XV.

[Inhoud]XV.Eenzaamheid.—Men nadert Kwala Hiang.—De aanval.—Kanon- en geweervuur.—De bezetting op de vlucht.—De plundering.—Een illuminatie.—De kommandant van Kwala Kapoeas op vervolging.—Zijn nasporingen te soengei Naning en te soengei Mantangei.—Zijn aankomst te Kwala Hiang.—Vooruit naar kotta Baroe.—Een monsterkaart.Drie dagen en twee nachten waren voorbijgegaan zonder dat onze vluchtelingen eenige ontmoeting op hunne reis hadden. Het was of het eiland uitgestorven was. In al dien tijd hadden zij geen menschelijk wezen gezien, geen enkel vaartuig ontwaard en, hoe zij ook uitgekeken hadden, zelfs geen rookspiraal waargenomen, die van uit het dichte bosch ten hemel kronkelende, hen aangeduid zoude hebben, dat daar een hutje stond, waar natuurgenooten den strijd des levens streden. Had zich van tijd tot tijd niet een troep apen schuchter aan den boschrand vertoond, om onder het slaken van een angstkreet, maar toch met koddige gebaren in het donkere groen te verdwijnen; had soms niet eens een kolossale visch de oppervlakte des waters met zijn staart gegeeseld, zij hadden kunnen gelooven, dat ook het dierlijk leven van Borneo geweken was. Niets was hun voor oogen gekomen dan het beperkte uitzicht op de immer meer en meer kronkelende rivier, aan welker boorden het dichte loof zich als een ondoordringbaar woud verhief en, als ware het jaloersch, niet gedoogde een blik op het daarachter gelegen terrein te slaan.[291]Rusteloos hadden de deserteurs voortgeroeid. Voort! altijd voort! Door Dalim bestuurd, was de prauw verscheidene antassans doorgevaren en had zoo vele groote kronkelingen der rivier afgesneden, waardoor in afstand aanmerkelijk was gewonnen. De derde nacht was ook reeds voor de grootste helft voorbijgegaan, toen de reizigers Kwala Hiang naderden.De soengei Hiang is een linkerzijrivier van de Kapoeas, die bij hare uitwatering in dien stroom een aanmerkelijke breedte heeft en deze nog een paar dagen roeiens opwaarts behoudt. Die soengei ontspringt uit een uitgestrekt moeras, dat, tusschen de Doesson en Kapoeas gelegen, bovendien een andere uitwatering in eerstgenoemden stroom heeft. Na de overmeestering van het stoomschip Onrust op de boven-Doesson, lag het voor de hand, dat de vijandelijke stammen uit die streken strooptochten in de Kapoeas-landen zouden ondernemen. Om dat tegen te gaan, werd van wege het Nederlandsche bestuur aan de uitwatering van de Hiang een kleine Dajaksche versterking gebouwd, waarop een viertal kleine kanonstukjes geplant werden, en die door een vijftigtal Dajaks van Kwala Kapoeas, met geweren gewapend, bezet werden.Dalim had al verscheidene malen een fluisterend gesprek met Johannes gevoerd, waarbij hij steeds op het hachelijke gewezen had, die versterking voorbij te varen. Wel viel er niet aan te denken, dat daar reeds kennis zou gegeven zijn van de vlucht der vier Europeesche soldaten; daartoe had volgens ieders berekening de tijd ontbroken. Maar Dalim en zijn Dajaksche makker stonden onder opzicht der politie. Ieder der aanwezigen te Kwala Hiang zou hen herkennen en met het hoofd aldaar, Tomonggong Patti Singa Djaja viel niet te gekscheren. Indien die hen herkende, zou hij hen zeker[292]opvatten. En aan ontwijken viel niet te denken; daar bestond geen antassan, waarlangs een bocht der hoofdrivier kon afgesneden worden.Johannes zat lang te peinzen; eindelijk opperde hij als zijn meening, dat men trachten moest Kwala Hiang in het holst van den nacht, liefst na het middernachtuur te bereiken. Het was dan zeer waarschijnlijk, dat de Dajaksche bezetting in diepen slaap zoude gedompeld zijn en de prauw ongemerkt zouden kunnen voorbij sluipen. Lukte dat niet en waren de uitgezette schildwachten waakzaam, dan moest naar omstandigheden gehandeld worden. Zoo werd besloten. Onmiddellijk na dat besluit hielden La Cueille en Johannes zich onledig met de beide kleine kanonstukjes, van soengei Naning medegenomen, op een paar stevige stukken hout met de rottanlussen te bevestigen met de monding buiten boord. Beide stukjes werden met los kruit geladen, waarop een flinke prop gezet werd.Het was stikdonker toen men de versterking naderde, de pagaaien werden uiterst voorzichtig gehanteerd, zóó dat zij het boord der prauw niet raakten en geen leven maakten. Dalim stuurde het vaartuig onder langs den dichtbegroeiden oever, waarop de versterking lag. Langzaam werd voortgestevend en eindelijk was men de grens van het woud genaderd; nog eenige roeislagen en het vaartuig trad den kring binnen van de onbeschutte strook, alwaar de oever schoongekapt was, om vrij uitzicht aan de wachthebbenden te verleenen. Plotseling weerklonk een stem:„Jèï! narai gawim kantoh olo toh kea?” (He, wat komen die menschen hier doen?) En voor dat er een antwoord op gegeven kon worden, knalde een schot, waarvan de kogel door de dakbedekking der prauw heenvloog.De teerling was geworpen.[293]„Zij schieten op de Hollanders!” riep Johannes in het Dajaksch met luider stem. „Die kotta is thans door de oproerlingen bezet,” en zich tot zijn makkers wendende, riep hij, thans in het Hollandsch:„Vooruit! vooruit tegen die muiters!! Vuur! vuur!! op dat gebroed!”Op dat kommando schoot La Cueille de beide kanonstukjes af. Deze, zonder iemand kwaad te doen, lieten een langen vuurstraal in den stikdonkeren nacht flikkeren en een gedonder hooren, dat des te indrukwekkender was, daar het geknal tusschen die dicht begroeide oevers door de echo honderdvoudig herhaald werd. Johannes en Dalim hadden vier geweren te hunner beschikking, die zij achtervolgens in de richting van de versterking afvuurden en daarna weder snel laadden. De beide Zwitsers openden een snelvuur met hunne repeteer-geweren, dat wel moest doen gelooven, alsof een geheele macht, wel tienmaal sterker dan de aanvallers telden, in ’t strijdperk getreden was.Dat vuur werd een poos met alle hevigheid onderhouden en toen ongeveer een honderdtal patronen verschoten was, liet Johannes het staken. Geen geluid liet zich hooren. De Dajaksche bezetting, zoo onzacht uit den slaap gewekt, en toch al niet te kloekhartig tegenover vuurwapenen, was radeloos en in doodsangst opgevlogen en had—in stede van naar de wapenen te grijpen—in allerijl een heenkomen gezocht langs de achterdeur der versterking en hun toevlucht in de wildernis genomen. Met zooveel overhaasting was daarbij te werk gegaan, dat verscheidene dier dappere verdedigers bij het afdalen van de trap, die naar buiten toegang verleende, bijna den hals gebroken hadden. Wat die vlucht nog bespoedigd had, waren de Hollandsche kommando’s van Johannes, waardoor zij vermeenden[294]door Nederlanders aangevallen te worden. Het hevige vuur, dat hen in al zijn verschrikkelijkheid tegen donderde en tegen knetterde en de kogels, die hen om de ooren floten, lieten daaromtrent geen twijfel over; de schildwachten daarenboven verklaarden dat zij zeer duidelijk op de voorste prauw—want dat er een geheele flotille was, werd bij den algemeenen angst door niemand ontkend—een Nederlandsche vlag hadden zien waaien.Alles was nu doodstil in de versterking. Alleen heel ver in den boschrand werden nog angstkreten waargenomen. La Cueille stopte nu op ieder zijner geladen kanonnetjes een handvol geweerkogels, zette die met een goeden prop aan en vuurde in de richting af, van waar die stemmen vernomen werden. Die kogels vlogen suizend en fluitend door het bosch en verleenden vleugels aan de reeds zoo beangstigden.Johannes stapte nu aan wal, terwijl de overigen met het geweer in de hand gereed zaten om op ieder, die zich vertoonde, vuur te geven en zijn terugtocht te dekken. Maar weldra kwam hij terug met het bericht, dat de versterking verlaten was. Twee Dajaks bleven nu ter bewaking in de prauw, terwijl al de anderen op den oever sprongen. De Europeanen sloten dadelijk de achterdeur der versterking en drie hunner stelden zich doelmatig op, om iederen terugkeer der bezetting met nadruk tegen te gaan. Middelerwijl doorsnuffelden Johannes en Dalim met de overigen het nest. Zij legden de hand op de aanwezige geweerpatronen en het buskruit en brachten die munitie met behulp hunner pandelingen in de prauw. Zij namen ook de vier kanonstukjes, waarmede het fort bewapend was, in beslag, en de geweren, waarvan zij evenwel slechts een veertigtal vonden, terwijl er vijftig aanwezig moesten[295]zijn. Het was dus waarschijnlijk, dat de overigen door de wegloopers waren medegenomen.Toen men de geheele versterking doorzocht en nog eenige kleinigheden, waaronder een paar manden tabak, welke vondst veel genoegen deed, gekaapt had, greep Johannes een brandend stuk hout en stak dat in een grooten hoop takkebossen, die onder een afdak opgeschuurd lagen. Ongeloofelijk snel verspreidde zich het vuur en onze avonturiers moesten zich haasten hun vaartuig te bereiken en dat op stroom buiten gevaar te halen. Zij namen evenwel nog twee prauwen en een paar djoekoengs mede, die voor de versterking in een kleine kreek als in een haven te dobberen lagen, hakten in die vaartuigen een groot gat en lieten ze zinken. Toen hervatten zij hunne reis, terwijl de versterking lustig brandde en den stroom in het nachtelijk uur over zijn geheele breedte helder verlichtte.„Zie zoo! dat is illuminatie bij onzen doortocht,” riep Johannes vroolijk.„Maar is die illuminatie geen daad van baldadigheid?” vroeg Wienersdorf. „Was de aanval op die versterking daarenboven noodzakelijk? Me dunkt dat we best voorbij hadden kunnen varen, zonder dat ons iets gedeerd had. Op zijn ergst genomen, zouden we wat geweerschoten te verduren gehad hebben. Die waren in het nachtelijk duister van die schutters niet bijzonder gevaarlijk en met wat meerdere inspanning zouden we spoedig buiten bereik geweest zijn.”„Akkoord! We hadden wel voorbij kunnen komen; daaraan behoeft geen oogenblik getwijfeld te worden. Maar de gevolgen! vraag je af, wat de gevolgen zouden geweest zijn? Waren we voorbij kunnen komen, zonder ontdekt te zijn, voorzeker, dat ware wel het beste geweest. Maar nu die schildwacht ons gezien[296]had, bleef ons niet anders te handelen over, dan we gedaan hebben. Waren we voorbij gesneld, dan zouden ons morgen ochtend bij het krieken van den dag een vijf-en-twintigtal Dajaks op de hielen gezeten hebben, en het hoofd Patti Singa Djaja zou niet nagelaten hebben van zijn invloed gebruik te maken om de bevolking van de boven-Kapoeas tegen ons op de been te brengen; en dan … dan zou ik geen uitweg meer geweten hebben. Nu is de bezetting van Kwala Hiang in de wildernis verstrooid; zij is zonder vervoermiddelen en derhalve vrij hulpeloos. Maar al had zij prauwen, dan zou zij nog nalaten ons te vervolgen, ongewapend als zij is. De gelegenheid om onzen slag te slaan, was te mooi, dan dat ik die onbenut mocht laten voorbijgaan. Zoo midden in haar slaap opgeschrikt, is die bezetting uit elkaar gestoven of haar de drommel op de hielen zat. Ik zou durven wedden, dat zij geen enkelen gekwetste heeft; althans ik heb geen enkel spoor van bloed ontdekt.”„Daar ben ik dankbaar voor,” sprak Wienersdorf ernstig. „Onze desertie heeft al bloed genoeg gekost. Maar nu die brandstichting? die had kunnen nagelaten worden. Thans zwerven die ongelukkigen in de wildernis rond, beroofd van een onderkomen, aan het nijpendst gebrek ten prooi.”„Die brandstichting!” vloog Johannes terstond op. „Die brandstichting! Je hebt zulke krasse benamingen voor de dingen. Neen, die brandstichting heb ik niet kunnen nalaten. Het vereenigingspunt van die menschen moest hun ontnomen en zij zoo tot den aftocht gedwongen worden. Die versterking is met Hollandsch geld gebouwd en bewapend. Door haar te verbranden, hebben we niemand benadeeld dan een Regeering waartegen we in openbaar verzet zijn en die dat verlies wel zal kunnen dragen. Wat de ongelukkigen betreft, die volgens je uitdrukking nu in[297]de wildernis ronddolen, beroofd van een onderkomen en aan het nijpendst gebrek ten prooi, die zullen zich daaruit wel redden. Een Dajak lijdt geen gebrek in zijn wouden. En om een onderkomen heeft hij zich, in een luchtgestel als dit, al weinig te bekommeren. Vraag eens aan Dalim of hij er erg tegen op zou zien om van hier naar Kwala Kapoeas over land terug te keeren. Hij zal tal van moeielijkheden opsommen, tegen welker opruiming zijn luiheid zich verzetten zou, maar van gebrek lijden zou hij geen woord reppen; nog minder zou hij op het gemis van een onderkomen wijzen. Neen, ik blijf bij mijn beweren, de bemachtiging van die versterking was in de gegeven omstandigheden gebiedend noodzakelijk en hare verbranding niet minder.”Johannes had met vuur en overtuiging gesproken en toch kon hij niet weten, dat die overrompeling nog een anderen en meer ingrijpenden invloed op hunne vlucht zoude hebben, dan hij bedoelde. Hij besprak slechts de onmiddellijke gevolgen, die onder het bereik zijner berekeningen lagen, terwijl op hetzelfde oogenblik een ander gevaar, veel grooter dan dat, waardoor zij zich thans heengeslagen hadden, hen op de hielen zat.De kommandant van Kwala Kapoeas, de lezers weten het, had daags na het vertrek van Damboeng Papoendeh bevelen gegeven, dat het districtshoofd met vijftig gewapende Dajaks gereed zoude staan, hem bij een tocht naar deboven-Kapoeaste vergezellen. De gezaghebbersprauw, een fraai, rank en ruim vaartuig werd in gereedheid gebracht en van het noodige voorzien; en op het aangeduide uur aanvaardde die officier den tocht, na den dokter op het hart gedrukt te hebben goed waakzaam te zijn en hem zoo veel doenlijk op de hoogte van alle merkwaardige voorvallen te houden.Een bezoek aan soengei Naning gaf niet veel licht.[298]Onze bekende Ali Bahar vluchtte de wildernis in, toen die fraaie „kaloeloes” (staatsieprauw), waarboven de Nederlandsche vlag wapperde, en die door een groot aantal roeiers voortgedreven werd, zijn woning naderde. Zijn vrouw, Indoe Soemping was dermate door dat bezoek verschrikt, dat zij, hoe welwillend de Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara haar ook toesprak, geen inlichtingen kon verschaffen. Wel erkende zij, dat Dalim met twee Kwala-Kapoeassers ten haren huize geweest waren, maar van den Sjech, die hare kinderen besneden had en boos geworden was, omdat hem varkensvleesch was voorgezet, en van den Pangareran, die hen van een vraatzuchtigen kaaiman verlost had, haspelde zij zulk een verward verhaal door elkander, dat er niet uit wijs te worden was. Hardnekkig bleef zij daarbij volhouden, dat zij geen blanken bespeurd had. Er werd nog een vergeefsche poging aangewend, om Ali Bahar in de wildernis te achterhalen en van hem iets duidelijkers te erlangen. Maar toen die opgegeven moest worden, werd de reis voortgezet.Te soengei Mantangei waren de berichten niet duidelijker. Men kon niet meer verhalen dan wat er gebeurd was. En toch werd nog een verhaal geleverd, dat te verwarder en te ingewikkelder klonk, naar mate meer personen zich beijverden het te verduidelijken en te vertellen, wat zij gezien hadden en ook wat zij vermeenden gezien te hebben. Vooral de vrouwen waren daarbij uiterst breedsprakig, zonder evenwel veel mede te deelen. Maar allen kwamen ook hier daarin overeen, dat men geene blanken bespeurd had. Wat hier de onzekerheid ten top voerde, was de verzekering, dat Damboeng Papoendeh een paar dagen geleden met drie prauwen hier was geweest, dat hij een onderzoek ingesteld had, waarna hij de soengei Mantangei opgestevend was, terwijl niemand[299]kon bevestigen die prauwen te hebben zien terugkeeren. Dit gaf aanleiding tot een langdurige wisseling van gedachten, waarbij het oude districtshoofd van Kwala Kapoeas geheel van gevoelen met den officier verschilde en dat vrijmoedig bekend stelde. Hij weersprak niet, dat Damboeng Papoendeh de soengei Mantangei opgestevend was, maar wel dat de vluchtelingen daarlangs een uitkomst zouden gezocht hebben. Hij wist dat Dalim in de Doessonstreken een vreemdeling was, daarentegen zich in de Kapoeas geheel en al te huis kon rekenen. Eindelijk na lang aarzelen werd besloten deze laatste rivier tot KwalaYbangop te roeien, daar berichten in te winnen en, versterkt met een gedeelte van de bezetting van dat fortje, naar omstandigheden te handelen. Het was al reeds een groote teleurstelling niet op de macht onder Damboeng Papoendeh met zekerheid te kunnen rekenen.„Mijnheer zal zien,” sprak de oude Tomonggong, „dat wij zoo den besten weg kiezen. ’t Is onmogelijk dat de vluchtelingen langs de Doesson zullen trachten te ontsnappen. Daar zijn zij hun leven geen oogenblik zeker.”„Ik mag lijden dat je gelijk hebt,” antwoordde de officier, „ik vind het onaangenaam zoo in den blinde rond te moeten tasten.”De reis werd hervat; maar eerst bij Pendek Katiempoen werden de eerste berichten, die men vertrouwen kon, ingewonnen. De prauwen van Damboeng Papoendeh waren daar aangekomen; maar de lijders bevonden zich nog in zoo’n deerniswaardigen toestand, dat van hen niets te vernemen viel. De roeiers deelden mede wat zij wisten; hoe zij eens in het holst van den nacht een zwaar geweervuur gehoord hadden, hetgeen een bezoek aan Danau Ampang ten gevolge had gehad; verder vertelden zij van den bijenaanval en eindelijk van den bijstand dien Bapa Andong[300]en de lieden van zijn vlot aan de lijders geboden hadden. Maar dat alles verspreidde zeer weinig licht, want ook deze menschen ontkenden ten stelligste, dat zij blanken gezien hadden. Wat evenwel den Tomonggong en ook den luitenant de wenkbrauwen deed fronsen, was de mededeeling, dat een forsch gebouwde Dajak, na de lijders zorgvuldig verpleegd te hebben, de twee Nederlandsche vlaggen van de prauwen ingehaald en medegenomen had. Ook de schriftelijke instructie, aan Damboeng Papoendeh medegegeven, was nergens te vinden, hoewel niemand kon verzekeren, dat die ontvreemd was.De luitenant en het districtshoofd keken elkander een poos aan. Zij konden hunne gedachten geen vorm geven en zagen er van af die mede te deelen. De officier besloot evenwel den tocht tot Kwala Ybang voort te zetten. Hij hield zich overtuigd, dat zij daar meer zouden vernemen.Niet ver boven Pendek Katiempoen werd het vlot van Bapa Andong ontmoet. Deze, met het wantrouwende karakter, den Oosterling eigen, gaf niets dan ontwijkende antwoorden. Van Europeanen wist hij hoegenaamd niets. Toen hij ondervraagd werd over het geweervuur, dat door de volgelingen van Damboeng Papoendeh vernomen was, legde hij een soort van verbazing aan den dag. Met het onschuldigste gezicht van de wereld, gaf hij te kennen, dat hij daar niets van gehoord had en verhaalde verder dat hij bij zijn strijd tegen de koppensnellers, hulp had erlangd van de opvarenden eener handelsprauw die, met een jachtgeweer een paar schoten gelost hadden. Toen op dat geweervuur verder en met allen ernst aangedrongen werd, gaf hij leuk ten antwoord, dat hij niet begreep, wat de toean kommandant bedoelde. Hij kon alleen mededeelen, dat zijne lieden om de muskieten te verdrijven, een groot vuur gestookt en dat met bamboestengels[301]onderhouden hadden. Waarschijnlijk had het knappen van de bamboe aanleiding tot de meening gegeven, dat er hevig geschoten werd. Nu ontstaat er werkelijk bij het verbranden van bamboe, door de verhitte lucht die in de holle pijpstengels van dat riet de geledingen doet uit elkander springen, een sterk knappend geluid, dat, op een afstand gehoord, veel overeenkomst heeft met wild door elkander geloste geweer- en pistoolschoten.Of de luitenant dat verzinsel geloofde? Hij zag er van af, of beter, hij nam den tijd niet, het onderzoek verder voort te zetten. Het zou hem ook bitter weinig gegeven hebben, daar het onderhoud met Bapa Andong op het vlot ten aanhoore zijner pandelingen had plaats gegrepen en deze zich wel gewacht zouden hebben hun meester tegen te spreken.Voort, voort ging het weer. Altijd noordwaarts de Kapoeas op.Het was omstreeks het middaguur toen de opvarenden van de staatsieprauw de monding der soengei Ybang in het gezicht kregen; maar hoe zij ook uitkeken, van de versterking, die tegenover die monding gelegen en haar beheerscht had, was niets te ontdekken.