[Inhoud]XVI.Kotta Baroe.—Djoeragan Kaout.—Een figuur uit den opstand.—De echtgenoote eens opstandelings.—Geld tegen goed.—Vertrek van kotta Baroe.—De vaart wordt noordwest.—Borneo’s fauna.—Waarom er geen groote verscheurende dieren zijn.—De Batoe Banama in de Doesson.—De olifant en het stekelvarken.—Terreingesteldheid en flora in de hoogere streken.—Harimaoung Boekit.Het was ongeveer zonsondergang toen onze reizigers kotta Baroe bereikten.Kotta Baroe speelde eens een niet onbelangrijke rol in de geschiedenis der boven-Kapoeasstreken. Hare ligging aan de grenzen, waar het alluviaal zich aan het diluviaal terrein aansluit, zal ten allen tijde hare waarde behouden. Nog slechts korten tijd vóór dat onze deserteurs daar aankwamen, verhief er zich een Dajaksche sterkte, die de geheele rivier beheerschte. Een booswicht van de ergste soort had zich daar gevestigd. Zijn naam was Djoeragan Kaout. Hij gaf voor een Javaan te zijn. Inboorlingen evenwel beweerden, dat hij te Pangko, een kampong van de beneden Kahajan, uit volbloed Dajaksche ouders geboren was. In zijn jongelingsjaren oefende hij het beroep van zeeroover uit. Hij woonde toen in een der talrijke soengei’s, die zich in gemelden stroom uitstorten, en trok van daar uit om de omliggende vaarwaters af te schuimen.[313]Wee het vaartuig, dat in zijn macht viel!Legio waren de verhalen der heldenfeiten, die hij met een soort van genoegen kon opdisschen; en onder die verhalen namen die niet de minste plaats in, welke de parten moesten verkondigen, die hij den Nederlanders gespeeld had. Was hij goed gehumeurd, dan noemde hij die steeds „bawoi boelan” (wit wild varken) en zijn meest saillant verhaal was, dat hij eens onder de Javakust door een Hollandsch oorlogsschip op het strand was gejaagd. Wat viel er te doen, vroeg hij, tegen de zware kanonnen van die witte zwijnen? Hij had toen op den hoek van Indramajoe een versterking opgeworpen en die drie weken lang tegen de bemanning van dat schip verdedigd. Hij lachte steeds, dat hem de tranen over de wangen rolden, wanneer hij vertelde, dat hij in een stikdonkeren nacht met een deel zijner manschappen de hem belegerende matrozen had overvallen en, na er een aantal van neergehouwen te hebben, de overblijvenden in hun onderbroek, sommigen zelfs zonder dat kleedingstuk, naar hunne sloepen gedreven had. Hij was onmatig in zijn lachlust bij het verhaal, dat een der officieren met zijn bloote kuiten in een nest van roode mieren te recht was gekomen. Den volgenden dag kwamen wel is waar die Hollanders terug, maar toen had hij zich uit de voeten gemaakt. Dat van het geheele verhaal niet veel waar was, behoeft wel niet verzekerd te worden, maar zoo iets poseerde en de mogelijkheid van blanken met of zonder hemd en onderbroek te hebben doen vluchten, werd door niemand betwijfeld. Het was te koddig om niet waar te zijn. Gewoonlijk lachte het geheele auditorium hartelijk mede, wanneer die episode opgedreund werd.Op lateren leeftijd, toen hij zich rijk genoeg meende geroofd te hebben, verliet Djoeragan Kaout het zeerooversleven[314]en vestigde zich te kotta Baroe, alwaar hij een geduchte versterking bouwde en er zich voornamelijk op toelegde de bevolking dier streken uit te zuigen. Voor een inlander had hij een vrij groote handelskennis en beijverde hij zich dan ook de producten van het land in te ruilen voor lijnwaden, tabak, messen, zout, enz. enz. Had hij zich nu daartoe slechts bepaald, dan, hoe groot de woekerwinsten ook waren, die hij nam, zoude zijn verblijf in die streken ten zegen hebben gestrekt aan die oorspronkelijke bevolking. Maar zijn hoofdbemoeiingen waren niet de handel, maar veeleer zich in geschillen zijner buren te mengen; die geschillen te verergeren, door de gemoederen te verbitteren, door haat en nijd aan te blazen en zich zijn tusschenkomst grof te laten betalen. De Dajaks zijn een zeer proceszuchtig volk, die steeds quaestieuse zaken onder elkander hebben en als het ware zonder deze niet leven kunnen. Veelal hebben zij het hoogste goed, dat de mensch bezit, de vrijheid, veil, om aan dien hartstocht te kunnen voldoen. Bij onvoldoende middelen toch, om de boeten en de proceskosten te betalen, wordt menig proceslustigepandeling, wat zeggen wil slaaf. Slaaf in de afzichtelijkste beteekenis van het woord. Want pandeling is slechts een huichelachtige benaming, onze XIXe eeuw volkomen waardig.Op die wijze en ook door geregelden aankoop was Djoeragan Kaout in het bezit gekomen van ruim tweehonderd pandelingen van beiderlei kunne, waarvan zoowel de vrouwen als de mannen zwaren arbeid voor hem moesten verrichten, en de eerstgenoemde ook nog tot onzedelijke doeleinden werden uitverhuurd. Werden zijne pandelingen oud, zoodat door gebrek aan arbeidskracht voor waardevermindering te vreezen was, dan verruilde hij ze tegen jongere of verkocht ze om als offers[315]bij begrafenisplechtigheden, verzoeningsfeesten of anderszins geslacht te worden.Nimmer had hij zich goedschiks aan het Nederlandsche bestuur onderworpen. Had hij ook al een enkelen keer een tevreden gezicht gezet, wanneer hij met een Hollandsch beambte in aanraking gekomen was, het was met een nevengedachte dat hij huichelde en niet altijd had hij zulk een beambte eerbiedig ontvangen. De vrees voor geduchte kastijding alleen had hem langen tijd van openlijk verzet weerhouden. Toch handelde hij meestal zoo als hij verkoos en lachte om de gegeven bevelen. Zoodra de opstand in 1859 in het Bandjermasinsche rijk uitbrak, schaarde hij zich openlijk aan de zijde des verzets en het was voornamelijk aan hem te wijten, dat de Dajaks van Poeloe Petak en van de beneden Kapoeas zich onder de vanen des opstands schaarden en de zendelingen te Tangohan en in de Kahajan vermoordden. Hij was het, die in Augustus 1859 de overrompeling van het fortje Poeloe Petak aanvoerde. Een paar maanden later poogde hij op listige wijze andermaal dat fortje binnen te dringen, maar die toeleg werd bijtijds ontdekt en verijdeld. Gedurende dien opstand waren de bovenlanden geheel aan zich zelven overgelaten en was de kans schoon voor Djoeragan Kaout om zich aan alle mogelijke euveldaden schuldig te maken. Nimmer was de verwarring daar zoo groot geweest. Maar de dag der vergelding kwam nabij.In het begin van Januari 1861 werd de kommandant van Kwala Kapoeas door het districtshoofd Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara gewaarschuwd, dat Djoeragan Kaout, onder den schijn zich te komen onderwerpen, met een groot gevolg zou komen, om het fort te overrompelen. Hij was zoo zeker van zijn zaak, dat hij reeds een ruilhandel had aangegaan met betrekking tot[316]het hoofd van den kommandant en wel tegen zulk een aanzienlijken prijs, dat die officier er trotsch op kon zijn zijn bol zoo hoog geschat te zien. Maar deze, met het volkje bekend, waarmee hij omging, huldigde de leus: „pas op je kop”. Hij gaf geen gehoor aan den Tomonggong, die hem den raad gaf, den muiter niet te ontvangen. Integendeel hij liet dezen met zijn geheele macht voor het fort verschijnen; maar toen Djoeragan Kaout op den steiger aan wal gestapt was, schoof een peloton soldaten tusschen de prauwen, waarin zijn talrijk gevolg gezeten was. Wel riep de hoofdopstandeling: „amokh! amokh!!” en wilde hij zijn mandauw trekken, maar de kommandant greep hem bij den rechter pols, terwijl een korporaal hem bij den anderen arm vatte. Het peloton soldaten hield met aangelegde geweren de volgelingen in bedwang, terwijl Tomonggong Nikodemus hun toeriep, zich stil te houden en hen op de kanonnen wees, die, op de aanlegplaats gericht, gereed stonden om vuur te geven. In een oogwenk was de booswicht onder het oog van zijn gevolg gekneveld en binnen het fort gebracht. Zijn aanhang kreeg nu bevel om de nabijheid van het fort te verlaten en naar de Kapoeas terug te keeren. Weinige weken later sprak de krijgsraad te velde de doodstraf door middel van den strop over Djoeragan Kaout uit, en werd die te Bandjermasin voltrokken.Niet langen tijd daarna deed de echtgenoote van den gevonnisde, een zeer schoone Dajaksche vrouw, den kommandant van Kwala Kapoeas aanbiedingen om als zijn huishoudster op te treden. Maar de goede raad van den ouden braven Tomonggong behoedde hier den jongman voor het ergste verraad. Later heeft die vrouw het districtshoofd verweten, dat hij haar verhinderd had, haren man te wreken; ze had het vergift reeds bij zich toen zij haar aanbod deed en zij had op hare schoonheid[317]gerekend om een gemakkelijke overwinning te behalen.Teruggekeerd te kotta Baroe, zette die vrouw het woeste bedrijf haars mans voort, voerde koppensnellerstochten aan, hief belastingen en tolrechten bij doorvoer van alle handelsprauwen, eigende zich pandelingen van anderen toe, ja ontzag zich niet, vrije mannen te laten oppakken en tot slavernij te doemen. De klachten, die te Kwala Kapoeas inkwamen, klonken al luider en luider en eindelijk vertoonde zich weer voor het eerst een stoomschip te kotta Baroe, bij welke gelegenheid aan al de pandelingen van Djoeragan Kaout de vrijheid werd hergeven, de versterking geslecht en zoo de invloed van die heerschzuchtige en wraakzuchtige vrouw werd geknakt. Zij is sedert verdwenen. Het gerucht liep, dat ze naar de boven Katingan was gevlucht en zich daar metterwoon gevestigd had.„Ziet daar de geschiedenis van kotta Baroe in den laatsten tijd,” zoo besloot Johannes het verhaal, dat hij gedurende den overtocht geleverd had.„De bevolking is thans rustig en heet goedgezind. Het zijn evenwel koppensnellers in hun hart, die van de beschaving niet meer willen weten, dan in hun kraam te pas komt. We zullen hier een oogenblik aanleggen. Dalim heeft eenige kennissen te raadplegen over het voortzetten der reis, terwijl ik zal trachten een versterking aan roeiers te bekomen.”Dalim en Johannes stapten aan wal. De bevolking van kotta Baroe had al nieuwsgierig uitgekeken, toen zij die prauw, waarboven de Nederlandsche vlag wapperde, zag naderen. Johannes met het bevelschrift in de hand, dat hij aan Damboeng Papoendeh ontnomen had, eischte een twintigtal roeiers in daghuur, om de prauw naar de bovenrivier te brengen. Dat papier, hetwelk[318]niemand lezen kon, maar waarop het Nederlandsche wapen in rood lak afgedrukt stond, maakte indruk; nog meer de toezegging, dat ieder roeier tot belooning een rijksdaalder voor zijn diensten en, was men tevreden, nog een steng tabak tot geschenk zoude ontvangen. Vooral de tabak verlokte velen en toen Johannes een mand van het nicotiaansch kruid uit de prauw liet boven brengen en het hoofd een paar stengen aanbood, waren alle beschikkingen snel getroffen. Een luid gejuich verhief zich. Als om strijd boden een aantal wakkere borsten zich aan om te roeien en weldra hadden zij hunne legmatjes met hunne hoofdkussens in de prauw gebracht, hunne beseai’s gegrepen en waren zij gereed om de reis mede te aanvaarden. Johannes deed hier ook nog goede zaken; hij ruilde nog twee manden tabak voor vijf pikols rijst en een zakje zout. Volgens hem waren ze nu geapproviandeerd voor de geheele reis; vooral daar zij die twintig roeiers, die ze hier te kotta Baroe aan boord namen, slechts een tiental dagen zouden gebruiken. De vier pandelingen van Bapa Andong werden aan het kottahoofd overgegeven met opdracht die menschen met de eerste de beste gelegenheid naar Kwala Kapoeas terug te zenden. Grootmoedig gaf Johannes hun ieder tot belooning hunner diensten een rijksdaalder en betuigde hun zijn tevredenheid. Dit alles geschiedde in naam van het Nederlandsch Indisch bestuur; en die gevlagde prauw, en dat gezegeld papier waren zoovele afdoende bewijzen, dat Johannes een afgezant van het Gouvernement der „Olo bapoeti” (witte menschen) was, die volgens zijn voorgeven, de opdracht had verkregen te trachten met de Olo Ott, de woeste wilde stammen in de binnenlanden, in aanraking te komen en omtrent hunne gezindheid verslag uit te brengen. Ook de milde betaling aan de roeiers en de geschenken in tabak stijfden de[319]bevolking in de meening dat zij met zendelingen van het Nederlandsch bestuur te doen had.Daar boven kotta Baroe geen gemunt geld meer gangbaar is en men zich in de binnenlanden van Borneo niets kan aanschaffen dan door middel van ruilhandel, zette Johannes al het baar geld van het reisgezelschap tegen eenige stukken sits en andere lijnwaden, maar vooral tegen stofgoud van de hand. Al reeds van Kwala Hiang af vertoont dat edel metaal zich, evenwel nog in geringe mate, in het aangeslibde zand der rivier. Te kotta Baroe is de productie al reeds de ontginning waard en komt het stofgoud als handels- of liever als ruilartikel voor. Als vertegenwoordiger van het Nederlandsch Gouvernement werd Johannes welwillend behandeld en verkreeg hij de thaël1gouds voor 55 gulden, terwijl die te Bandjermasin een waarde heeft van 60 tot 70 gulden.Twee uren waren zoo omstreeks verstreken sedert hun aankomst te kotta Baroe, toen onze avonturiers weer tot vertrek gereed stonden. Dalim evenwel was nog niet verschenen. Deze had een paar kennissen opgezocht en zat gezellig onder het genot van een pruimpje sirih te kouten. Indachtig aan de langzaamheid van zijn landslieden en aan het tijdroovende eener onderhandeling, als waarmede Johannes belast was, had hij zich bij die kennissen op een matje neergevleid en had het vertrekuur totaal vergeten. Toen hij geroepen werd,[320]vloog hij op en was in een ommezien op zijn post met den stuurpagaai in handen. Met kracht schoot de prauw onder een roeislag van zes en twintig paar armen vooruit en weldra was kotta Baroe aan het gezicht onttrokken.Er werd nu bepaald, dat gedurende den nacht steeds twintig roeiers aan den arbeid zouden blijven en de zes overblijvende gedurende twee uren zouden rusten, waarna zij zes anderen zouden aflossen, die twee uren later evenzoo zouden handelen. Zoo stevende de prauw rusteloos voort.Intusschen viel het den beiden Zwitsers, als landmeetkundigen en topografen, al spoedig op, dat de vaart merkbaar afweek van de tot nu toe gevolgde richting. Was de hoofdstreek, werwaarts de prauw den steven wendde tot nu toe noord geweest, thans scheen de rivier naar het noordwesten te kronkelen. Aanvankelijk schenen de beide mannen te aarzelen. Herhaaldelijk keken zij naar de sterren, maar de veelvuldige buigingen van den stroom maakten een gezette waarneming hoogst moeielijk. Eindelijk greep Wienersdorf zijn kompas, plaatste dat voor zich en kwam ras tot de overtuiging dat, hoewel de prauw afwisselend naar alle windstreken stuurde, de hoofdrichting thans noordwest was. Johannes legde hem uit, dat de voornaamste bergketen, die Borneo doorsnijdt, een hoofdstrekking heeft van het noordoosten naar het zuidwesten en de uitloopers aan den zuidelijken kant van die keten naar het oosten of zuidoosten afhellen. Dat is dan ook de terrashelling aan dien kant van het gebergte. Bijna al de rivieren, die zich in de Javazee uitstorten, nemen aanvankelijk een richting aan van het noordwesten naar het zuidoosten, tot waar zij het alluviale terrein binnentreden en hun loop van noord naar zuid veranderd wordt.Terwijl onze reizigers zoo samen zaten te praten, kwam[321]het gesprek langzamerhand op de fauna van het land, dat zij doortrokken.„Op een paar krokodillen na en eenige troepen apen, die als kwajongens in de boomen gymnastiseerden, hebben we van de dierenwereld van dit eiland nog niet veel gezien,” was de bemerking van Schlickeisen. „En toch moet de dierenwereld in een land als dit krachtig vertegenwoordigd zijn.”„’t Mocht wat,” viel Johannes meesmuilende in. „In waarheid is Borneo in dat opzicht zoo armelijk bedeeld, als geen der groote eilanden van den Indischen archipel. Hier geen rhinocerossen, geen olifanten of tijgers, zelfs geen inheemsche paarden. Wat hier in groote menigte voorkomt, zijn slangen en tot die overbevolking schijnt de moerassige bodem aanleiding te hebben gegeven. Die slangen-overbevolking is weer oorzaak van de bijna totale afwezigheid van vogels, die in de benedenstreken waargenomen wordt, daar dat kruipend gedierte tegen stam en tak opklimt en de eieren opslurpt, of de jongen verzwelgt.”„’t Is toch merkwaardig, dat het centraaleiland van den Indischen archipel, het grootste van al de eilanden, waaromheen de anderen zich als een krans slingeren, het allerminst bevolkt is met levende wezens,” dacht Wienersdorf als het ware hardop.„Op Java behoort de tijger over het geheele eiland thuis. In het westelijk gedeelte van dat eiland wordt de rhinoceros aangetroffen en, mag men de geleerden gelooven, dan zou het nog zoo lang niet geleden zijn, dat een kortmanige leeuwensoort in het Bantamsche aangetroffen werd. Op Sumatra zijn de olifant, de rhinoceros, de tijger, de jakhals in hun waar element. Op Celebes treft men het paard in zijn schoonste vormen aan en is de bewering, geloof ik, niet te gewaagd, dat dat edelste aller dieren daar eenmaal in het wild[322]aangetroffen werd. Alleen Borneo is geheel misdeeld.”„Geheel misdeeld! is nu ook weer het woord niet,” was het wederwoord van Johannes. „We hebben nog niet veel gezien van dat groote centraaleiland, zoo als Wienersdorf het noemt. We zullen wel ervaren, dat hier de apen in zoo’n groote menigte voorhanden zijn als ergens ter wereld. We zijn hier in het paradijs van den orang oetan, denhomo silvarum, dien Darwin voorzeker voor oogen gehad heeft, toen hij zijn stellingen over de afkomst onzer voorouders verkondigde en de apenwereld volstrekt geen eer aandeed, met ons tot haar nakroost te bestemmen. Troepen herten dolen door de bosschen en over de hoogvlakten rond, die je omtrent een geheele misdeeling van het dierenrijk tot andere gedachten zouden brengen.”„Een hertenbout zou niet onwelkom zijn,” meende La Cueille met de lippen smakkend. „Één bout slechts van dien overvloed! ’k ben, dunkt me, niet te begeerig.”„Heb geduld maar. Alles op zijn tijd. Maar om tot het onderwerp terug te keeren. ’t Is waar, groote verscheurende dieren ontbreken, hoewel het tijgergeslacht nog al overvloedig vertegenwoordigd is door een paar kleine soorten als de panter en de tijgerkat2, die voor den mensch onschadelijk, toch al weer meehelpen om der vogelenwereld een wreeden oorlog aan te doen. Een ander dier, dat nog al in de bosschen hier aangetroffen wordt en van al de eilanden van den Archipel nog slechts op Sumatra gevonden wordt, is de honig- of suikerbeer3, die als echte snoeper slechts voor de bijen een wezenlijke vijand is. Vindt ge het geen gelukkige streek, waar de mensch aan den wal slechts[323]zijn natuurgenoot en in het water slechts den krokodil, dat andere onverzadelijke monster, te vreezen heeft?”„Maar waaraan zou dat ontbreken van groote dieren op Borneo toch toe te schrijven zijn, terwijl die op de andere groote eilanden zeer talrijk moeten genoemd worden?”„’k Heb wel eens gelezen, dat de reeks eilanden, die bij de Pegu-golf in Achter-Indië begint, en uit de Andaman en Nikobarische eilanden, Sumatra, Java, Bali, Lombokh, Soembawa, Flores, Kwella, Ombaai, Timor, Timor-laout enz. enz. bestaat, vroeger een groot vast land of eigenlijk een groot schiereiland vormde, dat, met het tegenwoordige schiereiland Malakka tot een geheel verbonden, zich eerst van het noorden naar het zuiden en zuidzuidoosten, later van richting veranderende ter plaatse waar thans Straat Sunda te vinden is, zich van het westen naar het oosten uitstrekte en waarschijnlijk met Nieuw-Guinea samenhing. In den loop der tijden zouden door geweldige omkeeringen en aardbevingen de verschillende straten ontstaan zijn, die thans die eilanden van elkander scheiden en als zoovele doorbraken den Indischen Oceaan tot de Chineesche zee toegang verleenen. Is nu die stelling aan te nemen, dan is het gemakkelijk te begrijpen, dat op die eilanden nog de meeste dieren aangetroffen worden, die zich van hunne bakermat Voor- en Achter-Indië daarover verspreidden.”„Dat is mooi en wel voor die genoemde eilanden verklaard; maar voor Borneo laat het nog alles in het duister.”