[Inhoud]XX.Beraadslaging.—Het „blako ontong.”—De verdrijving van het ongeluk.—Een kanonsalvo.—De offerande.—Een nationale dans.—Weg met den tulband.—La Cueille verliefd.—La Cueille verloofd.—Zichtbare hemelsche interventie.—Een conferentie verijdeld door twee geweerschoten.—Staaltjes van dankbaarheid.—Een drijvend eiland.—Een poging tot overrompeling.—Een duivelendans.„Morgen met het krieken van den dag ga ik naar de kotta, om den Amai te spreken.”„Maar Tomonggong!” stoof de luitenant op, „na ’t geen gebeurd is, is ieder nader aanzoek van onze zijde onmogelijk geworden. Daarenboven uw leven zal niet veilig zijn.”„Mijnheer zal een onwetend volk niet te euvel duiden, dat zij tegen de gebruiken der blanken gezondigd hebben, daartoe ken ik hem te goed. En wat mij betreft, mij zal geen haar gedeerd worden. Ik ben een bloedbroeder van Amai Kotong; we hebben meermalen elkanders bloed gedronken en elkander alle hulp en bijstand gezworen. Ik ben bekend bij al de bewoners der kotta, tot bij de kinderen toe. Ik ben aller vriend. Wie zou mij, oud man, kwaad doen? Ik houd mij verzekerd, dat, wanneer iemand van de bevolking van kotta Djankang mij morgen ochtend ontwaren zal, een luide vreugdekreet zal opgaan en de poort terstond geopend zal worden. En krijg ik Amai Kotong maar te spreken, dan is spoedig[47]alle misverstand uit den weg geruimd en zal aan het bloedvergieten een einde zijn.”Het grijze hoofd sprak zoo overtuigend, dat zijn kalmte en rustig inzicht in den staat van zaken aanstekelijk werkten. De officier, ofschoon reeds half gewonnen, meende toch nog iets in het midden te moeten brengen.„Dat is allemaal mogelijk, Tomonggong, als alles toegaat, zooals ge het wenscht, maar wat en hoe, als een der deserteurs op schildwacht staat en u het eerste ziet? Die zendt u eenvoudig een kogel toe.”„Die kans is te loopen, ofschoon ik nog niet toegeef, dat die blanken, die ik evenmin iets misdaan heb, het maar zoo dadelijk op mijn leven zullen toeleggen. Maar laat het, dan nog tel ik die kans zeer gering, daar ik met het krieken van den dag naar de kotta zal gaan en de Europeanen dan nog wel slapen zullen. Uw landslieden, Heer, zijn zoo vroegtijdig in den regel niet ter been.”„Dat Hatallah u geleide en bescherme, Tomonggong!” sprak de luitenant na een poos bedenkens. „Ik geloof dat uw voorstel nog het beste is, wat in de bestaande omstandigheden te doen is.”De avond was intusschen gevallen en zoo was de eerste dag van het beleg ten einde gespoed. Van weerszijden werden schildwachten geplaatst en maatregelen getroffen om zich zooveel mogelijk tegen een overrompeling te beveiligen. Uit den aard der zaak was die taak voor de belegerden gemakkelijker dan voor de belegeraars, daar genen achter hunne hooge palissaden, die zoo maar niet onbemerkt te beklimmen waren, vrij veilig zaten en de anderen daarentegen schier zonder beschutting onder den blooten hemel moesten bivouakeeren, hetgeen hen wel blootstelde aan onverwachte aanslagen van den kant hunner tegenpartij.[48]De nacht ging evenwel ongestoord voorbij, althans noch belegeraars noch belegerden waagden zich aan het plegen van een vijandelijke daad.In de versterking evenwel had, nadat de schildwachten uitgesteld waren, een plechtigheid plaats, die bij het kinderlijke en onnadenkende van het Dajaksche karakter in den bestaanden toestand toch met alle weidschheid opgevoerd werd en dan ook tot een echt Dajaksch feest aanleiding gaf. Dat was het „blako ontong”, dat gevierd moest worden om van denRadja balawang boelau1geluk af te smeeken over het aanstaande huwelijk van de schoone Hamadoe met Dohong, alias Wienersdorf. Bij zulke gelegenheden vervangt het „blako ontong” het Europeesche verlovingsfeest en Harimaoung Boekit, die zijn jongste zuster innig lief had, stelde zich tot taak de herinnering aan die verloving in het geheugen van de bewoners van kotta Djankang te doen levendig blijven.Zoodra de zon onder den horizon verdwenen was en de maan, die bijna vol was, hare heerschappij aanvaard had en haar liefelijk zacht licht over het aardrijk goot, werd de bruid van hare woning afgehaald door een eerewacht van zeven jonge meisjes, die evenals zij slechts met de „saloi” (korte sarong) gekleed waren en dus het bovenlijf geheel ontbloot vertoonden. Van den anderen kant waren zeven Poenans, geheel in oorlogskostuum, met de muts van kattenvel op het hoofd, het baaitje van boomschors aan, den mandauw om de lendenen gegord, de lans in de rechter en de „talawang” (schild) in de linkerhand, naar het vertrek van Wienersdorf gegaan om dien af te halen. De verloofden werden vervolgens in een groote loods binnengeleid, evenwel zoo, dat[49]beiden gelijktijdig, maar langs een tegenovergestelden kant binnentraden. Zoodra zij onder het afdak verschenen, begonnen de aanwezige Balians op hare katambong’s (trommel) te kloppen en een lofzang op de beide feestvierenden aan te heffen. Intusschen werden de verloofden voortgeleid, tot zij in het midden van de loods elkander ontmoetten. Daar bood Hamadoe met een liefelijk gebaar haren aanstaande een mandauw aan als zinnebeeld, dat zij alle bescherming van zijne dapperheid verwachtte. Beiden gingen toen zitten, ieder op een fraai gebloemde rottanmat; het meisje te midden van de vrouwelijke bewoonsters der kotta, die allen present waren; de bruidegom te midden der Poenans; beiden evenwel zoo, dat in het midden der zeer ruime loods een zekere ruimte vrij bleef, alwaar zeven Balians post vatten en hare bezweringsgezangen begonnen.De twee eerste dier gezangen hadden ten doel alle ongeluk uit te drijven en te verjagen. Toen die geëindigd waren, greep ieder der aanwezenden, tot de bruid toe, een stok, een stuk hout of eenig ander voorwerp om daarmede, voorgegaan door de priesteressen, op de stijlen, de omwanding en het dak van de loods met alle geweld te kloppen. Daarna toog men naar buiten om op de overige woningen en gebouwen in de kotta, tot zelfs op de palissaden der borstwering, te kloppen en te slaan, ten einde ieder ongeluk en alle booze geesten te verdrijven. Het was een leven als een oordeel.Komiek was het te zien, hoe onze Waal La Cueille, de pseudo-Arabier Sjech Mohammed Al Mansoer, zich bij dat spektakel van zijn taak kweet. Hij had een boomtak gegrepen en sloeg daarmede als een bezetene op alles wat hem voorkwam. Hij alleen maakte meer leven dan vijf en twintig anderen te zamen. De[50]Dajaks hadden pret den heiligen man zoo in de weer te zien; een opmerkzaam toeschouwer zou evenwel spoedig bespeurd hebben, dat La Cueille zich steeds in de nabijheid van een jonge flinke deern van de lijfwacht der bruid hield en dat hij, al kloppende met zijn tak, den galant speelde en de aandacht zocht te winnen van de uitverkorene zijns harten. Hij was daarmee nog druk bezig en wie weet of hij de genegenheid der schoone toen niet reeds zoude verworven hebben, toen plotseling al de kanonnen der kotta als van zelf losbrandden. Onze Sjech buitelde over zijn hoofd van schrik, vloog weer overeind, als ware hij door een sterke veer opgewipt en spoedde zich, onder het onmatig gelach der Dajaks, die zich over zijn val zeer vroolijk maakten, naar de geschutstellingen, alwaar hij meende als eerste artillerist der vesting present te moeten zijn. Wat daar gebeurd was, zag hij spoedig in.Zoodra de jacht op de booze geesten begonnen was, had zich Dalim met nog een paar Dajaks onbemerkt naar de bastions begeven. Daar hadden zij, na de projectielen er uit gehaald te hebben, de stukken omgekeerd met de monding naar het midden der kotta en, toen het helsche geklop op de gebouwen en de palissaden begon, losgebrand, om zoo tot de verdrijving krachtdadig mede te werken. Want volgens het heerschende bijgeloof kan een geest niet veel spektakel verdragen, en is in ’t geheel niet tegen buskruitwalm bestand. Zoodra hij dien in den neus krijgt, zoekt hij een goed heenkomen.Het gelach duurde nog, ja sommigen der jongsten bootsten de geziene buiteling na, toen de Sjech terugkwam in de loods, alwaar de verloofden hun oude plaatsen te midden hunner eerewachten hadden ingenomen. Zijn heiligheid was op het punt een vromen[51]vloek over de lachers uit te spreken, toen hij zijn vriendinnetje weer even leuk, maar toch lief, naast de bruid zag zitten en zij hem ondeugend toelachte. Het speet hem toen, dat hij door dat onverwachte kanongebulder haar geen handje had kunnen drukken.De Balians spreidden nu in het midden der loods op een mat de offergaven uit, die denRadja balawang boelanzouden aangeboden worden, namelijk: zeven volwassen witte kippen, een ei, zeven pakjes van pisangbladeren vervaardigd, met gekookte rijst en zeven bamboegeledingen met rauwe rijst gevuld, zeven stukken suikerriet van een vadem lang, wijders gebak, confituren en vruchten. De priesteressen ontstaken verder twee vuren van groen hout, die veel, zeer veel rook verspreidden. Toen zij daarmede behoorlijk gereed waren, galmden zij hunne bezweringsgezangen uit om den „Drahen tato antang”2te noodzaken de „gana”3(zielen) van die offeranden bij denRadja ontongte brengen.Gedurende die gezangen hielden de jongelingen, om de vuren verzameld, zich onledig met hun „sipet” (blaasroeren)4vergiftigde pijltjes in de omhoog stijgende dikke rookwolken te blazen, om daardoor de onreine en ongeluk aanbrengende geesten te beletten terug te keeren. De overige feestgenooten, zoo vrouwen als mannen, vormden onderwijl een grooten kring om een paal—[52]in de noordelijke helft van de loods geplant, waaraan een „handangan” (buffel, karbouw) gebonden was—door elkander met de toppen der wijsvingers aan te raken, waarbij zij beurtelings eenige passen voor en achterwaarts deden, op de knieën doorbogen, totdat zij schier neergehurkt waren, en eindelijk onder het uitstooten van een rauwen gil weer opsprongen.Toen die nationale dans, „bigal” genaamd, waaraan evenwel de verloofden en hun eerewachten geen deel genomen hadden, zoo wat een uur geduurd had, werd de buffel op de meest wreedaardige wijze met lanssteken doodgemarteld. Daarna werd het nog lillend vleesch door eenige oude vrouwen afgescheurd, in allerijl gekookt, gebraden en gepoft, waarna het aan de nedergehurkte feestvierenden werd rondgedeeld, die het zoo maar uit het vuistje verorberden.Met het bloed van den buffel werden de verloofden op het voorhoofd, de borst en de handen bestreken. Vervolgens legden de Balians voor ieder der beide huwelijkskandidaten een stuk rottan ter lengte van ongeveer twee dM. neder, dat bedekt was met een laag deeg van rijstenbrij vervaardigd, met stofgoud vermengd. Daarna brachten de priesteressen een klapperdop met toeak gevuld aan de lippen, namen ieder een goede teug en gaven hem aan de verloofden over, waarvan de een den ander liet drinken en die eindelijk den klapperdop aan de omstanders overreikten.De Dajaks, zoowel vrouwen als mannen, zijn aartsliefhebbers van sterken drank. Menige hartige teug werd genomen, gul en onbekrompen werd het lekkere vocht rondgediend; de feestvreugde klom weldra ten top. Johannes, Schlickeisen, Amai Kotong en Dalim zorgden evenwel met het oog op de omstandigheden, dat allen binnen de perken eener gepaste vroolijkheid bleven. Zij zelven[53]hadden de verloofden van harte toegedronken, maar onthielden zich wijders het verleidelijke vocht nog aan te raken.Sjech Mohammed Al Mansoer alleen zat op een matje met gekruiste beenen dat vroolijke tooneel met een droefgeestig gelaat aan te staren. De geur van dien toeak streelde zijn reukorganen ongemeen en deed hem het water in den mond komen. Met een soort van afgunst beschouwde hij het gejoel rondom hem. Maar ofschoon zijn Walennatuur in opstand kwam, hield hij zich goed; hij had de belofte afgelegd, zijn kleed van nakomeling des Profeets niet te bezoedelen; hij zou die gelofte gestand doen. Zijn makkers zouden zien, dat ook hij, als het er op aankwam, zich zou weten op te offeren voor het algemeen belang. Hij zat daar nog zoo zich moed en standvastigheid in te praten, toen eensklaps een allerliefst hoofdje over zijn schouder heenboog en hem een klapperdop met toeak gevuld onder den neus liet passeeren.Hij vloog op en trachtte de verleidster te grijpen, maar vlug als een hinde, was zij in een oogwenk op een afstand.„Olo salam pali mihop toeak!” (Den mohammedaan is het niet geoorloofd toeak te drinken) riep zij hem uit de verte schalksch toe.„A bas la sequelle!” riep de Waal, terwijl hij zich den tulband afsleurde van het hoofd en dezen door de loods wierp.Daarop sprong hij op het schoone kind toe. Was hij haar nu te vlug af geweest, of had zijn daad het hart van de heidensche maagd getroffen? Wie zal dat uitmaken? In het volgende oogenblik hield hij haar in zijn linkerarm tegen zijn borst geklemd en greep hij, na haar een hartelijken kus op de lippen gedrukt te hebben, den klapperdop, dien hij in een teug ledigde.[54]Een daverend hoera beantwoordde dien dronk, en toen de onttulbande Arabier verlegen rondkeek, zag hij zich door de feestvierenden omringd, die hem met vroolijk lachende gezichten als met zijn keus geluk wenschten.„Het is wat moois zijn geloof te verzaken,” mompelde Johannes den Waal in het oor. „Maar het meisje is het waard, dat beken ik. Je zult nu Wienersdorf niets meer te benijden hebben. We zullen nu twee huwelijken hebben in plaats van een.”Onthutst keek de Waal zijn makker aan en liet het meisje los.„Twee huwelijken?” vroeg hij onnoozel. „Hoe zoo?”„Denk jij de meisjes zoo maar te kunnen zoenen in de Dajaklanden? Dat zullen ze je wel anders leeren. Trouwen zul je!”La Cueille dacht een poosje na. Maar de bekoorlijke Moendoet gekleed of eigenlijk niet gekleed in den bijna afwezigen tooi van Dajaksch bruidmeisje stond voor hem.„Eh bien, vogue la galère!” brulde de Waal in vervoering, terwijl hij andermaal het lieve kind in de armen sloot en het verbond met een kus bezegelde.Onder al die feestelijkheden en bedrijvigheden was het middernacht geworden. Toen de maan in het zenith stond, grepen de Balians de stukken rottan, die zij voor Dohong en Hamadoe hadden neergelegd, ontdeden ze van het omhulsel van deeg, maten ze, waarna de verklaring werd afgelegd, dat beide stukken iets langer geworden waren. Dat was een gunstig teeken. Het gebezigde deeg werd nu behandeld. Het stofgoud moest er uitgewasschen worden. Bij naweging werd ook dat bevonden vermeerderd te zijn en nu kwam aan de vreugde geen eind; want het bewijs was geleverd, dat de invocatie der priesteressen krachtdadig was geweest. De machtige Radja balawang boelau had toch zijn hulp toegezegd[55]en konden de verloofden in hun toekomstigen huwelijken staat op veel heil en voorspoed rekenen. Ieder hunner moest dat stukje rottan, waardoor de bovenaardsche gunst zich geopenbaard had, bij zich steken en steeds bewaren. Harimaoung Boekit nam op zich, van het gebruikte stofgoud, waarin zich ook de hemelsche scheppingskracht zoo wonderbaarlijk getoond had, natuurlijk onder toevoeging van het ontbrekende metaal, twee ringen te laten vervaardigen, die beide partijen steeds dragen zouden. Het Poenanhoofd betaalde daarenboven de Balians vorstelijk voor haar priesterlijke tusschenkomst en daarmede was de plechtigheid van het blako ontong ten einde.Maar daarom de feestvreugde niet. Toeak met gebak werd ook na de godsdienstige plechtigheid in overvloed aangeboden en de gulste vrijgevigheid heerschte den geheelen nacht. Allen zonder onderscheid dronken een gezonde teug zonder tot onmatigheid over te slaan. Men was en bleef slechts vroolijk en men onderhield die vroolijkheid op gepaste wijze. Zelfs de Waal, die, nadat hij met zijn tulband ook den Profeet met zijn geheele leer naar den drommel gezonden had, zich van allen geestelijken dwang ontslagen achtte, hield onder het toezicht van Schlickeisen de matigheid in het oog en nam niet dan met diens toestemming een lekkere teug uit de poezele hand zijner uitverkorene aan.De dageraad begon in het Oosten te gloren, toen de lofzangen der Balians nog weerklonken. Eerst hadden zij loftuitingen op bruid en bruidegom geïmproviseerd, daarna op haar bloedverwanten en zijn vrienden, waarbij de ex-Sjech en de lieve Moendoet niet vergeten werden en eindelijk ook op het Poenanhoofd en het kottahoofd. Wie weet met wiens lof zij geëindigd zouden zijn; zij werden evenwel door een paar geweerschoten gestoord,[56]die aan het feest een einde maakten en de mannelijke bevolking naar de borstwering deden spoeden.Ziehier wat aanleiding tot die schoten gegeven had.Johannes en Schlickeisen hadden zich gedurende het feest meermalen naar de geschutstellingen begeven om de waakzaamheid der schildwachten gaande en zelf het oog te houden op hetgeen buiten voorviel. Het begon eventjes te dagen, toen zij, andermaal op den uitkijk staande, aan den rand van het woud eenige beweging ontwaarden, die hun verdacht voorkwam. Zij zagen namelijk eenige mannen, waaronder zij bij den schemer aan zijn uniform den luitenant meenden te herkennen, elkander de hand drukken, waarna een hunner op de kotta afkwam en de anderen zich in den boschrand terugtrokken. Om geen noodeloos alarm te maken, sprong Johannes van het banket af en ging Harimaoung Boekit halen, om met hen uit te kijken. Zij zouden zich dan niet vergissen kunnen of het vriend of vijand was, die daar naderde. Nauwelijks was dan ook het Poenanhoofd op het banket der borstwering of hij deed zijnen medeschildwachten opmerken, dat het de Tomonggong van Kwala Kapoeas was.„Ge moet hem geen leed doen,” sprak hij, „hij is een oud vriend van mij.”„Neen,” antwoordde Johannes, „hem zal geen leed geschieden; hij is een te braaf oud man. Maar hij mag niet in de kotta toegelaten worden. Spreek gij hem toe, Amai; maar denk aan de galg, die de blanken u toegezegd hebben.”De Poenan lachte verachtelijk.De oude Nikodemus naderde intusschen geheel onbezorgd. Hij hield in de rechterhand een kleine Hollandsche vlag aan een kort stokje, in de linker een fraaien wandelstok van rottan met zwaren gouden knop, waarop[57]het Nederlandsche wapen prijkte. Toen hij tot omstreeks honderd pas van de versterking genaderd was, zag hij plotseling een hoofd boven de borstwering verschijnen en hoorde hij een stem zich toeroepen:„Sabèh Amai Tomonggong! Narei gawim ikau kantoh?” (Zijt gegroet, vader Tomonggong! wat komt gij hier doen?).Verschrikt van die stem, die hij zich meende te herinneren meer gehoord te hebben, keek hij scherp toe en ontzetting teekende zich op zijn wezenstrekken, toen hij het lachende gelaat van Harimaoung Boekit herkende. Het gevreesde Poenanhoofd te kotta Djankang! Wat kwam die daar doen? Dat ging het begrip van den ouden man te boven. Zou dan toch de luitenant gelijk hebben, dat in de bovenlanden de een of andere aanslag gebroed had? Hij was zoo verbijsterd, dat hij vergat antwoord te geven op de hem gedane vraag. Hij stond daar aan een standbeeld gelijk. Plotseling knalden twee geweerschoten, die, met onberispelijke kunstvaardigheid afgegeven, hem de vlag uit de eene en zijn waardigheidsstok uit de andere hand sloegen. Zoowel Johannes als Schlickeisen hadden bewijzen van hun schutterskunst gegeven; zij hadden den ouden man niet willen deren, maar slechts schrik willen aanjagen. Dat was hun meesterlijk gelukt. De ontstelde Dajak, meenende dat het op zijn leven gemunt was, sloeg bijkans achterover van schrik. Een oogenblik stond hij als wezenloos; hij zocht met de oogen naar de stukken van zijn verbrijzelden stok, die hem dierbaar was, omdat hij dien als tevredenheidsbetuiging van het Nederlandsche bestuur erlangd had, Maar toen hem de stem van Harimaoung Boekit in de ooren krijschte:„Amai, oendoer goeloengoeloeng!” (vader, maak dat je weg komt), toen maakte hij beenen. De beide Europeanen[58]gaven hem nog een paar schoten met los kruit achterna en bespoedigden zoo zijn vlucht.