niet het minst de wildernis, welke dien spiegel omlijstte met hare grillige struiken en fantastische klimop- en slingerplanten, met hare woudreuzen, die hoog in de lucht hun glinsterend en donker loover scherp tegen het azuurblauw afteekenden en waartusschen de orchideeën met hare wonderlijke bloemen en haar fraai en soms zoo fijn gevormd groen een betooverende versiering aanbrachten; dat alles leverde zulk een verrukkelijk geheel op, dat ik een oogenblik verrukt bleef staren.”Wienersdorf, die eerst met het hoofd op de borst, als in nadenken verzonken, gezeten had, werd langzamerhand bij die ontboezeming geboeid. Hij hief zachtkens[280]het hoofd op, wendde den blik naar den spreker en hoorde hem aandachtig aan. Zijne mismoedige gedachten scheen hij te laten varen of beter zij schenen van vorm te veranderen en op zijn gelaat was de weerkaatsing te lezen van de woorden zijns makkers.„O ja! ’t was fraai, dat meer,” hernam hij, toen gene zweeg. „Vooral fraai in zijn eenzaamheid en verlatenheid. Het blonk en schitterde daar onder de stralen der keerkringszon als een diamant pas ontsnapt aan de hand des Scheppers, als een parel nog onbezoedeld, nog onbeduimeld door ’s menschen hand.”„Ha! ha! ha!!” schreeuwde Johannes het uit.„Lach je daarmede?” vroeg Wienersdorf eenigszins verstoord.„Ga voort, ga voort!” zei de Sienjo, terwijl hij bleef voortlachen; „laten zich uwe dichterzielen niet aan mij, prozamensch, storen. Zoo iets is wel eens aardig om te hooren.”„Ik was opgetogen,” ging Wienersdorf voort, „daar aan die boorden geen fabriekswalm te bespeuren, geen stoombooten de gladde oppervlakte te zien verbreken, het schril gefluit van spoortreinen de kalme en heilige rust der oevers niet te hooren storen, geen menschelijk gewemel waar te nemen, dat slechts woeker en winstbejag beoogt. Men gevoelde zich daar alleen, alleen onder het oog van God.”„Verd.… mooi! ’k wou dat ik het gezegd had,” viel Johannes hem scherp in de rede. „O! wat is soms het menschenoog blind, vooral wanneer het zich in dichterlijke heerlijkheden baadt. Of beter, wat ziet zoo’n dichtersoog de zaken anders dan zij zijn! ’t Is waar, we hebben bij dat meer noch den rook van fabrieksschoorsteenen gezien, noch het gefluit van voortijlende locomotieven of stoombooten gehoord; geen[281]nijvere fabrikanten verdrongen er zich met steeds rustelooze handelaren; en dat is zeer te betreuren in stede van aanleiding tot opgetogenheid te geven. We hebben op die boorden heel wat anders gezien. Geen fabriekswalm, maar den blauwen, spiraalvormigen rook van het houtvuurtje, waarboven de sluipmoordenaar in het dichte bosch de buitgemaakte menschenhoofden zat te roosteren om ze van de vleeschdeelen te ontdoen. Geen stoomgefluit gehoord, neen, maar den oorlogskreet der onverlaten, die den vermoeide in zijn slaap verrassen, den oorlogskreet die snerpend en schril door merg en beenderen dringt, als doodsbedreiging waaraan de bedreigde niet vermag te ontkomen dan door zelf te dooden. En ge waagt het dat meer een diamant te noemen, pas ontsprongen aan de hand des Scheppers, een parel nog onbezoedeld door ’s menschen hand! ge zegt, u daar alleen, alleen met God gevoeld te hebben! Veel eer die ge het Opperwezen betuigt! Maar wat waren de kajau’s dan die met opgeheven zwaard op ons indrongen? Wat waren de Dajaks, die ons op het vlot omringden? Waren dat geen menschen? Alleen, alleen met God! Neen, we zijn er wel degelijk met de menschen in aanraking gekomen, zelfs met menschen van het allergeringste gehalte. Met menschen, eensdeels slechts behebt met den dierlijken lust tot moorden, alleen om te moorden, voor wie het hooren van angstgegil en doodgerochel de grootste streeling, het verhevenste genot daarstelt; anderdeels met menschen, voor wie het najagen van zingenot de eenige prikkel in het leven is, de eenige zweepslag, die ten arbeid voert.”„O! houd op, niet verder,” stoof Wienersdorf niet zonder verontwaardiging op. „Voor de koppensnellers is geen verdediging in te brengen; die laat ik onder de volle zwaarte van je verontwaardiging. Maar de[282]andere Dajaks, wier bedrijvigheid, wier tobben en zwoegen we van nabij, al was het ook maar kortstondig, hebben kunnen gadeslaan; die menschen, die zich dat leven in de wildernis maanden lang getroosten, om het woud zijn schatten te ontvoeren, die wensch ik te verdedigen, die stel ik oneindig hooger dan gij dat schijnt te doen; en het is voor hen dat ik met nadruk opkom, wanneer ik hen hoor afschilderen als wezens, alleen gedreven door het najagen van zingenot. Ik noem hun zwoegen en tobben, hunne bedrijvigheid de handelswereld in haar kiem. Het moge waar zijn, dat zingenot voor hen een groote prikkel is; maar dat valt van iederen handelaar, van iederen nijverheidsman, ja van ieder menschelijk wezen der westersche maatschappij te zeggen.”„Wel zeker; maar dan het woord zingenot in zijn meer edele beteekenis,” viel hier Schlickeisen zijn landgenoot in de rede. „Iedere poging van den mensch om zijn maatschappelijke positie te verbeteren, iedere zucht tot veredeling van smaak, de zorgen voor het welzijn en de toekomst van vrouw en kinderen, verschaffen zingenot. Maar van die soort is hier geen sprake; hier wordt slechts bedoeld zingenot van het meest dierlijke gehalte. Laat je eens vertellen door Johannes, die reeds vele jaren op dit eiland doorbracht, wat er met dat vlot van Bapa Andong zal gebeuren.”Wienersdorf keek vragend op.„O!” beantwoordde Johannes dien blik, „dat zal gauw verteld zijn. Luister. Na een inspanning van nog vele weken zal hij dat vlot, waarop de schatten, ontvoerd uit de vele meren en soengei’s, opgestapeld liggen, te Bandjermasin aangebracht hebben. Eerst worden de rottan, de hars, de getah pertjah, de was, de vogelnestjes enz. verkocht of eigenlijk in den roes van het[283]oogenblik op een liederlijke wijze verkwanseld. Daarna volgt de hut op het vlot, die steeds van flinke materialen vervaardigd is, vervolgens de vloer en eindelijk de boomstammen, waarop het geheel dreef. Alles, alles wordt te gelde gemaakt. Maar van het eerste oogenblik van aankomst op die hoofdplaats af is een leven van dronkenschap en ongebondenheid begonnen, dat voortgezet zal worden, zoolang een gulden in den zak zal rammelen. Wanneer nu Bapa Andong na maanden lange afwezigheid bij vrouw en kinderen terugkomt, brengt hij niets mee tot verbetering van hun schamel lot, of het zou moeten zijn voor ieder een stel eenvoudige kleedingstukken, welker aanschaffing hem door de noodzakelijkheid geboden wordt; maar het is nog lang niet zeker, dat hij daaraan zal voldoen. Het zal al uiterst gelukkig uitkomen, als hij zonder schulden wederkeert, ook wanneer hij het geheele aantal pandelingen, waarmede hij ten arbeid toog, thuis zal brengen. In den regel worden daarvan bij zulke gelegenheden verscheidene verkocht. Hij zal dan aan den arbeid gaan om zijn rijstveld te bebouwen, anders heeft hij met de zijnen niet te eten, en wanneer het seizoen weer daar zal zijn om boschproducten te gaan zamelen, zal hij weer uittrekken, vrouw en kinderen in schamelen toestand achterlatende.”„Als dat zoo is, dan is Bapa Andong een slechte kerel; maar ik kan niet gelooven, dat het meerendeel der Dajaksche bevolking zoo zal handelen.”