XXVI.

[Inhoud]XXVI.Een Dajaksch ontbijt.—„Kalamboe-ei” en „bakatak”.—Een eiland.—De „boehies”.—Moordpartij.—De bezoarsteenen.—Een nieuw model soep.—In veilige haven.—De storm.—De „soho”.—Kotta Samoehing.—Oorlogsgeruchten.—Beraadslaging.—Niet terug; maar vooruit naar soengei Sirat.—De laatste dag op de Kapoeas.Met het aanbreken van den dag waren de reizigers weer tot vertrek gereed. Toen dat oogenblik gekomen was, deelde Johannes een twintigtal stengen tabak aan de voornaamsten van kotta Karangan uit; aan de echtgenoote van het hoofd bood hij een halssnoer van fraaie glaskralen uit de pacotille van Baba Poetjieng aan, welke oplettendheid zeer gewaardeerd werd, en dan ook allen argwaan wegnam. Als tegenbeleefdheid beijverde de gastvrouw zich den vertrekkenden pakjes „parei poeloet” (ketanrijst) in pisangbladeren gewikkeld, aan te bieden en bij ieder dier pakjes een flink stuk gebraden „kalamboe-ei” of „bakatak” te voegen. Een flinke teug dubbel overgehaalden toeak werd ook ieder der reizigers gegund.Dien toeak dronk La Cueille met graagte. Hij smakte nog lang daarna met tong en lippen, veegde zich begeerig den mond af en begon zijn ontbijt. De kleverige rijst was hem bekend; met wat fijn zout, fijn geraspte klappernoot[186]smaakte zij niet kwaad. Maar met een wantrouwend oog bekeek hij de vleeschspijzen, die hem zoo maar in de hand gestopt waren. Hij rook er eens aan. Verduiveld! die geur kittelde aangenaam zijn reukorganen. Hij zette er de tanden in en waarachtig de smaak overtrof nog den geur. Hij verbande alle herinneringen aan paalworm en slangen en liet zich het zoodje goed smaken, totdat Johannes hem vroeg, of hij wel wist, wat hij daar at.„Om het even,” antwoordde de Waal, „’t is afgedriedonders lekker!”„Als het je maar smaakt, dan is alles goed. Ik vind het ook lekker, al is het wat vies.”Met een stuk in den geopenden mond, keek de Waal Johannes aan.„Wat is het dan?” bracht hij stotterend uit, terwijl hij de hand aan den mond bracht.„Neen, laat zitten; ’t is te lekker om weg te gooien. Daarenboven, zoo erg is het niet. De „kalamboe-ei” is een vuistdikke tuinslak met prachtige schelp.”De Waal kokhalsde reeds.„En het andere?” vroeg hij met vertwijfelende stem.„De „bakatak” is een groene kikvorsch, die hier allerwege langs de rivierboorden gevonden wordt.”„O, mon Dieu!” kreunde de Waal met een verdachte beweging van zeeziekte.„Kom, wat is dat voor gekheid!” riep Johannes, „je bent toch nu lang genoeg in de Dajaklanden, om die meisjesgrillen afgeleerd te hebben. Daar, drink eens voor het vet.”En meteen gaf hij hem een bamboemaatje met jenever gevuld over. In een slok sloeg de Waal den inhoud naar binnen en zei, terwijl hij zich de maagstreek wreef:[187]„Fichtre! dat smaakt; voor nog zoo’n borrel eet ik tien slakken op.”„Dat wil ik wel gelooven,” lachte Johannes, „die tien slakken zouden evenwel je maag bezwaren. Je hebt daarenboven nu genoeg hartversterking. Pruim je rijst nu maar op.”La Cueille gehoorzaamde stipt; maar hij moffelde toch het lekkere gebraad weg en moest zich omkeeren van walging, toen hij zijn Moendoet zich met een genotvol gelaat de vingers zag aflikken. Hij nam zich voor, haar in volle vier en twintig uren geen zoen te geven.Na afloop van dat lekkere maal nam een ieder weer zijn plaats in de vaartuigen in, en onder een luid hoera zette zich de rangkanvloot in beweging.De stroom werd al meer en meer woest en de vaart moeielijker. Wel had men heden slechts drie kihams te boven te komen, die daarenboven niet lang, niet bochtig en derhalve niet veel moeielijkheden opleverden; maar de rivier zelve werd al smaller en smaller en al meer en meer ondiep. Haar watervermogen verminderde allengskens en bij iedere zijrivier, die men voorbijvoer, deed zich dat al meer en meer gevoelen. Toen men kotta Karangan eenige uren achter den rug had, zagen de Europeanen in, dat het overgaan in rangkans van een goede bekendheid met deze streken getuigde. Al had men ook hun prauw tegen de kihams kunnen ophalen, hier toch had zij de vaart moeten staken.Van kotta Karangan af was het terrein een ware chaos. De taluds der rivier vertoonden een onregelmatige opvolging van kalklagen, diorietmassa’s en zandsteen, hier en daar doorsneden met calcedonen en vuursteenen, het alles gedekt door een dikke humuslaag, die aan een rijken plantentooi het noodige voedsel verschafte.[188]Tegen den middag legde deflotillebij een eilandje aan, dat bestond uit verblindend wit zand, spaarzaam met kleine afgeronde witte keitjes vermengd. Een eiland was het eigenlijk niet; het was niets anders dan een zandbank, die thans bij den lagen waterstand boven de oppervlakte verscheen. Door de geringe breedte der rivier kon het woud op de beide oevers dit plekje overschaduwen, zoodat het een bekoorlijk rustpunt aanbood. Tenauwernood had het reisgezelschap de vaartuigen verlaten, om zich de beenen wat te ontspannen, toen men een geheele troep „boehies”1door de hooge boomen zag voltigeeren. Nieuwsgierig als alle vierhandige dieren, naderden zij den boschrand en gluurden, onder het maken van allerlei koddige luchtsprongen, naar hetgeen de reizigers daar op dat eiland uitvoerden. Al meer en meer vertrouwvol wordende, naderden zij, naderden nog meer; ja eenige der jongeren waagden zich tot op de onderste takken, lieten zich aan hun lange staarten afhangen en wiegelden zich zoo vlak boven de hoofden der menschen, die zij bijkans met hun voorhanden konden aanraken. Toen de vertrouwelijkheid zoo ver gevorderd was, sprak Harimaoung Boekit eenige woorden, waarop de vier Europeanen hun geweren met groven hagel en gekapt lood laadden en eenige Dajaks hun blaasroeren grepen.Nog altijd sprong de lustige apenkolonie boven de hoofden der menschen, onbewust van het gevaar, dat dreigde. Op een gegeven teeken knalden de geweerschoten en een twaalftal boehies stortten voor het meerendeel doodelijk gewond neder. Hartverscheurend was het geklaag, dat deze gekwetste dieren aanhieven.