XXIX.

[Inhoud]XXIX.Kahio en orang oetan.—De reis hervat.—De ijzerhoutboom.—Aan de soengei Minjangan.—Stroomafwaarts.—Op de Kahajan.—Legende.—Kotta Dewa.—Aankomst te kotta Oepon Batoe.—Beklimming van den rotswand.—Gevechten.—Een paar mijnen.—Schlickeisen verdwenen.In het bivouac hadden de medegebrachte gevangenen veel bekijk. Toch was onder die natuurmenschen de stemming zeer medelijdendgezind. Men beklaagde de arme moeder, die zoo in gevangenschap geraakt was, bij de verdediging van haar kind. Want ontwijfelbaar was het voor een ieder, dat de aanval op Wienersdorf slechts ten doel had, haar kind te beschermen, hetwelk uit den boom gevallen was en dat zij bedreigd achtte.„Kahio!” had ook Harimaoung Boekit en de andere Dajaks geroepen, toen zij de dieren zagen. La Cueille sloeg wanhopige blikken om zich heen. Waren dat dan geen orang oetan’s? Volgens hem was er niets erger dan de eigenzinnigheid der menschen, als zij zich iets in het hoofd gehaald hebben. Hij vernam evenwel dat kahio de Dajaksche naam van het dier was.„Dus is het toch een orang oetan, niet waar?” hervatte hij met vuur.„Juist, net zoo goed als een orang oetan een kahio is. Kahio is de naam van het dier in zijn vaderland. Daar kent niemand dien naam van orang oetan, die boschmensch beteekent, en door de Europeesche geleerden, in[257]hun dwaze zucht, om nimmer vrede met de inheemsche benamingen te hebben, is uitgedacht.”Den volgenden morgen trachtte Wienersdorf door tusschenkomst van Hamadoe, een flinken brok arengsuiker machtig te worden. Toen hij dien had, bracht hij het dier met zijn jong buiten het bivouac, stopte hem de suiker in de hand en sneed zijn banden door. De kahio, zich vrij gevoelende, uitte een gegrom van tevredenheid, rekte armen en beenen, richtte zich overeind, greep toen het jong, dat die teedere moeder aan haar borst klemde, vloog op een boom toe en had daarvan in een oogwenk de onderste takken bereikt. Op een dezer gezeten, keek het dankbare dier den Zwitser nog eens aan, murmelde iets met de lippen, waarbij het als alle quadrumanen de wenkbrauwen op en neer bewoog en afschuwelijke gezichten trok, en was weldra in den dichten loofwand verdwenen.Alle reisgenooten gaven hun bijval te kennen, dat Wienersdorf die moeder met haar kind in vrijheid had gesteld. Hij moest evenwel erkennen, dat die moeder hem ter dege afgeranseld had. Alleen bij de gedachte wreef hij zich nogmaals armen en beenen en bracht hij de hand aan de keel, alwaar hij die klemschroef nog meende te voelen.Met het rijzen der zon ving ook weer de inspanningsvolle arbeid aan. Het kostte nog veel moeite en veel zweet om de rangkans over den zadelrug, die den Boekit Riwoet met de aangrenzende heuvelreeksen verbond, te voeren. Toen men ze evenwel daar bovenop had, werd wat uitgeblazen, waarna de reis weer vol moed hervat werd. Het ging nu veel gemakkelijker en derhalve ook veel sneller. Eensdeels waren de hellingen naar het westen minder steil, zelfs zacht te noemen; anderdeels leverde het terrein, ook door den aard zijner plantenbekleeding[258]minder bezwaren op. Kort nadat de afdaling begonnen was, leidde het pad door ijzerhoutbosschen, en leverden die betrekkelijk zeer weinig beletselen op. De ijzerhoutboom, bij de Dajaks „tabaliën” genaamd, heeft veel overeenkomst met den djattiboom (Tectonia grandis). Dezelfde vorm, dezelfde stam, dezelfde spreiding van takken, nagenoeg hetzelfde ruwe blad; ontwijfelbaar zullen de geleerden de beide boomen tot dezelfde familie rekenen. Met den teakboom, heeft ook de tabaliën de geaardheid gemeen, om uitmuntend in gezelschap van soortgenooten te tieren en daarbij struikgewas, slinger- en parasietplanten onmeedoogend te verstikken. Hij duldt niets dan een mager spichtig gras in zijn nabijheid, dat nog veelal in den drogen tijd in brand geraakt. De bodem rondom is dan ook zoo zuiver, als in een oorspronkelijk bosch niet te verwachten zoude zijn. Het gevolg van dien toestand was, dat onze reizigers reeds vroeg in den namiddag aan de boorden van de soengei Minjangan aankwamen. Het eerste, dat het reisgezelschap deed, was een verfrisschend bad te nemen in de heldere wateren van die soengei. Mannen, vrouwen en kinderen dartelden een poos met wellust, alsof in de wereld niets anders te doen ware. Daarna gingen de vrouwen lustig aan het koken en met te meer ijver, daar allen en ook zij honger hadden.De mannen ontlaadden de rangkans voor zooveel noodig, om ze zonder bezwaar te water te kunnen brengen. Zij keken daarbij de vaartuigen goed na, herstelden waar door dat vervoer schade aangebracht was, en weldra lag deflotillete dobberen en gereed haar lading weer te ontvangen. De dag was evenwel te ver gevorderd, om nu nog de reis te kunnen vervolgen. Bij donker weer zouden de gevaren op de snelstroomende rivier te groot zijn, om die te mogen trotseeren. Van de weinige uren,[259]die het daglicht nog gunde, gebruik makende, trokken eenige jagers uit, eensdeels op verkenning der omstreken, ook om te trachten eenig wild machtig te worden. Zij keerden terug met het bericht, dat de omtrek behoorlijk veilig was en brachten daarenboven een prachtig hert mede, dat zij in de nabijheid geschoten hadden. Dat was inderdaad een belangrijke aanwinst voor de keuken.Na alles zoo gereed gemaakt en verzorgd te hebben, kon het reisgezelschap onder de hoede der schildwachten een welverdiende rust genieten en was den volgenden morgen bij het eerste dagen gereed, om de reis te vervolgen. Het ging nu stroomaf, en pijlsnel schoten de rangkans vooruit. Het was alsof tusschen die zes vaartuigen een wedren gehouden werd, met zoo’n geestdrift werd voortgeroeid. Vooral bij het afvaren van kihams vlogen de reizigers de oevers met duizelingwekkende vaart voorbij. Behalve den verbazend snellen stroom, dien de soengei daar verkreeg, zetten zij, die de stuurpagaai in handen hielden, de roeiers tot de uiterste krachtsinspanning aan, omdat zij alsdan in die schuimende en kokende wateren te beter stuur over hun vaartuigen konden houden. Onder een luid gegil schoot de eene rangkan voor, de andere na zoo’n waterval af, waarbij de Europeanen zich het hart vasthielden. Het bewustzijn, dat bij die pijlsnelle vaart de geringste aanraking met de rotsen, die zich allerwege verhieven en waartusschen het water zich wrong, de vernieling van het vaartuig en het verongelukken van al de opvarenden, ten gevolge kon hebben, deed hen ijzen. Maar de stuurbeseai’s waren in goede handen, de roeiers luisterden stipt naar de wenken van de stuurlieden, zoodat de vaartuigen dan ook behouden de Kahajan rivier bereikten.[260]Het was toen omstreeks middag. Onmiddellijk werd naar het noorden gewend en stevenden de rangkans dien prachtigen stroom op. Harimaoung Boekit wees den Europeanen achter hen op een hooge rots, die zich loodrecht uit het midden van het rivierbed scheen te verheffen. Hij verhaalde hun, dat daar ter plaatse een gevaarlijke draaikolk bestond, „Labeho Tampang” genaamd, die tengevolge van een doorbraak gevormd werd van den Boekit Taroilokong, welke als een reusachtige slagboom de rivier in de voortijden afsloot. De stroom schoot daar een wijl tusschen loodrechte rotswanden van leisteen en dioriet voort, terwijl de verbrijzelde massa der doorbraak in den vorm van klippen en rotsen het rivierbed tot een der gevaarlijkste passages maakte. De Poenan verhaalde vervolgens dat eens, lange jaren geleden, de oeverbewoners van de soengei Lepang, een zijrivier van de soengei Roengan, op haar beurt een zijrivier van de Kahajan, bij het goudwasschen in de bedding der soengei groote gedegen stukken van dat edel metaal vonden en eindelijk op een vervaarlijk groote goudmassa stuitten, die, toen zij haar van de zandlaag ontbloot hadden, welke haar bedekte, de gedaante van een groot volwassen hert met breedvertakt gewei vertoonde. De vinders stortten zich op dien schat, om hem te bemachtigen, maar alvorens zij het grijpen konden, sprong het vlugge dier overeind en spoedde het woud in. Terzelfder stond zagen een paar reizigers, die bij Labeho Tampang de Kahajan afzakten, een gouden hert op de rotskruinen verschenen en in den kolk springen, om een toevlucht te zoeken in een grot of uitholling, die onder den waterspiegel in die rots zoude bestaan. Dat was, vulde Harimaoung Boekit zijn verhaal aan, de „sarok boelau hai” (de groote ziel van het goud), die haar toevlucht in deze streken genomen heeft en de oorzaak[261]is, dat van dat oogenblik hier zooveel en zulk goed goud gevonden wordt.IJverig werd intusschen voortgeroeid. Het was omstreeks drie uur in den namiddag, toen de reizigers kotta Dewa bereikten. Hier stapten Amai Kotong en Harimaoung Boekit aan wal om poolshoogte te nemen. Zij vonden hier reeds alles in rep en roer, want er waren berichten ontvangen van den inval van Tomonggong Soerapatti. Het hoofd dier kotta, Amai Raden genaamd, was afwezig; hij was naar de velden geijld, om zijn pandelingen te verzamelen en binnen de versterking te brengen. Het gezag werd intusschen uitgeoefend door zijn echtgenoote Njahi Balau. Dat was een vrouw van ongeveer veertig jaar oud, krachtig van lichaamsbouw en met een ware heldenziel bedeeld. Meermalen had zij bij vijandelijke aanrandingen, de mannen, waaronder ook haar ega, die vluchten wilden, met den mandauw in de vuist tot staan gebracht en tegen de vijanden aangevoerd. Onze reizigers vonden haar bezig met de voorbereidselen tot een krachtige verdediging. Zij had reeds zendelingen uitgezonden, om de naburige soengeibewoners, die onder kotta Dewa stonden, tot den strijd op te roepen. Van de Doessonners had zij in zoover tijdingen, dat zij wist mede te deelen, dat die in soengei Miri door de bevolking ontdekt en aangetast waren geworden, waardoor zij in de noodzakelijkheid waren gekomen, om het beleg voor kotta Ohas te slaan.Op die tijding was Harimaoung Boekit natuurlijk niet meer te houden. Hij vloog, na in weinige woorden met Njahi Balau afgesproken te hebben, dat zij met de meesten harer weerbare mannen volgen zoude, zijn rangkan in en voort ging het verder de Kahajan op. Het was evenwel een lang traject, dat onze reizigers nog af te leggen hadden. Zij hadden volop tijd, om op[262]te merken dat, sedert zij de soengei Minjangan verlaten hadden, het landschap geheel en al van karakter veranderd was, dat, waar langs die soengei en ook langs de Kapoeas slechts oorspronkelijk woud de oevers omzoomde en op een volslagen ontvolking duidde, hier ontgonnen boschperceelen allerwege het oog boeiden en geheele velden met rijst, katjang, katella pohon, djagoong enz. beplant, ontwaard werden. Er werden zelfs geheele uitgestrektheden waargenomen, die uitsluitend en regelmatig met klapperboomen of met sagopalmen beplant waren. De grenzen van het maagdelijk bosch waren op sommige punten zoover het oog reikte teruggedrongen, en stroomde de schoone rivier, kalm en zacht kabbelend, zich tusschen zacht golvende heuvels kronkelende, te midden van een schilderachtig landschap, dat allerwege tooneelen van de zegeningen van den landbouw aanbood. De streek was ook goed bevolkt, want bijna ontelbaar waren de kotta’s te noemen, die zich op de beide oevers van den fraaien stroom verhieven. Evenwel die kotta’s duidden op zich zelven reeds aan, dat de bewoners een stevige insluiting voor hun veiligheid noodig achtten; de schedels, die ook hier overal op de palissadepunten prijkten, bewezen nog krachtiger, dat het bebouwde landschap slechts een schijnbeeld van meerdere beschaving verleende; want het koppensnellen behoorde ook tot de gewoonten van de bevolking van Kahajan en deze stond dus even laag op de maatschappelijke ladder als iedere andere stam in de binnenlanden van Borneo.De reis werd onverpoosd voortgezet. De stroom stelde weinig of geen beletselen in den weg. De helling van dit riviervak was zeer gering en derhalve de kracht van het afstroomend water zwak. Toen de nacht inviel drong Harimaoung Boekit er op aan, dat de reis zou worden voortgezet, waartegen te minder bedenkingen waren in te[263]brengen, dewijl bij het gevaarlooze van een nachtelijken tocht op den breeden zachtvlietenden stroom, ook nog de maan in rekening te brengen was, die met haar zacht licht, den nacht bijna in dag herschiep. Alle reisgenooten juichten dan ook het voorstel toe, en met onvermoeide kracht kliefden de beseai’s de wateren.Bij het doorkomen van het eerste morgenrood ontwaarden de reizigers, dat het terrein, hetwelk na het ondergaan van de maan, gedurende enkele uren aan hun waarneming onttrokken was geweest, langzamerhand van karakter was veranderd. De heuvelen, die zich langs de oevers verhieven, waren hooger, steiler, woester van vorm geworden. Op sommige plaatsen naderden zij den stroom zoodanig, dat die niet dan met geweld zich een doortocht had kunnen banen. Steil omhoogstijgende rotswanden en afgebrokkelde oevers volgden elkander nu weer op, terwijl ook de rivieroppervlakte de liefelijke kalmte, die daags te voren onze reizigers zoo boeide, verloren had. Integendeel, dwarlkolken, stroomversnellingen, watervallen en schuimende golvingen waren weer aan de orde en baarden den roeiers veel inspanning.Het was zoo omstreeks acht uur, toen de reizigers in de verte aan den linkeroever een kolossale rots met zacht afgeronden top, als loodrecht uit het bed der rivier zagen verrijzen. Dat wasOepon Batoe1, het doel van de reis voor heden, de rots waarop de kotta van Tomonggong Toendan gelegen was. Met inspanning van alle krachten vorderden de rangkans slechts langzaam in de witschuimende golven, welke die loodrechte rotswanden[264]van ongeveer 400 voeten hoog, aan twee zijden, het zuiden en het westen, omgaven. Toen men eindelijk de westzijde iets te boven was, scheen de Oepon Batoe eenigszins terug te wijken als om plaats te maken voor een kleinere rots, die op haar beurt uit den vloed scheen op te rijzen. Die rots van een driekante gedaante, heette Batoe Soeli2. Harimaoung Boekit verhaalde, dat vroeger die driekante steen dwars in het rivierbed lag en de gemeenschap geheel en al verbrak. Toen treurden de visschen en krokodillen en beklaagden zich er over bij Mahatara dat zij geen verkeer konden hebben met hun vrienden aan de andere zijde van den slagboom.Sangiang Sangoeman kreeg bevel het beletsel uit den weg te ruimen, hetgeen hij volvoerde, door het gevaarte met machtige hand op te tillen en op den oever overeind te zetten.In de ruimte, tusschen den Oepon Batoe en den Batoe Soeli, was als een kom in den oever met een wit zandig strand, waarop een tomoi gebouwd was en waar de vaartuigen konden aanleggen. Bij het landen ontwaarden de reizigers drie vrij groote rangkans aan de aanlegplaats vastgemaakt, waarvan de bewakers bij het zien van de naderende vaartuigen op de vlucht sloegen.