„Geduld, ik ben nog niet klaar. In die tijden dat die eilandengordel nog een vast land uitmaakte, bestond Borneo nog niet en werd de plaats daarvan ingenomen door een groot zeebekken, dat van het noorderstrand van[324]het tegenwoordige Java zich tot aan de Chineesche kusten uitstrekte en ten westen door Sumatra, Malakka en Cochinchina en ten oosten door Celebes en den Philippijnschen Archipel bepaald werd.”„Mooi die uitlegging,” knorde La Cueille, „het laat zich hooren dat te midden van dien waterplas geen rhinocerossen, olifanten en tijgers heen en weer zwommen.”Johannes keek den Waal bijna met verachting aan, maar vervolgde zonder zich aan dat in de rede vallen te storen:„Te midden van dat groote bekken verhieven eenige kleine koraaleilanden hunne vlakke toppen boven de watervlakte. Door een langzame verheffing van den bodem kwam de steen- en kleilaag, waarop die koraalafzettingen rustten, allengskens boven water. De vorm, door die opheffing verkregen, bepaalde een toekomstige hoofdbergketen, die van het noordoosten naar het zuidwesten loopt, met een paar vertakkingen, waarvan het Meratoesgebergte, met een strekking van noord naar zuid, de voornaamste is; en een paar anderen met een richting van west naar oost. Toen had het eiland, maar op veel grootere schaal, nagenoeg de gedaante van Celebes met zijn diep ingesneden bochten en zeeboezems. De aanmerkelijke waterafvoer van die toppen en ook de verdere opheffing des bodems, vulden die bochten en zoo verkreeg Borneo de gedaante die het thans heeft, maar niet behouden zal.”„Waarom niet?” vroeg Schlickeisen.„Omdat het nog in volle vorming verkeert. Of de langzame opheffing van den bodem nog voortduurt, weet ik niet. Andere bollen dan de mijne zullen dat moeten uitmaken. Om dat te constateeren, zullen een reeks van waarnemingen moeten gedaan worden, waarvan, als ik het wel heb, de eerste nog niet geschied is. Maar[325]de aanslibbing gaat voort en ’t is opmerkelijk, hoe aan de zuidkust het terugdringen van de zee en het vooruitschuiven van het land, zich voor het oog zichtbaar voordoet. Vooral de Tjemarabosschen bieden hiertoe een ongeëvenaarden maatstaf aan. Vlak aan de boorden der zee ziet men kleine boompjes van ternauwernood een paar cM. lengte. De rijen daarachter zijn weer iets langer en zoo gaat het voort, totdat men op een paar honderd el afstand van het water, het hoogwoud bereikt, waar stammen van dertig voet hoog aangetroffen worden. De overgang van het eene boompje tot het andere is schier onmerkbaar, het loof vormt van uit zee gezien als een zacht glooiende helling van het helderste groen. Ieder jaar vormt weer nieuwe rijen, schuift weer jonge boompjes vooruit op de aangeslibde klei en me dunkt, dat het moet te berekenen zijn, wanneer van Tandjong Salatan, den zuidelijksten uitlooper van het Meratoesgebergte, tot Tandjong Batoe Titi,de zuidwestelijkste punt van Borneo, die als de voortzetting van het Kamintinggebergte te beschouwen is, een gelijke kustlijn zonder merkbare bochten of inhammen, die slechts afgebroken zal worden door de mondingen der rivieren, zal gevormd zijn.”„Dat is zeker heel aardig verklaard,” sprak Wienersdorf als in nadenken verzonken. „Maar waarop berust die stelling van langzame opheffing? Is zij niets anders dan een hypothese door Europeesche geleerden op het studeervertrek uitgedacht, of berust ze op stellige daadzaken?”„Op stellige daadzaken, mijn waarde Zwitser! Wellicht morgen reeds, wanneer we ten minste spoed genoeg maken, komen we de grenzen der kalkformatie nabij. Daar, in de koraaltakken, die ge er zult kunnen verzamelen, in de opeenhoopingen van verbrijzelde schelpen enz. die ge er zult opmerken, zult ge de bewijzen[326]gelieven te zien, dat de zee eenmaal daar hare golven rolde. Nu moet ge niet denken, dat die koraal- en schelpbrecciën alleen aan de Kapoeas aangetroffen worden. Neen, aan de oevers van al de rivieren, die met de laatstgenoemde evenwijdig loopen, vindt ge dezelfde formatie terug. Het eigenaardigste daarvan is, dat, indien ge al de grenspunten der kalkformatie, die onloochenbare bewijzen eener vroeger bestaan hebbende kustlijn, door een lijn verbindt, die lijn dan vrij wel de richting aangeeft van den loop van het centraal gebergte, welks voet zij als het ware vormt.”„Is er in de volksoverlevering niets, wat op zoo’n toestand doelt?” vroeg Schlickeisen.„Wel zeker, er bestaan bij de onderscheidene Dajaksche stammen, die langs de bedoelde rivieren wonen, vele legenden en verhalen dienaangaande. De voornaamste en die ook bij alle stammen nagenoeg onveranderd terug gevonden wordt, is de navolgende:„Vele jaarhonderden geleden, was Kalimantan op lange na zoo groot niet als het tegenwoordig is. Over het grootste gedeelte van het nu zichtbare rolde toen de zee hare blauwe golven en slechts de toppen van de tegenwoordige bergen Parawen, Boendang, Mienta en Japoh Poerau4verhieven zich even boven den waterspiegel en strekten tot woonplaats van het voorgeslacht. Rustig en afgescheiden van de geheele wereld leefden die menschen daar; want die lage eilanden waren door vele klippen omgeven, waarop de zee met woede brak en een nadering hoogst gevaarlijk maakte. De faam evenwel[327]van den grooten rijkdom dier eilanden aan goud en diamanten had zich—hoe, weet niemand—heinde en verre verspreid, zoodat er vele hebzuchtigen bestonden, die zich van die schatten wenschten meester te maken. Op zekeren dag werd een groote prauw, met vele menschen bemand, door weer en wind in de nabijheid dier klippen gevoerd. Een gedeelte der bemanning toonde zich uiterst bevreesd en verlangde dat gevaarlijk oord zoo spoedig mogelijk te verlaten. De andere helft was van oordeel, dat, nu men in de nabijheid van die rijke eilanden geslingerd was, de gelegenheid om fortuin te maken bij de haren moest gegrepen worden. Geen van beide partijen wilde toegeven; het geschil eindigde met een vechtpartij, waarbij de vechtenden elkander bijna geheel vernielden. De weinige overgeblevenen konden het vaartuig niet sturen, zoodat dit, door wind en stroom voortgezweept, op het strand gejaagd werd. Wat er van de menschen werd, meldt de overlevering niet, maar het schip werd door den Sangiang Dagoeman in een vervaarlijken grooten kalksteen veranderd, die heden ten dage nog in grove trekken de gedaante van een schip vertoont en daarom Batoe Banama5genoemd wordt. Die Batoe Banama ligt een weinig boven den kampong Tawan aan den linkeroever van de boven Doesson en duidt vrij scherp de grensscheiding tusschen het alluviaal en diluviaal terrein aan.”6„Allerinteressantst!” verklaarde Wienersdorf, „maar je bent nu toch eenmaal aan het vertellen. Niemand onzer heeft nog slaap. Zeg ons nu nog eens, of de inlander[328]ook het gemis van groot verscheurend gedierte weet te verklaren? Wellicht dat zijn legenden daarop ook duiden?”„Zoo ver mij bekend is, zwijgen de overleveringen daarvan; wellicht omdat het bestaan van dat gedierte op andere gedeelten der aarde bij het volk zelfs niet vermoed wordt. Toch bestaat er een legende, die schijnt aan te duiden, dat er toch eenig begrip omtrent groote dieren heerscht en daarenboven innig samenhangt met het volkskarakter, namelijk om list tegenover geweld te plaatsen. Die legende luidt als volgt:In die voortijden, toen de dieren nog met de spraak begaafd waren, kwam een monsterachtige olifant van den overwal aan de zuidkust van Borneo aan en zwom de Kahajan op. De verzamelde dieren, daar te huis, zagen met ontzetting dat gevaarte den stroom opstevenen. Zij vaardigden een krokodil naar den vreemdeling af, om te vernemen wat hij in zijn schild voerde. De kaaiman, weinig diplomaat van aard, daarentegen meer vechtersbaas, tastte den indringer met zijn tanden aan en dacht een gemakkelijke overwinning te behalen. De olifant greep hem echter met zijn machtigen snuit, verhief hem als een balletje in de lucht en verbrijzelde zijn ruggegraat tegen een drijvenden boomstam. Daarop, verwoed over dien trouwloozen aanval, stapte de overwinnaar aan wal, riep een in de nabijheid grazend hert tot zich en zond dat naar de gezamenlijke dieren van Borneo, om hen tot een gevecht uit te dagen. Aan dien afgezant gaf hij een zijner slagtanden mede, ten einde de tegenpartij zich een denkbeeld zoude kunnen maken van de kracht en de grootte van het dier, dat hen ten strijde uitdaagde.Van bluf was die zending niet vrij te spreken, maar wat de olifant voorzien had gebeurde. Schrik en ontsteltenis[329]sloeg ieder dier om het hart bij het zien van dien kolossalen tand, terwijl het wedervaren van den krokodil, waaromtrent het hert zeer dichterlijke verhalen te berde bracht, niet geschikt was om die vrees te doen bedaren. Te midden der algemeene verslagenheid trad het kleine stekelvarken (landakh) als redder op. Dit kleine dier gaf namelijk den raad om, onder toezending van een zijner pennen, den olifant mede te deelen, dat men zijne uitdaging aannam. De medegezonden stekel moest dienen, om den vreemdeling in staat te stellen een vergelijking te maken tusschen de haren van zijn aanstaanden tegenstander en zijn eigene, ten einde zich zoo een denkbeeld te kunnen vormen, hoe groot de tanden wel moesten wezen van het dier, dat zulke kolossale haren bezat. De list gelukte volkomen. De olifant er volstrekt niet op gesteld zijnde, met zulk een machtigen tegenstander in het krijt te treden, vroeg zijn tand terug en zwom met inspanning van alle krachten weer naar het land, van waar hij gekomen was. En nog heden ten dage heet de plaats waar de dikhuid aan wal steeg: „rantau gadjah oendoer,” of„de rivierbocht waar de olifant terugkeerde.”„Verduiveld! dat was nog zoo dom niet uitgedacht,” meende La Cueille, „zoo’n stekelvarkenshaar zou een sappeursbaard beschaamd gemaakt hebben. ’t Is daarbij juist: „qui s’y frotte, s’y pique.””„De legende is wel aardig,” sprak Schlickeisen, „maar ik vind er niet in, wat ik vroeg. Met dien olifant, die door een stekelvarkenspen op de vlucht gedreven is, wordt dunkt mij meer op een aanranding in de voortijden geduid, op een aanranding van buiten, wellicht van hindoe’s, die door list der inboorlingen verijdeld werd, dan op een vroegere bekendheid van wilde dieren als den olifant. Het zou toch niet onwaarschijnlijk te achten[330]zijn, dat, zoo de aanvallers wezenlijk hindoe’s waren, zij gewapende olifanten bij hun aanvalsleger gehad hebben.”„Wel mogelijk,” antwoordde Johannes flegmatiek, „maar als de liefste meid ter wereld, heb ik gegeven wat ik had. ’k Heb verteld, wat ik wist. Zooveel is zeker, dat, eenige Klingaleezen uitgezonderd, die zich hier of daar als handelaren genesteld hebben, van het Hindoeisme op Borneo weinig te vinden is.”Onder dergelijke gesprekken was de nacht voorbij gesneld. Onze deserteurs hadden geen behoefte aan slaap gevoeld. Toen de dag evenwel aanbrak, keken zij vreemd op. Het terrein was geheel en al van gedaante veranderd. Tot nog toe had de rivier zich tusschen moerassige oevers heengeslingerd. In de benedenstreken hadden zij die oevers tweemaal daags overstroomd gezien door den vloed, die de wateren der rivier opstuwde en terugdreef. Hooger op, waar de invloed van eb en vloed niet meer ontwaard werd, was ’t het bovenwater, dat bij iedere forsche regenbui het land overstroomde, waardoor de oeverstreken moerassig bleven. Maar, sedert zij kotta Baroe verlaten hadden, sedert gisteren avond was het terrein aanmerkelijk gerezen en wat zij thans zagen, waren heuvelen van ongeveer honderd voet hoog, met zeer zachte hellingen, die bevallig met elkander afwisselden en de bekoorlijkste dalen vormden, of welker glooiingen zacht, bijna onmerkbaar in elkander overgingen. Soms was het terrein, dat zich voor hunne oogen opdeed, golvend. Twee, drie rijen hoogten strekten zich, zoo ver het gezicht reiken kon, evenwijdig aan elkander uit, hadden hunne zachte hellingen allen naar denzelfden kant naar het zuidoosten, de scherpe hellingen naar de tegenovergestelde zijden gekeerd en schenen baren, volgens de dichterlijke uitdrukking van[331]Schlickeisen, door den zuidoostmousson voortgezweept, die plotseling verstijfd of gestold waren en den vorm behouden hadden, dien zij op het oogenblik van stolling vertoonden.Maar niet alleen de bodem vertoonde een verandering, ook de flora, die daarop groeide, toonde zich geheel anders, dan die zij daags te voren gezien hadden. Wel hadden zij reeds lang de zone der Tjemara laout- en der Nipahbosschen achter den rug. Maar tot gisteren hadden de Rhisophoren nog de overhand gehad, die vreemdsoortige gewassen, welke met hare steltwortels zoo uitnemend geschikt zijn om den brijachtigen detritus in moerasstreken vast te houden en zoo tot de vorming van vasten bodem haar weerga niet hebben. Wel waren de Rhisophoren nog niet geheel verdwenen. Hun krachtige groei was evenwel reeds zeer beperkt; de weinige exemplaren die zich nog vertoonden, waren nog slechts de dwergen van hun geslacht. Maar in hunne plaats begonnen zich de Ficus-soorten te vertoonen, waaronder de Randoealas met hare loodrechte, monsterachtige stammen en de Wariengien’s met hare luchtwortels behooren, die soms een doolhof van stammen vormen, en haar kroonloof, dat op zich zelf een dicht bosch vertoont. Wat den reizigers nog wel het meeste opviel, was dat de zacht glooiende oevers, die gisteren nog altijd niet toelieten te ontwaren, waar het water der rivier ophield en waar het land begon, verdwenen waren en de stroom thans kokend en schuimend tusschen diepingesneden taluds voortspoedde. In de bochten waren die taluds steil afgebrokkeld en lieten zij de groote en kleine rolsteenen, gevat in gele of grauwe klei, waaruit de onderhumuslaag gevormd is, naakt en zonder eenig plantaardig dek zien, terwijl de uitspringende hoeken, tegenover die bochten, uit fijn wit zand en kleine rolsteentjes bestaande, zacht glooiend opwaarts[332]stegen, om onmerkbaar in het aangrenzend hoogere terrein over te gaan.Een ander verschijnsel, dat zich voordeed, waren de meerdere sporen van de aanwezigheid van menschen.In de moerasstreken hadden de reizigers dagen lang geroeid zonder eenig menschelijk wezen of ook maar een spoor daarvan te ontdekken. Hier was dat geheel anders. Op de oevers werden veelmaals tusschen het oorspronkelijk woud aanplantingen van djagoong (maïs), katella pohon, suikerriet, katjang enz. of vruchtboomen als klappers, pisang, doerians enz. enz. aangetroffen. Van afstand tot afstand werden woningen waargenomen en konden de avonturiers zich verlustigen, menschen in hunne volle bedrijvigheid te ontwaren. Evenwel deed zich hier een bijzonderheid voor, die wel als keerzijde mocht aangemerkt worden. Trouwens te kotta Towanan en te kotta Baroe hadden de reizigers daar reeds staaltjes van gezien: alle woningen in de bovenstreken waren met een stevig paalwerk omgeven en zoodoende in ware forten herschapen. Bij voldoende waakzaamheid van de zijde der bewoners zou daar zonder geschut niet in te komen zijn; alleen uithongering of weifelmoedigheid zou zulk een sterkte tot overgave kunnen dwingen. Dat is het gevolg van de verderfelijke zucht om menschenschedels te vergaren. Iedereen zoekt zich te beveiligen tegen sluipmoord en vindt slechts zekerheid achter stevige wallen.Die groote verandering in hunne omgeving, had de belangstelling der reizigers in hooge mate opgewekt. Zoo in een nacht, zonder overgang bijna, waren zij om zoo te zeggen in een andere wereld aangeland. De eerste gedachte, die bij hen opkwam, was van de veranderde omstandigheden gebruik te maken, om hun mondvoorraad aan te vullen, althans er eenige afwisseling[333]in te brengen. Bij een daartoe gunstig gelegen tuin legden zij aan, gaven den bewaker een paar stengen tabak ten geschenke, en konden nu naar hartelust groenten, maïs en eenige knolgewassen inzamelen. Zelfs kregen zij eenige klappernoten en nog andere vruchten ten geschenke. Van dien bewaker vernamen zij verder, dat al sedert vele dagen een bende Poenans in deze streken verschenen was en dat zij dus op hunne hoede moesten zijn. Het was alweer het oude deuntje: pas op je kop.Na die inzameling werd de reis voortgezet en bereikten de vluchtelingen zoo omstreeks tegen het middaguur de monding der soengei Koeatan. Deze is de voornaamste zijrivier van de Kapoeas. Zij is nog dagen lang bevaarbaar voor prauwen van middelbare grootte en ontspringt uit een moerassige terreinplooi, die tevens door de soengei Lemo in gemeenschap met de Doesson staat. Johannes opperde het denkbeeld om de reis langs de Koeatan te vervolgen, omdat de Doesson veel langer bevaarbaar is dan de Kapoeas en zij dus gemakkelijker het centraalgebergte zouden naderen, waarover de reis voerde om de noordkust te bereiken. De drie andere Europeanen stemden met dat voorstel in; Dalim en de overige Dajaks daarentegen kwamen er ten krachtigste tegen op. Wel was de weg gemakkelijker, dat erkenden allen, maar zij, als bewoners der Kapoeas-streken zouden terecht komen te midden hunner erfvijanden, waaronder het onmogelijk zoude zijn zich verborgen te houden en die van menschlievendheid of van deernis niets zouden willen weten. Een reis derwaarts ware gelijk aan eendoodsvonnis. Terwijl men nog aan het beraadslagen was, kwam eensklaps een rangkan, door een twintigtal pagaaien voortgestuwd, den reizigers achterop. Van achter een scherpen hoek te voorschijn[334]schietende, was de verschijning van dat vaartuig zoo plotseling, dat de schrik de meeste roeiers in de prauw der vluchtelingen verlamde.„Poenans! Poenans!!” was hun geschreeuw, terwijl zij hunnemandauwsgrepen. De Europeanen vatten hunne geweren en weldra zoude een hevig geweervuur den naderenden tegengeknetterd hebben, had Dalim niet plotseling: „halt! niet schieten!” uitgeroepen.Voor op den rangkan stond een Poenan in vollen krijgsdos, evenwel geheel ongewapend, die als een bezetene met de armen zwaaide en wenkte. Toen de vaartuigen nog wat dichter bij elkander waren gekomen, herkenden de reizigers den koppensneller, wien Wienersdorf in de Danau Ampang het leven had geschonken. En werkelijk, het was Harimaoung Boekit, die naar zijn stam terugkeerde. Hij zelf en al zijn tochtgenooten hadden de mandauws afgelegd, ten teeken van vredelievendheid.[335]1De standaard van het goudgewicht in de binnenlanden van Borneo is de ringgit of Mexicaansche zonnemat. Twee ringgits worden gerekend gelijk te zijn aan een thaël. De ringgit heeft 2 sadjampol; de sadjampol heeft 2½ sakobang; de sakobang heeft 2 boea kajoe; de boea kajoe heeft 2 boentoeng: een boentoeng heeft 2 satilai; een satilai heeft 2 satali; een satali heeft 1½ brini; een brini heeft 2 matta boeroeng en een matta boeroeng heeft 2 boea bakoeng. Zoodat een boea bakoeng het 1⁄960 is van een thaël.↑2Felis pardusenfelis macrocephalis.↑3Ursus Malayanus.↑4Dit zijn de hoogste bergen van het eiland. De top van den Japoh Poerau wordt door de inboorlingen beschreven, zich te vertoonen bij zonsop- en ondergang, als ware hij van goud; over dag evenwel als fraai blinkend zilver. Hierop afgaande, zou hij boven de sneeuwgrens liggen, die evenwel in deze streken zeer hoog aangetroffen wordt.↑5Batoe = steen; Banama = schip.↑6In de boven Kahajan bestaat ook zulk een steen, die den vorm van een schip heeft. Deze rots heet Batoe Tangkiring en daaraan is een nagenoeg gelijkluidende legende verbonden. Tangkiri beteekent in het Dajaksch „veranderd zijn in” dus „in steen veranderd.”↑