„Daar heb je ’t gedonder in de glazen!” vloog de luitenant op, toen hij de eerste schoten vernam, „een paar van die rakkers zullen op post gestaan hebben en met hun zeker schot hebben ze voorzeker dien armen Tomonggong geveld. Had ik hem toch maar niet laten gaan!”De laatste verzuchting was ter nauwernood geslaakt en Tomonggong Patti Singa Djaja had nog geen tijd gehad ook zijn meening te uiten, toen de reeds dood gewaande verscheen. Hevig ontsteld en ademloos van het loopen, liet het oude hoofd zich op een boomstronk neervallen en was in de eerste oogenblikken in volslagen onmogelijkheid een enkel woord uit te brengen. Een teug brandewijn met water uit des luitenants veldflesch bracht het kloppende hart eenigszins tot bedaren. Eindelijk na veel zuchten en hijgen ontsnapte hem als in wanhoop:„Jèi! Amai olo Poenan hetèh!” (O wee! het opperhoofd der Poenans is er.)Bij het vernemen dier woorden teekenden angst en schrik zich op het gelaat van den Tomonggong van Kwala Hiang, terwijl de officier van dien uitroep weinig of niets begreep. Het kostte nog al moeite en geduld om Nikodemus verder tot bedaren te brengen en tot het verhalen zijner wederwaardigheden te bewegen. Toen hij eindelijk aan het verlangen zijner toehoorders voldaan had, sprak hij als zijn oordeel uit:„Onze toestand, Heer! is nu uiterst zorgelijk geworden.”„Hoe dat zoo, Tomonggong?”„De Poenans zijn zeer ondernemende kerels en het verwondert mij uitermate, dat de nacht ongestoord is voorbijgegaan. Voor het uitvoeren van nachtelijke overvallen hebben zij huns gelijken niet.”[59]„Och Tomonggong! dat zal zoo’n vaart niet loopen,” was de meening van den luitenant, „ik maak mij daaromtrent niet ongerust.”„Ik wel Heer”, was het ernstige antwoord. „Dat we niet reeds een grootere ramp te betreuren hebben, wijt ik alleen, eensdeels aan het heldere maanlicht, waarvan de Poenans bij hun overvallen niet houden, maar nog meer aan de feestelijkheden, die heden nacht in de kotta gevierd zijn. We hebben toch tegen negen uur dat gebulder van de kanonnen en gedurende den geheelen nacht door het gegil der Balians gehoord.”„Nu, Tomonggong,”viel de luitenant lachende in, „uw landslieden zijn feestvierders van professie, daar kunnen alle studenten van welke universiteit ook een puntje aan zuigen. Ze zijn nu eenmaal bij elkander, en zullen gedurende den volgenden nacht ook wel aan het fuiven gaan. En me dunkt, dat dan de gelegenheid schoon zal zijn om een ernstigen aanslag op de kotta te wagen.”De oude Nikodemus schudde weemoedig het hoofd.„Als ze ons maar niet voor zullen zijn!” riep hij uit. „Ik vrees dat ze zoo ongestoord geen tweeden nacht voorbij zullen laten gaan. Maar.… maar Heer, al zou het zoo zijn als ge denkt, dat ze weer feest zullen vieren, dan moogt ge toch niet aannemen, dat ze den omtrek onbespied zullen laten. Mijn landslieden zijn wel onbezonnen en handelen wel eens ondoordacht, maar zulke groote kinderen zijn het niet. Het zal in den aanstaanden nacht volle maan en derhalve bijna zoo licht als overdag zijn. Er zal niet aan gedacht kunnen worden, de kotta ongemerkt binnen te dringen.”„We kunnen het in ieder geval beproeven. Wie weet hoe het geluk ons dient. Heden avond kan een onweersbui opkomen; in dit seizoen zou dat niet onmogelijk zijn en juist is het gedurende deze laatste dagen buitengewoon[60]warm geweest. ’t Zou me niet verwonderen, als we heden avond betrokken lucht hadden. En … zeg eens Andingkoe! zou dan de kans niet schoon zijn om het Nederlandsche Gouvernement nieuwe redenen tot dankbaarheid te geven?”Voor een oogenblik vloog een glimlach met veel bitterheid doortrokken, over het gelaat van den braven Nikodemus; maar ook slechts voor een oogenblik, want terstond daarna vertoonde hij zich weer hoogst ernstig en verviel hij in nog grootere droefgeestige stemming.Wat ging er om in dat oogenblik in de ziel van dien grijsaard? O! het was onhandig van den officier, dien man aan de dankbaarheid van het Nederlandsche Gouvernement te herinneren. Zou dien eenvoudigen Dajak zijn afgelegde levensloopbaan, geheel aan den dienst van dat Gouvernement gewijd, voor den geest gezweefd hebben? Zou hij zich herinnerd hebben, dat hij altijd, maar vooral gedurende de laatste jaren, die jaren van den meest hardnekkigen oorlog, die Borneo ooit beroerde, de stiptste trouw aan dat Gouvernement had betracht? Klonken hem de verleidelijke aanbiedingen nog niet in de ooren, door Pangerang Antassari in persoon, door de Pembekels Djalil en Soelil namens den Rijksbestierder Pangerang Hidajat Oellah gedaan, indien hij tot de partij des opstands zou willen toetreden? Stelde hij tegenover die vorstelijke aanbiedingen de povere dertig gulden, die hem zonder meer door dat Gouvernement maandelijks werden toegeteld om in de behoeften van zijn talrijk huisgezin uitsluitend te voorzien, daar hem het uitoefenen van handel of nijverheid door zijn benoeming tot districtshoofd verboden was? Of dacht de onnoozele Dajak dat alles zoo niet in bijzonderheden na en zweefde het hem maar onbestemd bij het hooren van dat woord dankbaarheid voor den geest?[61]Met een blik op het hoogst ernstige gelaat zag de luitenant in, welke teedere snaar hij aangeroerd had. Hij, meer dan iemand anders, kon beseffen hoe verregaand ondankbaar dat trouwe hoofd behandeld was. Hij wist, en wel degelijk, omdat alles van hem uitgegaan was, hoeveel schrijvens, welke beroepen op mildheid het gekost had, hoe vaak hij had moeten herinneren, dat vele levens van Europeanen verloren zouden zijn gegaan, wanneer Nikodemus tot de zaak der onafhankelijkheid zijns volks ware toegetreden, om den trouwen dienaar die luttele twaalf rijksdaalders te bezorgen, die zijn ganschen rijkdom uitmaakten. Hij herinnerde zich de vele beslommeringen, die hij zich had moeten getroosten om den braven Tomonggong een ander blijk van de Hooge Regeering te bezorgen, toen het gouden uurwerk, dat hij zich voor zijne trouwe diensten en zijn onbezweken geestkracht bij de wetenschappelijke reis van Dr. Schwaner, dien hij dwars door geheel Borneo vergezelde, verworven had, bij het zinken van het stoomschip Tjipannas, bij Poeloe Naning5verloren was gegaan. De officier herinnerde zich nog den bitteren glimlach, die zijn eigene lippen verachtelijk deed krullen, toen hem eindelijk dat blijk in handen kwam en dit niets anders was dan een sabel, wel is waar met zwaar verguld gevest en scheede, maar in het oog van den inlander, vooral voor den bewoner van het goudland, juist door zijn verguldsel, dat als armzalige nabootsing van het edele metaal veracht wordt, geheel zonder waarde was. Eenmaal op dien weg der herinneringen kon de officier niet uit het hoofd[62]bannen, dat hij zich, op verzoek van den ouden man, alle moeite gegeven had diens zoon, Radhen Karsa Nagara, naar Java gezonden te krijgen, ten einde daar bij een der hoofden in het binnenland het landelijk stelsel en de werking van het inlandsch bestuur van nabij te beschouwen; dat die jongeling eindelijk na veel geschrijf, bij den Regent van Samarang, een der rijkste Javaansche hoofden, geplaatst werd, maar dat hem een zoo schamel traktement toegelegd werd, dat hij na weinige maanden genoodzaakt was, door gebrek en armoede vernederd en verbitterd naar Borneo terug te keeren.Nogmaals, het was onhandig geweest aan die dankbaarheid te herinneren.Lang liet de oude Tomonggong op zijn antwoord wachten en de luitenant miste den moed het stilzwijgen te verbreken. Eindelijk hernam het hoofd met een zucht:„Het zal niet gaan, Heer! Onze wil moge goed zijn, het zou niets dan noodeloos bloedvergieten veroorzaken.”„Laten we geen overhaast besluit nemen, Tomonggong; wie weet wat het toeval ons nog aan de hand doet. We moeten onze menschen steeds bij de hand hebben om terstond de omstandigheden, die zich voor mochten doen, te kunnen benutten.”„Als onze menschen vernemen, dat Harimaoung Boekit met zijn Poenans in de kotta is, dan zullen ze niet te bewegen zijn haar aan te vallen. Ik vrees zelfs dat zij dan wegloopen zullen.”„Ik ook,” bevestigde Tomonggong Patti Singa Djaja.„Maar wat doet dat Poenanhoofd te kotta Djankang?” vroeg de luitenant.„Ik weet het niet, Heer; mijn verstand staat er stil voor. Kon ik Amai Kotong maar te spreken krijgen.”[63]„Maar bij uw tocht naar de kotta, hebt ge toen geen Europeanen gezien?”„Neen Heer, ik heb alleen het lachende gezicht van Harimaoung Boekit ontwaard.”„Wie heeft er op u geschoten?”„Dat weet ik niet; zij die schoten stonden achter de palissaden, hunne geweren staken door schietgaten. Er is slecht geschoten, want anders had men mij op dien korten afstand wel getroffen.”De luitenant glimlachte.„Er is prachtig geschoten, Tomonggong, geloof me,” verzekerde hij. „’t Zijn voorzeker de twee Zwitsers geweest, die vuur gaven. Ze hebben u niet willen dooden.”„Dat Hatallah hen dan zegene!”„Amen,” lachte de officier.Er werd verder besloten de aanwezigheid van den geduchten koppensneller in de kotta stipt geheim te houden en de versterking zoo dicht in te sluiten als maar mogelijk was. Wellicht was de proviand daar binnen niet ruim; gebrek zoude de bezetting tot onderhandelen kunnen nopen en zoo tot het doel voeren, waar open strijd ongeraden scheen.Na die poging van Tomonggong Nikodemus gingen een tweetal dagen en nachten in ongestoorde rust voorbij. Des luitenants verwachtingen, dat de lucht betrekken zoude en zoo uitzicht geven op de mogelijkheid eener overrompeling, werden niet verwezenlijkt. De maan steeg iederen avond helder boven den boschrand op en overgoot alles met haar zacht maar helder wit licht. Niets kon binnen een kring van tweehonderd meter straal rondom de versterking gebeuren, zonder dat zulks door de belegerden ontwaard werd. Het ware volslagen zinneloosheid geweest onder zulke omstandigheden een aanval te beproeven. Maar van den anderen kant beveiligde[64]datzelfde maanlicht ook de belegeraars voor de aanslagen der Poenans en niet onduidelijk gaf Harimaoung Boekit te kennen, dat hij naar een nachtelijke onweersbui haakte, om eens afrekening te houden met hen, die hij nog steeds vermeende er op uit te zijn hem te vangen.Kort na het intreden van den derden nacht—het was toen vrij donker, daar de maan eerst tegen half acht uur boven den gezichteinder zoude verschijnen—kwam een der schildwachten Johannes waarschuwen, die met Amai Kotong, Dalim en Harimaoung Boekit zat te kouten, dat bovenstrooms op de rivier een groot vormloos ding zichtbaar werd, dat langzaam voor den stroom afzakte. Allen sprongen in allerijl op, grepen hun wapenen en spoedden zich naar den rivierkant om te zien wat er gaande was. En werkelijk, op ongeveer een driehonderd meter afstands, kon men een voorwerp ontwaren, dat langzaam naderde. Het was veel te groot voor een prauw; het was geen vlot, daartoe was het te onregelmatig van vorm. Het geleek meer een drijvend eiland en, ware men in de benedenstreken, waar die eilanden, uit lange grassoorten, rietgewassen en schilf bestaande, in den vollen regentijd niet zeldzaam heeten, dan zou er de aandacht nauwelijks op gevestigd zijn. Hier evenwel baarde het argwaan. Allen werden zachtkens onder de wapens geroepen, het was raadzaam op alles voorbereid te zijn. In de Dajaklanden is de oorlog in den regel niets anders dan een afwisseling van hinderlagen, die de partijen elkander leggen.Terwijl men nog tuurde en beraadslaagde, weerklonk op eens aan de achterzijde der Kotta een akelig alarmgeschreeuw, al zeer spoedig gevolgd door een aantal geweerschoten. Van de duisternis gebruik makende, had[65]de luitenant zijn Dajaks tot bij de palissadeering weten te voeren. Daar de geheele aandacht der bezetting op de rivier gevestigd was, zou werkelijk een beklimming gelukt zijn; maar een der vrouwen zag onverwachts een gedaante van boven de borstwering naar beneden springen. Zij had een hakmes in de hand, waarmede zij bezig was hout te kloven. Nog vóór dat de indringer van zijn verdooving, door den hoogen sprong veroorzaakt, bekomen was en zich verweren kon, had zij hem eenige hakken over hoofd en armen toegediend, zoodanig dat hij weldra weerloos in zijn bloed lag te wentelen. Op het geschreeuw der vrouw schoten eenigen derbezettingtoe. Een tweede, een derde, een vierde aanvaller, die boven de palissadeering verschenen, maakten kennis met de mandauws der Poenans en tuimelden zwaar gekwetst naar beneden in de scherpe randjoe’s, die aan den voet der borstwering geplant waren. De twee Zwitsers en La Cueille, met hun geweren in de hand, waren nagenoeg gelijktijdig met de Poenans op het banket verschenen en openden dadelijk een hevig vuur, hoewel zij in het donker weinig bespeurden.Na dat vuur een poos onderhouden te hebben, begrepen zij uit het gegil en geschreeuw, hetwelk heel in de verte vernomen werd, dat het onmiddellijk gevaar geweken was, en staakten zij het schieten. Bij onderzoek vond men een lijk binnen de versterking en vier zwaar gekwetsten daar buiten. Het was onmogelijk de Poenans in hun eerste opwelling van toorn te weerhouden die ongelukkigen te snellen. Trouwens in het donker en bij de niet geringe verwarring en ontsteltenis, die vooral bij de vrouwen nog steeds heerschten, dacht daar ook niemand aan. Het duurde dan ook niet lang, of de drie Europeanen zagen de Poenans een houtvuur op het binnenplein der kotta ontsteken en toen de vlammen[66]hoog opflikkerden, dansten die wilden er om heen met de gesnelde koppen in de hand en zwaaiden daarmede, dat het nog gutsende bloed allerwege rondspatte. Vooral was Harimaoung Boekit uitgelaten; hij was de eerste naar buiten gestormd om de kermende gekwetsten af te maken. Nu sprong hij als een bezetene, gilde tusschenbeide zijn: lēēēēh lèlèlèlè ouiit! wierp van tijd tot tijd zijn hoofd in den nek en liet het nog warme bloed van den kop, dien hij in de hand hield, in den mond loopen.„Zij hebben den koppensneller nog niet!” krijschte hij met juichende stem.Weldra was bijna de geheele bezetting van kotta Djankang in den echten duivelendans opgenomen en gingen de koppen van hand tot hand, opdat ieder een teugje van het lekkere roode vocht zoude kunnen opslurpen. Toen het bloed ophield te stroomen, zogen de onverlaten aan de halstronken, zoo lekker was het.Ontzet wendden de drie Europeanen zich van dat walglijke tooneel af en zochten Johannes op. Waar zat die inmiddels? vroegen zij zich af. Zoodra deze dat gillen vernomen en de daarop gevolgde schoten had hooren knallen, was hij naar dien kant heen gevlogen; maar toen hij zag, dat ieder op zijn post was, de geheele mannelijke bevolking zich gewapend had, ja, de vrouwen den mandauw gegrepen en zijn makkers de leiding der verdediging op zich genomen hadden, spoedde hij zich met Dalim weer naar den rivierkant. Want hij wantrouwde in hooge mate dat drijvende eiland, vooral omdat het verschijnen daarvan zoo zonderling samenviel met den aanval op de achterzijde der kotta. Hij verzamelde fluks eenige strijders om zich en begaf zich daarmede buiten de versterking om op het riviertalud post te vatten. Het[67]vormlooze geraamte kwam al nader en nader, wel niet zoo snel als bij den sterken stroom verwacht kon worden, want nu eens dreef het tegen den kant en haakte aan takken van boomen en struiken vast, dan weer geraakte het bij de eene of andere bocht in een tegenstroom of in een draaikolk, waardoor het of op zijn schreden scheen terug te keeren of als een monstertol ronddraaide.Het geduld van Johannes werd wel op de proef gesteld. De maan begon boven den boschrand tegenover de versterking te verschijnen, en alles in haar zacht licht te hullen. Eindelijk kwam het eiland weer in het bed der rivier terecht en dreef nu recht voor den stroom af.Hoe dichter het kwam, hoe duidelijker het werd, dat de massa uit versch gekapte takken, met lang gras in een gestrengeld, gevormd was. Hoewel de stroom naar de overzijde zette, wendde het eiland blijkbaar naar den kant der kotta toe, alsof het door een menschenhand bestuurd werd. Nog was de drijvende massa den kring, door de versterking beheerscht, niet binnengetreden en dus nog altijd onder het lommer des wouds, toen van uit de struiken ettelijke schoten er op gelost werden. Het waren de luitenant en de beide Tomonggong’s, die op hun beurt het drijvende gevaarte met wantrouwen gadesloegen en bij het voorbij varen er eenige kogels doorjoegen. Doch niets verroerde zich, het eiland bleef stil voor den stroom afdrijven.Toen het den kring binnen trad, door het schoonkappen van het woud rondom de versterking gevormd, kwam het in het volle maanlicht. Johannes meende toen eenige beweging te zien achter die vlottende massa; hij bracht reeds zijn geweer aan den schouder, toen een stem over de watervlakte weerklonk.[68]1Radja balawang boelau. Zie de noot op bladzijde22van dit deel.↑2Drahen tato antangbeteekent Koning der Antangs. Zie over den Antang de noot op bladzijde5van dit deel.↑3De Dajak kent ieder voorwerp, levend of niet, een ziel toe. Van levende wezens heet de ziel „liau”. Van alle andere voorwerpen „gana”.↑4Bij de Dajaks is de lansschacht doorboord. Door dien hollen cylinder worden vergiftigde pijltjes voortgeblazen, die bij verwonding uiterst gevaarlijk zijn. Zie over de pijlvergiften het meergenoemd werk van den schrijver: Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑5Zie over het zinken van dat stoomschip op bladz.168. Dl. I. Ik verdicht niet. Het bedoelde horloge was een ankeruurwerk en aan den gezaghebber der boot ter hand gesteld om het naar Java te zenden ter reparatie.↑