„Olo Doesson! olo Doesson!” (menschen van Doesson, Doessonners) was de kreet, die ons reisgezelschap slaakte en niet weinig verwarring vooral onder de vrouwen en kinderen veroorzaakte. Harimaoung Boekit riep hun evenwel eenige woorden toe, waarop de rangkans elkander naderden. Uit twee daarvan stapten de vrouwen en kinderen haastiglijk in de anderen over en werden door een gelijk aantal mannen vervangen. Daarop schoten de[265]vier rangkans met de vrouwen, die ook de pagaai konden hanteeren, naar den rechteroever over en lieten zich verder de rivier tot beneden Oepon Batoe afzakken. De twee andere vaartuigen met geweerdragenden, waaronder ook onze Europeanen, bemand, legden bij den tomoi aan. Geen sterveling was daar echter te ontwaren. Voorzichtig werd het kleine gebouw doorzocht, maar niets daarin gevonden. Behoedzaam stegen de vijftig dapperen voorwaarts het pad op, dat steil tegen een hoogen leemheuvel opslingerde, zich nu eens als hollen weg voordeed, om een oogenblik later over den nok van een zadelrug te voeren. Eindelijk kregen zij den kalen wand van de rots in het gezicht, waarop de kotta lag, en zagen daar, op ongeveer een vijftig pas voor zich, een zestigtal Doessonners bij elkander gegroepeerd, die de aankomenden onder het zwaaien hunner mandauws met uitdagende kreten en met scheldnamen en verwenschingen begroetten. Tegen die rots waren boomstammen geplaatst of gehangen, van inkervingen voorzien, waarlangs een twintigtal menschelijke wezens zich naar boven heschen om den bovenrand van den wand te bereiken. Zoodra Johannes, die het opperbevel weer aanvaard had, dien troep zag, liet hij halt maken en een rottenvuur openen, d.w.z., dat, zonder zich om iets te bekreunen, een ieder op dat menschelijke kluwen mocht schieten, zooals hij goed vond, hetgeen de beste waarborgen tot goed raken gaf. De twee Zwitsers volgden hun oude tactiek, zij bespaarden zorgvuldig hun munitie voor ernstiger oogenblikken. La Cueille en Johannes openden hun vuur op de klouteraars, waarbij zij bij voorkeur hen tot doelwit kozen, die reeds het hoogst geklommen waren. De uitwerking daarvan was verrassend. Zij die vielen, sleepten de achter hen komenden in hun val mede. De daardoor ontstane verwarring werd nog vergroot, toen die[266]twee schutters ook nog hun nimmer falende kogels te midden der saamgedrongen Doessonners begonnen te zenden, waartusschen zij meer effect maakten dan al het geraasvolle schieten der Dajaks. Al spoedig bedekte een menigte dooden en gewonden den grond en hun aantal vermeerderde ieder oogenblik. Toen het eerste oogenblik van verrassing voorbij was, traden de koenste der Doessonners vooruit, met het doel zich op hun aanvallers te werpen, maar het geweervuur, dat hun onafgebroken tegenknetterde, velde een ieder, die poogde voorwaarts te treden. Nogmaals wierpen zij zich in hun wanhoop vooruit; zelfs gelukte het eenigen hunner tot tegen de bajonetten, tot er onder zelfs, door te breken, maar in dezen hachelijken stond brachten ook nu de Zwitsers met hun repeteergeweren de beslissing aan. Door hun juiste en spoedig op elkander volgende schoten scheidden zij die voorvechters van den hoofdtroep af, die, trots hun heldhaftigheid, onondersteund als zij bleven, ellendig afgemaakt werden. Nu beving een radelooze angst de overgebleven Doessonners. Onberaden van ontzetting en als blind stormden zij een pad af, dat zijwaarts van hun aanvallers door een kloof naar de rivier scheen te leiden, maar naar den rand eener rots voerde, die als onderdeel van de hoofdsteenmassa zich boven den stroom verhief. Een oogenblik kwamen hier de vluchtelingen tot staan, maar toen het geweervuur met alle woede achter hen andermaal kraakte; toen in hun doodsangst stortten zij zich hals over kop in de golven en trachtten al zwemmende de overzijde te bereiken. Velen hunner verdronken; de anderen werden later opgespoord en als wilde dieren gejaagd.Na dit drama wilden de Poenans en de Kapoeassers de gevallen Doessonners, zoo gekwetsten als dooden, onthoofden,[267]toen eensklaps boven op de rots een vreeselijk geschreeuw en gegil ontstond, dat de aandacht onmiddellijk afleidde. Hoewel niets te bespeuren was, verzekerde Harimaoung Boekit, dat het hem nu duidelijk was, wat daar boven gebeurde. Volgens hem ondernamen op dit oogenblik de Doessonners met hun geheele macht aan de oostzijde den hoofdaanval; maar hadden, om den vijand tot versnippering van krachten te noodzaken, een beklautering van de rots aan de noordzijde beraamd, die slechts door een betrekkelijk klein aantal stoutmoedigen onbemerkt zoude moeten volvoerd zijn. Die stoute beklimming zoude voorzeker gelukt zijn, wanneer het toeval onze avonturiers niet daar ter plaatse gebracht had.Johannes deelde, zoodra hij die waarschijnlijkheid uit den mond van Harimaoung Boekit vernomen had, eenige bevelen uit en, zelf het voorbeeld gevende, wierp hij het geweer bij den riem over den rug en begon de bestijging langs de ingekerfde boomstammen, die alleen aan deze zijde toegang tot den bovenrand der rots verleenden. Met een daverend hoera volgden hem de Kapoeassers en de Poenans en in het volgende oogenblik hing daar een menschentros hoog boven den afgrond tusschen hemel en aarde. Na een moeitevolle beklimming van ruim een half uur, waren de stoutmoedige klauteraars allen boven, behalve Schlickeisen,—wiens wond zulk een inspanning niet gedoogde en die zijn Remmingtongeweer met dat van La Cueille geruild had,—en nog een viertal Dajaks, die in het kortstondig gevecht van man tegen man nog al belangrijk gewond waren. Deze zochten een toevlucht in de rangkans en wachtten daar met den vinger aan den trekker, den uitslag der beklimming af.Zoodra Johannes boven was, beijverde hij zich, hoe aamechtig ook, zijn makkers in rij en gelid te scharen[268]en hun vooral bedaardheid in te spreken. De houten borstwering van de kotta was aan deze zijde, alwaar een aanval moeielijk kon verwacht worden, niet hoog. Toen hij zijn troepje wat bekomen en overigens kalm en bedaard genoeg zag, om zijn bevelen te kunnen opvolgen, klom hij met Harimaoung Boekit de palissadeering over, om een kijkje in de kotta te nemen en naar omstandigheden te kunnen handelen. Wat hij daar zag, vereischte al dadelijk in hooge mate zijn aandacht. Op de oostzijde der versterking werd verwoed gestreden. Met de vertwijfeling der wanhoop verdedigde zich de bezetting tegen de overmachtige Doessonners en was het daaraan alleen te wijten, dat hij met den Poenan onbemerkt had kunnen binnendringen. Met een oogopslag overzag hij het kritieke van den toestand. Geen schot werd hier gehoord; alles geschiedde met het blanke wapen. Op een paar punten hadden de aanvallers de borstwering reeds beklommen en vasten voet op het banket verkregen. De meest wanhopige pogingen, om hen van daar te verdrijven, gelukten niet. Met ieder oogenblik groeide het aantal der binnengedrongenen aan, weldra zouden zij zich sterk gevoelen om weer aanvallend te werk te gaan en zich in de binnenruimte der kotta te werpen. Het pleit zou dan bij de groote overmacht der Doessonners spoedig beslist zijn. IJlings spoedde Johannes terug, om zijn makkers te wenken, terwijl het Poenanhoofd voorwaarts drong, om er op in te hakken; maar voornamelijk om de bezetting toe te roepen, dat hulp nabij was. Plotseling knalde een schot, en een Doessonner, die juist zijn eene been over de palissadeering bracht, om naar binnen te springen, stortte gillend en doodelijk getroffen achterover naar buiten. Een tweede, een derde ondergingen hetzelfde lot. Als onwrikbare uitvoerders van het noodlot schoten de Europeanen[269]ieder Doessonner neder, wiens hoofd zich boven de palissadeering vertoonde. Middelerwijl hadden de overige Kapoeassers de bezetting gewenkt om ruimte te maken en weldra klonk een onafgebroken geweervuur het kleine troepje, dat daar nog in verdedigende houding op den walgang stond, schrikkelijk als de titih, als de doodsklok, in de ooren. Eenigen dier stoute aanvallers werden getroffen, dat veroorzaakte verwarring, en daarvan maakten de belegerden meesterlijk gebruik, om op die indringers te vallen en tot den laatsten man af te maken. Dat gaf lucht. Onze redders in nood klommen nu ras op het banket, vuurden zoo vlug zij konden in den dichten drom, die aan den voet der palissadeering krioelde, vuurden nogmaals en nogmaals, en toen zich aan dat vuur nog een flankaanval paarde, die de belegerden in dat oogenblik ondernamen, toen stoven de aanvallers uiteen en vluchtten Soerapatti’s scharen den heuvel af, om zich aan den voet daarvan weer te verzamelen.Voor de belegerden ontstond nu eenige verademing, waarvan de drie Europeanen gebruik maakten om den toestand te overzien. Kotta Oepon Batoe kon sterk, tegenover een inlandschen vijand, zeer sterk genoemd worden. Langs twee zijden was zij bij voldoende waakzaamheid volkomen onaantastbaar. Daar steeg de rots, zooals wij gezien hebben loodrecht uit het water omhoog. Een genaakbaar punt bestond alleen daar, waarlangs onze reizigers binnengedrongen waren, maar waar ook twee verdedigers, desnoods een, voldoende waren, om een beklimming onmogelijk te maken. Aan de andere zijden was de heuvel ook wel zeer steil te noemen maar daar was een bestijging uitvoerbaar. Aan die kanten vooral was de palissadeering in vrij goeden staat. Het plateau, waarop de kotta zich verhief, was in zijne[270]natuurlijke gesteldheid door een soort van aardspleet in twee deelen gescheiden. In die spleet welde een kristalheldere bron op, die zoo overvloedig water gaf, dat een beekje ruischend en murmelend langs die soort van hollen weg naar beneden schuimde. Overigens was het geheele plateau met groote rotsblokken als bezaaid. Twee daarvan trokken in hooge mate de opmerkzaamheid van La Cueille tot zich. Het waren twee verbazend groote tafelsteenen3plat maar toch zeer dik, die op een afstand van slechts weinige ellen van elkander, elk op een veel kleineren maar bolvormigen steen rustten, evenwel zoodanig in hun zwaartepunt geschraagd werden, dat een eenigszins krachtige drukking met de hand voldoende was die kolossale steenmassa’s in een wiegelende beweging te brengen. Dat vond de Waal aardig, hij drukte, hij drukte nog eens en nog eens en scheen zich maar geen rekenschap van de beweeglijkheid dier gevaarten te kunnen geven. Hij bukte en zag dat beide steenen ongeveer drie voet boven den grond verheven waren; wijders merkte hij op, dat zij buiten de borstweringenceinte stonden, onmiddellijk aan den rand van het plateau boven de helling van den bovenbedoelden hollen weg. Hij boog zich over den rand, maar zag niets dan een dicht begroeide trechtervormige schacht, op welker bodem het beekje ruischte. Plotseling kreeg hij een inval; hij riep Johannes tot zich, fluisterde dien eenige woorden in, waarop beiden aan het werk togen en onder ieder der twee beweeglijke steenen aan de kotta zijde een grooten steen wentelden, zoodanig dat die tot steun van de[271]wankelende gevaarten diende. Daarna holden zij den bodem onder die steenen eenigermate uit, vulden die ruimten met een hoeveelheid van ongeveer tien K.G. buskruit, dat zij op voorspraak van Harimaoung Boekit van het kottahoofd verkregen, en stopten verder de mijnen, na daaraan geleiddraden, behoorlijk met een buskruitsas bestreken, bevestigd te hebben, met zware rotsblokken op. Toen dat klaar was, verlengde La Cueille de geleiddraden en voerde ze tusschen de palissaden door tot binnen de kotta, waar hij ze onder een paar takkebossen verborg.Maar nog was men niet met alle voorbereidselen klaar, toen een daverend gejoel aankondigde, dat de stoutmoedige vijand den aanval ging hervatten. En werkelijk, in dichte drommen stegen de Doessonners de hoogte aan den oostkant met de meeste snelheid op. Al dadelijk barstte het geweervuur los, maar had aanvankelijk weinig of geen uitwerking, gedekt als de aanvallers op de helling nog waren door den randkam des heuvels. In een oogwenk waren zij boven op het plateau en met een weergalooze doodsverachting begonnen zij de bestorming. Een heldentroep vloog vooruit en beijverde zich met apenvlugheid tegen de palissadeering op te klouteren. Helaas! al die stoutmoedigheid kon den weerstand niet breken. Ieder hoofd, dat zich boven de borstwering vertoonde, diende tot mikpunt, en, ontkwam ook al een enkele aan de wisse kogels, niet ondersteund als hij was bij zijn binnenspringen, werd hij op de lansen en mandauws opgevangen en onmeedoogend afgemaakt. Middelerwijl knetterde het geweervuur onafgebroken door de schietgaten en berokkende den aanvallers zware verliezen. Toch wisten zij van geen opgeven; zij hielden met een volharding stand, eene betere zaak waardig. Elkander aanmoedigende en slechts voor de belegerden een verachtelijk[272]scheldwoord over hebbende, beklommen zij nogmaals en andermaal de borstwering, maar steeds met hetzelfde noodlottig gevolg.Maar, terwijl de geheele bezetting der kotta schier ademloos en gespannen, het oog op dien aanval gericht hield, had La Cueille, die zijn eigene inzichten scheen te hebben, ook elders zijn aandacht gevestigd. Wel zond hij zijn kogel af, wanneer hem het oogenblik geschikt voorkwam, maar zijn hoofdgedachte was elders. Eindelijk meende hij eenig gedruisch te vernemen aan den noordkant. Fluks sloop hij naar buiten, kroop of beter schoof als een slang over het plateau tot aan den rand en.… werkelijk, hier zag hij een dichten drom, die in alle stilte door de beekgleuf den heuvel besteeg. Ja, hij had goed geraden, hier was het gevaar; die aanval ginds was slechts een schijnaanval, een kloekmoedige opoffering van helden, om hun makkers tijd en gelegenheid te geven den hoofdaanval te volvoeren. Stil als hij gekomen was, sloop La Cueille terug, wenkte Johannes en Wienersdorf, vloog toen naar de keuken om een brandende houtspaan te halen. Daarmede stak hij de geleiddraden aan; een oogenblik zag ons drietal de vuurvonk langs de beide gezwinde lonten over den grond voortschrijden, flikkeren en tusschen de palissadeering door verdwijnen. Die mannen wachtten, wachtten met ongeduld; zij zagen niets, niets meer. Soms meende een hunner nog een kronkelend rookwolkje in het gras te ontwaren; maar daarna niets, niets meer. De eerste vijanden begonnen zich reeds aan den rand van het plateau te vertoonen. Zij sprongen er op; anderen volgden hen. Weldra was een honderdtal boven. God! God!! zou de lont uitgedoofd zijn? dat ware verschrikkelijk. De drie Europeanen openden hun vuur op de beklimmers; maar in weerwil daarvan werd het aantal vijanden steeds grooter en[273]begonnen zij zich reeds om het plateau te verspreiden. De toestand werd netelig. Daar ginds de schijnaanval, die bijna niet te bedwingen was, en hier aan het zwakste gedeelte een bende, die met iedere seconde aangroeide. Maar hoort.…. daar weerklonk eensklaps een knal, zoo hevig, zoo schrikwekkend, dat voor een poos aanvallers en aangevallenen, van schrik als verstijfd, bewegingloos bleven. Een vreeselijke bliksemstraal schoot uit den grond te voorschijn, alsof een krater zich opende; een dikke rookwolk voer pijlsnel ten hemel en toen zag men een der beweegbare rotsmassa’s, als door een reuzenhand opgetild, zich oprichten, van haar steunpunt afschieten, kantelen, vooroverbuigen en donderend en krakend langs de beekgleuf in den afgrond verdwijnen. Voordat de aanvallers zich rekenschap konden geven van wat er gebeurde, had een tweede uitbarsting plaats, en stortte ook de andere steenmassa in de diepte. Goed aangelegd en verzorgd, waren La Cueille’s mijnen uitstekend geslaagd. De gevaarten, langs de helling afrollende, ploegden ieder een verschrikkelijke vore in den opstijgenden menschendrom en deed hem als kaf uiteenstuiven. Zij, die reeds boven waren, sloegen met den schrik in het hart op de vlucht, terwijl ook de schijnaanval, na die vreeselijke verijdeling van den hoofdaanval gestaakt moest worden.Toen de bezetting eenigermate tot bezinning gekomen was en rondkeek, werd bespeurd, dat ook zij belangrijke verliezen te tellen had. Veertien lijken der Kahajanners werden tusschen een veel grooter aantal Doessonners aangetroffen, terwijl bovendien nog wel het dubbele getal gewond was. Niemand hunner ontveinsde zich, dat, indien onze reizigers niet van pas aangekomen waren, de uitslag oneindig noodlottiger geweest zou zijn. Vooral keek de menigte met bewondering tegen[274]La Cueille op, tegen den man, die over donder en bliksem kon beschikken, die dien donder en bliksem uit de aarde kon doen te voorschijn komen, om rotsblokken, die de Sangiangs alleen zouden kunnen bewegen, op hun vijanden te storten. De Waal, niet ijdel van aard, liet zich die bewondering met zelfopofferende gelatenheid welgevallen en vond het baantje van held niet onaangenaam.Toen onze vrienden kotta Oepon Batoe verder opnamen, vonden zij onder de hoofdgebouwen veertig karandah’s, in ieder waarvan een menschelijk wezen opgesloten was. Zij vernamen alsnu, dat Tomonggong Toendan, het kottahoofd, kortelings overleden was, en dat die ongelukkigen bestemd waren, om bij zijn lijkfeest geslacht te worden4. De gekwetste Doessonners werden ook bijeengebracht. Die zouden den volgenden morgen den vreeselijken marteldood ondergaan, om de gesneuvelde helden der bezetting, die dan verbrand zouden worden, tot escorte in het zielenland te dienen. Overigens herhaalde zich ook hier de afschuwelijke schedeloogst van de gesneuvelde vijanden en de walgelijke tooneelen, die daarmede gepaard gingen.Met afschuw wendden de Europeanen zich af en informeerden bij Harimaoung Boekit of er al berichten van de vrouwen waren; vooral Wienersdorf begon ongeduldig naar zijn Hamadoe uit te zien. Het Poenanhoofd zond een paar zijner strijders uit, om van den rand der rots de rangkans op te sporen en te praaien. Middelerwijl klom Johannes met een paar Dajaks langs de[275]boomen naar beneden, waarlangs zij straks naar boven gestegen waren, om Schlickeisen en de vier gewonde Kapoeassers naar boven te halen. Toen hij beneden kwam, bij de aanlegplaats aan de tomoi, vond hij daar den rangkan, waarmede zij geland waren, verdwenen. Op den oever, half in het water, lagen de vier onthoofde lijken van de Kapoeassers, dicht daarbij lag ook het geweer van Schlickeisen; maar overigens van den Zwitser geen spoor.[276]1Dr. Schwaner schrijft „Pohon Batoe” (steenboom). Dat is blijkbaar een vergissing. Het woordpohonis in die streken niet bekend. Ook heeft die rots volstrekt den vorm niet van een boom. De benaming isOepon Batoeen beteekent: Oorsprong van steen.↑2Het woord Soeli is een verbastering van njoeli en beteekent: steil omhoogstaande. Alzoo Batoe Soeli—steil omhoogstaande steen. De nj en s klanken worden door de Dajaks dikwijls verward.↑3Die steenen bestaan nog op Oepon Batoe en wordenAntang hatoeèhenAntang bawigenoemd. De legende vertelt, dat het twee menschen waren, die die rots bestegen en door de Sangiangs gestraft werden met hen in steen te veranderen. Die legende is te onkiesch, om ze te verhalen.↑4Historisch. In 1863 werden bij gelegenheid van het lijkfeest van Tomonggong Toendan veertig pandelingen geslacht op de wijze zooals dat verhaald is, afgescheiden van de ettelijken, die vóór dat eindfeest geofferd werden.↑

