[Inhoud]XXII.Toebereidselen voor de reis.—Een volksverhuizing.—Het „manobah”.—Onhandigheid.—Wienersdorf te water.—La Cueille brengt het er niet beter af.—Lachbui.—Einde der vischvangst.—„Kalampies.”—Een Dajaksch tribunaal.—Beëediging.—La recherche de la paternité.—De vingerproef.—Het „hagalangang” of het bewijs met de werpspies.—Nabreeuwen.Na die bedrijvigheid gingen een paar dagen in ongestoorde rust voorbij. Vooral de Europeanen luierden letterlijk uit van de vroeger ten toon gespreide arbeidzaamheid. Maar toen die om waren, werd het tijd aan de voorbereidingen tot het vertrek te denken.Die voorbereidingen waren waarachtig niet onbeduidend. Het waren thans geen vier mannen slechts, die de reis zouden aanvaarden; het was een geheele kolonie, die de binnenlanden ging intrekken om zich daar metterwoon te vestigen. Het huisgezin van Amai Kotong was zeer talrijk; hij zelf had een twaalftal kinderen, waarvan de grootste helft gehuwd en op haar beurt reeds ruim gezegend was of in staat van zegening verkeerde, of de hoop op zulk een zegening koesterde. Hij bezat daarenboven een tachtigtal pandelingen van beiderlei kunne en een twintigtal kinderen van die pandelingen. Het was bijgevolg een geheele volksverhuizing, die te regelen viel. Bij die verhuizing zouden zich aansluiten Hamadoe, de zuster van Harimaoung Boekit, met een paar vriendinnetjes, onder welke laatsten de lieve Moendoet,[92]de aanstaande mevrouw La Cueille, gerekend moest worden; verder het Poenanhoofd met zijn stamgenooten, welke laatsten wel een gewenschte toevoeging aan den tocht zouden uitmaken. Die fiere zonen der wildernis waren fiksche pootige kerels, ieder als een Hercules gebouwd, met spieren als van staal en gewoon om bij hun tochten door de bosschen de grootste hinderpalen te overwinnen en om ontberingen te lachen. Zij zouden de eigenlijke kracht van de reizende kolonie uitmaken; ja, zonder hen ware de verhuizing, althans op die schaal, wellicht onmogelijk geweest; want het waren bijna honderd vijftig menschelijke wezens, allen bewoners van kotta Djankang, waaronder vele vrouwen en kinderen, die het koppensnellersland zouden intrekken.De afstand, die afgelegd moest worden, was niet zoo bijzonder groot. In rechte lijn bedraagt die van kotta Djankang tot kotta Rangan Hanoengoh, verblijfplaats van Harimaoung Boekit aan de soengei Miri, nog niet volle 140 kilometer. Maar in een terrein als de boven-Dajaklanden is de rechte lijn niet denkbeeldig als bij ons, doch geheel en al onbekend; en de kronkelingen van den te volgen weg moesten zoodanig in rekening gebracht worden, dat die 140 KM. onoverdreven tot het dubbele getal uitdijden en dat langs gemeenschapswegen, die dien naam ternauwernood mochten dragen.Johannes drong tot spoed aan. Hij bracht de wat langzame Dajaks aan het verstand, dat in de bestaande omstandigheden, tijd veel meer dan goud waard was, iets wat hun begrip geheel en al te boven ging. Men was in het land, waar het goud maar voor het rapen was; maar als men het geraapt had, och! dan had tijd hoegenaamd geen waarde meer.„Wat de menschen toch dwaze dingen vertellen kunnen,” redeneerden de kotta Djankangers en de Poenans,[93]„vooral wanneer zij met die inhalige blanken in aanraking zijn geweest.”Maar zonder zijn wenkbrauwen te fronsen, maakte Johannes hun duidelijk, dat, wanneer de leden van het gezantschap niet in hun zending slaagden en de Hollanders het er op zetten naar de Boven-Kapoeas terug te komen, men ze spoediger zou zien verschijnen, dan wel gedacht werd. De beschikkingen, die voor de voorgenomen verhuizing te nemen waren, konden veelvuldig genoemd worden en de tijd was kort.Eindelijk behaalde de redeneerkunst van den vermomden blanke de overwinning op de traagheid der inboorlingen en nu dit eenmaal het geval was, nu waren de belanghebbenden weldra in volle beslommering om zich tot het vertrek gereed te maken.Het eerste, waaraan de aandacht gewijd moest worden, waren wel de vervoermiddelen. Men had hoegenaamd geen moeilijkheden ondervonden, om de prauw die de vluchtelingen te Kwala Kapoeas van Baba Poetjieng gekregen hadden, om de reis over zee naar Singapore te maken, tot hier voor kotta Djankang te brengen. Heeft niet al te lang droogte geheerscht, dan is de Kapoeas tot hier met gemak voor kleine stoomschepen van zes voet diepgang bevaarbaar. Dit is zelfs het geval tot Kiham Hoeras, een halve dag roeiens boven kotta Sambong. Maar daar bij dien eersten waterval of beter, bij die eerste stroomversnelling1—want een eigenlijke waterval is het niet—beginnen de groote[94]moeielijkheden van een reis naar de bovenlanden; want dan heeft de reiziger een aantal van die stroomversnellingen te doorworstelen. Er valt dan ook niet aan te denken, groote prauwen daartegen op te halen; maar moet de reis met zeer lichte vaartuigen, bij voorkeur met djoekoengs of rangkans volvoerd worden. En dan nog moeten dezen met de grootste behoedzaamheid gestuurd worden, want een verkeerde beweging van den roerganger, doet het vaartuig dwars-strooms geraken en heeft omslaan tot natuurlijk gevolg.Rangkans en djoekoengs waren in voldoende hoeveelheid te kotta Djankang voorhanden en bevonden zich goed bewaard onder de op palen gebouwde woonhuizen en magazijnen binnen de versterking. Men kon, zoo men wilde, dadelijk beginnen met die te water te brengen en haar op doelmatige wijze te beladen. Dewijl zij van wege de kihams nog al eens ontscheept zouden moeten worden, zorgde men, dat zooveel mogelijk alle mede te voeren voorwerpen tot een- of tweemans vrachten verpakt werden, waarbij niet uit het oog mocht verloren worden, dat de Dajaks zeer ongeneigd zijn, lasten op hun schouders te torschen en dat ook niet kunnen in die mate, als dat door de Javanen verricht wordt. Daarom werden dan ook de levensmiddelen en alle andere zaken, die zich daartoe eigenden, in mandjes verpakt, die van de noodige rottanlussen voorzien, als een ransel op den rug bevestigd en alzoo met gemak en behendigheid gedragen konden worden. Die mandjes in de Dajaklanden zijn van gevlochten rottan vervaardigd, hebben den vorm van een afgeknotten kegel van ongeveer 75 cM. hoog, met een bovenwijdte van ± 40 en een benedenwijdte van 25 cM., zijn van binnen met waterdichten boombast gevoerd en hebben een flink en hermetisch sluitend deksel.[95]De kanonstukjes werden nog in batterij gelaten, om bij een eventueelen terugkeer des vijands niet ongewapend overvallen te worden; evenwel werden er stevige rottanstrikken zoodanig omgelegd, dat men slechts de noodige draagstokken door de gevormde lussen te steken had om de vracht dadelijk te kunnen optillen en weg te voeren. De deserteurs belastten zich voornamelijk met het vervoer van de artillerie en munitie, waarvoor hun stevige schouders ten volle berekend waren. Wel had men er een oogenblik aan gedacht, een paar dier stukjes ter bewapening van kotta Djankang achter te laten. Maar de zeer gegronde opmerking, dat de Hollanders ze toch als hun eigendom zouden terugnemen en het ook beter was, dat de kotta bij de nieuwe phase, die haar bewoners intraden, een zeer vreedzaam uitzicht had, deed daarvan afzien. Dezelfde beweegreden gold ook ten opzichte van de buitgemaakte geweren te Kwala Hiang, die allen medegenomen werden. Van een andere zijde had ook Harimaoung Boekit zich zeer begeerig getoond die stukjes te bezitten. Wat zou hij trotsch zijn, wanneer hij zijn kotta in soengei Miri daarmede bewapend zoude zien.Voedingsmiddelen waren in overvloed voorhanden, dat wil zeggen, men had rijst in voldoende hoeveelheid; ook had men een goede provisie „koedjang”2, lombok en andere toespijzen. Alleen in vleeschspijzen was men niet ruim gesorteerd. Het gezouten vleesch en spek, door de deserteurs aangevoerd, waren nog slechts voor een klein gedeelte aanwezig, dewijl de Dajaks zich daaraan[96]als aan een délicatesse hadden te goed gedaan. Amai Kotong en Harimaoung Boekit verzekerden evenwel, dat op hun reis geen dierlijk voedsel zou ontbreken; de vrienden zouden meer dan eens in de gelegenheid komen om met hun juist schot een hert neer te leggen.Maar om toch geen teleurstelling deswege te ondervinden, werd besloten een „manobah”, dat is een vischvangst op groote schaal te doen plaats vinden, om zulk een ruime proviand op te doen. De gasten te kotta Djankang werden uitgenoodigd, die vischpartij bij te wonen. Onze reizigers zouden ervaren, dat zulk een partij een waar nationaal feest voor de Dajaks is, hetwelk voor hen uiterst belangwekkend zoude zijn.Tot de voorbereidingen tot die vischvangst behoorde de inzameling van een aanzienlijke hoeveelheid wortels van den „tobah”-struik3. Daar er nog al moerasachtige plekken tusschen de omringende heuvels van kotta Djankang aangetroffen worden, baarde die inzameling niet veel moeite en was zij al zeer spoedig geschied. De ingezamelde wortels werden toen in verscheidene djoekoengs met overvloedig water geweekt en daarna met platte stukken hout zoolang geklopt, totdat het water in de djoekoengs een melkwitte kleur verkregen had. De uitgeweekte wortelvezels werden toen verwijderd en het vocht behoorlijk afgeschuimd, waarna wat levende kalk en een vrij sterk aftreksel van tabak daarin gemengd werd. Men had toen zoo wat een zestal djoekoengs met tobahwater gevuld.Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag[97]voeren een overgroot aantal zeer lichte vaartuigen, waaronder ook die met het mengsel gevuld, de soengei Mawat in, waarna dat riviertje met een „salambouw”, groot vierkant net met middelmatig groote mazen, zoodanig afgesloten werd, dat de onderrand van het net, op de bedding der soengei met steenen verankerd en de bovenrand zoo wat een handbreedte boven het watervlak uitstekende, geen enkele visch het riviertje kon verlaten. Twee djoekoengs, ieder met drie opvarenden bemand, vatten post bij het net om te waken dat het niet, hetzij door opkomende prauwen, hetzij door den zwaren stroom beschadigd of opgetild werd.Toen men daarmede klaar was, verdeelde het mannelijk gedeelte der expeditie zich zoodanig over de aanwezige djoekoengs, dat in ieder der vaartuigen zich drie man bevonden. De dameswereld—want vele der schoonen van kotta Djankang waren mede uitgetogen om van de pret getuigen te zijn—had zich bij elkander in twee groote prauwen geschaard, terwijl een derde prauw een aantal Balians bevatte, die bij geen feestelijkheid, dus ook bij deze niet, mochten ontbreken.Nu werd de soengei in alle stilte, maar toch krachtig en vlug, opgeroeid. Dat oproeien duurde zoo omstreeks vier uur en onderwijl werden de mondingen van een paar onaanzienlijke spruitjes, die zich in de Mawat ontlastten, ook met netten afgesloten.Op de gewenschte plaats aangekomen, werd het tobahwater op verschillende punten tegelijk met klapperdoppen in de rivier geworpen. Terwijl de vaartuigen zachtjes en in alle stilte zich voor den stroom lieten afdrijven, was men gedurende een klein half uur nagenoeg werkeloos, om het vergiftigde water tijd te geven, zich met het rivierwater te vermengen. Intusschen maakten de visschers zich gereed den buit te kunnen bemachtigen. Van[98]de drie opvarenden, die iedere djoekoeng bemanden, bleef hij, die aan den achtersteven gezeten was, de pagaai in handen houden om het vaartuig te besturen; de twee anderen met een harpoen of een schepnet gewapend, de een voor op de spits, de ander in het midden der djoekoeng post vatten, gereed om toe te tasten.Men had Schlickeisen en Johannes bij elkander in een en Wienersdorf met La Cueille in een andere djoekoeng geplaatst. De Waal had bij al die voorbereidingen al schuchter uitgekeken en aan Johannes in het voorbijvaren al eens gevraagd, of hij geen verzen uit den Koran te prevelen had.„Loop heen,” had deze geantwoord, „je bent immers geen Sjech meer; handel nu maar, zooals je je vrienden, de Dajaks, ziet doen.”„Ik wou, dat ik aan den wal was,” prevelde de Belg, wien dat geheele spel niets beviel.„Misschien bij moeders pappot thuis, niet waar?” lachte Johannes.Na ongeveer een half uur begon zich de werking van het bedwelmende vocht te openbaren. Eerst kwamen de kleinste visschen aan de oppervlakte, staken de koppen boven water, zwommen in steeds kleiner en kleiner wordende kringen rond en trachtten in hun doodsbenauwdheid uit het vergiftigde vocht te springen. Met deze werd niet veel omhaal gemaakt; zij werden eenvoudig met het schepnet of met mandjes opgehaald en in de vaartuigen geworpen.Maar later werden de visschen, die de watervlakte in beweging brachten, al grooter en grooter en ook talrijker. Nu werd naar den „salahawo” (harpoen) gegrepen; want het was totaal ondoenlijk, visschen van een à twee M. lengte met het schepnet op te halen. Nu begon een leven, een bedrijvigheid, die onze Europeanen[99]verrukten en waaraan zij van nu af met hart en ziel deel namen. Al de aanwezige vaartuigen—wel een vijftig in getal—schoten over een oppervlakte van slechts zeer geringe uitgestrektheid als door elkander. Met de uiterste behendigheid stuurden de roergangers op de wenken en aanwijzingen der harpoeniers hun vaartuigjes. In het water beschreven de visschen groot en klein allerwege kringen, plasten en sprongen, om eindelijk aan den harpoen geregen te worden. De menigte joelde door elkander; de befaamde visschers spreidden met een soort van trots hun behendigheid ten toon. De jongere poogden die kunststukken na te doen en werden daarin aangemoedigd door de lieve toeschouwsters, die een vreugdekreet niet konden weerhouden, wanneer het een der jongelingen gelukte, een aanzienlijke vangst te doen. De Balians gilden haar gezangen, roffelden op haar trommen en wisselden haar invocatiën met de Sangiangs om den visschers een overvloedige vangst te verleenen, af met loftuitingen op hen, die zich door behendigheid en kracht onderscheidden.Van die loftuitingen kregen onze Europeanen maar een zeer sober deel en dat deel kon nog slechts meer als een beleefdheidsvorm van de dartele priesteressen, dan als verdiend beschouwd worden. Wel hadden de nieuwbakken Dajaks de behendigste prauwvoerders te hunner beschikking, maar dat hielp hen niet veel; want dat het harpoeneeren niet ieders werk is en een voorafgaande oefening vereischt, bleek hun al ras. Ontelbare malen staken zij toe, zooals zij dat de mannen hunner omgeving zagen doen, wanneer het water in de nabijheid hunner djoekoengs in een borrelende beweging geraakte en dan te midden der gevormde kringen een gapende kop aan de oppervlakte verscheen; maar telkens te vergeefs. Dan eens gleed de harpoen voor of achter het[100]doel, dan weer eens rechts of links van den visch zonder hem te raken, of werd hij al eens geraakt, dan nog was de stoot zoo onvast, zoo onbehendig aangebracht, dat de harpoen op de glibberige huid van den visch afstuitte en er niet doordrong. En het was of de waterbewoners begrepen, dat daar dichtbij die twee djoekoengs het gevaar het minst was. In die nabijheid borrelde het water het allermeest en was het soms of het kookte; allerwege kwamen gapende koppen te voorschijn.Bij de eerste stooten zetten de Djankangers en de Poenans verwonderde gezichten; zij konden niet begrijpen, dat iemand zoo onhandig kon zijn. Hoofdschuddend schreven zij dat aan den omgang hunner gasten met de Hollanders toe: „die verwijfde bleekgezichten waren niet eens in staat een ellendig vischje voor hun maaltijd te bemachtigen.” Geen dier natuurkinderen miste ooit een stoot en, terwijl zij de kleine zooi veronachtzaamden, werden niet zelden met veel gejuich of een „dahoeman”, een paling van soms twee M. lang, of een „kaloi”, of een „djampol”, witvisschen van geen mindere lengte, boven water gehaald. Maar toen die misstooten aanhielden en onze vrienden nog geen enkel vischje, groot of klein, bemachtigd hadden, begon een luid gelach hun telkens vergeefsche pogingen te begroeten en weldra regende het kwinkslagen van alle kanten.„Inedjep halit! inedjep halit!” (doorstoken, maar toch geheeld)4klonk het grinnikend, en het waren voornamelijk de vrouwen, die zich met die onhandigheid vermaakten.[101]Dat werkte eenigermate op het gevoel der onbedreven harpoeniers. O! hadden hun stooten aan hun verlangen beantwoord, dan hadden zij zegevierend den salahawo gedrild en hun omgeving een lesje gegeven. Maar, helaas! hun pogen beantwoordde niet aan hun begeerte om uit te blinken. Wel trachtten zij onder de spottende oogen der schoonen telkenmale bewijzen van vooruitgaande behendigheid te geven. Zij werden al meer en meer opgewonden en driftig onder den angel der kwinkslagen en stootten eindelijk toe met een kracht, alsof zij de visschen aan den bodem der soengei wilden vaststeken. Voornamelijk staken Wienersdorf en La Cueille grimmig toe; zij voelden zich als vernederd, zoo onder de oogen hunner aangebedenen uitgelachen te worden. In het vuur van den strijd bracht de Zwitser op eens zijn harpoen met zoo’n kracht vooruit, dat de djoekoeng kantelde, hij het evenwicht verloor en kopje onder in het water verdween. Een uitbundig gelach en een gillend hoera begroetten dien val. Blazend en proestend greep de drenkeling, toen hij weer aan de oppervlakte verscheen, een hem toegestoken pagaai en trachtte zijn plaats in de djoekoeng te nemen, daarin geholpen door een aantal armen, die zich hulpvaardig, maar toch spotziek, naar hem uitstrekten en het hunne er toe bijbrachten, om hem meer water te doen innemen, dan wel bij minder luchthartige hulp het geval zoude geweest zijn.De lieve Hamadoe had innig medelijden met het ongeval van haar galant, maar kon toch niet nalaten hartelijk mede te lachen.Maar La Cueille, die aan zijn lachlust ook botgevierd had, bracht het er niet beter af. Bij een zijner veelvuldige pogingen gelukte het hem eindelijk zijn harpoen in het lichaam van een kolossalen visch vast te steken.[102]Met inspanning van alle krachten trachtte hij zijn vangst binnen boord te halen, maar dat was zoo gemakkelijk niet. Wanhopig spartelde het gewonde dier tegen en ontwikkelde daarbij een spierkracht, die onzen Waal in zijn schommelend vaartuig veel werk gaf. Eindelijk na veel getob en na vele inspanningen kwam hij er toe, den kop van den visch op den rand van de djoekoeng te brengen; maar toen.