[Inhoud]XX.Beraadslaging.—Het „blako ontong.”—De verdrijving van het ongeluk.—Een kanonsalvo.—De offerande.—Een nationale dans.—Weg met den tulband.—La Cueille verliefd.—La Cueille verloofd.—Zichtbare hemelsche interventie.—Een conferentie verijdeld door twee geweerschoten.—Staaltjes van dankbaarheid.—Een drijvend eiland.—Een poging tot overrompeling.—Een duivelendans.„Morgen met het krieken van den dag ga ik naar de kotta, om den Amai te spreken.”„Maar Tomonggong!” stoof de luitenant op, „na ’t geen gebeurd is, is ieder nader aanzoek van onze zijde onmogelijk geworden. Daarenboven uw leven zal niet veilig zijn.”„Mijnheer zal een onwetend volk niet te euvel duiden, dat zij tegen de gebruiken der blanken gezondigd hebben, daartoe ken ik hem te goed. En wat mij betreft, mij zal geen haar gedeerd worden. Ik ben een bloedbroeder van Amai Kotong; we hebben meermalen elkanders bloed gedronken en elkander alle hulp en bijstand gezworen. Ik ben bekend bij al de bewoners der kotta, tot bij de kinderen toe. Ik ben aller vriend. Wie zou mij, oud man, kwaad doen? Ik houd mij verzekerd, dat, wanneer iemand van de bevolking van kotta Djankang mij morgen ochtend ontwaren zal, een luide vreugdekreet zal opgaan en de poort terstond geopend zal worden. En krijg ik Amai Kotong maar te spreken, dan is spoedig[47]alle misverstand uit den weg geruimd en zal aan het bloedvergieten een einde zijn.”Het grijze hoofd sprak zoo overtuigend, dat zijn kalmte en rustig inzicht in den staat van zaken aanstekelijk werkten. De officier, ofschoon reeds half gewonnen, meende toch nog iets in het midden te moeten brengen.„Dat is allemaal mogelijk, Tomonggong, als alles toegaat, zooals ge het wenscht, maar wat en hoe, als een der deserteurs op schildwacht staat en u het eerste ziet? Die zendt u eenvoudig een kogel toe.”„Die kans is te loopen, ofschoon ik nog niet toegeef, dat die blanken, die ik evenmin iets misdaan heb, het maar zoo dadelijk op mijn leven zullen toeleggen. Maar laat het, dan nog tel ik die kans zeer gering, daar ik met het krieken van den dag naar de kotta zal gaan en de Europeanen dan nog wel slapen zullen. Uw landslieden, Heer, zijn zoo vroegtijdig in den regel niet ter been.”„Dat Hatallah u geleide en bescherme, Tomonggong!” sprak de luitenant na een poos bedenkens. „Ik geloof dat uw voorstel nog het beste is, wat in de bestaande omstandigheden te doen is.”De avond was intusschen gevallen en zoo was de eerste dag van het beleg ten einde gespoed. Van weerszijden werden schildwachten geplaatst en maatregelen getroffen om zich zooveel mogelijk tegen een overrompeling te beveiligen. Uit den aard der zaak was die taak voor de belegerden gemakkelijker dan voor de belegeraars, daar genen achter hunne hooge palissaden, die zoo maar niet onbemerkt te beklimmen waren, vrij veilig zaten en de anderen daarentegen schier zonder beschutting onder den blooten hemel moesten bivouakeeren, hetgeen hen wel blootstelde aan onverwachte aanslagen van den kant hunner tegenpartij.[48]De nacht ging evenwel ongestoord voorbij, althans noch belegeraars noch belegerden waagden zich aan het plegen van een vijandelijke daad.In de versterking evenwel had, nadat de schildwachten uitgesteld waren, een plechtigheid plaats, die bij het kinderlijke en onnadenkende van het Dajaksche karakter in den bestaanden toestand toch met alle weidschheid opgevoerd werd en dan ook tot een echt Dajaksch feest aanleiding gaf. Dat was het „blako ontong”, dat gevierd moest worden om van denRadja balawang boelau1geluk af te smeeken over het aanstaande huwelijk van de schoone Hamadoe met Dohong, alias Wienersdorf. Bij zulke gelegenheden vervangt het „blako ontong” het Europeesche verlovingsfeest en Harimaoung Boekit, die zijn jongste zuster innig lief had, stelde zich tot taak de herinnering aan die verloving in het geheugen van de bewoners van kotta Djankang te doen levendig blijven.Zoodra de zon onder den horizon verdwenen was en de maan, die bijna vol was, hare heerschappij aanvaard had en haar liefelijk zacht licht over het aardrijk goot, werd de bruid van hare woning afgehaald door een eerewacht van zeven jonge meisjes, die evenals zij slechts met de „saloi” (korte sarong) gekleed waren en dus het bovenlijf geheel ontbloot vertoonden. Van den anderen kant waren zeven Poenans, geheel in oorlogskostuum, met de muts van kattenvel op het hoofd, het baaitje van boomschors aan, den mandauw om de lendenen gegord, de lans in de rechter en de „talawang” (schild) in de linkerhand, naar het vertrek van Wienersdorf gegaan om dien af te halen. De verloofden werden vervolgens in een groote loods binnengeleid, evenwel zoo, dat[49]beiden gelijktijdig, maar langs een tegenovergestelden kant binnentraden. Zoodra zij onder het afdak verschenen, begonnen de aanwezige Balians op hare katambong’s (trommel) te kloppen en een lofzang op de beide feestvierenden aan te heffen. Intusschen werden de verloofden voortgeleid, tot zij in het midden van de loods elkander ontmoetten. Daar bood Hamadoe met een liefelijk gebaar haren aanstaande een mandauw aan als zinnebeeld, dat zij alle bescherming van zijne dapperheid verwachtte. Beiden gingen toen zitten, ieder op een fraai gebloemde rottanmat; het meisje te midden van de vrouwelijke bewoonsters der kotta, die allen present waren; de bruidegom te midden der Poenans; beiden evenwel zoo, dat in het midden der zeer ruime loods een zekere ruimte vrij bleef, alwaar zeven Balians post vatten en hare bezweringsgezangen begonnen.De twee eerste dier gezangen hadden ten doel alle ongeluk uit te drijven en te verjagen. Toen die geëindigd waren, greep ieder der aanwezenden, tot de bruid toe, een stok, een stuk hout of eenig ander voorwerp om daarmede, voorgegaan door de priesteressen, op de stijlen, de omwanding en het dak van de loods met alle geweld te kloppen. Daarna toog men naar buiten om op de overige woningen en gebouwen in de kotta, tot zelfs op de palissaden der borstwering, te kloppen en te slaan, ten einde ieder ongeluk en alle booze geesten te verdrijven. Het was een leven als een oordeel.Komiek was het te zien, hoe onze Waal La Cueille, de pseudo-Arabier Sjech Mohammed Al Mansoer, zich bij dat spektakel van zijn taak kweet. Hij had een boomtak gegrepen en sloeg daarmede als een bezetene op alles wat hem voorkwam. Hij alleen maakte meer leven dan vijf en twintig anderen te zamen. De[50]Dajaks hadden pret den heiligen man zoo in de weer te zien; een opmerkzaam toeschouwer zou evenwel spoedig bespeurd hebben, dat La Cueille zich steeds in de nabijheid van een jonge flinke deern van de lijfwacht der bruid hield en dat hij, al kloppende met zijn tak, den galant speelde en de aandacht zocht te winnen van de uitverkorene zijns harten. Hij was daarmee nog druk bezig en wie weet of hij de genegenheid der schoone toen niet reeds zoude verworven hebben, toen plotseling al de kanonnen der kotta als van zelf losbrandden. Onze Sjech buitelde over zijn hoofd van schrik, vloog weer overeind, als ware hij door een sterke veer opgewipt en spoedde zich, onder het onmatig gelach der Dajaks, die zich over zijn val zeer vroolijk maakten, naar de geschutstellingen, alwaar hij meende als eerste artillerist der vesting present te moeten zijn. Wat daar gebeurd was, zag hij spoedig in.Zoodra de jacht op de booze geesten begonnen was, had zich Dalim met nog een paar Dajaks onbemerkt naar de bastions begeven. Daar hadden zij, na de projectielen er uit gehaald te hebben, de stukken omgekeerd met de monding naar het midden der kotta en, toen het helsche geklop op de gebouwen en de palissaden begon, losgebrand, om zoo tot de verdrijving krachtdadig mede te werken. Want volgens het heerschende bijgeloof kan een geest niet veel spektakel verdragen, en is in ’t geheel niet tegen buskruitwalm bestand. Zoodra hij dien in den neus krijgt, zoekt hij een goed heenkomen.Het gelach duurde nog, ja sommigen der jongsten bootsten de geziene buiteling na, toen de Sjech terugkwam in de loods, alwaar de verloofden hun oude plaatsen te midden hunner eerewachten hadden ingenomen. Zijn heiligheid was op het punt een vromen[51]vloek over de lachers uit te spreken, toen hij zijn vriendinnetje weer even leuk, maar toch lief, naast de bruid zag zitten en zij hem ondeugend toelachte. Het speet hem toen, dat hij door dat onverwachte kanongebulder haar geen handje had kunnen drukken.De Balians spreidden nu in het midden der loods op een mat de offergaven uit, die denRadja balawang boelanzouden aangeboden worden, namelijk: zeven volwassen witte kippen, een ei, zeven pakjes van pisangbladeren vervaardigd, met gekookte rijst en zeven bamboegeledingen met rauwe rijst gevuld, zeven stukken suikerriet van een vadem lang, wijders gebak, confituren en vruchten. De priesteressen ontstaken verder twee vuren van groen hout, die veel, zeer veel rook verspreidden. Toen zij daarmede behoorlijk gereed waren, galmden zij hunne bezweringsgezangen uit om den „Drahen tato antang”2te noodzaken de „gana”3(zielen) van die offeranden bij denRadja ontongte brengen.Gedurende die gezangen hielden de jongelingen, om de vuren verzameld, zich onledig met hun „sipet” (blaasroeren)4vergiftigde pijltjes in de omhoog stijgende dikke rookwolken te blazen, om daardoor de onreine en ongeluk aanbrengende geesten te beletten terug te keeren. De overige feestgenooten, zoo vrouwen als mannen, vormden onderwijl een grooten kring om een paal—[52]in de noordelijke helft van de loods geplant, waaraan een „handangan” (buffel, karbouw) gebonden was—door elkander met de toppen der wijsvingers aan te raken, waarbij zij beurtelings eenige passen voor en achterwaarts deden, op de knieën doorbogen, totdat zij schier neergehurkt waren, en eindelijk onder het uitstooten van een rauwen gil weer opsprongen.Toen die nationale dans, „bigal” genaamd, waaraan evenwel de verloofden en hun eerewachten geen deel genomen hadden, zoo wat een uur geduurd had, werd de buffel op de meest wreedaardige wijze met lanssteken doodgemarteld. Daarna werd het nog lillend vleesch door eenige oude vrouwen afgescheurd, in allerijl gekookt, gebraden en gepoft, waarna het aan de nedergehurkte feestvierenden werd rondgedeeld, die het zoo maar uit het vuistje verorberden.Met het bloed van den buffel werden de verloofden op het voorhoofd, de borst en de handen bestreken. Vervolgens legden de Balians voor ieder der beide huwelijkskandidaten een stuk rottan ter lengte van ongeveer twee dM. neder, dat bedekt was met een laag deeg van rijstenbrij vervaardigd, met stofgoud vermengd. Daarna brachten de priesteressen een klapperdop met toeak gevuld aan de lippen, namen ieder een goede teug en gaven hem aan de verloofden over, waarvan de een den ander liet drinken en die eindelijk den klapperdop aan de omstanders overreikten.De Dajaks, zoowel vrouwen als mannen, zijn aartsliefhebbers van sterken drank. Menige hartige teug werd genomen, gul en onbekrompen werd het lekkere vocht rondgediend; de feestvreugde klom weldra ten top. Johannes, Schlickeisen, Amai Kotong en Dalim zorgden evenwel met het oog op de omstandigheden, dat allen binnen de perken eener gepaste vroolijkheid bleven. Zij zelven[53]hadden de verloofden van harte toegedronken, maar onthielden zich wijders het verleidelijke vocht nog aan te raken.Sjech Mohammed Al Mansoer alleen zat op een matje met gekruiste beenen dat vroolijke tooneel met een droefgeestig gelaat aan te staren. De geur van dien toeak streelde zijn reukorganen ongemeen en deed hem het water in den mond komen. Met een soort van afgunst beschouwde hij het gejoel rondom hem. Maar ofschoon zijn Walennatuur in opstand kwam, hield hij zich goed; hij had de belofte afgelegd, zijn kleed van nakomeling des Profeets niet te bezoedelen; hij zou die gelofte gestand doen. Zijn makkers zouden zien, dat ook hij, als het er op aankwam, zich zou weten op te offeren voor het algemeen belang. Hij zat daar nog zoo zich moed en standvastigheid in te praten, toen eensklaps een allerliefst hoofdje over zijn schouder heenboog en hem een klapperdop met toeak gevuld onder den neus liet passeeren.Hij vloog op en trachtte de verleidster te grijpen, maar vlug als een hinde, was zij in een oogwenk op een afstand.„Olo salam pali mihop toeak!” (Den mohammedaan is het niet geoorloofd toeak te drinken) riep zij hem uit de verte schalksch toe.„A bas la sequelle!” riep de Waal, terwijl hij zich den tulband afsleurde van het hoofd en dezen door de loods wierp.Daarop sprong hij op het schoone kind toe. Was hij haar nu te vlug af geweest, of had zijn daad het hart van de heidensche maagd getroffen? Wie zal dat uitmaken? In het volgende oogenblik hield hij haar in zijn linkerarm tegen zijn borst geklemd en greep hij, na haar een hartelijken kus op de lippen gedrukt te hebben, den klapperdop, dien hij in een teug ledigde.[54]Een daverend hoera beantwoordde dien dronk, en toen de onttulbande Arabier verlegen rondkeek, zag hij zich door de feestvierenden omringd, die hem met vroolijk lachende gezichten als met zijn keus geluk wenschten.„Het is wat moois zijn geloof te verzaken,” mompelde Johannes den Waal in het oor. „Maar het meisje is het waard, dat beken ik. Je zult nu Wienersdorf niets meer te benijden hebben. We zullen nu twee huwelijken hebben in plaats van een.”Onthutst keek de Waal zijn makker aan en liet het meisje los.„Twee huwelijken?” vroeg hij onnoozel. „Hoe zoo?”„Denk jij de meisjes zoo maar te kunnen zoenen in de Dajaklanden? Dat zullen ze je wel anders leeren. Trouwen zul je!”La Cueille dacht een poosje na. Maar de bekoorlijke Moendoet gekleed of eigenlijk niet gekleed in den bijna afwezigen tooi van Dajaksch bruidmeisje stond voor hem.„Eh bien, vogue la galère!” brulde de Waal in vervoering, terwijl hij andermaal het lieve kind in de armen sloot en het verbond met een kus bezegelde.Onder al die feestelijkheden en bedrijvigheden was het middernacht geworden. Toen de maan in het zenith stond, grepen de Balians de stukken rottan, die zij voor Dohong en Hamadoe hadden neergelegd, ontdeden ze van het omhulsel van deeg, maten ze, waarna de verklaring werd afgelegd, dat beide stukken iets langer geworden waren. Dat was een gunstig teeken. Het gebezigde deeg werd nu behandeld. Het stofgoud moest er uitgewasschen worden. Bij naweging werd ook dat bevonden vermeerderd te zijn en nu kwam aan de vreugde geen eind; want het bewijs was geleverd, dat de invocatie der priesteressen krachtdadig was geweest. De machtige Radja balawang boelau had toch zijn hulp toegezegd[55]en konden de verloofden in hun toekomstigen huwelijken staat op veel heil en voorspoed rekenen. Ieder hunner moest dat stukje rottan, waardoor de bovenaardsche gunst zich geopenbaard had, bij zich steken en steeds bewaren. Harimaoung Boekit nam op zich, van het gebruikte stofgoud, waarin zich ook de hemelsche scheppingskracht zoo wonderbaarlijk getoond had, natuurlijk onder toevoeging van het ontbrekende metaal, twee ringen te laten vervaardigen, die beide partijen steeds dragen zouden. Het Poenanhoofd betaalde daarenboven de Balians vorstelijk voor haar priesterlijke tusschenkomst en daarmede was de plechtigheid van het blako ontong ten einde.Maar daarom de feestvreugde niet. Toeak met gebak werd ook na de godsdienstige plechtigheid in overvloed aangeboden en de gulste vrijgevigheid heerschte den geheelen nacht. Allen zonder onderscheid dronken een gezonde teug zonder tot onmatigheid over te slaan. Men was en bleef slechts vroolijk en men onderhield die vroolijkheid op gepaste wijze. Zelfs de Waal, die, nadat hij met zijn tulband ook den Profeet met zijn geheele leer naar den drommel gezonden had, zich van allen geestelijken dwang ontslagen achtte, hield onder het toezicht van Schlickeisen de matigheid in het oog en nam niet dan met diens toestemming een lekkere teug uit de poezele hand zijner uitverkorene aan.De dageraad begon in het Oosten te gloren, toen de lofzangen der Balians nog weerklonken. Eerst hadden zij loftuitingen op bruid en bruidegom geïmproviseerd, daarna op haar bloedverwanten en zijn vrienden, waarbij de ex-Sjech en de lieve Moendoet niet vergeten werden en eindelijk ook op het Poenanhoofd en het kottahoofd. Wie weet met wiens lof zij geëindigd zouden zijn; zij werden evenwel door een paar geweerschoten gestoord,[56]die aan het feest een einde maakten en de mannelijke bevolking naar de borstwering deden spoeden.Ziehier wat aanleiding tot die schoten gegeven had.Johannes en Schlickeisen hadden zich gedurende het feest meermalen naar de geschutstellingen begeven om de waakzaamheid der schildwachten gaande en zelf het oog te houden op hetgeen buiten voorviel. Het begon eventjes te dagen, toen zij, andermaal op den uitkijk staande, aan den rand van het woud eenige beweging ontwaarden, die hun verdacht voorkwam. Zij zagen namelijk eenige mannen, waaronder zij bij den schemer aan zijn uniform den luitenant meenden te herkennen, elkander de hand drukken, waarna een hunner op de kotta afkwam en de anderen zich in den boschrand terugtrokken. Om geen noodeloos alarm te maken, sprong Johannes van het banket af en ging Harimaoung Boekit halen, om met hen uit te kijken. Zij zouden zich dan niet vergissen kunnen of het vriend of vijand was, die daar naderde. Nauwelijks was dan ook het Poenanhoofd op het banket der borstwering of hij deed zijnen medeschildwachten opmerken, dat het de Tomonggong van Kwala Kapoeas was.„Ge moet hem geen leed doen,” sprak hij, „hij is een oud vriend van mij.”„Neen,” antwoordde Johannes, „hem zal geen leed geschieden; hij is een te braaf oud man. Maar hij mag niet in de kotta toegelaten worden. Spreek gij hem toe, Amai; maar denk aan de galg, die de blanken u toegezegd hebben.”De Poenan lachte verachtelijk.De oude Nikodemus naderde intusschen geheel onbezorgd. Hij hield in de rechterhand een kleine Hollandsche vlag aan een kort stokje, in de linker een fraaien wandelstok van rottan met zwaren gouden knop, waarop[57]het Nederlandsche wapen prijkte. Toen hij tot omstreeks honderd pas van de versterking genaderd was, zag hij plotseling een hoofd boven de borstwering verschijnen en hoorde hij een stem zich toeroepen:„Sabèh Amai Tomonggong! Narei gawim ikau kantoh?” (Zijt gegroet, vader Tomonggong! wat komt gij hier doen?).Verschrikt van die stem, die hij zich meende te herinneren meer gehoord te hebben, keek hij scherp toe en ontzetting teekende zich op zijn wezenstrekken, toen hij het lachende gelaat van Harimaoung Boekit herkende. Het gevreesde Poenanhoofd te kotta Djankang! Wat kwam die daar doen? Dat ging het begrip van den ouden man te boven. Zou dan toch de luitenant gelijk hebben, dat in de bovenlanden de een of andere aanslag gebroed had? Hij was zoo verbijsterd, dat hij vergat antwoord te geven op de hem gedane vraag. Hij stond daar aan een standbeeld gelijk. Plotseling knalden twee geweerschoten, die, met onberispelijke kunstvaardigheid afgegeven, hem de vlag uit de eene en zijn waardigheidsstok uit de andere hand sloegen. Zoowel Johannes als Schlickeisen hadden bewijzen van hun schutterskunst gegeven; zij hadden den ouden man niet willen deren, maar slechts schrik willen aanjagen. Dat was hun meesterlijk gelukt. De ontstelde Dajak, meenende dat het op zijn leven gemunt was, sloeg bijkans achterover van schrik. Een oogenblik stond hij als wezenloos; hij zocht met de oogen naar de stukken van zijn verbrijzelden stok, die hem dierbaar was, omdat hij dien als tevredenheidsbetuiging van het Nederlandsche bestuur erlangd had, Maar toen hem de stem van Harimaoung Boekit in de ooren krijschte:„Amai, oendoer goeloengoeloeng!” (vader, maak dat je weg komt), toen maakte hij beenen. De beide Europeanen[58]gaven hem nog een paar schoten met los kruit achterna en bespoedigden zoo zijn vlucht.