[189]Hun makkers verdwenen in allerijl. Toch niet allen; een moeder, die haar jong onder het moordend lood had zien vallen en zelve ongedeerd was gebleven, liet zich van boven afvallen, greep haar stervend kind, klemde dat aan de borst en sprong, vóór dat er zich iemand tegen verzetten kon, te water, dook onder, bereikte den oever en was in een oogwenk in het dichte groen verdwenen. Een ander der gekwetsten viel niet. Krampachtig hield hij zich met de achterhanden vast aan den tak, waarop hij zich kluchtig verlustigde, toen de menschen hun moordaanslag volvoerden. Een oogenblik hing hij daar; men kon hem met de hand bijna aanraken. Tranen droppelden hem uit de oogen en met de voorhanden hield hij zich de borst omklemd, terwijl het bloed hem tusschen de vingeren doorsijpelde. Daar had hij een gapende wond, het scheen wel een snee, waarschijnlijk door het afschampen van een scherphoekig stuk lood te weeg gebracht. Klaaglijk klonk het gesteun van het arme dier; zijn blik had een weemoedig verwijtende uitdrukking, alsof het vragen wilde: „wat heb ik u toch gedaan, om mij zoo te behandelen?” De uitdrukking van dien blik was zoo meewarig, dat geen der Dajaks, zelfs geen der woeste Poenans een vinger uitstak, om zich van het dier meester te maken. Allen stonden met het oog vol deernis toe te kijken. Eindelijk verzamelde de arme boehies al zijn krachten, greep met de voorarmen den tak, waaraan hij hing, tilde zich omhoog en zette zich neder. Nu plukte hij eenige bladeren en jonge spruiten, kauwde die fijn en legde de zoo gevormde pap op de wond. Nu hield hij zich een wijl stil, als om adem te scheppen; waarna hij zich met behulp van zijn staart en drie zijner handen, terwijl de vierde de wond bleef bedekken, langzaam verwijderde en tusschen het donkere loof verdween.[190]Bij dat schouwspel èn van die moeder, die alles waagde, om haar kind te redden, èn van dien gekwetste, die met zulk een welsprekende mimiek de deernis zijner beulen wist in te roepen, hadden de Europeanen spijt gevoeld, zich tot die moordpartij te hebben laten verleiden. Maar nog voor zij hun gevoelens hadden kunnen uiten, waren de Dajaks met den mandauw in de hand op de gekwetste apen toegesprongen en hadden ze niettegenstaande hun hartverscheurend geschreeuw in een oogenblik gedood. Nu begon een afzichtelijk schouwspel. Ieder, die een lijk in handen hield, haastte zich den buik daarvan open te snijden, om met volle handen in de lauwe ingewanden te wroeten. In de darmen van sommige dieren, maar vooral van de boehies, wordt dikwijls een groenachtige steen ter dikte van een groote erwt aangetroffen. In vroegere tijden werd dien steen door de blanken een buitengewone geneeskundige kracht toegeschreven. In Europa werd hij onder den naam van bezoar ter markt gebracht, alwaar hij toen met het zeldzaamste edelgesteente in kostbaarheid wedijverde. In den tegenwoordigen tijd is zijn oude roem, althans bij de blanken, verdwenen, maar bij de bewoners van den geheelen Indischen Archipel heeft hij nog een zekere waarde behouden en geldt zulk een groene erwt, zoowel te Batavia als te Singapore soms 200 gulden.Onze reizigers waren uiterst gelukkig geweest bij deze vangst. Soms kan het gebeuren, dat de jager drie, ja meer boehies doodt, alvorens een „batoe galiga”, zoo is de Dajaksche naam van den bezoar, te vinden. Thans had men twaalf apen gedood en daaruit werden acht steenen te voorschijn gehaald, die, wel is waar, niet allen even groot en onberispelijk van samenstel waren, maar die toch door elkander elk 150 gulden waard waren. Harimaoung Boekit verzamelde ze grinnekend, stopte ze in een[191]bamboecylindertje en bood ze als een bewijs van dankbaarheid aan den redder zijns levens en als een bewijs zijner toegenegenheid aan den aanstaanden echtgenoot zijner zuster aan.„Dat spekt de mas!” mompelde La Cueille, „Crétonnerre, als ieder schot honderd vijftig gulden kon opbrengen; jongens! ik ga op den uitkijk zitten en ieder boehies, dien ik ontwaar is de mijne.”„Je kunt je de moeite voorloopig gerust sparen,” antwoordde Johannes. „Die apensoort is zoo heel overvloedig niet. Het kost soms vrij wat moeite, om er een in het gezicht te krijgen. En nu dat geweervuur tusschen dien troep weerklonken heeft, drommels! je zoudt hier lang kunnen wachten, voor dat je er nog een van te zien kreegt.”„Ik heb nog veel batoe galiga te soengei Miri,” gniffelde Harimaoung Boekit tegen Johannes. „Als we daar zijn, heb ik u een ruil voor te slaan voor de kanonnen, die ge van kotta Djankang medegenomen hebt. Die zou ik gaarne op mijn kotta zien prijken.”„Als we daar zijn, waarde Amai, zullen we daarover verder praten,” kreeg de Poenan ten antwoord. „De kanonnen, wellicht ook de geweren, zult ge kunnen krijgen.”„Ik begin te gelooven,” mengde de Waal zich in het gesprek, „dat we niet met ledige handen thuis zullen komen.”„Dat zou wel kunnen zijn; maar.… voor alles moeten we trachten te huis te komen; en zoo ver zijn we nog niet, reken daar maar op.”De Waal zuchtte eens diep.Terwijl dit alles voorviel, hadden de vrouwtjes van het reisgezelschap den tijd uitstekend benuttigd, om het maal gereed te maken. Bijna op alle plekjes van het eilandje brandden vuurtjes en de geheele atmospheer rook zoo lekker, dat buiten het ongeduld om verder te[192]stevenen, ook nog de aanspraken van de maag zich deden gelden.Eindelijk zat of beter lag de geheele reiskolonie, in verschillende groepen verdeeld, rondom de matten, waarop de gaven des Scheppers uitgestald en aangerecht waren. Hoopen dampende rijst, bijna sneeuwwit, droog van korrel gekookt en daarbij een menigte potjes en bladeren als schaaltjes met toespijs gevuld. Het hertenvleesch van den bok, des morgens geschoten, verscheen in allerhande vormen, was rechtvaardig verdeeld en scheen allen goed te smaken.Op de mat, waarom deEuropeanengelegen waren, stond een koperen pot, hermetisch met een houten deksel gesloten. Eerst hadden de reizigers daar niet op gelet; nu de honger ietwat verzadigd was, begon die hun nieuwsgierigheid gaande te maken.