[Inhoud]XVI.Kotta Baroe.—Djoeragan Kaout.—Een figuur uit den opstand.—De echtgenoote eens opstandelings.—Geld tegen goed.—Vertrek van kotta Baroe.—De vaart wordt noordwest.—Borneo’s fauna.—Waarom er geen groote verscheurende dieren zijn.—De Batoe Banama in de Doesson.—De olifant en het stekelvarken.—Terreingesteldheid en flora in de hoogere streken.—Harimaoung Boekit.Het was ongeveer zonsondergang toen onze reizigers kotta Baroe bereikten.Kotta Baroe speelde eens een niet onbelangrijke rol in de geschiedenis der boven-Kapoeasstreken. Hare ligging aan de grenzen, waar het alluviaal zich aan het diluviaal terrein aansluit, zal ten allen tijde hare waarde behouden. Nog slechts korten tijd vóór dat onze deserteurs daar aankwamen, verhief er zich een Dajaksche sterkte, die de geheele rivier beheerschte. Een booswicht van de ergste soort had zich daar gevestigd. Zijn naam was Djoeragan Kaout. Hij gaf voor een Javaan te zijn. Inboorlingen evenwel beweerden, dat hij te Pangko, een kampong van de beneden Kahajan, uit volbloed Dajaksche ouders geboren was. In zijn jongelingsjaren oefende hij het beroep van zeeroover uit. Hij woonde toen in een der talrijke soengei’s, die zich in gemelden stroom uitstorten, en trok van daar uit om de omliggende vaarwaters af te schuimen.[313]Wee het vaartuig, dat in zijn macht viel!Legio waren de verhalen der heldenfeiten, die hij met een soort van genoegen kon opdisschen; en onder die verhalen namen die niet de minste plaats in, welke de parten moesten verkondigen, die hij den Nederlanders gespeeld had. Was hij goed gehumeurd, dan noemde hij die steeds „bawoi boelan” (wit wild varken) en zijn meest saillant verhaal was, dat hij eens onder de Javakust door een Hollandsch oorlogsschip op het strand was gejaagd. Wat viel er te doen, vroeg hij, tegen de zware kanonnen van die witte zwijnen? Hij had toen op den hoek van Indramajoe een versterking opgeworpen en die drie weken lang tegen de bemanning van dat schip verdedigd. Hij lachte steeds, dat hem de tranen over de wangen rolden, wanneer hij vertelde, dat hij in een stikdonkeren nacht met een deel zijner manschappen de hem belegerende matrozen had overvallen en, na er een aantal van neergehouwen te hebben, de overblijvenden in hun onderbroek, sommigen zelfs zonder dat kleedingstuk, naar hunne sloepen gedreven had. Hij was onmatig in zijn lachlust bij het verhaal, dat een der officieren met zijn bloote kuiten in een nest van roode mieren te recht was gekomen. Den volgenden dag kwamen wel is waar die Hollanders terug, maar toen had hij zich uit de voeten gemaakt. Dat van het geheele verhaal niet veel waar was, behoeft wel niet verzekerd te worden, maar zoo iets poseerde en de mogelijkheid van blanken met of zonder hemd en onderbroek te hebben doen vluchten, werd door niemand betwijfeld. Het was te koddig om niet waar te zijn. Gewoonlijk lachte het geheele auditorium hartelijk mede, wanneer die episode opgedreund werd.Op lateren leeftijd, toen hij zich rijk genoeg meende geroofd te hebben, verliet Djoeragan Kaout het zeerooversleven[314]en vestigde zich te kotta Baroe, alwaar hij een geduchte versterking bouwde en er zich voornamelijk op toelegde de bevolking dier streken uit te zuigen. Voor een inlander had hij een vrij groote handelskennis en beijverde hij zich dan ook de producten van het land in te ruilen voor lijnwaden, tabak, messen, zout, enz. enz. Had hij zich nu daartoe slechts bepaald, dan, hoe groot de woekerwinsten ook waren, die hij nam, zoude zijn verblijf in die streken ten zegen hebben gestrekt aan die oorspronkelijke bevolking. Maar zijn hoofdbemoeiingen waren niet de handel, maar veeleer zich in geschillen zijner buren te mengen; die geschillen te verergeren, door de gemoederen te verbitteren, door haat en nijd aan te blazen en zich zijn tusschenkomst grof te laten betalen. De Dajaks zijn een zeer proceszuchtig volk, die steeds quaestieuse zaken onder elkander hebben en als het ware zonder deze niet leven kunnen. Veelal hebben zij het hoogste goed, dat de mensch bezit, de vrijheid, veil, om aan dien hartstocht te kunnen voldoen. Bij onvoldoende middelen toch, om de boeten en de proceskosten te betalen, wordt menig proceslustigepandeling, wat zeggen wil slaaf. Slaaf in de afzichtelijkste beteekenis van het woord. Want pandeling is slechts een huichelachtige benaming, onze XIXe eeuw volkomen waardig.Op die wijze en ook door geregelden aankoop was Djoeragan Kaout in het bezit gekomen van ruim tweehonderd pandelingen van beiderlei kunne, waarvan zoowel de vrouwen als de mannen zwaren arbeid voor hem moesten verrichten, en de eerstgenoemde ook nog tot onzedelijke doeleinden werden uitverhuurd. Werden zijne pandelingen oud, zoodat door gebrek aan arbeidskracht voor waardevermindering te vreezen was, dan verruilde hij ze tegen jongere of verkocht ze om als offers[315]bij begrafenisplechtigheden, verzoeningsfeesten of anderszins geslacht te worden.Nimmer had hij zich goedschiks aan het Nederlandsche bestuur onderworpen. Had hij ook al een enkelen keer een tevreden gezicht gezet, wanneer hij met een Hollandsch beambte in aanraking gekomen was, het was met een nevengedachte dat hij huichelde en niet altijd had hij zulk een beambte eerbiedig ontvangen. De vrees voor geduchte kastijding alleen had hem langen tijd van openlijk verzet weerhouden. Toch handelde hij meestal zoo als hij verkoos en lachte om de gegeven bevelen. Zoodra de opstand in 1859 in het Bandjermasinsche rijk uitbrak, schaarde hij zich openlijk aan de zijde des verzets en het was voornamelijk aan hem te wijten, dat de Dajaks van Poeloe Petak en van de beneden Kapoeas zich onder de vanen des opstands schaarden en de zendelingen te Tangohan en in de Kahajan vermoordden. Hij was het, die in Augustus 1859 de overrompeling van het fortje Poeloe Petak aanvoerde. Een paar maanden later poogde hij op listige wijze andermaal dat fortje binnen te dringen, maar die toeleg werd bijtijds ontdekt en verijdeld. Gedurende dien opstand waren de bovenlanden geheel aan zich zelven overgelaten en was de kans schoon voor Djoeragan Kaout om zich aan alle mogelijke euveldaden schuldig te maken. Nimmer was de verwarring daar zoo groot geweest. Maar de dag der vergelding kwam nabij.In het begin van Januari 1861 werd de kommandant van Kwala Kapoeas door het districtshoofd Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara gewaarschuwd, dat Djoeragan Kaout, onder den schijn zich te komen onderwerpen, met een groot gevolg zou komen, om het fort te overrompelen. Hij was zoo zeker van zijn zaak, dat hij reeds een ruilhandel had aangegaan met betrekking tot[316]het hoofd van den kommandant en wel tegen zulk een aanzienlijken prijs, dat die officier er trotsch op kon zijn zijn bol zoo hoog geschat te zien. Maar deze, met het volkje bekend, waarmee hij omging, huldigde de leus: „pas op je kop”. Hij gaf geen gehoor aan den Tomonggong, die hem den raad gaf, den muiter niet te ontvangen. Integendeel hij liet dezen met zijn geheele macht voor het fort verschijnen; maar toen Djoeragan Kaout op den steiger aan wal gestapt was, schoof een peloton soldaten tusschen de prauwen, waarin zijn talrijk gevolg gezeten was. Wel riep de hoofdopstandeling: „amokh! amokh!!” en wilde hij zijn mandauw trekken, maar de kommandant greep hem bij den rechter pols, terwijl een korporaal hem bij den anderen arm vatte. Het peloton soldaten hield met aangelegde geweren de volgelingen in bedwang, terwijl Tomonggong Nikodemus hun toeriep, zich stil te houden en hen op de kanonnen wees, die, op de aanlegplaats gericht, gereed stonden om vuur te geven. In een oogwenk was de booswicht onder het oog van zijn gevolg gekneveld en binnen het fort gebracht. Zijn aanhang kreeg nu bevel om de nabijheid van het fort te verlaten en naar de Kapoeas terug te keeren. Weinige weken later sprak de krijgsraad te velde de doodstraf door middel van den strop over Djoeragan Kaout uit, en werd die te Bandjermasin voltrokken.Niet langen tijd daarna deed de echtgenoote van den gevonnisde, een zeer schoone Dajaksche vrouw, den kommandant van Kwala Kapoeas aanbiedingen om als zijn huishoudster op te treden. Maar de goede raad van den ouden braven Tomonggong behoedde hier den jongman voor het ergste verraad. Later heeft die vrouw het districtshoofd verweten, dat hij haar verhinderd had, haren man te wreken; ze had het vergift reeds bij zich toen zij haar aanbod deed en zij had op hare schoonheid[317]gerekend om een gemakkelijke overwinning te behalen.Teruggekeerd te kotta Baroe, zette die vrouw het woeste bedrijf haars mans voort, voerde koppensnellerstochten aan, hief belastingen en tolrechten bij doorvoer van alle handelsprauwen, eigende zich pandelingen van anderen toe, ja ontzag zich niet, vrije mannen te laten oppakken en tot slavernij te doemen. De klachten, die te Kwala Kapoeas inkwamen, klonken al luider en luider en eindelijk vertoonde zich weer voor het eerst een stoomschip te kotta Baroe, bij welke gelegenheid aan al de pandelingen van Djoeragan Kaout de vrijheid werd hergeven, de versterking geslecht en zoo de invloed van die heerschzuchtige en wraakzuchtige vrouw werd geknakt. Zij is sedert verdwenen. Het gerucht liep, dat ze naar de boven Katingan was gevlucht en zich daar metterwoon gevestigd had.„Ziet daar de geschiedenis van kotta Baroe in den laatsten tijd,” zoo besloot Johannes het verhaal, dat hij gedurende den overtocht geleverd had.„De bevolking is thans rustig en heet goedgezind. Het zijn evenwel koppensnellers in hun hart, die van de beschaving niet meer willen weten, dan in hun kraam te pas komt. We zullen hier een oogenblik aanleggen. Dalim heeft eenige kennissen te raadplegen over het voortzetten der reis, terwijl ik zal trachten een versterking aan roeiers te bekomen.”Dalim en Johannes stapten aan wal. De bevolking van kotta Baroe had al nieuwsgierig uitgekeken, toen zij die prauw, waarboven de Nederlandsche vlag wapperde, zag naderen. Johannes met het bevelschrift in de hand, dat hij aan Damboeng Papoendeh ontnomen had, eischte een twintigtal roeiers in daghuur, om de prauw naar de bovenrivier te brengen. Dat papier, hetwelk[318]niemand lezen kon, maar waarop het Nederlandsche wapen in rood lak afgedrukt stond, maakte indruk; nog meer de toezegging, dat ieder roeier tot belooning een rijksdaalder voor zijn diensten en, was men tevreden, nog een steng tabak tot geschenk zoude ontvangen. Vooral de tabak verlokte velen en toen Johannes een mand van het nicotiaansch kruid uit de prauw liet boven brengen en het hoofd een paar stengen aanbood, waren alle beschikkingen snel getroffen. Een luid gejuich verhief zich. Als om strijd boden een aantal wakkere borsten zich aan om te roeien en weldra hadden zij hunne legmatjes met hunne hoofdkussens in de prauw gebracht, hunne beseai’s gegrepen en waren zij gereed om de reis mede te aanvaarden. Johannes deed hier ook nog goede zaken; hij ruilde nog twee manden tabak voor vijf pikols rijst en een zakje zout. Volgens hem waren ze nu geapproviandeerd voor de geheele reis; vooral daar zij die twintig roeiers, die ze hier te kotta Baroe aan boord namen, slechts een tiental dagen zouden gebruiken. De vier pandelingen van Bapa Andong werden aan het kottahoofd overgegeven met opdracht die menschen met de eerste de beste gelegenheid naar Kwala Kapoeas terug te zenden. Grootmoedig gaf Johannes hun ieder tot belooning hunner diensten een rijksdaalder en betuigde hun zijn tevredenheid. Dit alles geschiedde in naam van het Nederlandsch Indisch bestuur; en die gevlagde prauw, en dat gezegeld papier waren zoovele afdoende bewijzen, dat Johannes een afgezant van het Gouvernement der „Olo bapoeti” (witte menschen) was, die volgens zijn voorgeven, de opdracht had verkregen te trachten met de Olo Ott, de woeste wilde stammen in de binnenlanden, in aanraking te komen en omtrent hunne gezindheid verslag uit te brengen. Ook de milde betaling aan de roeiers en de geschenken in tabak stijfden de[319]bevolking in de meening dat zij met zendelingen van het Nederlandsch bestuur te doen had.Daar boven kotta Baroe geen gemunt geld meer gangbaar is en men zich in de binnenlanden van Borneo niets kan aanschaffen dan door middel van ruilhandel, zette Johannes al het baar geld van het reisgezelschap tegen eenige stukken sits en andere lijnwaden, maar vooral tegen stofgoud van de hand. Al reeds van Kwala Hiang af vertoont dat edel metaal zich, evenwel nog in geringe mate, in het aangeslibde zand der rivier. Te kotta Baroe is de productie al reeds de ontginning waard en komt het stofgoud als handels- of liever als ruilartikel voor. Als vertegenwoordiger van het Nederlandsch Gouvernement werd Johannes welwillend behandeld en verkreeg hij de thaël1gouds voor 55 gulden, terwijl die te Bandjermasin een waarde heeft van 60 tot 70 gulden.Twee uren waren zoo omstreeks verstreken sedert hun aankomst te kotta Baroe, toen onze avonturiers weer tot vertrek gereed stonden. Dalim evenwel was nog niet verschenen. Deze had een paar kennissen opgezocht en zat gezellig onder het genot van een pruimpje sirih te kouten. Indachtig aan de langzaamheid van zijn landslieden en aan het tijdroovende eener onderhandeling, als waarmede Johannes belast was, had hij zich bij die kennissen op een matje neergevleid en had het vertrekuur totaal vergeten. Toen hij geroepen werd,[320]vloog hij op en was in een ommezien op zijn post met den stuurpagaai in handen. Met kracht schoot de prauw onder een roeislag van zes en twintig paar armen vooruit en weldra was kotta Baroe aan het gezicht onttrokken.Er werd nu bepaald, dat gedurende den nacht steeds twintig roeiers aan den arbeid zouden blijven en de zes overblijvende gedurende twee uren zouden rusten, waarna zij zes anderen zouden aflossen, die twee uren later evenzoo zouden handelen. Zoo stevende de prauw rusteloos voort.Intusschen viel het den beiden Zwitsers, als landmeetkundigen en topografen, al spoedig op, dat de vaart merkbaar afweek van de tot nu toe gevolgde richting. Was de hoofdstreek, werwaarts de prauw den steven wendde tot nu toe noord geweest, thans scheen de rivier naar het noordwesten te kronkelen. Aanvankelijk schenen de beide mannen te aarzelen. Herhaaldelijk keken zij naar de sterren, maar de veelvuldige buigingen van den stroom maakten een gezette waarneming hoogst moeielijk. Eindelijk greep Wienersdorf zijn kompas, plaatste dat voor zich en kwam ras tot de overtuiging dat, hoewel de prauw afwisselend naar alle windstreken stuurde, de hoofdrichting thans noordwest was. Johannes legde hem uit, dat de voornaamste bergketen, die Borneo doorsnijdt, een hoofdstrekking heeft van het noordoosten naar het zuidwesten en de uitloopers aan den zuidelijken kant van die keten naar het oosten of zuidoosten afhellen. Dat is dan ook de terrashelling aan dien kant van het gebergte. Bijna al de rivieren, die zich in de Javazee uitstorten, nemen aanvankelijk een richting aan van het noordwesten naar het zuidoosten, tot waar zij het alluviale terrein binnentreden en hun loop van noord naar zuid veranderd wordt.Terwijl onze reizigers zoo samen zaten te praten, kwam[321]het gesprek langzamerhand op de fauna van het land, dat zij doortrokken.„Op een paar krokodillen na en eenige troepen apen, die als kwajongens in de boomen gymnastiseerden, hebben we van de dierenwereld van dit eiland nog niet veel gezien,” was de bemerking van Schlickeisen. „En toch moet de dierenwereld in een land als dit krachtig vertegenwoordigd zijn.”„’t Mocht wat,” viel Johannes meesmuilende in. „In waarheid is Borneo in dat opzicht zoo armelijk bedeeld, als geen der groote eilanden van den Indischen archipel. Hier geen rhinocerossen, geen olifanten of tijgers, zelfs geen inheemsche paarden. Wat hier in groote menigte voorkomt, zijn slangen en tot die overbevolking schijnt de moerassige bodem aanleiding te hebben gegeven. Die slangen-overbevolking is weer oorzaak van de bijna totale afwezigheid van vogels, die in de benedenstreken waargenomen wordt, daar dat kruipend gedierte tegen stam en tak opklimt en de eieren opslurpt, of de jongen verzwelgt.”„’t Is toch merkwaardig, dat het centraaleiland van den Indischen archipel, het grootste van al de eilanden, waaromheen de anderen zich als een krans slingeren, het allerminst bevolkt is met levende wezens,” dacht Wienersdorf als het ware hardop.„Op Java behoort de tijger over het geheele eiland thuis. In het westelijk gedeelte van dat eiland wordt de rhinoceros aangetroffen en, mag men de geleerden gelooven, dan zou het nog zoo lang niet geleden zijn, dat een kortmanige leeuwensoort in het Bantamsche aangetroffen werd. Op Sumatra zijn de olifant, de rhinoceros, de tijger, de jakhals in hun waar element. Op Celebes treft men het paard in zijn schoonste vormen aan en is de bewering, geloof ik, niet te gewaagd, dat dat edelste aller dieren daar eenmaal in het wild[322]aangetroffen werd. Alleen Borneo is geheel misdeeld.”„Geheel misdeeld! is nu ook weer het woord niet,” was het wederwoord van Johannes. „We hebben nog niet veel gezien van dat groote centraaleiland, zoo als Wienersdorf het noemt. We zullen wel ervaren, dat hier de apen in zoo’n groote menigte voorhanden zijn als ergens ter wereld. We zijn hier in het paradijs van den orang oetan, denhomo silvarum, dien Darwin voorzeker voor oogen gehad heeft, toen hij zijn stellingen over de afkomst onzer voorouders verkondigde en de apenwereld volstrekt geen eer aandeed, met ons tot haar nakroost te bestemmen. Troepen herten dolen door de bosschen en over de hoogvlakten rond, die je omtrent een geheele misdeeling van het dierenrijk tot andere gedachten zouden brengen.”„Een hertenbout zou niet onwelkom zijn,” meende La Cueille met de lippen smakkend. „Één bout slechts van dien overvloed! ’k ben, dunkt me, niet te begeerig.”„Heb geduld maar. Alles op zijn tijd. Maar om tot het onderwerp terug te keeren. ’t Is waar, groote verscheurende dieren ontbreken, hoewel het tijgergeslacht nog al overvloedig vertegenwoordigd is door een paar kleine soorten als de panter en de tijgerkat2, die voor den mensch onschadelijk, toch al weer meehelpen om der vogelenwereld een wreeden oorlog aan te doen. Een ander dier, dat nog al in de bosschen hier aangetroffen wordt en van al de eilanden van den Archipel nog slechts op Sumatra gevonden wordt, is de honig- of suikerbeer3, die als echte snoeper slechts voor de bijen een wezenlijke vijand is. Vindt ge het geen gelukkige streek, waar de mensch aan den wal slechts[323]zijn natuurgenoot en in het water slechts den krokodil, dat andere onverzadelijke monster, te vreezen heeft?”„Maar waaraan zou dat ontbreken van groote dieren op Borneo toch toe te schrijven zijn, terwijl die op de andere groote eilanden zeer talrijk moeten genoemd worden?”„’k Heb wel eens gelezen, dat de reeks eilanden, die bij de Pegu-golf in Achter-Indië begint, en uit de Andaman en Nikobarische eilanden, Sumatra, Java, Bali, Lombokh, Soembawa, Flores, Kwella, Ombaai, Timor, Timor-laout enz. enz. bestaat, vroeger een groot vast land of eigenlijk een groot schiereiland vormde, dat, met het tegenwoordige schiereiland Malakka tot een geheel verbonden, zich eerst van het noorden naar het zuiden en zuidzuidoosten, later van richting veranderende ter plaatse waar thans Straat Sunda te vinden is, zich van het westen naar het oosten uitstrekte en waarschijnlijk met Nieuw-Guinea samenhing. In den loop der tijden zouden door geweldige omkeeringen en aardbevingen de verschillende straten ontstaan zijn, die thans die eilanden van elkander scheiden en als zoovele doorbraken den Indischen Oceaan tot de Chineesche zee toegang verleenen. Is nu die stelling aan te nemen, dan is het gemakkelijk te begrijpen, dat op die eilanden nog de meeste dieren aangetroffen worden, die zich van hunne bakermat Voor- en Achter-Indië daarover verspreidden.”„Dat is mooi en wel voor die genoemde eilanden verklaard; maar voor Borneo laat het nog alles in het duister.”„Geduld, ik ben nog niet klaar. In die tijden dat die eilandengordel nog een vast land uitmaakte, bestond Borneo nog niet en werd de plaats daarvan ingenomen door een groot zeebekken, dat van het noorderstrand van[324]het tegenwoordige Java zich tot aan de Chineesche kusten uitstrekte en ten westen door Sumatra, Malakka en Cochinchina en ten oosten door Celebes en den Philippijnschen Archipel bepaald werd.”