[Inhoud]XXI.Een ongelukkig schot.—Een stervende bode.—Lijkplechtigheid.—Het beleg opgeheven.—Beraadslaging.—Een paniek.—De vlucht.—Het bad.—Badjai hai.—Een vrouw gegrepen.—Het gevecht.—Een mineralenmagazijn.—Johannes weer als redenaar.—Een nieuw hoofd en een gezantschap benoemd.—Een uitvaart.„Ohoi! Amai Kotong!”„Wie roept daar?” schreeuwde Dalim met luider stem.„Olo soengei Mawat” (iemand van soengei Mawat).„Ik breng tijding van de bevolking van daar.”Inmiddels was het eiland tot voor de kotta gedreven. Een smalle strook water scheidde het nog van den vasten wal. Johannes en de zijnen lagen op het talud uitgestrekt met de wapenen in de vuist, op iedere mogelijkheid voorbereid. Een gedaante verhief zich op het eiland en begaf zich te water, om naar den wal te zwemmen. Maar daar knalde een schot; de zwemmer gaf een gil en ware Dalim niet in de rivier gesprongen om den boodschapper te hulp te snellen, dan ware deze voorzeker verdronken. De luitenant had het drijvende eiland blijven gadeslaan, hij had die gedaante zien te water gaan en had daarop zijn kogel afgezonden. Voordat hij zijn vuurwapen herladen had, was Dalim met den gekwetste aan wal en binnen de versterking in veiligheid.Helaas! de arme bode was doodelijk in de borst getroffen.[69]Hij kon nog slechts stamelen, dat de strijders van soengei Mawat, ten getale van ongeveer vijftig man, waren aangekomen. Zij hadden zich noordwaarts van de kotta in het bosch opgesteld en waren voornemens den volgenden avond, wanneer het donker zoude zijn, de belegeraars aan te tasten.Nauwelijks had de stervende zich van zijn last gekweten of hij blies den laatsten adem uit.Als echte natuurkinderen wijdden de Dajaks van kotta Djankang hun eerste zorgen aan den overledene. Zoodra de overtuiging bestond, dat de ziel aan haar omhulsel ontvloden was, werd het lijk een spiksplinternieuw stel kleederen aangetrokken en daarna op den vloer van een der woningen in de kotta op een fraai gebloemd matje uitgestrekt. Toen werd aan het hoofdeneinde van den verslagene een lampje ontstoken, dat met de fijnste harssoorten gevoed werd, en werden de lijken van de vier gevallen vijanden, met de afgehouwen hoofden op de maagstreek geplaatst, rondom hem geschaard. Allen hadden den „talawang” (schild) in de eene en den mandauw in de andere hand. De Dajaks waren overtuigd, dat door een zoodanig vertoon de zielen der onthoofde vijanden genoodzaakt zouden worden den ongeschonden Mawatter in de Dajaksche velden als hun heer te erkennen en zijn slaven te worden. Toen begon de titih te weerklinken en duurde dat weemoedig geluid den geheelen nacht door.Daar het te voorzien was, dat het lijk den volgenden dag door de lieden van soengei Mawat zoude worden afgehaald en de adat vergde, dat het volkomen toebereid afgeleverd zoude worden, ging men bij het aanbreken van den dag tot het „toending” over, hetwelk daarin bestond, dat de nagels van den overledene aan handen en voeten verguld en op zijn voorhoofd zeven[70]stippen met roode verf geschilderd werden. Daarna werd het lijk in deraoeng(voorloopige doodkist) gelegd en, daar de doode als strijder gevallen was en ook als een man van beproefde dapperheid bekend stond, werden hem zijn wapens in de kist medegegeven.Gedurende den nacht hadden de belegerden verscheiden geruchten bij de belegeraars waargenomen, waaronder uitroepen die, hoewel maar half verstaan, op een naderend vertrek duidden. Ook hadden zij roeislagen gehoord en waren zij wel nieuwsgierig te vernemen wat er gaande was. Toen de dag aangebroken was, keken de schildwachten uit, maar ontwaarden van de tegenpartij niets. Zelfs geen rookwolkje krulde omhoog om aan te duiden, dat menschen bezig waren hun ontbijt te bereiden. Een paar mannen der bezetting slopen naar buiten, doorkruisten den omtrek, maar brachten eindelijk het bericht, dat de vijand afgetrokken was. Een luid hoera beantwoordde die goede tijding en vooral de Europeanen drukten elkander met warmte de hand en riepen elkander de hartelijkste gelukwenschen toe. Onmiddellijk werd een bode uitgezonden om de strijders van soengei Mawat op te zoeken en hun het heuglijke nieuws mede te deelen. Daar dat aftrekken der belegeraars wel een list kon zijn, werd bij al de vreugde de voorzichtigheid niet uit het oog verloren en weer een uitkijk op den hoek beneden de kotta geplaatst.Hoe was men bij de belegeraars er toe gekomen het strijdperk te verlaten?Na het gevecht was men in dat kamp wel ietwat verslagen. Bij de beklimming der palissadeering had de luitenant zich mee aan het klouteren gewaagd. Gelukkig evenwel dat hij het in die kunst der apen nog niet ver gebracht had en dat hij door eenigen van zijn volk[71]voorbijgestreefd werd. Nu viel een der zwaar gekwetsten op hem en deed hem ook tuimelen. Zijn kleeding, maar vooral zijn schoeisel beveiligde hem tegen de punten der randjoe’s, zoodat hij slechts een betrekkelijk geringe verwonding aan den arm bekwam. Maar gelukkiger nog dat na zijn val de beide Tomonggongs hem onmiddellijk overeind trokken en met zich voortsleepten; weinige seconden later toch zoude de mandauw van Harimaoung Boekit zijn kop niet gespaard hebben.Onmiddellijk na die teleurstelling zagen de aanvoerders zich door dat drijvende eiland verontrust. Nu zaten zij bij elkander op een boomstam en was bedruktheid op het gelaat van alle drie te lezen. Het onderwerp, waarover zij het hadden, was niet van den vroolijksten aard. De beide Tomonggongs wilden weg; want zij verheelden het niet, zij zagen den toestand zeer donker in. Wat hun niet weinig angst aanjoeg, was, dat blijkbaar een boodschapper met dat drijvende eiland in de kotta aangeland was. Wie die was en van waar hij kwam, konden zij ternauwernood gissen, maar iets goeds beloofde dat zeker niet.De akelige tonen der titih bovendien, die zich in de versterking lieten hooren, stemden hen ook niet tot opgeruimdheid.De luitenant gaf als zijn meening te kennen, dat de versterking nog nauwer moest ingesloten worden. Hij zou dan met allen spoed naar Kwala Kapoeas terugkeeren, de reis naar Bandjermasin vervolgen, daar aan den Toean Besar van het gebeurde verslag doen en met soldaten, aan boord van een of meer stoombooten, met flink geschut bewapend, terugkomen om die weerspannige kotta voorbeeldeloos te tuchtigen.Met sprakelooze ontsteltenis hadden de beide Dajaksche hoofden hem aangehoord. Dat de officier zou kunnen[72]aftrekken en hen daar achterlaten, ging hun begrip te boven, zoodat zij vooreerst geen woord konden uiten. Na een lange poos bedenkens vatte ten laatste Tomonggong Nikodemus het woord:„Hoe lang rekent mijnheer weg te blijven?” vroeg hij met haperende stem.„Voor den stroom af reken ik in 2½ dag te Kwala Kapoeas te zijn. Daar heb ik een paar uur noodig om mijn rapport op te maken. Bandjermasin kan ik 24 uren later bereikt hebben. Rekent er op, dat ik een halven dag later onder stoom zal zijn en dat de reis naar kotta Djankang met het noodzakelijke ankeren des nachts in de bovenrivier ongeveer 4½ dag zal duren, dan kunt ge mij over negen, hoogstens tien dagen terug verwachten.”„Daar valt niet aan te denken, Heer!” was het stemmige antwoord van Nikodemus, „wanneer u terug komt, zoudt u ons allen vermoord vinden.”„Maar, Tomonggong?”„Het is zoo, Heer! Zoodra de lange donkere nachten daar zullen zijn, zal de dans ongetwijfeld beginnen. Geen nacht zal er voorbijgaan, dat we niet verontrust zullen worden, dat we geen verliezen te tellen zullen hebben. En eindelijk, als we uitgeput van het dagelijksch schermutselen en het nachtelijk waken zullen zijn, dan zal de groote slag geslagen worden, die het grootste gedeelte onzer zal dooden en de overblijvenden zal verstrooien.”„Ge zijt ruim drie tegen één, Tomonggong!” beet de officier hem grimmig toe.„Dat beteekent niet veel tegen een goed verschansten vijand. Maar die meerderheid zal niet lang duren, Heer! Ik vrees een opkomst van de stammen der bovenlanden.”[73]„Maar over tien dagen ben ik weer hier met een voldoende macht om al de stammen van Borneo het hoofd te kunnen bieden.”„Dat zal te laat zijn, Heer!”„Maar wat dan, Tomonggong!” riep de officier ongeduldig.„Er valt niets anders te doen dan met u heen te gaan, om, als het moet, weer met u terug te komen.”„In dien tusschentijd ontsnappen de deserteurs,” was het bittere antwoord.„Zeer waarschijnlijk, Heer! maar wees verzekerd, dat zij ook ontsnappen zullen, wanneer u heengaat en wij blijven.”„Maar ze zitten als in een muizenval.”„Ja Heer! wanneer we wacht genoeg hadden of behoorlijk bewapend waren. Maar nu zijn we onmachtig de muis uit de val te halen, en de muis heeft het in haar macht de val te verlaten, wanneer zij wil.”De luitenant knarsetandde. Wat de Tomonggong zeide, was maar al te waar. Toch kon hij niet toegeven. Een oogenblik dacht hij er aan zelf te blijven en een der hoofden naar Bandjermasin te zenden. Hij begreep echter, dat bij het besluitelooze en het bedachtzame van het inlandsche karakter dan veel meer tijd zoude gevorderd worden; ook dat hij ter hoofdplaats onmisbare inlichtingen te geven zoude hebben; zoodat hij van dat denkbeeld afstapte. Andermaal wilde hij beproeven de Tomonggongs over te halen met hun volk te blijven, toen een der volgelingen van het hoofd van Kwala Kapoeas met onverholen spoed naderde en den ouden man iets in het oor fluisterde.„Daar hebben we ’t al!” riep deze uit. „De Kwala Kapoeassers hebben bij het gevecht van straks Harimaoung Boekit en zijn Poenans herkend. Ze zijn in[74]grooten angst en willen weg. De meesten hunner zijn reeds bezig de prauwen gereed te maken. Ik ga zien wat dat te beduiden heeft.”„We gaan met u mede!” riepen de luitenant en Tomonggong Patti Singa Djaja.Toen de drie mannen in het kamp kwamen, vonden zij de meesten hunner lieden in de grootste opgewondenheid. Verschrikkelijke verhalen omtrent de woestheid en wreedheid der Poenans waren in omloop. De angst was in aller harten. De officier vernam, dat de menschen van kotta Baroe reeds voor het meerendeel vertrokken waren en zag, dat de overigen bezig waren hun prauwen te bestijgen. Hij poogde zich tegen dien aftocht te verzetten. Hij praatte, overreedde en eindigde met te bevelen. Alles te vergeefs; het troepje was niet te houden, het was een ware paniek. In de volgende oogenblikken zag hij zich met de beide Tomonggongs alleen staan en de eene prauw voor en de andere na achter den eersten „tandjoeng” (hoek) verdwijnen. De beide Dajaksche hoofden wisselden een blik, prevelden eenige woorden, waarna zij den luitenant ieder bij een arm namen en niettegenstaande zijn tegenstribbeling in hun prauw brachten, die ook tot vertrek gereed lag en waarvan de roeiers niet weinig ongeduld lieten blijken. Zoodra de luitenant er in was, schoot de prauw met kracht vooruit. Het was een ware vlucht; maar er viel niets anders te doen. De omstandigheden noodzaakten er toe.Toen de prauw den hoek omvoer, die de kotta aan het gezicht zoude onttrekken, wierp de officier nog een blik op die versterking, die zich daar in het maanlicht somber en zwijgend aan den oever der rivier verhief; hij balde de vuist en prevelde binnensmonds:„O! ik zal terug komen en mij wreken, daar kunt ge staat op maken.”[75]Of hij het tegen de deserteurs of wel tegen de bevolking van kotta Djankang had, bleef in het onzekere.Het beleg had slechts vier etmalen geduurd.De bewoners van de kotta waren als kleine kinderen, die een tijd opgesloten zijn geweest, zoo uitgelaten. Allen stortten zich naar buiten om van het ontbeerde vrije te genieten en het kostte wel moeite om, bedacht als men er op wezen moest, dat die aftocht een list des vijands kon zijn, de noodige veiligheidsmaatregelen te doen betrachten. Maar van de zijde van den vooruitgeschoven post aan den zuidkant bleef alles rustig; de vijanden waren dus voor goed afgetrokken, want van dat punt was de rivier over een zeer groote uitgestrektheid stroomafwaarts te overzien.De eerste behoefte waaraan ieder der bewoners van kotta Djankang meende te moeten voldoen, was het nemen van een bad. Het was wezenlijk of op eens al de menschelijke wezens van de kotta in amphibiën gemetamorphoseerd waren. Onder bescherming van een saloi of een tapih plaste en dartelde de geheele bevolking, mannen, vrouwen en kinderen, in het heldere water der rivier, die daar ter plaatse reeds den naam van bergstroom begint te verdienen en werd daar menig kunststuk in het zwemmen vertoond. Wie weet hoe lang dat genot zou gerekt zijn, maar plotseling deed zich het angstgeroep hooren:„Badjai! badjai hai!” (een krokodil, een groote krokodil).En werkelijk bovenstrooms zag men iets komen aandrijven, hetgeen voor den onervarene veel op een boomstam geleek, maar wat de inboorlingen niet kon misleiden. Alle badenden vlogen naar den wal; maar welke spoed ook gemaakt werd, het monster had een wisse prooi bemerkt en schoot, terwijl het onderdook, pijlsnel[76]vooruit, en niet alle vluchtenden hadden den tijd om den oever te bereiken. Dicht bij den wal dook het ondier op, greep een vrouw bij een been en trachtte haar onder water te sleepen. Het ongelukkige slachtoffer schreeuwde hartverscheurend, greep in haar doodsangst een tak van een struik en klemde zich daaraan wanhopig vast. Nu begon voor de toegeijlde toeschouwers een ijzingwekkende en ontzettende worsteling. De kaaiman had de vrouw bij het dikke van het bovenbeen gegrepen en daar zijn lange en scherpe tanden te midden der spierbundels diep ingeslagen. Hij trok, schudde, scheurde, terwijl hij een geluid liet hooren alsof een varken snorkte, en spande alle krachten in om zijn slachtoffer te noodzaken los te laten. De arme vrouw gilde en steunde erbarmelijk en wrong zich akelig onder dat schudden, hetwelk haar de lappen vleesch aan flarden van het been scheurde. Zij hield zich evenwel krampachtig aan den reddenden tak vast, die, hoewel hij kraakte en krampachtig bewogen werd, toch sterk bleek te zijn en niet toegaf.Dat alles was in een ommezien gebeurd; toch duurde die worsteling voor de arme lijderes een halve eeuwigheid. Gefolterd door de hevigste pijnen, verzwakt door bloedverlies uit de belangrijke verwondingen, die zij ontvangen had, zou zij hebben moeten loslaten, toen eensklaps hulp opdaagde.Dalim, die reeds de rivier verlaten en zich gekleed had, toen het eerste geroep vanbadjai!weerklonk, spoedde zich langs het riviertalud naar boven en zocht aan den voet der borstwering een ijzerhouten randjoe onder de daar geplante, dat aan beide einden goed aangepunt, toch stevig van schacht en ongeveer anderhalve voet lang was. Hij vond wat hij zocht, trok het uit den grond, omvatte het stevig met de linkerhand[77]en omwikkelde die hand en den geheelen arm tot boven den elleboog met zijn natten saloi, zoodanig dat arm en hand behoorlijk beschermd waren, de beide punten evenwel van het randjoe vrij bleven. De rechterhand hield hij vrij, maar in zijn gordel stak hij een „badeh” of dolk.Zoo toegerust stortte hij zich in het water, op het oogenblik, dat de arme vrouw op het punt was te bezwijmen. Als voortreffelijk zwemmer schoot Dalim den kaaiman op zijde, trok zijn dolk en poogde hem onder den linkervoorpoot, waar de schubbenhuid van het monster minder dik is, te treffen. Door de bewegingen echter bij de worsteling, trof het wapen minder juist, gleed af en bracht slechts een onbeduidende verwonding te weeg; evenwel pijnlijk genoeg om de aandacht van het ondier op Dalim over te brengen. Oogenblikkelijk liet dit dan ook de arme vrouw los, om zich op zijn aanvaller te werpen. Zorgvuldig trachtte Dalim buiten het bereik van den staart te blijven, waarmede de krokodil de oppervlakte van het water woedend tot schuim geeselde. Behendig duikende, bleef de Dajak den kaaiman op zijde, en toen deze zijn vervaarlijke groote kaken opensperde, om zijn stoutmoedigen bespringer met zijn tanden kennis te laten maken, stak deze bliksemsnel den beschermden arm daarin, draaide de vuist om, zoodanig dat, toen het beest den muil met kracht wilde sluiten, om dien arm tusschen zijn machtige tanden te verbrijzelen, het zich de zachte deelen van het verhemelte en van de onderkaak in de punten van het randjoe sloeg en onmachtig was de kaken bij elkander te brengen.Nu begon een voorbeeldelooze strijd.De kaaiman zich zoo pijnlijk getroffen voelende, schoot vooruit om het ruime sop te bereiken, maar Dalim, na[78]zijn tegenstander nog een wond met zijn badeh toegebracht te hebben, had dat wapen losgelaten en met de rechterhand denzelfden tak gegrepen, waaraan de vrouw zich straks geklemd had. Met de linkerhand het randjoe met kracht omvat houdende, strekte hij den arm als een onwrikbare ijzeren staaf uit om zich het dier van het lijf te houden, dat hem anders met zijn scherpe nagels vreeselijk toegetakeld zoude hebben. Wanhopig waren de pogingen van den krokodil om zich los te rukken. Met zijn staart zweepte hij het water dat het wijd en zijd opspatte; nu schoot hij eens onder alsof hij heil in den afgrond ging zoeken, dan weer sprong hij ten halven lijve boven de oppervlakte uit, even of hij den hemel genade wilde vragen. Soms wentelde hij zich rond, als wilde hij den arm, die hem vasthield, bij den schouder afdraaien; en ware de tak, waaraan Dalim zich vastgeklemd hield, niet uiterst buigzaam en veerkrachtig als een rottan geweest, dan had de Dajak onmogelijk die beweging hebben kunnen volhouden. Nu draaide hij slechts mede als een tol, maar hield zich uitmuntend. Wel proestte hij, wel riep hij om hulp, wanneer hij in den hevigen worstelstrijd eens boven water geslingerd werd, maar los liet hij niet.Lang kon het evenwel niet meer duren; zijn krachten zouden hem begeven hebben. Maar daar naderde La Cueille, die in den looppas zijn geweer was gaan halen, en zich tusschen den kring toeschouwers door wrong, die ontzet en radeloos dat gevecht stonden aan te kijken. Hij legde aan, de tromp zijns geweers raakte bijna de strijdenden, maar dadelijk schieten kon hij niet, daar door de ordelooze en wanhopige bewegingen de Dajak even goed kon getroffen worden als het ondier. Beklemmend was het wachten en iedere seconde scheen ieder der aanwezenden wel een uur toe. Eindelijk, van een[79]ondeelbaar oogenblik gebruik makende, dat de strijders stil en hijgende aan de oppervlakte des waters lagen, drukte hij los, en.… de kaaiman, midden op de hersenpan getroffen, deed een wanhopigen sprong, waarbij zijn geheele lichaam zich wel vijf of zes voet boven water verhief. Tegen dien schok waren de krachten van Dalim niet bestand, zijn armen werden als uit het lid gerukt en was hij verplicht los te laten. Maar was het overmoed of wel verbouwereerdheid? In stede van het randjoe los te laten, liet hij den tak varen en werd hij door het ondier naar de diepte der rivier gesleept.Gelukkig was het einde nabij!In zijn doodstrijd sprong en wentelde zich het ondier dan eens in de lucht, met zijn vijand steeds aan zijn kaken hangende, dan weer in de diepte bedolven, terwijl het water hoog en wild opklotste en met wit schuim bedekt den oever kwam lekken. Eindelijk waren de krachten van het stervende ondier uitgeput; langzamerhand bedaarden zijn ontembare bewegingen en weldra lag het bewegingloos en drijvende aan de oppervlakte der rivier.Maar ook Dalim was uitgeput en dreef bewusteloos naast het lijk zijns vijands, hoewel hij zich nog steeds aan het randjoe in den vervaarlijken muil vastklemde. In een oogwenk was een djoekoeng ter redding toegeschoten, was de onmachtige weldra daarin getild en het kreng van den krokodil achter het vaartuig vastgehecht.Aan den wal werd Dalim door Wienersdorf met wat jenever ingewreven, waardoor hij spoedig bijkwam. Zijn bewusteloosheid was slechts veroorzaakt door de geweldige inspanning en de hevige gemoedsaandoeningen, want behalve eenige kleine en onbeduidende krabben, was hij geheel ongedeerd gebleven.