[Inhoud]XXIX.Kahio en orang oetan.—De reis hervat.—De ijzerhoutboom.—Aan de soengei Minjangan.—Stroomafwaarts.—Op de Kahajan.—Legende.—Kotta Dewa.—Aankomst te kotta Oepon Batoe.—Beklimming van den rotswand.—Gevechten.—Een paar mijnen.—Schlickeisen verdwenen.In het bivouac hadden de medegebrachte gevangenen veel bekijk. Toch was onder die natuurmenschen de stemming zeer medelijdendgezind. Men beklaagde de arme moeder, die zoo in gevangenschap geraakt was, bij de verdediging van haar kind. Want ontwijfelbaar was het voor een ieder, dat de aanval op Wienersdorf slechts ten doel had, haar kind te beschermen, hetwelk uit den boom gevallen was en dat zij bedreigd achtte.„Kahio!” had ook Harimaoung Boekit en de andere Dajaks geroepen, toen zij de dieren zagen. La Cueille sloeg wanhopige blikken om zich heen. Waren dat dan geen orang oetan’s? Volgens hem was er niets erger dan de eigenzinnigheid der menschen, als zij zich iets in het hoofd gehaald hebben. Hij vernam evenwel dat kahio de Dajaksche naam van het dier was.„Dus is het toch een orang oetan, niet waar?” hervatte hij met vuur.„Juist, net zoo goed als een orang oetan een kahio is. Kahio is de naam van het dier in zijn vaderland. Daar kent niemand dien naam van orang oetan, die boschmensch beteekent, en door de Europeesche geleerden, in[257]hun dwaze zucht, om nimmer vrede met de inheemsche benamingen te hebben, is uitgedacht.”Den volgenden morgen trachtte Wienersdorf door tusschenkomst van Hamadoe, een flinken brok arengsuiker machtig te worden. Toen hij dien had, bracht hij het dier met zijn jong buiten het bivouac, stopte hem de suiker in de hand en sneed zijn banden door. De kahio, zich vrij gevoelende, uitte een gegrom van tevredenheid, rekte armen en beenen, richtte zich overeind, greep toen het jong, dat die teedere moeder aan haar borst klemde, vloog op een boom toe en had daarvan in een oogwenk de onderste takken bereikt. Op een dezer gezeten, keek het dankbare dier den Zwitser nog eens aan, murmelde iets met de lippen, waarbij het als alle quadrumanen de wenkbrauwen op en neer bewoog en afschuwelijke gezichten trok, en was weldra in den dichten loofwand verdwenen.Alle reisgenooten gaven hun bijval te kennen, dat Wienersdorf die moeder met haar kind in vrijheid had gesteld. Hij moest evenwel erkennen, dat die moeder hem ter dege afgeranseld had. Alleen bij de gedachte wreef hij zich nogmaals armen en beenen en bracht hij de hand aan de keel, alwaar hij die klemschroef nog meende te voelen.Met het rijzen der zon ving ook weer de inspanningsvolle arbeid aan. Het kostte nog veel moeite en veel zweet om de rangkans over den zadelrug, die den Boekit Riwoet met de aangrenzende heuvelreeksen verbond, te voeren. Toen men ze evenwel daar bovenop had, werd wat uitgeblazen, waarna de reis weer vol moed hervat werd. Het ging nu veel gemakkelijker en derhalve ook veel sneller. Eensdeels waren de hellingen naar het westen minder steil, zelfs zacht te noemen; anderdeels leverde het terrein, ook door den aard zijner plantenbekleeding[258]minder bezwaren op. Kort nadat de afdaling begonnen was, leidde het pad door ijzerhoutbosschen, en leverden die betrekkelijk zeer weinig beletselen op. De ijzerhoutboom, bij de Dajaks „tabaliën” genaamd, heeft veel overeenkomst met den djattiboom (Tectonia grandis). Dezelfde vorm, dezelfde stam, dezelfde spreiding van takken, nagenoeg hetzelfde ruwe blad; ontwijfelbaar zullen de geleerden de beide boomen tot dezelfde familie rekenen. Met den teakboom, heeft ook de tabaliën de geaardheid gemeen, om uitmuntend in gezelschap van soortgenooten te tieren en daarbij struikgewas, slinger- en parasietplanten onmeedoogend te verstikken. Hij duldt niets dan een mager spichtig gras in zijn nabijheid, dat nog veelal in den drogen tijd in brand geraakt. De bodem rondom is dan ook zoo zuiver, als in een oorspronkelijk bosch niet te verwachten zoude zijn. Het gevolg van dien toestand was, dat onze reizigers reeds vroeg in den namiddag aan de boorden van de soengei Minjangan aankwamen. Het eerste, dat het reisgezelschap deed, was een verfrisschend bad te nemen in de heldere wateren van die soengei. Mannen, vrouwen en kinderen dartelden een poos met wellust, alsof in de wereld niets anders te doen ware. Daarna gingen de vrouwen lustig aan het koken en met te meer ijver, daar allen en ook zij honger hadden.De mannen ontlaadden de rangkans voor zooveel noodig, om ze zonder bezwaar te water te kunnen brengen. Zij keken daarbij de vaartuigen goed na, herstelden waar door dat vervoer schade aangebracht was, en weldra lag deflotillete dobberen en gereed haar lading weer te ontvangen. De dag was evenwel te ver gevorderd, om nu nog de reis te kunnen vervolgen. Bij donker weer zouden de gevaren op de snelstroomende rivier te groot zijn, om die te mogen trotseeren. Van de weinige uren,[259]die het daglicht nog gunde, gebruik makende, trokken eenige jagers uit, eensdeels op verkenning der omstreken, ook om te trachten eenig wild machtig te worden. Zij keerden terug met het bericht, dat de omtrek behoorlijk veilig was en brachten daarenboven een prachtig hert mede, dat zij in de nabijheid geschoten hadden. Dat was inderdaad een belangrijke aanwinst voor de keuken.Na alles zoo gereed gemaakt en verzorgd te hebben, kon het reisgezelschap onder de hoede der schildwachten een welverdiende rust genieten en was den volgenden morgen bij het eerste dagen gereed, om de reis te vervolgen. Het ging nu stroomaf, en pijlsnel schoten de rangkans vooruit. Het was alsof tusschen die zes vaartuigen een wedren gehouden werd, met zoo’n geestdrift werd voortgeroeid. Vooral bij het afvaren van kihams vlogen de reizigers de oevers met duizelingwekkende vaart voorbij. Behalve den verbazend snellen stroom, dien de soengei daar verkreeg, zetten zij, die de stuurpagaai in handen hielden, de roeiers tot de uiterste krachtsinspanning aan, omdat zij alsdan in die schuimende en kokende wateren te beter stuur over hun vaartuigen konden houden. Onder een luid gegil schoot de eene rangkan voor, de andere na zoo’n waterval af, waarbij de Europeanen zich het hart vasthielden. Het bewustzijn, dat bij die pijlsnelle vaart de geringste aanraking met de rotsen, die zich allerwege verhieven en waartusschen het water zich wrong, de vernieling van het vaartuig en het verongelukken van al de opvarenden, ten gevolge kon hebben, deed hen ijzen. Maar de stuurbeseai’s waren in goede handen, de roeiers luisterden stipt naar de wenken van de stuurlieden, zoodat de vaartuigen dan ook behouden de Kahajan rivier bereikten.[260]Het was toen omstreeks middag. Onmiddellijk werd naar het noorden gewend en stevenden de rangkans dien prachtigen stroom op. Harimaoung Boekit wees den Europeanen achter hen op een hooge rots, die zich loodrecht uit het midden van het rivierbed scheen te verheffen. Hij verhaalde hun, dat daar ter plaatse een gevaarlijke draaikolk bestond, „Labeho Tampang” genaamd, die tengevolge van een doorbraak gevormd werd van den Boekit Taroilokong, welke als een reusachtige slagboom de rivier in de voortijden afsloot. De stroom schoot daar een wijl tusschen loodrechte rotswanden van leisteen en dioriet voort, terwijl de verbrijzelde massa der doorbraak in den vorm van klippen en rotsen het rivierbed tot een der gevaarlijkste passages maakte. De Poenan verhaalde vervolgens dat eens, lange jaren geleden, de oeverbewoners van de soengei Lepang, een zijrivier van de soengei Roengan, op haar beurt een zijrivier van de Kahajan, bij het goudwasschen in de bedding der soengei groote gedegen stukken van dat edel metaal vonden en eindelijk op een vervaarlijk groote goudmassa stuitten, die, toen zij haar van de zandlaag ontbloot hadden, welke haar bedekte, de gedaante van een groot volwassen hert met breedvertakt gewei vertoonde. De vinders stortten zich op dien schat, om hem te bemachtigen, maar alvorens zij het grijpen konden, sprong het vlugge dier overeind en spoedde het woud in. Terzelfder stond zagen een paar reizigers, die bij Labeho Tampang de Kahajan afzakten, een gouden hert op de rotskruinen verschenen en in den kolk springen, om een toevlucht te zoeken in een grot of uitholling, die onder den waterspiegel in die rots zoude bestaan. Dat was, vulde Harimaoung Boekit zijn verhaal aan, de „sarok boelau hai” (de groote ziel van het goud), die haar toevlucht in deze streken genomen heeft en de oorzaak[261]is, dat van dat oogenblik hier zooveel en zulk goed goud gevonden wordt.IJverig werd intusschen voortgeroeid. Het was omstreeks drie uur in den namiddag, toen de reizigers kotta Dewa bereikten. Hier stapten Amai Kotong en Harimaoung Boekit aan wal om poolshoogte te nemen. Zij vonden hier reeds alles in rep en roer, want er waren berichten ontvangen van den inval van Tomonggong Soerapatti. Het hoofd dier kotta, Amai Raden genaamd, was afwezig; hij was naar de velden geijld, om zijn pandelingen te verzamelen en binnen de versterking te brengen. Het gezag werd intusschen uitgeoefend door zijn echtgenoote Njahi Balau. Dat was een vrouw van ongeveer veertig jaar oud, krachtig van lichaamsbouw en met een ware heldenziel bedeeld. Meermalen had zij bij vijandelijke aanrandingen, de mannen, waaronder ook haar ega, die vluchten wilden, met den mandauw in de vuist tot staan gebracht en tegen de vijanden aangevoerd. Onze reizigers vonden haar bezig met de voorbereidselen tot een krachtige verdediging. Zij had reeds zendelingen uitgezonden, om de naburige soengeibewoners, die onder kotta Dewa stonden, tot den strijd op te roepen. Van de Doessonners had zij in zoover tijdingen, dat zij wist mede te deelen, dat die in soengei Miri door de bevolking ontdekt en aangetast waren geworden, waardoor zij in de noodzakelijkheid waren gekomen, om het beleg voor kotta Ohas te slaan.Op die tijding was Harimaoung Boekit natuurlijk niet meer te houden. Hij vloog, na in weinige woorden met Njahi Balau afgesproken te hebben, dat zij met de meesten harer weerbare mannen volgen zoude, zijn rangkan in en voort ging het verder de Kahajan op. Het was evenwel een lang traject, dat onze reizigers nog af te leggen hadden. Zij hadden volop tijd, om op[262]te merken dat, sedert zij de soengei Minjangan verlaten hadden, het landschap geheel en al van karakter veranderd was, dat, waar langs die soengei en ook langs de Kapoeas slechts oorspronkelijk woud de oevers omzoomde en op een volslagen ontvolking duidde, hier ontgonnen boschperceelen allerwege het oog boeiden en geheele velden met rijst, katjang, katella pohon, djagoong enz. beplant, ontwaard werden. Er werden zelfs geheele uitgestrektheden waargenomen, die uitsluitend en regelmatig met klapperboomen of met sagopalmen beplant waren. De grenzen van het maagdelijk bosch waren op sommige punten zoover het oog reikte teruggedrongen, en stroomde de schoone rivier, kalm en zacht kabbelend, zich tusschen zacht golvende heuvels kronkelende, te midden van een schilderachtig landschap, dat allerwege tooneelen van de zegeningen van den landbouw aanbood. De streek was ook goed bevolkt, want bijna ontelbaar waren de kotta’s te noemen, die zich op de beide oevers van den fraaien stroom verhieven. Evenwel die kotta’s duidden op zich zelven reeds aan, dat de bewoners een stevige insluiting voor hun veiligheid noodig achtten; de schedels, die ook hier overal op de palissadepunten prijkten, bewezen nog krachtiger, dat het bebouwde landschap slechts een schijnbeeld van meerdere beschaving verleende; want het koppensnellen behoorde ook tot de gewoonten van de bevolking van Kahajan en deze stond dus even laag op de maatschappelijke ladder als iedere andere stam in de binnenlanden van Borneo.De reis werd onverpoosd voortgezet. De stroom stelde weinig of geen beletselen in den weg. De helling van dit riviervak was zeer gering en derhalve de kracht van het afstroomend water zwak. Toen de nacht inviel drong Harimaoung Boekit er op aan, dat de reis zou worden voortgezet, waartegen te minder bedenkingen waren in te[263]brengen, dewijl bij het gevaarlooze van een nachtelijken tocht op den breeden zachtvlietenden stroom, ook nog de maan in rekening te brengen was, die met haar zacht licht, den nacht bijna in dag herschiep. Alle reisgenooten juichten dan ook het voorstel toe, en met onvermoeide kracht kliefden de beseai’s de wateren.Bij het doorkomen van het eerste morgenrood ontwaarden de reizigers, dat het terrein, hetwelk na het ondergaan van de maan, gedurende enkele uren aan hun waarneming onttrokken was geweest, langzamerhand van karakter was veranderd. De heuvelen, die zich langs de oevers verhieven, waren hooger, steiler, woester van vorm geworden. Op sommige plaatsen naderden zij den stroom zoodanig, dat die niet dan met geweld zich een doortocht had kunnen banen. Steil omhoogstijgende rotswanden en afgebrokkelde oevers volgden elkander nu weer op, terwijl ook de rivieroppervlakte de liefelijke kalmte, die daags te voren onze reizigers zoo boeide, verloren had. Integendeel, dwarlkolken, stroomversnellingen, watervallen en schuimende golvingen waren weer aan de orde en baarden den roeiers veel inspanning.Het was zoo omstreeks acht uur, toen de reizigers in de verte aan den linkeroever een kolossale rots met zacht afgeronden top, als loodrecht uit het bed der rivier zagen verrijzen. Dat wasOepon Batoe1, het doel van de reis voor heden, de rots waarop de kotta van Tomonggong Toendan gelegen was. Met inspanning van alle krachten vorderden de rangkans slechts langzaam in de witschuimende golven, welke die loodrechte rotswanden[264]van ongeveer 400 voeten hoog, aan twee zijden, het zuiden en het westen, omgaven. Toen men eindelijk de westzijde iets te boven was, scheen de Oepon Batoe eenigszins terug te wijken als om plaats te maken voor een kleinere rots, die op haar beurt uit den vloed scheen op te rijzen. Die rots van een driekante gedaante, heette Batoe Soeli2. Harimaoung Boekit verhaalde, dat vroeger die driekante steen dwars in het rivierbed lag en de gemeenschap geheel en al verbrak. Toen treurden de visschen en krokodillen en beklaagden zich er over bij Mahatara dat zij geen verkeer konden hebben met hun vrienden aan de andere zijde van den slagboom.Sangiang Sangoeman kreeg bevel het beletsel uit den weg te ruimen, hetgeen hij volvoerde, door het gevaarte met machtige hand op te tillen en op den oever overeind te zetten.In de ruimte, tusschen den Oepon Batoe en den Batoe Soeli, was als een kom in den oever met een wit zandig strand, waarop een tomoi gebouwd was en waar de vaartuigen konden aanleggen. Bij het landen ontwaarden de reizigers drie vrij groote rangkans aan de aanlegplaats vastgemaakt, waarvan de bewakers bij het zien van de naderende vaartuigen op de vlucht sloegen.