„Mooi die uitlegging,” knorde La Cueille, „het laat zich hooren dat te midden van dien waterplas geen rhinocerossen, olifanten en tijgers heen en weer zwommen.”Johannes keek den Waal bijna met verachting aan, maar vervolgde zonder zich aan dat in de rede vallen te storen:„Te midden van dat groote bekken verhieven eenige kleine koraaleilanden hunne vlakke toppen boven de watervlakte. Door een langzame verheffing van den bodem kwam de steen- en kleilaag, waarop die koraalafzettingen rustten, allengskens boven water. De vorm, door die opheffing verkregen, bepaalde een toekomstige hoofdbergketen, die van het noordoosten naar het zuidwesten loopt, met een paar vertakkingen, waarvan het Meratoesgebergte, met een strekking van noord naar zuid, de voornaamste is; en een paar anderen met een richting van west naar oost. Toen had het eiland, maar op veel grootere schaal, nagenoeg de gedaante van Celebes met zijn diep ingesneden bochten en zeeboezems. De aanmerkelijke waterafvoer van die toppen en ook de verdere opheffing des bodems, vulden die bochten en zoo verkreeg Borneo de gedaante die het thans heeft, maar niet behouden zal.”„Waarom niet?” vroeg Schlickeisen.„Omdat het nog in volle vorming verkeert. Of de langzame opheffing van den bodem nog voortduurt, weet ik niet. Andere bollen dan de mijne zullen dat moeten uitmaken. Om dat te constateeren, zullen een reeks van waarnemingen moeten gedaan worden, waarvan, als ik het wel heb, de eerste nog niet geschied is. Maar[325]de aanslibbing gaat voort en ’t is opmerkelijk, hoe aan de zuidkust het terugdringen van de zee en het vooruitschuiven van het land, zich voor het oog zichtbaar voordoet. Vooral de Tjemarabosschen bieden hiertoe een ongeëvenaarden maatstaf aan. Vlak aan de boorden der zee ziet men kleine boompjes van ternauwernood een paar cM. lengte. De rijen daarachter zijn weer iets langer en zoo gaat het voort, totdat men op een paar honderd el afstand van het water, het hoogwoud bereikt, waar stammen van dertig voet hoog aangetroffen worden. De overgang van het eene boompje tot het andere is schier onmerkbaar, het loof vormt van uit zee gezien als een zacht glooiende helling van het helderste groen. Ieder jaar vormt weer nieuwe rijen, schuift weer jonge boompjes vooruit op de aangeslibde klei en me dunkt, dat het moet te berekenen zijn, wanneer van Tandjong Salatan, den zuidelijksten uitlooper van het Meratoesgebergte, tot Tandjong Batoe Titi,de zuidwestelijkste punt van Borneo, die als de voortzetting van het Kamintinggebergte te beschouwen is, een gelijke kustlijn zonder merkbare bochten of inhammen, die slechts afgebroken zal worden door de mondingen der rivieren, zal gevormd zijn.”„Dat is zeker heel aardig verklaard,” sprak Wienersdorf als in nadenken verzonken. „Maar waarop berust die stelling van langzame opheffing? Is zij niets anders dan een hypothese door Europeesche geleerden op het studeervertrek uitgedacht, of berust ze op stellige daadzaken?”„Op stellige daadzaken, mijn waarde Zwitser! Wellicht morgen reeds, wanneer we ten minste spoed genoeg maken, komen we de grenzen der kalkformatie nabij. Daar, in de koraaltakken, die ge er zult kunnen verzamelen, in de opeenhoopingen van verbrijzelde schelpen enz. die ge er zult opmerken, zult ge de bewijzen[326]gelieven te zien, dat de zee eenmaal daar hare golven rolde. Nu moet ge niet denken, dat die koraal- en schelpbrecciën alleen aan de Kapoeas aangetroffen worden. Neen, aan de oevers van al de rivieren, die met de laatstgenoemde evenwijdig loopen, vindt ge dezelfde formatie terug. Het eigenaardigste daarvan is, dat, indien ge al de grenspunten der kalkformatie, die onloochenbare bewijzen eener vroeger bestaan hebbende kustlijn, door een lijn verbindt, die lijn dan vrij wel de richting aangeeft van den loop van het centraal gebergte, welks voet zij als het ware vormt.”„Is er in de volksoverlevering niets, wat op zoo’n toestand doelt?” vroeg Schlickeisen.„Wel zeker, er bestaan bij de onderscheidene Dajaksche stammen, die langs de bedoelde rivieren wonen, vele legenden en verhalen dienaangaande. De voornaamste en die ook bij alle stammen nagenoeg onveranderd terug gevonden wordt, is de navolgende:„Vele jaarhonderden geleden, was Kalimantan op lange na zoo groot niet als het tegenwoordig is. Over het grootste gedeelte van het nu zichtbare rolde toen de zee hare blauwe golven en slechts de toppen van de tegenwoordige bergen Parawen, Boendang, Mienta en Japoh Poerau4verhieven zich even boven den waterspiegel en strekten tot woonplaats van het voorgeslacht. Rustig en afgescheiden van de geheele wereld leefden die menschen daar; want die lage eilanden waren door vele klippen omgeven, waarop de zee met woede brak en een nadering hoogst gevaarlijk maakte. De faam evenwel[327]van den grooten rijkdom dier eilanden aan goud en diamanten had zich—hoe, weet niemand—heinde en verre verspreid, zoodat er vele hebzuchtigen bestonden, die zich van die schatten wenschten meester te maken. Op zekeren dag werd een groote prauw, met vele menschen bemand, door weer en wind in de nabijheid dier klippen gevoerd. Een gedeelte der bemanning toonde zich uiterst bevreesd en verlangde dat gevaarlijk oord zoo spoedig mogelijk te verlaten. De andere helft was van oordeel, dat, nu men in de nabijheid van die rijke eilanden geslingerd was, de gelegenheid om fortuin te maken bij de haren moest gegrepen worden. Geen van beide partijen wilde toegeven; het geschil eindigde met een vechtpartij, waarbij de vechtenden elkander bijna geheel vernielden. De weinige overgeblevenen konden het vaartuig niet sturen, zoodat dit, door wind en stroom voortgezweept, op het strand gejaagd werd. Wat er van de menschen werd, meldt de overlevering niet, maar het schip werd door den Sangiang Dagoeman in een vervaarlijken grooten kalksteen veranderd, die heden ten dage nog in grove trekken de gedaante van een schip vertoont en daarom Batoe Banama5genoemd wordt. Die Batoe Banama ligt een weinig boven den kampong Tawan aan den linkeroever van de boven Doesson en duidt vrij scherp de grensscheiding tusschen het alluviaal en diluviaal terrein aan.”6„Allerinteressantst!” verklaarde Wienersdorf, „maar je bent nu toch eenmaal aan het vertellen. Niemand onzer heeft nog slaap. Zeg ons nu nog eens, of de inlander[328]ook het gemis van groot verscheurend gedierte weet te verklaren? Wellicht dat zijn legenden daarop ook duiden?”„Zoo ver mij bekend is, zwijgen de overleveringen daarvan; wellicht omdat het bestaan van dat gedierte op andere gedeelten der aarde bij het volk zelfs niet vermoed wordt. Toch bestaat er een legende, die schijnt aan te duiden, dat er toch eenig begrip omtrent groote dieren heerscht en daarenboven innig samenhangt met het volkskarakter, namelijk om list tegenover geweld te plaatsen. Die legende luidt als volgt:In die voortijden, toen de dieren nog met de spraak begaafd waren, kwam een monsterachtige olifant van den overwal aan de zuidkust van Borneo aan en zwom de Kahajan op. De verzamelde dieren, daar te huis, zagen met ontzetting dat gevaarte den stroom opstevenen. Zij vaardigden een krokodil naar den vreemdeling af, om te vernemen wat hij in zijn schild voerde. De kaaiman, weinig diplomaat van aard, daarentegen meer vechtersbaas, tastte den indringer met zijn tanden aan en dacht een gemakkelijke overwinning te behalen. De olifant greep hem echter met zijn machtigen snuit, verhief hem als een balletje in de lucht en verbrijzelde zijn ruggegraat tegen een drijvenden boomstam. Daarop, verwoed over dien trouwloozen aanval, stapte de overwinnaar aan wal, riep een in de nabijheid grazend hert tot zich en zond dat naar de gezamenlijke dieren van Borneo, om hen tot een gevecht uit te dagen. Aan dien afgezant gaf hij een zijner slagtanden mede, ten einde de tegenpartij zich een denkbeeld zoude kunnen maken van de kracht en de grootte van het dier, dat hen ten strijde uitdaagde.Van bluf was die zending niet vrij te spreken, maar wat de olifant voorzien had gebeurde. Schrik en ontsteltenis[329]sloeg ieder dier om het hart bij het zien van dien kolossalen tand, terwijl het wedervaren van den krokodil, waaromtrent het hert zeer dichterlijke verhalen te berde bracht, niet geschikt was om die vrees te doen bedaren. Te midden der algemeene verslagenheid trad het kleine stekelvarken (landakh) als redder op. Dit kleine dier gaf namelijk den raad om, onder toezending van een zijner pennen, den olifant mede te deelen, dat men zijne uitdaging aannam. De medegezonden stekel moest dienen, om den vreemdeling in staat te stellen een vergelijking te maken tusschen de haren van zijn aanstaanden tegenstander en zijn eigene, ten einde zich zoo een denkbeeld te kunnen vormen, hoe groot de tanden wel moesten wezen van het dier, dat zulke kolossale haren bezat. De list gelukte volkomen. De olifant er volstrekt niet op gesteld zijnde, met zulk een machtigen tegenstander in het krijt te treden, vroeg zijn tand terug en zwom met inspanning van alle krachten weer naar het land, van waar hij gekomen was. En nog heden ten dage heet de plaats waar de dikhuid aan wal steeg: „rantau gadjah oendoer,” of„de rivierbocht waar de olifant terugkeerde.”„Verduiveld! dat was nog zoo dom niet uitgedacht,” meende La Cueille, „zoo’n stekelvarkenshaar zou een sappeursbaard beschaamd gemaakt hebben. ’t Is daarbij juist: „qui s’y frotte, s’y pique.””„De legende is wel aardig,” sprak Schlickeisen, „maar ik vind er niet in, wat ik vroeg. Met dien olifant, die door een stekelvarkenspen op de vlucht gedreven is, wordt dunkt mij meer op een aanranding in de voortijden geduid, op een aanranding van buiten, wellicht van hindoe’s, die door list der inboorlingen verijdeld werd, dan op een vroegere bekendheid van wilde dieren als den olifant. Het zou toch niet onwaarschijnlijk te achten[330]zijn, dat, zoo de aanvallers wezenlijk hindoe’s waren, zij gewapende olifanten bij hun aanvalsleger gehad hebben.”„Wel mogelijk,” antwoordde Johannes flegmatiek, „maar als de liefste meid ter wereld, heb ik gegeven wat ik had. ’k Heb verteld, wat ik wist. Zooveel is zeker, dat, eenige Klingaleezen uitgezonderd, die zich hier of daar als handelaren genesteld hebben, van het Hindoeisme op Borneo weinig te vinden is.”Onder dergelijke gesprekken was de nacht voorbij gesneld. Onze deserteurs hadden geen behoefte aan slaap gevoeld. Toen de dag evenwel aanbrak, keken zij vreemd op. Het terrein was geheel en al van gedaante veranderd. Tot nog toe had de rivier zich tusschen moerassige oevers heengeslingerd. In de benedenstreken hadden zij die oevers tweemaal daags overstroomd gezien door den vloed, die de wateren der rivier opstuwde en terugdreef. Hooger op, waar de invloed van eb en vloed niet meer ontwaard werd, was ’t het bovenwater, dat bij iedere forsche regenbui het land overstroomde, waardoor de oeverstreken moerassig bleven. Maar, sedert zij kotta Baroe verlaten hadden, sedert gisteren avond was het terrein aanmerkelijk gerezen en wat zij thans zagen, waren heuvelen van ongeveer honderd voet hoog, met zeer zachte hellingen, die bevallig met elkander afwisselden en de bekoorlijkste dalen vormden, of welker glooiingen zacht, bijna onmerkbaar in elkander overgingen. Soms was het terrein, dat zich voor hunne oogen opdeed, golvend. Twee, drie rijen hoogten strekten zich, zoo ver het gezicht reiken kon, evenwijdig aan elkander uit, hadden hunne zachte hellingen allen naar denzelfden kant naar het zuidoosten, de scherpe hellingen naar de tegenovergestelde zijden gekeerd en schenen baren, volgens de dichterlijke uitdrukking van[331]Schlickeisen, door den zuidoostmousson voortgezweept, die plotseling verstijfd of gestold waren en den vorm behouden hadden, dien zij op het oogenblik van stolling vertoonden.Maar niet alleen de bodem vertoonde een verandering, ook de flora, die daarop groeide, toonde zich geheel anders, dan die zij daags te voren gezien hadden. Wel hadden zij reeds lang de zone der Tjemara laout- en der Nipahbosschen achter den rug. Maar tot gisteren hadden de Rhisophoren nog de overhand gehad, die vreemdsoortige gewassen, welke met hare steltwortels zoo uitnemend geschikt zijn om den brijachtigen detritus in moerasstreken vast te houden en zoo tot de vorming van vasten bodem haar weerga niet hebben. Wel waren de Rhisophoren nog niet geheel verdwenen. Hun krachtige groei was evenwel reeds zeer beperkt; de weinige exemplaren die zich nog vertoonden, waren nog slechts de dwergen van hun geslacht. Maar in hunne plaats begonnen zich de Ficus-soorten te vertoonen, waaronder de Randoealas met hare loodrechte, monsterachtige stammen en de Wariengien’s met hare luchtwortels behooren, die soms een doolhof van stammen vormen, en haar kroonloof, dat op zich zelf een dicht bosch vertoont. Wat den reizigers nog wel het meeste opviel, was dat de zacht glooiende oevers, die gisteren nog altijd niet toelieten te ontwaren, waar het water der rivier ophield en waar het land begon, verdwenen waren en de stroom thans kokend en schuimend tusschen diepingesneden taluds voortspoedde. In de bochten waren die taluds steil afgebrokkeld en lieten zij de groote en kleine rolsteenen, gevat in gele of grauwe klei, waaruit de onderhumuslaag gevormd is, naakt en zonder eenig plantaardig dek zien, terwijl de uitspringende hoeken, tegenover die bochten, uit fijn wit zand en kleine rolsteentjes bestaande, zacht glooiend opwaarts[332]stegen, om onmerkbaar in het aangrenzend hoogere terrein over te gaan.Een ander verschijnsel, dat zich voordeed, waren de meerdere sporen van de aanwezigheid van menschen.In de moerasstreken hadden de reizigers dagen lang geroeid zonder eenig menschelijk wezen of ook maar een spoor daarvan te ontdekken. Hier was dat geheel anders. Op de oevers werden veelmaals tusschen het oorspronkelijk woud aanplantingen van djagoong (maïs), katella pohon, suikerriet, katjang enz. of vruchtboomen als klappers, pisang, doerians enz. enz. aangetroffen. Van afstand tot afstand werden woningen waargenomen en konden de avonturiers zich verlustigen, menschen in hunne volle bedrijvigheid te ontwaren. Evenwel deed zich hier een bijzonderheid voor, die wel als keerzijde mocht aangemerkt worden. Trouwens te kotta Towanan en te kotta Baroe hadden de reizigers daar reeds staaltjes van gezien: alle woningen in de bovenstreken waren met een stevig paalwerk omgeven en zoodoende in ware forten herschapen. Bij voldoende waakzaamheid van de zijde der bewoners zou daar zonder geschut niet in te komen zijn; alleen uithongering of weifelmoedigheid zou zulk een sterkte tot overgave kunnen dwingen. Dat is het gevolg van de verderfelijke zucht om menschenschedels te vergaren. Iedereen zoekt zich te beveiligen tegen sluipmoord en vindt slechts zekerheid achter stevige wallen.Die groote verandering in hunne omgeving, had de belangstelling der reizigers in hooge mate opgewekt. Zoo in een nacht, zonder overgang bijna, waren zij om zoo te zeggen in een andere wereld aangeland. De eerste gedachte, die bij hen opkwam, was van de veranderde omstandigheden gebruik te maken, om hun mondvoorraad aan te vullen, althans er eenige afwisseling[333]in te brengen. Bij een daartoe gunstig gelegen tuin legden zij aan, gaven den bewaker een paar stengen tabak ten geschenke, en konden nu naar hartelust groenten, maïs en eenige knolgewassen inzamelen. Zelfs kregen zij eenige klappernoten en nog andere vruchten ten geschenke. Van dien bewaker vernamen zij verder, dat al sedert vele dagen een bende Poenans in deze streken verschenen was en dat zij dus op hunne hoede moesten zijn. Het was alweer het oude deuntje: pas op je kop.Na die inzameling werd de reis voortgezet en bereikten de vluchtelingen zoo omstreeks tegen het middaguur de monding der soengei Koeatan. Deze is de voornaamste zijrivier van de Kapoeas. Zij is nog dagen lang bevaarbaar voor prauwen van middelbare grootte en ontspringt uit een moerassige terreinplooi, die tevens door de soengei Lemo in gemeenschap met de Doesson staat. Johannes opperde het denkbeeld om de reis langs de Koeatan te vervolgen, omdat de Doesson veel langer bevaarbaar is dan de Kapoeas en zij dus gemakkelijker het centraalgebergte zouden naderen, waarover de reis voerde om de noordkust te bereiken. De drie andere Europeanen stemden met dat voorstel in; Dalim en de overige Dajaks daarentegen kwamen er ten krachtigste tegen op. Wel was de weg gemakkelijker, dat erkenden allen, maar zij, als bewoners der Kapoeas-streken zouden terecht komen te midden hunner erfvijanden, waaronder het onmogelijk zoude zijn zich verborgen te houden en die van menschlievendheid of van deernis niets zouden willen weten. Een reis derwaarts ware gelijk aan eendoodsvonnis. Terwijl men nog aan het beraadslagen was, kwam eensklaps een rangkan, door een twintigtal pagaaien voortgestuwd, den reizigers achterop. Van achter een scherpen hoek te voorschijn[334]schietende, was de verschijning van dat vaartuig zoo plotseling, dat de schrik de meeste roeiers in de prauw der vluchtelingen verlamde.„Poenans! Poenans!!” was hun geschreeuw, terwijl zij hunnemandauwsgrepen. De Europeanen vatten hunne geweren en weldra zoude een hevig geweervuur den naderenden tegengeknetterd hebben, had Dalim niet plotseling: „halt! niet schieten!” uitgeroepen.Voor op den rangkan stond een Poenan in vollen krijgsdos, evenwel geheel ongewapend, die als een bezetene met de armen zwaaide en wenkte. Toen de vaartuigen nog wat dichter bij elkander waren gekomen, herkenden de reizigers den koppensneller, wien Wienersdorf in de Danau Ampang het leven had geschonken. En werkelijk, het was Harimaoung Boekit, die naar zijn stam terugkeerde. Hij zelf en al zijn tochtgenooten hadden de mandauws afgelegd, ten teeken van vredelievendheid.[335]1De standaard van het goudgewicht in de binnenlanden van Borneo is de ringgit of Mexicaansche zonnemat. Twee ringgits worden gerekend gelijk te zijn aan een thaël. De ringgit heeft 2 sadjampol; de sadjampol heeft 2½ sakobang; de sakobang heeft 2 boea kajoe; de boea kajoe heeft 2 boentoeng: een boentoeng heeft 2 satilai; een satilai heeft 2 satali; een satali heeft 1½ brini; een brini heeft 2 matta boeroeng en een matta boeroeng heeft 2 boea bakoeng. Zoodat een boea bakoeng het 1⁄960 is van een thaël.↑2Felis pardusenfelis macrocephalis.↑3Ursus Malayanus.↑4Dit zijn de hoogste bergen van het eiland. De top van den Japoh Poerau wordt door de inboorlingen beschreven, zich te vertoonen bij zonsop- en ondergang, als ware hij van goud; over dag evenwel als fraai blinkend zilver. Hierop afgaande, zou hij boven de sneeuwgrens liggen, die evenwel in deze streken zeer hoog aangetroffen wordt.↑5Batoe = steen; Banama = schip.↑6In de boven Kahajan bestaat ook zulk een steen, die den vorm van een schip heeft. Deze rots heet Batoe Tangkiring en daaraan is een nagenoeg gelijkluidende legende verbonden. Tangkiri beteekent in het Dajaksch „veranderd zijn in” dus „in steen veranderd.”↑
XVI.Kotta Baroe.—Djoeragan Kaout.—Een figuur uit den opstand.—De echtgenoote eens opstandelings.—Geld tegen goed.—Vertrek van kotta Baroe.—De vaart wordt noordwest.—Borneo’s fauna.—Waarom er geen groote verscheurende dieren zijn.—De Batoe Banama in de Doesson.—De olifant en het stekelvarken.—Terreingesteldheid en flora in de hoogere streken.—Harimaoung Boekit.
Kotta Baroe.—Djoeragan Kaout.—Een figuur uit den opstand.—De echtgenoote eens opstandelings.—Geld tegen goed.—Vertrek van kotta Baroe.—De vaart wordt noordwest.—Borneo’s fauna.—Waarom er geen groote verscheurende dieren zijn.—De Batoe Banama in de Doesson.—De olifant en het stekelvarken.—Terreingesteldheid en flora in de hoogere streken.—Harimaoung Boekit.
Kotta Baroe.—Djoeragan Kaout.—Een figuur uit den opstand.—De echtgenoote eens opstandelings.—Geld tegen goed.—Vertrek van kotta Baroe.—De vaart wordt noordwest.—Borneo’s fauna.—Waarom er geen groote verscheurende dieren zijn.—De Batoe Banama in de Doesson.—De olifant en het stekelvarken.—Terreingesteldheid en flora in de hoogere streken.—Harimaoung Boekit.