„Wat drommel!” riep de luitenant verbaasd uit, „waar is de kotta gebleven?”„Ik kijk er ook naar,” was het antwoord van den Tomonggong, „ik begrijp er niets van. Dáár, dáár heeft zij gestaan!”En bij die woorden wees hij met den vinger in de richting, waar hij meende de versterking te moeten zoeken. Toen zij al nader en nader gekomen waren, zagen de reizigers eenige zwart verkoolde stronken staan, die de plek nauwkeurig aanduidden, waar eenmaal de kotta stond; ook zagen zij nog een lichten rook uit de nog[302]smeulende puinhoopen omhoog kronkelen. Het was duidelijk, de benting was afgebrand. Maar.… was dat slechts een ongeval door onhandigheid of onvoorzichtigheid veroorzaakt? of zat daar meer achter?Terwijl de luitenant en het districtshoofd daarover beraadslaagden, knetterden plotseling een paar schoten van achter de struiken en veroorzaakten de fluitende kogels een wezenlijk panischen schrik onder de Dajaksche opvarenden van de staatsieprauw. De Tomonggong greep zijn jachtgeweer, de officier zijn revolver en hielden zich gereed. Maar de roeiers sloegen zonder bevel de pagaaien ruggelings te water, zoodat de prauw bijna onmiddellijk door den stroom teruggevoerd werd en het geheel veel op een aftocht geleek. Daar evenwel op den oever alles rustig bleef, was die paniek spoedig genoeg bedaard. Kalm als altijd, maar toch behoedzaam stapte het oude districtshoofd alleen en ongewapend aan den wal en verhief luide zijne stem om te roepen, dat niemand eenig leed zoude geschieden. Aanvankelijk had zijn toeroepen weinig gevolg, maar eindelijk toch werd dat geroep beantwoord en, na lang dralen, kwam het hoofd van Kwala Hiang Tomonggong Patti Singa Djaja, maar toch nog schoorvoetende uit het dichte bosch te voorschijn. Hij was uitermate verbitterd op de Nederlanders. Hij noemde hen verraders, sluipmoordenaars, landstroopers en wat niet al. De man kon geen uitdrukkingen krachtig genoeg vinden om aan zijn verontwaardiging lucht te geven. De bedaarde Nikodemus liet hem uitrazen; maar toen gebrek aan adem den verwoede noodzaakte den vloed van scheldnamen af te breken, begon hij hem aan het verstand te brengen, dat hij zich had laten verschalken en de Hollanders aan niets schuld hadden. Hij deelde hem mede, dat de kommandant van Kwala Kapoeas aan boord der staatsieprauw[303]was en bracht het zoo ver, dat het hem gelukte den beangstigde over te halen dien officier te ontmoeten.Het verhaal van het gebeurde werd toen vlug genoeg geleverd en toen hij inzag, dat hij beet genomen was, bleef het hoofd niet in gebreke de geschiedenis aanmerkelijk te overdrijven. Zoo was de aanval door een tiental prauwen met minstens een paar honderd strijders bemand, volvoerd; de versterking was heftig door kanon- en geweervuur geteisterd geworden en het was niet, dan nadat de palissadeering vernield was, dat de bezetting de wijk genomen had. Hij twijfelde er niet aan of velen zijner ondergeschikten waren gevallen; want slechts weinigen hadden zich in de wildernis om hem geschaard. Dat woord „kanonvuur” deed den officier ongeloovig glimlachen; want al gaf hij toe, dat geweervuur weerklonken had, waar van daan zouden de deserteurs kanonnen gehaald hebben? Toch bevestigden alle ooggetuigen, die Patti Singa Djaja bijbracht, dat herhaaldelijk met kanon op hen gevuurd was en dat hen bij hunne vlucht nog een hagelbui „anak pelor” (kartetskogels) nagezonden was, wat toch niet anders dan met grof geschut kon geschieden. De luitenant fronste de wenkbrauwen en trok de schouders omhoog. Hij wist niet wat te gelooven. Dat was zeker, dat hij ditmaal op het spoor der deserteurs was; want uit al die verwarde verhalen bleek ontegenzeggelijk dat er Hollandsche kommando’s waren gehoord. Maar wat nu te doen? Dat was een allergewichtigste vraag. Die kerels stelden zich aan als razende Rolands en waren geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken. Daar tegenover had de officier de volle maat erlangd van hetgeen hij van zijn Dajaksche metgezellen te verwachten had. Een paar schoten, die hun over het hoofd gesuisd hadden, waren voldoende geweest, om hen te doen deinzen. Het speet hem nu,[304]dat hij niet een tiental soldaten medegenomen had, dan ware er een kern, die pal zoude staan. Maar de voorzichtigheid had hem dat doen nalaten. Het fortje te Kwala Kapoeas was toch al zoo zwak bezet. Hij peinsde en peinsde. Hij gevoelde zich als de bevelhebber eener belegerde sterkte. Al is die door nog zulk een groote overmacht omsingeld, hij mag haar niet overgeven of zij moet minstens een storm doorstaan hebben. Dat gebieden plicht en eer. Hier ook. Hij begreep dat hij verreweg in de minderheid was, niet in getal, maar in zedelijke waarde der horden, die hij tegen de vluchtelingen zou kunnen aanvoeren. Ook de bewapening zijner tegenstanders was beter, al trok hij ook de schouders op voor de berichten omtrent kanonvuur. En wat hem niet het minste teleurstelling baarde, zijne verwachtingen om de bezetting van Kwala Hiang met hare wapens gedeeltelijk te kunnen bezigen, waren gefaald. In een woord, hij stond daar vrij hulpeloos tegenover die mannen, die voor hunne vrijheid, het dierbaarst goed, streden en daarvoor alles veil hadden. Toch wilde hij de poging niet opgeven. Hij zou het onmogelijke trachten te doen en wie weet of niet het een of ander toeval hem alle kansen in handen zoude voeren.Dat waren de gedachten, die hem het brein doorkruisten. Hij beraadslaagde met het districtshoofd, ook met het hoofd van Kwala Hiang en er werd overeen gekomen, dat men tot kotta Baroe zoude doorroeien. Daar zouden zij de bevolking te wapen roepen. Op een paar honderd man viel al licht te rekenen en met die macht, versterkt door hetgeen van de bezetting van Kwala Hiang verzameld was kunnen worden, waaronder eenige met geweren, maar met slechts een beperkt aantal patronen, zoude een ernstige poging gewaagd kunnen worden om de deserteurs in handen te krijgen. Andere meer uitgewerkte[305]plannen, van hetgeen hun te doen of te laten viel, waren in de gegeven omstandigheden niet te ontwerpen.Middelerwijl hadden de deserteurs ook niet stil gezeten. Wel konden zij niet gissen, dat het gevaar zoo nabij was. Zij verlangden slechts de bovenlanden te bereiken. Hoe grooter de afstand was, die hen van de onmiddellijke onderhoorigheden der Nederlanders scheidde, des te veiliger zouden zij zijn; want dat gevoelden allen: met den afstand klommen ook de bezwaren voor hunne vervolgers in toenemende rede bij hunne pogingen om hen in handen te krijgen. Het ergste was reeds achter den rug, meenden zij; met nog wat inspanning zouden zij van dien kant niet veel meer te duchten hebben. Vlijtig werd dan ook voortgeroeid en toen de dag aan den hemel verscheen, was zelfs de opstijgende rook van de brandende kotta Kwala Hiang niet meer te bespeuren.Bij een der menigvuldige zandplaten, die in dit gedeelte der rivier de uitspringende hoeken welke zij vormt, omzoomen, werd aangelegd en nu beijverden zich de reizigers hun maal te bereiden en zich door een bad in de kristalheldere rivier te verfrisschen en te versterken.Na die verfrissching en terwijl de rijst gaar kookte, zaten de Dajaks van het gezelschap in een kringetje en bespraken de gebeurtenissen van de laatste dagen. Met een zeker ontzag keken zij tegen die vier kerels op, die er bruin uitzagen als een hunner, die in hun omgang zoo eenvoudig en hartelijk waren, maar die toch, als hun moeielijkheden in den weg traden, als halve duivels te werk gingen. Dat gevecht aan boord van het vlot en dan dat koene ondernemen tegen de kotta Hiang vooral, hadden diepen indruk nagelaten. Zij lachten dat zij schudden bij de gedachte hoe hunne landgenooten het hazenpad gekozen hadden en zij waren onuitputtelijk in[306]het aanhalen van bijzonderheden, welke die overrompeling gekenmerkt hadden.De Europeanen van hun kant hadden zich in een groepje op het helder witte zand uitgestrekt en verlustigden zich de ledematen eens goed te kunnen uitrekken, iets wat in die enge prauw niet wel doenlijk was. Een oogenblik hadden ook hen de laatste gebeurtenissen bezig gehouden, maar dat was slechts kort geweest. Wat hen thans voornamelijk boeide, was de prachtige ochtendstond, die hen omgaf, die den hemel en de toppen van het woud verguldde en de rivier onder de weerkaatsing van dien purpervloed, aan een stroom vloeibaar goud gelijk deed zijn. Het morgenrood van het Oosten uitgegaan, en eerst een onbeduidende streep van het zachtste rozenrood, had langzamerhand het geheele uitspansel met een liefelijk rosé overtogen, dat gaandeweg donkerder werd, naarmate de dagvorstin den gezichteinder meer nabij kwam, om eindelijk daar boven te stijgen. De natuur was stil en als eerbiedig opgetogen in dien plechtigen stond, die bijna dagelijks in dezelfde pracht wederkeert en toch door zoo weinige redelijke en denkende wezens genoten wordt. Geen zuchtje verhief zich, geen blad ritselde en gedurende die plechtige stilte murmelde slechts het zachte geklater der rivier, als prevelde zij een gebed tot verheerlijking en innigen dank. Het zoo kleurrijke hemelgewelf was langzamerhand in het schitterendste purper overgegaan; nog een poos en in het Oosten teekende zich te midden van die kleurenpracht een stip die weergaloos helder blonk. Die stip werd grooter en grooter, en eindelijk was het een groote vurige bol, die boven den horizon geklommen was en nu niet meer de toppen der boomen in goud tooide, maar tusschen takken en bladeren doordrong, het nachtelijk duister verdreef en alom licht en leven tot in de somberste hoeken van het woud verspreidde.[307]In vlammende trekken vertelden de hemelen de natuurwonderen in zulk een indrukwekkende taal als alleen te midden van een tropisch woud gesproken en verstaan kan worden.Naarmate de zon boven den horizon klom, nam de purperkleur af. Langzamerhand baadden hare stralen alles in een rein helder wit licht, terwijl het hemelgewelf zich in het fraaiste azuur, de kleur van het onbegrensde, hulde. Bij de algeheele windstilte, die tusschen de keerkringen gewoonlijk de eerste uren van den nieuw geboren dag vergezelt, teekende zich nu op het blauw des hemels een natuurverschijnsel, dat, hoewel niet zeldzaam op Borneo, toch op verre na niet dagelijks voorkomt. Vlak boven hunne hoofden zagen onze avonturiers een band ontstaan van uiterst fijne vederwolkjes, die zich van noord naar zuid uitstrekkende, al de bochten en kronkelingen der rivier vertoonde. Naarmate de purperkleur verbleekte, trad die band meer bestemd voor het oog. Het was alsof een reusachtige kaart van den stroom hier beneden, zich daarboven ontrolde, waarop de rivier als een zilverlint op een blauwen achtergrond aangeduid stond. De oevers van het beeld der Kapoeas waren scherp begrensd; al de soengei’s, die haar toevloeien, waren met hare kronkelingen en bochten helder aangeduid; zelfs de meren en plassen, langs de boorden der rivier, lagen daar duidelijk voor oogen en naar het noorden nam de zilveren band zichtbaar af en naar het zuiden in breedte toe, tot het beeld den boschrand bij den gezichteinder raakte en zich in den aether verloor. Aan die hydrographische teekening ontbrak alleen maar, dat in een der hoeken met kolossale letters gegriffeld had gestaan: „schaal op natuurlijke grootte” en in een anderen: „Deus sculpsit,” om haar volmaakt te kunnen heeten.[308]Met verbazing staarden onze reizigers hemelwaarts.„Bewonderenswaardig mooi!” riep Wienersdorf eindelijk na een lang stilzwijgen uit. „De kaarten van Otto Petri zijn er niets bij.”„Prachtig! prachtig!” stemde Schlickeisen in, er met geestdrift bijvoegende: „Zoo verkondigen de hemelen de heerlijkheid en almacht des Heeren!”„Ik heb die verschijning meermalen gezien, evenwel nimmer fraaier en duidelijker dan thans,” sprak Johannes. „Eens evenwel heb ik het bijgewoond, dat niet alleen de afbeeldingen van de Kapoeas, maar ook die van de aan haar evenwijdig vloeiende Doesson en Kahaian waar te nemen waren.Het beeld vertoonde zich toen veel hooger dan dit schijnt. Het was bij gelegenheid dat het stoomsleepertje „Kapitein Van Os” in de eerste helft van 1860 een verkenningstocht op de Kapoeas maakte. We bevonden ons des morgens, ook zoo omtrent dit uur, ter hoogte van de eilandengroep Poeloe Teloe. ’t Was een verrukkelijk gezicht, zoo als die drie stroomen daar afgebeeld stonden. Alleen de linker soengei’s van de Doesson en de rechter van de Kahaian waren minder duidelijk; zij liepen, door het welven van het hemeldak, bij den gezichteinder eenigszins in elkander. Overigens was alles prachtig gedetailleerd en waren zelfs de eilandjes, die Poeloe Teloe vormen, als blauwe openingen in den zilveren band zichtbaar.”„Hoe zou zulk een teekening ontstaan?” vroeg La Cueille.„Daar zit ik al over te peinzen,” antwoordde Wienersdorf, „ik zal trachten je duidelijk te maken, hoe ik me die vorming voorstel. De groote verdamping, waaraan de watermassa onder den invloed van de keerkringszon op den moerassigen bodem van Borneo bloot staat, heeft de vorming van meer wolken ten gevolge, dan wel ergens[309]op aarde plaats heeft. Het eerste wat we gewoonlijk hier zoowel als overal waarnemen, wanneer bij het doorkomen van de eerste zonnestralen de nachtelijke nevels optrekken, is de vorming van vederwolken. Deze, door de geleerden Cirrhi genaamd, verschijnen heel hoog in de lucht en zien er uit als afhangende veeren, ook wel als bijna onzichtbare parallelle draden van een zeer fijn netvormig weefsel. Ze doen zich ook soms voor als banden in den vorm van fijne houtkrullen en worden dan niet oneigenaardig met een onbedwongen haarlok vergeleken. Heeft een groote verdamping plaats, dan ronden die vederwolken zich af en vormen half bolvormige massa’s als opgehoopt op een waterpas grondvlak, die dan schapen- ook wel stapelwolken, Cumuli genoemd worden. In den regel vormen deze zich omstreeks het middaguur, om tegen zonsondergang te verdwijnen. Is dit laatste niet het geval en heeft verdere uitdamping plaats, dan vervormen de Cumuli zich tot Nimbi of regenwolken of tot Strati of schichtwolken, die zich in dikke horizontale lagen langs het hemelgewelf uitspreiden en regen of onweder aanbrengen. Dit is in het algemeen de wolkenvorming. Ik stel mij nu voor, dat bij zeer droge en volmaakt stille lucht, de dampen, die steeds boven iedere watervlakte gevormd worden, loodrecht omhoog stijgen, zich, in hoogere lagen aangekomen, verdichten en de vederwolkjes vormen, die we daar boven aanschouwen. Is het nu in die bovenlagen van den dampkring ook volmaakt stil, dan zullen die vederwolkjes zich boven de watervlakte, waaruit ze ontstonden, samenpakken en zoo het afbeeldsel van die watervlakte vormen. Gaat de verdamping voort en blijven de luchtdeelen in rust, dat wil zeggen, dat ze niet in zijdelingsche beweging geraken, dan zal de teekening op het blauwe grondvlak al scherper en duidelijker[310]uitkomen; maar eindelijk zullen de Cirrhi in Cumuli overgaan en weldra de grenzen der teekening verbreken en door elkander dwarrelen. Of een windje verheft zich en de vederwolken zullen onder dien drang wijken om hare fijne en breede pluimen volgens de windrichting te scharen. Ziet, zooals ginds reeds gebeurt, dáár, waar ge die opening in den rivierband reeds kunt zien en waar de vederbossen in de richting van het noordwesten beginnen te wijken, waaruit we gevoeglijk kunnen afleiden, dat weldra, althans in de bovenlagen een zuidoostelijke wind zal doorwaaien.”„Mooi verklaard,” betuigde Schlickeisen, „maar alvorens ik onzen kameraad mijn dank betuig, wenschte ik nog een opheldering. Zoo even is gezegd, dat bij de verdamping, die zich boven iedere wateroppervlakte vormt, vederwolken ontstaan. Maar het geheele gedeelte van Borneo, waar we ons nu nog bevinden, tot aan de zuidkust toe, kan aangemerkt worden als een samenhangende watervlakte te vormen, zoo moerassig is het. Heeft nu de vorming plaats, zooals gij uitgelegd hebt, dan zou geen beeld eener rivier of van een stroomgebied zich afteekenen, maar dan zou het geheele uitspansel zich met een net van vederwolken bedekken.”„Jawel,” viel hem hier Wienersdorf nog al onstuimig in de rede, „dat zou het ook, als de verdamping boven die moerasgronden ongestoord plaats vond; als die in andere woorden daar kon geschieden, zooals dat boven de rivieren en meren gebeurt. Maar, boven dat moeras spreidt zich het dichte loof van het maagdelijke woud uit en vormt als het ware een beschermend dak, dat weinig of niets doorlaat. Des nachts koelen de takken, maar voornamelijk de bladeren sterk af, de opstijgende damp condenseert zich of slaat daarop neer, zooals men dat noemt, evenals de vochtdeelen uit de omringende[311]lucht in een verwarmd vertrek zich op de wanden van een glas met kilkoud water gevuld, neerzetten. Ge ziet het, takken en loof zijn met overvloedigen dauw overdekt. Die dauw zou vederwolken gevormd hebben, als hij omhoog had kunnen trekken. Straks zal hij wel verdampen, wanneer takken en bladeren zich, onder den invloed van de minder schuine zonnestralen, met den warmtegraad der omringende luchtdeelen in evenwicht zullen gesteld hebben. Ten opzichte van die verdamping dus, vormt het woud als het ware een horizontaal dak, een vlak dat boven de rivieren, soengei’s, spruiten, meren, enz. uitgeknipt zou zijn, om de vervluchtigde waterdeelen in de morgenuren door te laten, terwijl die dan elders weerhouden worden. Ik hoop, dat die uitleg proefhoudend zal bevonden worden, voor mij ten minste is hij voldoende om mij het ontstaan der prachtige teekening, die we straks bewonderd hebben, maar die nu reeds verdwenen en onder den invloed van den zuidoostenwind uitgewischt is, te verklaren.”„Ten volle neem ik genoegen met die toelichting en verklaar mij daardoor bevredigd,” betuigde Schlickeisen.„Als dat zoo is, dan betuig ik mijn dank voor de duidelijke en zakelijke voordracht,” sprak Johannes, „maar de rijst is gaar; onze Dajaks hebben ze reeds in portie’s afgedeeld en in breede bladeren gewikkeld. Straks zullen we met smaak kunnen eten. Dus ieder op zijn plaats in de prauw en de pagaaien ter hand genomen. Er mag geen tijd verloren gaan; we zullen trachten heden nog kotta Baroe te bereiken.”[312]