[80]Toen La Cueille de lucht van den jenever in den neus kreeg, beweerde hij door het aanschouwen van dat ontzettende gevecht ook een onmacht nabij te zijn. Wienersdorf, in de vreugde zijns harten over de redding van hun lotgenoot, reikte den Waal lachende een goede teug toe, hem toewenschende, dat het hem wel mocht bekomen.Bij nader onderzoek bleek het, dat La Cueille’s kogel de hersenpan van den kaaiman verbrijzeld had, dat daarin een gat, waarin een mansvuist kon gestoken worden, geslagen was, hetgeen niet anders kon verklaard worden dan dat het projectiel het doel onder een zeer stompen hoek getroffen en het verbrijzeld had zonder er in door te dringen. En werkelijk werd de kogel niet teruggevonden.De twee Zwitsers verwonderden zich over den spitsen kop van het ondier, die zoozeer verschilde met dien der krokodillen in de benedenlanden. Van de Dajaks vernamen zij, dat in die streken drie soorten van krokodillen voorkomen: de „badjai bawoi”, „badjai sapit” en „badjai badjanka”1of de stompkoppige, de spitskoppige en de leguaanachtige. De eerste soort wordt alleen langs die zeeoevers en in die rivieren en meren aangetroffen, welker beddingen uit zacht slib bestaan; de tweede soort op zandige oevers of in die gedeelten der rivieren, waar zand en rolsteenen gevonden worden; en eindelijk de derde soort nimmer in zee, maar slechts in de bergstroomen, waar die watervallen vormen en over zware steenen heenbruisen. Deze laatste soort, veel kleiner dan de twee andere soorten, is toch zeer vraatzuchtig en ondernemend en dus niet minder gevaarlijk voor den mensch.[81]Alhoewel de Dajaks de krokodillen als gezanten van Djata2en dus als wezens van goddelijken oorsprong vereeren, en zij zich verbeelden, dat die dieren in de bovenwereld een geheel andere gedaante hebben en slechts alsbadjaiop de aarde verschijnen om de bevelen van hun Heer ten uitvoer te brengen, zoo wordt hun wrevel toch gaande gemaakt, wanneer een kaaiman een mensch aanvalt. In dat geval is weerwraak niet alleen ten volle geoorloofd, maar zelfs een niet te ontduiken plicht. Allen wierpen zich dan ook op het kreng en kapten en kerfden om hun gemoed te koelen. Toen het ondier geopend was, vond men in zijn maag verscheiden afgeronde keien, ja zelfs een paar stukken steenkool ter dikte van een vuist; ook werd daarin een fraaie witte koraaltak ter lengte van een vinger aangetroffen. Dit laatste deed Schlickeisen de veronderstelling uitspreken, dat het dier uit de Javazee naar de bovenlanden gezwommen was en dat het die reis in zeer korten tijd moest afgelegd hebben, daar die koraaltak nognietdoor het maagzuur aangetast was. Johannes weersprak dat gevoelen en bracht in herinnering, dat in de binnenlanden van Borneo op vele plaatsen koraalbrecciën langs de rivieren en ook elders aangetroffen worden, als om het onomstootelijk bewijs te leveren, dat de Oceaan daar eenmaal zijn blauwe baren gerold heeft. De Dajaks bevestigden die meening, en verhaalden, dat bij hen een volksgeloof bestaat, volgens hetwelk deze soort van krokodil, bij het ondernemen van verre tochten, overal bij iedere negorij, waar hij voorbijzwemt, een steen, een koraaltak enz. tot herinnering aan die[82]plaats inzwelgt. Vandaar dat zijn maag soms een waar magazijn van mineralen te noemen is.De kop van het ondier werd behoorlijk van de vleeschdeelen ontdaan en zou, wanneer de arme vrouw, die door die vreeselijke tanden zoo toegetakeld was, kwam te sterven, op haar graf prijken. Helaas, dienzelfden dag nog overleed zij aan bloedverlies. Wel had men gepoogd, het bloed metPengawarDjambie3te stelpen; maar vele aderen waren verscheurd, waaronder slagaderen; en hoe uitstekend die stof bij eenvoudige verwondingen als bloedstelpend middel ook werkt, bij zulke verbloedingen was zij volkomen machteloos. De titih was nog niet verstomd voor den gesneuvelden Mawatter, toen zij voor dit andere slachtoffer andermaal moest weerklinken.Toen dat rivierdrama afgespeeld was, verzamelden de voornaamste ingezetenen der kotta zich, om te beraadslagen wat hun nu verder te doen stond. Het was waarachtig een uiterst kritiek geval. Het was onmogelijk te ontkennen, men had de bevelen van de Nederlanders getrotseerd; men had zich tegen hen gewapenderhand verdedigd en bij den strijd waren ettelijke van de Hollandsche onderhoorigen omgekomen. Hoe zou dat alles opgenomen worden? Niet malsch, daarvan kon men zich verzekerd houden. Dat er représailles genomen zouden worden, dat was voor het inlandsche karakter zonder twijfel. Maar.… zouden die niet te ontgaan zijn? Wel zeker. De geheele bevolking van kotta Djankang zou opbreken en zich naar de binnenlanden begeven, ver boven de „kihams” (watervallen), waar de[83]blanken niet of slechts hoogst moeielijk zouden kunnen komen. Dit voorstel vond, ofschoon het door de meerderheid toegejuicht werd, geen onverdeelden bijval. Het is waar, zij waren afstammelingen van de „Badjankang’s”4, een zeer uitgebreiden Dajakschen stam, die in de nabijheid van Kaap Datoe het Kemai-, het Semadjoe- en het Kariembanggebergte bewoont. Hunne voorouders waren herwaarts verhuisd, omdat zij geen vrede konden hebben met de Serawak- en Batang Loepar-Dajaks en het koppensnellen aan de orde van den dag was. Maar zij hadden zich hier door huwelijken vermaagschapt met de naburige stammen en waren daarin als het ware opgegaan. Zij waren geene Badjankang’s meer, zij waren Ot Danom’s. Hier stonden de graven hunner ouders; hier hadden zij het eerste levenslicht aanschouwd en waren hun kinderen geboren. Hier lagen hun velden en stonden hun huizen. Hun „hampatong’s”5verhieven zich allerwege. Voorzeker, een volksverhuizing zou velen smartelijk vallen; ja, er waren er, die in wanhoop uitriepen, dat het lafhartig was uit vrees voor de Hollanders de plaats te ruimen, want dat men zich zeer goed verdedigen kon.Toen de discussie dien toon bereikt had en zij dreigde tot tweedracht te voeren, stond Johannes op en beklom,[84]na eenige ruggespraak met Amai Kotong, het kottahoofd, en met Harimaoung Boekit, het Poenanhoofd, de tadjahan en voerde den verzamelden toe:„Amaingkoe! Kakangkoe! Andingkoe!” (mijn vaders, mijn oudere en jongere broeders).„Het is onnoodig te twisten over iets, waarvan de oplossing zoo eenvoudig mogelijk is. Een partij wil heentrekken en de andere wil blijven, vandaar het verschil van gevoelen. Gelooft mij, zij die wenschen te blijven hebben gelijk. Wat is toch de zaak met de Hollanders? Uw hoofd Amai Kotong heeft Harimaoung Boekit, zijn gast en den zoon zijns ouderen broeders niet willen uitleveren. Op zijn bevel hebt gij uw kotta verdedigd en de wetten der gastvrijheid ongeschonden bewaard. Hij, hij alleen is dus de schuldige; hij is de eenige, wien iets ten laste kan gelegd worden. De Hollanders, die er zoo’n hoogen prijs op stellen, dat de bevolkingen hun overheden gehoorzamen, zullen niemand anders lastig vallen dan hem, die de bevelen tot verzet gaf. Zij zullen, wanneer zij terugkomen, alleen de uitlevering vorderen, in de eerste plaats van Harimaoung Boekit, de hoofdoorzaak van de oneenigheid, en dan die van uw hoofd, die hun bevelen durfde te weerstreven.”Een gehuil beantwoordde die woorden. Het was als een storm van verontwaardiging, die losbarstte.„Houdt gij ons voor den gek? dat nooit!! dat nooit!!!”„Neen, dat nooit! dat weet ik wel,” voer Johannes voort.„Maar als je dat weet, wat wil je dan?” vroeg een stem uit den hoop barsch. „Je schijnt wel een verrader.”„Als je die woorden nog eens spreekt, dan smijt ik je met mijn mandauw naar het hoofd!” was het driftige antwoord van den speacher.[85]„Je kunt toch niet veronderstellen, dat we ons hoofd en onzen gast in handen van de blanken zullen stellen?”„Stil, je laat me niet uitspreken. Ik herhaal, de Hollanders zullen alleen de uitlevering van Harimaoung Boekit en Amai Kotong eischen en.…”„Maar dat willen we juist niet!” brulde de troep.„Ik herhaal het, dat weet ik wel, ik weet dat een Dajak niet in staat is de wetten der gastvrijheid te schenden of zijn hoofd uit te leveren. Niettegenstaande de groote geldsommen, die voor zulk een schanddaad uitgeloofd werden door de Hollanders, heeft nog geen Dajak dat bloedgeld trachten te verdienen. Geen uwer zal ook zijn leven daarmee willen koopen.”„Neen! neen!!” was het geestdriftvol geschreeuw.„Goed zoo! zoo hoor ik het gaarne. Die uitlevering zal ook niet noodig zijn. Harimaoung Boekit zal wel maken, dat hij met zijn Poenans weg zal zijn, voor dat de Hollanders terug komen en Amai Kotong zal met hem mede gaan; want hij heeft mij verzekerd dat, om alle oorzaak van onheil weg te nemen, hij voornemens is naar het landschap Miri, van waar hij geboortig is, terug te keeren.”Sprakeloos hoorde de menigte die verklaring aan. Aller oogen wendden zich naar het kottahoofd als om de bevestiging van het gehoorde te erlangen. Deze knikte met het hoofd:„Ik trek met mijn gansche familie af!” riep hij uit.„Bij die beslissing wordt de oplossing van de gerezen moeielijkheid gemakkelijk,” voer Johannes voort. „Gij kiest een nieuw hoofd en de nieuw gekozene zendt een deputatie naar Bandjermasin om aan den Grooten Heer der Hollanders zijn leedwezen over het gebeurde te kennen te geven en zijn onderwerping en die van de bewoners van kotta Djankang aan te bieden. De afgezanten[86]vertellen dan met veel omhaal, dat, na het vertrek der Kwala Kapoeassers, de bevolking van kotta Djankang met behulp van de mannen van soengei Mawat, haar hoofd Amai Kotong vervallen verklaard heeft en dat deze zich met Harimaoung Boekit uit vrees voor erger, door de vlucht gered heeft.”„Maar dat zal toch een onwaarheid zijn!” riep de stem van straks.„Nu, wilt ge de waarheid gaan zeggen en den Hollanders gaan vertellen, dat gij allen er even lustig op losgehouwen hebt en dat het u spijt, het nog niet beter gedaan te hebben, ga je gang! mij wel!” grinnikte Johannes sarrend; „maar.…” liet hij er meer ernstig op volgen: „bedenkt u wel, handelt gij niet volgens mijn raad, dan hebt gij over een paar weken een geheele vloot stoomschepen hier voor de kotta met vele soldaten, en wat nog meer zegt, met vele en groote kanonnen aan boord, die in een half uur tijd de kotta zoo plat als een koek zullen geschoten hebben. Neen, gelooft me, en doet wat ik zeg; het is goede raad, dien ik u geef. Die kleine onschuldige leugen zal Mahatara niet vertoornen; en wanneer gij in uw leven nooit erger leugen zult verteld hebben dan dezen, die niemand schaadt, maar veel onheil zal voorkomen, dan mogen uwe zielen wanneer Tempon Telon6ze door de „kiham apoei” (vuurwaterval) naar de „Lewoe liau” (zielen land) zal voeren, zich gelukkig achten; want dan zullen ze maar een ellendig klein beetje geroosterd worden, waarachtig niet de moeite waard, om er over te spreken.”Spottend en snijdend sprak Johannes. Maar hij had[87]nog zeer lang kunnen praten, zonder dat iemand hem in de rede gevallen zoude zijn. De vergaderden verdrongen zich om Amai Kotong en toen deze de verklaring had afgelegd, dat het reeds lang zijn wensch was geweest om het laatste gedeelte zijns levens te gaan doorbrengen in het land zijner vaderen, in het land waar hij geboren was; en dat hij nu de gelegenheid aangreep, om zijn heengaan tot heil van de bewoners van kotta Djankang te doen strekken.Allen drukten hem met innigheid de hand en betuigden hun instemming met een beslissing, die de moeielijkheid volkomen oploste.Een paar uur later, toen de Mawatters binnen de versterking waren aangekomen, werd, nadat die op de hoogte der omstandigheden gebracht waren, onmiddellijk tot de verkiezing van een nieuw hoofd overgegaan. De volkskeus vestigde zich op een jeugdig man met name Njawong, die zich, hoewel tegenspartelende, den titel en de betrekking van Amai liet welgevallen. Onder den aandrang van Johannes benoemde het nieuwe hoofd een gezantschap, bestaande uit twee voorname Djankangers en twee voorname Mawatters, om de onderwerping van kotta Djankang aan den Toean Besar te gaan aanbieden. Johannes met Amai Kotong en Amai Njawong drongen er op aan, dat de gezanten onmiddellijk zouden vertrekken, om door hun verschijning en onderwerping het nemen van maatregelen en het volvoeren van krijgstoerustingen overbodig te maken. Zij mochten evenwel de afgetrokken aanvallers van kotta Djankang niet inhalen, maar moesten hen op een eerbiedigen afstand volgen om geen oorzaak te zijn, dat de kommandant van Kwala Kapoeas door die preliminairen verlokt, het voornemen zoude kunnen opvatten, ontijdig naar kotta Djankang terug te keeren. Ook moesten zij[88]trachten goed op de hoogte te blijven en dadelijk bericht zenden, wanneer zij hetzij ter hoofdplaats, hetzij te Kwala Kapoeas, iets van krijgstoerustingen tegen kotta Djankang zouden vernemen.Johannes als degelijk aanvoerder dacht aan alles.De zon was de westerkim nog niet genaderd, toen de afgezanten de reis reeds aanvaardden.Den volgenden morgen zouden de Mawatters vertrekken, om naar hun haardsteden terug te keeren. Een hunner prauwen werd feestelijk uitgedost met festoenen van rood linnen strooken en van jonge klapperbladeren, die de Dajaks zoo bevallig kunnen bewerken en rangschikken. Daarin was deraoengvan den gesneuvelde, nadat het deksel daarop bevestigd en de naden behoorlijk waren gedicht met „katipei”7, op de „menggatilraoeng”, een stellage van zwaar en kostbaar hout, gewoonlijk van „kajoen pamala”8vervaardigd en behoorlijk gedrapeerd, gesteld. Fier woei de Nederlandsche vlag in breede plooien boven die prauw en daar de overledene tot de aanzienlijken zijner streek behoorde, werd het vaartuig door twee en veertig9roeiers gevoerd. Achter die lijkprauw zouden twee[89]andere vaartuigen volgen, ook even bont, maar toch smaakvol met festoenen en vlaggen versierd. In de eerste zagen onze Europeanen vier „karandah’s” overbrengen. In ieder dier kooien zat een levende pandeling opgesloten; en er was zich geen hersenschim te vormen, die arme wezens waren bestemd, om bij het te houden „tiwah” (lijkfeest) omgebracht te worden. Wienersdorf keek scherp toe, of ook de door hem geredde vrouw zich onder die slachtoffers bevond, maar hij zag ze niet. Harimaoung Boekit verhaalde hem, dat deze offers een hulde waren van de kotta Djankangers aan den moed van hem, die voor hun belangen bezweken was. Bij die vier zouden te kotta Mawat nog een drietal gevoegd worden om den gesneuvelde een hem waardige bediening in de „Lewoe liau” te geven.In de derde versierde prauw zaten een aantal van een en twintig Balians, die de lucht van hare gezangen deden weergalmen en die formulieren op de maat met hare katambong’s begeleidden. Achter de prauw der priesteressen kwamen de overige vaartuigen der Mawatters, die zich volgens de voornaamheid harer eigenaars in een lange rij achter elkander schaarden.Toen de stoet van wal stak, brandden al de kanonnen der kotta los en verhief zich een oorverdoovend en langgerekt: lēēēēēēh lèlèlèlèlèlelele ooouiiiit! als om den gevallene voor het laatst te groeten en eer te bewijzen.„Nihau jèh,” klonk daartusschen het weemoedige gezang der priesteressen: „Nihau jèh lonok batipas, ohate baringen, jèh belongkan boekit.„Tingang jèh teseke lajang harimaoung marantong batoe, benang jèh tariop bitie ingampoh tandjoeng ambon.„Boelau mantap tasalèh indoe tangalong enon.”[90]„Verloren is hij als de Lonokboom10, wiens wortels geknakt zijn, als een Wariengien, die omgevallen is op den berg.„Als een Tingang11is hij bij den terugkeer verdwaald, als een tijger afgestort van de rots, als een stuk linnen weggewaaid op den voortijlenden alles bedekkenden nevel.„Als een stuk goud is hij weggesprongen onder de hand des goudsmids, weggesprongen om den dauw te vergulden.”De prauwen schoten den hoek om, de soengei Mawat in en waren nu voor het oog verdwenen. De nastarenden konden het getrommel der Balians nog hooren en den gecadenceerden rythmus van het eentonige gezang nog eenigen tijd waarnemen, maar verstaan wat er gezongen werd, dat was niemand meer mogelijk.De bewoners van kotta Djankang, zoo eensklaps uit hun gewone doen en laten gerukt, keerden na vrij rustelooze dagen doorgebracht te hebben, tot hun normalen toestand terug. Na het verdwijnen van die prauwen bleef ter herinnering aan het doorgestane beleg niets anders over dan het lijk van de arme vrouw, die het slachtoffer van den kaaiman was. Alles was nu stil en als verlaten; kalmte en ingetogenheid heerschten, waar in de vorige dagen slechts gejoel en gegil werden vernomen en alleen het weemoedige gelui der titih liet zich, zoolang het lijk in de kotta was, van tijd tot tijd hooren.[91]1De beide eerste soorten hooren tot den Crocodilus biporcatus. De derde soort is deCrocodilus Schlegeliien vormt den overgang van de gavialen tot den eigenlijken krokodil.↑2Mahatara, de Dajaksche God, heeft een broeder, Djata, en een zuster, Kloweh, die in het wereldbestuur als zijn „wakilans” (plaatsvervangers) optreden. Zie over de godsdienst der Dajaks de reeds vaak geciteerde Ethnographische beschrijving van den schrijver.↑3Pengawar Djambie is een haarachtige zelfstandigheid, die op een palmboomsoort van dienzelfden naam op den stam, waar de bladsteelen aansluiten, gevonden wordt. Zij is door geheel Ned. Indië bekend.↑4Badjankang beteekent in het Dajaksch, veel ruimte innemend. En werkelijk met een soort van trots wijzen de kotta Djankangers op hun naam, als aanduidende van welken machtigen stam zij herkomstig zijn.↑5Bij iedere plechtige gelegenheid, bv. bij geboorten, huwelijken, lijkfeesten, verzoeningseeden, welgeslaagde koppensnellerstochten, enz. enz. snijdt de Dajak een houten beeld, een krijger voorstellende van ongeveer natuurlijke grootte, en plant dat in de nabijheid van zijn huis. Dit is alleen ter herinnering. Eenmaal geplaatst, kijkt hij er niet meer naar om en doet tot onderhoud hoegenaamd niets.↑6Tempon Telon is de Charon der Dajaks, die de zielen na het overlijden door een louterend vuur naar de Elyzeesche velden brengt. Ziet daarover verder de meer genoemde Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑7Katipeiis een harsachtige was, die van een bijna mikroskopische bijensoort, die denzelfden naam draagt, gewonnen wordt. Dit insect bouwt zijn nest tegen de meest knoestige boomen, uit die zelfstandigheid en overtrekt daarmede niet zelden den geheelen boom. Deze was is zeer kleverig, bij verwarming wordt zij evenwel zeer vloeibaar en bij afkoeling zoo hard als steen.↑8Kajoen pamalawordt in het maleisch ookkajoe boelangenoemd. Het is een fraai witachtig zacht hout, zeer fijn van vezel en gemakkelijk te bewerken; daarbij is het uiterst deugdzaam. Bij insnijdingen in den bast wordt een rooskleurige „njating” (hars) gewonnen, die als reukwerk gebrand wordt.↑9Zeven en de veelvouden daarvan zijn heilige getallen bij de Dajaks.↑10Lonokboom hoort tot de Ficussoorten, heeft een buitengewoon dikken en zachten bast, waarvan bij voorkeur kleedingstukken gemaakt worden. Die bast wordt met een plat stuk hout zoo lang geklopt, dat hij als het ware een zacht vilt geworden is.↑11Tingang = neushoornvogel. Zie de noot op bladz.339I Dl.↑