„Daar heb je ’t gedonder in de glazen!” vloog de luitenant op, toen hij de eerste schoten vernam, „een paar van die rakkers zullen op post gestaan hebben en met hun zeker schot hebben ze voorzeker dien armen Tomonggong geveld. Had ik hem toch maar niet laten gaan!”De laatste verzuchting was ter nauwernood geslaakt en Tomonggong Patti Singa Djaja had nog geen tijd gehad ook zijn meening te uiten, toen de reeds dood gewaande verscheen. Hevig ontsteld en ademloos van het loopen, liet het oude hoofd zich op een boomstronk neervallen en was in de eerste oogenblikken in volslagen onmogelijkheid een enkel woord uit te brengen. Een teug brandewijn met water uit des luitenants veldflesch bracht het kloppende hart eenigszins tot bedaren. Eindelijk na veel zuchten en hijgen ontsnapte hem als in wanhoop:„Jèi! Amai olo Poenan hetèh!” (O wee! het opperhoofd der Poenans is er.)Bij het vernemen dier woorden teekenden angst en schrik zich op het gelaat van den Tomonggong van Kwala Hiang, terwijl de officier van dien uitroep weinig of niets begreep. Het kostte nog al moeite en geduld om Nikodemus verder tot bedaren te brengen en tot het verhalen zijner wederwaardigheden te bewegen. Toen hij eindelijk aan het verlangen zijner toehoorders voldaan had, sprak hij als zijn oordeel uit:„Onze toestand, Heer! is nu uiterst zorgelijk geworden.”„Hoe dat zoo, Tomonggong?”„De Poenans zijn zeer ondernemende kerels en het verwondert mij uitermate, dat de nacht ongestoord is voorbijgegaan. Voor het uitvoeren van nachtelijke overvallen hebben zij huns gelijken niet.”[59]„Och Tomonggong! dat zal zoo’n vaart niet loopen,” was de meening van den luitenant, „ik maak mij daaromtrent niet ongerust.”„Ik wel Heer”, was het ernstige antwoord. „Dat we niet reeds een grootere ramp te betreuren hebben, wijt ik alleen, eensdeels aan het heldere maanlicht, waarvan de Poenans bij hun overvallen niet houden, maar nog meer aan de feestelijkheden, die heden nacht in de kotta gevierd zijn. We hebben toch tegen negen uur dat gebulder van de kanonnen en gedurende den geheelen nacht door het gegil der Balians gehoord.”„Nu, Tomonggong,”viel de luitenant lachende in, „uw landslieden zijn feestvierders van professie, daar kunnen alle studenten van welke universiteit ook een puntje aan zuigen. Ze zijn nu eenmaal bij elkander, en zullen gedurende den volgenden nacht ook wel aan het fuiven gaan. En me dunkt, dat dan de gelegenheid schoon zal zijn om een ernstigen aanslag op de kotta te wagen.”De oude Nikodemus schudde weemoedig het hoofd.„Als ze ons maar niet voor zullen zijn!” riep hij uit. „Ik vrees dat ze zoo ongestoord geen tweeden nacht voorbij zullen laten gaan. Maar.… maar Heer, al zou het zoo zijn als ge denkt, dat ze weer feest zullen vieren, dan moogt ge toch niet aannemen, dat ze den omtrek onbespied zullen laten. Mijn landslieden zijn wel onbezonnen en handelen wel eens ondoordacht, maar zulke groote kinderen zijn het niet. Het zal in den aanstaanden nacht volle maan en derhalve bijna zoo licht als overdag zijn. Er zal niet aan gedacht kunnen worden, de kotta ongemerkt binnen te dringen.”„We kunnen het in ieder geval beproeven. Wie weet hoe het geluk ons dient. Heden avond kan een onweersbui opkomen; in dit seizoen zou dat niet onmogelijk zijn en juist is het gedurende deze laatste dagen buitengewoon[60]warm geweest. ’t Zou me niet verwonderen, als we heden avond betrokken lucht hadden. En … zeg eens Andingkoe! zou dan de kans niet schoon zijn om het Nederlandsche Gouvernement nieuwe redenen tot dankbaarheid te geven?”Voor een oogenblik vloog een glimlach met veel bitterheid doortrokken, over het gelaat van den braven Nikodemus; maar ook slechts voor een oogenblik, want terstond daarna vertoonde hij zich weer hoogst ernstig en verviel hij in nog grootere droefgeestige stemming.Wat ging er om in dat oogenblik in de ziel van dien grijsaard? O! het was onhandig van den officier, dien man aan de dankbaarheid van het Nederlandsche Gouvernement te herinneren. Zou dien eenvoudigen Dajak zijn afgelegde levensloopbaan, geheel aan den dienst van dat Gouvernement gewijd, voor den geest gezweefd hebben? Zou hij zich herinnerd hebben, dat hij altijd, maar vooral gedurende de laatste jaren, die jaren van den meest hardnekkigen oorlog, die Borneo ooit beroerde, de stiptste trouw aan dat Gouvernement had betracht? Klonken hem de verleidelijke aanbiedingen nog niet in de ooren, door Pangerang Antassari in persoon, door de Pembekels Djalil en Soelil namens den Rijksbestierder Pangerang Hidajat Oellah gedaan, indien hij tot de partij des opstands zou willen toetreden? Stelde hij tegenover die vorstelijke aanbiedingen de povere dertig gulden, die hem zonder meer door dat Gouvernement maandelijks werden toegeteld om in de behoeften van zijn talrijk huisgezin uitsluitend te voorzien, daar hem het uitoefenen van handel of nijverheid door zijn benoeming tot districtshoofd verboden was? Of dacht de onnoozele Dajak dat alles zoo niet in bijzonderheden na en zweefde het hem maar onbestemd bij het hooren van dat woord dankbaarheid voor den geest?[61]Met een blik op het hoogst ernstige gelaat zag de luitenant in, welke teedere snaar hij aangeroerd had. Hij, meer dan iemand anders, kon beseffen hoe verregaand ondankbaar dat trouwe hoofd behandeld was. Hij wist, en wel degelijk, omdat alles van hem uitgegaan was, hoeveel schrijvens, welke beroepen op mildheid het gekost had, hoe vaak hij had moeten herinneren, dat vele levens van Europeanen verloren zouden zijn gegaan, wanneer Nikodemus tot de zaak der onafhankelijkheid zijns volks ware toegetreden, om den trouwen dienaar die luttele twaalf rijksdaalders te bezorgen, die zijn ganschen rijkdom uitmaakten. Hij herinnerde zich de vele beslommeringen, die hij zich had moeten getroosten om den braven Tomonggong een ander blijk van de Hooge Regeering te bezorgen, toen het gouden uurwerk, dat hij zich voor zijne trouwe diensten en zijn onbezweken geestkracht bij de wetenschappelijke reis van Dr. Schwaner, dien hij dwars door geheel Borneo vergezelde, verworven had, bij het zinken van het stoomschip Tjipannas, bij Poeloe Naning5verloren was gegaan. De officier herinnerde zich nog den bitteren glimlach, die zijn eigene lippen verachtelijk deed krullen, toen hem eindelijk dat blijk in handen kwam en dit niets anders was dan een sabel, wel is waar met zwaar verguld gevest en scheede, maar in het oog van den inlander, vooral voor den bewoner van het goudland, juist door zijn verguldsel, dat als armzalige nabootsing van het edele metaal veracht wordt, geheel zonder waarde was. Eenmaal op dien weg der herinneringen kon de officier niet uit het hoofd[62]bannen, dat hij zich, op verzoek van den ouden man, alle moeite gegeven had diens zoon, Radhen Karsa Nagara, naar Java gezonden te krijgen, ten einde daar bij een der hoofden in het binnenland het landelijk stelsel en de werking van het inlandsch bestuur van nabij te beschouwen; dat die jongeling eindelijk na veel geschrijf, bij den Regent van Samarang, een der rijkste Javaansche hoofden, geplaatst werd, maar dat hem een zoo schamel traktement toegelegd werd, dat hij na weinige maanden genoodzaakt was, door gebrek en armoede vernederd en verbitterd naar Borneo terug te keeren.Nogmaals, het was onhandig geweest aan die dankbaarheid te herinneren.Lang liet de oude Tomonggong op zijn antwoord wachten en de luitenant miste den moed het stilzwijgen te verbreken. Eindelijk hernam het hoofd met een zucht:„Het zal niet gaan, Heer! Onze wil moge goed zijn, het zou niets dan noodeloos bloedvergieten veroorzaken.”„Laten we geen overhaast besluit nemen, Tomonggong; wie weet wat het toeval ons nog aan de hand doet. We moeten onze menschen steeds bij de hand hebben om terstond de omstandigheden, die zich voor mochten doen, te kunnen benutten.”„Als onze menschen vernemen, dat Harimaoung Boekit met zijn Poenans in de kotta is, dan zullen ze niet te bewegen zijn haar aan te vallen. Ik vrees zelfs dat zij dan wegloopen zullen.”„Ik ook,” bevestigde Tomonggong Patti Singa Djaja.„Maar wat doet dat Poenanhoofd te kotta Djankang?” vroeg de luitenant.„Ik weet het niet, Heer; mijn verstand staat er stil voor. Kon ik Amai Kotong maar te spreken krijgen.”[63]„Maar bij uw tocht naar de kotta, hebt ge toen geen Europeanen gezien?”„Neen Heer, ik heb alleen het lachende gezicht van Harimaoung Boekit ontwaard.”„Wie heeft er op u geschoten?”„Dat weet ik niet; zij die schoten stonden achter de palissaden, hunne geweren staken door schietgaten. Er is slecht geschoten, want anders had men mij op dien korten afstand wel getroffen.”De luitenant glimlachte.„Er is prachtig geschoten, Tomonggong, geloof me,” verzekerde hij. „’t Zijn voorzeker de twee Zwitsers geweest, die vuur gaven. Ze hebben u niet willen dooden.”„Dat Hatallah hen dan zegene!”„Amen,” lachte de officier.Er werd verder besloten de aanwezigheid van den geduchten koppensneller in de kotta stipt geheim te houden en de versterking zoo dicht in te sluiten als maar mogelijk was. Wellicht was de proviand daar binnen niet ruim; gebrek zoude de bezetting tot onderhandelen kunnen nopen en zoo tot het doel voeren, waar open strijd ongeraden scheen.Na die poging van Tomonggong Nikodemus gingen een tweetal dagen en nachten in ongestoorde rust voorbij. Des luitenants verwachtingen, dat de lucht betrekken zoude en zoo uitzicht geven op de mogelijkheid eener overrompeling, werden niet verwezenlijkt. De maan steeg iederen avond helder boven den boschrand op en overgoot alles met haar zacht maar helder wit licht. Niets kon binnen een kring van tweehonderd meter straal rondom de versterking gebeuren, zonder dat zulks door de belegerden ontwaard werd. Het ware volslagen zinneloosheid geweest onder zulke omstandigheden een aanval te beproeven. Maar van den anderen kant beveiligde[64]datzelfde maanlicht ook de belegeraars voor de aanslagen der Poenans en niet onduidelijk gaf Harimaoung Boekit te kennen, dat hij naar een nachtelijke onweersbui haakte, om eens afrekening te houden met hen, die hij nog steeds vermeende er op uit te zijn hem te vangen.Kort na het intreden van den derden nacht—het was toen vrij donker, daar de maan eerst tegen half acht uur boven den gezichteinder zoude verschijnen—kwam een der schildwachten Johannes waarschuwen, die met Amai Kotong, Dalim en Harimaoung Boekit zat te kouten, dat bovenstrooms op de rivier een groot vormloos ding zichtbaar werd, dat langzaam voor den stroom afzakte. Allen sprongen in allerijl op, grepen hun wapenen en spoedden zich naar den rivierkant om te zien wat er gaande was. En werkelijk, op ongeveer een driehonderd meter afstands, kon men een voorwerp ontwaren, dat langzaam naderde. Het was veel te groot voor een prauw; het was geen vlot, daartoe was het te onregelmatig van vorm. Het geleek meer een drijvend eiland en, ware men in de benedenstreken, waar die eilanden, uit lange grassoorten, rietgewassen en schilf bestaande, in den vollen regentijd niet zeldzaam heeten, dan zou er de aandacht nauwelijks op gevestigd zijn. Hier evenwel baarde het argwaan. Allen werden zachtkens onder de wapens geroepen, het was raadzaam op alles voorbereid te zijn. In de Dajaklanden is de oorlog in den regel niets anders dan een afwisseling van hinderlagen, die de partijen elkander leggen.Terwijl men nog tuurde en beraadslaagde, weerklonk op eens aan de achterzijde der Kotta een akelig alarmgeschreeuw, al zeer spoedig gevolgd door een aantal geweerschoten. Van de duisternis gebruik makende, had[65]de luitenant zijn Dajaks tot bij de palissadeering weten te voeren. Daar de geheele aandacht der bezetting op de rivier gevestigd was, zou werkelijk een beklimming gelukt zijn; maar een der vrouwen zag onverwachts een gedaante van boven de borstwering naar beneden springen. Zij had een hakmes in de hand, waarmede zij bezig was hout te kloven. Nog vóór dat de indringer van zijn verdooving, door den hoogen sprong veroorzaakt, bekomen was en zich verweren kon, had zij hem eenige hakken over hoofd en armen toegediend, zoodanig dat hij weldra weerloos in zijn bloed lag te wentelen. Op het geschreeuw der vrouw schoten eenigen derbezettingtoe. Een tweede, een derde, een vierde aanvaller, die boven de palissadeering verschenen, maakten kennis met de mandauws der Poenans en tuimelden zwaar gekwetst naar beneden in de scherpe randjoe’s, die aan den voet der borstwering geplant waren. De twee Zwitsers en La Cueille, met hun geweren in de hand, waren nagenoeg gelijktijdig met de Poenans op het banket verschenen en openden dadelijk een hevig vuur, hoewel zij in het donker weinig bespeurden.Na dat vuur een poos onderhouden te hebben, begrepen zij uit het gegil en geschreeuw, hetwelk heel in de verte vernomen werd, dat het onmiddellijk gevaar geweken was, en staakten zij het schieten. Bij onderzoek vond men een lijk binnen de versterking en vier zwaar gekwetsten daar buiten. Het was onmogelijk de Poenans in hun eerste opwelling van toorn te weerhouden die ongelukkigen te snellen. Trouwens in het donker en bij de niet geringe verwarring en ontsteltenis, die vooral bij de vrouwen nog steeds heerschten, dacht daar ook niemand aan. Het duurde dan ook niet lang, of de drie Europeanen zagen de Poenans een houtvuur op het binnenplein der kotta ontsteken en toen de vlammen[66]hoog opflikkerden, dansten die wilden er om heen met de gesnelde koppen in de hand en zwaaiden daarmede, dat het nog gutsende bloed allerwege rondspatte. Vooral was Harimaoung Boekit uitgelaten; hij was de eerste naar buiten gestormd om de kermende gekwetsten af te maken. Nu sprong hij als een bezetene, gilde tusschenbeide zijn: lēēēēh lèlèlèlè ouiit! wierp van tijd tot tijd zijn hoofd in den nek en liet het nog warme bloed van den kop, dien hij in de hand hield, in den mond loopen.„Zij hebben den koppensneller nog niet!” krijschte hij met juichende stem.Weldra was bijna de geheele bezetting van kotta Djankang in den echten duivelendans opgenomen en gingen de koppen van hand tot hand, opdat ieder een teugje van het lekkere roode vocht zoude kunnen opslurpen. Toen het bloed ophield te stroomen, zogen de onverlaten aan de halstronken, zoo lekker was het.Ontzet wendden de drie Europeanen zich van dat walglijke tooneel af en zochten Johannes op. Waar zat die inmiddels? vroegen zij zich af. Zoodra deze dat gillen vernomen en de daarop gevolgde schoten had hooren knallen, was hij naar dien kant heen gevlogen; maar toen hij zag, dat ieder op zijn post was, de geheele mannelijke bevolking zich gewapend had, ja, de vrouwen den mandauw gegrepen en zijn makkers de leiding der verdediging op zich genomen hadden, spoedde hij zich met Dalim weer naar den rivierkant. Want hij wantrouwde in hooge mate dat drijvende eiland, vooral omdat het verschijnen daarvan zoo zonderling samenviel met den aanval op de achterzijde der kotta. Hij verzamelde fluks eenige strijders om zich en begaf zich daarmede buiten de versterking om op het riviertalud post te vatten. Het[67]vormlooze geraamte kwam al nader en nader, wel niet zoo snel als bij den sterken stroom verwacht kon worden, want nu eens dreef het tegen den kant en haakte aan takken van boomen en struiken vast, dan weer geraakte het bij de eene of andere bocht in een tegenstroom of in een draaikolk, waardoor het of op zijn schreden scheen terug te keeren of als een monstertol ronddraaide.Het geduld van Johannes werd wel op de proef gesteld. De maan begon boven den boschrand tegenover de versterking te verschijnen, en alles in haar zacht licht te hullen. Eindelijk kwam het eiland weer in het bed der rivier terecht en dreef nu recht voor den stroom af.Hoe dichter het kwam, hoe duidelijker het werd, dat de massa uit versch gekapte takken, met lang gras in een gestrengeld, gevormd was. Hoewel de stroom naar de overzijde zette, wendde het eiland blijkbaar naar den kant der kotta toe, alsof het door een menschenhand bestuurd werd. Nog was de drijvende massa den kring, door de versterking beheerscht, niet binnengetreden en dus nog altijd onder het lommer des wouds, toen van uit de struiken ettelijke schoten er op gelost werden. Het waren de luitenant en de beide Tomonggong’s, die op hun beurt het drijvende gevaarte met wantrouwen gadesloegen en bij het voorbij varen er eenige kogels doorjoegen. Doch niets verroerde zich, het eiland bleef stil voor den stroom afdrijven.Toen het den kring binnen trad, door het schoonkappen van het woud rondom de versterking gevormd, kwam het in het volle maanlicht. Johannes meende toen eenige beweging te zien achter die vlottende massa; hij bracht reeds zijn geweer aan den schouder, toen een stem over de watervlakte weerklonk.[68]1Radja balawang boelau. Zie de noot op bladzijde22van dit deel.↑2Drahen tato antangbeteekent Koning der Antangs. Zie over den Antang de noot op bladzijde5van dit deel.↑3De Dajak kent ieder voorwerp, levend of niet, een ziel toe. Van levende wezens heet de ziel „liau”. Van alle andere voorwerpen „gana”.↑4Bij de Dajaks is de lansschacht doorboord. Door dien hollen cylinder worden vergiftigde pijltjes voortgeblazen, die bij verwonding uiterst gevaarlijk zijn. Zie over de pijlvergiften het meergenoemd werk van den schrijver: Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑5Zie over het zinken van dat stoomschip op bladz.168. Dl. I. Ik verdicht niet. Het bedoelde horloge was een ankeruurwerk en aan den gezaghebber der boot ter hand gesteld om het naar Java te zenden ter reparatie.↑
XX.Beraadslaging.—Het „blako ontong.”—De verdrijving van het ongeluk.—Een kanonsalvo.—De offerande.—Een nationale dans.—Weg met den tulband.—La Cueille verliefd.—La Cueille verloofd.—Zichtbare hemelsche interventie.—Een conferentie verijdeld door twee geweerschoten.—Staaltjes van dankbaarheid.—Een drijvend eiland.—Een poging tot overrompeling.—Een duivelendans.
Beraadslaging.—Het „blako ontong.”—De verdrijving van het ongeluk.—Een kanonsalvo.—De offerande.—Een nationale dans.—Weg met den tulband.—La Cueille verliefd.—La Cueille verloofd.—Zichtbare hemelsche interventie.—Een conferentie verijdeld door twee geweerschoten.—Staaltjes van dankbaarheid.—Een drijvend eiland.—Een poging tot overrompeling.—Een duivelendans.
Beraadslaging.—Het „blako ontong.”—De verdrijving van het ongeluk.—Een kanonsalvo.—De offerande.—Een nationale dans.—Weg met den tulband.—La Cueille verliefd.—La Cueille verloofd.—Zichtbare hemelsche interventie.—Een conferentie verijdeld door twee geweerschoten.—Staaltjes van dankbaarheid.—Een drijvend eiland.—Een poging tot overrompeling.—Een duivelendans.