„Op de schets die ik gaf, maken zeer weinigen uitzondering. Er zijn zeer weinig welgestelde Dajaks en bij den rijkdom hunner bosschen mag dat wel als bewijs voor mijn beweren gelden. Zie hunne woningen, die de ellendigste en afzichtelijkste krotten der wereld zijn; zie hunne kleeding, die, als de Dajak gekleed is, uit[284]akelige, vuile en smerige vodden bestaat, nog meerendeels uit boombast geklopt2, ter nauwernood aan de oorspronkelijke dierenhuid gelijk. Ge zult dat in de bovenlanden nog beter kunnen opmerken.”„’t Is wel treurig, wat je me daar vertelt,” hernam Wienersdorf eenigszins bitter, „de mensch is een vloek voor dit mooie land.”„Neen, het land is een vloek voor den mensch,” hervatte Schlickeisen met vuur, „het land is te rijk, het verspilt zijn schatten zonder den mensch tot gezetten arbeid te noodzaken. Deze heeft zich maar te bukken om ze op te rapen; dat maakt hem lui en de luiheid is de grondslag van veel kwaad.”Ja, daar was de vinger gelegd op de wond, op de open wond, die aan het levensbestaan van de menschelijke wezens op het schoonste, het rijkste en het uitgebreidste eiland van de Nederlandsche bezittingen, dien smaragdengordel om den evenaar, knaagt. Gedurende de lange jaren, dat de Hollanders aanspraak op het bezit van het eiland Borneo maken en alles in het werk stellen om wangunstig andere natiën daarvan verwijderd te houden, hebben zij niets, hoegenaamd niets gedaan om het volk tot arbeidzaamheid op te wekken. Integendeel, soms kunnen zij den schijn niet ontgaan, zich van de volksondeugden bediend te hebben om voor de lieve kas munt te slaan.Wienersdorf zat een oogenblik met het hoofd in de hand en scheen na te denken over hetgeen hij gehoord had. Eindelijk hernam hij tegen Johannes:„Je zei daar straks dat het nog vele weken zou[285]duren alvorens dat vlot te Bandjermasin zou aankomen. Dat is toch overdreven, niet waar?”„Overdreven! waarachtig niet. De opvarenden van zoo’n vlot roeien zelden, of het gevaarte moet in een tegenstroom of in een draaikolk geraakt zijn. Soms ook wel, wanneer het gevaar dreigt om tegen den wal geworpen te worden. Wanneer dat vlot nu een weinig verder de Kapoeas afgezakt zal zijn, dan is het in de streken aangekomen, waar zich de invloed van het rijzen en dalen der zee doet gevoelen. „Tijd is geen geld”, bij den Dajak; bij het doorkomen van den vloed meert hij zijn lanting aan den wal vast en wacht dood kalm de invallende eb af om de reis te vervolgen. Ga nu in gedachten eens na, welke afstanden af te leggen zijn: eerst de Kapoeas af tot aan hare uitwatering, dan de Batang Moeroeng op tot aan Moeara Poelau, dan weer de Barito af tot aan Schans van Thuyll en eindelijk de Martapoerarivier op tot aan de hoofdplaats; en bedenk daarbij dat dagelijks slechts weinige kilometers gedurende het ebben van het water afgelegd worden, dan zal je ’t kunnen begrijpen, dat verscheidene weken met zoo’n reis gemoeid zijn.”„Maar,” was de schijnbaar niet ongegronde opmerking van La Cueille, „we hebben dat vlot toch met de spil tegen den stroom zien ophalen; we hebben daaraan dapper meegedaan. Onze Dajaks zullen dat toch ook wel doen, wanneer ze in den vloed komen.”„Het mocht wat,” was het antwoord van Johannes. „Toen zij dat vlot van soengei Moeroi naar Danau Ampang brachten, konden ze niet anders; er loopt daar geen vloedstroom. Hadden ze anders kunnen handelen, wees dan verzekerd, dat ze zich de moeite wel gespaard zouden hebben, al was er nog zoo veel tijd mee gemoeid geweest.”[286]„Dat alles begrijp ik nu,” hernam Wienersdorf, „ik heb echter op een ander punt weer inlichting noodig. Je hadt het zoo even over de vele meren en soengei’s, waaruit Bapa Andong zijnboschproductenzou gehaald hebben. Soengei’s zijn er legio, dat weet ik, maar meren? Zijn er dan nog meer, behalve dit Danau Ampang? Dit is al een merkwaardigheid in een bodem van alluviale vorming, zooals de zone is, waarin we ons thans bevinden; bestaan er meerdere dan is de merkwaardigheid des te grooter.”„Ik kan je daaromtrent volkomen inlichten,” was het antwoord van Johannes. „We bevinden ons juist te midden van den meergordel. We zijn er reeds een half dozijn gepasseerd, waarvan de voornaamste zijn: Danau Telaga, Danau Telok Katjang, welke laatste oneindig veel grooter in oppervlakte dan Danau Ampang, dat wij bezocht hebben. Dwars van ons, maar op den oostelijken kant der rivier, ligt Danau Lihon en verder zullen we nog wel een half dozijn passeeren, waarvan Danau Sapoipondong en Danau Lawang de voornaamste zijn. Ik noemde dit den merengordel, omdat in de nevengelegen stroomen Doesson en Kahajan, die met de Kapoeas evenwijdig van noord naar zuid vloeien, op dezelfde breedten ook aan weerszijden een groot aantal meren gevonden wordt.”„Maar waaraan zou de vorming van die meren in dat lage terrein toe te schrijven zijn?”„Zoo je eenige reizen in deze streken gemaakt hadt, zou je die vorming niet vreemd voorkomen. Zij hangt geheel te samen met het aanwezen van de geheele alluviale streek, die de zuidkust daarstelt en nog in volle vorming verkeert. We zijn thans in het hoogwaterseizoen, zoodat de oevertaluds niet zichtbaar zijn; anders zou je al gemerkt hebben, dat de rivier niet altijd[287]gestroomd heeft, waar thans hare bedding is. Zij zal ook niet altijd blijven stroomen, waar zij dat nu doet. Betrekkelijk geringe tijdruimten zijn er noodig om daarin aanmerkelijke wijzigingen te brengen; en iemand, die hier vroeger geweest is en deze streken daarna in een tiental jaren niet bezocht heeft, zou zich op sommige gedeelten der rivieren in dezen gordel niet herkennen. Zooals je ziet, vormt de rivier tallooze kronkelingen; soms keert zij op hare schreden terug en stroomt dan een wijl van zuid naar noord. Er zijn punten, waar de oevers van beide stroomgedeelten zoo dicht bij elkander komen, dat een persoon, op den eenen oever geplaatst, met iemand op denzelfden oever, maar in een andere bocht, zonder inspanning een gesprek zou kunnen voeren. Was onze prauw zoo laag van boord niet, of was het terrein zoo begroeid niet, dan zouden we dikwijls gedeelten van de rivier zien, waar we uren geleden geweest zijn of waar we eerst na een aanmerkelijk tijdsverloop komen zullen. Wat is het gevolg van die vele kronkelingen? In de bochten, en dat is genoegzaam zichtbaar, wordt de bodem langzaam maar gestadig uitgehold en ondermijnd; de oevers van twee zulke nabijgelegen bochten naderen elkander gedurig. De landengte, die zulk een schiereiland aan den vasten wal verbindt, wordt gedurig smaller en smaller en eindelijk breekt zij door. Eerst vormt dat een smal kanaal, hetwelk soms aanmerkelijke gedeelten van de rivier afsnijdt en de vaart, als men er goed mede bekend is, aanmerkelijk bekort. Dat kanaal heet dan: antassan. Maar die antassan wordt met elken watervloed breeder en eindelijk spoedt de geheele watermassa der rivier zich als langs den kortsten weg door dat nieuw gevormde bed. De beide mondingen van de oude bedding verzanden langzamerhand, het hierdoor afgesneden gedeelte,[288]dat nu een minder of meer aanmerkelijken plas vormt, kan den toevoer van water, dat het van grootere of kleinere soengei’s ontvangt, niet genoegzaam loozen; de oevers worden langzamerhand overstroomd, het terrein rondom wordt moerassig en de vorming van het meer heeft een aanvang genomen. Allengskens worden de rivierbedding en ook hare oeverkanten door bezinking van modder en zand, maar voornamelijk van plantendetritus opgehoogd, waardoor een dam tusschen het meer en de rivier ontstaat. Maar bij iederen westmoesson hebben herhaaldelijk overstroomingen plaats, waardoor telkens een groote watermassa zich in de Danau uitstort en dit al grooter en grooter maakt. Bij terugkeer van de rivieroppervlakte tot haar peil, keert ook een gedeelte van het meerwater naar de rivierbedding terug, waardoor dan door het laagste gedeelte van den dam een kanaal gevormd wordt, dat het meer voortdurend met den stroom in gemeenschap stelt. Zietdaar, wat ik meen opgemerkt te hebben en hoe ik mijzelven het ontstaan van dat groot aantal meren verklaard heb.”