[Inhoud]XXI.Een ongelukkig schot.—Een stervende bode.—Lijkplechtigheid.—Het beleg opgeheven.—Beraadslaging.—Een paniek.—De vlucht.—Het bad.—Badjai hai.—Een vrouw gegrepen.—Het gevecht.—Een mineralenmagazijn.—Johannes weer als redenaar.—Een nieuw hoofd en een gezantschap benoemd.—Een uitvaart.„Ohoi! Amai Kotong!”„Wie roept daar?” schreeuwde Dalim met luider stem.„Olo soengei Mawat” (iemand van soengei Mawat).„Ik breng tijding van de bevolking van daar.”Inmiddels was het eiland tot voor de kotta gedreven. Een smalle strook water scheidde het nog van den vasten wal. Johannes en de zijnen lagen op het talud uitgestrekt met de wapenen in de vuist, op iedere mogelijkheid voorbereid. Een gedaante verhief zich op het eiland en begaf zich te water, om naar den wal te zwemmen. Maar daar knalde een schot; de zwemmer gaf een gil en ware Dalim niet in de rivier gesprongen om den boodschapper te hulp te snellen, dan ware deze voorzeker verdronken. De luitenant had het drijvende eiland blijven gadeslaan, hij had die gedaante zien te water gaan en had daarop zijn kogel afgezonden. Voordat hij zijn vuurwapen herladen had, was Dalim met den gekwetste aan wal en binnen de versterking in veiligheid.Helaas! de arme bode was doodelijk in de borst getroffen.[69]Hij kon nog slechts stamelen, dat de strijders van soengei Mawat, ten getale van ongeveer vijftig man, waren aangekomen. Zij hadden zich noordwaarts van de kotta in het bosch opgesteld en waren voornemens den volgenden avond, wanneer het donker zoude zijn, de belegeraars aan te tasten.Nauwelijks had de stervende zich van zijn last gekweten of hij blies den laatsten adem uit.Als echte natuurkinderen wijdden de Dajaks van kotta Djankang hun eerste zorgen aan den overledene. Zoodra de overtuiging bestond, dat de ziel aan haar omhulsel ontvloden was, werd het lijk een spiksplinternieuw stel kleederen aangetrokken en daarna op den vloer van een der woningen in de kotta op een fraai gebloemd matje uitgestrekt. Toen werd aan het hoofdeneinde van den verslagene een lampje ontstoken, dat met de fijnste harssoorten gevoed werd, en werden de lijken van de vier gevallen vijanden, met de afgehouwen hoofden op de maagstreek geplaatst, rondom hem geschaard. Allen hadden den „talawang” (schild) in de eene en den mandauw in de andere hand. De Dajaks waren overtuigd, dat door een zoodanig vertoon de zielen der onthoofde vijanden genoodzaakt zouden worden den ongeschonden Mawatter in de Dajaksche velden als hun heer te erkennen en zijn slaven te worden. Toen begon de titih te weerklinken en duurde dat weemoedig geluid den geheelen nacht door.Daar het te voorzien was, dat het lijk den volgenden dag door de lieden van soengei Mawat zoude worden afgehaald en de adat vergde, dat het volkomen toebereid afgeleverd zoude worden, ging men bij het aanbreken van den dag tot het „toending” over, hetwelk daarin bestond, dat de nagels van den overledene aan handen en voeten verguld en op zijn voorhoofd zeven[70]stippen met roode verf geschilderd werden. Daarna werd het lijk in deraoeng(voorloopige doodkist) gelegd en, daar de doode als strijder gevallen was en ook als een man van beproefde dapperheid bekend stond, werden hem zijn wapens in de kist medegegeven.Gedurende den nacht hadden de belegerden verscheiden geruchten bij de belegeraars waargenomen, waaronder uitroepen die, hoewel maar half verstaan, op een naderend vertrek duidden. Ook hadden zij roeislagen gehoord en waren zij wel nieuwsgierig te vernemen wat er gaande was. Toen de dag aangebroken was, keken de schildwachten uit, maar ontwaarden van de tegenpartij niets. Zelfs geen rookwolkje krulde omhoog om aan te duiden, dat menschen bezig waren hun ontbijt te bereiden. Een paar mannen der bezetting slopen naar buiten, doorkruisten den omtrek, maar brachten eindelijk het bericht, dat de vijand afgetrokken was. Een luid hoera beantwoordde die goede tijding en vooral de Europeanen drukten elkander met warmte de hand en riepen elkander de hartelijkste gelukwenschen toe. Onmiddellijk werd een bode uitgezonden om de strijders van soengei Mawat op te zoeken en hun het heuglijke nieuws mede te deelen. Daar dat aftrekken der belegeraars wel een list kon zijn, werd bij al de vreugde de voorzichtigheid niet uit het oog verloren en weer een uitkijk op den hoek beneden de kotta geplaatst.Hoe was men bij de belegeraars er toe gekomen het strijdperk te verlaten?Na het gevecht was men in dat kamp wel ietwat verslagen. Bij de beklimming der palissadeering had de luitenant zich mee aan het klouteren gewaagd. Gelukkig evenwel dat hij het in die kunst der apen nog niet ver gebracht had en dat hij door eenigen van zijn volk[71]voorbijgestreefd werd. Nu viel een der zwaar gekwetsten op hem en deed hem ook tuimelen. Zijn kleeding, maar vooral zijn schoeisel beveiligde hem tegen de punten der randjoe’s, zoodat hij slechts een betrekkelijk geringe verwonding aan den arm bekwam. Maar gelukkiger nog dat na zijn val de beide Tomonggongs hem onmiddellijk overeind trokken en met zich voortsleepten; weinige seconden later toch zoude de mandauw van Harimaoung Boekit zijn kop niet gespaard hebben.Onmiddellijk na die teleurstelling zagen de aanvoerders zich door dat drijvende eiland verontrust. Nu zaten zij bij elkander op een boomstam en was bedruktheid op het gelaat van alle drie te lezen. Het onderwerp, waarover zij het hadden, was niet van den vroolijksten aard. De beide Tomonggongs wilden weg; want zij verheelden het niet, zij zagen den toestand zeer donker in. Wat hun niet weinig angst aanjoeg, was, dat blijkbaar een boodschapper met dat drijvende eiland in de kotta aangeland was. Wie die was en van waar hij kwam, konden zij ternauwernood gissen, maar iets goeds beloofde dat zeker niet.De akelige tonen der titih bovendien, die zich in de versterking lieten hooren, stemden hen ook niet tot opgeruimdheid.De luitenant gaf als zijn meening te kennen, dat de versterking nog nauwer moest ingesloten worden. Hij zou dan met allen spoed naar Kwala Kapoeas terugkeeren, de reis naar Bandjermasin vervolgen, daar aan den Toean Besar van het gebeurde verslag doen en met soldaten, aan boord van een of meer stoombooten, met flink geschut bewapend, terugkomen om die weerspannige kotta voorbeeldeloos te tuchtigen.Met sprakelooze ontsteltenis hadden de beide Dajaksche hoofden hem aangehoord. Dat de officier zou kunnen[72]aftrekken en hen daar achterlaten, ging hun begrip te boven, zoodat zij vooreerst geen woord konden uiten. Na een lange poos bedenkens vatte ten laatste Tomonggong Nikodemus het woord:„Hoe lang rekent mijnheer weg te blijven?” vroeg hij met haperende stem.„Voor den stroom af reken ik in 2½ dag te Kwala Kapoeas te zijn. Daar heb ik een paar uur noodig om mijn rapport op te maken. Bandjermasin kan ik 24 uren later bereikt hebben. Rekent er op, dat ik een halven dag later onder stoom zal zijn en dat de reis naar kotta Djankang met het noodzakelijke ankeren des nachts in de bovenrivier ongeveer 4½ dag zal duren, dan kunt ge mij over negen, hoogstens tien dagen terug verwachten.”„Daar valt niet aan te denken, Heer!” was het stemmige antwoord van Nikodemus, „wanneer u terug komt, zoudt u ons allen vermoord vinden.”„Maar, Tomonggong?”„Het is zoo, Heer! Zoodra de lange donkere nachten daar zullen zijn, zal de dans ongetwijfeld beginnen. Geen nacht zal er voorbijgaan, dat we niet verontrust zullen worden, dat we geen verliezen te tellen zullen hebben. En eindelijk, als we uitgeput van het dagelijksch schermutselen en het nachtelijk waken zullen zijn, dan zal de groote slag geslagen worden, die het grootste gedeelte onzer zal dooden en de overblijvenden zal verstrooien.”„Ge zijt ruim drie tegen één, Tomonggong!” beet de officier hem grimmig toe.„Dat beteekent niet veel tegen een goed verschansten vijand. Maar die meerderheid zal niet lang duren, Heer! Ik vrees een opkomst van de stammen der bovenlanden.”[73]„Maar over tien dagen ben ik weer hier met een voldoende macht om al de stammen van Borneo het hoofd te kunnen bieden.”„Dat zal te laat zijn, Heer!”„Maar wat dan, Tomonggong!” riep de officier ongeduldig.„Er valt niets anders te doen dan met u heen te gaan, om, als het moet, weer met u terug te komen.”„In dien tusschentijd ontsnappen de deserteurs,” was het bittere antwoord.„Zeer waarschijnlijk, Heer! maar wees verzekerd, dat zij ook ontsnappen zullen, wanneer u heengaat en wij blijven.”„Maar ze zitten als in een muizenval.”„Ja Heer! wanneer we wacht genoeg hadden of behoorlijk bewapend waren. Maar nu zijn we onmachtig de muis uit de val te halen, en de muis heeft het in haar macht de val te verlaten, wanneer zij wil.”De luitenant knarsetandde. Wat de Tomonggong zeide, was maar al te waar. Toch kon hij niet toegeven. Een oogenblik dacht hij er aan zelf te blijven en een der hoofden naar Bandjermasin te zenden. Hij begreep echter, dat bij het besluitelooze en het bedachtzame van het inlandsche karakter dan veel meer tijd zoude gevorderd worden; ook dat hij ter hoofdplaats onmisbare inlichtingen te geven zoude hebben; zoodat hij van dat denkbeeld afstapte. Andermaal wilde hij beproeven de Tomonggongs over te halen met hun volk te blijven, toen een der volgelingen van het hoofd van Kwala Kapoeas met onverholen spoed naderde en den ouden man iets in het oor fluisterde.„Daar hebben we ’t al!” riep deze uit. „De Kwala Kapoeassers hebben bij het gevecht van straks Harimaoung Boekit en zijn Poenans herkend. Ze zijn in[74]grooten angst en willen weg. De meesten hunner zijn reeds bezig de prauwen gereed te maken. Ik ga zien wat dat te beduiden heeft.”„We gaan met u mede!” riepen de luitenant en Tomonggong Patti Singa Djaja.Toen de drie mannen in het kamp kwamen, vonden zij de meesten hunner lieden in de grootste opgewondenheid. Verschrikkelijke verhalen omtrent de woestheid en wreedheid der Poenans waren in omloop. De angst was in aller harten. De officier vernam, dat de menschen van kotta Baroe reeds voor het meerendeel vertrokken waren en zag, dat de overigen bezig waren hun prauwen te bestijgen. Hij poogde zich tegen dien aftocht te verzetten. Hij praatte, overreedde en eindigde met te bevelen. Alles te vergeefs; het troepje was niet te houden, het was een ware paniek. In de volgende oogenblikken zag hij zich met de beide Tomonggongs alleen staan en de eene prauw voor en de andere na achter den eersten „tandjoeng” (hoek) verdwijnen. De beide Dajaksche hoofden wisselden een blik, prevelden eenige woorden, waarna zij den luitenant ieder bij een arm namen en niettegenstaande zijn tegenstribbeling in hun prauw brachten, die ook tot vertrek gereed lag en waarvan de roeiers niet weinig ongeduld lieten blijken. Zoodra de luitenant er in was, schoot de prauw met kracht vooruit. Het was een ware vlucht; maar er viel niets anders te doen. De omstandigheden noodzaakten er toe.Toen de prauw den hoek omvoer, die de kotta aan het gezicht zoude onttrekken, wierp de officier nog een blik op die versterking, die zich daar in het maanlicht somber en zwijgend aan den oever der rivier verhief; hij balde de vuist en prevelde binnensmonds:„O! ik zal terug komen en mij wreken, daar kunt ge staat op maken.”[75]Of hij het tegen de deserteurs of wel tegen de bevolking van kotta Djankang had, bleef in het onzekere.Het beleg had slechts vier etmalen geduurd.De bewoners van de kotta waren als kleine kinderen, die een tijd opgesloten zijn geweest, zoo uitgelaten. Allen stortten zich naar buiten om van het ontbeerde vrije te genieten en het kostte wel moeite om, bedacht als men er op wezen moest, dat die aftocht een list des vijands kon zijn, de noodige veiligheidsmaatregelen te doen betrachten. Maar van de zijde van den vooruitgeschoven post aan den zuidkant bleef alles rustig; de vijanden waren dus voor goed afgetrokken, want van dat punt was de rivier over een zeer groote uitgestrektheid stroomafwaarts te overzien.De eerste behoefte waaraan ieder der bewoners van kotta Djankang meende te moeten voldoen, was het nemen van een bad. Het was wezenlijk of op eens al de menschelijke wezens van de kotta in amphibiën gemetamorphoseerd waren. Onder bescherming van een saloi of een tapih plaste en dartelde de geheele bevolking, mannen, vrouwen en kinderen, in het heldere water der rivier, die daar ter plaatse reeds den naam van bergstroom begint te verdienen en werd daar menig kunststuk in het zwemmen vertoond. Wie weet hoe lang dat genot zou gerekt zijn, maar plotseling deed zich het angstgeroep hooren:„Badjai! badjai hai!” (een krokodil, een groote krokodil).En werkelijk bovenstrooms zag men iets komen aandrijven, hetgeen voor den onervarene veel op een boomstam geleek, maar wat de inboorlingen niet kon misleiden. Alle badenden vlogen naar den wal; maar welke spoed ook gemaakt werd, het monster had een wisse prooi bemerkt en schoot, terwijl het onderdook, pijlsnel[76]vooruit, en niet alle vluchtenden hadden den tijd om den oever te bereiken. Dicht bij den wal dook het ondier op, greep een vrouw bij een been en trachtte haar onder water te sleepen. Het ongelukkige slachtoffer schreeuwde hartverscheurend, greep in haar doodsangst een tak van een struik en klemde zich daaraan wanhopig vast. Nu begon voor de toegeijlde toeschouwers een ijzingwekkende en ontzettende worsteling. De kaaiman had de vrouw bij het dikke van het bovenbeen gegrepen en daar zijn lange en scherpe tanden te midden der spierbundels diep ingeslagen. Hij trok, schudde, scheurde, terwijl hij een geluid liet hooren alsof een varken snorkte, en spande alle krachten in om zijn slachtoffer te noodzaken los te laten. De arme vrouw gilde en steunde erbarmelijk en wrong zich akelig onder dat schudden, hetwelk haar de lappen vleesch aan flarden van het been scheurde. Zij hield zich evenwel krampachtig aan den reddenden tak vast, die, hoewel hij kraakte en krampachtig bewogen werd, toch sterk bleek te zijn en niet toegaf.Dat alles was in een ommezien gebeurd; toch duurde die worsteling voor de arme lijderes een halve eeuwigheid. Gefolterd door de hevigste pijnen, verzwakt door bloedverlies uit de belangrijke verwondingen, die zij ontvangen had, zou zij hebben moeten loslaten, toen eensklaps hulp opdaagde.Dalim, die reeds de rivier verlaten en zich gekleed had, toen het eerste geroep vanbadjai!weerklonk, spoedde zich langs het riviertalud naar boven en zocht aan den voet der borstwering een ijzerhouten randjoe onder de daar geplante, dat aan beide einden goed aangepunt, toch stevig van schacht en ongeveer anderhalve voet lang was. Hij vond wat hij zocht, trok het uit den grond, omvatte het stevig met de linkerhand[77]en omwikkelde die hand en den geheelen arm tot boven den elleboog met zijn natten saloi, zoodanig dat arm en hand behoorlijk beschermd waren, de beide punten evenwel van het randjoe vrij bleven. De rechterhand hield hij vrij, maar in zijn gordel stak hij een „badeh” of dolk.Zoo toegerust stortte hij zich in het water, op het oogenblik, dat de arme vrouw op het punt was te bezwijmen. Als voortreffelijk zwemmer schoot Dalim den kaaiman op zijde, trok zijn dolk en poogde hem onder den linkervoorpoot, waar de schubbenhuid van het monster minder dik is, te treffen. Door de bewegingen echter bij de worsteling, trof het wapen minder juist, gleed af en bracht slechts een onbeduidende verwonding te weeg; evenwel pijnlijk genoeg om de aandacht van het ondier op Dalim over te brengen. Oogenblikkelijk liet dit dan ook de arme vrouw los, om zich op zijn aanvaller te werpen. Zorgvuldig trachtte Dalim buiten het bereik van den staart te blijven, waarmede de krokodil de oppervlakte van het water woedend tot schuim geeselde. Behendig duikende, bleef de Dajak den kaaiman op zijde, en toen deze zijn vervaarlijke groote kaken opensperde, om zijn stoutmoedigen bespringer met zijn tanden kennis te laten maken, stak deze bliksemsnel den beschermden arm daarin, draaide de vuist om, zoodanig dat, toen het beest den muil met kracht wilde sluiten, om dien arm tusschen zijn machtige tanden te verbrijzelen, het zich de zachte deelen van het verhemelte en van de onderkaak in de punten van het randjoe sloeg en onmachtig was de kaken bij elkander te brengen.Nu begon een voorbeeldelooze strijd.De kaaiman zich zoo pijnlijk getroffen voelende, schoot vooruit om het ruime sop te bereiken, maar Dalim, na[78]zijn tegenstander nog een wond met zijn badeh toegebracht te hebben, had dat wapen losgelaten en met de rechterhand denzelfden tak gegrepen, waaraan de vrouw zich straks geklemd had. Met de linkerhand het randjoe met kracht omvat houdende, strekte hij den arm als een onwrikbare ijzeren staaf uit om zich het dier van het lijf te houden, dat hem anders met zijn scherpe nagels vreeselijk toegetakeld zoude hebben. Wanhopig waren de pogingen van den krokodil om zich los te rukken. Met zijn staart zweepte hij het water dat het wijd en zijd opspatte; nu schoot hij eens onder alsof hij heil in den afgrond ging zoeken, dan weer sprong hij ten halven lijve boven de oppervlakte uit, even of hij den hemel genade wilde vragen. Soms wentelde hij zich rond, als wilde hij den arm, die hem vasthield, bij den schouder afdraaien; en ware de tak, waaraan Dalim zich vastgeklemd hield, niet uiterst buigzaam en veerkrachtig als een rottan geweest, dan had de Dajak onmogelijk die beweging hebben kunnen volhouden. Nu draaide hij slechts mede als een tol, maar hield zich uitmuntend. Wel proestte hij, wel riep hij om hulp, wanneer hij in den hevigen worstelstrijd eens boven water geslingerd werd, maar los liet hij niet.Lang kon het evenwel niet meer duren; zijn krachten zouden hem begeven hebben. Maar daar naderde La Cueille, die in den looppas zijn geweer was gaan halen, en zich tusschen den kring toeschouwers door wrong, die ontzet en radeloos dat gevecht stonden aan te kijken. Hij legde aan, de tromp zijns geweers raakte bijna de strijdenden, maar dadelijk schieten kon hij niet, daar door de ordelooze en wanhopige bewegingen de Dajak even goed kon getroffen worden als het ondier. Beklemmend was het wachten en iedere seconde scheen ieder der aanwezenden wel een uur toe. Eindelijk, van een[79]ondeelbaar oogenblik gebruik makende, dat de strijders stil en hijgende aan de oppervlakte des waters lagen, drukte hij los, en.… de kaaiman, midden op de hersenpan getroffen, deed een wanhopigen sprong, waarbij zijn geheele lichaam zich wel vijf of zes voet boven water verhief. Tegen dien schok waren de krachten van Dalim niet bestand, zijn armen werden als uit het lid gerukt en was hij verplicht los te laten. Maar was het overmoed of wel verbouwereerdheid? In stede van het randjoe los te laten, liet hij den tak varen en werd hij door het ondier naar de diepte der rivier gesleept.Gelukkig was het einde nabij!In zijn doodstrijd sprong en wentelde zich het ondier dan eens in de lucht, met zijn vijand steeds aan zijn kaken hangende, dan weer in de diepte bedolven, terwijl het water hoog en wild opklotste en met wit schuim bedekt den oever kwam lekken. Eindelijk waren de krachten van het stervende ondier uitgeput; langzamerhand bedaarden zijn ontembare bewegingen en weldra lag het bewegingloos en drijvende aan de oppervlakte der rivier.Maar ook Dalim was uitgeput en dreef bewusteloos naast het lijk zijns vijands, hoewel hij zich nog steeds aan het randjoe in den vervaarlijken muil vastklemde. In een oogwenk was een djoekoeng ter redding toegeschoten, was de onmachtige weldra daarin getild en het kreng van den krokodil achter het vaartuig vastgehecht.Aan den wal werd Dalim door Wienersdorf met wat jenever ingewreven, waardoor hij spoedig bijkwam. Zijn bewusteloosheid was slechts veroorzaakt door de geweldige inspanning en de hevige gemoedsaandoeningen, want behalve eenige kleine en onbeduidende krabben, was hij geheel ongedeerd gebleven.