XXV.

[Inhoud]XXV.Tijding van Kwala Kapoeas.—Vertrek van kotta Djankang.—Kotta Batoe Sambong.—De legende van den batoe sambalajong.—De Kiham Hoeras.—De bestijging van den waterval.—Koene zwemmers.—De boschbloedzuigers.—De nachtwaak.—Een fraai schot.—Voorwaarts, de Kapoeas op.—De karangan’s.—Kotta Karangan.Gelukkig bleef Harimaoung Boekit verder van koorts bevrijd. De almacht van Johannes was dus ten volle bewezen, hetgeen zijn prestige niet weinig verhoogde. De ziekte van het Poenanhoofd had aanleiding kunnen geven de voorgenomen reis te vertragen; nu bestond daartoe geen enkel voorwendsel meer. De deserteurs drongen dan ook op een spoedig vertrek aan en met te meer klem, dewijl zij zeer goed inzagen, dat, waar zij thans zaten, een overval tot de zeer mogelijke gebeurtenissen behoorde. Het verwonderde hen reeds, dat zij nog niets van de benedenlanden vernomen hadden. Maar bij den eigenaardigen geest der inlandsche bevolking van Nederlandsch Indië, die van geen haast weet en voor wie het besef van tijdruimte bijna niet bestaat en dus haar beteekenis mist, was niet tot meer spoed te drijven. Steeds kwam er iets in den weg; nu eens moest dit of dat nog voor de reis toebereid worden; dan weer moest voor het vertrek een gewichtigebasara(proces) uitgewezen worden; een andere keer had de Antang kwade voorteekens gegeven en moest de reis uitgesteld worden om onberekenbare[162]maar toch zekere rampen te ontgaan. De Europeanen waren soms wanhopig onder al dat gedraal; zij waren nu al veertien dagen te kotta Djankang en onmogelijk zagen zij kans, zonder zich bloot te geven, aan dat gezeur paal en perk te stellen. Gelukkig dat van een andere zijde aandrang kwam, en aan dat getalm een einde maakte.Op een morgen kwam een djoekoeng aan, door de gezanten afgezonden, waarbij zij berichtten, dat wel is waar, de onderwerping van kotta Djankang door het Nederlandsch bestuur aangenomen was, maar dat de kommandant van Kwala Kapoeas zelf zoude komen met een stoomschip om den toestand op te nemen en het nieuw gekozen hoofd af te halen; ten einde den eed van getrouwheid in handen van den resident te Bandjermasin af te leggen. Bij vertrek van Kwala Kapoeas, was men daar ieder oogenblik het stoomvaartuig wachtende, dat dien kommandant zoude overvoeren. De berichtgevers hadden dag en nacht doorgeroeid en op iedere geschikte plaats van roeiers verwisseld, om maar tijdig aan te komen.Die tijding hielp. En Harimaoung Boekit èn Amai Kotong begrepen, dat nu ieder oogenblik dat vuurschip kon verschijnen en dat, wanneer het gebeurde, van een geregelde verhuizing, zoo als zij die voor hadden, geen sprake meer kon zijn, maar dat slechts een overijlde vlucht in de wildernis hun leven zoude kunnen redden. Nu was alles in rep en roer en waren alle handen ijverig bezig om de laatste toebereidselen te maken en de laatste beschikkingen te treffen. Nu dacht niemand meer aan het beeindigen van basarda’s; nog minder bekreunde zich iemand omtrent de vlucht der Antangs. De laatste nacht, dien men te kotta Djankang doorbracht, ging onder allerlei beslommeringen voorbij; en bij het aanbreken van[163]den dag was men in zoover tot vertrek gereed, dat nog slechts de kanonnen, die men dien nacht voor alle zekerheid nog in batterij gelaten had, aan boord der rangkans te brengen waren. Met de pootige armen onzer Europeanen was dat in een oogwenk geschied; en.… ja nu begon een afscheidnemen, waaraan geen einde scheen te zullen komen, toen Johannes eensklaps uitriep, terwijl hij met den vinger naar het zuiden wees:„Banama asep! banama asep!!” (een rookschip, een rookschip.)En werkelijk, boven den boschrand aan den zuiderhoek kronkelde een rookwolk omhoog. Dat gaf uitkomst. In allerijl nam nu een ieder plaats in de vaartuigen en in minder tijd, dan noodig is om het te vertellen, waren de tien rangkans, die de 165 personen, waaruit de volksverhuizing bestond, met al hun have en goed bevatten, van wal gestoken. De beseai’s kliefden krachtig het water, de lichte vaartuigen schoten vooruit; nog een hoera! zoowel door de vertrekkenden aangeheven, als door de achterblijvenden op den oever geschaard, en weldra was de kotta, die onze reizigers zoo gul opgenomen had, voor hun oogen verdwenen. Wel veegde Amai Kotong met den rug zijner hand een traan weg, die hem over de wang biggelde, bij het herdenken, dat hij daar op die plek, het grootste en schoonste gedeelte zijns levens gesleten had, maar met de kinderlijke veranderlijkheid, den inlander zoo eigen, was die traan weldra opgedroogd, en de herinnering uitgewischt, vooral toen hij de beseai opnam, om mede te roeien.De rook, dien Johannes gezien had, was een loos alarm geweest; het was slechts de rook van een vuur, dat de wachthebbenden op dien hoek waarschijnlijk gestookt hadden. Maar die rook had de goede uitwerking van de roeiers[164]tot verdubbelden spoed aan te zetten en het gevolg daarvan was, dat in den letterlijken zin des woords de rangkans vooruitvlogen.In het voorbijvaren kon La Cueille nog eens een blik werpen op de steenkolenader, die zich daar zoo gitzwart vertoonde tusschen het grijs van de schieferklei, waaruit de oever bestond, en waartusschen die ader besloten lag. Maar weldra waren zij die voorbij en bereikten zij nu de zone van de kalkformatie. Het terrein werd hier woester, de oeverwanden naakter; meestal verhieven zich die wanden loodrecht uit het water, soms helden zij schrikwekkend over de oppervlakte en dreigden met dood en verderf.Nog altijd evenwel behield de rivier haar effen spiegel. Wel joegen haar wateren met spoed voorwaarts, maar zij was nog steeds bevaarbaar en de effenheid harer oppervlakte kon gerust tot die van haar bodem doen besluiten. Wel waren er in sommige bochten wielingen en draaikolken zichtbaar en golfde het water over kalkrotsen, die van de uitgespoelde oevers waren afgestort; maar met wat omzichtigheid en kennis van het vaarwater, waren die plaatsen wel te mijden en leverde de Kapoeas nog altijd een breed vaarwater, waarop een niet te lang stoomscheepje van zes voet diepgang zonder veel bezwaren had kunnen manoeuvreeren.Een paar uren na het vertrek werd kotta Batoe Sambong bereikt. Amai Kotong stapte daar een oogenblik aan wal, om het hoofd van dien kampong, waarmede hij jaren lang als een goed buurman in vrede geleefd had, vaarwel te zeggen. Belangstellend kwamen de kottabewoners de vertrekkenden bij de prauwen begroeten en boden hun gebak en daarbij een hartigen teug toeak aan. Beiden werden dankbaar aangenomen, en niet alleen La Cueille, maar allen, zelfs de vrouwtjes,[165]die, voor zoover haar krachten zulks toelieten, ook de pagaai hanteerden, lieten zich een mondvol van het hartversterkende vocht goed smaken. Bij het vertrek was de aandoening algemeen; van weerszijden verloor men goede buren; in een land als dit waren die wel te waardeeren. En welke zou men in de plaats krijgen?Het oponthoud had niet lang geduurd, een half uur hoogstens; maar toch nog veel te lang voor het ongeduld van Johannes. Die vooral voelde zich niet gerust, voordat hij den eersten waterval, dien slagboom voor de stoomschepen, achter den rug zoude hebben. Eenmaal daar achter, kon hem een uurtje dralen minder schelen. Dan konden de reizigers niet zoo plotseling en ook niet door zoo’n verpletterende overmacht overvallen worden. Moesten de Hollanders ook in rangkans tegen die watervallen op; och, dan kon men zich verweren, dan kwamen de kansen meer gelijk. Maar tot zoolang klonk zijn leus maar: vooruit! vooruit!! vooruit!!!Op een korten afstand van kotta Batoe Sambong passeerde men een alleenstaande kalkrots van ongeveer 50 voet hoogte, die, toen Johannes zijn makkers er opmerkzaam op maakte, uit de verte gezien, den vorm bleek te hebben eener reusachtige vrouw met den hoofddoek om het hoofd gewonden in knielende houding. Tegen den voet dier rots brak de Kapoeas kokend en schuimend en veranderde nagenoeg rechthoekig van richting. Johannes vertelde hun verder, dat het aan dien steen was, die „batoe sambalajong,” saamgetrokken, „batoe sambong” heette, dat de kotta in de nabijheid gelegen, haar naam ontleende.„Wat beteekent sambalajong?” vroeg Wienersdorf.„Sambalajong is de naam van den witten hoofddoek, dien de weduwen dragen. Zoodra haar echtvriend dit tranendal verlaten heeft, is de Dajaksche vrouw[166]verplicht, zich geheel in het wit te kleeden en dus ook een witten hoofddoek te dragen.”„Bijgevolg is wit de rouwkleur der Dajaks?” viel La Cueille in, „dat ’s net als bij de Chineezen.”„Slechts met dat verschil, dat alleen het eerste stel kleederen, dat de weduwe na het overlijden aantrekt, wit moet zijn. Is dat versleten, dan moet zij het vervangen door een geheel zwart pak en dat dan dragen totdat het Tiwahfeest gehouden is.”„Wat is dat voor een feest? Zoo een hebben wij nog niet bijgewoond, niet waar?” vroeg Schlickeisen.„Neen, en het is niet te hopen dat wij er een te zien zullen krijgen. De Dajaks gelooven, dat na het overlijden de liau, de ziel of beter de levensvonk, naar den „Kawawohan boelau” (Dajakschen hemel) verhuist, maar dat de „karahang” of de ziel van het stoffelijk gedeelte des lichaams in de nabijheid van het lijk blijft zweven, totdat een groot feest,Tiwah1geheeten, gegeven is, waarbij de Balians haar bezweringsgezangen gillen om de karahang den hemel binnen te geleiden om met de liau tot een „hambaroeang” (volmaakte ziel) vereenigd te worden.”„Mooi, dat weten we al weer,” meende La Cueille. „Maar, waarom heet die kalkrotsbatoe sambalajong?”„Wel zie je dan niet, dat dat vrouwenbeeld een sambalajong, een weduwendoek op het hoofd heeft? Men zou batoe sambalajong of batoe sambong kunnen vertolken door weduwensteen, wat ook in de eigenlijke bedoeling heeft gelegen.”[167]„Hoe zoo?” vroeg Wienersdorf nieuwsgierig. „Aan dien steen is zeker een legende verbonden, hè?”„Ja zeker, evenals aan alle dergelijke steenen hier in de Dajaklanden. En een drommels mooie legende ook. Ik heb ze hooren vertellen bij een tocht, dien ik toen met den kommandant in deze streken gemaakt heb. Ik heb ze voor hem moeten opschrijven; daarvan weet ik ze zoo goed. Luistert:„Daar ter plaatse, waar nu die steen staat, zou volgens de overlevering vroeger een hutje gestaan hebben, waarin de gelukkigste echtgenooten in de Dajaklanden zouden geleefd hebben. Maar helaas! niet steeds is in dit ondermaansche het geluk bestendig van duur. In de verre bovenlanden was een machtig opperhoofd gestorven en, om dien een prachtige uitvaart te geven, moest een groot aantal ongelukkige pandelingen geslacht worden. Wel had men een zeker aantal dier rampzaligen beschikbaar; maar zooals het hier in de bovenlanden wel meer gebeurt, de erfgenamen vonden het veel meer met hun belangen strookende, andere menschelijke wezens te offeren, dan wel hun eigen pandelingen, die, alles goed gerekend, toch door elkander een waarde van 200 gulden vertegenwoordigden. Maar hoe aan die andere wezens te komen? Wel niets eenvoudiger dan dat. Door gewapenderhand strooptochten bij de naburige stammen te ondernemen en bij die tochten te pogen alles wat maar mensch heet, mannen, vrouwen en kinderen, te ontvoeren, wordt op een niet te dure wijze den overledene een met zijn rang overeenkomend escorte naar de Dajaksche Elyzeesche velden medegegeven en kunnen de aanwezige pandelingen ten voordeele van den boedel behouden worden.„Het was bij zulk een strooptocht dat het hutje, waarin ons paartje met ongekend geluk het leven[168]smaakte, overvallen werd. In het eerste oogenblik van verwarring was het de vrouw des huizes, onbewust van den aard van wat rondom haar voorviel, gelukt zich uit de voeten te maken en zich schuil te houden; maar toen de roovers met hun vaartuigen van wal staken en haar man en vijf kinderen gekneveld medevoerden, toen ontwaakten in haar de moeder en de echtgenoote; toen dacht de arme vrouw aan geen zelfbehoud meer, maar vloog in haar radelooze wanhoop naar den rivieroever, viel daar aan den rand des waters op haar knieën en bad en smeekte, dat men haar haar dierbaren zoude wedergeven. Doch welke hartverscheurende klanken de diep ongelukkige ook in den toon harer stem legde, alles te vergeefs!„Een oogenblik echter hielden de roovers op met roeien. Niet dat hun hart zich met deernis vervulde, niet dat zij er aan dachten om de bede der rampzalige vrouw te verhooren, maar het getal slachtoffers was nog niet voltallig, en die vrouw, die hun ontsnapte, die nu, door haar wanhoop overstelpt, hoegenaamd geen gevaren zag, zou een wisse en gemakkelijke prooi zijn. Dat was wat den roeislag verlamde en de snelle stroom voerde reeds de prauw naar haar afvaartspunt terug en de ongelukkige echtgenoote en moeder tegemoet, toen in de verte de alarmtonen op de garantong zich hooren lieten en de roovers, beducht om door de vereenigde bevolking der naburige kampongs aangevallen te worden, hun beseai’s met kracht in het water sloegen en in een oogenblik met hun buit in de duisternis verdwenen waren.„Ontroostbaar bleef de ongelukkige vrouw aan den rivieroever geknield liggen, het met tranen gevulde oog onafgebroken naar de plek, waar zij alles, wat haar op aarde dierbaar was, had zien verdwijnen. Dagen,[169]ja weken bleef zij zoo liggen, en lang had de tijding van den dood van haar man en haar kinderen haar bereikt; alle hoop op weerzien was vervlogen en toch bleef zij aan die plek geboeid, totdat de machtige Sangiang Assei, door zooveel wanhoop bewogen, de rampzalige weduwe in een verbazend grooten witten steen veranderde, welke steen bij die verandering haar geheele gedaante behield.„Het volk knoopt aan die legende de voorspelling vast, als een onbestemde hoop van wat de beschaving in de toekomst brengen zal, dat wanneer een vuurschip dien Batoe Sambong zal voorbij stevenen, die steen weer zijn oorspronkelijke menschelijke natuur zal aannemen en alsdan een vreeselijken vloek over het koppensnellen en de menschenoffers zal uitspreken, waardoor al de daaraan schuldige stammen zullen omkomen.”„Nom d’une pipe!” barstte de Waal los, toen Johannes zweeg. „Oef! je moet bekennen, dat het weer knapjes akelig geweest is. Ik geloof, dat jij pret in al die narigheden vindt. Je hebt nooit eens iets te vertellen, waarin wat van een lieve flinke meid voorkomt.”„Kom, jij met je lieve flinke meid,” lachte Schlickeisen. „Kijk jij maar naar je Moendoet. Zie die eens lachebekken met een der roeiers.”„We zullen haar hier in ons vaartuig nemen?” raadpleegde de Waal.„Wel zeker! dan zul jij veel roeien kunnen,” beet Johannes hem toe. „Kom laat de deern lachen, het gaat haar zoo goed af. Als zij met je getrouwd zal wezen, zal ze tijd genoeg hebben om te huilen, misschien wel redenen ook.”Allen lachten, behalve La Cueille, die door die aardigheid niets gesticht was.„Maar,” hervatte Wienersdorf het vorige gesprek,[170]„ligt in die legende en in die voorspelling niet de toekomst opgesloten? Zullen de Europeanen niet eindelijk genoodzaakt zijn, de gruwelen, die hier te midden van het grootste, het schoonste en het rijkste eiland der aarde gepleegd worden, te vuur en te zwaard tegen te gaan? Zal de tijd niet komen, dat Borneo in den maalstroom der beschaving zal opgenomen worden, dat dan de vuurschepen den Batoe Sambong zullen voorbijstoomen, dat dan het rood der schaamte de kaken van hen zal verven, die zich heer en meester noemen van zoo schoon een land en dat dan dat koppensnellen, dat menschenslachten en nog meer menschonteerende gruwelen zullen ophouden?”De Zwitser had met klimmende opgewondenheid gesproken. Bij zijn laatste vraag keek hij Johannes half uitdagend aan.„Ja, dat zou zoo moeten zijn,” antwoordde deze bitter, „maar het is reeds lang geleden, dat het eerste vuurschip voor den Batoe Sambong zijn anker heeft laten vallen en, let er op, aan den toestand is niet veel veranderd. Er is sedert geen kop minder gesneld, er is sedert geen pandeling minder geslacht geworden. En dat zal wel zoo blijven, mits de rapporten maar van rustige rust gewagen; och! wat let het den beheerscher, wanneer de eene helft van Borneo de andere onthoofdt of gruwelijk slacht? Onder den invloed van het kilkoude flegma der Hollanders heeft de Batoe Sambong zijn gedaante behouden, hun vuurschepen hebben hem niet kunnen ontdooien; de steen is steen gebleven en heeft zijn vloek niet kunnen uitspreken, omdat de veroveraars vrede met al die gruwelen schijnen te hebben en niet alles willen aanwenden, om daaraan voor goed een einde te maken.”Men had den Batoe Sambong al lang uit het gezicht verloren en Johannes was wellicht nog verder in zijn[171]beschouwingen gegaan, toen eensklaps het „halt” van den voorsten rangkan weerklonk. Men was bij Kiham Hoeras, den eersten waterval aangekomen. Reeds sedert lang had zich een dof gerommel, dat evenwel al duidelijker en duidelijker werd, laten hooren. Maar onder den indruk van het verhaal der Batoe Sambong-legende hadden de Europeanen niets gehoord. Nu evenwel de verhaler zweeg en ook het getiktak op den rand der vaartuigen, onvermijdelijk aan het pagaaien verbonden, ophield, nu klonk hun de verheven stem des waters in haar volle majesteit in de ooren en lag daar de schoone rivier, die in vele bochten, langs een hellend vlak tusschen ontelbare rotsen doorschuivende en klotsende, naar beneden schoot, vlak voor hen. Het benedengedeelte des Kihams werd gevormd door zware kalkrotsen, die in de grilligste gedaanten als door elkander geworpen schenen. Bij het hoogere gedeelte was die kalkformatie door plutonisch dioriet doorbroken en vertoonden zich de donkerblauwe rotsbanken tusschen den witten kalksteen aan de oppervlakte. Hier en daar kwam het bijna zwarte gesteente als verweerd te voorschijn en scheen in kogelvormige massa’s uit elkander gevallen te zijn. Maar verreweg het grootste gedeelte der dioriet-rotsen was gespleten en het gesteente vertoonde den vorm van regelmatige achtkantige zuilen. Bijna het geheele bovengedeelte van den Kiham Hoeras spreidde zich voor het oog ten toon, als een opeenstapeling van zulke woest over elkander gestorte zuilen. De indruk, door dat natuurtafereel op onze reizigers gemaakt, was machtig. In stomme bewondering zaten zij er naar te kijken, terwijl hun rangkan op het schuimende water als danste; zij hadden vooreerst geen woorden, om hun gedachten in te kleeden. Eindelijk riep La Cueille:„Mille millions de pipes! que c’est beau!”[172]Wanneer hij aangedaan was, de lezers zullen het wel opgemerkt hebben, dan uitte de Waal zijn gevoelens allereerst in het Fransch.„Ja, ’t is mooi,” sprak Wienersdorf getroffen en met een van aandoening trillende stem; „kijk daar eens, hoe fraai geschakeerd die witte en zwarte steen door elkander gemengd is; ziet daar ginds dat plekje, de kunstigste mozaïekwerker der wereld zou het niet kunnen verbeteren!”„En daar verder op, daar schijnt de kalksteen als uitgeknipt, ziet hem eens helder en uiterst fijn bewerkt op dat zwarte gesteente uitkomen; het is als een reusachtig kantwerk.”„Ja, en van een minder broos maaksel dan uw Brusselsche, Mechelsche of Appenzellsche prullen,” voegde er Johannes aan toe.„En ziet eens,” ging Wienersdorf in opgetogenheid voort, „die hooge en steile oeverwanden, waarin de kalksteen met den dioriet als om den voorrang twist en waarover het bekoorlijke zachte groen van reusachtige varens, als uitgebreide maar smaakvolle pluimen heenwuivende, die wanden als met een groen zijden net overspant, waarboven het sombere loof van het krachtig oorspronkelijk woud zich hoog in de lucht welft, als de trotsche gothische bogen eener middeneeuwsche kathedraal.”„En ziet daar verder op, in de hoogte, daar hellen de boomstammen voorover en buigen de takken omlaag, vlechten zich, ook met de vele slingerplanten, in elkander om, als ’t ware, een lage spelonk te vormen, waaruit het wit schuimende water, als uit de machtige urn van den stroomgod, te voorschijn schiet.”„Maar wat schijnt het hier stil, niet waar? Niets, niets dan het geraas van het voortijlende water,” sprak Wienersdorf. „Geen vogel, die zijn stem hooren laat, geen[173]dier, dat door zijn gebrul of geschreeuw die stilte verbreekt. Het is of het leven hier uitgestorven is.”