…„Sainte Vierge de Jupille, ayez pitié de moi!” schreeuwde hij, terwijl hij den steel van den harpoen plotseling losliet, waardoor het evenwicht verloren ging, het vaartuig onder de zwaarte van den visch overhelde en ook hij over het monster heen in het water terecht kwam. Was het gelach straks uitbundig geweest, thans barstte een ware storm los. Het was of het waanzin was, die al de aanwezenden in een aanstekelijke lachbui had gebracht. Nimmer had het volkje van kotta Djankang zoo’n pret gehad.De Waal kroop beschaamd en beteuterd aan boord. De lachlust verminderde niet, toen hij druipnat en met sluik hangende haren en baard zorglijk rondkeek waar toch zijn harpoen gebleven was. Een der Dajaks had dien gegrepen en met weinig moeite den visch bemachtigd. Het was een „intoh” van ruim zes voet lang, die met zijn krokodilachtigen muil en ontzagwekkende tanden den Waal zoo’n schrik had aangejaagd en zijn bede om hulp had afgeperst. Toen het dier bij La Cueille in de djoekoeng geworpen werd, scheelde het al zeer weinig of deze was andermaal te water gegaan; hij vermande zich echter, maar zorgde toch op een eerbiedvollen afstand van de tanden van het zieltogende dier te blijven.Langzamerhand verminderde het aantal visschen, dat zich aan de oppervlakte des waters vertoonde, en weldra[103]kon de vangst als geëindigd beschouwd worden. Men was ook zoo zachtjes, al harpoeneerende, al lachende, schreeuwende en gillende de soengei Mawat afgezakt en de vaartuigen bevonden zich eindelijk in haar monding. Nadat de salambouw was opgehaald, stevende men de Kapoeas in en werd de visschersvloot feestelijk en onder het gedonder van het onmisbare kanonvuur te kotta Djankang ontvangen.Een tiental djoekoengs waren boordevol met de opbrengst van het manobah gevuld. Onder de gevangen visschen waren de reeds genoemde soorten: kaloi, djampol en dahoeman, ruimschoots vertegenwoordigd. Het meest was echter de „handiroeng” gevangen, een intertropische forelsoort van ongeveer 12 dM. bij volkomen wasdom, die zeer lekker is en dan ook volkomen gewaardeerd wordt. Van deze soort bevonden zich een groot duizendtal in de djoekoengs.Het grootste gedeelte dezer vangst werd onder de bevolking verdeeld. De visschen, door het tobahvergif gedood, kunnen genuttigd worden en zijn volkomen onschadelijk. Zij kunnen evenwel niet gedroogd of gezouten worden, daar zij te spoedig tot bederf overgaan. Een groot aantal forellen werden tot „kalampies” toebereid, dat wil zeggen, zij werden in mooten gesneden en daarna in bladeren gewikkeld, om met wat zout en fijngewreven lombokh gepoft te worden. Zoo geconserveerd, kon die visch een onbepaalden tijd bewaard worden en waren die kalampies voor de reizigers een zeer welkome proviandeering, daar zij hen van iedere bezorgdheid omtrent dierlijk voedsel op de reis onthief en hen dienaangaande van alle eventualiteiten onafhankelijk maakte.Daags na die vischvangst zouden onze deserteurs van een plechtigheid van anderen aard getuigen zijn. Waarlijk,[104]het scheen alsof het lot het er op gesteld had, hen het geheele innerlijk leven van de volkstammen, in wier midden zij zich bevonden, te laten aanschouwen.In de Dajaklanden wordt overal op een vastgestelden dag van de week recht gesproken. Het kottahoofd omringt zich dan door drie tot zeven oudsten, naarmate van de belangrijkheid van de te voeren gedingen, en beslecht de geschillen, die in de afgeloopen week zijn ontstaan en omtrent welker beëindiging zijn bemiddeling is ingeroepen. Dat is in den regel voor de bevolking geen gewone dag. De Dajaks toch zijn het meest gedingzuchtige volk der geheele aarde. Zij gevoelen zich niet gelukkig, wanneer zij niet een „basara” (proces) hebben. Blijft hun die karaktertrek in de toekomst bij, dan zullen zij, wanneer zij eenmaal in den maalstroom der beschaving medegesleept worden, het land van belofte voor de advocaten vertegenwoordigen. Zoo’n basara-dag is dan ook een halve feestelijkheid voor de bewoners eener kotta, daar het bijwonen van de zitting van den „rantèp” (landraad)5voor velen een onweerstaanbare aantrekkelijkheid heeft. Voor kotta Djankang was de eerstvolgende „rantèpan” buitendien van buitengewone beteekenis, daar het nieuw benoemde hoofd Amai Njawong, de vervanger van Amai Kotong, voor de eerste maal als voorzitter zoude optreden.Er waren eenige voorafgaande kleine geschillen uit te maken, waarbij de Europeanen de bedrijvigheid en de behendigheid der „kamanangan’s” (advocaten)6konden gadeslaan. Met uiterst veel belangstelling zagen zij, dat die pleitbezorgers bij ieder hunner overtuigende redeneeringen[105]of afdoende tegenwerpingen, en ook bij ieder geleverd bewijs, een rottanpoppetje, „hampatong oewei” genaamd, waarvan zij ambtshalve voorzien waren, voor zich in den grond staken of een dergelijk, door de tegenpartij reeds geplant, wegnamen. Deze poppetjes verzinnelijkten het aantal geleverde deugdelijke bewijzen. Na afloop der pleitredenen werden zij aan weerszijden geteld en de basara ten voordeele van hem uitgewezen, wiens advocaat het grootste aantal poppetjes had kunnen planten en behouden. Dat daarbij niet weinig goochelarij aan den dag gelegd werd, ontsnapte onzen avonturiers niet. Het gebeurde zelfs, dat twist onder de kamanangan’s over het aantal hampatong oewei ontstond en de eene partij de andere beschuldigde van met dubbel krijt te hebben geschreven, hetgeen natuurlijk tot een nieuw proces aanleiding gaf en met de noodige getuigen de volgende week zoude dienen.Tot de meer belangrijke gedingen behoorde de beschuldiging, die een meisje tegen een der meest welgestelde jongelingen der kotta inbracht, namelijk haar verleid te hebben, van welke daad de gevolgen niet uitgebleven waren. Toen zij haar beschuldiging met heldere stem, zonder blikken of blozen, uitgesproken had, moest tot het „manjapa” (beëediging) overgegaan worden. Een der rechters bracht een zwarte kip te voorschijn en reikte de schoone een ontblooten mandauw over, terwijl hij in weinige woorden opmerkte, dat met dat wapen menschenbloed vergoten was. Zij nam het zwaard met vaste hand aan, zwaaide het, terwijl een glimlach haar lippen krulde, bevallig boven haar hoofd en richtte de bede tot Mahatara, te willen toestaan, dat zij onthoofd zoude worden, zooals dat der kip ging geschieden, bijaldien zij onwaarheid had gesproken. En den arm bliksemsnel en met kracht omlaag[106]brengende, hieuw zij de kip den kop af. Het wapen toen overreikende, ving zij wat bloed van het dier op en besmeerde zich daarmede den fraaien boezem en de bovenarmen onder het uitspreken van de schrikverwekkendste verwenschingen.Op de vraag, of zij getuigen kon bijbrengen, wees zij een harer vriendinnen aan, die bij afvraging verklaarde, slechts gezien te hebben, dat de beschuldigde aan de klaagster een zoen had gegeven, zonder meer.De rechters glimlachten even in hun deftigheid.De beschuldigde jongeling werd nu voorgebracht, maar hij ontkende iedere schuld. Die betuiging bezwoer hij met de duurste eeden en kapte ook in het volle vertrouwen op zijn onschuld een zwarte kip den kop af en besmeerde zich insgelijks borst en armen met het bloed van het vermoorde slachtoffer. Hij antwoordde met een eenvoudig hoofdschudden op de vraag, of hij eenige getuigenis kon bijbrengen; maar met een verwonderlijke radheid van tong wees hij er op, dat het geven van een zoen—daad, die hij volstrekt niet ontkende—onmogelijk het hier gevorderde bewijs van schuld kon daarstellen; want—voegde hij er glimlachend bij—ware dat wel het geval, dan zouden, volgens zijn overtuiging, al zijn rechters meermalen gedwongen in het huwelijk hebben moeten treden, daar het hem bekend was, zij van een zoen volstrekt niet afkeerig waren, en zij zelfs zeer zoenlustig konden genoemd worden. De geheele vergadering barstte op die verklaring in een onmatig lachen uit en niet het minst de rechters zelve, die alleen bij de gedachte aan de hun toegeschreven zoenlustigheid, de tong verlangend over de bovenlip lieten glijden. De Dajak is een ware lachebek; bij iedere gelegenheid voldoet hij met graagte aan die vroolijke geneigdheid.[107]Nadat de lachbui wat over was, werd het meisje gevraagd, of zij geen andere aanwijzingen bij te brengen had om haar beschuldiging te staven. Zij antwoordde ontkennend, doch hield haar aanklacht vol, er evenwel bijvoegende, dat het toch wel zijn kon, dat de beklaagde onschuldig was, daar zij terzelfder tijd een teedere betrekking met een ander jongeling uit de kotta, alsook met een pandeling haars vaders aangeknoopt had. De rechters fronsten de wenkbrauwen, maar konden toch niet anders doen dan de nieuwe beschuldigden voor zich te roepen. Maar ook deze betuigden luid hun onschuld. De pandeling zelfs wilde er niets van weten, dat hij van tijd tot tijd een zoen aan de dochter zijns meesters zou ontstolen hebben. Beiden aarzelden geen oogenblik, hun betuigingen met de duurste eeden te bevestigen.Dat was een moeielijk geval, waarbij de wijsheid van het zoo hoog geroemde nieuwe Nederlandsche strafwetboek te kort zoude geschoten hebben, maar waarin de Dajaksche adat toch voorzien heeft. Na eenige ruggespraak bevalen de rechters, dat drie kommen, met gesmoltennjating(hars) gevuld, voorgebracht zouden worden. Een houtvuur werd toen ontstoken, waarop de kippen, bij de beëediging onthoofd, met veeren en al werden verbrand, hetgeen een ondragelijken stank in de gerechtsloods deed ontstaan en bij ieder der aanwezigen een akelig gekuch uit de longen perste. Middelerwijl hadden de drie beschuldigden zich rondom de kommen geschaard tot het volvoeren van het „hasoedi.” Op een teeken van den voorzitter desrantèp’smoesten zij onder het uitspreken der woorden: „blako ontong Sangiang Assei” (help mij Sangiang Assei) den wijsvinger van de rechterhand in de gesmolten hars steken en dien vinger daarin een paar malen op en neer halen. Op het[108]gegeven teeken daalden de vingers in de kommen, waarbij de pandeling een smartelijken gil slaakte, evenwel den moed had de hevige pijn te doorstaan en de vereischte beweging te maken. De beschuldigster stond er dicht bij; zij wijdde een blik aan den inhoud der drie kommen en keek toen de rechters met een gebaar van verachting aan. Overigens verstoorde zij de eerbiedige stilte niet. De drie vingers werden daarna zorgvuldig ieder in een lapje gewikkeld, dat eerst den volgenden morgen daaraf genomen zoude worden. Hij, wiens vinger alsdan ontveld of anderszins beschadigd zoude blijken, zoude voor schuldig gehouden en dientengevolge veroordeeld worden de klaagster te huwen.Met aandacht hadden de Europeanen die rechtspleging gade geslagen en de wijsheid daarvan bewonderd. Zij zouden in de gelegenheid komen, zich nog meer te verbazen.De laatste basara, die uitgemaakt moest worden, betrof een beschuldiging van poging tot vergiftiging. Dat was een heel oude zaak, die reeds tot veelvuldig en langdurig onderzoek had aanleiding gegeven. Een geruimen tijd geleden was een oud man overleden en wel onder omstandigheden, die een gedachte aan vergiftiging niet geheel verwerpelijk maakte. De zoon van den overledene had een beschuldiging tegen een man ingebracht, die zich vóór het overlijden uitgelaten had, zich te zullen wreken over een vonnis betreffende een diefstal van visch, waarbij de doode een valsche getuigenis zoude afgelegd hebben. Bij dat vergiftigingsproces evenwel konden geene afdoende bewijzen bijgebracht worden; hoe dikwijls ook de zaak voor denrantèpbehandeld was, hoe de kamanangan’s van weerszijden zich ook beijverd en geweerd hadden, hoe vele getuigen ook gehoord waren, steeds was het aantal hampatong oewei[109]van de eene aan dat van de andere partij gelijk geweest, de bewijzen staakten dus, zoodat niet uit te maken was, wie ongelijk had.Zoo was de stand van het proces. Heden zou tot het „hagalangang” overgegaan worden, om tot de ontdekking van de schuld te geraken. De aanklager en de beschuldigde werden op het binnenplein van de kotta ieder in een enge kooi, van stevige bamboelatten zoodanig opgesloten, dat het benedenlijf van de maagstreek af geheel bedekt en beschermd was, terwijl de borst, de armen en het hoofd geheel ontbloot bleven. De kooi was daarenboven zoo eng, dat zij den opgeslotene nauwkeurig omsloot en hij daarin niet wegduiken kon. Op een afstand van ongeveer dertig pas van en front naar elkander geplaatst, werd aan ieder der partijen een scherp aangepunte bamboe van ongeveer een meter lang, die wel een werpspies kon genoemd worden, ter hand gesteld. Op een teeken moesten zij die spies te gelijker tijd naar elkander toeslingeren; hij die het eerste gekwetst werd, het zij licht, het zij gevaarlijk, zou gerekend worden door de Sangiangs veroordeeld te zijn. Viel dit den beschuldiger ten deel, dan verviel de aanklacht en zou hij aan den beschuldigde een boete van 1000 rear7als „harear kahawen” (schaamtegeld) betalen en hem daarenboven nog een mandauw ten geschenke geven moeten, als een teeken, dat hij de uitspraak aannam en hem als voorheen achtte. Werd echter de beschuldigde gekwetst, dan volgde zijn schuldig verklaring aan het hem ten laste gelegde. Hij werd dan ter dood veroordeeld en overgegeven aan de nabestaanden, in dit geval aan den zoon van den overledene, die het recht daarbij zoude verkrijgen, om hem onder de[110]meest onmenschelijke martelingen ter dood te folteren.8Het was een waar Godsgericht, waar om heen zich de geheele bevolking der kotta hoogst belangstellend schaarde.Toen de rechters plaats genomen hadden en een paar jongelingen benoemd waren, om de werpspiesen op te rapen en aan de strijders weer aan te reiken, gaf Amai Njawong het afgesproken teeken. Met kracht werden de gevaarlijke staken geslingerd, maar de kampvechters, door dien engen korf omsloten, hadden veel van hun lenigheid verloren. Die eerste worp werkte niets uit en week zoo ver van het doel af, dat een minachtend gemompel vernomen werd. Ook de tweede was nog mis, ofschoon de spiesen de kampvechters rakelings voorbij snorden. Maar de derde worp had noodlottige gevolgen. In de volle borst door de werpspies, die daarin trillend steken bleef, getroffen, was de beklaagde terstond een lijk, terwijl de beschuldiger, die het hem toegeslingerde wapen iets schuins recht onder de kin in de keel ontving, waarbij de slagader doorsneden werd, nog ettelijke minuten in doodsbenauwdheid rochelde en eindelijk aan bloedverlies bezweek.Bij die noodlottige uitkomst, verklaarde de voorzitter van denrantèp, dat de Sangiangs klaarblijkelijk de uitspraak wilden beletten en de zaak in het duister houden. Hij beval dat de lijken aan de familieleden zouden worden overgegeven, om daarmede volgens de gebruikelijke plechtigheden na een overlijden te kunnen handelen. Heel kort daarop liet zich de titih van twee kanten in de kotta hooren.[111]Diep ontzet hadden de vier Europeanen dat vreeselijk drama bijgewoond. Na afloop der gerechtszitting hadden zij zich naar hun woonvertrek begeven; lang zaten zij evenwel bij elkander, voor dat een hunner de stilte verbrak en den somberen gedachtenstroom, die hen bestormde, verstoorde. Eindelijk ontrukte zich La Cueille met een beweging, alsof hij aan de nachtmerrie poogde te ontkomen.„Nom d’un chien!” riep hij met een diepen zucht, „we zijn toch te midden van een raar volkje verdwaald.”Dat alledaagsch gezegde verbrak toch de betoovering, die de anderen omkluisterd hield. Het was of een dichte nevel plotseling scheurde en opgerold werd.„Dat zijn we. We zitten op den eersten rang en kunnen naar hartelust genieten,” lachte Johannes, „’t zal evenwel zaak zijn te trachten, ons buiten alle bemoeiing te houden.”„Donders, ja!” meende Schlickeisen, „verbeeldt je, dat een onzer uitgenoodigd werd om in zulk een kooi plaats te nemen.”„Of zijn vinger in gloeiende hars te steken.”„Ja, laat de verliefden maar oppassen,” voegde Johannes er waarschuwend bij, „laat ze ’t niet in hun hoofd krijgen hun schoonen af te schepen. ’s Lands wijs ’s lands eer. Noch Moendoet, noch Hamadoe zouden er voor terugdeinzen, een verleidingsbasara op touw te zetten.”„En dan vooruit met je vinger,” lachte Schlickeisen.De Waal bekeek zijn index met een bezorgdheid, alsof hij de brandende pijn reeds voelde.„Duivels!” bromde hij, „dat ’s lastig. Een mensch kan toch wel eens van gedachte veranderen.”„Jawel, maar pas op je vinger. Zoo’n kommetje hars is net zoo lekker als de fijt.”[112]„Panaris, mon ami, te voilà dans de jolis draps!” prevelde de Waal binnensmonds en meer hardop:„Dank je voor den raad; ik zal op mijn vinger passen. Maar.… er is toch iets wat mijn nieuwsgierigheid ten hoogste prikkelt.”„En wat is dat?” vroeg Johannes.„Men heeft drie vingers in de hars gedoopt, niet waar?”„Wel zeker, dat hebben we allen gezien.”„Maar wat nu, wanneer morgen twee vingers of alle drie blijken gebrand te zijn?”„O heilige eenvoud!” gilde Johannes uit. „Nu die is goed! Alle drie! ha, ha, ha! dat zou de wijsheid van koning Salomo zelven op een harde proef gesteld zijn. Ha ha ha!” en Johannes lachte, dat hij schudde.„Nu wat valt er toch te lachen?” vroeg de Waal gebelgd. „Ik begrijp er niets van. Drie menschen hebben den vinger in gesmolten hars gestoken; wat is natuurlijker, dan dat ze zich alle drie deerlijk gebrand hebben? Het tegendeel zou stof tot lachen geven.”„Nu, dan zul jij morgen lachen kunnen, laat je dat gezegd zijn. Alle drie! ha ha ha!” ging Johannes in zijn lachbui voort. „Maar och! schei nu uit, ik krijg pijn in de zij van al dat gelach.”„Dat je lacht, daar heb ik vrede mede; maar vertel waarover je lacht. Misschien lachen wij mede.”„Je bent een uilskuiken.”„Die prijs is meer voor me geboden; dat begrijp ik. Maar lach je daarom?”„Maar er konden geen drie zich den vinger branden.”„Dat begrijp ik weer niet.”„Je bent een „bodokh” (domkop). Je hebt nummer drie der aanbidders van de schoone dien kreet wel hooren slaken?”[113]„Ja zeker, ik ben Goddank niet doof.”„Dat ’s een geluk voor je. Nu, die alleen heeft zich den vinger gebrand.”„Maar we hebben de twee anderen toch ook den vinger in den njating zien steken.”„Luister. De twee eersten waren welgestelde jongelingen, die slechts een blik met de rechters te wisselen hadden, om voor de gepersonifieerde onschuld gehouden te worden. Misschien hadden de rechters hun loon reeds beet, zoo niet, dan zal het hun niet ontgaan. De derde was een arme drommel, van wien volstrekt niets te halen was. Die had geen blikken te wisselen.”„Dat alles zou ik begrijpen, wanneer ik niet met mijn eigene oogen, „hisce meis propriis oculis,” zou de pastoor van Jupille zeggen, de drie vingers in het gesmolten hars had zien op en neer gaan. Ik heb goed gekeken.”„Zoo, heb jij goed gekeken? Wel vertel dan, wat je meer gezien hebt.”„Wat zou ik meer moeten gezien hebben?”„Dat beweert goed gekeken te hebben!” sprak Johannes met ietwat kleinachting in zijn stem. „Heb je niet gezien, dat de kleur van het hars in de drie kommen niet gelijk was?”„Wat zou dat? hars is hars.”„Neen, domoor! hars is geen hars of liever het eene hars is het andere niet. Luister nog een oogenblik. De edelste soorten als de „njating mata koetjing,” de „njating bapoeti” en de „njating linoh”,9als van zeer zuivere compositie smelten op zeer lagen warmtegraad; daarentegen[114]hebben de njatings: „kroeën, toelang en anlei”10als zeer aardachtig en poreus van samenstel, een veel hoogere temperatuur noodig om vloeibaar te worden.”„O!… zoo!”„Begin je te begrijpen? dat ’s waarachtig gelukkig. Laten je nu de rechters den vinger in een kommetje met mata koetjing-hars steken, dat maar eventjes genoegzaam verwarmd is om vloeibaar te worden en aanmerkelijk kan afkoelen, alvorens weer vast te worden, dan kun je het daarin zoo lang uithouden als je verkiest, zonder anderen hinder, dan een eenigszins branderig gevoel. Maar laten ze je, je index in njating kroeën steken, dan zou je net doen als de pandeling van straks, dan zou je schreeuwen en dan zou je den volgenden morgen met een ontvelden vinger voor den dag komen.”„En dan nog trouwen op den koop toe! verd.… dat ’s gemeen!”„Ja, dat is gemeen, en te gemeener, wanneer de gedwongen huwelijkskandidaat zich hoegenaamd geen schuld bewust is.”„Hoe dat zoo?”„Denk je, dat dat meisje van straks dien armen pandeling zelfs maar een oogopslag heeft waardig gekeurd? Bij lange niet. Wie weet of vóór den dag van heden zij ooit aan hem of hij ooit aan haar heeft gedacht. Maar de looze feeks begreep al ras bij de wending, die het proces nam, dat de rechters niet genegen waren haar in haar matrimoniale wenschen behulpzaam te zijn. Toch wilde zij haar misstap onder een huwelijksmantel bergen.”[115]„Dat zal een verbintenis zijn, die in den hemel gesloten is,” grijnsde Schlickeisen, die als zoon van een theologant wel eens vroom kon zijn.„Och, zij zal daarom niet minder gelukkig of ongelukkig zijn,” antwoordde Johannes. „Die pandeling herkrijgt op den trouwdag zijn vrijheid, dat ’s al een uitkomst voor hem, daarbij bekomt hij een aardige vrouw, geheel in den smaak der Dajaks11; en.…. wat zal ik er meer van zeggen? In Europa worden toch ook wel zulke huwelijken gesloten, niet waar?”„Jawel, maar toch zonder gebranden vinger.”„Daarover wil ik niet twisten,” schaterde Johannes; „want dan krijg ik van de drie „totoks”12tegelijk er van langs.”[116]1Een Kiham—in het Maleisch Riam—wordt een plaats in de rivier genoemd, waar door rotsbeddingen de breedte der rivier zeer versmald wordt, zoodat het water als te samen geperst, genoodzaakt is door een smallen doorgang te dringen. Veelal gaat daarmede ook een tamelijk verval van de rivierbedding gepaard. Een eigenlijke val is het in den regel niet. Een waterval, waar het water van een hoogte schier loodrecht neerstort, heet „gohong.”↑2Koedjang is een knolgewas, dat veel in moerasachtige streken groeit. In de benedenlanden wordt het bijzonder veel aangetroffen en is daar naast de rijst het hoofdvoedsel der bevolking. In de bovenlanden wordt het ook in poelen en moerassen gevonden, doch niet zoo algemeen.↑3Tobah is een struik, die tot de Rhisophoren behoort. Als zoodanig komt hij in de benedenlanden veelvuldig, in de bovenlanden alleen in moerasgronden voor.↑4Dit is een veel gebruikt spreekwoord om het doen van vruchtelooze pogingen aan te duiden. Het wordt ook als raadsel opgegeven en luidt dan: „inedjep halit, inedjep halit, en kaom?” Telkens doorstoken, doch immer geheeld, wat is uw antwoord? En dat antwoord is: het water.↑5Rantèpbeteekent, dicht aan elkander sluiten, nauw vereenigd zijn. Waarlijk een schoone naam voor een gerechtshof.↑6Kamanangangkomt van „kamang”, een werkwoord, dat betasten beteekent, als zijnde door betasting behoorlijk op de hoogte der zaak.↑7Rear, een verbastering van reaal, is een denkbeeldige munt ter waarde van twee gulden en wordt ook welkipinggenoemd.↑8In 1861 werd in de boven Manohin iemand die bij het „hagalangang” licht gekwetst was, door de tegenpartij gekapt en gekerfd, waarbij evenwel gezorgd werd, dat geen levensgevaarlijke wonden werden toegebracht. Daarna werden die wonden met een sterk aftreksel van lombokh ingesmeerd. Onder de ondenkbaarste folteringen gaf de ongelukkige den geest.↑9Mata koetjingbeteekent kattenoog,bapoetiwit enlinohgladheid, die benamingen doelen op de eigenaardigheden van die soorten. Alle drie zijn fraai doorschijnend, de eerstgenoemde als kristal.↑10Kroeën beteekent gemengd, toelang beenachtig en anlei vuil, smerig; ook deze benamingen doelen op de geaardheid der soorten, die zij aanduiden.↑11Over dien smaak is hier niet veel meer te vertellen. Die daarvan meer wil weten, wordt verwezen naar de vaak aangehaalde „Ethnographische beschrijving der Dajaks” van den schrijver.↑12Totok een soort van bijnaam in N.I. om volbloed Europeanen aan te duiden.↑
