[Inhoud]XVII.Verhaal van Harimaoung Boekit.—Wat er te kotta Baroe gebeurd was.—Beraadslagingen.—Vooruit! naar kotta Djankang.—Steenkolen.—Aankomst te kotta Djangkan.—Armeering en proviandeering.—Een vrouw in een kooi.—Wienersdorf wanhopig.—Johannes redeneerende.—De Zwitser poogt de kooi te openen.—De zielsontvoering.Toen de rangkan de prauw op zijde geschoten was, verhaalde het Poenanhoofd, dat zij des nachts te kotta Baroe aangekomen waren en daar de geheele negorij in rep en roer gevonden hadden. Zij hadden er een staatsieprauw aan den oever zien liggen en een gewemel van menschen waargenomen, alsof een belangrijke onderneming op til was. De nieuwsgierigheid had hen toen bekropen. Harimaoung Boekit aan wal gestapt, was als een slang naderbij geslopen en had vernomen, dat door een blanke van Kwala Kapoeas, dien hij gezien had en beschreef als met een langen mandauw (sabel) gewapend te zijn, de bevolking te wapen werd geroepen, om een prauw met vluchtelingen te achtervolgen. De blanke eischte twee honderd en vijftig weerbare mannen met de noodige prauwen, hetgeen tot niet weinig gepruttel aanleiding gaf. Toen de Poenan dat alles afgeluisterd had, begreep hij met zijn oorspronkelijk verstand, dat het om hen te doen was, die hem het leven geschonken hadden; en al dadelijk was het plan gerijpt, om die vrienden te waarschuwen, des noods krachtig[336]bij te staan. Stil als hij gekomen was, sloop hij naar den rangkan terug, wenkte een paar zijner makkers, die, aan wal stappende met hem voortslopen en eindelijk bij een tomoi een menigte menschen vonden slapen. Een tomoi is een koepelvormig gebouwtje, dat in de bovenlanden in de nabijheid der versterkte huizen opgericht wordt, tot ontvangst van reizenden. Nimmer wordt een vreemdeling in de versterking toegelaten. In hoofdzaak is wantrouwen de grondslag van die handeling; men hoedt zich zoo voor verspieders, die onder vriendschapsschijn, wel eens het terrein komen opnemen. Maar het dient ook om twisten te voorkomen, die uit het schenden van de zeden en gebruiken der bewoners, den vreemdelingen meestal niet bekend, zouden kunnen geboren worden.De gelegenheid was te schoon voor onze drie koppensnellers. De slapenden hadden zich ter ruste gelegd zonder voorzorgsmaatregelen te nemen. Met bliksemsnelheid trokken de Poenans hunne mandauws en in het volgende oogenblik hield ieder hunner een bloedig hoofd bij de haren in de hand. Nu stieten zij hun, „lahap” (krijgsgeschreeuw) uit, deelden den ontwakenden in het duister eenige houwen toe en maakten zich uit de voeten, toen de angst en de verwarring onder de aldus gewekten ten top gestegen was en zij elkander aanvielen en bevochten.Dit alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat de Poenans met hun lichten rangkan al lang in de dichte duisternis verdwenen waren, voor dat de kommandant van Kwala Kapoeas—de lezers zullen wel geraden hebben, dat die de blanke was, die te kotta Baroe bevelen uitdeelde—zijn troepje Dajaks tot bedaren had gebracht. Niemand had de aanvallers zelfs gezien. De hoofdelooze lijken, die op den grond in een grooten plas bloed lagen, konden niet spreken; de gekwetsten waren[337]in hun slaap toegetakeld en konden alleen een verward verhaal leveren van hetgeen zij bij hun pijnlijk en angstig ontwaken meenden gezien te hebben. Zij spraken van gedaanten van half mensch, half spook, die zij in het nachtelijke duister hadden zien verdwijnen.Indien het de vluchtelingen waren, die dezen overval uitgevoerd hadden, en velen waren dat denkbeeld wel toegedaan, dan moest erkend worden, dat men met stoutmoedige kerels te doen had, die men niet zoo gauw in handen zoude hebben. De Tomonggong Nikodemus schudde evenwel het hoofd. Hij had de lijken onderzocht. De sneden, die de koppen van de rompen gescheiden hadden, waren zuiver en glad. Bij die houwen was geen aarzeling, geen herhaling, geen slachterswerk waar te nemen. Fiks, met een enkelen slag was de dood toegebracht, en die slag kon slechts door geoefende handen geslagen zijn, slechts door bovenlanders; maar niet door Dajaks der benedenstreken en nog minder door Europeanen.Toen Harimaoung Boekit zijn verhaal geëindigd had, keken de vluchtelingen elkaar met angstige verbazing aan. Zij hadden niet kunnen denken, dat de Hollanders hen zoo spoedig op de hielen zouden zitten. Zij hadden gedacht nog altijd een voorsprong van acht of tien dagen te hebben. En nu waren de jagers in de nabijheid en het wild reeds op het spoor! Wat nu te doen?„Vooruit! vooruit!!” riep Wienersdorf, „het heil kan slechts liggen in de vlucht!”„Neen,” sprak Johannes mismoedig, „nu de kommandant ons zoo nabij is, kan de vlucht alleen niet meer baten. Op dit oogenblik is hij zeker reeds van kotta Baroe vertrokken en hij zal wel menschen genoeg geprest hebben, zoodat hij over veel meer roeiers zal kunnen beschikken dan wij. Op de vlucht zouden we spoedig[338]zijn ingehaald. Je kunt het niet eens meer uitstel van executie noemen.”„Maar wat dan?”Johannes gaf daarop geen antwoord, maar zich tot het Poenanhoofd wendende:„Waren er blanke menschen in het gezelschap van den kommandant?” vroeg hij.„Ik heb lang en goed bespied; maar geen enkel bleekgezicht gezien, behalve hem, dien ge kommandant noemt.”„Dus geen Europeesche militairen bij den troep, dat is al veel waard. Maar wellicht heeft de kommandant een escorte van Javaansche soldaten, daarmee valt ook niet te spotten,” mompelde Johannes binnensmonds.„Hebt ge geen menschen gewapend gezien?” vroeg hij verder aan Harimaoung.„De blanke had, terwijl hij bedrijvig was, een klein geweer (pistool) in de hand, achter hem liep steeds een boedak (slaaf) die een snaphaan droeg. De anderen zijn gewapend met hun mandauws en de meesten hebben een „sipet” of „loendjoh.”1Alleen de Amai2van Kwala Kapoeas, dien ik goed ken, heeft een geweer. Maar.…”En hierbij boog zich de Poenan tot Johannes en fluisterde dien gedurende eenigen tijd iets in het oor.„Dat moet beproefd worden!” zeide deze met opgeruimd gelaat en vastbesloten, en zich tot zijn makkers wendende:[339]„Zoo we kotta Djankang bereiken, dan zijn onze kansen veel verbeterd, dan bestaat er hoop op redding. Dus vooruit!”Met gejuich werd die kreet van „vooruit” beantwoord. De rangkan werd op sleeptouw genomen, de prauw van haar tentdak ontdaan. De gezellen van Harimaoung Boekit namen plaats in het groote vaartuig en werden verdeeld tusschen de roeiers en nu ging het vooruit als de wind, onder den drang van die vier en veertig pagaaien, die met kracht gehanteerd werden. De prauw kraakte in hare binten, maar hield zich uitmuntend. Een witte schuimgolf krulde voor haar boeg, brak ter weerszijden af en vormde achter den steven een onafzienbare aaneenschakeling van wilde draaikolken, die zich eerst achter den jongst voorbijgeschoten hoek voor het oog verloren. Het vaartuig schoot met groote snelheid vooruit en, zoo voortgestuwd, kon het met de snelstvarende stoomboot wedijveren. Bij dien wedstrijd beijverden de Poenans zich niet het minst. Volgens hunne gewoonte stonden zij in de prauw, waardoor zij met hunne beseai’s, van lange stelen voorzien, tusschen de anderen, die gezeten waren, konden roeien zonder iemand te hinderen en toch de noodige kracht aanwenden. Het waren prachtige kerels, die koppensnellers, met flinke breede borstkassen en stevig gespierde armen. Zij waren in vollen oorlogstooi gedost, hadden de muts van apenvel, met twee lange tingang-vederen3versierd, op het hoofd en den maliënkolder aan, die over[340]een dik buisje van geklopte boomschors geslagen was. Beide kleedingstukken waren van voren open en lieten het fraai getatouëerde bovenlijf zien, dat zulke fijne figuren op de huid vertoonde, alsof zij met het penseel er op gebracht waren. Hunne schilden, met de meest grillige arabesken beschilderd, waren overeind tegen hunne lichamen geplaatst, zoodat zij hunne beenen en buik dekten, terwijl de geduchte mandauw, van een menigte haarlokken voorzien, fier aan hunne zijde prijkte.Toen de prauw in volle vaart gebracht was, riep Johannes de beide Zwitsers, den Waal en Harimaoung Boekit te zaam op de achterplecht der prauw, waar Dalim zat met den stuurpagaai in handen. Zij zouden beraadslagen, wat hun te kotta Djankang te doen zou staan.Deze versterking lag op den rechteroever der Kapoeasrivier, iets boven de monding der soengei Mawat en verhief zich op een heuvel, die zich ongeveer 60 M. boven den waterspiegel verheft. Als een kaap steekt die heuvel in de rivier uit en wordt langs drie kanten door haar omspoeld. Aan die zijden heeft de heuvel glooiingen nagenoeg onder natuurlijke helling; aan de landzijde sluit hij, een kleine ondiepe depressie van het vlak niet medegerekend, aan een heuvelenrij aan, die zich ongeveer van oost naar west uitstrekt en waarvan hij, zoover het oog reiken kan, het hoogste punt schijnt uit te maken. De versterking vormde een langwerpig vierkant van ongeveer 80 op 120 M, en was zoodanig op den heuvel opgericht, dat hare twee achtersaillanten de rivier op- en neerwaarts bestrijken en hare beide voorsaillanten daartoe krachtig meewerken konden. De ompaling was van stevig ijzerhout vervaardigd, terwijl de boomen, daartoe gebezigd, een doorsnede van 30 of 32 cM. bij een hoogte van tien M. boven den grond hadden. Om de tien palen was een palissade geplant, die van aaneengelaschte boomen[341]vervaardigd, ongeveer drie maal zoo hoog was als de anderen en op zijn spits toeloopend uiteinde een gebleekten menschelijken schedel droeg. Binnen de versterking waren verscheidene Dajaksche woningen hoog boven den grond gebouwd, die evenwel door de palissadeering beschermd, daarenboven met zware ijzerhouten planken betimmerd en met sierappen4gedekt waren.In de kotta woonden ongeveer 500 zielen, waaronder ruim 80 weerbare mannen aangetroffen werden. Het was dus in den eigenlijken zin des woords een versterkte kampong en al de Kotta’s in de binnenlanden van Borneo moeten ook in dien zin opgenomen worden. Aan het hoofd van die gemeente stond een oud man, met name Amai Kotong. Tot diens onderhoorigheden sorteerden ook nog de kotta’s Mawat en Brobok die, aan de soengei Mawat gelegen, te zamen 300 zielen met ruim 50 weerbare mannen telden. Bij de groote uitbreiding van de bevolking te kotta Djankang, hadden zich huisgezinnen afgescheiden en zich daar gevestigd, zoodat het eigenlijk spruiten waren van een stam.Amai Kotong was een Poenan van geboorte. Als zoon van een groot opperhoofd, die aan de soengei Miri, een der voornaamste zijrivieren van de Kahajan, gezeteld was, had hij een Ot Danomsche jonge vrouw gehuwd en zich toen aan de boorden van de Kapoeas gevestigd. Door snel- en strooptochten had hij zijne bezittingen aanzienlijk zien toenemen; maar voornamelijk had hij met goudzoeken groote winsten gemaakt. Hij was de oom van Harimaoung Boekit en had steeds voor den zoon zijns ouderen broeders zeer veel toegenegenheid gevoeld.[342]Het Poenanhoofd mocht op een goede ontvangst en op krachtdadige hulp te kotta Djankang rekenen.Dat waren de inlichtingen, die Johannes in beknopte woorden zijnen toehoorders mededeelde. Een oogenblik zaten zijne metgezellen het gehoorde te overdenken. Eindelijk vroeg Wienersdorf:„En wat is de conclusie van dat alles?”„De conclusie? wel dat is duidelijk, dat we onzen intrek in kotta Djangkang moeten nemen,” was het nog al driftige antwoord, „en daar de kat uit den boom kijken. Valt men ons aan, welnu, we zijn wakkere knapen, dan zullen we het antwoord niet schuldig blijven.”„Alweer bloedvergieten!” zuchtte Wienersdorf. „Is er dan geen kans om te ontkomen? We zetten zoo’n vaart; me dunkt dat we met den besten wil ter wereld niet in te halen zijn.”„Kans om te ontkomen? Ja, die zou er zijn, maar die kans mogen we niet wagen. Want keert die kans zich tegen ons, dat wil zeggen, wanneer we ingehaald worden, dan staan we in het open veld tegenover een verpletterende overmacht en dan is het pleit spoedig beslecht. Dan valt er niets te doen, dan ons over te geven of ons leven zoo duur mogelijk te verkoopen. In beide gevallen is wat we reeds geleden en ondergaan hebben, volkomen nutteloos geweest en heeft het reeds gestorte bloed te vergeefs gevloeid.”„Maar in die kotta zullen we opgesloten worden, de verdediging zal ook al weer bloed kosten, niet waar?”„Ja, en ’t is te hopen, dat het niet nutteloos zal wezen. Ingesloten zullen we worden, maar ’t is te voorzien, dat de bovenlanden in beweging gebracht zullen worden en dan zal de insluiting zoo lang niet duren.[343]Geloof me, als we slechts den eersten aanloop doorstaan, dan is al zeer veel gewonnen; dan zal de weg zich wel weer voor ons openen.”„En toch ben ik van meening, dat we de vlucht voortzetten. Nogmaals, me dunkt, dat met de vaart, die de prauw thans heeft, geen vaartuig ter wereld ons kan inhalen.”„Maar die vaart kan niet behouden worden,” viel Johannes driftig in. „’t Zal al wel zijn, als we die vaart tot den avond volhouden. En dan moeten we kotta Djankang bereikt hebben. Ja.…. als we onze roeiers van tijd tot tijd tegen versche konden verwisselen, dan was ’t wat anders, maar daaraan valt niet te denken. ’k Wed, dat onze vervolgers te Tapen en te Toembang5Koeatan versche krachten zullen verkregen hebben. Kom, wees niet weekhartig; laat ons den toestand als mannen onder de oogen zien; we zullen niets doen dan ons verdedigen en je zult zien, dat een goede uitslag onze pogingen zal bekronen.”„God geve het!” was de zucht van Wienersdorf.„Amen!” riep La Cueille, „et que Notre Dame de Lourdes nous protège!Maar komaan, laten we nu weer een handje helpen met roeien. Als zoo vier paar Europeesche armen meedoen, dan kan men dat aan het trillen der prauw voelen. Kom vooruit, hoe meer distantie we zetten tusschen die kaaskoppen en ons, des te beter.”De vluchtelingen grepen weer de pagaaien, maar plaatsten zich met Harimaoung Boekit op de achterplecht der prauw dicht bij Dalim bij elkander, om gedurende het roeien met elkander te kunnen beraadslagen, de inlichtingen te voltooien en ieders taak bij de verdediging te bepalen.[344]Ook Dalim keurde een verblijf te kotta Djankang goed; hij gaf zelfs te kennen dat, zooals de zaken stonden, het noodzakelijk was. Hij kende het hoofd Amai Kotong, zoowel als de meeste bewoners, zoodat hij daar geen vreemdeling zou zijn. Hij onderhield zich geruimen tijd met het Poenanhoofd en deelde vervolgens zijn reisgezellen de bijzonderheden van het gesprek mede, zoo als, dat de rijstoogst in de bovenstreken pas afgeloopen was, zoodat het te voorzien was dat de schuren te kotta Djankang behoorlijk gevuld en uithongering bij gevolg niet te vreezen zoude zijn.Met ingespannen ijver werd de reis voortgezet. Onder het roeien merkten de Europeanen hier en daar op het witte zand der uitspringende hoeken, zwarte brokstukken van grooteren of kleineren omvang, maar gewoonlijk zoo wat ter dikte van een dubbele vuist. La Cueille had er al met zekere aandoening naar zitten turen; maar bij de vaart van de prauw, was het hem onmogelijk er iets van te maken. Bij een der hoeken evenwel, toen de prauw dicht langs den kant gierde, sprong hij te water, dat daar niet diep was, stapte naar den wal, greep een paar van die zwarte brokstukken, die zijn nieuwsgierigheid opwekten en was weer in het vaartuig terug, voor dat de hoek behoorlijk gerond was.„Nom d’un chien!” riep hij in vervoering, terwijl hij zijn schat liet zien, „c’est de la houille!Waarachtige steenkool en van de goede soort ook, dat kan ik verzekeren. En die vindt men hier zoo maar langs den waterkant!”„Houd je maar bedaard,” lachte Johannes. „Je zult er nog wel meer te zien krijgen en ook kunnen oprapen, ’k Ben toch verheugd die te zien, ze zijn een onfeilbaar teeken dat we kotta Djankang naderen.”[345]„Hoe kan dat een teeken zijn dat we die versterking naderen?”„Wel, de heuvel, waarop de kotta ligt, bevat boven het hoogwaterpeil drie à vier machtige steenkolenaderen, waarvan de onderste volgens deskundigen uitmuntende brandstof moet bevatten.”De Waal snoof eens als een jachthond, die het spoor in den neus krijgt. De mijnwerker kwam voor een poos boven. Zijn kinderjaren doemden hem voor de oogen op.„Boven kotta Djankang,” ging Johannes voort, „vervolgen die steenkolenaderen zich langs den oever der rivier. Bij middelbaren waterstand is in het rechter talud een gang zichtbaar van ruim 1200 M. lang, die nagenoeg horizontaal loopt en een dikte vertoont, afwisselend van 0,5 tot 4 M.”„Maar dat is een rijkdom!” schreeuwde La Cueille opgewonden.„Ja, dat zou het kunnen zijn, wanneer er gebruik van gemaakt werd. De rijkdom is te aanzienlijker, daar diezelfde ader zichtbaar is langs de oevers van de Doesson aan de eene zijde en de soengei Moeroi, de Kahajan en de soengei’s Roengan en Manohin aan de andere zijde, allen bevaarbare rivieren, en wel in minstens even machtige gangen als hier. Maar … de Dajak bekommert er zich niet om. Die heeft geen steenkolen noodig; zijn bosschen leveren hem brandhout genoeg op. In vele gevallen zelfs is hem het gebruik van „batoe kasintoe” ongeoorloofd en maakt hem „pali” (onrein). En de Hollanders …”Johannes werd in de rede gevallen door een der roeiers, die voor aan den boeg der prauw zat en toeriep dat kotta Djankang vooruit in het gezicht was. En jawel, daar lag de versterking, fier en indrukwekkend op haren heuveltop. Wat haar voor onze Europeanen[346]een onbeschrijfelijken indruk gaf, waren de vele hooge masten, die boven de palissadeering uitstaken en waarop uitgebleekte bekkeneelen prijkten. Aan den waterkant stond de „tomoi” van waar een trap tot op den waterspiegel afdaalde. De prauw legde daar aan en het Poenanhoofd steeg aan wal.In gespannen verwachting zaten de reizigers elkander aan te staren. Wat zou hun verder lot zijn? Maar zij hadden niet lang tijd, zich daar verder in te verdiepen. Harimaoung trad met zijn oom Amai Kotong, een bejaarden evenwel nog flinken Dajak, naar buiten en gaf onzen vrienden te kennen, dat de kotta, zoo als zij daar stond, met alles wat er in was, te hunner beschikking was. Dat woord was er nauwelijks uit, of de roeiers sprongen aan wal en begonnen onder leiding van Dalim den inhoud der prauw te lossen.Na een eerste kennismaking met hun gastheer, gingen de Europeanen ook aan den slag. Alle krachten moesten worden ingespannen. De dag was reeds ver gevorderd en het was niet onmogelijk dat de vervolgers al heel gauw zouden verschijnen. La Cueille en Schlickeisen zouden zich beijveren de zes stukjes geschut, die in de prauw aanwezig waren, in positie te brengen, de munitie op te bergen en de wapening der bezetting na te zien. Wienersdorf zou zich met de verdediging belasten; hij moest de inrichting der versterking en hare omgeving nagaan. Johannes zou de approviandeering voor zijn rekening nemen en daarover zijn aandacht laten gaan, terwijl bovendien het opperbevel in zijne handen zoude berusten.Allen waren dadelijk in de weer en het behoeft niet gezegd te worden, dat La Cueille het hoogste woord voerde en de meeste drukte vertoonde. Bij de bezichtiging der sterkte vonden de nieuwbakken artilleristen[347]onder de gebouwen eenige ijzeren „garaboes” (dajaksche benaming voor kleine kanonstukjes) opgeborgen, die evenwel onbruikbaar bevonden werden. Dat wil zeggen, men zou ze ergens een plaats verschaffen, om vertooning te maken, maar het werd ongeraden geoordeeld, er met scherp uit te vuren. Een tamelijke voorraad buskruit was aanwezig en die, gevoegd bij het medegebrachte, verbande iedere zorg, dat daaraan vooreerst gebrek zoude kunnen komen. Eenige oude vuursteengeweren werden nog gevonden, maar ook die werden alleen bruikbaar geheeten, om met los kruit te schieten. Toen de munitie behoorlijk opgeborgen was, plaatsten de Europeanen, door eenige Dajaks geholpen, op elk der saillanten aan de landzijde twee stukjes geschut in batterij, waartoe zij een paar palissaden ter halvermans hoogte uitzaagden om een ruimeren bestrijkingskring te verkrijgen. Op ieder der andere saillanten werd een stukje geplant.Gedurende die bedrijvigheid had Wienersdorf de binnenruimte der versterking in oogenschouw genomen. De banketten, die langs de palissadeering zoowat een manslengte onder de kruin aangelegd waren, liet hij hier en daar verbeteren en versterken door er eenige planken over heen te laten leggen. In het midden der vier facen, maar vooral in de nabijheid der saillanten liet hij schietgaten breken om een vrij gebruik der handvuurwapenen te kunnen maken; en eindelijk, toen hij daarmee klaar was, zocht hij uit een grooten houtstapel, die in de versterking aangetroffen werd, eenige balkjes en beijverde hij zich daarvan op een der hoogste gebouwen een soort van geblindeerd schilderhuis samen te doen stellen, van waaruit zonder gevaar de geheele omtrek te overzien was.In dien tusschentijd had ook Johannes zijn taak volbracht.