Het was ongeveer zonsondergang toen onze reizigers kotta Baroe bereikten.Kotta Baroe speelde eens een niet onbelangrijke rol in de geschiedenis der boven-Kapoeasstreken. Hare ligging aan de grenzen, waar het alluviaal zich aan het diluviaal terrein aansluit, zal ten allen tijde hare waarde behouden. Nog slechts korten tijd vóór dat onze deserteurs daar aankwamen, verhief er zich een Dajaksche sterkte, die de geheele rivier beheerschte. Een booswicht van de ergste soort had zich daar gevestigd. Zijn naam was Djoeragan Kaout. Hij gaf voor een Javaan te zijn. Inboorlingen evenwel beweerden, dat hij te Pangko, een kampong van de beneden Kahajan, uit volbloed Dajaksche ouders geboren was. In zijn jongelingsjaren oefende hij het beroep van zeeroover uit. Hij woonde toen in een der talrijke soengei’s, die zich in gemelden stroom uitstorten, en trok van daar uit om de omliggende vaarwaters af te schuimen.[313]Wee het vaartuig, dat in zijn macht viel!Legio waren de verhalen der heldenfeiten, die hij met een soort van genoegen kon opdisschen; en onder die verhalen namen die niet de minste plaats in, welke de parten moesten verkondigen, die hij den Nederlanders gespeeld had. Was hij goed gehumeurd, dan noemde hij die steeds „bawoi boelan” (wit wild varken) en zijn meest saillant verhaal was, dat hij eens onder de Javakust door een Hollandsch oorlogsschip op het strand was gejaagd. Wat viel er te doen, vroeg hij, tegen de zware kanonnen van die witte zwijnen? Hij had toen op den hoek van Indramajoe een versterking opgeworpen en die drie weken lang tegen de bemanning van dat schip verdedigd. Hij lachte steeds, dat hem de tranen over de wangen rolden, wanneer hij vertelde, dat hij in een stikdonkeren nacht met een deel zijner manschappen de hem belegerende matrozen had overvallen en, na er een aantal van neergehouwen te hebben, de overblijvenden in hun onderbroek, sommigen zelfs zonder dat kleedingstuk, naar hunne sloepen gedreven had. Hij was onmatig in zijn lachlust bij het verhaal, dat een der officieren met zijn bloote kuiten in een nest van roode mieren te recht was gekomen. Den volgenden dag kwamen wel is waar die Hollanders terug, maar toen had hij zich uit de voeten gemaakt. Dat van het geheele verhaal niet veel waar was, behoeft wel niet verzekerd te worden, maar zoo iets poseerde en de mogelijkheid van blanken met of zonder hemd en onderbroek te hebben doen vluchten, werd door niemand betwijfeld. Het was te koddig om niet waar te zijn. Gewoonlijk lachte het geheele auditorium hartelijk mede, wanneer die episode opgedreund werd.Op lateren leeftijd, toen hij zich rijk genoeg meende geroofd te hebben, verliet Djoeragan Kaout het zeerooversleven[314]en vestigde zich te kotta Baroe, alwaar hij een geduchte versterking bouwde en er zich voornamelijk op toelegde de bevolking dier streken uit te zuigen. Voor een inlander had hij een vrij groote handelskennis en beijverde hij zich dan ook de producten van het land in te ruilen voor lijnwaden, tabak, messen, zout, enz. enz. Had hij zich nu daartoe slechts bepaald, dan, hoe groot de woekerwinsten ook waren, die hij nam, zoude zijn verblijf in die streken ten zegen hebben gestrekt aan die oorspronkelijke bevolking. Maar zijn hoofdbemoeiingen waren niet de handel, maar veeleer zich in geschillen zijner buren te mengen; die geschillen te verergeren, door de gemoederen te verbitteren, door haat en nijd aan te blazen en zich zijn tusschenkomst grof te laten betalen. De Dajaks zijn een zeer proceszuchtig volk, die steeds quaestieuse zaken onder elkander hebben en als het ware zonder deze niet leven kunnen. Veelal hebben zij het hoogste goed, dat de mensch bezit, de vrijheid, veil, om aan dien hartstocht te kunnen voldoen. Bij onvoldoende middelen toch, om de boeten en de proceskosten te betalen, wordt menig proceslustigepandeling, wat zeggen wil slaaf. Slaaf in de afzichtelijkste beteekenis van het woord. Want pandeling is slechts een huichelachtige benaming, onze XIXe eeuw volkomen waardig.Op die wijze en ook door geregelden aankoop was Djoeragan Kaout in het bezit gekomen van ruim tweehonderd pandelingen van beiderlei kunne, waarvan zoowel de vrouwen als de mannen zwaren arbeid voor hem moesten verrichten, en de eerstgenoemde ook nog tot onzedelijke doeleinden werden uitverhuurd. Werden zijne pandelingen oud, zoodat door gebrek aan arbeidskracht voor waardevermindering te vreezen was, dan verruilde hij ze tegen jongere of verkocht ze om als offers[315]bij begrafenisplechtigheden, verzoeningsfeesten of anderszins geslacht te worden.Nimmer had hij zich goedschiks aan het Nederlandsche bestuur onderworpen. Had hij ook al een enkelen keer een tevreden gezicht gezet, wanneer hij met een Hollandsch beambte in aanraking gekomen was, het was met een nevengedachte dat hij huichelde en niet altijd had hij zulk een beambte eerbiedig ontvangen. De vrees voor geduchte kastijding alleen had hem langen tijd van openlijk verzet weerhouden. Toch handelde hij meestal zoo als hij verkoos en lachte om de gegeven bevelen. Zoodra de opstand in 1859 in het Bandjermasinsche rijk uitbrak, schaarde hij zich openlijk aan de zijde des verzets en het was voornamelijk aan hem te wijten, dat de Dajaks van Poeloe Petak en van de beneden Kapoeas zich onder de vanen des opstands schaarden en de zendelingen te Tangohan en in de Kahajan vermoordden. Hij was het, die in Augustus 1859 de overrompeling van het fortje Poeloe Petak aanvoerde. Een paar maanden later poogde hij op listige wijze andermaal dat fortje binnen te dringen, maar die toeleg werd bijtijds ontdekt en verijdeld. Gedurende dien opstand waren de bovenlanden geheel aan zich zelven overgelaten en was de kans schoon voor Djoeragan Kaout om zich aan alle mogelijke euveldaden schuldig te maken. Nimmer was de verwarring daar zoo groot geweest. Maar de dag der vergelding kwam nabij.In het begin van Januari 1861 werd de kommandant van Kwala Kapoeas door het districtshoofd Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara gewaarschuwd, dat Djoeragan Kaout, onder den schijn zich te komen onderwerpen, met een groot gevolg zou komen, om het fort te overrompelen. Hij was zoo zeker van zijn zaak, dat hij reeds een ruilhandel had aangegaan met betrekking tot[316]het hoofd van den kommandant en wel tegen zulk een aanzienlijken prijs, dat die officier er trotsch op kon zijn zijn bol zoo hoog geschat te zien. Maar deze, met het volkje bekend, waarmee hij omging, huldigde de leus: „pas op je kop”. Hij gaf geen gehoor aan den Tomonggong, die hem den raad gaf, den muiter niet te ontvangen. Integendeel hij liet dezen met zijn geheele macht voor het fort verschijnen; maar toen Djoeragan Kaout op den steiger aan wal gestapt was, schoof een peloton soldaten tusschen de prauwen, waarin zijn talrijk gevolg gezeten was. Wel riep de hoofdopstandeling: „amokh! amokh!!” en wilde hij zijn mandauw trekken, maar de kommandant greep hem bij den rechter pols, terwijl een korporaal hem bij den anderen arm vatte. Het peloton soldaten hield met aangelegde geweren de volgelingen in bedwang, terwijl Tomonggong Nikodemus hun toeriep, zich stil te houden en hen op de kanonnen wees, die, op de aanlegplaats gericht, gereed stonden om vuur te geven. In een oogwenk was de booswicht onder het oog van zijn gevolg gekneveld en binnen het fort gebracht. Zijn aanhang kreeg nu bevel om de nabijheid van het fort te verlaten en naar de Kapoeas terug te keeren. Weinige weken later sprak de krijgsraad te velde de doodstraf door middel van den strop over Djoeragan Kaout uit, en werd die te Bandjermasin voltrokken.Niet langen tijd daarna deed de echtgenoote van den gevonnisde, een zeer schoone Dajaksche vrouw, den kommandant van Kwala Kapoeas aanbiedingen om als zijn huishoudster op te treden. Maar de goede raad van den ouden braven Tomonggong behoedde hier den jongman voor het ergste verraad. Later heeft die vrouw het districtshoofd verweten, dat hij haar verhinderd had, haren man te wreken; ze had het vergift reeds bij zich toen zij haar aanbod deed en zij had op hare schoonheid[317]gerekend om een gemakkelijke overwinning te behalen.Teruggekeerd te kotta Baroe, zette die vrouw het woeste bedrijf haars mans voort, voerde koppensnellerstochten aan, hief belastingen en tolrechten bij doorvoer van alle handelsprauwen, eigende zich pandelingen van anderen toe, ja ontzag zich niet, vrije mannen te laten oppakken en tot slavernij te doemen. De klachten, die te Kwala Kapoeas inkwamen, klonken al luider en luider en eindelijk vertoonde zich weer voor het eerst een stoomschip te kotta Baroe, bij welke gelegenheid aan al de pandelingen van Djoeragan Kaout de vrijheid werd hergeven, de versterking geslecht en zoo de invloed van die heerschzuchtige en wraakzuchtige vrouw werd geknakt. Zij is sedert verdwenen. Het gerucht liep, dat ze naar de boven Katingan was gevlucht en zich daar metterwoon gevestigd had.„Ziet daar de geschiedenis van kotta Baroe in den laatsten tijd,” zoo besloot Johannes het verhaal, dat hij gedurende den overtocht geleverd had.„De bevolking is thans rustig en heet goedgezind. Het zijn evenwel koppensnellers in hun hart, die van de beschaving niet meer willen weten, dan in hun kraam te pas komt. We zullen hier een oogenblik aanleggen. Dalim heeft eenige kennissen te raadplegen over het voortzetten der reis, terwijl ik zal trachten een versterking aan roeiers te bekomen.”Dalim en Johannes stapten aan wal. De bevolking van kotta Baroe had al nieuwsgierig uitgekeken, toen zij die prauw, waarboven de Nederlandsche vlag wapperde, zag naderen. Johannes met het bevelschrift in de hand, dat hij aan Damboeng Papoendeh ontnomen had, eischte een twintigtal roeiers in daghuur, om de prauw naar de bovenrivier te brengen. Dat papier, hetwelk[318]niemand lezen kon, maar waarop het Nederlandsche wapen in rood lak afgedrukt stond, maakte indruk; nog meer de toezegging, dat ieder roeier tot belooning een rijksdaalder voor zijn diensten en, was men tevreden, nog een steng tabak tot geschenk zoude ontvangen. Vooral de tabak verlokte velen en toen Johannes een mand van het nicotiaansch kruid uit de prauw liet boven brengen en het hoofd een paar stengen aanbood, waren alle beschikkingen snel getroffen. Een luid gejuich verhief zich. Als om strijd boden een aantal wakkere borsten zich aan om te roeien en weldra hadden zij hunne legmatjes met hunne hoofdkussens in de prauw gebracht, hunne beseai’s gegrepen en waren zij gereed om de reis mede te aanvaarden. Johannes deed hier ook nog goede zaken; hij ruilde nog twee manden tabak voor vijf pikols rijst en een zakje zout. Volgens hem waren ze nu geapproviandeerd voor de geheele reis; vooral daar zij die twintig roeiers, die ze hier te kotta Baroe aan boord namen, slechts een tiental dagen zouden gebruiken. De vier pandelingen van Bapa Andong werden aan het kottahoofd overgegeven met opdracht die menschen met de eerste de beste gelegenheid naar Kwala Kapoeas terug te zenden. Grootmoedig gaf Johannes hun ieder tot belooning hunner diensten een rijksdaalder en betuigde hun zijn tevredenheid. Dit alles geschiedde in naam van het Nederlandsch Indisch bestuur; en die gevlagde prauw, en dat gezegeld papier waren zoovele afdoende bewijzen, dat Johannes een afgezant van het Gouvernement der „Olo bapoeti” (witte menschen) was, die volgens zijn voorgeven, de opdracht had verkregen te trachten met de Olo Ott, de woeste wilde stammen in de binnenlanden, in aanraking te komen en omtrent hunne gezindheid verslag uit te brengen. Ook de milde betaling aan de roeiers en de geschenken in tabak stijfden de[319]bevolking in de meening dat zij met zendelingen van het Nederlandsch bestuur te doen had.Daar boven kotta Baroe geen gemunt geld meer gangbaar is en men zich in de binnenlanden van Borneo niets kan aanschaffen dan door middel van ruilhandel, zette Johannes al het baar geld van het reisgezelschap tegen eenige stukken sits en andere lijnwaden, maar vooral tegen stofgoud van de hand. Al reeds van Kwala Hiang af vertoont dat edel metaal zich, evenwel nog in geringe mate, in het aangeslibde zand der rivier. Te kotta Baroe is de productie al reeds de ontginning waard en komt het stofgoud als handels- of liever als ruilartikel voor. Als vertegenwoordiger van het Nederlandsch Gouvernement werd Johannes welwillend behandeld en verkreeg hij de thaël1gouds voor 55 gulden, terwijl die te Bandjermasin een waarde heeft van 60 tot 70 gulden.Twee uren waren zoo omstreeks verstreken sedert hun aankomst te kotta Baroe, toen onze avonturiers weer tot vertrek gereed stonden. Dalim evenwel was nog niet verschenen. Deze had een paar kennissen opgezocht en zat gezellig onder het genot van een pruimpje sirih te kouten. Indachtig aan de langzaamheid van zijn landslieden en aan het tijdroovende eener onderhandeling, als waarmede Johannes belast was, had hij zich bij die kennissen op een matje neergevleid en had het vertrekuur totaal vergeten. Toen hij geroepen werd,[320]vloog hij op en was in een ommezien op zijn post met den stuurpagaai in handen. Met kracht schoot de prauw onder een roeislag van zes en twintig paar armen vooruit en weldra was kotta Baroe aan het gezicht onttrokken.Er werd nu bepaald, dat gedurende den nacht steeds twintig roeiers aan den arbeid zouden blijven en de zes overblijvende gedurende twee uren zouden rusten, waarna zij zes anderen zouden aflossen, die twee uren later evenzoo zouden handelen. Zoo stevende de prauw rusteloos voort.Intusschen viel het den beiden Zwitsers, als landmeetkundigen en topografen, al spoedig op, dat de vaart merkbaar afweek van de tot nu toe gevolgde richting. Was de hoofdstreek, werwaarts de prauw den steven wendde tot nu toe noord geweest, thans scheen de rivier naar het noordwesten te kronkelen. Aanvankelijk schenen de beide mannen te aarzelen. Herhaaldelijk keken zij naar de sterren, maar de veelvuldige buigingen van den stroom maakten een gezette waarneming hoogst moeielijk. Eindelijk greep Wienersdorf zijn kompas, plaatste dat voor zich en kwam ras tot de overtuiging dat, hoewel de prauw afwisselend naar alle windstreken stuurde, de hoofdrichting thans noordwest was. Johannes legde hem uit, dat de voornaamste bergketen, die Borneo doorsnijdt, een hoofdstrekking heeft van het noordoosten naar het zuidwesten en de uitloopers aan den zuidelijken kant van die keten naar het oosten of zuidoosten afhellen. Dat is dan ook de terrashelling aan dien kant van het gebergte. Bijna al de rivieren, die zich in de Javazee uitstorten, nemen aanvankelijk een richting aan van het noordwesten naar het zuidoosten, tot waar zij het alluviale terrein binnentreden en hun loop van noord naar zuid veranderd wordt.Terwijl onze reizigers zoo samen zaten te praten, kwam[321]het gesprek langzamerhand op de fauna van het land, dat zij doortrokken.„Op een paar krokodillen na en eenige troepen apen, die als kwajongens in de boomen gymnastiseerden, hebben we van de dierenwereld van dit eiland nog niet veel gezien,” was de bemerking van Schlickeisen. „En toch moet de dierenwereld in een land als dit krachtig vertegenwoordigd zijn.”„’t Mocht wat,” viel Johannes meesmuilende in. „In waarheid is Borneo in dat opzicht zoo armelijk bedeeld, als geen der groote eilanden van den Indischen archipel. Hier geen rhinocerossen, geen olifanten of tijgers, zelfs geen inheemsche paarden. Wat hier in groote menigte voorkomt, zijn slangen en tot die overbevolking schijnt de moerassige bodem aanleiding te hebben gegeven. Die slangen-overbevolking is weer oorzaak van de bijna totale afwezigheid van vogels, die in de benedenstreken waargenomen wordt, daar dat kruipend gedierte tegen stam en tak opklimt en de eieren opslurpt, of de jongen verzwelgt.”„’t Is toch merkwaardig, dat het centraaleiland van den Indischen archipel, het grootste van al de eilanden, waaromheen de anderen zich als een krans slingeren, het allerminst bevolkt is met levende wezens,” dacht Wienersdorf als het ware hardop.„Op Java behoort de tijger over het geheele eiland thuis. In het westelijk gedeelte van dat eiland wordt de rhinoceros aangetroffen en, mag men de geleerden gelooven, dan zou het nog zoo lang niet geleden zijn, dat een kortmanige leeuwensoort in het Bantamsche aangetroffen werd. Op Sumatra zijn de olifant, de rhinoceros, de tijger, de jakhals in hun waar element. Op Celebes treft men het paard in zijn schoonste vormen aan en is de bewering, geloof ik, niet te gewaagd, dat dat edelste aller dieren daar eenmaal in het wild[322]aangetroffen werd. Alleen Borneo is geheel misdeeld.”„Geheel misdeeld! is nu ook weer het woord niet,” was het wederwoord van Johannes. „We hebben nog niet veel gezien van dat groote centraaleiland, zoo als Wienersdorf het noemt. We zullen wel ervaren, dat hier de apen in zoo’n groote menigte voorhanden zijn als ergens ter wereld. We zijn hier in het paradijs van den orang oetan, denhomo silvarum, dien Darwin voorzeker voor oogen gehad heeft, toen hij zijn stellingen over de afkomst onzer voorouders verkondigde en de apenwereld volstrekt geen eer aandeed, met ons tot haar nakroost te bestemmen. Troepen herten dolen door de bosschen en over de hoogvlakten rond, die je omtrent een geheele misdeeling van het dierenrijk tot andere gedachten zouden brengen.”„Een hertenbout zou niet onwelkom zijn,” meende La Cueille met de lippen smakkend. „Één bout slechts van dien overvloed! ’k ben, dunkt me, niet te begeerig.”„Heb geduld maar. Alles op zijn tijd. Maar om tot het onderwerp terug te keeren. ’t Is waar, groote verscheurende dieren ontbreken, hoewel het tijgergeslacht nog al overvloedig vertegenwoordigd is door een paar kleine soorten als de panter en de tijgerkat2, die voor den mensch onschadelijk, toch al weer meehelpen om der vogelenwereld een wreeden oorlog aan te doen. Een ander dier, dat nog al in de bosschen hier aangetroffen wordt en van al de eilanden van den Archipel nog slechts op Sumatra gevonden wordt, is de honig- of suikerbeer3, die als echte snoeper slechts voor de bijen een wezenlijke vijand is. Vindt ge het geen gelukkige streek, waar de mensch aan den wal slechts[323]zijn natuurgenoot en in het water slechts den krokodil, dat andere onverzadelijke monster, te vreezen heeft?”„Maar waaraan zou dat ontbreken van groote dieren op Borneo toch toe te schrijven zijn, terwijl die op de andere groote eilanden zeer talrijk moeten genoemd worden?”„’k Heb wel eens gelezen, dat de reeks eilanden, die bij de Pegu-golf in Achter-Indië begint, en uit de Andaman en Nikobarische eilanden, Sumatra, Java, Bali, Lombokh, Soembawa, Flores, Kwella, Ombaai, Timor, Timor-laout enz. enz. bestaat, vroeger een groot vast land of eigenlijk een groot schiereiland vormde, dat, met het tegenwoordige schiereiland Malakka tot een geheel verbonden, zich eerst van het noorden naar het zuiden en zuidzuidoosten, later van richting veranderende ter plaatse waar thans Straat Sunda te vinden is, zich van het westen naar het oosten uitstrekte en waarschijnlijk met Nieuw-Guinea samenhing. In den loop der tijden zouden door geweldige omkeeringen en aardbevingen de verschillende straten ontstaan zijn, die thans die eilanden van elkander scheiden en als zoovele doorbraken den Indischen Oceaan tot de Chineesche zee toegang verleenen. Is nu die stelling aan te nemen, dan is het gemakkelijk te begrijpen, dat op die eilanden nog de meeste dieren aangetroffen worden, die zich van hunne bakermat Voor- en Achter-Indië daarover verspreidden.”„Dat is mooi en wel voor die genoemde eilanden verklaard; maar voor Borneo laat het nog alles in het duister.”„Geduld, ik ben nog niet klaar. In die tijden dat die eilandengordel nog een vast land uitmaakte, bestond Borneo nog niet en werd de plaats daarvan ingenomen door een groot zeebekken, dat van het noorderstrand van[324]het tegenwoordige Java zich tot aan de Chineesche kusten uitstrekte en ten westen door Sumatra, Malakka en Cochinchina en ten oosten door Celebes en den Philippijnschen Archipel bepaald werd.”