„Wat zou daar toch in zijn?” vroeg La Cueille.„Och, dat’s soep,” sprak Johannes, „de lui hebben vernomen, dat die te Bandjermasin nog al eens gegeten wordt en, om ons te verrassen, hebben de vrouwtjes die klaar gemaakt.”„Soep,” vroeg Schlickeisen, „soep? wel dat had je wel eerder kunnen zeggen, dan hadden we ons maal met een lekker bord kunnen beginnen. Maar om het even, smaken zal ze toch wel.”En den pot naar zich toehalende, nam hij het deksel af, en snoof met wellust de heerlijke geuren, die zich verspreidden, op. Nu stak hij er een lepel in en maakte aanstalten zich een klapperdop vol op te scheppen, maar met een kreet liet hij plotseling den lepel vallen, greep een soort tweetandige houten vleeschvork, stak daarmede in den pot en haalde iets voor den dag, dat allen—Johannes uitgezonderd—van ontzetting deed achteruit deinzen. Tusschen de tanden van den[193]vork bekneld, vertoonde zich als het ontvleesde hoofd van een kind en aan dat hoofd was nog het lichaam verbonden, dat ten halve nog uit den pot getild, twee armen met welgevormde handjes vertoonde. Sprakeloos en vol afschuw keken de Zwitsers en de Waal die gedaante aan. Schlickeisen had het besef niet, de vleeschvork los te laten. Hij stond daar als aan den grond genageld.„Wat is er? wat hebt jullie nu weer voor een kippenkuur?” vroeg Johannes.„Maar zie je dan niet?” was het hijgende antwoord van La Cueille.„Wat, die soep? Zeker zie ik die, die zal drommels lekker smaken.”„Ze willen menscheneters van ons maken!” gilde de Waal. „Dat nooit!”„Menscheneters?” vroeg Johannes onnoozel. „Kom, hou me niet voor den gek.”En Schlickeisen op zijde duwende, vulde hij zijn klapperdop met de geurige soep, zette dien aan den mond en slurpte met volle teugen.„He!” riep hij, eindelijk eens ademhalende, „verduiveld lekker!”„Hoe kun je zoo iets doen?” vroeg Wienersdorf met diepen weemoed in de stem. „Verwildert dan de mensch geheel en al in dit gevloekte land?”„Dat ik wat heb kunnen doen?” vroeg Johannes schijnbaar verbaasd.„Wel, die menschensoep drinken!”„Menschensoep?!!”„Ja, menschensoep! zie je dan dat kind niet, dat Schlickeisen te voorschijn heeft gebracht?”De Sienjo had zijn doel bereikt; die domme Europeanen waren er mooi ingeloopen. Hij schaterde het uit.[194]„Menschensoep! die krijgt jullie in Europa, zelfs in hetGrand Hôtel du Louvreniet! Onbetaalbaar!” gierde hij uit. „Ik lach me nog een ongeluk.”En de vork uit de hand van Schlickeisen grijpende, tilde hij de vleeschmassa verder uit den pot, waardoor met twee lange beenen, van handen voorzien, ook een ellenlange staart te voorschijn kwam.„Een aap!” riep La Cueille.„Een boehies, een van die, welke wij straks geschoten hebben. De vrouwtjes hebben dat dier netjes in kokend water gestopt, om hem van zijn pels te ontdoen en toen een lekkere soep daarvan bereid.”De Waal en de twee Zwitsers stonden met de hand voor den mond even ernstige gezichten te trekken, alsof de zekerheid, dat het geen menschensoep was, hen even ontsteld had, als straks de meening, dat het een kind was, dat zij gezien hadden. De walging, die zij aan den dag legden, nu zij overtuigd waren, dat het apensoep was, kon niet erger zijn, al legde Johannes hun ook uit, dat een aap een der zindelijkste dieren der schepping is, die zich met niets dan met plantaardig voedsel voedt en daarbij uiterst kieskeurig is.„Als gij daar eens mede vergelijkt het varken en de kip,” riep hij uit, „waarvan het vleesch u zoo smaakt, dan begrijp ik niet, wat ge tegen het verorberen van een aap hebt.”„Maar die gelijkenis! ’t is alsof je je broer opeet!” sprak Schlickeisen nog steeds ontzet.„Te drommel!” hernam Johannes lachende, „dat is een argument, hetwelk Darwin vergeten heeft aan te halen, om zijn beroemde stelling aannemelijk te maken; namelijk, de afschuw, dien de mensch heeft van apenvleesch, omdat hij het bewustzijn heeft zijn broeder op te peuzelen. ’t Is waar, dat de Dajak dien afschuw niet[195]kent en dien ook niet voor het menschenvleesch gevoelt.”Johannes kon oreeren als wijlen Demosthenes, maar overtuigen kon hij zijn makkers niet. De soep bleef dan ook onaangeroerd, behalve de flinke portie, die hij zelf er van verorberde en het been, waarvan hij de kuit met graagte afkluifde en die hem bijzonder smaakte.Toen het maal verorberd was, werd de reis voortgezet Sedert het vertrek van kotta Djankang was het terrein al meer en meer oploopend geworden; het waren evenwel nog slechts heuvels, die men ontwaard had, waarvan de hoogste slechts 250 voet bereikten en waartusschen de Kapoeas zich heen slingerde. Van nu af begonnen de reizigers in het noorden en noordwesten een bergketen in het gezicht te krijgen, die als zeer uitgesneden, een menigte toppen in de verte vertoonde. Johannes wees zijn makkers die keten en duidde hun aan, dat zij daarover moesten, om de Chineesche zee te kunnen bereiken. Maar, voegde hij er zuchtende bij:„We beginnen thans de zuidelijke helling te zien; wanneer wij de andere helling zullen afdalen, dat weet God alleen.”Met kracht werd voortgeroeid. Het kon omstreeks drie uur in den namiddag zijn, toen Amai Kotong het teeken gaf, om aan te leggen. Men bevond zich toen voor de monding der soengei Samoehing, die men, na een korte beraadslaging onder de Dajaks, binnen stevende. Johannes vroeg aan Harimaoung Boekit, wat dat te beteekenen had, daar men nog ruim een drietal uren zou kunnen doorreizen en wellicht Toembang Roengoi bereiken. Zonder antwoord te geven, wees de Poenan naar den hemel in het noorden, die daar erg donker uitzag en een onweder voorspelde. Dalim vertelde den Europeanen, dat een „soho” een watervloed, in de maleische streken „bandjer” genaamd, hier zeer gevaarlijk[196]kon zijn. Het water rijst dan plotseling en stroomt met onweerstaanbaar geweld. De vaartuigen, er door overvallen, worden