[80]Toen La Cueille de lucht van den jenever in den neus kreeg, beweerde hij door het aanschouwen van dat ontzettende gevecht ook een onmacht nabij te zijn. Wienersdorf, in de vreugde zijns harten over de redding van hun lotgenoot, reikte den Waal lachende een goede teug toe, hem toewenschende, dat het hem wel mocht bekomen.Bij nader onderzoek bleek het, dat La Cueille’s kogel de hersenpan van den kaaiman verbrijzeld had, dat daarin een gat, waarin een mansvuist kon gestoken worden, geslagen was, hetgeen niet anders kon verklaard worden dan dat het projectiel het doel onder een zeer stompen hoek getroffen en het verbrijzeld had zonder er in door te dringen. En werkelijk werd de kogel niet teruggevonden.De twee Zwitsers verwonderden zich over den spitsen kop van het ondier, die zoozeer verschilde met dien der krokodillen in de benedenlanden. Van de Dajaks vernamen zij, dat in die streken drie soorten van krokodillen voorkomen: de „badjai bawoi”, „badjai sapit” en „badjai badjanka”1of de stompkoppige, de spitskoppige en de leguaanachtige. De eerste soort wordt alleen langs die zeeoevers en in die rivieren en meren aangetroffen, welker beddingen uit zacht slib bestaan; de tweede soort op zandige oevers of in die gedeelten der rivieren, waar zand en rolsteenen gevonden worden; en eindelijk de derde soort nimmer in zee, maar slechts in de bergstroomen, waar die watervallen vormen en over zware steenen heenbruisen. Deze laatste soort, veel kleiner dan de twee andere soorten, is toch zeer vraatzuchtig en ondernemend en dus niet minder gevaarlijk voor den mensch.[81]Alhoewel de Dajaks de krokodillen als gezanten van Djata2en dus als wezens van goddelijken oorsprong vereeren, en zij zich verbeelden, dat die dieren in de bovenwereld een geheel andere gedaante hebben en slechts alsbadjaiop de aarde verschijnen om de bevelen van hun Heer ten uitvoer te brengen, zoo wordt hun wrevel toch gaande gemaakt, wanneer een kaaiman een mensch aanvalt. In dat geval is weerwraak niet alleen ten volle geoorloofd, maar zelfs een niet te ontduiken plicht. Allen wierpen zich dan ook op het kreng en kapten en kerfden om hun gemoed te koelen. Toen het ondier geopend was, vond men in zijn maag verscheiden afgeronde keien, ja zelfs een paar stukken steenkool ter dikte van een vuist; ook werd daarin een fraaie witte koraaltak ter lengte van een vinger aangetroffen. Dit laatste deed Schlickeisen de veronderstelling uitspreken, dat het dier uit de Javazee naar de bovenlanden gezwommen was en dat het die reis in zeer korten tijd moest afgelegd hebben, daar die koraaltak nognietdoor het maagzuur aangetast was. Johannes weersprak dat gevoelen en bracht in herinnering, dat in de binnenlanden van Borneo op vele plaatsen koraalbrecciën langs de rivieren en ook elders aangetroffen worden, als om het onomstootelijk bewijs te leveren, dat de Oceaan daar eenmaal zijn blauwe baren gerold heeft. De Dajaks bevestigden die meening, en verhaalden, dat bij hen een volksgeloof bestaat, volgens hetwelk deze soort van krokodil, bij het ondernemen van verre tochten, overal bij iedere negorij, waar hij voorbijzwemt, een steen, een koraaltak enz. tot herinnering aan die[82]plaats inzwelgt. Vandaar dat zijn maag soms een waar magazijn van mineralen te noemen is.De kop van het ondier werd behoorlijk van de vleeschdeelen ontdaan en zou, wanneer de arme vrouw, die door die vreeselijke tanden zoo toegetakeld was, kwam te sterven, op haar graf prijken. Helaas, dienzelfden dag nog overleed zij aan bloedverlies. Wel had men gepoogd, het bloed metPengawarDjambie3te stelpen; maar vele aderen waren verscheurd, waaronder slagaderen; en hoe uitstekend die stof bij eenvoudige verwondingen als bloedstelpend middel ook werkt, bij zulke verbloedingen was zij volkomen machteloos. De titih was nog niet verstomd voor den gesneuvelden Mawatter, toen zij voor dit andere slachtoffer andermaal moest weerklinken.Toen dat rivierdrama afgespeeld was, verzamelden de voornaamste ingezetenen der kotta zich, om te beraadslagen wat hun nu verder te doen stond. Het was waarachtig een uiterst kritiek geval. Het was onmogelijk te ontkennen, men had de bevelen van de Nederlanders getrotseerd; men had zich tegen hen gewapenderhand verdedigd en bij den strijd waren ettelijke van de Hollandsche onderhoorigen omgekomen. Hoe zou dat alles opgenomen worden? Niet malsch, daarvan kon men zich verzekerd houden. Dat er représailles genomen zouden worden, dat was voor het inlandsche karakter zonder twijfel. Maar.… zouden die niet te ontgaan zijn? Wel zeker. De geheele bevolking van kotta Djankang zou opbreken en zich naar de binnenlanden begeven, ver boven de „kihams” (watervallen), waar de[83]blanken niet of slechts hoogst moeielijk zouden kunnen komen. Dit voorstel vond, ofschoon het door de meerderheid toegejuicht werd, geen onverdeelden bijval. Het is waar, zij waren afstammelingen van de „Badjankang’s”4, een zeer uitgebreiden Dajakschen stam, die in de nabijheid van Kaap Datoe het Kemai-, het Semadjoe- en het Kariembanggebergte bewoont. Hunne voorouders waren herwaarts verhuisd, omdat zij geen vrede konden hebben met de Serawak- en Batang Loepar-Dajaks en het koppensnellen aan de orde van den dag was. Maar zij hadden zich hier door huwelijken vermaagschapt met de naburige stammen en waren daarin als het ware opgegaan. Zij waren geene Badjankang’s meer, zij waren Ot Danom’s. Hier stonden de graven hunner ouders; hier hadden zij het eerste levenslicht aanschouwd en waren hun kinderen geboren. Hier lagen hun velden en stonden hun huizen. Hun „hampatong’s”5verhieven zich allerwege. Voorzeker, een volksverhuizing zou velen smartelijk vallen; ja, er waren er, die in wanhoop uitriepen, dat het lafhartig was uit vrees voor de Hollanders de plaats te ruimen, want dat men zich zeer goed verdedigen kon.Toen de discussie dien toon bereikt had en zij dreigde tot tweedracht te voeren, stond Johannes op en beklom,[84]na eenige ruggespraak met Amai Kotong, het kottahoofd, en met Harimaoung Boekit, het Poenanhoofd, de tadjahan en voerde den verzamelden toe:„Amaingkoe! Kakangkoe! Andingkoe!” (mijn vaders, mijn oudere en jongere broeders).„Het is onnoodig te twisten over iets, waarvan de oplossing zoo eenvoudig mogelijk is. Een partij wil heentrekken en de andere wil blijven, vandaar het verschil van gevoelen. Gelooft mij, zij die wenschen te blijven hebben gelijk. Wat is toch de zaak met de Hollanders? Uw hoofd Amai Kotong heeft Harimaoung Boekit, zijn gast en den zoon zijns ouderen broeders niet willen uitleveren. Op zijn bevel hebt gij uw kotta verdedigd en de wetten der gastvrijheid ongeschonden bewaard. Hij, hij alleen is dus de schuldige; hij is de eenige, wien iets ten laste kan gelegd worden. De Hollanders, die er zoo’n hoogen prijs op stellen, dat de bevolkingen hun overheden gehoorzamen, zullen niemand anders lastig vallen dan hem, die de bevelen tot verzet gaf. Zij zullen, wanneer zij terugkomen, alleen de uitlevering vorderen, in de eerste plaats van Harimaoung Boekit, de hoofdoorzaak van de oneenigheid, en dan die van uw hoofd, die hun bevelen durfde te weerstreven.”Een gehuil beantwoordde die woorden. Het was als een storm van verontwaardiging, die losbarstte.„Houdt gij ons voor den gek? dat nooit!! dat nooit!!!”„Neen, dat nooit! dat weet ik wel,” voer Johannes voort.„Maar als je dat weet, wat wil je dan?” vroeg een stem uit den hoop barsch. „Je schijnt wel een verrader.”„Als je die woorden nog eens spreekt, dan smijt ik je met mijn mandauw naar het hoofd!” was het driftige antwoord van den speacher.[85]„Je kunt toch niet veronderstellen, dat we ons hoofd en onzen gast in handen van de blanken zullen stellen?”„Stil, je laat me niet uitspreken. Ik herhaal, de Hollanders zullen alleen de uitlevering van Harimaoung Boekit en Amai Kotong eischen en.…”„Maar dat willen we juist niet!” brulde de troep.„Ik herhaal het, dat weet ik wel, ik weet dat een Dajak niet in staat is de wetten der gastvrijheid te schenden of zijn hoofd uit te leveren. Niettegenstaande de groote geldsommen, die voor zulk een schanddaad uitgeloofd werden door de Hollanders, heeft nog geen Dajak dat bloedgeld trachten te verdienen. Geen uwer zal ook zijn leven daarmee willen koopen.”„Neen! neen!!” was het geestdriftvol geschreeuw.„Goed zoo! zoo hoor ik het gaarne. Die uitlevering zal ook niet noodig zijn. Harimaoung Boekit zal wel maken, dat hij met zijn Poenans weg zal zijn, voor dat de Hollanders terug komen en Amai Kotong zal met hem mede gaan; want hij heeft mij verzekerd dat, om alle oorzaak van onheil weg te nemen, hij voornemens is naar het landschap Miri, van waar hij geboortig is, terug te keeren.”Sprakeloos hoorde de menigte die verklaring aan. Aller oogen wendden zich naar het kottahoofd als om de bevestiging van het gehoorde te erlangen. Deze knikte met het hoofd:„Ik trek met mijn gansche familie af!” riep hij uit.„Bij die beslissing wordt de oplossing van de gerezen moeielijkheid gemakkelijk,” voer Johannes voort. „Gij kiest een nieuw hoofd en de nieuw gekozene zendt een deputatie naar Bandjermasin om aan den Grooten Heer der Hollanders zijn leedwezen over het gebeurde te kennen te geven en zijn onderwerping en die van de bewoners van kotta Djankang aan te bieden. De afgezanten[86]vertellen dan met veel omhaal, dat, na het vertrek der Kwala Kapoeassers, de bevolking van kotta Djankang met behulp van de mannen van soengei Mawat, haar hoofd Amai Kotong vervallen verklaard heeft en dat deze zich met Harimaoung Boekit uit vrees voor erger, door de vlucht gered heeft.”„Maar dat zal toch een onwaarheid zijn!” riep de stem van straks.„Nu, wilt ge de waarheid gaan zeggen en den Hollanders gaan vertellen, dat gij allen er even lustig op losgehouwen hebt en dat het u spijt, het nog niet beter gedaan te hebben, ga je gang! mij wel!” grinnikte Johannes sarrend; „maar.…” liet hij er meer ernstig op volgen: „bedenkt u wel, handelt gij niet volgens mijn raad, dan hebt gij over een paar weken een geheele vloot stoomschepen hier voor de kotta met vele soldaten, en wat nog meer zegt, met vele en groote kanonnen aan boord, die in een half uur tijd de kotta zoo plat als een koek zullen geschoten hebben. Neen, gelooft me, en doet wat ik zeg; het is goede raad, dien ik u geef. Die kleine onschuldige leugen zal Mahatara niet vertoornen; en wanneer gij in uw leven nooit erger leugen zult verteld hebben dan dezen, die niemand schaadt, maar veel onheil zal voorkomen, dan mogen uwe zielen wanneer Tempon Telon6ze door de „kiham apoei” (vuurwaterval) naar de „Lewoe liau” (zielen land) zal voeren, zich gelukkig achten; want dan zullen ze maar een ellendig klein beetje geroosterd worden, waarachtig niet de moeite waard, om er over te spreken.”Spottend en snijdend sprak Johannes. Maar hij had[87]nog zeer lang kunnen praten, zonder dat iemand hem in de rede gevallen zoude zijn. De vergaderden verdrongen zich om Amai Kotong en toen deze de verklaring had afgelegd, dat het reeds lang zijn wensch was geweest om het laatste gedeelte zijns levens te gaan doorbrengen in het land zijner vaderen, in het land waar hij geboren was; en dat hij nu de gelegenheid aangreep, om zijn heengaan tot heil van de bewoners van kotta Djankang te doen strekken.Allen drukten hem met innigheid de hand en betuigden hun instemming met een beslissing, die de moeielijkheid volkomen oploste.Een paar uur later, toen de Mawatters binnen de versterking waren aangekomen, werd, nadat die op de hoogte der omstandigheden gebracht waren, onmiddellijk tot de verkiezing van een nieuw hoofd overgegaan. De volkskeus vestigde zich op een jeugdig man met name Njawong, die zich, hoewel tegenspartelende, den titel en de betrekking van Amai liet welgevallen. Onder den aandrang van Johannes benoemde het nieuwe hoofd een gezantschap, bestaande uit twee voorname Djankangers en twee voorname Mawatters, om de onderwerping van kotta Djankang aan den Toean Besar te gaan aanbieden. Johannes met Amai Kotong en Amai Njawong drongen er op aan, dat de gezanten onmiddellijk zouden vertrekken, om door hun verschijning en onderwerping het nemen van maatregelen en het volvoeren van krijgstoerustingen overbodig te maken. Zij mochten evenwel de afgetrokken aanvallers van kotta Djankang niet inhalen, maar moesten hen op een eerbiedigen afstand volgen om geen oorzaak te zijn, dat de kommandant van Kwala Kapoeas door die preliminairen verlokt, het voornemen zoude kunnen opvatten, ontijdig naar kotta Djankang terug te keeren. Ook moesten zij[88]trachten goed op de hoogte te blijven en dadelijk bericht zenden, wanneer zij hetzij ter hoofdplaats, hetzij te Kwala Kapoeas, iets van krijgstoerustingen tegen kotta Djankang zouden vernemen.Johannes als degelijk aanvoerder dacht aan alles.De zon was de westerkim nog niet genaderd, toen de afgezanten de reis reeds aanvaardden.Den volgenden morgen zouden de Mawatters vertrekken, om naar hun haardsteden terug te keeren. Een hunner prauwen werd feestelijk uitgedost met festoenen van rood linnen strooken en van jonge klapperbladeren, die de Dajaks zoo bevallig kunnen bewerken en rangschikken. Daarin was deraoengvan den gesneuvelde, nadat het deksel daarop bevestigd en de naden behoorlijk waren gedicht met „katipei”7, op de „menggatilraoeng”, een stellage van zwaar en kostbaar hout, gewoonlijk van „kajoen pamala”8vervaardigd en behoorlijk gedrapeerd, gesteld. Fier woei de Nederlandsche vlag in breede plooien boven die prauw en daar de overledene tot de aanzienlijken zijner streek behoorde, werd het vaartuig door twee en veertig9roeiers gevoerd. Achter die lijkprauw zouden twee[89]andere vaartuigen volgen, ook even bont, maar toch smaakvol met festoenen en vlaggen versierd. In de eerste zagen onze Europeanen vier „karandah’s” overbrengen. In ieder dier kooien zat een levende pandeling opgesloten; en er was zich geen hersenschim te vormen, die arme wezens waren bestemd, om bij het te houden „tiwah” (lijkfeest) omgebracht te worden. Wienersdorf keek scherp toe, of ook de door hem geredde vrouw zich onder die slachtoffers bevond, maar hij zag ze niet. Harimaoung Boekit verhaalde hem, dat deze offers een hulde waren van de kotta Djankangers aan den moed van hem, die voor hun belangen bezweken was. Bij die vier zouden te kotta Mawat nog een drietal gevoegd worden om den gesneuvelde een hem waardige bediening in de „Lewoe liau” te geven.In de derde versierde prauw zaten een aantal van een en twintig Balians, die de lucht van hare gezangen deden weergalmen en die formulieren op de maat met hare katambong’s begeleidden. Achter de prauw der priesteressen kwamen de overige vaartuigen der Mawatters, die zich volgens de voornaamheid harer eigenaars in een lange rij achter elkander schaarden.Toen de stoet van wal stak, brandden al de kanonnen der kotta los en verhief zich een oorverdoovend en langgerekt: lēēēēēēh lèlèlèlèlèlelele ooouiiiit! als om den gevallene voor het laatst te groeten en eer te bewijzen.„Nihau jèh,” klonk daartusschen het weemoedige gezang der priesteressen: „Nihau jèh lonok batipas, ohate baringen, jèh belongkan boekit.„Tingang jèh teseke lajang harimaoung marantong batoe, benang jèh tariop bitie ingampoh tandjoeng ambon.„Boelau mantap tasalèh indoe tangalong enon.”[90]„Verloren is hij als de Lonokboom10, wiens wortels geknakt zijn, als een Wariengien, die omgevallen is op den berg.„Als een Tingang11is hij bij den terugkeer verdwaald, als een tijger afgestort van de rots, als een stuk linnen weggewaaid op den voortijlenden alles bedekkenden nevel.„Als een stuk goud is hij weggesprongen onder de hand des goudsmids, weggesprongen om den dauw te vergulden.”De prauwen schoten den hoek om, de soengei Mawat in en waren nu voor het oog verdwenen. De nastarenden konden het getrommel der Balians nog hooren en den gecadenceerden rythmus van het eentonige gezang nog eenigen tijd waarnemen, maar verstaan wat er gezongen werd, dat was niemand meer mogelijk.De bewoners van kotta Djankang, zoo eensklaps uit hun gewone doen en laten gerukt, keerden na vrij rustelooze dagen doorgebracht te hebben, tot hun normalen toestand terug. Na het verdwijnen van die prauwen bleef ter herinnering aan het doorgestane beleg niets anders over dan het lijk van de arme vrouw, die het slachtoffer van den kaaiman was. Alles was nu stil en als verlaten; kalmte en ingetogenheid heerschten, waar in de vorige dagen slechts gejoel en gegil werden vernomen en alleen het weemoedige gelui der titih liet zich, zoolang het lijk in de kotta was, van tijd tot tijd hooren.[91]1De beide eerste soorten hooren tot den Crocodilus biporcatus. De derde soort is deCrocodilus Schlegeliien vormt den overgang van de gavialen tot den eigenlijken krokodil.↑2Mahatara, de Dajaksche God, heeft een broeder, Djata, en een zuster, Kloweh, die in het wereldbestuur als zijn „wakilans” (plaatsvervangers) optreden. Zie over de godsdienst der Dajaks de reeds vaak geciteerde Ethnographische beschrijving van den schrijver.↑3Pengawar Djambie is een haarachtige zelfstandigheid, die op een palmboomsoort van dienzelfden naam op den stam, waar de bladsteelen aansluiten, gevonden wordt. Zij is door geheel Ned. Indië bekend.↑4Badjankang beteekent in het Dajaksch, veel ruimte innemend. En werkelijk met een soort van trots wijzen de kotta Djankangers op hun naam, als aanduidende van welken machtigen stam zij herkomstig zijn.↑5Bij iedere plechtige gelegenheid, bv. bij geboorten, huwelijken, lijkfeesten, verzoeningseeden, welgeslaagde koppensnellerstochten, enz. enz. snijdt de Dajak een houten beeld, een krijger voorstellende van ongeveer natuurlijke grootte, en plant dat in de nabijheid van zijn huis. Dit is alleen ter herinnering. Eenmaal geplaatst, kijkt hij er niet meer naar om en doet tot onderhoud hoegenaamd niets.↑6Tempon Telon is de Charon der Dajaks, die de zielen na het overlijden door een louterend vuur naar de Elyzeesche velden brengt. Ziet daarover verder de meer genoemde Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑7Katipeiis een harsachtige was, die van een bijna mikroskopische bijensoort, die denzelfden naam draagt, gewonnen wordt. Dit insect bouwt zijn nest tegen de meest knoestige boomen, uit die zelfstandigheid en overtrekt daarmede niet zelden den geheelen boom. Deze was is zeer kleverig, bij verwarming wordt zij evenwel zeer vloeibaar en bij afkoeling zoo hard als steen.↑8Kajoen pamalawordt in het maleisch ookkajoe boelangenoemd. Het is een fraai witachtig zacht hout, zeer fijn van vezel en gemakkelijk te bewerken; daarbij is het uiterst deugdzaam. Bij insnijdingen in den bast wordt een rooskleurige „njating” (hars) gewonnen, die als reukwerk gebrand wordt.↑9Zeven en de veelvouden daarvan zijn heilige getallen bij de Dajaks.↑10Lonokboom hoort tot de Ficussoorten, heeft een buitengewoon dikken en zachten bast, waarvan bij voorkeur kleedingstukken gemaakt worden. Die bast wordt met een plat stuk hout zoo lang geklopt, dat hij als het ware een zacht vilt geworden is.↑11Tingang = neushoornvogel. Zie de noot op bladz.339I Dl.↑
XXI.Een ongelukkig schot.—Een stervende bode.—Lijkplechtigheid.—Het beleg opgeheven.—Beraadslaging.—Een paniek.—De vlucht.—Het bad.—Badjai hai.—Een vrouw gegrepen.—Het gevecht.—Een mineralenmagazijn.—Johannes weer als redenaar.—Een nieuw hoofd en een gezantschap benoemd.—Een uitvaart.
Een ongelukkig schot.—Een stervende bode.—Lijkplechtigheid.—Het beleg opgeheven.—Beraadslaging.—Een paniek.—De vlucht.—Het bad.—Badjai hai.—Een vrouw gegrepen.—Het gevecht.—Een mineralenmagazijn.—Johannes weer als redenaar.—Een nieuw hoofd en een gezantschap benoemd.—Een uitvaart.
Een ongelukkig schot.—Een stervende bode.—Lijkplechtigheid.—Het beleg opgeheven.—Beraadslaging.—Een paniek.—De vlucht.—Het bad.—Badjai hai.—Een vrouw gegrepen.—Het gevecht.—Een mineralenmagazijn.—Johannes weer als redenaar.—Een nieuw hoofd en een gezantschap benoemd.—Een uitvaart.