„Mooi die uitlegging,” knorde La Cueille, „het laat zich hooren dat te midden van dien waterplas geen rhinocerossen, olifanten en tijgers heen en weer zwommen.”Johannes keek den Waal bijna met verachting aan, maar vervolgde zonder zich aan dat in de rede vallen te storen:„Te midden van dat groote bekken verhieven eenige kleine koraaleilanden hunne vlakke toppen boven de watervlakte. Door een langzame verheffing van den bodem kwam de steen- en kleilaag, waarop die koraalafzettingen rustten, allengskens boven water. De vorm, door die opheffing verkregen, bepaalde een toekomstige hoofdbergketen, die van het noordoosten naar het zuidwesten loopt, met een paar vertakkingen, waarvan het Meratoesgebergte, met een strekking van noord naar zuid, de voornaamste is; en een paar anderen met een richting van west naar oost. Toen had het eiland, maar op veel grootere schaal, nagenoeg de gedaante van Celebes met zijn diep ingesneden bochten en zeeboezems. De aanmerkelijke waterafvoer van die toppen en ook de verdere opheffing des bodems, vulden die bochten en zoo verkreeg Borneo de gedaante die het thans heeft, maar niet behouden zal.”„Waarom niet?” vroeg Schlickeisen.„Omdat het nog in volle vorming verkeert. Of de langzame opheffing van den bodem nog voortduurt, weet ik niet. Andere bollen dan de mijne zullen dat moeten uitmaken. Om dat te constateeren, zullen een reeks van waarnemingen moeten gedaan worden, waarvan, als ik het wel heb, de eerste nog niet geschied is. Maar[325]de aanslibbing gaat voort en ’t is opmerkelijk, hoe aan de zuidkust het terugdringen van de zee en het vooruitschuiven van het land, zich voor het oog zichtbaar voordoet. Vooral de Tjemarabosschen bieden hiertoe een ongeëvenaarden maatstaf aan. Vlak aan de boorden der zee ziet men kleine boompjes van ternauwernood een paar cM. lengte. De rijen daarachter zijn weer iets langer en zoo gaat het voort, totdat men op een paar honderd el afstand van het water, het hoogwoud bereikt, waar stammen van dertig voet hoog aangetroffen worden. De overgang van het eene boompje tot het andere is schier onmerkbaar, het loof vormt van uit zee gezien als een zacht glooiende helling van het helderste groen. Ieder jaar vormt weer nieuwe rijen, schuift weer jonge boompjes vooruit op de aangeslibde klei en me dunkt, dat het moet te berekenen zijn, wanneer van Tandjong Salatan, den zuidelijksten uitlooper van het Meratoesgebergte, tot Tandjong Batoe Titi,de zuidwestelijkste punt van Borneo, die als de voortzetting van het Kamintinggebergte te beschouwen is, een gelijke kustlijn zonder merkbare bochten of inhammen, die slechts afgebroken zal worden door de mondingen der rivieren, zal gevormd zijn.”„Dat is zeker heel aardig verklaard,” sprak Wienersdorf als in nadenken verzonken. „Maar waarop berust die stelling van langzame opheffing? Is zij niets anders dan een hypothese door Europeesche geleerden op het studeervertrek uitgedacht, of berust ze op stellige daadzaken?”„Op stellige daadzaken, mijn waarde Zwitser! Wellicht morgen reeds, wanneer we ten minste spoed genoeg maken, komen we de grenzen der kalkformatie nabij. Daar, in de koraaltakken, die ge er zult kunnen verzamelen, in de opeenhoopingen van verbrijzelde schelpen enz. die ge er zult opmerken, zult ge de bewijzen[326]gelieven te zien, dat de zee eenmaal daar hare golven rolde. Nu moet ge niet denken, dat die koraal- en schelpbrecciën alleen aan de Kapoeas aangetroffen worden. Neen, aan de oevers van al de rivieren, die met de laatstgenoemde evenwijdig loopen, vindt ge dezelfde formatie terug. Het eigenaardigste daarvan is, dat, indien ge al de grenspunten der kalkformatie, die onloochenbare bewijzen eener vroeger bestaan hebbende kustlijn, door een lijn verbindt, die lijn dan vrij wel de richting aangeeft van den loop van het centraal gebergte, welks voet zij als het ware vormt.”„Is er in de volksoverlevering niets, wat op zoo’n toestand doelt?” vroeg Schlickeisen.„Wel zeker, er bestaan bij de onderscheidene Dajaksche stammen, die langs de bedoelde rivieren wonen, vele legenden en verhalen dienaangaande. De voornaamste en die ook bij alle stammen nagenoeg onveranderd terug gevonden wordt, is de navolgende:„Vele jaarhonderden geleden, was Kalimantan op lange na zoo groot niet als het tegenwoordig is. Over het grootste gedeelte van het nu zichtbare rolde toen de zee hare blauwe golven en slechts de toppen van de tegenwoordige bergen Parawen, Boendang, Mienta en Japoh Poerau4verhieven zich even boven den waterspiegel en strekten tot woonplaats van het voorgeslacht. Rustig en afgescheiden van de geheele wereld leefden die menschen daar; want die lage eilanden waren door vele klippen omgeven, waarop de zee met woede brak en een nadering hoogst gevaarlijk maakte. De faam evenwel[327]van den grooten rijkdom dier eilanden aan goud en diamanten had zich—hoe, weet niemand—heinde en verre verspreid, zoodat er vele hebzuchtigen bestonden, die zich van die schatten wenschten meester te maken. Op zekeren dag werd een groote prauw, met vele menschen bemand, door weer en wind in de nabijheid dier klippen gevoerd. Een gedeelte der bemanning toonde zich uiterst bevreesd en verlangde dat gevaarlijk oord zoo spoedig mogelijk te verlaten. De andere helft was van oordeel, dat, nu men in de nabijheid van die rijke eilanden geslingerd was, de gelegenheid om fortuin te maken bij de haren moest gegrepen worden. Geen van beide partijen wilde toegeven; het geschil eindigde met een vechtpartij, waarbij de vechtenden elkander bijna geheel vernielden. De weinige overgeblevenen konden het vaartuig niet sturen, zoodat dit, door wind en stroom voortgezweept, op het strand gejaagd werd. Wat er van de menschen werd, meldt de overlevering niet, maar het schip werd door den Sangiang Dagoeman in een vervaarlijken grooten kalksteen veranderd, die heden ten dage nog in grove trekken de gedaante van een schip vertoont en daarom Batoe Banama5genoemd wordt. Die Batoe Banama ligt een weinig boven den kampong Tawan aan den linkeroever van de boven Doesson en duidt vrij scherp de grensscheiding tusschen het alluviaal en diluviaal terrein aan.”6„Allerinteressantst!” verklaarde Wienersdorf, „maar je bent nu toch eenmaal aan het vertellen. Niemand onzer heeft nog slaap. Zeg ons nu nog eens, of de inlander[328]ook het gemis van groot verscheurend gedierte weet te verklaren? Wellicht dat zijn legenden daarop ook duiden?”„Zoo ver mij bekend is, zwijgen de overleveringen daarvan; wellicht omdat het bestaan van dat gedierte op andere gedeelten der aarde bij het volk zelfs niet vermoed wordt. Toch bestaat er een legende, die schijnt aan te duiden, dat er toch eenig begrip omtrent groote dieren heerscht en daarenboven innig samenhangt met het volkskarakter, namelijk om list tegenover geweld te plaatsen. Die legende luidt als volgt:In die voortijden, toen de dieren nog met de spraak begaafd waren, kwam een monsterachtige olifant van den overwal aan de zuidkust van Borneo aan en zwom de Kahajan op. De verzamelde dieren, daar te huis, zagen met ontzetting dat gevaarte den stroom opstevenen. Zij vaardigden een krokodil naar den vreemdeling af, om te vernemen wat hij in zijn schild voerde. De kaaiman, weinig diplomaat van aard, daarentegen meer vechtersbaas, tastte den indringer met zijn tanden aan en dacht een gemakkelijke overwinning te behalen. De olifant greep hem echter met zijn machtigen snuit, verhief hem als een balletje in de lucht en verbrijzelde zijn ruggegraat tegen een drijvenden boomstam. Daarop, verwoed over dien trouwloozen aanval, stapte de overwinnaar aan wal, riep een in de nabijheid grazend hert tot zich en zond dat naar de gezamenlijke dieren van Borneo, om hen tot een gevecht uit te dagen. Aan dien afgezant gaf hij een zijner slagtanden mede, ten einde de tegenpartij zich een denkbeeld zoude kunnen maken van de kracht en de grootte van het dier, dat hen ten strijde uitdaagde.Van bluf was die zending niet vrij te spreken, maar wat de olifant voorzien had gebeurde. Schrik en ontsteltenis[329]sloeg ieder dier om het hart bij het zien van dien kolossalen tand, terwijl het wedervaren van den krokodil, waaromtrent het hert zeer dichterlijke verhalen te berde bracht, niet geschikt was om die vrees te doen bedaren. Te midden der algemeene verslagenheid trad het kleine stekelvarken (landakh) als redder op. Dit kleine dier gaf namelijk den raad om, onder toezending van een zijner pennen, den olifant mede te deelen, dat men zijne uitdaging aannam. De medegezonden stekel moest dienen, om den vreemdeling in staat te stellen een vergelijking te maken tusschen de haren van zijn aanstaanden tegenstander en zijn eigene, ten einde zich zoo een denkbeeld te kunnen vormen, hoe groot de tanden wel moesten wezen van het dier, dat zulke kolossale haren bezat. De list gelukte volkomen. De olifant er volstrekt niet op gesteld zijnde, met zulk een machtigen tegenstander in het krijt te treden, vroeg zijn tand terug en zwom met inspanning van alle krachten weer naar het land, van waar hij gekomen was. En nog heden ten dage heet de plaats waar de dikhuid aan wal steeg: „rantau gadjah oendoer,” of„de rivierbocht waar de olifant terugkeerde.”„Verduiveld! dat was nog zoo dom niet uitgedacht,” meende La Cueille, „zoo’n stekelvarkenshaar zou een sappeursbaard beschaamd gemaakt hebben. ’t Is daarbij juist: „qui s’y frotte, s’y pique.””„De legende is wel aardig,” sprak Schlickeisen, „maar ik vind er niet in, wat ik vroeg. Met dien olifant, die door een stekelvarkenspen op de vlucht gedreven is, wordt dunkt mij meer op een aanranding in de voortijden geduid, op een aanranding van buiten, wellicht van hindoe’s, die door list der inboorlingen verijdeld werd, dan op een vroegere bekendheid van wilde dieren als den olifant. Het zou toch niet onwaarschijnlijk te achten[330]zijn, dat, zoo de aanvallers wezenlijk hindoe’s waren, zij gewapende olifanten bij hun aanvalsleger gehad hebben.”„Wel mogelijk,” antwoordde Johannes flegmatiek, „maar als de liefste meid ter wereld, heb ik gegeven wat ik had. ’k Heb verteld, wat ik wist. Zooveel is zeker, dat, eenige Klingaleezen uitgezonderd, die zich hier of daar als handelaren genesteld hebben, van het Hindoeisme op Borneo weinig te vinden is.”Onder dergelijke gesprekken was de nacht voorbij gesneld. Onze deserteurs hadden geen behoefte aan slaap gevoeld. Toen de dag evenwel aanbrak, keken zij vreemd op. Het terrein was geheel en al van gedaante veranderd. Tot nog toe had de rivier zich tusschen moerassige oevers heengeslingerd. In de benedenstreken hadden zij die oevers tweemaal daags overstroomd gezien door den vloed, die de wateren der rivier opstuwde en terugdreef. Hooger op, waar de invloed van eb en vloed niet meer ontwaard werd, was ’t het bovenwater, dat bij iedere forsche regenbui het land overstroomde, waardoor de oeverstreken moerassig bleven. Maar, sedert zij kotta Baroe verlaten hadden, sedert gisteren avond was het terrein aanmerkelijk gerezen en wat zij thans zagen, waren heuvelen van ongeveer honderd voet hoog, met zeer zachte hellingen, die bevallig met elkander afwisselden en de bekoorlijkste dalen vormden, of welker glooiingen zacht, bijna onmerkbaar in elkander overgingen. Soms was het terrein, dat zich voor hunne oogen opdeed, golvend. Twee, drie rijen hoogten strekten zich, zoo ver het gezicht reiken kon, evenwijdig aan elkander uit, hadden hunne zachte hellingen allen naar denzelfden kant naar het zuidoosten, de scherpe hellingen naar de tegenovergestelde zijden gekeerd en schenen baren, volgens de dichterlijke uitdrukking van[331]Schlickeisen, door den zuidoostmousson voortgezweept, die plotseling verstijfd of gestold waren en den vorm behouden hadden, dien zij op het oogenblik van stolling vertoonden.Maar niet alleen de bodem vertoonde een verandering, ook de flora, die daarop groeide, toonde zich geheel anders, dan die zij daags te voren gezien hadden. Wel hadden zij reeds lang de zone der Tjemara laout- en der Nipahbosschen achter den rug. Maar tot gisteren hadden de Rhisophoren nog de overhand gehad, die vreemdsoortige gewassen, welke met hare steltwortels zoo uitnemend geschikt zijn om den brijachtigen detritus in moerasstreken vast te houden en zoo tot de vorming van vasten bodem haar weerga niet hebben. Wel waren de Rhisophoren nog niet geheel verdwenen. Hun krachtige groei was evenwel reeds zeer beperkt; de weinige exemplaren die zich nog vertoonden, waren nog slechts de dwergen van hun geslacht. Maar in hunne plaats begonnen zich de Ficus-soorten te vertoonen, waaronder de Randoealas met hare loodrechte, monsterachtige stammen en de Wariengien’s met hare luchtwortels behooren, die soms een doolhof van stammen vormen, en haar kroonloof, dat op zich zelf een dicht bosch vertoont. Wat den reizigers nog wel het meeste opviel, was dat de zacht glooiende oevers, die gisteren nog altijd niet toelieten te ontwaren, waar het water der rivier ophield en waar het land begon, verdwenen waren en de stroom thans kokend en schuimend tusschen diepingesneden taluds voortspoedde. In de bochten waren die taluds steil afgebrokkeld en lieten zij de groote en kleine rolsteenen, gevat in gele of grauwe klei, waaruit de onderhumuslaag gevormd is, naakt en zonder eenig plantaardig dek zien, terwijl de uitspringende hoeken, tegenover die bochten, uit fijn wit zand en kleine rolsteentjes bestaande, zacht glooiend opwaarts[332]stegen, om onmerkbaar in het aangrenzend hoogere terrein over te gaan.Een ander verschijnsel, dat zich voordeed, waren de meerdere sporen van de aanwezigheid van menschen.In de moerasstreken hadden de reizigers dagen lang geroeid zonder eenig menschelijk wezen of ook maar een spoor daarvan te ontdekken. Hier was dat geheel anders. Op de oevers werden veelmaals tusschen het oorspronkelijk woud aanplantingen van djagoong (maïs), katella pohon, suikerriet, katjang enz. of vruchtboomen als klappers, pisang, doerians enz. enz. aangetroffen. Van afstand tot afstand werden woningen waargenomen en konden de avonturiers zich verlustigen, menschen in hunne volle bedrijvigheid te ontwaren. Evenwel deed zich hier een bijzonderheid voor, die wel als keerzijde mocht aangemerkt worden. Trouwens te kotta Towanan en te kotta Baroe hadden de reizigers daar reeds staaltjes van gezien: alle woningen in de bovenstreken waren met een stevig paalwerk omgeven en zoodoende in ware forten herschapen. Bij voldoende waakzaamheid van de zijde der bewoners zou daar zonder geschut niet in te komen zijn; alleen uithongering of weifelmoedigheid zou zulk een sterkte tot overgave kunnen dwingen. Dat is het gevolg van de verderfelijke zucht om menschenschedels te vergaren. Iedereen zoekt zich te beveiligen tegen sluipmoord en vindt slechts zekerheid achter stevige wallen.Die groote verandering in hunne omgeving, had de belangstelling der reizigers in hooge mate opgewekt. Zoo in een nacht, zonder overgang bijna, waren zij om zoo te zeggen in een andere wereld aangeland. De eerste gedachte, die bij hen opkwam, was van de veranderde omstandigheden gebruik te maken, om hun mondvoorraad aan te vullen, althans er eenige afwisseling[333]in te brengen. Bij een daartoe gunstig gelegen tuin legden zij aan, gaven den bewaker een paar stengen tabak ten geschenke, en konden nu naar hartelust groenten, maïs en eenige knolgewassen inzamelen. Zelfs kregen zij eenige klappernoten en nog andere vruchten ten geschenke. Van dien bewaker vernamen zij verder, dat al sedert vele dagen een bende Poenans in deze streken verschenen was en dat zij dus op hunne hoede moesten zijn. Het was alweer het oude deuntje: pas op je kop.Na die inzameling werd de reis voortgezet en bereikten de vluchtelingen zoo omstreeks tegen het middaguur de monding der soengei Koeatan. Deze is de voornaamste zijrivier van de Kapoeas. Zij is nog dagen lang bevaarbaar voor prauwen van middelbare grootte en ontspringt uit een moerassige terreinplooi, die tevens door de soengei Lemo in gemeenschap met de Doesson staat. Johannes opperde het denkbeeld om de reis langs de Koeatan te vervolgen, omdat de Doesson veel langer bevaarbaar is dan de Kapoeas en zij dus gemakkelijker het centraalgebergte zouden naderen, waarover de reis voerde om de noordkust te bereiken. De drie andere Europeanen stemden met dat voorstel in; Dalim en de overige Dajaks daarentegen kwamen er ten krachtigste tegen op. Wel was de weg gemakkelijker, dat erkenden allen, maar zij, als bewoners der Kapoeas-streken zouden terecht komen te midden hunner erfvijanden, waaronder het onmogelijk zoude zijn zich verborgen te houden en die van menschlievendheid of van deernis niets zouden willen weten. Een reis derwaarts ware gelijk aan eendoodsvonnis. Terwijl men nog aan het beraadslagen was, kwam eensklaps een rangkan, door een twintigtal pagaaien voortgestuwd, den reizigers achterop. Van achter een scherpen hoek te voorschijn[334]schietende, was de verschijning van dat vaartuig zoo plotseling, dat de schrik de meeste roeiers in de prauw der vluchtelingen verlamde.„Poenans! Poenans!!” was hun geschreeuw, terwijl zij hunnemandauwsgrepen. De Europeanen vatten hunne geweren en weldra zoude een hevig geweervuur den naderenden tegengeknetterd hebben, had Dalim niet plotseling: „halt! niet schieten!” uitgeroepen.Voor op den rangkan stond een Poenan in vollen krijgsdos, evenwel geheel ongewapend, die als een bezetene met de armen zwaaide en wenkte. Toen de vaartuigen nog wat dichter bij elkander waren gekomen, herkenden de reizigers den koppensneller, wien Wienersdorf in de Danau Ampang het leven had geschonken. En werkelijk, het was Harimaoung Boekit, die naar zijn stam terugkeerde. Hij zelf en al zijn tochtgenooten hadden de mandauws afgelegd, ten teeken van vredelievendheid.[335]
Het was ongeveer zonsondergang toen onze reizigers kotta Baroe bereikten.
Kotta Baroe speelde eens een niet onbelangrijke rol in de geschiedenis der boven-Kapoeasstreken. Hare ligging aan de grenzen, waar het alluviaal zich aan het diluviaal terrein aansluit, zal ten allen tijde hare waarde behouden. Nog slechts korten tijd vóór dat onze deserteurs daar aankwamen, verhief er zich een Dajaksche sterkte, die de geheele rivier beheerschte. Een booswicht van de ergste soort had zich daar gevestigd. Zijn naam was Djoeragan Kaout. Hij gaf voor een Javaan te zijn. Inboorlingen evenwel beweerden, dat hij te Pangko, een kampong van de beneden Kahajan, uit volbloed Dajaksche ouders geboren was. In zijn jongelingsjaren oefende hij het beroep van zeeroover uit. Hij woonde toen in een der talrijke soengei’s, die zich in gemelden stroom uitstorten, en trok van daar uit om de omliggende vaarwaters af te schuimen.[313]
Wee het vaartuig, dat in zijn macht viel!
Legio waren de verhalen der heldenfeiten, die hij met een soort van genoegen kon opdisschen; en onder die verhalen namen die niet de minste plaats in, welke de parten moesten verkondigen, die hij den Nederlanders gespeeld had. Was hij goed gehumeurd, dan noemde hij die steeds „bawoi boelan” (wit wild varken) en zijn meest saillant verhaal was, dat hij eens onder de Javakust door een Hollandsch oorlogsschip op het strand was gejaagd. Wat viel er te doen, vroeg hij, tegen de zware kanonnen van die witte zwijnen? Hij had toen op den hoek van Indramajoe een versterking opgeworpen en die drie weken lang tegen de bemanning van dat schip verdedigd. Hij lachte steeds, dat hem de tranen over de wangen rolden, wanneer hij vertelde, dat hij in een stikdonkeren nacht met een deel zijner manschappen de hem belegerende matrozen had overvallen en, na er een aantal van neergehouwen te hebben, de overblijvenden in hun onderbroek, sommigen zelfs zonder dat kleedingstuk, naar hunne sloepen gedreven had. Hij was onmatig in zijn lachlust bij het verhaal, dat een der officieren met zijn bloote kuiten in een nest van roode mieren te recht was gekomen. Den volgenden dag kwamen wel is waar die Hollanders terug, maar toen had hij zich uit de voeten gemaakt. Dat van het geheele verhaal niet veel waar was, behoeft wel niet verzekerd te worden, maar zoo iets poseerde en de mogelijkheid van blanken met of zonder hemd en onderbroek te hebben doen vluchten, werd door niemand betwijfeld. Het was te koddig om niet waar te zijn. Gewoonlijk lachte het geheele auditorium hartelijk mede, wanneer die episode opgedreund werd.