„Laat op je schieten!” lachte Johannes. „Ziekelijke verbeelding, anders niets. De dichter zoekt weer eenzaamheid, waar zij niet is. Het murmelen, het klateren, het klotsen en het donderen van den stroom overstemt alles; anders zou je het schrille geschreeuw wel hooren der zwermen grauwgroene parkieten2, die gindsche boomkruinen bevolken. Je zoudt die kudde „badjang’s” (herten)3, die daar ginds op de toppen der rotsen staan te grazen en ons nu en dan een angstigen en nieuwsgierigen blik toewerpen, hun harden doordringenden kreet hooren slaken. Je zoudt die kleine „bakai’s”4, die daar in de verte met behulp van hun lange staarten langs de boomtakken en langs de varens en de slingerplanten over den afgrond gymnastiseeren, hun opgewekt: kirah, kirah hooren uitgalmen. Neen, bij God! het leven is hier niet uitgestorven! Integendeel, het openbaart zich zoo krachtvol mogelijk rondom u, tot in de wateren toe, waarin je geheele scholen van prachtige zalmsoorten kunt zien, die dartelend in den schuimenden stroom vooruitschieten, maar zorgvuldig onze nabijheid mijden. Ja, de nabijheid van den mensch, vooral van den Europeaan, veroorzaakt soms een leegte rondom hem, welke hij zichzelven te wijten heeft. Ook[174]hier, hoe woest en wild de natuur zich ook vertoont, heeft het onredelijk wezen met het redelijke reeds kennis gemaakt en ondervonden, hoe gevaarlijk die kennismaking is. Straks, wanneer wij aanstalten maken zullen, om dien wilden waterstroom te beteugelen en naar boven te stevenen, dan zal je alles, als met een tooverroede aangeraakt, zien verdwijnen. Dan zal het in werkelijkheid stil en leeg rondom je zijn, zooals je dat nu droomt; maar dat zal volstrekt niet aan de natuur, maar uitsluitend aan den mensch, aan ons zelven te wijten zijn.”Terwijl de deserteurs zoo redekavelden en philosopheerden, hadden de Dajaks alle maatregelen getroffen, om de gevaarlijke en moeitevolle bestijging van den kiham te volvoeren. Vrouwen en kinderen stapten aan wal en moesten te voet de rotsen beklimmen, die als het ware de trappen vormden tot het hooger gelegen terras, van waar de Kapoeas met geweld afschoot. Onze vier deserteurs met hun nimmer missende geweren en nog een vijftal Dajaks met hun lansen en mandauws gewapend zouden het schoone geslacht tot beschermers strekken; maar toch ook een wakend oog houden op hetgeen op de rivier kon gebeuren.Al dadelijk werden de rottankabels, die onze zwervers in soengei Dahasan en soengei Basarang gesneden en de kettingen van de Tjipannas, die zij in soengei Naning opgedaan hadden, te voorschijn gehaald en aan elkander gebonden. Toen men daarmede klaar was, werd die lange kabel door een achttal mannen naar boven gehaald, waarbij zij van rots tot rots springen, niet zelden tot aan het middel door het water waden of enkele armen der rivier overzwemmen moesten. Na een inspanningsvollen arbeid van ruim twee uren was het boveneinde van den kabel om een stevigen boomstam geslagen, die langs den oever boven de stroomversnelling[175]stond en haar geheel beheerschte; terwijl de kabel zelf in het midden langs de lengteas van het stroombed gelegd was en haar uiteinde tot bij de vaartuigen reikte. Nu bleven twee Dajaks bij den boom ter bewaking van den kabel en gingen de zes anderen te water en lieten zich door den woedenden stroom medeslepen, terwijl zij zich met een verbazende vlugheid en behendigheid aan den kabel vastklemden of, beter gezegd, dien door de handen lieten glijden. Menigmaal verdwenen zij onder het schuim in de draaikolken en sloeg het hart onzer Europeanen reeds sneller bij het duchten van een ongeluk; maar dan zagen zij de lange sluike haren van den zwemmer weer op het groenblauwe water verschijnen, het geheele hoofd opduiken, terwijl de eigenaar zich ijlings verder werkte.Het doel van die manoeuvre was, om zich te verzekeren, dat de kabel niet onder den een of anderen rotsklomp of boomstam geraakt was, waardoor bij het ophalen der vaartuigen een wezenlijk bezwaar, niet zelden een groot gevaar zoude kunnen ontstaan. Hoewel die kabel ruim 600 M. lang was, bereikten die koene zwemmers in weinige seconden haar benedenste uiteinde, en veegden zich het aangezicht af, alsof niets gebeurd was.In ieder der rangkans namen nu vijf mannen plaats, waarvan een de stuurpagaai hield; terwijl de vier anderen den kabel grepen, om zich daar langs tegen den zwaren stroom op te halen. Onmogelijk konden de rangkans die stijging te zamen volvoeren, maar moesten wachten, totdat ieder hunner den tocht volbracht zoude hebben. Vooreerst toch zoude de kabel niet sterk genoeg wezen om aan zoo’n krachtsinspanning weerstand te bieden. Ook zoude, wanneer een der voorste vaartuigen, een beletsel ontmoetende, kantelde of dwarsstrooms geraakte, haar ongeval noodlottig voor de achter[176]haar komende kunnen wezen en die insgelijks in het ongereede brengen.De rangkans volvoerden evenwel, dank zij de behendigheid der Dajaks en Poenans, dien tocht zonder eenig ongeval, zonder dat zelfs een spat water daarin iets bevochtigd had. Er ging een zucht van verlichting op zoowel uit de borst van Harimaoung Boekit en Amai Kotong als van de vier deserteurs, toen het laatste vaartuig boven gekomen was. De waterval toch stelde tusschen de Nederlanders en hen een slagboom daar, die wel niet onoverkomelijk geacht kon worden, toch niet gemakkelijk te overschrijden was en een verdere vervolging groote en eigenaardige bezwaren in den weg zoude leggen.Een groote zorg was nu den kabel naar boven te halen, want die moest nog meer dienst doen. Met dien arbeid waren ook een paar uren gemoeid. Herhaalde malen toch klemde hij vast tusschen rotsblokken en dan hielp geen vereend halen, al schreeuwde men nog zoo daarbij. Men zou hem eerder stuk getrokken hebben. Dan moesten weer een paar zwemmersbazen er langs naar beneden om den hinderpaal uit den weg te ruimen.De dames hadden geen langen weg af te leggen gehad. Wel was het pad, dat haar naar boven voerde, geen kegelbaan te noemen geweest en hadden zij nog al te klimmen gehad, waarbij de geleiders in de gelegenheid geweest waren galant hun sterke schouders of armen tot steun te kunnen aanbieden. Vermoeiend evenwel was die wandeling voor die natuurkinderen niet geweest. In minder dan een half uur was de beklimming geschied en zaten zij weldra bij den boom verzameld, om welks stam de kabel gebonden zoude worden. De jongsten kortten den tijd met gekeuvel en[177]geginnegap, waarbij zij de zwemmers dapper uitlachten, en de oudsten stookten verscheiden vuurtjes om het maal voor het geheele gezelschap te bereiden. Om de schoone sekse sloegen haar bewakers een beschermende keten van schildwachten, zoodat zij zich dan ook geheel en al in zekerheid gevoelden. Te midden van dat vrouwelijk gekakel liet zich plotseling een stem hooren:„Nom d’un chien!” riep La Cueille, terwijl hij met den kolf van zijn geweer ongeduldig op den grond stampte, „wat krieuwelt me toch zoo pijnlijk in den hals en op den rug?”En den lap, dien hij tot afwering der zonnestralen als halsdoek gebezigd had, afrukkende, slaakte hij een angstigen kreet, toen hij dien met bloed als doorweekt zag.„Mon Dieu! ayez pitié de moi!” riep hij radeloos. „Ik meende dat het zweet was, dat mij langs den rug en de borst droppelde.O, Sainte Vierge, ma patronne!ik ben zeker gekwetst?”Zijn makkers schoten toe; ook eenige Dajaks drentelden nabij, maar die mededoogenloozen lachten in plaats van deernis te toonen. Vóór nog dat de Waal eenig antwoord op zijn vraag bekomen had, had hij de vingers langs den hals laten glijden en aldaar eenige glibberige en slijmerige voorwerpen gevoeld, waarvan hij de hand schuw en vies terugtrok.„Mon Dieu!wat is dat?” vroeg hij angstig.„Halamantek,” was het flegmatieke antwoord van een Dajak.„Que dit-il?wat zegt hij.O, mon ange gardien!ik ben zeker weer door vergiftigde pijltjes verwond. Halamantek! wat is dat toch?”„Och loop heen, je stelt je aan als een nar,” grinnikte[178]Johannes. „Halamantek zijn eenvoudig boombloedzuigers, die je alleen maar wat van je venijnig Walenbloed afgetapt hebben.”Een zucht van verlichting verruimde de borst van den gekwetste. En werkelijk, bij den tocht over land had het pad door een zwaar bosch geleid en het was daarin, dat niet alleen de Waal, maar bijna allen, die de wandeling medegemaakt hadden, die lieve diertjes opgedaan hadden. La Cueille evenwel had, om welke reden bleef onbekend, het ruimste deel daarvan genoten.„De boombloedzuiger is een diertje,” verklaarde Johannes, „dat veel op een grauwen draad gelijkt, daarvan de dikte heeft en ongeveer een vinger lang wordt. Het huist op boomen, liefst op de onderste takken en bespringt van daar, mensch of dier, zijn prooi. Daartoe krult het draadje zich zoodanig te zaam, dat het mondeinde bij het achtereinde komt, terwijl daarbij het lichaam als een boogje bolvormig staat. Door het lichaam plotseling als met een ruk uit te strekken, verkrijgt de bloedzuiger een veerkrachtige beweging, die hem eenige passen ver slingert, maar met zulk een nauwkeurigheid, dat het diertje zelden zijn doel mist, waarop het zich dadelijk vasthecht. Fluks kruipt het onder de plooien der kleeding en begint gulzig zijn maaltijd. In den beginne is zijn steek niet pijnlijk, eerder wordt een lichte krieuweling opgewekt. Het is eerst later wanneer zich het dier volgezogen heeft en zoo dik als eene pink is, dat het wondje pijnlijk wordt.”„Dat heb ik drommels gevoeld,” gromde de Waal.„Weet je ook den wetenschappelijken naam van dien boombloedzuiger?” vroeg Wienersdorf.„Ja aan de oude talen heb ik niet veel gedaan,” lachte Johannes. „Hoe noemt men den bloedzuiger in het latijn?”„Hirudo,” antwoordde Schlickeisen.[179]„Nu dan zal het wel „hirudo springans” zijn.”Beide Zwitsers proestten het van lachen uit op dat dwaze antwoord.Inmiddels had de lieve Moendoet een flinke pruim tabak gegrepen, had die een oogenblik in wat kokend water laten aftrekken en waschte nu liefdevol den hals van haar hartedief daarmede. Onder het saamtrekkende van dat afkooksel vielen de bloedzuigers spoedig af en sloten de wondjes zich ras. De Waal was nu gerustgesteld.„Satané pays!” pruttelde hij evenwel, „waar je niet eens wandelen kunt gaan, of het wordt er op je bloed aangelegd.”„Ja, die dingen zullen we nu wel meer aantreffen,” zei Johannes, „die kunnen soms een ware plaag worden. We zullen het beste doen, steeds wat tabakswater in een onzer veldflesschen gereed te hebben. Moeten we dan tochten te land verrichten, dan is, bij onze Dajaksche kleeding, de moeite gering, om onze huid met dat vocht in te smeeren.”„Moeten we nog vele kihams passeeren?” vroeg Wienersdorf.„Ja, nog verscheidene; morgen zeker een viertal. Maar waartoe die vraag?”„Wel, dan zullen we ons viermaal met tabakssaus moeten insmeren. We zullen ten laatste stinken als de inhoud van den waterzak eener Duitsche pijp.”„Dat zal er wel nabij komen,” grinnikte Johannes. „Maar we hebben gelukkig geen entrée de salon te maken; of vrees je dat Hamadoe haar fijn neusje tegen je zal optrekken? Och, maak je daarover niet ongerust; ze is aan veel erger gewoon.”Toen de kabel eindelijk ingehaald was, had ook de zon haar loopbaan volbracht en dook zonder vele komplimenten[180]achter den boschrand in het westen weg. Onze mannen, vooral de Dajaks en de Poenans hadden een inspanningsvollen dag gehad en haakten naar rust. Er werd dan ook besloten den nacht in de nabijheid door te brengen. De rangkans werden op een rij aan een overhellenden boomtak stevig vastgebonden en wel zoo, dat zij nagenoeg in het midden van den stroom te wiegelen lagen. De vrouwen en kinderen namen daarin hun intrek, terwijl een tiental mannen in de beide vleugelvaartuigen plaats namen. Van dezen zoude minstens één waakzaam en op uitkijk blijven. De overige troep verdeelde zich in twee gelijke deelen, die ter zelfder hoogte als de rangkans op de beide oevers der rivier post vatten en ieder hunner zich met een keten schildwachten omgaven.Wienersdorf en La Cueille hadden wel de wacht op de vaartuigen in de nabijheid hunner aangebedenen willen betrekken; op de vertogen van Johannes zagen zij daar evenwel van af, om zich aan een degelijke waakzaamheid te kunnen wijden. De vier deserteurs verdeelden zich in dier voege, dat twee hunner op iederen oever aanwezig waren, waarvan minstens een steeds wakker en in de schildwachtenketen, hoewel aan geen vaste plaats gebonden, moest vertoeven.De voorzorgen waren uitmuntend genomen en getuigden van de zorgen, die Johannes steeds voor het algemeene welzijn trof. Zij waren evenwel overbodig, want de nacht ging rustig voorbij. De eenige stoornis, die voorviel, werd door Schlickeisen veroorzaakt. Deze hoorde bij zijn morgenwake, tegen het aanbreken van den dag, een gekraak in het bosch, dat den oever omzoomde. Hij keek scherp uit met het geweer vaardig. Eensklaps zag hij een troep herten van wel vijftig stuks, aangevoerd door een prachtig mannetje met veelvuldig vertakt gewei,[181]het talud afdalen om zich aan het kristalheldere rivierwater te komen drenken. Terwijl de kudde zich laafde en elkander verdrong, keek haar aanvoerder strak rond, snoof de lucht op en spitste de ooren. Hij stond boven op den taludrand, om het terrein te beter te kunnen overzien. Plotseling bij een beweging van den Zwitser, om zijn wapen in den aanslag te brengen, wierp het fraaie dier het gewei in den nek, stiet een schellen kreet uit en deed zijn eersten maar ook zijn laatsten sprong. De zoo zeker afgezonden kogel trof het dier in de volle borst. Van de steile hoogte aftuimelende, rolde het in het water en de stroom zou het zeker medegevoerd en door de nabijheid van den waterval buiten bereik gesteld hebben, ware het niet tegen de rangkans aangedreven, waar het met de veelvuldige punten van het gewei in de touwen vasthaakte en zoo als verankerd liggen bleef.De rest van de kudde was in een ommezien spoorloos verdwenen.Maar de schrik en de verwarring, toen dat schot met zijn honderdvoudige echo daar tusschen die steile en hoog begroeide oeverwanden, donderend weergalmde, waren groot zoowel onder de mannen als onder de vrouwen. Het was in de eerste oogenblikken een gegil van angst, waarbij de kinderen hun partij goed volhielden. Gelukkig dat de Europeanen zich beijverden de orde zoo spoedig mogelijk te herstellen en hun geruststellende stemmen te laten hooren; anders waren zeker ongelukken gebeurd. Nu leidde het geheele geval slechts tot een vervroegd ontwaken. Toen men vernam, wat aanleiding tot den schrik gegeven had, lachten de vrouwen met de veranderlijkheid harer inborst er het hardst om en duurde het niet lang of het geschoten hert was uit het water gehaald, gevild en gevierendeeld en beloofden de lekkerbekken zich een[182]uitnemend heerlijken beet straks bij het maal. Schlickeisen werd geluk gewenscht met zijn fraai schot. Hij evenwel nam zich voor, voortaan minder doldriftig te zijn en niet meer op ongelegen uren te schieten.Een uur later stevende deflotilleweer voorwaarts, den steeds meer en meer driftig wordenden stroom op.Ook dien dag had men met overgroote moeielijkheden te kampen. Niet ver boven Kiham Hoeras, nabij kotta Hoerakan, vervangt een grofkorrelige bruingele zandsteen de dioritische formatie. Deze zandsteen, veel spoediger aan verweering onderhevig, heeft met zijn brecciën, het rivierbed dermate opgevuld, dat er passages aangetroffen worden, waar een prauw niet door zoude kunnen komen en een rangkan nog behoedzaam moet sturen, om het soms uiterst smalle vaarwater te houden. Het puin van dezen zandsteen wordt gemakkelijk door de onstuimig voortschietende watermassa verplaatst en vormt bij die plaatsen in de rivier, waar de stroom minder sterk is, rolsteenbanken, die soms tot geheele eilanden aangroeien. Deze banken en eilanden worden door de bevolking „karangans” genaamd. Harimaoung Boekit verhaalde onze vrienden, dat die karangans zeer rijk aan stofgoud zijn en dat er niet zelden loovertjes, ja kleine klompen gedegen goud aangetroffen wordt. Het goud op die karangans gevonden, was het beste goud van de geheele Kapoeas.„We moesten ons geluk dan maar eens hier beproeven,” uitte La Cueille als zijn meening.„Te drommel neen,” antwoordde Johannes, „vooruit, vooruit ligt de weg. We zijn nog veel te dicht bij de Hollanders; we moeten eerst nog eenige watervallen tusschen hen en ons stellen.”„Daarenboven,” sprak Amai Kotong, „we kunnen zoo maar niet aan het goudwasschen gaan. We zouden het[183]spoedig te kwaad met de bevolking dezer streken krijgen. Iedere kotta heeft hier haar gronden en riviergedeelten, die zij niet ongestraft door vreemden zou laten aantasten.”„Nu vooruit dan maar,” gromde de Waal.Maar behalve het woeste riviergedeelte in de nabijheid dier karangans, had men heden vier kihams te bestijgen. De twee voornaamste daarvan, Koetoes Kala en Boenoet genaamd, vereischten veel inspanning, nog een graad erger dan te Kiham Hoeras. Het was dan ook ruim vier uur in den namiddag, toen de reizigers vermoeid en afgemat—althans het mannelijke gedeelte er van—te kotta Karangan aankwamen.Die kotta, op den linkeroever der Kapoeas gelegen, was een fraaie en machtige versterking, die een bevolking van ruim 2000 zielen telde. Hadden de doodshoofden, die de palissadeering van kotta Djankang versierden, den blik onzer deserteurs tot zich getrokken, hier waren zij ontzet van het groot aantal bekkeneelen, dat daar boven op die palen stond te bleeken. Hoe veel menschenlevens had het niet gekost, om dat getal bij elkander te krijgen? Niet het getal van de hoofden, die men daar zag prijken, kon dat bepalen, neen lang niet; want iedere koppensnellerstocht lokt van de tegenpartij weerwraak uit, die ook op haar kotta dergelijke gruwelijke versiering aanbrengt. Hier waren daarenboven niet alle schedels aanwezig. Kotta Karangan was veel rijker dan dat. In iedere woning in die sterkte hingen geheele rozenkranzen van die grijnzende doodshoofden en in de omliggende kotta’s werd met een soort van afgunst gemompeld, dat daar koppen van groote waarde onder waren, koppen van Europeanen, die ruim 2000 realen en van Chineezen, die de helft daarvan golden. Hoe men aan die zoo kostbare schedels kwam, werd niet medegedeeld.Amai Kotong had ook hier zijn bekenden en werd[184]zonder aarzelen binnen de kotta toegelaten. De aanwezigheid van Harimaoung en zijn Poenans wekte evenwel de grootste achterdocht en het kostte wezenlijk den gewezen Amai van kotta Djankang veel moeite om de Karanganners te overreden, het plegen van vijandelijkheden na te laten. Met behulp van Dalim en Johannes gelukte dat evenwel. Deze laatste herhaalde de fabel, te Kotta Baroe reeds opgedischt, namelijk: dat zij gezonden waren door het Nederlandsch bestuur, om te trachten met de Olo Ott in aanraking te komen en de gezindheid van dien stam op te nemen. Niet zonder inzicht had hij dan ook nog voor de aankomst te kotta Karangan de Nederlandsche vlag op den grootsten der rangkans geheschen. Nu vertoonde hij deftig het gezegelde papier, aan Damboeng Papoendeh ontnomen, en voegde er bij, dat het Poenanhoofd hem door den Grooten Heer te Bandjermasin toegevoegd was, om het samenkomen met de Otts te vergemakkelijken.Of de Karanganners dat verhaal geloofden, viel te betwijfelen. Wel bekeken zij met een soort van eerbied het zegel, in rood lak afgedrukt en onthielden zich van vijandelijkheden, maar stonden niemand van het geheele reisgezelschap dan alleen aan Amai Kotong toe, hun kotta te betreden. Aan de overigen wezen zij de tomoi die zij konden betrekken, aan. Dit was een geruststelling daar zij nu ook als gasten beschouwd werden; op dat punt zijn de wetten der gastvrijheid stellig en zouden niet geschonden worden.Onze zwervelingen konden zich dan ook zonder argwaan aan de nachtrust overgeven en hadden slechts te waken tegen de gevaren, die van buiten af zouden kunnen opdagen. Daartoe was het voldoende, dat een der vier Europeanen waakzaam was, vooral toen deze zich een paar Dajaks toevoegde, om op alles voorbereid te zijn.[185]1Tiwahzou volgens ettelijke geleerden van het sanskritsch woord Deva (God) afgeleid zijn.Tiwahbeteekent evenwel in het Dajaksch „vrij” of „bevrijd zijn”. Dit komt meer met den aard van het feest overeen. Zie overigens daarover de meer aangehaalde Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑2De groene grasparkietMelopsittacus Gld.↑3Het in die streken meest voorkomende hert, soms in troepen van 200 stuks, is groot en slank met bruin-grauwen pels. Het is deCervus russader geleerden.↑4Bakai is een kleine soort van aap, die ternauwernood 1½ voet hoog wordt. Hij heeft een lichtgrauwen pels, die op den buik zuiver wit is. Het dier heeft een staart, die ruim tweemaal de lengte van zijn lichaam meet. Van dien staart bedient het zich als van een hand. De bakai behoort tot de slingerapen of semnopethici.↑