„Morgen met het krieken van den dag ga ik naar de kotta, om den Amai te spreken.”„Maar Tomonggong!” stoof de luitenant op, „na ’t geen gebeurd is, is ieder nader aanzoek van onze zijde onmogelijk geworden. Daarenboven uw leven zal niet veilig zijn.”„Mijnheer zal een onwetend volk niet te euvel duiden, dat zij tegen de gebruiken der blanken gezondigd hebben, daartoe ken ik hem te goed. En wat mij betreft, mij zal geen haar gedeerd worden. Ik ben een bloedbroeder van Amai Kotong; we hebben meermalen elkanders bloed gedronken en elkander alle hulp en bijstand gezworen. Ik ben bekend bij al de bewoners der kotta, tot bij de kinderen toe. Ik ben aller vriend. Wie zou mij, oud man, kwaad doen? Ik houd mij verzekerd, dat, wanneer iemand van de bevolking van kotta Djankang mij morgen ochtend ontwaren zal, een luide vreugdekreet zal opgaan en de poort terstond geopend zal worden. En krijg ik Amai Kotong maar te spreken, dan is spoedig[47]alle misverstand uit den weg geruimd en zal aan het bloedvergieten een einde zijn.”Het grijze hoofd sprak zoo overtuigend, dat zijn kalmte en rustig inzicht in den staat van zaken aanstekelijk werkten. De officier, ofschoon reeds half gewonnen, meende toch nog iets in het midden te moeten brengen.„Dat is allemaal mogelijk, Tomonggong, als alles toegaat, zooals ge het wenscht, maar wat en hoe, als een der deserteurs op schildwacht staat en u het eerste ziet? Die zendt u eenvoudig een kogel toe.”„Die kans is te loopen, ofschoon ik nog niet toegeef, dat die blanken, die ik evenmin iets misdaan heb, het maar zoo dadelijk op mijn leven zullen toeleggen. Maar laat het, dan nog tel ik die kans zeer gering, daar ik met het krieken van den dag naar de kotta zal gaan en de Europeanen dan nog wel slapen zullen. Uw landslieden, Heer, zijn zoo vroegtijdig in den regel niet ter been.”„Dat Hatallah u geleide en bescherme, Tomonggong!” sprak de luitenant na een poos bedenkens. „Ik geloof dat uw voorstel nog het beste is, wat in de bestaande omstandigheden te doen is.”De avond was intusschen gevallen en zoo was de eerste dag van het beleg ten einde gespoed. Van weerszijden werden schildwachten geplaatst en maatregelen getroffen om zich zooveel mogelijk tegen een overrompeling te beveiligen. Uit den aard der zaak was die taak voor de belegerden gemakkelijker dan voor de belegeraars, daar genen achter hunne hooge palissaden, die zoo maar niet onbemerkt te beklimmen waren, vrij veilig zaten en de anderen daarentegen schier zonder beschutting onder den blooten hemel moesten bivouakeeren, hetgeen hen wel blootstelde aan onverwachte aanslagen van den kant hunner tegenpartij.[48]De nacht ging evenwel ongestoord voorbij, althans noch belegeraars noch belegerden waagden zich aan het plegen van een vijandelijke daad.In de versterking evenwel had, nadat de schildwachten uitgesteld waren, een plechtigheid plaats, die bij het kinderlijke en onnadenkende van het Dajaksche karakter in den bestaanden toestand toch met alle weidschheid opgevoerd werd en dan ook tot een echt Dajaksch feest aanleiding gaf. Dat was het „blako ontong”, dat gevierd moest worden om van denRadja balawang boelau1geluk af te smeeken over het aanstaande huwelijk van de schoone Hamadoe met Dohong, alias Wienersdorf. Bij zulke gelegenheden vervangt het „blako ontong” het Europeesche verlovingsfeest en Harimaoung Boekit, die zijn jongste zuster innig lief had, stelde zich tot taak de herinnering aan die verloving in het geheugen van de bewoners van kotta Djankang te doen levendig blijven.Zoodra de zon onder den horizon verdwenen was en de maan, die bijna vol was, hare heerschappij aanvaard had en haar liefelijk zacht licht over het aardrijk goot, werd de bruid van hare woning afgehaald door een eerewacht van zeven jonge meisjes, die evenals zij slechts met de „saloi” (korte sarong) gekleed waren en dus het bovenlijf geheel ontbloot vertoonden. Van den anderen kant waren zeven Poenans, geheel in oorlogskostuum, met de muts van kattenvel op het hoofd, het baaitje van boomschors aan, den mandauw om de lendenen gegord, de lans in de rechter en de „talawang” (schild) in de linkerhand, naar het vertrek van Wienersdorf gegaan om dien af te halen. De verloofden werden vervolgens in een groote loods binnengeleid, evenwel zoo, dat[49]beiden gelijktijdig, maar langs een tegenovergestelden kant binnentraden. Zoodra zij onder het afdak verschenen, begonnen de aanwezige Balians op hare katambong’s (trommel) te kloppen en een lofzang op de beide feestvierenden aan te heffen. Intusschen werden de verloofden voortgeleid, tot zij in het midden van de loods elkander ontmoetten. Daar bood Hamadoe met een liefelijk gebaar haren aanstaande een mandauw aan als zinnebeeld, dat zij alle bescherming van zijne dapperheid verwachtte. Beiden gingen toen zitten, ieder op een fraai gebloemde rottanmat; het meisje te midden van de vrouwelijke bewoonsters der kotta, die allen present waren; de bruidegom te midden der Poenans; beiden evenwel zoo, dat in het midden der zeer ruime loods een zekere ruimte vrij bleef, alwaar zeven Balians post vatten en hare bezweringsgezangen begonnen.De twee eerste dier gezangen hadden ten doel alle ongeluk uit te drijven en te verjagen. Toen die geëindigd waren, greep ieder der aanwezenden, tot de bruid toe, een stok, een stuk hout of eenig ander voorwerp om daarmede, voorgegaan door de priesteressen, op de stijlen, de omwanding en het dak van de loods met alle geweld te kloppen. Daarna toog men naar buiten om op de overige woningen en gebouwen in de kotta, tot zelfs op de palissaden der borstwering, te kloppen en te slaan, ten einde ieder ongeluk en alle booze geesten te verdrijven. Het was een leven als een oordeel.Komiek was het te zien, hoe onze Waal La Cueille, de pseudo-Arabier Sjech Mohammed Al Mansoer, zich bij dat spektakel van zijn taak kweet. Hij had een boomtak gegrepen en sloeg daarmede als een bezetene op alles wat hem voorkwam. Hij alleen maakte meer leven dan vijf en twintig anderen te zamen. De[50]Dajaks hadden pret den heiligen man zoo in de weer te zien; een opmerkzaam toeschouwer zou evenwel spoedig bespeurd hebben, dat La Cueille zich steeds in de nabijheid van een jonge flinke deern van de lijfwacht der bruid hield en dat hij, al kloppende met zijn tak, den galant speelde en de aandacht zocht te winnen van de uitverkorene zijns harten. Hij was daarmee nog druk bezig en wie weet of hij de genegenheid der schoone toen niet reeds zoude verworven hebben, toen plotseling al de kanonnen der kotta als van zelf losbrandden. Onze Sjech buitelde over zijn hoofd van schrik, vloog weer overeind, als ware hij door een sterke veer opgewipt en spoedde zich, onder het onmatig gelach der Dajaks, die zich over zijn val zeer vroolijk maakten, naar de geschutstellingen, alwaar hij meende als eerste artillerist der vesting present te moeten zijn. Wat daar gebeurd was, zag hij spoedig in.Zoodra de jacht op de booze geesten begonnen was, had zich Dalim met nog een paar Dajaks onbemerkt naar de bastions begeven. Daar hadden zij, na de projectielen er uit gehaald te hebben, de stukken omgekeerd met de monding naar het midden der kotta en, toen het helsche geklop op de gebouwen en de palissaden begon, losgebrand, om zoo tot de verdrijving krachtdadig mede te werken. Want volgens het heerschende bijgeloof kan een geest niet veel spektakel verdragen, en is in ’t geheel niet tegen buskruitwalm bestand. Zoodra hij dien in den neus krijgt, zoekt hij een goed heenkomen.Het gelach duurde nog, ja sommigen der jongsten bootsten de geziene buiteling na, toen de Sjech terugkwam in de loods, alwaar de verloofden hun oude plaatsen te midden hunner eerewachten hadden ingenomen. Zijn heiligheid was op het punt een vromen[51]vloek over de lachers uit te spreken, toen hij zijn vriendinnetje weer even leuk, maar toch lief, naast de bruid zag zitten en zij hem ondeugend toelachte. Het speet hem toen, dat hij door dat onverwachte kanongebulder haar geen handje had kunnen drukken.De Balians spreidden nu in het midden der loods op een mat de offergaven uit, die denRadja balawang boelanzouden aangeboden worden, namelijk: zeven volwassen witte kippen, een ei, zeven pakjes van pisangbladeren vervaardigd, met gekookte rijst en zeven bamboegeledingen met rauwe rijst gevuld, zeven stukken suikerriet van een vadem lang, wijders gebak, confituren en vruchten. De priesteressen ontstaken verder twee vuren van groen hout, die veel, zeer veel rook verspreidden. Toen zij daarmede behoorlijk gereed waren, galmden zij hunne bezweringsgezangen uit om den „Drahen tato antang”2te noodzaken de „gana”3(zielen) van die offeranden bij denRadja ontongte brengen.Gedurende die gezangen hielden de jongelingen, om de vuren verzameld, zich onledig met hun „sipet” (blaasroeren)4vergiftigde pijltjes in de omhoog stijgende dikke rookwolken te blazen, om daardoor de onreine en ongeluk aanbrengende geesten te beletten terug te keeren. De overige feestgenooten, zoo vrouwen als mannen, vormden onderwijl een grooten kring om een paal—[52]in de noordelijke helft van de loods geplant, waaraan een „handangan” (buffel, karbouw) gebonden was—door elkander met de toppen der wijsvingers aan te raken, waarbij zij beurtelings eenige passen voor en achterwaarts deden, op de knieën doorbogen, totdat zij schier neergehurkt waren, en eindelijk onder het uitstooten van een rauwen gil weer opsprongen.Toen die nationale dans, „bigal” genaamd, waaraan evenwel de verloofden en hun eerewachten geen deel genomen hadden, zoo wat een uur geduurd had, werd de buffel op de meest wreedaardige wijze met lanssteken doodgemarteld. Daarna werd het nog lillend vleesch door eenige oude vrouwen afgescheurd, in allerijl gekookt, gebraden en gepoft, waarna het aan de nedergehurkte feestvierenden werd rondgedeeld, die het zoo maar uit het vuistje verorberden.Met het bloed van den buffel werden de verloofden op het voorhoofd, de borst en de handen bestreken. Vervolgens legden de Balians voor ieder der beide huwelijkskandidaten een stuk rottan ter lengte van ongeveer twee dM. neder, dat bedekt was met een laag deeg van rijstenbrij vervaardigd, met stofgoud vermengd. Daarna brachten de priesteressen een klapperdop met toeak gevuld aan de lippen, namen ieder een goede teug en gaven hem aan de verloofden over, waarvan de een den ander liet drinken en die eindelijk den klapperdop aan de omstanders overreikten.De Dajaks, zoowel vrouwen als mannen, zijn aartsliefhebbers van sterken drank. Menige hartige teug werd genomen, gul en onbekrompen werd het lekkere vocht rondgediend; de feestvreugde klom weldra ten top. Johannes, Schlickeisen, Amai Kotong en Dalim zorgden evenwel met het oog op de omstandigheden, dat allen binnen de perken eener gepaste vroolijkheid bleven. Zij zelven[53]hadden de verloofden van harte toegedronken, maar onthielden zich wijders het verleidelijke vocht nog aan te raken.Sjech Mohammed Al Mansoer alleen zat op een matje met gekruiste beenen dat vroolijke tooneel met een droefgeestig gelaat aan te staren. De geur van dien toeak streelde zijn reukorganen ongemeen en deed hem het water in den mond komen. Met een soort van afgunst beschouwde hij het gejoel rondom hem. Maar ofschoon zijn Walennatuur in opstand kwam, hield hij zich goed; hij had de belofte afgelegd, zijn kleed van nakomeling des Profeets niet te bezoedelen; hij zou die gelofte gestand doen. Zijn makkers zouden zien, dat ook hij, als het er op aankwam, zich zou weten op te offeren voor het algemeen belang. Hij zat daar nog zoo zich moed en standvastigheid in te praten, toen eensklaps een allerliefst hoofdje over zijn schouder heenboog en hem een klapperdop met toeak gevuld onder den neus liet passeeren.Hij vloog op en trachtte de verleidster te grijpen, maar vlug als een hinde, was zij in een oogwenk op een afstand.„Olo salam pali mihop toeak!” (Den mohammedaan is het niet geoorloofd toeak te drinken) riep zij hem uit de verte schalksch toe.„A bas la sequelle!” riep de Waal, terwijl hij zich den tulband afsleurde van het hoofd en dezen door de loods wierp.Daarop sprong hij op het schoone kind toe. Was hij haar nu te vlug af geweest, of had zijn daad het hart van de heidensche maagd getroffen? Wie zal dat uitmaken? In het volgende oogenblik hield hij haar in zijn linkerarm tegen zijn borst geklemd en greep hij, na haar een hartelijken kus op de lippen gedrukt te hebben, den klapperdop, dien hij in een teug ledigde.[54]Een daverend hoera beantwoordde dien dronk, en toen de onttulbande Arabier verlegen rondkeek, zag hij zich door de feestvierenden omringd, die hem met vroolijk lachende gezichten als met zijn keus geluk wenschten.„Het is wat moois zijn geloof te verzaken,” mompelde Johannes den Waal in het oor. „Maar het meisje is het waard, dat beken ik. Je zult nu Wienersdorf niets meer te benijden hebben. We zullen nu twee huwelijken hebben in plaats van een.”Onthutst keek de Waal zijn makker aan en liet het meisje los.„Twee huwelijken?” vroeg hij onnoozel. „Hoe zoo?”„Denk jij de meisjes zoo maar te kunnen zoenen in de Dajaklanden? Dat zullen ze je wel anders leeren. Trouwen zul je!”La Cueille dacht een poosje na. Maar de bekoorlijke Moendoet gekleed of eigenlijk niet gekleed in den bijna afwezigen tooi van Dajaksch bruidmeisje stond voor hem.„Eh bien, vogue la galère!” brulde de Waal in vervoering, terwijl hij andermaal het lieve kind in de armen sloot en het verbond met een kus bezegelde.Onder al die feestelijkheden en bedrijvigheden was het middernacht geworden. Toen de maan in het zenith stond, grepen de Balians de stukken rottan, die zij voor Dohong en Hamadoe hadden neergelegd, ontdeden ze van het omhulsel van deeg, maten ze, waarna de verklaring werd afgelegd, dat beide stukken iets langer geworden waren. Dat was een gunstig teeken. Het gebezigde deeg werd nu behandeld. Het stofgoud moest er uitgewasschen worden. Bij naweging werd ook dat bevonden vermeerderd te zijn en nu kwam aan de vreugde geen eind; want het bewijs was geleverd, dat de invocatie der priesteressen krachtdadig was geweest. De machtige Radja balawang boelau had toch zijn hulp toegezegd[55]en konden de verloofden in hun toekomstigen huwelijken staat op veel heil en voorspoed rekenen. Ieder hunner moest dat stukje rottan, waardoor de bovenaardsche gunst zich geopenbaard had, bij zich steken en steeds bewaren. Harimaoung Boekit nam op zich, van het gebruikte stofgoud, waarin zich ook de hemelsche scheppingskracht zoo wonderbaarlijk getoond had, natuurlijk onder toevoeging van het ontbrekende metaal, twee ringen te laten vervaardigen, die beide partijen steeds dragen zouden. Het Poenanhoofd betaalde daarenboven de Balians vorstelijk voor haar priesterlijke tusschenkomst en daarmede was de plechtigheid van het blako ontong ten einde.Maar daarom de feestvreugde niet. Toeak met gebak werd ook na de godsdienstige plechtigheid in overvloed aangeboden en de gulste vrijgevigheid heerschte den geheelen nacht. Allen zonder onderscheid dronken een gezonde teug zonder tot onmatigheid over te slaan. Men was en bleef slechts vroolijk en men onderhield die vroolijkheid op gepaste wijze. Zelfs de Waal, die, nadat hij met zijn tulband ook den Profeet met zijn geheele leer naar den drommel gezonden had, zich van allen geestelijken dwang ontslagen achtte, hield onder het toezicht van Schlickeisen de matigheid in het oog en nam niet dan met diens toestemming een lekkere teug uit de poezele hand zijner uitverkorene aan.De dageraad begon in het Oosten te gloren, toen de lofzangen der Balians nog weerklonken. Eerst hadden zij loftuitingen op bruid en bruidegom geïmproviseerd, daarna op haar bloedverwanten en zijn vrienden, waarbij de ex-Sjech en de lieve Moendoet niet vergeten werden en eindelijk ook op het Poenanhoofd en het kottahoofd. Wie weet met wiens lof zij geëindigd zouden zijn; zij werden evenwel door een paar geweerschoten gestoord,[56]die aan het feest een einde maakten en de mannelijke bevolking naar de borstwering deden spoeden.Ziehier wat aanleiding tot die schoten gegeven had.Johannes en Schlickeisen hadden zich gedurende het feest meermalen naar de geschutstellingen begeven om de waakzaamheid der schildwachten gaande en zelf het oog te houden op hetgeen buiten voorviel. Het begon eventjes te dagen, toen zij, andermaal op den uitkijk staande, aan den rand van het woud eenige beweging ontwaarden, die hun verdacht voorkwam. Zij zagen namelijk eenige mannen, waaronder zij bij den schemer aan zijn uniform den luitenant meenden te herkennen, elkander de hand drukken, waarna een hunner op de kotta afkwam en de anderen zich in den boschrand terugtrokken. Om geen noodeloos alarm te maken, sprong Johannes van het banket af en ging Harimaoung Boekit halen, om met hen uit te kijken. Zij zouden zich dan niet vergissen kunnen of het vriend of vijand was, die daar naderde. Nauwelijks was dan ook het Poenanhoofd op het banket der borstwering of hij deed zijnen medeschildwachten opmerken, dat het de Tomonggong van Kwala Kapoeas was.„Ge moet hem geen leed doen,” sprak hij, „hij is een oud vriend van mij.”„Neen,” antwoordde Johannes, „hem zal geen leed geschieden; hij is een te braaf oud man. Maar hij mag niet in de kotta toegelaten worden. Spreek gij hem toe, Amai; maar denk aan de galg, die de blanken u toegezegd hebben.”De Poenan lachte verachtelijk.De oude Nikodemus naderde intusschen geheel onbezorgd. Hij hield in de rechterhand een kleine Hollandsche vlag aan een kort stokje, in de linker een fraaien wandelstok van rottan met zwaren gouden knop, waarop[57]het Nederlandsche wapen prijkte. Toen hij tot omstreeks honderd pas van de versterking genaderd was, zag hij plotseling een hoofd boven de borstwering verschijnen en hoorde hij een stem zich toeroepen:„Sabèh Amai Tomonggong! Narei gawim ikau kantoh?” (Zijt gegroet, vader Tomonggong! wat komt gij hier doen?).Verschrikt van die stem, die hij zich meende te herinneren meer gehoord te hebben, keek hij scherp toe en ontzetting teekende zich op zijn wezenstrekken, toen hij het lachende gelaat van Harimaoung Boekit herkende. Het gevreesde Poenanhoofd te kotta Djankang! Wat kwam die daar doen? Dat ging het begrip van den ouden man te boven. Zou dan toch de luitenant gelijk hebben, dat in de bovenlanden de een of andere aanslag gebroed had? Hij was zoo verbijsterd, dat hij vergat antwoord te geven op de hem gedane vraag. Hij stond daar aan een standbeeld gelijk. Plotseling knalden twee geweerschoten, die, met onberispelijke kunstvaardigheid afgegeven, hem de vlag uit de eene en zijn waardigheidsstok uit de andere hand sloegen. Zoowel Johannes als Schlickeisen hadden bewijzen van hun schutterskunst gegeven; zij hadden den ouden man niet willen deren, maar slechts schrik willen aanjagen. Dat was hun meesterlijk gelukt. De ontstelde Dajak, meenende dat het op zijn leven gemunt was, sloeg bijkans achterover van schrik. Een oogenblik stond hij als wezenloos; hij zocht met de oogen naar de stukken van zijn verbrijzelden stok, die hem dierbaar was, omdat hij dien als tevredenheidsbetuiging van het Nederlandsche bestuur erlangd had, Maar toen hem de stem van Harimaoung Boekit in de ooren krijschte:„Amai, oendoer goeloengoeloeng!” (vader, maak dat je weg komt), toen maakte hij beenen. De beide Europeanen[58]gaven hem nog een paar schoten met los kruit achterna en bespoedigden zoo zijn vlucht.