„Ohoi! Amai Kotong!”„Wie roept daar?” schreeuwde Dalim met luider stem.„Olo soengei Mawat” (iemand van soengei Mawat).„Ik breng tijding van de bevolking van daar.”Inmiddels was het eiland tot voor de kotta gedreven. Een smalle strook water scheidde het nog van den vasten wal. Johannes en de zijnen lagen op het talud uitgestrekt met de wapenen in de vuist, op iedere mogelijkheid voorbereid. Een gedaante verhief zich op het eiland en begaf zich te water, om naar den wal te zwemmen. Maar daar knalde een schot; de zwemmer gaf een gil en ware Dalim niet in de rivier gesprongen om den boodschapper te hulp te snellen, dan ware deze voorzeker verdronken. De luitenant had het drijvende eiland blijven gadeslaan, hij had die gedaante zien te water gaan en had daarop zijn kogel afgezonden. Voordat hij zijn vuurwapen herladen had, was Dalim met den gekwetste aan wal en binnen de versterking in veiligheid.Helaas! de arme bode was doodelijk in de borst getroffen.[69]Hij kon nog slechts stamelen, dat de strijders van soengei Mawat, ten getale van ongeveer vijftig man, waren aangekomen. Zij hadden zich noordwaarts van de kotta in het bosch opgesteld en waren voornemens den volgenden avond, wanneer het donker zoude zijn, de belegeraars aan te tasten.Nauwelijks had de stervende zich van zijn last gekweten of hij blies den laatsten adem uit.Als echte natuurkinderen wijdden de Dajaks van kotta Djankang hun eerste zorgen aan den overledene. Zoodra de overtuiging bestond, dat de ziel aan haar omhulsel ontvloden was, werd het lijk een spiksplinternieuw stel kleederen aangetrokken en daarna op den vloer van een der woningen in de kotta op een fraai gebloemd matje uitgestrekt. Toen werd aan het hoofdeneinde van den verslagene een lampje ontstoken, dat met de fijnste harssoorten gevoed werd, en werden de lijken van de vier gevallen vijanden, met de afgehouwen hoofden op de maagstreek geplaatst, rondom hem geschaard. Allen hadden den „talawang” (schild) in de eene en den mandauw in de andere hand. De Dajaks waren overtuigd, dat door een zoodanig vertoon de zielen der onthoofde vijanden genoodzaakt zouden worden den ongeschonden Mawatter in de Dajaksche velden als hun heer te erkennen en zijn slaven te worden. Toen begon de titih te weerklinken en duurde dat weemoedig geluid den geheelen nacht door.Daar het te voorzien was, dat het lijk den volgenden dag door de lieden van soengei Mawat zoude worden afgehaald en de adat vergde, dat het volkomen toebereid afgeleverd zoude worden, ging men bij het aanbreken van den dag tot het „toending” over, hetwelk daarin bestond, dat de nagels van den overledene aan handen en voeten verguld en op zijn voorhoofd zeven[70]stippen met roode verf geschilderd werden. Daarna werd het lijk in deraoeng(voorloopige doodkist) gelegd en, daar de doode als strijder gevallen was en ook als een man van beproefde dapperheid bekend stond, werden hem zijn wapens in de kist medegegeven.Gedurende den nacht hadden de belegerden verscheiden geruchten bij de belegeraars waargenomen, waaronder uitroepen die, hoewel maar half verstaan, op een naderend vertrek duidden. Ook hadden zij roeislagen gehoord en waren zij wel nieuwsgierig te vernemen wat er gaande was. Toen de dag aangebroken was, keken de schildwachten uit, maar ontwaarden van de tegenpartij niets. Zelfs geen rookwolkje krulde omhoog om aan te duiden, dat menschen bezig waren hun ontbijt te bereiden. Een paar mannen der bezetting slopen naar buiten, doorkruisten den omtrek, maar brachten eindelijk het bericht, dat de vijand afgetrokken was. Een luid hoera beantwoordde die goede tijding en vooral de Europeanen drukten elkander met warmte de hand en riepen elkander de hartelijkste gelukwenschen toe. Onmiddellijk werd een bode uitgezonden om de strijders van soengei Mawat op te zoeken en hun het heuglijke nieuws mede te deelen. Daar dat aftrekken der belegeraars wel een list kon zijn, werd bij al de vreugde de voorzichtigheid niet uit het oog verloren en weer een uitkijk op den hoek beneden de kotta geplaatst.Hoe was men bij de belegeraars er toe gekomen het strijdperk te verlaten?Na het gevecht was men in dat kamp wel ietwat verslagen. Bij de beklimming der palissadeering had de luitenant zich mee aan het klouteren gewaagd. Gelukkig evenwel dat hij het in die kunst der apen nog niet ver gebracht had en dat hij door eenigen van zijn volk[71]voorbijgestreefd werd. Nu viel een der zwaar gekwetsten op hem en deed hem ook tuimelen. Zijn kleeding, maar vooral zijn schoeisel beveiligde hem tegen de punten der randjoe’s, zoodat hij slechts een betrekkelijk geringe verwonding aan den arm bekwam. Maar gelukkiger nog dat na zijn val de beide Tomonggongs hem onmiddellijk overeind trokken en met zich voortsleepten; weinige seconden later toch zoude de mandauw van Harimaoung Boekit zijn kop niet gespaard hebben.Onmiddellijk na die teleurstelling zagen de aanvoerders zich door dat drijvende eiland verontrust. Nu zaten zij bij elkander op een boomstam en was bedruktheid op het gelaat van alle drie te lezen. Het onderwerp, waarover zij het hadden, was niet van den vroolijksten aard. De beide Tomonggongs wilden weg; want zij verheelden het niet, zij zagen den toestand zeer donker in. Wat hun niet weinig angst aanjoeg, was, dat blijkbaar een boodschapper met dat drijvende eiland in de kotta aangeland was. Wie die was en van waar hij kwam, konden zij ternauwernood gissen, maar iets goeds beloofde dat zeker niet.De akelige tonen der titih bovendien, die zich in de versterking lieten hooren, stemden hen ook niet tot opgeruimdheid.De luitenant gaf als zijn meening te kennen, dat de versterking nog nauwer moest ingesloten worden. Hij zou dan met allen spoed naar Kwala Kapoeas terugkeeren, de reis naar Bandjermasin vervolgen, daar aan den Toean Besar van het gebeurde verslag doen en met soldaten, aan boord van een of meer stoombooten, met flink geschut bewapend, terugkomen om die weerspannige kotta voorbeeldeloos te tuchtigen.Met sprakelooze ontsteltenis hadden de beide Dajaksche hoofden hem aangehoord. Dat de officier zou kunnen[72]aftrekken en hen daar achterlaten, ging hun begrip te boven, zoodat zij vooreerst geen woord konden uiten. Na een lange poos bedenkens vatte ten laatste Tomonggong Nikodemus het woord:„Hoe lang rekent mijnheer weg te blijven?” vroeg hij met haperende stem.„Voor den stroom af reken ik in 2½ dag te Kwala Kapoeas te zijn. Daar heb ik een paar uur noodig om mijn rapport op te maken. Bandjermasin kan ik 24 uren later bereikt hebben. Rekent er op, dat ik een halven dag later onder stoom zal zijn en dat de reis naar kotta Djankang met het noodzakelijke ankeren des nachts in de bovenrivier ongeveer 4½ dag zal duren, dan kunt ge mij over negen, hoogstens tien dagen terug verwachten.”„Daar valt niet aan te denken, Heer!” was het stemmige antwoord van Nikodemus, „wanneer u terug komt, zoudt u ons allen vermoord vinden.”„Maar, Tomonggong?”„Het is zoo, Heer! Zoodra de lange donkere nachten daar zullen zijn, zal de dans ongetwijfeld beginnen. Geen nacht zal er voorbijgaan, dat we niet verontrust zullen worden, dat we geen verliezen te tellen zullen hebben. En eindelijk, als we uitgeput van het dagelijksch schermutselen en het nachtelijk waken zullen zijn, dan zal de groote slag geslagen worden, die het grootste gedeelte onzer zal dooden en de overblijvenden zal verstrooien.”„Ge zijt ruim drie tegen één, Tomonggong!” beet de officier hem grimmig toe.„Dat beteekent niet veel tegen een goed verschansten vijand. Maar die meerderheid zal niet lang duren, Heer! Ik vrees een opkomst van de stammen der bovenlanden.”[73]„Maar over tien dagen ben ik weer hier met een voldoende macht om al de stammen van Borneo het hoofd te kunnen bieden.”„Dat zal te laat zijn, Heer!”„Maar wat dan, Tomonggong!” riep de officier ongeduldig.„Er valt niets anders te doen dan met u heen te gaan, om, als het moet, weer met u terug te komen.”„In dien tusschentijd ontsnappen de deserteurs,” was het bittere antwoord.„Zeer waarschijnlijk, Heer! maar wees verzekerd, dat zij ook ontsnappen zullen, wanneer u heengaat en wij blijven.”„Maar ze zitten als in een muizenval.”„Ja Heer! wanneer we wacht genoeg hadden of behoorlijk bewapend waren. Maar nu zijn we onmachtig de muis uit de val te halen, en de muis heeft het in haar macht de val te verlaten, wanneer zij wil.”De luitenant knarsetandde. Wat de Tomonggong zeide, was maar al te waar. Toch kon hij niet toegeven. Een oogenblik dacht hij er aan zelf te blijven en een der hoofden naar Bandjermasin te zenden. Hij begreep echter, dat bij het besluitelooze en het bedachtzame van het inlandsche karakter dan veel meer tijd zoude gevorderd worden; ook dat hij ter hoofdplaats onmisbare inlichtingen te geven zoude hebben; zoodat hij van dat denkbeeld afstapte. Andermaal wilde hij beproeven de Tomonggongs over te halen met hun volk te blijven, toen een der volgelingen van het hoofd van Kwala Kapoeas met onverholen spoed naderde en den ouden man iets in het oor fluisterde.„Daar hebben we ’t al!” riep deze uit. „De Kwala Kapoeassers hebben bij het gevecht van straks Harimaoung Boekit en zijn Poenans herkend. Ze zijn in[74]grooten angst en willen weg. De meesten hunner zijn reeds bezig de prauwen gereed te maken. Ik ga zien wat dat te beduiden heeft.”„We gaan met u mede!” riepen de luitenant en Tomonggong Patti Singa Djaja.Toen de drie mannen in het kamp kwamen, vonden zij de meesten hunner lieden in de grootste opgewondenheid. Verschrikkelijke verhalen omtrent de woestheid en wreedheid der Poenans waren in omloop. De angst was in aller harten. De officier vernam, dat de menschen van kotta Baroe reeds voor het meerendeel vertrokken waren en zag, dat de overigen bezig waren hun prauwen te bestijgen. Hij poogde zich tegen dien aftocht te verzetten. Hij praatte, overreedde en eindigde met te bevelen. Alles te vergeefs; het troepje was niet te houden, het was een ware paniek. In de volgende oogenblikken zag hij zich met de beide Tomonggongs alleen staan en de eene prauw voor en de andere na achter den eersten „tandjoeng” (hoek) verdwijnen. De beide Dajaksche hoofden wisselden een blik, prevelden eenige woorden, waarna zij den luitenant ieder bij een arm namen en niettegenstaande zijn tegenstribbeling in hun prauw brachten, die ook tot vertrek gereed lag en waarvan de roeiers niet weinig ongeduld lieten blijken. Zoodra de luitenant er in was, schoot de prauw met kracht vooruit. Het was een ware vlucht; maar er viel niets anders te doen. De omstandigheden noodzaakten er toe.Toen de prauw den hoek omvoer, die de kotta aan het gezicht zoude onttrekken, wierp de officier nog een blik op die versterking, die zich daar in het maanlicht somber en zwijgend aan den oever der rivier verhief; hij balde de vuist en prevelde binnensmonds:„O! ik zal terug komen en mij wreken, daar kunt ge staat op maken.”[75]Of hij het tegen de deserteurs of wel tegen de bevolking van kotta Djankang had, bleef in het onzekere.Het beleg had slechts vier etmalen geduurd.De bewoners van de kotta waren als kleine kinderen, die een tijd opgesloten zijn geweest, zoo uitgelaten. Allen stortten zich naar buiten om van het ontbeerde vrije te genieten en het kostte wel moeite om, bedacht als men er op wezen moest, dat die aftocht een list des vijands kon zijn, de noodige veiligheidsmaatregelen te doen betrachten. Maar van de zijde van den vooruitgeschoven post aan den zuidkant bleef alles rustig; de vijanden waren dus voor goed afgetrokken, want van dat punt was de rivier over een zeer groote uitgestrektheid stroomafwaarts te overzien.De eerste behoefte waaraan ieder der bewoners van kotta Djankang meende te moeten voldoen, was het nemen van een bad. Het was wezenlijk of op eens al de menschelijke wezens van de kotta in amphibiën gemetamorphoseerd waren. Onder bescherming van een saloi of een tapih plaste en dartelde de geheele bevolking, mannen, vrouwen en kinderen, in het heldere water der rivier, die daar ter plaatse reeds den naam van bergstroom begint te verdienen en werd daar menig kunststuk in het zwemmen vertoond. Wie weet hoe lang dat genot zou gerekt zijn, maar plotseling deed zich het angstgeroep hooren:„Badjai! badjai hai!” (een krokodil, een groote krokodil).En werkelijk bovenstrooms zag men iets komen aandrijven, hetgeen voor den onervarene veel op een boomstam geleek, maar wat de inboorlingen niet kon misleiden. Alle badenden vlogen naar den wal; maar welke spoed ook gemaakt werd, het monster had een wisse prooi bemerkt en schoot, terwijl het onderdook, pijlsnel[76]vooruit, en niet alle vluchtenden hadden den tijd om den oever te bereiken. Dicht bij den wal dook het ondier op, greep een vrouw bij een been en trachtte haar onder water te sleepen. Het ongelukkige slachtoffer schreeuwde hartverscheurend, greep in haar doodsangst een tak van een struik en klemde zich daaraan wanhopig vast. Nu begon voor de toegeijlde toeschouwers een ijzingwekkende en ontzettende worsteling. De kaaiman had de vrouw bij het dikke van het bovenbeen gegrepen en daar zijn lange en scherpe tanden te midden der spierbundels diep ingeslagen. Hij trok, schudde, scheurde, terwijl hij een geluid liet hooren alsof een varken snorkte, en spande alle krachten in om zijn slachtoffer te noodzaken los te laten. De arme vrouw gilde en steunde erbarmelijk en wrong zich akelig onder dat schudden, hetwelk haar de lappen vleesch aan flarden van het been scheurde. Zij hield zich evenwel krampachtig aan den reddenden tak vast, die, hoewel hij kraakte en krampachtig bewogen werd, toch sterk bleek te zijn en niet toegaf.Dat alles was in een ommezien gebeurd; toch duurde die worsteling voor de arme lijderes een halve eeuwigheid. Gefolterd door de hevigste pijnen, verzwakt door bloedverlies uit de belangrijke verwondingen, die zij ontvangen had, zou zij hebben moeten loslaten, toen eensklaps hulp opdaagde.Dalim, die reeds de rivier verlaten en zich gekleed had, toen het eerste geroep vanbadjai!weerklonk, spoedde zich langs het riviertalud naar boven en zocht aan den voet der borstwering een ijzerhouten randjoe onder de daar geplante, dat aan beide einden goed aangepunt, toch stevig van schacht en ongeveer anderhalve voet lang was. Hij vond wat hij zocht, trok het uit den grond, omvatte het stevig met de linkerhand[77]en omwikkelde die hand en den geheelen arm tot boven den elleboog met zijn natten saloi, zoodanig dat arm en hand behoorlijk beschermd waren, de beide punten evenwel van het randjoe vrij bleven. De rechterhand hield hij vrij, maar in zijn gordel stak hij een „badeh” of dolk.Zoo toegerust stortte hij zich in het water, op het oogenblik, dat de arme vrouw op het punt was te bezwijmen. Als voortreffelijk zwemmer schoot Dalim den kaaiman op zijde, trok zijn dolk en poogde hem onder den linkervoorpoot, waar de schubbenhuid van het monster minder dik is, te treffen. Door de bewegingen echter bij de worsteling, trof het wapen minder juist, gleed af en bracht slechts een onbeduidende verwonding te weeg; evenwel pijnlijk genoeg om de aandacht van het ondier op Dalim over te brengen. Oogenblikkelijk liet dit dan ook de arme vrouw los, om zich op zijn aanvaller te werpen. Zorgvuldig trachtte Dalim buiten het bereik van den staart te blijven, waarmede de krokodil de oppervlakte van het water woedend tot schuim geeselde. Behendig duikende, bleef de Dajak den kaaiman op zijde, en toen deze zijn vervaarlijke groote kaken opensperde, om zijn stoutmoedigen bespringer met zijn tanden kennis te laten maken, stak deze bliksemsnel den beschermden arm daarin, draaide de vuist om, zoodanig dat, toen het beest den muil met kracht wilde sluiten, om dien arm tusschen zijn machtige tanden te verbrijzelen, het zich de zachte deelen van het verhemelte en van de onderkaak in de punten van het randjoe sloeg en onmachtig was de kaken bij elkander te brengen.Nu begon een voorbeeldelooze strijd.De kaaiman zich zoo pijnlijk getroffen voelende, schoot vooruit om het ruime sop te bereiken, maar Dalim, na[78]zijn tegenstander nog een wond met zijn badeh toegebracht te hebben, had dat wapen losgelaten en met de rechterhand denzelfden tak gegrepen, waaraan de vrouw zich straks geklemd had. Met de linkerhand het randjoe met kracht omvat houdende, strekte hij den arm als een onwrikbare ijzeren staaf uit om zich het dier van het lijf te houden, dat hem anders met zijn scherpe nagels vreeselijk toegetakeld zoude hebben. Wanhopig waren de pogingen van den krokodil om zich los te rukken. Met zijn staart zweepte hij het water dat het wijd en zijd opspatte; nu schoot hij eens onder alsof hij heil in den afgrond ging zoeken, dan weer sprong hij ten halven lijve boven de oppervlakte uit, even of hij den hemel genade wilde vragen. Soms wentelde hij zich rond, als wilde hij den arm, die hem vasthield, bij den schouder afdraaien; en ware de tak, waaraan Dalim zich vastgeklemd hield, niet uiterst buigzaam en veerkrachtig als een rottan geweest, dan had de Dajak onmogelijk die beweging hebben kunnen volhouden. Nu draaide hij slechts mede als een tol, maar hield zich uitmuntend. Wel proestte hij, wel riep hij om hulp, wanneer hij in den hevigen worstelstrijd eens boven water geslingerd werd, maar los liet hij niet.Lang kon het evenwel niet meer duren; zijn krachten zouden hem begeven hebben. Maar daar naderde La Cueille, die in den looppas zijn geweer was gaan halen, en zich tusschen den kring toeschouwers door wrong, die ontzet en radeloos dat gevecht stonden aan te kijken. Hij legde aan, de tromp zijns geweers raakte bijna de strijdenden, maar dadelijk schieten kon hij niet, daar door de ordelooze en wanhopige bewegingen de Dajak even goed kon getroffen worden als het ondier. Beklemmend was het wachten en iedere seconde scheen ieder der aanwezenden wel een uur toe. Eindelijk, van een[79]ondeelbaar oogenblik gebruik makende, dat de strijders stil en hijgende aan de oppervlakte des waters lagen, drukte hij los, en.… de kaaiman, midden op de hersenpan getroffen, deed een wanhopigen sprong, waarbij zijn geheele lichaam zich wel vijf of zes voet boven water verhief. Tegen dien schok waren de krachten van Dalim niet bestand, zijn armen werden als uit het lid gerukt en was hij verplicht los te laten. Maar was het overmoed of wel verbouwereerdheid? In stede van het randjoe los te laten, liet hij den tak varen en werd hij door het ondier naar de diepte der rivier gesleept.Gelukkig was het einde nabij!In zijn doodstrijd sprong en wentelde zich het ondier dan eens in de lucht, met zijn vijand steeds aan zijn kaken hangende, dan weer in de diepte bedolven, terwijl het water hoog en wild opklotste en met wit schuim bedekt den oever kwam lekken. Eindelijk waren de krachten van het stervende ondier uitgeput; langzamerhand bedaarden zijn ontembare bewegingen en weldra lag het bewegingloos en drijvende aan de oppervlakte der rivier.Maar ook Dalim was uitgeput en dreef bewusteloos naast het lijk zijns vijands, hoewel hij zich nog steeds aan het randjoe in den vervaarlijken muil vastklemde. In een oogwenk was een djoekoeng ter redding toegeschoten, was de onmachtige weldra daarin getild en het kreng van den krokodil achter het vaartuig vastgehecht.Aan den wal werd Dalim door Wienersdorf met wat jenever ingewreven, waardoor hij spoedig bijkwam. Zijn bewusteloosheid was slechts veroorzaakt door de geweldige inspanning en de hevige gemoedsaandoeningen, want behalve eenige kleine en onbeduidende krabben, was hij geheel ongedeerd gebleven.[80]Toen La Cueille de lucht van den jenever in den neus kreeg, beweerde hij door het aanschouwen van dat ontzettende gevecht ook een onmacht nabij te zijn. Wienersdorf, in de vreugde zijns harten over de redding van hun lotgenoot, reikte den Waal lachende een goede teug toe, hem toewenschende, dat het hem wel mocht bekomen.Bij nader onderzoek bleek het, dat La Cueille’s kogel de hersenpan van den kaaiman verbrijzeld had, dat daarin een gat, waarin een mansvuist kon gestoken worden, geslagen was, hetgeen niet anders kon verklaard worden dan dat het projectiel het doel onder een zeer stompen hoek getroffen en het verbrijzeld had zonder er in door te dringen. En werkelijk werd de kogel niet teruggevonden.De twee Zwitsers verwonderden zich over den spitsen kop van het ondier, die zoozeer verschilde met dien der krokodillen in de benedenlanden. Van de Dajaks vernamen zij, dat in die streken drie soorten van krokodillen voorkomen: de „badjai bawoi”, „badjai sapit” en „badjai badjanka”1of de stompkoppige, de spitskoppige en de leguaanachtige. De eerste soort wordt alleen langs die zeeoevers en in die rivieren en meren aangetroffen, welker beddingen uit zacht slib bestaan; de tweede soort op zandige oevers of in die gedeelten der rivieren, waar zand en rolsteenen gevonden worden; en eindelijk de derde soort nimmer in zee, maar slechts in de bergstroomen, waar die watervallen vormen en over zware steenen heenbruisen. Deze laatste soort, veel kleiner dan de twee andere soorten, is toch zeer vraatzuchtig en ondernemend en dus niet minder gevaarlijk voor den mensch.