[Inhoud]XV.Eenzaamheid.—Men nadert Kwala Hiang.—De aanval.—Kanon- en geweervuur.—De bezetting op de vlucht.—De plundering.—Een illuminatie.—De kommandant van Kwala Kapoeas op vervolging.—Zijn nasporingen te soengei Naning en te soengei Mantangei.—Zijn aankomst te Kwala Hiang.—Vooruit naar kotta Baroe.—Een monsterkaart.Drie dagen en twee nachten waren voorbijgegaan zonder dat onze vluchtelingen eenige ontmoeting op hunne reis hadden. Het was of het eiland uitgestorven was. In al dien tijd hadden zij geen menschelijk wezen gezien, geen enkel vaartuig ontwaard en, hoe zij ook uitgekeken hadden, zelfs geen rookspiraal waargenomen, die van uit het dichte bosch ten hemel kronkelende, hen aangeduid zoude hebben, dat daar een hutje stond, waar natuurgenooten den strijd des levens streden. Had zich van tijd tot tijd niet een troep apen schuchter aan den boschrand vertoond, om onder het slaken van een angstkreet, maar toch met koddige gebaren in het donkere groen te verdwijnen; had soms niet eens een kolossale visch de oppervlakte des waters met zijn staart gegeeseld, zij hadden kunnen gelooven, dat ook het dierlijk leven van Borneo geweken was. Niets was hun voor oogen gekomen dan het beperkte uitzicht op de immer meer en meer kronkelende rivier, aan welker boorden het dichte loof zich als een ondoordringbaar woud verhief en, als ware het jaloersch, niet gedoogde een blik op het daarachter gelegen terrein te slaan.[291]Rusteloos hadden de deserteurs voortgeroeid. Voort! altijd voort! Door Dalim bestuurd, was de prauw verscheidene antassans doorgevaren en had zoo vele groote kronkelingen der rivier afgesneden, waardoor in afstand aanmerkelijk was gewonnen. De derde nacht was ook reeds voor de grootste helft voorbijgegaan, toen de reizigers Kwala Hiang naderden.De soengei Hiang is een linkerzijrivier van de Kapoeas, die bij hare uitwatering in dien stroom een aanmerkelijke breedte heeft en deze nog een paar dagen roeiens opwaarts behoudt. Die soengei ontspringt uit een uitgestrekt moeras, dat, tusschen de Doesson en Kapoeas gelegen, bovendien een andere uitwatering in eerstgenoemden stroom heeft. Na de overmeestering van het stoomschip Onrust op de boven-Doesson, lag het voor de hand, dat de vijandelijke stammen uit die streken strooptochten in de Kapoeas-landen zouden ondernemen. Om dat tegen te gaan, werd van wege het Nederlandsche bestuur aan de uitwatering van de Hiang een kleine Dajaksche versterking gebouwd, waarop een viertal kleine kanonstukjes geplant werden, en die door een vijftigtal Dajaks van Kwala Kapoeas, met geweren gewapend, bezet werden.Dalim had al verscheidene malen een fluisterend gesprek met Johannes gevoerd, waarbij hij steeds op het hachelijke gewezen had, die versterking voorbij te varen. Wel viel er niet aan te denken, dat daar reeds kennis zou gegeven zijn van de vlucht der vier Europeesche soldaten; daartoe had volgens ieders berekening de tijd ontbroken. Maar Dalim en zijn Dajaksche makker stonden onder opzicht der politie. Ieder der aanwezigen te Kwala Hiang zou hen herkennen en met het hoofd aldaar, Tomonggong Patti Singa Djaja viel niet te gekscheren. Indien die hen herkende, zou hij hen zeker[292]opvatten. En aan ontwijken viel niet te denken; daar bestond geen antassan, waarlangs een bocht der hoofdrivier kon afgesneden worden.Johannes zat lang te peinzen; eindelijk opperde hij als zijn meening, dat men trachten moest Kwala Hiang in het holst van den nacht, liefst na het middernachtuur te bereiken. Het was dan zeer waarschijnlijk, dat de Dajaksche bezetting in diepen slaap zoude gedompeld zijn en de prauw ongemerkt zouden kunnen voorbij sluipen. Lukte dat niet en waren de uitgezette schildwachten waakzaam, dan moest naar omstandigheden gehandeld worden. Zoo werd besloten. Onmiddellijk na dat besluit hielden La Cueille en Johannes zich onledig met de beide kleine kanonstukjes, van soengei Naning medegenomen, op een paar stevige stukken hout met de rottanlussen te bevestigen met de monding buiten boord. Beide stukjes werden met los kruit geladen, waarop een flinke prop gezet werd.Het was stikdonker toen men de versterking naderde, de pagaaien werden uiterst voorzichtig gehanteerd, zóó dat zij het boord der prauw niet raakten en geen leven maakten. Dalim stuurde het vaartuig onder langs den dichtbegroeiden oever, waarop de versterking lag. Langzaam werd voortgestevend en eindelijk was men de grens van het woud genaderd; nog eenige roeislagen en het vaartuig trad den kring binnen van de onbeschutte strook, alwaar de oever schoongekapt was, om vrij uitzicht aan de wachthebbenden te verleenen. Plotseling weerklonk een stem:„Jèï! narai gawim kantoh olo toh kea?” (He, wat komen die menschen hier doen?) En voor dat er een antwoord op gegeven kon worden, knalde een schot, waarvan de kogel door de dakbedekking der prauw heenvloog.De teerling was geworpen.[293]„Zij schieten op de Hollanders!” riep Johannes in het Dajaksch met luider stem. „Die kotta is thans door de oproerlingen bezet,” en zich tot zijn makkers wendende, riep hij, thans in het Hollandsch:„Vooruit! vooruit tegen die muiters!! Vuur! vuur!! op dat gebroed!”Op dat kommando schoot La Cueille de beide kanonstukjes af. Deze, zonder iemand kwaad te doen, lieten een langen vuurstraal in den stikdonkeren nacht flikkeren en een gedonder hooren, dat des te indrukwekkender was, daar het geknal tusschen die dicht begroeide oevers door de echo honderdvoudig herhaald werd. Johannes en Dalim hadden vier geweren te hunner beschikking, die zij achtervolgens in de richting van de versterking afvuurden en daarna weder snel laadden. De beide Zwitsers openden een snelvuur met hunne repeteer-geweren, dat wel moest doen gelooven, alsof een geheele macht, wel tienmaal sterker dan de aanvallers telden, in ’t strijdperk getreden was.Dat vuur werd een poos met alle hevigheid onderhouden en toen ongeveer een honderdtal patronen verschoten was, liet Johannes het staken. Geen geluid liet zich hooren. De Dajaksche bezetting, zoo onzacht uit den slaap gewekt, en toch al niet te kloekhartig tegenover vuurwapenen, was radeloos en in doodsangst opgevlogen en had—in stede van naar de wapenen te grijpen—in allerijl een heenkomen gezocht langs de achterdeur der versterking en hun toevlucht in de wildernis genomen. Met zooveel overhaasting was daarbij te werk gegaan, dat verscheidene dier dappere verdedigers bij het afdalen van de trap, die naar buiten toegang verleende, bijna den hals gebroken hadden. Wat die vlucht nog bespoedigd had, waren de Hollandsche kommando’s van Johannes, waardoor zij vermeenden[294]door Nederlanders aangevallen te worden. Het hevige vuur, dat hen in al zijn verschrikkelijkheid tegen donderde en tegen knetterde en de kogels, die hen om de ooren floten, lieten daaromtrent geen twijfel over; de schildwachten daarenboven verklaarden dat zij zeer duidelijk op de voorste prauw—want dat er een geheele flotille was, werd bij den algemeenen angst door niemand ontkend—een Nederlandsche vlag hadden zien waaien.Alles was nu doodstil in de versterking. Alleen heel ver in den boschrand werden nog angstkreten waargenomen. La Cueille stopte nu op ieder zijner geladen kanonnetjes een handvol geweerkogels, zette die met een goeden prop aan en vuurde in de richting af, van waar die stemmen vernomen werden. Die kogels vlogen suizend en fluitend door het bosch en verleenden vleugels aan de reeds zoo beangstigden.Johannes stapte nu aan wal, terwijl de overigen met het geweer in de hand gereed zaten om op ieder, die zich vertoonde, vuur te geven en zijn terugtocht te dekken. Maar weldra kwam hij terug met het bericht, dat de versterking verlaten was. Twee Dajaks bleven nu ter bewaking in de prauw, terwijl al de anderen op den oever sprongen. De Europeanen sloten dadelijk de achterdeur der versterking en drie hunner stelden zich doelmatig op, om iederen terugkeer der bezetting met nadruk tegen te gaan. Middelerwijl doorsnuffelden Johannes en Dalim met de overigen het nest. Zij legden de hand op de aanwezige geweerpatronen en het buskruit en brachten die munitie met behulp hunner pandelingen in de prauw. Zij namen ook de vier kanonstukjes, waarmede het fort bewapend was, in beslag, en de geweren, waarvan zij evenwel slechts een veertigtal vonden, terwijl er vijftig aanwezig moesten[295]zijn. Het was dus waarschijnlijk, dat de overigen door de wegloopers waren medegenomen.Toen men de geheele versterking doorzocht en nog eenige kleinigheden, waaronder een paar manden tabak, welke vondst veel genoegen deed, gekaapt had, greep Johannes een brandend stuk hout en stak dat in een grooten hoop takkebossen, die onder een afdak opgeschuurd lagen. Ongeloofelijk snel verspreidde zich het vuur en onze avonturiers moesten zich haasten hun vaartuig te bereiken en dat op stroom buiten gevaar te halen. Zij namen evenwel nog twee prauwen en een paar djoekoengs mede, die voor de versterking in een kleine kreek als in een haven te dobberen lagen, hakten in die vaartuigen een groot gat en lieten ze zinken. Toen hervatten zij hunne reis, terwijl de versterking lustig brandde en den stroom in het nachtelijk uur over zijn geheele breedte helder verlichtte.„Zie zoo! dat is illuminatie bij onzen doortocht,” riep Johannes vroolijk.„Maar is die illuminatie geen daad van baldadigheid?” vroeg Wienersdorf. „Was de aanval op die versterking daarenboven noodzakelijk? Me dunkt dat we best voorbij hadden kunnen varen, zonder dat ons iets gedeerd had. Op zijn ergst genomen, zouden we wat geweerschoten te verduren gehad hebben. Die waren in het nachtelijk duister van die schutters niet bijzonder gevaarlijk en met wat meerdere inspanning zouden we spoedig buiten bereik geweest zijn.”„Akkoord! We hadden wel voorbij kunnen komen; daaraan behoeft geen oogenblik getwijfeld te worden. Maar de gevolgen! vraag je af, wat de gevolgen zouden geweest zijn? Waren we voorbij kunnen komen, zonder ontdekt te zijn, voorzeker, dat ware wel het beste geweest. Maar nu die schildwacht ons gezien[296]had, bleef ons niet anders te handelen over, dan we gedaan hebben. Waren we voorbij gesneld, dan zouden ons morgen ochtend bij het krieken van den dag een vijf-en-twintigtal Dajaks op de hielen gezeten hebben, en het hoofd Patti Singa Djaja zou niet nagelaten hebben van zijn invloed gebruik te maken om de bevolking van de boven-Kapoeas tegen ons op de been te brengen; en dan … dan zou ik geen uitweg meer geweten hebben. Nu is de bezetting van Kwala Hiang in de wildernis verstrooid; zij is zonder vervoermiddelen en derhalve vrij hulpeloos. Maar al had zij prauwen, dan zou zij nog nalaten ons te vervolgen, ongewapend als zij is. De gelegenheid om onzen slag te slaan, was te mooi, dan dat ik die onbenut mocht laten voorbijgaan. Zoo midden in haar slaap opgeschrikt, is die bezetting uit elkaar gestoven of haar de drommel op de hielen zat. Ik zou durven wedden, dat zij geen enkelen gekwetste heeft; althans ik heb geen enkel spoor van bloed ontdekt.”„Daar ben ik dankbaar voor,” sprak Wienersdorf ernstig. „Onze desertie heeft al bloed genoeg gekost. Maar nu die brandstichting? die had kunnen nagelaten worden. Thans zwerven die ongelukkigen in de wildernis rond, beroofd van een onderkomen, aan het nijpendst gebrek ten prooi.”„Die brandstichting!” vloog Johannes terstond op. „Die brandstichting! Je hebt zulke krasse benamingen voor de dingen. Neen, die brandstichting heb ik niet kunnen nalaten. Het vereenigingspunt van die menschen moest hun ontnomen en zij zoo tot den aftocht gedwongen worden. Die versterking is met Hollandsch geld gebouwd en bewapend. Door haar te verbranden, hebben we niemand benadeeld dan een Regeering waartegen we in openbaar verzet zijn en die dat verlies wel zal kunnen dragen. Wat de ongelukkigen betreft, die volgens je uitdrukking nu in[297]de wildernis ronddolen, beroofd van een onderkomen en aan het nijpendst gebrek ten prooi, die zullen zich daaruit wel redden. Een Dajak lijdt geen gebrek in zijn wouden. En om een onderkomen heeft hij zich, in een luchtgestel als dit, al weinig te bekommeren. Vraag eens aan Dalim of hij er erg tegen op zou zien om van hier naar Kwala Kapoeas over land terug te keeren. Hij zal tal van moeielijkheden opsommen, tegen welker opruiming zijn luiheid zich verzetten zou, maar van gebrek lijden zou hij geen woord reppen; nog minder zou hij op het gemis van een onderkomen wijzen. Neen, ik blijf bij mijn beweren, de bemachtiging van die versterking was in de gegeven omstandigheden gebiedend noodzakelijk en hare verbranding niet minder.”Johannes had met vuur en overtuiging gesproken en toch kon hij niet weten, dat die overrompeling nog een anderen en meer ingrijpenden invloed op hunne vlucht zoude hebben, dan hij bedoelde. Hij besprak slechts de onmiddellijke gevolgen, die onder het bereik zijner berekeningen lagen, terwijl op hetzelfde oogenblik een ander gevaar, veel grooter dan dat, waardoor zij zich thans heengeslagen hadden, hen op de hielen zat.De kommandant van Kwala Kapoeas, de lezers weten het, had daags na het vertrek van Damboeng Papoendeh bevelen gegeven, dat het districtshoofd met vijftig gewapende Dajaks gereed zoude staan, hem bij een tocht naar deboven-Kapoeaste vergezellen. De gezaghebbersprauw, een fraai, rank en ruim vaartuig werd in gereedheid gebracht en van het noodige voorzien; en op het aangeduide uur aanvaardde die officier den tocht, na den dokter op het hart gedrukt te hebben goed waakzaam te zijn en hem zoo veel doenlijk op de hoogte van alle merkwaardige voorvallen te houden.Een bezoek aan soengei Naning gaf niet veel licht.[298]Onze bekende Ali Bahar vluchtte de wildernis in, toen die fraaie „kaloeloes” (staatsieprauw), waarboven de Nederlandsche vlag wapperde, en die door een groot aantal roeiers voortgedreven werd, zijn woning naderde. Zijn vrouw, Indoe Soemping was dermate door dat bezoek verschrikt, dat zij, hoe welwillend de Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara haar ook toesprak, geen inlichtingen kon verschaffen. Wel erkende zij, dat Dalim met twee Kwala-Kapoeassers ten haren huize geweest waren, maar van den Sjech, die hare kinderen besneden had en boos geworden was, omdat hem varkensvleesch was voorgezet, en van den Pangareran, die hen van een vraatzuchtigen kaaiman verlost had, haspelde zij zulk een verward verhaal door elkander, dat er niet uit wijs te worden was. Hardnekkig bleef zij daarbij volhouden, dat zij geen blanken bespeurd had. Er werd nog een vergeefsche poging aangewend, om Ali Bahar in de wildernis te achterhalen en van hem iets duidelijkers te erlangen. Maar toen die opgegeven moest worden, werd de reis voortgezet.Te soengei Mantangei waren de berichten niet duidelijker. Men kon niet meer verhalen dan wat er gebeurd was. En toch werd nog een verhaal geleverd, dat te verwarder en te ingewikkelder klonk, naar mate meer personen zich beijverden het te verduidelijken en te vertellen, wat zij gezien hadden en ook wat zij vermeenden gezien te hebben. Vooral de vrouwen waren daarbij uiterst breedsprakig, zonder evenwel veel mede te deelen. Maar allen kwamen ook hier daarin overeen, dat men geene blanken bespeurd had. Wat hier de onzekerheid ten top voerde, was de verzekering, dat Damboeng Papoendeh een paar dagen geleden met drie prauwen hier was geweest, dat hij een onderzoek ingesteld had, waarna hij de soengei Mantangei opgestevend was, terwijl niemand[299]kon bevestigen die prauwen te hebben zien terugkeeren. Dit gaf aanleiding tot een langdurige wisseling van gedachten, waarbij het oude districtshoofd van Kwala Kapoeas geheel van gevoelen met den officier verschilde en dat vrijmoedig bekend stelde. Hij weersprak niet, dat Damboeng Papoendeh de soengei Mantangei opgestevend was, maar wel dat de vluchtelingen daarlangs een uitkomst zouden gezocht hebben. Hij wist dat Dalim in de Doessonstreken een vreemdeling was, daarentegen zich in de Kapoeas geheel en al te huis kon rekenen. Eindelijk na lang aarzelen werd besloten deze laatste rivier tot KwalaYbangop te roeien, daar berichten in te winnen en, versterkt met een gedeelte van de bezetting van dat fortje, naar omstandigheden te handelen. Het was al reeds een groote teleurstelling niet op de macht onder Damboeng Papoendeh met zekerheid te kunnen rekenen.„Mijnheer zal zien,” sprak de oude Tomonggong, „dat wij zoo den besten weg kiezen. ’t Is onmogelijk dat de vluchtelingen langs de Doesson zullen trachten te ontsnappen. Daar zijn zij hun leven geen oogenblik zeker.”„Ik mag lijden dat je gelijk hebt,” antwoordde de officier, „ik vind het onaangenaam zoo in den blinde rond te moeten tasten.”De reis werd hervat; maar eerst bij Pendek Katiempoen werden de eerste berichten, die men vertrouwen kon, ingewonnen. De prauwen van Damboeng Papoendeh waren daar aangekomen; maar de lijders bevonden zich nog in zoo’n deerniswaardigen toestand, dat van hen niets te vernemen viel. De roeiers deelden mede wat zij wisten; hoe zij eens in het holst van den nacht een zwaar geweervuur gehoord hadden, hetgeen een bezoek aan Danau Ampang ten gevolge had gehad; verder vertelden zij van den bijenaanval en eindelijk van den bijstand dien Bapa Andong[300]en de lieden van zijn vlot aan de lijders geboden hadden. Maar dat alles verspreidde zeer weinig licht, want ook deze menschen ontkenden ten stelligste, dat zij blanken gezien hadden. Wat evenwel den Tomonggong en ook den luitenant de wenkbrauwen deed fronsen, was de mededeeling, dat een forsch gebouwde Dajak, na de lijders zorgvuldig verpleegd te hebben, de twee Nederlandsche vlaggen van de prauwen ingehaald en medegenomen had. Ook de schriftelijke instructie, aan Damboeng Papoendeh medegegeven, was nergens te vinden, hoewel niemand kon verzekeren, dat die ontvreemd was.De luitenant en het districtshoofd keken elkander een poos aan. Zij konden hunne gedachten geen vorm geven en zagen er van af die mede te deelen. De officier besloot evenwel den tocht tot Kwala Ybang voort te zetten. Hij hield zich overtuigd, dat zij daar meer zouden vernemen.Niet ver boven Pendek Katiempoen werd het vlot van Bapa Andong ontmoet. Deze, met het wantrouwende karakter, den Oosterling eigen, gaf niets dan ontwijkende antwoorden. Van Europeanen wist hij hoegenaamd niets. Toen hij ondervraagd werd over het geweervuur, dat door de volgelingen van Damboeng Papoendeh vernomen was, legde hij een soort van verbazing aan den dag. Met het onschuldigste gezicht van de wereld, gaf hij te kennen, dat hij daar niets van gehoord had en verhaalde verder dat hij bij zijn strijd tegen de koppensnellers, hulp had erlangd van de opvarenden eener handelsprauw die, met een jachtgeweer een paar schoten gelost hadden. Toen op dat geweervuur verder en met allen ernst aangedrongen werd, gaf hij leuk ten antwoord, dat hij niet begreep, wat de toean kommandant bedoelde. Hij kon alleen mededeelen, dat zijne lieden om de muskieten te verdrijven, een groot vuur gestookt en dat met bamboestengels[301]onderhouden hadden. Waarschijnlijk had het knappen van de bamboe aanleiding tot de meening gegeven, dat er hevig geschoten werd. Nu ontstaat er werkelijk bij het verbranden van bamboe, door de verhitte lucht die in de holle pijpstengels van dat riet de geledingen doet uit elkander springen, een sterk knappend geluid, dat, op een afstand gehoord, veel overeenkomst heeft met wild door elkander geloste geweer- en pistoolschoten.Of de luitenant dat verzinsel geloofde? Hij zag er van af, of beter, hij nam den tijd niet, het onderzoek verder voort te zetten. Het zou hem ook bitter weinig gegeven hebben, daar het onderhoud met Bapa Andong op het vlot ten aanhoore zijner pandelingen had plaats gegrepen en deze zich wel gewacht zouden hebben hun meester tegen te spreken.Voort, voort ging het weer. Altijd noordwaarts de Kapoeas op.Het was omstreeks het middaguur toen de opvarenden van de staatsieprauw de monding der soengei Ybang in het gezicht kregen; maar hoe zij ook uitkeken, van de versterking, die tegenover die monding gelegen en haar beheerscht had, was niets te ontdekken.