[348]Hij had de proviand onder dak gebracht en daarbij eens in oogenschouw genomen, welke hulpmiddelen kotta Djankang zoo al opleverde. Die inspectie had zeer bevredigende uitkomsten opgeleverd. Niet alleen was er rijkelijk rijst van den jongsten oogst voorhanden, maar ook een groote voorraad poendang6, terwijl verder nog twee verbazend groote herten, welker lichamen nog warm en dus geheel versch bevonden werden en die dan ook eerst in den namiddag van dien zelfden dag gestrikt waren, werden aangetroffen. Bovendien waren nog een twintigtal varkens en een groote menigte kippen, eenden en ganzen aanwezig, die knorrende, kakelende en kwakende, maar overigens in de grootste eendracht onder de gebouwen leefden. Over dat bevind van zaken innig tevreden, spoedde de opperbevelhebber zich naar buiten aan het hoofd van een sterken troep Dajaks met den mandauw in de vuist, om het omliggend terrein van allang-allang7en struikgewas, waarachter een vijand de versterking onzichtbaar zoude kunnen bekruipen, te zuiveren en de trap, die langs de steile oeverhelling toegang tot de rivier verleende, in te halen.Toen hij met dat alles gereed was, ontmoette hij bij het binnentreden der versterking Amai Kotong, die met eenigen der zijnen van uit de tuinen en de daaraan grenzende wildernis terugkeerde, alwaar zij een aardigen voorraad „sahang roebit” (wilde spaansche peper, bij de Maleierslombokh rawitgeheeten), knolvruchten, klappers, bamboe-toppen enz. enz. verzameld hadden; allen zaken, die, bij een mogelijke insluiting, als toespijs[349]zeer goed te stade zouden komen. Ook had de Amai een zijner zonen de soengei Mawat opgezonden, om zijne onderhoorigen daar ten strijde op te roepen.De metgezellen van Harimaoung Boekit hadden zich onledig gehouden met de spitsen van hunne pijltjes en die der bezetting van kotta Djankang af te schrapen en op nieuw in krachtvol vergift te doopen. Hun hoofd was evenwel met zijn oom naar buiten getreden en had, terwijl diens volgelingen volijverig fourageerden, een ernstig en langdurig gesprek met hem gehad.Toen de zon ondergegaan was, waren alle voorloopige maatregelen getroffen, die de kotta met hoop op goeden uitslag zouden gedoogen krachtigen tegenstand te bieden. Op ieder der saillanten, ook in het geblindeerd schilderhuisje werden twee schildwachten geplaatst en zouden de Europeanen om beurten twee aan twee te zamen de wachtdienst verrichten, om zoodoende overtuigd te zijn, dat behoorlijke waakzaamheid zoude uitgeoefend worden ten einde tegen een overval beveiligd te zijn.Na al die beschikkingen getroffen te hebben, zaten onze deserteurs, die—wij mogen zulks niet vergeten,—nog altijd voor hunne omgeving hunne vermomming volhielden, bij elkander het heerlijke avonduur te genieten. Het was een paar dagen voor volle maan. De lucht was helder en bewolkt; de warmte had, na het verdwijnen der zon, plaats gemaakt voor een verfrisschende en aangename koelte, die, gepaard aan het zachte licht, door de nachtvorstin verspreid, die uren onder de tropen tot de genotvolste der wereld maken. Natuurlijk waren de gebeurtenissen van den laatsten tijd en hetgeen de toekomst kon opleveren, schering en inslag van het gesprek en werd velerlei meening geopperd over den uitslag der vermoedelijk aanstaande gevechten.„Och! dat ze toch te vermijden waren, die gevechten!”[350]zuchtte Wienersdorf. „Bloed, altijd bloed! ’t Is een schrikkelijke tocht.”„Zeur toch niet. Daar moet je nu maar over heen,” antwoordde Johannes knorrig, „als je daar zoo tegen op ziet, dan hadt je maar thuis moeten blijven.”„Thuis!” was de heimwee-zucht des Zwitsers.„Daarenboven,” vervolgde Johannes, „we doen niets dan ons verdedigen. We hebben nog geen slag toegebracht of geen schot gelost, tenzij men er ons toe dwong. Zooveel mogelijk zullen we zoo blijven doen.”Terwijl zij nog zoo zaten te praten, vernamen de deserteurs eensklaps een zacht gesnik, dat van een vrouw scheen te komen. Zij keken elkander aan en wisten niet wat dat beduidde. De vrouwen, die in de versterking aanwezig waren, hadden zij allen gemonsterd. Die hadden zich, zonder door de jaloerschheid hunner heeren en meesters gehinderd te worden, vrij en ongedwongen te midden der vreemdelingen bewogen en menige gulle lach was haar ontlokt door de kleine onhandigheden der nieuwbakken Dajaks. Alleen de Sjech met zijn tulband, had haar eerbied ingeboezemd. Er waren ouden en jongen, mooie gezichten en afzichtelijke besten onder; maar bij allen was een zekere luchthartigheid en vroolijkheid, ja zelfs iets dartels op te merken; zoodat dat snikken thans daar wel bij afstak. Ons viertal keek uit in de richting van waar dat weemoedig geluid kwam, maar hoewel de maan onbewolkt aan den hemel stond en alles met haar zilverlicht overgoot, wierpen toch de gebouwen in de versterking aanwezig, zulke zwarte schaduwen over de binnenruimte, dat niets te ontwaren was. La Cueille, de meest galante van het viertal, stond op om te gaan kijken, wat dat gesnik beduidde. Binnen weinige oogenblikken was hij terug en verhaalde met eenige ontroering, dat daar ginds bij[351]dat hooge gebouw, waarin Amai Kotong woonde, een groote kooi stond, die veel op een tijgerval geleek, evenwel veel hooger was, waarin een vrouw opgesloten zat. Zij was het, die zoo snikte. Hij had haar aangesproken en ook antwoord bekomen, maar wat zij gebrabbeld had, was voor hem onverstaanbaar gebleven.Johannes barstte in lachen uit:„Och wat, de een of andere nurksche echtgenoot zal zijn zachtzinnige wederhelft opgesloten hebben, om haar mores te leeren. ’s Lands wijs, ’s lands eer.”„’t Is toch te erg, iemand van het teedere geslacht als een wild dier in een kooi op te sluiten,” meende Schlickeisen.„Die luidjes van het teedere geslacht zijn soms katjes, die niet beter verdienen,” lachte de andere. „Kom, ik ga eens kijken; ik zal met dat exemplaartje wel kunnen praten.”Maar nog voor hij opgesprongen was, om zijn voornemen te volvoeren, verscheen Dalim, die hem die moeite bespaarde. Wat die te vertellen had, om dat gesnik te verklaren, ontzette onze reizigers zeer. Voor een oogenblik bracht hij aller herinnering naar het meer Ampang terug, toen Harimaoung Boekit zijn overwinnaar Wienersdorf met zijn bloed en omgekeerd zich zelven met dat des Zwitsers besmeerd had.„Dat was slechts een voorloopige plechtigheid,” ging de Dajak voort, „die zeer bekort was door de omstandigheden. Gij beiden zijt toen van twee vijanden, die naar elkanders leven stonden, broeders geworden. Maar de Dajaksche gebruiken vorderen een geheel andere plechtigheid om dien band van bloedverwantschap van kracht te maken. De plechtigheid, die morgen zal plaats hebben heet: „indoe sapan pahamban” of verzoeningseed, en zal gepaard gaan met het „hatoendi daha” of verbond met[352]bloed bezegeld. Toen we gisteren aankwamen heeft Harimaoung Boekit dadelijk den toestand aan zijn oom bekend gesteld en te zamen hebben ze een pandeling uitgezocht, die morgen geslacht zal worden.”„Geslacht,” riepen de Europeanen met ontzetting uit.„Ja, geslacht,” was het kalme antwoord. „Harimaoung Boekit heeft ons aangevallen; ten gevolge van dien aanval zijn menschen gedood, anderen zijn gewond; zoodat er volgens den Dajakschen adat ten volle bloedschuld bestaat. Die kan niet uitgedelgd worden dan door den marteldood van een pandeling, die in deKawawohanboelau8later Wienersdorf als slaaf zal bedienen.”„De marteldood! maar dat zal niet geschieden!” riep de Zwitser vol vertwijfeling, „dat zal ik nimmer toelaten!”„Daar kunt ge niets aan doen,” viel Dalim in, „en alles wat ge zoudt willen doen, kan onze zaak slechts bederven. ’t Zal beschouwd worden, alsof de verzoening door u niet gewenscht wordt, alsof ge berouw hebt, het Poenanhoofd het leven geschonken te hebben. Het slachtoffer is reeds gekozen, heeft zijn naam als mensch reeds verloren en heet thans „kabalik” van „kabal” ongevoelig, levenloos. Het is die vrouw, die ge hebt hooren snikken. Wel mag ze snikken, het arme schepsel, ze is moeder van twee kinderen, die nog hulpbehoevend zijn.”„Afschuwelijk!” voer Wienersdorf in de uiterste wanhoop uit. „God! is daar dan niets aan te doen? Is die gruweldaad niet te verhinderen? Maar komaan,” ging hij met woestheid voort, „de Poenan kan denken wat hij wil. Nu spijt het me, dat ik hem gespaard heb. O! had ik dat monster maar vertrapt. Ik ga hem spreken,[353]ik zal hem het leven van die vrouw vragen en weigert hij mijn bede, dan moge God mij genadig zijn, maar dan daag ik den aterling uit en dan zal slechts mijn dood zijn leven kunnen redden.”„Bedaar en bedenk, dat ons aller leven hierbij gemoeid is,” stuitte Johannes dien woordenstroom, „en ge hebt geen recht daarmede, ter wille eener kinderachtige teergevoeligheid te spelen.”„Ik wil.…”„Je wilt het leven van die vrouw redden,” ging de spreker ernstig voort, „dat is mooi, dat is edel …”„Welnu dan …”„Laat me uitspreken,” gebood Johannes met nadruk, „dat is mooi, dat is edel, ik herhaal het; maar, om dat leven te redden, stel je niet alleen het uwe in gevaar, maar ook het onze. Over het uwe ben je heer en meester; maar zou je denken, dat wij het onze voor die ziekelijke gril maar zoo opofferen zullen? Neen, voor den duivel, neen!” en met opgewondenheid op zijn geweer slaande: „we zullen ons als mannen verdedigen en ik verzeker je, dat, alvorens we bezweken zullen zijn, de lijken, die rondom ons opgehoopt zullen liggen, geen kinderachtig getal zullen uitmaken. Is nu die vrouw zoo’n hecatombe waard? Vraag dat je geweten af; die vrouw, die geen zelfstandig leven bezit, die slechts als „anak olo” (menschenkind), „batang olo” (vermolmd stuk van een mensch) of wel „pai lengèh” (armen en voeten) genoemd wordt, om aan te duiden, dat zij als pandelinge geen aanspraak op den naam van mensch heeft, en dat zij slechts „armen en voeten” is om voor anderen te arbeiden. Bevrijdt ge haar nu ten koste van de vele offers, die ik opsomde, dan over een week, wellicht morgen reeds, wordt ze andermaal uitgezocht om als kabalik te fungeeren en zal je opoffering en de menschenslachting,[354]waarvan gij de oorzaak zult geweest zijn, volkomen nutteloos zijn.”„Schrikkelijk! schrikkelijk!!” riep de Zwitser, terwijl hij wanhopig de handen wrong en als vernietigd daar neer zat.„Luister!” ging Johannes met den hoogst mogelijken ernst voort. „Gijlieden hebt mij uit vrijen wil tot leider van onzen ontvluchtingstocht gekozen. Gij allen hebt beloofd mij gehoorzaamheid te bewijzen, wanneer we ons te midden der inlandsche bevolking zouden bevinden. Welnu, ik eisch thans gehoorzaamheid, stipte gehoorzaamheid, niet uit een gril, maar tot ons aller welzijn. En die gehoorzaamheid zal voorshands bestaan, in het laten gebeuren, wat we niet verhinderen kunnen. ’t Is geen wreedheid, noch gevoelloosheid, die me zoo doet spreken, maar uitsluitend zelfbehoud. Maar.… kunnen we ons niet tegen afgrijselijkheden verzetten, die onder onze oogen gepleegd worden, laten we dan ten minste ons hart lucht geven door een vloek uit te spreken over de beschaafde natie, die het grootste gedeelte van dit groote eiland onder haren schepter houdt en de macht niet bezit, gruwelen, zooals we morgen aanschouwen zullen, afdoende te bestrijden; over de natie, die uit schraapzucht niet eens beproeft die gruwelen tegen te gaan en uit kruidenierswangunst ieder ander Europeesch volk tracht buiten dat eiland te houden, dat de taak der menschheid van haar zou kunnen overnemen. God helpe! Voor de vrijmaking van de slaven in West-Indië, besteedde Nederland schatten en toch wat was het lot der negers zacht in vergelijking van dat der „djipens” hier. Maar in West-Indië deed men mede in het algemeen concert van huichelende menschenmin; zichtbaar wilde men zich toch ook eens menschlievend toonen, dat poseerde; maar om aan de[355]menschonteerende wandaden, die in dezen achterhoek, Borneo genaamd, geschieden en waarmee Europa niet bekend raakt, een einde te maken heeft men geen dubbeltje over.”De Sienjo was prachtig in zijn verontwaardiging. Hij had het hoofd in den nek geworpen, zijn borstkas zwoegde stormachtig op en neer. Zijn fraai gelaat drukte onverholen de verachting uit, die zijn ziel vervulde.„Morgen,” ging hij ontembaar en met sissende stem voort, „morgen wanneer de euveldaad zal voltrokken worden, zal ik Neerland’s driekleur aan den vlaggestok in top halen. Onder de plooien van die vlag moet de schanddaad, die we niet verhoeden kunnen, voltrokken worden. ’k Wil dat het bloed van de arme vrouw, wanneer deze zich onder de martelingen zal krommen, spatten zal op die heldere banen, waarop iedere bevlekking zichtbaar is.”Hij zweeg een poos en vervolgde toen meer bedaard:„Kom! laat ons onze wachtposten betrekken. Wienersdorf en ik zullen thans rusten, de beide anderen waakzaam zijn.”En zich tot Schlickeisen en La Cueille wendende:„Roept ons tegen middernacht,” zeide hij, „dan zullen we u aflossen. En nu goeden nacht!”„Goeden nacht! O God! wat een nacht!” mompelde Wienersdorf bij zich zelven, terwijl hij gedwee medeging.Die nacht zou ongestoord voorbijgaan.Toen de maan zoo omstreeks te half vijf uur onderging en het alom donker was, sloop Wienersdorf, de gelegenheid waarnemende, dat Johannes zich met een der schildwachten onderhield, over hetgeen deze meende gezien te hebben, naar de karandah (kooi), waarin de arme vrouw, die geslacht zou worden, opgesloten zat, en vond[356]haar in een diepen slaap gedompeld. Hij maakte haar zachtkens wakker, verbrak met veel inspanning eenige traliën van haar gevangenhok en noodigde haar uit dat te verlaten. Hij zou de kooi openen, dan kon zij in het woud ontvluchten. Helaas! de arme vrouw, verschrikt een geheel onbekend persoon in het duister voor zich te zien, weigerde die akelige kooi te verlaten. In den voornacht was een Balian9bij het arme slachtoffer verschenen, had haar het hoofd met blauw zand bestrooid en daarbij met zachte stem een bezweringsformulier gezongen. Door de kracht van die bezwering was Sangiang Tempon Telon9genoodzaakt geweest uit zijn verheven verblijf neder te dalen, om de ziel aan het lichaam van de ter dood veroordeelde te ontvoeren. Zij had de aanwezigheid van den Sangiang gevoeld; tastbaar was hare ziel ontweken, zij was nu niets meer dan een gevoelloos wezen, dat zonder ziel toch, voor dat de nacht andermaal inviel, geheel overleden zoude zijn. De beulen konden haar nu martelen zooveel hun lustte; na die mangang koeït (zielsontvoering) zou zij er niets van voelen. Daarenboven, wat zou zij arme vrouw in het woud moeten aanvangen? Hier waren hare kinderen, hare ziel zou die omzweven en, zooveel in haar vermogen was, voor onheilen behoeden. Ginds in de wildernis zou zij geheel hulpeloos zijn. Waar zou zij voedsel vinden? Wie zou haar tegen de kajau’s verdedigen? Neen, neen, zij wilde niet weg.De Zwitser bad en smeekte haar om toch te vertrekken. Hij wrong de handen; hij klemde zich aan de traliën van de noodlottige kooi vast. Alles, alles te vergeefs! Johannes[357]vond hem daar in volle vertwijfeling. Hij nam hem onder den arm en voerde hem weg. Vol medelijden trachtte hij den wanhopige het onverstandige van zulk een weekhartigheid onder het oog te brengen en hem het onverantwoordelijke aan te toonen van zijn pogingen om die vrouw te doen ontvluchten. Het verzoeningsfeest zou door die vlucht niet eens uitgesteld zijn geworden, want een ander slachtoffer zou spoedig aangewezen zijn; terwijl een verbitterde jacht zoude gemaakt worden op de arme vluchtelinge, die niet dan met hare gevangenneming zoude gestaakt worden; een gevangenneming die spoedig door een vreeselijken marteldood zoude gevolgd worden.Wienersdorf zuchtte diep, maar antwoordde niet. Och! hij was niet overtuigd en het mocht gelukkig genoemd worden, dat de dag aanbrak, waardoor iedere poging, om het slachtoffer aan haar lot te onttrekken, moest opgegeven worden.De nacht was rustig voorbij gesneld. Geen vijand was bespeurd. Zoodra het eenigszins schemerde, werden door Amai Kotong een paar zijner Dajaks, in een djoekoeng gezeten, stroomafwaarts gezonden, om bij den eersten hoek, dien de rivier daar vormde, post te vatten. Zij zouden dienen als vooruitgeschoven schildwachten. Van dien hoek hadden zij een vergezicht over den stroom, en konden de nadering van prauwen door signalen aan de kotta mededeelen.EINDE VAN HET EERSTE DEEL.[1]1Sipet is een blaasroer om vergiftigde pijltjes mede te blazen. Aan dat roer is tevens een lansijzer bevestigd, zoodat het een blaas- en tevens een stootwapen is. Een loendjoh is een eenvoudige lans, door de maleiers „toembakh” genaamd.↑2Amai beteekent vader. In de bovenlanden worden de hoofden zoo betiteld. Met de Amai van Kwala Kapoeas wordt hier de Tomonggong Nicodemus bedoeld.↑3Tingang:Rhinoceros of neushoornvogel. Er zijn op Borneo twee soorten. De Tingang bahong is zoo groot als een haan. Zijn hoorn is donkerrood. Zijn lijf is bedekt met zwarte goudveeren. In den staart heeft hij twee sneeuwwitte pennen. De Tingang lajoeng is kleiner, heeft een oranjekleurigen hoorn; zijne vederen zijn licht blauw, en zijn staart is zwart.↑4Sierappen zijn kleine plankjes, geheel overeenkomende met onze dakleien en ook daarvoor dienende. Op Java worden de sierappen van djatiehout, op Borneo daarentegen van ijzerhout vervaardigd.↑5Toembang is in het Dajaksch gelijk Kwala of riviermonding.↑6Poendang is dun gesneden en in de zon gedroogd vleesch. Wordt veelal van hertenvleesch gemaakt. In ’t Maleisch heet het: dengdeng.↑7Allang-allang is een grassoort, die soms 2 M. hoogte bereikt en in het Dajaksch: garigit genoemd wordt.↑8Kawawohan boelauis de naam van den Dajakschen Hemel. Zie hierover: Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver.↑9Balian = priesteres en hetaire. Zie hierover, als ook over Tempon Telon de Charon der Dajaks, de meer aangehaalde Ethnographische beschrijving van den schrijver.↑ab