[81]Alhoewel de Dajaks de krokodillen als gezanten van Djata2en dus als wezens van goddelijken oorsprong vereeren, en zij zich verbeelden, dat die dieren in de bovenwereld een geheel andere gedaante hebben en slechts alsbadjaiop de aarde verschijnen om de bevelen van hun Heer ten uitvoer te brengen, zoo wordt hun wrevel toch gaande gemaakt, wanneer een kaaiman een mensch aanvalt. In dat geval is weerwraak niet alleen ten volle geoorloofd, maar zelfs een niet te ontduiken plicht. Allen wierpen zich dan ook op het kreng en kapten en kerfden om hun gemoed te koelen. Toen het ondier geopend was, vond men in zijn maag verscheiden afgeronde keien, ja zelfs een paar stukken steenkool ter dikte van een vuist; ook werd daarin een fraaie witte koraaltak ter lengte van een vinger aangetroffen. Dit laatste deed Schlickeisen de veronderstelling uitspreken, dat het dier uit de Javazee naar de bovenlanden gezwommen was en dat het die reis in zeer korten tijd moest afgelegd hebben, daar die koraaltak nognietdoor het maagzuur aangetast was. Johannes weersprak dat gevoelen en bracht in herinnering, dat in de binnenlanden van Borneo op vele plaatsen koraalbrecciën langs de rivieren en ook elders aangetroffen worden, als om het onomstootelijk bewijs te leveren, dat de Oceaan daar eenmaal zijn blauwe baren gerold heeft. De Dajaks bevestigden die meening, en verhaalden, dat bij hen een volksgeloof bestaat, volgens hetwelk deze soort van krokodil, bij het ondernemen van verre tochten, overal bij iedere negorij, waar hij voorbijzwemt, een steen, een koraaltak enz. tot herinnering aan die[82]plaats inzwelgt. Vandaar dat zijn maag soms een waar magazijn van mineralen te noemen is.De kop van het ondier werd behoorlijk van de vleeschdeelen ontdaan en zou, wanneer de arme vrouw, die door die vreeselijke tanden zoo toegetakeld was, kwam te sterven, op haar graf prijken. Helaas, dienzelfden dag nog overleed zij aan bloedverlies. Wel had men gepoogd, het bloed metPengawarDjambie3te stelpen; maar vele aderen waren verscheurd, waaronder slagaderen; en hoe uitstekend die stof bij eenvoudige verwondingen als bloedstelpend middel ook werkt, bij zulke verbloedingen was zij volkomen machteloos. De titih was nog niet verstomd voor den gesneuvelden Mawatter, toen zij voor dit andere slachtoffer andermaal moest weerklinken.Toen dat rivierdrama afgespeeld was, verzamelden de voornaamste ingezetenen der kotta zich, om te beraadslagen wat hun nu verder te doen stond. Het was waarachtig een uiterst kritiek geval. Het was onmogelijk te ontkennen, men had de bevelen van de Nederlanders getrotseerd; men had zich tegen hen gewapenderhand verdedigd en bij den strijd waren ettelijke van de Hollandsche onderhoorigen omgekomen. Hoe zou dat alles opgenomen worden? Niet malsch, daarvan kon men zich verzekerd houden. Dat er représailles genomen zouden worden, dat was voor het inlandsche karakter zonder twijfel. Maar.… zouden die niet te ontgaan zijn? Wel zeker. De geheele bevolking van kotta Djankang zou opbreken en zich naar de binnenlanden begeven, ver boven de „kihams” (watervallen), waar de[83]blanken niet of slechts hoogst moeielijk zouden kunnen komen. Dit voorstel vond, ofschoon het door de meerderheid toegejuicht werd, geen onverdeelden bijval. Het is waar, zij waren afstammelingen van de „Badjankang’s”4, een zeer uitgebreiden Dajakschen stam, die in de nabijheid van Kaap Datoe het Kemai-, het Semadjoe- en het Kariembanggebergte bewoont. Hunne voorouders waren herwaarts verhuisd, omdat zij geen vrede konden hebben met de Serawak- en Batang Loepar-Dajaks en het koppensnellen aan de orde van den dag was. Maar zij hadden zich hier door huwelijken vermaagschapt met de naburige stammen en waren daarin als het ware opgegaan. Zij waren geene Badjankang’s meer, zij waren Ot Danom’s. Hier stonden de graven hunner ouders; hier hadden zij het eerste levenslicht aanschouwd en waren hun kinderen geboren. Hier lagen hun velden en stonden hun huizen. Hun „hampatong’s”5verhieven zich allerwege. Voorzeker, een volksverhuizing zou velen smartelijk vallen; ja, er waren er, die in wanhoop uitriepen, dat het lafhartig was uit vrees voor de Hollanders de plaats te ruimen, want dat men zich zeer goed verdedigen kon.Toen de discussie dien toon bereikt had en zij dreigde tot tweedracht te voeren, stond Johannes op en beklom,[84]na eenige ruggespraak met Amai Kotong, het kottahoofd, en met Harimaoung Boekit, het Poenanhoofd, de tadjahan en voerde den verzamelden toe:„Amaingkoe! Kakangkoe! Andingkoe!” (mijn vaders, mijn oudere en jongere broeders).„Het is onnoodig te twisten over iets, waarvan de oplossing zoo eenvoudig mogelijk is. Een partij wil heentrekken en de andere wil blijven, vandaar het verschil van gevoelen. Gelooft mij, zij die wenschen te blijven hebben gelijk. Wat is toch de zaak met de Hollanders? Uw hoofd Amai Kotong heeft Harimaoung Boekit, zijn gast en den zoon zijns ouderen broeders niet willen uitleveren. Op zijn bevel hebt gij uw kotta verdedigd en de wetten der gastvrijheid ongeschonden bewaard. Hij, hij alleen is dus de schuldige; hij is de eenige, wien iets ten laste kan gelegd worden. De Hollanders, die er zoo’n hoogen prijs op stellen, dat de bevolkingen hun overheden gehoorzamen, zullen niemand anders lastig vallen dan hem, die de bevelen tot verzet gaf. Zij zullen, wanneer zij terugkomen, alleen de uitlevering vorderen, in de eerste plaats van Harimaoung Boekit, de hoofdoorzaak van de oneenigheid, en dan die van uw hoofd, die hun bevelen durfde te weerstreven.”Een gehuil beantwoordde die woorden. Het was als een storm van verontwaardiging, die losbarstte.„Houdt gij ons voor den gek? dat nooit!! dat nooit!!!”„Neen, dat nooit! dat weet ik wel,” voer Johannes voort.„Maar als je dat weet, wat wil je dan?” vroeg een stem uit den hoop barsch. „Je schijnt wel een verrader.”„Als je die woorden nog eens spreekt, dan smijt ik je met mijn mandauw naar het hoofd!” was het driftige antwoord van den speacher.[85]„Je kunt toch niet veronderstellen, dat we ons hoofd en onzen gast in handen van de blanken zullen stellen?”„Stil, je laat me niet uitspreken. Ik herhaal, de Hollanders zullen alleen de uitlevering van Harimaoung Boekit en Amai Kotong eischen en.…”„Maar dat willen we juist niet!” brulde de troep.„Ik herhaal het, dat weet ik wel, ik weet dat een Dajak niet in staat is de wetten der gastvrijheid te schenden of zijn hoofd uit te leveren. Niettegenstaande de groote geldsommen, die voor zulk een schanddaad uitgeloofd werden door de Hollanders, heeft nog geen Dajak dat bloedgeld trachten te verdienen. Geen uwer zal ook zijn leven daarmee willen koopen.”„Neen! neen!!” was het geestdriftvol geschreeuw.„Goed zoo! zoo hoor ik het gaarne. Die uitlevering zal ook niet noodig zijn. Harimaoung Boekit zal wel maken, dat hij met zijn Poenans weg zal zijn, voor dat de Hollanders terug komen en Amai Kotong zal met hem mede gaan; want hij heeft mij verzekerd dat, om alle oorzaak van onheil weg te nemen, hij voornemens is naar het landschap Miri, van waar hij geboortig is, terug te keeren.”Sprakeloos hoorde de menigte die verklaring aan. Aller oogen wendden zich naar het kottahoofd als om de bevestiging van het gehoorde te erlangen. Deze knikte met het hoofd:„Ik trek met mijn gansche familie af!” riep hij uit.„Bij die beslissing wordt de oplossing van de gerezen moeielijkheid gemakkelijk,” voer Johannes voort. „Gij kiest een nieuw hoofd en de nieuw gekozene zendt een deputatie naar Bandjermasin om aan den Grooten Heer der Hollanders zijn leedwezen over het gebeurde te kennen te geven en zijn onderwerping en die van de bewoners van kotta Djankang aan te bieden. De afgezanten[86]vertellen dan met veel omhaal, dat, na het vertrek der Kwala Kapoeassers, de bevolking van kotta Djankang met behulp van de mannen van soengei Mawat, haar hoofd Amai Kotong vervallen verklaard heeft en dat deze zich met Harimaoung Boekit uit vrees voor erger, door de vlucht gered heeft.”„Maar dat zal toch een onwaarheid zijn!” riep de stem van straks.„Nu, wilt ge de waarheid gaan zeggen en den Hollanders gaan vertellen, dat gij allen er even lustig op losgehouwen hebt en dat het u spijt, het nog niet beter gedaan te hebben, ga je gang! mij wel!” grinnikte Johannes sarrend; „maar.…” liet hij er meer ernstig op volgen: „bedenkt u wel, handelt gij niet volgens mijn raad, dan hebt gij over een paar weken een geheele vloot stoomschepen hier voor de kotta met vele soldaten, en wat nog meer zegt, met vele en groote kanonnen aan boord, die in een half uur tijd de kotta zoo plat als een koek zullen geschoten hebben. Neen, gelooft me, en doet wat ik zeg; het is goede raad, dien ik u geef. Die kleine onschuldige leugen zal Mahatara niet vertoornen; en wanneer gij in uw leven nooit erger leugen zult verteld hebben dan dezen, die niemand schaadt, maar veel onheil zal voorkomen, dan mogen uwe zielen wanneer Tempon Telon6ze door de „kiham apoei” (vuurwaterval) naar de „Lewoe liau” (zielen land) zal voeren, zich gelukkig achten; want dan zullen ze maar een ellendig klein beetje geroosterd worden, waarachtig niet de moeite waard, om er over te spreken.”Spottend en snijdend sprak Johannes. Maar hij had[87]nog zeer lang kunnen praten, zonder dat iemand hem in de rede gevallen zoude zijn. De vergaderden verdrongen zich om Amai Kotong en toen deze de verklaring had afgelegd, dat het reeds lang zijn wensch was geweest om het laatste gedeelte zijns levens te gaan doorbrengen in het land zijner vaderen, in het land waar hij geboren was; en dat hij nu de gelegenheid aangreep, om zijn heengaan tot heil van de bewoners van kotta Djankang te doen strekken.Allen drukten hem met innigheid de hand en betuigden hun instemming met een beslissing, die de moeielijkheid volkomen oploste.Een paar uur later, toen de Mawatters binnen de versterking waren aangekomen, werd, nadat die op de hoogte der omstandigheden gebracht waren, onmiddellijk tot de verkiezing van een nieuw hoofd overgegaan. De volkskeus vestigde zich op een jeugdig man met name Njawong, die zich, hoewel tegenspartelende, den titel en de betrekking van Amai liet welgevallen. Onder den aandrang van Johannes benoemde het nieuwe hoofd een gezantschap, bestaande uit twee voorname Djankangers en twee voorname Mawatters, om de onderwerping van kotta Djankang aan den Toean Besar te gaan aanbieden. Johannes met Amai Kotong en Amai Njawong drongen er op aan, dat de gezanten onmiddellijk zouden vertrekken, om door hun verschijning en onderwerping het nemen van maatregelen en het volvoeren van krijgstoerustingen overbodig te maken. Zij mochten evenwel de afgetrokken aanvallers van kotta Djankang niet inhalen, maar moesten hen op een eerbiedigen afstand volgen om geen oorzaak te zijn, dat de kommandant van Kwala Kapoeas door die preliminairen verlokt, het voornemen zoude kunnen opvatten, ontijdig naar kotta Djankang terug te keeren. Ook moesten zij[88]trachten goed op de hoogte te blijven en dadelijk bericht zenden, wanneer zij hetzij ter hoofdplaats, hetzij te Kwala Kapoeas, iets van krijgstoerustingen tegen kotta Djankang zouden vernemen.Johannes als degelijk aanvoerder dacht aan alles.De zon was de westerkim nog niet genaderd, toen de afgezanten de reis reeds aanvaardden.Den volgenden morgen zouden de Mawatters vertrekken, om naar hun haardsteden terug te keeren. Een hunner prauwen werd feestelijk uitgedost met festoenen van rood linnen strooken en van jonge klapperbladeren, die de Dajaks zoo bevallig kunnen bewerken en rangschikken. Daarin was deraoengvan den gesneuvelde, nadat het deksel daarop bevestigd en de naden behoorlijk waren gedicht met „katipei”7, op de „menggatilraoeng”, een stellage van zwaar en kostbaar hout, gewoonlijk van „kajoen pamala”8vervaardigd en behoorlijk gedrapeerd, gesteld. Fier woei de Nederlandsche vlag in breede plooien boven die prauw en daar de overledene tot de aanzienlijken zijner streek behoorde, werd het vaartuig door twee en veertig9roeiers gevoerd. Achter die lijkprauw zouden twee[89]andere vaartuigen volgen, ook even bont, maar toch smaakvol met festoenen en vlaggen versierd. In de eerste zagen onze Europeanen vier „karandah’s” overbrengen. In ieder dier kooien zat een levende pandeling opgesloten; en er was zich geen hersenschim te vormen, die arme wezens waren bestemd, om bij het te houden „tiwah” (lijkfeest) omgebracht te worden. Wienersdorf keek scherp toe, of ook de door hem geredde vrouw zich onder die slachtoffers bevond, maar hij zag ze niet. Harimaoung Boekit verhaalde hem, dat deze offers een hulde waren van de kotta Djankangers aan den moed van hem, die voor hun belangen bezweken was. Bij die vier zouden te kotta Mawat nog een drietal gevoegd worden om den gesneuvelde een hem waardige bediening in de „Lewoe liau” te geven.In de derde versierde prauw zaten een aantal van een en twintig Balians, die de lucht van hare gezangen deden weergalmen en die formulieren op de maat met hare katambong’s begeleidden. Achter de prauw der priesteressen kwamen de overige vaartuigen der Mawatters, die zich volgens de voornaamheid harer eigenaars in een lange rij achter elkander schaarden.Toen de stoet van wal stak, brandden al de kanonnen der kotta los en verhief zich een oorverdoovend en langgerekt: lēēēēēēh lèlèlèlèlèlelele ooouiiiit! als om den gevallene voor het laatst te groeten en eer te bewijzen.„Nihau jèh,” klonk daartusschen het weemoedige gezang der priesteressen: „Nihau jèh lonok batipas, ohate baringen, jèh belongkan boekit.„Tingang jèh teseke lajang harimaoung marantong batoe, benang jèh tariop bitie ingampoh tandjoeng ambon.„Boelau mantap tasalèh indoe tangalong enon.”[90]„Verloren is hij als de Lonokboom10, wiens wortels geknakt zijn, als een Wariengien, die omgevallen is op den berg.„Als een Tingang11is hij bij den terugkeer verdwaald, als een tijger afgestort van de rots, als een stuk linnen weggewaaid op den voortijlenden alles bedekkenden nevel.„Als een stuk goud is hij weggesprongen onder de hand des goudsmids, weggesprongen om den dauw te vergulden.”De prauwen schoten den hoek om, de soengei Mawat in en waren nu voor het oog verdwenen. De nastarenden konden het getrommel der Balians nog hooren en den gecadenceerden rythmus van het eentonige gezang nog eenigen tijd waarnemen, maar verstaan wat er gezongen werd, dat was niemand meer mogelijk.De bewoners van kotta Djankang, zoo eensklaps uit hun gewone doen en laten gerukt, keerden na vrij rustelooze dagen doorgebracht te hebben, tot hun normalen toestand terug. Na het verdwijnen van die prauwen bleef ter herinnering aan het doorgestane beleg niets anders over dan het lijk van de arme vrouw, die het slachtoffer van den kaaiman was. Alles was nu stil en als verlaten; kalmte en ingetogenheid heerschten, waar in de vorige dagen slechts gejoel en gegil werden vernomen en alleen het weemoedige gelui der titih liet zich, zoolang het lijk in de kotta was, van tijd tot tijd hooren.[91]
„Ohoi! Amai Kotong!”
„Wie roept daar?” schreeuwde Dalim met luider stem.
„Olo soengei Mawat” (iemand van soengei Mawat).„Ik breng tijding van de bevolking van daar.”
Inmiddels was het eiland tot voor de kotta gedreven. Een smalle strook water scheidde het nog van den vasten wal. Johannes en de zijnen lagen op het talud uitgestrekt met de wapenen in de vuist, op iedere mogelijkheid voorbereid. Een gedaante verhief zich op het eiland en begaf zich te water, om naar den wal te zwemmen. Maar daar knalde een schot; de zwemmer gaf een gil en ware Dalim niet in de rivier gesprongen om den boodschapper te hulp te snellen, dan ware deze voorzeker verdronken. De luitenant had het drijvende eiland blijven gadeslaan, hij had die gedaante zien te water gaan en had daarop zijn kogel afgezonden. Voordat hij zijn vuurwapen herladen had, was Dalim met den gekwetste aan wal en binnen de versterking in veiligheid.
Helaas! de arme bode was doodelijk in de borst getroffen.[69]Hij kon nog slechts stamelen, dat de strijders van soengei Mawat, ten getale van ongeveer vijftig man, waren aangekomen. Zij hadden zich noordwaarts van de kotta in het bosch opgesteld en waren voornemens den volgenden avond, wanneer het donker zoude zijn, de belegeraars aan te tasten.
Nauwelijks had de stervende zich van zijn last gekweten of hij blies den laatsten adem uit.
Als echte natuurkinderen wijdden de Dajaks van kotta Djankang hun eerste zorgen aan den overledene. Zoodra de overtuiging bestond, dat de ziel aan haar omhulsel ontvloden was, werd het lijk een spiksplinternieuw stel kleederen aangetrokken en daarna op den vloer van een der woningen in de kotta op een fraai gebloemd matje uitgestrekt. Toen werd aan het hoofdeneinde van den verslagene een lampje ontstoken, dat met de fijnste harssoorten gevoed werd, en werden de lijken van de vier gevallen vijanden, met de afgehouwen hoofden op de maagstreek geplaatst, rondom hem geschaard. Allen hadden den „talawang” (schild) in de eene en den mandauw in de andere hand. De Dajaks waren overtuigd, dat door een zoodanig vertoon de zielen der onthoofde vijanden genoodzaakt zouden worden den ongeschonden Mawatter in de Dajaksche velden als hun heer te erkennen en zijn slaven te worden. Toen begon de titih te weerklinken en duurde dat weemoedig geluid den geheelen nacht door.
Daar het te voorzien was, dat het lijk den volgenden dag door de lieden van soengei Mawat zoude worden afgehaald en de adat vergde, dat het volkomen toebereid afgeleverd zoude worden, ging men bij het aanbreken van den dag tot het „toending” over, hetwelk daarin bestond, dat de nagels van den overledene aan handen en voeten verguld en op zijn voorhoofd zeven[70]stippen met roode verf geschilderd werden. Daarna werd het lijk in deraoeng(voorloopige doodkist) gelegd en, daar de doode als strijder gevallen was en ook als een man van beproefde dapperheid bekend stond, werden hem zijn wapens in de kist medegegeven.
Gedurende den nacht hadden de belegerden verscheiden geruchten bij de belegeraars waargenomen, waaronder uitroepen die, hoewel maar half verstaan, op een naderend vertrek duidden. Ook hadden zij roeislagen gehoord en waren zij wel nieuwsgierig te vernemen wat er gaande was. Toen de dag aangebroken was, keken de schildwachten uit, maar ontwaarden van de tegenpartij niets. Zelfs geen rookwolkje krulde omhoog om aan te duiden, dat menschen bezig waren hun ontbijt te bereiden. Een paar mannen der bezetting slopen naar buiten, doorkruisten den omtrek, maar brachten eindelijk het bericht, dat de vijand afgetrokken was. Een luid hoera beantwoordde die goede tijding en vooral de Europeanen drukten elkander met warmte de hand en riepen elkander de hartelijkste gelukwenschen toe. Onmiddellijk werd een bode uitgezonden om de strijders van soengei Mawat op te zoeken en hun het heuglijke nieuws mede te deelen. Daar dat aftrekken der belegeraars wel een list kon zijn, werd bij al de vreugde de voorzichtigheid niet uit het oog verloren en weer een uitkijk op den hoek beneden de kotta geplaatst.
Hoe was men bij de belegeraars er toe gekomen het strijdperk te verlaten?
Na het gevecht was men in dat kamp wel ietwat verslagen. Bij de beklimming der palissadeering had de luitenant zich mee aan het klouteren gewaagd. Gelukkig evenwel dat hij het in die kunst der apen nog niet ver gebracht had en dat hij door eenigen van zijn volk[71]voorbijgestreefd werd. Nu viel een der zwaar gekwetsten op hem en deed hem ook tuimelen. Zijn kleeding, maar vooral zijn schoeisel beveiligde hem tegen de punten der randjoe’s, zoodat hij slechts een betrekkelijk geringe verwonding aan den arm bekwam. Maar gelukkiger nog dat na zijn val de beide Tomonggongs hem onmiddellijk overeind trokken en met zich voortsleepten; weinige seconden later toch zoude de mandauw van Harimaoung Boekit zijn kop niet gespaard hebben.
Onmiddellijk na die teleurstelling zagen de aanvoerders zich door dat drijvende eiland verontrust. Nu zaten zij bij elkander op een boomstam en was bedruktheid op het gelaat van alle drie te lezen. Het onderwerp, waarover zij het hadden, was niet van den vroolijksten aard. De beide Tomonggongs wilden weg; want zij verheelden het niet, zij zagen den toestand zeer donker in. Wat hun niet weinig angst aanjoeg, was, dat blijkbaar een boodschapper met dat drijvende eiland in de kotta aangeland was. Wie die was en van waar hij kwam, konden zij ternauwernood gissen, maar iets goeds beloofde dat zeker niet.
De akelige tonen der titih bovendien, die zich in de versterking lieten hooren, stemden hen ook niet tot opgeruimdheid.
De luitenant gaf als zijn meening te kennen, dat de versterking nog nauwer moest ingesloten worden. Hij zou dan met allen spoed naar Kwala Kapoeas terugkeeren, de reis naar Bandjermasin vervolgen, daar aan den Toean Besar van het gebeurde verslag doen en met soldaten, aan boord van een of meer stoombooten, met flink geschut bewapend, terugkomen om die weerspannige kotta voorbeeldeloos te tuchtigen.
Met sprakelooze ontsteltenis hadden de beide Dajaksche hoofden hem aangehoord. Dat de officier zou kunnen[72]aftrekken en hen daar achterlaten, ging hun begrip te boven, zoodat zij vooreerst geen woord konden uiten. Na een lange poos bedenkens vatte ten laatste Tomonggong Nikodemus het woord:
„Hoe lang rekent mijnheer weg te blijven?” vroeg hij met haperende stem.