[Inhoud]XXV.Tijding van Kwala Kapoeas.—Vertrek van kotta Djankang.—Kotta Batoe Sambong.—De legende van den batoe sambalajong.—De Kiham Hoeras.—De bestijging van den waterval.—Koene zwemmers.—De boschbloedzuigers.—De nachtwaak.—Een fraai schot.—Voorwaarts, de Kapoeas op.—De karangan’s.—Kotta Karangan.Gelukkig bleef Harimaoung Boekit verder van koorts bevrijd. De almacht van Johannes was dus ten volle bewezen, hetgeen zijn prestige niet weinig verhoogde. De ziekte van het Poenanhoofd had aanleiding kunnen geven de voorgenomen reis te vertragen; nu bestond daartoe geen enkel voorwendsel meer. De deserteurs drongen dan ook op een spoedig vertrek aan en met te meer klem, dewijl zij zeer goed inzagen, dat, waar zij thans zaten, een overval tot de zeer mogelijke gebeurtenissen behoorde. Het verwonderde hen reeds, dat zij nog niets van de benedenlanden vernomen hadden. Maar bij den eigenaardigen geest der inlandsche bevolking van Nederlandsch Indië, die van geen haast weet en voor wie het besef van tijdruimte bijna niet bestaat en dus haar beteekenis mist, was niet tot meer spoed te drijven. Steeds kwam er iets in den weg; nu eens moest dit of dat nog voor de reis toebereid worden; dan weer moest voor het vertrek een gewichtigebasara(proces) uitgewezen worden; een andere keer had de Antang kwade voorteekens gegeven en moest de reis uitgesteld worden om onberekenbare[162]maar toch zekere rampen te ontgaan. De Europeanen waren soms wanhopig onder al dat gedraal; zij waren nu al veertien dagen te kotta Djankang en onmogelijk zagen zij kans, zonder zich bloot te geven, aan dat gezeur paal en perk te stellen. Gelukkig dat van een andere zijde aandrang kwam, en aan dat getalm een einde maakte.Op een morgen kwam een djoekoeng aan, door de gezanten afgezonden, waarbij zij berichtten, dat wel is waar, de onderwerping van kotta Djankang door het Nederlandsch bestuur aangenomen was, maar dat de kommandant van Kwala Kapoeas zelf zoude komen met een stoomschip om den toestand op te nemen en het nieuw gekozen hoofd af te halen; ten einde den eed van getrouwheid in handen van den resident te Bandjermasin af te leggen. Bij vertrek van Kwala Kapoeas, was men daar ieder oogenblik het stoomvaartuig wachtende, dat dien kommandant zoude overvoeren. De berichtgevers hadden dag en nacht doorgeroeid en op iedere geschikte plaats van roeiers verwisseld, om maar tijdig aan te komen.Die tijding hielp. En Harimaoung Boekit èn Amai Kotong begrepen, dat nu ieder oogenblik dat vuurschip kon verschijnen en dat, wanneer het gebeurde, van een geregelde verhuizing, zoo als zij die voor hadden, geen sprake meer kon zijn, maar dat slechts een overijlde vlucht in de wildernis hun leven zoude kunnen redden. Nu was alles in rep en roer en waren alle handen ijverig bezig om de laatste toebereidselen te maken en de laatste beschikkingen te treffen. Nu dacht niemand meer aan het beeindigen van basarda’s; nog minder bekreunde zich iemand omtrent de vlucht der Antangs. De laatste nacht, dien men te kotta Djankang doorbracht, ging onder allerlei beslommeringen voorbij; en bij het aanbreken van[163]den dag was men in zoover tot vertrek gereed, dat nog slechts de kanonnen, die men dien nacht voor alle zekerheid nog in batterij gelaten had, aan boord der rangkans te brengen waren. Met de pootige armen onzer Europeanen was dat in een oogwenk geschied; en.… ja nu begon een afscheidnemen, waaraan geen einde scheen te zullen komen, toen Johannes eensklaps uitriep, terwijl hij met den vinger naar het zuiden wees:„Banama asep! banama asep!!” (een rookschip, een rookschip.)En werkelijk, boven den boschrand aan den zuiderhoek kronkelde een rookwolk omhoog. Dat gaf uitkomst. In allerijl nam nu een ieder plaats in de vaartuigen en in minder tijd, dan noodig is om het te vertellen, waren de tien rangkans, die de 165 personen, waaruit de volksverhuizing bestond, met al hun have en goed bevatten, van wal gestoken. De beseai’s kliefden krachtig het water, de lichte vaartuigen schoten vooruit; nog een hoera! zoowel door de vertrekkenden aangeheven, als door de achterblijvenden op den oever geschaard, en weldra was de kotta, die onze reizigers zoo gul opgenomen had, voor hun oogen verdwenen. Wel veegde Amai Kotong met den rug zijner hand een traan weg, die hem over de wang biggelde, bij het herdenken, dat hij daar op die plek, het grootste en schoonste gedeelte zijns levens gesleten had, maar met de kinderlijke veranderlijkheid, den inlander zoo eigen, was die traan weldra opgedroogd, en de herinnering uitgewischt, vooral toen hij de beseai opnam, om mede te roeien.De rook, dien Johannes gezien had, was een loos alarm geweest; het was slechts de rook van een vuur, dat de wachthebbenden op dien hoek waarschijnlijk gestookt hadden. Maar die rook had de goede uitwerking van de roeiers[164]tot verdubbelden spoed aan te zetten en het gevolg daarvan was, dat in den letterlijken zin des woords de rangkans vooruitvlogen.In het voorbijvaren kon La Cueille nog eens een blik werpen op de steenkolenader, die zich daar zoo gitzwart vertoonde tusschen het grijs van de schieferklei, waaruit de oever bestond, en waartusschen die ader besloten lag. Maar weldra waren zij die voorbij en bereikten zij nu de zone van de kalkformatie. Het terrein werd hier woester, de oeverwanden naakter; meestal verhieven zich die wanden loodrecht uit het water, soms helden zij schrikwekkend over de oppervlakte en dreigden met dood en verderf.Nog altijd evenwel behield de rivier haar effen spiegel. Wel joegen haar wateren met spoed voorwaarts, maar zij was nog steeds bevaarbaar en de effenheid harer oppervlakte kon gerust tot die van haar bodem doen besluiten. Wel waren er in sommige bochten wielingen en draaikolken zichtbaar en golfde het water over kalkrotsen, die van de uitgespoelde oevers waren afgestort; maar met wat omzichtigheid en kennis van het vaarwater, waren die plaatsen wel te mijden en leverde de Kapoeas nog altijd een breed vaarwater, waarop een niet te lang stoomscheepje van zes voet diepgang zonder veel bezwaren had kunnen manoeuvreeren.Een paar uren na het vertrek werd kotta Batoe Sambong bereikt. Amai Kotong stapte daar een oogenblik aan wal, om het hoofd van dien kampong, waarmede hij jaren lang als een goed buurman in vrede geleefd had, vaarwel te zeggen. Belangstellend kwamen de kottabewoners de vertrekkenden bij de prauwen begroeten en boden hun gebak en daarbij een hartigen teug toeak aan. Beiden werden dankbaar aangenomen, en niet alleen La Cueille, maar allen, zelfs de vrouwtjes,[165]die, voor zoover haar krachten zulks toelieten, ook de pagaai hanteerden, lieten zich een mondvol van het hartversterkende vocht goed smaken. Bij het vertrek was de aandoening algemeen; van weerszijden verloor men goede buren; in een land als dit waren die wel te waardeeren. En welke zou men in de plaats krijgen?Het oponthoud had niet lang geduurd, een half uur hoogstens; maar toch nog veel te lang voor het ongeduld van Johannes. Die vooral voelde zich niet gerust, voordat hij den eersten waterval, dien slagboom voor de stoomschepen, achter den rug zoude hebben. Eenmaal daar achter, kon hem een uurtje dralen minder schelen. Dan konden de reizigers niet zoo plotseling en ook niet door zoo’n verpletterende overmacht overvallen worden. Moesten de Hollanders ook in rangkans tegen die watervallen op; och, dan kon men zich verweren, dan kwamen de kansen meer gelijk. Maar tot zoolang klonk zijn leus maar: vooruit! vooruit!! vooruit!!!Op een korten afstand van kotta Batoe Sambong passeerde men een alleenstaande kalkrots van ongeveer 50 voet hoogte, die, toen Johannes zijn makkers er opmerkzaam op maakte, uit de verte gezien, den vorm bleek te hebben eener reusachtige vrouw met den hoofddoek om het hoofd gewonden in knielende houding. Tegen den voet dier rots brak de Kapoeas kokend en schuimend en veranderde nagenoeg rechthoekig van richting. Johannes vertelde hun verder, dat het aan dien steen was, die „batoe sambalajong,” saamgetrokken, „batoe sambong” heette, dat de kotta in de nabijheid gelegen, haar naam ontleende.„Wat beteekent sambalajong?” vroeg Wienersdorf.„Sambalajong is de naam van den witten hoofddoek, dien de weduwen dragen. Zoodra haar echtvriend dit tranendal verlaten heeft, is de Dajaksche vrouw[166]verplicht, zich geheel in het wit te kleeden en dus ook een witten hoofddoek te dragen.”„Bijgevolg is wit de rouwkleur der Dajaks?” viel La Cueille in, „dat ’s net als bij de Chineezen.”„Slechts met dat verschil, dat alleen het eerste stel kleederen, dat de weduwe na het overlijden aantrekt, wit moet zijn. Is dat versleten, dan moet zij het vervangen door een geheel zwart pak en dat dan dragen totdat het Tiwahfeest gehouden is.”„Wat is dat voor een feest? Zoo een hebben wij nog niet bijgewoond, niet waar?” vroeg Schlickeisen.„Neen, en het is niet te hopen dat wij er een te zien zullen krijgen. De Dajaks gelooven, dat na het overlijden de liau, de ziel of beter de levensvonk, naar den „Kawawohan boelau” (Dajakschen hemel) verhuist, maar dat de „karahang” of de ziel van het stoffelijk gedeelte des lichaams in de nabijheid van het lijk blijft zweven, totdat een groot feest,Tiwah1geheeten, gegeven is, waarbij de Balians haar bezweringsgezangen gillen om de karahang den hemel binnen te geleiden om met de liau tot een „hambaroeang” (volmaakte ziel) vereenigd te worden.”„Mooi, dat weten we al weer,” meende La Cueille. „Maar, waarom heet die kalkrotsbatoe sambalajong?”„Wel zie je dan niet, dat dat vrouwenbeeld een sambalajong, een weduwendoek op het hoofd heeft? Men zou batoe sambalajong of batoe sambong kunnen vertolken door weduwensteen, wat ook in de eigenlijke bedoeling heeft gelegen.”[167]„Hoe zoo?” vroeg Wienersdorf nieuwsgierig. „Aan dien steen is zeker een legende verbonden, hè?”„Ja zeker, evenals aan alle dergelijke steenen hier in de Dajaklanden. En een drommels mooie legende ook. Ik heb ze hooren vertellen bij een tocht, dien ik toen met den kommandant in deze streken gemaakt heb. Ik heb ze voor hem moeten opschrijven; daarvan weet ik ze zoo goed. Luistert:„Daar ter plaatse, waar nu die steen staat, zou volgens de overlevering vroeger een hutje gestaan hebben, waarin de gelukkigste echtgenooten in de Dajaklanden zouden geleefd hebben. Maar helaas! niet steeds is in dit ondermaansche het geluk bestendig van duur. In de verre bovenlanden was een machtig opperhoofd gestorven en, om dien een prachtige uitvaart te geven, moest een groot aantal ongelukkige pandelingen geslacht worden. Wel had men een zeker aantal dier rampzaligen beschikbaar; maar zooals het hier in de bovenlanden wel meer gebeurt, de erfgenamen vonden het veel meer met hun belangen strookende, andere menschelijke wezens te offeren, dan wel hun eigen pandelingen, die, alles goed gerekend, toch door elkander een waarde van 200 gulden vertegenwoordigden. Maar hoe aan die andere wezens te komen? Wel niets eenvoudiger dan dat. Door gewapenderhand strooptochten bij de naburige stammen te ondernemen en bij die tochten te pogen alles wat maar mensch heet, mannen, vrouwen en kinderen, te ontvoeren, wordt op een niet te dure wijze den overledene een met zijn rang overeenkomend escorte naar de Dajaksche Elyzeesche velden medegegeven en kunnen de aanwezige pandelingen ten voordeele van den boedel behouden worden.„Het was bij zulk een strooptocht dat het hutje, waarin ons paartje met ongekend geluk het leven[168]smaakte, overvallen werd. In het eerste oogenblik van verwarring was het de vrouw des huizes, onbewust van den aard van wat rondom haar voorviel, gelukt zich uit de voeten te maken en zich schuil te houden; maar toen de roovers met hun vaartuigen van wal staken en haar man en vijf kinderen gekneveld medevoerden, toen ontwaakten in haar de moeder en de echtgenoote; toen dacht de arme vrouw aan geen zelfbehoud meer, maar vloog in haar radelooze wanhoop naar den rivieroever, viel daar aan den rand des waters op haar knieën en bad en smeekte, dat men haar haar dierbaren zoude wedergeven. Doch welke hartverscheurende klanken de diep ongelukkige ook in den toon harer stem legde, alles te vergeefs!„Een oogenblik echter hielden de roovers op met roeien. Niet dat hun hart zich met deernis vervulde, niet dat zij er aan dachten om de bede der rampzalige vrouw te verhooren, maar het getal slachtoffers was nog niet voltallig, en die vrouw, die hun ontsnapte, die nu, door haar wanhoop overstelpt, hoegenaamd geen gevaren zag, zou een wisse en gemakkelijke prooi zijn. Dat was wat den roeislag verlamde en de snelle stroom voerde reeds de prauw naar haar afvaartspunt terug en de ongelukkige echtgenoote en moeder tegemoet, toen in de verte de alarmtonen op de garantong zich hooren lieten en de roovers, beducht om door de vereenigde bevolking der naburige kampongs aangevallen te worden, hun beseai’s met kracht in het water sloegen en in een oogenblik met hun buit in de duisternis verdwenen waren.„Ontroostbaar bleef de ongelukkige vrouw aan den rivieroever geknield liggen, het met tranen gevulde oog onafgebroken naar de plek, waar zij alles, wat haar op aarde dierbaar was, had zien verdwijnen. Dagen,[169]ja weken bleef zij zoo liggen, en lang had de tijding van den dood van haar man en haar kinderen haar bereikt; alle hoop op weerzien was vervlogen en toch bleef zij aan die plek geboeid, totdat de machtige Sangiang Assei, door zooveel wanhoop bewogen, de rampzalige weduwe in een verbazend grooten witten steen veranderde, welke steen bij die verandering haar geheele gedaante behield.„Het volk knoopt aan die legende de voorspelling vast, als een onbestemde hoop van wat de beschaving in de toekomst brengen zal, dat wanneer een vuurschip dien Batoe Sambong zal voorbij stevenen, die steen weer zijn oorspronkelijke menschelijke natuur zal aannemen en alsdan een vreeselijken vloek over het koppensnellen en de menschenoffers zal uitspreken, waardoor al de daaraan schuldige stammen zullen omkomen.”„Nom d’une pipe!” barstte de Waal los, toen Johannes zweeg. „Oef! je moet bekennen, dat het weer knapjes akelig geweest is. Ik geloof, dat jij pret in al die narigheden vindt. Je hebt nooit eens iets te vertellen, waarin wat van een lieve flinke meid voorkomt.”„Kom, jij met je lieve flinke meid,” lachte Schlickeisen. „Kijk jij maar naar je Moendoet. Zie die eens lachebekken met een der roeiers.”„We zullen haar hier in ons vaartuig nemen?” raadpleegde de Waal.„Wel zeker! dan zul jij veel roeien kunnen,” beet Johannes hem toe. „Kom laat de deern lachen, het gaat haar zoo goed af. Als zij met je getrouwd zal wezen, zal ze tijd genoeg hebben om te huilen, misschien wel redenen ook.”Allen lachten, behalve La Cueille, die door die aardigheid niets gesticht was.„Maar,” hervatte Wienersdorf het vorige gesprek,[170]„ligt in die legende en in die voorspelling niet de toekomst opgesloten? Zullen de Europeanen niet eindelijk genoodzaakt zijn, de gruwelen, die hier te midden van het grootste, het schoonste en het rijkste eiland der aarde gepleegd worden, te vuur en te zwaard tegen te gaan? Zal de tijd niet komen, dat Borneo in den maalstroom der beschaving zal opgenomen worden, dat dan de vuurschepen den Batoe Sambong zullen voorbijstoomen, dat dan het rood der schaamte de kaken van hen zal verven, die zich heer en meester noemen van zoo schoon een land en dat dan dat koppensnellen, dat menschenslachten en nog meer menschonteerende gruwelen zullen ophouden?”De Zwitser had met klimmende opgewondenheid gesproken. Bij zijn laatste vraag keek hij Johannes half uitdagend aan.„Ja, dat zou zoo moeten zijn,” antwoordde deze bitter, „maar het is reeds lang geleden, dat het eerste vuurschip voor den Batoe Sambong zijn anker heeft laten vallen en, let er op, aan den toestand is niet veel veranderd. Er is sedert geen kop minder gesneld, er is sedert geen pandeling minder geslacht geworden. En dat zal wel zoo blijven, mits de rapporten maar van rustige rust gewagen; och! wat let het den beheerscher, wanneer de eene helft van Borneo de andere onthoofdt of gruwelijk slacht? Onder den invloed van het kilkoude flegma der Hollanders heeft de Batoe Sambong zijn gedaante behouden, hun vuurschepen hebben hem niet kunnen ontdooien; de steen is steen gebleven en heeft zijn vloek niet kunnen uitspreken, omdat de veroveraars vrede met al die gruwelen schijnen te hebben en niet alles willen aanwenden, om daaraan voor goed een einde te maken.”Men had den Batoe Sambong al lang uit het gezicht verloren en Johannes was wellicht nog verder in zijn[171]beschouwingen gegaan, toen eensklaps het „halt” van den voorsten rangkan weerklonk. Men was bij Kiham Hoeras, den eersten waterval aangekomen. Reeds sedert lang had zich een dof gerommel, dat evenwel al duidelijker en duidelijker werd, laten hooren. Maar onder den indruk van het verhaal der Batoe Sambong-legende hadden de Europeanen niets gehoord. Nu evenwel de verhaler zweeg en ook het getiktak op den rand der vaartuigen, onvermijdelijk aan het pagaaien verbonden, ophield, nu klonk hun de verheven stem des waters in haar volle majesteit in de ooren en lag daar de schoone rivier, die in vele bochten, langs een hellend vlak tusschen ontelbare rotsen doorschuivende en klotsende, naar beneden schoot, vlak voor hen. Het benedengedeelte des Kihams werd gevormd door zware kalkrotsen, die in de grilligste gedaanten als door elkander geworpen schenen. Bij het hoogere gedeelte was die kalkformatie door plutonisch dioriet doorbroken en vertoonden zich de donkerblauwe rotsbanken tusschen den witten kalksteen aan de oppervlakte. Hier en daar kwam het bijna zwarte gesteente als verweerd te voorschijn en scheen in kogelvormige massa’s uit elkander gevallen te zijn. Maar verreweg het grootste gedeelte der dioriet-rotsen was gespleten en het gesteente vertoonde den vorm van regelmatige achtkantige zuilen. Bijna het geheele bovengedeelte van den Kiham Hoeras spreidde zich voor het oog ten toon, als een opeenstapeling van zulke woest over elkander gestorte zuilen. De indruk, door dat natuurtafereel op onze reizigers gemaakt, was machtig. In stomme bewondering zaten zij er naar te kijken, terwijl hun rangkan op het schuimende water als danste; zij hadden vooreerst geen woorden, om hun gedachten in te kleeden. Eindelijk riep La Cueille:„Mille millions de pipes! que c’est beau!”[172]Wanneer hij aangedaan was, de lezers zullen het wel opgemerkt hebben, dan uitte de Waal zijn gevoelens allereerst in het Fransch.„Ja, ’t is mooi,” sprak Wienersdorf getroffen en met een van aandoening trillende stem; „kijk daar eens, hoe fraai geschakeerd die witte en zwarte steen door elkander gemengd is; ziet daar ginds dat plekje, de kunstigste mozaïekwerker der wereld zou het niet kunnen verbeteren!”„En daar verder op, daar schijnt de kalksteen als uitgeknipt, ziet hem eens helder en uiterst fijn bewerkt op dat zwarte gesteente uitkomen; het is als een reusachtig kantwerk.”„Ja, en van een minder broos maaksel dan uw Brusselsche, Mechelsche of Appenzellsche prullen,” voegde er Johannes aan toe.„En ziet eens,” ging Wienersdorf in opgetogenheid voort, „die hooge en steile oeverwanden, waarin de kalksteen met den dioriet als om den voorrang twist en waarover het bekoorlijke zachte groen van reusachtige varens, als uitgebreide maar smaakvolle pluimen heenwuivende, die wanden als met een groen zijden net overspant, waarboven het sombere loof van het krachtig oorspronkelijk woud zich hoog in de lucht welft, als de trotsche gothische bogen eener middeneeuwsche kathedraal.”„En ziet daar verder op, in de hoogte, daar hellen de boomstammen voorover en buigen de takken omlaag, vlechten zich, ook met de vele slingerplanten, in elkander om, als ’t ware, een lage spelonk te vormen, waaruit het wit schuimende water, als uit de machtige urn van den stroomgod, te voorschijn schiet.”„Maar wat schijnt het hier stil, niet waar? Niets, niets dan het geraas van het voortijlende water,” sprak Wienersdorf. „Geen vogel, die zijn stem hooren laat, geen[173]dier, dat door zijn gebrul of geschreeuw die stilte verbreekt. Het is of het leven hier uitgestorven is.”