„Bravo!” riep Wienersdorf in de handen klappende, „bravo! voor die uitlegging. ’k Geloof niet dat er een betere te geven is. Maar die meren moeten zeer vischrijk zijn?”„Dat zijn ze ook. ’t Is verbazend hoe het daar van visschen krioelt. Groote en kleine, visschen die een lengte bereiken van 1 tot 2 M., zooals de dahoeman, een soort van paling, de behoe of gaboes, zooals hij op Java geheeten wordt, de djampol, een geelwitte visch, die bijzonder lekker is, de kaloi, een witvisch, enz. enz., te veel om allen op te noemen. Die visschenwereld heeft echter een geduchten vijand in den kaaiman, die er groote verwoestingen onder aanricht. Zoo’n meer is dan ook het luilekkerland voor die monsters, die er[289]welig tieren. De Dajaks verzekeren ook, dat een soort van hippopotamus of rivierpaard in die meren te huis behoort. Ik heb er nooit een gezien en van al de inboorlingen, wien ik er naar vroeg, konden maar zeer weinige bevestigen, zoo’n monster ooit onder de oogen gehad te hebben. Zooveel is zeker, dat zij er een naam voor hebben in hunne taal. Dat dier heet bij hen „kadjamiena” en wordt voor een bovennatuurlijk en uiterst boosaardig wezen gehouden.”„Die Sienjo is toch nog zoo dom niet, als hem zijn hoofddoek wel tooit,” dacht La Cueille bij zich zelven.Middelerwijl was het middagmaal verorberd en het uurtje van rust verstreken. Met hernieuwde krachten nam men de pagaaien ter hand en werd de reis hervat.[290]
„Ik ben er nog niet overtuigd van,” sprak La Cueille, „dat we goed gedaan hebben dien vent te laten ontsnappen.”
Die volzin bij het aanbreken van den dag geuit, was eigenlijk de voortzetting van het gesprek, dat na de ontvluchting van den koppensneller met de meest mogelijke variatiën had plaats gehad.
„Morte la bête, mort le venin,” was de meening van den Waal, die hij dan ook overeenkomstig zijn aard zoo energiek mogelijk mededeelde. Als Sjech zou hij die spreuk wel in het Arabisch weergegeven hebben, ware hij die taal maar machtig geweest.
Maar Dalim suste hem en verklaarde, dat zij van dien kajau geen leed meer zouden ondervinden. Het zou zelfs niet onmogelijk zijn, dat zij nu of dan van zijn stam wiens opperhoofd Harimaoung Boekit bleek te zijn veel hulp zouden erlangen. Bij al de gebreken en ondeugden, die het karakter van den bovenlander ontsieren,—verzekerde hij zoo goed hem mogelijk was—is de dankbaarheid,[267]al heeft hij er zelfs geen naam voor in zijn taal, de grondslag van het karakter van den Dajak. Hij had er bij kunnen voegen, dat het ook het kenmerkend karakter is van de geheele inlandsche bevolking van het schoone Insulinde. Zeven achtste van de Nederlanders in Nederland miskennen dat karakter en leggen gebeurtenissen, die den dampkring wel eens met brandlucht vervulden of hem met een lauwen bloedreuk doortrokken, volgens hunne opvattingen uit. Spoort evenwel de onpartijdige geschiedvorscher de oorzaken dier beroeringen op, dan vindt hij, dat onverdraaglijke heerschzucht, inhaligheid en schraapzucht, maar niet het minst oneerlijkheid en kwade trouw, zoo eigen aan het blanke ras, den onderdrukten en uitgezogen natuurgenoot de brandfakkel en het staal in de vuist wrongen.
Toen het dag was, telden de opvarenden van het vlot dertien lijken, die onder het vuur der Europeanen waren gevallen, ongerekend het lijk van hem, die door Schlickeisen met de bajonet doorstoken was. De wapenen en maliënkolders der gesneuvelden vielen den overwinnaars ten buit en onder den onverbiddelijken drang der noodzakelijkheid werden de veertien lijken in den koelen schoot van het meer neergelaten.
„Een offer aan Djata,” grinnikte Dalim.
Och! dat de blanke overweldigers gedurende de vele jaren, dat zij hun schepter loodzwaar op de schouders van de bewoners dier schoone gewesten deden neerkomen, toch aan de eischen der beschaving, die zij zoo huichelachtig in hunne banier voeren, hadden voldaan, dan waren thans gruwelen als het koppensnellen geheel onmogelijk. Dat waren de gedachten, die den beiden Zwitsers bij die plechtigheid door het brein voeren.
Ter nauwernood was men met die begrafenis klaar en had men elkander geluk gewenscht, dat hunnerzijds[268]geene verliezen te betreuren waren, of de algemeene aandacht werd gewekt door een drietal prauwen, die zich vertoonden aan den ingang van het verbindingskanaal van het meer met de rivier. De schrik sloeg den Europeanen en ook Dalim met zijn overgebleven tochtgenoot om het hart, toen zij van den achtersteven van de twee eerste prauwen de Nederlandsche vlag zagen waaien. O! het was duidelijk voor onze vluchtelingen; men was hen eindelijk op het spoor en in hunne oogen was alles wat zij tot nu ondervonden hadden slechts kinderspel bij hetgeen hen nu te wachten stond. Ademloos en sprakeloos verbeidden zij wat nu verder gebeuren zou.
Bapa Andong, onbewust, en ook niet kunnende raden, wat in het gemoed zijner medeopvarenden omging, zag in de naderende prauwen, wel verre van een gevaar, daarentegen een zekere hulp, als de Poenans zich misschien weer mochten vertoonen. Met zijn zoon en zijne pandelingen stiet hij dan ook tot drie malen toe een doordringend geroep uit:
„Gagoeloeng, kantoh ikau! Oūi!!” (Spoedig komt hier ohé!)
Wat was er gebeurd, dat die prauwen in dezen stond op het meer bracht? De lezers hebben zeker geraden, dat Damboeng Papoendeh, dien zij van Kwala Kapoeas hebben zien vertrekken, op het tooneel verscheen. Met den ijver, die hem bezielde, was dit jeugdige hoofd, zonder verpoozing doorroeiende, naar soengei Mantangei gestevend. Daar had hij op de plaats der gebeurtenissen zelve het verhaal van den strijd met de slang en het daaropgevolgde vuurgevecht met de mannelijke bevolking andermaal aangehoord en de vernieuwde verzekering bekomen, dat de bedoelde personen de Mantangei opgestevend waren, om de Doesson te bereiken. Hoewel[269]hij daaraan weinig geloof sloeg, waren de berichten toch zoo stellig, dat hij ze niet in den wind mocht slaan. Hij besloot dan ook die soengei op te varen. Somwijlen schudde hij ongeloovig het hoofd en was hij niet ongenegen den terugtocht naar de Kapoeas te bevelen, maar dan werd weer in een doorgekapten tak of een opgeruimden struik een spoor herkend, dat nogkort geledeneen prauw zich door dat weinig bezochte vaarwater baan gebroken had. Eindelijk, na een geheelen dag de Mantangei opgevaren te zijn, kwam hij aan een kleinen kampong aan, Takisan geheeten, waar hij niet verder kon, omdat die kampong „maroetas” was.