[Inhoud]XVII.Verhaal van Harimaoung Boekit.—Wat er te kotta Baroe gebeurd was.—Beraadslagingen.—Vooruit! naar kotta Djankang.—Steenkolen.—Aankomst te kotta Djangkan.—Armeering en proviandeering.—Een vrouw in een kooi.—Wienersdorf wanhopig.—Johannes redeneerende.—De Zwitser poogt de kooi te openen.—De zielsontvoering.Toen de rangkan de prauw op zijde geschoten was, verhaalde het Poenanhoofd, dat zij des nachts te kotta Baroe aangekomen waren en daar de geheele negorij in rep en roer gevonden hadden. Zij hadden er een staatsieprauw aan den oever zien liggen en een gewemel van menschen waargenomen, alsof een belangrijke onderneming op til was. De nieuwsgierigheid had hen toen bekropen. Harimaoung Boekit aan wal gestapt, was als een slang naderbij geslopen en had vernomen, dat door een blanke van Kwala Kapoeas, dien hij gezien had en beschreef als met een langen mandauw (sabel) gewapend te zijn, de bevolking te wapen werd geroepen, om een prauw met vluchtelingen te achtervolgen. De blanke eischte twee honderd en vijftig weerbare mannen met de noodige prauwen, hetgeen tot niet weinig gepruttel aanleiding gaf. Toen de Poenan dat alles afgeluisterd had, begreep hij met zijn oorspronkelijk verstand, dat het om hen te doen was, die hem het leven geschonken hadden; en al dadelijk was het plan gerijpt, om die vrienden te waarschuwen, des noods krachtig[336]bij te staan. Stil als hij gekomen was, sloop hij naar den rangkan terug, wenkte een paar zijner makkers, die, aan wal stappende met hem voortslopen en eindelijk bij een tomoi een menigte menschen vonden slapen. Een tomoi is een koepelvormig gebouwtje, dat in de bovenlanden in de nabijheid der versterkte huizen opgericht wordt, tot ontvangst van reizenden. Nimmer wordt een vreemdeling in de versterking toegelaten. In hoofdzaak is wantrouwen de grondslag van die handeling; men hoedt zich zoo voor verspieders, die onder vriendschapsschijn, wel eens het terrein komen opnemen. Maar het dient ook om twisten te voorkomen, die uit het schenden van de zeden en gebruiken der bewoners, den vreemdelingen meestal niet bekend, zouden kunnen geboren worden.De gelegenheid was te schoon voor onze drie koppensnellers. De slapenden hadden zich ter ruste gelegd zonder voorzorgsmaatregelen te nemen. Met bliksemsnelheid trokken de Poenans hunne mandauws en in het volgende oogenblik hield ieder hunner een bloedig hoofd bij de haren in de hand. Nu stieten zij hun, „lahap” (krijgsgeschreeuw) uit, deelden den ontwakenden in het duister eenige houwen toe en maakten zich uit de voeten, toen de angst en de verwarring onder de aldus gewekten ten top gestegen was en zij elkander aanvielen en bevochten.Dit alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat de Poenans met hun lichten rangkan al lang in de dichte duisternis verdwenen waren, voor dat de kommandant van Kwala Kapoeas—de lezers zullen wel geraden hebben, dat die de blanke was, die te kotta Baroe bevelen uitdeelde—zijn troepje Dajaks tot bedaren had gebracht. Niemand had de aanvallers zelfs gezien. De hoofdelooze lijken, die op den grond in een grooten plas bloed lagen, konden niet spreken; de gekwetsten waren[337]in hun slaap toegetakeld en konden alleen een verward verhaal leveren van hetgeen zij bij hun pijnlijk en angstig ontwaken meenden gezien te hebben. Zij spraken van gedaanten van half mensch, half spook, die zij in het nachtelijke duister hadden zien verdwijnen.Indien het de vluchtelingen waren, die dezen overval uitgevoerd hadden, en velen waren dat denkbeeld wel toegedaan, dan moest erkend worden, dat men met stoutmoedige kerels te doen had, die men niet zoo gauw in handen zoude hebben. De Tomonggong Nikodemus schudde evenwel het hoofd. Hij had de lijken onderzocht. De sneden, die de koppen van de rompen gescheiden hadden, waren zuiver en glad. Bij die houwen was geen aarzeling, geen herhaling, geen slachterswerk waar te nemen. Fiks, met een enkelen slag was de dood toegebracht, en die slag kon slechts door geoefende handen geslagen zijn, slechts door bovenlanders; maar niet door Dajaks der benedenstreken en nog minder door Europeanen.Toen Harimaoung Boekit zijn verhaal geëindigd had, keken de vluchtelingen elkaar met angstige verbazing aan. Zij hadden niet kunnen denken, dat de Hollanders hen zoo spoedig op de hielen zouden zitten. Zij hadden gedacht nog altijd een voorsprong van acht of tien dagen te hebben. En nu waren de jagers in de nabijheid en het wild reeds op het spoor! Wat nu te doen?„Vooruit! vooruit!!” riep Wienersdorf, „het heil kan slechts liggen in de vlucht!”„Neen,” sprak Johannes mismoedig, „nu de kommandant ons zoo nabij is, kan de vlucht alleen niet meer baten. Op dit oogenblik is hij zeker reeds van kotta Baroe vertrokken en hij zal wel menschen genoeg geprest hebben, zoodat hij over veel meer roeiers zal kunnen beschikken dan wij. Op de vlucht zouden we spoedig[338]zijn ingehaald. Je kunt het niet eens meer uitstel van executie noemen.”„Maar wat dan?”Johannes gaf daarop geen antwoord, maar zich tot het Poenanhoofd wendende:„Waren er blanke menschen in het gezelschap van den kommandant?” vroeg hij.„Ik heb lang en goed bespied; maar geen enkel bleekgezicht gezien, behalve hem, dien ge kommandant noemt.”„Dus geen Europeesche militairen bij den troep, dat is al veel waard. Maar wellicht heeft de kommandant een escorte van Javaansche soldaten, daarmee valt ook niet te spotten,” mompelde Johannes binnensmonds.„Hebt ge geen menschen gewapend gezien?” vroeg hij verder aan Harimaoung.„De blanke had, terwijl hij bedrijvig was, een klein geweer (pistool) in de hand, achter hem liep steeds een boedak (slaaf) die een snaphaan droeg. De anderen zijn gewapend met hun mandauws en de meesten hebben een „sipet” of „loendjoh.”1Alleen de Amai2van Kwala Kapoeas, dien ik goed ken, heeft een geweer. Maar.…”En hierbij boog zich de Poenan tot Johannes en fluisterde dien gedurende eenigen tijd iets in het oor.„Dat moet beproefd worden!” zeide deze met opgeruimd gelaat en vastbesloten, en zich tot zijn makkers wendende:[339]„Zoo we kotta Djankang bereiken, dan zijn onze kansen veel verbeterd, dan bestaat er hoop op redding. Dus vooruit!”Met gejuich werd die kreet van „vooruit” beantwoord. De rangkan werd op sleeptouw genomen, de prauw van haar tentdak ontdaan. De gezellen van Harimaoung Boekit namen plaats in het groote vaartuig en werden verdeeld tusschen de roeiers en nu ging het vooruit als de wind, onder den drang van die vier en veertig pagaaien, die met kracht gehanteerd werden. De prauw kraakte in hare binten, maar hield zich uitmuntend. Een witte schuimgolf krulde voor haar boeg, brak ter weerszijden af en vormde achter den steven een onafzienbare aaneenschakeling van wilde draaikolken, die zich eerst achter den jongst voorbijgeschoten hoek voor het oog verloren. Het vaartuig schoot met groote snelheid vooruit en, zoo voortgestuwd, kon het met de snelstvarende stoomboot wedijveren. Bij dien wedstrijd beijverden de Poenans zich niet het minst. Volgens hunne gewoonte stonden zij in de prauw, waardoor zij met hunne beseai’s, van lange stelen voorzien, tusschen de anderen, die gezeten waren, konden roeien zonder iemand te hinderen en toch de noodige kracht aanwenden. Het waren prachtige kerels, die koppensnellers, met flinke breede borstkassen en stevig gespierde armen. Zij waren in vollen oorlogstooi gedost, hadden de muts van apenvel, met twee lange tingang-vederen3versierd, op het hoofd en den maliënkolder aan, die over[340]een dik buisje van geklopte boomschors geslagen was. Beide kleedingstukken waren van voren open en lieten het fraai getatouëerde bovenlijf zien, dat zulke fijne figuren op de huid vertoonde, alsof zij met het penseel er op gebracht waren. Hunne schilden, met de meest grillige arabesken beschilderd, waren overeind tegen hunne lichamen geplaatst, zoodat zij hunne beenen en buik dekten, terwijl de geduchte mandauw, van een menigte haarlokken voorzien, fier aan hunne zijde prijkte.Toen de prauw in volle vaart gebracht was, riep Johannes de beide Zwitsers, den Waal en Harimaoung Boekit te zaam op de achterplecht der prauw, waar Dalim zat met den stuurpagaai in handen. Zij zouden beraadslagen, wat hun te kotta Djankang te doen zou staan.Deze versterking lag op den rechteroever der Kapoeasrivier, iets boven de monding der soengei Mawat en verhief zich op een heuvel, die zich ongeveer 60 M. boven den waterspiegel verheft. Als een kaap steekt die heuvel in de rivier uit en wordt langs drie kanten door haar omspoeld. Aan die zijden heeft de heuvel glooiingen nagenoeg onder natuurlijke helling; aan de landzijde sluit hij, een kleine ondiepe depressie van het vlak niet medegerekend, aan een heuvelenrij aan, die zich ongeveer van oost naar west uitstrekt en waarvan hij, zoover het oog reiken kan, het hoogste punt schijnt uit te maken. De versterking vormde een langwerpig vierkant van ongeveer 80 op 120 M, en was zoodanig op den heuvel opgericht, dat hare twee achtersaillanten de rivier op- en neerwaarts bestrijken en hare beide voorsaillanten daartoe krachtig meewerken konden. De ompaling was van stevig ijzerhout vervaardigd, terwijl de boomen, daartoe gebezigd, een doorsnede van 30 of 32 cM. bij een hoogte van tien M. boven den grond hadden. Om de tien palen was een palissade geplant, die van aaneengelaschte boomen[341]vervaardigd, ongeveer drie maal zoo hoog was als de anderen en op zijn spits toeloopend uiteinde een gebleekten menschelijken schedel droeg. Binnen de versterking waren verscheidene Dajaksche woningen hoog boven den grond gebouwd, die evenwel door de palissadeering beschermd, daarenboven met zware ijzerhouten planken betimmerd en met sierappen4gedekt waren.In de kotta woonden ongeveer 500 zielen, waaronder ruim 80 weerbare mannen aangetroffen werden. Het was dus in den eigenlijken zin des woords een versterkte kampong en al de Kotta’s in de binnenlanden van Borneo moeten ook in dien zin opgenomen worden. Aan het hoofd van die gemeente stond een oud man, met name Amai Kotong. Tot diens onderhoorigheden sorteerden ook nog de kotta’s Mawat en Brobok die, aan de soengei Mawat gelegen, te zamen 300 zielen met ruim 50 weerbare mannen telden. Bij de groote uitbreiding van de bevolking te kotta Djankang, hadden zich huisgezinnen afgescheiden en zich daar gevestigd, zoodat het eigenlijk spruiten waren van een stam.Amai Kotong was een Poenan van geboorte. Als zoon van een groot opperhoofd, die aan de soengei Miri, een der voornaamste zijrivieren van de Kahajan, gezeteld was, had hij een Ot Danomsche jonge vrouw gehuwd en zich toen aan de boorden van de Kapoeas gevestigd. Door snel- en strooptochten had hij zijne bezittingen aanzienlijk zien toenemen; maar voornamelijk had hij met goudzoeken groote winsten gemaakt. Hij was de oom van Harimaoung Boekit en had steeds voor den zoon zijns ouderen broeders zeer veel toegenegenheid gevoeld.[342]Het Poenanhoofd mocht op een goede ontvangst en op krachtdadige hulp te kotta Djankang rekenen.Dat waren de inlichtingen, die Johannes in beknopte woorden zijnen toehoorders mededeelde. Een oogenblik zaten zijne metgezellen het gehoorde te overdenken. Eindelijk vroeg Wienersdorf:„En wat is de conclusie van dat alles?”„De conclusie? wel dat is duidelijk, dat we onzen intrek in kotta Djangkang moeten nemen,” was het nog al driftige antwoord, „en daar de kat uit den boom kijken. Valt men ons aan, welnu, we zijn wakkere knapen, dan zullen we het antwoord niet schuldig blijven.”„Alweer bloedvergieten!” zuchtte Wienersdorf. „Is er dan geen kans om te ontkomen? We zetten zoo’n vaart; me dunkt dat we met den besten wil ter wereld niet in te halen zijn.”„Kans om te ontkomen? Ja, die zou er zijn, maar die kans mogen we niet wagen. Want keert die kans zich tegen ons, dat wil zeggen, wanneer we ingehaald worden, dan staan we in het open veld tegenover een verpletterende overmacht en dan is het pleit spoedig beslecht. Dan valt er niets te doen, dan ons over te geven of ons leven zoo duur mogelijk te verkoopen. In beide gevallen is wat we reeds geleden en ondergaan hebben, volkomen nutteloos geweest en heeft het reeds gestorte bloed te vergeefs gevloeid.”„Maar in die kotta zullen we opgesloten worden, de verdediging zal ook al weer bloed kosten, niet waar?”„Ja, en ’t is te hopen, dat het niet nutteloos zal wezen. Ingesloten zullen we worden, maar ’t is te voorzien, dat de bovenlanden in beweging gebracht zullen worden en dan zal de insluiting zoo lang niet duren.[343]Geloof me, als we slechts den eersten aanloop doorstaan, dan is al zeer veel gewonnen; dan zal de weg zich wel weer voor ons openen.”„En toch ben ik van meening, dat we de vlucht voortzetten. Nogmaals, me dunkt, dat met de vaart, die de prauw thans heeft, geen vaartuig ter wereld ons kan inhalen.”„Maar die vaart kan niet behouden worden,” viel Johannes driftig in. „’t Zal al wel zijn, als we die vaart tot den avond volhouden. En dan moeten we kotta Djankang bereikt hebben. Ja.…. als we onze roeiers van tijd tot tijd tegen versche konden verwisselen, dan was ’t wat anders, maar daaraan valt niet te denken. ’k Wed, dat onze vervolgers te Tapen en te Toembang5Koeatan versche krachten zullen verkregen hebben. Kom, wees niet weekhartig; laat ons den toestand als mannen onder de oogen zien; we zullen niets doen dan ons verdedigen en je zult zien, dat een goede uitslag onze pogingen zal bekronen.”„God geve het!” was de zucht van Wienersdorf.„Amen!” riep La Cueille, „et que Notre Dame de Lourdes nous protège!Maar komaan, laten we nu weer een handje helpen met roeien. Als zoo vier paar Europeesche armen meedoen, dan kan men dat aan het trillen der prauw voelen. Kom vooruit, hoe meer distantie we zetten tusschen die kaaskoppen en ons, des te beter.”De vluchtelingen grepen weer de pagaaien, maar plaatsten zich met Harimaoung Boekit op de achterplecht der prauw dicht bij Dalim bij elkander, om gedurende het roeien met elkander te kunnen beraadslagen, de inlichtingen te voltooien en ieders taak bij de verdediging te bepalen.[344]Ook Dalim keurde een verblijf te kotta Djankang goed; hij gaf zelfs te kennen dat, zooals de zaken stonden, het noodzakelijk was. Hij kende het hoofd Amai Kotong, zoowel als de meeste bewoners, zoodat hij daar geen vreemdeling zou zijn. Hij onderhield zich geruimen tijd met het Poenanhoofd en deelde vervolgens zijn reisgezellen de bijzonderheden van het gesprek mede, zoo als, dat de rijstoogst in de bovenstreken pas afgeloopen was, zoodat het te voorzien was dat de schuren te kotta Djankang behoorlijk gevuld en uithongering bij gevolg niet te vreezen zoude zijn.Met ingespannen ijver werd de reis voortgezet. Onder het roeien merkten de Europeanen hier en daar op het witte zand der uitspringende hoeken, zwarte brokstukken van grooteren of kleineren omvang, maar gewoonlijk zoo wat ter dikte van een dubbele vuist. La Cueille had er al met zekere aandoening naar zitten turen; maar bij de vaart van de prauw, was het hem onmogelijk er iets van te maken. Bij een der hoeken evenwel, toen de prauw dicht langs den kant gierde, sprong hij te water, dat daar niet diep was, stapte naar den wal, greep een paar van die zwarte brokstukken, die zijn nieuwsgierigheid opwekten en was weer in het vaartuig terug, voor dat de hoek behoorlijk gerond was.„Nom d’un chien!” riep hij in vervoering, terwijl hij zijn schat liet zien, „c’est de la houille!Waarachtige steenkool en van de goede soort ook, dat kan ik verzekeren. En die vindt men hier zoo maar langs den waterkant!”„Houd je maar bedaard,” lachte Johannes. „Je zult er nog wel meer te zien krijgen en ook kunnen oprapen, ’k Ben toch verheugd die te zien, ze zijn een onfeilbaar teeken dat we kotta Djankang naderen.”[345]„Hoe kan dat een teeken zijn dat we die versterking naderen?”„Wel, de heuvel, waarop de kotta ligt, bevat boven het hoogwaterpeil drie à vier machtige steenkolenaderen, waarvan de onderste volgens deskundigen uitmuntende brandstof moet bevatten.”De Waal snoof eens als een jachthond, die het spoor in den neus krijgt. De mijnwerker kwam voor een poos boven. Zijn kinderjaren doemden hem voor de oogen op.„Boven kotta Djankang,” ging Johannes voort, „vervolgen die steenkolenaderen zich langs den oever der rivier. Bij middelbaren waterstand is in het rechter talud een gang zichtbaar van ruim 1200 M. lang, die nagenoeg horizontaal loopt en een dikte vertoont, afwisselend van 0,5 tot 4 M.”„Maar dat is een rijkdom!” schreeuwde La Cueille opgewonden.„Ja, dat zou het kunnen zijn, wanneer er gebruik van gemaakt werd. De rijkdom is te aanzienlijker, daar diezelfde ader zichtbaar is langs de oevers van de Doesson aan de eene zijde en de soengei Moeroi, de Kahajan en de soengei’s Roengan en Manohin aan de andere zijde, allen bevaarbare rivieren, en wel in minstens even machtige gangen als hier. Maar … de Dajak bekommert er zich niet om. Die heeft geen steenkolen noodig; zijn bosschen leveren hem brandhout genoeg op. In vele gevallen zelfs is hem het gebruik van „batoe kasintoe” ongeoorloofd en maakt hem „pali” (onrein). En de Hollanders …”Johannes werd in de rede gevallen door een der roeiers, die voor aan den boeg der prauw zat en toeriep dat kotta Djankang vooruit in het gezicht was. En jawel, daar lag de versterking, fier en indrukwekkend op haren heuveltop. Wat haar voor onze Europeanen[346]een onbeschrijfelijken indruk gaf, waren de vele hooge masten, die boven de palissadeering uitstaken en waarop uitgebleekte bekkeneelen prijkten. Aan den waterkant stond de „tomoi” van waar een trap tot op den waterspiegel afdaalde. De prauw legde daar aan en het Poenanhoofd steeg aan wal.In gespannen verwachting zaten de reizigers elkander aan te staren. Wat zou hun verder lot zijn? Maar zij hadden niet lang tijd, zich daar verder in te verdiepen. Harimaoung trad met zijn oom Amai Kotong, een bejaarden evenwel nog flinken Dajak, naar buiten en gaf onzen vrienden te kennen, dat de kotta, zoo als zij daar stond, met alles wat er in was, te hunner beschikking was. Dat woord was er nauwelijks uit, of de roeiers sprongen aan wal en begonnen onder leiding van Dalim den inhoud der prauw te lossen.Na een eerste kennismaking met hun gastheer, gingen de Europeanen ook aan den slag. Alle krachten moesten worden ingespannen. De dag was reeds ver gevorderd en het was niet onmogelijk dat de vervolgers al heel gauw zouden verschijnen. La Cueille en Schlickeisen zouden zich beijveren de zes stukjes geschut, die in de prauw aanwezig waren, in positie te brengen, de munitie op te bergen en de wapening der bezetting na te zien. Wienersdorf zou zich met de verdediging belasten; hij moest de inrichting der versterking en hare omgeving nagaan. Johannes zou de approviandeering voor zijn rekening nemen en daarover zijn aandacht laten gaan, terwijl bovendien het opperbevel in zijne handen zoude berusten.Allen waren dadelijk in de weer en het behoeft niet gezegd te worden, dat La Cueille het hoogste woord voerde en de meeste drukte vertoonde. Bij de bezichtiging der sterkte vonden de nieuwbakken artilleristen[347]onder de gebouwen eenige ijzeren „garaboes” (dajaksche benaming voor kleine kanonstukjes) opgeborgen, die evenwel onbruikbaar bevonden werden. Dat wil zeggen, men zou ze ergens een plaats verschaffen, om vertooning te maken, maar het werd ongeraden geoordeeld, er met scherp uit te vuren. Een tamelijke voorraad buskruit was aanwezig en die, gevoegd bij het medegebrachte, verbande iedere zorg, dat daaraan vooreerst gebrek zoude kunnen komen. Eenige oude vuursteengeweren werden nog gevonden, maar ook die werden alleen bruikbaar geheeten, om met los kruit te schieten. Toen de munitie behoorlijk opgeborgen was, plaatsten de Europeanen, door eenige Dajaks geholpen, op elk der saillanten aan de landzijde twee stukjes geschut in batterij, waartoe zij een paar palissaden ter halvermans hoogte uitzaagden om een ruimeren bestrijkingskring te verkrijgen. Op ieder der andere saillanten werd een stukje geplant.Gedurende die bedrijvigheid had Wienersdorf de binnenruimte der versterking in oogenschouw genomen. De banketten, die langs de palissadeering zoowat een manslengte onder de kruin aangelegd waren, liet hij hier en daar verbeteren en versterken door er eenige planken over heen te laten leggen. In het midden der vier facen, maar vooral in de nabijheid der saillanten liet hij schietgaten breken om een vrij gebruik der handvuurwapenen te kunnen maken; en eindelijk, toen hij daarmee klaar was, zocht hij uit een grooten houtstapel, die in de versterking aangetroffen werd, eenige balkjes en beijverde hij zich daarvan op een der hoogste gebouwen een soort van geblindeerd schilderhuis samen te doen stellen, van waaruit zonder gevaar de geheele omtrek te overzien was.In dien tusschentijd had ook Johannes zijn taak volbracht.