„Daar heb je ’t gedonder in de glazen!” vloog de luitenant op, toen hij de eerste schoten vernam, „een paar van die rakkers zullen op post gestaan hebben en met hun zeker schot hebben ze voorzeker dien armen Tomonggong geveld. Had ik hem toch maar niet laten gaan!”De laatste verzuchting was ter nauwernood geslaakt en Tomonggong Patti Singa Djaja had nog geen tijd gehad ook zijn meening te uiten, toen de reeds dood gewaande verscheen. Hevig ontsteld en ademloos van het loopen, liet het oude hoofd zich op een boomstronk neervallen en was in de eerste oogenblikken in volslagen onmogelijkheid een enkel woord uit te brengen. Een teug brandewijn met water uit des luitenants veldflesch bracht het kloppende hart eenigszins tot bedaren. Eindelijk na veel zuchten en hijgen ontsnapte hem als in wanhoop:„Jèi! Amai olo Poenan hetèh!” (O wee! het opperhoofd der Poenans is er.)Bij het vernemen dier woorden teekenden angst en schrik zich op het gelaat van den Tomonggong van Kwala Hiang, terwijl de officier van dien uitroep weinig of niets begreep. Het kostte nog al moeite en geduld om Nikodemus verder tot bedaren te brengen en tot het verhalen zijner wederwaardigheden te bewegen. Toen hij eindelijk aan het verlangen zijner toehoorders voldaan had, sprak hij als zijn oordeel uit:„Onze toestand, Heer! is nu uiterst zorgelijk geworden.”„Hoe dat zoo, Tomonggong?”„De Poenans zijn zeer ondernemende kerels en het verwondert mij uitermate, dat de nacht ongestoord is voorbijgegaan. Voor het uitvoeren van nachtelijke overvallen hebben zij huns gelijken niet.”[59]„Och Tomonggong! dat zal zoo’n vaart niet loopen,” was de meening van den luitenant, „ik maak mij daaromtrent niet ongerust.”„Ik wel Heer”, was het ernstige antwoord. „Dat we niet reeds een grootere ramp te betreuren hebben, wijt ik alleen, eensdeels aan het heldere maanlicht, waarvan de Poenans bij hun overvallen niet houden, maar nog meer aan de feestelijkheden, die heden nacht in de kotta gevierd zijn. We hebben toch tegen negen uur dat gebulder van de kanonnen en gedurende den geheelen nacht door het gegil der Balians gehoord.”„Nu, Tomonggong,”viel de luitenant lachende in, „uw landslieden zijn feestvierders van professie, daar kunnen alle studenten van welke universiteit ook een puntje aan zuigen. Ze zijn nu eenmaal bij elkander, en zullen gedurende den volgenden nacht ook wel aan het fuiven gaan. En me dunkt, dat dan de gelegenheid schoon zal zijn om een ernstigen aanslag op de kotta te wagen.”De oude Nikodemus schudde weemoedig het hoofd.„Als ze ons maar niet voor zullen zijn!” riep hij uit. „Ik vrees dat ze zoo ongestoord geen tweeden nacht voorbij zullen laten gaan. Maar.… maar Heer, al zou het zoo zijn als ge denkt, dat ze weer feest zullen vieren, dan moogt ge toch niet aannemen, dat ze den omtrek onbespied zullen laten. Mijn landslieden zijn wel onbezonnen en handelen wel eens ondoordacht, maar zulke groote kinderen zijn het niet. Het zal in den aanstaanden nacht volle maan en derhalve bijna zoo licht als overdag zijn. Er zal niet aan gedacht kunnen worden, de kotta ongemerkt binnen te dringen.”„We kunnen het in ieder geval beproeven. Wie weet hoe het geluk ons dient. Heden avond kan een onweersbui opkomen; in dit seizoen zou dat niet onmogelijk zijn en juist is het gedurende deze laatste dagen buitengewoon[60]warm geweest. ’t Zou me niet verwonderen, als we heden avond betrokken lucht hadden. En … zeg eens Andingkoe! zou dan de kans niet schoon zijn om het Nederlandsche Gouvernement nieuwe redenen tot dankbaarheid te geven?”Voor een oogenblik vloog een glimlach met veel bitterheid doortrokken, over het gelaat van den braven Nikodemus; maar ook slechts voor een oogenblik, want terstond daarna vertoonde hij zich weer hoogst ernstig en verviel hij in nog grootere droefgeestige stemming.Wat ging er om in dat oogenblik in de ziel van dien grijsaard? O! het was onhandig van den officier, dien man aan de dankbaarheid van het Nederlandsche Gouvernement te herinneren. Zou dien eenvoudigen Dajak zijn afgelegde levensloopbaan, geheel aan den dienst van dat Gouvernement gewijd, voor den geest gezweefd hebben? Zou hij zich herinnerd hebben, dat hij altijd, maar vooral gedurende de laatste jaren, die jaren van den meest hardnekkigen oorlog, die Borneo ooit beroerde, de stiptste trouw aan dat Gouvernement had betracht? Klonken hem de verleidelijke aanbiedingen nog niet in de ooren, door Pangerang Antassari in persoon, door de Pembekels Djalil en Soelil namens den Rijksbestierder Pangerang Hidajat Oellah gedaan, indien hij tot de partij des opstands zou willen toetreden? Stelde hij tegenover die vorstelijke aanbiedingen de povere dertig gulden, die hem zonder meer door dat Gouvernement maandelijks werden toegeteld om in de behoeften van zijn talrijk huisgezin uitsluitend te voorzien, daar hem het uitoefenen van handel of nijverheid door zijn benoeming tot districtshoofd verboden was? Of dacht de onnoozele Dajak dat alles zoo niet in bijzonderheden na en zweefde het hem maar onbestemd bij het hooren van dat woord dankbaarheid voor den geest?[61]Met een blik op het hoogst ernstige gelaat zag de luitenant in, welke teedere snaar hij aangeroerd had. Hij, meer dan iemand anders, kon beseffen hoe verregaand ondankbaar dat trouwe hoofd behandeld was. Hij wist, en wel degelijk, omdat alles van hem uitgegaan was, hoeveel schrijvens, welke beroepen op mildheid het gekost had, hoe vaak hij had moeten herinneren, dat vele levens van Europeanen verloren zouden zijn gegaan, wanneer Nikodemus tot de zaak der onafhankelijkheid zijns volks ware toegetreden, om den trouwen dienaar die luttele twaalf rijksdaalders te bezorgen, die zijn ganschen rijkdom uitmaakten. Hij herinnerde zich de vele beslommeringen, die hij zich had moeten getroosten om den braven Tomonggong een ander blijk van de Hooge Regeering te bezorgen, toen het gouden uurwerk, dat hij zich voor zijne trouwe diensten en zijn onbezweken geestkracht bij de wetenschappelijke reis van Dr. Schwaner, dien hij dwars door geheel Borneo vergezelde, verworven had, bij het zinken van het stoomschip Tjipannas, bij Poeloe Naning5verloren was gegaan. De officier herinnerde zich nog den bitteren glimlach, die zijn eigene lippen verachtelijk deed krullen, toen hem eindelijk dat blijk in handen kwam en dit niets anders was dan een sabel, wel is waar met zwaar verguld gevest en scheede, maar in het oog van den inlander, vooral voor den bewoner van het goudland, juist door zijn verguldsel, dat als armzalige nabootsing van het edele metaal veracht wordt, geheel zonder waarde was. Eenmaal op dien weg der herinneringen kon de officier niet uit het hoofd[62]bannen, dat hij zich, op verzoek van den ouden man, alle moeite gegeven had diens zoon, Radhen Karsa Nagara, naar Java gezonden te krijgen, ten einde daar bij een der hoofden in het binnenland het landelijk stelsel en de werking van het inlandsch bestuur van nabij te beschouwen; dat die jongeling eindelijk na veel geschrijf, bij den Regent van Samarang, een der rijkste Javaansche hoofden, geplaatst werd, maar dat hem een zoo schamel traktement toegelegd werd, dat hij na weinige maanden genoodzaakt was, door gebrek en armoede vernederd en verbitterd naar Borneo terug te keeren.Nogmaals, het was onhandig geweest aan die dankbaarheid te herinneren.Lang liet de oude Tomonggong op zijn antwoord wachten en de luitenant miste den moed het stilzwijgen te verbreken. Eindelijk hernam het hoofd met een zucht:„Het zal niet gaan, Heer! Onze wil moge goed zijn, het zou niets dan noodeloos bloedvergieten veroorzaken.”„Laten we geen overhaast besluit nemen, Tomonggong; wie weet wat het toeval ons nog aan de hand doet. We moeten onze menschen steeds bij de hand hebben om terstond de omstandigheden, die zich voor mochten doen, te kunnen benutten.”„Als onze menschen vernemen, dat Harimaoung Boekit met zijn Poenans in de kotta is, dan zullen ze niet te bewegen zijn haar aan te vallen. Ik vrees zelfs dat zij dan wegloopen zullen.”„Ik ook,” bevestigde Tomonggong Patti Singa Djaja.„Maar wat doet dat Poenanhoofd te kotta Djankang?” vroeg de luitenant.„Ik weet het niet, Heer; mijn verstand staat er stil voor. Kon ik Amai Kotong maar te spreken krijgen.”[63]„Maar bij uw tocht naar de kotta, hebt ge toen geen Europeanen gezien?”„Neen Heer, ik heb alleen het lachende gezicht van Harimaoung Boekit ontwaard.”„Wie heeft er op u geschoten?”„Dat weet ik niet; zij die schoten stonden achter de palissaden, hunne geweren staken door schietgaten. Er is slecht geschoten, want anders had men mij op dien korten afstand wel getroffen.”De luitenant glimlachte.„Er is prachtig geschoten, Tomonggong, geloof me,” verzekerde hij. „’t Zijn voorzeker de twee Zwitsers geweest, die vuur gaven. Ze hebben u niet willen dooden.”„Dat Hatallah hen dan zegene!”„Amen,” lachte de officier.Er werd verder besloten de aanwezigheid van den geduchten koppensneller in de kotta stipt geheim te houden en de versterking zoo dicht in te sluiten als maar mogelijk was. Wellicht was de proviand daar binnen niet ruim; gebrek zoude de bezetting tot onderhandelen kunnen nopen en zoo tot het doel voeren, waar open strijd ongeraden scheen.Na die poging van Tomonggong Nikodemus gingen een tweetal dagen en nachten in ongestoorde rust voorbij. Des luitenants verwachtingen, dat de lucht betrekken zoude en zoo uitzicht geven op de mogelijkheid eener overrompeling, werden niet verwezenlijkt. De maan steeg iederen avond helder boven den boschrand op en overgoot alles met haar zacht maar helder wit licht. Niets kon binnen een kring van tweehonderd meter straal rondom de versterking gebeuren, zonder dat zulks door de belegerden ontwaard werd. Het ware volslagen zinneloosheid geweest onder zulke omstandigheden een aanval te beproeven. Maar van den anderen kant beveiligde[64]datzelfde maanlicht ook de belegeraars voor de aanslagen der Poenans en niet onduidelijk gaf Harimaoung Boekit te kennen, dat hij naar een nachtelijke onweersbui haakte, om eens afrekening te houden met hen, die hij nog steeds vermeende er op uit te zijn hem te vangen.Kort na het intreden van den derden nacht—het was toen vrij donker, daar de maan eerst tegen half acht uur boven den gezichteinder zoude verschijnen—kwam een der schildwachten Johannes waarschuwen, die met Amai Kotong, Dalim en Harimaoung Boekit zat te kouten, dat bovenstrooms op de rivier een groot vormloos ding zichtbaar werd, dat langzaam voor den stroom afzakte. Allen sprongen in allerijl op, grepen hun wapenen en spoedden zich naar den rivierkant om te zien wat er gaande was. En werkelijk, op ongeveer een driehonderd meter afstands, kon men een voorwerp ontwaren, dat langzaam naderde. Het was veel te groot voor een prauw; het was geen vlot, daartoe was het te onregelmatig van vorm. Het geleek meer een drijvend eiland en, ware men in de benedenstreken, waar die eilanden, uit lange grassoorten, rietgewassen en schilf bestaande, in den vollen regentijd niet zeldzaam heeten, dan zou er de aandacht nauwelijks op gevestigd zijn. Hier evenwel baarde het argwaan. Allen werden zachtkens onder de wapens geroepen, het was raadzaam op alles voorbereid te zijn. In de Dajaklanden is de oorlog in den regel niets anders dan een afwisseling van hinderlagen, die de partijen elkander leggen.Terwijl men nog tuurde en beraadslaagde, weerklonk op eens aan de achterzijde der Kotta een akelig alarmgeschreeuw, al zeer spoedig gevolgd door een aantal geweerschoten. Van de duisternis gebruik makende, had[65]de luitenant zijn Dajaks tot bij de palissadeering weten te voeren. Daar de geheele aandacht der bezetting op de rivier gevestigd was, zou werkelijk een beklimming gelukt zijn; maar een der vrouwen zag onverwachts een gedaante van boven de borstwering naar beneden springen. Zij had een hakmes in de hand, waarmede zij bezig was hout te kloven. Nog vóór dat de indringer van zijn verdooving, door den hoogen sprong veroorzaakt, bekomen was en zich verweren kon, had zij hem eenige hakken over hoofd en armen toegediend, zoodanig dat hij weldra weerloos in zijn bloed lag te wentelen. Op het geschreeuw der vrouw schoten eenigen derbezettingtoe. Een tweede, een derde, een vierde aanvaller, die boven de palissadeering verschenen, maakten kennis met de mandauws der Poenans en tuimelden zwaar gekwetst naar beneden in de scherpe randjoe’s, die aan den voet der borstwering geplant waren. De twee Zwitsers en La Cueille, met hun geweren in de hand, waren nagenoeg gelijktijdig met de Poenans op het banket verschenen en openden dadelijk een hevig vuur, hoewel zij in het donker weinig bespeurden.Na dat vuur een poos onderhouden te hebben, begrepen zij uit het gegil en geschreeuw, hetwelk heel in de verte vernomen werd, dat het onmiddellijk gevaar geweken was, en staakten zij het schieten. Bij onderzoek vond men een lijk binnen de versterking en vier zwaar gekwetsten daar buiten. Het was onmogelijk de Poenans in hun eerste opwelling van toorn te weerhouden die ongelukkigen te snellen. Trouwens in het donker en bij de niet geringe verwarring en ontsteltenis, die vooral bij de vrouwen nog steeds heerschten, dacht daar ook niemand aan. Het duurde dan ook niet lang, of de drie Europeanen zagen de Poenans een houtvuur op het binnenplein der kotta ontsteken en toen de vlammen[66]hoog opflikkerden, dansten die wilden er om heen met de gesnelde koppen in de hand en zwaaiden daarmede, dat het nog gutsende bloed allerwege rondspatte. Vooral was Harimaoung Boekit uitgelaten; hij was de eerste naar buiten gestormd om de kermende gekwetsten af te maken. Nu sprong hij als een bezetene, gilde tusschenbeide zijn: lēēēēh lèlèlèlè ouiit! wierp van tijd tot tijd zijn hoofd in den nek en liet het nog warme bloed van den kop, dien hij in de hand hield, in den mond loopen.„Zij hebben den koppensneller nog niet!” krijschte hij met juichende stem.Weldra was bijna de geheele bezetting van kotta Djankang in den echten duivelendans opgenomen en gingen de koppen van hand tot hand, opdat ieder een teugje van het lekkere roode vocht zoude kunnen opslurpen. Toen het bloed ophield te stroomen, zogen de onverlaten aan de halstronken, zoo lekker was het.Ontzet wendden de drie Europeanen zich van dat walglijke tooneel af en zochten Johannes op. Waar zat die inmiddels? vroegen zij zich af. Zoodra deze dat gillen vernomen en de daarop gevolgde schoten had hooren knallen, was hij naar dien kant heen gevlogen; maar toen hij zag, dat ieder op zijn post was, de geheele mannelijke bevolking zich gewapend had, ja, de vrouwen den mandauw gegrepen en zijn makkers de leiding der verdediging op zich genomen hadden, spoedde hij zich met Dalim weer naar den rivierkant. Want hij wantrouwde in hooge mate dat drijvende eiland, vooral omdat het verschijnen daarvan zoo zonderling samenviel met den aanval op de achterzijde der kotta. Hij verzamelde fluks eenige strijders om zich en begaf zich daarmede buiten de versterking om op het riviertalud post te vatten. Het[67]vormlooze geraamte kwam al nader en nader, wel niet zoo snel als bij den sterken stroom verwacht kon worden, want nu eens dreef het tegen den kant en haakte aan takken van boomen en struiken vast, dan weer geraakte het bij de eene of andere bocht in een tegenstroom of in een draaikolk, waardoor het of op zijn schreden scheen terug te keeren of als een monstertol ronddraaide.Het geduld van Johannes werd wel op de proef gesteld. De maan begon boven den boschrand tegenover de versterking te verschijnen, en alles in haar zacht licht te hullen. Eindelijk kwam het eiland weer in het bed der rivier terecht en dreef nu recht voor den stroom af.Hoe dichter het kwam, hoe duidelijker het werd, dat de massa uit versch gekapte takken, met lang gras in een gestrengeld, gevormd was. Hoewel de stroom naar de overzijde zette, wendde het eiland blijkbaar naar den kant der kotta toe, alsof het door een menschenhand bestuurd werd. Nog was de drijvende massa den kring, door de versterking beheerscht, niet binnengetreden en dus nog altijd onder het lommer des wouds, toen van uit de struiken ettelijke schoten er op gelost werden. Het waren de luitenant en de beide Tomonggong’s, die op hun beurt het drijvende gevaarte met wantrouwen gadesloegen en bij het voorbij varen er eenige kogels doorjoegen. Doch niets verroerde zich, het eiland bleef stil voor den stroom afdrijven.Toen het den kring binnen trad, door het schoonkappen van het woud rondom de versterking gevormd, kwam het in het volle maanlicht. Johannes meende toen eenige beweging te zien achter die vlottende massa; hij bracht reeds zijn geweer aan den schouder, toen een stem over de watervlakte weerklonk.[68]
„Morgen met het krieken van den dag ga ik naar de kotta, om den Amai te spreken.”
„Maar Tomonggong!” stoof de luitenant op, „na ’t geen gebeurd is, is ieder nader aanzoek van onze zijde onmogelijk geworden. Daarenboven uw leven zal niet veilig zijn.”
„Mijnheer zal een onwetend volk niet te euvel duiden, dat zij tegen de gebruiken der blanken gezondigd hebben, daartoe ken ik hem te goed. En wat mij betreft, mij zal geen haar gedeerd worden. Ik ben een bloedbroeder van Amai Kotong; we hebben meermalen elkanders bloed gedronken en elkander alle hulp en bijstand gezworen. Ik ben bekend bij al de bewoners der kotta, tot bij de kinderen toe. Ik ben aller vriend. Wie zou mij, oud man, kwaad doen? Ik houd mij verzekerd, dat, wanneer iemand van de bevolking van kotta Djankang mij morgen ochtend ontwaren zal, een luide vreugdekreet zal opgaan en de poort terstond geopend zal worden. En krijg ik Amai Kotong maar te spreken, dan is spoedig[47]alle misverstand uit den weg geruimd en zal aan het bloedvergieten een einde zijn.”
Het grijze hoofd sprak zoo overtuigend, dat zijn kalmte en rustig inzicht in den staat van zaken aanstekelijk werkten. De officier, ofschoon reeds half gewonnen, meende toch nog iets in het midden te moeten brengen.
„Dat is allemaal mogelijk, Tomonggong, als alles toegaat, zooals ge het wenscht, maar wat en hoe, als een der deserteurs op schildwacht staat en u het eerste ziet? Die zendt u eenvoudig een kogel toe.”