„Laat op je schieten!” lachte Johannes. „Ziekelijke verbeelding, anders niets. De dichter zoekt weer eenzaamheid, waar zij niet is. Het murmelen, het klateren, het klotsen en het donderen van den stroom overstemt alles; anders zou je het schrille geschreeuw wel hooren der zwermen grauwgroene parkieten2, die gindsche boomkruinen bevolken. Je zoudt die kudde „badjang’s” (herten)3, die daar ginds op de toppen der rotsen staan te grazen en ons nu en dan een angstigen en nieuwsgierigen blik toewerpen, hun harden doordringenden kreet hooren slaken. Je zoudt die kleine „bakai’s”4, die daar in de verte met behulp van hun lange staarten langs de boomtakken en langs de varens en de slingerplanten over den afgrond gymnastiseeren, hun opgewekt: kirah, kirah hooren uitgalmen. Neen, bij God! het leven is hier niet uitgestorven! Integendeel, het openbaart zich zoo krachtvol mogelijk rondom u, tot in de wateren toe, waarin je geheele scholen van prachtige zalmsoorten kunt zien, die dartelend in den schuimenden stroom vooruitschieten, maar zorgvuldig onze nabijheid mijden. Ja, de nabijheid van den mensch, vooral van den Europeaan, veroorzaakt soms een leegte rondom hem, welke hij zichzelven te wijten heeft. Ook[174]hier, hoe woest en wild de natuur zich ook vertoont, heeft het onredelijk wezen met het redelijke reeds kennis gemaakt en ondervonden, hoe gevaarlijk die kennismaking is. Straks, wanneer wij aanstalten maken zullen, om dien wilden waterstroom te beteugelen en naar boven te stevenen, dan zal je alles, als met een tooverroede aangeraakt, zien verdwijnen. Dan zal het in werkelijkheid stil en leeg rondom je zijn, zooals je dat nu droomt; maar dat zal volstrekt niet aan de natuur, maar uitsluitend aan den mensch, aan ons zelven te wijten zijn.”Terwijl de deserteurs zoo redekavelden en philosopheerden, hadden de Dajaks alle maatregelen getroffen, om de gevaarlijke en moeitevolle bestijging van den kiham te volvoeren. Vrouwen en kinderen stapten aan wal en moesten te voet de rotsen beklimmen, die als het ware de trappen vormden tot het hooger gelegen terras, van waar de Kapoeas met geweld afschoot. Onze vier deserteurs met hun nimmer missende geweren en nog een vijftal Dajaks met hun lansen en mandauws gewapend zouden het schoone geslacht tot beschermers strekken; maar toch ook een wakend oog houden op hetgeen op de rivier kon gebeuren.Al dadelijk werden de rottankabels, die onze zwervers in soengei Dahasan en soengei Basarang gesneden en de kettingen van de Tjipannas, die zij in soengei Naning opgedaan hadden, te voorschijn gehaald en aan elkander gebonden. Toen men daarmede klaar was, werd die lange kabel door een achttal mannen naar boven gehaald, waarbij zij van rots tot rots springen, niet zelden tot aan het middel door het water waden of enkele armen der rivier overzwemmen moesten. Na een inspanningsvollen arbeid van ruim twee uren was het boveneinde van den kabel om een stevigen boomstam geslagen, die langs den oever boven de stroomversnelling[175]stond en haar geheel beheerschte; terwijl de kabel zelf in het midden langs de lengteas van het stroombed gelegd was en haar uiteinde tot bij de vaartuigen reikte. Nu bleven twee Dajaks bij den boom ter bewaking van den kabel en gingen de zes anderen te water en lieten zich door den woedenden stroom medeslepen, terwijl zij zich met een verbazende vlugheid en behendigheid aan den kabel vastklemden of, beter gezegd, dien door de handen lieten glijden. Menigmaal verdwenen zij onder het schuim in de draaikolken en sloeg het hart onzer Europeanen reeds sneller bij het duchten van een ongeluk; maar dan zagen zij de lange sluike haren van den zwemmer weer op het groenblauwe water verschijnen, het geheele hoofd opduiken, terwijl de eigenaar zich ijlings verder werkte.Het doel van die manoeuvre was, om zich te verzekeren, dat de kabel niet onder den een of anderen rotsklomp of boomstam geraakt was, waardoor bij het ophalen der vaartuigen een wezenlijk bezwaar, niet zelden een groot gevaar zoude kunnen ontstaan. Hoewel die kabel ruim 600 M. lang was, bereikten die koene zwemmers in weinige seconden haar benedenste uiteinde, en veegden zich het aangezicht af, alsof niets gebeurd was.In ieder der rangkans namen nu vijf mannen plaats, waarvan een de stuurpagaai hield; terwijl de vier anderen den kabel grepen, om zich daar langs tegen den zwaren stroom op te halen. Onmogelijk konden de rangkans die stijging te zamen volvoeren, maar moesten wachten, totdat ieder hunner den tocht volbracht zoude hebben. Vooreerst toch zoude de kabel niet sterk genoeg wezen om aan zoo’n krachtsinspanning weerstand te bieden. Ook zoude, wanneer een der voorste vaartuigen, een beletsel ontmoetende, kantelde of dwarsstrooms geraakte, haar ongeval noodlottig voor de achter[176]haar komende kunnen wezen en die insgelijks in het ongereede brengen.De rangkans volvoerden evenwel, dank zij de behendigheid der Dajaks en Poenans, dien tocht zonder eenig ongeval, zonder dat zelfs een spat water daarin iets bevochtigd had. Er ging een zucht van verlichting op zoowel uit de borst van Harimaoung Boekit en Amai Kotong als van de vier deserteurs, toen het laatste vaartuig boven gekomen was. De waterval toch stelde tusschen de Nederlanders en hen een slagboom daar, die wel niet onoverkomelijk geacht kon worden, toch niet gemakkelijk te overschrijden was en een verdere vervolging groote en eigenaardige bezwaren in den weg zoude leggen.Een groote zorg was nu den kabel naar boven te halen, want die moest nog meer dienst doen. Met dien arbeid waren ook een paar uren gemoeid. Herhaalde malen toch klemde hij vast tusschen rotsblokken en dan hielp geen vereend halen, al schreeuwde men nog zoo daarbij. Men zou hem eerder stuk getrokken hebben. Dan moesten weer een paar zwemmersbazen er langs naar beneden om den hinderpaal uit den weg te ruimen.De dames hadden geen langen weg af te leggen gehad. Wel was het pad, dat haar naar boven voerde, geen kegelbaan te noemen geweest en hadden zij nog al te klimmen gehad, waarbij de geleiders in de gelegenheid geweest waren galant hun sterke schouders of armen tot steun te kunnen aanbieden. Vermoeiend evenwel was die wandeling voor die natuurkinderen niet geweest. In minder dan een half uur was de beklimming geschied en zaten zij weldra bij den boom verzameld, om welks stam de kabel gebonden zoude worden. De jongsten kortten den tijd met gekeuvel en[177]geginnegap, waarbij zij de zwemmers dapper uitlachten, en de oudsten stookten verscheiden vuurtjes om het maal voor het geheele gezelschap te bereiden. Om de schoone sekse sloegen haar bewakers een beschermende keten van schildwachten, zoodat zij zich dan ook geheel en al in zekerheid gevoelden. Te midden van dat vrouwelijk gekakel liet zich plotseling een stem hooren:„Nom d’un chien!” riep La Cueille, terwijl hij met den kolf van zijn geweer ongeduldig op den grond stampte, „wat krieuwelt me toch zoo pijnlijk in den hals en op den rug?”En den lap, dien hij tot afwering der zonnestralen als halsdoek gebezigd had, afrukkende, slaakte hij een angstigen kreet, toen hij dien met bloed als doorweekt zag.„Mon Dieu! ayez pitié de moi!” riep hij radeloos. „Ik meende dat het zweet was, dat mij langs den rug en de borst droppelde.O, Sainte Vierge, ma patronne!ik ben zeker gekwetst?”Zijn makkers schoten toe; ook eenige Dajaks drentelden nabij, maar die mededoogenloozen lachten in plaats van deernis te toonen. Vóór nog dat de Waal eenig antwoord op zijn vraag bekomen had, had hij de vingers langs den hals laten glijden en aldaar eenige glibberige en slijmerige voorwerpen gevoeld, waarvan hij de hand schuw en vies terugtrok.„Mon Dieu!wat is dat?” vroeg hij angstig.„Halamantek,” was het flegmatieke antwoord van een Dajak.„Que dit-il?wat zegt hij.O, mon ange gardien!ik ben zeker weer door vergiftigde pijltjes verwond. Halamantek! wat is dat toch?”„Och loop heen, je stelt je aan als een nar,” grinnikte[178]Johannes. „Halamantek zijn eenvoudig boombloedzuigers, die je alleen maar wat van je venijnig Walenbloed afgetapt hebben.”Een zucht van verlichting verruimde de borst van den gekwetste. En werkelijk, bij den tocht over land had het pad door een zwaar bosch geleid en het was daarin, dat niet alleen de Waal, maar bijna allen, die de wandeling medegemaakt hadden, die lieve diertjes opgedaan hadden. La Cueille evenwel had, om welke reden bleef onbekend, het ruimste deel daarvan genoten.„De boombloedzuiger is een diertje,” verklaarde Johannes, „dat veel op een grauwen draad gelijkt, daarvan de dikte heeft en ongeveer een vinger lang wordt. Het huist op boomen, liefst op de onderste takken en bespringt van daar, mensch of dier, zijn prooi. Daartoe krult het draadje zich zoodanig te zaam, dat het mondeinde bij het achtereinde komt, terwijl daarbij het lichaam als een boogje bolvormig staat. Door het lichaam plotseling als met een ruk uit te strekken, verkrijgt de bloedzuiger een veerkrachtige beweging, die hem eenige passen ver slingert, maar met zulk een nauwkeurigheid, dat het diertje zelden zijn doel mist, waarop het zich dadelijk vasthecht. Fluks kruipt het onder de plooien der kleeding en begint gulzig zijn maaltijd. In den beginne is zijn steek niet pijnlijk, eerder wordt een lichte krieuweling opgewekt. Het is eerst later wanneer zich het dier volgezogen heeft en zoo dik als eene pink is, dat het wondje pijnlijk wordt.”„Dat heb ik drommels gevoeld,” gromde de Waal.„Weet je ook den wetenschappelijken naam van dien boombloedzuiger?” vroeg Wienersdorf.„Ja aan de oude talen heb ik niet veel gedaan,” lachte Johannes. „Hoe noemt men den bloedzuiger in het latijn?”„Hirudo,” antwoordde Schlickeisen.[179]„Nu dan zal het wel „hirudo springans” zijn.”Beide Zwitsers proestten het van lachen uit op dat dwaze antwoord.Inmiddels had de lieve Moendoet een flinke pruim tabak gegrepen, had die een oogenblik in wat kokend water laten aftrekken en waschte nu liefdevol den hals van haar hartedief daarmede. Onder het saamtrekkende van dat afkooksel vielen de bloedzuigers spoedig af en sloten de wondjes zich ras. De Waal was nu gerustgesteld.„Satané pays!” pruttelde hij evenwel, „waar je niet eens wandelen kunt gaan, of het wordt er op je bloed aangelegd.”„Ja, die dingen zullen we nu wel meer aantreffen,” zei Johannes, „die kunnen soms een ware plaag worden. We zullen het beste doen, steeds wat tabakswater in een onzer veldflesschen gereed te hebben. Moeten we dan tochten te land verrichten, dan is, bij onze Dajaksche kleeding, de moeite gering, om onze huid met dat vocht in te smeeren.”„Moeten we nog vele kihams passeeren?” vroeg Wienersdorf.„Ja, nog verscheidene; morgen zeker een viertal. Maar waartoe die vraag?”„Wel, dan zullen we ons viermaal met tabakssaus moeten insmeren. We zullen ten laatste stinken als de inhoud van den waterzak eener Duitsche pijp.”„Dat zal er wel nabij komen,” grinnikte Johannes. „Maar we hebben gelukkig geen entrée de salon te maken; of vrees je dat Hamadoe haar fijn neusje tegen je zal optrekken? Och, maak je daarover niet ongerust; ze is aan veel erger gewoon.”Toen de kabel eindelijk ingehaald was, had ook de zon haar loopbaan volbracht en dook zonder vele komplimenten[180]achter den boschrand in het westen weg. Onze mannen, vooral de Dajaks en de Poenans hadden een inspanningsvollen dag gehad en haakten naar rust. Er werd dan ook besloten den nacht in de nabijheid door te brengen. De rangkans werden op een rij aan een overhellenden boomtak stevig vastgebonden en wel zoo, dat zij nagenoeg in het midden van den stroom te wiegelen lagen. De vrouwen en kinderen namen daarin hun intrek, terwijl een tiental mannen in de beide vleugelvaartuigen plaats namen. Van dezen zoude minstens één waakzaam en op uitkijk blijven. De overige troep verdeelde zich in twee gelijke deelen, die ter zelfder hoogte als de rangkans op de beide oevers der rivier post vatten en ieder hunner zich met een keten schildwachten omgaven.Wienersdorf en La Cueille hadden wel de wacht op de vaartuigen in de nabijheid hunner aangebedenen willen betrekken; op de vertogen van Johannes zagen zij daar evenwel van af, om zich aan een degelijke waakzaamheid te kunnen wijden. De vier deserteurs verdeelden zich in dier voege, dat twee hunner op iederen oever aanwezig waren, waarvan minstens een steeds wakker en in de schildwachtenketen, hoewel aan geen vaste plaats gebonden, moest vertoeven.De voorzorgen waren uitmuntend genomen en getuigden van de zorgen, die Johannes steeds voor het algemeene welzijn trof. Zij waren evenwel overbodig, want de nacht ging rustig voorbij. De eenige stoornis, die voorviel, werd door Schlickeisen veroorzaakt. Deze hoorde bij zijn morgenwake, tegen het aanbreken van den dag, een gekraak in het bosch, dat den oever omzoomde. Hij keek scherp uit met het geweer vaardig. Eensklaps zag hij een troep herten van wel vijftig stuks, aangevoerd door een prachtig mannetje met veelvuldig vertakt gewei,[181]het talud afdalen om zich aan het kristalheldere rivierwater te komen drenken. Terwijl de kudde zich laafde en elkander verdrong, keek haar aanvoerder strak rond, snoof de lucht op en spitste de ooren. Hij stond boven op den taludrand, om het terrein te beter te kunnen overzien. Plotseling bij een beweging van den Zwitser, om zijn wapen in den aanslag te brengen, wierp het fraaie dier het gewei in den nek, stiet een schellen kreet uit en deed zijn eersten maar ook zijn laatsten sprong. De zoo zeker afgezonden kogel trof het dier in de volle borst. Van de steile hoogte aftuimelende, rolde het in het water en de stroom zou het zeker medegevoerd en door de nabijheid van den waterval buiten bereik gesteld hebben, ware het niet tegen de rangkans aangedreven, waar het met de veelvuldige punten van het gewei in de touwen vasthaakte en zoo als verankerd liggen bleef.De rest van de kudde was in een ommezien spoorloos verdwenen.Maar de schrik en de verwarring, toen dat schot met zijn honderdvoudige echo daar tusschen die steile en hoog begroeide oeverwanden, donderend weergalmde, waren groot zoowel onder de mannen als onder de vrouwen. Het was in de eerste oogenblikken een gegil van angst, waarbij de kinderen hun partij goed volhielden. Gelukkig dat de Europeanen zich beijverden de orde zoo spoedig mogelijk te herstellen en hun geruststellende stemmen te laten hooren; anders waren zeker ongelukken gebeurd. Nu leidde het geheele geval slechts tot een vervroegd ontwaken. Toen men vernam, wat aanleiding tot den schrik gegeven had, lachten de vrouwen met de veranderlijkheid harer inborst er het hardst om en duurde het niet lang of het geschoten hert was uit het water gehaald, gevild en gevierendeeld en beloofden de lekkerbekken zich een[182]uitnemend heerlijken beet straks bij het maal. Schlickeisen werd geluk gewenscht met zijn fraai schot. Hij evenwel nam zich voor, voortaan minder doldriftig te zijn en niet meer op ongelegen uren te schieten.Een uur later stevende deflotilleweer voorwaarts, den steeds meer en meer driftig wordenden stroom op.Ook dien dag had men met overgroote moeielijkheden te kampen. Niet ver boven Kiham Hoeras, nabij kotta Hoerakan, vervangt een grofkorrelige bruingele zandsteen de dioritische formatie. Deze zandsteen, veel spoediger aan verweering onderhevig, heeft met zijn brecciën, het rivierbed dermate opgevuld, dat er passages aangetroffen worden, waar een prauw niet door zoude kunnen komen en een rangkan nog behoedzaam moet sturen, om het soms uiterst smalle vaarwater te houden. Het puin van dezen zandsteen wordt gemakkelijk door de onstuimig voortschietende watermassa verplaatst en vormt bij die plaatsen in de rivier, waar de stroom minder sterk is, rolsteenbanken, die soms tot geheele eilanden aangroeien. Deze banken en eilanden worden door de bevolking „karangans” genaamd. Harimaoung Boekit verhaalde onze vrienden, dat die karangans zeer rijk aan stofgoud zijn en dat er niet zelden loovertjes, ja kleine klompen gedegen goud aangetroffen wordt. Het goud op die karangans gevonden, was het beste goud van de geheele Kapoeas.„We moesten ons geluk dan maar eens hier beproeven,” uitte La Cueille als zijn meening.„Te drommel neen,” antwoordde Johannes, „vooruit, vooruit ligt de weg. We zijn nog veel te dicht bij de Hollanders; we moeten eerst nog eenige watervallen tusschen hen en ons stellen.”„Daarenboven,” sprak Amai Kotong, „we kunnen zoo maar niet aan het goudwasschen gaan. We zouden het[183]spoedig te kwaad met de bevolking dezer streken krijgen. Iedere kotta heeft hier haar gronden en riviergedeelten, die zij niet ongestraft door vreemden zou laten aantasten.”„Nu vooruit dan maar,” gromde de Waal.Maar behalve het woeste riviergedeelte in de nabijheid dier karangans, had men heden vier kihams te bestijgen. De twee voornaamste daarvan, Koetoes Kala en Boenoet genaamd, vereischten veel inspanning, nog een graad erger dan te Kiham Hoeras. Het was dan ook ruim vier uur in den namiddag, toen de reizigers vermoeid en afgemat—althans het mannelijke gedeelte er van—te kotta Karangan aankwamen.Die kotta, op den linkeroever der Kapoeas gelegen, was een fraaie en machtige versterking, die een bevolking van ruim 2000 zielen telde. Hadden de doodshoofden, die de palissadeering van kotta Djankang versierden, den blik onzer deserteurs tot zich getrokken, hier waren zij ontzet van het groot aantal bekkeneelen, dat daar boven op die palen stond te bleeken. Hoe veel menschenlevens had het niet gekost, om dat getal bij elkander te krijgen? Niet het getal van de hoofden, die men daar zag prijken, kon dat bepalen, neen lang niet; want iedere koppensnellerstocht lokt van de tegenpartij weerwraak uit, die ook op haar kotta dergelijke gruwelijke versiering aanbrengt. Hier waren daarenboven niet alle schedels aanwezig. Kotta Karangan was veel rijker dan dat. In iedere woning in die sterkte hingen geheele rozenkranzen van die grijnzende doodshoofden en in de omliggende kotta’s werd met een soort van afgunst gemompeld, dat daar koppen van groote waarde onder waren, koppen van Europeanen, die ruim 2000 realen en van Chineezen, die de helft daarvan golden. Hoe men aan die zoo kostbare schedels kwam, werd niet medegedeeld.Amai Kotong had ook hier zijn bekenden en werd[184]zonder aarzelen binnen de kotta toegelaten. De aanwezigheid van Harimaoung en zijn Poenans wekte evenwel de grootste achterdocht en het kostte wezenlijk den gewezen Amai van kotta Djankang veel moeite om de Karanganners te overreden, het plegen van vijandelijkheden na te laten. Met behulp van Dalim en Johannes gelukte dat evenwel. Deze laatste herhaalde de fabel, te Kotta Baroe reeds opgedischt, namelijk: dat zij gezonden waren door het Nederlandsch bestuur, om te trachten met de Olo Ott in aanraking te komen en de gezindheid van dien stam op te nemen. Niet zonder inzicht had hij dan ook nog voor de aankomst te kotta Karangan de Nederlandsche vlag op den grootsten der rangkans geheschen. Nu vertoonde hij deftig het gezegelde papier, aan Damboeng Papoendeh ontnomen, en voegde er bij, dat het Poenanhoofd hem door den Grooten Heer te Bandjermasin toegevoegd was, om het samenkomen met de Otts te vergemakkelijken.Of de Karanganners dat verhaal geloofden, viel te betwijfelen. Wel bekeken zij met een soort van eerbied het zegel, in rood lak afgedrukt en onthielden zich van vijandelijkheden, maar stonden niemand van het geheele reisgezelschap dan alleen aan Amai Kotong toe, hun kotta te betreden. Aan de overigen wezen zij de tomoi die zij konden betrekken, aan. Dit was een geruststelling daar zij nu ook als gasten beschouwd werden; op dat punt zijn de wetten der gastvrijheid stellig en zouden niet geschonden worden.Onze zwervelingen konden zich dan ook zonder argwaan aan de nachtrust overgeven en hadden slechts te waken tegen de gevaren, die van buiten af zouden kunnen opdagen. Daartoe was het voldoende, dat een der vier Europeanen waakzaam was, vooral toen deze zich een paar Dajaks toevoegde, om op alles voorbereid te zijn.[185]1Tiwahzou volgens ettelijke geleerden van het sanskritsch woord Deva (God) afgeleid zijn.Tiwahbeteekent evenwel in het Dajaksch „vrij” of „bevrijd zijn”. Dit komt meer met den aard van het feest overeen. Zie overigens daarover de meer aangehaalde Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑2De groene grasparkietMelopsittacus Gld.↑3Het in die streken meest voorkomende hert, soms in troepen van 200 stuks, is groot en slank met bruin-grauwen pels. Het is deCervus russader geleerden.↑4Bakai is een kleine soort van aap, die ternauwernood 1½ voet hoog wordt. Hij heeft een lichtgrauwen pels, die op den buik zuiver wit is. Het dier heeft een staart, die ruim tweemaal de lengte van zijn lichaam meet. Van dien staart bedient het zich als van een hand. De bakai behoort tot de slingerapen of semnopethici.↑