„Olo Doesson! olo Doesson!” (menschen van Doesson, Doessonners) was de kreet, die ons reisgezelschap slaakte en niet weinig verwarring vooral onder de vrouwen en kinderen veroorzaakte. Harimaoung Boekit riep hun evenwel eenige woorden toe, waarop de rangkans elkander naderden. Uit twee daarvan stapten de vrouwen en kinderen haastiglijk in de anderen over en werden door een gelijk aantal mannen vervangen. Daarop schoten de[265]vier rangkans met de vrouwen, die ook de pagaai konden hanteeren, naar den rechteroever over en lieten zich verder de rivier tot beneden Oepon Batoe afzakken. De twee andere vaartuigen met geweerdragenden, waaronder ook onze Europeanen, bemand, legden bij den tomoi aan. Geen sterveling was daar echter te ontwaren. Voorzichtig werd het kleine gebouw doorzocht, maar niets daarin gevonden. Behoedzaam stegen de vijftig dapperen voorwaarts het pad op, dat steil tegen een hoogen leemheuvel opslingerde, zich nu eens als hollen weg voordeed, om een oogenblik later over den nok van een zadelrug te voeren. Eindelijk kregen zij den kalen wand van de rots in het gezicht, waarop de kotta lag, en zagen daar, op ongeveer een vijftig pas voor zich, een zestigtal Doessonners bij elkander gegroepeerd, die de aankomenden onder het zwaaien hunner mandauws met uitdagende kreten en met scheldnamen en verwenschingen begroetten. Tegen die rots waren boomstammen geplaatst of gehangen, van inkervingen voorzien, waarlangs een twintigtal menschelijke wezens zich naar boven heschen om den bovenrand van den wand te bereiken. Zoodra Johannes, die het opperbevel weer aanvaard had, dien troep zag, liet hij halt maken en een rottenvuur openen, d.w.z., dat, zonder zich om iets te bekreunen, een ieder op dat menschelijke kluwen mocht schieten, zooals hij goed vond, hetgeen de beste waarborgen tot goed raken gaf. De twee Zwitsers volgden hun oude tactiek, zij bespaarden zorgvuldig hun munitie voor ernstiger oogenblikken. La Cueille en Johannes openden hun vuur op de klouteraars, waarbij zij bij voorkeur hen tot doelwit kozen, die reeds het hoogst geklommen waren. De uitwerking daarvan was verrassend. Zij die vielen, sleepten de achter hen komenden in hun val mede. De daardoor ontstane verwarring werd nog vergroot, toen die[266]twee schutters ook nog hun nimmer falende kogels te midden der saamgedrongen Doessonners begonnen te zenden, waartusschen zij meer effect maakten dan al het geraasvolle schieten der Dajaks. Al spoedig bedekte een menigte dooden en gewonden den grond en hun aantal vermeerderde ieder oogenblik. Toen het eerste oogenblik van verrassing voorbij was, traden de koenste der Doessonners vooruit, met het doel zich op hun aanvallers te werpen, maar het geweervuur, dat hun onafgebroken tegenknetterde, velde een ieder, die poogde voorwaarts te treden. Nogmaals wierpen zij zich in hun wanhoop vooruit; zelfs gelukte het eenigen hunner tot tegen de bajonetten, tot er onder zelfs, door te breken, maar in dezen hachelijken stond brachten ook nu de Zwitsers met hun repeteergeweren de beslissing aan. Door hun juiste en spoedig op elkander volgende schoten scheidden zij die voorvechters van den hoofdtroep af, die, trots hun heldhaftigheid, onondersteund als zij bleven, ellendig afgemaakt werden. Nu beving een radelooze angst de overgebleven Doessonners. Onberaden van ontzetting en als blind stormden zij een pad af, dat zijwaarts van hun aanvallers door een kloof naar de rivier scheen te leiden, maar naar den rand eener rots voerde, die als onderdeel van de hoofdsteenmassa zich boven den stroom verhief. Een oogenblik kwamen hier de vluchtelingen tot staan, maar toen het geweervuur met alle woede achter hen andermaal kraakte; toen in hun doodsangst stortten zij zich hals over kop in de golven en trachtten al zwemmende de overzijde te bereiken. Velen hunner verdronken; de anderen werden later opgespoord en als wilde dieren gejaagd.Na dit drama wilden de Poenans en de Kapoeassers de gevallen Doessonners, zoo gekwetsten als dooden, onthoofden,[267]toen eensklaps boven op de rots een vreeselijk geschreeuw en gegil ontstond, dat de aandacht onmiddellijk afleidde. Hoewel niets te bespeuren was, verzekerde Harimaoung Boekit, dat het hem nu duidelijk was, wat daar boven gebeurde. Volgens hem ondernamen op dit oogenblik de Doessonners met hun geheele macht aan de oostzijde den hoofdaanval; maar hadden, om den vijand tot versnippering van krachten te noodzaken, een beklautering van de rots aan de noordzijde beraamd, die slechts door een betrekkelijk klein aantal stoutmoedigen onbemerkt zoude moeten volvoerd zijn. Die stoute beklimming zoude voorzeker gelukt zijn, wanneer het toeval onze avonturiers niet daar ter plaatse gebracht had.Johannes deelde, zoodra hij die waarschijnlijkheid uit den mond van Harimaoung Boekit vernomen had, eenige bevelen uit en, zelf het voorbeeld gevende, wierp hij het geweer bij den riem over den rug en begon de bestijging langs de ingekerfde boomstammen, die alleen aan deze zijde toegang tot den bovenrand der rots verleenden. Met een daverend hoera volgden hem de Kapoeassers en de Poenans en in het volgende oogenblik hing daar een menschentros hoog boven den afgrond tusschen hemel en aarde. Na een moeitevolle beklimming van ruim een half uur, waren de stoutmoedige klauteraars allen boven, behalve Schlickeisen,—wiens wond zulk een inspanning niet gedoogde en die zijn Remmingtongeweer met dat van La Cueille geruild had,—en nog een viertal Dajaks, die in het kortstondig gevecht van man tegen man nog al belangrijk gewond waren. Deze zochten een toevlucht in de rangkans en wachtten daar met den vinger aan den trekker, den uitslag der beklimming af.Zoodra Johannes boven was, beijverde hij zich, hoe aamechtig ook, zijn makkers in rij en gelid te scharen[268]en hun vooral bedaardheid in te spreken. De houten borstwering van de kotta was aan deze zijde, alwaar een aanval moeielijk kon verwacht worden, niet hoog. Toen hij zijn troepje wat bekomen en overigens kalm en bedaard genoeg zag, om zijn bevelen te kunnen opvolgen, klom hij met Harimaoung Boekit de palissadeering over, om een kijkje in de kotta te nemen en naar omstandigheden te kunnen handelen. Wat hij daar zag, vereischte al dadelijk in hooge mate zijn aandacht. Op de oostzijde der versterking werd verwoed gestreden. Met de vertwijfeling der wanhoop verdedigde zich de bezetting tegen de overmachtige Doessonners en was het daaraan alleen te wijten, dat hij met den Poenan onbemerkt had kunnen binnendringen. Met een oogopslag overzag hij het kritieke van den toestand. Geen schot werd hier gehoord; alles geschiedde met het blanke wapen. Op een paar punten hadden de aanvallers de borstwering reeds beklommen en vasten voet op het banket verkregen. De meest wanhopige pogingen, om hen van daar te verdrijven, gelukten niet. Met ieder oogenblik groeide het aantal der binnengedrongenen aan, weldra zouden zij zich sterk gevoelen om weer aanvallend te werk te gaan en zich in de binnenruimte der kotta te werpen. Het pleit zou dan bij de groote overmacht der Doessonners spoedig beslist zijn. IJlings spoedde Johannes terug, om zijn makkers te wenken, terwijl het Poenanhoofd voorwaarts drong, om er op in te hakken; maar voornamelijk om de bezetting toe te roepen, dat hulp nabij was. Plotseling knalde een schot, en een Doessonner, die juist zijn eene been over de palissadeering bracht, om naar binnen te springen, stortte gillend en doodelijk getroffen achterover naar buiten. Een tweede, een derde ondergingen hetzelfde lot. Als onwrikbare uitvoerders van het noodlot schoten de Europeanen[269]ieder Doessonner neder, wiens hoofd zich boven de palissadeering vertoonde. Middelerwijl hadden de overige Kapoeassers de bezetting gewenkt om ruimte te maken en weldra klonk een onafgebroken geweervuur het kleine troepje, dat daar nog in verdedigende houding op den walgang stond, schrikkelijk als de titih, als de doodsklok, in de ooren. Eenigen dier stoute aanvallers werden getroffen, dat veroorzaakte verwarring, en daarvan maakten de belegerden meesterlijk gebruik, om op die indringers te vallen en tot den laatsten man af te maken. Dat gaf lucht. Onze redders in nood klommen nu ras op het banket, vuurden zoo vlug zij konden in den dichten drom, die aan den voet der palissadeering krioelde, vuurden nogmaals en nogmaals, en toen zich aan dat vuur nog een flankaanval paarde, die de belegerden in dat oogenblik ondernamen, toen stoven de aanvallers uiteen en vluchtten Soerapatti’s scharen den heuvel af, om zich aan den voet daarvan weer te verzamelen.Voor de belegerden ontstond nu eenige verademing, waarvan de drie Europeanen gebruik maakten om den toestand te overzien. Kotta Oepon Batoe kon sterk, tegenover een inlandschen vijand, zeer sterk genoemd worden. Langs twee zijden was zij bij voldoende waakzaamheid volkomen onaantastbaar. Daar steeg de rots, zooals wij gezien hebben loodrecht uit het water omhoog. Een genaakbaar punt bestond alleen daar, waarlangs onze reizigers binnengedrongen waren, maar waar ook twee verdedigers, desnoods een, voldoende waren, om een beklimming onmogelijk te maken. Aan de andere zijden was de heuvel ook wel zeer steil te noemen maar daar was een bestijging uitvoerbaar. Aan die kanten vooral was de palissadeering in vrij goeden staat. Het plateau, waarop de kotta zich verhief, was in zijne[270]natuurlijke gesteldheid door een soort van aardspleet in twee deelen gescheiden. In die spleet welde een kristalheldere bron op, die zoo overvloedig water gaf, dat een beekje ruischend en murmelend langs die soort van hollen weg naar beneden schuimde. Overigens was het geheele plateau met groote rotsblokken als bezaaid. Twee daarvan trokken in hooge mate de opmerkzaamheid van La Cueille tot zich. Het waren twee verbazend groote tafelsteenen3plat maar toch zeer dik, die op een afstand van slechts weinige ellen van elkander, elk op een veel kleineren maar bolvormigen steen rustten, evenwel zoodanig in hun zwaartepunt geschraagd werden, dat een eenigszins krachtige drukking met de hand voldoende was die kolossale steenmassa’s in een wiegelende beweging te brengen. Dat vond de Waal aardig, hij drukte, hij drukte nog eens en nog eens en scheen zich maar geen rekenschap van de beweeglijkheid dier gevaarten te kunnen geven. Hij bukte en zag dat beide steenen ongeveer drie voet boven den grond verheven waren; wijders merkte hij op, dat zij buiten de borstweringenceinte stonden, onmiddellijk aan den rand van het plateau boven de helling van den bovenbedoelden hollen weg. Hij boog zich over den rand, maar zag niets dan een dicht begroeide trechtervormige schacht, op welker bodem het beekje ruischte. Plotseling kreeg hij een inval; hij riep Johannes tot zich, fluisterde dien eenige woorden in, waarop beiden aan het werk togen en onder ieder der twee beweeglijke steenen aan de kotta zijde een grooten steen wentelden, zoodanig dat die tot steun van de[271]wankelende gevaarten diende. Daarna holden zij den bodem onder die steenen eenigermate uit, vulden die ruimten met een hoeveelheid van ongeveer tien K.G. buskruit, dat zij op voorspraak van Harimaoung Boekit van het kottahoofd verkregen, en stopten verder de mijnen, na daaraan geleiddraden, behoorlijk met een buskruitsas bestreken, bevestigd te hebben, met zware rotsblokken op. Toen dat klaar was, verlengde La Cueille de geleiddraden en voerde ze tusschen de palissaden door tot binnen de kotta, waar hij ze onder een paar takkebossen verborg.Maar nog was men niet met alle voorbereidselen klaar, toen een daverend gejoel aankondigde, dat de stoutmoedige vijand den aanval ging hervatten. En werkelijk, in dichte drommen stegen de Doessonners de hoogte aan den oostkant met de meeste snelheid op. Al dadelijk barstte het geweervuur los, maar had aanvankelijk weinig of geen uitwerking, gedekt als de aanvallers op de helling nog waren door den randkam des heuvels. In een oogwenk waren zij boven op het plateau en met een weergalooze doodsverachting begonnen zij de bestorming. Een heldentroep vloog vooruit en beijverde zich met apenvlugheid tegen de palissadeering op te klouteren. Helaas! al die stoutmoedigheid kon den weerstand niet breken. Ieder hoofd, dat zich boven de borstwering vertoonde, diende tot mikpunt, en, ontkwam ook al een enkele aan de wisse kogels, niet ondersteund als hij was bij zijn binnenspringen, werd hij op de lansen en mandauws opgevangen en onmeedoogend afgemaakt. Middelerwijl knetterde het geweervuur onafgebroken door de schietgaten en berokkende den aanvallers zware verliezen. Toch wisten zij van geen opgeven; zij hielden met een volharding stand, eene betere zaak waardig. Elkander aanmoedigende en slechts voor de belegerden een verachtelijk[272]scheldwoord over hebbende, beklommen zij nogmaals en andermaal de borstwering, maar steeds met hetzelfde noodlottig gevolg.Maar, terwijl de geheele bezetting der kotta schier ademloos en gespannen, het oog op dien aanval gericht hield, had La Cueille, die zijn eigene inzichten scheen te hebben, ook elders zijn aandacht gevestigd. Wel zond hij zijn kogel af, wanneer hem het oogenblik geschikt voorkwam, maar zijn hoofdgedachte was elders. Eindelijk meende hij eenig gedruisch te vernemen aan den noordkant. Fluks sloop hij naar buiten, kroop of beter schoof als een slang over het plateau tot aan den rand en.… werkelijk, hier zag hij een dichten drom, die in alle stilte door de beekgleuf den heuvel besteeg. Ja, hij had goed geraden, hier was het gevaar; die aanval ginds was slechts een schijnaanval, een kloekmoedige opoffering van helden, om hun makkers tijd en gelegenheid te geven den hoofdaanval te volvoeren. Stil als hij gekomen was, sloop La Cueille terug, wenkte Johannes en Wienersdorf, vloog toen naar de keuken om een brandende houtspaan te halen. Daarmede stak hij de geleiddraden aan; een oogenblik zag ons drietal de vuurvonk langs de beide gezwinde lonten over den grond voortschrijden, flikkeren en tusschen de palissadeering door verdwijnen. Die mannen wachtten, wachtten met ongeduld; zij zagen niets, niets meer. Soms meende een hunner nog een kronkelend rookwolkje in het gras te ontwaren; maar daarna niets, niets meer. De eerste vijanden begonnen zich reeds aan den rand van het plateau te vertoonen. Zij sprongen er op; anderen volgden hen. Weldra was een honderdtal boven. God! God!! zou de lont uitgedoofd zijn? dat ware verschrikkelijk. De drie Europeanen openden hun vuur op de beklimmers; maar in weerwil daarvan werd het aantal vijanden steeds grooter en[273]begonnen zij zich reeds om het plateau te verspreiden. De toestand werd netelig. Daar ginds de schijnaanval, die bijna niet te bedwingen was, en hier aan het zwakste gedeelte een bende, die met iedere seconde aangroeide. Maar hoort.…. daar weerklonk eensklaps een knal, zoo hevig, zoo schrikwekkend, dat voor een poos aanvallers en aangevallenen, van schrik als verstijfd, bewegingloos bleven. Een vreeselijke bliksemstraal schoot uit den grond te voorschijn, alsof een krater zich opende; een dikke rookwolk voer pijlsnel ten hemel en toen zag men een der beweegbare rotsmassa’s, als door een reuzenhand opgetild, zich oprichten, van haar steunpunt afschieten, kantelen, vooroverbuigen en donderend en krakend langs de beekgleuf in den afgrond verdwijnen. Voordat de aanvallers zich rekenschap konden geven van wat er gebeurde, had een tweede uitbarsting plaats, en stortte ook de andere steenmassa in de diepte. Goed aangelegd en verzorgd, waren La Cueille’s mijnen uitstekend geslaagd. De gevaarten, langs de helling afrollende, ploegden ieder een verschrikkelijke vore in den opstijgenden menschendrom en deed hem als kaf uiteenstuiven. Zij, die reeds boven waren, sloegen met den schrik in het hart op de vlucht, terwijl ook de schijnaanval, na die vreeselijke verijdeling van den hoofdaanval gestaakt moest worden.Toen de bezetting eenigermate tot bezinning gekomen was en rondkeek, werd bespeurd, dat ook zij belangrijke verliezen te tellen had. Veertien lijken der Kahajanners werden tusschen een veel grooter aantal Doessonners aangetroffen, terwijl bovendien nog wel het dubbele getal gewond was. Niemand hunner ontveinsde zich, dat, indien onze reizigers niet van pas aangekomen waren, de uitslag oneindig noodlottiger geweest zou zijn. Vooral keek de menigte met bewondering tegen[274]La Cueille op, tegen den man, die over donder en bliksem kon beschikken, die dien donder en bliksem uit de aarde kon doen te voorschijn komen, om rotsblokken, die de Sangiangs alleen zouden kunnen bewegen, op hun vijanden te storten. De Waal, niet ijdel van aard, liet zich die bewondering met zelfopofferende gelatenheid welgevallen en vond het baantje van held niet onaangenaam.Toen onze vrienden kotta Oepon Batoe verder opnamen, vonden zij onder de hoofdgebouwen veertig karandah’s, in ieder waarvan een menschelijk wezen opgesloten was. Zij vernamen alsnu, dat Tomonggong Toendan, het kottahoofd, kortelings overleden was, en dat die ongelukkigen bestemd waren, om bij zijn lijkfeest geslacht te worden4. De gekwetste Doessonners werden ook bijeengebracht. Die zouden den volgenden morgen den vreeselijken marteldood ondergaan, om de gesneuvelde helden der bezetting, die dan verbrand zouden worden, tot escorte in het zielenland te dienen. Overigens herhaalde zich ook hier de afschuwelijke schedeloogst van de gesneuvelde vijanden en de walgelijke tooneelen, die daarmede gepaard gingen.Met afschuw wendden de Europeanen zich af en informeerden bij Harimaoung Boekit of er al berichten van de vrouwen waren; vooral Wienersdorf begon ongeduldig naar zijn Hamadoe uit te zien. Het Poenanhoofd zond een paar zijner strijders uit, om van den rand der rots de rangkans op te sporen en te praaien. Middelerwijl klom Johannes met een paar Dajaks langs de[275]boomen naar beneden, waarlangs zij straks naar boven gestegen waren, om Schlickeisen en de vier gewonde Kapoeassers naar boven te halen. Toen hij beneden kwam, bij de aanlegplaats aan de tomoi, vond hij daar den rangkan, waarmede zij geland waren, verdwenen. Op den oever, half in het water, lagen de vier onthoofde lijken van de Kapoeassers, dicht daarbij lag ook het geweer van Schlickeisen; maar overigens van den Zwitser geen spoor.[276]1Dr. Schwaner schrijft „Pohon Batoe” (steenboom). Dat is blijkbaar een vergissing. Het woordpohonis in die streken niet bekend. Ook heeft die rots volstrekt den vorm niet van een boom. De benaming isOepon Batoeen beteekent: Oorsprong van steen.↑2Het woord Soeli is een verbastering van njoeli en beteekent: steil omhoogstaande. Alzoo Batoe Soeli—steil omhoogstaande steen. De nj en s klanken worden door de Dajaks dikwijls verward.↑3Die steenen bestaan nog op Oepon Batoe en wordenAntang hatoeèhenAntang bawigenoemd. De legende vertelt, dat het twee menschen waren, die die rots bestegen en door de Sangiangs gestraft werden met hen in steen te veranderen. Die legende is te onkiesch, om ze te verhalen.↑4Historisch. In 1863 werden bij gelegenheid van het lijkfeest van Tomonggong Toendan veertig pandelingen geslacht op de wijze zooals dat verhaald is, afgescheiden van de ettelijken, die vóór dat eindfeest geofferd werden.↑