in weerwil van alle inspanning medegesleept en loopen groot gevaar in den een of anderenlabehoe(draaikolk) te gronde te gaan, of op de rotsen der kihams verbrijzeld te worden. Zoodra men binnen de monding der Samoehing was, beijverden de reizigers zich, de lichte rangkans zoo hoog mogelijk op den zacht glooienden oever te halen, om ze buiten het bereik van het water te brengen. Ter nauwernood was men met dien arbeid klaar, of een gerommel liet zich hooren als van een verwijderden donder, dat al nader en nader kwam. De Europeanen meenden, dat het werkelijk het geluid van een onweder was, hetwelk ras naderde, en werden in die meening versterkt, daar het zwerk al meer en meer betrok, de zon reeds achter een dichten wolkensluier verscholen was en eenige groote regendroppels begonnen te vallen, die in het dichte loof van het woud een tikkend geluid gaven, alsof hier en daar een hagelsteen op de bladeren viel. Dalim riep evenwel de deserteurs tot zich, beklom met hen denboekit(heuvel), die de landtong vormt tusschen de Kapoeas en de Samoehing. Aan de oeverzijde was dat niet gemakkelijk, daar door het herhaalde rijzen der wateren, alle plantengroei belet was en de helling vrij steil omhoog liep. Maar na een kleine inspanning waren zij boven en hadden van daar een ruim vergezicht over de rivier. Alles was doodstil in de natuur, geen blad dat bewoog, geen grashalm die slingerde, geen krekel die kriekte, geen vogel die sjilpte, geen vlinder die fladderde. De wolken drukten zwaar op het aardrijk en veroorzaakten, behalve een ontzaglijke hitte, die de zweetdroppels op de voorhoofden deed parelen, ook nog een spanning van aderen en spieren en een angstige neerslachtigheid,[197]die niet te overwinnen was, en waaronder de geheele organische schepping zwoegde. Alleen het loeien van den nog steeds verwijderden donder deed zich hooren, maar steeds nader en nader, steeds onafgebroken. Die stem beheerschte alles, geweldig, machtig, als de stemme Gods, die zij ook was.„Ziet! ziet!” riep Schlickeisen, die in angstige verbazing de hand naar het boveneinde van den stroom uitstak.Daar naderde, terwijl het gedonder al dichter bij kwam, en nu den heuvel met het woud en de reizigers, die er zich op bevonden, scheen te omgeven, in de rivier een muur van water van twaalf tot vijftien voet hoog. Als loodrecht opgetrokken in die gedeelten van den stroom, waar de bedding effen was en geen of slechts luttele hinderpalen daarstelde, schreed die muur met de snelheid van een exprestrein voort. Wanneer machtige rotsen den voortgang stuitten, dan steigerde en krulde de ontzaglijke baar met haar geel drabbig water in een halven boog, alsof zij den hinderpaal, die haar in den weg stond, in een woeste omhelzing omklemmen en uit de voegen, die hem geketend hielden, dringen wilde, om hem met zich voort te sleuren. Zij overdekte zich dan met een kruin van wit schuim, brak, spatte uiteen bij die ontzaglijke inspanning en donderde, en schuimde, en kookte, alsof het onderaardsche vuur onder een monsterketel aangeblazen werd. Was zij den hinderpaal te boven, dan, als verzamelde de baar zich weder, steigerde en boomde zij zich, om weer, aan een machtigen wand gelijk voort te ijlen. Aan het geloei der wateren paarden zich het geknars der rotsen, die uit hare voegen verwrikt werden, en slagen, alsof zwaar geschut losgebrand werd, wanneer die rotsbrokken door den machtigen stroom medegesleept, tegen anderen aanbonsden. Boomen werden ontworteld en door het geweld des waters medegevoerd;[198]groote steenmassa’s werden uit hunne omlijsting van klei in de taluds der rivier uitgespoeld en ploften in het water, waarop zij een poos schenen te drijven, alvorens te zinken, zoo groot was de kracht en de snelheid van den stroom.De verschijning van dien watermuur duurde maar een oogenblik, den tijd ter nauwernood dien een sneltrein noodig heeft, om den wandelaar vooruit te stuiven. Toen hij voorbij was, was de rivieroppervlakte twaalf tot vijftien voet hooger dan een oogenblik te voren, en ging die nog voort te stijgen. Loeiend rolde de gele drabbige watermassa, waar straks een kristalheldere rivier ruischte en klaterde en over helder wit zand en reine kiezelsteentjes voortschoot.Opgetogen hadden onze Europeanen naar dit natuurtooneel staan staren; maar nog voordat de voortrollende watermuur uit hun oog verdwenen was, werd hun bewondering afgeleid. Want, alsof die voortijlende watermassa het sein gegeven had, brak het onweder op eens in al zijn majesteit los. Het vuur werd figuurlijk en letterlijk door een verblindende bliksemflits geopend, waarop een ratelende donderslag volgde, die de voorbode was van een menigte anderen, die van verscheidene punten van het zwerk zich onophoudelijk lieten hooren. Tegelijkertijd verhief zich een stormwind, die zware boomen ontwortelde, de prachtigste kruinen ter aarde boog, takken afscheurde en als vederen wegslingerde en, beladen met het aan zoovele woudreuzen ontwrongen loof, zich verder spoedde, om zijn verwoestingen voort te zetten. Een oogenblik was er, alsof alle geluiden der aarde ontketend waren. Aan het geloei van den voorthollenden stroom, paarden zich het rollen van den donder, het gekraak der afbrekende takken, het gebons en geplof van de vallende boomen, het gehuil van den stormwind,[199]het angstig getjilp der vogelen, het klagend geschreeuw der apen, en vormde, hoe wanluidend iedere toon op zich zelven ook weerklonk, een verheven harmonisch geheel, dat zich wild en woest verhief, maar het hart met ontzetting vervulde en tot bewondering voor de ontboeide natuurkrachten stemde.Al dikker en zwarter werden de wolken; al lager daalden zij tot het aardrijk, totdat zij de watermassa, die zij inhielden, niet meer konden houden en haar begonnen te ontlasten. Het was toen geen regen die viel, geen droppels die neerdaalden, maar waterstralen, die door den wind gezweept, als een golvende watergordijn vormden, welke den