[Inhoud]XXII.Toebereidselen voor de reis.—Een volksverhuizing.—Het „manobah”.—Onhandigheid.—Wienersdorf te water.—La Cueille brengt het er niet beter af.—Lachbui.—Einde der vischvangst.—„Kalampies.”—Een Dajaksch tribunaal.—Beëediging.—La recherche de la paternité.—De vingerproef.—Het „hagalangang” of het bewijs met de werpspies.—Nabreeuwen.Na die bedrijvigheid gingen een paar dagen in ongestoorde rust voorbij. Vooral de Europeanen luierden letterlijk uit van de vroeger ten toon gespreide arbeidzaamheid. Maar toen die om waren, werd het tijd aan de voorbereidingen tot het vertrek te denken.Die voorbereidingen waren waarachtig niet onbeduidend. Het waren thans geen vier mannen slechts, die de reis zouden aanvaarden; het was een geheele kolonie, die de binnenlanden ging intrekken om zich daar metterwoon te vestigen. Het huisgezin van Amai Kotong was zeer talrijk; hij zelf had een twaalftal kinderen, waarvan de grootste helft gehuwd en op haar beurt reeds ruim gezegend was of in staat van zegening verkeerde, of de hoop op zulk een zegening koesterde. Hij bezat daarenboven een tachtigtal pandelingen van beiderlei kunne en een twintigtal kinderen van die pandelingen. Het was bijgevolg een geheele volksverhuizing, die te regelen viel. Bij die verhuizing zouden zich aansluiten Hamadoe, de zuster van Harimaoung Boekit, met een paar vriendinnetjes, onder welke laatsten de lieve Moendoet,[92]de aanstaande mevrouw La Cueille, gerekend moest worden; verder het Poenanhoofd met zijn stamgenooten, welke laatsten wel een gewenschte toevoeging aan den tocht zouden uitmaken. Die fiere zonen der wildernis waren fiksche pootige kerels, ieder als een Hercules gebouwd, met spieren als van staal en gewoon om bij hun tochten door de bosschen de grootste hinderpalen te overwinnen en om ontberingen te lachen. Zij zouden de eigenlijke kracht van de reizende kolonie uitmaken; ja, zonder hen ware de verhuizing, althans op die schaal, wellicht onmogelijk geweest; want het waren bijna honderd vijftig menschelijke wezens, allen bewoners van kotta Djankang, waaronder vele vrouwen en kinderen, die het koppensnellersland zouden intrekken.De afstand, die afgelegd moest worden, was niet zoo bijzonder groot. In rechte lijn bedraagt die van kotta Djankang tot kotta Rangan Hanoengoh, verblijfplaats van Harimaoung Boekit aan de soengei Miri, nog niet volle 140 kilometer. Maar in een terrein als de boven-Dajaklanden is de rechte lijn niet denkbeeldig als bij ons, doch geheel en al onbekend; en de kronkelingen van den te volgen weg moesten zoodanig in rekening gebracht worden, dat die 140 KM. onoverdreven tot het dubbele getal uitdijden en dat langs gemeenschapswegen, die dien naam ternauwernood mochten dragen.Johannes drong tot spoed aan. Hij bracht de wat langzame Dajaks aan het verstand, dat in de bestaande omstandigheden, tijd veel meer dan goud waard was, iets wat hun begrip geheel en al te boven ging. Men was in het land, waar het goud maar voor het rapen was; maar als men het geraapt had, och! dan had tijd hoegenaamd geen waarde meer.„Wat de menschen toch dwaze dingen vertellen kunnen,” redeneerden de kotta Djankangers en de Poenans,[93]„vooral wanneer zij met die inhalige blanken in aanraking zijn geweest.”Maar zonder zijn wenkbrauwen te fronsen, maakte Johannes hun duidelijk, dat, wanneer de leden van het gezantschap niet in hun zending slaagden en de Hollanders het er op zetten naar de Boven-Kapoeas terug te komen, men ze spoediger zou zien verschijnen, dan wel gedacht werd. De beschikkingen, die voor de voorgenomen verhuizing te nemen waren, konden veelvuldig genoemd worden en de tijd was kort.Eindelijk behaalde de redeneerkunst van den vermomden blanke de overwinning op de traagheid der inboorlingen en nu dit eenmaal het geval was, nu waren de belanghebbenden weldra in volle beslommering om zich tot het vertrek gereed te maken.Het eerste, waaraan de aandacht gewijd moest worden, waren wel de vervoermiddelen. Men had hoegenaamd geen moeilijkheden ondervonden, om de prauw die de vluchtelingen te Kwala Kapoeas van Baba Poetjieng gekregen hadden, om de reis over zee naar Singapore te maken, tot hier voor kotta Djankang te brengen. Heeft niet al te lang droogte geheerscht, dan is de Kapoeas tot hier met gemak voor kleine stoomschepen van zes voet diepgang bevaarbaar. Dit is zelfs het geval tot Kiham Hoeras, een halve dag roeiens boven kotta Sambong. Maar daar bij dien eersten waterval of beter, bij die eerste stroomversnelling1—want een eigenlijke waterval is het niet—beginnen de groote[94]moeielijkheden van een reis naar de bovenlanden; want dan heeft de reiziger een aantal van die stroomversnellingen te doorworstelen. Er valt dan ook niet aan te denken, groote prauwen daartegen op te halen; maar moet de reis met zeer lichte vaartuigen, bij voorkeur met djoekoengs of rangkans volvoerd worden. En dan nog moeten dezen met de grootste behoedzaamheid gestuurd worden, want een verkeerde beweging van den roerganger, doet het vaartuig dwars-strooms geraken en heeft omslaan tot natuurlijk gevolg.Rangkans en djoekoengs waren in voldoende hoeveelheid te kotta Djankang voorhanden en bevonden zich goed bewaard onder de op palen gebouwde woonhuizen en magazijnen binnen de versterking. Men kon, zoo men wilde, dadelijk beginnen met die te water te brengen en haar op doelmatige wijze te beladen. Dewijl zij van wege de kihams nog al eens ontscheept zouden moeten worden, zorgde men, dat zooveel mogelijk alle mede te voeren voorwerpen tot een- of tweemans vrachten verpakt werden, waarbij niet uit het oog mocht verloren worden, dat de Dajaks zeer ongeneigd zijn, lasten op hun schouders te torschen en dat ook niet kunnen in die mate, als dat door de Javanen verricht wordt. Daarom werden dan ook de levensmiddelen en alle andere zaken, die zich daartoe eigenden, in mandjes verpakt, die van de noodige rottanlussen voorzien, als een ransel op den rug bevestigd en alzoo met gemak en behendigheid gedragen konden worden. Die mandjes in de Dajaklanden zijn van gevlochten rottan vervaardigd, hebben den vorm van een afgeknotten kegel van ongeveer 75 cM. hoog, met een bovenwijdte van ± 40 en een benedenwijdte van 25 cM., zijn van binnen met waterdichten boombast gevoerd en hebben een flink en hermetisch sluitend deksel.[95]De kanonstukjes werden nog in batterij gelaten, om bij een eventueelen terugkeer des vijands niet ongewapend overvallen te worden; evenwel werden er stevige rottanstrikken zoodanig omgelegd, dat men slechts de noodige draagstokken door de gevormde lussen te steken had om de vracht dadelijk te kunnen optillen en weg te voeren. De deserteurs belastten zich voornamelijk met het vervoer van de artillerie en munitie, waarvoor hun stevige schouders ten volle berekend waren. Wel had men er een oogenblik aan gedacht, een paar dier stukjes ter bewapening van kotta Djankang achter te laten. Maar de zeer gegronde opmerking, dat de Hollanders ze toch als hun eigendom zouden terugnemen en het ook beter was, dat de kotta bij de nieuwe phase, die haar bewoners intraden, een zeer vreedzaam uitzicht had, deed daarvan afzien. Dezelfde beweegreden gold ook ten opzichte van de buitgemaakte geweren te Kwala Hiang, die allen medegenomen werden. Van een andere zijde had ook Harimaoung Boekit zich zeer begeerig getoond die stukjes te bezitten. Wat zou hij trotsch zijn, wanneer hij zijn kotta in soengei Miri daarmede bewapend zoude zien.Voedingsmiddelen waren in overvloed voorhanden, dat wil zeggen, men had rijst in voldoende hoeveelheid; ook had men een goede provisie „koedjang”2, lombok en andere toespijzen. Alleen in vleeschspijzen was men niet ruim gesorteerd. Het gezouten vleesch en spek, door de deserteurs aangevoerd, waren nog slechts voor een klein gedeelte aanwezig, dewijl de Dajaks zich daaraan[96]als aan een délicatesse hadden te goed gedaan. Amai Kotong en Harimaoung Boekit verzekerden evenwel, dat op hun reis geen dierlijk voedsel zou ontbreken; de vrienden zouden meer dan eens in de gelegenheid komen om met hun juist schot een hert neer te leggen.Maar om toch geen teleurstelling deswege te ondervinden, werd besloten een „manobah”, dat is een vischvangst op groote schaal te doen plaats vinden, om zulk een ruime proviand op te doen. De gasten te kotta Djankang werden uitgenoodigd, die vischpartij bij te wonen. Onze reizigers zouden ervaren, dat zulk een partij een waar nationaal feest voor de Dajaks is, hetwelk voor hen uiterst belangwekkend zoude zijn.Tot de voorbereidingen tot die vischvangst behoorde de inzameling van een aanzienlijke hoeveelheid wortels van den „tobah”-struik3. Daar er nog al moerasachtige plekken tusschen de omringende heuvels van kotta Djankang aangetroffen worden, baarde die inzameling niet veel moeite en was zij al zeer spoedig geschied. De ingezamelde wortels werden toen in verscheidene djoekoengs met overvloedig water geweekt en daarna met platte stukken hout zoolang geklopt, totdat het water in de djoekoengs een melkwitte kleur verkregen had. De uitgeweekte wortelvezels werden toen verwijderd en het vocht behoorlijk afgeschuimd, waarna wat levende kalk en een vrij sterk aftreksel van tabak daarin gemengd werd. Men had toen zoo wat een zestal djoekoengs met tobahwater gevuld.Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag[97]voeren een overgroot aantal zeer lichte vaartuigen, waaronder ook die met het mengsel gevuld, de soengei Mawat in, waarna dat riviertje met een „salambouw”, groot vierkant net met middelmatig groote mazen, zoodanig afgesloten werd, dat de onderrand van het net, op de bedding der soengei met steenen verankerd en de bovenrand zoo wat een handbreedte boven het watervlak uitstekende, geen enkele visch het riviertje kon verlaten. Twee djoekoengs, ieder met drie opvarenden bemand, vatten post bij het net om te waken dat het niet, hetzij door opkomende prauwen, hetzij door den zwaren stroom beschadigd of opgetild werd.Toen men daarmede klaar was, verdeelde het mannelijk gedeelte der expeditie zich zoodanig over de aanwezige djoekoengs, dat in ieder der vaartuigen zich drie man bevonden. De dameswereld—want vele der schoonen van kotta Djankang waren mede uitgetogen om van de pret getuigen te zijn—had zich bij elkander in twee groote prauwen geschaard, terwijl een derde prauw een aantal Balians bevatte, die bij geen feestelijkheid, dus ook bij deze niet, mochten ontbreken.Nu werd de soengei in alle stilte, maar toch krachtig en vlug, opgeroeid. Dat oproeien duurde zoo omstreeks vier uur en onderwijl werden de mondingen van een paar onaanzienlijke spruitjes, die zich in de Mawat ontlastten, ook met netten afgesloten.Op de gewenschte plaats aangekomen, werd het tobahwater op verschillende punten tegelijk met klapperdoppen in de rivier geworpen. Terwijl de vaartuigen zachtjes en in alle stilte zich voor den stroom lieten afdrijven, was men gedurende een klein half uur nagenoeg werkeloos, om het vergiftigde water tijd te geven, zich met het rivierwater te vermengen. Intusschen maakten de visschers zich gereed den buit te kunnen bemachtigen. Van[98]de drie opvarenden, die iedere djoekoeng bemanden, bleef hij, die aan den achtersteven gezeten was, de pagaai in handen houden om het vaartuig te besturen; de twee anderen met een harpoen of een schepnet gewapend, de een voor op de spits, de ander in het midden der djoekoeng post vatten, gereed om toe te tasten.Men had Schlickeisen en Johannes bij elkander in een en Wienersdorf met La Cueille in een andere djoekoeng geplaatst. De Waal had bij al die voorbereidingen al schuchter uitgekeken en aan Johannes in het voorbijvaren al eens gevraagd, of hij geen verzen uit den Koran te prevelen had.„Loop heen,” had deze geantwoord, „je bent immers geen Sjech meer; handel nu maar, zooals je je vrienden, de Dajaks, ziet doen.”„Ik wou, dat ik aan den wal was,” prevelde de Belg, wien dat geheele spel niets beviel.„Misschien bij moeders pappot thuis, niet waar?” lachte Johannes.Na ongeveer een half uur begon zich de werking van het bedwelmende vocht te openbaren. Eerst kwamen de kleinste visschen aan de oppervlakte, staken de koppen boven water, zwommen in steeds kleiner en kleiner wordende kringen rond en trachtten in hun doodsbenauwdheid uit het vergiftigde vocht te springen. Met deze werd niet veel omhaal gemaakt; zij werden eenvoudig met het schepnet of met mandjes opgehaald en in de vaartuigen geworpen.Maar later werden de visschen, die de watervlakte in beweging brachten, al grooter en grooter en ook talrijker. Nu werd naar den „salahawo” (harpoen) gegrepen; want het was totaal ondoenlijk, visschen van een à twee M. lengte met het schepnet op te halen. Nu begon een leven, een bedrijvigheid, die onze Europeanen[99]verrukten en waaraan zij van nu af met hart en ziel deel namen. Al de aanwezige vaartuigen—wel een vijftig in getal—schoten over een oppervlakte van slechts zeer geringe uitgestrektheid als door elkander. Met de uiterste behendigheid stuurden de roergangers op de wenken en aanwijzingen der harpoeniers hun vaartuigjes. In het water beschreven de visschen groot en klein allerwege kringen, plasten en sprongen, om eindelijk aan den harpoen geregen te worden. De menigte joelde door elkander; de befaamde visschers spreidden met een soort van trots hun behendigheid ten toon. De jongere poogden die kunststukken na te doen en werden daarin aangemoedigd door de lieve toeschouwsters, die een vreugdekreet niet konden weerhouden, wanneer het een der jongelingen gelukte, een aanzienlijke vangst te doen. De Balians gilden haar gezangen, roffelden op haar trommen en wisselden haar invocatiën met de Sangiangs om den visschers een overvloedige vangst te verleenen, af met loftuitingen op hen, die zich door behendigheid en kracht onderscheidden.Van die loftuitingen kregen onze Europeanen maar een zeer sober deel en dat deel kon nog slechts meer als een beleefdheidsvorm van de dartele priesteressen, dan als verdiend beschouwd worden. Wel hadden de nieuwbakken Dajaks de behendigste prauwvoerders te hunner beschikking, maar dat hielp hen niet veel; want dat het harpoeneeren niet ieders werk is en een voorafgaande oefening vereischt, bleek hun al ras. Ontelbare malen staken zij toe, zooals zij dat de mannen hunner omgeving zagen doen, wanneer het water in de nabijheid hunner djoekoengs in een borrelende beweging geraakte en dan te midden der gevormde kringen een gapende kop aan de oppervlakte verscheen; maar telkens te vergeefs. Dan eens gleed de harpoen voor of achter het[100]doel, dan weer eens rechts of links van den visch zonder hem te raken, of werd hij al eens geraakt, dan nog was de stoot zoo onvast, zoo onbehendig aangebracht, dat de harpoen op de glibberige huid van den visch afstuitte en er niet doordrong. En het was of de waterbewoners begrepen, dat daar dichtbij die twee djoekoengs het gevaar het minst was. In die nabijheid borrelde het water het allermeest en was het soms of het kookte; allerwege kwamen gapende koppen te voorschijn.Bij de eerste stooten zetten de Djankangers en de Poenans verwonderde gezichten; zij konden niet begrijpen, dat iemand zoo onhandig kon zijn. Hoofdschuddend schreven zij dat aan den omgang hunner gasten met de Hollanders toe: „die verwijfde bleekgezichten waren niet eens in staat een ellendig vischje voor hun maaltijd te bemachtigen.” Geen dier natuurkinderen miste ooit een stoot en, terwijl zij de kleine zooi veronachtzaamden, werden niet zelden met veel gejuich of een „dahoeman”, een paling van soms twee M. lang, of een „kaloi”, of een „djampol”, witvisschen van geen mindere lengte, boven water gehaald. Maar toen die misstooten aanhielden en onze vrienden nog geen enkel vischje, groot of klein, bemachtigd hadden, begon een luid gelach hun telkens vergeefsche pogingen te begroeten en weldra regende het kwinkslagen van alle kanten.„Inedjep halit! inedjep halit!” (doorstoken, maar toch geheeld)4klonk het grinnikend, en het waren voornamelijk de vrouwen, die zich met die onhandigheid vermaakten.[101]Dat werkte eenigermate op het gevoel der onbedreven harpoeniers. O! hadden hun stooten aan hun verlangen beantwoord, dan hadden zij zegevierend den salahawo gedrild en hun omgeving een lesje gegeven. Maar, helaas! hun pogen beantwoordde niet aan hun begeerte om uit te blinken. Wel trachtten zij onder de spottende oogen der schoonen telkenmale bewijzen van vooruitgaande behendigheid te geven. Zij werden al meer en meer opgewonden en driftig onder den angel der kwinkslagen en stootten eindelijk toe met een kracht, alsof zij de visschen aan den bodem der soengei wilden vaststeken. Voornamelijk staken Wienersdorf en La Cueille grimmig toe; zij voelden zich als vernederd, zoo onder de oogen hunner aangebedenen uitgelachen te worden. In het vuur van den strijd bracht de Zwitser op eens zijn harpoen met zoo’n kracht vooruit, dat de djoekoeng kantelde, hij het evenwicht verloor en kopje onder in het water verdween. Een uitbundig gelach en een gillend hoera begroetten dien val. Blazend en proestend greep de drenkeling, toen hij weer aan de oppervlakte verscheen, een hem toegestoken pagaai en trachtte zijn plaats in de djoekoeng te nemen, daarin geholpen door een aantal armen, die zich hulpvaardig, maar toch spotziek, naar hem uitstrekten en het hunne er toe bijbrachten, om hem meer water te doen innemen, dan wel bij minder luchthartige hulp het geval zoude geweest zijn.De lieve Hamadoe had innig medelijden met het ongeval van haar galant, maar kon toch niet nalaten hartelijk mede te lachen.Maar La Cueille, die aan zijn lachlust ook botgevierd had, bracht het er niet beter af. Bij een zijner veelvuldige pogingen gelukte het hem eindelijk zijn harpoen in het lichaam van een kolossalen visch vast te steken.[102]Met inspanning van alle krachten trachtte hij zijn vangst binnen boord te halen, maar dat was zoo gemakkelijk niet. Wanhopig spartelde het gewonde dier tegen en ontwikkelde daarbij een spierkracht, die onzen Waal in zijn schommelend vaartuig veel werk gaf. Eindelijk na veel getob en na vele inspanningen kwam hij er toe, den kop van den visch op den rand van de djoekoeng te brengen; maar toen.…„Sainte Vierge de Jupille, ayez pitié de moi!” schreeuwde hij, terwijl hij den steel van den harpoen plotseling losliet, waardoor het evenwicht verloren ging, het vaartuig onder de zwaarte van den visch overhelde en ook hij over het monster heen in het water terecht kwam. Was het gelach straks uitbundig geweest, thans barstte een ware storm los. Het was of het waanzin was, die al de aanwezenden in een aanstekelijke lachbui had gebracht. Nimmer had het volkje van kotta Djankang zoo’n pret gehad.De Waal kroop beschaamd en beteuterd aan boord. De lachlust verminderde niet, toen hij druipnat en met sluik hangende haren en baard zorglijk rondkeek waar toch zijn harpoen gebleven was. Een der Dajaks had dien gegrepen en met weinig moeite den visch bemachtigd. Het was een „intoh” van ruim zes voet lang, die met zijn krokodilachtigen muil en ontzagwekkende tanden den Waal zoo’n schrik had aangejaagd en zijn bede om hulp had afgeperst. Toen het dier bij La Cueille in de djoekoeng geworpen werd, scheelde het al zeer weinig of deze was andermaal te water gegaan; hij vermande zich echter, maar zorgde toch op een eerbiedvollen afstand van de tanden van het zieltogende dier te blijven.Langzamerhand verminderde het aantal visschen, dat zich aan de oppervlakte des waters vertoonde, en weldra[103]kon de vangst als geëindigd beschouwd worden. Men was ook zoo zachtjes, al harpoeneerende, al lachende, schreeuwende en gillende de soengei Mawat afgezakt en de vaartuigen bevonden zich eindelijk in haar monding. Nadat de salambouw was opgehaald, stevende men de Kapoeas in en werd de visschersvloot feestelijk en onder het gedonder van het onmisbare kanonvuur te kotta Djankang ontvangen.Een tiental djoekoengs waren boordevol met de opbrengst van het manobah gevuld. Onder de gevangen visschen waren de reeds genoemde soorten: kaloi, djampol en dahoeman, ruimschoots vertegenwoordigd. Het meest was echter de „handiroeng” gevangen, een intertropische forelsoort van ongeveer 12 dM. bij volkomen wasdom, die zeer lekker is en dan ook volkomen gewaardeerd wordt. Van deze soort bevonden zich een groot duizendtal in de djoekoengs.Het grootste gedeelte dezer vangst werd onder de bevolking verdeeld. De visschen, door het tobahvergif gedood, kunnen genuttigd worden en zijn volkomen onschadelijk. Zij kunnen evenwel niet gedroogd of gezouten worden, daar zij te spoedig tot bederf overgaan. Een groot aantal forellen werden tot „kalampies” toebereid, dat wil zeggen, zij werden in mooten gesneden en daarna in bladeren gewikkeld, om met wat zout en fijngewreven lombokh gepoft te worden. Zoo geconserveerd, kon die visch een onbepaalden tijd bewaard worden en waren die kalampies voor de reizigers een zeer welkome proviandeering, daar zij hen van iedere bezorgdheid omtrent dierlijk voedsel op de reis onthief en hen dienaangaande van alle eventualiteiten onafhankelijk maakte.Daags na die vischvangst zouden onze deserteurs van een plechtigheid van anderen aard getuigen zijn. Waarlijk,[104]het scheen alsof het lot het er op gesteld had, hen het geheele innerlijk leven van de volkstammen, in wier midden zij zich bevonden, te laten aanschouwen.In de Dajaklanden wordt overal op een vastgestelden dag van de week recht gesproken. Het kottahoofd omringt zich dan door drie tot zeven oudsten, naarmate van de belangrijkheid van de te voeren gedingen, en beslecht de geschillen, die in de afgeloopen week zijn ontstaan en omtrent welker beëindiging zijn bemiddeling is ingeroepen. Dat is in den regel voor