XXIX.Kahio en orang oetan.—De reis hervat.—De ijzerhoutboom.—Aan de soengei Minjangan.—Stroomafwaarts.—Op de Kahajan.—Legende.—Kotta Dewa.—Aankomst te kotta Oepon Batoe.—Beklimming van den rotswand.—Gevechten.—Een paar mijnen.—Schlickeisen verdwenen.

Kahio en orang oetan.—De reis hervat.—De ijzerhoutboom.—Aan de soengei Minjangan.—Stroomafwaarts.—Op de Kahajan.—Legende.—Kotta Dewa.—Aankomst te kotta Oepon Batoe.—Beklimming van den rotswand.—Gevechten.—Een paar mijnen.—Schlickeisen verdwenen.

Kahio en orang oetan.—De reis hervat.—De ijzerhoutboom.—Aan de soengei Minjangan.—Stroomafwaarts.—Op de Kahajan.—Legende.—Kotta Dewa.—Aankomst te kotta Oepon Batoe.—Beklimming van den rotswand.—Gevechten.—Een paar mijnen.—Schlickeisen verdwenen.

In het bivouac hadden de medegebrachte gevangenen veel bekijk. Toch was onder die natuurmenschen de stemming zeer medelijdendgezind. Men beklaagde de arme moeder, die zoo in gevangenschap geraakt was, bij de verdediging van haar kind. Want ontwijfelbaar was het voor een ieder, dat de aanval op Wienersdorf slechts ten doel had, haar kind te beschermen, hetwelk uit den boom gevallen was en dat zij bedreigd achtte.„Kahio!” had ook Harimaoung Boekit en de andere Dajaks geroepen, toen zij de dieren zagen. La Cueille sloeg wanhopige blikken om zich heen. Waren dat dan geen orang oetan’s? Volgens hem was er niets erger dan de eigenzinnigheid der menschen, als zij zich iets in het hoofd gehaald hebben. Hij vernam evenwel dat kahio de Dajaksche naam van het dier was.„Dus is het toch een orang oetan, niet waar?” hervatte hij met vuur.„Juist, net zoo goed als een orang oetan een kahio is. Kahio is de naam van het dier in zijn vaderland. Daar kent niemand dien naam van orang oetan, die boschmensch beteekent, en door de Europeesche geleerden, in[257]hun dwaze zucht, om nimmer vrede met de inheemsche benamingen te hebben, is uitgedacht.”Den volgenden morgen trachtte Wienersdorf door tusschenkomst van Hamadoe, een flinken brok arengsuiker machtig te worden. Toen hij dien had, bracht hij het dier met zijn jong buiten het bivouac, stopte hem de suiker in de hand en sneed zijn banden door. De kahio, zich vrij gevoelende, uitte een gegrom van tevredenheid, rekte armen en beenen, richtte zich overeind, greep toen het jong, dat die teedere moeder aan haar borst klemde, vloog op een boom toe en had daarvan in een oogwenk de onderste takken bereikt. Op een dezer gezeten, keek het dankbare dier den Zwitser nog eens aan, murmelde iets met de lippen, waarbij het als alle quadrumanen de wenkbrauwen op en neer bewoog en afschuwelijke gezichten trok, en was weldra in den dichten loofwand verdwenen.Alle reisgenooten gaven hun bijval te kennen, dat Wienersdorf die moeder met haar kind in vrijheid had gesteld. Hij moest evenwel erkennen, dat die moeder hem ter dege afgeranseld had. Alleen bij de gedachte wreef hij zich nogmaals armen en beenen en bracht hij de hand aan de keel, alwaar hij die klemschroef nog meende te voelen.Met het rijzen der zon ving ook weer de inspanningsvolle arbeid aan. Het kostte nog veel moeite en veel zweet om de rangkans over den zadelrug, die den Boekit Riwoet met de aangrenzende heuvelreeksen verbond, te voeren. Toen men ze evenwel daar bovenop had, werd wat uitgeblazen, waarna de reis weer vol moed hervat werd. Het ging nu veel gemakkelijker en derhalve ook veel sneller. Eensdeels waren de hellingen naar het westen minder steil, zelfs zacht te noemen; anderdeels leverde het terrein, ook door den aard zijner plantenbekleeding[258]minder bezwaren op. Kort nadat de afdaling begonnen was, leidde het pad door ijzerhoutbosschen, en leverden die betrekkelijk zeer weinig beletselen op. De ijzerhoutboom, bij de Dajaks „tabaliën” genaamd, heeft veel overeenkomst met den djattiboom (Tectonia grandis). Dezelfde vorm, dezelfde stam, dezelfde spreiding van takken, nagenoeg hetzelfde ruwe blad; ontwijfelbaar zullen de geleerden de beide boomen tot dezelfde familie rekenen. Met den teakboom, heeft ook de tabaliën de geaardheid gemeen, om uitmuntend in gezelschap van soortgenooten te tieren en daarbij struikgewas, slinger- en parasietplanten onmeedoogend te verstikken. Hij duldt niets dan een mager spichtig gras in zijn nabijheid, dat nog veelal in den drogen tijd in brand geraakt. De bodem rondom is dan ook zoo zuiver, als in een oorspronkelijk bosch niet te verwachten zoude zijn. Het gevolg van dien toestand was, dat onze reizigers reeds vroeg in den namiddag aan de boorden van de soengei Minjangan aankwamen. Het eerste, dat het reisgezelschap deed, was een verfrisschend bad te nemen in de heldere wateren van die soengei. Mannen, vrouwen en kinderen dartelden een poos met wellust, alsof in de wereld niets anders te doen ware. Daarna gingen de vrouwen lustig aan het koken en met te meer ijver, daar allen en ook zij honger hadden.De mannen ontlaadden de rangkans voor zooveel noodig, om ze zonder bezwaar te water te kunnen brengen. Zij keken daarbij de vaartuigen goed na, herstelden waar door dat vervoer schade aangebracht was, en weldra lag deflotillete dobberen en gereed haar lading weer te ontvangen. De dag was evenwel te ver gevorderd, om nu nog de reis te kunnen vervolgen. Bij donker weer zouden de gevaren op de snelstroomende rivier te groot zijn, om die te mogen trotseeren. Van de weinige uren,[259]die het daglicht nog gunde, gebruik makende, trokken eenige jagers uit, eensdeels op verkenning der omstreken, ook om te trachten eenig wild machtig te worden. Zij keerden terug met het bericht, dat de omtrek behoorlijk veilig was en brachten daarenboven een prachtig hert mede, dat zij in de nabijheid geschoten hadden. Dat was inderdaad een belangrijke aanwinst voor de keuken.Na alles zoo gereed gemaakt en verzorgd te hebben, kon het reisgezelschap onder de hoede der schildwachten een welverdiende rust genieten en was den volgenden morgen bij het eerste dagen gereed, om de reis te vervolgen. Het ging nu stroomaf, en pijlsnel schoten de rangkans vooruit. Het was alsof tusschen die zes vaartuigen een wedren gehouden werd, met zoo’n geestdrift werd voortgeroeid. Vooral bij het afvaren van kihams vlogen de reizigers de oevers met duizelingwekkende vaart voorbij. Behalve den verbazend snellen stroom, dien de soengei daar verkreeg, zetten zij, die de stuurpagaai in handen hielden, de roeiers tot de uiterste krachtsinspanning aan, omdat zij alsdan in die schuimende en kokende wateren te beter stuur over hun vaartuigen konden houden. Onder een luid gegil schoot de eene rangkan voor, de andere na zoo’n waterval af, waarbij de Europeanen zich het hart vasthielden. Het bewustzijn, dat bij die pijlsnelle vaart de geringste aanraking met de rotsen, die zich allerwege verhieven en waartusschen het water zich wrong, de vernieling van het vaartuig en het verongelukken van al de opvarenden, ten gevolge kon hebben, deed hen ijzen. Maar de stuurbeseai’s waren in goede handen, de roeiers luisterden stipt naar de wenken van de stuurlieden, zoodat de vaartuigen dan ook behouden de Kahajan rivier bereikten.[260]Het was toen omstreeks middag. Onmiddellijk werd naar het noorden gewend en stevenden de rangkans dien prachtigen stroom op. Harimaoung Boekit wees den Europeanen achter hen op een hooge rots, die zich loodrecht uit het midden van het rivierbed scheen te verheffen. Hij verhaalde hun, dat daar ter plaatse een gevaarlijke draaikolk bestond, „Labeho Tampang” genaamd, die tengevolge van een doorbraak gevormd werd van den Boekit Taroilokong, welke als een reusachtige slagboom de rivier in de voortijden afsloot. De stroom schoot daar een wijl tusschen loodrechte rotswanden van leisteen en dioriet voort, terwijl de verbrijzelde massa der doorbraak in den vorm van klippen en rotsen het rivierbed tot een der gevaarlijkste passages maakte. De Poenan verhaalde vervolgens dat eens, lange jaren geleden, de oeverbewoners van de soengei Lepang, een zijrivier van de soengei Roengan, op haar beurt een zijrivier van de Kahajan, bij het goudwasschen in de bedding der soengei groote gedegen stukken van dat edel metaal vonden en eindelijk op een vervaarlijk groote goudmassa stuitten, die, toen zij haar van de zandlaag ontbloot hadden, welke haar bedekte, de gedaante van een groot volwassen hert met breedvertakt gewei vertoonde. De vinders stortten zich op dien schat, om hem te bemachtigen, maar alvorens zij het grijpen konden, sprong het vlugge dier overeind en spoedde het woud in. Terzelfder stond zagen een paar reizigers, die bij Labeho Tampang de Kahajan afzakten, een gouden hert op de rotskruinen verschenen en in den kolk springen, om een toevlucht te zoeken in een grot of uitholling, die onder den waterspiegel in die rots zoude bestaan. Dat was, vulde Harimaoung Boekit zijn verhaal aan, de „sarok boelau hai” (de groote ziel van het goud), die haar toevlucht in deze streken genomen heeft en de oorzaak[261]is, dat van dat oogenblik hier zooveel en zulk goed goud gevonden wordt.IJverig werd intusschen voortgeroeid. Het was omstreeks drie uur in den namiddag, toen de reizigers kotta Dewa bereikten. Hier stapten Amai Kotong en Harimaoung Boekit aan wal om poolshoogte te nemen. Zij vonden hier reeds alles in rep en roer, want er waren berichten ontvangen van den inval van Tomonggong Soerapatti. Het hoofd dier kotta, Amai Raden genaamd, was afwezig; hij was naar de velden geijld, om zijn pandelingen te verzamelen en binnen de versterking te brengen. Het gezag werd intusschen uitgeoefend door zijn echtgenoote Njahi Balau. Dat was een vrouw van ongeveer veertig jaar oud, krachtig van lichaamsbouw en met een ware heldenziel bedeeld. Meermalen had zij bij vijandelijke aanrandingen, de mannen, waaronder ook haar ega, die vluchten wilden, met den mandauw in de vuist tot staan gebracht en tegen de vijanden aangevoerd. Onze reizigers vonden haar bezig met de voorbereidselen tot een krachtige verdediging. Zij had reeds zendelingen uitgezonden, om de naburige soengeibewoners, die onder kotta Dewa stonden, tot den strijd op te roepen. Van de Doessonners had zij in zoover tijdingen, dat zij wist mede te deelen, dat die in soengei Miri door de bevolking ontdekt en aangetast waren geworden, waardoor zij in de noodzakelijkheid waren gekomen, om het beleg voor kotta Ohas te slaan.Op die tijding was Harimaoung Boekit natuurlijk niet meer te houden. Hij vloog, na in weinige woorden met Njahi Balau afgesproken te hebben, dat zij met de meesten harer weerbare mannen volgen zoude, zijn rangkan in en voort ging het verder de Kahajan op. Het was evenwel een lang traject, dat onze reizigers nog af te leggen hadden. Zij hadden volop tijd, om op[262]te merken dat, sedert zij de soengei Minjangan verlaten hadden, het landschap geheel en al van karakter veranderd was, dat, waar langs die soengei en ook langs de Kapoeas slechts oorspronkelijk woud de oevers omzoomde en op een volslagen ontvolking duidde, hier ontgonnen boschperceelen allerwege het oog boeiden en geheele velden met rijst, katjang, katella pohon, djagoong enz. beplant, ontwaard werden. Er werden zelfs geheele uitgestrektheden waargenomen, die uitsluitend en regelmatig met klapperboomen of met sagopalmen beplant waren. De grenzen van het maagdelijk bosch waren op sommige punten zoover het oog reikte teruggedrongen, en stroomde de schoone rivier, kalm en zacht kabbelend, zich tusschen zacht golvende heuvels kronkelende, te midden van een schilderachtig landschap, dat allerwege tooneelen van de zegeningen van den landbouw aanbood. De streek was ook goed bevolkt, want bijna ontelbaar waren de kotta’s te noemen, die zich op de beide oevers van den fraaien stroom verhieven. Evenwel die kotta’s duidden op zich zelven reeds aan, dat de bewoners een stevige insluiting voor hun veiligheid noodig achtten; de schedels, die ook hier overal op de palissadepunten prijkten, bewezen nog krachtiger, dat het bebouwde landschap slechts een schijnbeeld van meerdere beschaving verleende; want het koppensnellen behoorde ook tot de gewoonten van de bevolking van Kahajan en deze stond dus even laag op de maatschappelijke ladder als iedere andere stam in de binnenlanden van Borneo.De reis werd onverpoosd voortgezet. De stroom stelde weinig of geen beletselen in den weg. De helling van dit riviervak was zeer gering en derhalve de kracht van het afstroomend water zwak. Toen de nacht inviel drong Harimaoung Boekit er op aan, dat de reis zou worden voortgezet, waartegen te minder bedenkingen waren in te[263]brengen, dewijl bij het gevaarlooze van een nachtelijken tocht op den breeden zachtvlietenden stroom, ook nog de maan in rekening te brengen was, die met haar zacht licht, den nacht bijna in dag herschiep. Alle reisgenooten juichten dan ook het voorstel toe, en met onvermoeide kracht kliefden de beseai’s de wateren.Bij het doorkomen van het eerste morgenrood ontwaarden de reizigers, dat het terrein, hetwelk na het ondergaan van de maan, gedurende enkele uren aan hun waarneming onttrokken was geweest, langzamerhand van karakter was veranderd. De heuvelen, die zich langs de oevers verhieven, waren hooger, steiler, woester van vorm geworden. Op sommige plaatsen naderden zij den stroom zoodanig, dat die niet dan met geweld zich een doortocht had kunnen banen. Steil omhoogstijgende rotswanden en afgebrokkelde oevers volgden elkander nu weer op, terwijl ook de rivieroppervlakte de liefelijke kalmte, die daags te voren onze reizigers zoo boeide, verloren had. Integendeel, dwarlkolken, stroomversnellingen, watervallen en schuimende golvingen waren weer aan de orde en baarden den roeiers veel inspanning.Het was zoo omstreeks acht uur, toen de reizigers in de verte aan den linkeroever een kolossale rots met zacht afgeronden top, als loodrecht uit het bed der rivier zagen verrijzen. Dat wasOepon Batoe1, het doel van de reis voor heden, de rots waarop de kotta van Tomonggong Toendan gelegen was. Met inspanning van alle krachten vorderden de rangkans slechts langzaam in de witschuimende golven, welke die loodrechte rotswanden[264]van ongeveer 400 voeten hoog, aan twee zijden, het zuiden en het westen, omgaven. Toen men eindelijk de westzijde iets te boven was, scheen de Oepon Batoe eenigszins terug te wijken als om plaats te maken voor een kleinere rots, die op haar beurt uit den vloed scheen op te rijzen. Die rots van een driekante gedaante, heette Batoe Soeli2. Harimaoung Boekit verhaalde, dat vroeger die driekante steen dwars in het rivierbed lag en de gemeenschap geheel en al verbrak. Toen treurden de visschen en krokodillen en beklaagden zich er over bij Mahatara dat zij geen verkeer konden hebben met hun vrienden aan de andere zijde van den slagboom.Sangiang Sangoeman kreeg bevel het beletsel uit den weg te ruimen, hetgeen hij volvoerde, door het gevaarte met machtige hand op te tillen en op den oever overeind te zetten.In de ruimte, tusschen den Oepon Batoe en den Batoe Soeli, was als een kom in den oever met een wit zandig strand, waarop een tomoi gebouwd was en waar de vaartuigen konden aanleggen. Bij het landen ontwaarden de reizigers drie vrij groote rangkans aan de aanlegplaats vastgemaakt, waarvan de bewakers bij het zien van de naderende vaartuigen op de vlucht sloegen.„Olo Doesson! olo Doesson!” (menschen van Doesson, Doessonners) was de kreet, die ons reisgezelschap slaakte en niet weinig verwarring vooral onder de vrouwen en kinderen veroorzaakte. Harimaoung Boekit riep hun evenwel eenige woorden toe, waarop de rangkans elkander naderden. Uit twee daarvan stapten de vrouwen en kinderen haastiglijk in de anderen over en werden door een gelijk aantal mannen vervangen. Daarop schoten de[265]vier rangkans met de vrouwen, die ook de pagaai konden hanteeren, naar den rechteroever over en lieten zich verder de rivier tot beneden Oepon Batoe afzakken. De twee andere vaartuigen met geweerdragenden, waaronder ook onze Europeanen, bemand, legden bij den tomoi aan. Geen sterveling was daar echter te ontwaren. Voorzichtig werd het kleine gebouw doorzocht, maar niets daarin gevonden. Behoedzaam stegen de vijftig dapperen voorwaarts het pad op, dat steil tegen een hoogen leemheuvel opslingerde, zich nu eens als hollen weg voordeed, om een oogenblik later over den nok van een zadelrug te voeren. Eindelijk kregen zij den kalen wand van de rots in het gezicht, waarop de kotta lag, en zagen daar, op ongeveer een vijftig pas voor zich, een zestigtal Doessonners bij elkander gegroepeerd, die de aankomenden onder het zwaaien hunner mandauws met uitdagende kreten en met scheldnamen en verwenschingen begroetten. Tegen die rots waren boomstammen geplaatst of gehangen, van inkervingen voorzien, waarlangs een twintigtal menschelijke wezens zich naar boven heschen om den bovenrand van den wand te bereiken. Zoodra Johannes, die het opperbevel weer aanvaard had, dien troep zag, liet hij halt maken en een rottenvuur openen, d.w.z., dat, zonder zich om iets te bekreunen, een ieder op dat menschelijke kluwen mocht schieten, zooals hij goed vond, hetgeen de beste waarborgen tot goed raken gaf. De twee Zwitsers volgden hun oude tactiek, zij bespaarden zorgvuldig hun munitie voor ernstiger oogenblikken. La Cueille en Johannes openden hun vuur op de klouteraars, waarbij zij bij voorkeur hen tot doelwit kozen, die reeds het hoogst geklommen waren. De uitwerking daarvan was verrassend. Zij die vielen, sleepten de achter hen komenden in hun val mede. De daardoor ontstane verwarring werd nog vergroot, toen die[266]twee schutters ook nog hun nimmer falende kogels te midden der saamgedrongen Doessonners begonnen te zenden, waartusschen zij meer effect maakten dan al het geraasvolle schieten der Dajaks. Al spoedig bedekte een menigte dooden en gewonden den grond en hun aantal vermeerderde ieder oogenblik. Toen het eerste oogenblik van verrassing voorbij was, traden de koenste der Doessonners vooruit, met het doel zich op hun aanvallers te werpen, maar het geweervuur, dat hun onafgebroken tegenknetterde, velde een ieder, die poogde voorwaarts te treden. Nogmaals wierpen zij zich in hun wanhoop vooruit; zelfs gelukte het eenigen hunner tot tegen de bajonetten, tot er onder zelfs, door te breken, maar in dezen hachelijken stond brachten ook nu de Zwitsers met hun repeteergeweren de beslissing aan. Door hun juiste en spoedig op elkander volgende schoten scheidden zij die voorvechters van den hoofdtroep af, die, trots hun heldhaftigheid, onondersteund als zij bleven, ellendig afgemaakt werden. Nu beving een radelooze angst de overgebleven Doessonners. Onberaden van ontzetting en als blind stormden zij een pad af, dat zijwaarts van hun aanvallers door een kloof naar de rivier scheen te leiden, maar naar den rand eener rots voerde, die als onderdeel van de hoofdsteenmassa zich boven den stroom verhief. Een oogenblik kwamen hier de vluchtelingen tot staan, maar toen het geweervuur met alle woede achter hen andermaal kraakte; toen in hun doodsangst stortten zij zich hals over kop in de golven en trachtten al zwemmende de overzijde te bereiken. Velen hunner verdronken; de anderen werden later opgespoord en als wilde dieren gejaagd.Na dit drama wilden de Poenans en de Kapoeassers de gevallen Doessonners, zoo gekwetsten als dooden, onthoofden,[267]toen eensklaps boven op de rots een vreeselijk geschreeuw en gegil ontstond, dat de aandacht onmiddellijk afleidde. Hoewel niets te bespeuren was, verzekerde Harimaoung Boekit, dat het hem nu duidelijk was, wat daar boven gebeurde. Volgens hem ondernamen op dit oogenblik de Doessonners met hun geheele macht aan de oostzijde den hoofdaanval; maar hadden, om den vijand tot versnippering van krachten te noodzaken, een beklautering van de rots aan de noordzijde beraamd, die slechts door een betrekkelijk klein aantal stoutmoedigen onbemerkt zoude moeten volvoerd zijn. Die stoute beklimming zoude voorzeker gelukt zijn, wanneer het toeval onze avonturiers niet daar ter plaatse gebracht had.Johannes deelde, zoodra hij die waarschijnlijkheid uit den mond van Harimaoung Boekit vernomen had, eenige bevelen uit en, zelf het voorbeeld gevende, wierp hij het geweer bij den riem over den rug en begon de bestijging langs de ingekerfde boomstammen, die alleen aan deze zijde toegang tot den bovenrand der rots verleenden. Met een daverend hoera volgden hem de Kapoeassers en de Poenans en in het volgende oogenblik hing daar een menschentros hoog boven den afgrond tusschen hemel en aarde. Na een moeitevolle beklimming van ruim een half uur, waren de stoutmoedige klauteraars allen boven, behalve Schlickeisen,—wiens wond zulk een inspanning niet gedoogde en die zijn Remmingtongeweer met dat van La Cueille geruild had,—en nog een viertal Dajaks, die in het kortstondig gevecht van man tegen man nog al belangrijk gewond waren. Deze zochten een toevlucht in de rangkans en wachtten daar met den vinger aan den trekker, den uitslag der beklimming af.Zoodra Johannes boven was, beijverde hij zich, hoe aamechtig ook, zijn makkers in rij en gelid te scharen[268]en hun vooral bedaardheid in te spreken. De houten borstwering van de kotta was aan deze zijde, alwaar een aanval moeielijk kon verwacht worden, niet hoog. Toen hij zijn troepje wat bekomen en overigens kalm en bedaard genoeg zag, om zijn bevelen te kunnen opvolgen, klom hij met Harimaoung Boekit de palissadeering over, om een kijkje in de kotta te nemen en naar omstandigheden te kunnen handelen. Wat hij daar zag, vereischte al dadelijk in hooge mate zijn aandacht. Op de oostzijde der versterking werd verwoed gestreden. Met de vertwijfeling der wanhoop verdedigde zich de bezetting tegen de overmachtige Doessonners en was het daaraan alleen te wijten, dat hij met den Poenan onbemerkt had kunnen binnendringen. Met een oogopslag overzag hij het kritieke van den toestand. Geen schot werd hier gehoord; alles geschiedde met het blanke wapen. Op een paar punten hadden de aanvallers de borstwering reeds beklommen en vasten voet op het banket verkregen. De meest wanhopige pogingen, om hen van daar te verdrijven, gelukten niet. Met ieder oogenblik groeide het aantal der binnengedrongenen aan, weldra zouden zij zich sterk gevoelen om weer aanvallend te werk te gaan en zich in de binnenruimte der kotta te werpen. Het pleit zou dan bij de groote overmacht der Doessonners spoedig beslist zijn. IJlings spoedde Johannes terug, om zijn makkers te wenken, terwijl het Poenanhoofd voorwaarts drong, om er op in te hakken; maar voornamelijk om de bezetting toe te roepen, dat hulp nabij was. Plotseling knalde een schot, en een Doessonner, die juist zijn eene been over de palissadeering bracht, om naar binnen te springen, stortte gillend en doodelijk getroffen achterover naar buiten. Een tweede, een derde ondergingen hetzelfde lot. Als onwrikbare uitvoerders van het noodlot schoten de Europeanen[269]ieder Doessonner neder, wiens hoofd zich boven de palissadeering vertoonde. Middelerwijl hadden de overige Kapoeassers de bezetting gewenkt om ruimte te maken en weldra klonk een onafgebroken geweervuur het kleine troepje, dat daar nog in verdedigende houding op den walgang stond, schrikkelijk als de titih, als de doodsklok, in de ooren. Eenigen dier stoute aanvallers werden getroffen, dat veroorzaakte verwarring, en daarvan maakten de belegerden meesterlijk gebruik, om op die indringers te vallen en tot den laatsten man af te maken. Dat gaf lucht. Onze redders in nood klommen nu ras op het banket, vuurden zoo vlug zij konden in den dichten drom, die aan den voet der palissadeering krioelde, vuurden nogmaals en nogmaals, en toen zich aan dat vuur nog een flankaanval paarde, die de belegerden in dat oogenblik ondernamen, toen stoven de aanvallers uiteen en vluchtten Soerapatti’s scharen den heuvel af, om zich aan den voet daarvan weer te verzamelen.Voor de belegerden ontstond nu eenige verademing, waarvan de drie Europeanen gebruik maakten om den toestand te overzien. Kotta Oepon Batoe kon sterk, tegenover een inlandschen vijand, zeer sterk genoemd worden. Langs twee zijden was zij bij voldoende waakzaamheid volkomen onaantastbaar. Daar steeg de rots, zooals wij gezien hebben loodrecht uit het water omhoog. Een genaakbaar punt bestond alleen daar, waarlangs onze reizigers binnengedrongen waren, maar waar ook twee verdedigers, desnoods een, voldoende waren, om een beklimming onmogelijk te maken. Aan de andere zijden was de heuvel ook wel zeer steil te noemen maar daar was een bestijging uitvoerbaar. Aan die kanten vooral was de palissadeering in vrij goeden staat. Het plateau, waarop de kotta zich verhief, was in zijne[270]natuurlijke gesteldheid door een soort van aardspleet in twee deelen gescheiden. In die spleet welde een kristalheldere bron op, die zoo overvloedig water gaf, dat een beekje ruischend en murmelend langs die soort van hollen weg naar beneden schuimde. Overigens was het geheele plateau met groote rotsblokken als bezaaid. Twee daarvan trokken in hooge mate de opmerkzaamheid van La Cueille tot zich. Het waren twee verbazend groote tafelsteenen3plat maar toch zeer dik, die op een afstand van slechts weinige ellen van elkander, elk op een veel kleineren maar bolvormigen steen rustten, evenwel zoodanig in hun zwaartepunt geschraagd werden, dat een eenigszins krachtige drukking met de hand voldoende was die kolossale steenmassa’s in een wiegelende beweging te brengen. Dat vond de Waal aardig, hij drukte, hij drukte nog eens en nog eens en scheen zich maar geen rekenschap van de beweeglijkheid dier gevaarten te kunnen geven. Hij bukte en zag dat beide steenen ongeveer drie voet boven den grond verheven waren; wijders merkte hij op, dat zij buiten de borstweringenceinte stonden, onmiddellijk aan den rand van het plateau boven de helling van den bovenbedoelden hollen weg. Hij boog zich over den rand, maar zag niets dan een dicht begroeide trechtervormige schacht, op welker bodem het beekje ruischte. Plotseling kreeg hij een inval; hij riep Johannes tot zich, fluisterde dien eenige woorden in, waarop beiden aan het werk togen en onder ieder der twee beweeglijke steenen aan de kotta zijde een grooten steen wentelden, zoodanig dat die tot steun van de[271]wankelende gevaarten diende. Daarna holden zij den bodem onder die steenen eenigermate uit, vulden die ruimten met een hoeveelheid van ongeveer tien K.G. buskruit, dat zij op voorspraak van Harimaoung Boekit van het kottahoofd verkregen, en stopten verder de mijnen, na daaraan geleiddraden, behoorlijk met een buskruitsas bestreken, bevestigd te hebben, met zware rotsblokken op. Toen dat klaar was, verlengde La Cueille de geleiddraden en voerde ze tusschen de palissaden door tot binnen de kotta, waar hij ze onder een paar takkebossen verborg.Maar nog was men niet met alle voorbereidselen klaar, toen een daverend gejoel aankondigde, dat de stoutmoedige vijand den aanval ging hervatten. En werkelijk, in dichte drommen stegen de Doessonners de hoogte aan den oostkant met de meeste snelheid op. Al dadelijk barstte het geweervuur los, maar had aanvankelijk weinig of geen uitwerking, gedekt als de aanvallers op de helling nog waren door den randkam des heuvels. In een oogwenk waren zij boven op het plateau en met een weergalooze doodsverachting begonnen zij de bestorming. Een heldentroep vloog vooruit en beijverde zich met apenvlugheid tegen de palissadeering op te klouteren. Helaas! al die stoutmoedigheid kon den weerstand niet breken. Ieder hoofd, dat zich boven de borstwering vertoonde, diende tot mikpunt, en, ontkwam ook al een enkele aan de wisse kogels, niet ondersteund als hij was bij zijn binnenspringen, werd hij op de lansen en mandauws opgevangen en onmeedoogend afgemaakt. Middelerwijl knetterde het geweervuur onafgebroken door de schietgaten en berokkende den aanvallers zware verliezen. Toch wisten zij van geen opgeven; zij hielden met een volharding stand, eene betere zaak waardig. Elkander aanmoedigende en slechts voor de belegerden een verachtelijk[272]scheldwoord over hebbende, beklommen zij nogmaals en andermaal de borstwering, maar steeds met hetzelfde noodlottig gevolg.Maar, terwijl de geheele bezetting der kotta schier ademloos en gespannen, het oog op dien aanval gericht hield, had La Cueille, die zijn eigene inzichten scheen te hebben, ook elders zijn aandacht gevestigd. Wel zond hij zijn kogel af, wanneer hem het oogenblik geschikt voorkwam, maar zijn hoofdgedachte was elders. Eindelijk meende hij eenig gedruisch te vernemen aan den noordkant. Fluks sloop hij naar buiten, kroop of beter schoof als een slang over het plateau tot aan den rand en.… werkelijk, hier zag hij een dichten drom, die in alle stilte door de beekgleuf den heuvel besteeg. Ja, hij had goed geraden, hier was het gevaar; die aanval ginds was slechts een schijnaanval, een kloekmoedige opoffering van helden, om hun makkers tijd en gelegenheid te geven den hoofdaanval te volvoeren. Stil als hij gekomen was, sloop La Cueille terug, wenkte Johannes en Wienersdorf, vloog toen naar de keuken om een brandende houtspaan te halen. Daarmede stak hij de geleiddraden aan; een oogenblik zag ons drietal de vuurvonk langs de beide gezwinde lonten over den grond voortschrijden, flikkeren en tusschen de palissadeering door verdwijnen. Die mannen wachtten, wachtten met ongeduld; zij zagen niets, niets meer. Soms meende een hunner nog een kronkelend rookwolkje in het gras te ontwaren; maar daarna niets, niets meer. De eerste vijanden begonnen zich reeds aan den rand van het plateau te vertoonen. Zij sprongen er op; anderen volgden hen. Weldra was een honderdtal boven. God! God!! zou de lont uitgedoofd zijn? dat ware verschrikkelijk. De drie Europeanen openden hun vuur op de beklimmers; maar in weerwil daarvan werd het aantal vijanden steeds grooter en[273]begonnen zij zich reeds om het plateau te verspreiden. De toestand werd netelig. Daar ginds de schijnaanval, die bijna niet te bedwingen was, en hier aan het zwakste gedeelte een bende, die met iedere seconde aangroeide. Maar hoort.…. daar weerklonk eensklaps een knal, zoo hevig, zoo schrikwekkend, dat voor een poos aanvallers en aangevallenen, van schrik als verstijfd, bewegingloos bleven. Een vreeselijke bliksemstraal schoot uit den grond te voorschijn, alsof een krater zich opende; een dikke rookwolk voer pijlsnel ten hemel en toen zag men een der beweegbare rotsmassa’s, als door een reuzenhand opgetild, zich oprichten, van haar steunpunt afschieten, kantelen, vooroverbuigen en donderend en krakend langs de beekgleuf in den afgrond verdwijnen. Voordat de aanvallers zich rekenschap konden geven van wat er gebeurde, had een tweede uitbarsting plaats, en stortte ook de andere steenmassa in de diepte. Goed aangelegd en verzorgd, waren La Cueille’s mijnen uitstekend geslaagd. De gevaarten, langs de helling afrollende, ploegden ieder een verschrikkelijke vore in den opstijgenden menschendrom en deed hem als kaf uiteenstuiven. Zij, die reeds boven waren, sloegen met den schrik in het hart op de vlucht, terwijl ook de schijnaanval, na die vreeselijke verijdeling van den hoofdaanval gestaakt moest worden.Toen de bezetting eenigermate tot bezinning gekomen was en rondkeek, werd bespeurd, dat ook zij belangrijke verliezen te tellen had. Veertien lijken der Kahajanners werden tusschen een veel grooter aantal Doessonners aangetroffen, terwijl bovendien nog wel het dubbele getal gewond was. Niemand hunner ontveinsde zich, dat, indien onze reizigers niet van pas aangekomen waren, de uitslag oneindig noodlottiger geweest zou zijn. Vooral keek de menigte met bewondering tegen[274]La Cueille op, tegen den man, die over donder en bliksem kon beschikken, die dien donder en bliksem uit de aarde kon doen te voorschijn komen, om rotsblokken, die de Sangiangs alleen zouden kunnen bewegen, op hun vijanden te storten. De Waal, niet ijdel van aard, liet zich die bewondering met zelfopofferende gelatenheid welgevallen en vond het baantje van held niet onaangenaam.Toen onze vrienden kotta Oepon Batoe verder opnamen, vonden zij onder de hoofdgebouwen veertig karandah’s, in ieder waarvan een menschelijk wezen opgesloten was. Zij vernamen alsnu, dat Tomonggong Toendan, het kottahoofd, kortelings overleden was, en dat die ongelukkigen bestemd waren, om bij zijn lijkfeest geslacht te worden4. De gekwetste Doessonners werden ook bijeengebracht. Die zouden den volgenden morgen den vreeselijken marteldood ondergaan, om de gesneuvelde helden der bezetting, die dan verbrand zouden worden, tot escorte in het zielenland te dienen. Overigens herhaalde zich ook hier de afschuwelijke schedeloogst van de gesneuvelde vijanden en de walgelijke tooneelen, die daarmede gepaard gingen.Met afschuw wendden de Europeanen zich af en informeerden bij Harimaoung Boekit of er al berichten van de vrouwen waren; vooral Wienersdorf begon ongeduldig naar zijn Hamadoe uit te zien. Het Poenanhoofd zond een paar zijner strijders uit, om van den rand der rots de rangkans op te sporen en te praaien. Middelerwijl klom Johannes met een paar Dajaks langs de[275]boomen naar beneden, waarlangs zij straks naar boven gestegen waren, om Schlickeisen en de vier gewonde Kapoeassers naar boven te halen. Toen hij beneden kwam, bij de aanlegplaats aan de tomoi, vond hij daar den rangkan, waarmede zij geland waren, verdwenen. Op den oever, half in het water, lagen de vier onthoofde lijken van de Kapoeassers, dicht daarbij lag ook het geweer van Schlickeisen; maar overigens van den Zwitser geen spoor.[276]