XXV.Tijding van Kwala Kapoeas.—Vertrek van kotta Djankang.—Kotta Batoe Sambong.—De legende van den batoe sambalajong.—De Kiham Hoeras.—De bestijging van den waterval.—Koene zwemmers.—De boschbloedzuigers.—De nachtwaak.—Een fraai schot.—Voorwaarts, de Kapoeas op.—De karangan’s.—Kotta Karangan.

Tijding van Kwala Kapoeas.—Vertrek van kotta Djankang.—Kotta Batoe Sambong.—De legende van den batoe sambalajong.—De Kiham Hoeras.—De bestijging van den waterval.—Koene zwemmers.—De boschbloedzuigers.—De nachtwaak.—Een fraai schot.—Voorwaarts, de Kapoeas op.—De karangan’s.—Kotta Karangan.

Tijding van Kwala Kapoeas.—Vertrek van kotta Djankang.—Kotta Batoe Sambong.—De legende van den batoe sambalajong.—De Kiham Hoeras.—De bestijging van den waterval.—Koene zwemmers.—De boschbloedzuigers.—De nachtwaak.—Een fraai schot.—Voorwaarts, de Kapoeas op.—De karangan’s.—Kotta Karangan.

Gelukkig bleef Harimaoung Boekit verder van koorts bevrijd. De almacht van Johannes was dus ten volle bewezen, hetgeen zijn prestige niet weinig verhoogde. De ziekte van het Poenanhoofd had aanleiding kunnen geven de voorgenomen reis te vertragen; nu bestond daartoe geen enkel voorwendsel meer. De deserteurs drongen dan ook op een spoedig vertrek aan en met te meer klem, dewijl zij zeer goed inzagen, dat, waar zij thans zaten, een overval tot de zeer mogelijke gebeurtenissen behoorde. Het verwonderde hen reeds, dat zij nog niets van de benedenlanden vernomen hadden. Maar bij den eigenaardigen geest der inlandsche bevolking van Nederlandsch Indië, die van geen haast weet en voor wie het besef van tijdruimte bijna niet bestaat en dus haar beteekenis mist, was niet tot meer spoed te drijven. Steeds kwam er iets in den weg; nu eens moest dit of dat nog voor de reis toebereid worden; dan weer moest voor het vertrek een gewichtigebasara(proces) uitgewezen worden; een andere keer had de Antang kwade voorteekens gegeven en moest de reis uitgesteld worden om onberekenbare[162]maar toch zekere rampen te ontgaan. De Europeanen waren soms wanhopig onder al dat gedraal; zij waren nu al veertien dagen te kotta Djankang en onmogelijk zagen zij kans, zonder zich bloot te geven, aan dat gezeur paal en perk te stellen. Gelukkig dat van een andere zijde aandrang kwam, en aan dat getalm een einde maakte.Op een morgen kwam een djoekoeng aan, door de gezanten afgezonden, waarbij zij berichtten, dat wel is waar, de onderwerping van kotta Djankang door het Nederlandsch bestuur aangenomen was, maar dat de kommandant van Kwala Kapoeas zelf zoude komen met een stoomschip om den toestand op te nemen en het nieuw gekozen hoofd af te halen; ten einde den eed van getrouwheid in handen van den resident te Bandjermasin af te leggen. Bij vertrek van Kwala Kapoeas, was men daar ieder oogenblik het stoomvaartuig wachtende, dat dien kommandant zoude overvoeren. De berichtgevers hadden dag en nacht doorgeroeid en op iedere geschikte plaats van roeiers verwisseld, om maar tijdig aan te komen.Die tijding hielp. En Harimaoung Boekit èn Amai Kotong begrepen, dat nu ieder oogenblik dat vuurschip kon verschijnen en dat, wanneer het gebeurde, van een geregelde verhuizing, zoo als zij die voor hadden, geen sprake meer kon zijn, maar dat slechts een overijlde vlucht in de wildernis hun leven zoude kunnen redden. Nu was alles in rep en roer en waren alle handen ijverig bezig om de laatste toebereidselen te maken en de laatste beschikkingen te treffen. Nu dacht niemand meer aan het beeindigen van basarda’s; nog minder bekreunde zich iemand omtrent de vlucht der Antangs. De laatste nacht, dien men te kotta Djankang doorbracht, ging onder allerlei beslommeringen voorbij; en bij het aanbreken van[163]den dag was men in zoover tot vertrek gereed, dat nog slechts de kanonnen, die men dien nacht voor alle zekerheid nog in batterij gelaten had, aan boord der rangkans te brengen waren. Met de pootige armen onzer Europeanen was dat in een oogwenk geschied; en.… ja nu begon een afscheidnemen, waaraan geen einde scheen te zullen komen, toen Johannes eensklaps uitriep, terwijl hij met den vinger naar het zuiden wees:„Banama asep! banama asep!!” (een rookschip, een rookschip.)En werkelijk, boven den boschrand aan den zuiderhoek kronkelde een rookwolk omhoog. Dat gaf uitkomst. In allerijl nam nu een ieder plaats in de vaartuigen en in minder tijd, dan noodig is om het te vertellen, waren de tien rangkans, die de 165 personen, waaruit de volksverhuizing bestond, met al hun have en goed bevatten, van wal gestoken. De beseai’s kliefden krachtig het water, de lichte vaartuigen schoten vooruit; nog een hoera! zoowel door de vertrekkenden aangeheven, als door de achterblijvenden op den oever geschaard, en weldra was de kotta, die onze reizigers zoo gul opgenomen had, voor hun oogen verdwenen. Wel veegde Amai Kotong met den rug zijner hand een traan weg, die hem over de wang biggelde, bij het herdenken, dat hij daar op die plek, het grootste en schoonste gedeelte zijns levens gesleten had, maar met de kinderlijke veranderlijkheid, den inlander zoo eigen, was die traan weldra opgedroogd, en de herinnering uitgewischt, vooral toen hij de beseai opnam, om mede te roeien.De rook, dien Johannes gezien had, was een loos alarm geweest; het was slechts de rook van een vuur, dat de wachthebbenden op dien hoek waarschijnlijk gestookt hadden. Maar die rook had de goede uitwerking van de roeiers[164]tot verdubbelden spoed aan te zetten en het gevolg daarvan was, dat in den letterlijken zin des woords de rangkans vooruitvlogen.In het voorbijvaren kon La Cueille nog eens een blik werpen op de steenkolenader, die zich daar zoo gitzwart vertoonde tusschen het grijs van de schieferklei, waaruit de oever bestond, en waartusschen die ader besloten lag. Maar weldra waren zij die voorbij en bereikten zij nu de zone van de kalkformatie. Het terrein werd hier woester, de oeverwanden naakter; meestal verhieven zich die wanden loodrecht uit het water, soms helden zij schrikwekkend over de oppervlakte en dreigden met dood en verderf.Nog altijd evenwel behield de rivier haar effen spiegel. Wel joegen haar wateren met spoed voorwaarts, maar zij was nog steeds bevaarbaar en de effenheid harer oppervlakte kon gerust tot die van haar bodem doen besluiten. Wel waren er in sommige bochten wielingen en draaikolken zichtbaar en golfde het water over kalkrotsen, die van de uitgespoelde oevers waren afgestort; maar met wat omzichtigheid en kennis van het vaarwater, waren die plaatsen wel te mijden en leverde de Kapoeas nog altijd een breed vaarwater, waarop een niet te lang stoomscheepje van zes voet diepgang zonder veel bezwaren had kunnen manoeuvreeren.Een paar uren na het vertrek werd kotta Batoe Sambong bereikt. Amai Kotong stapte daar een oogenblik aan wal, om het hoofd van dien kampong, waarmede hij jaren lang als een goed buurman in vrede geleefd had, vaarwel te zeggen. Belangstellend kwamen de kottabewoners de vertrekkenden bij de prauwen begroeten en boden hun gebak en daarbij een hartigen teug toeak aan. Beiden werden dankbaar aangenomen, en niet alleen La Cueille, maar allen, zelfs de vrouwtjes,[165]die, voor zoover haar krachten zulks toelieten, ook de pagaai hanteerden, lieten zich een mondvol van het hartversterkende vocht goed smaken. Bij het vertrek was de aandoening algemeen; van weerszijden verloor men goede buren; in een land als dit waren die wel te waardeeren. En welke zou men in de plaats krijgen?Het oponthoud had niet lang geduurd, een half uur hoogstens; maar toch nog veel te lang voor het ongeduld van Johannes. Die vooral voelde zich niet gerust, voordat hij den eersten waterval, dien slagboom voor de stoomschepen, achter den rug zoude hebben. Eenmaal daar achter, kon hem een uurtje dralen minder schelen. Dan konden de reizigers niet zoo plotseling en ook niet door zoo’n verpletterende overmacht overvallen worden. Moesten de Hollanders ook in rangkans tegen die watervallen op; och, dan kon men zich verweren, dan kwamen de kansen meer gelijk. Maar tot zoolang klonk zijn leus maar: vooruit! vooruit!! vooruit!!!Op een korten afstand van kotta Batoe Sambong passeerde men een alleenstaande kalkrots van ongeveer 50 voet hoogte, die, toen Johannes zijn makkers er opmerkzaam op maakte, uit de verte gezien, den vorm bleek te hebben eener reusachtige vrouw met den hoofddoek om het hoofd gewonden in knielende houding. Tegen den voet dier rots brak de Kapoeas kokend en schuimend en veranderde nagenoeg rechthoekig van richting. Johannes vertelde hun verder, dat het aan dien steen was, die „batoe sambalajong,” saamgetrokken, „batoe sambong” heette, dat de kotta in de nabijheid gelegen, haar naam ontleende.„Wat beteekent sambalajong?” vroeg Wienersdorf.„Sambalajong is de naam van den witten hoofddoek, dien de weduwen dragen. Zoodra haar echtvriend dit tranendal verlaten heeft, is de Dajaksche vrouw[166]verplicht, zich geheel in het wit te kleeden en dus ook een witten hoofddoek te dragen.”„Bijgevolg is wit de rouwkleur der Dajaks?” viel La Cueille in, „dat ’s net als bij de Chineezen.”„Slechts met dat verschil, dat alleen het eerste stel kleederen, dat de weduwe na het overlijden aantrekt, wit moet zijn. Is dat versleten, dan moet zij het vervangen door een geheel zwart pak en dat dan dragen totdat het Tiwahfeest gehouden is.”„Wat is dat voor een feest? Zoo een hebben wij nog niet bijgewoond, niet waar?” vroeg Schlickeisen.„Neen, en het is niet te hopen dat wij er een te zien zullen krijgen. De Dajaks gelooven, dat na het overlijden de liau, de ziel of beter de levensvonk, naar den „Kawawohan boelau” (Dajakschen hemel) verhuist, maar dat de „karahang” of de ziel van het stoffelijk gedeelte des lichaams in de nabijheid van het lijk blijft zweven, totdat een groot feest,Tiwah1geheeten, gegeven is, waarbij de Balians haar bezweringsgezangen gillen om de karahang den hemel binnen te geleiden om met de liau tot een „hambaroeang” (volmaakte ziel) vereenigd te worden.”„Mooi, dat weten we al weer,” meende La Cueille. „Maar, waarom heet die kalkrotsbatoe sambalajong?”„Wel zie je dan niet, dat dat vrouwenbeeld een sambalajong, een weduwendoek op het hoofd heeft? Men zou batoe sambalajong of batoe sambong kunnen vertolken door weduwensteen, wat ook in de eigenlijke bedoeling heeft gelegen.”[167]„Hoe zoo?” vroeg Wienersdorf nieuwsgierig. „Aan dien steen is zeker een legende verbonden, hè?”„Ja zeker, evenals aan alle dergelijke steenen hier in de Dajaklanden. En een drommels mooie legende ook. Ik heb ze hooren vertellen bij een tocht, dien ik toen met den kommandant in deze streken gemaakt heb. Ik heb ze voor hem moeten opschrijven; daarvan weet ik ze zoo goed. Luistert:„Daar ter plaatse, waar nu die steen staat, zou volgens de overlevering vroeger een hutje gestaan hebben, waarin de gelukkigste echtgenooten in de Dajaklanden zouden geleefd hebben. Maar helaas! niet steeds is in dit ondermaansche het geluk bestendig van duur. In de verre bovenlanden was een machtig opperhoofd gestorven en, om dien een prachtige uitvaart te geven, moest een groot aantal ongelukkige pandelingen geslacht worden. Wel had men een zeker aantal dier rampzaligen beschikbaar; maar zooals het hier in de bovenlanden wel meer gebeurt, de erfgenamen vonden het veel meer met hun belangen strookende, andere menschelijke wezens te offeren, dan wel hun eigen pandelingen, die, alles goed gerekend, toch door elkander een waarde van 200 gulden vertegenwoordigden. Maar hoe aan die andere wezens te komen? Wel niets eenvoudiger dan dat. Door gewapenderhand strooptochten bij de naburige stammen te ondernemen en bij die tochten te pogen alles wat maar mensch heet, mannen, vrouwen en kinderen, te ontvoeren, wordt op een niet te dure wijze den overledene een met zijn rang overeenkomend escorte naar de Dajaksche Elyzeesche velden medegegeven en kunnen de aanwezige pandelingen ten voordeele van den boedel behouden worden.„Het was bij zulk een strooptocht dat het hutje, waarin ons paartje met ongekend geluk het leven[168]smaakte, overvallen werd. In het eerste oogenblik van verwarring was het de vrouw des huizes, onbewust van den aard van wat rondom haar voorviel, gelukt zich uit de voeten te maken en zich schuil te houden; maar toen de roovers met hun vaartuigen van wal staken en haar man en vijf kinderen gekneveld medevoerden, toen ontwaakten in haar de moeder en de echtgenoote; toen dacht de arme vrouw aan geen zelfbehoud meer, maar vloog in haar radelooze wanhoop naar den rivieroever, viel daar aan den rand des waters op haar knieën en bad en smeekte, dat men haar haar dierbaren zoude wedergeven. Doch welke hartverscheurende klanken de diep ongelukkige ook in den toon harer stem legde, alles te vergeefs!„Een oogenblik echter hielden de roovers op met roeien. Niet dat hun hart zich met deernis vervulde, niet dat zij er aan dachten om de bede der rampzalige vrouw te verhooren, maar het getal slachtoffers was nog niet voltallig, en die vrouw, die hun ontsnapte, die nu, door haar wanhoop overstelpt, hoegenaamd geen gevaren zag, zou een wisse en gemakkelijke prooi zijn. Dat was wat den roeislag verlamde en de snelle stroom voerde reeds de prauw naar haar afvaartspunt terug en de ongelukkige echtgenoote en moeder tegemoet, toen in de verte de alarmtonen op de garantong zich hooren lieten en de roovers, beducht om door de vereenigde bevolking der naburige kampongs aangevallen te worden, hun beseai’s met kracht in het water sloegen en in een oogenblik met hun buit in de duisternis verdwenen waren.„Ontroostbaar bleef de ongelukkige vrouw aan den rivieroever geknield liggen, het met tranen gevulde oog onafgebroken naar de plek, waar zij alles, wat haar op aarde dierbaar was, had zien verdwijnen. Dagen,[169]ja weken bleef zij zoo liggen, en lang had de tijding van den dood van haar man en haar kinderen haar bereikt; alle hoop op weerzien was vervlogen en toch bleef zij aan die plek geboeid, totdat de machtige Sangiang Assei, door zooveel wanhoop bewogen, de rampzalige weduwe in een verbazend grooten witten steen veranderde, welke steen bij die verandering haar geheele gedaante behield.„Het volk knoopt aan die legende de voorspelling vast, als een onbestemde hoop van wat de beschaving in de toekomst brengen zal, dat wanneer een vuurschip dien Batoe Sambong zal voorbij stevenen, die steen weer zijn oorspronkelijke menschelijke natuur zal aannemen en alsdan een vreeselijken vloek over het koppensnellen en de menschenoffers zal uitspreken, waardoor al de daaraan schuldige stammen zullen omkomen.”„Nom d’une pipe!” barstte de Waal los, toen Johannes zweeg. „Oef! je moet bekennen, dat het weer knapjes akelig geweest is. Ik geloof, dat jij pret in al die narigheden vindt. Je hebt nooit eens iets te vertellen, waarin wat van een lieve flinke meid voorkomt.”„Kom, jij met je lieve flinke meid,” lachte Schlickeisen. „Kijk jij maar naar je Moendoet. Zie die eens lachebekken met een der roeiers.”„We zullen haar hier in ons vaartuig nemen?” raadpleegde de Waal.„Wel zeker! dan zul jij veel roeien kunnen,” beet Johannes hem toe. „Kom laat de deern lachen, het gaat haar zoo goed af. Als zij met je getrouwd zal wezen, zal ze tijd genoeg hebben om te huilen, misschien wel redenen ook.”Allen lachten, behalve La Cueille, die door die aardigheid niets gesticht was.„Maar,” hervatte Wienersdorf het vorige gesprek,[170]„ligt in die legende en in die voorspelling niet de toekomst opgesloten? Zullen de Europeanen niet eindelijk genoodzaakt zijn, de gruwelen, die hier te midden van het grootste, het schoonste en het rijkste eiland der aarde gepleegd worden, te vuur en te zwaard tegen te gaan? Zal de tijd niet komen, dat Borneo in den maalstroom der beschaving zal opgenomen worden, dat dan de vuurschepen den Batoe Sambong zullen voorbijstoomen, dat dan het rood der schaamte de kaken van hen zal verven, die zich heer en meester noemen van zoo schoon een land en dat dan dat koppensnellen, dat menschenslachten en nog meer menschonteerende gruwelen zullen ophouden?”De Zwitser had met klimmende opgewondenheid gesproken. Bij zijn laatste vraag keek hij Johannes half uitdagend aan.„Ja, dat zou zoo moeten zijn,” antwoordde deze bitter, „maar het is reeds lang geleden, dat het eerste vuurschip voor den Batoe Sambong zijn anker heeft laten vallen en, let er op, aan den toestand is niet veel veranderd. Er is sedert geen kop minder gesneld, er is sedert geen pandeling minder geslacht geworden. En dat zal wel zoo blijven, mits de rapporten maar van rustige rust gewagen; och! wat let het den beheerscher, wanneer de eene helft van Borneo de andere onthoofdt of gruwelijk slacht? Onder den invloed van het kilkoude flegma der Hollanders heeft de Batoe Sambong zijn gedaante behouden, hun vuurschepen hebben hem niet kunnen ontdooien; de steen is steen gebleven en heeft zijn vloek niet kunnen uitspreken, omdat de veroveraars vrede met al die gruwelen schijnen te hebben en niet alles willen aanwenden, om daaraan voor goed een einde te maken.”Men had den Batoe Sambong al lang uit het gezicht verloren en Johannes was wellicht nog verder in zijn[171]beschouwingen gegaan, toen eensklaps het „halt” van den voorsten rangkan weerklonk. Men was bij Kiham Hoeras, den eersten waterval aangekomen. Reeds sedert lang had zich een dof gerommel, dat evenwel al duidelijker en duidelijker werd, laten hooren. Maar onder den indruk van het verhaal der Batoe Sambong-legende hadden de Europeanen niets gehoord. Nu evenwel de verhaler zweeg en ook het getiktak op den rand der vaartuigen, onvermijdelijk aan het pagaaien verbonden, ophield, nu klonk hun de verheven stem des waters in haar volle majesteit in de ooren en lag daar de schoone rivier, die in vele bochten, langs een hellend vlak tusschen ontelbare rotsen doorschuivende en klotsende, naar beneden schoot, vlak voor hen. Het benedengedeelte des Kihams werd gevormd door zware kalkrotsen, die in de grilligste gedaanten als door elkander geworpen schenen. Bij het hoogere gedeelte was die kalkformatie door plutonisch dioriet doorbroken en vertoonden zich de donkerblauwe rotsbanken tusschen den witten kalksteen aan de oppervlakte. Hier en daar kwam het bijna zwarte gesteente als verweerd te voorschijn en scheen in kogelvormige massa’s uit elkander gevallen te zijn. Maar verreweg het grootste gedeelte der dioriet-rotsen was gespleten en het gesteente vertoonde den vorm van regelmatige achtkantige zuilen. Bijna het geheele bovengedeelte van den Kiham Hoeras spreidde zich voor het oog ten toon, als een opeenstapeling van zulke woest over elkander gestorte zuilen. De indruk, door dat natuurtafereel op onze reizigers gemaakt, was machtig. In stomme bewondering zaten zij er naar te kijken, terwijl hun rangkan op het schuimende water als danste; zij hadden vooreerst geen woorden, om hun gedachten in te kleeden. Eindelijk riep La Cueille:„Mille millions de pipes! que c’est beau!”[172]Wanneer hij aangedaan was, de lezers zullen het wel opgemerkt hebben, dan uitte de Waal zijn gevoelens allereerst in het Fransch.„Ja, ’t is mooi,” sprak Wienersdorf getroffen en met een van aandoening trillende stem; „kijk daar eens, hoe fraai geschakeerd die witte en zwarte steen door elkander gemengd is; ziet daar ginds dat plekje, de kunstigste mozaïekwerker der wereld zou het niet kunnen verbeteren!”„En daar verder op, daar schijnt de kalksteen als uitgeknipt, ziet hem eens helder en uiterst fijn bewerkt op dat zwarte gesteente uitkomen; het is als een reusachtig kantwerk.”„Ja, en van een minder broos maaksel dan uw Brusselsche, Mechelsche of Appenzellsche prullen,” voegde er Johannes aan toe.„En ziet eens,” ging Wienersdorf in opgetogenheid voort, „die hooge en steile oeverwanden, waarin de kalksteen met den dioriet als om den voorrang twist en waarover het bekoorlijke zachte groen van reusachtige varens, als uitgebreide maar smaakvolle pluimen heenwuivende, die wanden als met een groen zijden net overspant, waarboven het sombere loof van het krachtig oorspronkelijk woud zich hoog in de lucht welft, als de trotsche gothische bogen eener middeneeuwsche kathedraal.”„En ziet daar verder op, in de hoogte, daar hellen de boomstammen voorover en buigen de takken omlaag, vlechten zich, ook met de vele slingerplanten, in elkander om, als ’t ware, een lage spelonk te vormen, waaruit het wit schuimende water, als uit de machtige urn van den stroomgod, te voorschijn schiet.”„Maar wat schijnt het hier stil, niet waar? Niets, niets dan het geraas van het voortijlende water,” sprak Wienersdorf. „Geen vogel, die zijn stem hooren laat, geen[173]dier, dat door zijn gebrul of geschreeuw die stilte verbreekt. Het is of het leven hier uitgestorven is.”„Laat op je schieten!” lachte Johannes. „Ziekelijke verbeelding, anders niets. De dichter zoekt weer eenzaamheid, waar zij niet is. Het murmelen, het klateren, het klotsen en het donderen van den stroom overstemt alles; anders zou je het schrille geschreeuw wel hooren der zwermen grauwgroene parkieten2, die gindsche boomkruinen bevolken. Je zoudt die kudde „badjang’s” (herten)3, die daar ginds op de toppen der rotsen staan te grazen en ons nu en dan een angstigen en nieuwsgierigen blik toewerpen, hun harden doordringenden kreet hooren slaken. Je zoudt die kleine „bakai’s”4, die daar in de verte met behulp van hun lange staarten langs de boomtakken en langs de varens en de slingerplanten over den afgrond gymnastiseeren, hun opgewekt: kirah, kirah hooren uitgalmen. Neen, bij God! het leven is hier niet uitgestorven! Integendeel, het openbaart zich zoo krachtvol mogelijk rondom u, tot in de wateren toe, waarin je geheele scholen van prachtige zalmsoorten kunt zien, die dartelend in den schuimenden stroom vooruitschieten, maar zorgvuldig onze nabijheid mijden. Ja, de nabijheid van den mensch, vooral van den Europeaan, veroorzaakt soms een leegte rondom hem, welke hij zichzelven te wijten heeft. Ook[174]hier, hoe woest en wild de natuur zich ook vertoont, heeft het onredelijk wezen met het redelijke reeds kennis gemaakt en ondervonden, hoe gevaarlijk die kennismaking is. Straks, wanneer wij aanstalten maken zullen, om dien wilden waterstroom te beteugelen en naar boven te stevenen, dan zal je alles, als met een tooverroede aangeraakt, zien verdwijnen. Dan zal het in werkelijkheid stil en leeg rondom je zijn, zooals je dat nu droomt; maar dat zal volstrekt niet aan de natuur, maar uitsluitend aan den mensch, aan ons zelven te wijten zijn.”Terwijl de deserteurs zoo redekavelden en philosopheerden, hadden de Dajaks alle maatregelen getroffen, om de gevaarlijke en moeitevolle bestijging van den kiham te volvoeren. Vrouwen en kinderen stapten aan wal en moesten te voet de rotsen beklimmen, die als het ware de trappen vormden tot het hooger gelegen terras, van waar de Kapoeas met geweld afschoot. Onze vier deserteurs met hun nimmer missende geweren en nog een vijftal Dajaks met hun lansen en mandauws gewapend zouden het schoone geslacht tot beschermers strekken; maar toch ook een wakend oog houden op hetgeen op de rivier kon gebeuren.Al dadelijk werden de rottankabels, die onze zwervers in soengei Dahasan en soengei Basarang gesneden en de kettingen van de Tjipannas, die zij in soengei Naning opgedaan hadden, te voorschijn gehaald en aan elkander gebonden. Toen men daarmede klaar was, werd die lange kabel door een achttal mannen naar boven gehaald, waarbij zij van rots tot rots springen, niet zelden tot aan het middel door het water waden of enkele armen der rivier overzwemmen moesten. Na een inspanningsvollen arbeid van ruim twee uren was het boveneinde van den kabel om een stevigen boomstam geslagen, die langs den oever boven de stroomversnelling[175]stond en haar geheel beheerschte; terwijl de kabel zelf in het midden langs de lengteas van het stroombed gelegd was en haar uiteinde tot bij de vaartuigen reikte. Nu bleven twee Dajaks bij den boom ter bewaking van den kabel en gingen de zes anderen te water en lieten zich door den woedenden stroom medeslepen, terwijl zij zich met een verbazende vlugheid en behendigheid aan den kabel vastklemden of, beter gezegd, dien door de handen lieten glijden. Menigmaal verdwenen zij onder het schuim in de draaikolken en sloeg het hart onzer Europeanen reeds sneller bij het duchten van een ongeluk; maar dan zagen zij de lange sluike haren van den zwemmer weer op het groenblauwe water verschijnen, het geheele hoofd opduiken, terwijl de eigenaar zich ijlings verder werkte.Het doel van die manoeuvre was, om zich te verzekeren, dat de kabel niet onder den een of anderen rotsklomp of boomstam geraakt was, waardoor bij het ophalen der vaartuigen een wezenlijk bezwaar, niet zelden een groot gevaar zoude kunnen ontstaan. Hoewel die kabel ruim 600 M. lang was, bereikten die koene zwemmers in weinige seconden haar benedenste uiteinde, en veegden zich het aangezicht af, alsof niets gebeurd was.In ieder der rangkans namen nu vijf mannen plaats, waarvan een de stuurpagaai hield; terwijl de vier anderen den kabel grepen, om zich daar langs tegen den zwaren stroom op te halen. Onmogelijk konden de rangkans die stijging te zamen volvoeren, maar moesten wachten, totdat ieder hunner den tocht volbracht zoude hebben. Vooreerst toch zoude de kabel niet sterk genoeg wezen om aan zoo’n krachtsinspanning weerstand te bieden. Ook zoude, wanneer een der voorste vaartuigen, een beletsel ontmoetende, kantelde of dwarsstrooms geraakte, haar ongeval noodlottig voor de achter[176]haar komende kunnen wezen en die insgelijks in het ongereede brengen.De rangkans volvoerden evenwel, dank zij de behendigheid der Dajaks en Poenans, dien tocht zonder eenig ongeval, zonder dat zelfs een spat water daarin iets bevochtigd had. Er ging een zucht van verlichting op zoowel uit de borst van Harimaoung Boekit en Amai Kotong als van de vier deserteurs, toen het laatste vaartuig boven gekomen was. De waterval toch stelde tusschen de Nederlanders en hen een slagboom daar, die wel niet onoverkomelijk geacht kon worden, toch niet gemakkelijk te overschrijden was en een verdere vervolging groote en eigenaardige bezwaren in den weg zoude leggen.Een groote zorg was nu den kabel naar boven te halen, want die moest nog meer dienst doen. Met dien arbeid waren ook een paar uren gemoeid. Herhaalde malen toch klemde hij vast tusschen rotsblokken en dan hielp geen vereend halen, al schreeuwde men nog zoo daarbij. Men zou hem eerder stuk getrokken hebben. Dan moesten weer een paar zwemmersbazen er langs naar beneden om den hinderpaal uit den weg te ruimen.De dames hadden geen langen weg af te leggen gehad. Wel was het pad, dat haar naar boven voerde, geen kegelbaan te noemen geweest en hadden zij nog al te klimmen gehad, waarbij de geleiders in de gelegenheid geweest waren galant hun sterke schouders of armen tot steun te kunnen aanbieden. Vermoeiend evenwel was die wandeling voor die natuurkinderen niet geweest. In minder dan een half uur was de beklimming geschied en zaten zij weldra bij den boom verzameld, om welks stam de kabel gebonden zoude worden. De jongsten kortten den tijd met gekeuvel en[177]geginnegap, waarbij zij de zwemmers dapper uitlachten, en de oudsten stookten verscheiden vuurtjes om het maal voor het geheele gezelschap te bereiden. Om de schoone sekse sloegen haar bewakers een beschermende keten van schildwachten, zoodat zij zich dan ook geheel en al in zekerheid gevoelden. Te midden van dat vrouwelijk gekakel liet zich plotseling een stem hooren:„Nom d’un chien!” riep La Cueille, terwijl hij met den kolf van zijn geweer ongeduldig op den grond stampte, „wat krieuwelt me toch zoo pijnlijk in den hals en op den rug?”En den lap, dien hij tot afwering der zonnestralen als halsdoek gebezigd had, afrukkende, slaakte hij een angstigen kreet, toen hij dien met bloed als doorweekt zag.„Mon Dieu! ayez pitié de moi!” riep hij radeloos. „Ik meende dat het zweet was, dat mij langs den rug en de borst droppelde.O, Sainte Vierge, ma patronne!ik ben zeker gekwetst?”Zijn makkers schoten toe; ook eenige Dajaks drentelden nabij, maar die mededoogenloozen lachten in plaats van deernis te toonen. Vóór nog dat de Waal eenig antwoord op zijn vraag bekomen had, had hij de vingers langs den hals laten glijden en aldaar eenige glibberige en slijmerige voorwerpen gevoeld, waarvan hij de hand schuw en vies terugtrok.„Mon Dieu!wat is dat?” vroeg hij angstig.„Halamantek,” was het flegmatieke antwoord van een Dajak.„Que dit-il?wat zegt hij.O, mon ange gardien!ik ben zeker weer door vergiftigde pijltjes verwond. Halamantek! wat is dat toch?”„Och loop heen, je stelt je aan als een nar,” grinnikte[178]Johannes. „Halamantek zijn eenvoudig boombloedzuigers, die je alleen maar wat van je venijnig Walenbloed afgetapt hebben.”Een zucht van verlichting verruimde de borst van den gekwetste. En werkelijk, bij den tocht over land had het pad door een zwaar bosch geleid en het was daarin, dat niet alleen de Waal, maar bijna allen, die de wandeling medegemaakt hadden, die lieve diertjes opgedaan hadden. La Cueille evenwel had, om welke reden bleef onbekend, het ruimste deel daarvan genoten.„De boombloedzuiger is een diertje,” verklaarde Johannes, „dat veel op een grauwen draad gelijkt, daarvan de dikte heeft en ongeveer een vinger lang wordt. Het huist op boomen, liefst op de onderste takken en bespringt van daar, mensch of dier, zijn prooi. Daartoe krult het draadje zich zoodanig te zaam, dat het mondeinde bij het achtereinde komt, terwijl daarbij het lichaam als een boogje bolvormig staat. Door het lichaam plotseling als met een ruk uit te strekken, verkrijgt de bloedzuiger een veerkrachtige beweging, die hem eenige passen ver slingert, maar met zulk een nauwkeurigheid, dat het diertje zelden zijn doel mist, waarop het zich dadelijk vasthecht. Fluks kruipt het onder de plooien der kleeding en begint gulzig zijn maaltijd. In den beginne is zijn steek niet pijnlijk, eerder wordt een lichte krieuweling opgewekt. Het is eerst later wanneer zich het dier volgezogen heeft en zoo dik als eene pink is, dat het wondje pijnlijk wordt.”„Dat heb ik drommels gevoeld,” gromde de Waal.„Weet je ook den wetenschappelijken naam van dien boombloedzuiger?” vroeg Wienersdorf.„Ja aan de oude talen heb ik niet veel gedaan,” lachte Johannes. „Hoe noemt men den bloedzuiger in het latijn?”„Hirudo,” antwoordde Schlickeisen.[179]„Nu dan zal het wel „hirudo springans” zijn.”Beide Zwitsers proestten het van lachen uit op dat dwaze antwoord.Inmiddels had de lieve Moendoet een flinke pruim tabak gegrepen, had die een oogenblik in wat kokend water laten aftrekken en waschte nu liefdevol den hals van haar hartedief daarmede. Onder het saamtrekkende van dat afkooksel vielen de bloedzuigers spoedig af en sloten de wondjes zich ras. De Waal was nu gerustgesteld.„Satané pays!” pruttelde hij evenwel, „waar je niet eens wandelen kunt gaan, of het wordt er op je bloed aangelegd.”„Ja, die dingen zullen we nu wel meer aantreffen,” zei Johannes, „die kunnen soms een ware plaag worden. We zullen het beste doen, steeds wat tabakswater in een onzer veldflesschen gereed te hebben. Moeten we dan tochten te land verrichten, dan is, bij onze Dajaksche kleeding, de moeite gering, om onze huid met dat vocht in te smeeren.”„Moeten we nog vele kihams passeeren?” vroeg Wienersdorf.„Ja, nog verscheidene; morgen zeker een viertal. Maar waartoe die vraag?”„Wel, dan zullen we ons viermaal met tabakssaus moeten insmeren. We zullen ten laatste stinken als de inhoud van den waterzak eener Duitsche pijp.”„Dat zal er wel nabij komen,” grinnikte Johannes. „Maar we hebben gelukkig geen entrée de salon te maken; of vrees je dat Hamadoe haar fijn neusje tegen je zal optrekken? Och, maak je daarover niet ongerust; ze is aan veel erger gewoon.”Toen de kabel eindelijk ingehaald was, had ook de zon haar loopbaan volbracht en dook zonder vele komplimenten[180]achter den boschrand in het westen weg. Onze mannen, vooral de Dajaks en de Poenans hadden een inspanningsvollen dag gehad en haakten naar rust. Er werd dan ook besloten den nacht in de nabijheid door te brengen. De rangkans werden op een rij aan een overhellenden boomtak stevig vastgebonden en wel zoo, dat zij nagenoeg in het midden van den stroom te wiegelen lagen. De vrouwen en kinderen namen daarin hun intrek, terwijl een tiental mannen in de beide vleugelvaartuigen plaats namen. Van dezen zoude minstens één waakzaam en op uitkijk blijven. De overige troep verdeelde zich in twee gelijke deelen, die ter zelfder hoogte als de rangkans op de beide oevers der rivier post vatten en ieder hunner zich met een keten schildwachten omgaven.Wienersdorf en La Cueille hadden wel de wacht op de vaartuigen in de nabijheid hunner aangebedenen willen betrekken; op de vertogen van Johannes zagen zij daar evenwel van af, om zich aan een degelijke waakzaamheid te kunnen wijden. De vier deserteurs verdeelden zich in dier voege, dat twee hunner op iederen oever aanwezig waren, waarvan minstens een steeds wakker en in de schildwachtenketen, hoewel aan geen vaste plaats gebonden, moest vertoeven.De voorzorgen waren uitmuntend genomen en getuigden van de zorgen, die Johannes steeds voor het algemeene welzijn trof. Zij waren evenwel overbodig, want de nacht ging rustig voorbij. De eenige stoornis, die voorviel, werd door Schlickeisen veroorzaakt. Deze hoorde bij zijn morgenwake, tegen het aanbreken van den dag, een gekraak in het bosch, dat den oever omzoomde. Hij keek scherp uit met het geweer vaardig. Eensklaps zag hij een troep herten van wel vijftig stuks, aangevoerd door een prachtig mannetje met veelvuldig vertakt gewei,[181]het talud afdalen om zich aan het kristalheldere rivierwater te komen drenken. Terwijl de kudde zich laafde en elkander verdrong, keek haar aanvoerder strak rond, snoof de lucht op en spitste de ooren. Hij stond boven op den taludrand, om het terrein te beter te kunnen overzien. Plotseling bij een beweging van den Zwitser, om zijn wapen in den aanslag te brengen, wierp het fraaie dier het gewei in den nek, stiet een schellen kreet uit en deed zijn eersten maar ook zijn laatsten sprong. De zoo zeker afgezonden kogel trof het dier in de volle borst. Van de steile hoogte aftuimelende, rolde het in het water en de stroom zou het zeker medegevoerd en door de nabijheid van den waterval buiten bereik gesteld hebben, ware het niet tegen de rangkans aangedreven, waar het met de veelvuldige punten van het gewei in de touwen vasthaakte en zoo als verankerd liggen bleef.De rest van de kudde was in een ommezien spoorloos verdwenen.Maar de schrik en de verwarring, toen dat schot met zijn honderdvoudige echo daar tusschen die steile en hoog begroeide oeverwanden, donderend weergalmde, waren groot zoowel onder de mannen als onder de vrouwen. Het was in de eerste oogenblikken een gegil van angst, waarbij de kinderen hun partij goed volhielden. Gelukkig dat de Europeanen zich beijverden de orde zoo spoedig mogelijk te herstellen en hun geruststellende stemmen te laten hooren; anders waren zeker ongelukken gebeurd. Nu leidde het geheele geval slechts tot een vervroegd ontwaken. Toen men vernam, wat aanleiding tot den schrik gegeven had, lachten de vrouwen met de veranderlijkheid harer inborst er het hardst om en duurde het niet lang of het geschoten hert was uit het water gehaald, gevild en gevierendeeld en beloofden de lekkerbekken zich een[182]uitnemend heerlijken beet straks bij het maal. Schlickeisen werd geluk gewenscht met zijn fraai schot. Hij evenwel nam zich voor, voortaan minder doldriftig te zijn en niet meer op ongelegen uren te schieten.Een uur later stevende deflotilleweer voorwaarts, den steeds meer en meer driftig wordenden stroom op.Ook dien dag had men met overgroote moeielijkheden te kampen. Niet ver boven Kiham Hoeras, nabij kotta Hoerakan, vervangt een grofkorrelige bruingele zandsteen de dioritische formatie. Deze zandsteen, veel spoediger aan verweering onderhevig, heeft met zijn brecciën, het rivierbed dermate opgevuld, dat er passages aangetroffen worden, waar een prauw niet door zoude kunnen komen en een rangkan nog behoedzaam moet sturen, om het soms uiterst smalle vaarwater te houden. Het puin van dezen zandsteen wordt gemakkelijk door de onstuimig voortschietende watermassa verplaatst en vormt bij die plaatsen in de rivier, waar de stroom minder sterk is, rolsteenbanken, die soms tot geheele eilanden aangroeien. Deze banken en eilanden worden door de bevolking „karangans” genaamd. Harimaoung Boekit verhaalde onze vrienden, dat die karangans zeer rijk aan stofgoud zijn en dat er niet zelden loovertjes, ja kleine klompen gedegen goud aangetroffen wordt. Het goud op die karangans gevonden, was het beste goud van de geheele Kapoeas.„We moesten ons geluk dan maar eens hier beproeven,” uitte La Cueille als zijn meening.„Te drommel neen,” antwoordde Johannes, „vooruit, vooruit ligt de weg. We zijn nog veel te dicht bij de Hollanders; we moeten eerst nog eenige watervallen tusschen hen en ons stellen.”„Daarenboven,” sprak Amai Kotong, „we kunnen zoo maar niet aan het goudwasschen gaan. We zouden het[183]spoedig te kwaad met de bevolking dezer streken krijgen. Iedere kotta heeft hier haar gronden en riviergedeelten, die zij niet ongestraft door vreemden zou laten aantasten.”„Nu vooruit dan maar,” gromde de Waal.Maar behalve het woeste riviergedeelte in de nabijheid dier karangans, had men heden vier kihams te bestijgen. De twee voornaamste daarvan, Koetoes Kala en Boenoet genaamd, vereischten veel inspanning, nog een graad erger dan te Kiham Hoeras. Het was dan ook ruim vier uur in den namiddag, toen de reizigers vermoeid en afgemat—althans het mannelijke gedeelte er van—te kotta Karangan aankwamen.Die kotta, op den linkeroever der Kapoeas gelegen, was een fraaie en machtige versterking, die een bevolking van ruim 2000 zielen telde. Hadden de doodshoofden, die de palissadeering van kotta Djankang versierden, den blik onzer deserteurs tot zich getrokken, hier waren zij ontzet van het groot aantal bekkeneelen, dat daar boven op die palen stond te bleeken. Hoe veel menschenlevens had het niet gekost, om dat getal bij elkander te krijgen? Niet het getal van de hoofden, die men daar zag prijken, kon dat bepalen, neen lang niet; want iedere koppensnellerstocht lokt van de tegenpartij weerwraak uit, die ook op haar kotta dergelijke gruwelijke versiering aanbrengt. Hier waren daarenboven niet alle schedels aanwezig. Kotta Karangan was veel rijker dan dat. In iedere woning in die sterkte hingen geheele rozenkranzen van die grijnzende doodshoofden en in de omliggende kotta’s werd met een soort van afgunst gemompeld, dat daar koppen van groote waarde onder waren, koppen van Europeanen, die ruim 2000 realen en van Chineezen, die de helft daarvan golden. Hoe men aan die zoo kostbare schedels kwam, werd niet medegedeeld.Amai Kotong had ook hier zijn bekenden en werd[184]zonder aarzelen binnen de kotta toegelaten. De aanwezigheid van Harimaoung en zijn Poenans wekte evenwel de grootste achterdocht en het kostte wezenlijk den gewezen Amai van kotta Djankang veel moeite om de Karanganners te overreden, het plegen van vijandelijkheden na te laten. Met behulp van Dalim en Johannes gelukte dat evenwel. Deze laatste herhaalde de fabel, te Kotta Baroe reeds opgedischt, namelijk: dat zij gezonden waren door het Nederlandsch bestuur, om te trachten met de Olo Ott in aanraking te komen en de gezindheid van dien stam op te nemen. Niet zonder inzicht had hij dan ook nog voor de aankomst te kotta Karangan de Nederlandsche vlag op den grootsten der rangkans geheschen. Nu vertoonde hij deftig het gezegelde papier, aan Damboeng Papoendeh ontnomen, en voegde er bij, dat het Poenanhoofd hem door den Grooten Heer te Bandjermasin toegevoegd was, om het samenkomen met de Otts te vergemakkelijken.Of de Karanganners dat verhaal geloofden, viel te betwijfelen. Wel bekeken zij met een soort van eerbied het zegel, in rood lak afgedrukt en onthielden zich van vijandelijkheden, maar stonden niemand van het geheele reisgezelschap dan alleen aan Amai Kotong toe, hun kotta te betreden. Aan de overigen wezen zij de tomoi die zij konden betrekken, aan. Dit was een geruststelling daar zij nu ook als gasten beschouwd werden; op dat punt zijn de wetten der gastvrijheid stellig en zouden niet geschonden worden.Onze zwervelingen konden zich dan ook zonder argwaan aan de nachtrust overgeven en hadden slechts te waken tegen de gevaren, die van buiten af zouden kunnen opdagen. Daartoe was het voldoende, dat een der vier Europeanen waakzaam was, vooral toen deze zich een paar Dajaks toevoegde, om op alles voorbereid te zijn.[185]