Maroetas beteekent: onrein. Een huis, een dorp, een landstreek kunnen tengevolge van verscheidene oorzaken voor onrein verklaard worden. Bij voorbeeld ten gevolge van sterfgevallen, ook van besmettelijke ziekten en van gepleegde bloedschande. Wanneer een huis maroetas is, wordt het eenvoudig gesloten en de trap weggenomen. Niemand der bewoners mag daar buiten treden of bezoek ontvangen. Is een dorp of een landstreek verontreinigd, dan worden de toegangen versperd en het is op verbeurte van het leven verboden, die versperringen te overschrijden.
Zoo vond Damboeng Papoendeh de soengei Mantangei, als toegang tot den bedoelden kampong, versperd door een dubbelen zwaren rottankabel, welks uiteinden aan den wal door gewapende mannen bewaakt werden. Hij begreep, dat hier geen geweld te gebruiken was; al zoude hij daartoe hebben willen overgaan, dan zouden zijne tochtgenooten zich tegen dat vergrijp ten opzichte hunner godsdienstige instellingen verzet hebben. Van de wachthebbenden bij den kabel vernam hij bovendien, dat het maroetas reeds sedert zeven dagen duurde, dat den volgenden dag de gewone offeranden aan de[270]Sangiangs1zouden gebracht en het gebruikelijke feestmaal zou gehouden worden; waarna de afsluiting opgeheven zoude zijn. In volle zeven dagen tijds was hier dus geen prauw kunnen passeeren; dat was duidelijk. Hij was dus op een valsch spoor en zijn eerste opvatting was de juiste geweest. Lang bedacht hij zich niet; de prauwen werden gewend en de terugtocht met pijlsnelle vaart aangenomen. Het was zaak den verloren tijd in te halen. Het was stikdonker toen men den kampong Mantangei voorbij voer; maar met allen spoed en onverdroten werd dag en nacht doorgeroeid en zoo bevonden zich de vervolgers in den bewusten nacht ter hoogte van Danau Ampang, zonder evenwel te bevroeden, dat zij toen de vluchtelingen zoo nabij waren.
Het woei dien nacht stormachtig uit het noordwesten, hetgeen de vaart niet weinig bemoeielijkte en bij de hevige vlagen somwijlen gevaarlijk maakte. Eindelijk zelf uitgeput, gaf Damboeng Papoendeh aan de beden van zijn volk toe, om het overige gedeelte van den nacht in een kreek aan den wal gemeerd door te brengen. Wel deed hij dat noode, want hij had zich in het hoofd gesteld met ijlende vaart kotta Baroe te bereiken, daar berichten in te winnen en zou het hem dan misschien gelukken, wat hij hoopte, namelijk de avonturiers voorbij te stevenen, hen daar in te wachten en met behulp der bevolking gevangen te nemen. Dat plan was hoogst eenvoudig en zoude door zijn eenvoudigheid alle kans van slagen gehad hebben, ware er niet een voorval tusschenbeide gekomen, dat het geheele plan in duigen wierp.[271]
Het kon naar gissing van de wachthebbenden drie uur na middernacht zijn, toen plotseling in westelijke richting, evenwel zeer nabij, een doordringend: lēēēh lèlèlè ouiiit! gevolgd door een hevig geweervuur, vernomen werd. Dat gaf licht in de duisternis, want Damboeng begreep, dat zij, die hij vervolgde, in zijne nabijheid en slaags waren, hetzij met kampongbewoners, zooals dat te soengei Mantangei gebeurd was, hetzij met koppensnellers, die in deze buurt eerder te verwachten waren.
In gespannen ongeduld ging de nacht voorbij en toen de dag aangebroken was, ontwaarde hij in zijn nabijheid de monding van het kanaal, dat naar het meer voert. Hij had nu de overtuiging, dat het drama, dien nacht afgespeeld, daar had plaats gegrepen. Hij aarzelde dan ook geen oogenblik, om aan het meer een bezoek te brengen. Hij deed zijn makkers hunne wapens in gereedheid brengen en stevende weldra derwaarts.
In het kanaal werd niets opmerkenswaardigs of verdachts waargenomen. Maar bij het uitkomen in het meer zag men in de verte aan den oostelijken oever een groot vlot liggen, dat met rottanbossen overdekt was en waarvan de opvarenden de aankomenden toeriepen bij hen te komen. Die kreet van: „gagoeloeng, kantoh ikau!” was goed waarneembaar.
Damboeng liet nu een prauw achter ter bewaking van de kanaalmonding, met bepaalden last niemand het meer te doen verlaten en stevende met de twee andere prauwen langs den westelijken oever van de danau, om die in alle bochten en kreken te onderzoeken en zoo langs den noordelijken oever bij het vlot op den oostelijken oever te geraken.
Bapa Andong, die het gevaarlijke van die manoeuvre voor de aankomenden inzag, wilde de prauwen andermaal[272]toeroepen, maar Dalim lag de hand gebiedend op den mond, fluisterde hem iets in het oor en liet hem tegelijkertijd de punt van een „badek” (kleine dolk) tusschen de korte ribben voelen. Verschrikt keek de Dajak zijn landgenoot aan en zag toen Dalim’s metgezellen met het geweer of den ontblooten mandauw in de hand, hem met hoogst ernstige gezichten omringen, terwijl zijn eigene makkers op dat kleine tooneel, dat trouwens slechts weinige seconden duurde, geen acht gaven. Hij begreep van dat alles niets, dan alleen dat hij voor het oogenblik den mond moest houden.
De beide prauwen daar ginds hielden nog steeds den westelijken oever. Plotseling verhief zich uit die beide vaartuigen een geweldig gegil. Men kon de opvarenden gedurende een oogenblik met de armen heftig zien zwaaien; enkele hunner sprongen in het water en trachtten zich al zwemmende met den meesten spoed van de prauwen te verwijderen, terwijl zij herhaalde malen onderdoken. De kreet: „badjanji! badjanji!!” (de bijen, de bijen) weerklonk door de lucht.
En werkelijk het was een woedende aanval van de bijen, wier nesten den vorigen nacht zoo onmeedoogend waren geroofd. Des nachts waren zij, door den rook verstikt en door den hevigen wind weggevoerd, ter aarde gevallen, maar bij het aanbreken van den dag hadden zij hunne nesten opgezocht en daar de gepleegde verwoesting aanschouwd. Nog dagen na zulk een was- en honiginzameling is het uiterst gevaarlijk detanggirangste naderen, waaraan de nesten eenmaal hingen. Damboeng Papoendeh en zijne makkers deden daarvan de wreede ondervinding op. Argeloos waren zij de plek genaderd, toen plotseling, en vóór dat er iets tegen te doen was, wolken van bijen nederdaalden en zich met de grootste verwoedheid op de opvarenden dier[273]prauwen wierpen, iedere wondbare plek huns lichaams overdekten en daar hun giftigen angel in het vleesch boorden.
De Europeanen op het vlot keken sprakeloos toe en hadden door den afstand in den beginne weinig begrip van wat er gebeurde; maar toen zij Dalim zagen springen van de pret, toen zij hem hoorden grinniken en vernamen met welke vijanden hunne vervolgers te doen hadden, bekroop ook hen een zelfzuchtig dankbaar gevoel over die ontknooping, die een bloedige botsing voorkwam, welker uitslag onmogelijk te berekenen zou geweest zijn. Toen zij evenwel vernamen in welk levensgevaar die menschen verkeerden, werd hun hart met deernis vervuld en maakte een soort van schaamtegevoel zich van hen meester, dien doodstrijd zoo werkeloos te aanschouwen. De twee Zwitsers waren reeds in een djoekoeng gesprongen om die ongelukkigen, in wie zij geen vijanden maar wel lijdende natuurgenooten zagen, te hulp te ijlen. De Dajaks bezwoeren hen evenwel te blijven; zij zouden een nadering met den dood moeten bekoopen. En inderdaad, de woeste bijenzwermen, onvoldaan over de genomen wraak, begonnen nu, na hun aanval op de prauwen, zich over het meer te verspreiden en zich in hun verbittering op ieder levend wezen te werpen. Wienersdorf en Schlickeisen hadden weldra eenige pijnlijke steken op handen en aangezicht, die hen met een heftig „kreuzmillionensakrament!” aan boord van het vlot een toevlucht in de hut deden nemen en hen noodzaakten van een tehulpsnellen af te zien. Om op het vlot tegen verdere aanvallen beveiligd te zijn, waren de opvarenden verplicht vuren aan te leggen en zich in een dikken rook te hullen.