de bevolking geen gewone dag. De Dajaks toch zijn het meest gedingzuchtige volk der geheele aarde. Zij gevoelen zich niet gelukkig, wanneer zij niet een „basara” (proces) hebben. Blijft hun die karaktertrek in de toekomst bij, dan zullen zij, wanneer zij eenmaal in den maalstroom der beschaving medegesleept worden, het land van belofte voor de advocaten vertegenwoordigen. Zoo’n basara-dag is dan ook een halve feestelijkheid voor de bewoners eener kotta, daar het bijwonen van de zitting van den „rantèp” (landraad)5voor velen een onweerstaanbare aantrekkelijkheid heeft. Voor kotta Djankang was de eerstvolgende „rantèpan” buitendien van buitengewone beteekenis, daar het nieuw benoemde hoofd Amai Njawong, de vervanger van Amai Kotong, voor de eerste maal als voorzitter zoude optreden.Er waren eenige voorafgaande kleine geschillen uit te maken, waarbij de Europeanen de bedrijvigheid en de behendigheid der „kamanangan’s” (advocaten)6konden gadeslaan. Met uiterst veel belangstelling zagen zij, dat die pleitbezorgers bij ieder hunner overtuigende redeneeringen[105]of afdoende tegenwerpingen, en ook bij ieder geleverd bewijs, een rottanpoppetje, „hampatong oewei” genaamd, waarvan zij ambtshalve voorzien waren, voor zich in den grond staken of een dergelijk, door de tegenpartij reeds geplant, wegnamen. Deze poppetjes verzinnelijkten het aantal geleverde deugdelijke bewijzen. Na afloop der pleitredenen werden zij aan weerszijden geteld en de basara ten voordeele van hem uitgewezen, wiens advocaat het grootste aantal poppetjes had kunnen planten en behouden. Dat daarbij niet weinig goochelarij aan den dag gelegd werd, ontsnapte onzen avonturiers niet. Het gebeurde zelfs, dat twist onder de kamanangan’s over het aantal hampatong oewei ontstond en de eene partij de andere beschuldigde van met dubbel krijt te hebben geschreven, hetgeen natuurlijk tot een nieuw proces aanleiding gaf en met de noodige getuigen de volgende week zoude dienen.Tot de meer belangrijke gedingen behoorde de beschuldiging, die een meisje tegen een der meest welgestelde jongelingen der kotta inbracht, namelijk haar verleid te hebben, van welke daad de gevolgen niet uitgebleven waren. Toen zij haar beschuldiging met heldere stem, zonder blikken of blozen, uitgesproken had, moest tot het „manjapa” (beëediging) overgegaan worden. Een der rechters bracht een zwarte kip te voorschijn en reikte de schoone een ontblooten mandauw over, terwijl hij in weinige woorden opmerkte, dat met dat wapen menschenbloed vergoten was. Zij nam het zwaard met vaste hand aan, zwaaide het, terwijl een glimlach haar lippen krulde, bevallig boven haar hoofd en richtte de bede tot Mahatara, te willen toestaan, dat zij onthoofd zoude worden, zooals dat der kip ging geschieden, bijaldien zij onwaarheid had gesproken. En den arm bliksemsnel en met kracht omlaag[106]brengende, hieuw zij de kip den kop af. Het wapen toen overreikende, ving zij wat bloed van het dier op en besmeerde zich daarmede den fraaien boezem en de bovenarmen onder het uitspreken van de schrikverwekkendste verwenschingen.Op de vraag, of zij getuigen kon bijbrengen, wees zij een harer vriendinnen aan, die bij afvraging verklaarde, slechts gezien te hebben, dat de beschuldigde aan de klaagster een zoen had gegeven, zonder meer.De rechters glimlachten even in hun deftigheid.De beschuldigde jongeling werd nu voorgebracht, maar hij ontkende iedere schuld. Die betuiging bezwoer hij met de duurste eeden en kapte ook in het volle vertrouwen op zijn onschuld een zwarte kip den kop af en besmeerde zich insgelijks borst en armen met het bloed van het vermoorde slachtoffer. Hij antwoordde met een eenvoudig hoofdschudden op de vraag, of hij eenige getuigenis kon bijbrengen; maar met een verwonderlijke radheid van tong wees hij er op, dat het geven van een zoen—daad, die hij volstrekt niet ontkende—onmogelijk het hier gevorderde bewijs van schuld kon daarstellen; want—voegde hij er glimlachend bij—ware dat wel het geval, dan zouden, volgens zijn overtuiging, al zijn rechters meermalen gedwongen in het huwelijk hebben moeten treden, daar het hem bekend was, zij van een zoen volstrekt niet afkeerig waren, en zij zelfs zeer zoenlustig konden genoemd worden. De geheele vergadering barstte op die verklaring in een onmatig lachen uit en niet het minst de rechters zelve, die alleen bij de gedachte aan de hun toegeschreven zoenlustigheid, de tong verlangend over de bovenlip lieten glijden. De Dajak is een ware lachebek; bij iedere gelegenheid voldoet hij met graagte aan die vroolijke geneigdheid.[107]Nadat de lachbui wat over was, werd het meisje gevraagd, of zij geen andere aanwijzingen bij te brengen had om haar beschuldiging te staven. Zij antwoordde ontkennend, doch hield haar aanklacht vol, er evenwel bijvoegende, dat het toch wel zijn kon, dat de beklaagde onschuldig was, daar zij terzelfder tijd een teedere betrekking met een ander jongeling uit de kotta, alsook met een pandeling haars vaders aangeknoopt had. De rechters fronsten de wenkbrauwen, maar konden toch niet anders doen dan de nieuwe beschuldigden voor zich te roepen. Maar ook deze betuigden luid hun onschuld. De pandeling zelfs wilde er niets van weten, dat hij van tijd tot tijd een zoen aan de dochter zijns meesters zou ontstolen hebben. Beiden aarzelden geen oogenblik, hun betuigingen met de duurste eeden te bevestigen.Dat was een moeielijk geval, waarbij de wijsheid van het zoo hoog geroemde nieuwe Nederlandsche strafwetboek te kort zoude geschoten hebben, maar waarin de Dajaksche adat toch voorzien heeft. Na eenige ruggespraak bevalen de rechters, dat drie kommen, met gesmoltennjating(hars) gevuld, voorgebracht zouden worden. Een houtvuur werd toen ontstoken, waarop de kippen, bij de beëediging onthoofd, met veeren en al werden verbrand, hetgeen een ondragelijken stank in de gerechtsloods deed ontstaan en bij ieder der aanwezigen een akelig gekuch uit de longen perste. Middelerwijl hadden de drie beschuldigden zich rondom de kommen geschaard tot het volvoeren van het „hasoedi.” Op een teeken van den voorzitter desrantèp’smoesten zij onder het uitspreken der woorden: „blako ontong Sangiang Assei” (help mij Sangiang Assei) den wijsvinger van de rechterhand in de gesmolten hars steken en dien vinger daarin een paar malen op en neer halen. Op het[108]gegeven teeken daalden de vingers in de kommen, waarbij de pandeling een smartelijken gil slaakte, evenwel den moed had de hevige pijn te doorstaan en de vereischte beweging te maken. De beschuldigster stond er dicht bij; zij wijdde een blik aan den inhoud der drie kommen en keek toen de rechters met een gebaar van verachting aan. Overigens verstoorde zij de eerbiedige stilte niet. De drie vingers werden daarna zorgvuldig ieder in een lapje gewikkeld, dat eerst den volgenden morgen daaraf genomen zoude worden. Hij, wiens vinger alsdan ontveld of anderszins beschadigd zoude blijken, zoude voor schuldig gehouden en dientengevolge veroordeeld worden de klaagster te huwen.Met aandacht hadden de Europeanen die rechtspleging gade geslagen en de wijsheid daarvan bewonderd. Zij zouden in de gelegenheid komen, zich nog meer te verbazen.De laatste basara, die uitgemaakt moest worden, betrof een beschuldiging van poging tot vergiftiging. Dat was een heel oude zaak, die reeds tot veelvuldig en langdurig onderzoek had aanleiding gegeven. Een geruimen tijd geleden was een oud man overleden en wel onder omstandigheden, die een gedachte aan vergiftiging niet geheel verwerpelijk maakte. De zoon van den overledene had een beschuldiging tegen een man ingebracht, die zich vóór het overlijden uitgelaten had, zich te zullen wreken over een vonnis betreffende een diefstal van visch, waarbij de doode een valsche getuigenis zoude afgelegd hebben. Bij dat vergiftigingsproces evenwel konden geene afdoende bewijzen bijgebracht worden; hoe dikwijls ook de zaak voor denrantèpbehandeld was, hoe de kamanangan’s van weerszijden zich ook beijverd en geweerd hadden, hoe vele getuigen ook gehoord waren, steeds was het aantal hampatong oewei[109]van de eene aan dat van de andere partij gelijk geweest, de bewijzen staakten dus, zoodat niet uit te maken was, wie ongelijk had.Zoo was de stand van het proces. Heden zou tot het „hagalangang” overgegaan worden, om tot de ontdekking van de schuld te geraken. De aanklager en de beschuldigde werden op het binnenplein van de kotta ieder in een enge kooi, van stevige bamboelatten zoodanig opgesloten, dat het benedenlijf van de maagstreek af geheel bedekt en beschermd was, terwijl de borst, de armen en het hoofd geheel ontbloot bleven. De kooi was daarenboven zoo eng, dat zij den opgeslotene nauwkeurig omsloot en hij daarin niet wegduiken kon. Op een afstand van ongeveer dertig pas van en front naar elkander geplaatst, werd aan ieder der partijen een scherp aangepunte bamboe van ongeveer een meter lang, die wel een werpspies kon genoemd worden, ter hand gesteld. Op een teeken moesten zij die spies te gelijker tijd naar elkander toeslingeren; hij die het eerste gekwetst werd, het zij licht, het zij gevaarlijk, zou gerekend worden door de Sangiangs veroordeeld te zijn. Viel dit den beschuldiger ten deel, dan verviel de aanklacht en zou hij aan den beschuldigde een boete van 1000 rear7als „harear kahawen” (schaamtegeld) betalen en hem daarenboven nog een mandauw ten geschenke geven moeten, als een teeken, dat hij de uitspraak aannam en hem als voorheen achtte. Werd echter de beschuldigde gekwetst, dan volgde zijn schuldig verklaring aan het hem ten laste gelegde. Hij werd dan ter dood veroordeeld en overgegeven aan de nabestaanden, in dit geval aan den zoon van den overledene, die het recht daarbij zoude verkrijgen, om hem onder de[110]meest onmenschelijke martelingen ter dood te folteren.8Het was een waar Godsgericht, waar om heen zich de geheele bevolking der kotta hoogst belangstellend schaarde.Toen de rechters plaats genomen hadden en een paar jongelingen benoemd waren, om de werpspiesen op te rapen en aan de strijders weer aan te reiken, gaf Amai Njawong het afgesproken teeken. Met kracht werden de gevaarlijke staken geslingerd, maar de kampvechters, door dien engen korf omsloten, hadden veel van hun lenigheid verloren. Die eerste worp werkte niets uit en week zoo ver van het doel af, dat een minachtend gemompel vernomen werd. Ook de tweede was nog mis, ofschoon de spiesen de kampvechters rakelings voorbij snorden. Maar de derde worp had noodlottige gevolgen. In de volle borst door de werpspies, die daarin trillend steken bleef, getroffen, was de beklaagde terstond een lijk, terwijl de beschuldiger, die het hem toegeslingerde wapen iets schuins recht onder de kin in de keel ontving, waarbij de slagader doorsneden werd, nog ettelijke minuten in doodsbenauwdheid rochelde en eindelijk aan bloedverlies bezweek.Bij die noodlottige uitkomst, verklaarde de voorzitter van denrantèp, dat de Sangiangs klaarblijkelijk de uitspraak wilden beletten en de zaak in het duister houden. Hij beval dat de lijken aan de familieleden zouden worden overgegeven, om daarmede volgens de gebruikelijke plechtigheden na een overlijden te kunnen handelen. Heel kort daarop liet zich de titih van twee kanten in de kotta hooren.[111]Diep ontzet hadden de vier Europeanen dat vreeselijk drama bijgewoond. Na afloop der gerechtszitting hadden zij zich naar hun woonvertrek begeven; lang zaten zij evenwel bij elkander, voor dat een hunner de stilte verbrak en den somberen gedachtenstroom, die hen bestormde, verstoorde. Eindelijk ontrukte zich La Cueille met een beweging, alsof hij aan de nachtmerrie poogde te ontkomen.„Nom d’un chien!” riep hij met een diepen zucht, „we zijn toch te midden van een raar volkje verdwaald.”Dat alledaagsch gezegde verbrak toch de betoovering, die de anderen omkluisterd hield. Het was of een dichte nevel plotseling scheurde en opgerold werd.„Dat zijn we. We zitten op den eersten rang en kunnen naar hartelust genieten,” lachte Johannes, „’t zal evenwel zaak zijn te trachten, ons buiten alle bemoeiing te houden.”„Donders, ja!” meende Schlickeisen, „verbeeldt je, dat een onzer uitgenoodigd werd om in zulk een kooi plaats te nemen.”„Of zijn vinger in gloeiende hars te steken.”„Ja, laat de verliefden maar oppassen,” voegde Johannes er waarschuwend bij, „laat ze ’t niet in hun hoofd krijgen hun schoonen af te schepen. ’s Lands wijs ’s lands eer. Noch Moendoet, noch Hamadoe zouden er voor terugdeinzen, een verleidingsbasara op touw te zetten.”„En dan vooruit met je vinger,” lachte Schlickeisen.De Waal bekeek zijn index met een bezorgdheid, alsof hij de brandende pijn reeds voelde.„Duivels!” bromde hij, „dat ’s lastig. Een mensch kan toch wel eens van gedachte veranderen.”„Jawel, maar pas op je vinger. Zoo’n kommetje hars is net zoo lekker als de fijt.”[112]„Panaris, mon ami, te voilà dans de jolis draps!” prevelde de Waal binnensmonds en meer hardop:„Dank je voor den raad; ik zal op mijn vinger passen. Maar.… er is toch iets wat mijn nieuwsgierigheid ten hoogste prikkelt.”„En wat is dat?” vroeg Johannes.„Men heeft drie vingers in de hars gedoopt, niet waar?”„Wel zeker, dat hebben we allen gezien.”„Maar wat nu, wanneer morgen twee vingers of alle drie blijken gebrand te zijn?”„O heilige eenvoud!” gilde Johannes uit. „Nu die is goed! Alle drie! ha, ha, ha! dat zou de wijsheid van koning Salomo zelven op een harde proef gesteld zijn. Ha ha ha!” en Johannes lachte, dat hij schudde.„Nu wat valt er toch te lachen?” vroeg de Waal gebelgd. „Ik begrijp er niets van. Drie menschen hebben den vinger in gesmolten hars gestoken; wat is natuurlijker, dan dat ze zich alle drie deerlijk gebrand hebben? Het tegendeel zou stof tot lachen geven.”„Nu, dan zul jij morgen lachen kunnen, laat je dat gezegd zijn. Alle drie! ha ha ha!” ging Johannes in zijn lachbui voort. „Maar och! schei nu uit, ik krijg pijn in de zij van al dat gelach.”„Dat je lacht, daar heb ik vrede mede; maar vertel waarover je lacht. Misschien lachen wij mede.”„Je bent een uilskuiken.”„Die prijs is meer voor me geboden; dat begrijp ik. Maar lach je daarom?”„Maar er konden geen drie zich den vinger branden.”„Dat begrijp ik weer niet.”„Je bent een „bodokh” (domkop). Je hebt nummer drie der aanbidders van de schoone dien kreet wel hooren slaken?”[113]„Ja zeker, ik ben Goddank niet doof.”„Dat ’s een geluk voor je. Nu, die alleen heeft zich den vinger gebrand.”„Maar we hebben de twee anderen toch ook den vinger in den njating zien steken.”„Luister. De twee eersten waren welgestelde jongelingen, die slechts een blik met de rechters te wisselen hadden, om voor de gepersonifieerde onschuld gehouden te worden. Misschien hadden de rechters hun loon reeds beet, zoo niet, dan zal het hun niet ontgaan. De derde was een arme drommel, van wien volstrekt niets te halen was. Die had geen blikken te wisselen.”„Dat alles zou ik begrijpen, wanneer ik niet met mijn eigene oogen, „hisce meis propriis oculis,” zou de pastoor van Jupille zeggen, de drie vingers in het gesmolten hars had zien op en neer gaan. Ik heb goed gekeken.”„Zoo, heb jij goed gekeken? Wel vertel dan, wat je meer gezien hebt.”„Wat zou ik meer moeten gezien hebben?”„Dat beweert goed gekeken te hebben!” sprak Johannes met ietwat kleinachting in zijn stem. „Heb je niet gezien, dat de kleur van het hars in de drie kommen niet gelijk was?”„Wat zou dat? hars is hars.”„Neen, domoor! hars is geen hars of liever het eene hars is het andere niet. Luister nog een oogenblik. De edelste soorten als de „njating mata koetjing,” de „njating bapoeti” en de „njating linoh”,9als van zeer zuivere compositie smelten op zeer lagen warmtegraad; daarentegen[114]hebben de njatings: „kroeën, toelang en anlei”10als zeer aardachtig en poreus van samenstel, een veel hoogere temperatuur noodig om vloeibaar te worden.”„O!… zoo!”„Begin je te begrijpen? dat ’s waarachtig gelukkig. Laten je nu de rechters den vinger in een kommetje met mata koetjing-hars steken, dat maar eventjes genoegzaam verwarmd is om vloeibaar te worden en aanmerkelijk kan afkoelen, alvorens weer vast te worden, dan kun je het daarin zoo lang uithouden als je verkiest, zonder anderen hinder, dan een eenigszins branderig gevoel. Maar laten ze je, je index in njating kroeën steken, dan zou je net doen als de pandeling van straks, dan zou je schreeuwen en dan zou je den volgenden morgen met een ontvelden vinger voor den dag komen.”„En dan nog trouwen op den koop toe! verd.… dat ’s gemeen!”„Ja, dat is gemeen, en te gemeener, wanneer de gedwongen huwelijkskandidaat zich hoegenaamd geen schuld bewust is.”„Hoe dat zoo?”„Denk je, dat dat meisje van straks dien armen pandeling zelfs maar een oogopslag heeft waardig gekeurd? Bij lange niet. Wie weet of vóór den dag van heden zij ooit aan hem of hij ooit aan haar heeft gedacht. Maar de looze feeks begreep al ras bij de wending, die het proces nam, dat de rechters niet genegen waren haar in haar matrimoniale wenschen behulpzaam te zijn. Toch wilde zij haar misstap onder een huwelijksmantel bergen.”[115]„Dat zal een verbintenis zijn, die in den hemel gesloten is,” grijnsde Schlickeisen, die als zoon van een theologant wel eens vroom kon zijn.„Och, zij zal daarom niet minder gelukkig of ongelukkig zijn,” antwoordde Johannes. „Die pandeling herkrijgt op den trouwdag zijn vrijheid, dat ’s al een uitkomst voor hem, daarbij bekomt hij een aardige vrouw, geheel in den smaak der Dajaks11; en.…. wat zal ik er meer van zeggen? In Europa worden toch ook wel zulke huwelijken gesloten, niet waar?”„Jawel, maar toch zonder gebranden vinger.”„Daarover wil ik niet twisten,” schaterde Johannes; „want dan krijg ik van de drie „totoks”12tegelijk er van langs.”[116]1Een Kiham—in het Maleisch Riam—wordt een plaats in de rivier genoemd, waar door rotsbeddingen de breedte der rivier zeer versmald wordt, zoodat het water als te samen geperst, genoodzaakt is door een smallen doorgang te dringen. Veelal gaat daarmede ook een tamelijk verval van de rivierbedding gepaard. Een eigenlijke val is het in den regel niet. Een waterval, waar het water van een hoogte schier loodrecht neerstort, heet „gohong.”↑2Koedjang is een knolgewas, dat veel in moerasachtige streken groeit. In de benedenlanden wordt het bijzonder veel aangetroffen en is daar naast de rijst het hoofdvoedsel der bevolking. In de bovenlanden wordt het ook in poelen en moerassen gevonden, doch niet zoo algemeen.↑3Tobah is een struik, die tot de Rhisophoren behoort. Als zoodanig komt hij in de benedenlanden veelvuldig, in de bovenlanden alleen in moerasgronden voor.↑4Dit is een veel gebruikt spreekwoord om het doen van vruchtelooze pogingen aan te duiden. Het wordt ook als raadsel opgegeven en luidt dan: „inedjep halit, inedjep halit, en kaom?” Telkens doorstoken, doch immer geheeld, wat is uw antwoord? En dat antwoord is: het water.↑5Rantèpbeteekent, dicht aan elkander sluiten, nauw vereenigd zijn. Waarlijk een schoone naam voor een gerechtshof.↑6Kamanangangkomt van „kamang”, een werkwoord, dat betasten beteekent, als zijnde door betasting behoorlijk op de hoogte der zaak.↑7Rear, een verbastering van reaal, is een denkbeeldige munt ter waarde van twee gulden en wordt ook welkipinggenoemd.↑8In 1861 werd in de boven Manohin iemand die bij het „hagalangang” licht gekwetst was, door de tegenpartij gekapt en gekerfd, waarbij evenwel gezorgd werd, dat geen levensgevaarlijke wonden werden toegebracht. Daarna werden die wonden met een sterk aftreksel van lombokh ingesmeerd. Onder de ondenkbaarste folteringen gaf de ongelukkige den geest.↑9Mata koetjingbeteekent kattenoog,bapoetiwit enlinohgladheid, die benamingen doelen op de eigenaardigheden van die soorten. Alle drie zijn fraai doorschijnend, de eerstgenoemde als kristal.↑10Kroeën beteekent gemengd, toelang beenachtig en anlei vuil, smerig; ook deze benamingen doelen op de geaardheid der soorten, die zij aanduiden.↑11Over dien smaak is hier niet veel meer te vertellen. Die daarvan meer wil weten, wordt verwezen naar de vaak aangehaalde „Ethnographische beschrijving der Dajaks” van den schrijver.↑12Totok een soort van bijnaam in N.I. om volbloed Europeanen aan te duiden.↑
XXII.Toebereidselen voor de reis.—Een volksverhuizing.—Het „manobah”.—Onhandigheid.—Wienersdorf te water.—La Cueille brengt het er niet beter af.—Lachbui.—Einde der vischvangst.—„Kalampies.”—Een Dajaksch tribunaal.—Beëediging.—La recherche de la paternité.—De vingerproef.—Het „hagalangang” of het bewijs met de werpspies.—Nabreeuwen.
Toebereidselen voor de reis.—Een volksverhuizing.—Het „manobah”.—Onhandigheid.—Wienersdorf te water.—La Cueille brengt het er niet beter af.—Lachbui.—Einde der vischvangst.—„Kalampies.”—Een Dajaksch tribunaal.—Beëediging.—La recherche de la paternité.—De vingerproef.—Het „hagalangang” of het bewijs met de werpspies.—Nabreeuwen.
Toebereidselen voor de reis.—Een volksverhuizing.—Het „manobah”.—Onhandigheid.—Wienersdorf te water.—La Cueille brengt het er niet beter af.—Lachbui.—Einde der vischvangst.—„Kalampies.”—Een Dajaksch tribunaal.—Beëediging.—La recherche de la paternité.—De vingerproef.—Het „hagalangang” of het bewijs met de werpspies.—Nabreeuwen.