In het bivouac hadden de medegebrachte gevangenen veel bekijk. Toch was onder die natuurmenschen de stemming zeer medelijdendgezind. Men beklaagde de arme moeder, die zoo in gevangenschap geraakt was, bij de verdediging van haar kind. Want ontwijfelbaar was het voor een ieder, dat de aanval op Wienersdorf slechts ten doel had, haar kind te beschermen, hetwelk uit den boom gevallen was en dat zij bedreigd achtte.

„Kahio!” had ook Harimaoung Boekit en de andere Dajaks geroepen, toen zij de dieren zagen. La Cueille sloeg wanhopige blikken om zich heen. Waren dat dan geen orang oetan’s? Volgens hem was er niets erger dan de eigenzinnigheid der menschen, als zij zich iets in het hoofd gehaald hebben. Hij vernam evenwel dat kahio de Dajaksche naam van het dier was.

„Dus is het toch een orang oetan, niet waar?” hervatte hij met vuur.

„Juist, net zoo goed als een orang oetan een kahio is. Kahio is de naam van het dier in zijn vaderland. Daar kent niemand dien naam van orang oetan, die boschmensch beteekent, en door de Europeesche geleerden, in[257]hun dwaze zucht, om nimmer vrede met de inheemsche benamingen te hebben, is uitgedacht.”

Den volgenden morgen trachtte Wienersdorf door tusschenkomst van Hamadoe, een flinken brok arengsuiker machtig te worden. Toen hij dien had, bracht hij het dier met zijn jong buiten het bivouac, stopte hem de suiker in de hand en sneed zijn banden door. De kahio, zich vrij gevoelende, uitte een gegrom van tevredenheid, rekte armen en beenen, richtte zich overeind, greep toen het jong, dat die teedere moeder aan haar borst klemde, vloog op een boom toe en had daarvan in een oogwenk de onderste takken bereikt. Op een dezer gezeten, keek het dankbare dier den Zwitser nog eens aan, murmelde iets met de lippen, waarbij het als alle quadrumanen de wenkbrauwen op en neer bewoog en afschuwelijke gezichten trok, en was weldra in den dichten loofwand verdwenen.