[348]Hij had de proviand onder dak gebracht en daarbij eens in oogenschouw genomen, welke hulpmiddelen kotta Djankang zoo al opleverde. Die inspectie had zeer bevredigende uitkomsten opgeleverd. Niet alleen was er rijkelijk rijst van den jongsten oogst voorhanden, maar ook een groote voorraad poendang6, terwijl verder nog twee verbazend groote herten, welker lichamen nog warm en dus geheel versch bevonden werden en die dan ook eerst in den namiddag van dien zelfden dag gestrikt waren, werden aangetroffen. Bovendien waren nog een twintigtal varkens en een groote menigte kippen, eenden en ganzen aanwezig, die knorrende, kakelende en kwakende, maar overigens in de grootste eendracht onder de gebouwen leefden. Over dat bevind van zaken innig tevreden, spoedde de opperbevelhebber zich naar buiten aan het hoofd van een sterken troep Dajaks met den mandauw in de vuist, om het omliggend terrein van allang-allang7en struikgewas, waarachter een vijand de versterking onzichtbaar zoude kunnen bekruipen, te zuiveren en de trap, die langs de steile oeverhelling toegang tot de rivier verleende, in te halen.Toen hij met dat alles gereed was, ontmoette hij bij het binnentreden der versterking Amai Kotong, die met eenigen der zijnen van uit de tuinen en de daaraan grenzende wildernis terugkeerde, alwaar zij een aardigen voorraad „sahang roebit” (wilde spaansche peper, bij de Maleierslombokh rawitgeheeten), knolvruchten, klappers, bamboe-toppen enz. enz. verzameld hadden; allen zaken, die, bij een mogelijke insluiting, als toespijs[349]zeer goed te stade zouden komen. Ook had de Amai een zijner zonen de soengei Mawat opgezonden, om zijne onderhoorigen daar ten strijde op te roepen.De metgezellen van Harimaoung Boekit hadden zich onledig gehouden met de spitsen van hunne pijltjes en die der bezetting van kotta Djankang af te schrapen en op nieuw in krachtvol vergift te doopen. Hun hoofd was evenwel met zijn oom naar buiten getreden en had, terwijl diens volgelingen volijverig fourageerden, een ernstig en langdurig gesprek met hem gehad.Toen de zon ondergegaan was, waren alle voorloopige maatregelen getroffen, die de kotta met hoop op goeden uitslag zouden gedoogen krachtigen tegenstand te bieden. Op ieder der saillanten, ook in het geblindeerd schilderhuisje werden twee schildwachten geplaatst en zouden de Europeanen om beurten twee aan twee te zamen de wachtdienst verrichten, om zoodoende overtuigd te zijn, dat behoorlijke waakzaamheid zoude uitgeoefend worden ten einde tegen een overval beveiligd te zijn.Na al die beschikkingen getroffen te hebben, zaten onze deserteurs, die—wij mogen zulks niet vergeten,—nog altijd voor hunne omgeving hunne vermomming volhielden, bij elkander het heerlijke avonduur te genieten. Het was een paar dagen voor volle maan. De lucht was helder en bewolkt; de warmte had, na het verdwijnen der zon, plaats gemaakt voor een verfrisschende en aangename koelte, die, gepaard aan het zachte licht, door de nachtvorstin verspreid, die uren onder de tropen tot de genotvolste der wereld maken. Natuurlijk waren de gebeurtenissen van den laatsten tijd en hetgeen de toekomst kon opleveren, schering en inslag van het gesprek en werd velerlei meening geopperd over den uitslag der vermoedelijk aanstaande gevechten.„Och! dat ze toch te vermijden waren, die gevechten!”[350]zuchtte Wienersdorf. „Bloed, altijd bloed! ’t Is een schrikkelijke tocht.”„Zeur toch niet. Daar moet je nu maar over heen,” antwoordde Johannes knorrig, „als je daar zoo tegen op ziet, dan hadt je maar thuis moeten blijven.”„Thuis!” was de heimwee-zucht des Zwitsers.„Daarenboven,” vervolgde Johannes, „we doen niets dan ons verdedigen. We hebben nog geen slag toegebracht of geen schot gelost, tenzij men er ons toe dwong. Zooveel mogelijk zullen we zoo blijven doen.”Terwijl zij nog zoo zaten te praten, vernamen de deserteurs eensklaps een zacht gesnik, dat van een vrouw scheen te komen. Zij keken elkander aan en wisten niet wat dat beduidde. De vrouwen, die in de versterking aanwezig waren, hadden zij allen gemonsterd. Die hadden zich, zonder door de jaloerschheid hunner heeren en meesters gehinderd te worden, vrij en ongedwongen te midden der vreemdelingen bewogen en menige gulle lach was haar ontlokt door de kleine onhandigheden der nieuwbakken Dajaks. Alleen de Sjech met zijn tulband, had haar eerbied ingeboezemd. Er waren ouden en jongen, mooie gezichten en afzichtelijke besten onder; maar bij allen was een zekere luchthartigheid en vroolijkheid, ja zelfs iets dartels op te merken; zoodat dat snikken thans daar wel bij afstak. Ons viertal keek uit in de richting van waar dat weemoedig geluid kwam, maar hoewel de maan onbewolkt aan den hemel stond en alles met haar zilverlicht overgoot, wierpen toch de gebouwen in de versterking aanwezig, zulke zwarte schaduwen over de binnenruimte, dat niets te ontwaren was. La Cueille, de meest galante van het viertal, stond op om te gaan kijken, wat dat gesnik beduidde. Binnen weinige oogenblikken was hij terug en verhaalde met eenige ontroering, dat daar ginds bij[351]dat hooge gebouw, waarin Amai Kotong woonde, een groote kooi stond, die veel op een tijgerval geleek, evenwel veel hooger was, waarin een vrouw opgesloten zat. Zij was het, die zoo snikte. Hij had haar aangesproken en ook antwoord bekomen, maar wat zij gebrabbeld had, was voor hem onverstaanbaar gebleven.Johannes barstte in lachen uit:„Och wat, de een of andere nurksche echtgenoot zal zijn zachtzinnige wederhelft opgesloten hebben, om haar mores te leeren. ’s Lands wijs, ’s lands eer.”„’t Is toch te erg, iemand van het teedere geslacht als een wild dier in een kooi op te sluiten,” meende Schlickeisen.„Die luidjes van het teedere geslacht zijn soms katjes, die niet beter verdienen,” lachte de andere. „Kom, ik ga eens kijken; ik zal met dat exemplaartje wel kunnen praten.”Maar nog voor hij opgesprongen was, om zijn voornemen te volvoeren, verscheen Dalim, die hem die moeite bespaarde. Wat die te vertellen had, om dat gesnik te verklaren, ontzette onze reizigers zeer. Voor een oogenblik bracht hij aller herinnering naar het meer Ampang terug, toen Harimaoung Boekit zijn overwinnaar Wienersdorf met zijn bloed en omgekeerd zich zelven met dat des Zwitsers besmeerd had.„Dat was slechts een voorloopige plechtigheid,” ging de Dajak voort, „die zeer bekort was door de omstandigheden. Gij beiden zijt toen van twee vijanden, die naar elkanders leven stonden, broeders geworden. Maar de Dajaksche gebruiken vorderen een geheel andere plechtigheid om dien band van bloedverwantschap van kracht te maken. De plechtigheid, die morgen zal plaats hebben heet: „indoe sapan pahamban” of verzoeningseed, en zal gepaard gaan met het „hatoendi daha” of verbond met[352]bloed bezegeld. Toen we gisteren aankwamen heeft Harimaoung Boekit dadelijk den toestand aan zijn oom bekend gesteld en te zamen hebben ze een pandeling uitgezocht, die morgen geslacht zal worden.”„Geslacht,” riepen de Europeanen met ontzetting uit.„Ja, geslacht,” was het kalme antwoord. „Harimaoung Boekit heeft ons aangevallen; ten gevolge van dien aanval zijn menschen gedood, anderen zijn gewond; zoodat er volgens den Dajakschen adat ten volle bloedschuld bestaat. Die kan niet uitgedelgd worden dan door den marteldood van een pandeling, die in deKawawohanboelau8later Wienersdorf als slaaf zal bedienen.”„De marteldood! maar dat zal niet geschieden!” riep de Zwitser vol vertwijfeling, „dat zal ik nimmer toelaten!”„Daar kunt ge niets aan doen,” viel Dalim in, „en alles wat ge zoudt willen doen, kan onze zaak slechts bederven. ’t Zal beschouwd worden, alsof de verzoening door u niet gewenscht wordt, alsof ge berouw hebt, het Poenanhoofd het leven geschonken te hebben. Het slachtoffer is reeds gekozen, heeft zijn naam als mensch reeds verloren en heet thans „kabalik” van „kabal” ongevoelig, levenloos. Het is die vrouw, die ge hebt hooren snikken. Wel mag ze snikken, het arme schepsel, ze is moeder van twee kinderen, die nog hulpbehoevend zijn.”„Afschuwelijk!” voer Wienersdorf in de uiterste wanhoop uit. „God! is daar dan niets aan te doen? Is die gruweldaad niet te verhinderen? Maar komaan,” ging hij met woestheid voort, „de Poenan kan denken wat hij wil. Nu spijt het me, dat ik hem gespaard heb. O! had ik dat monster maar vertrapt. Ik ga hem spreken,[353]ik zal hem het leven van die vrouw vragen en weigert hij mijn bede, dan moge God mij genadig zijn, maar dan daag ik den aterling uit en dan zal slechts mijn dood zijn leven kunnen redden.”„Bedaar en bedenk, dat ons aller leven hierbij gemoeid is,” stuitte Johannes dien woordenstroom, „en ge hebt geen recht daarmede, ter wille eener kinderachtige teergevoeligheid te spelen.”„Ik wil.…”„Je wilt het leven van die vrouw redden,” ging de spreker ernstig voort, „dat is mooi, dat is edel …”„Welnu dan …”„Laat me uitspreken,” gebood Johannes met nadruk, „dat is mooi, dat is edel, ik herhaal het; maar, om dat leven te redden, stel je niet alleen het uwe in gevaar, maar ook het onze. Over het uwe ben je heer en meester; maar zou je denken, dat wij het onze voor die ziekelijke gril maar zoo opofferen zullen? Neen, voor den duivel, neen!” en met opgewondenheid op zijn geweer slaande: „we zullen ons als mannen verdedigen en ik verzeker je, dat, alvorens we bezweken zullen zijn, de lijken, die rondom ons opgehoopt zullen liggen, geen kinderachtig getal zullen uitmaken. Is nu die vrouw zoo’n hecatombe waard? Vraag dat je geweten af; die vrouw, die geen zelfstandig leven bezit, die slechts als „anak olo” (menschenkind), „batang olo” (vermolmd stuk van een mensch) of wel „pai lengèh” (armen en voeten) genoemd wordt, om aan te duiden, dat zij als pandelinge geen aanspraak op den naam van mensch heeft, en dat zij slechts „armen en voeten” is om voor anderen te arbeiden. Bevrijdt ge haar nu ten koste van de vele offers, die ik opsomde, dan over een week, wellicht morgen reeds, wordt ze andermaal uitgezocht om als kabalik te fungeeren en zal je opoffering en de menschenslachting,[354]waarvan gij de oorzaak zult geweest zijn, volkomen nutteloos zijn.”„Schrikkelijk! schrikkelijk!!” riep de Zwitser, terwijl hij wanhopig de handen wrong en als vernietigd daar neer zat.„Luister!” ging Johannes met den hoogst mogelijken ernst voort. „Gijlieden hebt mij uit vrijen wil tot leider van onzen ontvluchtingstocht gekozen. Gij allen hebt beloofd mij gehoorzaamheid te bewijzen, wanneer we ons te midden der inlandsche bevolking zouden bevinden. Welnu, ik eisch thans gehoorzaamheid, stipte gehoorzaamheid, niet uit een gril, maar tot ons aller welzijn. En die gehoorzaamheid zal voorshands bestaan, in het laten gebeuren, wat we niet verhinderen kunnen. ’t Is geen wreedheid, noch gevoelloosheid, die me zoo doet spreken, maar uitsluitend zelfbehoud. Maar.… kunnen we ons niet tegen afgrijselijkheden verzetten, die onder onze oogen gepleegd worden, laten we dan ten minste ons hart lucht geven door een vloek uit te spreken over de beschaafde natie, die het grootste gedeelte van dit groote eiland onder haren schepter houdt en de macht niet bezit, gruwelen, zooals we morgen aanschouwen zullen, afdoende te bestrijden; over de natie, die uit schraapzucht niet eens beproeft die gruwelen tegen te gaan en uit kruidenierswangunst ieder ander Europeesch volk tracht buiten dat eiland te houden, dat de taak der menschheid van haar zou kunnen overnemen. God helpe! Voor de vrijmaking van de slaven in West-Indië, besteedde Nederland schatten en toch wat was het lot der negers zacht in vergelijking van dat der „djipens” hier. Maar in West-Indië deed men mede in het algemeen concert van huichelende menschenmin; zichtbaar wilde men zich toch ook eens menschlievend toonen, dat poseerde; maar om aan de[355]menschonteerende wandaden, die in dezen achterhoek, Borneo genaamd, geschieden en waarmee Europa niet bekend raakt, een einde te maken heeft men geen dubbeltje over.”De Sienjo was prachtig in zijn verontwaardiging. Hij had het hoofd in den nek geworpen, zijn borstkas zwoegde stormachtig op en neer. Zijn fraai gelaat drukte onverholen de verachting uit, die zijn ziel vervulde.„Morgen,” ging hij ontembaar en met sissende stem voort, „morgen wanneer de euveldaad zal voltrokken worden, zal ik Neerland’s driekleur aan den vlaggestok in top halen. Onder de plooien van die vlag moet de schanddaad, die we niet verhoeden kunnen, voltrokken worden. ’k Wil dat het bloed van de arme vrouw, wanneer deze zich onder de martelingen zal krommen, spatten zal op die heldere banen, waarop iedere bevlekking zichtbaar is.”Hij zweeg een poos en vervolgde toen meer bedaard:„Kom! laat ons onze wachtposten betrekken. Wienersdorf en ik zullen thans rusten, de beide anderen waakzaam zijn.”En zich tot Schlickeisen en La Cueille wendende:„Roept ons tegen middernacht,” zeide hij, „dan zullen we u aflossen. En nu goeden nacht!”„Goeden nacht! O God! wat een nacht!” mompelde Wienersdorf bij zich zelven, terwijl hij gedwee medeging.Die nacht zou ongestoord voorbijgaan.Toen de maan zoo omstreeks te half vijf uur onderging en het alom donker was, sloop Wienersdorf, de gelegenheid waarnemende, dat Johannes zich met een der schildwachten onderhield, over hetgeen deze meende gezien te hebben, naar de karandah (kooi), waarin de arme vrouw, die geslacht zou worden, opgesloten zat, en vond[356]haar in een diepen slaap gedompeld. Hij maakte haar zachtkens wakker, verbrak met veel inspanning eenige traliën van haar gevangenhok en noodigde haar uit dat te verlaten. Hij zou de kooi openen, dan kon zij in het woud ontvluchten. Helaas! de arme vrouw, verschrikt een geheel onbekend persoon in het duister voor zich te zien, weigerde die akelige kooi te verlaten. In den voornacht was een Balian9bij het arme slachtoffer verschenen, had haar het hoofd met blauw zand bestrooid en daarbij met zachte stem een bezweringsformulier gezongen. Door de kracht van die bezwering was Sangiang Tempon Telon9genoodzaakt geweest uit zijn verheven verblijf neder te dalen, om de ziel aan het lichaam van de ter dood veroordeelde te ontvoeren. Zij had de aanwezigheid van den Sangiang gevoeld; tastbaar was hare ziel ontweken, zij was nu niets meer dan een gevoelloos wezen, dat zonder ziel toch, voor dat de nacht andermaal inviel, geheel overleden zoude zijn. De beulen konden haar nu martelen zooveel hun lustte; na die mangang koeït (zielsontvoering) zou zij er niets van voelen. Daarenboven, wat zou zij arme vrouw in het woud moeten aanvangen? Hier waren hare kinderen, hare ziel zou die omzweven en, zooveel in haar vermogen was, voor onheilen behoeden. Ginds in de wildernis zou zij geheel hulpeloos zijn. Waar zou zij voedsel vinden? Wie zou haar tegen de kajau’s verdedigen? Neen, neen, zij wilde niet weg.De Zwitser bad en smeekte haar om toch te vertrekken. Hij wrong de handen; hij klemde zich aan de traliën van de noodlottige kooi vast. Alles, alles te vergeefs! Johannes[357]vond hem daar in volle vertwijfeling. Hij nam hem onder den arm en voerde hem weg. Vol medelijden trachtte hij den wanhopige het onverstandige van zulk een weekhartigheid onder het oog te brengen en hem het onverantwoordelijke aan te toonen van zijn pogingen om die vrouw te doen ontvluchten. Het verzoeningsfeest zou door die vlucht niet eens uitgesteld zijn geworden, want een ander slachtoffer zou spoedig aangewezen zijn; terwijl een verbitterde jacht zoude gemaakt worden op de arme vluchtelinge, die niet dan met hare gevangenneming zoude gestaakt worden; een gevangenneming die spoedig door een vreeselijken marteldood zoude gevolgd worden.Wienersdorf zuchtte diep, maar antwoordde niet. Och! hij was niet overtuigd en het mocht gelukkig genoemd worden, dat de dag aanbrak, waardoor iedere poging, om het slachtoffer aan haar lot te onttrekken, moest opgegeven worden.De nacht was rustig voorbij gesneld. Geen vijand was bespeurd. Zoodra het eenigszins schemerde, werden door Amai Kotong een paar zijner Dajaks, in een djoekoeng gezeten, stroomafwaarts gezonden, om bij den eersten hoek, dien de rivier daar vormde, post te vatten. Zij zouden dienen als vooruitgeschoven schildwachten. Van dien hoek hadden zij een vergezicht over den stroom, en konden de nadering van prauwen door signalen aan de kotta mededeelen.EINDE VAN HET EERSTE DEEL.[1]1Sipet is een blaasroer om vergiftigde pijltjes mede te blazen. Aan dat roer is tevens een lansijzer bevestigd, zoodat het een blaas- en tevens een stootwapen is. Een loendjoh is een eenvoudige lans, door de maleiers „toembakh” genaamd.↑2Amai beteekent vader. In de bovenlanden worden de hoofden zoo betiteld. Met de Amai van Kwala Kapoeas wordt hier de Tomonggong Nicodemus bedoeld.↑3Tingang:Rhinoceros of neushoornvogel. Er zijn op Borneo twee soorten. De Tingang bahong is zoo groot als een haan. Zijn hoorn is donkerrood. Zijn lijf is bedekt met zwarte goudveeren. In den staart heeft hij twee sneeuwwitte pennen. De Tingang lajoeng is kleiner, heeft een oranjekleurigen hoorn; zijne vederen zijn licht blauw, en zijn staart is zwart.↑4Sierappen zijn kleine plankjes, geheel overeenkomende met onze dakleien en ook daarvoor dienende. Op Java worden de sierappen van djatiehout, op Borneo daarentegen van ijzerhout vervaardigd.↑5Toembang is in het Dajaksch gelijk Kwala of riviermonding.↑6Poendang is dun gesneden en in de zon gedroogd vleesch. Wordt veelal van hertenvleesch gemaakt. In ’t Maleisch heet het: dengdeng.↑7Allang-allang is een grassoort, die soms 2 M. hoogte bereikt en in het Dajaksch: garigit genoemd wordt.↑8Kawawohan boelauis de naam van den Dajakschen Hemel. Zie hierover: Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver.↑9Balian = priesteres en hetaire. Zie hierover, als ook over Tempon Telon de Charon der Dajaks, de meer aangehaalde Ethnographische beschrijving van den schrijver.↑ab
XVII.Verhaal van Harimaoung Boekit.—Wat er te kotta Baroe gebeurd was.—Beraadslagingen.—Vooruit! naar kotta Djankang.—Steenkolen.—Aankomst te kotta Djangkan.—Armeering en proviandeering.—Een vrouw in een kooi.—Wienersdorf wanhopig.—Johannes redeneerende.—De Zwitser poogt de kooi te openen.—De zielsontvoering.
Verhaal van Harimaoung Boekit.—Wat er te kotta Baroe gebeurd was.—Beraadslagingen.—Vooruit! naar kotta Djankang.—Steenkolen.—Aankomst te kotta Djangkan.—Armeering en proviandeering.—Een vrouw in een kooi.—Wienersdorf wanhopig.—Johannes redeneerende.—De Zwitser poogt de kooi te openen.—De zielsontvoering.
Verhaal van Harimaoung Boekit.—Wat er te kotta Baroe gebeurd was.—Beraadslagingen.—Vooruit! naar kotta Djankang.—Steenkolen.—Aankomst te kotta Djangkan.—Armeering en proviandeering.—Een vrouw in een kooi.—Wienersdorf wanhopig.—Johannes redeneerende.—De Zwitser poogt de kooi te openen.—De zielsontvoering.