„Die kans is te loopen, ofschoon ik nog niet toegeef, dat die blanken, die ik evenmin iets misdaan heb, het maar zoo dadelijk op mijn leven zullen toeleggen. Maar laat het, dan nog tel ik die kans zeer gering, daar ik met het krieken van den dag naar de kotta zal gaan en de Europeanen dan nog wel slapen zullen. Uw landslieden, Heer, zijn zoo vroegtijdig in den regel niet ter been.”
„Dat Hatallah u geleide en bescherme, Tomonggong!” sprak de luitenant na een poos bedenkens. „Ik geloof dat uw voorstel nog het beste is, wat in de bestaande omstandigheden te doen is.”
De avond was intusschen gevallen en zoo was de eerste dag van het beleg ten einde gespoed. Van weerszijden werden schildwachten geplaatst en maatregelen getroffen om zich zooveel mogelijk tegen een overrompeling te beveiligen. Uit den aard der zaak was die taak voor de belegerden gemakkelijker dan voor de belegeraars, daar genen achter hunne hooge palissaden, die zoo maar niet onbemerkt te beklimmen waren, vrij veilig zaten en de anderen daarentegen schier zonder beschutting onder den blooten hemel moesten bivouakeeren, hetgeen hen wel blootstelde aan onverwachte aanslagen van den kant hunner tegenpartij.[48]
De nacht ging evenwel ongestoord voorbij, althans noch belegeraars noch belegerden waagden zich aan het plegen van een vijandelijke daad.
In de versterking evenwel had, nadat de schildwachten uitgesteld waren, een plechtigheid plaats, die bij het kinderlijke en onnadenkende van het Dajaksche karakter in den bestaanden toestand toch met alle weidschheid opgevoerd werd en dan ook tot een echt Dajaksch feest aanleiding gaf. Dat was het „blako ontong”, dat gevierd moest worden om van denRadja balawang boelau1geluk af te smeeken over het aanstaande huwelijk van de schoone Hamadoe met Dohong, alias Wienersdorf. Bij zulke gelegenheden vervangt het „blako ontong” het Europeesche verlovingsfeest en Harimaoung Boekit, die zijn jongste zuster innig lief had, stelde zich tot taak de herinnering aan die verloving in het geheugen van de bewoners van kotta Djankang te doen levendig blijven.
Zoodra de zon onder den horizon verdwenen was en de maan, die bijna vol was, hare heerschappij aanvaard had en haar liefelijk zacht licht over het aardrijk goot, werd de bruid van hare woning afgehaald door een eerewacht van zeven jonge meisjes, die evenals zij slechts met de „saloi” (korte sarong) gekleed waren en dus het bovenlijf geheel ontbloot vertoonden. Van den anderen kant waren zeven Poenans, geheel in oorlogskostuum, met de muts van kattenvel op het hoofd, het baaitje van boomschors aan, den mandauw om de lendenen gegord, de lans in de rechter en de „talawang” (schild) in de linkerhand, naar het vertrek van Wienersdorf gegaan om dien af te halen. De verloofden werden vervolgens in een groote loods binnengeleid, evenwel zoo, dat[49]beiden gelijktijdig, maar langs een tegenovergestelden kant binnentraden. Zoodra zij onder het afdak verschenen, begonnen de aanwezige Balians op hare katambong’s (trommel) te kloppen en een lofzang op de beide feestvierenden aan te heffen. Intusschen werden de verloofden voortgeleid, tot zij in het midden van de loods elkander ontmoetten. Daar bood Hamadoe met een liefelijk gebaar haren aanstaande een mandauw aan als zinnebeeld, dat zij alle bescherming van zijne dapperheid verwachtte. Beiden gingen toen zitten, ieder op een fraai gebloemde rottanmat; het meisje te midden van de vrouwelijke bewoonsters der kotta, die allen present waren; de bruidegom te midden der Poenans; beiden evenwel zoo, dat in het midden der zeer ruime loods een zekere ruimte vrij bleef, alwaar zeven Balians post vatten en hare bezweringsgezangen begonnen.
De twee eerste dier gezangen hadden ten doel alle ongeluk uit te drijven en te verjagen. Toen die geëindigd waren, greep ieder der aanwezenden, tot de bruid toe, een stok, een stuk hout of eenig ander voorwerp om daarmede, voorgegaan door de priesteressen, op de stijlen, de omwanding en het dak van de loods met alle geweld te kloppen. Daarna toog men naar buiten om op de overige woningen en gebouwen in de kotta, tot zelfs op de palissaden der borstwering, te kloppen en te slaan, ten einde ieder ongeluk en alle booze geesten te verdrijven. Het was een leven als een oordeel.
Komiek was het te zien, hoe onze Waal La Cueille, de pseudo-Arabier Sjech Mohammed Al Mansoer, zich bij dat spektakel van zijn taak kweet. Hij had een boomtak gegrepen en sloeg daarmede als een bezetene op alles wat hem voorkwam. Hij alleen maakte meer leven dan vijf en twintig anderen te zamen. De[50]Dajaks hadden pret den heiligen man zoo in de weer te zien; een opmerkzaam toeschouwer zou evenwel spoedig bespeurd hebben, dat La Cueille zich steeds in de nabijheid van een jonge flinke deern van de lijfwacht der bruid hield en dat hij, al kloppende met zijn tak, den galant speelde en de aandacht zocht te winnen van de uitverkorene zijns harten. Hij was daarmee nog druk bezig en wie weet of hij de genegenheid der schoone toen niet reeds zoude verworven hebben, toen plotseling al de kanonnen der kotta als van zelf losbrandden. Onze Sjech buitelde over zijn hoofd van schrik, vloog weer overeind, als ware hij door een sterke veer opgewipt en spoedde zich, onder het onmatig gelach der Dajaks, die zich over zijn val zeer vroolijk maakten, naar de geschutstellingen, alwaar hij meende als eerste artillerist der vesting present te moeten zijn. Wat daar gebeurd was, zag hij spoedig in.
Zoodra de jacht op de booze geesten begonnen was, had zich Dalim met nog een paar Dajaks onbemerkt naar de bastions begeven. Daar hadden zij, na de projectielen er uit gehaald te hebben, de stukken omgekeerd met de monding naar het midden der kotta en, toen het helsche geklop op de gebouwen en de palissaden begon, losgebrand, om zoo tot de verdrijving krachtdadig mede te werken. Want volgens het heerschende bijgeloof kan een geest niet veel spektakel verdragen, en is in ’t geheel niet tegen buskruitwalm bestand. Zoodra hij dien in den neus krijgt, zoekt hij een goed heenkomen.
Het gelach duurde nog, ja sommigen der jongsten bootsten de geziene buiteling na, toen de Sjech terugkwam in de loods, alwaar de verloofden hun oude plaatsen te midden hunner eerewachten hadden ingenomen. Zijn heiligheid was op het punt een vromen[51]vloek over de lachers uit te spreken, toen hij zijn vriendinnetje weer even leuk, maar toch lief, naast de bruid zag zitten en zij hem ondeugend toelachte. Het speet hem toen, dat hij door dat onverwachte kanongebulder haar geen handje had kunnen drukken.
De Balians spreidden nu in het midden der loods op een mat de offergaven uit, die denRadja balawang boelanzouden aangeboden worden, namelijk: zeven volwassen witte kippen, een ei, zeven pakjes van pisangbladeren vervaardigd, met gekookte rijst en zeven bamboegeledingen met rauwe rijst gevuld, zeven stukken suikerriet van een vadem lang, wijders gebak, confituren en vruchten. De priesteressen ontstaken verder twee vuren van groen hout, die veel, zeer veel rook verspreidden. Toen zij daarmede behoorlijk gereed waren, galmden zij hunne bezweringsgezangen uit om den „Drahen tato antang”2te noodzaken de „gana”3(zielen) van die offeranden bij denRadja ontongte brengen.
Gedurende die gezangen hielden de jongelingen, om de vuren verzameld, zich onledig met hun „sipet” (blaasroeren)4vergiftigde pijltjes in de omhoog stijgende dikke rookwolken te blazen, om daardoor de onreine en ongeluk aanbrengende geesten te beletten terug te keeren. De overige feestgenooten, zoo vrouwen als mannen, vormden onderwijl een grooten kring om een paal—[52]in de noordelijke helft van de loods geplant, waaraan een „handangan” (buffel, karbouw) gebonden was—door elkander met de toppen der wijsvingers aan te raken, waarbij zij beurtelings eenige passen voor en achterwaarts deden, op de knieën doorbogen, totdat zij schier neergehurkt waren, en eindelijk onder het uitstooten van een rauwen gil weer opsprongen.
Toen die nationale dans, „bigal” genaamd, waaraan evenwel de verloofden en hun eerewachten geen deel genomen hadden, zoo wat een uur geduurd had, werd de buffel op de meest wreedaardige wijze met lanssteken doodgemarteld. Daarna werd het nog lillend vleesch door eenige oude vrouwen afgescheurd, in allerijl gekookt, gebraden en gepoft, waarna het aan de nedergehurkte feestvierenden werd rondgedeeld, die het zoo maar uit het vuistje verorberden.
Met het bloed van den buffel werden de verloofden op het voorhoofd, de borst en de handen bestreken. Vervolgens legden de Balians voor ieder der beide huwelijkskandidaten een stuk rottan ter lengte van ongeveer twee dM. neder, dat bedekt was met een laag deeg van rijstenbrij vervaardigd, met stofgoud vermengd. Daarna brachten de priesteressen een klapperdop met toeak gevuld aan de lippen, namen ieder een goede teug en gaven hem aan de verloofden over, waarvan de een den ander liet drinken en die eindelijk den klapperdop aan de omstanders overreikten.
De Dajaks, zoowel vrouwen als mannen, zijn aartsliefhebbers van sterken drank. Menige hartige teug werd genomen, gul en onbekrompen werd het lekkere vocht rondgediend; de feestvreugde klom weldra ten top. Johannes, Schlickeisen, Amai Kotong en Dalim zorgden evenwel met het oog op de omstandigheden, dat allen binnen de perken eener gepaste vroolijkheid bleven. Zij zelven[53]hadden de verloofden van harte toegedronken, maar onthielden zich wijders het verleidelijke vocht nog aan te raken.
Sjech Mohammed Al Mansoer alleen zat op een matje met gekruiste beenen dat vroolijke tooneel met een droefgeestig gelaat aan te staren. De geur van dien toeak streelde zijn reukorganen ongemeen en deed hem het water in den mond komen. Met een soort van afgunst beschouwde hij het gejoel rondom hem. Maar ofschoon zijn Walennatuur in opstand kwam, hield hij zich goed; hij had de belofte afgelegd, zijn kleed van nakomeling des Profeets niet te bezoedelen; hij zou die gelofte gestand doen. Zijn makkers zouden zien, dat ook hij, als het er op aankwam, zich zou weten op te offeren voor het algemeen belang. Hij zat daar nog zoo zich moed en standvastigheid in te praten, toen eensklaps een allerliefst hoofdje over zijn schouder heenboog en hem een klapperdop met toeak gevuld onder den neus liet passeeren.
Hij vloog op en trachtte de verleidster te grijpen, maar vlug als een hinde, was zij in een oogwenk op een afstand.
„Olo salam pali mihop toeak!” (Den mohammedaan is het niet geoorloofd toeak te drinken) riep zij hem uit de verte schalksch toe.
„A bas la sequelle!” riep de Waal, terwijl hij zich den tulband afsleurde van het hoofd en dezen door de loods wierp.
Daarop sprong hij op het schoone kind toe. Was hij haar nu te vlug af geweest, of had zijn daad het hart van de heidensche maagd getroffen? Wie zal dat uitmaken? In het volgende oogenblik hield hij haar in zijn linkerarm tegen zijn borst geklemd en greep hij, na haar een hartelijken kus op de lippen gedrukt te hebben, den klapperdop, dien hij in een teug ledigde.[54]
Een daverend hoera beantwoordde dien dronk, en toen de onttulbande Arabier verlegen rondkeek, zag hij zich door de feestvierenden omringd, die hem met vroolijk lachende gezichten als met zijn keus geluk wenschten.
„Het is wat moois zijn geloof te verzaken,” mompelde Johannes den Waal in het oor. „Maar het meisje is het waard, dat beken ik. Je zult nu Wienersdorf niets meer te benijden hebben. We zullen nu twee huwelijken hebben in plaats van een.”
Onthutst keek de Waal zijn makker aan en liet het meisje los.
„Twee huwelijken?” vroeg hij onnoozel. „Hoe zoo?”
„Denk jij de meisjes zoo maar te kunnen zoenen in de Dajaklanden? Dat zullen ze je wel anders leeren. Trouwen zul je!”
La Cueille dacht een poosje na. Maar de bekoorlijke Moendoet gekleed of eigenlijk niet gekleed in den bijna afwezigen tooi van Dajaksch bruidmeisje stond voor hem.
„Eh bien, vogue la galère!” brulde de Waal in vervoering, terwijl hij andermaal het lieve kind in de armen sloot en het verbond met een kus bezegelde.
Onder al die feestelijkheden en bedrijvigheden was het middernacht geworden. Toen de maan in het zenith stond, grepen de Balians de stukken rottan, die zij voor Dohong en Hamadoe hadden neergelegd, ontdeden ze van het omhulsel van deeg, maten ze, waarna de verklaring werd afgelegd, dat beide stukken iets langer geworden waren. Dat was een gunstig teeken. Het gebezigde deeg werd nu behandeld. Het stofgoud moest er uitgewasschen worden. Bij naweging werd ook dat bevonden vermeerderd te zijn en nu kwam aan de vreugde geen eind; want het bewijs was geleverd, dat de invocatie der priesteressen krachtdadig was geweest. De machtige Radja balawang boelau had toch zijn hulp toegezegd[55]en konden de verloofden in hun toekomstigen huwelijken staat op veel heil en voorspoed rekenen. Ieder hunner moest dat stukje rottan, waardoor de bovenaardsche gunst zich geopenbaard had, bij zich steken en steeds bewaren. Harimaoung Boekit nam op zich, van het gebruikte stofgoud, waarin zich ook de hemelsche scheppingskracht zoo wonderbaarlijk getoond had, natuurlijk onder toevoeging van het ontbrekende metaal, twee ringen te laten vervaardigen, die beide partijen steeds dragen zouden. Het Poenanhoofd betaalde daarenboven de Balians vorstelijk voor haar priesterlijke tusschenkomst en daarmede was de plechtigheid van het blako ontong ten einde.
Maar daarom de feestvreugde niet. Toeak met gebak werd ook na de godsdienstige plechtigheid in overvloed aangeboden en de gulste vrijgevigheid heerschte den geheelen nacht. Allen zonder onderscheid dronken een gezonde teug zonder tot onmatigheid over te slaan. Men was en bleef slechts vroolijk en men onderhield die vroolijkheid op gepaste wijze. Zelfs de Waal, die, nadat hij met zijn tulband ook den Profeet met zijn geheele leer naar den drommel gezonden had, zich van allen geestelijken dwang ontslagen achtte, hield onder het toezicht van Schlickeisen de matigheid in het oog en nam niet dan met diens toestemming een lekkere teug uit de poezele hand zijner uitverkorene aan.
De dageraad begon in het Oosten te gloren, toen de lofzangen der Balians nog weerklonken. Eerst hadden zij loftuitingen op bruid en bruidegom geïmproviseerd, daarna op haar bloedverwanten en zijn vrienden, waarbij de ex-Sjech en de lieve Moendoet niet vergeten werden en eindelijk ook op het Poenanhoofd en het kottahoofd. Wie weet met wiens lof zij geëindigd zouden zijn; zij werden evenwel door een paar geweerschoten gestoord,[56]die aan het feest een einde maakten en de mannelijke bevolking naar de borstwering deden spoeden.
Ziehier wat aanleiding tot die schoten gegeven had.
Johannes en Schlickeisen hadden zich gedurende het feest meermalen naar de geschutstellingen begeven om de waakzaamheid der schildwachten gaande en zelf het oog te houden op hetgeen buiten voorviel. Het begon eventjes te dagen, toen zij, andermaal op den uitkijk staande, aan den rand van het woud eenige beweging ontwaarden, die hun verdacht voorkwam. Zij zagen namelijk eenige mannen, waaronder zij bij den schemer aan zijn uniform den luitenant meenden te herkennen, elkander de hand drukken, waarna een hunner op de kotta afkwam en de anderen zich in den boschrand terugtrokken. Om geen noodeloos alarm te maken, sprong Johannes van het banket af en ging Harimaoung Boekit halen, om met hen uit te kijken. Zij zouden zich dan niet vergissen kunnen of het vriend of vijand was, die daar naderde. Nauwelijks was dan ook het Poenanhoofd op het banket der borstwering of hij deed zijnen medeschildwachten opmerken, dat het de Tomonggong van Kwala Kapoeas was.
„Ge moet hem geen leed doen,” sprak hij, „hij is een oud vriend van mij.”
„Neen,” antwoordde Johannes, „hem zal geen leed geschieden; hij is een te braaf oud man. Maar hij mag niet in de kotta toegelaten worden. Spreek gij hem toe, Amai; maar denk aan de galg, die de blanken u toegezegd hebben.”
De Poenan lachte verachtelijk.
De oude Nikodemus naderde intusschen geheel onbezorgd. Hij hield in de rechterhand een kleine Hollandsche vlag aan een kort stokje, in de linker een fraaien wandelstok van rottan met zwaren gouden knop, waarop[57]het Nederlandsche wapen prijkte. Toen hij tot omstreeks honderd pas van de versterking genaderd was, zag hij plotseling een hoofd boven de borstwering verschijnen en hoorde hij een stem zich toeroepen:
„Sabèh Amai Tomonggong! Narei gawim ikau kantoh?” (Zijt gegroet, vader Tomonggong! wat komt gij hier doen?).
Verschrikt van die stem, die hij zich meende te herinneren meer gehoord te hebben, keek hij scherp toe en ontzetting teekende zich op zijn wezenstrekken, toen hij het lachende gelaat van Harimaoung Boekit herkende. Het gevreesde Poenanhoofd te kotta Djankang! Wat kwam die daar doen? Dat ging het begrip van den ouden man te boven. Zou dan toch de luitenant gelijk hebben, dat in de bovenlanden de een of andere aanslag gebroed had? Hij was zoo verbijsterd, dat hij vergat antwoord te geven op de hem gedane vraag. Hij stond daar aan een standbeeld gelijk. Plotseling knalden twee geweerschoten, die, met onberispelijke kunstvaardigheid afgegeven, hem de vlag uit de eene en zijn waardigheidsstok uit de andere hand sloegen. Zoowel Johannes als Schlickeisen hadden bewijzen van hun schutterskunst gegeven; zij hadden den ouden man niet willen deren, maar slechts schrik willen aanjagen. Dat was hun meesterlijk gelukt. De ontstelde Dajak, meenende dat het op zijn leven gemunt was, sloeg bijkans achterover van schrik. Een oogenblik stond hij als wezenloos; hij zocht met de oogen naar de stukken van zijn verbrijzelden stok, die hem dierbaar was, omdat hij dien als tevredenheidsbetuiging van het Nederlandsche bestuur erlangd had, Maar toen hem de stem van Harimaoung Boekit in de ooren krijschte:
„Amai, oendoer goeloengoeloeng!” (vader, maak dat je weg komt), toen maakte hij beenen. De beide Europeanen[58]gaven hem nog een paar schoten met los kruit achterna en bespoedigden zoo zijn vlucht.
„Daar heb je ’t gedonder in de glazen!” vloog de luitenant op, toen hij de eerste schoten vernam, „een paar van die rakkers zullen op post gestaan hebben en met hun zeker schot hebben ze voorzeker dien armen Tomonggong geveld. Had ik hem toch maar niet laten gaan!”
De laatste verzuchting was ter nauwernood geslaakt en Tomonggong Patti Singa Djaja had nog geen tijd gehad ook zijn meening te uiten, toen de reeds dood gewaande verscheen. Hevig ontsteld en ademloos van het loopen, liet het oude hoofd zich op een boomstronk neervallen en was in de eerste oogenblikken in volslagen onmogelijkheid een enkel woord uit te brengen. Een teug brandewijn met water uit des luitenants veldflesch bracht het kloppende hart eenigszins tot bedaren. Eindelijk na veel zuchten en hijgen ontsnapte hem als in wanhoop:
„Jèi! Amai olo Poenan hetèh!” (O wee! het opperhoofd der Poenans is er.)