„Wat drommel!” riep de luitenant verbaasd uit, „waar is de kotta gebleven?”„Ik kijk er ook naar,” was het antwoord van den Tomonggong, „ik begrijp er niets van. Dáár, dáár heeft zij gestaan!”En bij die woorden wees hij met den vinger in de richting, waar hij meende de versterking te moeten zoeken. Toen zij al nader en nader gekomen waren, zagen de reizigers eenige zwart verkoolde stronken staan, die de plek nauwkeurig aanduidden, waar eenmaal de kotta stond; ook zagen zij nog een lichten rook uit de nog[302]smeulende puinhoopen omhoog kronkelen. Het was duidelijk, de benting was afgebrand. Maar.… was dat slechts een ongeval door onhandigheid of onvoorzichtigheid veroorzaakt? of zat daar meer achter?Terwijl de luitenant en het districtshoofd daarover beraadslaagden, knetterden plotseling een paar schoten van achter de struiken en veroorzaakten de fluitende kogels een wezenlijk panischen schrik onder de Dajaksche opvarenden van de staatsieprauw. De Tomonggong greep zijn jachtgeweer, de officier zijn revolver en hielden zich gereed. Maar de roeiers sloegen zonder bevel de pagaaien ruggelings te water, zoodat de prauw bijna onmiddellijk door den stroom teruggevoerd werd en het geheel veel op een aftocht geleek. Daar evenwel op den oever alles rustig bleef, was die paniek spoedig genoeg bedaard. Kalm als altijd, maar toch behoedzaam stapte het oude districtshoofd alleen en ongewapend aan den wal en verhief luide zijne stem om te roepen, dat niemand eenig leed zoude geschieden. Aanvankelijk had zijn toeroepen weinig gevolg, maar eindelijk toch werd dat geroep beantwoord en, na lang dralen, kwam het hoofd van Kwala Hiang Tomonggong Patti Singa Djaja, maar toch nog schoorvoetende uit het dichte bosch te voorschijn. Hij was uitermate verbitterd op de Nederlanders. Hij noemde hen verraders, sluipmoordenaars, landstroopers en wat niet al. De man kon geen uitdrukkingen krachtig genoeg vinden om aan zijn verontwaardiging lucht te geven. De bedaarde Nikodemus liet hem uitrazen; maar toen gebrek aan adem den verwoede noodzaakte den vloed van scheldnamen af te breken, begon hij hem aan het verstand te brengen, dat hij zich had laten verschalken en de Hollanders aan niets schuld hadden. Hij deelde hem mede, dat de kommandant van Kwala Kapoeas aan boord der staatsieprauw[303]was en bracht het zoo ver, dat het hem gelukte den beangstigde over te halen dien officier te ontmoeten.Het verhaal van het gebeurde werd toen vlug genoeg geleverd en toen hij inzag, dat hij beet genomen was, bleef het hoofd niet in gebreke de geschiedenis aanmerkelijk te overdrijven. Zoo was de aanval door een tiental prauwen met minstens een paar honderd strijders bemand, volvoerd; de versterking was heftig door kanon- en geweervuur geteisterd geworden en het was niet, dan nadat de palissadeering vernield was, dat de bezetting de wijk genomen had. Hij twijfelde er niet aan of velen zijner ondergeschikten waren gevallen; want slechts weinigen hadden zich in de wildernis om hem geschaard. Dat woord „kanonvuur” deed den officier ongeloovig glimlachen; want al gaf hij toe, dat geweervuur weerklonken had, waar van daan zouden de deserteurs kanonnen gehaald hebben? Toch bevestigden alle ooggetuigen, die Patti Singa Djaja bijbracht, dat herhaaldelijk met kanon op hen gevuurd was en dat hen bij hunne vlucht nog een hagelbui „anak pelor” (kartetskogels) nagezonden was, wat toch niet anders dan met grof geschut kon geschieden. De luitenant fronste de wenkbrauwen en trok de schouders omhoog. Hij wist niet wat te gelooven. Dat was zeker, dat hij ditmaal op het spoor der deserteurs was; want uit al die verwarde verhalen bleek ontegenzeggelijk dat er Hollandsche kommando’s waren gehoord. Maar wat nu te doen? Dat was een allergewichtigste vraag. Die kerels stelden zich aan als razende Rolands en waren geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken. Daar tegenover had de officier de volle maat erlangd van hetgeen hij van zijn Dajaksche metgezellen te verwachten had. Een paar schoten, die hun over het hoofd gesuisd hadden, waren voldoende geweest, om hen te doen deinzen. Het speet hem nu,[304]dat hij niet een tiental soldaten medegenomen had, dan ware er een kern, die pal zoude staan. Maar de voorzichtigheid had hem dat doen nalaten. Het fortje te Kwala Kapoeas was toch al zoo zwak bezet. Hij peinsde en peinsde. Hij gevoelde zich als de bevelhebber eener belegerde sterkte. Al is die door nog zulk een groote overmacht omsingeld, hij mag haar niet overgeven of zij moet minstens een storm doorstaan hebben. Dat gebieden plicht en eer. Hier ook. Hij begreep dat hij verreweg in de minderheid was, niet in getal, maar in zedelijke waarde der horden, die hij tegen de vluchtelingen zou kunnen aanvoeren. Ook de bewapening zijner tegenstanders was beter, al trok hij ook de schouders op voor de berichten omtrent kanonvuur. En wat hem niet het minste teleurstelling baarde, zijne verwachtingen om de bezetting van Kwala Hiang met hare wapens gedeeltelijk te kunnen bezigen, waren gefaald. In een woord, hij stond daar vrij hulpeloos tegenover die mannen, die voor hunne vrijheid, het dierbaarst goed, streden en daarvoor alles veil hadden. Toch wilde hij de poging niet opgeven. Hij zou het onmogelijke trachten te doen en wie weet of niet het een of ander toeval hem alle kansen in handen zoude voeren.Dat waren de gedachten, die hem het brein doorkruisten. Hij beraadslaagde met het districtshoofd, ook met het hoofd van Kwala Hiang en er werd overeen gekomen, dat men tot kotta Baroe zoude doorroeien. Daar zouden zij de bevolking te wapen roepen. Op een paar honderd man viel al licht te rekenen en met die macht, versterkt door hetgeen van de bezetting van Kwala Hiang verzameld was kunnen worden, waaronder eenige met geweren, maar met slechts een beperkt aantal patronen, zoude een ernstige poging gewaagd kunnen worden om de deserteurs in handen te krijgen. Andere meer uitgewerkte[305]plannen, van hetgeen hun te doen of te laten viel, waren in de gegeven omstandigheden niet te ontwerpen.Middelerwijl hadden de deserteurs ook niet stil gezeten. Wel konden zij niet gissen, dat het gevaar zoo nabij was. Zij verlangden slechts de bovenlanden te bereiken. Hoe grooter de afstand was, die hen van de onmiddellijke onderhoorigheden der Nederlanders scheidde, des te veiliger zouden zij zijn; want dat gevoelden allen: met den afstand klommen ook de bezwaren voor hunne vervolgers in toenemende rede bij hunne pogingen om hen in handen te krijgen. Het ergste was reeds achter den rug, meenden zij; met nog wat inspanning zouden zij van dien kant niet veel meer te duchten hebben. Vlijtig werd dan ook voortgeroeid en toen de dag aan den hemel verscheen, was zelfs de opstijgende rook van de brandende kotta Kwala Hiang niet meer te bespeuren.Bij een der menigvuldige zandplaten, die in dit gedeelte der rivier de uitspringende hoeken welke zij vormt, omzoomen, werd aangelegd en nu beijverden zich de reizigers hun maal te bereiden en zich door een bad in de kristalheldere rivier te verfrisschen en te versterken.Na die verfrissching en terwijl de rijst gaar kookte, zaten de Dajaks van het gezelschap in een kringetje en bespraken de gebeurtenissen van de laatste dagen. Met een zeker ontzag keken zij tegen die vier kerels op, die er bruin uitzagen als een hunner, die in hun omgang zoo eenvoudig en hartelijk waren, maar die toch, als hun moeielijkheden in den weg traden, als halve duivels te werk gingen. Dat gevecht aan boord van het vlot en dan dat koene ondernemen tegen de kotta Hiang vooral, hadden diepen indruk nagelaten. Zij lachten dat zij schudden bij de gedachte hoe hunne landgenooten het hazenpad gekozen hadden en zij waren onuitputtelijk in[306]het aanhalen van bijzonderheden, welke die overrompeling gekenmerkt hadden.De Europeanen van hun kant hadden zich in een groepje op het helder witte zand uitgestrekt en verlustigden zich de ledematen eens goed te kunnen uitrekken, iets wat in die enge prauw niet wel doenlijk was. Een oogenblik hadden ook hen de laatste gebeurtenissen bezig gehouden, maar dat was slechts kort geweest. Wat hen thans voornamelijk boeide, was de prachtige ochtendstond, die hen omgaf, die den hemel en de toppen van het woud verguldde en de rivier onder de weerkaatsing van dien purpervloed, aan een stroom vloeibaar goud gelijk deed zijn. Het morgenrood van het Oosten uitgegaan, en eerst een onbeduidende streep van het zachtste rozenrood, had langzamerhand het geheele uitspansel met een liefelijk rosé overtogen, dat gaandeweg donkerder werd, naarmate de dagvorstin den gezichteinder meer nabij kwam, om eindelijk daar boven te stijgen. De natuur was stil en als eerbiedig opgetogen in dien plechtigen stond, die bijna dagelijks in dezelfde pracht wederkeert en toch door zoo weinige redelijke en denkende wezens genoten wordt. Geen zuchtje verhief zich, geen blad ritselde en gedurende die plechtige stilte murmelde slechts het zachte geklater der rivier, als prevelde zij een gebed tot verheerlijking en innigen dank. Het zoo kleurrijke hemelgewelf was langzamerhand in het schitterendste purper overgegaan; nog een poos en in het Oosten teekende zich te midden van die kleurenpracht een stip die weergaloos helder blonk. Die stip werd grooter en grooter, en eindelijk was het een groote vurige bol, die boven den horizon geklommen was en nu niet meer de toppen der boomen in goud tooide, maar tusschen takken en bladeren doordrong, het nachtelijk duister verdreef en alom licht en leven tot in de somberste hoeken van het woud verspreidde.[307]In vlammende trekken vertelden de hemelen de natuurwonderen in zulk een indrukwekkende taal als alleen te midden van een tropisch woud gesproken en verstaan kan worden.Naarmate de zon boven den horizon klom, nam de purperkleur af. Langzamerhand baadden hare stralen alles in een rein helder wit licht, terwijl het hemelgewelf zich in het fraaiste azuur, de kleur van het onbegrensde, hulde. Bij de algeheele windstilte, die tusschen de keerkringen gewoonlijk de eerste uren van den nieuw geboren dag vergezelt, teekende zich nu op het blauw des hemels een natuurverschijnsel, dat, hoewel niet zeldzaam op Borneo, toch op verre na niet dagelijks voorkomt. Vlak boven hunne hoofden zagen onze avonturiers een band ontstaan van uiterst fijne vederwolkjes, die zich van noord naar zuid uitstrekkende, al de bochten en kronkelingen der rivier vertoonde. Naarmate de purperkleur verbleekte, trad die band meer bestemd voor het oog. Het was alsof een reusachtige kaart van den stroom hier beneden, zich daarboven ontrolde, waarop de rivier als een zilverlint op een blauwen achtergrond aangeduid stond. De oevers van het beeld der Kapoeas waren scherp begrensd; al de soengei’s, die haar toevloeien, waren met hare kronkelingen en bochten helder aangeduid; zelfs de meren en plassen, langs de boorden der rivier, lagen daar duidelijk voor oogen en naar het noorden nam de zilveren band zichtbaar af en naar het zuiden in breedte toe, tot het beeld den boschrand bij den gezichteinder raakte en zich in den aether verloor. Aan die hydrographische teekening ontbrak alleen maar, dat in een der hoeken met kolossale letters gegriffeld had gestaan: „schaal op natuurlijke grootte” en in een anderen: „Deus sculpsit,” om haar volmaakt te kunnen heeten.[308]Met verbazing staarden onze reizigers hemelwaarts.„Bewonderenswaardig mooi!” riep Wienersdorf eindelijk na een lang stilzwijgen uit. „De kaarten van Otto Petri zijn er niets bij.”„Prachtig! prachtig!” stemde Schlickeisen in, er met geestdrift bijvoegende: „Zoo verkondigen de hemelen de heerlijkheid en almacht des Heeren!”„Ik heb die verschijning meermalen gezien, evenwel nimmer fraaier en duidelijker dan thans,” sprak Johannes. „Eens evenwel heb ik het bijgewoond, dat niet alleen de afbeeldingen van de Kapoeas, maar ook die van de aan haar evenwijdig vloeiende Doesson en Kahaian waar te nemen waren.Het beeld vertoonde zich toen veel hooger dan dit schijnt. Het was bij gelegenheid dat het stoomsleepertje „Kapitein Van Os” in de eerste helft van 1860 een verkenningstocht op de Kapoeas maakte. We bevonden ons des morgens, ook zoo omtrent dit uur, ter hoogte van de eilandengroep Poeloe Teloe. ’t Was een verrukkelijk gezicht, zoo als die drie stroomen daar afgebeeld stonden. Alleen de linker soengei’s van de Doesson en de rechter van de Kahaian waren minder duidelijk; zij liepen, door het welven van het hemeldak, bij den gezichteinder eenigszins in elkander. Overigens was alles prachtig gedetailleerd en waren zelfs de eilandjes, die Poeloe Teloe vormen, als blauwe openingen in den zilveren band zichtbaar.”„Hoe zou zulk een teekening ontstaan?” vroeg La Cueille.„Daar zit ik al over te peinzen,” antwoordde Wienersdorf, „ik zal trachten je duidelijk te maken, hoe ik me die vorming voorstel. De groote verdamping, waaraan de watermassa onder den invloed van de keerkringszon op den moerassigen bodem van Borneo bloot staat, heeft de vorming van meer wolken ten gevolge, dan wel ergens[309]op aarde plaats heeft. Het eerste wat we gewoonlijk hier zoowel als overal waarnemen, wanneer bij het doorkomen van de eerste zonnestralen de nachtelijke nevels optrekken, is de vorming van vederwolken. Deze, door de geleerden Cirrhi genaamd, verschijnen heel hoog in de lucht en zien er uit als afhangende veeren, ook wel als bijna onzichtbare parallelle draden van een zeer fijn netvormig weefsel. Ze doen zich ook soms voor als banden in den vorm van fijne houtkrullen en worden dan niet oneigenaardig met een onbedwongen haarlok vergeleken. Heeft een groote verdamping plaats, dan ronden die vederwolken zich af en vormen half bolvormige massa’s als opgehoopt op een waterpas grondvlak, die dan schapen- ook wel stapelwolken, Cumuli genoemd worden. In den regel vormen deze zich omstreeks het middaguur, om tegen zonsondergang te verdwijnen. Is dit laatste niet het geval en heeft verdere uitdamping plaats, dan vervormen de Cumuli zich tot Nimbi of regenwolken of tot Strati of schichtwolken, die zich in dikke horizontale lagen langs het hemelgewelf uitspreiden en regen of onweder aanbrengen. Dit is in het algemeen de wolkenvorming. Ik stel mij nu voor, dat bij zeer droge en volmaakt stille lucht, de dampen, die steeds boven iedere watervlakte gevormd worden, loodrecht omhoog stijgen, zich, in hoogere lagen aangekomen, verdichten en de vederwolkjes vormen, die we daar boven aanschouwen. Is het nu in die bovenlagen van den dampkring ook volmaakt stil, dan zullen die vederwolkjes zich boven de watervlakte, waaruit ze ontstonden, samenpakken en zoo het afbeeldsel van die watervlakte vormen. Gaat de verdamping voort en blijven de luchtdeelen in rust, dat wil zeggen, dat ze niet in zijdelingsche beweging geraken, dan zal de teekening op het blauwe grondvlak al scherper en duidelijker[310]uitkomen; maar eindelijk zullen de Cirrhi in Cumuli overgaan en weldra de grenzen der teekening verbreken en door elkander dwarrelen. Of een windje verheft zich en de vederwolken zullen onder dien drang wijken om hare fijne en breede pluimen volgens de windrichting te scharen. Ziet, zooals ginds reeds gebeurt, dáár, waar ge die opening in den rivierband reeds kunt zien en waar de vederbossen in de richting van het noordwesten beginnen te wijken, waaruit we gevoeglijk kunnen afleiden, dat weldra, althans in de bovenlagen een zuidoostelijke wind zal doorwaaien.”„Mooi verklaard,” betuigde Schlickeisen, „maar alvorens ik onzen kameraad mijn dank betuig, wenschte ik nog een opheldering. Zoo even is gezegd, dat bij de verdamping, die zich boven iedere wateroppervlakte vormt, vederwolken ontstaan. Maar het geheele gedeelte van Borneo, waar we ons nu nog bevinden, tot aan de zuidkust toe, kan aangemerkt worden als een samenhangende watervlakte te vormen, zoo moerassig is het. Heeft nu de vorming plaats, zooals gij uitgelegd hebt, dan zou geen beeld eener rivier of van een stroomgebied zich afteekenen, maar dan zou het geheele uitspansel zich met een net van vederwolken bedekken.”„Jawel,” viel hem hier Wienersdorf nog al onstuimig in de rede, „dat zou het ook, als de verdamping boven die moerasgronden ongestoord plaats vond; als die in andere woorden daar kon geschieden, zooals dat boven de rivieren en meren gebeurt. Maar, boven dat moeras spreidt zich het dichte loof van het maagdelijke woud uit en vormt als het ware een beschermend dak, dat weinig of niets doorlaat. Des nachts koelen de takken, maar voornamelijk de bladeren sterk af, de opstijgende damp condenseert zich of slaat daarop neer, zooals men dat noemt, evenals de vochtdeelen uit de omringende[311]lucht in een verwarmd vertrek zich op de wanden van een glas met kilkoud water gevuld, neerzetten. Ge ziet het, takken en loof zijn met overvloedigen dauw overdekt. Die dauw zou vederwolken gevormd hebben, als hij omhoog had kunnen trekken. Straks zal hij wel verdampen, wanneer takken en bladeren zich, onder den invloed van de minder schuine zonnestralen, met den warmtegraad der omringende luchtdeelen in evenwicht zullen gesteld hebben. Ten opzichte van die verdamping dus, vormt het woud als het ware een horizontaal dak, een vlak dat boven de rivieren, soengei’s, spruiten, meren, enz. uitgeknipt zou zijn, om de vervluchtigde waterdeelen in de morgenuren door te laten, terwijl die dan elders weerhouden worden. Ik hoop, dat die uitleg proefhoudend zal bevonden worden, voor mij ten minste is hij voldoende om mij het ontstaan der prachtige teekening, die we straks bewonderd hebben, maar die nu reeds verdwenen en onder den invloed van den zuidoostenwind uitgewischt is, te verklaren.”„Ten volle neem ik genoegen met die toelichting en verklaar mij daardoor bevredigd,” betuigde Schlickeisen.„Als dat zoo is, dan betuig ik mijn dank voor de duidelijke en zakelijke voordracht,” sprak Johannes, „maar de rijst is gaar; onze Dajaks hebben ze reeds in portie’s afgedeeld en in breede bladeren gewikkeld. Straks zullen we met smaak kunnen eten. Dus ieder op zijn plaats in de prauw en de pagaaien ter hand genomen. Er mag geen tijd verloren gaan; we zullen trachten heden nog kotta Baroe te bereiken.”[312]