„Voor den stroom af reken ik in 2½ dag te Kwala Kapoeas te zijn. Daar heb ik een paar uur noodig om mijn rapport op te maken. Bandjermasin kan ik 24 uren later bereikt hebben. Rekent er op, dat ik een halven dag later onder stoom zal zijn en dat de reis naar kotta Djankang met het noodzakelijke ankeren des nachts in de bovenrivier ongeveer 4½ dag zal duren, dan kunt ge mij over negen, hoogstens tien dagen terug verwachten.”
„Daar valt niet aan te denken, Heer!” was het stemmige antwoord van Nikodemus, „wanneer u terug komt, zoudt u ons allen vermoord vinden.”
„Maar, Tomonggong?”
„Het is zoo, Heer! Zoodra de lange donkere nachten daar zullen zijn, zal de dans ongetwijfeld beginnen. Geen nacht zal er voorbijgaan, dat we niet verontrust zullen worden, dat we geen verliezen te tellen zullen hebben. En eindelijk, als we uitgeput van het dagelijksch schermutselen en het nachtelijk waken zullen zijn, dan zal de groote slag geslagen worden, die het grootste gedeelte onzer zal dooden en de overblijvenden zal verstrooien.”
„Ge zijt ruim drie tegen één, Tomonggong!” beet de officier hem grimmig toe.
„Dat beteekent niet veel tegen een goed verschansten vijand. Maar die meerderheid zal niet lang duren, Heer! Ik vrees een opkomst van de stammen der bovenlanden.”[73]
„Maar over tien dagen ben ik weer hier met een voldoende macht om al de stammen van Borneo het hoofd te kunnen bieden.”
„Dat zal te laat zijn, Heer!”
„Maar wat dan, Tomonggong!” riep de officier ongeduldig.
„Er valt niets anders te doen dan met u heen te gaan, om, als het moet, weer met u terug te komen.”
„In dien tusschentijd ontsnappen de deserteurs,” was het bittere antwoord.
„Zeer waarschijnlijk, Heer! maar wees verzekerd, dat zij ook ontsnappen zullen, wanneer u heengaat en wij blijven.”
„Maar ze zitten als in een muizenval.”
„Ja Heer! wanneer we wacht genoeg hadden of behoorlijk bewapend waren. Maar nu zijn we onmachtig de muis uit de val te halen, en de muis heeft het in haar macht de val te verlaten, wanneer zij wil.”
De luitenant knarsetandde. Wat de Tomonggong zeide, was maar al te waar. Toch kon hij niet toegeven. Een oogenblik dacht hij er aan zelf te blijven en een der hoofden naar Bandjermasin te zenden. Hij begreep echter, dat bij het besluitelooze en het bedachtzame van het inlandsche karakter dan veel meer tijd zoude gevorderd worden; ook dat hij ter hoofdplaats onmisbare inlichtingen te geven zoude hebben; zoodat hij van dat denkbeeld afstapte. Andermaal wilde hij beproeven de Tomonggongs over te halen met hun volk te blijven, toen een der volgelingen van het hoofd van Kwala Kapoeas met onverholen spoed naderde en den ouden man iets in het oor fluisterde.
„Daar hebben we ’t al!” riep deze uit. „De Kwala Kapoeassers hebben bij het gevecht van straks Harimaoung Boekit en zijn Poenans herkend. Ze zijn in[74]grooten angst en willen weg. De meesten hunner zijn reeds bezig de prauwen gereed te maken. Ik ga zien wat dat te beduiden heeft.”
„We gaan met u mede!” riepen de luitenant en Tomonggong Patti Singa Djaja.
Toen de drie mannen in het kamp kwamen, vonden zij de meesten hunner lieden in de grootste opgewondenheid. Verschrikkelijke verhalen omtrent de woestheid en wreedheid der Poenans waren in omloop. De angst was in aller harten. De officier vernam, dat de menschen van kotta Baroe reeds voor het meerendeel vertrokken waren en zag, dat de overigen bezig waren hun prauwen te bestijgen. Hij poogde zich tegen dien aftocht te verzetten. Hij praatte, overreedde en eindigde met te bevelen. Alles te vergeefs; het troepje was niet te houden, het was een ware paniek. In de volgende oogenblikken zag hij zich met de beide Tomonggongs alleen staan en de eene prauw voor en de andere na achter den eersten „tandjoeng” (hoek) verdwijnen. De beide Dajaksche hoofden wisselden een blik, prevelden eenige woorden, waarna zij den luitenant ieder bij een arm namen en niettegenstaande zijn tegenstribbeling in hun prauw brachten, die ook tot vertrek gereed lag en waarvan de roeiers niet weinig ongeduld lieten blijken. Zoodra de luitenant er in was, schoot de prauw met kracht vooruit. Het was een ware vlucht; maar er viel niets anders te doen. De omstandigheden noodzaakten er toe.
Toen de prauw den hoek omvoer, die de kotta aan het gezicht zoude onttrekken, wierp de officier nog een blik op die versterking, die zich daar in het maanlicht somber en zwijgend aan den oever der rivier verhief; hij balde de vuist en prevelde binnensmonds:
„O! ik zal terug komen en mij wreken, daar kunt ge staat op maken.”[75]
Of hij het tegen de deserteurs of wel tegen de bevolking van kotta Djankang had, bleef in het onzekere.
Het beleg had slechts vier etmalen geduurd.
De bewoners van de kotta waren als kleine kinderen, die een tijd opgesloten zijn geweest, zoo uitgelaten. Allen stortten zich naar buiten om van het ontbeerde vrije te genieten en het kostte wel moeite om, bedacht als men er op wezen moest, dat die aftocht een list des vijands kon zijn, de noodige veiligheidsmaatregelen te doen betrachten. Maar van de zijde van den vooruitgeschoven post aan den zuidkant bleef alles rustig; de vijanden waren dus voor goed afgetrokken, want van dat punt was de rivier over een zeer groote uitgestrektheid stroomafwaarts te overzien.
De eerste behoefte waaraan ieder der bewoners van kotta Djankang meende te moeten voldoen, was het nemen van een bad. Het was wezenlijk of op eens al de menschelijke wezens van de kotta in amphibiën gemetamorphoseerd waren. Onder bescherming van een saloi of een tapih plaste en dartelde de geheele bevolking, mannen, vrouwen en kinderen, in het heldere water der rivier, die daar ter plaatse reeds den naam van bergstroom begint te verdienen en werd daar menig kunststuk in het zwemmen vertoond. Wie weet hoe lang dat genot zou gerekt zijn, maar plotseling deed zich het angstgeroep hooren:
„Badjai! badjai hai!” (een krokodil, een groote krokodil).
En werkelijk bovenstrooms zag men iets komen aandrijven, hetgeen voor den onervarene veel op een boomstam geleek, maar wat de inboorlingen niet kon misleiden. Alle badenden vlogen naar den wal; maar welke spoed ook gemaakt werd, het monster had een wisse prooi bemerkt en schoot, terwijl het onderdook, pijlsnel[76]vooruit, en niet alle vluchtenden hadden den tijd om den oever te bereiken. Dicht bij den wal dook het ondier op, greep een vrouw bij een been en trachtte haar onder water te sleepen. Het ongelukkige slachtoffer schreeuwde hartverscheurend, greep in haar doodsangst een tak van een struik en klemde zich daaraan wanhopig vast. Nu begon voor de toegeijlde toeschouwers een ijzingwekkende en ontzettende worsteling. De kaaiman had de vrouw bij het dikke van het bovenbeen gegrepen en daar zijn lange en scherpe tanden te midden der spierbundels diep ingeslagen. Hij trok, schudde, scheurde, terwijl hij een geluid liet hooren alsof een varken snorkte, en spande alle krachten in om zijn slachtoffer te noodzaken los te laten. De arme vrouw gilde en steunde erbarmelijk en wrong zich akelig onder dat schudden, hetwelk haar de lappen vleesch aan flarden van het been scheurde. Zij hield zich evenwel krampachtig aan den reddenden tak vast, die, hoewel hij kraakte en krampachtig bewogen werd, toch sterk bleek te zijn en niet toegaf.
Dat alles was in een ommezien gebeurd; toch duurde die worsteling voor de arme lijderes een halve eeuwigheid. Gefolterd door de hevigste pijnen, verzwakt door bloedverlies uit de belangrijke verwondingen, die zij ontvangen had, zou zij hebben moeten loslaten, toen eensklaps hulp opdaagde.
Dalim, die reeds de rivier verlaten en zich gekleed had, toen het eerste geroep vanbadjai!weerklonk, spoedde zich langs het riviertalud naar boven en zocht aan den voet der borstwering een ijzerhouten randjoe onder de daar geplante, dat aan beide einden goed aangepunt, toch stevig van schacht en ongeveer anderhalve voet lang was. Hij vond wat hij zocht, trok het uit den grond, omvatte het stevig met de linkerhand[77]en omwikkelde die hand en den geheelen arm tot boven den elleboog met zijn natten saloi, zoodanig dat arm en hand behoorlijk beschermd waren, de beide punten evenwel van het randjoe vrij bleven. De rechterhand hield hij vrij, maar in zijn gordel stak hij een „badeh” of dolk.
Zoo toegerust stortte hij zich in het water, op het oogenblik, dat de arme vrouw op het punt was te bezwijmen. Als voortreffelijk zwemmer schoot Dalim den kaaiman op zijde, trok zijn dolk en poogde hem onder den linkervoorpoot, waar de schubbenhuid van het monster minder dik is, te treffen. Door de bewegingen echter bij de worsteling, trof het wapen minder juist, gleed af en bracht slechts een onbeduidende verwonding te weeg; evenwel pijnlijk genoeg om de aandacht van het ondier op Dalim over te brengen. Oogenblikkelijk liet dit dan ook de arme vrouw los, om zich op zijn aanvaller te werpen. Zorgvuldig trachtte Dalim buiten het bereik van den staart te blijven, waarmede de krokodil de oppervlakte van het water woedend tot schuim geeselde. Behendig duikende, bleef de Dajak den kaaiman op zijde, en toen deze zijn vervaarlijke groote kaken opensperde, om zijn stoutmoedigen bespringer met zijn tanden kennis te laten maken, stak deze bliksemsnel den beschermden arm daarin, draaide de vuist om, zoodanig dat, toen het beest den muil met kracht wilde sluiten, om dien arm tusschen zijn machtige tanden te verbrijzelen, het zich de zachte deelen van het verhemelte en van de onderkaak in de punten van het randjoe sloeg en onmachtig was de kaken bij elkander te brengen.
Nu begon een voorbeeldelooze strijd.
De kaaiman zich zoo pijnlijk getroffen voelende, schoot vooruit om het ruime sop te bereiken, maar Dalim, na[78]zijn tegenstander nog een wond met zijn badeh toegebracht te hebben, had dat wapen losgelaten en met de rechterhand denzelfden tak gegrepen, waaraan de vrouw zich straks geklemd had. Met de linkerhand het randjoe met kracht omvat houdende, strekte hij den arm als een onwrikbare ijzeren staaf uit om zich het dier van het lijf te houden, dat hem anders met zijn scherpe nagels vreeselijk toegetakeld zoude hebben. Wanhopig waren de pogingen van den krokodil om zich los te rukken. Met zijn staart zweepte hij het water dat het wijd en zijd opspatte; nu schoot hij eens onder alsof hij heil in den afgrond ging zoeken, dan weer sprong hij ten halven lijve boven de oppervlakte uit, even of hij den hemel genade wilde vragen. Soms wentelde hij zich rond, als wilde hij den arm, die hem vasthield, bij den schouder afdraaien; en ware de tak, waaraan Dalim zich vastgeklemd hield, niet uiterst buigzaam en veerkrachtig als een rottan geweest, dan had de Dajak onmogelijk die beweging hebben kunnen volhouden. Nu draaide hij slechts mede als een tol, maar hield zich uitmuntend. Wel proestte hij, wel riep hij om hulp, wanneer hij in den hevigen worstelstrijd eens boven water geslingerd werd, maar los liet hij niet.
Lang kon het evenwel niet meer duren; zijn krachten zouden hem begeven hebben. Maar daar naderde La Cueille, die in den looppas zijn geweer was gaan halen, en zich tusschen den kring toeschouwers door wrong, die ontzet en radeloos dat gevecht stonden aan te kijken. Hij legde aan, de tromp zijns geweers raakte bijna de strijdenden, maar dadelijk schieten kon hij niet, daar door de ordelooze en wanhopige bewegingen de Dajak even goed kon getroffen worden als het ondier. Beklemmend was het wachten en iedere seconde scheen ieder der aanwezenden wel een uur toe. Eindelijk, van een[79]ondeelbaar oogenblik gebruik makende, dat de strijders stil en hijgende aan de oppervlakte des waters lagen, drukte hij los, en.… de kaaiman, midden op de hersenpan getroffen, deed een wanhopigen sprong, waarbij zijn geheele lichaam zich wel vijf of zes voet boven water verhief. Tegen dien schok waren de krachten van Dalim niet bestand, zijn armen werden als uit het lid gerukt en was hij verplicht los te laten. Maar was het overmoed of wel verbouwereerdheid? In stede van het randjoe los te laten, liet hij den tak varen en werd hij door het ondier naar de diepte der rivier gesleept.
Gelukkig was het einde nabij!
In zijn doodstrijd sprong en wentelde zich het ondier dan eens in de lucht, met zijn vijand steeds aan zijn kaken hangende, dan weer in de diepte bedolven, terwijl het water hoog en wild opklotste en met wit schuim bedekt den oever kwam lekken. Eindelijk waren de krachten van het stervende ondier uitgeput; langzamerhand bedaarden zijn ontembare bewegingen en weldra lag het bewegingloos en drijvende aan de oppervlakte der rivier.
Maar ook Dalim was uitgeput en dreef bewusteloos naast het lijk zijns vijands, hoewel hij zich nog steeds aan het randjoe in den vervaarlijken muil vastklemde. In een oogwenk was een djoekoeng ter redding toegeschoten, was de onmachtige weldra daarin getild en het kreng van den krokodil achter het vaartuig vastgehecht.
Aan den wal werd Dalim door Wienersdorf met wat jenever ingewreven, waardoor hij spoedig bijkwam. Zijn bewusteloosheid was slechts veroorzaakt door de geweldige inspanning en de hevige gemoedsaandoeningen, want behalve eenige kleine en onbeduidende krabben, was hij geheel ongedeerd gebleven.[80]
Toen La Cueille de lucht van den jenever in den neus kreeg, beweerde hij door het aanschouwen van dat ontzettende gevecht ook een onmacht nabij te zijn. Wienersdorf, in de vreugde zijns harten over de redding van hun lotgenoot, reikte den Waal lachende een goede teug toe, hem toewenschende, dat het hem wel mocht bekomen.
Bij nader onderzoek bleek het, dat La Cueille’s kogel de hersenpan van den kaaiman verbrijzeld had, dat daarin een gat, waarin een mansvuist kon gestoken worden, geslagen was, hetgeen niet anders kon verklaard worden dan dat het projectiel het doel onder een zeer stompen hoek getroffen en het verbrijzeld had zonder er in door te dringen. En werkelijk werd de kogel niet teruggevonden.
De twee Zwitsers verwonderden zich over den spitsen kop van het ondier, die zoozeer verschilde met dien der krokodillen in de benedenlanden. Van de Dajaks vernamen zij, dat in die streken drie soorten van krokodillen voorkomen: de „badjai bawoi”, „badjai sapit” en „badjai badjanka”1of de stompkoppige, de spitskoppige en de leguaanachtige. De eerste soort wordt alleen langs die zeeoevers en in die rivieren en meren aangetroffen, welker beddingen uit zacht slib bestaan; de tweede soort op zandige oevers of in die gedeelten der rivieren, waar zand en rolsteenen gevonden worden; en eindelijk de derde soort nimmer in zee, maar slechts in de bergstroomen, waar die watervallen vormen en over zware steenen heenbruisen. Deze laatste soort, veel kleiner dan de twee andere soorten, is toch zeer vraatzuchtig en ondernemend en dus niet minder gevaarlijk voor den mensch.[81]
Alhoewel de Dajaks de krokodillen als gezanten van Djata2en dus als wezens van goddelijken oorsprong vereeren, en zij zich verbeelden, dat die dieren in de bovenwereld een geheel andere gedaante hebben en slechts alsbadjaiop de aarde verschijnen om de bevelen van hun Heer ten uitvoer te brengen, zoo wordt hun wrevel toch gaande gemaakt, wanneer een kaaiman een mensch aanvalt. In dat geval is weerwraak niet alleen ten volle geoorloofd, maar zelfs een niet te ontduiken plicht. Allen wierpen zich dan ook op het kreng en kapten en kerfden om hun gemoed te koelen. Toen het ondier geopend was, vond men in zijn maag verscheiden afgeronde keien, ja zelfs een paar stukken steenkool ter dikte van een vuist; ook werd daarin een fraaie witte koraaltak ter lengte van een vinger aangetroffen. Dit laatste deed Schlickeisen de veronderstelling uitspreken, dat het dier uit de Javazee naar de bovenlanden gezwommen was en dat het die reis in zeer korten tijd moest afgelegd hebben, daar die koraaltak nognietdoor het maagzuur aangetast was. Johannes weersprak dat gevoelen en bracht in herinnering, dat in de binnenlanden van Borneo op vele plaatsen koraalbrecciën langs de rivieren en ook elders aangetroffen worden, als om het onomstootelijk bewijs te leveren, dat de Oceaan daar eenmaal zijn blauwe baren gerold heeft. De Dajaks bevestigden die meening, en verhaalden, dat bij hen een volksgeloof bestaat, volgens hetwelk deze soort van krokodil, bij het ondernemen van verre tochten, overal bij iedere negorij, waar hij voorbijzwemt, een steen, een koraaltak enz. tot herinnering aan die[82]plaats inzwelgt. Vandaar dat zijn maag soms een waar magazijn van mineralen te noemen is.
De kop van het ondier werd behoorlijk van de vleeschdeelen ontdaan en zou, wanneer de arme vrouw, die door die vreeselijke tanden zoo toegetakeld was, kwam te sterven, op haar graf prijken. Helaas, dienzelfden dag nog overleed zij aan bloedverlies. Wel had men gepoogd, het bloed metPengawarDjambie3te stelpen; maar vele aderen waren verscheurd, waaronder slagaderen; en hoe uitstekend die stof bij eenvoudige verwondingen als bloedstelpend middel ook werkt, bij zulke verbloedingen was zij volkomen machteloos. De titih was nog niet verstomd voor den gesneuvelden Mawatter, toen zij voor dit andere slachtoffer andermaal moest weerklinken.
Toen dat rivierdrama afgespeeld was, verzamelden de voornaamste ingezetenen der kotta zich, om te beraadslagen wat hun nu verder te doen stond. Het was waarachtig een uiterst kritiek geval. Het was onmogelijk te ontkennen, men had de bevelen van de Nederlanders getrotseerd; men had zich tegen hen gewapenderhand verdedigd en bij den strijd waren ettelijke van de Hollandsche onderhoorigen omgekomen. Hoe zou dat alles opgenomen worden? Niet malsch, daarvan kon men zich verzekerd houden. Dat er représailles genomen zouden worden, dat was voor het inlandsche karakter zonder twijfel. Maar.… zouden die niet te ontgaan zijn? Wel zeker. De geheele bevolking van kotta Djankang zou opbreken en zich naar de binnenlanden begeven, ver boven de „kihams” (watervallen), waar de[83]blanken niet of slechts hoogst moeielijk zouden kunnen komen. Dit voorstel vond, ofschoon het door de meerderheid toegejuicht werd, geen onverdeelden bijval. Het is waar, zij waren afstammelingen van de „Badjankang’s”4, een zeer uitgebreiden Dajakschen stam, die in de nabijheid van Kaap Datoe het Kemai-, het Semadjoe- en het Kariembanggebergte bewoont. Hunne voorouders waren herwaarts verhuisd, omdat zij geen vrede konden hebben met de Serawak- en Batang Loepar-Dajaks en het koppensnellen aan de orde van den dag was. Maar zij hadden zich hier door huwelijken vermaagschapt met de naburige stammen en waren daarin als het ware opgegaan. Zij waren geene Badjankang’s meer, zij waren Ot Danom’s. Hier stonden de graven hunner ouders; hier hadden zij het eerste levenslicht aanschouwd en waren hun kinderen geboren. Hier lagen hun velden en stonden hun huizen. Hun „hampatong’s”5verhieven zich allerwege. Voorzeker, een volksverhuizing zou velen smartelijk vallen; ja, er waren er, die in wanhoop uitriepen, dat het lafhartig was uit vrees voor de Hollanders de plaats te ruimen, want dat men zich zeer goed verdedigen kon.
Toen de discussie dien toon bereikt had en zij dreigde tot tweedracht te voeren, stond Johannes op en beklom,[84]na eenige ruggespraak met Amai Kotong, het kottahoofd, en met Harimaoung Boekit, het Poenanhoofd, de tadjahan en voerde den verzamelden toe:
„Amaingkoe! Kakangkoe! Andingkoe!” (mijn vaders, mijn oudere en jongere broeders).
„Het is onnoodig te twisten over iets, waarvan de oplossing zoo eenvoudig mogelijk is. Een partij wil heentrekken en de andere wil blijven, vandaar het verschil van gevoelen. Gelooft mij, zij die wenschen te blijven hebben gelijk. Wat is toch de zaak met de Hollanders? Uw hoofd Amai Kotong heeft Harimaoung Boekit, zijn gast en den zoon zijns ouderen broeders niet willen uitleveren. Op zijn bevel hebt gij uw kotta verdedigd en de wetten der gastvrijheid ongeschonden bewaard. Hij, hij alleen is dus de schuldige; hij is de eenige, wien iets ten laste kan gelegd worden. De Hollanders, die er zoo’n hoogen prijs op stellen, dat de bevolkingen hun overheden gehoorzamen, zullen niemand anders lastig vallen dan hem, die de bevelen tot verzet gaf. Zij zullen, wanneer zij terugkomen, alleen de uitlevering vorderen, in de eerste plaats van Harimaoung Boekit, de hoofdoorzaak van de oneenigheid, en dan die van uw hoofd, die hun bevelen durfde te weerstreven.”