Toen de rangkan de prauw op zijde geschoten was, verhaalde het Poenanhoofd, dat zij des nachts te kotta Baroe aangekomen waren en daar de geheele negorij in rep en roer gevonden hadden. Zij hadden er een staatsieprauw aan den oever zien liggen en een gewemel van menschen waargenomen, alsof een belangrijke onderneming op til was. De nieuwsgierigheid had hen toen bekropen. Harimaoung Boekit aan wal gestapt, was als een slang naderbij geslopen en had vernomen, dat door een blanke van Kwala Kapoeas, dien hij gezien had en beschreef als met een langen mandauw (sabel) gewapend te zijn, de bevolking te wapen werd geroepen, om een prauw met vluchtelingen te achtervolgen. De blanke eischte twee honderd en vijftig weerbare mannen met de noodige prauwen, hetgeen tot niet weinig gepruttel aanleiding gaf. Toen de Poenan dat alles afgeluisterd had, begreep hij met zijn oorspronkelijk verstand, dat het om hen te doen was, die hem het leven geschonken hadden; en al dadelijk was het plan gerijpt, om die vrienden te waarschuwen, des noods krachtig[336]bij te staan. Stil als hij gekomen was, sloop hij naar den rangkan terug, wenkte een paar zijner makkers, die, aan wal stappende met hem voortslopen en eindelijk bij een tomoi een menigte menschen vonden slapen. Een tomoi is een koepelvormig gebouwtje, dat in de bovenlanden in de nabijheid der versterkte huizen opgericht wordt, tot ontvangst van reizenden. Nimmer wordt een vreemdeling in de versterking toegelaten. In hoofdzaak is wantrouwen de grondslag van die handeling; men hoedt zich zoo voor verspieders, die onder vriendschapsschijn, wel eens het terrein komen opnemen. Maar het dient ook om twisten te voorkomen, die uit het schenden van de zeden en gebruiken der bewoners, den vreemdelingen meestal niet bekend, zouden kunnen geboren worden.De gelegenheid was te schoon voor onze drie koppensnellers. De slapenden hadden zich ter ruste gelegd zonder voorzorgsmaatregelen te nemen. Met bliksemsnelheid trokken de Poenans hunne mandauws en in het volgende oogenblik hield ieder hunner een bloedig hoofd bij de haren in de hand. Nu stieten zij hun, „lahap” (krijgsgeschreeuw) uit, deelden den ontwakenden in het duister eenige houwen toe en maakten zich uit de voeten, toen de angst en de verwarring onder de aldus gewekten ten top gestegen was en zij elkander aanvielen en bevochten.Dit alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat de Poenans met hun lichten rangkan al lang in de dichte duisternis verdwenen waren, voor dat de kommandant van Kwala Kapoeas—de lezers zullen wel geraden hebben, dat die de blanke was, die te kotta Baroe bevelen uitdeelde—zijn troepje Dajaks tot bedaren had gebracht. Niemand had de aanvallers zelfs gezien. De hoofdelooze lijken, die op den grond in een grooten plas bloed lagen, konden niet spreken; de gekwetsten waren[337]in hun slaap toegetakeld en konden alleen een verward verhaal leveren van hetgeen zij bij hun pijnlijk en angstig ontwaken meenden gezien te hebben. Zij spraken van gedaanten van half mensch, half spook, die zij in het nachtelijke duister hadden zien verdwijnen.Indien het de vluchtelingen waren, die dezen overval uitgevoerd hadden, en velen waren dat denkbeeld wel toegedaan, dan moest erkend worden, dat men met stoutmoedige kerels te doen had, die men niet zoo gauw in handen zoude hebben. De Tomonggong Nikodemus schudde evenwel het hoofd. Hij had de lijken onderzocht. De sneden, die de koppen van de rompen gescheiden hadden, waren zuiver en glad. Bij die houwen was geen aarzeling, geen herhaling, geen slachterswerk waar te nemen. Fiks, met een enkelen slag was de dood toegebracht, en die slag kon slechts door geoefende handen geslagen zijn, slechts door bovenlanders; maar niet door Dajaks der benedenstreken en nog minder door Europeanen.Toen Harimaoung Boekit zijn verhaal geëindigd had, keken de vluchtelingen elkaar met angstige verbazing aan. Zij hadden niet kunnen denken, dat de Hollanders hen zoo spoedig op de hielen zouden zitten. Zij hadden gedacht nog altijd een voorsprong van acht of tien dagen te hebben. En nu waren de jagers in de nabijheid en het wild reeds op het spoor! Wat nu te doen?„Vooruit! vooruit!!” riep Wienersdorf, „het heil kan slechts liggen in de vlucht!”„Neen,” sprak Johannes mismoedig, „nu de kommandant ons zoo nabij is, kan de vlucht alleen niet meer baten. Op dit oogenblik is hij zeker reeds van kotta Baroe vertrokken en hij zal wel menschen genoeg geprest hebben, zoodat hij over veel meer roeiers zal kunnen beschikken dan wij. Op de vlucht zouden we spoedig[338]zijn ingehaald. Je kunt het niet eens meer uitstel van executie noemen.”„Maar wat dan?”Johannes gaf daarop geen antwoord, maar zich tot het Poenanhoofd wendende:„Waren er blanke menschen in het gezelschap van den kommandant?” vroeg hij.„Ik heb lang en goed bespied; maar geen enkel bleekgezicht gezien, behalve hem, dien ge kommandant noemt.”„Dus geen Europeesche militairen bij den troep, dat is al veel waard. Maar wellicht heeft de kommandant een escorte van Javaansche soldaten, daarmee valt ook niet te spotten,” mompelde Johannes binnensmonds.„Hebt ge geen menschen gewapend gezien?” vroeg hij verder aan Harimaoung.„De blanke had, terwijl hij bedrijvig was, een klein geweer (pistool) in de hand, achter hem liep steeds een boedak (slaaf) die een snaphaan droeg. De anderen zijn gewapend met hun mandauws en de meesten hebben een „sipet” of „loendjoh.”1Alleen de Amai2van Kwala Kapoeas, dien ik goed ken, heeft een geweer. Maar.…”En hierbij boog zich de Poenan tot Johannes en fluisterde dien gedurende eenigen tijd iets in het oor.„Dat moet beproefd worden!” zeide deze met opgeruimd gelaat en vastbesloten, en zich tot zijn makkers wendende:[339]„Zoo we kotta Djankang bereiken, dan zijn onze kansen veel verbeterd, dan bestaat er hoop op redding. Dus vooruit!”Met gejuich werd die kreet van „vooruit” beantwoord. De rangkan werd op sleeptouw genomen, de prauw van haar tentdak ontdaan. De gezellen van Harimaoung Boekit namen plaats in het groote vaartuig en werden verdeeld tusschen de roeiers en nu ging het vooruit als de wind, onder den drang van die vier en veertig pagaaien, die met kracht gehanteerd werden. De prauw kraakte in hare binten, maar hield zich uitmuntend. Een witte schuimgolf krulde voor haar boeg, brak ter weerszijden af en vormde achter den steven een onafzienbare aaneenschakeling van wilde draaikolken, die zich eerst achter den jongst voorbijgeschoten hoek voor het oog verloren. Het vaartuig schoot met groote snelheid vooruit en, zoo voortgestuwd, kon het met de snelstvarende stoomboot wedijveren. Bij dien wedstrijd beijverden de Poenans zich niet het minst. Volgens hunne gewoonte stonden zij in de prauw, waardoor zij met hunne beseai’s, van lange stelen voorzien, tusschen de anderen, die gezeten waren, konden roeien zonder iemand te hinderen en toch de noodige kracht aanwenden. Het waren prachtige kerels, die koppensnellers, met flinke breede borstkassen en stevig gespierde armen. Zij waren in vollen oorlogstooi gedost, hadden de muts van apenvel, met twee lange tingang-vederen3versierd, op het hoofd en den maliënkolder aan, die over[340]een dik buisje van geklopte boomschors geslagen was. Beide kleedingstukken waren van voren open en lieten het fraai getatouëerde bovenlijf zien, dat zulke fijne figuren op de huid vertoonde, alsof zij met het penseel er op gebracht waren. Hunne schilden, met de meest grillige arabesken beschilderd, waren overeind tegen hunne lichamen geplaatst, zoodat zij hunne beenen en buik dekten, terwijl de geduchte mandauw, van een menigte haarlokken voorzien, fier aan hunne zijde prijkte.Toen de prauw in volle vaart gebracht was, riep Johannes de beide Zwitsers, den Waal en Harimaoung Boekit te zaam op de achterplecht der prauw, waar Dalim zat met den stuurpagaai in handen. Zij zouden beraadslagen, wat hun te kotta Djankang te doen zou staan.Deze versterking lag op den rechteroever der Kapoeasrivier, iets boven de monding der soengei Mawat en verhief zich op een heuvel, die zich ongeveer 60 M. boven den waterspiegel verheft. Als een kaap steekt die heuvel in de rivier uit en wordt langs drie kanten door haar omspoeld. Aan die zijden heeft de heuvel glooiingen nagenoeg onder natuurlijke helling; aan de landzijde sluit hij, een kleine ondiepe depressie van het vlak niet medegerekend, aan een heuvelenrij aan, die zich ongeveer van oost naar west uitstrekt en waarvan hij, zoover het oog reiken kan, het hoogste punt schijnt uit te maken. De versterking vormde een langwerpig vierkant van ongeveer 80 op 120 M, en was zoodanig op den heuvel opgericht, dat hare twee achtersaillanten de rivier op- en neerwaarts bestrijken en hare beide voorsaillanten daartoe krachtig meewerken konden. De ompaling was van stevig ijzerhout vervaardigd, terwijl de boomen, daartoe gebezigd, een doorsnede van 30 of 32 cM. bij een hoogte van tien M. boven den grond hadden. Om de tien palen was een palissade geplant, die van aaneengelaschte boomen[341]vervaardigd, ongeveer drie maal zoo hoog was als de anderen en op zijn spits toeloopend uiteinde een gebleekten menschelijken schedel droeg. Binnen de versterking waren verscheidene Dajaksche woningen hoog boven den grond gebouwd, die evenwel door de palissadeering beschermd, daarenboven met zware ijzerhouten planken betimmerd en met sierappen4gedekt waren.In de kotta woonden ongeveer 500 zielen, waaronder ruim 80 weerbare mannen aangetroffen werden. Het was dus in den eigenlijken zin des woords een versterkte kampong en al de Kotta’s in de binnenlanden van Borneo moeten ook in dien zin opgenomen worden. Aan het hoofd van die gemeente stond een oud man, met name Amai Kotong. Tot diens onderhoorigheden sorteerden ook nog de kotta’s Mawat en Brobok die, aan de soengei Mawat gelegen, te zamen 300 zielen met ruim 50 weerbare mannen telden. Bij de groote uitbreiding van de bevolking te kotta Djankang, hadden zich huisgezinnen afgescheiden en zich daar gevestigd, zoodat het eigenlijk spruiten waren van een stam.Amai Kotong was een Poenan van geboorte. Als zoon van een groot opperhoofd, die aan de soengei Miri, een der voornaamste zijrivieren van de Kahajan, gezeteld was, had hij een Ot Danomsche jonge vrouw gehuwd en zich toen aan de boorden van de Kapoeas gevestigd. Door snel- en strooptochten had hij zijne bezittingen aanzienlijk zien toenemen; maar voornamelijk had hij met goudzoeken groote winsten gemaakt. Hij was de oom van Harimaoung Boekit en had steeds voor den zoon zijns ouderen broeders zeer veel toegenegenheid gevoeld.[342]Het Poenanhoofd mocht op een goede ontvangst en op krachtdadige hulp te kotta Djankang rekenen.Dat waren de inlichtingen, die Johannes in beknopte woorden zijnen toehoorders mededeelde. Een oogenblik zaten zijne metgezellen het gehoorde te overdenken. Eindelijk vroeg Wienersdorf:„En wat is de conclusie van dat alles?”„De conclusie? wel dat is duidelijk, dat we onzen intrek in kotta Djangkang moeten nemen,” was het nog al driftige antwoord, „en daar de kat uit den boom kijken. Valt men ons aan, welnu, we zijn wakkere knapen, dan zullen we het antwoord niet schuldig blijven.”„Alweer bloedvergieten!” zuchtte Wienersdorf. „Is er dan geen kans om te ontkomen? We zetten zoo’n vaart; me dunkt dat we met den besten wil ter wereld niet in te halen zijn.”„Kans om te ontkomen? Ja, die zou er zijn, maar die kans mogen we niet wagen. Want keert die kans zich tegen ons, dat wil zeggen, wanneer we ingehaald worden, dan staan we in het open veld tegenover een verpletterende overmacht en dan is het pleit spoedig beslecht. Dan valt er niets te doen, dan ons over te geven of ons leven zoo duur mogelijk te verkoopen. In beide gevallen is wat we reeds geleden en ondergaan hebben, volkomen nutteloos geweest en heeft het reeds gestorte bloed te vergeefs gevloeid.”„Maar in die kotta zullen we opgesloten worden, de verdediging zal ook al weer bloed kosten, niet waar?”„Ja, en ’t is te hopen, dat het niet nutteloos zal wezen. Ingesloten zullen we worden, maar ’t is te voorzien, dat de bovenlanden in beweging gebracht zullen worden en dan zal de insluiting zoo lang niet duren.[343]Geloof me, als we slechts den eersten aanloop doorstaan, dan is al zeer veel gewonnen; dan zal de weg zich wel weer voor ons openen.”„En toch ben ik van meening, dat we de vlucht voortzetten. Nogmaals, me dunkt, dat met de vaart, die de prauw thans heeft, geen vaartuig ter wereld ons kan inhalen.”„Maar die vaart kan niet behouden worden,” viel Johannes driftig in. „’t Zal al wel zijn, als we die vaart tot den avond volhouden. En dan moeten we kotta Djankang bereikt hebben. Ja.…. als we onze roeiers van tijd tot tijd tegen versche konden verwisselen, dan was ’t wat anders, maar daaraan valt niet te denken. ’k Wed, dat onze vervolgers te Tapen en te Toembang5Koeatan versche krachten zullen verkregen hebben. Kom, wees niet weekhartig; laat ons den toestand als mannen onder de oogen zien; we zullen niets doen dan ons verdedigen en je zult zien, dat een goede uitslag onze pogingen zal bekronen.”„God geve het!” was de zucht van Wienersdorf.„Amen!” riep La Cueille, „et que Notre Dame de Lourdes nous protège!Maar komaan, laten we nu weer een handje helpen met roeien. Als zoo vier paar Europeesche armen meedoen, dan kan men dat aan het trillen der prauw voelen. Kom vooruit, hoe meer distantie we zetten tusschen die kaaskoppen en ons, des te beter.”De vluchtelingen grepen weer de pagaaien, maar plaatsten zich met Harimaoung Boekit op de achterplecht der prauw dicht bij Dalim bij elkander, om gedurende het roeien met elkander te kunnen beraadslagen, de inlichtingen te voltooien en ieders taak bij de verdediging te bepalen.[344]Ook Dalim keurde een verblijf te kotta Djankang goed; hij gaf zelfs te kennen dat, zooals de zaken stonden, het noodzakelijk was. Hij kende het hoofd Amai Kotong, zoowel als de meeste bewoners, zoodat hij daar geen vreemdeling zou zijn. Hij onderhield zich geruimen tijd met het Poenanhoofd en deelde vervolgens zijn reisgezellen de bijzonderheden van het gesprek mede, zoo als, dat de rijstoogst in de bovenstreken pas afgeloopen was, zoodat het te voorzien was dat de schuren te kotta Djankang behoorlijk gevuld en uithongering bij gevolg niet te vreezen zoude zijn.Met ingespannen ijver werd de reis voortgezet. Onder het roeien merkten de Europeanen hier en daar op het witte zand der uitspringende hoeken, zwarte brokstukken van grooteren of kleineren omvang, maar gewoonlijk zoo wat ter dikte van een dubbele vuist. La Cueille had er al met zekere aandoening naar zitten turen; maar bij de vaart van de prauw, was het hem onmogelijk er iets van te maken. Bij een der hoeken evenwel, toen de prauw dicht langs den kant gierde, sprong hij te water, dat daar niet diep was, stapte naar den wal, greep een paar van die zwarte brokstukken, die zijn nieuwsgierigheid opwekten en was weer in het vaartuig terug, voor dat de hoek behoorlijk gerond was.„Nom d’un chien!” riep hij in vervoering, terwijl hij zijn schat liet zien, „c’est de la houille!Waarachtige steenkool en van de goede soort ook, dat kan ik verzekeren. En die vindt men hier zoo maar langs den waterkant!”„Houd je maar bedaard,” lachte Johannes. „Je zult er nog wel meer te zien krijgen en ook kunnen oprapen, ’k Ben toch verheugd die te zien, ze zijn een onfeilbaar teeken dat we kotta Djankang naderen.”[345]„Hoe kan dat een teeken zijn dat we die versterking naderen?”„Wel, de heuvel, waarop de kotta ligt, bevat boven het hoogwaterpeil drie à vier machtige steenkolenaderen, waarvan de onderste volgens deskundigen uitmuntende brandstof moet bevatten.”De Waal snoof eens als een jachthond, die het spoor in den neus krijgt. De mijnwerker kwam voor een poos boven. Zijn kinderjaren doemden hem voor de oogen op.„Boven kotta Djankang,” ging Johannes voort, „vervolgen die steenkolenaderen zich langs den oever der rivier. Bij middelbaren waterstand is in het rechter talud een gang zichtbaar van ruim 1200 M. lang, die nagenoeg horizontaal loopt en een dikte vertoont, afwisselend van 0,5 tot 4 M.”„Maar dat is een rijkdom!” schreeuwde La Cueille opgewonden.„Ja, dat zou het kunnen zijn, wanneer er gebruik van gemaakt werd. De rijkdom is te aanzienlijker, daar diezelfde ader zichtbaar is langs de oevers van de Doesson aan de eene zijde en de soengei Moeroi, de Kahajan en de soengei’s Roengan en Manohin aan de andere zijde, allen bevaarbare rivieren, en wel in minstens even machtige gangen als hier. Maar … de Dajak bekommert er zich niet om. Die heeft geen steenkolen noodig; zijn bosschen leveren hem brandhout genoeg op. In vele gevallen zelfs is hem het gebruik van „batoe kasintoe” ongeoorloofd en maakt hem „pali” (onrein). En de Hollanders …”Johannes werd in de rede gevallen door een der roeiers, die voor aan den boeg der prauw zat en toeriep dat kotta Djankang vooruit in het gezicht was. En jawel, daar lag de versterking, fier en indrukwekkend op haren heuveltop. Wat haar voor onze Europeanen[346]een onbeschrijfelijken indruk gaf, waren de vele hooge masten, die boven de palissadeering uitstaken en waarop uitgebleekte bekkeneelen prijkten. Aan den waterkant stond de „tomoi” van waar een trap tot op den waterspiegel afdaalde. De prauw legde daar aan en het Poenanhoofd steeg aan wal.In gespannen verwachting zaten de reizigers elkander aan te staren. Wat zou hun verder lot zijn? Maar zij hadden niet lang tijd, zich daar verder in te verdiepen. Harimaoung trad met zijn oom Amai Kotong, een bejaarden evenwel nog flinken Dajak, naar buiten en gaf onzen vrienden te kennen, dat de kotta, zoo als zij daar stond, met alles wat er in was, te hunner beschikking was. Dat woord was er nauwelijks uit, of de roeiers sprongen aan wal en begonnen onder leiding van Dalim den inhoud der prauw te lossen.Na een eerste kennismaking met hun gastheer, gingen de Europeanen ook aan den slag. Alle krachten moesten worden ingespannen. De dag was reeds ver gevorderd en het was niet onmogelijk dat de vervolgers al heel gauw zouden verschijnen. La Cueille en Schlickeisen zouden zich beijveren de zes stukjes geschut, die in de prauw aanwezig waren, in positie te brengen, de munitie op te bergen en de wapening der bezetting na te zien. Wienersdorf zou zich met de verdediging belasten; hij moest de inrichting der versterking en hare omgeving nagaan. Johannes zou de approviandeering voor zijn rekening nemen en daarover zijn aandacht laten gaan, terwijl bovendien het opperbevel in zijne handen zoude berusten.Allen waren dadelijk in de weer en het behoeft niet gezegd te worden, dat La Cueille het hoogste woord voerde en de meeste drukte vertoonde. Bij de bezichtiging der sterkte vonden de nieuwbakken artilleristen[347]onder de gebouwen eenige ijzeren „garaboes” (dajaksche benaming voor kleine kanonstukjes) opgeborgen, die evenwel onbruikbaar bevonden werden. Dat wil zeggen, men zou ze ergens een plaats verschaffen, om vertooning te maken, maar het werd ongeraden geoordeeld, er met scherp uit te vuren. Een tamelijke voorraad buskruit was aanwezig en die, gevoegd bij het medegebrachte, verbande iedere zorg, dat daaraan vooreerst gebrek zoude kunnen komen. Eenige oude vuursteengeweren werden nog gevonden, maar ook die werden alleen bruikbaar geheeten, om met los kruit te schieten. Toen de munitie behoorlijk opgeborgen was, plaatsten de Europeanen, door eenige Dajaks geholpen, op elk der saillanten aan de landzijde twee stukjes geschut in batterij, waartoe zij een paar palissaden ter halvermans hoogte uitzaagden om een ruimeren bestrijkingskring te verkrijgen. Op ieder der andere saillanten werd een stukje geplant.Gedurende die bedrijvigheid had Wienersdorf de binnenruimte der versterking in oogenschouw genomen. De banketten, die langs de palissadeering zoowat een manslengte onder de kruin aangelegd waren, liet hij hier en daar verbeteren en versterken door er eenige planken over heen te laten leggen. In het midden der vier facen, maar vooral in de nabijheid der saillanten liet hij schietgaten breken om een vrij gebruik der handvuurwapenen te kunnen maken; en eindelijk, toen hij daarmee klaar was, zocht hij uit een grooten houtstapel, die in de versterking aangetroffen werd, eenige balkjes en beijverde hij zich daarvan op een der hoogste gebouwen een soort van geblindeerd schilderhuis samen te doen stellen, van waaruit zonder gevaar de geheele omtrek te overzien was.In dien tusschentijd had ook Johannes zijn taak volbracht.