Aan boord van de twee geteisterde prauwen liet zich[274]geen geluid meer hooren. Die vaartuigen dreven, door den stroom medegevoerd, die uit het meer zette, zachtkens naar de monding van het kanaal en zoo buiten den kring der gevaarlijke boomen.
Toen Dalim en Bapa Andong konden berekenen, dat de woede der bijen eenigermate gestild was en zij naar de tanggirangs teruggezwermd waren, werd besloten die prauwen te naderen, om te zien wat er te doen viel. Johannes, Wienersdorf en nog een drietal pandelingen zouden hen daarbij vergezellen. Zij namen evenwel vuur en een overvloed van groene takken mede om steeds een dikken rook te kunnen verspreiden.
Het schouwspel, dat zich aan de oogen dier mannen voordeed, toen zij bij de prauwen gekomen waren, was allertreurigst. Vier der opvarenden lagen met den dood te worstelen en hadden hevige vlagen van ijlende koorts. Ook de anderen waren zoodanig toegetakeld en hunne aangezichten, handen en armen, in een woord, al de lichaamsdeelen, die aan de aanvallen der verwoede bijen hadden blootgestaan, waren dermate opgezwollen, dat zij niets menschelijks meer vertoonden. Geen enkele was in staat eenige beweging te doen en allen waren schier zinneloos van de hevige pijnen, door die tallooze vergiftigde angels veroorzaakt.
Om tegen een herhaling van de aanvallen der bijen beveiligd te zijn, werden de prauwen in het kanaal gebracht, en eenmaal daar aangekomen, beijverden zich voornamelijk de twee Europeanen hulp te verleenen. Zij gaven de lijders te drinken, bestreken hunne gezwollen gezichten en ledematen met klapperolie en met verdunde sirihkalk en troffen al die maatregelen welke hun toestand vorderde. Terwijl men hiermede bezig was, kwam de prauw, die ter bewaking van het kanaal door Damboeng Papoendeh was achtergelaten, en[275]die zich uit angst voor de bijen schuil had gehouden, naderbij. Na eenige woordenwisseling werden de opvarenden van die prauw, twaalf in getal, over de drie prauwen verdeeld, waarna de terugtocht aangenomen werd. Dalim stelde voor, die vaartuigen tot op de Kapoeas te vergezellen, om behulpzaam te kunnen zijn bij de vele kronkelingen, die het kanaal vormt. Toen men evenwel dien stroom bereikt had, waren de vier zieltogenden reeds overleden, en was de toestand van drie anderen, waaronder ook Damboeng Papoendeh, uiterst bedenkelijk geworden. Den roeiers werd dan ook op het hart gedrukt, onverpoosd door te roeien tot de kampong Pendek Katiempoen, waar voor de lijders ten minste eenige hulp te erlangen was.
Alvorens evenwel te scheiden, werden de gewonden, die allen in bewusteloozen toestand lagen, nogmaals door Wienersdorf verzorgd en plaatste die bovendien nog naast ieder hunner een klapperdop met drinkwater gevuld, om hun brandenden dorst te lesschen. Gedurende die verzorging nam Johannes de Nederlandsche vlaggen van de beide voornaamste prauwen in beslag. Hij beweerde die uitstekend te kunnen gebruiken, alsook de schriftelijke instructie, die aan Damboeng Papoendeh was uitgereikt en onder het slaapmatje van dat hoofd, in een bamboekoker besloten, opgeborgen lag. Zoowel die instructie als de beide vlaggen waren voorzien van het Nederlandsche wapen, dat vooral op de witte banen der vlaggen sierlijk afgedrukt stond.
De prauwen werden nu aan den stroomdraad overgelaten en verwijderden zich snel.
Het eerste wat nu na dat vertrek te doen viel, was het vlot, dat zijn geheele lading ontvangen had, uit het meer op de rivier te brengen. Het was toen zoo omstreeks 9 uur des voormiddags en men had dus een[276]goede karrewei voor den boeg. Met lust en ijver werd aan den arbeid getogen, met dat gevolg dat het zware gevaarte bij het vallen van den avond op de rivier lag. De dankbaarheid van Bapa Andong, zoowel voor de hulp bij de behandeling van zijn lanting, als bij het bezoek der koppensnellers ondervonden, was zoo levendig, dat hij, behalve een menigte zijner koopwaren als hars, rottang enz., die den reizigers op hun langen tocht zoo nuttig zouden kunnen zijn, vier zijner pandelingen afstond, in plaats van twee, zooals de afspraak was, om bij het roeien behulpzaam te zijn. Ook stond hij onzen avonturiers tien manden met tabak en eenige stukken sits en katoen voor een luttele som gelds af. Hij had die tabak en die katoentjes medegenomen om ze tegen andere waren in te ruilen, maar het was hem niet gelukt daarvoor den gewilden prijs te erlangen.
Men drukte elkander na die beschikkingen hartelijk de hand, de tros werd losgegooid, die het vlot nog bij de monding van het kanaal onbeweeglijk hield en onder den drang van den machtigen stroom stelde het gevaarte zich in beweging. Onze avonturiers bestegen hunne prauw, plantten daarop fier een der Nederlandsche vlaggen, die vroolijk in den wind wapperde, wierpen het vlot nog een luidruchtig hoera toe, sloegen de pagaaien in het water en waren weldra door een der menigvuldige bochten der rivier aan de oogen van de vrienden, wier bedrijvigheid zij gedurende twee maal vierentwintig uren gedeeld hadden, onttrokken.
Johannes hield thans zijn makkers voor, dat, nu hun spoor bekend was geworden, vlugheid hen alleen redden kon. Aan een toevallige omstandigheid hadden zij thans hun redding te danken; een dergelijke zou zich niet ten tweeden male voordoen. Hij berekende, dat zij nu zoo wat een voorsprong van een vijftal dagen zouden hebben;[277]in dien tijd zouden zij met wat inspanning een aanmerkelijken afstand kunnen afleggen en wellicht buiten het bereik der Nederlanders zijn. Er werd nu besloten, dat men met den meesten ijver dag en nacht zoude doorroeien. Over dag zouden allen de pagaai hanteeren en des nachts zouden steeds zes in de weer zijn, waarvan telkens twee om de vier uren door anderen zouden vervangen worden, opdat allen de noodige rust genieten en de krachten gespaard blijven zouden.
Het was daarenboven een flink vaartuig, dat de Chinees BabaPoetjiengaan de deserteurs geleverd had. Rank en scherp gebouwd lag het als een zeevogel op het water en kliefde gemakkelijk en met bevalligheid en snelheid de oppervlakte. Er waren weinig vaartuigen in de Dajaklanden, die in vlugheid ook maar daarmee gelijkgesteld konden worden.
„Dat’s alweer achter den rug!” begon La Cueille, toen zij tegen het middaguur wat rust namen, ook om het maal te bereiden, „de gebeurtenissen volgen elkander wel spoedig op. Voorgisteren die dans te kotta Towanan en nu verleden nacht andermaal. ’t Is alsof, nuwijop reis zijn, alle koppensnellers van geheel Borneo op het pad zijn.”