Bij het vernemen dier woorden teekenden angst en schrik zich op het gelaat van den Tomonggong van Kwala Hiang, terwijl de officier van dien uitroep weinig of niets begreep. Het kostte nog al moeite en geduld om Nikodemus verder tot bedaren te brengen en tot het verhalen zijner wederwaardigheden te bewegen. Toen hij eindelijk aan het verlangen zijner toehoorders voldaan had, sprak hij als zijn oordeel uit:
„Onze toestand, Heer! is nu uiterst zorgelijk geworden.”
„Hoe dat zoo, Tomonggong?”
„De Poenans zijn zeer ondernemende kerels en het verwondert mij uitermate, dat de nacht ongestoord is voorbijgegaan. Voor het uitvoeren van nachtelijke overvallen hebben zij huns gelijken niet.”[59]
„Och Tomonggong! dat zal zoo’n vaart niet loopen,” was de meening van den luitenant, „ik maak mij daaromtrent niet ongerust.”
„Ik wel Heer”, was het ernstige antwoord. „Dat we niet reeds een grootere ramp te betreuren hebben, wijt ik alleen, eensdeels aan het heldere maanlicht, waarvan de Poenans bij hun overvallen niet houden, maar nog meer aan de feestelijkheden, die heden nacht in de kotta gevierd zijn. We hebben toch tegen negen uur dat gebulder van de kanonnen en gedurende den geheelen nacht door het gegil der Balians gehoord.”
„Nu, Tomonggong,”viel de luitenant lachende in, „uw landslieden zijn feestvierders van professie, daar kunnen alle studenten van welke universiteit ook een puntje aan zuigen. Ze zijn nu eenmaal bij elkander, en zullen gedurende den volgenden nacht ook wel aan het fuiven gaan. En me dunkt, dat dan de gelegenheid schoon zal zijn om een ernstigen aanslag op de kotta te wagen.”
De oude Nikodemus schudde weemoedig het hoofd.
„Als ze ons maar niet voor zullen zijn!” riep hij uit. „Ik vrees dat ze zoo ongestoord geen tweeden nacht voorbij zullen laten gaan. Maar.… maar Heer, al zou het zoo zijn als ge denkt, dat ze weer feest zullen vieren, dan moogt ge toch niet aannemen, dat ze den omtrek onbespied zullen laten. Mijn landslieden zijn wel onbezonnen en handelen wel eens ondoordacht, maar zulke groote kinderen zijn het niet. Het zal in den aanstaanden nacht volle maan en derhalve bijna zoo licht als overdag zijn. Er zal niet aan gedacht kunnen worden, de kotta ongemerkt binnen te dringen.”
„We kunnen het in ieder geval beproeven. Wie weet hoe het geluk ons dient. Heden avond kan een onweersbui opkomen; in dit seizoen zou dat niet onmogelijk zijn en juist is het gedurende deze laatste dagen buitengewoon[60]warm geweest. ’t Zou me niet verwonderen, als we heden avond betrokken lucht hadden. En … zeg eens Andingkoe! zou dan de kans niet schoon zijn om het Nederlandsche Gouvernement nieuwe redenen tot dankbaarheid te geven?”
Voor een oogenblik vloog een glimlach met veel bitterheid doortrokken, over het gelaat van den braven Nikodemus; maar ook slechts voor een oogenblik, want terstond daarna vertoonde hij zich weer hoogst ernstig en verviel hij in nog grootere droefgeestige stemming.
Wat ging er om in dat oogenblik in de ziel van dien grijsaard? O! het was onhandig van den officier, dien man aan de dankbaarheid van het Nederlandsche Gouvernement te herinneren. Zou dien eenvoudigen Dajak zijn afgelegde levensloopbaan, geheel aan den dienst van dat Gouvernement gewijd, voor den geest gezweefd hebben? Zou hij zich herinnerd hebben, dat hij altijd, maar vooral gedurende de laatste jaren, die jaren van den meest hardnekkigen oorlog, die Borneo ooit beroerde, de stiptste trouw aan dat Gouvernement had betracht? Klonken hem de verleidelijke aanbiedingen nog niet in de ooren, door Pangerang Antassari in persoon, door de Pembekels Djalil en Soelil namens den Rijksbestierder Pangerang Hidajat Oellah gedaan, indien hij tot de partij des opstands zou willen toetreden? Stelde hij tegenover die vorstelijke aanbiedingen de povere dertig gulden, die hem zonder meer door dat Gouvernement maandelijks werden toegeteld om in de behoeften van zijn talrijk huisgezin uitsluitend te voorzien, daar hem het uitoefenen van handel of nijverheid door zijn benoeming tot districtshoofd verboden was? Of dacht de onnoozele Dajak dat alles zoo niet in bijzonderheden na en zweefde het hem maar onbestemd bij het hooren van dat woord dankbaarheid voor den geest?[61]
Met een blik op het hoogst ernstige gelaat zag de luitenant in, welke teedere snaar hij aangeroerd had. Hij, meer dan iemand anders, kon beseffen hoe verregaand ondankbaar dat trouwe hoofd behandeld was. Hij wist, en wel degelijk, omdat alles van hem uitgegaan was, hoeveel schrijvens, welke beroepen op mildheid het gekost had, hoe vaak hij had moeten herinneren, dat vele levens van Europeanen verloren zouden zijn gegaan, wanneer Nikodemus tot de zaak der onafhankelijkheid zijns volks ware toegetreden, om den trouwen dienaar die luttele twaalf rijksdaalders te bezorgen, die zijn ganschen rijkdom uitmaakten. Hij herinnerde zich de vele beslommeringen, die hij zich had moeten getroosten om den braven Tomonggong een ander blijk van de Hooge Regeering te bezorgen, toen het gouden uurwerk, dat hij zich voor zijne trouwe diensten en zijn onbezweken geestkracht bij de wetenschappelijke reis van Dr. Schwaner, dien hij dwars door geheel Borneo vergezelde, verworven had, bij het zinken van het stoomschip Tjipannas, bij Poeloe Naning5verloren was gegaan. De officier herinnerde zich nog den bitteren glimlach, die zijn eigene lippen verachtelijk deed krullen, toen hem eindelijk dat blijk in handen kwam en dit niets anders was dan een sabel, wel is waar met zwaar verguld gevest en scheede, maar in het oog van den inlander, vooral voor den bewoner van het goudland, juist door zijn verguldsel, dat als armzalige nabootsing van het edele metaal veracht wordt, geheel zonder waarde was. Eenmaal op dien weg der herinneringen kon de officier niet uit het hoofd[62]bannen, dat hij zich, op verzoek van den ouden man, alle moeite gegeven had diens zoon, Radhen Karsa Nagara, naar Java gezonden te krijgen, ten einde daar bij een der hoofden in het binnenland het landelijk stelsel en de werking van het inlandsch bestuur van nabij te beschouwen; dat die jongeling eindelijk na veel geschrijf, bij den Regent van Samarang, een der rijkste Javaansche hoofden, geplaatst werd, maar dat hem een zoo schamel traktement toegelegd werd, dat hij na weinige maanden genoodzaakt was, door gebrek en armoede vernederd en verbitterd naar Borneo terug te keeren.
Nogmaals, het was onhandig geweest aan die dankbaarheid te herinneren.
Lang liet de oude Tomonggong op zijn antwoord wachten en de luitenant miste den moed het stilzwijgen te verbreken. Eindelijk hernam het hoofd met een zucht:
„Het zal niet gaan, Heer! Onze wil moge goed zijn, het zou niets dan noodeloos bloedvergieten veroorzaken.”
„Laten we geen overhaast besluit nemen, Tomonggong; wie weet wat het toeval ons nog aan de hand doet. We moeten onze menschen steeds bij de hand hebben om terstond de omstandigheden, die zich voor mochten doen, te kunnen benutten.”
„Als onze menschen vernemen, dat Harimaoung Boekit met zijn Poenans in de kotta is, dan zullen ze niet te bewegen zijn haar aan te vallen. Ik vrees zelfs dat zij dan wegloopen zullen.”
„Ik ook,” bevestigde Tomonggong Patti Singa Djaja.
„Maar wat doet dat Poenanhoofd te kotta Djankang?” vroeg de luitenant.
„Ik weet het niet, Heer; mijn verstand staat er stil voor. Kon ik Amai Kotong maar te spreken krijgen.”[63]
„Maar bij uw tocht naar de kotta, hebt ge toen geen Europeanen gezien?”
„Neen Heer, ik heb alleen het lachende gezicht van Harimaoung Boekit ontwaard.”
„Wie heeft er op u geschoten?”
„Dat weet ik niet; zij die schoten stonden achter de palissaden, hunne geweren staken door schietgaten. Er is slecht geschoten, want anders had men mij op dien korten afstand wel getroffen.”
De luitenant glimlachte.
„Er is prachtig geschoten, Tomonggong, geloof me,” verzekerde hij. „’t Zijn voorzeker de twee Zwitsers geweest, die vuur gaven. Ze hebben u niet willen dooden.”
„Dat Hatallah hen dan zegene!”
„Amen,” lachte de officier.
Er werd verder besloten de aanwezigheid van den geduchten koppensneller in de kotta stipt geheim te houden en de versterking zoo dicht in te sluiten als maar mogelijk was. Wellicht was de proviand daar binnen niet ruim; gebrek zoude de bezetting tot onderhandelen kunnen nopen en zoo tot het doel voeren, waar open strijd ongeraden scheen.
Na die poging van Tomonggong Nikodemus gingen een tweetal dagen en nachten in ongestoorde rust voorbij. Des luitenants verwachtingen, dat de lucht betrekken zoude en zoo uitzicht geven op de mogelijkheid eener overrompeling, werden niet verwezenlijkt. De maan steeg iederen avond helder boven den boschrand op en overgoot alles met haar zacht maar helder wit licht. Niets kon binnen een kring van tweehonderd meter straal rondom de versterking gebeuren, zonder dat zulks door de belegerden ontwaard werd. Het ware volslagen zinneloosheid geweest onder zulke omstandigheden een aanval te beproeven. Maar van den anderen kant beveiligde[64]datzelfde maanlicht ook de belegeraars voor de aanslagen der Poenans en niet onduidelijk gaf Harimaoung Boekit te kennen, dat hij naar een nachtelijke onweersbui haakte, om eens afrekening te houden met hen, die hij nog steeds vermeende er op uit te zijn hem te vangen.
Kort na het intreden van den derden nacht—het was toen vrij donker, daar de maan eerst tegen half acht uur boven den gezichteinder zoude verschijnen—kwam een der schildwachten Johannes waarschuwen, die met Amai Kotong, Dalim en Harimaoung Boekit zat te kouten, dat bovenstrooms op de rivier een groot vormloos ding zichtbaar werd, dat langzaam voor den stroom afzakte. Allen sprongen in allerijl op, grepen hun wapenen en spoedden zich naar den rivierkant om te zien wat er gaande was. En werkelijk, op ongeveer een driehonderd meter afstands, kon men een voorwerp ontwaren, dat langzaam naderde. Het was veel te groot voor een prauw; het was geen vlot, daartoe was het te onregelmatig van vorm. Het geleek meer een drijvend eiland en, ware men in de benedenstreken, waar die eilanden, uit lange grassoorten, rietgewassen en schilf bestaande, in den vollen regentijd niet zeldzaam heeten, dan zou er de aandacht nauwelijks op gevestigd zijn. Hier evenwel baarde het argwaan. Allen werden zachtkens onder de wapens geroepen, het was raadzaam op alles voorbereid te zijn. In de Dajaklanden is de oorlog in den regel niets anders dan een afwisseling van hinderlagen, die de partijen elkander leggen.
Terwijl men nog tuurde en beraadslaagde, weerklonk op eens aan de achterzijde der Kotta een akelig alarmgeschreeuw, al zeer spoedig gevolgd door een aantal geweerschoten. Van de duisternis gebruik makende, had[65]de luitenant zijn Dajaks tot bij de palissadeering weten te voeren. Daar de geheele aandacht der bezetting op de rivier gevestigd was, zou werkelijk een beklimming gelukt zijn; maar een der vrouwen zag onverwachts een gedaante van boven de borstwering naar beneden springen. Zij had een hakmes in de hand, waarmede zij bezig was hout te kloven. Nog vóór dat de indringer van zijn verdooving, door den hoogen sprong veroorzaakt, bekomen was en zich verweren kon, had zij hem eenige hakken over hoofd en armen toegediend, zoodanig dat hij weldra weerloos in zijn bloed lag te wentelen. Op het geschreeuw der vrouw schoten eenigen derbezettingtoe. Een tweede, een derde, een vierde aanvaller, die boven de palissadeering verschenen, maakten kennis met de mandauws der Poenans en tuimelden zwaar gekwetst naar beneden in de scherpe randjoe’s, die aan den voet der borstwering geplant waren. De twee Zwitsers en La Cueille, met hun geweren in de hand, waren nagenoeg gelijktijdig met de Poenans op het banket verschenen en openden dadelijk een hevig vuur, hoewel zij in het donker weinig bespeurden.
Na dat vuur een poos onderhouden te hebben, begrepen zij uit het gegil en geschreeuw, hetwelk heel in de verte vernomen werd, dat het onmiddellijk gevaar geweken was, en staakten zij het schieten. Bij onderzoek vond men een lijk binnen de versterking en vier zwaar gekwetsten daar buiten. Het was onmogelijk de Poenans in hun eerste opwelling van toorn te weerhouden die ongelukkigen te snellen. Trouwens in het donker en bij de niet geringe verwarring en ontsteltenis, die vooral bij de vrouwen nog steeds heerschten, dacht daar ook niemand aan. Het duurde dan ook niet lang, of de drie Europeanen zagen de Poenans een houtvuur op het binnenplein der kotta ontsteken en toen de vlammen[66]hoog opflikkerden, dansten die wilden er om heen met de gesnelde koppen in de hand en zwaaiden daarmede, dat het nog gutsende bloed allerwege rondspatte. Vooral was Harimaoung Boekit uitgelaten; hij was de eerste naar buiten gestormd om de kermende gekwetsten af te maken. Nu sprong hij als een bezetene, gilde tusschenbeide zijn: lēēēēh lèlèlèlè ouiit! wierp van tijd tot tijd zijn hoofd in den nek en liet het nog warme bloed van den kop, dien hij in de hand hield, in den mond loopen.
„Zij hebben den koppensneller nog niet!” krijschte hij met juichende stem.
Weldra was bijna de geheele bezetting van kotta Djankang in den echten duivelendans opgenomen en gingen de koppen van hand tot hand, opdat ieder een teugje van het lekkere roode vocht zoude kunnen opslurpen. Toen het bloed ophield te stroomen, zogen de onverlaten aan de halstronken, zoo lekker was het.
Ontzet wendden de drie Europeanen zich van dat walglijke tooneel af en zochten Johannes op. Waar zat die inmiddels? vroegen zij zich af. Zoodra deze dat gillen vernomen en de daarop gevolgde schoten had hooren knallen, was hij naar dien kant heen gevlogen; maar toen hij zag, dat ieder op zijn post was, de geheele mannelijke bevolking zich gewapend had, ja, de vrouwen den mandauw gegrepen en zijn makkers de leiding der verdediging op zich genomen hadden, spoedde hij zich met Dalim weer naar den rivierkant. Want hij wantrouwde in hooge mate dat drijvende eiland, vooral omdat het verschijnen daarvan zoo zonderling samenviel met den aanval op de achterzijde der kotta. Hij verzamelde fluks eenige strijders om zich en begaf zich daarmede buiten de versterking om op het riviertalud post te vatten. Het[67]vormlooze geraamte kwam al nader en nader, wel niet zoo snel als bij den sterken stroom verwacht kon worden, want nu eens dreef het tegen den kant en haakte aan takken van boomen en struiken vast, dan weer geraakte het bij de eene of andere bocht in een tegenstroom of in een draaikolk, waardoor het of op zijn schreden scheen terug te keeren of als een monstertol ronddraaide.
Het geduld van Johannes werd wel op de proef gesteld. De maan begon boven den boschrand tegenover de versterking te verschijnen, en alles in haar zacht licht te hullen. Eindelijk kwam het eiland weer in het bed der rivier terecht en dreef nu recht voor den stroom af.
Hoe dichter het kwam, hoe duidelijker het werd, dat de massa uit versch gekapte takken, met lang gras in een gestrengeld, gevormd was. Hoewel de stroom naar de overzijde zette, wendde het eiland blijkbaar naar den kant der kotta toe, alsof het door een menschenhand bestuurd werd. Nog was de drijvende massa den kring, door de versterking beheerscht, niet binnengetreden en dus nog altijd onder het lommer des wouds, toen van uit de struiken ettelijke schoten er op gelost werden. Het waren de luitenant en de beide Tomonggong’s, die op hun beurt het drijvende gevaarte met wantrouwen gadesloegen en bij het voorbij varen er eenige kogels doorjoegen. Doch niets verroerde zich, het eiland bleef stil voor den stroom afdrijven.
Toen het den kring binnen trad, door het schoonkappen van het woud rondom de versterking gevormd, kwam het in het volle maanlicht. Johannes meende toen eenige beweging te zien achter die vlottende massa; hij bracht reeds zijn geweer aan den schouder, toen een stem over de watervlakte weerklonk.[68]
1Radja balawang boelau. Zie de noot op bladzijde22van dit deel.↑2Drahen tato antangbeteekent Koning der Antangs. Zie over den Antang de noot op bladzijde5van dit deel.↑3De Dajak kent ieder voorwerp, levend of niet, een ziel toe. Van levende wezens heet de ziel „liau”. Van alle andere voorwerpen „gana”.↑4Bij de Dajaks is de lansschacht doorboord. Door dien hollen cylinder worden vergiftigde pijltjes voortgeblazen, die bij verwonding uiterst gevaarlijk zijn. Zie over de pijlvergiften het meergenoemd werk van den schrijver: Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑5Zie over het zinken van dat stoomschip op bladz.168. Dl. I. Ik verdicht niet. Het bedoelde horloge was een ankeruurwerk en aan den gezaghebber der boot ter hand gesteld om het naar Java te zenden ter reparatie.↑
1Radja balawang boelau. Zie de noot op bladzijde22van dit deel.↑2Drahen tato antangbeteekent Koning der Antangs. Zie over den Antang de noot op bladzijde5van dit deel.↑3De Dajak kent ieder voorwerp, levend of niet, een ziel toe. Van levende wezens heet de ziel „liau”. Van alle andere voorwerpen „gana”.↑4Bij de Dajaks is de lansschacht doorboord. Door dien hollen cylinder worden vergiftigde pijltjes voortgeblazen, die bij verwonding uiterst gevaarlijk zijn. Zie over de pijlvergiften het meergenoemd werk van den schrijver: Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑5Zie over het zinken van dat stoomschip op bladz.168. Dl. I. Ik verdicht niet. Het bedoelde horloge was een ankeruurwerk en aan den gezaghebber der boot ter hand gesteld om het naar Java te zenden ter reparatie.↑
1Radja balawang boelau. Zie de noot op bladzijde22van dit deel.↑
1Radja balawang boelau. Zie de noot op bladzijde22van dit deel.↑
2Drahen tato antangbeteekent Koning der Antangs. Zie over den Antang de noot op bladzijde5van dit deel.↑
2Drahen tato antangbeteekent Koning der Antangs. Zie over den Antang de noot op bladzijde5van dit deel.↑
3De Dajak kent ieder voorwerp, levend of niet, een ziel toe. Van levende wezens heet de ziel „liau”. Van alle andere voorwerpen „gana”.↑
3De Dajak kent ieder voorwerp, levend of niet, een ziel toe. Van levende wezens heet de ziel „liau”. Van alle andere voorwerpen „gana”.↑
4Bij de Dajaks is de lansschacht doorboord. Door dien hollen cylinder worden vergiftigde pijltjes voortgeblazen, die bij verwonding uiterst gevaarlijk zijn. Zie over de pijlvergiften het meergenoemd werk van den schrijver: Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑
4Bij de Dajaks is de lansschacht doorboord. Door dien hollen cylinder worden vergiftigde pijltjes voortgeblazen, die bij verwonding uiterst gevaarlijk zijn. Zie over de pijlvergiften het meergenoemd werk van den schrijver: Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑
5Zie over het zinken van dat stoomschip op bladz.168. Dl. I. Ik verdicht niet. Het bedoelde horloge was een ankeruurwerk en aan den gezaghebber der boot ter hand gesteld om het naar Java te zenden ter reparatie.↑
5Zie over het zinken van dat stoomschip op bladz.168. Dl. I. Ik verdicht niet. Het bedoelde horloge was een ankeruurwerk en aan den gezaghebber der boot ter hand gesteld om het naar Java te zenden ter reparatie.↑