Na die bedrijvigheid gingen een paar dagen in ongestoorde rust voorbij. Vooral de Europeanen luierden letterlijk uit van de vroeger ten toon gespreide arbeidzaamheid. Maar toen die om waren, werd het tijd aan de voorbereidingen tot het vertrek te denken.Die voorbereidingen waren waarachtig niet onbeduidend. Het waren thans geen vier mannen slechts, die de reis zouden aanvaarden; het was een geheele kolonie, die de binnenlanden ging intrekken om zich daar metterwoon te vestigen. Het huisgezin van Amai Kotong was zeer talrijk; hij zelf had een twaalftal kinderen, waarvan de grootste helft gehuwd en op haar beurt reeds ruim gezegend was of in staat van zegening verkeerde, of de hoop op zulk een zegening koesterde. Hij bezat daarenboven een tachtigtal pandelingen van beiderlei kunne en een twintigtal kinderen van die pandelingen. Het was bijgevolg een geheele volksverhuizing, die te regelen viel. Bij die verhuizing zouden zich aansluiten Hamadoe, de zuster van Harimaoung Boekit, met een paar vriendinnetjes, onder welke laatsten de lieve Moendoet,[92]de aanstaande mevrouw La Cueille, gerekend moest worden; verder het Poenanhoofd met zijn stamgenooten, welke laatsten wel een gewenschte toevoeging aan den tocht zouden uitmaken. Die fiere zonen der wildernis waren fiksche pootige kerels, ieder als een Hercules gebouwd, met spieren als van staal en gewoon om bij hun tochten door de bosschen de grootste hinderpalen te overwinnen en om ontberingen te lachen. Zij zouden de eigenlijke kracht van de reizende kolonie uitmaken; ja, zonder hen ware de verhuizing, althans op die schaal, wellicht onmogelijk geweest; want het waren bijna honderd vijftig menschelijke wezens, allen bewoners van kotta Djankang, waaronder vele vrouwen en kinderen, die het koppensnellersland zouden intrekken.De afstand, die afgelegd moest worden, was niet zoo bijzonder groot. In rechte lijn bedraagt die van kotta Djankang tot kotta Rangan Hanoengoh, verblijfplaats van Harimaoung Boekit aan de soengei Miri, nog niet volle 140 kilometer. Maar in een terrein als de boven-Dajaklanden is de rechte lijn niet denkbeeldig als bij ons, doch geheel en al onbekend; en de kronkelingen van den te volgen weg moesten zoodanig in rekening gebracht worden, dat die 140 KM. onoverdreven tot het dubbele getal uitdijden en dat langs gemeenschapswegen, die dien naam ternauwernood mochten dragen.Johannes drong tot spoed aan. Hij bracht de wat langzame Dajaks aan het verstand, dat in de bestaande omstandigheden, tijd veel meer dan goud waard was, iets wat hun begrip geheel en al te boven ging. Men was in het land, waar het goud maar voor het rapen was; maar als men het geraapt had, och! dan had tijd hoegenaamd geen waarde meer.„Wat de menschen toch dwaze dingen vertellen kunnen,” redeneerden de kotta Djankangers en de Poenans,[93]„vooral wanneer zij met die inhalige blanken in aanraking zijn geweest.”Maar zonder zijn wenkbrauwen te fronsen, maakte Johannes hun duidelijk, dat, wanneer de leden van het gezantschap niet in hun zending slaagden en de Hollanders het er op zetten naar de Boven-Kapoeas terug te komen, men ze spoediger zou zien verschijnen, dan wel gedacht werd. De beschikkingen, die voor de voorgenomen verhuizing te nemen waren, konden veelvuldig genoemd worden en de tijd was kort.Eindelijk behaalde de redeneerkunst van den vermomden blanke de overwinning op de traagheid der inboorlingen en nu dit eenmaal het geval was, nu waren de belanghebbenden weldra in volle beslommering om zich tot het vertrek gereed te maken.Het eerste, waaraan de aandacht gewijd moest worden, waren wel de vervoermiddelen. Men had hoegenaamd geen moeilijkheden ondervonden, om de prauw die de vluchtelingen te Kwala Kapoeas van Baba Poetjieng gekregen hadden, om de reis over zee naar Singapore te maken, tot hier voor kotta Djankang te brengen. Heeft niet al te lang droogte geheerscht, dan is de Kapoeas tot hier met gemak voor kleine stoomschepen van zes voet diepgang bevaarbaar. Dit is zelfs het geval tot Kiham Hoeras, een halve dag roeiens boven kotta Sambong. Maar daar bij dien eersten waterval of beter, bij die eerste stroomversnelling1—want een eigenlijke waterval is het niet—beginnen de groote[94]moeielijkheden van een reis naar de bovenlanden; want dan heeft de reiziger een aantal van die stroomversnellingen te doorworstelen. Er valt dan ook niet aan te denken, groote prauwen daartegen op te halen; maar moet de reis met zeer lichte vaartuigen, bij voorkeur met djoekoengs of rangkans volvoerd worden. En dan nog moeten dezen met de grootste behoedzaamheid gestuurd worden, want een verkeerde beweging van den roerganger, doet het vaartuig dwars-strooms geraken en heeft omslaan tot natuurlijk gevolg.Rangkans en djoekoengs waren in voldoende hoeveelheid te kotta Djankang voorhanden en bevonden zich goed bewaard onder de op palen gebouwde woonhuizen en magazijnen binnen de versterking. Men kon, zoo men wilde, dadelijk beginnen met die te water te brengen en haar op doelmatige wijze te beladen. Dewijl zij van wege de kihams nog al eens ontscheept zouden moeten worden, zorgde men, dat zooveel mogelijk alle mede te voeren voorwerpen tot een- of tweemans vrachten verpakt werden, waarbij niet uit het oog mocht verloren worden, dat de Dajaks zeer ongeneigd zijn, lasten op hun schouders te torschen en dat ook niet kunnen in die mate, als dat door de Javanen verricht wordt. Daarom werden dan ook de levensmiddelen en alle andere zaken, die zich daartoe eigenden, in mandjes verpakt, die van de noodige rottanlussen voorzien, als een ransel op den rug bevestigd en alzoo met gemak en behendigheid gedragen konden worden. Die mandjes in de Dajaklanden zijn van gevlochten rottan vervaardigd, hebben den vorm van een afgeknotten kegel van ongeveer 75 cM. hoog, met een bovenwijdte van ± 40 en een benedenwijdte van 25 cM., zijn van binnen met waterdichten boombast gevoerd en hebben een flink en hermetisch sluitend deksel.[95]De kanonstukjes werden nog in batterij gelaten, om bij een eventueelen terugkeer des vijands niet ongewapend overvallen te worden; evenwel werden er stevige rottanstrikken zoodanig omgelegd, dat men slechts de noodige draagstokken door de gevormde lussen te steken had om de vracht dadelijk te kunnen optillen en weg te voeren. De deserteurs belastten zich voornamelijk met het vervoer van de artillerie en munitie, waarvoor hun stevige schouders ten volle berekend waren. Wel had men er een oogenblik aan gedacht, een paar dier stukjes ter bewapening van kotta Djankang achter te laten. Maar de zeer gegronde opmerking, dat de Hollanders ze toch als hun eigendom zouden terugnemen en het ook beter was, dat de kotta bij de nieuwe phase, die haar bewoners intraden, een zeer vreedzaam uitzicht had, deed daarvan afzien. Dezelfde beweegreden gold ook ten opzichte van de buitgemaakte geweren te Kwala Hiang, die allen medegenomen werden. Van een andere zijde had ook Harimaoung Boekit zich zeer begeerig getoond die stukjes te bezitten. Wat zou hij trotsch zijn, wanneer hij zijn kotta in soengei Miri daarmede bewapend zoude zien.Voedingsmiddelen waren in overvloed voorhanden, dat wil zeggen, men had rijst in voldoende hoeveelheid; ook had men een goede provisie „koedjang”2, lombok en andere toespijzen. Alleen in vleeschspijzen was men niet ruim gesorteerd. Het gezouten vleesch en spek, door de deserteurs aangevoerd, waren nog slechts voor een klein gedeelte aanwezig, dewijl de Dajaks zich daaraan[96]als aan een délicatesse hadden te goed gedaan. Amai Kotong en Harimaoung Boekit verzekerden evenwel, dat op hun reis geen dierlijk voedsel zou ontbreken; de vrienden zouden meer dan eens in de gelegenheid komen om met hun juist schot een hert neer te leggen.Maar om toch geen teleurstelling deswege te ondervinden, werd besloten een „manobah”, dat is een vischvangst op groote schaal te doen plaats vinden, om zulk een ruime proviand op te doen. De gasten te kotta Djankang werden uitgenoodigd, die vischpartij bij te wonen. Onze reizigers zouden ervaren, dat zulk een partij een waar nationaal feest voor de Dajaks is, hetwelk voor hen uiterst belangwekkend zoude zijn.Tot de voorbereidingen tot die vischvangst behoorde de inzameling van een aanzienlijke hoeveelheid wortels van den „tobah”-struik3. Daar er nog al moerasachtige plekken tusschen de omringende heuvels van kotta Djankang aangetroffen worden, baarde die inzameling niet veel moeite en was zij al zeer spoedig geschied. De ingezamelde wortels werden toen in verscheidene djoekoengs met overvloedig water geweekt en daarna met platte stukken hout zoolang geklopt, totdat het water in de djoekoengs een melkwitte kleur verkregen had. De uitgeweekte wortelvezels werden toen verwijderd en het vocht behoorlijk afgeschuimd, waarna wat levende kalk en een vrij sterk aftreksel van tabak daarin gemengd werd. Men had toen zoo wat een zestal djoekoengs met tobahwater gevuld.Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag[97]voeren een overgroot aantal zeer lichte vaartuigen, waaronder ook die met het mengsel gevuld, de soengei Mawat in, waarna dat riviertje met een „salambouw”, groot vierkant net met middelmatig groote mazen, zoodanig afgesloten werd, dat de onderrand van het net, op de bedding der soengei met steenen verankerd en de bovenrand zoo wat een handbreedte boven het watervlak uitstekende, geen enkele visch het riviertje kon verlaten. Twee djoekoengs, ieder met drie opvarenden bemand, vatten post bij het net om te waken dat het niet, hetzij door opkomende prauwen, hetzij door den zwaren stroom beschadigd of opgetild werd.Toen men daarmede klaar was, verdeelde het mannelijk gedeelte der expeditie zich zoodanig over de aanwezige djoekoengs, dat in ieder der vaartuigen zich drie man bevonden. De dameswereld—want vele der schoonen van kotta Djankang waren mede uitgetogen om van de pret getuigen te zijn—had zich bij elkander in twee groote prauwen geschaard, terwijl een derde prauw een aantal Balians bevatte, die bij geen feestelijkheid, dus ook bij deze niet, mochten ontbreken.Nu werd de soengei in alle stilte, maar toch krachtig en vlug, opgeroeid. Dat oproeien duurde zoo omstreeks vier uur en onderwijl werden de mondingen van een paar onaanzienlijke spruitjes, die zich in de Mawat ontlastten, ook met netten afgesloten.Op de gewenschte plaats aangekomen, werd het tobahwater op verschillende punten tegelijk met klapperdoppen in de rivier geworpen. Terwijl de vaartuigen zachtjes en in alle stilte zich voor den stroom lieten afdrijven, was men gedurende een klein half uur nagenoeg werkeloos, om het vergiftigde water tijd te geven, zich met het rivierwater te vermengen. Intusschen maakten de visschers zich gereed den buit te kunnen bemachtigen. Van[98]de drie opvarenden, die iedere djoekoeng bemanden, bleef hij, die aan den achtersteven gezeten was, de pagaai in handen houden om het vaartuig te besturen; de twee anderen met een harpoen of een schepnet gewapend, de een voor op de spits, de ander in het midden der djoekoeng post vatten, gereed om toe te tasten.Men had Schlickeisen en Johannes bij elkander in een en Wienersdorf met La Cueille in een andere djoekoeng geplaatst. De Waal had bij al die voorbereidingen al schuchter uitgekeken en aan Johannes in het voorbijvaren al eens gevraagd, of hij geen verzen uit den Koran te prevelen had.„Loop heen,” had deze geantwoord, „je bent immers geen Sjech meer; handel nu maar, zooals je je vrienden, de Dajaks, ziet doen.”„Ik wou, dat ik aan den wal was,” prevelde de Belg, wien dat geheele spel niets beviel.„Misschien bij moeders pappot thuis, niet waar?” lachte Johannes.Na ongeveer een half uur begon zich de werking van het bedwelmende vocht te openbaren. Eerst kwamen de kleinste visschen aan de oppervlakte, staken de koppen boven water, zwommen in steeds kleiner en kleiner wordende kringen rond en trachtten in hun doodsbenauwdheid uit het vergiftigde vocht te springen. Met deze werd niet veel omhaal gemaakt; zij werden eenvoudig met het schepnet of met mandjes opgehaald en in de vaartuigen geworpen.Maar later werden de visschen, die de watervlakte in beweging brachten, al grooter en grooter en ook talrijker. Nu werd naar den „salahawo” (harpoen) gegrepen; want het was totaal ondoenlijk, visschen van een à twee M. lengte met het schepnet op te halen. Nu begon een leven, een bedrijvigheid, die onze Europeanen[99]verrukten en waaraan zij van nu af met hart en ziel deel namen. Al de aanwezige vaartuigen—wel een vijftig in getal—schoten over een oppervlakte van slechts zeer geringe uitgestrektheid als door elkander. Met de uiterste behendigheid stuurden de roergangers op de wenken en aanwijzingen der harpoeniers hun vaartuigjes. In het water beschreven de visschen groot en klein allerwege kringen, plasten en sprongen, om eindelijk aan den harpoen geregen te worden. De menigte joelde door elkander; de befaamde visschers spreidden met een soort van trots hun behendigheid ten toon. De jongere poogden die kunststukken na te doen en werden daarin aangemoedigd door de lieve toeschouwsters, die een vreugdekreet niet konden weerhouden, wanneer het een der jongelingen gelukte, een aanzienlijke vangst te doen. De Balians gilden haar gezangen, roffelden op haar trommen en wisselden haar invocatiën met de Sangiangs om den visschers een overvloedige vangst te verleenen, af met loftuitingen op hen, die zich door behendigheid en kracht onderscheidden.Van die loftuitingen kregen onze Europeanen maar een zeer sober deel en dat deel kon nog slechts meer als een beleefdheidsvorm van de dartele priesteressen, dan als verdiend beschouwd worden. Wel hadden de nieuwbakken Dajaks de behendigste prauwvoerders te hunner beschikking, maar dat hielp hen niet veel; want dat het harpoeneeren niet ieders werk is en een voorafgaande oefening vereischt, bleek hun al ras. Ontelbare malen staken zij toe, zooals zij dat de mannen hunner omgeving zagen doen, wanneer het water in de nabijheid hunner djoekoengs in een borrelende beweging geraakte en dan te midden der gevormde kringen een gapende kop aan de oppervlakte verscheen; maar telkens te vergeefs. Dan eens gleed de harpoen voor of achter het[100]doel, dan weer eens rechts of links van den visch zonder hem te raken, of werd hij al eens geraakt, dan nog was de stoot zoo onvast, zoo onbehendig aangebracht, dat de harpoen op de glibberige huid van den visch afstuitte en er niet doordrong. En het was of de waterbewoners begrepen, dat daar dichtbij die twee djoekoengs het gevaar het minst was. In die nabijheid borrelde het water het allermeest en was het soms of het kookte; allerwege kwamen gapende koppen te voorschijn.Bij de eerste stooten zetten de Djankangers en de Poenans verwonderde gezichten; zij konden niet begrijpen, dat iemand zoo onhandig kon zijn. Hoofdschuddend schreven zij dat aan den omgang hunner gasten met de Hollanders toe: „die verwijfde bleekgezichten waren niet eens in staat een ellendig vischje voor hun maaltijd te bemachtigen.” Geen dier natuurkinderen miste ooit een stoot en, terwijl zij de kleine zooi veronachtzaamden, werden niet zelden met veel gejuich of een „dahoeman”, een paling van soms twee M. lang, of een „kaloi”, of een „djampol”, witvisschen van geen mindere lengte, boven water gehaald. Maar toen die misstooten aanhielden en onze vrienden nog geen enkel vischje, groot of klein, bemachtigd hadden, begon een luid gelach hun telkens vergeefsche pogingen te begroeten en weldra regende het kwinkslagen van alle kanten.„Inedjep halit! inedjep halit!” (doorstoken, maar toch geheeld)4klonk het grinnikend, en het waren voornamelijk de vrouwen, die zich met die onhandigheid vermaakten.[101]Dat werkte eenigermate op het gevoel der onbedreven harpoeniers. O! hadden hun stooten aan hun verlangen beantwoord, dan hadden zij zegevierend den salahawo gedrild en hun omgeving een lesje gegeven. Maar, helaas! hun pogen beantwoordde niet aan hun begeerte om uit te blinken. Wel trachtten zij onder de spottende oogen der schoonen telkenmale bewijzen van vooruitgaande behendigheid te geven. Zij werden al meer en meer opgewonden en driftig onder den angel der kwinkslagen en stootten eindelijk toe met een kracht, alsof zij de visschen aan den bodem der soengei wilden vaststeken. Voornamelijk staken Wienersdorf en La Cueille grimmig toe; zij voelden zich als vernederd, zoo onder de oogen hunner aangebedenen uitgelachen te worden. In het vuur van den strijd bracht de Zwitser op eens zijn harpoen met zoo’n kracht vooruit, dat de djoekoeng kantelde, hij het evenwicht verloor en kopje onder in het water verdween. Een uitbundig gelach en een gillend hoera begroetten dien val. Blazend en proestend greep de drenkeling, toen hij weer aan de oppervlakte verscheen, een hem toegestoken pagaai en trachtte zijn plaats in de djoekoeng te nemen, daarin geholpen door een aantal armen, die zich hulpvaardig, maar toch spotziek, naar hem uitstrekten en het hunne er toe bijbrachten, om hem meer water te doen innemen, dan wel bij minder luchthartige hulp het geval zoude geweest zijn.De lieve Hamadoe had innig medelijden met het ongeval van haar galant, maar kon toch niet nalaten hartelijk mede te lachen.Maar La Cueille, die aan zijn lachlust ook botgevierd had, bracht het er niet beter af. Bij een zijner veelvuldige pogingen gelukte het hem eindelijk zijn harpoen in het lichaam van een kolossalen visch vast te steken.[102]Met inspanning van alle krachten trachtte hij zijn vangst binnen boord te halen, maar dat was zoo gemakkelijk niet. Wanhopig spartelde het gewonde dier tegen en ontwikkelde daarbij een spierkracht, die onzen Waal in zijn schommelend vaartuig veel werk gaf. Eindelijk na veel getob en na vele inspanningen kwam hij er toe, den kop van den visch op den rand van de djoekoeng te brengen; maar toen.…„Sainte Vierge de Jupille, ayez pitié de moi!” schreeuwde hij, terwijl hij den steel van den harpoen plotseling losliet, waardoor het evenwicht verloren ging, het vaartuig onder de zwaarte van den visch overhelde en ook hij over het monster heen in het water terecht kwam. Was het gelach straks uitbundig geweest, thans barstte een ware storm los. Het was of het waanzin was, die al de aanwezenden in een aanstekelijke lachbui had gebracht. Nimmer had het volkje van kotta Djankang zoo’n pret gehad.De Waal kroop beschaamd en beteuterd aan boord. De lachlust verminderde niet, toen hij druipnat en met sluik hangende haren en baard zorglijk rondkeek waar toch zijn harpoen gebleven was. Een der Dajaks had dien gegrepen en met weinig moeite den visch bemachtigd. Het was een „intoh” van ruim zes voet lang, die met zijn krokodilachtigen muil en ontzagwekkende tanden den Waal zoo’n schrik had aangejaagd en zijn bede om hulp had afgeperst. Toen het dier bij La Cueille in de djoekoeng geworpen werd, scheelde het al zeer weinig of deze was andermaal te water gegaan; hij vermande zich echter, maar zorgde toch op een eerbiedvollen afstand van de tanden van het zieltogende dier te blijven.Langzamerhand verminderde het aantal visschen, dat zich aan de oppervlakte des waters vertoonde, en weldra[103]kon de vangst als geëindigd beschouwd worden. Men was ook zoo zachtjes, al harpoeneerende, al lachende, schreeuwende en gillende de soengei Mawat afgezakt en de vaartuigen bevonden zich eindelijk in haar monding. Nadat de salambouw was opgehaald, stevende men de Kapoeas in en werd de visschersvloot feestelijk en onder het gedonder van het onmisbare kanonvuur te kotta Djankang ontvangen.Een tiental djoekoengs waren boordevol met de opbrengst van het manobah gevuld. Onder de gevangen visschen waren de reeds genoemde soorten: kaloi, djampol en dahoeman, ruimschoots vertegenwoordigd. Het meest was echter de „handiroeng” gevangen, een intertropische forelsoort van ongeveer 12 dM. bij volkomen wasdom, die zeer lekker is en dan ook volkomen gewaardeerd wordt. Van deze soort bevonden zich een groot duizendtal in de djoekoengs.Het grootste gedeelte dezer vangst werd onder de bevolking verdeeld. De visschen, door het tobahvergif gedood, kunnen genuttigd worden en zijn volkomen onschadelijk. Zij kunnen evenwel niet gedroogd of gezouten worden, daar zij te spoedig tot bederf overgaan. Een groot aantal forellen werden tot „kalampies” toebereid, dat wil zeggen, zij werden in mooten gesneden en daarna in bladeren gewikkeld, om met wat zout en fijngewreven lombokh gepoft te worden. Zoo geconserveerd, kon die visch een onbepaalden tijd bewaard worden en waren die kalampies voor de reizigers een zeer welkome proviandeering, daar zij hen van iedere bezorgdheid omtrent dierlijk voedsel op de reis onthief en hen dienaangaande van alle eventualiteiten onafhankelijk maakte.Daags na die vischvangst zouden onze deserteurs van een plechtigheid van anderen aard getuigen zijn. Waarlijk,[104]het scheen alsof het lot het er op gesteld had, hen het geheele innerlijk leven van de volkstammen, in wier midden zij zich bevonden, te laten aanschouwen.In de Dajaklanden wordt overal op een vastgestelden dag van de week recht gesproken. Het kottahoofd omringt zich dan door drie tot zeven oudsten, naarmate van de belangrijkheid van de te voeren gedingen, en beslecht de geschillen, die in de afgeloopen week zijn ontstaan en omtrent welker beëindiging zijn bemiddeling is ingeroepen. Dat is in den regel voor de bevolking geen gewone dag. De Dajaks toch zijn het meest gedingzuchtige volk der geheele aarde. Zij gevoelen zich niet gelukkig, wanneer zij niet een „basara” (proces) hebben. Blijft hun die karaktertrek in de toekomst bij, dan zullen zij, wanneer zij eenmaal in den maalstroom der beschaving medegesleept worden, het land van belofte voor de advocaten vertegenwoordigen. Zoo’n basara-dag is dan ook een halve feestelijkheid voor de bewoners eener kotta, daar het bijwonen van de zitting van den „rantèp” (landraad)5voor velen een onweerstaanbare aantrekkelijkheid heeft. Voor kotta Djankang was de eerstvolgende „rantèpan” buitendien van buitengewone beteekenis, daar het nieuw benoemde hoofd Amai Njawong, de vervanger van Amai Kotong, voor de eerste maal als voorzitter zoude optreden.Er waren eenige voorafgaande kleine geschillen uit te maken, waarbij de Europeanen de bedrijvigheid en de behendigheid der „kamanangan’s” (advocaten)6konden gadeslaan. Met uiterst veel belangstelling zagen zij, dat die pleitbezorgers bij ieder hunner overtuigende redeneeringen[105]of afdoende tegenwerpingen, en ook bij ieder geleverd bewijs, een rottanpoppetje, „hampatong oewei” genaamd, waarvan zij ambtshalve voorzien waren, voor zich in den grond staken of een dergelijk, door de tegenpartij reeds geplant, wegnamen. Deze poppetjes verzinnelijkten het aantal geleverde deugdelijke bewijzen. Na afloop der pleitredenen werden zij aan weerszijden geteld en de basara ten voordeele van hem uitgewezen, wiens advocaat het grootste aantal poppetjes had kunnen planten en behouden. Dat daarbij niet weinig goochelarij aan den dag gelegd werd, ontsnapte onzen avonturiers niet. Het gebeurde zelfs, dat twist onder de kamanangan’s over het aantal hampatong oewei ontstond en de eene partij de andere beschuldigde van met dubbel krijt te hebben geschreven, hetgeen natuurlijk tot een nieuw proces aanleiding gaf en met de noodige getuigen de volgende week zoude dienen.Tot de meer belangrijke gedingen behoorde de beschuldiging, die een meisje tegen een der meest welgestelde jongelingen der kotta inbracht, namelijk haar verleid te hebben, van welke daad de gevolgen niet uitgebleven waren. Toen zij haar beschuldiging met heldere stem, zonder blikken of blozen, uitgesproken had, moest tot het „manjapa” (beëediging) overgegaan worden. Een der rechters bracht een zwarte kip te voorschijn en reikte de schoone een ontblooten mandauw over, terwijl hij in weinige woorden opmerkte, dat met dat wapen menschenbloed vergoten was. Zij nam het zwaard met vaste hand aan, zwaaide het, terwijl een glimlach haar lippen krulde, bevallig boven haar hoofd en richtte de bede tot Mahatara, te willen toestaan, dat zij onthoofd zoude worden, zooals dat der kip ging geschieden, bijaldien zij onwaarheid had gesproken. En den arm bliksemsnel en met kracht omlaag[106]brengende, hieuw zij de kip den kop af. Het wapen toen overreikende, ving zij wat bloed van het dier op en besmeerde zich daarmede den fraaien boezem en de bovenarmen onder het uitspreken van de schrikverwekkendste verwenschingen.Op de vraag, of zij getuigen kon bijbrengen, wees zij een harer vriendinnen aan, die bij afvraging verklaarde, slechts gezien te hebben, dat de beschuldigde aan de klaagster een zoen had gegeven, zonder meer.De rechters glimlachten even in hun deftigheid.De beschuldigde jongeling werd nu voorgebracht, maar hij ontkende iedere schuld. Die betuiging bezwoer hij met de duurste eeden en kapte ook in het volle vertrouwen op zijn onschuld een zwarte kip den kop af en besmeerde zich insgelijks borst en armen met het bloed van het vermoorde slachtoffer. Hij antwoordde met een eenvoudig hoofdschudden op de vraag, of hij eenige getuigenis kon bijbrengen; maar met een verwonderlijke radheid van tong wees hij er op, dat het geven van een zoen—daad, die hij volstrekt niet ontkende—onmogelijk het hier gevorderde bewijs van schuld kon daarstellen; want—voegde hij er glimlachend bij—ware dat wel het geval, dan zouden, volgens zijn overtuiging, al zijn rechters meermalen gedwongen in het huwelijk hebben moeten treden, daar het hem bekend was, zij van een zoen volstrekt niet afkeerig waren, en zij zelfs zeer zoenlustig konden genoemd worden. De geheele vergadering barstte op die verklaring in een onmatig lachen uit en niet het minst de rechters zelve, die alleen bij de gedachte aan de hun toegeschreven zoenlustigheid, de tong verlangend over de bovenlip lieten glijden. De Dajak is een ware lachebek; bij iedere gelegenheid voldoet hij met graagte aan die vroolijke geneigdheid.