„Loop heen,” antwoordde hem Johannes, „we hebben in den afgeloopen nacht met hetzelfde troepje te doen gehad als te kotta Towanan. Denk je, dat we na ons vertrek van daar een oogenblik onbespied zijn gebleven? Neen, ze hebben steeds rond ons gewaard; daar kunt ge zeker van zijn. En het oogenblik van aanval was niet slecht gekozen. Zij hebben ons den geheelen dag met dat vlot zien sjouwen, daarna die was- en honinginzameling, die onzen geheelen voornacht in beslag nam. Zij rekenden op onze uitputting en meenden ons in diepen slaap gedompeld aan te treffen.”[278]
„Maar waarom dan dat gegil, toen ze op het vlot sprongen?” vroeg Schlickeisen.
„Dat is Dajaksche gewoonte, die onbedwingbaar is. Maar toch heeft dat gillen zijn nuttige zijde voor den aanvaller. In ons geval, nu we op de been waren, was het vrij overbodig; maar bij mindere waakzaamheid heeft het alle kansen voor zich, den overvallene te ontstellen, in verwarring te brengen en radeloos van angst te maken. Verbeeldt je, dat we uit onzen eersten slaap met dien kreet gewekt waren geworden.”
„Dat had er gek genoeg uitgezien. ’t Kwam me nu al hachelijk genoeg voor,” bekende de Waal gulweg. „Toen die kerels zoo schreeuwende en tierende in het donker rondsprongen, kwam me ons getal tegenover hen al zeer klein voor. Maar wie heeft die list uitgedacht, om hen in dien nauwen doorgang te lokken en waar kwam eensklaps dat licht van daan? Het had veel van een wonder!”
„Nu, dan mag je aan Bapa Andong wel een schietgebedje brengen,” antwoordde Johannes, „hij had reeds over dag een hoeveelheid hars heel fijn gestampt, die op een roosterwerk van gespleten rottan boven een laag aardolie op een bord, uitgespreid en daarmede in aanraking gebracht. Een vlammetje was voldoende om een helder licht te ontsteken en dat vlammetje had ik hem bezorgd, door hem een doosje lucifers in de hand te stoppen.”
„Ik dacht eerst dat er brand ontstond. ’t Was een prachtig licht; we hadden een helder gezicht op die halve duivels, terwijl we achter dien hoek in het donker staande, bijna onzichtbaar waren. Ieder schot was dan ook raak.”
„Ja, er zijn al weer menschenlevens genoeg opgeofferd,” zuchtte Wienersdorf; „’t is een vreeselijke tocht. Wanneer en hoe zal die eindigen?”[279]
„Daarover hebben we ons thans minder te bekommeren. We zitten in het schuitje en moeten meevaren,” sprak Johannes ernstig. „Vooral mag ons geen kleinmoedigheid bevangen. Onze leus moet blijven: pas op je kop. Hij, die dien kop te nabij komt, moge de gevolgen daarvan ondervinden. We bevinden ons in de noodzakelijkheid van tegenweer.”
„Maar die noodzakelijkheid heeft toch schrikkelijke gevolgen.”
Schlickeisen beijverde zich aan het gesprek een wending te geven.
„Wat een fraai meer,” zeide hij met een soort van bewondering, „was dat, waarin we het vlot brachten. De eerste aanblik was voor mij betooverend. Die gladde wateroppervlakte zonder eenigen rimpel, die als een spiegel hare geheele omgeving en den hemel daarboven zoo blauw en zoo rein weerkaatste; die bochten en inhammen, die zich onder het donkere loof van het maagdelijk woud schenen te verliezen; die kapen en landtongen, die als het verlangen te kennen gaven zich in het kristallijnen vocht te willen ontmoeten en te omhelzen; en niet het minst de wildernis, welke dien spiegel omlijstte met hare grillige struiken en fantastische klimop- en slingerplanten, met hare woudreuzen, die hoog in de lucht hun glinsterend en donker loover scherp tegen het azuurblauw afteekenden en waartusschen de orchideeën met hare wonderlijke bloemen en haar fraai en soms zoo fijn gevormd groen een betooverende versiering aanbrachten; dat alles leverde zulk een verrukkelijk geheel op, dat ik een oogenblik verrukt bleef staren.”
Wienersdorf, die eerst met het hoofd op de borst, als in nadenken verzonken, gezeten had, werd langzamerhand bij die ontboezeming geboeid. Hij hief zachtkens[280]het hoofd op, wendde den blik naar den spreker en hoorde hem aandachtig aan. Zijne mismoedige gedachten scheen hij te laten varen of beter zij schenen van vorm te veranderen en op zijn gelaat was de weerkaatsing te lezen van de woorden zijns makkers.
„O ja! ’t was fraai, dat meer,” hernam hij, toen gene zweeg. „Vooral fraai in zijn eenzaamheid en verlatenheid. Het blonk en schitterde daar onder de stralen der keerkringszon als een diamant pas ontsnapt aan de hand des Scheppers, als een parel nog onbezoedeld, nog onbeduimeld door ’s menschen hand.”
„Ha! ha! ha!!” schreeuwde Johannes het uit.
„Lach je daarmede?” vroeg Wienersdorf eenigszins verstoord.
„Ga voort, ga voort!” zei de Sienjo, terwijl hij bleef voortlachen; „laten zich uwe dichterzielen niet aan mij, prozamensch, storen. Zoo iets is wel eens aardig om te hooren.”
„Ik was opgetogen,” ging Wienersdorf voort, „daar aan die boorden geen fabriekswalm te bespeuren, geen stoombooten de gladde oppervlakte te zien verbreken, het schril gefluit van spoortreinen de kalme en heilige rust der oevers niet te hooren storen, geen menschelijk gewemel waar te nemen, dat slechts woeker en winstbejag beoogt. Men gevoelde zich daar alleen, alleen onder het oog van God.”
„Verd.… mooi! ’k wou dat ik het gezegd had,” viel Johannes hem scherp in de rede. „O! wat is soms het menschenoog blind, vooral wanneer het zich in dichterlijke heerlijkheden baadt. Of beter, wat ziet zoo’n dichtersoog de zaken anders dan zij zijn! ’t Is waar, we hebben bij dat meer noch den rook van fabrieksschoorsteenen gezien, noch het gefluit van voortijlende locomotieven of stoombooten gehoord; geen[281]nijvere fabrikanten verdrongen er zich met steeds rustelooze handelaren; en dat is zeer te betreuren in stede van aanleiding tot opgetogenheid te geven. We hebben op die boorden heel wat anders gezien. Geen fabriekswalm, maar den blauwen, spiraalvormigen rook van het houtvuurtje, waarboven de sluipmoordenaar in het dichte bosch de buitgemaakte menschenhoofden zat te roosteren om ze van de vleeschdeelen te ontdoen. Geen stoomgefluit gehoord, neen, maar den oorlogskreet der onverlaten, die den vermoeide in zijn slaap verrassen, den oorlogskreet die snerpend en schril door merg en beenderen dringt, als doodsbedreiging waaraan de bedreigde niet vermag te ontkomen dan door zelf te dooden. En ge waagt het dat meer een diamant te noemen, pas ontsprongen aan de hand des Scheppers, een parel nog onbezoedeld door ’s menschen hand! ge zegt, u daar alleen, alleen met God gevoeld te hebben! Veel eer die ge het Opperwezen betuigt! Maar wat waren de kajau’s dan die met opgeheven zwaard op ons indrongen? Wat waren de Dajaks, die ons op het vlot omringden? Waren dat geen menschen? Alleen, alleen met God! Neen, we zijn er wel degelijk met de menschen in aanraking gekomen, zelfs met menschen van het allergeringste gehalte. Met menschen, eensdeels slechts behebt met den dierlijken lust tot moorden, alleen om te moorden, voor wie het hooren van angstgegil en doodgerochel de grootste streeling, het verhevenste genot daarstelt; anderdeels met menschen, voor wie het najagen van zingenot de eenige prikkel in het leven is, de eenige zweepslag, die ten arbeid voert.”