[348]Hij had de proviand onder dak gebracht en daarbij eens in oogenschouw genomen, welke hulpmiddelen kotta Djankang zoo al opleverde. Die inspectie had zeer bevredigende uitkomsten opgeleverd. Niet alleen was er rijkelijk rijst van den jongsten oogst voorhanden, maar ook een groote voorraad poendang6, terwijl verder nog twee verbazend groote herten, welker lichamen nog warm en dus geheel versch bevonden werden en die dan ook eerst in den namiddag van dien zelfden dag gestrikt waren, werden aangetroffen. Bovendien waren nog een twintigtal varkens en een groote menigte kippen, eenden en ganzen aanwezig, die knorrende, kakelende en kwakende, maar overigens in de grootste eendracht onder de gebouwen leefden. Over dat bevind van zaken innig tevreden, spoedde de opperbevelhebber zich naar buiten aan het hoofd van een sterken troep Dajaks met den mandauw in de vuist, om het omliggend terrein van allang-allang7en struikgewas, waarachter een vijand de versterking onzichtbaar zoude kunnen bekruipen, te zuiveren en de trap, die langs de steile oeverhelling toegang tot de rivier verleende, in te halen.Toen hij met dat alles gereed was, ontmoette hij bij het binnentreden der versterking Amai Kotong, die met eenigen der zijnen van uit de tuinen en de daaraan grenzende wildernis terugkeerde, alwaar zij een aardigen voorraad „sahang roebit” (wilde spaansche peper, bij de Maleierslombokh rawitgeheeten), knolvruchten, klappers, bamboe-toppen enz. enz. verzameld hadden; allen zaken, die, bij een mogelijke insluiting, als toespijs[349]zeer goed te stade zouden komen. Ook had de Amai een zijner zonen de soengei Mawat opgezonden, om zijne onderhoorigen daar ten strijde op te roepen.De metgezellen van Harimaoung Boekit hadden zich onledig gehouden met de spitsen van hunne pijltjes en die der bezetting van kotta Djankang af te schrapen en op nieuw in krachtvol vergift te doopen. Hun hoofd was evenwel met zijn oom naar buiten getreden en had, terwijl diens volgelingen volijverig fourageerden, een ernstig en langdurig gesprek met hem gehad.Toen de zon ondergegaan was, waren alle voorloopige maatregelen getroffen, die de kotta met hoop op goeden uitslag zouden gedoogen krachtigen tegenstand te bieden. Op ieder der saillanten, ook in het geblindeerd schilderhuisje werden twee schildwachten geplaatst en zouden de Europeanen om beurten twee aan twee te zamen de wachtdienst verrichten, om zoodoende overtuigd te zijn, dat behoorlijke waakzaamheid zoude uitgeoefend worden ten einde tegen een overval beveiligd te zijn.Na al die beschikkingen getroffen te hebben, zaten onze deserteurs, die—wij mogen zulks niet vergeten,—nog altijd voor hunne omgeving hunne vermomming volhielden, bij elkander het heerlijke avonduur te genieten. Het was een paar dagen voor volle maan. De lucht was helder en bewolkt; de warmte had, na het verdwijnen der zon, plaats gemaakt voor een verfrisschende en aangename koelte, die, gepaard aan het zachte licht, door de nachtvorstin verspreid, die uren onder de tropen tot de genotvolste der wereld maken. Natuurlijk waren de gebeurtenissen van den laatsten tijd en hetgeen de toekomst kon opleveren, schering en inslag van het gesprek en werd velerlei meening geopperd over den uitslag der vermoedelijk aanstaande gevechten.„Och! dat ze toch te vermijden waren, die gevechten!”[350]zuchtte Wienersdorf. „Bloed, altijd bloed! ’t Is een schrikkelijke tocht.”„Zeur toch niet. Daar moet je nu maar over heen,” antwoordde Johannes knorrig, „als je daar zoo tegen op ziet, dan hadt je maar thuis moeten blijven.”„Thuis!” was de heimwee-zucht des Zwitsers.„Daarenboven,” vervolgde Johannes, „we doen niets dan ons verdedigen. We hebben nog geen slag toegebracht of geen schot gelost, tenzij men er ons toe dwong. Zooveel mogelijk zullen we zoo blijven doen.”Terwijl zij nog zoo zaten te praten, vernamen de deserteurs eensklaps een zacht gesnik, dat van een vrouw scheen te komen. Zij keken elkander aan en wisten niet wat dat beduidde. De vrouwen, die in de versterking aanwezig waren, hadden zij allen gemonsterd. Die hadden zich, zonder door de jaloerschheid hunner heeren en meesters gehinderd te worden, vrij en ongedwongen te midden der vreemdelingen bewogen en menige gulle lach was haar ontlokt door de kleine onhandigheden der nieuwbakken Dajaks. Alleen de Sjech met zijn tulband, had haar eerbied ingeboezemd. Er waren ouden en jongen, mooie gezichten en afzichtelijke besten onder; maar bij allen was een zekere luchthartigheid en vroolijkheid, ja zelfs iets dartels op te merken; zoodat dat snikken thans daar wel bij afstak. Ons viertal keek uit in de richting van waar dat weemoedig geluid kwam, maar hoewel de maan onbewolkt aan den hemel stond en alles met haar zilverlicht overgoot, wierpen toch de gebouwen in de versterking aanwezig, zulke zwarte schaduwen over de binnenruimte, dat niets te ontwaren was. La Cueille, de meest galante van het viertal, stond op om te gaan kijken, wat dat gesnik beduidde. Binnen weinige oogenblikken was hij terug en verhaalde met eenige ontroering, dat daar ginds bij[351]dat hooge gebouw, waarin Amai Kotong woonde, een groote kooi stond, die veel op een tijgerval geleek, evenwel veel hooger was, waarin een vrouw opgesloten zat. Zij was het, die zoo snikte. Hij had haar aangesproken en ook antwoord bekomen, maar wat zij gebrabbeld had, was voor hem onverstaanbaar gebleven.Johannes barstte in lachen uit:„Och wat, de een of andere nurksche echtgenoot zal zijn zachtzinnige wederhelft opgesloten hebben, om haar mores te leeren. ’s Lands wijs, ’s lands eer.”„’t Is toch te erg, iemand van het teedere geslacht als een wild dier in een kooi op te sluiten,” meende Schlickeisen.„Die luidjes van het teedere geslacht zijn soms katjes, die niet beter verdienen,” lachte de andere. „Kom, ik ga eens kijken; ik zal met dat exemplaartje wel kunnen praten.”Maar nog voor hij opgesprongen was, om zijn voornemen te volvoeren, verscheen Dalim, die hem die moeite bespaarde. Wat die te vertellen had, om dat gesnik te verklaren, ontzette onze reizigers zeer. Voor een oogenblik bracht hij aller herinnering naar het meer Ampang terug, toen Harimaoung Boekit zijn overwinnaar Wienersdorf met zijn bloed en omgekeerd zich zelven met dat des Zwitsers besmeerd had.„Dat was slechts een voorloopige plechtigheid,” ging de Dajak voort, „die zeer bekort was door de omstandigheden. Gij beiden zijt toen van twee vijanden, die naar elkanders leven stonden, broeders geworden. Maar de Dajaksche gebruiken vorderen een geheel andere plechtigheid om dien band van bloedverwantschap van kracht te maken. De plechtigheid, die morgen zal plaats hebben heet: „indoe sapan pahamban” of verzoeningseed, en zal gepaard gaan met het „hatoendi daha” of verbond met[352]bloed bezegeld. Toen we gisteren aankwamen heeft Harimaoung Boekit dadelijk den toestand aan zijn oom bekend gesteld en te zamen hebben ze een pandeling uitgezocht, die morgen geslacht zal worden.”„Geslacht,” riepen de Europeanen met ontzetting uit.„Ja, geslacht,” was het kalme antwoord. „Harimaoung Boekit heeft ons aangevallen; ten gevolge van dien aanval zijn menschen gedood, anderen zijn gewond; zoodat er volgens den Dajakschen adat ten volle bloedschuld bestaat. Die kan niet uitgedelgd worden dan door den marteldood van een pandeling, die in deKawawohanboelau8later Wienersdorf als slaaf zal bedienen.”„De marteldood! maar dat zal niet geschieden!” riep de Zwitser vol vertwijfeling, „dat zal ik nimmer toelaten!”„Daar kunt ge niets aan doen,” viel Dalim in, „en alles wat ge zoudt willen doen, kan onze zaak slechts bederven. ’t Zal beschouwd worden, alsof de verzoening door u niet gewenscht wordt, alsof ge berouw hebt, het Poenanhoofd het leven geschonken te hebben. Het slachtoffer is reeds gekozen, heeft zijn naam als mensch reeds verloren en heet thans „kabalik” van „kabal” ongevoelig, levenloos. Het is die vrouw, die ge hebt hooren snikken. Wel mag ze snikken, het arme schepsel, ze is moeder van twee kinderen, die nog hulpbehoevend zijn.”„Afschuwelijk!” voer Wienersdorf in de uiterste wanhoop uit. „God! is daar dan niets aan te doen? Is die gruweldaad niet te verhinderen? Maar komaan,” ging hij met woestheid voort, „de Poenan kan denken wat hij wil. Nu spijt het me, dat ik hem gespaard heb. O! had ik dat monster maar vertrapt. Ik ga hem spreken,[353]ik zal hem het leven van die vrouw vragen en weigert hij mijn bede, dan moge God mij genadig zijn, maar dan daag ik den aterling uit en dan zal slechts mijn dood zijn leven kunnen redden.”„Bedaar en bedenk, dat ons aller leven hierbij gemoeid is,” stuitte Johannes dien woordenstroom, „en ge hebt geen recht daarmede, ter wille eener kinderachtige teergevoeligheid te spelen.”„Ik wil.…”„Je wilt het leven van die vrouw redden,” ging de spreker ernstig voort, „dat is mooi, dat is edel …”„Welnu dan …”„Laat me uitspreken,” gebood Johannes met nadruk, „dat is mooi, dat is edel, ik herhaal het; maar, om dat leven te redden, stel je niet alleen het uwe in gevaar, maar ook het onze. Over het uwe ben je heer en meester; maar zou je denken, dat wij het onze voor die ziekelijke gril maar zoo opofferen zullen? Neen, voor den duivel, neen!” en met opgewondenheid op zijn geweer slaande: „we zullen ons als mannen verdedigen en ik verzeker je, dat, alvorens we bezweken zullen zijn, de lijken, die rondom ons opgehoopt zullen liggen, geen kinderachtig getal zullen uitmaken. Is nu die vrouw zoo’n hecatombe waard? Vraag dat je geweten af; die vrouw, die geen zelfstandig leven bezit, die slechts als „anak olo” (menschenkind), „batang olo” (vermolmd stuk van een mensch) of wel „pai lengèh” (armen en voeten) genoemd wordt, om aan te duiden, dat zij als pandelinge geen aanspraak op den naam van mensch heeft, en dat zij slechts „armen en voeten” is om voor anderen te arbeiden. Bevrijdt ge haar nu ten koste van de vele offers, die ik opsomde, dan over een week, wellicht morgen reeds, wordt ze andermaal uitgezocht om als kabalik te fungeeren en zal je opoffering en de menschenslachting,[354]waarvan gij de oorzaak zult geweest zijn, volkomen nutteloos zijn.”„Schrikkelijk! schrikkelijk!!” riep de Zwitser, terwijl hij wanhopig de handen wrong en als vernietigd daar neer zat.„Luister!” ging Johannes met den hoogst mogelijken ernst voort. „Gijlieden hebt mij uit vrijen wil tot leider van onzen ontvluchtingstocht gekozen. Gij allen hebt beloofd mij gehoorzaamheid te bewijzen, wanneer we ons te midden der inlandsche bevolking zouden bevinden. Welnu, ik eisch thans gehoorzaamheid, stipte gehoorzaamheid, niet uit een gril, maar tot ons aller welzijn. En die gehoorzaamheid zal voorshands bestaan, in het laten gebeuren, wat we niet verhinderen kunnen. ’t Is geen wreedheid, noch gevoelloosheid, die me zoo doet spreken, maar uitsluitend zelfbehoud. Maar.… kunnen we ons niet tegen afgrijselijkheden verzetten, die onder onze oogen gepleegd worden, laten we dan ten minste ons hart lucht geven door een vloek uit te spreken over de beschaafde natie, die het grootste gedeelte van dit groote eiland onder haren schepter houdt en de macht niet bezit, gruwelen, zooals we morgen aanschouwen zullen, afdoende te bestrijden; over de natie, die uit schraapzucht niet eens beproeft die gruwelen tegen te gaan en uit kruidenierswangunst ieder ander Europeesch volk tracht buiten dat eiland te houden, dat de taak der menschheid van haar zou kunnen overnemen. God helpe! Voor de vrijmaking van de slaven in West-Indië, besteedde Nederland schatten en toch wat was het lot der negers zacht in vergelijking van dat der „djipens” hier. Maar in West-Indië deed men mede in het algemeen concert van huichelende menschenmin; zichtbaar wilde men zich toch ook eens menschlievend toonen, dat poseerde; maar om aan de[355]menschonteerende wandaden, die in dezen achterhoek, Borneo genaamd, geschieden en waarmee Europa niet bekend raakt, een einde te maken heeft men geen dubbeltje over.”De Sienjo was prachtig in zijn verontwaardiging. Hij had het hoofd in den nek geworpen, zijn borstkas zwoegde stormachtig op en neer. Zijn fraai gelaat drukte onverholen de verachting uit, die zijn ziel vervulde.„Morgen,” ging hij ontembaar en met sissende stem voort, „morgen wanneer de euveldaad zal voltrokken worden, zal ik Neerland’s driekleur aan den vlaggestok in top halen. Onder de plooien van die vlag moet de schanddaad, die we niet verhoeden kunnen, voltrokken worden. ’k Wil dat het bloed van de arme vrouw, wanneer deze zich onder de martelingen zal krommen, spatten zal op die heldere banen, waarop iedere bevlekking zichtbaar is.”Hij zweeg een poos en vervolgde toen meer bedaard:„Kom! laat ons onze wachtposten betrekken. Wienersdorf en ik zullen thans rusten, de beide anderen waakzaam zijn.”En zich tot Schlickeisen en La Cueille wendende:„Roept ons tegen middernacht,” zeide hij, „dan zullen we u aflossen. En nu goeden nacht!”„Goeden nacht! O God! wat een nacht!” mompelde Wienersdorf bij zich zelven, terwijl hij gedwee medeging.Die nacht zou ongestoord voorbijgaan.Toen de maan zoo omstreeks te half vijf uur onderging en het alom donker was, sloop Wienersdorf, de gelegenheid waarnemende, dat Johannes zich met een der schildwachten onderhield, over hetgeen deze meende gezien te hebben, naar de karandah (kooi), waarin de arme vrouw, die geslacht zou worden, opgesloten zat, en vond[356]haar in een diepen slaap gedompeld. Hij maakte haar zachtkens wakker, verbrak met veel inspanning eenige traliën van haar gevangenhok en noodigde haar uit dat te verlaten. Hij zou de kooi openen, dan kon zij in het woud ontvluchten. Helaas! de arme vrouw, verschrikt een geheel onbekend persoon in het duister voor zich te zien, weigerde die akelige kooi te verlaten. In den voornacht was een Balian9bij het arme slachtoffer verschenen, had haar het hoofd met blauw zand bestrooid en daarbij met zachte stem een bezweringsformulier gezongen. Door de kracht van die bezwering was Sangiang Tempon Telon9genoodzaakt geweest uit zijn verheven verblijf neder te dalen, om de ziel aan het lichaam van de ter dood veroordeelde te ontvoeren. Zij had de aanwezigheid van den Sangiang gevoeld; tastbaar was hare ziel ontweken, zij was nu niets meer dan een gevoelloos wezen, dat zonder ziel toch, voor dat de nacht andermaal inviel, geheel overleden zoude zijn. De beulen konden haar nu martelen zooveel hun lustte; na die mangang koeït (zielsontvoering) zou zij er niets van voelen. Daarenboven, wat zou zij arme vrouw in het woud moeten aanvangen? Hier waren hare kinderen, hare ziel zou die omzweven en, zooveel in haar vermogen was, voor onheilen behoeden. Ginds in de wildernis zou zij geheel hulpeloos zijn. Waar zou zij voedsel vinden? Wie zou haar tegen de kajau’s verdedigen? Neen, neen, zij wilde niet weg.De Zwitser bad en smeekte haar om toch te vertrekken. Hij wrong de handen; hij klemde zich aan de traliën van de noodlottige kooi vast. Alles, alles te vergeefs! Johannes[357]vond hem daar in volle vertwijfeling. Hij nam hem onder den arm en voerde hem weg. Vol medelijden trachtte hij den wanhopige het onverstandige van zulk een weekhartigheid onder het oog te brengen en hem het onverantwoordelijke aan te toonen van zijn pogingen om die vrouw te doen ontvluchten. Het verzoeningsfeest zou door die vlucht niet eens uitgesteld zijn geworden, want een ander slachtoffer zou spoedig aangewezen zijn; terwijl een verbitterde jacht zoude gemaakt worden op de arme vluchtelinge, die niet dan met hare gevangenneming zoude gestaakt worden; een gevangenneming die spoedig door een vreeselijken marteldood zoude gevolgd worden.Wienersdorf zuchtte diep, maar antwoordde niet. Och! hij was niet overtuigd en het mocht gelukkig genoemd worden, dat de dag aanbrak, waardoor iedere poging, om het slachtoffer aan haar lot te onttrekken, moest opgegeven worden.De nacht was rustig voorbij gesneld. Geen vijand was bespeurd. Zoodra het eenigszins schemerde, werden door Amai Kotong een paar zijner Dajaks, in een djoekoeng gezeten, stroomafwaarts gezonden, om bij den eersten hoek, dien de rivier daar vormde, post te vatten. Zij zouden dienen als vooruitgeschoven schildwachten. Van dien hoek hadden zij een vergezicht over den stroom, en konden de nadering van prauwen door signalen aan de kotta mededeelen.EINDE VAN HET EERSTE DEEL.[1]
Toen de rangkan de prauw op zijde geschoten was, verhaalde het Poenanhoofd, dat zij des nachts te kotta Baroe aangekomen waren en daar de geheele negorij in rep en roer gevonden hadden. Zij hadden er een staatsieprauw aan den oever zien liggen en een gewemel van menschen waargenomen, alsof een belangrijke onderneming op til was. De nieuwsgierigheid had hen toen bekropen. Harimaoung Boekit aan wal gestapt, was als een slang naderbij geslopen en had vernomen, dat door een blanke van Kwala Kapoeas, dien hij gezien had en beschreef als met een langen mandauw (sabel) gewapend te zijn, de bevolking te wapen werd geroepen, om een prauw met vluchtelingen te achtervolgen. De blanke eischte twee honderd en vijftig weerbare mannen met de noodige prauwen, hetgeen tot niet weinig gepruttel aanleiding gaf. Toen de Poenan dat alles afgeluisterd had, begreep hij met zijn oorspronkelijk verstand, dat het om hen te doen was, die hem het leven geschonken hadden; en al dadelijk was het plan gerijpt, om die vrienden te waarschuwen, des noods krachtig[336]bij te staan. Stil als hij gekomen was, sloop hij naar den rangkan terug, wenkte een paar zijner makkers, die, aan wal stappende met hem voortslopen en eindelijk bij een tomoi een menigte menschen vonden slapen. Een tomoi is een koepelvormig gebouwtje, dat in de bovenlanden in de nabijheid der versterkte huizen opgericht wordt, tot ontvangst van reizenden. Nimmer wordt een vreemdeling in de versterking toegelaten. In hoofdzaak is wantrouwen de grondslag van die handeling; men hoedt zich zoo voor verspieders, die onder vriendschapsschijn, wel eens het terrein komen opnemen. Maar het dient ook om twisten te voorkomen, die uit het schenden van de zeden en gebruiken der bewoners, den vreemdelingen meestal niet bekend, zouden kunnen geboren worden.
De gelegenheid was te schoon voor onze drie koppensnellers. De slapenden hadden zich ter ruste gelegd zonder voorzorgsmaatregelen te nemen. Met bliksemsnelheid trokken de Poenans hunne mandauws en in het volgende oogenblik hield ieder hunner een bloedig hoofd bij de haren in de hand. Nu stieten zij hun, „lahap” (krijgsgeschreeuw) uit, deelden den ontwakenden in het duister eenige houwen toe en maakten zich uit de voeten, toen de angst en de verwarring onder de aldus gewekten ten top gestegen was en zij elkander aanvielen en bevochten.
Dit alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat de Poenans met hun lichten rangkan al lang in de dichte duisternis verdwenen waren, voor dat de kommandant van Kwala Kapoeas—de lezers zullen wel geraden hebben, dat die de blanke was, die te kotta Baroe bevelen uitdeelde—zijn troepje Dajaks tot bedaren had gebracht. Niemand had de aanvallers zelfs gezien. De hoofdelooze lijken, die op den grond in een grooten plas bloed lagen, konden niet spreken; de gekwetsten waren[337]in hun slaap toegetakeld en konden alleen een verward verhaal leveren van hetgeen zij bij hun pijnlijk en angstig ontwaken meenden gezien te hebben. Zij spraken van gedaanten van half mensch, half spook, die zij in het nachtelijke duister hadden zien verdwijnen.
Indien het de vluchtelingen waren, die dezen overval uitgevoerd hadden, en velen waren dat denkbeeld wel toegedaan, dan moest erkend worden, dat men met stoutmoedige kerels te doen had, die men niet zoo gauw in handen zoude hebben. De Tomonggong Nikodemus schudde evenwel het hoofd. Hij had de lijken onderzocht. De sneden, die de koppen van de rompen gescheiden hadden, waren zuiver en glad. Bij die houwen was geen aarzeling, geen herhaling, geen slachterswerk waar te nemen. Fiks, met een enkelen slag was de dood toegebracht, en die slag kon slechts door geoefende handen geslagen zijn, slechts door bovenlanders; maar niet door Dajaks der benedenstreken en nog minder door Europeanen.