XV.Eenzaamheid.—Men nadert Kwala Hiang.—De aanval.—Kanon- en geweervuur.—De bezetting op de vlucht.—De plundering.—Een illuminatie.—De kommandant van Kwala Kapoeas op vervolging.—Zijn nasporingen te soengei Naning en te soengei Mantangei.—Zijn aankomst te Kwala Hiang.—Vooruit naar kotta Baroe.—Een monsterkaart.

Eenzaamheid.—Men nadert Kwala Hiang.—De aanval.—Kanon- en geweervuur.—De bezetting op de vlucht.—De plundering.—Een illuminatie.—De kommandant van Kwala Kapoeas op vervolging.—Zijn nasporingen te soengei Naning en te soengei Mantangei.—Zijn aankomst te Kwala Hiang.—Vooruit naar kotta Baroe.—Een monsterkaart.

Eenzaamheid.—Men nadert Kwala Hiang.—De aanval.—Kanon- en geweervuur.—De bezetting op de vlucht.—De plundering.—Een illuminatie.—De kommandant van Kwala Kapoeas op vervolging.—Zijn nasporingen te soengei Naning en te soengei Mantangei.—Zijn aankomst te Kwala Hiang.—Vooruit naar kotta Baroe.—Een monsterkaart.

Drie dagen en twee nachten waren voorbijgegaan zonder dat onze vluchtelingen eenige ontmoeting op hunne reis hadden. Het was of het eiland uitgestorven was. In al dien tijd hadden zij geen menschelijk wezen gezien, geen enkel vaartuig ontwaard en, hoe zij ook uitgekeken hadden, zelfs geen rookspiraal waargenomen, die van uit het dichte bosch ten hemel kronkelende, hen aangeduid zoude hebben, dat daar een hutje stond, waar natuurgenooten den strijd des levens streden. Had zich van tijd tot tijd niet een troep apen schuchter aan den boschrand vertoond, om onder het slaken van een angstkreet, maar toch met koddige gebaren in het donkere groen te verdwijnen; had soms niet eens een kolossale visch de oppervlakte des waters met zijn staart gegeeseld, zij hadden kunnen gelooven, dat ook het dierlijk leven van Borneo geweken was. Niets was hun voor oogen gekomen dan het beperkte uitzicht op de immer meer en meer kronkelende rivier, aan welker boorden het dichte loof zich als een ondoordringbaar woud verhief en, als ware het jaloersch, niet gedoogde een blik op het daarachter gelegen terrein te slaan.[291]Rusteloos hadden de deserteurs voortgeroeid. Voort! altijd voort! Door Dalim bestuurd, was de prauw verscheidene antassans doorgevaren en had zoo vele groote kronkelingen der rivier afgesneden, waardoor in afstand aanmerkelijk was gewonnen. De derde nacht was ook reeds voor de grootste helft voorbijgegaan, toen de reizigers Kwala Hiang naderden.De soengei Hiang is een linkerzijrivier van de Kapoeas, die bij hare uitwatering in dien stroom een aanmerkelijke breedte heeft en deze nog een paar dagen roeiens opwaarts behoudt. Die soengei ontspringt uit een uitgestrekt moeras, dat, tusschen de Doesson en Kapoeas gelegen, bovendien een andere uitwatering in eerstgenoemden stroom heeft. Na de overmeestering van het stoomschip Onrust op de boven-Doesson, lag het voor de hand, dat de vijandelijke stammen uit die streken strooptochten in de Kapoeas-landen zouden ondernemen. Om dat tegen te gaan, werd van wege het Nederlandsche bestuur aan de uitwatering van de Hiang een kleine Dajaksche versterking gebouwd, waarop een viertal kleine kanonstukjes geplant werden, en die door een vijftigtal Dajaks van Kwala Kapoeas, met geweren gewapend, bezet werden.Dalim had al verscheidene malen een fluisterend gesprek met Johannes gevoerd, waarbij hij steeds op het hachelijke gewezen had, die versterking voorbij te varen. Wel viel er niet aan te denken, dat daar reeds kennis zou gegeven zijn van de vlucht der vier Europeesche soldaten; daartoe had volgens ieders berekening de tijd ontbroken. Maar Dalim en zijn Dajaksche makker stonden onder opzicht der politie. Ieder der aanwezigen te Kwala Hiang zou hen herkennen en met het hoofd aldaar, Tomonggong Patti Singa Djaja viel niet te gekscheren. Indien die hen herkende, zou hij hen zeker[292]opvatten. En aan ontwijken viel niet te denken; daar bestond geen antassan, waarlangs een bocht der hoofdrivier kon afgesneden worden.Johannes zat lang te peinzen; eindelijk opperde hij als zijn meening, dat men trachten moest Kwala Hiang in het holst van den nacht, liefst na het middernachtuur te bereiken. Het was dan zeer waarschijnlijk, dat de Dajaksche bezetting in diepen slaap zoude gedompeld zijn en de prauw ongemerkt zouden kunnen voorbij sluipen. Lukte dat niet en waren de uitgezette schildwachten waakzaam, dan moest naar omstandigheden gehandeld worden. Zoo werd besloten. Onmiddellijk na dat besluit hielden La Cueille en Johannes zich onledig met de beide kleine kanonstukjes, van soengei Naning medegenomen, op een paar stevige stukken hout met de rottanlussen te bevestigen met de monding buiten boord. Beide stukjes werden met los kruit geladen, waarop een flinke prop gezet werd.Het was stikdonker toen men de versterking naderde, de pagaaien werden uiterst voorzichtig gehanteerd, zóó dat zij het boord der prauw niet raakten en geen leven maakten. Dalim stuurde het vaartuig onder langs den dichtbegroeiden oever, waarop de versterking lag. Langzaam werd voortgestevend en eindelijk was men de grens van het woud genaderd; nog eenige roeislagen en het vaartuig trad den kring binnen van de onbeschutte strook, alwaar de oever schoongekapt was, om vrij uitzicht aan de wachthebbenden te verleenen. Plotseling weerklonk een stem:„Jèï! narai gawim kantoh olo toh kea?” (He, wat komen die menschen hier doen?) En voor dat er een antwoord op gegeven kon worden, knalde een schot, waarvan de kogel door de dakbedekking der prauw heenvloog.De teerling was geworpen.[293]„Zij schieten op de Hollanders!” riep Johannes in het Dajaksch met luider stem. „Die kotta is thans door de oproerlingen bezet,” en zich tot zijn makkers wendende, riep hij, thans in het Hollandsch:„Vooruit! vooruit tegen die muiters!! Vuur! vuur!! op dat gebroed!”Op dat kommando schoot La Cueille de beide kanonstukjes af. Deze, zonder iemand kwaad te doen, lieten een langen vuurstraal in den stikdonkeren nacht flikkeren en een gedonder hooren, dat des te indrukwekkender was, daar het geknal tusschen die dicht begroeide oevers door de echo honderdvoudig herhaald werd. Johannes en Dalim hadden vier geweren te hunner beschikking, die zij achtervolgens in de richting van de versterking afvuurden en daarna weder snel laadden. De beide Zwitsers openden een snelvuur met hunne repeteer-geweren, dat wel moest doen gelooven, alsof een geheele macht, wel tienmaal sterker dan de aanvallers telden, in ’t strijdperk getreden was.Dat vuur werd een poos met alle hevigheid onderhouden en toen ongeveer een honderdtal patronen verschoten was, liet Johannes het staken. Geen geluid liet zich hooren. De Dajaksche bezetting, zoo onzacht uit den slaap gewekt, en toch al niet te kloekhartig tegenover vuurwapenen, was radeloos en in doodsangst opgevlogen en had—in stede van naar de wapenen te grijpen—in allerijl een heenkomen gezocht langs de achterdeur der versterking en hun toevlucht in de wildernis genomen. Met zooveel overhaasting was daarbij te werk gegaan, dat verscheidene dier dappere verdedigers bij het afdalen van de trap, die naar buiten toegang verleende, bijna den hals gebroken hadden. Wat die vlucht nog bespoedigd had, waren de Hollandsche kommando’s van Johannes, waardoor zij vermeenden[294]door Nederlanders aangevallen te worden. Het hevige vuur, dat hen in al zijn verschrikkelijkheid tegen donderde en tegen knetterde en de kogels, die hen om de ooren floten, lieten daaromtrent geen twijfel over; de schildwachten daarenboven verklaarden dat zij zeer duidelijk op de voorste prauw—want dat er een geheele flotille was, werd bij den algemeenen angst door niemand ontkend—een Nederlandsche vlag hadden zien waaien.Alles was nu doodstil in de versterking. Alleen heel ver in den boschrand werden nog angstkreten waargenomen. La Cueille stopte nu op ieder zijner geladen kanonnetjes een handvol geweerkogels, zette die met een goeden prop aan en vuurde in de richting af, van waar die stemmen vernomen werden. Die kogels vlogen suizend en fluitend door het bosch en verleenden vleugels aan de reeds zoo beangstigden.Johannes stapte nu aan wal, terwijl de overigen met het geweer in de hand gereed zaten om op ieder, die zich vertoonde, vuur te geven en zijn terugtocht te dekken. Maar weldra kwam hij terug met het bericht, dat de versterking verlaten was. Twee Dajaks bleven nu ter bewaking in de prauw, terwijl al de anderen op den oever sprongen. De Europeanen sloten dadelijk de achterdeur der versterking en drie hunner stelden zich doelmatig op, om iederen terugkeer der bezetting met nadruk tegen te gaan. Middelerwijl doorsnuffelden Johannes en Dalim met de overigen het nest. Zij legden de hand op de aanwezige geweerpatronen en het buskruit en brachten die munitie met behulp hunner pandelingen in de prauw. Zij namen ook de vier kanonstukjes, waarmede het fort bewapend was, in beslag, en de geweren, waarvan zij evenwel slechts een veertigtal vonden, terwijl er vijftig aanwezig moesten[295]zijn. Het was dus waarschijnlijk, dat de overigen door de wegloopers waren medegenomen.Toen men de geheele versterking doorzocht en nog eenige kleinigheden, waaronder een paar manden tabak, welke vondst veel genoegen deed, gekaapt had, greep Johannes een brandend stuk hout en stak dat in een grooten hoop takkebossen, die onder een afdak opgeschuurd lagen. Ongeloofelijk snel verspreidde zich het vuur en onze avonturiers moesten zich haasten hun vaartuig te bereiken en dat op stroom buiten gevaar te halen. Zij namen evenwel nog twee prauwen en een paar djoekoengs mede, die voor de versterking in een kleine kreek als in een haven te dobberen lagen, hakten in die vaartuigen een groot gat en lieten ze zinken. Toen hervatten zij hunne reis, terwijl de versterking lustig brandde en den stroom in het nachtelijk uur over zijn geheele breedte helder verlichtte.„Zie zoo! dat is illuminatie bij onzen doortocht,” riep Johannes vroolijk.„Maar is die illuminatie geen daad van baldadigheid?” vroeg Wienersdorf. „Was de aanval op die versterking daarenboven noodzakelijk? Me dunkt dat we best voorbij hadden kunnen varen, zonder dat ons iets gedeerd had. Op zijn ergst genomen, zouden we wat geweerschoten te verduren gehad hebben. Die waren in het nachtelijk duister van die schutters niet bijzonder gevaarlijk en met wat meerdere inspanning zouden we spoedig buiten bereik geweest zijn.”„Akkoord! We hadden wel voorbij kunnen komen; daaraan behoeft geen oogenblik getwijfeld te worden. Maar de gevolgen! vraag je af, wat de gevolgen zouden geweest zijn? Waren we voorbij kunnen komen, zonder ontdekt te zijn, voorzeker, dat ware wel het beste geweest. Maar nu die schildwacht ons gezien[296]had, bleef ons niet anders te handelen over, dan we gedaan hebben. Waren we voorbij gesneld, dan zouden ons morgen ochtend bij het krieken van den dag een vijf-en-twintigtal Dajaks op de hielen gezeten hebben, en het hoofd Patti Singa Djaja zou niet nagelaten hebben van zijn invloed gebruik te maken om de bevolking van de boven-Kapoeas tegen ons op de been te brengen; en dan … dan zou ik geen uitweg meer geweten hebben. Nu is de bezetting van Kwala Hiang in de wildernis verstrooid; zij is zonder vervoermiddelen en derhalve vrij hulpeloos. Maar al had zij prauwen, dan zou zij nog nalaten ons te vervolgen, ongewapend als zij is. De gelegenheid om onzen slag te slaan, was te mooi, dan dat ik die onbenut mocht laten voorbijgaan. Zoo midden in haar slaap opgeschrikt, is die bezetting uit elkaar gestoven of haar de drommel op de hielen zat. Ik zou durven wedden, dat zij geen enkelen gekwetste heeft; althans ik heb geen enkel spoor van bloed ontdekt.”„Daar ben ik dankbaar voor,” sprak Wienersdorf ernstig. „Onze desertie heeft al bloed genoeg gekost. Maar nu die brandstichting? die had kunnen nagelaten worden. Thans zwerven die ongelukkigen in de wildernis rond, beroofd van een onderkomen, aan het nijpendst gebrek ten prooi.”„Die brandstichting!” vloog Johannes terstond op. „Die brandstichting! Je hebt zulke krasse benamingen voor de dingen. Neen, die brandstichting heb ik niet kunnen nalaten. Het vereenigingspunt van die menschen moest hun ontnomen en zij zoo tot den aftocht gedwongen worden. Die versterking is met Hollandsch geld gebouwd en bewapend. Door haar te verbranden, hebben we niemand benadeeld dan een Regeering waartegen we in openbaar verzet zijn en die dat verlies wel zal kunnen dragen. Wat de ongelukkigen betreft, die volgens je uitdrukking nu in[297]de wildernis ronddolen, beroofd van een onderkomen en aan het nijpendst gebrek ten prooi, die zullen zich daaruit wel redden. Een Dajak lijdt geen gebrek in zijn wouden. En om een onderkomen heeft hij zich, in een luchtgestel als dit, al weinig te bekommeren. Vraag eens aan Dalim of hij er erg tegen op zou zien om van hier naar Kwala Kapoeas over land terug te keeren. Hij zal tal van moeielijkheden opsommen, tegen welker opruiming zijn luiheid zich verzetten zou, maar van gebrek lijden zou hij geen woord reppen; nog minder zou hij op het gemis van een onderkomen wijzen. Neen, ik blijf bij mijn beweren, de bemachtiging van die versterking was in de gegeven omstandigheden gebiedend noodzakelijk en hare verbranding niet minder.”Johannes had met vuur en overtuiging gesproken en toch kon hij niet weten, dat die overrompeling nog een anderen en meer ingrijpenden invloed op hunne vlucht zoude hebben, dan hij bedoelde. Hij besprak slechts de onmiddellijke gevolgen, die onder het bereik zijner berekeningen lagen, terwijl op hetzelfde oogenblik een ander gevaar, veel grooter dan dat, waardoor zij zich thans heengeslagen hadden, hen op de hielen zat.De kommandant van Kwala Kapoeas, de lezers weten het, had daags na het vertrek van Damboeng Papoendeh bevelen gegeven, dat het districtshoofd met vijftig gewapende Dajaks gereed zoude staan, hem bij een tocht naar deboven-Kapoeaste vergezellen. De gezaghebbersprauw, een fraai, rank en ruim vaartuig werd in gereedheid gebracht en van het noodige voorzien; en op het aangeduide uur aanvaardde die officier den tocht, na den dokter op het hart gedrukt te hebben goed waakzaam te zijn en hem zoo veel doenlijk op de hoogte van alle merkwaardige voorvallen te houden.Een bezoek aan soengei Naning gaf niet veel licht.[298]Onze bekende Ali Bahar vluchtte de wildernis in, toen die fraaie „kaloeloes” (staatsieprauw), waarboven de Nederlandsche vlag wapperde, en die door een groot aantal roeiers voortgedreven werd, zijn woning naderde. Zijn vrouw, Indoe Soemping was dermate door dat bezoek verschrikt, dat zij, hoe welwillend de Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara haar ook toesprak, geen inlichtingen kon verschaffen. Wel erkende zij, dat Dalim met twee Kwala-Kapoeassers ten haren huize geweest waren, maar van den Sjech, die hare kinderen besneden had en boos geworden was, omdat hem varkensvleesch was voorgezet, en van den Pangareran, die hen van een vraatzuchtigen kaaiman verlost had, haspelde zij zulk een verward verhaal door elkander, dat er niet uit wijs te worden was. Hardnekkig bleef zij daarbij volhouden, dat zij geen blanken bespeurd had. Er werd nog een vergeefsche poging aangewend, om Ali Bahar in de wildernis te achterhalen en van hem iets duidelijkers te erlangen. Maar toen die opgegeven moest worden, werd de reis voortgezet.Te soengei Mantangei waren de berichten niet duidelijker. Men kon niet meer verhalen dan wat er gebeurd was. En toch werd nog een verhaal geleverd, dat te verwarder en te ingewikkelder klonk, naar mate meer personen zich beijverden het te verduidelijken en te vertellen, wat zij gezien hadden en ook wat zij vermeenden gezien te hebben. Vooral de vrouwen waren daarbij uiterst breedsprakig, zonder evenwel veel mede te deelen. Maar allen kwamen ook hier daarin overeen, dat men geene blanken bespeurd had. Wat hier de onzekerheid ten top voerde, was de verzekering, dat Damboeng Papoendeh een paar dagen geleden met drie prauwen hier was geweest, dat hij een onderzoek ingesteld had, waarna hij de soengei Mantangei opgestevend was, terwijl niemand[299]kon bevestigen die prauwen te hebben zien terugkeeren. Dit gaf aanleiding tot een langdurige wisseling van gedachten, waarbij het oude districtshoofd van Kwala Kapoeas geheel van gevoelen met den officier verschilde en dat vrijmoedig bekend stelde. Hij weersprak niet, dat Damboeng Papoendeh de soengei Mantangei opgestevend was, maar wel dat de vluchtelingen daarlangs een uitkomst zouden gezocht hebben. Hij wist dat Dalim in de Doessonstreken een vreemdeling was, daarentegen zich in de Kapoeas geheel en al te huis kon rekenen. Eindelijk na lang aarzelen werd besloten deze laatste rivier tot KwalaYbangop te roeien, daar berichten in te winnen en, versterkt met een gedeelte van de bezetting van dat fortje, naar omstandigheden te handelen. Het was al reeds een groote teleurstelling niet op de macht onder Damboeng Papoendeh met zekerheid te kunnen rekenen.„Mijnheer zal zien,” sprak de oude Tomonggong, „dat wij zoo den besten weg kiezen. ’t Is onmogelijk dat de vluchtelingen langs de Doesson zullen trachten te ontsnappen. Daar zijn zij hun leven geen oogenblik zeker.”„Ik mag lijden dat je gelijk hebt,” antwoordde de officier, „ik vind het onaangenaam zoo in den blinde rond te moeten tasten.”De reis werd hervat; maar eerst bij Pendek Katiempoen werden de eerste berichten, die men vertrouwen kon, ingewonnen. De prauwen van Damboeng Papoendeh waren daar aangekomen; maar de lijders bevonden zich nog in zoo’n deerniswaardigen toestand, dat van hen niets te vernemen viel. De roeiers deelden mede wat zij wisten; hoe zij eens in het holst van den nacht een zwaar geweervuur gehoord hadden, hetgeen een bezoek aan Danau Ampang ten gevolge had gehad; verder vertelden zij van den bijenaanval en eindelijk van den bijstand dien Bapa Andong[300]en de lieden van zijn vlot aan de lijders geboden hadden. Maar dat alles verspreidde zeer weinig licht, want ook deze menschen ontkenden ten stelligste, dat zij blanken gezien hadden. Wat evenwel den Tomonggong en ook den luitenant de wenkbrauwen deed fronsen, was de mededeeling, dat een forsch gebouwde Dajak, na de lijders zorgvuldig verpleegd te hebben, de twee Nederlandsche vlaggen van de prauwen ingehaald en medegenomen had. Ook de schriftelijke instructie, aan Damboeng Papoendeh medegegeven, was nergens te vinden, hoewel niemand kon verzekeren, dat die ontvreemd was.De luitenant en het districtshoofd keken elkander een poos aan. Zij konden hunne gedachten geen vorm geven en zagen er van af die mede te deelen. De officier besloot evenwel den tocht tot Kwala Ybang voort te zetten. Hij hield zich overtuigd, dat zij daar meer zouden vernemen.Niet ver boven Pendek Katiempoen werd het vlot van Bapa Andong ontmoet. Deze, met het wantrouwende karakter, den Oosterling eigen, gaf niets dan ontwijkende antwoorden. Van Europeanen wist hij hoegenaamd niets. Toen hij ondervraagd werd over het geweervuur, dat door de volgelingen van Damboeng Papoendeh vernomen was, legde hij een soort van verbazing aan den dag. Met het onschuldigste gezicht van de wereld, gaf hij te kennen, dat hij daar niets van gehoord had en verhaalde verder dat hij bij zijn strijd tegen de koppensnellers, hulp had erlangd van de opvarenden eener handelsprauw die, met een jachtgeweer een paar schoten gelost hadden. Toen op dat geweervuur verder en met allen ernst aangedrongen werd, gaf hij leuk ten antwoord, dat hij niet begreep, wat de toean kommandant bedoelde. Hij kon alleen mededeelen, dat zijne lieden om de muskieten te verdrijven, een groot vuur gestookt en dat met bamboestengels[301]onderhouden hadden. Waarschijnlijk had het knappen van de bamboe aanleiding tot de meening gegeven, dat er hevig geschoten werd. Nu ontstaat er werkelijk bij het verbranden van bamboe, door de verhitte lucht die in de holle pijpstengels van dat riet de geledingen doet uit elkander springen, een sterk knappend geluid, dat, op een afstand gehoord, veel overeenkomst heeft met wild door elkander geloste geweer- en pistoolschoten.Of de luitenant dat verzinsel geloofde? Hij zag er van af, of beter, hij nam den tijd niet, het onderzoek verder voort te zetten. Het zou hem ook bitter weinig gegeven hebben, daar het onderhoud met Bapa Andong op het vlot ten aanhoore zijner pandelingen had plaats gegrepen en deze zich wel gewacht zouden hebben hun meester tegen te spreken.Voort, voort ging het weer. Altijd noordwaarts de Kapoeas op.Het was omstreeks het middaguur toen de opvarenden van de staatsieprauw de monding der soengei Ybang in het gezicht kregen; maar hoe zij ook uitkeken, van de versterking, die tegenover die monding gelegen en haar beheerscht had, was niets te ontdekken.