[107]Nadat de lachbui wat over was, werd het meisje gevraagd, of zij geen andere aanwijzingen bij te brengen had om haar beschuldiging te staven. Zij antwoordde ontkennend, doch hield haar aanklacht vol, er evenwel bijvoegende, dat het toch wel zijn kon, dat de beklaagde onschuldig was, daar zij terzelfder tijd een teedere betrekking met een ander jongeling uit de kotta, alsook met een pandeling haars vaders aangeknoopt had. De rechters fronsten de wenkbrauwen, maar konden toch niet anders doen dan de nieuwe beschuldigden voor zich te roepen. Maar ook deze betuigden luid hun onschuld. De pandeling zelfs wilde er niets van weten, dat hij van tijd tot tijd een zoen aan de dochter zijns meesters zou ontstolen hebben. Beiden aarzelden geen oogenblik, hun betuigingen met de duurste eeden te bevestigen.Dat was een moeielijk geval, waarbij de wijsheid van het zoo hoog geroemde nieuwe Nederlandsche strafwetboek te kort zoude geschoten hebben, maar waarin de Dajaksche adat toch voorzien heeft. Na eenige ruggespraak bevalen de rechters, dat drie kommen, met gesmoltennjating(hars) gevuld, voorgebracht zouden worden. Een houtvuur werd toen ontstoken, waarop de kippen, bij de beëediging onthoofd, met veeren en al werden verbrand, hetgeen een ondragelijken stank in de gerechtsloods deed ontstaan en bij ieder der aanwezigen een akelig gekuch uit de longen perste. Middelerwijl hadden de drie beschuldigden zich rondom de kommen geschaard tot het volvoeren van het „hasoedi.” Op een teeken van den voorzitter desrantèp’smoesten zij onder het uitspreken der woorden: „blako ontong Sangiang Assei” (help mij Sangiang Assei) den wijsvinger van de rechterhand in de gesmolten hars steken en dien vinger daarin een paar malen op en neer halen. Op het[108]gegeven teeken daalden de vingers in de kommen, waarbij de pandeling een smartelijken gil slaakte, evenwel den moed had de hevige pijn te doorstaan en de vereischte beweging te maken. De beschuldigster stond er dicht bij; zij wijdde een blik aan den inhoud der drie kommen en keek toen de rechters met een gebaar van verachting aan. Overigens verstoorde zij de eerbiedige stilte niet. De drie vingers werden daarna zorgvuldig ieder in een lapje gewikkeld, dat eerst den volgenden morgen daaraf genomen zoude worden. Hij, wiens vinger alsdan ontveld of anderszins beschadigd zoude blijken, zoude voor schuldig gehouden en dientengevolge veroordeeld worden de klaagster te huwen.Met aandacht hadden de Europeanen die rechtspleging gade geslagen en de wijsheid daarvan bewonderd. Zij zouden in de gelegenheid komen, zich nog meer te verbazen.De laatste basara, die uitgemaakt moest worden, betrof een beschuldiging van poging tot vergiftiging. Dat was een heel oude zaak, die reeds tot veelvuldig en langdurig onderzoek had aanleiding gegeven. Een geruimen tijd geleden was een oud man overleden en wel onder omstandigheden, die een gedachte aan vergiftiging niet geheel verwerpelijk maakte. De zoon van den overledene had een beschuldiging tegen een man ingebracht, die zich vóór het overlijden uitgelaten had, zich te zullen wreken over een vonnis betreffende een diefstal van visch, waarbij de doode een valsche getuigenis zoude afgelegd hebben. Bij dat vergiftigingsproces evenwel konden geene afdoende bewijzen bijgebracht worden; hoe dikwijls ook de zaak voor denrantèpbehandeld was, hoe de kamanangan’s van weerszijden zich ook beijverd en geweerd hadden, hoe vele getuigen ook gehoord waren, steeds was het aantal hampatong oewei[109]van de eene aan dat van de andere partij gelijk geweest, de bewijzen staakten dus, zoodat niet uit te maken was, wie ongelijk had.Zoo was de stand van het proces. Heden zou tot het „hagalangang” overgegaan worden, om tot de ontdekking van de schuld te geraken. De aanklager en de beschuldigde werden op het binnenplein van de kotta ieder in een enge kooi, van stevige bamboelatten zoodanig opgesloten, dat het benedenlijf van de maagstreek af geheel bedekt en beschermd was, terwijl de borst, de armen en het hoofd geheel ontbloot bleven. De kooi was daarenboven zoo eng, dat zij den opgeslotene nauwkeurig omsloot en hij daarin niet wegduiken kon. Op een afstand van ongeveer dertig pas van en front naar elkander geplaatst, werd aan ieder der partijen een scherp aangepunte bamboe van ongeveer een meter lang, die wel een werpspies kon genoemd worden, ter hand gesteld. Op een teeken moesten zij die spies te gelijker tijd naar elkander toeslingeren; hij die het eerste gekwetst werd, het zij licht, het zij gevaarlijk, zou gerekend worden door de Sangiangs veroordeeld te zijn. Viel dit den beschuldiger ten deel, dan verviel de aanklacht en zou hij aan den beschuldigde een boete van 1000 rear7als „harear kahawen” (schaamtegeld) betalen en hem daarenboven nog een mandauw ten geschenke geven moeten, als een teeken, dat hij de uitspraak aannam en hem als voorheen achtte. Werd echter de beschuldigde gekwetst, dan volgde zijn schuldig verklaring aan het hem ten laste gelegde. Hij werd dan ter dood veroordeeld en overgegeven aan de nabestaanden, in dit geval aan den zoon van den overledene, die het recht daarbij zoude verkrijgen, om hem onder de[110]meest onmenschelijke martelingen ter dood te folteren.8Het was een waar Godsgericht, waar om heen zich de geheele bevolking der kotta hoogst belangstellend schaarde.Toen de rechters plaats genomen hadden en een paar jongelingen benoemd waren, om de werpspiesen op te rapen en aan de strijders weer aan te reiken, gaf Amai Njawong het afgesproken teeken. Met kracht werden de gevaarlijke staken geslingerd, maar de kampvechters, door dien engen korf omsloten, hadden veel van hun lenigheid verloren. Die eerste worp werkte niets uit en week zoo ver van het doel af, dat een minachtend gemompel vernomen werd. Ook de tweede was nog mis, ofschoon de spiesen de kampvechters rakelings voorbij snorden. Maar de derde worp had noodlottige gevolgen. In de volle borst door de werpspies, die daarin trillend steken bleef, getroffen, was de beklaagde terstond een lijk, terwijl de beschuldiger, die het hem toegeslingerde wapen iets schuins recht onder de kin in de keel ontving, waarbij de slagader doorsneden werd, nog ettelijke minuten in doodsbenauwdheid rochelde en eindelijk aan bloedverlies bezweek.Bij die noodlottige uitkomst, verklaarde de voorzitter van denrantèp, dat de Sangiangs klaarblijkelijk de uitspraak wilden beletten en de zaak in het duister houden. Hij beval dat de lijken aan de familieleden zouden worden overgegeven, om daarmede volgens de gebruikelijke plechtigheden na een overlijden te kunnen handelen. Heel kort daarop liet zich de titih van twee kanten in de kotta hooren.[111]Diep ontzet hadden de vier Europeanen dat vreeselijk drama bijgewoond. Na afloop der gerechtszitting hadden zij zich naar hun woonvertrek begeven; lang zaten zij evenwel bij elkander, voor dat een hunner de stilte verbrak en den somberen gedachtenstroom, die hen bestormde, verstoorde. Eindelijk ontrukte zich La Cueille met een beweging, alsof hij aan de nachtmerrie poogde te ontkomen.„Nom d’un chien!” riep hij met een diepen zucht, „we zijn toch te midden van een raar volkje verdwaald.”Dat alledaagsch gezegde verbrak toch de betoovering, die de anderen omkluisterd hield. Het was of een dichte nevel plotseling scheurde en opgerold werd.„Dat zijn we. We zitten op den eersten rang en kunnen naar hartelust genieten,” lachte Johannes, „’t zal evenwel zaak zijn te trachten, ons buiten alle bemoeiing te houden.”„Donders, ja!” meende Schlickeisen, „verbeeldt je, dat een onzer uitgenoodigd werd om in zulk een kooi plaats te nemen.”„Of zijn vinger in gloeiende hars te steken.”„Ja, laat de verliefden maar oppassen,” voegde Johannes er waarschuwend bij, „laat ze ’t niet in hun hoofd krijgen hun schoonen af te schepen. ’s Lands wijs ’s lands eer. Noch Moendoet, noch Hamadoe zouden er voor terugdeinzen, een verleidingsbasara op touw te zetten.”„En dan vooruit met je vinger,” lachte Schlickeisen.De Waal bekeek zijn index met een bezorgdheid, alsof hij de brandende pijn reeds voelde.„Duivels!” bromde hij, „dat ’s lastig. Een mensch kan toch wel eens van gedachte veranderen.”„Jawel, maar pas op je vinger. Zoo’n kommetje hars is net zoo lekker als de fijt.”[112]„Panaris, mon ami, te voilà dans de jolis draps!” prevelde de Waal binnensmonds en meer hardop:„Dank je voor den raad; ik zal op mijn vinger passen. Maar.… er is toch iets wat mijn nieuwsgierigheid ten hoogste prikkelt.”„En wat is dat?” vroeg Johannes.„Men heeft drie vingers in de hars gedoopt, niet waar?”„Wel zeker, dat hebben we allen gezien.”„Maar wat nu, wanneer morgen twee vingers of alle drie blijken gebrand te zijn?”„O heilige eenvoud!” gilde Johannes uit. „Nu die is goed! Alle drie! ha, ha, ha! dat zou de wijsheid van koning Salomo zelven op een harde proef gesteld zijn. Ha ha ha!” en Johannes lachte, dat hij schudde.„Nu wat valt er toch te lachen?” vroeg de Waal gebelgd. „Ik begrijp er niets van. Drie menschen hebben den vinger in gesmolten hars gestoken; wat is natuurlijker, dan dat ze zich alle drie deerlijk gebrand hebben? Het tegendeel zou stof tot lachen geven.”„Nu, dan zul jij morgen lachen kunnen, laat je dat gezegd zijn. Alle drie! ha ha ha!” ging Johannes in zijn lachbui voort. „Maar och! schei nu uit, ik krijg pijn in de zij van al dat gelach.”„Dat je lacht, daar heb ik vrede mede; maar vertel waarover je lacht. Misschien lachen wij mede.”„Je bent een uilskuiken.”„Die prijs is meer voor me geboden; dat begrijp ik. Maar lach je daarom?”„Maar er konden geen drie zich den vinger branden.”„Dat begrijp ik weer niet.”„Je bent een „bodokh” (domkop). Je hebt nummer drie der aanbidders van de schoone dien kreet wel hooren slaken?”[113]„Ja zeker, ik ben Goddank niet doof.”„Dat ’s een geluk voor je. Nu, die alleen heeft zich den vinger gebrand.”„Maar we hebben de twee anderen toch ook den vinger in den njating zien steken.”„Luister. De twee eersten waren welgestelde jongelingen, die slechts een blik met de rechters te wisselen hadden, om voor de gepersonifieerde onschuld gehouden te worden. Misschien hadden de rechters hun loon reeds beet, zoo niet, dan zal het hun niet ontgaan. De derde was een arme drommel, van wien volstrekt niets te halen was. Die had geen blikken te wisselen.”„Dat alles zou ik begrijpen, wanneer ik niet met mijn eigene oogen, „hisce meis propriis oculis,” zou de pastoor van Jupille zeggen, de drie vingers in het gesmolten hars had zien op en neer gaan. Ik heb goed gekeken.”„Zoo, heb jij goed gekeken? Wel vertel dan, wat je meer gezien hebt.”„Wat zou ik meer moeten gezien hebben?”„Dat beweert goed gekeken te hebben!” sprak Johannes met ietwat kleinachting in zijn stem. „Heb je niet gezien, dat de kleur van het hars in de drie kommen niet gelijk was?”„Wat zou dat? hars is hars.”„Neen, domoor! hars is geen hars of liever het eene hars is het andere niet. Luister nog een oogenblik. De edelste soorten als de „njating mata koetjing,” de „njating bapoeti” en de „njating linoh”,9als van zeer zuivere compositie smelten op zeer lagen warmtegraad; daarentegen[114]hebben de njatings: „kroeën, toelang en anlei”10als zeer aardachtig en poreus van samenstel, een veel hoogere temperatuur noodig om vloeibaar te worden.”„O!… zoo!”„Begin je te begrijpen? dat ’s waarachtig gelukkig. Laten je nu de rechters den vinger in een kommetje met mata koetjing-hars steken, dat maar eventjes genoegzaam verwarmd is om vloeibaar te worden en aanmerkelijk kan afkoelen, alvorens weer vast te worden, dan kun je het daarin zoo lang uithouden als je verkiest, zonder anderen hinder, dan een eenigszins branderig gevoel. Maar laten ze je, je index in njating kroeën steken, dan zou je net doen als de pandeling van straks, dan zou je schreeuwen en dan zou je den volgenden morgen met een ontvelden vinger voor den dag komen.”„En dan nog trouwen op den koop toe! verd.… dat ’s gemeen!”„Ja, dat is gemeen, en te gemeener, wanneer de gedwongen huwelijkskandidaat zich hoegenaamd geen schuld bewust is.”„Hoe dat zoo?”„Denk je, dat dat meisje van straks dien armen pandeling zelfs maar een oogopslag heeft waardig gekeurd? Bij lange niet. Wie weet of vóór den dag van heden zij ooit aan hem of hij ooit aan haar heeft gedacht. Maar de looze feeks begreep al ras bij de wending, die het proces nam, dat de rechters niet genegen waren haar in haar matrimoniale wenschen behulpzaam te zijn. Toch wilde zij haar misstap onder een huwelijksmantel bergen.”[115]„Dat zal een verbintenis zijn, die in den hemel gesloten is,” grijnsde Schlickeisen, die als zoon van een theologant wel eens vroom kon zijn.„Och, zij zal daarom niet minder gelukkig of ongelukkig zijn,” antwoordde Johannes. „Die pandeling herkrijgt op den trouwdag zijn vrijheid, dat ’s al een uitkomst voor hem, daarbij bekomt hij een aardige vrouw, geheel in den smaak der Dajaks11; en.…. wat zal ik er meer van zeggen? In Europa worden toch ook wel zulke huwelijken gesloten, niet waar?”„Jawel, maar toch zonder gebranden vinger.”„Daarover wil ik niet twisten,” schaterde Johannes; „want dan krijg ik van de drie „totoks”12tegelijk er van langs.”[116]
Na die bedrijvigheid gingen een paar dagen in ongestoorde rust voorbij. Vooral de Europeanen luierden letterlijk uit van de vroeger ten toon gespreide arbeidzaamheid. Maar toen die om waren, werd het tijd aan de voorbereidingen tot het vertrek te denken.
Die voorbereidingen waren waarachtig niet onbeduidend. Het waren thans geen vier mannen slechts, die de reis zouden aanvaarden; het was een geheele kolonie, die de binnenlanden ging intrekken om zich daar metterwoon te vestigen. Het huisgezin van Amai Kotong was zeer talrijk; hij zelf had een twaalftal kinderen, waarvan de grootste helft gehuwd en op haar beurt reeds ruim gezegend was of in staat van zegening verkeerde, of de hoop op zulk een zegening koesterde. Hij bezat daarenboven een tachtigtal pandelingen van beiderlei kunne en een twintigtal kinderen van die pandelingen. Het was bijgevolg een geheele volksverhuizing, die te regelen viel. Bij die verhuizing zouden zich aansluiten Hamadoe, de zuster van Harimaoung Boekit, met een paar vriendinnetjes, onder welke laatsten de lieve Moendoet,[92]de aanstaande mevrouw La Cueille, gerekend moest worden; verder het Poenanhoofd met zijn stamgenooten, welke laatsten wel een gewenschte toevoeging aan den tocht zouden uitmaken. Die fiere zonen der wildernis waren fiksche pootige kerels, ieder als een Hercules gebouwd, met spieren als van staal en gewoon om bij hun tochten door de bosschen de grootste hinderpalen te overwinnen en om ontberingen te lachen. Zij zouden de eigenlijke kracht van de reizende kolonie uitmaken; ja, zonder hen ware de verhuizing, althans op die schaal, wellicht onmogelijk geweest; want het waren bijna honderd vijftig menschelijke wezens, allen bewoners van kotta Djankang, waaronder vele vrouwen en kinderen, die het koppensnellersland zouden intrekken.
De afstand, die afgelegd moest worden, was niet zoo bijzonder groot. In rechte lijn bedraagt die van kotta Djankang tot kotta Rangan Hanoengoh, verblijfplaats van Harimaoung Boekit aan de soengei Miri, nog niet volle 140 kilometer. Maar in een terrein als de boven-Dajaklanden is de rechte lijn niet denkbeeldig als bij ons, doch geheel en al onbekend; en de kronkelingen van den te volgen weg moesten zoodanig in rekening gebracht worden, dat die 140 KM. onoverdreven tot het dubbele getal uitdijden en dat langs gemeenschapswegen, die dien naam ternauwernood mochten dragen.
Johannes drong tot spoed aan. Hij bracht de wat langzame Dajaks aan het verstand, dat in de bestaande omstandigheden, tijd veel meer dan goud waard was, iets wat hun begrip geheel en al te boven ging. Men was in het land, waar het goud maar voor het rapen was; maar als men het geraapt had, och! dan had tijd hoegenaamd geen waarde meer.
„Wat de menschen toch dwaze dingen vertellen kunnen,” redeneerden de kotta Djankangers en de Poenans,[93]„vooral wanneer zij met die inhalige blanken in aanraking zijn geweest.”
Maar zonder zijn wenkbrauwen te fronsen, maakte Johannes hun duidelijk, dat, wanneer de leden van het gezantschap niet in hun zending slaagden en de Hollanders het er op zetten naar de Boven-Kapoeas terug te komen, men ze spoediger zou zien verschijnen, dan wel gedacht werd. De beschikkingen, die voor de voorgenomen verhuizing te nemen waren, konden veelvuldig genoemd worden en de tijd was kort.
Eindelijk behaalde de redeneerkunst van den vermomden blanke de overwinning op de traagheid der inboorlingen en nu dit eenmaal het geval was, nu waren de belanghebbenden weldra in volle beslommering om zich tot het vertrek gereed te maken.
Het eerste, waaraan de aandacht gewijd moest worden, waren wel de vervoermiddelen. Men had hoegenaamd geen moeilijkheden ondervonden, om de prauw die de vluchtelingen te Kwala Kapoeas van Baba Poetjieng gekregen hadden, om de reis over zee naar Singapore te maken, tot hier voor kotta Djankang te brengen. Heeft niet al te lang droogte geheerscht, dan is de Kapoeas tot hier met gemak voor kleine stoomschepen van zes voet diepgang bevaarbaar. Dit is zelfs het geval tot Kiham Hoeras, een halve dag roeiens boven kotta Sambong. Maar daar bij dien eersten waterval of beter, bij die eerste stroomversnelling1—want een eigenlijke waterval is het niet—beginnen de groote[94]moeielijkheden van een reis naar de bovenlanden; want dan heeft de reiziger een aantal van die stroomversnellingen te doorworstelen. Er valt dan ook niet aan te denken, groote prauwen daartegen op te halen; maar moet de reis met zeer lichte vaartuigen, bij voorkeur met djoekoengs of rangkans volvoerd worden. En dan nog moeten dezen met de grootste behoedzaamheid gestuurd worden, want een verkeerde beweging van den roerganger, doet het vaartuig dwars-strooms geraken en heeft omslaan tot natuurlijk gevolg.
Rangkans en djoekoengs waren in voldoende hoeveelheid te kotta Djankang voorhanden en bevonden zich goed bewaard onder de op palen gebouwde woonhuizen en magazijnen binnen de versterking. Men kon, zoo men wilde, dadelijk beginnen met die te water te brengen en haar op doelmatige wijze te beladen. Dewijl zij van wege de kihams nog al eens ontscheept zouden moeten worden, zorgde men, dat zooveel mogelijk alle mede te voeren voorwerpen tot een- of tweemans vrachten verpakt werden, waarbij niet uit het oog mocht verloren worden, dat de Dajaks zeer ongeneigd zijn, lasten op hun schouders te torschen en dat ook niet kunnen in die mate, als dat door de Javanen verricht wordt. Daarom werden dan ook de levensmiddelen en alle andere zaken, die zich daartoe eigenden, in mandjes verpakt, die van de noodige rottanlussen voorzien, als een ransel op den rug bevestigd en alzoo met gemak en behendigheid gedragen konden worden. Die mandjes in de Dajaklanden zijn van gevlochten rottan vervaardigd, hebben den vorm van een afgeknotten kegel van ongeveer 75 cM. hoog, met een bovenwijdte van ± 40 en een benedenwijdte van 25 cM., zijn van binnen met waterdichten boombast gevoerd en hebben een flink en hermetisch sluitend deksel.[95]
De kanonstukjes werden nog in batterij gelaten, om bij een eventueelen terugkeer des vijands niet ongewapend overvallen te worden; evenwel werden er stevige rottanstrikken zoodanig omgelegd, dat men slechts de noodige draagstokken door de gevormde lussen te steken had om de vracht dadelijk te kunnen optillen en weg te voeren. De deserteurs belastten zich voornamelijk met het vervoer van de artillerie en munitie, waarvoor hun stevige schouders ten volle berekend waren. Wel had men er een oogenblik aan gedacht, een paar dier stukjes ter bewapening van kotta Djankang achter te laten. Maar de zeer gegronde opmerking, dat de Hollanders ze toch als hun eigendom zouden terugnemen en het ook beter was, dat de kotta bij de nieuwe phase, die haar bewoners intraden, een zeer vreedzaam uitzicht had, deed daarvan afzien. Dezelfde beweegreden gold ook ten opzichte van de buitgemaakte geweren te Kwala Hiang, die allen medegenomen werden. Van een andere zijde had ook Harimaoung Boekit zich zeer begeerig getoond die stukjes te bezitten. Wat zou hij trotsch zijn, wanneer hij zijn kotta in soengei Miri daarmede bewapend zoude zien.