„O! houd op, niet verder,” stoof Wienersdorf niet zonder verontwaardiging op. „Voor de koppensnellers is geen verdediging in te brengen; die laat ik onder de volle zwaarte van je verontwaardiging. Maar de[282]andere Dajaks, wier bedrijvigheid, wier tobben en zwoegen we van nabij, al was het ook maar kortstondig, hebben kunnen gadeslaan; die menschen, die zich dat leven in de wildernis maanden lang getroosten, om het woud zijn schatten te ontvoeren, die wensch ik te verdedigen, die stel ik oneindig hooger dan gij dat schijnt te doen; en het is voor hen dat ik met nadruk opkom, wanneer ik hen hoor afschilderen als wezens, alleen gedreven door het najagen van zingenot. Ik noem hun zwoegen en tobben, hunne bedrijvigheid de handelswereld in haar kiem. Het moge waar zijn, dat zingenot voor hen een groote prikkel is; maar dat valt van iederen handelaar, van iederen nijverheidsman, ja van ieder menschelijk wezen der westersche maatschappij te zeggen.”
„Wel zeker; maar dan het woord zingenot in zijn meer edele beteekenis,” viel hier Schlickeisen zijn landgenoot in de rede. „Iedere poging van den mensch om zijn maatschappelijke positie te verbeteren, iedere zucht tot veredeling van smaak, de zorgen voor het welzijn en de toekomst van vrouw en kinderen, verschaffen zingenot. Maar van die soort is hier geen sprake; hier wordt slechts bedoeld zingenot van het meest dierlijke gehalte. Laat je eens vertellen door Johannes, die reeds vele jaren op dit eiland doorbracht, wat er met dat vlot van Bapa Andong zal gebeuren.”
Wienersdorf keek vragend op.
„O!” beantwoordde Johannes dien blik, „dat zal gauw verteld zijn. Luister. Na een inspanning van nog vele weken zal hij dat vlot, waarop de schatten, ontvoerd uit de vele meren en soengei’s, opgestapeld liggen, te Bandjermasin aangebracht hebben. Eerst worden de rottan, de hars, de getah pertjah, de was, de vogelnestjes enz. verkocht of eigenlijk in den roes van het[283]oogenblik op een liederlijke wijze verkwanseld. Daarna volgt de hut op het vlot, die steeds van flinke materialen vervaardigd is, vervolgens de vloer en eindelijk de boomstammen, waarop het geheel dreef. Alles, alles wordt te gelde gemaakt. Maar van het eerste oogenblik van aankomst op die hoofdplaats af is een leven van dronkenschap en ongebondenheid begonnen, dat voortgezet zal worden, zoolang een gulden in den zak zal rammelen. Wanneer nu Bapa Andong na maanden lange afwezigheid bij vrouw en kinderen terugkomt, brengt hij niets mee tot verbetering van hun schamel lot, of het zou moeten zijn voor ieder een stel eenvoudige kleedingstukken, welker aanschaffing hem door de noodzakelijkheid geboden wordt; maar het is nog lang niet zeker, dat hij daaraan zal voldoen. Het zal al uiterst gelukkig uitkomen, als hij zonder schulden wederkeert, ook wanneer hij het geheele aantal pandelingen, waarmede hij ten arbeid toog, thuis zal brengen. In den regel worden daarvan bij zulke gelegenheden verscheidene verkocht. Hij zal dan aan den arbeid gaan om zijn rijstveld te bebouwen, anders heeft hij met de zijnen niet te eten, en wanneer het seizoen weer daar zal zijn om boschproducten te gaan zamelen, zal hij weer uittrekken, vrouw en kinderen in schamelen toestand achterlatende.”
„Als dat zoo is, dan is Bapa Andong een slechte kerel; maar ik kan niet gelooven, dat het meerendeel der Dajaksche bevolking zoo zal handelen.”
„Op de schets die ik gaf, maken zeer weinigen uitzondering. Er zijn zeer weinig welgestelde Dajaks en bij den rijkdom hunner bosschen mag dat wel als bewijs voor mijn beweren gelden. Zie hunne woningen, die de ellendigste en afzichtelijkste krotten der wereld zijn; zie hunne kleeding, die, als de Dajak gekleed is, uit[284]akelige, vuile en smerige vodden bestaat, nog meerendeels uit boombast geklopt2, ter nauwernood aan de oorspronkelijke dierenhuid gelijk. Ge zult dat in de bovenlanden nog beter kunnen opmerken.”
„’t Is wel treurig, wat je me daar vertelt,” hernam Wienersdorf eenigszins bitter, „de mensch is een vloek voor dit mooie land.”
„Neen, het land is een vloek voor den mensch,” hervatte Schlickeisen met vuur, „het land is te rijk, het verspilt zijn schatten zonder den mensch tot gezetten arbeid te noodzaken. Deze heeft zich maar te bukken om ze op te rapen; dat maakt hem lui en de luiheid is de grondslag van veel kwaad.”
Ja, daar was de vinger gelegd op de wond, op de open wond, die aan het levensbestaan van de menschelijke wezens op het schoonste, het rijkste en het uitgebreidste eiland van de Nederlandsche bezittingen, dien smaragdengordel om den evenaar, knaagt. Gedurende de lange jaren, dat de Hollanders aanspraak op het bezit van het eiland Borneo maken en alles in het werk stellen om wangunstig andere natiën daarvan verwijderd te houden, hebben zij niets, hoegenaamd niets gedaan om het volk tot arbeidzaamheid op te wekken. Integendeel, soms kunnen zij den schijn niet ontgaan, zich van de volksondeugden bediend te hebben om voor de lieve kas munt te slaan.
Wienersdorf zat een oogenblik met het hoofd in de hand en scheen na te denken over hetgeen hij gehoord had. Eindelijk hernam hij tegen Johannes:
„Je zei daar straks dat het nog vele weken zou[285]duren alvorens dat vlot te Bandjermasin zou aankomen. Dat is toch overdreven, niet waar?”
„Overdreven! waarachtig niet. De opvarenden van zoo’n vlot roeien zelden, of het gevaarte moet in een tegenstroom of in een draaikolk geraakt zijn. Soms ook wel, wanneer het gevaar dreigt om tegen den wal geworpen te worden. Wanneer dat vlot nu een weinig verder de Kapoeas afgezakt zal zijn, dan is het in de streken aangekomen, waar zich de invloed van het rijzen en dalen der zee doet gevoelen. „Tijd is geen geld”, bij den Dajak; bij het doorkomen van den vloed meert hij zijn lanting aan den wal vast en wacht dood kalm de invallende eb af om de reis te vervolgen. Ga nu in gedachten eens na, welke afstanden af te leggen zijn: eerst de Kapoeas af tot aan hare uitwatering, dan de Batang Moeroeng op tot aan Moeara Poelau, dan weer de Barito af tot aan Schans van Thuyll en eindelijk de Martapoerarivier op tot aan de hoofdplaats; en bedenk daarbij dat dagelijks slechts weinige kilometers gedurende het ebben van het water afgelegd worden, dan zal je ’t kunnen begrijpen, dat verscheidene weken met zoo’n reis gemoeid zijn.”
„Maar,” was de schijnbaar niet ongegronde opmerking van La Cueille, „we hebben dat vlot toch met de spil tegen den stroom zien ophalen; we hebben daaraan dapper meegedaan. Onze Dajaks zullen dat toch ook wel doen, wanneer ze in den vloed komen.”
„Het mocht wat,” was het antwoord van Johannes. „Toen zij dat vlot van soengei Moeroi naar Danau Ampang brachten, konden ze niet anders; er loopt daar geen vloedstroom. Hadden ze anders kunnen handelen, wees dan verzekerd, dat ze zich de moeite wel gespaard zouden hebben, al was er nog zoo veel tijd mee gemoeid geweest.”[286]
„Dat alles begrijp ik nu,” hernam Wienersdorf, „ik heb echter op een ander punt weer inlichting noodig. Je hadt het zoo even over de vele meren en soengei’s, waaruit Bapa Andong zijnboschproductenzou gehaald hebben. Soengei’s zijn er legio, dat weet ik, maar meren? Zijn er dan nog meer, behalve dit Danau Ampang? Dit is al een merkwaardigheid in een bodem van alluviale vorming, zooals de zone is, waarin we ons thans bevinden; bestaan er meerdere dan is de merkwaardigheid des te grooter.”