Toen Harimaoung Boekit zijn verhaal geëindigd had, keken de vluchtelingen elkaar met angstige verbazing aan. Zij hadden niet kunnen denken, dat de Hollanders hen zoo spoedig op de hielen zouden zitten. Zij hadden gedacht nog altijd een voorsprong van acht of tien dagen te hebben. En nu waren de jagers in de nabijheid en het wild reeds op het spoor! Wat nu te doen?
„Vooruit! vooruit!!” riep Wienersdorf, „het heil kan slechts liggen in de vlucht!”
„Neen,” sprak Johannes mismoedig, „nu de kommandant ons zoo nabij is, kan de vlucht alleen niet meer baten. Op dit oogenblik is hij zeker reeds van kotta Baroe vertrokken en hij zal wel menschen genoeg geprest hebben, zoodat hij over veel meer roeiers zal kunnen beschikken dan wij. Op de vlucht zouden we spoedig[338]zijn ingehaald. Je kunt het niet eens meer uitstel van executie noemen.”
„Maar wat dan?”
Johannes gaf daarop geen antwoord, maar zich tot het Poenanhoofd wendende:
„Waren er blanke menschen in het gezelschap van den kommandant?” vroeg hij.
„Ik heb lang en goed bespied; maar geen enkel bleekgezicht gezien, behalve hem, dien ge kommandant noemt.”
„Dus geen Europeesche militairen bij den troep, dat is al veel waard. Maar wellicht heeft de kommandant een escorte van Javaansche soldaten, daarmee valt ook niet te spotten,” mompelde Johannes binnensmonds.
„Hebt ge geen menschen gewapend gezien?” vroeg hij verder aan Harimaoung.
„De blanke had, terwijl hij bedrijvig was, een klein geweer (pistool) in de hand, achter hem liep steeds een boedak (slaaf) die een snaphaan droeg. De anderen zijn gewapend met hun mandauws en de meesten hebben een „sipet” of „loendjoh.”1Alleen de Amai2van Kwala Kapoeas, dien ik goed ken, heeft een geweer. Maar.…”
En hierbij boog zich de Poenan tot Johannes en fluisterde dien gedurende eenigen tijd iets in het oor.
„Dat moet beproefd worden!” zeide deze met opgeruimd gelaat en vastbesloten, en zich tot zijn makkers wendende:[339]
„Zoo we kotta Djankang bereiken, dan zijn onze kansen veel verbeterd, dan bestaat er hoop op redding. Dus vooruit!”
Met gejuich werd die kreet van „vooruit” beantwoord. De rangkan werd op sleeptouw genomen, de prauw van haar tentdak ontdaan. De gezellen van Harimaoung Boekit namen plaats in het groote vaartuig en werden verdeeld tusschen de roeiers en nu ging het vooruit als de wind, onder den drang van die vier en veertig pagaaien, die met kracht gehanteerd werden. De prauw kraakte in hare binten, maar hield zich uitmuntend. Een witte schuimgolf krulde voor haar boeg, brak ter weerszijden af en vormde achter den steven een onafzienbare aaneenschakeling van wilde draaikolken, die zich eerst achter den jongst voorbijgeschoten hoek voor het oog verloren. Het vaartuig schoot met groote snelheid vooruit en, zoo voortgestuwd, kon het met de snelstvarende stoomboot wedijveren. Bij dien wedstrijd beijverden de Poenans zich niet het minst. Volgens hunne gewoonte stonden zij in de prauw, waardoor zij met hunne beseai’s, van lange stelen voorzien, tusschen de anderen, die gezeten waren, konden roeien zonder iemand te hinderen en toch de noodige kracht aanwenden. Het waren prachtige kerels, die koppensnellers, met flinke breede borstkassen en stevig gespierde armen. Zij waren in vollen oorlogstooi gedost, hadden de muts van apenvel, met twee lange tingang-vederen3versierd, op het hoofd en den maliënkolder aan, die over[340]een dik buisje van geklopte boomschors geslagen was. Beide kleedingstukken waren van voren open en lieten het fraai getatouëerde bovenlijf zien, dat zulke fijne figuren op de huid vertoonde, alsof zij met het penseel er op gebracht waren. Hunne schilden, met de meest grillige arabesken beschilderd, waren overeind tegen hunne lichamen geplaatst, zoodat zij hunne beenen en buik dekten, terwijl de geduchte mandauw, van een menigte haarlokken voorzien, fier aan hunne zijde prijkte.
Toen de prauw in volle vaart gebracht was, riep Johannes de beide Zwitsers, den Waal en Harimaoung Boekit te zaam op de achterplecht der prauw, waar Dalim zat met den stuurpagaai in handen. Zij zouden beraadslagen, wat hun te kotta Djankang te doen zou staan.
Deze versterking lag op den rechteroever der Kapoeasrivier, iets boven de monding der soengei Mawat en verhief zich op een heuvel, die zich ongeveer 60 M. boven den waterspiegel verheft. Als een kaap steekt die heuvel in de rivier uit en wordt langs drie kanten door haar omspoeld. Aan die zijden heeft de heuvel glooiingen nagenoeg onder natuurlijke helling; aan de landzijde sluit hij, een kleine ondiepe depressie van het vlak niet medegerekend, aan een heuvelenrij aan, die zich ongeveer van oost naar west uitstrekt en waarvan hij, zoover het oog reiken kan, het hoogste punt schijnt uit te maken. De versterking vormde een langwerpig vierkant van ongeveer 80 op 120 M, en was zoodanig op den heuvel opgericht, dat hare twee achtersaillanten de rivier op- en neerwaarts bestrijken en hare beide voorsaillanten daartoe krachtig meewerken konden. De ompaling was van stevig ijzerhout vervaardigd, terwijl de boomen, daartoe gebezigd, een doorsnede van 30 of 32 cM. bij een hoogte van tien M. boven den grond hadden. Om de tien palen was een palissade geplant, die van aaneengelaschte boomen[341]vervaardigd, ongeveer drie maal zoo hoog was als de anderen en op zijn spits toeloopend uiteinde een gebleekten menschelijken schedel droeg. Binnen de versterking waren verscheidene Dajaksche woningen hoog boven den grond gebouwd, die evenwel door de palissadeering beschermd, daarenboven met zware ijzerhouten planken betimmerd en met sierappen4gedekt waren.
In de kotta woonden ongeveer 500 zielen, waaronder ruim 80 weerbare mannen aangetroffen werden. Het was dus in den eigenlijken zin des woords een versterkte kampong en al de Kotta’s in de binnenlanden van Borneo moeten ook in dien zin opgenomen worden. Aan het hoofd van die gemeente stond een oud man, met name Amai Kotong. Tot diens onderhoorigheden sorteerden ook nog de kotta’s Mawat en Brobok die, aan de soengei Mawat gelegen, te zamen 300 zielen met ruim 50 weerbare mannen telden. Bij de groote uitbreiding van de bevolking te kotta Djankang, hadden zich huisgezinnen afgescheiden en zich daar gevestigd, zoodat het eigenlijk spruiten waren van een stam.
Amai Kotong was een Poenan van geboorte. Als zoon van een groot opperhoofd, die aan de soengei Miri, een der voornaamste zijrivieren van de Kahajan, gezeteld was, had hij een Ot Danomsche jonge vrouw gehuwd en zich toen aan de boorden van de Kapoeas gevestigd. Door snel- en strooptochten had hij zijne bezittingen aanzienlijk zien toenemen; maar voornamelijk had hij met goudzoeken groote winsten gemaakt. Hij was de oom van Harimaoung Boekit en had steeds voor den zoon zijns ouderen broeders zeer veel toegenegenheid gevoeld.[342]Het Poenanhoofd mocht op een goede ontvangst en op krachtdadige hulp te kotta Djankang rekenen.
Dat waren de inlichtingen, die Johannes in beknopte woorden zijnen toehoorders mededeelde. Een oogenblik zaten zijne metgezellen het gehoorde te overdenken. Eindelijk vroeg Wienersdorf:
„En wat is de conclusie van dat alles?”
„De conclusie? wel dat is duidelijk, dat we onzen intrek in kotta Djangkang moeten nemen,” was het nog al driftige antwoord, „en daar de kat uit den boom kijken. Valt men ons aan, welnu, we zijn wakkere knapen, dan zullen we het antwoord niet schuldig blijven.”
„Alweer bloedvergieten!” zuchtte Wienersdorf. „Is er dan geen kans om te ontkomen? We zetten zoo’n vaart; me dunkt dat we met den besten wil ter wereld niet in te halen zijn.”
„Kans om te ontkomen? Ja, die zou er zijn, maar die kans mogen we niet wagen. Want keert die kans zich tegen ons, dat wil zeggen, wanneer we ingehaald worden, dan staan we in het open veld tegenover een verpletterende overmacht en dan is het pleit spoedig beslecht. Dan valt er niets te doen, dan ons over te geven of ons leven zoo duur mogelijk te verkoopen. In beide gevallen is wat we reeds geleden en ondergaan hebben, volkomen nutteloos geweest en heeft het reeds gestorte bloed te vergeefs gevloeid.”
„Maar in die kotta zullen we opgesloten worden, de verdediging zal ook al weer bloed kosten, niet waar?”
„Ja, en ’t is te hopen, dat het niet nutteloos zal wezen. Ingesloten zullen we worden, maar ’t is te voorzien, dat de bovenlanden in beweging gebracht zullen worden en dan zal de insluiting zoo lang niet duren.[343]Geloof me, als we slechts den eersten aanloop doorstaan, dan is al zeer veel gewonnen; dan zal de weg zich wel weer voor ons openen.”
„En toch ben ik van meening, dat we de vlucht voortzetten. Nogmaals, me dunkt, dat met de vaart, die de prauw thans heeft, geen vaartuig ter wereld ons kan inhalen.”
„Maar die vaart kan niet behouden worden,” viel Johannes driftig in. „’t Zal al wel zijn, als we die vaart tot den avond volhouden. En dan moeten we kotta Djankang bereikt hebben. Ja.…. als we onze roeiers van tijd tot tijd tegen versche konden verwisselen, dan was ’t wat anders, maar daaraan valt niet te denken. ’k Wed, dat onze vervolgers te Tapen en te Toembang5Koeatan versche krachten zullen verkregen hebben. Kom, wees niet weekhartig; laat ons den toestand als mannen onder de oogen zien; we zullen niets doen dan ons verdedigen en je zult zien, dat een goede uitslag onze pogingen zal bekronen.”
„God geve het!” was de zucht van Wienersdorf.
„Amen!” riep La Cueille, „et que Notre Dame de Lourdes nous protège!Maar komaan, laten we nu weer een handje helpen met roeien. Als zoo vier paar Europeesche armen meedoen, dan kan men dat aan het trillen der prauw voelen. Kom vooruit, hoe meer distantie we zetten tusschen die kaaskoppen en ons, des te beter.”
De vluchtelingen grepen weer de pagaaien, maar plaatsten zich met Harimaoung Boekit op de achterplecht der prauw dicht bij Dalim bij elkander, om gedurende het roeien met elkander te kunnen beraadslagen, de inlichtingen te voltooien en ieders taak bij de verdediging te bepalen.[344]
Ook Dalim keurde een verblijf te kotta Djankang goed; hij gaf zelfs te kennen dat, zooals de zaken stonden, het noodzakelijk was. Hij kende het hoofd Amai Kotong, zoowel als de meeste bewoners, zoodat hij daar geen vreemdeling zou zijn. Hij onderhield zich geruimen tijd met het Poenanhoofd en deelde vervolgens zijn reisgezellen de bijzonderheden van het gesprek mede, zoo als, dat de rijstoogst in de bovenstreken pas afgeloopen was, zoodat het te voorzien was dat de schuren te kotta Djankang behoorlijk gevuld en uithongering bij gevolg niet te vreezen zoude zijn.
Met ingespannen ijver werd de reis voortgezet. Onder het roeien merkten de Europeanen hier en daar op het witte zand der uitspringende hoeken, zwarte brokstukken van grooteren of kleineren omvang, maar gewoonlijk zoo wat ter dikte van een dubbele vuist. La Cueille had er al met zekere aandoening naar zitten turen; maar bij de vaart van de prauw, was het hem onmogelijk er iets van te maken. Bij een der hoeken evenwel, toen de prauw dicht langs den kant gierde, sprong hij te water, dat daar niet diep was, stapte naar den wal, greep een paar van die zwarte brokstukken, die zijn nieuwsgierigheid opwekten en was weer in het vaartuig terug, voor dat de hoek behoorlijk gerond was.
„Nom d’un chien!” riep hij in vervoering, terwijl hij zijn schat liet zien, „c’est de la houille!Waarachtige steenkool en van de goede soort ook, dat kan ik verzekeren. En die vindt men hier zoo maar langs den waterkant!”
„Houd je maar bedaard,” lachte Johannes. „Je zult er nog wel meer te zien krijgen en ook kunnen oprapen, ’k Ben toch verheugd die te zien, ze zijn een onfeilbaar teeken dat we kotta Djankang naderen.”[345]
„Hoe kan dat een teeken zijn dat we die versterking naderen?”
„Wel, de heuvel, waarop de kotta ligt, bevat boven het hoogwaterpeil drie à vier machtige steenkolenaderen, waarvan de onderste volgens deskundigen uitmuntende brandstof moet bevatten.”
De Waal snoof eens als een jachthond, die het spoor in den neus krijgt. De mijnwerker kwam voor een poos boven. Zijn kinderjaren doemden hem voor de oogen op.
„Boven kotta Djankang,” ging Johannes voort, „vervolgen die steenkolenaderen zich langs den oever der rivier. Bij middelbaren waterstand is in het rechter talud een gang zichtbaar van ruim 1200 M. lang, die nagenoeg horizontaal loopt en een dikte vertoont, afwisselend van 0,5 tot 4 M.”
„Maar dat is een rijkdom!” schreeuwde La Cueille opgewonden.
„Ja, dat zou het kunnen zijn, wanneer er gebruik van gemaakt werd. De rijkdom is te aanzienlijker, daar diezelfde ader zichtbaar is langs de oevers van de Doesson aan de eene zijde en de soengei Moeroi, de Kahajan en de soengei’s Roengan en Manohin aan de andere zijde, allen bevaarbare rivieren, en wel in minstens even machtige gangen als hier. Maar … de Dajak bekommert er zich niet om. Die heeft geen steenkolen noodig; zijn bosschen leveren hem brandhout genoeg op. In vele gevallen zelfs is hem het gebruik van „batoe kasintoe” ongeoorloofd en maakt hem „pali” (onrein). En de Hollanders …”
Johannes werd in de rede gevallen door een der roeiers, die voor aan den boeg der prauw zat en toeriep dat kotta Djankang vooruit in het gezicht was. En jawel, daar lag de versterking, fier en indrukwekkend op haren heuveltop. Wat haar voor onze Europeanen[346]een onbeschrijfelijken indruk gaf, waren de vele hooge masten, die boven de palissadeering uitstaken en waarop uitgebleekte bekkeneelen prijkten. Aan den waterkant stond de „tomoi” van waar een trap tot op den waterspiegel afdaalde. De prauw legde daar aan en het Poenanhoofd steeg aan wal.
In gespannen verwachting zaten de reizigers elkander aan te staren. Wat zou hun verder lot zijn? Maar zij hadden niet lang tijd, zich daar verder in te verdiepen. Harimaoung trad met zijn oom Amai Kotong, een bejaarden evenwel nog flinken Dajak, naar buiten en gaf onzen vrienden te kennen, dat de kotta, zoo als zij daar stond, met alles wat er in was, te hunner beschikking was. Dat woord was er nauwelijks uit, of de roeiers sprongen aan wal en begonnen onder leiding van Dalim den inhoud der prauw te lossen.
Na een eerste kennismaking met hun gastheer, gingen de Europeanen ook aan den slag. Alle krachten moesten worden ingespannen. De dag was reeds ver gevorderd en het was niet onmogelijk dat de vervolgers al heel gauw zouden verschijnen. La Cueille en Schlickeisen zouden zich beijveren de zes stukjes geschut, die in de prauw aanwezig waren, in positie te brengen, de munitie op te bergen en de wapening der bezetting na te zien. Wienersdorf zou zich met de verdediging belasten; hij moest de inrichting der versterking en hare omgeving nagaan. Johannes zou de approviandeering voor zijn rekening nemen en daarover zijn aandacht laten gaan, terwijl bovendien het opperbevel in zijne handen zoude berusten.
Allen waren dadelijk in de weer en het behoeft niet gezegd te worden, dat La Cueille het hoogste woord voerde en de meeste drukte vertoonde. Bij de bezichtiging der sterkte vonden de nieuwbakken artilleristen[347]onder de gebouwen eenige ijzeren „garaboes” (dajaksche benaming voor kleine kanonstukjes) opgeborgen, die evenwel onbruikbaar bevonden werden. Dat wil zeggen, men zou ze ergens een plaats verschaffen, om vertooning te maken, maar het werd ongeraden geoordeeld, er met scherp uit te vuren. Een tamelijke voorraad buskruit was aanwezig en die, gevoegd bij het medegebrachte, verbande iedere zorg, dat daaraan vooreerst gebrek zoude kunnen komen. Eenige oude vuursteengeweren werden nog gevonden, maar ook die werden alleen bruikbaar geheeten, om met los kruit te schieten. Toen de munitie behoorlijk opgeborgen was, plaatsten de Europeanen, door eenige Dajaks geholpen, op elk der saillanten aan de landzijde twee stukjes geschut in batterij, waartoe zij een paar palissaden ter halvermans hoogte uitzaagden om een ruimeren bestrijkingskring te verkrijgen. Op ieder der andere saillanten werd een stukje geplant.
Gedurende die bedrijvigheid had Wienersdorf de binnenruimte der versterking in oogenschouw genomen. De banketten, die langs de palissadeering zoowat een manslengte onder de kruin aangelegd waren, liet hij hier en daar verbeteren en versterken door er eenige planken over heen te laten leggen. In het midden der vier facen, maar vooral in de nabijheid der saillanten liet hij schietgaten breken om een vrij gebruik der handvuurwapenen te kunnen maken; en eindelijk, toen hij daarmee klaar was, zocht hij uit een grooten houtstapel, die in de versterking aangetroffen werd, eenige balkjes en beijverde hij zich daarvan op een der hoogste gebouwen een soort van geblindeerd schilderhuis samen te doen stellen, van waaruit zonder gevaar de geheele omtrek te overzien was.
In dien tusschentijd had ook Johannes zijn taak volbracht.[348]Hij had de proviand onder dak gebracht en daarbij eens in oogenschouw genomen, welke hulpmiddelen kotta Djankang zoo al opleverde. Die inspectie had zeer bevredigende uitkomsten opgeleverd. Niet alleen was er rijkelijk rijst van den jongsten oogst voorhanden, maar ook een groote voorraad poendang6, terwijl verder nog twee verbazend groote herten, welker lichamen nog warm en dus geheel versch bevonden werden en die dan ook eerst in den namiddag van dien zelfden dag gestrikt waren, werden aangetroffen. Bovendien waren nog een twintigtal varkens en een groote menigte kippen, eenden en ganzen aanwezig, die knorrende, kakelende en kwakende, maar overigens in de grootste eendracht onder de gebouwen leefden. Over dat bevind van zaken innig tevreden, spoedde de opperbevelhebber zich naar buiten aan het hoofd van een sterken troep Dajaks met den mandauw in de vuist, om het omliggend terrein van allang-allang7en struikgewas, waarachter een vijand de versterking onzichtbaar zoude kunnen bekruipen, te zuiveren en de trap, die langs de steile oeverhelling toegang tot de rivier verleende, in te halen.
Toen hij met dat alles gereed was, ontmoette hij bij het binnentreden der versterking Amai Kotong, die met eenigen der zijnen van uit de tuinen en de daaraan grenzende wildernis terugkeerde, alwaar zij een aardigen voorraad „sahang roebit” (wilde spaansche peper, bij de Maleierslombokh rawitgeheeten), knolvruchten, klappers, bamboe-toppen enz. enz. verzameld hadden; allen zaken, die, bij een mogelijke insluiting, als toespijs[349]zeer goed te stade zouden komen. Ook had de Amai een zijner zonen de soengei Mawat opgezonden, om zijne onderhoorigen daar ten strijde op te roepen.
De metgezellen van Harimaoung Boekit hadden zich onledig gehouden met de spitsen van hunne pijltjes en die der bezetting van kotta Djankang af te schrapen en op nieuw in krachtvol vergift te doopen. Hun hoofd was evenwel met zijn oom naar buiten getreden en had, terwijl diens volgelingen volijverig fourageerden, een ernstig en langdurig gesprek met hem gehad.
Toen de zon ondergegaan was, waren alle voorloopige maatregelen getroffen, die de kotta met hoop op goeden uitslag zouden gedoogen krachtigen tegenstand te bieden. Op ieder der saillanten, ook in het geblindeerd schilderhuisje werden twee schildwachten geplaatst en zouden de Europeanen om beurten twee aan twee te zamen de wachtdienst verrichten, om zoodoende overtuigd te zijn, dat behoorlijke waakzaamheid zoude uitgeoefend worden ten einde tegen een overval beveiligd te zijn.
Na al die beschikkingen getroffen te hebben, zaten onze deserteurs, die—wij mogen zulks niet vergeten,—nog altijd voor hunne omgeving hunne vermomming volhielden, bij elkander het heerlijke avonduur te genieten. Het was een paar dagen voor volle maan. De lucht was helder en bewolkt; de warmte had, na het verdwijnen der zon, plaats gemaakt voor een verfrisschende en aangename koelte, die, gepaard aan het zachte licht, door de nachtvorstin verspreid, die uren onder de tropen tot de genotvolste der wereld maken. Natuurlijk waren de gebeurtenissen van den laatsten tijd en hetgeen de toekomst kon opleveren, schering en inslag van het gesprek en werd velerlei meening geopperd over den uitslag der vermoedelijk aanstaande gevechten.