Voedingsmiddelen waren in overvloed voorhanden, dat wil zeggen, men had rijst in voldoende hoeveelheid; ook had men een goede provisie „koedjang”2, lombok en andere toespijzen. Alleen in vleeschspijzen was men niet ruim gesorteerd. Het gezouten vleesch en spek, door de deserteurs aangevoerd, waren nog slechts voor een klein gedeelte aanwezig, dewijl de Dajaks zich daaraan[96]als aan een délicatesse hadden te goed gedaan. Amai Kotong en Harimaoung Boekit verzekerden evenwel, dat op hun reis geen dierlijk voedsel zou ontbreken; de vrienden zouden meer dan eens in de gelegenheid komen om met hun juist schot een hert neer te leggen.
Maar om toch geen teleurstelling deswege te ondervinden, werd besloten een „manobah”, dat is een vischvangst op groote schaal te doen plaats vinden, om zulk een ruime proviand op te doen. De gasten te kotta Djankang werden uitgenoodigd, die vischpartij bij te wonen. Onze reizigers zouden ervaren, dat zulk een partij een waar nationaal feest voor de Dajaks is, hetwelk voor hen uiterst belangwekkend zoude zijn.
Tot de voorbereidingen tot die vischvangst behoorde de inzameling van een aanzienlijke hoeveelheid wortels van den „tobah”-struik3. Daar er nog al moerasachtige plekken tusschen de omringende heuvels van kotta Djankang aangetroffen worden, baarde die inzameling niet veel moeite en was zij al zeer spoedig geschied. De ingezamelde wortels werden toen in verscheidene djoekoengs met overvloedig water geweekt en daarna met platte stukken hout zoolang geklopt, totdat het water in de djoekoengs een melkwitte kleur verkregen had. De uitgeweekte wortelvezels werden toen verwijderd en het vocht behoorlijk afgeschuimd, waarna wat levende kalk en een vrij sterk aftreksel van tabak daarin gemengd werd. Men had toen zoo wat een zestal djoekoengs met tobahwater gevuld.
Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag[97]voeren een overgroot aantal zeer lichte vaartuigen, waaronder ook die met het mengsel gevuld, de soengei Mawat in, waarna dat riviertje met een „salambouw”, groot vierkant net met middelmatig groote mazen, zoodanig afgesloten werd, dat de onderrand van het net, op de bedding der soengei met steenen verankerd en de bovenrand zoo wat een handbreedte boven het watervlak uitstekende, geen enkele visch het riviertje kon verlaten. Twee djoekoengs, ieder met drie opvarenden bemand, vatten post bij het net om te waken dat het niet, hetzij door opkomende prauwen, hetzij door den zwaren stroom beschadigd of opgetild werd.
Toen men daarmede klaar was, verdeelde het mannelijk gedeelte der expeditie zich zoodanig over de aanwezige djoekoengs, dat in ieder der vaartuigen zich drie man bevonden. De dameswereld—want vele der schoonen van kotta Djankang waren mede uitgetogen om van de pret getuigen te zijn—had zich bij elkander in twee groote prauwen geschaard, terwijl een derde prauw een aantal Balians bevatte, die bij geen feestelijkheid, dus ook bij deze niet, mochten ontbreken.
Nu werd de soengei in alle stilte, maar toch krachtig en vlug, opgeroeid. Dat oproeien duurde zoo omstreeks vier uur en onderwijl werden de mondingen van een paar onaanzienlijke spruitjes, die zich in de Mawat ontlastten, ook met netten afgesloten.
Op de gewenschte plaats aangekomen, werd het tobahwater op verschillende punten tegelijk met klapperdoppen in de rivier geworpen. Terwijl de vaartuigen zachtjes en in alle stilte zich voor den stroom lieten afdrijven, was men gedurende een klein half uur nagenoeg werkeloos, om het vergiftigde water tijd te geven, zich met het rivierwater te vermengen. Intusschen maakten de visschers zich gereed den buit te kunnen bemachtigen. Van[98]de drie opvarenden, die iedere djoekoeng bemanden, bleef hij, die aan den achtersteven gezeten was, de pagaai in handen houden om het vaartuig te besturen; de twee anderen met een harpoen of een schepnet gewapend, de een voor op de spits, de ander in het midden der djoekoeng post vatten, gereed om toe te tasten.
Men had Schlickeisen en Johannes bij elkander in een en Wienersdorf met La Cueille in een andere djoekoeng geplaatst. De Waal had bij al die voorbereidingen al schuchter uitgekeken en aan Johannes in het voorbijvaren al eens gevraagd, of hij geen verzen uit den Koran te prevelen had.
„Loop heen,” had deze geantwoord, „je bent immers geen Sjech meer; handel nu maar, zooals je je vrienden, de Dajaks, ziet doen.”
„Ik wou, dat ik aan den wal was,” prevelde de Belg, wien dat geheele spel niets beviel.
„Misschien bij moeders pappot thuis, niet waar?” lachte Johannes.
Na ongeveer een half uur begon zich de werking van het bedwelmende vocht te openbaren. Eerst kwamen de kleinste visschen aan de oppervlakte, staken de koppen boven water, zwommen in steeds kleiner en kleiner wordende kringen rond en trachtten in hun doodsbenauwdheid uit het vergiftigde vocht te springen. Met deze werd niet veel omhaal gemaakt; zij werden eenvoudig met het schepnet of met mandjes opgehaald en in de vaartuigen geworpen.
Maar later werden de visschen, die de watervlakte in beweging brachten, al grooter en grooter en ook talrijker. Nu werd naar den „salahawo” (harpoen) gegrepen; want het was totaal ondoenlijk, visschen van een à twee M. lengte met het schepnet op te halen. Nu begon een leven, een bedrijvigheid, die onze Europeanen[99]verrukten en waaraan zij van nu af met hart en ziel deel namen. Al de aanwezige vaartuigen—wel een vijftig in getal—schoten over een oppervlakte van slechts zeer geringe uitgestrektheid als door elkander. Met de uiterste behendigheid stuurden de roergangers op de wenken en aanwijzingen der harpoeniers hun vaartuigjes. In het water beschreven de visschen groot en klein allerwege kringen, plasten en sprongen, om eindelijk aan den harpoen geregen te worden. De menigte joelde door elkander; de befaamde visschers spreidden met een soort van trots hun behendigheid ten toon. De jongere poogden die kunststukken na te doen en werden daarin aangemoedigd door de lieve toeschouwsters, die een vreugdekreet niet konden weerhouden, wanneer het een der jongelingen gelukte, een aanzienlijke vangst te doen. De Balians gilden haar gezangen, roffelden op haar trommen en wisselden haar invocatiën met de Sangiangs om den visschers een overvloedige vangst te verleenen, af met loftuitingen op hen, die zich door behendigheid en kracht onderscheidden.
Van die loftuitingen kregen onze Europeanen maar een zeer sober deel en dat deel kon nog slechts meer als een beleefdheidsvorm van de dartele priesteressen, dan als verdiend beschouwd worden. Wel hadden de nieuwbakken Dajaks de behendigste prauwvoerders te hunner beschikking, maar dat hielp hen niet veel; want dat het harpoeneeren niet ieders werk is en een voorafgaande oefening vereischt, bleek hun al ras. Ontelbare malen staken zij toe, zooals zij dat de mannen hunner omgeving zagen doen, wanneer het water in de nabijheid hunner djoekoengs in een borrelende beweging geraakte en dan te midden der gevormde kringen een gapende kop aan de oppervlakte verscheen; maar telkens te vergeefs. Dan eens gleed de harpoen voor of achter het[100]doel, dan weer eens rechts of links van den visch zonder hem te raken, of werd hij al eens geraakt, dan nog was de stoot zoo onvast, zoo onbehendig aangebracht, dat de harpoen op de glibberige huid van den visch afstuitte en er niet doordrong. En het was of de waterbewoners begrepen, dat daar dichtbij die twee djoekoengs het gevaar het minst was. In die nabijheid borrelde het water het allermeest en was het soms of het kookte; allerwege kwamen gapende koppen te voorschijn.
Bij de eerste stooten zetten de Djankangers en de Poenans verwonderde gezichten; zij konden niet begrijpen, dat iemand zoo onhandig kon zijn. Hoofdschuddend schreven zij dat aan den omgang hunner gasten met de Hollanders toe: „die verwijfde bleekgezichten waren niet eens in staat een ellendig vischje voor hun maaltijd te bemachtigen.” Geen dier natuurkinderen miste ooit een stoot en, terwijl zij de kleine zooi veronachtzaamden, werden niet zelden met veel gejuich of een „dahoeman”, een paling van soms twee M. lang, of een „kaloi”, of een „djampol”, witvisschen van geen mindere lengte, boven water gehaald. Maar toen die misstooten aanhielden en onze vrienden nog geen enkel vischje, groot of klein, bemachtigd hadden, begon een luid gelach hun telkens vergeefsche pogingen te begroeten en weldra regende het kwinkslagen van alle kanten.
„Inedjep halit! inedjep halit!” (doorstoken, maar toch geheeld)4klonk het grinnikend, en het waren voornamelijk de vrouwen, die zich met die onhandigheid vermaakten.[101]Dat werkte eenigermate op het gevoel der onbedreven harpoeniers. O! hadden hun stooten aan hun verlangen beantwoord, dan hadden zij zegevierend den salahawo gedrild en hun omgeving een lesje gegeven. Maar, helaas! hun pogen beantwoordde niet aan hun begeerte om uit te blinken. Wel trachtten zij onder de spottende oogen der schoonen telkenmale bewijzen van vooruitgaande behendigheid te geven. Zij werden al meer en meer opgewonden en driftig onder den angel der kwinkslagen en stootten eindelijk toe met een kracht, alsof zij de visschen aan den bodem der soengei wilden vaststeken. Voornamelijk staken Wienersdorf en La Cueille grimmig toe; zij voelden zich als vernederd, zoo onder de oogen hunner aangebedenen uitgelachen te worden. In het vuur van den strijd bracht de Zwitser op eens zijn harpoen met zoo’n kracht vooruit, dat de djoekoeng kantelde, hij het evenwicht verloor en kopje onder in het water verdween. Een uitbundig gelach en een gillend hoera begroetten dien val. Blazend en proestend greep de drenkeling, toen hij weer aan de oppervlakte verscheen, een hem toegestoken pagaai en trachtte zijn plaats in de djoekoeng te nemen, daarin geholpen door een aantal armen, die zich hulpvaardig, maar toch spotziek, naar hem uitstrekten en het hunne er toe bijbrachten, om hem meer water te doen innemen, dan wel bij minder luchthartige hulp het geval zoude geweest zijn.
De lieve Hamadoe had innig medelijden met het ongeval van haar galant, maar kon toch niet nalaten hartelijk mede te lachen.
Maar La Cueille, die aan zijn lachlust ook botgevierd had, bracht het er niet beter af. Bij een zijner veelvuldige pogingen gelukte het hem eindelijk zijn harpoen in het lichaam van een kolossalen visch vast te steken.[102]Met inspanning van alle krachten trachtte hij zijn vangst binnen boord te halen, maar dat was zoo gemakkelijk niet. Wanhopig spartelde het gewonde dier tegen en ontwikkelde daarbij een spierkracht, die onzen Waal in zijn schommelend vaartuig veel werk gaf. Eindelijk na veel getob en na vele inspanningen kwam hij er toe, den kop van den visch op den rand van de djoekoeng te brengen; maar toen.…
„Sainte Vierge de Jupille, ayez pitié de moi!” schreeuwde hij, terwijl hij den steel van den harpoen plotseling losliet, waardoor het evenwicht verloren ging, het vaartuig onder de zwaarte van den visch overhelde en ook hij over het monster heen in het water terecht kwam. Was het gelach straks uitbundig geweest, thans barstte een ware storm los. Het was of het waanzin was, die al de aanwezenden in een aanstekelijke lachbui had gebracht. Nimmer had het volkje van kotta Djankang zoo’n pret gehad.
De Waal kroop beschaamd en beteuterd aan boord. De lachlust verminderde niet, toen hij druipnat en met sluik hangende haren en baard zorglijk rondkeek waar toch zijn harpoen gebleven was. Een der Dajaks had dien gegrepen en met weinig moeite den visch bemachtigd. Het was een „intoh” van ruim zes voet lang, die met zijn krokodilachtigen muil en ontzagwekkende tanden den Waal zoo’n schrik had aangejaagd en zijn bede om hulp had afgeperst. Toen het dier bij La Cueille in de djoekoeng geworpen werd, scheelde het al zeer weinig of deze was andermaal te water gegaan; hij vermande zich echter, maar zorgde toch op een eerbiedvollen afstand van de tanden van het zieltogende dier te blijven.
Langzamerhand verminderde het aantal visschen, dat zich aan de oppervlakte des waters vertoonde, en weldra[103]kon de vangst als geëindigd beschouwd worden. Men was ook zoo zachtjes, al harpoeneerende, al lachende, schreeuwende en gillende de soengei Mawat afgezakt en de vaartuigen bevonden zich eindelijk in haar monding. Nadat de salambouw was opgehaald, stevende men de Kapoeas in en werd de visschersvloot feestelijk en onder het gedonder van het onmisbare kanonvuur te kotta Djankang ontvangen.
Een tiental djoekoengs waren boordevol met de opbrengst van het manobah gevuld. Onder de gevangen visschen waren de reeds genoemde soorten: kaloi, djampol en dahoeman, ruimschoots vertegenwoordigd. Het meest was echter de „handiroeng” gevangen, een intertropische forelsoort van ongeveer 12 dM. bij volkomen wasdom, die zeer lekker is en dan ook volkomen gewaardeerd wordt. Van deze soort bevonden zich een groot duizendtal in de djoekoengs.
Het grootste gedeelte dezer vangst werd onder de bevolking verdeeld. De visschen, door het tobahvergif gedood, kunnen genuttigd worden en zijn volkomen onschadelijk. Zij kunnen evenwel niet gedroogd of gezouten worden, daar zij te spoedig tot bederf overgaan. Een groot aantal forellen werden tot „kalampies” toebereid, dat wil zeggen, zij werden in mooten gesneden en daarna in bladeren gewikkeld, om met wat zout en fijngewreven lombokh gepoft te worden. Zoo geconserveerd, kon die visch een onbepaalden tijd bewaard worden en waren die kalampies voor de reizigers een zeer welkome proviandeering, daar zij hen van iedere bezorgdheid omtrent dierlijk voedsel op de reis onthief en hen dienaangaande van alle eventualiteiten onafhankelijk maakte.
Daags na die vischvangst zouden onze deserteurs van een plechtigheid van anderen aard getuigen zijn. Waarlijk,[104]het scheen alsof het lot het er op gesteld had, hen het geheele innerlijk leven van de volkstammen, in wier midden zij zich bevonden, te laten aanschouwen.
In de Dajaklanden wordt overal op een vastgestelden dag van de week recht gesproken. Het kottahoofd omringt zich dan door drie tot zeven oudsten, naarmate van de belangrijkheid van de te voeren gedingen, en beslecht de geschillen, die in de afgeloopen week zijn ontstaan en omtrent welker beëindiging zijn bemiddeling is ingeroepen. Dat is in den regel voor de bevolking geen gewone dag. De Dajaks toch zijn het meest gedingzuchtige volk der geheele aarde. Zij gevoelen zich niet gelukkig, wanneer zij niet een „basara” (proces) hebben. Blijft hun die karaktertrek in de toekomst bij, dan zullen zij, wanneer zij eenmaal in den maalstroom der beschaving medegesleept worden, het land van belofte voor de advocaten vertegenwoordigen. Zoo’n basara-dag is dan ook een halve feestelijkheid voor de bewoners eener kotta, daar het bijwonen van de zitting van den „rantèp” (landraad)5voor velen een onweerstaanbare aantrekkelijkheid heeft. Voor kotta Djankang was de eerstvolgende „rantèpan” buitendien van buitengewone beteekenis, daar het nieuw benoemde hoofd Amai Njawong, de vervanger van Amai Kotong, voor de eerste maal als voorzitter zoude optreden.
Er waren eenige voorafgaande kleine geschillen uit te maken, waarbij de Europeanen de bedrijvigheid en de behendigheid der „kamanangan’s” (advocaten)6konden gadeslaan. Met uiterst veel belangstelling zagen zij, dat die pleitbezorgers bij ieder hunner overtuigende redeneeringen[105]of afdoende tegenwerpingen, en ook bij ieder geleverd bewijs, een rottanpoppetje, „hampatong oewei” genaamd, waarvan zij ambtshalve voorzien waren, voor zich in den grond staken of een dergelijk, door de tegenpartij reeds geplant, wegnamen. Deze poppetjes verzinnelijkten het aantal geleverde deugdelijke bewijzen. Na afloop der pleitredenen werden zij aan weerszijden geteld en de basara ten voordeele van hem uitgewezen, wiens advocaat het grootste aantal poppetjes had kunnen planten en behouden. Dat daarbij niet weinig goochelarij aan den dag gelegd werd, ontsnapte onzen avonturiers niet. Het gebeurde zelfs, dat twist onder de kamanangan’s over het aantal hampatong oewei ontstond en de eene partij de andere beschuldigde van met dubbel krijt te hebben geschreven, hetgeen natuurlijk tot een nieuw proces aanleiding gaf en met de noodige getuigen de volgende week zoude dienen.
Tot de meer belangrijke gedingen behoorde de beschuldiging, die een meisje tegen een der meest welgestelde jongelingen der kotta inbracht, namelijk haar verleid te hebben, van welke daad de gevolgen niet uitgebleven waren. Toen zij haar beschuldiging met heldere stem, zonder blikken of blozen, uitgesproken had, moest tot het „manjapa” (beëediging) overgegaan worden. Een der rechters bracht een zwarte kip te voorschijn en reikte de schoone een ontblooten mandauw over, terwijl hij in weinige woorden opmerkte, dat met dat wapen menschenbloed vergoten was. Zij nam het zwaard met vaste hand aan, zwaaide het, terwijl een glimlach haar lippen krulde, bevallig boven haar hoofd en richtte de bede tot Mahatara, te willen toestaan, dat zij onthoofd zoude worden, zooals dat der kip ging geschieden, bijaldien zij onwaarheid had gesproken. En den arm bliksemsnel en met kracht omlaag[106]brengende, hieuw zij de kip den kop af. Het wapen toen overreikende, ving zij wat bloed van het dier op en besmeerde zich daarmede den fraaien boezem en de bovenarmen onder het uitspreken van de schrikverwekkendste verwenschingen.
Op de vraag, of zij getuigen kon bijbrengen, wees zij een harer vriendinnen aan, die bij afvraging verklaarde, slechts gezien te hebben, dat de beschuldigde aan de klaagster een zoen had gegeven, zonder meer.
De rechters glimlachten even in hun deftigheid.
De beschuldigde jongeling werd nu voorgebracht, maar hij ontkende iedere schuld. Die betuiging bezwoer hij met de duurste eeden en kapte ook in het volle vertrouwen op zijn onschuld een zwarte kip den kop af en besmeerde zich insgelijks borst en armen met het bloed van het vermoorde slachtoffer. Hij antwoordde met een eenvoudig hoofdschudden op de vraag, of hij eenige getuigenis kon bijbrengen; maar met een verwonderlijke radheid van tong wees hij er op, dat het geven van een zoen—daad, die hij volstrekt niet ontkende—onmogelijk het hier gevorderde bewijs van schuld kon daarstellen; want—voegde hij er glimlachend bij—ware dat wel het geval, dan zouden, volgens zijn overtuiging, al zijn rechters meermalen gedwongen in het huwelijk hebben moeten treden, daar het hem bekend was, zij van een zoen volstrekt niet afkeerig waren, en zij zelfs zeer zoenlustig konden genoemd worden. De geheele vergadering barstte op die verklaring in een onmatig lachen uit en niet het minst de rechters zelve, die alleen bij de gedachte aan de hun toegeschreven zoenlustigheid, de tong verlangend over de bovenlip lieten glijden. De Dajak is een ware lachebek; bij iedere gelegenheid voldoet hij met graagte aan die vroolijke geneigdheid.[107]
Nadat de lachbui wat over was, werd het meisje gevraagd, of zij geen andere aanwijzingen bij te brengen had om haar beschuldiging te staven. Zij antwoordde ontkennend, doch hield haar aanklacht vol, er evenwel bijvoegende, dat het toch wel zijn kon, dat de beklaagde onschuldig was, daar zij terzelfder tijd een teedere betrekking met een ander jongeling uit de kotta, alsook met een pandeling haars vaders aangeknoopt had. De rechters fronsten de wenkbrauwen, maar konden toch niet anders doen dan de nieuwe beschuldigden voor zich te roepen. Maar ook deze betuigden luid hun onschuld. De pandeling zelfs wilde er niets van weten, dat hij van tijd tot tijd een zoen aan de dochter zijns meesters zou ontstolen hebben. Beiden aarzelden geen oogenblik, hun betuigingen met de duurste eeden te bevestigen.
Dat was een moeielijk geval, waarbij de wijsheid van het zoo hoog geroemde nieuwe Nederlandsche strafwetboek te kort zoude geschoten hebben, maar waarin de Dajaksche adat toch voorzien heeft. Na eenige ruggespraak bevalen de rechters, dat drie kommen, met gesmoltennjating(hars) gevuld, voorgebracht zouden worden. Een houtvuur werd toen ontstoken, waarop de kippen, bij de beëediging onthoofd, met veeren en al werden verbrand, hetgeen een ondragelijken stank in de gerechtsloods deed ontstaan en bij ieder der aanwezigen een akelig gekuch uit de longen perste. Middelerwijl hadden de drie beschuldigden zich rondom de kommen geschaard tot het volvoeren van het „hasoedi.” Op een teeken van den voorzitter desrantèp’smoesten zij onder het uitspreken der woorden: „blako ontong Sangiang Assei” (help mij Sangiang Assei) den wijsvinger van de rechterhand in de gesmolten hars steken en dien vinger daarin een paar malen op en neer halen. Op het[108]gegeven teeken daalden de vingers in de kommen, waarbij de pandeling een smartelijken gil slaakte, evenwel den moed had de hevige pijn te doorstaan en de vereischte beweging te maken. De beschuldigster stond er dicht bij; zij wijdde een blik aan den inhoud der drie kommen en keek toen de rechters met een gebaar van verachting aan. Overigens verstoorde zij de eerbiedige stilte niet. De drie vingers werden daarna zorgvuldig ieder in een lapje gewikkeld, dat eerst den volgenden morgen daaraf genomen zoude worden. Hij, wiens vinger alsdan ontveld of anderszins beschadigd zoude blijken, zoude voor schuldig gehouden en dientengevolge veroordeeld worden de klaagster te huwen.