„Ik kan je daaromtrent volkomen inlichten,” was het antwoord van Johannes. „We bevinden ons juist te midden van den meergordel. We zijn er reeds een half dozijn gepasseerd, waarvan de voornaamste zijn: Danau Telaga, Danau Telok Katjang, welke laatste oneindig veel grooter in oppervlakte dan Danau Ampang, dat wij bezocht hebben. Dwars van ons, maar op den oostelijken kant der rivier, ligt Danau Lihon en verder zullen we nog wel een half dozijn passeeren, waarvan Danau Sapoipondong en Danau Lawang de voornaamste zijn. Ik noemde dit den merengordel, omdat in de nevengelegen stroomen Doesson en Kahajan, die met de Kapoeas evenwijdig van noord naar zuid vloeien, op dezelfde breedten ook aan weerszijden een groot aantal meren gevonden wordt.”
„Maar waaraan zou de vorming van die meren in dat lage terrein toe te schrijven zijn?”
„Zoo je eenige reizen in deze streken gemaakt hadt, zou je die vorming niet vreemd voorkomen. Zij hangt geheel te samen met het aanwezen van de geheele alluviale streek, die de zuidkust daarstelt en nog in volle vorming verkeert. We zijn thans in het hoogwaterseizoen, zoodat de oevertaluds niet zichtbaar zijn; anders zou je al gemerkt hebben, dat de rivier niet altijd[287]gestroomd heeft, waar thans hare bedding is. Zij zal ook niet altijd blijven stroomen, waar zij dat nu doet. Betrekkelijk geringe tijdruimten zijn er noodig om daarin aanmerkelijke wijzigingen te brengen; en iemand, die hier vroeger geweest is en deze streken daarna in een tiental jaren niet bezocht heeft, zou zich op sommige gedeelten der rivieren in dezen gordel niet herkennen. Zooals je ziet, vormt de rivier tallooze kronkelingen; soms keert zij op hare schreden terug en stroomt dan een wijl van zuid naar noord. Er zijn punten, waar de oevers van beide stroomgedeelten zoo dicht bij elkander komen, dat een persoon, op den eenen oever geplaatst, met iemand op denzelfden oever, maar in een andere bocht, zonder inspanning een gesprek zou kunnen voeren. Was onze prauw zoo laag van boord niet, of was het terrein zoo begroeid niet, dan zouden we dikwijls gedeelten van de rivier zien, waar we uren geleden geweest zijn of waar we eerst na een aanmerkelijk tijdsverloop komen zullen. Wat is het gevolg van die vele kronkelingen? In de bochten, en dat is genoegzaam zichtbaar, wordt de bodem langzaam maar gestadig uitgehold en ondermijnd; de oevers van twee zulke nabijgelegen bochten naderen elkander gedurig. De landengte, die zulk een schiereiland aan den vasten wal verbindt, wordt gedurig smaller en smaller en eindelijk breekt zij door. Eerst vormt dat een smal kanaal, hetwelk soms aanmerkelijke gedeelten van de rivier afsnijdt en de vaart, als men er goed mede bekend is, aanmerkelijk bekort. Dat kanaal heet dan: antassan. Maar die antassan wordt met elken watervloed breeder en eindelijk spoedt de geheele watermassa der rivier zich als langs den kortsten weg door dat nieuw gevormde bed. De beide mondingen van de oude bedding verzanden langzamerhand, het hierdoor afgesneden gedeelte,[288]dat nu een minder of meer aanmerkelijken plas vormt, kan den toevoer van water, dat het van grootere of kleinere soengei’s ontvangt, niet genoegzaam loozen; de oevers worden langzamerhand overstroomd, het terrein rondom wordt moerassig en de vorming van het meer heeft een aanvang genomen. Allengskens worden de rivierbedding en ook hare oeverkanten door bezinking van modder en zand, maar voornamelijk van plantendetritus opgehoogd, waardoor een dam tusschen het meer en de rivier ontstaat. Maar bij iederen westmoesson hebben herhaaldelijk overstroomingen plaats, waardoor telkens een groote watermassa zich in de Danau uitstort en dit al grooter en grooter maakt. Bij terugkeer van de rivieroppervlakte tot haar peil, keert ook een gedeelte van het meerwater naar de rivierbedding terug, waardoor dan door het laagste gedeelte van den dam een kanaal gevormd wordt, dat het meer voortdurend met den stroom in gemeenschap stelt. Zietdaar, wat ik meen opgemerkt te hebben en hoe ik mijzelven het ontstaan van dat groot aantal meren verklaard heb.”
„Bravo!” riep Wienersdorf in de handen klappende, „bravo! voor die uitlegging. ’k Geloof niet dat er een betere te geven is. Maar die meren moeten zeer vischrijk zijn?”
„Dat zijn ze ook. ’t Is verbazend hoe het daar van visschen krioelt. Groote en kleine, visschen die een lengte bereiken van 1 tot 2 M., zooals de dahoeman, een soort van paling, de behoe of gaboes, zooals hij op Java geheeten wordt, de djampol, een geelwitte visch, die bijzonder lekker is, de kaloi, een witvisch, enz. enz., te veel om allen op te noemen. Die visschenwereld heeft echter een geduchten vijand in den kaaiman, die er groote verwoestingen onder aanricht. Zoo’n meer is dan ook het luilekkerland voor die monsters, die er[289]welig tieren. De Dajaks verzekeren ook, dat een soort van hippopotamus of rivierpaard in die meren te huis behoort. Ik heb er nooit een gezien en van al de inboorlingen, wien ik er naar vroeg, konden maar zeer weinige bevestigen, zoo’n monster ooit onder de oogen gehad te hebben. Zooveel is zeker, dat zij er een naam voor hebben in hunne taal. Dat dier heet bij hen „kadjamiena” en wordt voor een bovennatuurlijk en uiterst boosaardig wezen gehouden.”
„Die Sienjo is toch nog zoo dom niet, als hem zijn hoofddoek wel tooit,” dacht La Cueille bij zich zelven.
Middelerwijl was het middagmaal verorberd en het uurtje van rust verstreken. Met hernieuwde krachten nam men de pagaaien ter hand en werd de reis hervat.[290]
1Sangiangs zijn bovenaardsche hulpvaardige wezens, die als boden van Mahatara (God) den menschen veel goeds aanbrengen. Aan die wezens worden vele offeranden gebracht. Zie daarover Ethnogr. beschrijving der Dajaks door den schrijver dezes.↑2Van vele boomsoorten wordt de lenige en zachte bast gebezigd om kleedingstukken te vervaardigen. Ziet hierover: Ethnographische beschrijving der Dajaks, van den schrijver.↑
1Sangiangs zijn bovenaardsche hulpvaardige wezens, die als boden van Mahatara (God) den menschen veel goeds aanbrengen. Aan die wezens worden vele offeranden gebracht. Zie daarover Ethnogr. beschrijving der Dajaks door den schrijver dezes.↑2Van vele boomsoorten wordt de lenige en zachte bast gebezigd om kleedingstukken te vervaardigen. Ziet hierover: Ethnographische beschrijving der Dajaks, van den schrijver.↑
1Sangiangs zijn bovenaardsche hulpvaardige wezens, die als boden van Mahatara (God) den menschen veel goeds aanbrengen. Aan die wezens worden vele offeranden gebracht. Zie daarover Ethnogr. beschrijving der Dajaks door den schrijver dezes.↑
1Sangiangs zijn bovenaardsche hulpvaardige wezens, die als boden van Mahatara (God) den menschen veel goeds aanbrengen. Aan die wezens worden vele offeranden gebracht. Zie daarover Ethnogr. beschrijving der Dajaks door den schrijver dezes.↑
2Van vele boomsoorten wordt de lenige en zachte bast gebezigd om kleedingstukken te vervaardigen. Ziet hierover: Ethnographische beschrijving der Dajaks, van den schrijver.↑
2Van vele boomsoorten wordt de lenige en zachte bast gebezigd om kleedingstukken te vervaardigen. Ziet hierover: Ethnographische beschrijving der Dajaks, van den schrijver.↑