gezichtskring beperkte en de voorwerpen belette te zien, die op weinige passen afstands verwijderd waren, waterstralen die vereenigd als beken en stortvloeden, springende, vallende en wild schuimende, de helling van het terrein volgden, om zich in de rivier te storten.Nu spoedden onze zwervers den heuvel af om zich bij hun makkers te voegen. Zij vonden daar allen bedrijvig, want de plotselinge stijging der wateroppervlakte was van zoodanigen omvang geweest, dat al zeer spoedig werd ingezien dat de rangkans niet hoog genoeg op den wal waren gehaald. Gelukkig dat de eerste aandrang des waters voorbijschoot zonder de vaartuigen te bereiken. Maar bij de voortdurende stijging van het water, begreep men dat alles gedaan moest worden om de vervoermiddelen in veiligheid te stellen. De vier Europeanen togen mede aan den arbeid en met de kracht, door die vier paar armen aangebracht, vorderde hij snel, zoodat in weinig tijds de vaartuigen buiten bereik van gevaar lagen.Het onweder duurde nog geruimen tijd met onbezweken kracht voort, waarna het zich in zuidwestelijke richting verwijderde. De bliksemstralen werden minder scherp[200]en schichtvormig en gingen meer over in ontvlammingen, die het heelal schenen in vuur te zetten; de donderslagen werden minder menigvuldig, de tijdruimte tusschen die slagen en de bliksemflitsen werd gedurig grooter en het geluid zwakker. Ook bedaarde de wind allengskens en ging de plasregen in een fijnen stofregen over, die ook weldra ophield; terwijl de wolken, zich verdeelende, het hemelazuur lieten aanschouwen en een gulden straal der ondergaande zon het aardrijk kwam verkondigen, dat de strijd uitgewoed had. Alleen de rivier bleef nog verbolgen en stuwde haar drabbige wateren grommig en loeiend voort. Maar vóór nog de zon aan de westerkim wegdook, was de stijging tot stand gekomen en vóórdat de nacht ingetreden was, hadden de reizigers zich kunnen vergewissen, dat een daling merkbaar was. Allen legden zich dan ook vertrouwvol onder de hoede der schildwachten te rusten.Den volgenden morgen was ons reisgezelschap al heel vroeg tot vertrek gereed. Wel was de rivier gedurende den nacht sterk gevallen, maar toch kon de waterafvoer in vergelijking met de vorige dagen nog zeer aanzienlijk genoemd worden. Er stond ruim zes voet meer water dan daags te voren. Door den zwaren stroom zoude meer krachtsinspanning gevorderd worden, om vooruit te komen; daar stond echter tegenover, dat, nu de watermassa over een aantal beletselen heen rolde en die diep bedolf, men daarover heen kon varen welke gisteren nog in allerlei bochten vermeden moesten worden.Even voorbij het omvaren van den eersten hoek, werden de reizigers een aanzienlijke versterking gewaar, kotta Samoehing genaamd, alwaar alarmkreten weerklonken en op de garantongs geslagen werd, toen de bewoners de flotille rangkans in het oog kregen. Deze kotta verhief zich op de helling van den heuvel, op welks top[201]de Europeanen den watervloed daags te voren hadden gadegeslagen. Die top had nog al uitgebreidheid en de hellingen waren zeer dicht begroeid; terwijl de Kapoeas langs twee zijden van den heuvel kronkelde, waardoor die versterking, als in het groen verscholen, aan hun oog onttrokken was geweest. Johannes beijverde zich de Nederlandsche vlag te laten wapperen, terwijl Amai Kotong de menschen aan den wal toewuifde en hun woorden van vrede en geruststelling deed hooren. Toen de Samoehingers het oude hoofd van kotta Djankang herkenden, bedaarde hun angstvalligheid en hielden de alarmkreten op. Bij het aan wal stappen, vernam Amai Kotong, dat een gerucht liep, volgens hetwelk de Doessonners onder aanvoering van Tomonggong Soerapatti in de Kapoeasstreken zouden gevallen en dat Dajaksche hoofd thans met de bewoners van soengei Sirat aan het oorlogen zoude zijn. In den omtrek van kotta Samoehing was nog geen vijand verschenen; maar er werden angstwekkende verhalen van de voornemens van dien woesteling gedaan, als zoude hij de bewoners der Kapoeas te vuur en te zwaard willen vernielen, om zich te wreken over een nederlaag, die de Doessonners in vroegere jaren geleden hadden. Dat waren voor onze Europeanen geen opbeurende berichten, ook niet voor het overige reisgezelschap. De weg, dien zij af te leggen hadden, leidde langs de soengei Sirat en de tijding dat die weg door den erfvijand van de boven-Kapoeas bezet werd, was wel geschikt om een ieder neerslachtig te maken. Johannes evenwel zag in, dat hij die stemming geen vorderingen mocht laten maken, daarom riep hij Amai Kotong, Harimaoung Boekit, zijn drie makkers, alsook Dalim en het hoofd van kotta Samoehing, Amai Pari genaamd, in de tomoi, die aan den voet van de versterking lag, bijeen, om te beraadslagen, wat er te doen stond.[202]„Wat er te doen staat,” zei Amai Pari, „is terugkeeren, van waar gij gekomen zijt.”„Ja,” viel Amai Kotong, wien de angst op het gelaat te lezen stond, in, „ja naar kotta Djankang terug.”„Hoe sterk worden de Doessonners geschat?” vroeg Johannes.„Men spreekt van 1200 man.”„Hebben zij vuurwapenen?”„Slechts zeer weinig geweren zijn door de verspieders opgemerkt, misschien een zestal; maar zij voeren vier garaboes met zich om de borstweringen der kotta’s aan splinters te schieten.”„Hoeveel mannen tellen wij?” was de vraag van Johannes aan Amai Kotong.Deze keek hem verwonderd aan en antwoordde eerst niet, zoodat de vraag herhaald moest worden.„Dat weet gij zoo goed als ik.”„Jawel, maar ik wilde het nog eens uit uw mond hooren.”„Nu, als dat uw wensch is. Wij tellen alles en alles 84 weerbare mannen.”„Flinke, stevige kerels, niet waar? En hoeveel geweren hebben wij?”„Ik meen zes en veertig.”„Dat is juist,” viel La Cueille in. „Veertig te Kwala Hiang buit gemaakt, onze vier modelgeweren en dan de twee remmingtons van den luitenant. Maar we hebben ook nog twee revolverpistolen, systeem Le Faucheux, alles is in zeer goeden staat; daar heb ik voor gezorgd.”