Met aandacht hadden de Europeanen die rechtspleging gade geslagen en de wijsheid daarvan bewonderd. Zij zouden in de gelegenheid komen, zich nog meer te verbazen.
De laatste basara, die uitgemaakt moest worden, betrof een beschuldiging van poging tot vergiftiging. Dat was een heel oude zaak, die reeds tot veelvuldig en langdurig onderzoek had aanleiding gegeven. Een geruimen tijd geleden was een oud man overleden en wel onder omstandigheden, die een gedachte aan vergiftiging niet geheel verwerpelijk maakte. De zoon van den overledene had een beschuldiging tegen een man ingebracht, die zich vóór het overlijden uitgelaten had, zich te zullen wreken over een vonnis betreffende een diefstal van visch, waarbij de doode een valsche getuigenis zoude afgelegd hebben. Bij dat vergiftigingsproces evenwel konden geene afdoende bewijzen bijgebracht worden; hoe dikwijls ook de zaak voor denrantèpbehandeld was, hoe de kamanangan’s van weerszijden zich ook beijverd en geweerd hadden, hoe vele getuigen ook gehoord waren, steeds was het aantal hampatong oewei[109]van de eene aan dat van de andere partij gelijk geweest, de bewijzen staakten dus, zoodat niet uit te maken was, wie ongelijk had.
Zoo was de stand van het proces. Heden zou tot het „hagalangang” overgegaan worden, om tot de ontdekking van de schuld te geraken. De aanklager en de beschuldigde werden op het binnenplein van de kotta ieder in een enge kooi, van stevige bamboelatten zoodanig opgesloten, dat het benedenlijf van de maagstreek af geheel bedekt en beschermd was, terwijl de borst, de armen en het hoofd geheel ontbloot bleven. De kooi was daarenboven zoo eng, dat zij den opgeslotene nauwkeurig omsloot en hij daarin niet wegduiken kon. Op een afstand van ongeveer dertig pas van en front naar elkander geplaatst, werd aan ieder der partijen een scherp aangepunte bamboe van ongeveer een meter lang, die wel een werpspies kon genoemd worden, ter hand gesteld. Op een teeken moesten zij die spies te gelijker tijd naar elkander toeslingeren; hij die het eerste gekwetst werd, het zij licht, het zij gevaarlijk, zou gerekend worden door de Sangiangs veroordeeld te zijn. Viel dit den beschuldiger ten deel, dan verviel de aanklacht en zou hij aan den beschuldigde een boete van 1000 rear7als „harear kahawen” (schaamtegeld) betalen en hem daarenboven nog een mandauw ten geschenke geven moeten, als een teeken, dat hij de uitspraak aannam en hem als voorheen achtte. Werd echter de beschuldigde gekwetst, dan volgde zijn schuldig verklaring aan het hem ten laste gelegde. Hij werd dan ter dood veroordeeld en overgegeven aan de nabestaanden, in dit geval aan den zoon van den overledene, die het recht daarbij zoude verkrijgen, om hem onder de[110]meest onmenschelijke martelingen ter dood te folteren.8Het was een waar Godsgericht, waar om heen zich de geheele bevolking der kotta hoogst belangstellend schaarde.
Toen de rechters plaats genomen hadden en een paar jongelingen benoemd waren, om de werpspiesen op te rapen en aan de strijders weer aan te reiken, gaf Amai Njawong het afgesproken teeken. Met kracht werden de gevaarlijke staken geslingerd, maar de kampvechters, door dien engen korf omsloten, hadden veel van hun lenigheid verloren. Die eerste worp werkte niets uit en week zoo ver van het doel af, dat een minachtend gemompel vernomen werd. Ook de tweede was nog mis, ofschoon de spiesen de kampvechters rakelings voorbij snorden. Maar de derde worp had noodlottige gevolgen. In de volle borst door de werpspies, die daarin trillend steken bleef, getroffen, was de beklaagde terstond een lijk, terwijl de beschuldiger, die het hem toegeslingerde wapen iets schuins recht onder de kin in de keel ontving, waarbij de slagader doorsneden werd, nog ettelijke minuten in doodsbenauwdheid rochelde en eindelijk aan bloedverlies bezweek.
Bij die noodlottige uitkomst, verklaarde de voorzitter van denrantèp, dat de Sangiangs klaarblijkelijk de uitspraak wilden beletten en de zaak in het duister houden. Hij beval dat de lijken aan de familieleden zouden worden overgegeven, om daarmede volgens de gebruikelijke plechtigheden na een overlijden te kunnen handelen. Heel kort daarop liet zich de titih van twee kanten in de kotta hooren.[111]
Diep ontzet hadden de vier Europeanen dat vreeselijk drama bijgewoond. Na afloop der gerechtszitting hadden zij zich naar hun woonvertrek begeven; lang zaten zij evenwel bij elkander, voor dat een hunner de stilte verbrak en den somberen gedachtenstroom, die hen bestormde, verstoorde. Eindelijk ontrukte zich La Cueille met een beweging, alsof hij aan de nachtmerrie poogde te ontkomen.
„Nom d’un chien!” riep hij met een diepen zucht, „we zijn toch te midden van een raar volkje verdwaald.”
Dat alledaagsch gezegde verbrak toch de betoovering, die de anderen omkluisterd hield. Het was of een dichte nevel plotseling scheurde en opgerold werd.
„Dat zijn we. We zitten op den eersten rang en kunnen naar hartelust genieten,” lachte Johannes, „’t zal evenwel zaak zijn te trachten, ons buiten alle bemoeiing te houden.”
„Donders, ja!” meende Schlickeisen, „verbeeldt je, dat een onzer uitgenoodigd werd om in zulk een kooi plaats te nemen.”
„Of zijn vinger in gloeiende hars te steken.”
„Ja, laat de verliefden maar oppassen,” voegde Johannes er waarschuwend bij, „laat ze ’t niet in hun hoofd krijgen hun schoonen af te schepen. ’s Lands wijs ’s lands eer. Noch Moendoet, noch Hamadoe zouden er voor terugdeinzen, een verleidingsbasara op touw te zetten.”
„En dan vooruit met je vinger,” lachte Schlickeisen.
De Waal bekeek zijn index met een bezorgdheid, alsof hij de brandende pijn reeds voelde.
„Duivels!” bromde hij, „dat ’s lastig. Een mensch kan toch wel eens van gedachte veranderen.”
„Jawel, maar pas op je vinger. Zoo’n kommetje hars is net zoo lekker als de fijt.”[112]
„Panaris, mon ami, te voilà dans de jolis draps!” prevelde de Waal binnensmonds en meer hardop:
„Dank je voor den raad; ik zal op mijn vinger passen. Maar.… er is toch iets wat mijn nieuwsgierigheid ten hoogste prikkelt.”
„En wat is dat?” vroeg Johannes.
„Men heeft drie vingers in de hars gedoopt, niet waar?”
„Wel zeker, dat hebben we allen gezien.”
„Maar wat nu, wanneer morgen twee vingers of alle drie blijken gebrand te zijn?”
„O heilige eenvoud!” gilde Johannes uit. „Nu die is goed! Alle drie! ha, ha, ha! dat zou de wijsheid van koning Salomo zelven op een harde proef gesteld zijn. Ha ha ha!” en Johannes lachte, dat hij schudde.
„Nu wat valt er toch te lachen?” vroeg de Waal gebelgd. „Ik begrijp er niets van. Drie menschen hebben den vinger in gesmolten hars gestoken; wat is natuurlijker, dan dat ze zich alle drie deerlijk gebrand hebben? Het tegendeel zou stof tot lachen geven.”
„Nu, dan zul jij morgen lachen kunnen, laat je dat gezegd zijn. Alle drie! ha ha ha!” ging Johannes in zijn lachbui voort. „Maar och! schei nu uit, ik krijg pijn in de zij van al dat gelach.”
„Dat je lacht, daar heb ik vrede mede; maar vertel waarover je lacht. Misschien lachen wij mede.”
„Je bent een uilskuiken.”
„Die prijs is meer voor me geboden; dat begrijp ik. Maar lach je daarom?”
„Maar er konden geen drie zich den vinger branden.”
„Dat begrijp ik weer niet.”
„Je bent een „bodokh” (domkop). Je hebt nummer drie der aanbidders van de schoone dien kreet wel hooren slaken?”[113]
„Ja zeker, ik ben Goddank niet doof.”
„Dat ’s een geluk voor je. Nu, die alleen heeft zich den vinger gebrand.”
„Maar we hebben de twee anderen toch ook den vinger in den njating zien steken.”
„Luister. De twee eersten waren welgestelde jongelingen, die slechts een blik met de rechters te wisselen hadden, om voor de gepersonifieerde onschuld gehouden te worden. Misschien hadden de rechters hun loon reeds beet, zoo niet, dan zal het hun niet ontgaan. De derde was een arme drommel, van wien volstrekt niets te halen was. Die had geen blikken te wisselen.”
„Dat alles zou ik begrijpen, wanneer ik niet met mijn eigene oogen, „hisce meis propriis oculis,” zou de pastoor van Jupille zeggen, de drie vingers in het gesmolten hars had zien op en neer gaan. Ik heb goed gekeken.”
„Zoo, heb jij goed gekeken? Wel vertel dan, wat je meer gezien hebt.”
„Wat zou ik meer moeten gezien hebben?”
„Dat beweert goed gekeken te hebben!” sprak Johannes met ietwat kleinachting in zijn stem. „Heb je niet gezien, dat de kleur van het hars in de drie kommen niet gelijk was?”
„Wat zou dat? hars is hars.”
„Neen, domoor! hars is geen hars of liever het eene hars is het andere niet. Luister nog een oogenblik. De edelste soorten als de „njating mata koetjing,” de „njating bapoeti” en de „njating linoh”,9als van zeer zuivere compositie smelten op zeer lagen warmtegraad; daarentegen[114]hebben de njatings: „kroeën, toelang en anlei”10als zeer aardachtig en poreus van samenstel, een veel hoogere temperatuur noodig om vloeibaar te worden.”
„O!… zoo!”
„Begin je te begrijpen? dat ’s waarachtig gelukkig. Laten je nu de rechters den vinger in een kommetje met mata koetjing-hars steken, dat maar eventjes genoegzaam verwarmd is om vloeibaar te worden en aanmerkelijk kan afkoelen, alvorens weer vast te worden, dan kun je het daarin zoo lang uithouden als je verkiest, zonder anderen hinder, dan een eenigszins branderig gevoel. Maar laten ze je, je index in njating kroeën steken, dan zou je net doen als de pandeling van straks, dan zou je schreeuwen en dan zou je den volgenden morgen met een ontvelden vinger voor den dag komen.”
„En dan nog trouwen op den koop toe! verd.… dat ’s gemeen!”
„Ja, dat is gemeen, en te gemeener, wanneer de gedwongen huwelijkskandidaat zich hoegenaamd geen schuld bewust is.”
„Hoe dat zoo?”
„Denk je, dat dat meisje van straks dien armen pandeling zelfs maar een oogopslag heeft waardig gekeurd? Bij lange niet. Wie weet of vóór den dag van heden zij ooit aan hem of hij ooit aan haar heeft gedacht. Maar de looze feeks begreep al ras bij de wending, die het proces nam, dat de rechters niet genegen waren haar in haar matrimoniale wenschen behulpzaam te zijn. Toch wilde zij haar misstap onder een huwelijksmantel bergen.”[115]
„Dat zal een verbintenis zijn, die in den hemel gesloten is,” grijnsde Schlickeisen, die als zoon van een theologant wel eens vroom kon zijn.
„Och, zij zal daarom niet minder gelukkig of ongelukkig zijn,” antwoordde Johannes. „Die pandeling herkrijgt op den trouwdag zijn vrijheid, dat ’s al een uitkomst voor hem, daarbij bekomt hij een aardige vrouw, geheel in den smaak der Dajaks11; en.…. wat zal ik er meer van zeggen? In Europa worden toch ook wel zulke huwelijken gesloten, niet waar?”
„Jawel, maar toch zonder gebranden vinger.”
„Daarover wil ik niet twisten,” schaterde Johannes; „want dan krijg ik van de drie „totoks”12tegelijk er van langs.”[116]
1Een Kiham—in het Maleisch Riam—wordt een plaats in de rivier genoemd, waar door rotsbeddingen de breedte der rivier zeer versmald wordt, zoodat het water als te samen geperst, genoodzaakt is door een smallen doorgang te dringen. Veelal gaat daarmede ook een tamelijk verval van de rivierbedding gepaard. Een eigenlijke val is het in den regel niet. Een waterval, waar het water van een hoogte schier loodrecht neerstort, heet „gohong.”↑2Koedjang is een knolgewas, dat veel in moerasachtige streken groeit. In de benedenlanden wordt het bijzonder veel aangetroffen en is daar naast de rijst het hoofdvoedsel der bevolking. In de bovenlanden wordt het ook in poelen en moerassen gevonden, doch niet zoo algemeen.↑3Tobah is een struik, die tot de Rhisophoren behoort. Als zoodanig komt hij in de benedenlanden veelvuldig, in de bovenlanden alleen in moerasgronden voor.↑4Dit is een veel gebruikt spreekwoord om het doen van vruchtelooze pogingen aan te duiden. Het wordt ook als raadsel opgegeven en luidt dan: „inedjep halit, inedjep halit, en kaom?” Telkens doorstoken, doch immer geheeld, wat is uw antwoord? En dat antwoord is: het water.↑5Rantèpbeteekent, dicht aan elkander sluiten, nauw vereenigd zijn. Waarlijk een schoone naam voor een gerechtshof.↑6Kamanangangkomt van „kamang”, een werkwoord, dat betasten beteekent, als zijnde door betasting behoorlijk op de hoogte der zaak.↑7Rear, een verbastering van reaal, is een denkbeeldige munt ter waarde van twee gulden en wordt ook welkipinggenoemd.↑8In 1861 werd in de boven Manohin iemand die bij het „hagalangang” licht gekwetst was, door de tegenpartij gekapt en gekerfd, waarbij evenwel gezorgd werd, dat geen levensgevaarlijke wonden werden toegebracht. Daarna werden die wonden met een sterk aftreksel van lombokh ingesmeerd. Onder de ondenkbaarste folteringen gaf de ongelukkige den geest.↑9Mata koetjingbeteekent kattenoog,bapoetiwit enlinohgladheid, die benamingen doelen op de eigenaardigheden van die soorten. Alle drie zijn fraai doorschijnend, de eerstgenoemde als kristal.↑10Kroeën beteekent gemengd, toelang beenachtig en anlei vuil, smerig; ook deze benamingen doelen op de geaardheid der soorten, die zij aanduiden.↑11Over dien smaak is hier niet veel meer te vertellen. Die daarvan meer wil weten, wordt verwezen naar de vaak aangehaalde „Ethnographische beschrijving der Dajaks” van den schrijver.↑12Totok een soort van bijnaam in N.I. om volbloed Europeanen aan te duiden.↑
1Een Kiham—in het Maleisch Riam—wordt een plaats in de rivier genoemd, waar door rotsbeddingen de breedte der rivier zeer versmald wordt, zoodat het water als te samen geperst, genoodzaakt is door een smallen doorgang te dringen. Veelal gaat daarmede ook een tamelijk verval van de rivierbedding gepaard. Een eigenlijke val is het in den regel niet. Een waterval, waar het water van een hoogte schier loodrecht neerstort, heet „gohong.”↑2Koedjang is een knolgewas, dat veel in moerasachtige streken groeit. In de benedenlanden wordt het bijzonder veel aangetroffen en is daar naast de rijst het hoofdvoedsel der bevolking. In de bovenlanden wordt het ook in poelen en moerassen gevonden, doch niet zoo algemeen.↑3Tobah is een struik, die tot de Rhisophoren behoort. Als zoodanig komt hij in de benedenlanden veelvuldig, in de bovenlanden alleen in moerasgronden voor.↑4Dit is een veel gebruikt spreekwoord om het doen van vruchtelooze pogingen aan te duiden. Het wordt ook als raadsel opgegeven en luidt dan: „inedjep halit, inedjep halit, en kaom?” Telkens doorstoken, doch immer geheeld, wat is uw antwoord? En dat antwoord is: het water.↑5Rantèpbeteekent, dicht aan elkander sluiten, nauw vereenigd zijn. Waarlijk een schoone naam voor een gerechtshof.↑6Kamanangangkomt van „kamang”, een werkwoord, dat betasten beteekent, als zijnde door betasting behoorlijk op de hoogte der zaak.↑7Rear, een verbastering van reaal, is een denkbeeldige munt ter waarde van twee gulden en wordt ook welkipinggenoemd.↑8In 1861 werd in de boven Manohin iemand die bij het „hagalangang” licht gekwetst was, door de tegenpartij gekapt en gekerfd, waarbij evenwel gezorgd werd, dat geen levensgevaarlijke wonden werden toegebracht. Daarna werden die wonden met een sterk aftreksel van lombokh ingesmeerd. Onder de ondenkbaarste folteringen gaf de ongelukkige den geest.↑9Mata koetjingbeteekent kattenoog,bapoetiwit enlinohgladheid, die benamingen doelen op de eigenaardigheden van die soorten. Alle drie zijn fraai doorschijnend, de eerstgenoemde als kristal.↑10Kroeën beteekent gemengd, toelang beenachtig en anlei vuil, smerig; ook deze benamingen doelen op de geaardheid der soorten, die zij aanduiden.↑11Over dien smaak is hier niet veel meer te vertellen. Die daarvan meer wil weten, wordt verwezen naar de vaak aangehaalde „Ethnographische beschrijving der Dajaks” van den schrijver.↑12Totok een soort van bijnaam in N.I. om volbloed Europeanen aan te duiden.↑
1Een Kiham—in het Maleisch Riam—wordt een plaats in de rivier genoemd, waar door rotsbeddingen de breedte der rivier zeer versmald wordt, zoodat het water als te samen geperst, genoodzaakt is door een smallen doorgang te dringen. Veelal gaat daarmede ook een tamelijk verval van de rivierbedding gepaard. Een eigenlijke val is het in den regel niet. Een waterval, waar het water van een hoogte schier loodrecht neerstort, heet „gohong.”↑
1Een Kiham—in het Maleisch Riam—wordt een plaats in de rivier genoemd, waar door rotsbeddingen de breedte der rivier zeer versmald wordt, zoodat het water als te samen geperst, genoodzaakt is door een smallen doorgang te dringen. Veelal gaat daarmede ook een tamelijk verval van de rivierbedding gepaard. Een eigenlijke val is het in den regel niet. Een waterval, waar het water van een hoogte schier loodrecht neerstort, heet „gohong.”↑
2Koedjang is een knolgewas, dat veel in moerasachtige streken groeit. In de benedenlanden wordt het bijzonder veel aangetroffen en is daar naast de rijst het hoofdvoedsel der bevolking. In de bovenlanden wordt het ook in poelen en moerassen gevonden, doch niet zoo algemeen.↑
2Koedjang is een knolgewas, dat veel in moerasachtige streken groeit. In de benedenlanden wordt het bijzonder veel aangetroffen en is daar naast de rijst het hoofdvoedsel der bevolking. In de bovenlanden wordt het ook in poelen en moerassen gevonden, doch niet zoo algemeen.↑
3Tobah is een struik, die tot de Rhisophoren behoort. Als zoodanig komt hij in de benedenlanden veelvuldig, in de bovenlanden alleen in moerasgronden voor.↑
3Tobah is een struik, die tot de Rhisophoren behoort. Als zoodanig komt hij in de benedenlanden veelvuldig, in de bovenlanden alleen in moerasgronden voor.↑
4Dit is een veel gebruikt spreekwoord om het doen van vruchtelooze pogingen aan te duiden. Het wordt ook als raadsel opgegeven en luidt dan: „inedjep halit, inedjep halit, en kaom?” Telkens doorstoken, doch immer geheeld, wat is uw antwoord? En dat antwoord is: het water.↑
4Dit is een veel gebruikt spreekwoord om het doen van vruchtelooze pogingen aan te duiden. Het wordt ook als raadsel opgegeven en luidt dan: „inedjep halit, inedjep halit, en kaom?” Telkens doorstoken, doch immer geheeld, wat is uw antwoord? En dat antwoord is: het water.↑
5Rantèpbeteekent, dicht aan elkander sluiten, nauw vereenigd zijn. Waarlijk een schoone naam voor een gerechtshof.↑
5Rantèpbeteekent, dicht aan elkander sluiten, nauw vereenigd zijn. Waarlijk een schoone naam voor een gerechtshof.↑
6Kamanangangkomt van „kamang”, een werkwoord, dat betasten beteekent, als zijnde door betasting behoorlijk op de hoogte der zaak.↑
6Kamanangangkomt van „kamang”, een werkwoord, dat betasten beteekent, als zijnde door betasting behoorlijk op de hoogte der zaak.↑
7Rear, een verbastering van reaal, is een denkbeeldige munt ter waarde van twee gulden en wordt ook welkipinggenoemd.↑
7Rear, een verbastering van reaal, is een denkbeeldige munt ter waarde van twee gulden en wordt ook welkipinggenoemd.↑
8In 1861 werd in de boven Manohin iemand die bij het „hagalangang” licht gekwetst was, door de tegenpartij gekapt en gekerfd, waarbij evenwel gezorgd werd, dat geen levensgevaarlijke wonden werden toegebracht. Daarna werden die wonden met een sterk aftreksel van lombokh ingesmeerd. Onder de ondenkbaarste folteringen gaf de ongelukkige den geest.↑
8In 1861 werd in de boven Manohin iemand die bij het „hagalangang” licht gekwetst was, door de tegenpartij gekapt en gekerfd, waarbij evenwel gezorgd werd, dat geen levensgevaarlijke wonden werden toegebracht. Daarna werden die wonden met een sterk aftreksel van lombokh ingesmeerd. Onder de ondenkbaarste folteringen gaf de ongelukkige den geest.↑
9Mata koetjingbeteekent kattenoog,bapoetiwit enlinohgladheid, die benamingen doelen op de eigenaardigheden van die soorten. Alle drie zijn fraai doorschijnend, de eerstgenoemde als kristal.↑
9Mata koetjingbeteekent kattenoog,bapoetiwit enlinohgladheid, die benamingen doelen op de eigenaardigheden van die soorten. Alle drie zijn fraai doorschijnend, de eerstgenoemde als kristal.↑
10Kroeën beteekent gemengd, toelang beenachtig en anlei vuil, smerig; ook deze benamingen doelen op de geaardheid der soorten, die zij aanduiden.↑
10Kroeën beteekent gemengd, toelang beenachtig en anlei vuil, smerig; ook deze benamingen doelen op de geaardheid der soorten, die zij aanduiden.↑
11Over dien smaak is hier niet veel meer te vertellen. Die daarvan meer wil weten, wordt verwezen naar de vaak aangehaalde „Ethnographische beschrijving der Dajaks” van den schrijver.↑
11Over dien smaak is hier niet veel meer te vertellen. Die daarvan meer wil weten, wordt verwezen naar de vaak aangehaalde „Ethnographische beschrijving der Dajaks” van den schrijver.↑
12Totok een soort van bijnaam in N.I. om volbloed Europeanen aan te duiden.↑
12Totok een soort van bijnaam in N.I. om volbloed Europeanen aan te duiden.↑