„Wat drommel!” riep de luitenant verbaasd uit, „waar is de kotta gebleven?”„Ik kijk er ook naar,” was het antwoord van den Tomonggong, „ik begrijp er niets van. Dáár, dáár heeft zij gestaan!”En bij die woorden wees hij met den vinger in de richting, waar hij meende de versterking te moeten zoeken. Toen zij al nader en nader gekomen waren, zagen de reizigers eenige zwart verkoolde stronken staan, die de plek nauwkeurig aanduidden, waar eenmaal de kotta stond; ook zagen zij nog een lichten rook uit de nog[302]smeulende puinhoopen omhoog kronkelen. Het was duidelijk, de benting was afgebrand. Maar.… was dat slechts een ongeval door onhandigheid of onvoorzichtigheid veroorzaakt? of zat daar meer achter?Terwijl de luitenant en het districtshoofd daarover beraadslaagden, knetterden plotseling een paar schoten van achter de struiken en veroorzaakten de fluitende kogels een wezenlijk panischen schrik onder de Dajaksche opvarenden van de staatsieprauw. De Tomonggong greep zijn jachtgeweer, de officier zijn revolver en hielden zich gereed. Maar de roeiers sloegen zonder bevel de pagaaien ruggelings te water, zoodat de prauw bijna onmiddellijk door den stroom teruggevoerd werd en het geheel veel op een aftocht geleek. Daar evenwel op den oever alles rustig bleef, was die paniek spoedig genoeg bedaard. Kalm als altijd, maar toch behoedzaam stapte het oude districtshoofd alleen en ongewapend aan den wal en verhief luide zijne stem om te roepen, dat niemand eenig leed zoude geschieden. Aanvankelijk had zijn toeroepen weinig gevolg, maar eindelijk toch werd dat geroep beantwoord en, na lang dralen, kwam het hoofd van Kwala Hiang Tomonggong Patti Singa Djaja, maar toch nog schoorvoetende uit het dichte bosch te voorschijn. Hij was uitermate verbitterd op de Nederlanders. Hij noemde hen verraders, sluipmoordenaars, landstroopers en wat niet al. De man kon geen uitdrukkingen krachtig genoeg vinden om aan zijn verontwaardiging lucht te geven. De bedaarde Nikodemus liet hem uitrazen; maar toen gebrek aan adem den verwoede noodzaakte den vloed van scheldnamen af te breken, begon hij hem aan het verstand te brengen, dat hij zich had laten verschalken en de Hollanders aan niets schuld hadden. Hij deelde hem mede, dat de kommandant van Kwala Kapoeas aan boord der staatsieprauw[303]was en bracht het zoo ver, dat het hem gelukte den beangstigde over te halen dien officier te ontmoeten.Het verhaal van het gebeurde werd toen vlug genoeg geleverd en toen hij inzag, dat hij beet genomen was, bleef het hoofd niet in gebreke de geschiedenis aanmerkelijk te overdrijven. Zoo was de aanval door een tiental prauwen met minstens een paar honderd strijders bemand, volvoerd; de versterking was heftig door kanon- en geweervuur geteisterd geworden en het was niet, dan nadat de palissadeering vernield was, dat de bezetting de wijk genomen had. Hij twijfelde er niet aan of velen zijner ondergeschikten waren gevallen; want slechts weinigen hadden zich in de wildernis om hem geschaard. Dat woord „kanonvuur” deed den officier ongeloovig glimlachen; want al gaf hij toe, dat geweervuur weerklonken had, waar van daan zouden de deserteurs kanonnen gehaald hebben? Toch bevestigden alle ooggetuigen, die Patti Singa Djaja bijbracht, dat herhaaldelijk met kanon op hen gevuurd was en dat hen bij hunne vlucht nog een hagelbui „anak pelor” (kartetskogels) nagezonden was, wat toch niet anders dan met grof geschut kon geschieden. De luitenant fronste de wenkbrauwen en trok de schouders omhoog. Hij wist niet wat te gelooven. Dat was zeker, dat hij ditmaal op het spoor der deserteurs was; want uit al die verwarde verhalen bleek ontegenzeggelijk dat er Hollandsche kommando’s waren gehoord. Maar wat nu te doen? Dat was een allergewichtigste vraag. Die kerels stelden zich aan als razende Rolands en waren geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken. Daar tegenover had de officier de volle maat erlangd van hetgeen hij van zijn Dajaksche metgezellen te verwachten had. Een paar schoten, die hun over het hoofd gesuisd hadden, waren voldoende geweest, om hen te doen deinzen. Het speet hem nu,[304]dat hij niet een tiental soldaten medegenomen had, dan ware er een kern, die pal zoude staan. Maar de voorzichtigheid had hem dat doen nalaten. Het fortje te Kwala Kapoeas was toch al zoo zwak bezet. Hij peinsde en peinsde. Hij gevoelde zich als de bevelhebber eener belegerde sterkte. Al is die door nog zulk een groote overmacht omsingeld, hij mag haar niet overgeven of zij moet minstens een storm doorstaan hebben. Dat gebieden plicht en eer. Hier ook. Hij begreep dat hij verreweg in de minderheid was, niet in getal, maar in zedelijke waarde der horden, die hij tegen de vluchtelingen zou kunnen aanvoeren. Ook de bewapening zijner tegenstanders was beter, al trok hij ook de schouders op voor de berichten omtrent kanonvuur. En wat hem niet het minste teleurstelling baarde, zijne verwachtingen om de bezetting van Kwala Hiang met hare wapens gedeeltelijk te kunnen bezigen, waren gefaald. In een woord, hij stond daar vrij hulpeloos tegenover die mannen, die voor hunne vrijheid, het dierbaarst goed, streden en daarvoor alles veil hadden. Toch wilde hij de poging niet opgeven. Hij zou het onmogelijke trachten te doen en wie weet of niet het een of ander toeval hem alle kansen in handen zoude voeren.Dat waren de gedachten, die hem het brein doorkruisten. Hij beraadslaagde met het districtshoofd, ook met het hoofd van Kwala Hiang en er werd overeen gekomen, dat men tot kotta Baroe zoude doorroeien. Daar zouden zij de bevolking te wapen roepen. Op een paar honderd man viel al licht te rekenen en met die macht, versterkt door hetgeen van de bezetting van Kwala Hiang verzameld was kunnen worden, waaronder eenige met geweren, maar met slechts een beperkt aantal patronen, zoude een ernstige poging gewaagd kunnen worden om de deserteurs in handen te krijgen. Andere meer uitgewerkte[305]plannen, van hetgeen hun te doen of te laten viel, waren in de gegeven omstandigheden niet te ontwerpen.Middelerwijl hadden de deserteurs ook niet stil gezeten. Wel konden zij niet gissen, dat het gevaar zoo nabij was. Zij verlangden slechts de bovenlanden te bereiken. Hoe grooter de afstand was, die hen van de onmiddellijke onderhoorigheden der Nederlanders scheidde, des te veiliger zouden zij zijn; want dat gevoelden allen: met den afstand klommen ook de bezwaren voor hunne vervolgers in toenemende rede bij hunne pogingen om hen in handen te krijgen. Het ergste was reeds achter den rug, meenden zij; met nog wat inspanning zouden zij van dien kant niet veel meer te duchten hebben. Vlijtig werd dan ook voortgeroeid en toen de dag aan den hemel verscheen, was zelfs de opstijgende rook van de brandende kotta Kwala Hiang niet meer te bespeuren.Bij een der menigvuldige zandplaten, die in dit gedeelte der rivier de uitspringende hoeken welke zij vormt, omzoomen, werd aangelegd en nu beijverden zich de reizigers hun maal te bereiden en zich door een bad in de kristalheldere rivier te verfrisschen en te versterken.Na die verfrissching en terwijl de rijst gaar kookte, zaten de Dajaks van het gezelschap in een kringetje en bespraken de gebeurtenissen van de laatste dagen. Met een zeker ontzag keken zij tegen die vier kerels op, die er bruin uitzagen als een hunner, die in hun omgang zoo eenvoudig en hartelijk waren, maar die toch, als hun moeielijkheden in den weg traden, als halve duivels te werk gingen. Dat gevecht aan boord van het vlot en dan dat koene ondernemen tegen de kotta Hiang vooral, hadden diepen indruk nagelaten. Zij lachten dat zij schudden bij de gedachte hoe hunne landgenooten het hazenpad gekozen hadden en zij waren onuitputtelijk in[306]het aanhalen van bijzonderheden, welke die overrompeling gekenmerkt hadden.De Europeanen van hun kant hadden zich in een groepje op het helder witte zand uitgestrekt en verlustigden zich de ledematen eens goed te kunnen uitrekken, iets wat in die enge prauw niet wel doenlijk was. Een oogenblik hadden ook hen de laatste gebeurtenissen bezig gehouden, maar dat was slechts kort geweest. Wat hen thans voornamelijk boeide, was de prachtige ochtendstond, die hen omgaf, die den hemel en de toppen van het woud verguldde en de rivier onder de weerkaatsing van dien purpervloed, aan een stroom vloeibaar goud gelijk deed zijn. Het morgenrood van het Oosten uitgegaan, en eerst een onbeduidende streep van het zachtste rozenrood, had langzamerhand het geheele uitspansel met een liefelijk rosé overtogen, dat gaandeweg donkerder werd, naarmate de dagvorstin den gezichteinder meer nabij kwam, om eindelijk daar boven te stijgen. De natuur was stil en als eerbiedig opgetogen in dien plechtigen stond, die bijna dagelijks in dezelfde pracht wederkeert en toch door zoo weinige redelijke en denkende wezens genoten wordt. Geen zuchtje verhief zich, geen blad ritselde en gedurende die plechtige stilte murmelde slechts het zachte geklater der rivier, als prevelde zij een gebed tot verheerlijking en innigen dank. Het zoo kleurrijke hemelgewelf was langzamerhand in het schitterendste purper overgegaan; nog een poos en in het Oosten teekende zich te midden van die kleurenpracht een stip die weergaloos helder blonk. Die stip werd grooter en grooter, en eindelijk was het een groote vurige bol, die boven den horizon geklommen was en nu niet meer de toppen der boomen in goud tooide, maar tusschen takken en bladeren doordrong, het nachtelijk duister verdreef en alom licht en leven tot in de somberste hoeken van het woud verspreidde.[307]In vlammende trekken vertelden de hemelen de natuurwonderen in zulk een indrukwekkende taal als alleen te midden van een tropisch woud gesproken en verstaan kan worden.Naarmate de zon boven den horizon klom, nam de purperkleur af. Langzamerhand baadden hare stralen alles in een rein helder wit licht, terwijl het hemelgewelf zich in het fraaiste azuur, de kleur van het onbegrensde, hulde. Bij de algeheele windstilte, die tusschen de keerkringen gewoonlijk de eerste uren van den nieuw geboren dag vergezelt, teekende zich nu op het blauw des hemels een natuurverschijnsel, dat, hoewel niet zeldzaam op Borneo, toch op verre na niet dagelijks voorkomt. Vlak boven hunne hoofden zagen onze avonturiers een band ontstaan van uiterst fijne vederwolkjes, die zich van noord naar zuid uitstrekkende, al de bochten en kronkelingen der rivier vertoonde. Naarmate de purperkleur verbleekte, trad die band meer bestemd voor het oog. Het was alsof een reusachtige kaart van den stroom hier beneden, zich daarboven ontrolde, waarop de rivier als een zilverlint op een blauwen achtergrond aangeduid stond. De oevers van het beeld der Kapoeas waren scherp begrensd; al de soengei’s, die haar toevloeien, waren met hare kronkelingen en bochten helder aangeduid; zelfs de meren en plassen, langs de boorden der rivier, lagen daar duidelijk voor oogen en naar het noorden nam de zilveren band zichtbaar af en naar het zuiden in breedte toe, tot het beeld den boschrand bij den gezichteinder raakte en zich in den aether verloor. Aan die hydrographische teekening ontbrak alleen maar, dat in een der hoeken met kolossale letters gegriffeld had gestaan: „schaal op natuurlijke grootte” en in een anderen: „Deus sculpsit,” om haar volmaakt te kunnen heeten.[308]Met verbazing staarden onze reizigers hemelwaarts.„Bewonderenswaardig mooi!” riep Wienersdorf eindelijk na een lang stilzwijgen uit. „De kaarten van Otto Petri zijn er niets bij.”„Prachtig! prachtig!” stemde Schlickeisen in, er met geestdrift bijvoegende: „Zoo verkondigen de hemelen de heerlijkheid en almacht des Heeren!”„Ik heb die verschijning meermalen gezien, evenwel nimmer fraaier en duidelijker dan thans,” sprak Johannes. „Eens evenwel heb ik het bijgewoond, dat niet alleen de afbeeldingen van de Kapoeas, maar ook die van de aan haar evenwijdig vloeiende Doesson en Kahaian waar te nemen waren.Het beeld vertoonde zich toen veel hooger dan dit schijnt. Het was bij gelegenheid dat het stoomsleepertje „Kapitein Van Os” in de eerste helft van 1860 een verkenningstocht op de Kapoeas maakte. We bevonden ons des morgens, ook zoo omtrent dit uur, ter hoogte van de eilandengroep Poeloe Teloe. ’t Was een verrukkelijk gezicht, zoo als die drie stroomen daar afgebeeld stonden. Alleen de linker soengei’s van de Doesson en de rechter van de Kahaian waren minder duidelijk; zij liepen, door het welven van het hemeldak, bij den gezichteinder eenigszins in elkander. Overigens was alles prachtig gedetailleerd en waren zelfs de eilandjes, die Poeloe Teloe vormen, als blauwe openingen in den zilveren band zichtbaar.”„Hoe zou zulk een teekening ontstaan?” vroeg La Cueille.„Daar zit ik al over te peinzen,” antwoordde Wienersdorf, „ik zal trachten je duidelijk te maken, hoe ik me die vorming voorstel. De groote verdamping, waaraan de watermassa onder den invloed van de keerkringszon op den moerassigen bodem van Borneo bloot staat, heeft de vorming van meer wolken ten gevolge, dan wel ergens[309]op aarde plaats heeft. Het eerste wat we gewoonlijk hier zoowel als overal waarnemen, wanneer bij het doorkomen van de eerste zonnestralen de nachtelijke nevels optrekken, is de vorming van vederwolken. Deze, door de geleerden Cirrhi genaamd, verschijnen heel hoog in de lucht en zien er uit als afhangende veeren, ook wel als bijna onzichtbare parallelle draden van een zeer fijn netvormig weefsel. Ze doen zich ook soms voor als banden in den vorm van fijne houtkrullen en worden dan niet oneigenaardig met een onbedwongen haarlok vergeleken. Heeft een groote verdamping plaats, dan ronden die vederwolken zich af en vormen half bolvormige massa’s als opgehoopt op een waterpas grondvlak, die dan schapen- ook wel stapelwolken, Cumuli genoemd worden. In den regel vormen deze zich omstreeks het middaguur, om tegen zonsondergang te verdwijnen. Is dit laatste niet het geval en heeft verdere uitdamping plaats, dan vervormen de Cumuli zich tot Nimbi of regenwolken of tot Strati of schichtwolken, die zich in dikke horizontale lagen langs het hemelgewelf uitspreiden en regen of onweder aanbrengen. Dit is in het algemeen de wolkenvorming. Ik stel mij nu voor, dat bij zeer droge en volmaakt stille lucht, de dampen, die steeds boven iedere watervlakte gevormd worden, loodrecht omhoog stijgen, zich, in hoogere lagen aangekomen, verdichten en de vederwolkjes vormen, die we daar boven aanschouwen. Is het nu in die bovenlagen van den dampkring ook volmaakt stil, dan zullen die vederwolkjes zich boven de watervlakte, waaruit ze ontstonden, samenpakken en zoo het afbeeldsel van die watervlakte vormen. Gaat de verdamping voort en blijven de luchtdeelen in rust, dat wil zeggen, dat ze niet in zijdelingsche beweging geraken, dan zal de teekening op het blauwe grondvlak al scherper en duidelijker[310]uitkomen; maar eindelijk zullen de Cirrhi in Cumuli overgaan en weldra de grenzen der teekening verbreken en door elkander dwarrelen. Of een windje verheft zich en de vederwolken zullen onder dien drang wijken om hare fijne en breede pluimen volgens de windrichting te scharen. Ziet, zooals ginds reeds gebeurt, dáár, waar ge die opening in den rivierband reeds kunt zien en waar de vederbossen in de richting van het noordwesten beginnen te wijken, waaruit we gevoeglijk kunnen afleiden, dat weldra, althans in de bovenlagen een zuidoostelijke wind zal doorwaaien.”„Mooi verklaard,” betuigde Schlickeisen, „maar alvorens ik onzen kameraad mijn dank betuig, wenschte ik nog een opheldering. Zoo even is gezegd, dat bij de verdamping, die zich boven iedere wateroppervlakte vormt, vederwolken ontstaan. Maar het geheele gedeelte van Borneo, waar we ons nu nog bevinden, tot aan de zuidkust toe, kan aangemerkt worden als een samenhangende watervlakte te vormen, zoo moerassig is het. Heeft nu de vorming plaats, zooals gij uitgelegd hebt, dan zou geen beeld eener rivier of van een stroomgebied zich afteekenen, maar dan zou het geheele uitspansel zich met een net van vederwolken bedekken.”„Jawel,” viel hem hier Wienersdorf nog al onstuimig in de rede, „dat zou het ook, als de verdamping boven die moerasgronden ongestoord plaats vond; als die in andere woorden daar kon geschieden, zooals dat boven de rivieren en meren gebeurt. Maar, boven dat moeras spreidt zich het dichte loof van het maagdelijke woud uit en vormt als het ware een beschermend dak, dat weinig of niets doorlaat. Des nachts koelen de takken, maar voornamelijk de bladeren sterk af, de opstijgende damp condenseert zich of slaat daarop neer, zooals men dat noemt, evenals de vochtdeelen uit de omringende[311]lucht in een verwarmd vertrek zich op de wanden van een glas met kilkoud water gevuld, neerzetten. Ge ziet het, takken en loof zijn met overvloedigen dauw overdekt. Die dauw zou vederwolken gevormd hebben, als hij omhoog had kunnen trekken. Straks zal hij wel verdampen, wanneer takken en bladeren zich, onder den invloed van de minder schuine zonnestralen, met den warmtegraad der omringende luchtdeelen in evenwicht zullen gesteld hebben. Ten opzichte van die verdamping dus, vormt het woud als het ware een horizontaal dak, een vlak dat boven de rivieren, soengei’s, spruiten, meren, enz. uitgeknipt zou zijn, om de vervluchtigde waterdeelen in de morgenuren door te laten, terwijl die dan elders weerhouden worden. Ik hoop, dat die uitleg proefhoudend zal bevonden worden, voor mij ten minste is hij voldoende om mij het ontstaan der prachtige teekening, die we straks bewonderd hebben, maar die nu reeds verdwenen en onder den invloed van den zuidoostenwind uitgewischt is, te verklaren.”„Ten volle neem ik genoegen met die toelichting en verklaar mij daardoor bevredigd,” betuigde Schlickeisen.„Als dat zoo is, dan betuig ik mijn dank voor de duidelijke en zakelijke voordracht,” sprak Johannes, „maar de rijst is gaar; onze Dajaks hebben ze reeds in portie’s afgedeeld en in breede bladeren gewikkeld. Straks zullen we met smaak kunnen eten. Dus ieder op zijn plaats in de prauw en de pagaaien ter hand genomen. Er mag geen tijd verloren gaan; we zullen trachten heden nog kotta Baroe te bereiken.”[312]

Drie dagen en twee nachten waren voorbijgegaan zonder dat onze vluchtelingen eenige ontmoeting op hunne reis hadden. Het was of het eiland uitgestorven was. In al dien tijd hadden zij geen menschelijk wezen gezien, geen enkel vaartuig ontwaard en, hoe zij ook uitgekeken hadden, zelfs geen rookspiraal waargenomen, die van uit het dichte bosch ten hemel kronkelende, hen aangeduid zoude hebben, dat daar een hutje stond, waar natuurgenooten den strijd des levens streden. Had zich van tijd tot tijd niet een troep apen schuchter aan den boschrand vertoond, om onder het slaken van een angstkreet, maar toch met koddige gebaren in het donkere groen te verdwijnen; had soms niet eens een kolossale visch de oppervlakte des waters met zijn staart gegeeseld, zij hadden kunnen gelooven, dat ook het dierlijk leven van Borneo geweken was. Niets was hun voor oogen gekomen dan het beperkte uitzicht op de immer meer en meer kronkelende rivier, aan welker boorden het dichte loof zich als een ondoordringbaar woud verhief en, als ware het jaloersch, niet gedoogde een blik op het daarachter gelegen terrein te slaan.[291]

Rusteloos hadden de deserteurs voortgeroeid. Voort! altijd voort! Door Dalim bestuurd, was de prauw verscheidene antassans doorgevaren en had zoo vele groote kronkelingen der rivier afgesneden, waardoor in afstand aanmerkelijk was gewonnen. De derde nacht was ook reeds voor de grootste helft voorbijgegaan, toen de reizigers Kwala Hiang naderden.