„En we zouden naar kotta Djankang terugkeeren!!” barstte Johannes in woeste drift los. „Wij zouden naar kotta Djankang terugkeeren, om ons daar door de blanken gevangen te laten nemen. Om u als weerspannig hoofd[203]te zien ophangen, omdat gij de wetten der herbergzaamheid geëerbiedigd hebt en uw kotta tegen de blanken verdedigd hebt? Om Harimaoung Boekit de ijzers aan de handen te zien slaan en om hem tot dwangarbeid te hooren veroordeelen; dat wil zeggen, zijn leven lang steenen te kloppen of de billen van de kinderen eens residents te wasschen; omdat hij een onverbeterlijke koppensneller is? Zeg, Amai, zijn we dan oude wijven, of klopt ons een mannenhart in de borst? Neen! bij Mahatara en bij alle Sangiangs! geen stap terug, dat zeg ik u. Met zes en veertig geweren in de handen van kerels, zooals wij zijn, daarmede is Poeloe Kalimantan van het eene einde tot het andere door te trekken en ik wil dien Soerapatti wel eens onder de oogen treden, wanneer hij het wagen zoude, ons te willen weerstaan.”De sienjo stond daar schoon in zijn verbolgenheid, aan een bronzen beeld der verontwaardiging gelijk. Harimaoung Boekit, door zijn woorden medegesleept, had zijn mandauw ontbloot, zwaaide dien met de rechterhand, terwijl hij de hand van Johannes met de andere gegrepen had.„Neen!” brulde hij meer dan hij sprak, „neen geen voetstap terug! Integendeel, voorwaarts! voorwaarts!! opdat wij die oude wijven van de Doesson eens onder de oogen krijgen. Het zal de eerste maal niet zijn, dat zij door de Ngadjoe’s van Kapoeas en Kahajan op de vlucht zullen gedreven worden. Vooruit! vooruit! daar ligt de weg!”Die ontboezeming was aanstekelijk. Zoowel Amai Kotong als Amai Pari stemden met dien kreet van, „vooruit!” in; maar ook de menigte, die buiten de tomoi de opgewonden toespraak van Johannes en die van Harimaoung Boekit gehoord had, hief een luid gejuich aan, waarbij de Poenans, als echte zonen der wildernis, zich[204]niet onbetuigd lieten. Er werd nu besloten dat het reisgezelschap den tocht dadelijk zoude vervolgen en de Samoehingers verbonden zich een dertigtal strijders te leveren, die zich onmiddellijk zouden gereed maken, in dier voege, dat zij de anderen nog voor hun aankomst aan de monding der soengei Sirat met hun rangkan zouden ingehaald hebben. De Samoehingers gingen daartoe te eerder over, daar ook zij bij de verdrijving van den gemeenschappelijken vijand groot belang hadden en de bewoners van soengei Sirat hun stamgenooten waren en meest allen tot hun verwanten behoorden. Ook het aantal vuurwapenen, die het reisgezelschap bij zich had, legde gewicht in de schaal en deed aan de overwinning niet twijfelen.Na het ontbijt verorberd te hebben was de flotille een uur later weer op weg en stevende de Kapoeas verder op. Volgens alle berekening zou het de laatste dag zijn, dat onze zwervers dien stroom zouden aanschouwen. Vóór den avond zouden zij de monding van de soengei Sirat bereiken en van daar ging de weg westwaarts die nevenrivier op. Het was nu drie en dertig dagen geleden, dat zij Kwala Kapoeas verlaten hadden, om hun zwerftocht te beginnen.Onvermoeid en onverpoosd werd voortgeroeid. Niets werd evenwel ontwaard, wat den tocht kon vertragen of ook maar onrust kon baren. Maar ook geen enkele djoekoeng op de rivier, geen menschelijk wezen op den wal werd ontmoet of gezien, bij wien men inlichting zoude hebben kunnen inwinnen. Het was of de streek uitgestorven was.Het terrein klom al meer en meer. De taluds evenwel en de bedding der rivier waren niet meer zoo rotsachtig; de grauwe klei en het dito gekleurde zand werden langzamerhand vervangen door een roodachtige vette[205]klei, waartusschen in de oeverhellingen maar zeer weinig rolsteenen ontwaard werden. De rivier was diep ingesneden; soms moest de blik zich heel hoog richten om den hellingrand te bespeuren. Wel verhieven de heuvels, die bespeurd werden, zich al meer en meer; maar hun gedaante was minder grillig, meer eenvormig met afgeronde toppen en flauwe hellingen. Prachtige bosschen verhieven zich aan weerszijden der rivier; er was echter geen tijd om die te betreden; onze reizigers konden hen slechts in het voorbijvaren bewonderen. Van tijd tot tijd, wanneer een dalspleet zich opende, waardoor een riviertje zich baan brak naar de Kapoeas, en de loofwand het veroorloofde, werd men het naderend hooggebergte gewaar, dat in het noorden en noordwesten zich als een blauwe gekartelde band vertoonde.Om den gang der rangkans niet te vertragen, en zich niet te zeer te vermoeien, losten de roeiers elkander regelmatig af. Bij een dier verpoozingen, welke de Europeanen genoten, waren zij in hun rangkan bij elkander geschoven, om het gehoorde te kotta Samoehing te bespreken. Het was trouwens wel der moeite waard. Johannes bracht zijn makkers geheel op de hoogte van wat er gaande was en legde hun uit, hoe netelig hun toestand geworden was.„Niemand wil ik ontmoedigen,” sprak hij, „integendeel, ’t zal een vereischte zijn al onzen moed, al onze geestkracht bij elkander te houden. Maar om den toestand onverschrokken en onbevangen onder de oogen te treden, om hem te kunnen beheerschen, is het noodig hem geheel en met al zijn gevaren te kennen. Vooruit, zullen we te midden van een inlandschen oorlog met al zijn verschrikkingen geraken; terug kunnen we niet, dat zou aan zelfmoord gelijk staan.”[206]„Zouden de Hollanders het zoo erg met ons maken?” vroeg Schlickeisen.„Ze zullen ons niet ter dood brengen, maar of een veroordeeling tot tien jaren tuchthuis te Samarang of detentie te Willem I niet als erger te beschouwen is, laat ik aan de beslissing der vrienden over.”„Tien jaren voor een uitstapje! kom, je neemt een loopje met ons,” sprak La Cueille.