Een gehuil beantwoordde die woorden. Het was als een storm van verontwaardiging, die losbarstte.
„Houdt gij ons voor den gek? dat nooit!! dat nooit!!!”
„Neen, dat nooit! dat weet ik wel,” voer Johannes voort.
„Maar als je dat weet, wat wil je dan?” vroeg een stem uit den hoop barsch. „Je schijnt wel een verrader.”
„Als je die woorden nog eens spreekt, dan smijt ik je met mijn mandauw naar het hoofd!” was het driftige antwoord van den speacher.[85]
„Je kunt toch niet veronderstellen, dat we ons hoofd en onzen gast in handen van de blanken zullen stellen?”
„Stil, je laat me niet uitspreken. Ik herhaal, de Hollanders zullen alleen de uitlevering van Harimaoung Boekit en Amai Kotong eischen en.…”
„Maar dat willen we juist niet!” brulde de troep.
„Ik herhaal het, dat weet ik wel, ik weet dat een Dajak niet in staat is de wetten der gastvrijheid te schenden of zijn hoofd uit te leveren. Niettegenstaande de groote geldsommen, die voor zulk een schanddaad uitgeloofd werden door de Hollanders, heeft nog geen Dajak dat bloedgeld trachten te verdienen. Geen uwer zal ook zijn leven daarmee willen koopen.”
„Neen! neen!!” was het geestdriftvol geschreeuw.
„Goed zoo! zoo hoor ik het gaarne. Die uitlevering zal ook niet noodig zijn. Harimaoung Boekit zal wel maken, dat hij met zijn Poenans weg zal zijn, voor dat de Hollanders terug komen en Amai Kotong zal met hem mede gaan; want hij heeft mij verzekerd dat, om alle oorzaak van onheil weg te nemen, hij voornemens is naar het landschap Miri, van waar hij geboortig is, terug te keeren.”
Sprakeloos hoorde de menigte die verklaring aan. Aller oogen wendden zich naar het kottahoofd als om de bevestiging van het gehoorde te erlangen. Deze knikte met het hoofd:
„Ik trek met mijn gansche familie af!” riep hij uit.
„Bij die beslissing wordt de oplossing van de gerezen moeielijkheid gemakkelijk,” voer Johannes voort. „Gij kiest een nieuw hoofd en de nieuw gekozene zendt een deputatie naar Bandjermasin om aan den Grooten Heer der Hollanders zijn leedwezen over het gebeurde te kennen te geven en zijn onderwerping en die van de bewoners van kotta Djankang aan te bieden. De afgezanten[86]vertellen dan met veel omhaal, dat, na het vertrek der Kwala Kapoeassers, de bevolking van kotta Djankang met behulp van de mannen van soengei Mawat, haar hoofd Amai Kotong vervallen verklaard heeft en dat deze zich met Harimaoung Boekit uit vrees voor erger, door de vlucht gered heeft.”
„Maar dat zal toch een onwaarheid zijn!” riep de stem van straks.
„Nu, wilt ge de waarheid gaan zeggen en den Hollanders gaan vertellen, dat gij allen er even lustig op losgehouwen hebt en dat het u spijt, het nog niet beter gedaan te hebben, ga je gang! mij wel!” grinnikte Johannes sarrend; „maar.…” liet hij er meer ernstig op volgen: „bedenkt u wel, handelt gij niet volgens mijn raad, dan hebt gij over een paar weken een geheele vloot stoomschepen hier voor de kotta met vele soldaten, en wat nog meer zegt, met vele en groote kanonnen aan boord, die in een half uur tijd de kotta zoo plat als een koek zullen geschoten hebben. Neen, gelooft me, en doet wat ik zeg; het is goede raad, dien ik u geef. Die kleine onschuldige leugen zal Mahatara niet vertoornen; en wanneer gij in uw leven nooit erger leugen zult verteld hebben dan dezen, die niemand schaadt, maar veel onheil zal voorkomen, dan mogen uwe zielen wanneer Tempon Telon6ze door de „kiham apoei” (vuurwaterval) naar de „Lewoe liau” (zielen land) zal voeren, zich gelukkig achten; want dan zullen ze maar een ellendig klein beetje geroosterd worden, waarachtig niet de moeite waard, om er over te spreken.”
Spottend en snijdend sprak Johannes. Maar hij had[87]nog zeer lang kunnen praten, zonder dat iemand hem in de rede gevallen zoude zijn. De vergaderden verdrongen zich om Amai Kotong en toen deze de verklaring had afgelegd, dat het reeds lang zijn wensch was geweest om het laatste gedeelte zijns levens te gaan doorbrengen in het land zijner vaderen, in het land waar hij geboren was; en dat hij nu de gelegenheid aangreep, om zijn heengaan tot heil van de bewoners van kotta Djankang te doen strekken.
Allen drukten hem met innigheid de hand en betuigden hun instemming met een beslissing, die de moeielijkheid volkomen oploste.
Een paar uur later, toen de Mawatters binnen de versterking waren aangekomen, werd, nadat die op de hoogte der omstandigheden gebracht waren, onmiddellijk tot de verkiezing van een nieuw hoofd overgegaan. De volkskeus vestigde zich op een jeugdig man met name Njawong, die zich, hoewel tegenspartelende, den titel en de betrekking van Amai liet welgevallen. Onder den aandrang van Johannes benoemde het nieuwe hoofd een gezantschap, bestaande uit twee voorname Djankangers en twee voorname Mawatters, om de onderwerping van kotta Djankang aan den Toean Besar te gaan aanbieden. Johannes met Amai Kotong en Amai Njawong drongen er op aan, dat de gezanten onmiddellijk zouden vertrekken, om door hun verschijning en onderwerping het nemen van maatregelen en het volvoeren van krijgstoerustingen overbodig te maken. Zij mochten evenwel de afgetrokken aanvallers van kotta Djankang niet inhalen, maar moesten hen op een eerbiedigen afstand volgen om geen oorzaak te zijn, dat de kommandant van Kwala Kapoeas door die preliminairen verlokt, het voornemen zoude kunnen opvatten, ontijdig naar kotta Djankang terug te keeren. Ook moesten zij[88]trachten goed op de hoogte te blijven en dadelijk bericht zenden, wanneer zij hetzij ter hoofdplaats, hetzij te Kwala Kapoeas, iets van krijgstoerustingen tegen kotta Djankang zouden vernemen.
Johannes als degelijk aanvoerder dacht aan alles.
De zon was de westerkim nog niet genaderd, toen de afgezanten de reis reeds aanvaardden.
Den volgenden morgen zouden de Mawatters vertrekken, om naar hun haardsteden terug te keeren. Een hunner prauwen werd feestelijk uitgedost met festoenen van rood linnen strooken en van jonge klapperbladeren, die de Dajaks zoo bevallig kunnen bewerken en rangschikken. Daarin was deraoengvan den gesneuvelde, nadat het deksel daarop bevestigd en de naden behoorlijk waren gedicht met „katipei”7, op de „menggatilraoeng”, een stellage van zwaar en kostbaar hout, gewoonlijk van „kajoen pamala”8vervaardigd en behoorlijk gedrapeerd, gesteld. Fier woei de Nederlandsche vlag in breede plooien boven die prauw en daar de overledene tot de aanzienlijken zijner streek behoorde, werd het vaartuig door twee en veertig9roeiers gevoerd. Achter die lijkprauw zouden twee[89]andere vaartuigen volgen, ook even bont, maar toch smaakvol met festoenen en vlaggen versierd. In de eerste zagen onze Europeanen vier „karandah’s” overbrengen. In ieder dier kooien zat een levende pandeling opgesloten; en er was zich geen hersenschim te vormen, die arme wezens waren bestemd, om bij het te houden „tiwah” (lijkfeest) omgebracht te worden. Wienersdorf keek scherp toe, of ook de door hem geredde vrouw zich onder die slachtoffers bevond, maar hij zag ze niet. Harimaoung Boekit verhaalde hem, dat deze offers een hulde waren van de kotta Djankangers aan den moed van hem, die voor hun belangen bezweken was. Bij die vier zouden te kotta Mawat nog een drietal gevoegd worden om den gesneuvelde een hem waardige bediening in de „Lewoe liau” te geven.
In de derde versierde prauw zaten een aantal van een en twintig Balians, die de lucht van hare gezangen deden weergalmen en die formulieren op de maat met hare katambong’s begeleidden. Achter de prauw der priesteressen kwamen de overige vaartuigen der Mawatters, die zich volgens de voornaamheid harer eigenaars in een lange rij achter elkander schaarden.
Toen de stoet van wal stak, brandden al de kanonnen der kotta los en verhief zich een oorverdoovend en langgerekt: lēēēēēēh lèlèlèlèlèlelele ooouiiiit! als om den gevallene voor het laatst te groeten en eer te bewijzen.
„Nihau jèh,” klonk daartusschen het weemoedige gezang der priesteressen: „Nihau jèh lonok batipas, ohate baringen, jèh belongkan boekit.
„Tingang jèh teseke lajang harimaoung marantong batoe, benang jèh tariop bitie ingampoh tandjoeng ambon.
„Boelau mantap tasalèh indoe tangalong enon.”[90]
„Verloren is hij als de Lonokboom10, wiens wortels geknakt zijn, als een Wariengien, die omgevallen is op den berg.
„Als een Tingang11is hij bij den terugkeer verdwaald, als een tijger afgestort van de rots, als een stuk linnen weggewaaid op den voortijlenden alles bedekkenden nevel.
„Als een stuk goud is hij weggesprongen onder de hand des goudsmids, weggesprongen om den dauw te vergulden.”
De prauwen schoten den hoek om, de soengei Mawat in en waren nu voor het oog verdwenen. De nastarenden konden het getrommel der Balians nog hooren en den gecadenceerden rythmus van het eentonige gezang nog eenigen tijd waarnemen, maar verstaan wat er gezongen werd, dat was niemand meer mogelijk.
De bewoners van kotta Djankang, zoo eensklaps uit hun gewone doen en laten gerukt, keerden na vrij rustelooze dagen doorgebracht te hebben, tot hun normalen toestand terug. Na het verdwijnen van die prauwen bleef ter herinnering aan het doorgestane beleg niets anders over dan het lijk van de arme vrouw, die het slachtoffer van den kaaiman was. Alles was nu stil en als verlaten; kalmte en ingetogenheid heerschten, waar in de vorige dagen slechts gejoel en gegil werden vernomen en alleen het weemoedige gelui der titih liet zich, zoolang het lijk in de kotta was, van tijd tot tijd hooren.[91]
1De beide eerste soorten hooren tot den Crocodilus biporcatus. De derde soort is deCrocodilus Schlegeliien vormt den overgang van de gavialen tot den eigenlijken krokodil.↑2Mahatara, de Dajaksche God, heeft een broeder, Djata, en een zuster, Kloweh, die in het wereldbestuur als zijn „wakilans” (plaatsvervangers) optreden. Zie over de godsdienst der Dajaks de reeds vaak geciteerde Ethnographische beschrijving van den schrijver.↑3Pengawar Djambie is een haarachtige zelfstandigheid, die op een palmboomsoort van dienzelfden naam op den stam, waar de bladsteelen aansluiten, gevonden wordt. Zij is door geheel Ned. Indië bekend.↑4Badjankang beteekent in het Dajaksch, veel ruimte innemend. En werkelijk met een soort van trots wijzen de kotta Djankangers op hun naam, als aanduidende van welken machtigen stam zij herkomstig zijn.↑5Bij iedere plechtige gelegenheid, bv. bij geboorten, huwelijken, lijkfeesten, verzoeningseeden, welgeslaagde koppensnellerstochten, enz. enz. snijdt de Dajak een houten beeld, een krijger voorstellende van ongeveer natuurlijke grootte, en plant dat in de nabijheid van zijn huis. Dit is alleen ter herinnering. Eenmaal geplaatst, kijkt hij er niet meer naar om en doet tot onderhoud hoegenaamd niets.↑6Tempon Telon is de Charon der Dajaks, die de zielen na het overlijden door een louterend vuur naar de Elyzeesche velden brengt. Ziet daarover verder de meer genoemde Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑7Katipeiis een harsachtige was, die van een bijna mikroskopische bijensoort, die denzelfden naam draagt, gewonnen wordt. Dit insect bouwt zijn nest tegen de meest knoestige boomen, uit die zelfstandigheid en overtrekt daarmede niet zelden den geheelen boom. Deze was is zeer kleverig, bij verwarming wordt zij evenwel zeer vloeibaar en bij afkoeling zoo hard als steen.↑8Kajoen pamalawordt in het maleisch ookkajoe boelangenoemd. Het is een fraai witachtig zacht hout, zeer fijn van vezel en gemakkelijk te bewerken; daarbij is het uiterst deugdzaam. Bij insnijdingen in den bast wordt een rooskleurige „njating” (hars) gewonnen, die als reukwerk gebrand wordt.↑9Zeven en de veelvouden daarvan zijn heilige getallen bij de Dajaks.↑10Lonokboom hoort tot de Ficussoorten, heeft een buitengewoon dikken en zachten bast, waarvan bij voorkeur kleedingstukken gemaakt worden. Die bast wordt met een plat stuk hout zoo lang geklopt, dat hij als het ware een zacht vilt geworden is.↑11Tingang = neushoornvogel. Zie de noot op bladz.339I Dl.↑
1De beide eerste soorten hooren tot den Crocodilus biporcatus. De derde soort is deCrocodilus Schlegeliien vormt den overgang van de gavialen tot den eigenlijken krokodil.↑2Mahatara, de Dajaksche God, heeft een broeder, Djata, en een zuster, Kloweh, die in het wereldbestuur als zijn „wakilans” (plaatsvervangers) optreden. Zie over de godsdienst der Dajaks de reeds vaak geciteerde Ethnographische beschrijving van den schrijver.↑3Pengawar Djambie is een haarachtige zelfstandigheid, die op een palmboomsoort van dienzelfden naam op den stam, waar de bladsteelen aansluiten, gevonden wordt. Zij is door geheel Ned. Indië bekend.↑4Badjankang beteekent in het Dajaksch, veel ruimte innemend. En werkelijk met een soort van trots wijzen de kotta Djankangers op hun naam, als aanduidende van welken machtigen stam zij herkomstig zijn.↑5Bij iedere plechtige gelegenheid, bv. bij geboorten, huwelijken, lijkfeesten, verzoeningseeden, welgeslaagde koppensnellerstochten, enz. enz. snijdt de Dajak een houten beeld, een krijger voorstellende van ongeveer natuurlijke grootte, en plant dat in de nabijheid van zijn huis. Dit is alleen ter herinnering. Eenmaal geplaatst, kijkt hij er niet meer naar om en doet tot onderhoud hoegenaamd niets.↑6Tempon Telon is de Charon der Dajaks, die de zielen na het overlijden door een louterend vuur naar de Elyzeesche velden brengt. Ziet daarover verder de meer genoemde Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑7Katipeiis een harsachtige was, die van een bijna mikroskopische bijensoort, die denzelfden naam draagt, gewonnen wordt. Dit insect bouwt zijn nest tegen de meest knoestige boomen, uit die zelfstandigheid en overtrekt daarmede niet zelden den geheelen boom. Deze was is zeer kleverig, bij verwarming wordt zij evenwel zeer vloeibaar en bij afkoeling zoo hard als steen.↑8Kajoen pamalawordt in het maleisch ookkajoe boelangenoemd. Het is een fraai witachtig zacht hout, zeer fijn van vezel en gemakkelijk te bewerken; daarbij is het uiterst deugdzaam. Bij insnijdingen in den bast wordt een rooskleurige „njating” (hars) gewonnen, die als reukwerk gebrand wordt.↑9Zeven en de veelvouden daarvan zijn heilige getallen bij de Dajaks.↑10Lonokboom hoort tot de Ficussoorten, heeft een buitengewoon dikken en zachten bast, waarvan bij voorkeur kleedingstukken gemaakt worden. Die bast wordt met een plat stuk hout zoo lang geklopt, dat hij als het ware een zacht vilt geworden is.↑11Tingang = neushoornvogel. Zie de noot op bladz.339I Dl.↑
1De beide eerste soorten hooren tot den Crocodilus biporcatus. De derde soort is deCrocodilus Schlegeliien vormt den overgang van de gavialen tot den eigenlijken krokodil.↑
1De beide eerste soorten hooren tot den Crocodilus biporcatus. De derde soort is deCrocodilus Schlegeliien vormt den overgang van de gavialen tot den eigenlijken krokodil.↑
2Mahatara, de Dajaksche God, heeft een broeder, Djata, en een zuster, Kloweh, die in het wereldbestuur als zijn „wakilans” (plaatsvervangers) optreden. Zie over de godsdienst der Dajaks de reeds vaak geciteerde Ethnographische beschrijving van den schrijver.↑
2Mahatara, de Dajaksche God, heeft een broeder, Djata, en een zuster, Kloweh, die in het wereldbestuur als zijn „wakilans” (plaatsvervangers) optreden. Zie over de godsdienst der Dajaks de reeds vaak geciteerde Ethnographische beschrijving van den schrijver.↑
3Pengawar Djambie is een haarachtige zelfstandigheid, die op een palmboomsoort van dienzelfden naam op den stam, waar de bladsteelen aansluiten, gevonden wordt. Zij is door geheel Ned. Indië bekend.↑
3Pengawar Djambie is een haarachtige zelfstandigheid, die op een palmboomsoort van dienzelfden naam op den stam, waar de bladsteelen aansluiten, gevonden wordt. Zij is door geheel Ned. Indië bekend.↑
4Badjankang beteekent in het Dajaksch, veel ruimte innemend. En werkelijk met een soort van trots wijzen de kotta Djankangers op hun naam, als aanduidende van welken machtigen stam zij herkomstig zijn.↑
4Badjankang beteekent in het Dajaksch, veel ruimte innemend. En werkelijk met een soort van trots wijzen de kotta Djankangers op hun naam, als aanduidende van welken machtigen stam zij herkomstig zijn.↑
5Bij iedere plechtige gelegenheid, bv. bij geboorten, huwelijken, lijkfeesten, verzoeningseeden, welgeslaagde koppensnellerstochten, enz. enz. snijdt de Dajak een houten beeld, een krijger voorstellende van ongeveer natuurlijke grootte, en plant dat in de nabijheid van zijn huis. Dit is alleen ter herinnering. Eenmaal geplaatst, kijkt hij er niet meer naar om en doet tot onderhoud hoegenaamd niets.↑
5Bij iedere plechtige gelegenheid, bv. bij geboorten, huwelijken, lijkfeesten, verzoeningseeden, welgeslaagde koppensnellerstochten, enz. enz. snijdt de Dajak een houten beeld, een krijger voorstellende van ongeveer natuurlijke grootte, en plant dat in de nabijheid van zijn huis. Dit is alleen ter herinnering. Eenmaal geplaatst, kijkt hij er niet meer naar om en doet tot onderhoud hoegenaamd niets.↑
6Tempon Telon is de Charon der Dajaks, die de zielen na het overlijden door een louterend vuur naar de Elyzeesche velden brengt. Ziet daarover verder de meer genoemde Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑
6Tempon Telon is de Charon der Dajaks, die de zielen na het overlijden door een louterend vuur naar de Elyzeesche velden brengt. Ziet daarover verder de meer genoemde Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑
7Katipeiis een harsachtige was, die van een bijna mikroskopische bijensoort, die denzelfden naam draagt, gewonnen wordt. Dit insect bouwt zijn nest tegen de meest knoestige boomen, uit die zelfstandigheid en overtrekt daarmede niet zelden den geheelen boom. Deze was is zeer kleverig, bij verwarming wordt zij evenwel zeer vloeibaar en bij afkoeling zoo hard als steen.↑
7Katipeiis een harsachtige was, die van een bijna mikroskopische bijensoort, die denzelfden naam draagt, gewonnen wordt. Dit insect bouwt zijn nest tegen de meest knoestige boomen, uit die zelfstandigheid en overtrekt daarmede niet zelden den geheelen boom. Deze was is zeer kleverig, bij verwarming wordt zij evenwel zeer vloeibaar en bij afkoeling zoo hard als steen.↑
8Kajoen pamalawordt in het maleisch ookkajoe boelangenoemd. Het is een fraai witachtig zacht hout, zeer fijn van vezel en gemakkelijk te bewerken; daarbij is het uiterst deugdzaam. Bij insnijdingen in den bast wordt een rooskleurige „njating” (hars) gewonnen, die als reukwerk gebrand wordt.↑
8Kajoen pamalawordt in het maleisch ookkajoe boelangenoemd. Het is een fraai witachtig zacht hout, zeer fijn van vezel en gemakkelijk te bewerken; daarbij is het uiterst deugdzaam. Bij insnijdingen in den bast wordt een rooskleurige „njating” (hars) gewonnen, die als reukwerk gebrand wordt.↑
9Zeven en de veelvouden daarvan zijn heilige getallen bij de Dajaks.↑
9Zeven en de veelvouden daarvan zijn heilige getallen bij de Dajaks.↑
10Lonokboom hoort tot de Ficussoorten, heeft een buitengewoon dikken en zachten bast, waarvan bij voorkeur kleedingstukken gemaakt worden. Die bast wordt met een plat stuk hout zoo lang geklopt, dat hij als het ware een zacht vilt geworden is.↑
10Lonokboom hoort tot de Ficussoorten, heeft een buitengewoon dikken en zachten bast, waarvan bij voorkeur kleedingstukken gemaakt worden. Die bast wordt met een plat stuk hout zoo lang geklopt, dat hij als het ware een zacht vilt geworden is.↑
11Tingang = neushoornvogel. Zie de noot op bladz.339I Dl.↑
11Tingang = neushoornvogel. Zie de noot op bladz.339I Dl.↑