„Och! dat ze toch te vermijden waren, die gevechten!”[350]zuchtte Wienersdorf. „Bloed, altijd bloed! ’t Is een schrikkelijke tocht.”
„Zeur toch niet. Daar moet je nu maar over heen,” antwoordde Johannes knorrig, „als je daar zoo tegen op ziet, dan hadt je maar thuis moeten blijven.”
„Thuis!” was de heimwee-zucht des Zwitsers.
„Daarenboven,” vervolgde Johannes, „we doen niets dan ons verdedigen. We hebben nog geen slag toegebracht of geen schot gelost, tenzij men er ons toe dwong. Zooveel mogelijk zullen we zoo blijven doen.”
Terwijl zij nog zoo zaten te praten, vernamen de deserteurs eensklaps een zacht gesnik, dat van een vrouw scheen te komen. Zij keken elkander aan en wisten niet wat dat beduidde. De vrouwen, die in de versterking aanwezig waren, hadden zij allen gemonsterd. Die hadden zich, zonder door de jaloerschheid hunner heeren en meesters gehinderd te worden, vrij en ongedwongen te midden der vreemdelingen bewogen en menige gulle lach was haar ontlokt door de kleine onhandigheden der nieuwbakken Dajaks. Alleen de Sjech met zijn tulband, had haar eerbied ingeboezemd. Er waren ouden en jongen, mooie gezichten en afzichtelijke besten onder; maar bij allen was een zekere luchthartigheid en vroolijkheid, ja zelfs iets dartels op te merken; zoodat dat snikken thans daar wel bij afstak. Ons viertal keek uit in de richting van waar dat weemoedig geluid kwam, maar hoewel de maan onbewolkt aan den hemel stond en alles met haar zilverlicht overgoot, wierpen toch de gebouwen in de versterking aanwezig, zulke zwarte schaduwen over de binnenruimte, dat niets te ontwaren was. La Cueille, de meest galante van het viertal, stond op om te gaan kijken, wat dat gesnik beduidde. Binnen weinige oogenblikken was hij terug en verhaalde met eenige ontroering, dat daar ginds bij[351]dat hooge gebouw, waarin Amai Kotong woonde, een groote kooi stond, die veel op een tijgerval geleek, evenwel veel hooger was, waarin een vrouw opgesloten zat. Zij was het, die zoo snikte. Hij had haar aangesproken en ook antwoord bekomen, maar wat zij gebrabbeld had, was voor hem onverstaanbaar gebleven.
Johannes barstte in lachen uit:
„Och wat, de een of andere nurksche echtgenoot zal zijn zachtzinnige wederhelft opgesloten hebben, om haar mores te leeren. ’s Lands wijs, ’s lands eer.”
„’t Is toch te erg, iemand van het teedere geslacht als een wild dier in een kooi op te sluiten,” meende Schlickeisen.
„Die luidjes van het teedere geslacht zijn soms katjes, die niet beter verdienen,” lachte de andere. „Kom, ik ga eens kijken; ik zal met dat exemplaartje wel kunnen praten.”
Maar nog voor hij opgesprongen was, om zijn voornemen te volvoeren, verscheen Dalim, die hem die moeite bespaarde. Wat die te vertellen had, om dat gesnik te verklaren, ontzette onze reizigers zeer. Voor een oogenblik bracht hij aller herinnering naar het meer Ampang terug, toen Harimaoung Boekit zijn overwinnaar Wienersdorf met zijn bloed en omgekeerd zich zelven met dat des Zwitsers besmeerd had.
„Dat was slechts een voorloopige plechtigheid,” ging de Dajak voort, „die zeer bekort was door de omstandigheden. Gij beiden zijt toen van twee vijanden, die naar elkanders leven stonden, broeders geworden. Maar de Dajaksche gebruiken vorderen een geheel andere plechtigheid om dien band van bloedverwantschap van kracht te maken. De plechtigheid, die morgen zal plaats hebben heet: „indoe sapan pahamban” of verzoeningseed, en zal gepaard gaan met het „hatoendi daha” of verbond met[352]bloed bezegeld. Toen we gisteren aankwamen heeft Harimaoung Boekit dadelijk den toestand aan zijn oom bekend gesteld en te zamen hebben ze een pandeling uitgezocht, die morgen geslacht zal worden.”
„Geslacht,” riepen de Europeanen met ontzetting uit.
„Ja, geslacht,” was het kalme antwoord. „Harimaoung Boekit heeft ons aangevallen; ten gevolge van dien aanval zijn menschen gedood, anderen zijn gewond; zoodat er volgens den Dajakschen adat ten volle bloedschuld bestaat. Die kan niet uitgedelgd worden dan door den marteldood van een pandeling, die in deKawawohanboelau8later Wienersdorf als slaaf zal bedienen.”
„De marteldood! maar dat zal niet geschieden!” riep de Zwitser vol vertwijfeling, „dat zal ik nimmer toelaten!”
„Daar kunt ge niets aan doen,” viel Dalim in, „en alles wat ge zoudt willen doen, kan onze zaak slechts bederven. ’t Zal beschouwd worden, alsof de verzoening door u niet gewenscht wordt, alsof ge berouw hebt, het Poenanhoofd het leven geschonken te hebben. Het slachtoffer is reeds gekozen, heeft zijn naam als mensch reeds verloren en heet thans „kabalik” van „kabal” ongevoelig, levenloos. Het is die vrouw, die ge hebt hooren snikken. Wel mag ze snikken, het arme schepsel, ze is moeder van twee kinderen, die nog hulpbehoevend zijn.”
„Afschuwelijk!” voer Wienersdorf in de uiterste wanhoop uit. „God! is daar dan niets aan te doen? Is die gruweldaad niet te verhinderen? Maar komaan,” ging hij met woestheid voort, „de Poenan kan denken wat hij wil. Nu spijt het me, dat ik hem gespaard heb. O! had ik dat monster maar vertrapt. Ik ga hem spreken,[353]ik zal hem het leven van die vrouw vragen en weigert hij mijn bede, dan moge God mij genadig zijn, maar dan daag ik den aterling uit en dan zal slechts mijn dood zijn leven kunnen redden.”
„Bedaar en bedenk, dat ons aller leven hierbij gemoeid is,” stuitte Johannes dien woordenstroom, „en ge hebt geen recht daarmede, ter wille eener kinderachtige teergevoeligheid te spelen.”
„Ik wil.…”
„Je wilt het leven van die vrouw redden,” ging de spreker ernstig voort, „dat is mooi, dat is edel …”
„Welnu dan …”
„Laat me uitspreken,” gebood Johannes met nadruk, „dat is mooi, dat is edel, ik herhaal het; maar, om dat leven te redden, stel je niet alleen het uwe in gevaar, maar ook het onze. Over het uwe ben je heer en meester; maar zou je denken, dat wij het onze voor die ziekelijke gril maar zoo opofferen zullen? Neen, voor den duivel, neen!” en met opgewondenheid op zijn geweer slaande: „we zullen ons als mannen verdedigen en ik verzeker je, dat, alvorens we bezweken zullen zijn, de lijken, die rondom ons opgehoopt zullen liggen, geen kinderachtig getal zullen uitmaken. Is nu die vrouw zoo’n hecatombe waard? Vraag dat je geweten af; die vrouw, die geen zelfstandig leven bezit, die slechts als „anak olo” (menschenkind), „batang olo” (vermolmd stuk van een mensch) of wel „pai lengèh” (armen en voeten) genoemd wordt, om aan te duiden, dat zij als pandelinge geen aanspraak op den naam van mensch heeft, en dat zij slechts „armen en voeten” is om voor anderen te arbeiden. Bevrijdt ge haar nu ten koste van de vele offers, die ik opsomde, dan over een week, wellicht morgen reeds, wordt ze andermaal uitgezocht om als kabalik te fungeeren en zal je opoffering en de menschenslachting,[354]waarvan gij de oorzaak zult geweest zijn, volkomen nutteloos zijn.”
„Schrikkelijk! schrikkelijk!!” riep de Zwitser, terwijl hij wanhopig de handen wrong en als vernietigd daar neer zat.
„Luister!” ging Johannes met den hoogst mogelijken ernst voort. „Gijlieden hebt mij uit vrijen wil tot leider van onzen ontvluchtingstocht gekozen. Gij allen hebt beloofd mij gehoorzaamheid te bewijzen, wanneer we ons te midden der inlandsche bevolking zouden bevinden. Welnu, ik eisch thans gehoorzaamheid, stipte gehoorzaamheid, niet uit een gril, maar tot ons aller welzijn. En die gehoorzaamheid zal voorshands bestaan, in het laten gebeuren, wat we niet verhinderen kunnen. ’t Is geen wreedheid, noch gevoelloosheid, die me zoo doet spreken, maar uitsluitend zelfbehoud. Maar.… kunnen we ons niet tegen afgrijselijkheden verzetten, die onder onze oogen gepleegd worden, laten we dan ten minste ons hart lucht geven door een vloek uit te spreken over de beschaafde natie, die het grootste gedeelte van dit groote eiland onder haren schepter houdt en de macht niet bezit, gruwelen, zooals we morgen aanschouwen zullen, afdoende te bestrijden; over de natie, die uit schraapzucht niet eens beproeft die gruwelen tegen te gaan en uit kruidenierswangunst ieder ander Europeesch volk tracht buiten dat eiland te houden, dat de taak der menschheid van haar zou kunnen overnemen. God helpe! Voor de vrijmaking van de slaven in West-Indië, besteedde Nederland schatten en toch wat was het lot der negers zacht in vergelijking van dat der „djipens” hier. Maar in West-Indië deed men mede in het algemeen concert van huichelende menschenmin; zichtbaar wilde men zich toch ook eens menschlievend toonen, dat poseerde; maar om aan de[355]menschonteerende wandaden, die in dezen achterhoek, Borneo genaamd, geschieden en waarmee Europa niet bekend raakt, een einde te maken heeft men geen dubbeltje over.”
De Sienjo was prachtig in zijn verontwaardiging. Hij had het hoofd in den nek geworpen, zijn borstkas zwoegde stormachtig op en neer. Zijn fraai gelaat drukte onverholen de verachting uit, die zijn ziel vervulde.
„Morgen,” ging hij ontembaar en met sissende stem voort, „morgen wanneer de euveldaad zal voltrokken worden, zal ik Neerland’s driekleur aan den vlaggestok in top halen. Onder de plooien van die vlag moet de schanddaad, die we niet verhoeden kunnen, voltrokken worden. ’k Wil dat het bloed van de arme vrouw, wanneer deze zich onder de martelingen zal krommen, spatten zal op die heldere banen, waarop iedere bevlekking zichtbaar is.”
Hij zweeg een poos en vervolgde toen meer bedaard:
„Kom! laat ons onze wachtposten betrekken. Wienersdorf en ik zullen thans rusten, de beide anderen waakzaam zijn.”
En zich tot Schlickeisen en La Cueille wendende:
„Roept ons tegen middernacht,” zeide hij, „dan zullen we u aflossen. En nu goeden nacht!”
„Goeden nacht! O God! wat een nacht!” mompelde Wienersdorf bij zich zelven, terwijl hij gedwee medeging.
Die nacht zou ongestoord voorbijgaan.
Toen de maan zoo omstreeks te half vijf uur onderging en het alom donker was, sloop Wienersdorf, de gelegenheid waarnemende, dat Johannes zich met een der schildwachten onderhield, over hetgeen deze meende gezien te hebben, naar de karandah (kooi), waarin de arme vrouw, die geslacht zou worden, opgesloten zat, en vond[356]haar in een diepen slaap gedompeld. Hij maakte haar zachtkens wakker, verbrak met veel inspanning eenige traliën van haar gevangenhok en noodigde haar uit dat te verlaten. Hij zou de kooi openen, dan kon zij in het woud ontvluchten. Helaas! de arme vrouw, verschrikt een geheel onbekend persoon in het duister voor zich te zien, weigerde die akelige kooi te verlaten. In den voornacht was een Balian9bij het arme slachtoffer verschenen, had haar het hoofd met blauw zand bestrooid en daarbij met zachte stem een bezweringsformulier gezongen. Door de kracht van die bezwering was Sangiang Tempon Telon9genoodzaakt geweest uit zijn verheven verblijf neder te dalen, om de ziel aan het lichaam van de ter dood veroordeelde te ontvoeren. Zij had de aanwezigheid van den Sangiang gevoeld; tastbaar was hare ziel ontweken, zij was nu niets meer dan een gevoelloos wezen, dat zonder ziel toch, voor dat de nacht andermaal inviel, geheel overleden zoude zijn. De beulen konden haar nu martelen zooveel hun lustte; na die mangang koeït (zielsontvoering) zou zij er niets van voelen. Daarenboven, wat zou zij arme vrouw in het woud moeten aanvangen? Hier waren hare kinderen, hare ziel zou die omzweven en, zooveel in haar vermogen was, voor onheilen behoeden. Ginds in de wildernis zou zij geheel hulpeloos zijn. Waar zou zij voedsel vinden? Wie zou haar tegen de kajau’s verdedigen? Neen, neen, zij wilde niet weg.
De Zwitser bad en smeekte haar om toch te vertrekken. Hij wrong de handen; hij klemde zich aan de traliën van de noodlottige kooi vast. Alles, alles te vergeefs! Johannes[357]vond hem daar in volle vertwijfeling. Hij nam hem onder den arm en voerde hem weg. Vol medelijden trachtte hij den wanhopige het onverstandige van zulk een weekhartigheid onder het oog te brengen en hem het onverantwoordelijke aan te toonen van zijn pogingen om die vrouw te doen ontvluchten. Het verzoeningsfeest zou door die vlucht niet eens uitgesteld zijn geworden, want een ander slachtoffer zou spoedig aangewezen zijn; terwijl een verbitterde jacht zoude gemaakt worden op de arme vluchtelinge, die niet dan met hare gevangenneming zoude gestaakt worden; een gevangenneming die spoedig door een vreeselijken marteldood zoude gevolgd worden.
Wienersdorf zuchtte diep, maar antwoordde niet. Och! hij was niet overtuigd en het mocht gelukkig genoemd worden, dat de dag aanbrak, waardoor iedere poging, om het slachtoffer aan haar lot te onttrekken, moest opgegeven worden.
De nacht was rustig voorbij gesneld. Geen vijand was bespeurd. Zoodra het eenigszins schemerde, werden door Amai Kotong een paar zijner Dajaks, in een djoekoeng gezeten, stroomafwaarts gezonden, om bij den eersten hoek, dien de rivier daar vormde, post te vatten. Zij zouden dienen als vooruitgeschoven schildwachten. Van dien hoek hadden zij een vergezicht over den stroom, en konden de nadering van prauwen door signalen aan de kotta mededeelen.
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
[1]
1Sipet is een blaasroer om vergiftigde pijltjes mede te blazen. Aan dat roer is tevens een lansijzer bevestigd, zoodat het een blaas- en tevens een stootwapen is. Een loendjoh is een eenvoudige lans, door de maleiers „toembakh” genaamd.↑2Amai beteekent vader. In de bovenlanden worden de hoofden zoo betiteld. Met de Amai van Kwala Kapoeas wordt hier de Tomonggong Nicodemus bedoeld.↑3Tingang:Rhinoceros of neushoornvogel. Er zijn op Borneo twee soorten. De Tingang bahong is zoo groot als een haan. Zijn hoorn is donkerrood. Zijn lijf is bedekt met zwarte goudveeren. In den staart heeft hij twee sneeuwwitte pennen. De Tingang lajoeng is kleiner, heeft een oranjekleurigen hoorn; zijne vederen zijn licht blauw, en zijn staart is zwart.↑4Sierappen zijn kleine plankjes, geheel overeenkomende met onze dakleien en ook daarvoor dienende. Op Java worden de sierappen van djatiehout, op Borneo daarentegen van ijzerhout vervaardigd.↑5Toembang is in het Dajaksch gelijk Kwala of riviermonding.↑6Poendang is dun gesneden en in de zon gedroogd vleesch. Wordt veelal van hertenvleesch gemaakt. In ’t Maleisch heet het: dengdeng.↑7Allang-allang is een grassoort, die soms 2 M. hoogte bereikt en in het Dajaksch: garigit genoemd wordt.↑8Kawawohan boelauis de naam van den Dajakschen Hemel. Zie hierover: Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver.↑9Balian = priesteres en hetaire. Zie hierover, als ook over Tempon Telon de Charon der Dajaks, de meer aangehaalde Ethnographische beschrijving van den schrijver.↑ab
1Sipet is een blaasroer om vergiftigde pijltjes mede te blazen. Aan dat roer is tevens een lansijzer bevestigd, zoodat het een blaas- en tevens een stootwapen is. Een loendjoh is een eenvoudige lans, door de maleiers „toembakh” genaamd.↑2Amai beteekent vader. In de bovenlanden worden de hoofden zoo betiteld. Met de Amai van Kwala Kapoeas wordt hier de Tomonggong Nicodemus bedoeld.↑3Tingang:Rhinoceros of neushoornvogel. Er zijn op Borneo twee soorten. De Tingang bahong is zoo groot als een haan. Zijn hoorn is donkerrood. Zijn lijf is bedekt met zwarte goudveeren. In den staart heeft hij twee sneeuwwitte pennen. De Tingang lajoeng is kleiner, heeft een oranjekleurigen hoorn; zijne vederen zijn licht blauw, en zijn staart is zwart.↑4Sierappen zijn kleine plankjes, geheel overeenkomende met onze dakleien en ook daarvoor dienende. Op Java worden de sierappen van djatiehout, op Borneo daarentegen van ijzerhout vervaardigd.↑5Toembang is in het Dajaksch gelijk Kwala of riviermonding.↑6Poendang is dun gesneden en in de zon gedroogd vleesch. Wordt veelal van hertenvleesch gemaakt. In ’t Maleisch heet het: dengdeng.↑7Allang-allang is een grassoort, die soms 2 M. hoogte bereikt en in het Dajaksch: garigit genoemd wordt.↑8Kawawohan boelauis de naam van den Dajakschen Hemel. Zie hierover: Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver.↑9Balian = priesteres en hetaire. Zie hierover, als ook over Tempon Telon de Charon der Dajaks, de meer aangehaalde Ethnographische beschrijving van den schrijver.↑ab
1Sipet is een blaasroer om vergiftigde pijltjes mede te blazen. Aan dat roer is tevens een lansijzer bevestigd, zoodat het een blaas- en tevens een stootwapen is. Een loendjoh is een eenvoudige lans, door de maleiers „toembakh” genaamd.↑
1Sipet is een blaasroer om vergiftigde pijltjes mede te blazen. Aan dat roer is tevens een lansijzer bevestigd, zoodat het een blaas- en tevens een stootwapen is. Een loendjoh is een eenvoudige lans, door de maleiers „toembakh” genaamd.↑
2Amai beteekent vader. In de bovenlanden worden de hoofden zoo betiteld. Met de Amai van Kwala Kapoeas wordt hier de Tomonggong Nicodemus bedoeld.↑
2Amai beteekent vader. In de bovenlanden worden de hoofden zoo betiteld. Met de Amai van Kwala Kapoeas wordt hier de Tomonggong Nicodemus bedoeld.↑
3Tingang:Rhinoceros of neushoornvogel. Er zijn op Borneo twee soorten. De Tingang bahong is zoo groot als een haan. Zijn hoorn is donkerrood. Zijn lijf is bedekt met zwarte goudveeren. In den staart heeft hij twee sneeuwwitte pennen. De Tingang lajoeng is kleiner, heeft een oranjekleurigen hoorn; zijne vederen zijn licht blauw, en zijn staart is zwart.↑
3Tingang:Rhinoceros of neushoornvogel. Er zijn op Borneo twee soorten. De Tingang bahong is zoo groot als een haan. Zijn hoorn is donkerrood. Zijn lijf is bedekt met zwarte goudveeren. In den staart heeft hij twee sneeuwwitte pennen. De Tingang lajoeng is kleiner, heeft een oranjekleurigen hoorn; zijne vederen zijn licht blauw, en zijn staart is zwart.↑
4Sierappen zijn kleine plankjes, geheel overeenkomende met onze dakleien en ook daarvoor dienende. Op Java worden de sierappen van djatiehout, op Borneo daarentegen van ijzerhout vervaardigd.↑
4Sierappen zijn kleine plankjes, geheel overeenkomende met onze dakleien en ook daarvoor dienende. Op Java worden de sierappen van djatiehout, op Borneo daarentegen van ijzerhout vervaardigd.↑
5Toembang is in het Dajaksch gelijk Kwala of riviermonding.↑
5Toembang is in het Dajaksch gelijk Kwala of riviermonding.↑
6Poendang is dun gesneden en in de zon gedroogd vleesch. Wordt veelal van hertenvleesch gemaakt. In ’t Maleisch heet het: dengdeng.↑
6Poendang is dun gesneden en in de zon gedroogd vleesch. Wordt veelal van hertenvleesch gemaakt. In ’t Maleisch heet het: dengdeng.↑
7Allang-allang is een grassoort, die soms 2 M. hoogte bereikt en in het Dajaksch: garigit genoemd wordt.↑
7Allang-allang is een grassoort, die soms 2 M. hoogte bereikt en in het Dajaksch: garigit genoemd wordt.↑
8Kawawohan boelauis de naam van den Dajakschen Hemel. Zie hierover: Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver.↑
8Kawawohan boelauis de naam van den Dajakschen Hemel. Zie hierover: Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver.↑
9Balian = priesteres en hetaire. Zie hierover, als ook over Tempon Telon de Charon der Dajaks, de meer aangehaalde Ethnographische beschrijving van den schrijver.↑ab
9Balian = priesteres en hetaire. Zie hierover, als ook over Tempon Telon de Charon der Dajaks, de meer aangehaalde Ethnographische beschrijving van den schrijver.↑ab