„Nou, wil jij het er op wagen? maar bedenk dat ze daar ginds dat uitstapje: desertie in tijd van oorlog met medeneming van wapens, zullen noemen. Bedenk, dat we ons met die wapens tegen het wettig gezag verzet hebben. Allen, heldendaden bij het crimineel wetboek voor de landmacht voorzien en waarop de strop staat. Zij zullen meenen al drommels veel medelijden met ons te toonen, wanneer ze ons het leven zullen schenken. De gedachte evenwel dat zij in ons vier flinke schoenmakers zullen aanwerven, zal hen wel tot genade stemmen.”„Neen, aan terugkeeren valt niet te denken,” sprak Wienersdorf ernstig. „We zitten in het schuitje en moeten mede, laten we daarover geen discussie meer voeren. Maar wie is die Soerapatti? Is dat dezelfde die het stoomschip Onrust vermeesterde, waarvan je laatst vertelde?”„Dezelfde. Hij is het erkend opperhoofd van de boven Doesson, alsook van het landschap Siang en Moeroeng, dat zich tusschen die rivier en de grenzen van Broenei uitstrekt. Als befaamd koppensneller is hij steeds in oorlog met de omliggende stammen. Vooral is hij erg op de bewoners van Kapoeas en Kahajan gebeten; die hebben steeds veel te lijden gehad van zijn invallen.”„Maar de Dajaks van de Doessonlanden zijn toch van denzelfden stam als die uit deze streken. Waarom zijn zij zoo op elkander gebeten?”[207]„Vrouwengeschiedenissen, anders niet. Bij snel- en strooptochten worden wel eens maagden, zelfs getrouwde vrouwen, wanneer deze zeer schoon zijn, ontvoerd, die dan willens of onwillens de echtgenooten der overwinnaars of beter hunner ontvoerders moeten worden. Zoo’n vrouwenroof geeft steeds tot représailles aanleiding, waardoor men vrouwen van beide partijen in de tegenovergestelde kampen aantreft. Dat is de oorsprong van dien heilloozen haat, die tusschen de telgen van een en denzelfden stam bestaat, waarbij evenwel ook nog de zucht tot koppensnellen gevoegd moet worden.”„Jawel, pas op je kop,” lachte La Cueille, „we hebben die machtspreuk lang niet gehoord; ’t wordt tijd dat je die weer eens oprakelt.”„Ja, pas op je kop! je bent hier in het land van de koppensnellers en houd je er van verzekerd, dat alles wat je daaromtrent tot nu toe gezien hebt, slechts kinderspel geweest is.”„Nu ja, we zullen oppassen.”„Bestaan er in de volksoverlevering verhalen van merkwaardige feiten uit dien heilloozen krijg?” vroeg Schlickeisen.„Ja eenige. In soengei Sirat zullen we Mawong, het hoofd van kotta Hamiak ontmoeten, dat is een van de bitterste vijanden van Soerapatti, die zal ons wel het een of het ander verhalen, als je daarop belust zijt. Maar van één krijgstocht van Soerapatti wil ik je toch vertellen, die is nog al merkwaardig. Die speelt ook niet in deze streken, maar in de benedenlanden, tot waar de Doessonners in 1833 doorgedrongen waren. Luistert.[208]1Boehiesis een zwartgrijze aap, die ongeveer drie à vier voet lang wordt. Hij heeft een staart, die langer dan zijn lichaam is. Hij behoort tot de semnopethici of slingerapen.↑

[Inhoud]XXVI.Een Dajaksch ontbijt.—„Kalamboe-ei” en „bakatak”.—Een eiland.—De „boehies”.—Moordpartij.—De bezoarsteenen.—Een nieuw model soep.—In veilige haven.—De storm.—De „soho”.—Kotta Samoehing.—Oorlogsgeruchten.—Beraadslaging.—Niet terug; maar vooruit naar soengei Sirat.—De laatste dag op de Kapoeas.Met het aanbreken van den dag waren de reizigers weer tot vertrek gereed. Toen dat oogenblik gekomen was, deelde Johannes een twintigtal stengen tabak aan de voornaamsten van kotta Karangan uit; aan de echtgenoote van het hoofd bood hij een halssnoer van fraaie glaskralen uit de pacotille van Baba Poetjieng aan, welke oplettendheid zeer gewaardeerd werd, en dan ook allen argwaan wegnam. Als tegenbeleefdheid beijverde de gastvrouw zich den vertrekkenden pakjes „parei poeloet” (ketanrijst) in pisangbladeren gewikkeld, aan te bieden en bij ieder dier pakjes een flink stuk gebraden „kalamboe-ei” of „bakatak” te voegen. Een flinke teug dubbel overgehaalden toeak werd ook ieder der reizigers gegund.Dien toeak dronk La Cueille met graagte. Hij smakte nog lang daarna met tong en lippen, veegde zich begeerig den mond af en begon zijn ontbijt. De kleverige rijst was hem bekend; met wat fijn zout, fijn geraspte klappernoot[186]smaakte zij niet kwaad. Maar met een wantrouwend oog bekeek hij de vleeschspijzen, die hem zoo maar in de hand gestopt waren. Hij rook er eens aan. Verduiveld! die geur kittelde aangenaam zijn reukorganen. Hij zette er de tanden in en waarachtig de smaak overtrof nog den geur. Hij verbande alle herinneringen aan paalworm en slangen en liet zich het zoodje goed smaken, totdat Johannes hem vroeg, of hij wel wist, wat hij daar at.„Om het even,” antwoordde de Waal, „’t is afgedriedonders lekker!”„Als het je maar smaakt, dan is alles goed. Ik vind het ook lekker, al is het wat vies.”Met een stuk in den geopenden mond, keek de Waal Johannes aan.„Wat is het dan?” bracht hij stotterend uit, terwijl hij de hand aan den mond bracht.„Neen, laat zitten; ’t is te lekker om weg te gooien. Daarenboven, zoo erg is het niet. De „kalamboe-ei” is een vuistdikke tuinslak met prachtige schelp.”De Waal kokhalsde reeds.„En het andere?” vroeg hij met vertwijfelende stem.„De „bakatak” is een groene kikvorsch, die hier allerwege langs de rivierboorden gevonden wordt.”„O, mon Dieu!” kreunde de Waal met een verdachte beweging van zeeziekte.„Kom, wat is dat voor gekheid!” riep Johannes, „je bent toch nu lang genoeg in de Dajaklanden, om die meisjesgrillen afgeleerd te hebben. Daar, drink eens voor het vet.”En meteen gaf hij hem een bamboemaatje met jenever gevuld over. In een slok sloeg de Waal den inhoud naar binnen en zei, terwijl hij zich de maagstreek wreef:[187]„Fichtre! dat smaakt; voor nog zoo’n borrel eet ik tien slakken op.”