Gelukkig bleef Harimaoung Boekit verder van koorts bevrijd. De almacht van Johannes was dus ten volle bewezen, hetgeen zijn prestige niet weinig verhoogde. De ziekte van het Poenanhoofd had aanleiding kunnen geven de voorgenomen reis te vertragen; nu bestond daartoe geen enkel voorwendsel meer. De deserteurs drongen dan ook op een spoedig vertrek aan en met te meer klem, dewijl zij zeer goed inzagen, dat, waar zij thans zaten, een overval tot de zeer mogelijke gebeurtenissen behoorde. Het verwonderde hen reeds, dat zij nog niets van de benedenlanden vernomen hadden. Maar bij den eigenaardigen geest der inlandsche bevolking van Nederlandsch Indië, die van geen haast weet en voor wie het besef van tijdruimte bijna niet bestaat en dus haar beteekenis mist, was niet tot meer spoed te drijven. Steeds kwam er iets in den weg; nu eens moest dit of dat nog voor de reis toebereid worden; dan weer moest voor het vertrek een gewichtigebasara(proces) uitgewezen worden; een andere keer had de Antang kwade voorteekens gegeven en moest de reis uitgesteld worden om onberekenbare[162]maar toch zekere rampen te ontgaan. De Europeanen waren soms wanhopig onder al dat gedraal; zij waren nu al veertien dagen te kotta Djankang en onmogelijk zagen zij kans, zonder zich bloot te geven, aan dat gezeur paal en perk te stellen. Gelukkig dat van een andere zijde aandrang kwam, en aan dat getalm een einde maakte.