Alle reisgenooten gaven hun bijval te kennen, dat Wienersdorf die moeder met haar kind in vrijheid had gesteld. Hij moest evenwel erkennen, dat die moeder hem ter dege afgeranseld had. Alleen bij de gedachte wreef hij zich nogmaals armen en beenen en bracht hij de hand aan de keel, alwaar hij die klemschroef nog meende te voelen.

Met het rijzen der zon ving ook weer de inspanningsvolle arbeid aan. Het kostte nog veel moeite en veel zweet om de rangkans over den zadelrug, die den Boekit Riwoet met de aangrenzende heuvelreeksen verbond, te voeren. Toen men ze evenwel daar bovenop had, werd wat uitgeblazen, waarna de reis weer vol moed hervat werd. Het ging nu veel gemakkelijker en derhalve ook veel sneller. Eensdeels waren de hellingen naar het westen minder steil, zelfs zacht te noemen; anderdeels leverde het terrein, ook door den aard zijner plantenbekleeding[258]minder bezwaren op. Kort nadat de afdaling begonnen was, leidde het pad door ijzerhoutbosschen, en leverden die betrekkelijk zeer weinig beletselen op. De ijzerhoutboom, bij de Dajaks „tabaliën” genaamd, heeft veel overeenkomst met den djattiboom (Tectonia grandis). Dezelfde vorm, dezelfde stam, dezelfde spreiding van takken, nagenoeg hetzelfde ruwe blad; ontwijfelbaar zullen de geleerden de beide boomen tot dezelfde familie rekenen. Met den teakboom, heeft ook de tabaliën de geaardheid gemeen, om uitmuntend in gezelschap van soortgenooten te tieren en daarbij struikgewas, slinger- en parasietplanten onmeedoogend te verstikken. Hij duldt niets dan een mager spichtig gras in zijn nabijheid, dat nog veelal in den drogen tijd in brand geraakt. De bodem rondom is dan ook zoo zuiver, als in een oorspronkelijk bosch niet te verwachten zoude zijn. Het gevolg van dien toestand was, dat onze reizigers reeds vroeg in den namiddag aan de boorden van de soengei Minjangan aankwamen. Het eerste, dat het reisgezelschap deed, was een verfrisschend bad te nemen in de heldere wateren van die soengei. Mannen, vrouwen en kinderen dartelden een poos met wellust, alsof in de wereld niets anders te doen ware. Daarna gingen de vrouwen lustig aan het koken en met te meer ijver, daar allen en ook zij honger hadden.

De mannen ontlaadden de rangkans voor zooveel noodig, om ze zonder bezwaar te water te kunnen brengen. Zij keken daarbij de vaartuigen goed na, herstelden waar door dat vervoer schade aangebracht was, en weldra lag deflotillete dobberen en gereed haar lading weer te ontvangen. De dag was evenwel te ver gevorderd, om nu nog de reis te kunnen vervolgen. Bij donker weer zouden de gevaren op de snelstroomende rivier te groot zijn, om die te mogen trotseeren. Van de weinige uren,[259]die het daglicht nog gunde, gebruik makende, trokken eenige jagers uit, eensdeels op verkenning der omstreken, ook om te trachten eenig wild machtig te worden. Zij keerden terug met het bericht, dat de omtrek behoorlijk veilig was en brachten daarenboven een prachtig hert mede, dat zij in de nabijheid geschoten hadden. Dat was inderdaad een belangrijke aanwinst voor de keuken.

Na alles zoo gereed gemaakt en verzorgd te hebben, kon het reisgezelschap onder de hoede der schildwachten een welverdiende rust genieten en was den volgenden morgen bij het eerste dagen gereed, om de reis te vervolgen. Het ging nu stroomaf, en pijlsnel schoten de rangkans vooruit. Het was alsof tusschen die zes vaartuigen een wedren gehouden werd, met zoo’n geestdrift werd voortgeroeid. Vooral bij het afvaren van kihams vlogen de reizigers de oevers met duizelingwekkende vaart voorbij. Behalve den verbazend snellen stroom, dien de soengei daar verkreeg, zetten zij, die de stuurpagaai in handen hielden, de roeiers tot de uiterste krachtsinspanning aan, omdat zij alsdan in die schuimende en kokende wateren te beter stuur over hun vaartuigen konden houden. Onder een luid gegil schoot de eene rangkan voor, de andere na zoo’n waterval af, waarbij de Europeanen zich het hart vasthielden. Het bewustzijn, dat bij die pijlsnelle vaart de geringste aanraking met de rotsen, die zich allerwege verhieven en waartusschen het water zich wrong, de vernieling van het vaartuig en het verongelukken van al de opvarenden, ten gevolge kon hebben, deed hen ijzen. Maar de stuurbeseai’s waren in goede handen, de roeiers luisterden stipt naar de wenken van de stuurlieden, zoodat de vaartuigen dan ook behouden de Kahajan rivier bereikten.[260]

Het was toen omstreeks middag. Onmiddellijk werd naar het noorden gewend en stevenden de rangkans dien prachtigen stroom op. Harimaoung Boekit wees den Europeanen achter hen op een hooge rots, die zich loodrecht uit het midden van het rivierbed scheen te verheffen. Hij verhaalde hun, dat daar ter plaatse een gevaarlijke draaikolk bestond, „Labeho Tampang” genaamd, die tengevolge van een doorbraak gevormd werd van den Boekit Taroilokong, welke als een reusachtige slagboom de rivier in de voortijden afsloot. De stroom schoot daar een wijl tusschen loodrechte rotswanden van leisteen en dioriet voort, terwijl de verbrijzelde massa der doorbraak in den vorm van klippen en rotsen het rivierbed tot een der gevaarlijkste passages maakte. De Poenan verhaalde vervolgens dat eens, lange jaren geleden, de oeverbewoners van de soengei Lepang, een zijrivier van de soengei Roengan, op haar beurt een zijrivier van de Kahajan, bij het goudwasschen in de bedding der soengei groote gedegen stukken van dat edel metaal vonden en eindelijk op een vervaarlijk groote goudmassa stuitten, die, toen zij haar van de zandlaag ontbloot hadden, welke haar bedekte, de gedaante van een groot volwassen hert met breedvertakt gewei vertoonde. De vinders stortten zich op dien schat, om hem te bemachtigen, maar alvorens zij het grijpen konden, sprong het vlugge dier overeind en spoedde het woud in. Terzelfder stond zagen een paar reizigers, die bij Labeho Tampang de Kahajan afzakten, een gouden hert op de rotskruinen verschenen en in den kolk springen, om een toevlucht te zoeken in een grot of uitholling, die onder den waterspiegel in die rots zoude bestaan. Dat was, vulde Harimaoung Boekit zijn verhaal aan, de „sarok boelau hai” (de groote ziel van het goud), die haar toevlucht in deze streken genomen heeft en de oorzaak[261]is, dat van dat oogenblik hier zooveel en zulk goed goud gevonden wordt.

IJverig werd intusschen voortgeroeid. Het was omstreeks drie uur in den namiddag, toen de reizigers kotta Dewa bereikten. Hier stapten Amai Kotong en Harimaoung Boekit aan wal om poolshoogte te nemen. Zij vonden hier reeds alles in rep en roer, want er waren berichten ontvangen van den inval van Tomonggong Soerapatti. Het hoofd dier kotta, Amai Raden genaamd, was afwezig; hij was naar de velden geijld, om zijn pandelingen te verzamelen en binnen de versterking te brengen. Het gezag werd intusschen uitgeoefend door zijn echtgenoote Njahi Balau. Dat was een vrouw van ongeveer veertig jaar oud, krachtig van lichaamsbouw en met een ware heldenziel bedeeld. Meermalen had zij bij vijandelijke aanrandingen, de mannen, waaronder ook haar ega, die vluchten wilden, met den mandauw in de vuist tot staan gebracht en tegen de vijanden aangevoerd. Onze reizigers vonden haar bezig met de voorbereidselen tot een krachtige verdediging. Zij had reeds zendelingen uitgezonden, om de naburige soengeibewoners, die onder kotta Dewa stonden, tot den strijd op te roepen. Van de Doessonners had zij in zoover tijdingen, dat zij wist mede te deelen, dat die in soengei Miri door de bevolking ontdekt en aangetast waren geworden, waardoor zij in de noodzakelijkheid waren gekomen, om het beleg voor kotta Ohas te slaan.

Op die tijding was Harimaoung Boekit natuurlijk niet meer te houden. Hij vloog, na in weinige woorden met Njahi Balau afgesproken te hebben, dat zij met de meesten harer weerbare mannen volgen zoude, zijn rangkan in en voort ging het verder de Kahajan op. Het was evenwel een lang traject, dat onze reizigers nog af te leggen hadden. Zij hadden volop tijd, om op[262]te merken dat, sedert zij de soengei Minjangan verlaten hadden, het landschap geheel en al van karakter veranderd was, dat, waar langs die soengei en ook langs de Kapoeas slechts oorspronkelijk woud de oevers omzoomde en op een volslagen ontvolking duidde, hier ontgonnen boschperceelen allerwege het oog boeiden en geheele velden met rijst, katjang, katella pohon, djagoong enz. beplant, ontwaard werden. Er werden zelfs geheele uitgestrektheden waargenomen, die uitsluitend en regelmatig met klapperboomen of met sagopalmen beplant waren. De grenzen van het maagdelijk bosch waren op sommige punten zoover het oog reikte teruggedrongen, en stroomde de schoone rivier, kalm en zacht kabbelend, zich tusschen zacht golvende heuvels kronkelende, te midden van een schilderachtig landschap, dat allerwege tooneelen van de zegeningen van den landbouw aanbood. De streek was ook goed bevolkt, want bijna ontelbaar waren de kotta’s te noemen, die zich op de beide oevers van den fraaien stroom verhieven. Evenwel die kotta’s duidden op zich zelven reeds aan, dat de bewoners een stevige insluiting voor hun veiligheid noodig achtten; de schedels, die ook hier overal op de palissadepunten prijkten, bewezen nog krachtiger, dat het bebouwde landschap slechts een schijnbeeld van meerdere beschaving verleende; want het koppensnellen behoorde ook tot de gewoonten van de bevolking van Kahajan en deze stond dus even laag op de maatschappelijke ladder als iedere andere stam in de binnenlanden van Borneo.

De reis werd onverpoosd voortgezet. De stroom stelde weinig of geen beletselen in den weg. De helling van dit riviervak was zeer gering en derhalve de kracht van het afstroomend water zwak. Toen de nacht inviel drong Harimaoung Boekit er op aan, dat de reis zou worden voortgezet, waartegen te minder bedenkingen waren in te[263]brengen, dewijl bij het gevaarlooze van een nachtelijken tocht op den breeden zachtvlietenden stroom, ook nog de maan in rekening te brengen was, die met haar zacht licht, den nacht bijna in dag herschiep. Alle reisgenooten juichten dan ook het voorstel toe, en met onvermoeide kracht kliefden de beseai’s de wateren.

Bij het doorkomen van het eerste morgenrood ontwaarden de reizigers, dat het terrein, hetwelk na het ondergaan van de maan, gedurende enkele uren aan hun waarneming onttrokken was geweest, langzamerhand van karakter was veranderd. De heuvelen, die zich langs de oevers verhieven, waren hooger, steiler, woester van vorm geworden. Op sommige plaatsen naderden zij den stroom zoodanig, dat die niet dan met geweld zich een doortocht had kunnen banen. Steil omhoogstijgende rotswanden en afgebrokkelde oevers volgden elkander nu weer op, terwijl ook de rivieroppervlakte de liefelijke kalmte, die daags te voren onze reizigers zoo boeide, verloren had. Integendeel, dwarlkolken, stroomversnellingen, watervallen en schuimende golvingen waren weer aan de orde en baarden den roeiers veel inspanning.

Het was zoo omstreeks acht uur, toen de reizigers in de verte aan den linkeroever een kolossale rots met zacht afgeronden top, als loodrecht uit het bed der rivier zagen verrijzen. Dat wasOepon Batoe1, het doel van de reis voor heden, de rots waarop de kotta van Tomonggong Toendan gelegen was. Met inspanning van alle krachten vorderden de rangkans slechts langzaam in de witschuimende golven, welke die loodrechte rotswanden[264]van ongeveer 400 voeten hoog, aan twee zijden, het zuiden en het westen, omgaven. Toen men eindelijk de westzijde iets te boven was, scheen de Oepon Batoe eenigszins terug te wijken als om plaats te maken voor een kleinere rots, die op haar beurt uit den vloed scheen op te rijzen. Die rots van een driekante gedaante, heette Batoe Soeli2. Harimaoung Boekit verhaalde, dat vroeger die driekante steen dwars in het rivierbed lag en de gemeenschap geheel en al verbrak. Toen treurden de visschen en krokodillen en beklaagden zich er over bij Mahatara dat zij geen verkeer konden hebben met hun vrienden aan de andere zijde van den slagboom.

Sangiang Sangoeman kreeg bevel het beletsel uit den weg te ruimen, hetgeen hij volvoerde, door het gevaarte met machtige hand op te tillen en op den oever overeind te zetten.

In de ruimte, tusschen den Oepon Batoe en den Batoe Soeli, was als een kom in den oever met een wit zandig strand, waarop een tomoi gebouwd was en waar de vaartuigen konden aanleggen. Bij het landen ontwaarden de reizigers drie vrij groote rangkans aan de aanlegplaats vastgemaakt, waarvan de bewakers bij het zien van de naderende vaartuigen op de vlucht sloegen.

„Olo Doesson! olo Doesson!” (menschen van Doesson, Doessonners) was de kreet, die ons reisgezelschap slaakte en niet weinig verwarring vooral onder de vrouwen en kinderen veroorzaakte. Harimaoung Boekit riep hun evenwel eenige woorden toe, waarop de rangkans elkander naderden. Uit twee daarvan stapten de vrouwen en kinderen haastiglijk in de anderen over en werden door een gelijk aantal mannen vervangen. Daarop schoten de[265]vier rangkans met de vrouwen, die ook de pagaai konden hanteeren, naar den rechteroever over en lieten zich verder de rivier tot beneden Oepon Batoe afzakken. De twee andere vaartuigen met geweerdragenden, waaronder ook onze Europeanen, bemand, legden bij den tomoi aan. Geen sterveling was daar echter te ontwaren. Voorzichtig werd het kleine gebouw doorzocht, maar niets daarin gevonden. Behoedzaam stegen de vijftig dapperen voorwaarts het pad op, dat steil tegen een hoogen leemheuvel opslingerde, zich nu eens als hollen weg voordeed, om een oogenblik later over den nok van een zadelrug te voeren. Eindelijk kregen zij den kalen wand van de rots in het gezicht, waarop de kotta lag, en zagen daar, op ongeveer een vijftig pas voor zich, een zestigtal Doessonners bij elkander gegroepeerd, die de aankomenden onder het zwaaien hunner mandauws met uitdagende kreten en met scheldnamen en verwenschingen begroetten. Tegen die rots waren boomstammen geplaatst of gehangen, van inkervingen voorzien, waarlangs een twintigtal menschelijke wezens zich naar boven heschen om den bovenrand van den wand te bereiken. Zoodra Johannes, die het opperbevel weer aanvaard had, dien troep zag, liet hij halt maken en een rottenvuur openen, d.w.z., dat, zonder zich om iets te bekreunen, een ieder op dat menschelijke kluwen mocht schieten, zooals hij goed vond, hetgeen de beste waarborgen tot goed raken gaf. De twee Zwitsers volgden hun oude tactiek, zij bespaarden zorgvuldig hun munitie voor ernstiger oogenblikken. La Cueille en Johannes openden hun vuur op de klouteraars, waarbij zij bij voorkeur hen tot doelwit kozen, die reeds het hoogst geklommen waren. De uitwerking daarvan was verrassend. Zij die vielen, sleepten de achter hen komenden in hun val mede. De daardoor ontstane verwarring werd nog vergroot, toen die[266]twee schutters ook nog hun nimmer falende kogels te midden der saamgedrongen Doessonners begonnen te zenden, waartusschen zij meer effect maakten dan al het geraasvolle schieten der Dajaks. Al spoedig bedekte een menigte dooden en gewonden den grond en hun aantal vermeerderde ieder oogenblik. Toen het eerste oogenblik van verrassing voorbij was, traden de koenste der Doessonners vooruit, met het doel zich op hun aanvallers te werpen, maar het geweervuur, dat hun onafgebroken tegenknetterde, velde een ieder, die poogde voorwaarts te treden. Nogmaals wierpen zij zich in hun wanhoop vooruit; zelfs gelukte het eenigen hunner tot tegen de bajonetten, tot er onder zelfs, door te breken, maar in dezen hachelijken stond brachten ook nu de Zwitsers met hun repeteergeweren de beslissing aan. Door hun juiste en spoedig op elkander volgende schoten scheidden zij die voorvechters van den hoofdtroep af, die, trots hun heldhaftigheid, onondersteund als zij bleven, ellendig afgemaakt werden. Nu beving een radelooze angst de overgebleven Doessonners. Onberaden van ontzetting en als blind stormden zij een pad af, dat zijwaarts van hun aanvallers door een kloof naar de rivier scheen te leiden, maar naar den rand eener rots voerde, die als onderdeel van de hoofdsteenmassa zich boven den stroom verhief. Een oogenblik kwamen hier de vluchtelingen tot staan, maar toen het geweervuur met alle woede achter hen andermaal kraakte; toen in hun doodsangst stortten zij zich hals over kop in de golven en trachtten al zwemmende de overzijde te bereiken. Velen hunner verdronken; de anderen werden later opgespoord en als wilde dieren gejaagd.

Na dit drama wilden de Poenans en de Kapoeassers de gevallen Doessonners, zoo gekwetsten als dooden, onthoofden,[267]toen eensklaps boven op de rots een vreeselijk geschreeuw en gegil ontstond, dat de aandacht onmiddellijk afleidde. Hoewel niets te bespeuren was, verzekerde Harimaoung Boekit, dat het hem nu duidelijk was, wat daar boven gebeurde. Volgens hem ondernamen op dit oogenblik de Doessonners met hun geheele macht aan de oostzijde den hoofdaanval; maar hadden, om den vijand tot versnippering van krachten te noodzaken, een beklautering van de rots aan de noordzijde beraamd, die slechts door een betrekkelijk klein aantal stoutmoedigen onbemerkt zoude moeten volvoerd zijn. Die stoute beklimming zoude voorzeker gelukt zijn, wanneer het toeval onze avonturiers niet daar ter plaatse gebracht had.