De soengei Hiang is een linkerzijrivier van de Kapoeas, die bij hare uitwatering in dien stroom een aanmerkelijke breedte heeft en deze nog een paar dagen roeiens opwaarts behoudt. Die soengei ontspringt uit een uitgestrekt moeras, dat, tusschen de Doesson en Kapoeas gelegen, bovendien een andere uitwatering in eerstgenoemden stroom heeft. Na de overmeestering van het stoomschip Onrust op de boven-Doesson, lag het voor de hand, dat de vijandelijke stammen uit die streken strooptochten in de Kapoeas-landen zouden ondernemen. Om dat tegen te gaan, werd van wege het Nederlandsche bestuur aan de uitwatering van de Hiang een kleine Dajaksche versterking gebouwd, waarop een viertal kleine kanonstukjes geplant werden, en die door een vijftigtal Dajaks van Kwala Kapoeas, met geweren gewapend, bezet werden.

Dalim had al verscheidene malen een fluisterend gesprek met Johannes gevoerd, waarbij hij steeds op het hachelijke gewezen had, die versterking voorbij te varen. Wel viel er niet aan te denken, dat daar reeds kennis zou gegeven zijn van de vlucht der vier Europeesche soldaten; daartoe had volgens ieders berekening de tijd ontbroken. Maar Dalim en zijn Dajaksche makker stonden onder opzicht der politie. Ieder der aanwezigen te Kwala Hiang zou hen herkennen en met het hoofd aldaar, Tomonggong Patti Singa Djaja viel niet te gekscheren. Indien die hen herkende, zou hij hen zeker[292]opvatten. En aan ontwijken viel niet te denken; daar bestond geen antassan, waarlangs een bocht der hoofdrivier kon afgesneden worden.

Johannes zat lang te peinzen; eindelijk opperde hij als zijn meening, dat men trachten moest Kwala Hiang in het holst van den nacht, liefst na het middernachtuur te bereiken. Het was dan zeer waarschijnlijk, dat de Dajaksche bezetting in diepen slaap zoude gedompeld zijn en de prauw ongemerkt zouden kunnen voorbij sluipen. Lukte dat niet en waren de uitgezette schildwachten waakzaam, dan moest naar omstandigheden gehandeld worden. Zoo werd besloten. Onmiddellijk na dat besluit hielden La Cueille en Johannes zich onledig met de beide kleine kanonstukjes, van soengei Naning medegenomen, op een paar stevige stukken hout met de rottanlussen te bevestigen met de monding buiten boord. Beide stukjes werden met los kruit geladen, waarop een flinke prop gezet werd.

Het was stikdonker toen men de versterking naderde, de pagaaien werden uiterst voorzichtig gehanteerd, zóó dat zij het boord der prauw niet raakten en geen leven maakten. Dalim stuurde het vaartuig onder langs den dichtbegroeiden oever, waarop de versterking lag. Langzaam werd voortgestevend en eindelijk was men de grens van het woud genaderd; nog eenige roeislagen en het vaartuig trad den kring binnen van de onbeschutte strook, alwaar de oever schoongekapt was, om vrij uitzicht aan de wachthebbenden te verleenen. Plotseling weerklonk een stem:

„Jèï! narai gawim kantoh olo toh kea?” (He, wat komen die menschen hier doen?) En voor dat er een antwoord op gegeven kon worden, knalde een schot, waarvan de kogel door de dakbedekking der prauw heenvloog.

De teerling was geworpen.[293]

„Zij schieten op de Hollanders!” riep Johannes in het Dajaksch met luider stem. „Die kotta is thans door de oproerlingen bezet,” en zich tot zijn makkers wendende, riep hij, thans in het Hollandsch:

„Vooruit! vooruit tegen die muiters!! Vuur! vuur!! op dat gebroed!”

Op dat kommando schoot La Cueille de beide kanonstukjes af. Deze, zonder iemand kwaad te doen, lieten een langen vuurstraal in den stikdonkeren nacht flikkeren en een gedonder hooren, dat des te indrukwekkender was, daar het geknal tusschen die dicht begroeide oevers door de echo honderdvoudig herhaald werd. Johannes en Dalim hadden vier geweren te hunner beschikking, die zij achtervolgens in de richting van de versterking afvuurden en daarna weder snel laadden. De beide Zwitsers openden een snelvuur met hunne repeteer-geweren, dat wel moest doen gelooven, alsof een geheele macht, wel tienmaal sterker dan de aanvallers telden, in ’t strijdperk getreden was.

Dat vuur werd een poos met alle hevigheid onderhouden en toen ongeveer een honderdtal patronen verschoten was, liet Johannes het staken. Geen geluid liet zich hooren. De Dajaksche bezetting, zoo onzacht uit den slaap gewekt, en toch al niet te kloekhartig tegenover vuurwapenen, was radeloos en in doodsangst opgevlogen en had—in stede van naar de wapenen te grijpen—in allerijl een heenkomen gezocht langs de achterdeur der versterking en hun toevlucht in de wildernis genomen. Met zooveel overhaasting was daarbij te werk gegaan, dat verscheidene dier dappere verdedigers bij het afdalen van de trap, die naar buiten toegang verleende, bijna den hals gebroken hadden. Wat die vlucht nog bespoedigd had, waren de Hollandsche kommando’s van Johannes, waardoor zij vermeenden[294]door Nederlanders aangevallen te worden. Het hevige vuur, dat hen in al zijn verschrikkelijkheid tegen donderde en tegen knetterde en de kogels, die hen om de ooren floten, lieten daaromtrent geen twijfel over; de schildwachten daarenboven verklaarden dat zij zeer duidelijk op de voorste prauw—want dat er een geheele flotille was, werd bij den algemeenen angst door niemand ontkend—een Nederlandsche vlag hadden zien waaien.

Alles was nu doodstil in de versterking. Alleen heel ver in den boschrand werden nog angstkreten waargenomen. La Cueille stopte nu op ieder zijner geladen kanonnetjes een handvol geweerkogels, zette die met een goeden prop aan en vuurde in de richting af, van waar die stemmen vernomen werden. Die kogels vlogen suizend en fluitend door het bosch en verleenden vleugels aan de reeds zoo beangstigden.

Johannes stapte nu aan wal, terwijl de overigen met het geweer in de hand gereed zaten om op ieder, die zich vertoonde, vuur te geven en zijn terugtocht te dekken. Maar weldra kwam hij terug met het bericht, dat de versterking verlaten was. Twee Dajaks bleven nu ter bewaking in de prauw, terwijl al de anderen op den oever sprongen. De Europeanen sloten dadelijk de achterdeur der versterking en drie hunner stelden zich doelmatig op, om iederen terugkeer der bezetting met nadruk tegen te gaan. Middelerwijl doorsnuffelden Johannes en Dalim met de overigen het nest. Zij legden de hand op de aanwezige geweerpatronen en het buskruit en brachten die munitie met behulp hunner pandelingen in de prauw. Zij namen ook de vier kanonstukjes, waarmede het fort bewapend was, in beslag, en de geweren, waarvan zij evenwel slechts een veertigtal vonden, terwijl er vijftig aanwezig moesten[295]zijn. Het was dus waarschijnlijk, dat de overigen door de wegloopers waren medegenomen.

Toen men de geheele versterking doorzocht en nog eenige kleinigheden, waaronder een paar manden tabak, welke vondst veel genoegen deed, gekaapt had, greep Johannes een brandend stuk hout en stak dat in een grooten hoop takkebossen, die onder een afdak opgeschuurd lagen. Ongeloofelijk snel verspreidde zich het vuur en onze avonturiers moesten zich haasten hun vaartuig te bereiken en dat op stroom buiten gevaar te halen. Zij namen evenwel nog twee prauwen en een paar djoekoengs mede, die voor de versterking in een kleine kreek als in een haven te dobberen lagen, hakten in die vaartuigen een groot gat en lieten ze zinken. Toen hervatten zij hunne reis, terwijl de versterking lustig brandde en den stroom in het nachtelijk uur over zijn geheele breedte helder verlichtte.

„Zie zoo! dat is illuminatie bij onzen doortocht,” riep Johannes vroolijk.

„Maar is die illuminatie geen daad van baldadigheid?” vroeg Wienersdorf. „Was de aanval op die versterking daarenboven noodzakelijk? Me dunkt dat we best voorbij hadden kunnen varen, zonder dat ons iets gedeerd had. Op zijn ergst genomen, zouden we wat geweerschoten te verduren gehad hebben. Die waren in het nachtelijk duister van die schutters niet bijzonder gevaarlijk en met wat meerdere inspanning zouden we spoedig buiten bereik geweest zijn.”

„Akkoord! We hadden wel voorbij kunnen komen; daaraan behoeft geen oogenblik getwijfeld te worden. Maar de gevolgen! vraag je af, wat de gevolgen zouden geweest zijn? Waren we voorbij kunnen komen, zonder ontdekt te zijn, voorzeker, dat ware wel het beste geweest. Maar nu die schildwacht ons gezien[296]had, bleef ons niet anders te handelen over, dan we gedaan hebben. Waren we voorbij gesneld, dan zouden ons morgen ochtend bij het krieken van den dag een vijf-en-twintigtal Dajaks op de hielen gezeten hebben, en het hoofd Patti Singa Djaja zou niet nagelaten hebben van zijn invloed gebruik te maken om de bevolking van de boven-Kapoeas tegen ons op de been te brengen; en dan … dan zou ik geen uitweg meer geweten hebben. Nu is de bezetting van Kwala Hiang in de wildernis verstrooid; zij is zonder vervoermiddelen en derhalve vrij hulpeloos. Maar al had zij prauwen, dan zou zij nog nalaten ons te vervolgen, ongewapend als zij is. De gelegenheid om onzen slag te slaan, was te mooi, dan dat ik die onbenut mocht laten voorbijgaan. Zoo midden in haar slaap opgeschrikt, is die bezetting uit elkaar gestoven of haar de drommel op de hielen zat. Ik zou durven wedden, dat zij geen enkelen gekwetste heeft; althans ik heb geen enkel spoor van bloed ontdekt.”

„Daar ben ik dankbaar voor,” sprak Wienersdorf ernstig. „Onze desertie heeft al bloed genoeg gekost. Maar nu die brandstichting? die had kunnen nagelaten worden. Thans zwerven die ongelukkigen in de wildernis rond, beroofd van een onderkomen, aan het nijpendst gebrek ten prooi.”

„Die brandstichting!” vloog Johannes terstond op. „Die brandstichting! Je hebt zulke krasse benamingen voor de dingen. Neen, die brandstichting heb ik niet kunnen nalaten. Het vereenigingspunt van die menschen moest hun ontnomen en zij zoo tot den aftocht gedwongen worden. Die versterking is met Hollandsch geld gebouwd en bewapend. Door haar te verbranden, hebben we niemand benadeeld dan een Regeering waartegen we in openbaar verzet zijn en die dat verlies wel zal kunnen dragen. Wat de ongelukkigen betreft, die volgens je uitdrukking nu in[297]de wildernis ronddolen, beroofd van een onderkomen en aan het nijpendst gebrek ten prooi, die zullen zich daaruit wel redden. Een Dajak lijdt geen gebrek in zijn wouden. En om een onderkomen heeft hij zich, in een luchtgestel als dit, al weinig te bekommeren. Vraag eens aan Dalim of hij er erg tegen op zou zien om van hier naar Kwala Kapoeas over land terug te keeren. Hij zal tal van moeielijkheden opsommen, tegen welker opruiming zijn luiheid zich verzetten zou, maar van gebrek lijden zou hij geen woord reppen; nog minder zou hij op het gemis van een onderkomen wijzen. Neen, ik blijf bij mijn beweren, de bemachtiging van die versterking was in de gegeven omstandigheden gebiedend noodzakelijk en hare verbranding niet minder.”

Johannes had met vuur en overtuiging gesproken en toch kon hij niet weten, dat die overrompeling nog een anderen en meer ingrijpenden invloed op hunne vlucht zoude hebben, dan hij bedoelde. Hij besprak slechts de onmiddellijke gevolgen, die onder het bereik zijner berekeningen lagen, terwijl op hetzelfde oogenblik een ander gevaar, veel grooter dan dat, waardoor zij zich thans heengeslagen hadden, hen op de hielen zat.

De kommandant van Kwala Kapoeas, de lezers weten het, had daags na het vertrek van Damboeng Papoendeh bevelen gegeven, dat het districtshoofd met vijftig gewapende Dajaks gereed zoude staan, hem bij een tocht naar deboven-Kapoeaste vergezellen. De gezaghebbersprauw, een fraai, rank en ruim vaartuig werd in gereedheid gebracht en van het noodige voorzien; en op het aangeduide uur aanvaardde die officier den tocht, na den dokter op het hart gedrukt te hebben goed waakzaam te zijn en hem zoo veel doenlijk op de hoogte van alle merkwaardige voorvallen te houden.

Een bezoek aan soengei Naning gaf niet veel licht.[298]Onze bekende Ali Bahar vluchtte de wildernis in, toen die fraaie „kaloeloes” (staatsieprauw), waarboven de Nederlandsche vlag wapperde, en die door een groot aantal roeiers voortgedreven werd, zijn woning naderde. Zijn vrouw, Indoe Soemping was dermate door dat bezoek verschrikt, dat zij, hoe welwillend de Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara haar ook toesprak, geen inlichtingen kon verschaffen. Wel erkende zij, dat Dalim met twee Kwala-Kapoeassers ten haren huize geweest waren, maar van den Sjech, die hare kinderen besneden had en boos geworden was, omdat hem varkensvleesch was voorgezet, en van den Pangareran, die hen van een vraatzuchtigen kaaiman verlost had, haspelde zij zulk een verward verhaal door elkander, dat er niet uit wijs te worden was. Hardnekkig bleef zij daarbij volhouden, dat zij geen blanken bespeurd had. Er werd nog een vergeefsche poging aangewend, om Ali Bahar in de wildernis te achterhalen en van hem iets duidelijkers te erlangen. Maar toen die opgegeven moest worden, werd de reis voortgezet.

Te soengei Mantangei waren de berichten niet duidelijker. Men kon niet meer verhalen dan wat er gebeurd was. En toch werd nog een verhaal geleverd, dat te verwarder en te ingewikkelder klonk, naar mate meer personen zich beijverden het te verduidelijken en te vertellen, wat zij gezien hadden en ook wat zij vermeenden gezien te hebben. Vooral de vrouwen waren daarbij uiterst breedsprakig, zonder evenwel veel mede te deelen. Maar allen kwamen ook hier daarin overeen, dat men geene blanken bespeurd had. Wat hier de onzekerheid ten top voerde, was de verzekering, dat Damboeng Papoendeh een paar dagen geleden met drie prauwen hier was geweest, dat hij een onderzoek ingesteld had, waarna hij de soengei Mantangei opgestevend was, terwijl niemand[299]kon bevestigen die prauwen te hebben zien terugkeeren. Dit gaf aanleiding tot een langdurige wisseling van gedachten, waarbij het oude districtshoofd van Kwala Kapoeas geheel van gevoelen met den officier verschilde en dat vrijmoedig bekend stelde. Hij weersprak niet, dat Damboeng Papoendeh de soengei Mantangei opgestevend was, maar wel dat de vluchtelingen daarlangs een uitkomst zouden gezocht hebben. Hij wist dat Dalim in de Doessonstreken een vreemdeling was, daarentegen zich in de Kapoeas geheel en al te huis kon rekenen. Eindelijk na lang aarzelen werd besloten deze laatste rivier tot KwalaYbangop te roeien, daar berichten in te winnen en, versterkt met een gedeelte van de bezetting van dat fortje, naar omstandigheden te handelen. Het was al reeds een groote teleurstelling niet op de macht onder Damboeng Papoendeh met zekerheid te kunnen rekenen.

„Mijnheer zal zien,” sprak de oude Tomonggong, „dat wij zoo den besten weg kiezen. ’t Is onmogelijk dat de vluchtelingen langs de Doesson zullen trachten te ontsnappen. Daar zijn zij hun leven geen oogenblik zeker.”

„Ik mag lijden dat je gelijk hebt,” antwoordde de officier, „ik vind het onaangenaam zoo in den blinde rond te moeten tasten.”

De reis werd hervat; maar eerst bij Pendek Katiempoen werden de eerste berichten, die men vertrouwen kon, ingewonnen. De prauwen van Damboeng Papoendeh waren daar aangekomen; maar de lijders bevonden zich nog in zoo’n deerniswaardigen toestand, dat van hen niets te vernemen viel. De roeiers deelden mede wat zij wisten; hoe zij eens in het holst van den nacht een zwaar geweervuur gehoord hadden, hetgeen een bezoek aan Danau Ampang ten gevolge had gehad; verder vertelden zij van den bijenaanval en eindelijk van den bijstand dien Bapa Andong[300]en de lieden van zijn vlot aan de lijders geboden hadden. Maar dat alles verspreidde zeer weinig licht, want ook deze menschen ontkenden ten stelligste, dat zij blanken gezien hadden. Wat evenwel den Tomonggong en ook den luitenant de wenkbrauwen deed fronsen, was de mededeeling, dat een forsch gebouwde Dajak, na de lijders zorgvuldig verpleegd te hebben, de twee Nederlandsche vlaggen van de prauwen ingehaald en medegenomen had. Ook de schriftelijke instructie, aan Damboeng Papoendeh medegegeven, was nergens te vinden, hoewel niemand kon verzekeren, dat die ontvreemd was.

De luitenant en het districtshoofd keken elkander een poos aan. Zij konden hunne gedachten geen vorm geven en zagen er van af die mede te deelen. De officier besloot evenwel den tocht tot Kwala Ybang voort te zetten. Hij hield zich overtuigd, dat zij daar meer zouden vernemen.

Niet ver boven Pendek Katiempoen werd het vlot van Bapa Andong ontmoet. Deze, met het wantrouwende karakter, den Oosterling eigen, gaf niets dan ontwijkende antwoorden. Van Europeanen wist hij hoegenaamd niets. Toen hij ondervraagd werd over het geweervuur, dat door de volgelingen van Damboeng Papoendeh vernomen was, legde hij een soort van verbazing aan den dag. Met het onschuldigste gezicht van de wereld, gaf hij te kennen, dat hij daar niets van gehoord had en verhaalde verder dat hij bij zijn strijd tegen de koppensnellers, hulp had erlangd van de opvarenden eener handelsprauw die, met een jachtgeweer een paar schoten gelost hadden. Toen op dat geweervuur verder en met allen ernst aangedrongen werd, gaf hij leuk ten antwoord, dat hij niet begreep, wat de toean kommandant bedoelde. Hij kon alleen mededeelen, dat zijne lieden om de muskieten te verdrijven, een groot vuur gestookt en dat met bamboestengels[301]onderhouden hadden. Waarschijnlijk had het knappen van de bamboe aanleiding tot de meening gegeven, dat er hevig geschoten werd. Nu ontstaat er werkelijk bij het verbranden van bamboe, door de verhitte lucht die in de holle pijpstengels van dat riet de geledingen doet uit elkander springen, een sterk knappend geluid, dat, op een afstand gehoord, veel overeenkomst heeft met wild door elkander geloste geweer- en pistoolschoten.