Op lateren leeftijd, toen hij zich rijk genoeg meende geroofd te hebben, verliet Djoeragan Kaout het zeerooversleven[314]en vestigde zich te kotta Baroe, alwaar hij een geduchte versterking bouwde en er zich voornamelijk op toelegde de bevolking dier streken uit te zuigen. Voor een inlander had hij een vrij groote handelskennis en beijverde hij zich dan ook de producten van het land in te ruilen voor lijnwaden, tabak, messen, zout, enz. enz. Had hij zich nu daartoe slechts bepaald, dan, hoe groot de woekerwinsten ook waren, die hij nam, zoude zijn verblijf in die streken ten zegen hebben gestrekt aan die oorspronkelijke bevolking. Maar zijn hoofdbemoeiingen waren niet de handel, maar veeleer zich in geschillen zijner buren te mengen; die geschillen te verergeren, door de gemoederen te verbitteren, door haat en nijd aan te blazen en zich zijn tusschenkomst grof te laten betalen. De Dajaks zijn een zeer proceszuchtig volk, die steeds quaestieuse zaken onder elkander hebben en als het ware zonder deze niet leven kunnen. Veelal hebben zij het hoogste goed, dat de mensch bezit, de vrijheid, veil, om aan dien hartstocht te kunnen voldoen. Bij onvoldoende middelen toch, om de boeten en de proceskosten te betalen, wordt menig proceslustigepandeling, wat zeggen wil slaaf. Slaaf in de afzichtelijkste beteekenis van het woord. Want pandeling is slechts een huichelachtige benaming, onze XIXe eeuw volkomen waardig.
Op die wijze en ook door geregelden aankoop was Djoeragan Kaout in het bezit gekomen van ruim tweehonderd pandelingen van beiderlei kunne, waarvan zoowel de vrouwen als de mannen zwaren arbeid voor hem moesten verrichten, en de eerstgenoemde ook nog tot onzedelijke doeleinden werden uitverhuurd. Werden zijne pandelingen oud, zoodat door gebrek aan arbeidskracht voor waardevermindering te vreezen was, dan verruilde hij ze tegen jongere of verkocht ze om als offers[315]bij begrafenisplechtigheden, verzoeningsfeesten of anderszins geslacht te worden.
Nimmer had hij zich goedschiks aan het Nederlandsche bestuur onderworpen. Had hij ook al een enkelen keer een tevreden gezicht gezet, wanneer hij met een Hollandsch beambte in aanraking gekomen was, het was met een nevengedachte dat hij huichelde en niet altijd had hij zulk een beambte eerbiedig ontvangen. De vrees voor geduchte kastijding alleen had hem langen tijd van openlijk verzet weerhouden. Toch handelde hij meestal zoo als hij verkoos en lachte om de gegeven bevelen. Zoodra de opstand in 1859 in het Bandjermasinsche rijk uitbrak, schaarde hij zich openlijk aan de zijde des verzets en het was voornamelijk aan hem te wijten, dat de Dajaks van Poeloe Petak en van de beneden Kapoeas zich onder de vanen des opstands schaarden en de zendelingen te Tangohan en in de Kahajan vermoordden. Hij was het, die in Augustus 1859 de overrompeling van het fortje Poeloe Petak aanvoerde. Een paar maanden later poogde hij op listige wijze andermaal dat fortje binnen te dringen, maar die toeleg werd bijtijds ontdekt en verijdeld. Gedurende dien opstand waren de bovenlanden geheel aan zich zelven overgelaten en was de kans schoon voor Djoeragan Kaout om zich aan alle mogelijke euveldaden schuldig te maken. Nimmer was de verwarring daar zoo groot geweest. Maar de dag der vergelding kwam nabij.
In het begin van Januari 1861 werd de kommandant van Kwala Kapoeas door het districtshoofd Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara gewaarschuwd, dat Djoeragan Kaout, onder den schijn zich te komen onderwerpen, met een groot gevolg zou komen, om het fort te overrompelen. Hij was zoo zeker van zijn zaak, dat hij reeds een ruilhandel had aangegaan met betrekking tot[316]het hoofd van den kommandant en wel tegen zulk een aanzienlijken prijs, dat die officier er trotsch op kon zijn zijn bol zoo hoog geschat te zien. Maar deze, met het volkje bekend, waarmee hij omging, huldigde de leus: „pas op je kop”. Hij gaf geen gehoor aan den Tomonggong, die hem den raad gaf, den muiter niet te ontvangen. Integendeel hij liet dezen met zijn geheele macht voor het fort verschijnen; maar toen Djoeragan Kaout op den steiger aan wal gestapt was, schoof een peloton soldaten tusschen de prauwen, waarin zijn talrijk gevolg gezeten was. Wel riep de hoofdopstandeling: „amokh! amokh!!” en wilde hij zijn mandauw trekken, maar de kommandant greep hem bij den rechter pols, terwijl een korporaal hem bij den anderen arm vatte. Het peloton soldaten hield met aangelegde geweren de volgelingen in bedwang, terwijl Tomonggong Nikodemus hun toeriep, zich stil te houden en hen op de kanonnen wees, die, op de aanlegplaats gericht, gereed stonden om vuur te geven. In een oogwenk was de booswicht onder het oog van zijn gevolg gekneveld en binnen het fort gebracht. Zijn aanhang kreeg nu bevel om de nabijheid van het fort te verlaten en naar de Kapoeas terug te keeren. Weinige weken later sprak de krijgsraad te velde de doodstraf door middel van den strop over Djoeragan Kaout uit, en werd die te Bandjermasin voltrokken.
Niet langen tijd daarna deed de echtgenoote van den gevonnisde, een zeer schoone Dajaksche vrouw, den kommandant van Kwala Kapoeas aanbiedingen om als zijn huishoudster op te treden. Maar de goede raad van den ouden braven Tomonggong behoedde hier den jongman voor het ergste verraad. Later heeft die vrouw het districtshoofd verweten, dat hij haar verhinderd had, haren man te wreken; ze had het vergift reeds bij zich toen zij haar aanbod deed en zij had op hare schoonheid[317]gerekend om een gemakkelijke overwinning te behalen.
Teruggekeerd te kotta Baroe, zette die vrouw het woeste bedrijf haars mans voort, voerde koppensnellerstochten aan, hief belastingen en tolrechten bij doorvoer van alle handelsprauwen, eigende zich pandelingen van anderen toe, ja ontzag zich niet, vrije mannen te laten oppakken en tot slavernij te doemen. De klachten, die te Kwala Kapoeas inkwamen, klonken al luider en luider en eindelijk vertoonde zich weer voor het eerst een stoomschip te kotta Baroe, bij welke gelegenheid aan al de pandelingen van Djoeragan Kaout de vrijheid werd hergeven, de versterking geslecht en zoo de invloed van die heerschzuchtige en wraakzuchtige vrouw werd geknakt. Zij is sedert verdwenen. Het gerucht liep, dat ze naar de boven Katingan was gevlucht en zich daar metterwoon gevestigd had.
„Ziet daar de geschiedenis van kotta Baroe in den laatsten tijd,” zoo besloot Johannes het verhaal, dat hij gedurende den overtocht geleverd had.„De bevolking is thans rustig en heet goedgezind. Het zijn evenwel koppensnellers in hun hart, die van de beschaving niet meer willen weten, dan in hun kraam te pas komt. We zullen hier een oogenblik aanleggen. Dalim heeft eenige kennissen te raadplegen over het voortzetten der reis, terwijl ik zal trachten een versterking aan roeiers te bekomen.”
Dalim en Johannes stapten aan wal. De bevolking van kotta Baroe had al nieuwsgierig uitgekeken, toen zij die prauw, waarboven de Nederlandsche vlag wapperde, zag naderen. Johannes met het bevelschrift in de hand, dat hij aan Damboeng Papoendeh ontnomen had, eischte een twintigtal roeiers in daghuur, om de prauw naar de bovenrivier te brengen. Dat papier, hetwelk[318]niemand lezen kon, maar waarop het Nederlandsche wapen in rood lak afgedrukt stond, maakte indruk; nog meer de toezegging, dat ieder roeier tot belooning een rijksdaalder voor zijn diensten en, was men tevreden, nog een steng tabak tot geschenk zoude ontvangen. Vooral de tabak verlokte velen en toen Johannes een mand van het nicotiaansch kruid uit de prauw liet boven brengen en het hoofd een paar stengen aanbood, waren alle beschikkingen snel getroffen. Een luid gejuich verhief zich. Als om strijd boden een aantal wakkere borsten zich aan om te roeien en weldra hadden zij hunne legmatjes met hunne hoofdkussens in de prauw gebracht, hunne beseai’s gegrepen en waren zij gereed om de reis mede te aanvaarden. Johannes deed hier ook nog goede zaken; hij ruilde nog twee manden tabak voor vijf pikols rijst en een zakje zout. Volgens hem waren ze nu geapproviandeerd voor de geheele reis; vooral daar zij die twintig roeiers, die ze hier te kotta Baroe aan boord namen, slechts een tiental dagen zouden gebruiken. De vier pandelingen van Bapa Andong werden aan het kottahoofd overgegeven met opdracht die menschen met de eerste de beste gelegenheid naar Kwala Kapoeas terug te zenden. Grootmoedig gaf Johannes hun ieder tot belooning hunner diensten een rijksdaalder en betuigde hun zijn tevredenheid. Dit alles geschiedde in naam van het Nederlandsch Indisch bestuur; en die gevlagde prauw, en dat gezegeld papier waren zoovele afdoende bewijzen, dat Johannes een afgezant van het Gouvernement der „Olo bapoeti” (witte menschen) was, die volgens zijn voorgeven, de opdracht had verkregen te trachten met de Olo Ott, de woeste wilde stammen in de binnenlanden, in aanraking te komen en omtrent hunne gezindheid verslag uit te brengen. Ook de milde betaling aan de roeiers en de geschenken in tabak stijfden de[319]bevolking in de meening dat zij met zendelingen van het Nederlandsch bestuur te doen had.
Daar boven kotta Baroe geen gemunt geld meer gangbaar is en men zich in de binnenlanden van Borneo niets kan aanschaffen dan door middel van ruilhandel, zette Johannes al het baar geld van het reisgezelschap tegen eenige stukken sits en andere lijnwaden, maar vooral tegen stofgoud van de hand. Al reeds van Kwala Hiang af vertoont dat edel metaal zich, evenwel nog in geringe mate, in het aangeslibde zand der rivier. Te kotta Baroe is de productie al reeds de ontginning waard en komt het stofgoud als handels- of liever als ruilartikel voor. Als vertegenwoordiger van het Nederlandsch Gouvernement werd Johannes welwillend behandeld en verkreeg hij de thaël1gouds voor 55 gulden, terwijl die te Bandjermasin een waarde heeft van 60 tot 70 gulden.
Twee uren waren zoo omstreeks verstreken sedert hun aankomst te kotta Baroe, toen onze avonturiers weer tot vertrek gereed stonden. Dalim evenwel was nog niet verschenen. Deze had een paar kennissen opgezocht en zat gezellig onder het genot van een pruimpje sirih te kouten. Indachtig aan de langzaamheid van zijn landslieden en aan het tijdroovende eener onderhandeling, als waarmede Johannes belast was, had hij zich bij die kennissen op een matje neergevleid en had het vertrekuur totaal vergeten. Toen hij geroepen werd,[320]vloog hij op en was in een ommezien op zijn post met den stuurpagaai in handen. Met kracht schoot de prauw onder een roeislag van zes en twintig paar armen vooruit en weldra was kotta Baroe aan het gezicht onttrokken.
Er werd nu bepaald, dat gedurende den nacht steeds twintig roeiers aan den arbeid zouden blijven en de zes overblijvende gedurende twee uren zouden rusten, waarna zij zes anderen zouden aflossen, die twee uren later evenzoo zouden handelen. Zoo stevende de prauw rusteloos voort.
Intusschen viel het den beiden Zwitsers, als landmeetkundigen en topografen, al spoedig op, dat de vaart merkbaar afweek van de tot nu toe gevolgde richting. Was de hoofdstreek, werwaarts de prauw den steven wendde tot nu toe noord geweest, thans scheen de rivier naar het noordwesten te kronkelen. Aanvankelijk schenen de beide mannen te aarzelen. Herhaaldelijk keken zij naar de sterren, maar de veelvuldige buigingen van den stroom maakten een gezette waarneming hoogst moeielijk. Eindelijk greep Wienersdorf zijn kompas, plaatste dat voor zich en kwam ras tot de overtuiging dat, hoewel de prauw afwisselend naar alle windstreken stuurde, de hoofdrichting thans noordwest was. Johannes legde hem uit, dat de voornaamste bergketen, die Borneo doorsnijdt, een hoofdstrekking heeft van het noordoosten naar het zuidwesten en de uitloopers aan den zuidelijken kant van die keten naar het oosten of zuidoosten afhellen. Dat is dan ook de terrashelling aan dien kant van het gebergte. Bijna al de rivieren, die zich in de Javazee uitstorten, nemen aanvankelijk een richting aan van het noordwesten naar het zuidoosten, tot waar zij het alluviale terrein binnentreden en hun loop van noord naar zuid veranderd wordt.
Terwijl onze reizigers zoo samen zaten te praten, kwam[321]het gesprek langzamerhand op de fauna van het land, dat zij doortrokken.
„Op een paar krokodillen na en eenige troepen apen, die als kwajongens in de boomen gymnastiseerden, hebben we van de dierenwereld van dit eiland nog niet veel gezien,” was de bemerking van Schlickeisen. „En toch moet de dierenwereld in een land als dit krachtig vertegenwoordigd zijn.”
„’t Mocht wat,” viel Johannes meesmuilende in. „In waarheid is Borneo in dat opzicht zoo armelijk bedeeld, als geen der groote eilanden van den Indischen archipel. Hier geen rhinocerossen, geen olifanten of tijgers, zelfs geen inheemsche paarden. Wat hier in groote menigte voorkomt, zijn slangen en tot die overbevolking schijnt de moerassige bodem aanleiding te hebben gegeven. Die slangen-overbevolking is weer oorzaak van de bijna totale afwezigheid van vogels, die in de benedenstreken waargenomen wordt, daar dat kruipend gedierte tegen stam en tak opklimt en de eieren opslurpt, of de jongen verzwelgt.”
„’t Is toch merkwaardig, dat het centraaleiland van den Indischen archipel, het grootste van al de eilanden, waaromheen de anderen zich als een krans slingeren, het allerminst bevolkt is met levende wezens,” dacht Wienersdorf als het ware hardop.„Op Java behoort de tijger over het geheele eiland thuis. In het westelijk gedeelte van dat eiland wordt de rhinoceros aangetroffen en, mag men de geleerden gelooven, dan zou het nog zoo lang niet geleden zijn, dat een kortmanige leeuwensoort in het Bantamsche aangetroffen werd. Op Sumatra zijn de olifant, de rhinoceros, de tijger, de jakhals in hun waar element. Op Celebes treft men het paard in zijn schoonste vormen aan en is de bewering, geloof ik, niet te gewaagd, dat dat edelste aller dieren daar eenmaal in het wild[322]aangetroffen werd. Alleen Borneo is geheel misdeeld.”
„Geheel misdeeld! is nu ook weer het woord niet,” was het wederwoord van Johannes. „We hebben nog niet veel gezien van dat groote centraaleiland, zoo als Wienersdorf het noemt. We zullen wel ervaren, dat hier de apen in zoo’n groote menigte voorhanden zijn als ergens ter wereld. We zijn hier in het paradijs van den orang oetan, denhomo silvarum, dien Darwin voorzeker voor oogen gehad heeft, toen hij zijn stellingen over de afkomst onzer voorouders verkondigde en de apenwereld volstrekt geen eer aandeed, met ons tot haar nakroost te bestemmen. Troepen herten dolen door de bosschen en over de hoogvlakten rond, die je omtrent een geheele misdeeling van het dierenrijk tot andere gedachten zouden brengen.”
„Een hertenbout zou niet onwelkom zijn,” meende La Cueille met de lippen smakkend. „Één bout slechts van dien overvloed! ’k ben, dunkt me, niet te begeerig.”
„Heb geduld maar. Alles op zijn tijd. Maar om tot het onderwerp terug te keeren. ’t Is waar, groote verscheurende dieren ontbreken, hoewel het tijgergeslacht nog al overvloedig vertegenwoordigd is door een paar kleine soorten als de panter en de tijgerkat2, die voor den mensch onschadelijk, toch al weer meehelpen om der vogelenwereld een wreeden oorlog aan te doen. Een ander dier, dat nog al in de bosschen hier aangetroffen wordt en van al de eilanden van den Archipel nog slechts op Sumatra gevonden wordt, is de honig- of suikerbeer3, die als echte snoeper slechts voor de bijen een wezenlijke vijand is. Vindt ge het geen gelukkige streek, waar de mensch aan den wal slechts[323]zijn natuurgenoot en in het water slechts den krokodil, dat andere onverzadelijke monster, te vreezen heeft?”
„Maar waaraan zou dat ontbreken van groote dieren op Borneo toch toe te schrijven zijn, terwijl die op de andere groote eilanden zeer talrijk moeten genoemd worden?”
„’k Heb wel eens gelezen, dat de reeks eilanden, die bij de Pegu-golf in Achter-Indië begint, en uit de Andaman en Nikobarische eilanden, Sumatra, Java, Bali, Lombokh, Soembawa, Flores, Kwella, Ombaai, Timor, Timor-laout enz. enz. bestaat, vroeger een groot vast land of eigenlijk een groot schiereiland vormde, dat, met het tegenwoordige schiereiland Malakka tot een geheel verbonden, zich eerst van het noorden naar het zuiden en zuidzuidoosten, later van richting veranderende ter plaatse waar thans Straat Sunda te vinden is, zich van het westen naar het oosten uitstrekte en waarschijnlijk met Nieuw-Guinea samenhing. In den loop der tijden zouden door geweldige omkeeringen en aardbevingen de verschillende straten ontstaan zijn, die thans die eilanden van elkander scheiden en als zoovele doorbraken den Indischen Oceaan tot de Chineesche zee toegang verleenen. Is nu die stelling aan te nemen, dan is het gemakkelijk te begrijpen, dat op die eilanden nog de meeste dieren aangetroffen worden, die zich van hunne bakermat Voor- en Achter-Indië daarover verspreidden.”
„Dat is mooi en wel voor die genoemde eilanden verklaard; maar voor Borneo laat het nog alles in het duister.”
„Geduld, ik ben nog niet klaar. In die tijden dat die eilandengordel nog een vast land uitmaakte, bestond Borneo nog niet en werd de plaats daarvan ingenomen door een groot zeebekken, dat van het noorderstrand van[324]het tegenwoordige Java zich tot aan de Chineesche kusten uitstrekte en ten westen door Sumatra, Malakka en Cochinchina en ten oosten door Celebes en den Philippijnschen Archipel bepaald werd.”
„Mooi die uitlegging,” knorde La Cueille, „het laat zich hooren dat te midden van dien waterplas geen rhinocerossen, olifanten en tijgers heen en weer zwommen.”
Johannes keek den Waal bijna met verachting aan, maar vervolgde zonder zich aan dat in de rede vallen te storen:
„Te midden van dat groote bekken verhieven eenige kleine koraaleilanden hunne vlakke toppen boven de watervlakte. Door een langzame verheffing van den bodem kwam de steen- en kleilaag, waarop die koraalafzettingen rustten, allengskens boven water. De vorm, door die opheffing verkregen, bepaalde een toekomstige hoofdbergketen, die van het noordoosten naar het zuidwesten loopt, met een paar vertakkingen, waarvan het Meratoesgebergte, met een strekking van noord naar zuid, de voornaamste is; en een paar anderen met een richting van west naar oost. Toen had het eiland, maar op veel grootere schaal, nagenoeg de gedaante van Celebes met zijn diep ingesneden bochten en zeeboezems. De aanmerkelijke waterafvoer van die toppen en ook de verdere opheffing des bodems, vulden die bochten en zoo verkreeg Borneo de gedaante die het thans heeft, maar niet behouden zal.”
„Waarom niet?” vroeg Schlickeisen.
„Omdat het nog in volle vorming verkeert. Of de langzame opheffing van den bodem nog voortduurt, weet ik niet. Andere bollen dan de mijne zullen dat moeten uitmaken. Om dat te constateeren, zullen een reeks van waarnemingen moeten gedaan worden, waarvan, als ik het wel heb, de eerste nog niet geschied is. Maar[325]de aanslibbing gaat voort en ’t is opmerkelijk, hoe aan de zuidkust het terugdringen van de zee en het vooruitschuiven van het land, zich voor het oog zichtbaar voordoet. Vooral de Tjemarabosschen bieden hiertoe een ongeëvenaarden maatstaf aan. Vlak aan de boorden der zee ziet men kleine boompjes van ternauwernood een paar cM. lengte. De rijen daarachter zijn weer iets langer en zoo gaat het voort, totdat men op een paar honderd el afstand van het water, het hoogwoud bereikt, waar stammen van dertig voet hoog aangetroffen worden. De overgang van het eene boompje tot het andere is schier onmerkbaar, het loof vormt van uit zee gezien als een zacht glooiende helling van het helderste groen. Ieder jaar vormt weer nieuwe rijen, schuift weer jonge boompjes vooruit op de aangeslibde klei en me dunkt, dat het moet te berekenen zijn, wanneer van Tandjong Salatan, den zuidelijksten uitlooper van het Meratoesgebergte, tot Tandjong Batoe Titi,de zuidwestelijkste punt van Borneo, die als de voortzetting van het Kamintinggebergte te beschouwen is, een gelijke kustlijn zonder merkbare bochten of inhammen, die slechts afgebroken zal worden door de mondingen der rivieren, zal gevormd zijn.”
„Dat is zeker heel aardig verklaard,” sprak Wienersdorf als in nadenken verzonken. „Maar waarop berust die stelling van langzame opheffing? Is zij niets anders dan een hypothese door Europeesche geleerden op het studeervertrek uitgedacht, of berust ze op stellige daadzaken?”