Op een morgen kwam een djoekoeng aan, door de gezanten afgezonden, waarbij zij berichtten, dat wel is waar, de onderwerping van kotta Djankang door het Nederlandsch bestuur aangenomen was, maar dat de kommandant van Kwala Kapoeas zelf zoude komen met een stoomschip om den toestand op te nemen en het nieuw gekozen hoofd af te halen; ten einde den eed van getrouwheid in handen van den resident te Bandjermasin af te leggen. Bij vertrek van Kwala Kapoeas, was men daar ieder oogenblik het stoomvaartuig wachtende, dat dien kommandant zoude overvoeren. De berichtgevers hadden dag en nacht doorgeroeid en op iedere geschikte plaats van roeiers verwisseld, om maar tijdig aan te komen.

Die tijding hielp. En Harimaoung Boekit èn Amai Kotong begrepen, dat nu ieder oogenblik dat vuurschip kon verschijnen en dat, wanneer het gebeurde, van een geregelde verhuizing, zoo als zij die voor hadden, geen sprake meer kon zijn, maar dat slechts een overijlde vlucht in de wildernis hun leven zoude kunnen redden. Nu was alles in rep en roer en waren alle handen ijverig bezig om de laatste toebereidselen te maken en de laatste beschikkingen te treffen. Nu dacht niemand meer aan het beeindigen van basarda’s; nog minder bekreunde zich iemand omtrent de vlucht der Antangs. De laatste nacht, dien men te kotta Djankang doorbracht, ging onder allerlei beslommeringen voorbij; en bij het aanbreken van[163]den dag was men in zoover tot vertrek gereed, dat nog slechts de kanonnen, die men dien nacht voor alle zekerheid nog in batterij gelaten had, aan boord der rangkans te brengen waren. Met de pootige armen onzer Europeanen was dat in een oogwenk geschied; en.… ja nu begon een afscheidnemen, waaraan geen einde scheen te zullen komen, toen Johannes eensklaps uitriep, terwijl hij met den vinger naar het zuiden wees:

„Banama asep! banama asep!!” (een rookschip, een rookschip.)

En werkelijk, boven den boschrand aan den zuiderhoek kronkelde een rookwolk omhoog. Dat gaf uitkomst. In allerijl nam nu een ieder plaats in de vaartuigen en in minder tijd, dan noodig is om het te vertellen, waren de tien rangkans, die de 165 personen, waaruit de volksverhuizing bestond, met al hun have en goed bevatten, van wal gestoken. De beseai’s kliefden krachtig het water, de lichte vaartuigen schoten vooruit; nog een hoera! zoowel door de vertrekkenden aangeheven, als door de achterblijvenden op den oever geschaard, en weldra was de kotta, die onze reizigers zoo gul opgenomen had, voor hun oogen verdwenen. Wel veegde Amai Kotong met den rug zijner hand een traan weg, die hem over de wang biggelde, bij het herdenken, dat hij daar op die plek, het grootste en schoonste gedeelte zijns levens gesleten had, maar met de kinderlijke veranderlijkheid, den inlander zoo eigen, was die traan weldra opgedroogd, en de herinnering uitgewischt, vooral toen hij de beseai opnam, om mede te roeien.

De rook, dien Johannes gezien had, was een loos alarm geweest; het was slechts de rook van een vuur, dat de wachthebbenden op dien hoek waarschijnlijk gestookt hadden. Maar die rook had de goede uitwerking van de roeiers[164]tot verdubbelden spoed aan te zetten en het gevolg daarvan was, dat in den letterlijken zin des woords de rangkans vooruitvlogen.

In het voorbijvaren kon La Cueille nog eens een blik werpen op de steenkolenader, die zich daar zoo gitzwart vertoonde tusschen het grijs van de schieferklei, waaruit de oever bestond, en waartusschen die ader besloten lag. Maar weldra waren zij die voorbij en bereikten zij nu de zone van de kalkformatie. Het terrein werd hier woester, de oeverwanden naakter; meestal verhieven zich die wanden loodrecht uit het water, soms helden zij schrikwekkend over de oppervlakte en dreigden met dood en verderf.

Nog altijd evenwel behield de rivier haar effen spiegel. Wel joegen haar wateren met spoed voorwaarts, maar zij was nog steeds bevaarbaar en de effenheid harer oppervlakte kon gerust tot die van haar bodem doen besluiten. Wel waren er in sommige bochten wielingen en draaikolken zichtbaar en golfde het water over kalkrotsen, die van de uitgespoelde oevers waren afgestort; maar met wat omzichtigheid en kennis van het vaarwater, waren die plaatsen wel te mijden en leverde de Kapoeas nog altijd een breed vaarwater, waarop een niet te lang stoomscheepje van zes voet diepgang zonder veel bezwaren had kunnen manoeuvreeren.

Een paar uren na het vertrek werd kotta Batoe Sambong bereikt. Amai Kotong stapte daar een oogenblik aan wal, om het hoofd van dien kampong, waarmede hij jaren lang als een goed buurman in vrede geleefd had, vaarwel te zeggen. Belangstellend kwamen de kottabewoners de vertrekkenden bij de prauwen begroeten en boden hun gebak en daarbij een hartigen teug toeak aan. Beiden werden dankbaar aangenomen, en niet alleen La Cueille, maar allen, zelfs de vrouwtjes,[165]die, voor zoover haar krachten zulks toelieten, ook de pagaai hanteerden, lieten zich een mondvol van het hartversterkende vocht goed smaken. Bij het vertrek was de aandoening algemeen; van weerszijden verloor men goede buren; in een land als dit waren die wel te waardeeren. En welke zou men in de plaats krijgen?

Het oponthoud had niet lang geduurd, een half uur hoogstens; maar toch nog veel te lang voor het ongeduld van Johannes. Die vooral voelde zich niet gerust, voordat hij den eersten waterval, dien slagboom voor de stoomschepen, achter den rug zoude hebben. Eenmaal daar achter, kon hem een uurtje dralen minder schelen. Dan konden de reizigers niet zoo plotseling en ook niet door zoo’n verpletterende overmacht overvallen worden. Moesten de Hollanders ook in rangkans tegen die watervallen op; och, dan kon men zich verweren, dan kwamen de kansen meer gelijk. Maar tot zoolang klonk zijn leus maar: vooruit! vooruit!! vooruit!!!

Op een korten afstand van kotta Batoe Sambong passeerde men een alleenstaande kalkrots van ongeveer 50 voet hoogte, die, toen Johannes zijn makkers er opmerkzaam op maakte, uit de verte gezien, den vorm bleek te hebben eener reusachtige vrouw met den hoofddoek om het hoofd gewonden in knielende houding. Tegen den voet dier rots brak de Kapoeas kokend en schuimend en veranderde nagenoeg rechthoekig van richting. Johannes vertelde hun verder, dat het aan dien steen was, die „batoe sambalajong,” saamgetrokken, „batoe sambong” heette, dat de kotta in de nabijheid gelegen, haar naam ontleende.

„Wat beteekent sambalajong?” vroeg Wienersdorf.

„Sambalajong is de naam van den witten hoofddoek, dien de weduwen dragen. Zoodra haar echtvriend dit tranendal verlaten heeft, is de Dajaksche vrouw[166]verplicht, zich geheel in het wit te kleeden en dus ook een witten hoofddoek te dragen.”

„Bijgevolg is wit de rouwkleur der Dajaks?” viel La Cueille in, „dat ’s net als bij de Chineezen.”

„Slechts met dat verschil, dat alleen het eerste stel kleederen, dat de weduwe na het overlijden aantrekt, wit moet zijn. Is dat versleten, dan moet zij het vervangen door een geheel zwart pak en dat dan dragen totdat het Tiwahfeest gehouden is.”

„Wat is dat voor een feest? Zoo een hebben wij nog niet bijgewoond, niet waar?” vroeg Schlickeisen.

„Neen, en het is niet te hopen dat wij er een te zien zullen krijgen. De Dajaks gelooven, dat na het overlijden de liau, de ziel of beter de levensvonk, naar den „Kawawohan boelau” (Dajakschen hemel) verhuist, maar dat de „karahang” of de ziel van het stoffelijk gedeelte des lichaams in de nabijheid van het lijk blijft zweven, totdat een groot feest,Tiwah1geheeten, gegeven is, waarbij de Balians haar bezweringsgezangen gillen om de karahang den hemel binnen te geleiden om met de liau tot een „hambaroeang” (volmaakte ziel) vereenigd te worden.”

„Mooi, dat weten we al weer,” meende La Cueille. „Maar, waarom heet die kalkrotsbatoe sambalajong?”

„Wel zie je dan niet, dat dat vrouwenbeeld een sambalajong, een weduwendoek op het hoofd heeft? Men zou batoe sambalajong of batoe sambong kunnen vertolken door weduwensteen, wat ook in de eigenlijke bedoeling heeft gelegen.”[167]

„Hoe zoo?” vroeg Wienersdorf nieuwsgierig. „Aan dien steen is zeker een legende verbonden, hè?”

„Ja zeker, evenals aan alle dergelijke steenen hier in de Dajaklanden. En een drommels mooie legende ook. Ik heb ze hooren vertellen bij een tocht, dien ik toen met den kommandant in deze streken gemaakt heb. Ik heb ze voor hem moeten opschrijven; daarvan weet ik ze zoo goed. Luistert:

„Daar ter plaatse, waar nu die steen staat, zou volgens de overlevering vroeger een hutje gestaan hebben, waarin de gelukkigste echtgenooten in de Dajaklanden zouden geleefd hebben. Maar helaas! niet steeds is in dit ondermaansche het geluk bestendig van duur. In de verre bovenlanden was een machtig opperhoofd gestorven en, om dien een prachtige uitvaart te geven, moest een groot aantal ongelukkige pandelingen geslacht worden. Wel had men een zeker aantal dier rampzaligen beschikbaar; maar zooals het hier in de bovenlanden wel meer gebeurt, de erfgenamen vonden het veel meer met hun belangen strookende, andere menschelijke wezens te offeren, dan wel hun eigen pandelingen, die, alles goed gerekend, toch door elkander een waarde van 200 gulden vertegenwoordigden. Maar hoe aan die andere wezens te komen? Wel niets eenvoudiger dan dat. Door gewapenderhand strooptochten bij de naburige stammen te ondernemen en bij die tochten te pogen alles wat maar mensch heet, mannen, vrouwen en kinderen, te ontvoeren, wordt op een niet te dure wijze den overledene een met zijn rang overeenkomend escorte naar de Dajaksche Elyzeesche velden medegegeven en kunnen de aanwezige pandelingen ten voordeele van den boedel behouden worden.

„Het was bij zulk een strooptocht dat het hutje, waarin ons paartje met ongekend geluk het leven[168]smaakte, overvallen werd. In het eerste oogenblik van verwarring was het de vrouw des huizes, onbewust van den aard van wat rondom haar voorviel, gelukt zich uit de voeten te maken en zich schuil te houden; maar toen de roovers met hun vaartuigen van wal staken en haar man en vijf kinderen gekneveld medevoerden, toen ontwaakten in haar de moeder en de echtgenoote; toen dacht de arme vrouw aan geen zelfbehoud meer, maar vloog in haar radelooze wanhoop naar den rivieroever, viel daar aan den rand des waters op haar knieën en bad en smeekte, dat men haar haar dierbaren zoude wedergeven. Doch welke hartverscheurende klanken de diep ongelukkige ook in den toon harer stem legde, alles te vergeefs!

„Een oogenblik echter hielden de roovers op met roeien. Niet dat hun hart zich met deernis vervulde, niet dat zij er aan dachten om de bede der rampzalige vrouw te verhooren, maar het getal slachtoffers was nog niet voltallig, en die vrouw, die hun ontsnapte, die nu, door haar wanhoop overstelpt, hoegenaamd geen gevaren zag, zou een wisse en gemakkelijke prooi zijn. Dat was wat den roeislag verlamde en de snelle stroom voerde reeds de prauw naar haar afvaartspunt terug en de ongelukkige echtgenoote en moeder tegemoet, toen in de verte de alarmtonen op de garantong zich hooren lieten en de roovers, beducht om door de vereenigde bevolking der naburige kampongs aangevallen te worden, hun beseai’s met kracht in het water sloegen en in een oogenblik met hun buit in de duisternis verdwenen waren.

„Ontroostbaar bleef de ongelukkige vrouw aan den rivieroever geknield liggen, het met tranen gevulde oog onafgebroken naar de plek, waar zij alles, wat haar op aarde dierbaar was, had zien verdwijnen. Dagen,[169]ja weken bleef zij zoo liggen, en lang had de tijding van den dood van haar man en haar kinderen haar bereikt; alle hoop op weerzien was vervlogen en toch bleef zij aan die plek geboeid, totdat de machtige Sangiang Assei, door zooveel wanhoop bewogen, de rampzalige weduwe in een verbazend grooten witten steen veranderde, welke steen bij die verandering haar geheele gedaante behield.

„Het volk knoopt aan die legende de voorspelling vast, als een onbestemde hoop van wat de beschaving in de toekomst brengen zal, dat wanneer een vuurschip dien Batoe Sambong zal voorbij stevenen, die steen weer zijn oorspronkelijke menschelijke natuur zal aannemen en alsdan een vreeselijken vloek over het koppensnellen en de menschenoffers zal uitspreken, waardoor al de daaraan schuldige stammen zullen omkomen.”

„Nom d’une pipe!” barstte de Waal los, toen Johannes zweeg. „Oef! je moet bekennen, dat het weer knapjes akelig geweest is. Ik geloof, dat jij pret in al die narigheden vindt. Je hebt nooit eens iets te vertellen, waarin wat van een lieve flinke meid voorkomt.”

„Kom, jij met je lieve flinke meid,” lachte Schlickeisen. „Kijk jij maar naar je Moendoet. Zie die eens lachebekken met een der roeiers.”

„We zullen haar hier in ons vaartuig nemen?” raadpleegde de Waal.

„Wel zeker! dan zul jij veel roeien kunnen,” beet Johannes hem toe. „Kom laat de deern lachen, het gaat haar zoo goed af. Als zij met je getrouwd zal wezen, zal ze tijd genoeg hebben om te huilen, misschien wel redenen ook.”

Allen lachten, behalve La Cueille, die door die aardigheid niets gesticht was.

„Maar,” hervatte Wienersdorf het vorige gesprek,[170]„ligt in die legende en in die voorspelling niet de toekomst opgesloten? Zullen de Europeanen niet eindelijk genoodzaakt zijn, de gruwelen, die hier te midden van het grootste, het schoonste en het rijkste eiland der aarde gepleegd worden, te vuur en te zwaard tegen te gaan? Zal de tijd niet komen, dat Borneo in den maalstroom der beschaving zal opgenomen worden, dat dan de vuurschepen den Batoe Sambong zullen voorbijstoomen, dat dan het rood der schaamte de kaken van hen zal verven, die zich heer en meester noemen van zoo schoon een land en dat dan dat koppensnellen, dat menschenslachten en nog meer menschonteerende gruwelen zullen ophouden?”

De Zwitser had met klimmende opgewondenheid gesproken. Bij zijn laatste vraag keek hij Johannes half uitdagend aan.

„Ja, dat zou zoo moeten zijn,” antwoordde deze bitter, „maar het is reeds lang geleden, dat het eerste vuurschip voor den Batoe Sambong zijn anker heeft laten vallen en, let er op, aan den toestand is niet veel veranderd. Er is sedert geen kop minder gesneld, er is sedert geen pandeling minder geslacht geworden. En dat zal wel zoo blijven, mits de rapporten maar van rustige rust gewagen; och! wat let het den beheerscher, wanneer de eene helft van Borneo de andere onthoofdt of gruwelijk slacht? Onder den invloed van het kilkoude flegma der Hollanders heeft de Batoe Sambong zijn gedaante behouden, hun vuurschepen hebben hem niet kunnen ontdooien; de steen is steen gebleven en heeft zijn vloek niet kunnen uitspreken, omdat de veroveraars vrede met al die gruwelen schijnen te hebben en niet alles willen aanwenden, om daaraan voor goed een einde te maken.”

Men had den Batoe Sambong al lang uit het gezicht verloren en Johannes was wellicht nog verder in zijn[171]beschouwingen gegaan, toen eensklaps het „halt” van den voorsten rangkan weerklonk. Men was bij Kiham Hoeras, den eersten waterval aangekomen. Reeds sedert lang had zich een dof gerommel, dat evenwel al duidelijker en duidelijker werd, laten hooren. Maar onder den indruk van het verhaal der Batoe Sambong-legende hadden de Europeanen niets gehoord. Nu evenwel de verhaler zweeg en ook het getiktak op den rand der vaartuigen, onvermijdelijk aan het pagaaien verbonden, ophield, nu klonk hun de verheven stem des waters in haar volle majesteit in de ooren en lag daar de schoone rivier, die in vele bochten, langs een hellend vlak tusschen ontelbare rotsen doorschuivende en klotsende, naar beneden schoot, vlak voor hen. Het benedengedeelte des Kihams werd gevormd door zware kalkrotsen, die in de grilligste gedaanten als door elkander geworpen schenen. Bij het hoogere gedeelte was die kalkformatie door plutonisch dioriet doorbroken en vertoonden zich de donkerblauwe rotsbanken tusschen den witten kalksteen aan de oppervlakte. Hier en daar kwam het bijna zwarte gesteente als verweerd te voorschijn en scheen in kogelvormige massa’s uit elkander gevallen te zijn. Maar verreweg het grootste gedeelte der dioriet-rotsen was gespleten en het gesteente vertoonde den vorm van regelmatige achtkantige zuilen. Bijna het geheele bovengedeelte van den Kiham Hoeras spreidde zich voor het oog ten toon, als een opeenstapeling van zulke woest over elkander gestorte zuilen. De indruk, door dat natuurtafereel op onze reizigers gemaakt, was machtig. In stomme bewondering zaten zij er naar te kijken, terwijl hun rangkan op het schuimende water als danste; zij hadden vooreerst geen woorden, om hun gedachten in te kleeden. Eindelijk riep La Cueille:

„Mille millions de pipes! que c’est beau!”[172]

Wanneer hij aangedaan was, de lezers zullen het wel opgemerkt hebben, dan uitte de Waal zijn gevoelens allereerst in het Fransch.

„Ja, ’t is mooi,” sprak Wienersdorf getroffen en met een van aandoening trillende stem; „kijk daar eens, hoe fraai geschakeerd die witte en zwarte steen door elkander gemengd is; ziet daar ginds dat plekje, de kunstigste mozaïekwerker der wereld zou het niet kunnen verbeteren!”

„En daar verder op, daar schijnt de kalksteen als uitgeknipt, ziet hem eens helder en uiterst fijn bewerkt op dat zwarte gesteente uitkomen; het is als een reusachtig kantwerk.”

„Ja, en van een minder broos maaksel dan uw Brusselsche, Mechelsche of Appenzellsche prullen,” voegde er Johannes aan toe.

„En ziet eens,” ging Wienersdorf in opgetogenheid voort, „die hooge en steile oeverwanden, waarin de kalksteen met den dioriet als om den voorrang twist en waarover het bekoorlijke zachte groen van reusachtige varens, als uitgebreide maar smaakvolle pluimen heenwuivende, die wanden als met een groen zijden net overspant, waarboven het sombere loof van het krachtig oorspronkelijk woud zich hoog in de lucht welft, als de trotsche gothische bogen eener middeneeuwsche kathedraal.”

„En ziet daar verder op, in de hoogte, daar hellen de boomstammen voorover en buigen de takken omlaag, vlechten zich, ook met de vele slingerplanten, in elkander om, als ’t ware, een lage spelonk te vormen, waaruit het wit schuimende water, als uit de machtige urn van den stroomgod, te voorschijn schiet.”

„Maar wat schijnt het hier stil, niet waar? Niets, niets dan het geraas van het voortijlende water,” sprak Wienersdorf. „Geen vogel, die zijn stem hooren laat, geen[173]dier, dat door zijn gebrul of geschreeuw die stilte verbreekt. Het is of het leven hier uitgestorven is.”

„Laat op je schieten!” lachte Johannes. „Ziekelijke verbeelding, anders niets. De dichter zoekt weer eenzaamheid, waar zij niet is. Het murmelen, het klateren, het klotsen en het donderen van den stroom overstemt alles; anders zou je het schrille geschreeuw wel hooren der zwermen grauwgroene parkieten2, die gindsche boomkruinen bevolken. Je zoudt die kudde „badjang’s” (herten)3, die daar ginds op de toppen der rotsen staan te grazen en ons nu en dan een angstigen en nieuwsgierigen blik toewerpen, hun harden doordringenden kreet hooren slaken. Je zoudt die kleine „bakai’s”4, die daar in de verte met behulp van hun lange staarten langs de boomtakken en langs de varens en de slingerplanten over den afgrond gymnastiseeren, hun opgewekt: kirah, kirah hooren uitgalmen. Neen, bij God! het leven is hier niet uitgestorven! Integendeel, het openbaart zich zoo krachtvol mogelijk rondom u, tot in de wateren toe, waarin je geheele scholen van prachtige zalmsoorten kunt zien, die dartelend in den schuimenden stroom vooruitschieten, maar zorgvuldig onze nabijheid mijden. Ja, de nabijheid van den mensch, vooral van den Europeaan, veroorzaakt soms een leegte rondom hem, welke hij zichzelven te wijten heeft. Ook[174]hier, hoe woest en wild de natuur zich ook vertoont, heeft het onredelijk wezen met het redelijke reeds kennis gemaakt en ondervonden, hoe gevaarlijk die kennismaking is. Straks, wanneer wij aanstalten maken zullen, om dien wilden waterstroom te beteugelen en naar boven te stevenen, dan zal je alles, als met een tooverroede aangeraakt, zien verdwijnen. Dan zal het in werkelijkheid stil en leeg rondom je zijn, zooals je dat nu droomt; maar dat zal volstrekt niet aan de natuur, maar uitsluitend aan den mensch, aan ons zelven te wijten zijn.”

Terwijl de deserteurs zoo redekavelden en philosopheerden, hadden de Dajaks alle maatregelen getroffen, om de gevaarlijke en moeitevolle bestijging van den kiham te volvoeren. Vrouwen en kinderen stapten aan wal en moesten te voet de rotsen beklimmen, die als het ware de trappen vormden tot het hooger gelegen terras, van waar de Kapoeas met geweld afschoot. Onze vier deserteurs met hun nimmer missende geweren en nog een vijftal Dajaks met hun lansen en mandauws gewapend zouden het schoone geslacht tot beschermers strekken; maar toch ook een wakend oog houden op hetgeen op de rivier kon gebeuren.