Johannes deelde, zoodra hij die waarschijnlijkheid uit den mond van Harimaoung Boekit vernomen had, eenige bevelen uit en, zelf het voorbeeld gevende, wierp hij het geweer bij den riem over den rug en begon de bestijging langs de ingekerfde boomstammen, die alleen aan deze zijde toegang tot den bovenrand der rots verleenden. Met een daverend hoera volgden hem de Kapoeassers en de Poenans en in het volgende oogenblik hing daar een menschentros hoog boven den afgrond tusschen hemel en aarde. Na een moeitevolle beklimming van ruim een half uur, waren de stoutmoedige klauteraars allen boven, behalve Schlickeisen,—wiens wond zulk een inspanning niet gedoogde en die zijn Remmingtongeweer met dat van La Cueille geruild had,—en nog een viertal Dajaks, die in het kortstondig gevecht van man tegen man nog al belangrijk gewond waren. Deze zochten een toevlucht in de rangkans en wachtten daar met den vinger aan den trekker, den uitslag der beklimming af.

Zoodra Johannes boven was, beijverde hij zich, hoe aamechtig ook, zijn makkers in rij en gelid te scharen[268]en hun vooral bedaardheid in te spreken. De houten borstwering van de kotta was aan deze zijde, alwaar een aanval moeielijk kon verwacht worden, niet hoog. Toen hij zijn troepje wat bekomen en overigens kalm en bedaard genoeg zag, om zijn bevelen te kunnen opvolgen, klom hij met Harimaoung Boekit de palissadeering over, om een kijkje in de kotta te nemen en naar omstandigheden te kunnen handelen. Wat hij daar zag, vereischte al dadelijk in hooge mate zijn aandacht. Op de oostzijde der versterking werd verwoed gestreden. Met de vertwijfeling der wanhoop verdedigde zich de bezetting tegen de overmachtige Doessonners en was het daaraan alleen te wijten, dat hij met den Poenan onbemerkt had kunnen binnendringen. Met een oogopslag overzag hij het kritieke van den toestand. Geen schot werd hier gehoord; alles geschiedde met het blanke wapen. Op een paar punten hadden de aanvallers de borstwering reeds beklommen en vasten voet op het banket verkregen. De meest wanhopige pogingen, om hen van daar te verdrijven, gelukten niet. Met ieder oogenblik groeide het aantal der binnengedrongenen aan, weldra zouden zij zich sterk gevoelen om weer aanvallend te werk te gaan en zich in de binnenruimte der kotta te werpen. Het pleit zou dan bij de groote overmacht der Doessonners spoedig beslist zijn. IJlings spoedde Johannes terug, om zijn makkers te wenken, terwijl het Poenanhoofd voorwaarts drong, om er op in te hakken; maar voornamelijk om de bezetting toe te roepen, dat hulp nabij was. Plotseling knalde een schot, en een Doessonner, die juist zijn eene been over de palissadeering bracht, om naar binnen te springen, stortte gillend en doodelijk getroffen achterover naar buiten. Een tweede, een derde ondergingen hetzelfde lot. Als onwrikbare uitvoerders van het noodlot schoten de Europeanen[269]ieder Doessonner neder, wiens hoofd zich boven de palissadeering vertoonde. Middelerwijl hadden de overige Kapoeassers de bezetting gewenkt om ruimte te maken en weldra klonk een onafgebroken geweervuur het kleine troepje, dat daar nog in verdedigende houding op den walgang stond, schrikkelijk als de titih, als de doodsklok, in de ooren. Eenigen dier stoute aanvallers werden getroffen, dat veroorzaakte verwarring, en daarvan maakten de belegerden meesterlijk gebruik, om op die indringers te vallen en tot den laatsten man af te maken. Dat gaf lucht. Onze redders in nood klommen nu ras op het banket, vuurden zoo vlug zij konden in den dichten drom, die aan den voet der palissadeering krioelde, vuurden nogmaals en nogmaals, en toen zich aan dat vuur nog een flankaanval paarde, die de belegerden in dat oogenblik ondernamen, toen stoven de aanvallers uiteen en vluchtten Soerapatti’s scharen den heuvel af, om zich aan den voet daarvan weer te verzamelen.

Voor de belegerden ontstond nu eenige verademing, waarvan de drie Europeanen gebruik maakten om den toestand te overzien. Kotta Oepon Batoe kon sterk, tegenover een inlandschen vijand, zeer sterk genoemd worden. Langs twee zijden was zij bij voldoende waakzaamheid volkomen onaantastbaar. Daar steeg de rots, zooals wij gezien hebben loodrecht uit het water omhoog. Een genaakbaar punt bestond alleen daar, waarlangs onze reizigers binnengedrongen waren, maar waar ook twee verdedigers, desnoods een, voldoende waren, om een beklimming onmogelijk te maken. Aan de andere zijden was de heuvel ook wel zeer steil te noemen maar daar was een bestijging uitvoerbaar. Aan die kanten vooral was de palissadeering in vrij goeden staat. Het plateau, waarop de kotta zich verhief, was in zijne[270]natuurlijke gesteldheid door een soort van aardspleet in twee deelen gescheiden. In die spleet welde een kristalheldere bron op, die zoo overvloedig water gaf, dat een beekje ruischend en murmelend langs die soort van hollen weg naar beneden schuimde. Overigens was het geheele plateau met groote rotsblokken als bezaaid. Twee daarvan trokken in hooge mate de opmerkzaamheid van La Cueille tot zich. Het waren twee verbazend groote tafelsteenen3plat maar toch zeer dik, die op een afstand van slechts weinige ellen van elkander, elk op een veel kleineren maar bolvormigen steen rustten, evenwel zoodanig in hun zwaartepunt geschraagd werden, dat een eenigszins krachtige drukking met de hand voldoende was die kolossale steenmassa’s in een wiegelende beweging te brengen. Dat vond de Waal aardig, hij drukte, hij drukte nog eens en nog eens en scheen zich maar geen rekenschap van de beweeglijkheid dier gevaarten te kunnen geven. Hij bukte en zag dat beide steenen ongeveer drie voet boven den grond verheven waren; wijders merkte hij op, dat zij buiten de borstweringenceinte stonden, onmiddellijk aan den rand van het plateau boven de helling van den bovenbedoelden hollen weg. Hij boog zich over den rand, maar zag niets dan een dicht begroeide trechtervormige schacht, op welker bodem het beekje ruischte. Plotseling kreeg hij een inval; hij riep Johannes tot zich, fluisterde dien eenige woorden in, waarop beiden aan het werk togen en onder ieder der twee beweeglijke steenen aan de kotta zijde een grooten steen wentelden, zoodanig dat die tot steun van de[271]wankelende gevaarten diende. Daarna holden zij den bodem onder die steenen eenigermate uit, vulden die ruimten met een hoeveelheid van ongeveer tien K.G. buskruit, dat zij op voorspraak van Harimaoung Boekit van het kottahoofd verkregen, en stopten verder de mijnen, na daaraan geleiddraden, behoorlijk met een buskruitsas bestreken, bevestigd te hebben, met zware rotsblokken op. Toen dat klaar was, verlengde La Cueille de geleiddraden en voerde ze tusschen de palissaden door tot binnen de kotta, waar hij ze onder een paar takkebossen verborg.

Maar nog was men niet met alle voorbereidselen klaar, toen een daverend gejoel aankondigde, dat de stoutmoedige vijand den aanval ging hervatten. En werkelijk, in dichte drommen stegen de Doessonners de hoogte aan den oostkant met de meeste snelheid op. Al dadelijk barstte het geweervuur los, maar had aanvankelijk weinig of geen uitwerking, gedekt als de aanvallers op de helling nog waren door den randkam des heuvels. In een oogwenk waren zij boven op het plateau en met een weergalooze doodsverachting begonnen zij de bestorming. Een heldentroep vloog vooruit en beijverde zich met apenvlugheid tegen de palissadeering op te klouteren. Helaas! al die stoutmoedigheid kon den weerstand niet breken. Ieder hoofd, dat zich boven de borstwering vertoonde, diende tot mikpunt, en, ontkwam ook al een enkele aan de wisse kogels, niet ondersteund als hij was bij zijn binnenspringen, werd hij op de lansen en mandauws opgevangen en onmeedoogend afgemaakt. Middelerwijl knetterde het geweervuur onafgebroken door de schietgaten en berokkende den aanvallers zware verliezen. Toch wisten zij van geen opgeven; zij hielden met een volharding stand, eene betere zaak waardig. Elkander aanmoedigende en slechts voor de belegerden een verachtelijk[272]scheldwoord over hebbende, beklommen zij nogmaals en andermaal de borstwering, maar steeds met hetzelfde noodlottig gevolg.

Maar, terwijl de geheele bezetting der kotta schier ademloos en gespannen, het oog op dien aanval gericht hield, had La Cueille, die zijn eigene inzichten scheen te hebben, ook elders zijn aandacht gevestigd. Wel zond hij zijn kogel af, wanneer hem het oogenblik geschikt voorkwam, maar zijn hoofdgedachte was elders. Eindelijk meende hij eenig gedruisch te vernemen aan den noordkant. Fluks sloop hij naar buiten, kroop of beter schoof als een slang over het plateau tot aan den rand en.… werkelijk, hier zag hij een dichten drom, die in alle stilte door de beekgleuf den heuvel besteeg. Ja, hij had goed geraden, hier was het gevaar; die aanval ginds was slechts een schijnaanval, een kloekmoedige opoffering van helden, om hun makkers tijd en gelegenheid te geven den hoofdaanval te volvoeren. Stil als hij gekomen was, sloop La Cueille terug, wenkte Johannes en Wienersdorf, vloog toen naar de keuken om een brandende houtspaan te halen. Daarmede stak hij de geleiddraden aan; een oogenblik zag ons drietal de vuurvonk langs de beide gezwinde lonten over den grond voortschrijden, flikkeren en tusschen de palissadeering door verdwijnen. Die mannen wachtten, wachtten met ongeduld; zij zagen niets, niets meer. Soms meende een hunner nog een kronkelend rookwolkje in het gras te ontwaren; maar daarna niets, niets meer. De eerste vijanden begonnen zich reeds aan den rand van het plateau te vertoonen. Zij sprongen er op; anderen volgden hen. Weldra was een honderdtal boven. God! God!! zou de lont uitgedoofd zijn? dat ware verschrikkelijk. De drie Europeanen openden hun vuur op de beklimmers; maar in weerwil daarvan werd het aantal vijanden steeds grooter en[273]begonnen zij zich reeds om het plateau te verspreiden. De toestand werd netelig. Daar ginds de schijnaanval, die bijna niet te bedwingen was, en hier aan het zwakste gedeelte een bende, die met iedere seconde aangroeide. Maar hoort.…. daar weerklonk eensklaps een knal, zoo hevig, zoo schrikwekkend, dat voor een poos aanvallers en aangevallenen, van schrik als verstijfd, bewegingloos bleven. Een vreeselijke bliksemstraal schoot uit den grond te voorschijn, alsof een krater zich opende; een dikke rookwolk voer pijlsnel ten hemel en toen zag men een der beweegbare rotsmassa’s, als door een reuzenhand opgetild, zich oprichten, van haar steunpunt afschieten, kantelen, vooroverbuigen en donderend en krakend langs de beekgleuf in den afgrond verdwijnen. Voordat de aanvallers zich rekenschap konden geven van wat er gebeurde, had een tweede uitbarsting plaats, en stortte ook de andere steenmassa in de diepte. Goed aangelegd en verzorgd, waren La Cueille’s mijnen uitstekend geslaagd. De gevaarten, langs de helling afrollende, ploegden ieder een verschrikkelijke vore in den opstijgenden menschendrom en deed hem als kaf uiteenstuiven. Zij, die reeds boven waren, sloegen met den schrik in het hart op de vlucht, terwijl ook de schijnaanval, na die vreeselijke verijdeling van den hoofdaanval gestaakt moest worden.

Toen de bezetting eenigermate tot bezinning gekomen was en rondkeek, werd bespeurd, dat ook zij belangrijke verliezen te tellen had. Veertien lijken der Kahajanners werden tusschen een veel grooter aantal Doessonners aangetroffen, terwijl bovendien nog wel het dubbele getal gewond was. Niemand hunner ontveinsde zich, dat, indien onze reizigers niet van pas aangekomen waren, de uitslag oneindig noodlottiger geweest zou zijn. Vooral keek de menigte met bewondering tegen[274]La Cueille op, tegen den man, die over donder en bliksem kon beschikken, die dien donder en bliksem uit de aarde kon doen te voorschijn komen, om rotsblokken, die de Sangiangs alleen zouden kunnen bewegen, op hun vijanden te storten. De Waal, niet ijdel van aard, liet zich die bewondering met zelfopofferende gelatenheid welgevallen en vond het baantje van held niet onaangenaam.

Toen onze vrienden kotta Oepon Batoe verder opnamen, vonden zij onder de hoofdgebouwen veertig karandah’s, in ieder waarvan een menschelijk wezen opgesloten was. Zij vernamen alsnu, dat Tomonggong Toendan, het kottahoofd, kortelings overleden was, en dat die ongelukkigen bestemd waren, om bij zijn lijkfeest geslacht te worden4. De gekwetste Doessonners werden ook bijeengebracht. Die zouden den volgenden morgen den vreeselijken marteldood ondergaan, om de gesneuvelde helden der bezetting, die dan verbrand zouden worden, tot escorte in het zielenland te dienen. Overigens herhaalde zich ook hier de afschuwelijke schedeloogst van de gesneuvelde vijanden en de walgelijke tooneelen, die daarmede gepaard gingen.

Met afschuw wendden de Europeanen zich af en informeerden bij Harimaoung Boekit of er al berichten van de vrouwen waren; vooral Wienersdorf begon ongeduldig naar zijn Hamadoe uit te zien. Het Poenanhoofd zond een paar zijner strijders uit, om van den rand der rots de rangkans op te sporen en te praaien. Middelerwijl klom Johannes met een paar Dajaks langs de[275]boomen naar beneden, waarlangs zij straks naar boven gestegen waren, om Schlickeisen en de vier gewonde Kapoeassers naar boven te halen. Toen hij beneden kwam, bij de aanlegplaats aan de tomoi, vond hij daar den rangkan, waarmede zij geland waren, verdwenen. Op den oever, half in het water, lagen de vier onthoofde lijken van de Kapoeassers, dicht daarbij lag ook het geweer van Schlickeisen; maar overigens van den Zwitser geen spoor.[276]

1Dr. Schwaner schrijft „Pohon Batoe” (steenboom). Dat is blijkbaar een vergissing. Het woordpohonis in die streken niet bekend. Ook heeft die rots volstrekt den vorm niet van een boom. De benaming isOepon Batoeen beteekent: Oorsprong van steen.↑2Het woord Soeli is een verbastering van njoeli en beteekent: steil omhoogstaande. Alzoo Batoe Soeli—steil omhoogstaande steen. De nj en s klanken worden door de Dajaks dikwijls verward.↑3Die steenen bestaan nog op Oepon Batoe en wordenAntang hatoeèhenAntang bawigenoemd. De legende vertelt, dat het twee menschen waren, die die rots bestegen en door de Sangiangs gestraft werden met hen in steen te veranderen. Die legende is te onkiesch, om ze te verhalen.↑4Historisch. In 1863 werden bij gelegenheid van het lijkfeest van Tomonggong Toendan veertig pandelingen geslacht op de wijze zooals dat verhaald is, afgescheiden van de ettelijken, die vóór dat eindfeest geofferd werden.↑

1Dr. Schwaner schrijft „Pohon Batoe” (steenboom). Dat is blijkbaar een vergissing. Het woordpohonis in die streken niet bekend. Ook heeft die rots volstrekt den vorm niet van een boom. De benaming isOepon Batoeen beteekent: Oorsprong van steen.↑2Het woord Soeli is een verbastering van njoeli en beteekent: steil omhoogstaande. Alzoo Batoe Soeli—steil omhoogstaande steen. De nj en s klanken worden door de Dajaks dikwijls verward.↑3Die steenen bestaan nog op Oepon Batoe en wordenAntang hatoeèhenAntang bawigenoemd. De legende vertelt, dat het twee menschen waren, die die rots bestegen en door de Sangiangs gestraft werden met hen in steen te veranderen. Die legende is te onkiesch, om ze te verhalen.↑4Historisch. In 1863 werden bij gelegenheid van het lijkfeest van Tomonggong Toendan veertig pandelingen geslacht op de wijze zooals dat verhaald is, afgescheiden van de ettelijken, die vóór dat eindfeest geofferd werden.↑

1Dr. Schwaner schrijft „Pohon Batoe” (steenboom). Dat is blijkbaar een vergissing. Het woordpohonis in die streken niet bekend. Ook heeft die rots volstrekt den vorm niet van een boom. De benaming isOepon Batoeen beteekent: Oorsprong van steen.↑

1Dr. Schwaner schrijft „Pohon Batoe” (steenboom). Dat is blijkbaar een vergissing. Het woordpohonis in die streken niet bekend. Ook heeft die rots volstrekt den vorm niet van een boom. De benaming isOepon Batoeen beteekent: Oorsprong van steen.↑

2Het woord Soeli is een verbastering van njoeli en beteekent: steil omhoogstaande. Alzoo Batoe Soeli—steil omhoogstaande steen. De nj en s klanken worden door de Dajaks dikwijls verward.↑

2Het woord Soeli is een verbastering van njoeli en beteekent: steil omhoogstaande. Alzoo Batoe Soeli—steil omhoogstaande steen. De nj en s klanken worden door de Dajaks dikwijls verward.↑

3Die steenen bestaan nog op Oepon Batoe en wordenAntang hatoeèhenAntang bawigenoemd. De legende vertelt, dat het twee menschen waren, die die rots bestegen en door de Sangiangs gestraft werden met hen in steen te veranderen. Die legende is te onkiesch, om ze te verhalen.↑

3Die steenen bestaan nog op Oepon Batoe en wordenAntang hatoeèhenAntang bawigenoemd. De legende vertelt, dat het twee menschen waren, die die rots bestegen en door de Sangiangs gestraft werden met hen in steen te veranderen. Die legende is te onkiesch, om ze te verhalen.↑

4Historisch. In 1863 werden bij gelegenheid van het lijkfeest van Tomonggong Toendan veertig pandelingen geslacht op de wijze zooals dat verhaald is, afgescheiden van de ettelijken, die vóór dat eindfeest geofferd werden.↑

4Historisch. In 1863 werden bij gelegenheid van het lijkfeest van Tomonggong Toendan veertig pandelingen geslacht op de wijze zooals dat verhaald is, afgescheiden van de ettelijken, die vóór dat eindfeest geofferd werden.↑


Back to IndexNext