Of de luitenant dat verzinsel geloofde? Hij zag er van af, of beter, hij nam den tijd niet, het onderzoek verder voort te zetten. Het zou hem ook bitter weinig gegeven hebben, daar het onderhoud met Bapa Andong op het vlot ten aanhoore zijner pandelingen had plaats gegrepen en deze zich wel gewacht zouden hebben hun meester tegen te spreken.

Voort, voort ging het weer. Altijd noordwaarts de Kapoeas op.

Het was omstreeks het middaguur toen de opvarenden van de staatsieprauw de monding der soengei Ybang in het gezicht kregen; maar hoe zij ook uitkeken, van de versterking, die tegenover die monding gelegen en haar beheerscht had, was niets te ontdekken.

„Wat drommel!” riep de luitenant verbaasd uit, „waar is de kotta gebleven?”

„Ik kijk er ook naar,” was het antwoord van den Tomonggong, „ik begrijp er niets van. Dáár, dáár heeft zij gestaan!”

En bij die woorden wees hij met den vinger in de richting, waar hij meende de versterking te moeten zoeken. Toen zij al nader en nader gekomen waren, zagen de reizigers eenige zwart verkoolde stronken staan, die de plek nauwkeurig aanduidden, waar eenmaal de kotta stond; ook zagen zij nog een lichten rook uit de nog[302]smeulende puinhoopen omhoog kronkelen. Het was duidelijk, de benting was afgebrand. Maar.… was dat slechts een ongeval door onhandigheid of onvoorzichtigheid veroorzaakt? of zat daar meer achter?

Terwijl de luitenant en het districtshoofd daarover beraadslaagden, knetterden plotseling een paar schoten van achter de struiken en veroorzaakten de fluitende kogels een wezenlijk panischen schrik onder de Dajaksche opvarenden van de staatsieprauw. De Tomonggong greep zijn jachtgeweer, de officier zijn revolver en hielden zich gereed. Maar de roeiers sloegen zonder bevel de pagaaien ruggelings te water, zoodat de prauw bijna onmiddellijk door den stroom teruggevoerd werd en het geheel veel op een aftocht geleek. Daar evenwel op den oever alles rustig bleef, was die paniek spoedig genoeg bedaard. Kalm als altijd, maar toch behoedzaam stapte het oude districtshoofd alleen en ongewapend aan den wal en verhief luide zijne stem om te roepen, dat niemand eenig leed zoude geschieden. Aanvankelijk had zijn toeroepen weinig gevolg, maar eindelijk toch werd dat geroep beantwoord en, na lang dralen, kwam het hoofd van Kwala Hiang Tomonggong Patti Singa Djaja, maar toch nog schoorvoetende uit het dichte bosch te voorschijn. Hij was uitermate verbitterd op de Nederlanders. Hij noemde hen verraders, sluipmoordenaars, landstroopers en wat niet al. De man kon geen uitdrukkingen krachtig genoeg vinden om aan zijn verontwaardiging lucht te geven. De bedaarde Nikodemus liet hem uitrazen; maar toen gebrek aan adem den verwoede noodzaakte den vloed van scheldnamen af te breken, begon hij hem aan het verstand te brengen, dat hij zich had laten verschalken en de Hollanders aan niets schuld hadden. Hij deelde hem mede, dat de kommandant van Kwala Kapoeas aan boord der staatsieprauw[303]was en bracht het zoo ver, dat het hem gelukte den beangstigde over te halen dien officier te ontmoeten.

Het verhaal van het gebeurde werd toen vlug genoeg geleverd en toen hij inzag, dat hij beet genomen was, bleef het hoofd niet in gebreke de geschiedenis aanmerkelijk te overdrijven. Zoo was de aanval door een tiental prauwen met minstens een paar honderd strijders bemand, volvoerd; de versterking was heftig door kanon- en geweervuur geteisterd geworden en het was niet, dan nadat de palissadeering vernield was, dat de bezetting de wijk genomen had. Hij twijfelde er niet aan of velen zijner ondergeschikten waren gevallen; want slechts weinigen hadden zich in de wildernis om hem geschaard. Dat woord „kanonvuur” deed den officier ongeloovig glimlachen; want al gaf hij toe, dat geweervuur weerklonken had, waar van daan zouden de deserteurs kanonnen gehaald hebben? Toch bevestigden alle ooggetuigen, die Patti Singa Djaja bijbracht, dat herhaaldelijk met kanon op hen gevuurd was en dat hen bij hunne vlucht nog een hagelbui „anak pelor” (kartetskogels) nagezonden was, wat toch niet anders dan met grof geschut kon geschieden. De luitenant fronste de wenkbrauwen en trok de schouders omhoog. Hij wist niet wat te gelooven. Dat was zeker, dat hij ditmaal op het spoor der deserteurs was; want uit al die verwarde verhalen bleek ontegenzeggelijk dat er Hollandsche kommando’s waren gehoord. Maar wat nu te doen? Dat was een allergewichtigste vraag. Die kerels stelden zich aan als razende Rolands en waren geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken. Daar tegenover had de officier de volle maat erlangd van hetgeen hij van zijn Dajaksche metgezellen te verwachten had. Een paar schoten, die hun over het hoofd gesuisd hadden, waren voldoende geweest, om hen te doen deinzen. Het speet hem nu,[304]dat hij niet een tiental soldaten medegenomen had, dan ware er een kern, die pal zoude staan. Maar de voorzichtigheid had hem dat doen nalaten. Het fortje te Kwala Kapoeas was toch al zoo zwak bezet. Hij peinsde en peinsde. Hij gevoelde zich als de bevelhebber eener belegerde sterkte. Al is die door nog zulk een groote overmacht omsingeld, hij mag haar niet overgeven of zij moet minstens een storm doorstaan hebben. Dat gebieden plicht en eer. Hier ook. Hij begreep dat hij verreweg in de minderheid was, niet in getal, maar in zedelijke waarde der horden, die hij tegen de vluchtelingen zou kunnen aanvoeren. Ook de bewapening zijner tegenstanders was beter, al trok hij ook de schouders op voor de berichten omtrent kanonvuur. En wat hem niet het minste teleurstelling baarde, zijne verwachtingen om de bezetting van Kwala Hiang met hare wapens gedeeltelijk te kunnen bezigen, waren gefaald. In een woord, hij stond daar vrij hulpeloos tegenover die mannen, die voor hunne vrijheid, het dierbaarst goed, streden en daarvoor alles veil hadden. Toch wilde hij de poging niet opgeven. Hij zou het onmogelijke trachten te doen en wie weet of niet het een of ander toeval hem alle kansen in handen zoude voeren.

Dat waren de gedachten, die hem het brein doorkruisten. Hij beraadslaagde met het districtshoofd, ook met het hoofd van Kwala Hiang en er werd overeen gekomen, dat men tot kotta Baroe zoude doorroeien. Daar zouden zij de bevolking te wapen roepen. Op een paar honderd man viel al licht te rekenen en met die macht, versterkt door hetgeen van de bezetting van Kwala Hiang verzameld was kunnen worden, waaronder eenige met geweren, maar met slechts een beperkt aantal patronen, zoude een ernstige poging gewaagd kunnen worden om de deserteurs in handen te krijgen. Andere meer uitgewerkte[305]plannen, van hetgeen hun te doen of te laten viel, waren in de gegeven omstandigheden niet te ontwerpen.

Middelerwijl hadden de deserteurs ook niet stil gezeten. Wel konden zij niet gissen, dat het gevaar zoo nabij was. Zij verlangden slechts de bovenlanden te bereiken. Hoe grooter de afstand was, die hen van de onmiddellijke onderhoorigheden der Nederlanders scheidde, des te veiliger zouden zij zijn; want dat gevoelden allen: met den afstand klommen ook de bezwaren voor hunne vervolgers in toenemende rede bij hunne pogingen om hen in handen te krijgen. Het ergste was reeds achter den rug, meenden zij; met nog wat inspanning zouden zij van dien kant niet veel meer te duchten hebben. Vlijtig werd dan ook voortgeroeid en toen de dag aan den hemel verscheen, was zelfs de opstijgende rook van de brandende kotta Kwala Hiang niet meer te bespeuren.

Bij een der menigvuldige zandplaten, die in dit gedeelte der rivier de uitspringende hoeken welke zij vormt, omzoomen, werd aangelegd en nu beijverden zich de reizigers hun maal te bereiden en zich door een bad in de kristalheldere rivier te verfrisschen en te versterken.

Na die verfrissching en terwijl de rijst gaar kookte, zaten de Dajaks van het gezelschap in een kringetje en bespraken de gebeurtenissen van de laatste dagen. Met een zeker ontzag keken zij tegen die vier kerels op, die er bruin uitzagen als een hunner, die in hun omgang zoo eenvoudig en hartelijk waren, maar die toch, als hun moeielijkheden in den weg traden, als halve duivels te werk gingen. Dat gevecht aan boord van het vlot en dan dat koene ondernemen tegen de kotta Hiang vooral, hadden diepen indruk nagelaten. Zij lachten dat zij schudden bij de gedachte hoe hunne landgenooten het hazenpad gekozen hadden en zij waren onuitputtelijk in[306]het aanhalen van bijzonderheden, welke die overrompeling gekenmerkt hadden.

De Europeanen van hun kant hadden zich in een groepje op het helder witte zand uitgestrekt en verlustigden zich de ledematen eens goed te kunnen uitrekken, iets wat in die enge prauw niet wel doenlijk was. Een oogenblik hadden ook hen de laatste gebeurtenissen bezig gehouden, maar dat was slechts kort geweest. Wat hen thans voornamelijk boeide, was de prachtige ochtendstond, die hen omgaf, die den hemel en de toppen van het woud verguldde en de rivier onder de weerkaatsing van dien purpervloed, aan een stroom vloeibaar goud gelijk deed zijn. Het morgenrood van het Oosten uitgegaan, en eerst een onbeduidende streep van het zachtste rozenrood, had langzamerhand het geheele uitspansel met een liefelijk rosé overtogen, dat gaandeweg donkerder werd, naarmate de dagvorstin den gezichteinder meer nabij kwam, om eindelijk daar boven te stijgen. De natuur was stil en als eerbiedig opgetogen in dien plechtigen stond, die bijna dagelijks in dezelfde pracht wederkeert en toch door zoo weinige redelijke en denkende wezens genoten wordt. Geen zuchtje verhief zich, geen blad ritselde en gedurende die plechtige stilte murmelde slechts het zachte geklater der rivier, als prevelde zij een gebed tot verheerlijking en innigen dank. Het zoo kleurrijke hemelgewelf was langzamerhand in het schitterendste purper overgegaan; nog een poos en in het Oosten teekende zich te midden van die kleurenpracht een stip die weergaloos helder blonk. Die stip werd grooter en grooter, en eindelijk was het een groote vurige bol, die boven den horizon geklommen was en nu niet meer de toppen der boomen in goud tooide, maar tusschen takken en bladeren doordrong, het nachtelijk duister verdreef en alom licht en leven tot in de somberste hoeken van het woud verspreidde.[307]In vlammende trekken vertelden de hemelen de natuurwonderen in zulk een indrukwekkende taal als alleen te midden van een tropisch woud gesproken en verstaan kan worden.

Naarmate de zon boven den horizon klom, nam de purperkleur af. Langzamerhand baadden hare stralen alles in een rein helder wit licht, terwijl het hemelgewelf zich in het fraaiste azuur, de kleur van het onbegrensde, hulde. Bij de algeheele windstilte, die tusschen de keerkringen gewoonlijk de eerste uren van den nieuw geboren dag vergezelt, teekende zich nu op het blauw des hemels een natuurverschijnsel, dat, hoewel niet zeldzaam op Borneo, toch op verre na niet dagelijks voorkomt. Vlak boven hunne hoofden zagen onze avonturiers een band ontstaan van uiterst fijne vederwolkjes, die zich van noord naar zuid uitstrekkende, al de bochten en kronkelingen der rivier vertoonde. Naarmate de purperkleur verbleekte, trad die band meer bestemd voor het oog. Het was alsof een reusachtige kaart van den stroom hier beneden, zich daarboven ontrolde, waarop de rivier als een zilverlint op een blauwen achtergrond aangeduid stond. De oevers van het beeld der Kapoeas waren scherp begrensd; al de soengei’s, die haar toevloeien, waren met hare kronkelingen en bochten helder aangeduid; zelfs de meren en plassen, langs de boorden der rivier, lagen daar duidelijk voor oogen en naar het noorden nam de zilveren band zichtbaar af en naar het zuiden in breedte toe, tot het beeld den boschrand bij den gezichteinder raakte en zich in den aether verloor. Aan die hydrographische teekening ontbrak alleen maar, dat in een der hoeken met kolossale letters gegriffeld had gestaan: „schaal op natuurlijke grootte” en in een anderen: „Deus sculpsit,” om haar volmaakt te kunnen heeten.[308]

Met verbazing staarden onze reizigers hemelwaarts.

„Bewonderenswaardig mooi!” riep Wienersdorf eindelijk na een lang stilzwijgen uit. „De kaarten van Otto Petri zijn er niets bij.”

„Prachtig! prachtig!” stemde Schlickeisen in, er met geestdrift bijvoegende: „Zoo verkondigen de hemelen de heerlijkheid en almacht des Heeren!”

„Ik heb die verschijning meermalen gezien, evenwel nimmer fraaier en duidelijker dan thans,” sprak Johannes. „Eens evenwel heb ik het bijgewoond, dat niet alleen de afbeeldingen van de Kapoeas, maar ook die van de aan haar evenwijdig vloeiende Doesson en Kahaian waar te nemen waren.Het beeld vertoonde zich toen veel hooger dan dit schijnt. Het was bij gelegenheid dat het stoomsleepertje „Kapitein Van Os” in de eerste helft van 1860 een verkenningstocht op de Kapoeas maakte. We bevonden ons des morgens, ook zoo omtrent dit uur, ter hoogte van de eilandengroep Poeloe Teloe. ’t Was een verrukkelijk gezicht, zoo als die drie stroomen daar afgebeeld stonden. Alleen de linker soengei’s van de Doesson en de rechter van de Kahaian waren minder duidelijk; zij liepen, door het welven van het hemeldak, bij den gezichteinder eenigszins in elkander. Overigens was alles prachtig gedetailleerd en waren zelfs de eilandjes, die Poeloe Teloe vormen, als blauwe openingen in den zilveren band zichtbaar.”

„Hoe zou zulk een teekening ontstaan?” vroeg La Cueille.

„Daar zit ik al over te peinzen,” antwoordde Wienersdorf, „ik zal trachten je duidelijk te maken, hoe ik me die vorming voorstel. De groote verdamping, waaraan de watermassa onder den invloed van de keerkringszon op den moerassigen bodem van Borneo bloot staat, heeft de vorming van meer wolken ten gevolge, dan wel ergens[309]op aarde plaats heeft. Het eerste wat we gewoonlijk hier zoowel als overal waarnemen, wanneer bij het doorkomen van de eerste zonnestralen de nachtelijke nevels optrekken, is de vorming van vederwolken. Deze, door de geleerden Cirrhi genaamd, verschijnen heel hoog in de lucht en zien er uit als afhangende veeren, ook wel als bijna onzichtbare parallelle draden van een zeer fijn netvormig weefsel. Ze doen zich ook soms voor als banden in den vorm van fijne houtkrullen en worden dan niet oneigenaardig met een onbedwongen haarlok vergeleken. Heeft een groote verdamping plaats, dan ronden die vederwolken zich af en vormen half bolvormige massa’s als opgehoopt op een waterpas grondvlak, die dan schapen- ook wel stapelwolken, Cumuli genoemd worden. In den regel vormen deze zich omstreeks het middaguur, om tegen zonsondergang te verdwijnen. Is dit laatste niet het geval en heeft verdere uitdamping plaats, dan vervormen de Cumuli zich tot Nimbi of regenwolken of tot Strati of schichtwolken, die zich in dikke horizontale lagen langs het hemelgewelf uitspreiden en regen of onweder aanbrengen. Dit is in het algemeen de wolkenvorming. Ik stel mij nu voor, dat bij zeer droge en volmaakt stille lucht, de dampen, die steeds boven iedere watervlakte gevormd worden, loodrecht omhoog stijgen, zich, in hoogere lagen aangekomen, verdichten en de vederwolkjes vormen, die we daar boven aanschouwen. Is het nu in die bovenlagen van den dampkring ook volmaakt stil, dan zullen die vederwolkjes zich boven de watervlakte, waaruit ze ontstonden, samenpakken en zoo het afbeeldsel van die watervlakte vormen. Gaat de verdamping voort en blijven de luchtdeelen in rust, dat wil zeggen, dat ze niet in zijdelingsche beweging geraken, dan zal de teekening op het blauwe grondvlak al scherper en duidelijker[310]uitkomen; maar eindelijk zullen de Cirrhi in Cumuli overgaan en weldra de grenzen der teekening verbreken en door elkander dwarrelen. Of een windje verheft zich en de vederwolken zullen onder dien drang wijken om hare fijne en breede pluimen volgens de windrichting te scharen. Ziet, zooals ginds reeds gebeurt, dáár, waar ge die opening in den rivierband reeds kunt zien en waar de vederbossen in de richting van het noordwesten beginnen te wijken, waaruit we gevoeglijk kunnen afleiden, dat weldra, althans in de bovenlagen een zuidoostelijke wind zal doorwaaien.”

„Mooi verklaard,” betuigde Schlickeisen, „maar alvorens ik onzen kameraad mijn dank betuig, wenschte ik nog een opheldering. Zoo even is gezegd, dat bij de verdamping, die zich boven iedere wateroppervlakte vormt, vederwolken ontstaan. Maar het geheele gedeelte van Borneo, waar we ons nu nog bevinden, tot aan de zuidkust toe, kan aangemerkt worden als een samenhangende watervlakte te vormen, zoo moerassig is het. Heeft nu de vorming plaats, zooals gij uitgelegd hebt, dan zou geen beeld eener rivier of van een stroomgebied zich afteekenen, maar dan zou het geheele uitspansel zich met een net van vederwolken bedekken.”

„Jawel,” viel hem hier Wienersdorf nog al onstuimig in de rede, „dat zou het ook, als de verdamping boven die moerasgronden ongestoord plaats vond; als die in andere woorden daar kon geschieden, zooals dat boven de rivieren en meren gebeurt. Maar, boven dat moeras spreidt zich het dichte loof van het maagdelijke woud uit en vormt als het ware een beschermend dak, dat weinig of niets doorlaat. Des nachts koelen de takken, maar voornamelijk de bladeren sterk af, de opstijgende damp condenseert zich of slaat daarop neer, zooals men dat noemt, evenals de vochtdeelen uit de omringende[311]lucht in een verwarmd vertrek zich op de wanden van een glas met kilkoud water gevuld, neerzetten. Ge ziet het, takken en loof zijn met overvloedigen dauw overdekt. Die dauw zou vederwolken gevormd hebben, als hij omhoog had kunnen trekken. Straks zal hij wel verdampen, wanneer takken en bladeren zich, onder den invloed van de minder schuine zonnestralen, met den warmtegraad der omringende luchtdeelen in evenwicht zullen gesteld hebben. Ten opzichte van die verdamping dus, vormt het woud als het ware een horizontaal dak, een vlak dat boven de rivieren, soengei’s, spruiten, meren, enz. uitgeknipt zou zijn, om de vervluchtigde waterdeelen in de morgenuren door te laten, terwijl die dan elders weerhouden worden. Ik hoop, dat die uitleg proefhoudend zal bevonden worden, voor mij ten minste is hij voldoende om mij het ontstaan der prachtige teekening, die we straks bewonderd hebben, maar die nu reeds verdwenen en onder den invloed van den zuidoostenwind uitgewischt is, te verklaren.”

„Ten volle neem ik genoegen met die toelichting en verklaar mij daardoor bevredigd,” betuigde Schlickeisen.

„Als dat zoo is, dan betuig ik mijn dank voor de duidelijke en zakelijke voordracht,” sprak Johannes, „maar de rijst is gaar; onze Dajaks hebben ze reeds in portie’s afgedeeld en in breede bladeren gewikkeld. Straks zullen we met smaak kunnen eten. Dus ieder op zijn plaats in de prauw en de pagaaien ter hand genomen. Er mag geen tijd verloren gaan; we zullen trachten heden nog kotta Baroe te bereiken.”[312]


Back to IndexNext