Al dadelijk werden de rottankabels, die onze zwervers in soengei Dahasan en soengei Basarang gesneden en de kettingen van de Tjipannas, die zij in soengei Naning opgedaan hadden, te voorschijn gehaald en aan elkander gebonden. Toen men daarmede klaar was, werd die lange kabel door een achttal mannen naar boven gehaald, waarbij zij van rots tot rots springen, niet zelden tot aan het middel door het water waden of enkele armen der rivier overzwemmen moesten. Na een inspanningsvollen arbeid van ruim twee uren was het boveneinde van den kabel om een stevigen boomstam geslagen, die langs den oever boven de stroomversnelling[175]stond en haar geheel beheerschte; terwijl de kabel zelf in het midden langs de lengteas van het stroombed gelegd was en haar uiteinde tot bij de vaartuigen reikte. Nu bleven twee Dajaks bij den boom ter bewaking van den kabel en gingen de zes anderen te water en lieten zich door den woedenden stroom medeslepen, terwijl zij zich met een verbazende vlugheid en behendigheid aan den kabel vastklemden of, beter gezegd, dien door de handen lieten glijden. Menigmaal verdwenen zij onder het schuim in de draaikolken en sloeg het hart onzer Europeanen reeds sneller bij het duchten van een ongeluk; maar dan zagen zij de lange sluike haren van den zwemmer weer op het groenblauwe water verschijnen, het geheele hoofd opduiken, terwijl de eigenaar zich ijlings verder werkte.

Het doel van die manoeuvre was, om zich te verzekeren, dat de kabel niet onder den een of anderen rotsklomp of boomstam geraakt was, waardoor bij het ophalen der vaartuigen een wezenlijk bezwaar, niet zelden een groot gevaar zoude kunnen ontstaan. Hoewel die kabel ruim 600 M. lang was, bereikten die koene zwemmers in weinige seconden haar benedenste uiteinde, en veegden zich het aangezicht af, alsof niets gebeurd was.

In ieder der rangkans namen nu vijf mannen plaats, waarvan een de stuurpagaai hield; terwijl de vier anderen den kabel grepen, om zich daar langs tegen den zwaren stroom op te halen. Onmogelijk konden de rangkans die stijging te zamen volvoeren, maar moesten wachten, totdat ieder hunner den tocht volbracht zoude hebben. Vooreerst toch zoude de kabel niet sterk genoeg wezen om aan zoo’n krachtsinspanning weerstand te bieden. Ook zoude, wanneer een der voorste vaartuigen, een beletsel ontmoetende, kantelde of dwarsstrooms geraakte, haar ongeval noodlottig voor de achter[176]haar komende kunnen wezen en die insgelijks in het ongereede brengen.

De rangkans volvoerden evenwel, dank zij de behendigheid der Dajaks en Poenans, dien tocht zonder eenig ongeval, zonder dat zelfs een spat water daarin iets bevochtigd had. Er ging een zucht van verlichting op zoowel uit de borst van Harimaoung Boekit en Amai Kotong als van de vier deserteurs, toen het laatste vaartuig boven gekomen was. De waterval toch stelde tusschen de Nederlanders en hen een slagboom daar, die wel niet onoverkomelijk geacht kon worden, toch niet gemakkelijk te overschrijden was en een verdere vervolging groote en eigenaardige bezwaren in den weg zoude leggen.

Een groote zorg was nu den kabel naar boven te halen, want die moest nog meer dienst doen. Met dien arbeid waren ook een paar uren gemoeid. Herhaalde malen toch klemde hij vast tusschen rotsblokken en dan hielp geen vereend halen, al schreeuwde men nog zoo daarbij. Men zou hem eerder stuk getrokken hebben. Dan moesten weer een paar zwemmersbazen er langs naar beneden om den hinderpaal uit den weg te ruimen.

De dames hadden geen langen weg af te leggen gehad. Wel was het pad, dat haar naar boven voerde, geen kegelbaan te noemen geweest en hadden zij nog al te klimmen gehad, waarbij de geleiders in de gelegenheid geweest waren galant hun sterke schouders of armen tot steun te kunnen aanbieden. Vermoeiend evenwel was die wandeling voor die natuurkinderen niet geweest. In minder dan een half uur was de beklimming geschied en zaten zij weldra bij den boom verzameld, om welks stam de kabel gebonden zoude worden. De jongsten kortten den tijd met gekeuvel en[177]geginnegap, waarbij zij de zwemmers dapper uitlachten, en de oudsten stookten verscheiden vuurtjes om het maal voor het geheele gezelschap te bereiden. Om de schoone sekse sloegen haar bewakers een beschermende keten van schildwachten, zoodat zij zich dan ook geheel en al in zekerheid gevoelden. Te midden van dat vrouwelijk gekakel liet zich plotseling een stem hooren:

„Nom d’un chien!” riep La Cueille, terwijl hij met den kolf van zijn geweer ongeduldig op den grond stampte, „wat krieuwelt me toch zoo pijnlijk in den hals en op den rug?”

En den lap, dien hij tot afwering der zonnestralen als halsdoek gebezigd had, afrukkende, slaakte hij een angstigen kreet, toen hij dien met bloed als doorweekt zag.

„Mon Dieu! ayez pitié de moi!” riep hij radeloos. „Ik meende dat het zweet was, dat mij langs den rug en de borst droppelde.O, Sainte Vierge, ma patronne!ik ben zeker gekwetst?”

Zijn makkers schoten toe; ook eenige Dajaks drentelden nabij, maar die mededoogenloozen lachten in plaats van deernis te toonen. Vóór nog dat de Waal eenig antwoord op zijn vraag bekomen had, had hij de vingers langs den hals laten glijden en aldaar eenige glibberige en slijmerige voorwerpen gevoeld, waarvan hij de hand schuw en vies terugtrok.

„Mon Dieu!wat is dat?” vroeg hij angstig.

„Halamantek,” was het flegmatieke antwoord van een Dajak.

„Que dit-il?wat zegt hij.O, mon ange gardien!ik ben zeker weer door vergiftigde pijltjes verwond. Halamantek! wat is dat toch?”

„Och loop heen, je stelt je aan als een nar,” grinnikte[178]Johannes. „Halamantek zijn eenvoudig boombloedzuigers, die je alleen maar wat van je venijnig Walenbloed afgetapt hebben.”

Een zucht van verlichting verruimde de borst van den gekwetste. En werkelijk, bij den tocht over land had het pad door een zwaar bosch geleid en het was daarin, dat niet alleen de Waal, maar bijna allen, die de wandeling medegemaakt hadden, die lieve diertjes opgedaan hadden. La Cueille evenwel had, om welke reden bleef onbekend, het ruimste deel daarvan genoten.

„De boombloedzuiger is een diertje,” verklaarde Johannes, „dat veel op een grauwen draad gelijkt, daarvan de dikte heeft en ongeveer een vinger lang wordt. Het huist op boomen, liefst op de onderste takken en bespringt van daar, mensch of dier, zijn prooi. Daartoe krult het draadje zich zoodanig te zaam, dat het mondeinde bij het achtereinde komt, terwijl daarbij het lichaam als een boogje bolvormig staat. Door het lichaam plotseling als met een ruk uit te strekken, verkrijgt de bloedzuiger een veerkrachtige beweging, die hem eenige passen ver slingert, maar met zulk een nauwkeurigheid, dat het diertje zelden zijn doel mist, waarop het zich dadelijk vasthecht. Fluks kruipt het onder de plooien der kleeding en begint gulzig zijn maaltijd. In den beginne is zijn steek niet pijnlijk, eerder wordt een lichte krieuweling opgewekt. Het is eerst later wanneer zich het dier volgezogen heeft en zoo dik als eene pink is, dat het wondje pijnlijk wordt.”

„Dat heb ik drommels gevoeld,” gromde de Waal.

„Weet je ook den wetenschappelijken naam van dien boombloedzuiger?” vroeg Wienersdorf.

„Ja aan de oude talen heb ik niet veel gedaan,” lachte Johannes. „Hoe noemt men den bloedzuiger in het latijn?”

„Hirudo,” antwoordde Schlickeisen.[179]

„Nu dan zal het wel „hirudo springans” zijn.”

Beide Zwitsers proestten het van lachen uit op dat dwaze antwoord.

Inmiddels had de lieve Moendoet een flinke pruim tabak gegrepen, had die een oogenblik in wat kokend water laten aftrekken en waschte nu liefdevol den hals van haar hartedief daarmede. Onder het saamtrekkende van dat afkooksel vielen de bloedzuigers spoedig af en sloten de wondjes zich ras. De Waal was nu gerustgesteld.

„Satané pays!” pruttelde hij evenwel, „waar je niet eens wandelen kunt gaan, of het wordt er op je bloed aangelegd.”

„Ja, die dingen zullen we nu wel meer aantreffen,” zei Johannes, „die kunnen soms een ware plaag worden. We zullen het beste doen, steeds wat tabakswater in een onzer veldflesschen gereed te hebben. Moeten we dan tochten te land verrichten, dan is, bij onze Dajaksche kleeding, de moeite gering, om onze huid met dat vocht in te smeeren.”

„Moeten we nog vele kihams passeeren?” vroeg Wienersdorf.

„Ja, nog verscheidene; morgen zeker een viertal. Maar waartoe die vraag?”

„Wel, dan zullen we ons viermaal met tabakssaus moeten insmeren. We zullen ten laatste stinken als de inhoud van den waterzak eener Duitsche pijp.”

„Dat zal er wel nabij komen,” grinnikte Johannes. „Maar we hebben gelukkig geen entrée de salon te maken; of vrees je dat Hamadoe haar fijn neusje tegen je zal optrekken? Och, maak je daarover niet ongerust; ze is aan veel erger gewoon.”

Toen de kabel eindelijk ingehaald was, had ook de zon haar loopbaan volbracht en dook zonder vele komplimenten[180]achter den boschrand in het westen weg. Onze mannen, vooral de Dajaks en de Poenans hadden een inspanningsvollen dag gehad en haakten naar rust. Er werd dan ook besloten den nacht in de nabijheid door te brengen. De rangkans werden op een rij aan een overhellenden boomtak stevig vastgebonden en wel zoo, dat zij nagenoeg in het midden van den stroom te wiegelen lagen. De vrouwen en kinderen namen daarin hun intrek, terwijl een tiental mannen in de beide vleugelvaartuigen plaats namen. Van dezen zoude minstens één waakzaam en op uitkijk blijven. De overige troep verdeelde zich in twee gelijke deelen, die ter zelfder hoogte als de rangkans op de beide oevers der rivier post vatten en ieder hunner zich met een keten schildwachten omgaven.

Wienersdorf en La Cueille hadden wel de wacht op de vaartuigen in de nabijheid hunner aangebedenen willen betrekken; op de vertogen van Johannes zagen zij daar evenwel van af, om zich aan een degelijke waakzaamheid te kunnen wijden. De vier deserteurs verdeelden zich in dier voege, dat twee hunner op iederen oever aanwezig waren, waarvan minstens een steeds wakker en in de schildwachtenketen, hoewel aan geen vaste plaats gebonden, moest vertoeven.

De voorzorgen waren uitmuntend genomen en getuigden van de zorgen, die Johannes steeds voor het algemeene welzijn trof. Zij waren evenwel overbodig, want de nacht ging rustig voorbij. De eenige stoornis, die voorviel, werd door Schlickeisen veroorzaakt. Deze hoorde bij zijn morgenwake, tegen het aanbreken van den dag, een gekraak in het bosch, dat den oever omzoomde. Hij keek scherp uit met het geweer vaardig. Eensklaps zag hij een troep herten van wel vijftig stuks, aangevoerd door een prachtig mannetje met veelvuldig vertakt gewei,[181]het talud afdalen om zich aan het kristalheldere rivierwater te komen drenken. Terwijl de kudde zich laafde en elkander verdrong, keek haar aanvoerder strak rond, snoof de lucht op en spitste de ooren. Hij stond boven op den taludrand, om het terrein te beter te kunnen overzien. Plotseling bij een beweging van den Zwitser, om zijn wapen in den aanslag te brengen, wierp het fraaie dier het gewei in den nek, stiet een schellen kreet uit en deed zijn eersten maar ook zijn laatsten sprong. De zoo zeker afgezonden kogel trof het dier in de volle borst. Van de steile hoogte aftuimelende, rolde het in het water en de stroom zou het zeker medegevoerd en door de nabijheid van den waterval buiten bereik gesteld hebben, ware het niet tegen de rangkans aangedreven, waar het met de veelvuldige punten van het gewei in de touwen vasthaakte en zoo als verankerd liggen bleef.

De rest van de kudde was in een ommezien spoorloos verdwenen.

Maar de schrik en de verwarring, toen dat schot met zijn honderdvoudige echo daar tusschen die steile en hoog begroeide oeverwanden, donderend weergalmde, waren groot zoowel onder de mannen als onder de vrouwen. Het was in de eerste oogenblikken een gegil van angst, waarbij de kinderen hun partij goed volhielden. Gelukkig dat de Europeanen zich beijverden de orde zoo spoedig mogelijk te herstellen en hun geruststellende stemmen te laten hooren; anders waren zeker ongelukken gebeurd. Nu leidde het geheele geval slechts tot een vervroegd ontwaken. Toen men vernam, wat aanleiding tot den schrik gegeven had, lachten de vrouwen met de veranderlijkheid harer inborst er het hardst om en duurde het niet lang of het geschoten hert was uit het water gehaald, gevild en gevierendeeld en beloofden de lekkerbekken zich een[182]uitnemend heerlijken beet straks bij het maal. Schlickeisen werd geluk gewenscht met zijn fraai schot. Hij evenwel nam zich voor, voortaan minder doldriftig te zijn en niet meer op ongelegen uren te schieten.

Een uur later stevende deflotilleweer voorwaarts, den steeds meer en meer driftig wordenden stroom op.

Ook dien dag had men met overgroote moeielijkheden te kampen. Niet ver boven Kiham Hoeras, nabij kotta Hoerakan, vervangt een grofkorrelige bruingele zandsteen de dioritische formatie. Deze zandsteen, veel spoediger aan verweering onderhevig, heeft met zijn brecciën, het rivierbed dermate opgevuld, dat er passages aangetroffen worden, waar een prauw niet door zoude kunnen komen en een rangkan nog behoedzaam moet sturen, om het soms uiterst smalle vaarwater te houden. Het puin van dezen zandsteen wordt gemakkelijk door de onstuimig voortschietende watermassa verplaatst en vormt bij die plaatsen in de rivier, waar de stroom minder sterk is, rolsteenbanken, die soms tot geheele eilanden aangroeien. Deze banken en eilanden worden door de bevolking „karangans” genaamd. Harimaoung Boekit verhaalde onze vrienden, dat die karangans zeer rijk aan stofgoud zijn en dat er niet zelden loovertjes, ja kleine klompen gedegen goud aangetroffen wordt. Het goud op die karangans gevonden, was het beste goud van de geheele Kapoeas.

„We moesten ons geluk dan maar eens hier beproeven,” uitte La Cueille als zijn meening.

„Te drommel neen,” antwoordde Johannes, „vooruit, vooruit ligt de weg. We zijn nog veel te dicht bij de Hollanders; we moeten eerst nog eenige watervallen tusschen hen en ons stellen.”

„Daarenboven,” sprak Amai Kotong, „we kunnen zoo maar niet aan het goudwasschen gaan. We zouden het[183]spoedig te kwaad met de bevolking dezer streken krijgen. Iedere kotta heeft hier haar gronden en riviergedeelten, die zij niet ongestraft door vreemden zou laten aantasten.”

„Nu vooruit dan maar,” gromde de Waal.

Maar behalve het woeste riviergedeelte in de nabijheid dier karangans, had men heden vier kihams te bestijgen. De twee voornaamste daarvan, Koetoes Kala en Boenoet genaamd, vereischten veel inspanning, nog een graad erger dan te Kiham Hoeras. Het was dan ook ruim vier uur in den namiddag, toen de reizigers vermoeid en afgemat—althans het mannelijke gedeelte er van—te kotta Karangan aankwamen.

Die kotta, op den linkeroever der Kapoeas gelegen, was een fraaie en machtige versterking, die een bevolking van ruim 2000 zielen telde. Hadden de doodshoofden, die de palissadeering van kotta Djankang versierden, den blik onzer deserteurs tot zich getrokken, hier waren zij ontzet van het groot aantal bekkeneelen, dat daar boven op die palen stond te bleeken. Hoe veel menschenlevens had het niet gekost, om dat getal bij elkander te krijgen? Niet het getal van de hoofden, die men daar zag prijken, kon dat bepalen, neen lang niet; want iedere koppensnellerstocht lokt van de tegenpartij weerwraak uit, die ook op haar kotta dergelijke gruwelijke versiering aanbrengt. Hier waren daarenboven niet alle schedels aanwezig. Kotta Karangan was veel rijker dan dat. In iedere woning in die sterkte hingen geheele rozenkranzen van die grijnzende doodshoofden en in de omliggende kotta’s werd met een soort van afgunst gemompeld, dat daar koppen van groote waarde onder waren, koppen van Europeanen, die ruim 2000 realen en van Chineezen, die de helft daarvan golden. Hoe men aan die zoo kostbare schedels kwam, werd niet medegedeeld.

Amai Kotong had ook hier zijn bekenden en werd[184]zonder aarzelen binnen de kotta toegelaten. De aanwezigheid van Harimaoung en zijn Poenans wekte evenwel de grootste achterdocht en het kostte wezenlijk den gewezen Amai van kotta Djankang veel moeite om de Karanganners te overreden, het plegen van vijandelijkheden na te laten. Met behulp van Dalim en Johannes gelukte dat evenwel. Deze laatste herhaalde de fabel, te Kotta Baroe reeds opgedischt, namelijk: dat zij gezonden waren door het Nederlandsch bestuur, om te trachten met de Olo Ott in aanraking te komen en de gezindheid van dien stam op te nemen. Niet zonder inzicht had hij dan ook nog voor de aankomst te kotta Karangan de Nederlandsche vlag op den grootsten der rangkans geheschen. Nu vertoonde hij deftig het gezegelde papier, aan Damboeng Papoendeh ontnomen, en voegde er bij, dat het Poenanhoofd hem door den Grooten Heer te Bandjermasin toegevoegd was, om het samenkomen met de Otts te vergemakkelijken.

Of de Karanganners dat verhaal geloofden, viel te betwijfelen. Wel bekeken zij met een soort van eerbied het zegel, in rood lak afgedrukt en onthielden zich van vijandelijkheden, maar stonden niemand van het geheele reisgezelschap dan alleen aan Amai Kotong toe, hun kotta te betreden. Aan de overigen wezen zij de tomoi die zij konden betrekken, aan. Dit was een geruststelling daar zij nu ook als gasten beschouwd werden; op dat punt zijn de wetten der gastvrijheid stellig en zouden niet geschonden worden.

Onze zwervelingen konden zich dan ook zonder argwaan aan de nachtrust overgeven en hadden slechts te waken tegen de gevaren, die van buiten af zouden kunnen opdagen. Daartoe was het voldoende, dat een der vier Europeanen waakzaam was, vooral toen deze zich een paar Dajaks toevoegde, om op alles voorbereid te zijn.[185]

1Tiwahzou volgens ettelijke geleerden van het sanskritsch woord Deva (God) afgeleid zijn.Tiwahbeteekent evenwel in het Dajaksch „vrij” of „bevrijd zijn”. Dit komt meer met den aard van het feest overeen. Zie overigens daarover de meer aangehaalde Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑2De groene grasparkietMelopsittacus Gld.↑3Het in die streken meest voorkomende hert, soms in troepen van 200 stuks, is groot en slank met bruin-grauwen pels. Het is deCervus russader geleerden.↑4Bakai is een kleine soort van aap, die ternauwernood 1½ voet hoog wordt. Hij heeft een lichtgrauwen pels, die op den buik zuiver wit is. Het dier heeft een staart, die ruim tweemaal de lengte van zijn lichaam meet. Van dien staart bedient het zich als van een hand. De bakai behoort tot de slingerapen of semnopethici.↑

1Tiwahzou volgens ettelijke geleerden van het sanskritsch woord Deva (God) afgeleid zijn.Tiwahbeteekent evenwel in het Dajaksch „vrij” of „bevrijd zijn”. Dit komt meer met den aard van het feest overeen. Zie overigens daarover de meer aangehaalde Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑2De groene grasparkietMelopsittacus Gld.↑3Het in die streken meest voorkomende hert, soms in troepen van 200 stuks, is groot en slank met bruin-grauwen pels. Het is deCervus russader geleerden.↑4Bakai is een kleine soort van aap, die ternauwernood 1½ voet hoog wordt. Hij heeft een lichtgrauwen pels, die op den buik zuiver wit is. Het dier heeft een staart, die ruim tweemaal de lengte van zijn lichaam meet. Van dien staart bedient het zich als van een hand. De bakai behoort tot de slingerapen of semnopethici.↑

1Tiwahzou volgens ettelijke geleerden van het sanskritsch woord Deva (God) afgeleid zijn.Tiwahbeteekent evenwel in het Dajaksch „vrij” of „bevrijd zijn”. Dit komt meer met den aard van het feest overeen. Zie overigens daarover de meer aangehaalde Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑

1Tiwahzou volgens ettelijke geleerden van het sanskritsch woord Deva (God) afgeleid zijn.Tiwahbeteekent evenwel in het Dajaksch „vrij” of „bevrijd zijn”. Dit komt meer met den aard van het feest overeen. Zie overigens daarover de meer aangehaalde Ethnographische beschrijving der Dajaks.↑

2De groene grasparkietMelopsittacus Gld.↑

2De groene grasparkietMelopsittacus Gld.↑

3Het in die streken meest voorkomende hert, soms in troepen van 200 stuks, is groot en slank met bruin-grauwen pels. Het is deCervus russader geleerden.↑

3Het in die streken meest voorkomende hert, soms in troepen van 200 stuks, is groot en slank met bruin-grauwen pels. Het is deCervus russader geleerden.↑

4Bakai is een kleine soort van aap, die ternauwernood 1½ voet hoog wordt. Hij heeft een lichtgrauwen pels, die op den buik zuiver wit is. Het dier heeft een staart, die ruim tweemaal de lengte van zijn lichaam meet. Van dien staart bedient het zich als van een hand. De bakai behoort tot de slingerapen of semnopethici.↑

4Bakai is een kleine soort van aap, die ternauwernood 1½ voet hoog wordt. Hij heeft een lichtgrauwen pels, die op den buik zuiver wit is. Het dier heeft een staart, die ruim tweemaal de lengte van zijn lichaam meet. Van dien staart bedient het zich als van een hand. De bakai behoort tot de slingerapen of semnopethici.↑


Back to IndexNext