„Op stellige daadzaken, mijn waarde Zwitser! Wellicht morgen reeds, wanneer we ten minste spoed genoeg maken, komen we de grenzen der kalkformatie nabij. Daar, in de koraaltakken, die ge er zult kunnen verzamelen, in de opeenhoopingen van verbrijzelde schelpen enz. die ge er zult opmerken, zult ge de bewijzen[326]gelieven te zien, dat de zee eenmaal daar hare golven rolde. Nu moet ge niet denken, dat die koraal- en schelpbrecciën alleen aan de Kapoeas aangetroffen worden. Neen, aan de oevers van al de rivieren, die met de laatstgenoemde evenwijdig loopen, vindt ge dezelfde formatie terug. Het eigenaardigste daarvan is, dat, indien ge al de grenspunten der kalkformatie, die onloochenbare bewijzen eener vroeger bestaan hebbende kustlijn, door een lijn verbindt, die lijn dan vrij wel de richting aangeeft van den loop van het centraal gebergte, welks voet zij als het ware vormt.”
„Is er in de volksoverlevering niets, wat op zoo’n toestand doelt?” vroeg Schlickeisen.
„Wel zeker, er bestaan bij de onderscheidene Dajaksche stammen, die langs de bedoelde rivieren wonen, vele legenden en verhalen dienaangaande. De voornaamste en die ook bij alle stammen nagenoeg onveranderd terug gevonden wordt, is de navolgende:
„Vele jaarhonderden geleden, was Kalimantan op lange na zoo groot niet als het tegenwoordig is. Over het grootste gedeelte van het nu zichtbare rolde toen de zee hare blauwe golven en slechts de toppen van de tegenwoordige bergen Parawen, Boendang, Mienta en Japoh Poerau4verhieven zich even boven den waterspiegel en strekten tot woonplaats van het voorgeslacht. Rustig en afgescheiden van de geheele wereld leefden die menschen daar; want die lage eilanden waren door vele klippen omgeven, waarop de zee met woede brak en een nadering hoogst gevaarlijk maakte. De faam evenwel[327]van den grooten rijkdom dier eilanden aan goud en diamanten had zich—hoe, weet niemand—heinde en verre verspreid, zoodat er vele hebzuchtigen bestonden, die zich van die schatten wenschten meester te maken. Op zekeren dag werd een groote prauw, met vele menschen bemand, door weer en wind in de nabijheid dier klippen gevoerd. Een gedeelte der bemanning toonde zich uiterst bevreesd en verlangde dat gevaarlijk oord zoo spoedig mogelijk te verlaten. De andere helft was van oordeel, dat, nu men in de nabijheid van die rijke eilanden geslingerd was, de gelegenheid om fortuin te maken bij de haren moest gegrepen worden. Geen van beide partijen wilde toegeven; het geschil eindigde met een vechtpartij, waarbij de vechtenden elkander bijna geheel vernielden. De weinige overgeblevenen konden het vaartuig niet sturen, zoodat dit, door wind en stroom voortgezweept, op het strand gejaagd werd. Wat er van de menschen werd, meldt de overlevering niet, maar het schip werd door den Sangiang Dagoeman in een vervaarlijken grooten kalksteen veranderd, die heden ten dage nog in grove trekken de gedaante van een schip vertoont en daarom Batoe Banama5genoemd wordt. Die Batoe Banama ligt een weinig boven den kampong Tawan aan den linkeroever van de boven Doesson en duidt vrij scherp de grensscheiding tusschen het alluviaal en diluviaal terrein aan.”6
„Allerinteressantst!” verklaarde Wienersdorf, „maar je bent nu toch eenmaal aan het vertellen. Niemand onzer heeft nog slaap. Zeg ons nu nog eens, of de inlander[328]ook het gemis van groot verscheurend gedierte weet te verklaren? Wellicht dat zijn legenden daarop ook duiden?”
„Zoo ver mij bekend is, zwijgen de overleveringen daarvan; wellicht omdat het bestaan van dat gedierte op andere gedeelten der aarde bij het volk zelfs niet vermoed wordt. Toch bestaat er een legende, die schijnt aan te duiden, dat er toch eenig begrip omtrent groote dieren heerscht en daarenboven innig samenhangt met het volkskarakter, namelijk om list tegenover geweld te plaatsen. Die legende luidt als volgt:
In die voortijden, toen de dieren nog met de spraak begaafd waren, kwam een monsterachtige olifant van den overwal aan de zuidkust van Borneo aan en zwom de Kahajan op. De verzamelde dieren, daar te huis, zagen met ontzetting dat gevaarte den stroom opstevenen. Zij vaardigden een krokodil naar den vreemdeling af, om te vernemen wat hij in zijn schild voerde. De kaaiman, weinig diplomaat van aard, daarentegen meer vechtersbaas, tastte den indringer met zijn tanden aan en dacht een gemakkelijke overwinning te behalen. De olifant greep hem echter met zijn machtigen snuit, verhief hem als een balletje in de lucht en verbrijzelde zijn ruggegraat tegen een drijvenden boomstam. Daarop, verwoed over dien trouwloozen aanval, stapte de overwinnaar aan wal, riep een in de nabijheid grazend hert tot zich en zond dat naar de gezamenlijke dieren van Borneo, om hen tot een gevecht uit te dagen. Aan dien afgezant gaf hij een zijner slagtanden mede, ten einde de tegenpartij zich een denkbeeld zoude kunnen maken van de kracht en de grootte van het dier, dat hen ten strijde uitdaagde.
Van bluf was die zending niet vrij te spreken, maar wat de olifant voorzien had gebeurde. Schrik en ontsteltenis[329]sloeg ieder dier om het hart bij het zien van dien kolossalen tand, terwijl het wedervaren van den krokodil, waaromtrent het hert zeer dichterlijke verhalen te berde bracht, niet geschikt was om die vrees te doen bedaren. Te midden der algemeene verslagenheid trad het kleine stekelvarken (landakh) als redder op. Dit kleine dier gaf namelijk den raad om, onder toezending van een zijner pennen, den olifant mede te deelen, dat men zijne uitdaging aannam. De medegezonden stekel moest dienen, om den vreemdeling in staat te stellen een vergelijking te maken tusschen de haren van zijn aanstaanden tegenstander en zijn eigene, ten einde zich zoo een denkbeeld te kunnen vormen, hoe groot de tanden wel moesten wezen van het dier, dat zulke kolossale haren bezat. De list gelukte volkomen. De olifant er volstrekt niet op gesteld zijnde, met zulk een machtigen tegenstander in het krijt te treden, vroeg zijn tand terug en zwom met inspanning van alle krachten weer naar het land, van waar hij gekomen was. En nog heden ten dage heet de plaats waar de dikhuid aan wal steeg: „rantau gadjah oendoer,” of„de rivierbocht waar de olifant terugkeerde.”
„Verduiveld! dat was nog zoo dom niet uitgedacht,” meende La Cueille, „zoo’n stekelvarkenshaar zou een sappeursbaard beschaamd gemaakt hebben. ’t Is daarbij juist: „qui s’y frotte, s’y pique.””
„De legende is wel aardig,” sprak Schlickeisen, „maar ik vind er niet in, wat ik vroeg. Met dien olifant, die door een stekelvarkenspen op de vlucht gedreven is, wordt dunkt mij meer op een aanranding in de voortijden geduid, op een aanranding van buiten, wellicht van hindoe’s, die door list der inboorlingen verijdeld werd, dan op een vroegere bekendheid van wilde dieren als den olifant. Het zou toch niet onwaarschijnlijk te achten[330]zijn, dat, zoo de aanvallers wezenlijk hindoe’s waren, zij gewapende olifanten bij hun aanvalsleger gehad hebben.”
„Wel mogelijk,” antwoordde Johannes flegmatiek, „maar als de liefste meid ter wereld, heb ik gegeven wat ik had. ’k Heb verteld, wat ik wist. Zooveel is zeker, dat, eenige Klingaleezen uitgezonderd, die zich hier of daar als handelaren genesteld hebben, van het Hindoeisme op Borneo weinig te vinden is.”
Onder dergelijke gesprekken was de nacht voorbij gesneld. Onze deserteurs hadden geen behoefte aan slaap gevoeld. Toen de dag evenwel aanbrak, keken zij vreemd op. Het terrein was geheel en al van gedaante veranderd. Tot nog toe had de rivier zich tusschen moerassige oevers heengeslingerd. In de benedenstreken hadden zij die oevers tweemaal daags overstroomd gezien door den vloed, die de wateren der rivier opstuwde en terugdreef. Hooger op, waar de invloed van eb en vloed niet meer ontwaard werd, was ’t het bovenwater, dat bij iedere forsche regenbui het land overstroomde, waardoor de oeverstreken moerassig bleven. Maar, sedert zij kotta Baroe verlaten hadden, sedert gisteren avond was het terrein aanmerkelijk gerezen en wat zij thans zagen, waren heuvelen van ongeveer honderd voet hoog, met zeer zachte hellingen, die bevallig met elkander afwisselden en de bekoorlijkste dalen vormden, of welker glooiingen zacht, bijna onmerkbaar in elkander overgingen. Soms was het terrein, dat zich voor hunne oogen opdeed, golvend. Twee, drie rijen hoogten strekten zich, zoo ver het gezicht reiken kon, evenwijdig aan elkander uit, hadden hunne zachte hellingen allen naar denzelfden kant naar het zuidoosten, de scherpe hellingen naar de tegenovergestelde zijden gekeerd en schenen baren, volgens de dichterlijke uitdrukking van[331]Schlickeisen, door den zuidoostmousson voortgezweept, die plotseling verstijfd of gestold waren en den vorm behouden hadden, dien zij op het oogenblik van stolling vertoonden.
Maar niet alleen de bodem vertoonde een verandering, ook de flora, die daarop groeide, toonde zich geheel anders, dan die zij daags te voren gezien hadden. Wel hadden zij reeds lang de zone der Tjemara laout- en der Nipahbosschen achter den rug. Maar tot gisteren hadden de Rhisophoren nog de overhand gehad, die vreemdsoortige gewassen, welke met hare steltwortels zoo uitnemend geschikt zijn om den brijachtigen detritus in moerasstreken vast te houden en zoo tot de vorming van vasten bodem haar weerga niet hebben. Wel waren de Rhisophoren nog niet geheel verdwenen. Hun krachtige groei was evenwel reeds zeer beperkt; de weinige exemplaren die zich nog vertoonden, waren nog slechts de dwergen van hun geslacht. Maar in hunne plaats begonnen zich de Ficus-soorten te vertoonen, waaronder de Randoealas met hare loodrechte, monsterachtige stammen en de Wariengien’s met hare luchtwortels behooren, die soms een doolhof van stammen vormen, en haar kroonloof, dat op zich zelf een dicht bosch vertoont. Wat den reizigers nog wel het meeste opviel, was dat de zacht glooiende oevers, die gisteren nog altijd niet toelieten te ontwaren, waar het water der rivier ophield en waar het land begon, verdwenen waren en de stroom thans kokend en schuimend tusschen diepingesneden taluds voortspoedde. In de bochten waren die taluds steil afgebrokkeld en lieten zij de groote en kleine rolsteenen, gevat in gele of grauwe klei, waaruit de onderhumuslaag gevormd is, naakt en zonder eenig plantaardig dek zien, terwijl de uitspringende hoeken, tegenover die bochten, uit fijn wit zand en kleine rolsteentjes bestaande, zacht glooiend opwaarts[332]stegen, om onmerkbaar in het aangrenzend hoogere terrein over te gaan.
Een ander verschijnsel, dat zich voordeed, waren de meerdere sporen van de aanwezigheid van menschen.
In de moerasstreken hadden de reizigers dagen lang geroeid zonder eenig menschelijk wezen of ook maar een spoor daarvan te ontdekken. Hier was dat geheel anders. Op de oevers werden veelmaals tusschen het oorspronkelijk woud aanplantingen van djagoong (maïs), katella pohon, suikerriet, katjang enz. of vruchtboomen als klappers, pisang, doerians enz. enz. aangetroffen. Van afstand tot afstand werden woningen waargenomen en konden de avonturiers zich verlustigen, menschen in hunne volle bedrijvigheid te ontwaren. Evenwel deed zich hier een bijzonderheid voor, die wel als keerzijde mocht aangemerkt worden. Trouwens te kotta Towanan en te kotta Baroe hadden de reizigers daar reeds staaltjes van gezien: alle woningen in de bovenstreken waren met een stevig paalwerk omgeven en zoodoende in ware forten herschapen. Bij voldoende waakzaamheid van de zijde der bewoners zou daar zonder geschut niet in te komen zijn; alleen uithongering of weifelmoedigheid zou zulk een sterkte tot overgave kunnen dwingen. Dat is het gevolg van de verderfelijke zucht om menschenschedels te vergaren. Iedereen zoekt zich te beveiligen tegen sluipmoord en vindt slechts zekerheid achter stevige wallen.
Die groote verandering in hunne omgeving, had de belangstelling der reizigers in hooge mate opgewekt. Zoo in een nacht, zonder overgang bijna, waren zij om zoo te zeggen in een andere wereld aangeland. De eerste gedachte, die bij hen opkwam, was van de veranderde omstandigheden gebruik te maken, om hun mondvoorraad aan te vullen, althans er eenige afwisseling[333]in te brengen. Bij een daartoe gunstig gelegen tuin legden zij aan, gaven den bewaker een paar stengen tabak ten geschenke, en konden nu naar hartelust groenten, maïs en eenige knolgewassen inzamelen. Zelfs kregen zij eenige klappernoten en nog andere vruchten ten geschenke. Van dien bewaker vernamen zij verder, dat al sedert vele dagen een bende Poenans in deze streken verschenen was en dat zij dus op hunne hoede moesten zijn. Het was alweer het oude deuntje: pas op je kop.
Na die inzameling werd de reis voortgezet en bereikten de vluchtelingen zoo omstreeks tegen het middaguur de monding der soengei Koeatan. Deze is de voornaamste zijrivier van de Kapoeas. Zij is nog dagen lang bevaarbaar voor prauwen van middelbare grootte en ontspringt uit een moerassige terreinplooi, die tevens door de soengei Lemo in gemeenschap met de Doesson staat. Johannes opperde het denkbeeld om de reis langs de Koeatan te vervolgen, omdat de Doesson veel langer bevaarbaar is dan de Kapoeas en zij dus gemakkelijker het centraalgebergte zouden naderen, waarover de reis voerde om de noordkust te bereiken. De drie andere Europeanen stemden met dat voorstel in; Dalim en de overige Dajaks daarentegen kwamen er ten krachtigste tegen op. Wel was de weg gemakkelijker, dat erkenden allen, maar zij, als bewoners der Kapoeas-streken zouden terecht komen te midden hunner erfvijanden, waaronder het onmogelijk zoude zijn zich verborgen te houden en die van menschlievendheid of van deernis niets zouden willen weten. Een reis derwaarts ware gelijk aan eendoodsvonnis. Terwijl men nog aan het beraadslagen was, kwam eensklaps een rangkan, door een twintigtal pagaaien voortgestuwd, den reizigers achterop. Van achter een scherpen hoek te voorschijn[334]schietende, was de verschijning van dat vaartuig zoo plotseling, dat de schrik de meeste roeiers in de prauw der vluchtelingen verlamde.
„Poenans! Poenans!!” was hun geschreeuw, terwijl zij hunnemandauwsgrepen. De Europeanen vatten hunne geweren en weldra zoude een hevig geweervuur den naderenden tegengeknetterd hebben, had Dalim niet plotseling: „halt! niet schieten!” uitgeroepen.
Voor op den rangkan stond een Poenan in vollen krijgsdos, evenwel geheel ongewapend, die als een bezetene met de armen zwaaide en wenkte. Toen de vaartuigen nog wat dichter bij elkander waren gekomen, herkenden de reizigers den koppensneller, wien Wienersdorf in de Danau Ampang het leven had geschonken. En werkelijk, het was Harimaoung Boekit, die naar zijn stam terugkeerde. Hij zelf en al zijn tochtgenooten hadden de mandauws afgelegd, ten teeken van vredelievendheid.[335]
1De standaard van het goudgewicht in de binnenlanden van Borneo is de ringgit of Mexicaansche zonnemat. Twee ringgits worden gerekend gelijk te zijn aan een thaël. De ringgit heeft 2 sadjampol; de sadjampol heeft 2½ sakobang; de sakobang heeft 2 boea kajoe; de boea kajoe heeft 2 boentoeng: een boentoeng heeft 2 satilai; een satilai heeft 2 satali; een satali heeft 1½ brini; een brini heeft 2 matta boeroeng en een matta boeroeng heeft 2 boea bakoeng. Zoodat een boea bakoeng het 1⁄960 is van een thaël.↑2Felis pardusenfelis macrocephalis.↑3Ursus Malayanus.↑4Dit zijn de hoogste bergen van het eiland. De top van den Japoh Poerau wordt door de inboorlingen beschreven, zich te vertoonen bij zonsop- en ondergang, als ware hij van goud; over dag evenwel als fraai blinkend zilver. Hierop afgaande, zou hij boven de sneeuwgrens liggen, die evenwel in deze streken zeer hoog aangetroffen wordt.↑5Batoe = steen; Banama = schip.↑6In de boven Kahajan bestaat ook zulk een steen, die den vorm van een schip heeft. Deze rots heet Batoe Tangkiring en daaraan is een nagenoeg gelijkluidende legende verbonden. Tangkiri beteekent in het Dajaksch „veranderd zijn in” dus „in steen veranderd.”↑
1De standaard van het goudgewicht in de binnenlanden van Borneo is de ringgit of Mexicaansche zonnemat. Twee ringgits worden gerekend gelijk te zijn aan een thaël. De ringgit heeft 2 sadjampol; de sadjampol heeft 2½ sakobang; de sakobang heeft 2 boea kajoe; de boea kajoe heeft 2 boentoeng: een boentoeng heeft 2 satilai; een satilai heeft 2 satali; een satali heeft 1½ brini; een brini heeft 2 matta boeroeng en een matta boeroeng heeft 2 boea bakoeng. Zoodat een boea bakoeng het 1⁄960 is van een thaël.↑2Felis pardusenfelis macrocephalis.↑3Ursus Malayanus.↑4Dit zijn de hoogste bergen van het eiland. De top van den Japoh Poerau wordt door de inboorlingen beschreven, zich te vertoonen bij zonsop- en ondergang, als ware hij van goud; over dag evenwel als fraai blinkend zilver. Hierop afgaande, zou hij boven de sneeuwgrens liggen, die evenwel in deze streken zeer hoog aangetroffen wordt.↑5Batoe = steen; Banama = schip.↑6In de boven Kahajan bestaat ook zulk een steen, die den vorm van een schip heeft. Deze rots heet Batoe Tangkiring en daaraan is een nagenoeg gelijkluidende legende verbonden. Tangkiri beteekent in het Dajaksch „veranderd zijn in” dus „in steen veranderd.”↑
1De standaard van het goudgewicht in de binnenlanden van Borneo is de ringgit of Mexicaansche zonnemat. Twee ringgits worden gerekend gelijk te zijn aan een thaël. De ringgit heeft 2 sadjampol; de sadjampol heeft 2½ sakobang; de sakobang heeft 2 boea kajoe; de boea kajoe heeft 2 boentoeng: een boentoeng heeft 2 satilai; een satilai heeft 2 satali; een satali heeft 1½ brini; een brini heeft 2 matta boeroeng en een matta boeroeng heeft 2 boea bakoeng. Zoodat een boea bakoeng het 1⁄960 is van een thaël.↑
1De standaard van het goudgewicht in de binnenlanden van Borneo is de ringgit of Mexicaansche zonnemat. Twee ringgits worden gerekend gelijk te zijn aan een thaël. De ringgit heeft 2 sadjampol; de sadjampol heeft 2½ sakobang; de sakobang heeft 2 boea kajoe; de boea kajoe heeft 2 boentoeng: een boentoeng heeft 2 satilai; een satilai heeft 2 satali; een satali heeft 1½ brini; een brini heeft 2 matta boeroeng en een matta boeroeng heeft 2 boea bakoeng. Zoodat een boea bakoeng het 1⁄960 is van een thaël.↑
2Felis pardusenfelis macrocephalis.↑
2Felis pardusenfelis macrocephalis.↑
3Ursus Malayanus.↑
3Ursus Malayanus.↑
4Dit zijn de hoogste bergen van het eiland. De top van den Japoh Poerau wordt door de inboorlingen beschreven, zich te vertoonen bij zonsop- en ondergang, als ware hij van goud; over dag evenwel als fraai blinkend zilver. Hierop afgaande, zou hij boven de sneeuwgrens liggen, die evenwel in deze streken zeer hoog aangetroffen wordt.↑
4Dit zijn de hoogste bergen van het eiland. De top van den Japoh Poerau wordt door de inboorlingen beschreven, zich te vertoonen bij zonsop- en ondergang, als ware hij van goud; over dag evenwel als fraai blinkend zilver. Hierop afgaande, zou hij boven de sneeuwgrens liggen, die evenwel in deze streken zeer hoog aangetroffen wordt.↑
5Batoe = steen; Banama = schip.↑
5Batoe = steen; Banama = schip.↑
6In de boven Kahajan bestaat ook zulk een steen, die den vorm van een schip heeft. Deze rots heet Batoe Tangkiring en daaraan is een nagenoeg gelijkluidende legende verbonden. Tangkiri beteekent in het Dajaksch „veranderd zijn in” dus „in steen veranderd.”↑
6In de boven Kahajan bestaat ook zulk een steen, die den vorm van een schip heeft. Deze rots heet Batoe Tangkiring en daaraan is een nagenoeg gelijkluidende legende verbonden. Tangkiri beteekent in het Dajaksch „veranderd zijn in” dus „in steen veranderd.”↑