„Dat wil ik wel gelooven,” lachte Johannes, „die tien slakken zouden evenwel je maag bezwaren. Je hebt daarenboven nu genoeg hartversterking. Pruim je rijst nu maar op.”La Cueille gehoorzaamde stipt; maar hij moffelde toch het lekkere gebraad weg en moest zich omkeeren van walging, toen hij zijn Moendoet zich met een genotvol gelaat de vingers zag aflikken. Hij nam zich voor, haar in volle vier en twintig uren geen zoen te geven.Na afloop van dat lekkere maal nam een ieder weer zijn plaats in de vaartuigen in, en onder een luid hoera zette zich de rangkanvloot in beweging.De stroom werd al meer en meer woest en de vaart moeielijker. Wel had men heden slechts drie kihams te boven te komen, die daarenboven niet lang, niet bochtig en derhalve niet veel moeielijkheden opleverden; maar de rivier zelve werd al smaller en smaller en al meer en meer ondiep. Haar watervermogen verminderde allengskens en bij iedere zijrivier, die men voorbijvoer, deed zich dat al meer en meer gevoelen. Toen men kotta Karangan eenige uren achter den rug had, zagen de Europeanen in, dat het overgaan in rangkans van een goede bekendheid met deze streken getuigde. Al had men ook hun prauw tegen de kihams kunnen ophalen, hier toch had zij de vaart moeten staken.Van kotta Karangan af was het terrein een ware chaos. De taluds der rivier vertoonden een onregelmatige opvolging van kalklagen, diorietmassa’s en zandsteen, hier en daar doorsneden met calcedonen en vuursteenen, het alles gedekt door een dikke humuslaag, die aan een rijken plantentooi het noodige voedsel verschafte.[188]Tegen den middag legde deflotillebij een eilandje aan, dat bestond uit verblindend wit zand, spaarzaam met kleine afgeronde witte keitjes vermengd. Een eiland was het eigenlijk niet; het was niets anders dan een zandbank, die thans bij den lagen waterstand boven de oppervlakte verscheen. Door de geringe breedte der rivier kon het woud op de beide oevers dit plekje overschaduwen, zoodat het een bekoorlijk rustpunt aanbood. Tenauwernood had het reisgezelschap de vaartuigen verlaten, om zich de beenen wat te ontspannen, toen men een geheele troep „boehies”1door de hooge boomen zag voltigeeren. Nieuwsgierig als alle vierhandige dieren, naderden zij den boschrand en gluurden, onder het maken van allerlei koddige luchtsprongen, naar hetgeen de reizigers daar op dat eiland uitvoerden. Al meer en meer vertrouwvol wordende, naderden zij, naderden nog meer; ja eenige der jongeren waagden zich tot op de onderste takken, lieten zich aan hun lange staarten afhangen en wiegelden zich zoo vlak boven de hoofden der menschen, die zij bijkans met hun voorhanden konden aanraken. Toen de vertrouwelijkheid zoo ver gevorderd was, sprak Harimaoung Boekit eenige woorden, waarop de vier Europeanen hun geweren met groven hagel en gekapt lood laadden en eenige Dajaks hun blaasroeren grepen.Nog altijd sprong de lustige apenkolonie boven de hoofden der menschen, onbewust van het gevaar, dat dreigde. Op een gegeven teeken knalden de geweerschoten en een twaalftal boehies stortten voor het meerendeel doodelijk gewond neder. Hartverscheurend was het geklaag, dat deze gekwetste dieren aanhieven.[189]Hun makkers verdwenen in allerijl. Toch niet allen; een moeder, die haar jong onder het moordend lood had zien vallen en zelve ongedeerd was gebleven, liet zich van boven afvallen, greep haar stervend kind, klemde dat aan de borst en sprong, vóór dat er zich iemand tegen verzetten kon, te water, dook onder, bereikte den oever en was in een oogwenk in het dichte groen verdwenen. Een ander der gekwetsten viel niet. Krampachtig hield hij zich met de achterhanden vast aan den tak, waarop hij zich kluchtig verlustigde, toen de menschen hun moordaanslag volvoerden. Een oogenblik hing hij daar; men kon hem met de hand bijna aanraken. Tranen droppelden hem uit de oogen en met de voorhanden hield hij zich de borst omklemd, terwijl het bloed hem tusschen de vingeren doorsijpelde. Daar had hij een gapende wond, het scheen wel een snee, waarschijnlijk door het afschampen van een scherphoekig stuk lood te weeg gebracht. Klaaglijk klonk het gesteun van het arme dier; zijn blik had een weemoedig verwijtende uitdrukking, alsof het vragen wilde: „wat heb ik u toch gedaan, om mij zoo te behandelen?” De uitdrukking van dien blik was zoo meewarig, dat geen der Dajaks, zelfs geen der woeste Poenans een vinger uitstak, om zich van het dier meester te maken. Allen stonden met het oog vol deernis toe te kijken. Eindelijk verzamelde de arme boehies al zijn krachten, greep met de voorarmen den tak, waaraan hij hing, tilde zich omhoog en zette zich neder. Nu plukte hij eenige bladeren en jonge spruiten, kauwde die fijn en legde de zoo gevormde pap op de wond. Nu hield hij zich een wijl stil, als om adem te scheppen; waarna hij zich met behulp van zijn staart en drie zijner handen, terwijl de vierde de wond bleef bedekken, langzaam verwijderde en tusschen het donkere loof verdween.[190]Bij dat schouwspel èn van die moeder, die alles waagde, om haar kind te redden, èn van dien gekwetste, die met zulk een welsprekende mimiek de deernis zijner beulen wist in te roepen, hadden de Europeanen spijt gevoeld, zich tot die moordpartij te hebben laten verleiden. Maar nog voor zij hun gevoelens hadden kunnen uiten, waren de Dajaks met den mandauw in de hand op de gekwetste apen toegesprongen en hadden ze niettegenstaande hun hartverscheurend geschreeuw in een oogenblik gedood. Nu begon een afzichtelijk schouwspel. Ieder, die een lijk in handen hield, haastte zich den buik daarvan open te snijden, om met volle handen in de lauwe ingewanden te wroeten. In de darmen van sommige dieren, maar vooral van de boehies, wordt dikwijls een groenachtige steen ter dikte van een groote erwt aangetroffen. In vroegere tijden werd dien steen door de blanken een buitengewone geneeskundige kracht toegeschreven. In Europa werd hij onder den naam van bezoar ter markt gebracht, alwaar hij toen met het zeldzaamste edelgesteente in kostbaarheid wedijverde. In den tegenwoordigen tijd is zijn oude roem, althans bij de blanken, verdwenen, maar bij de bewoners van den geheelen Indischen Archipel heeft hij nog een zekere waarde behouden en geldt zulk een groene erwt, zoowel te Batavia als te Singapore soms 200 gulden.Onze reizigers waren uiterst gelukkig geweest bij deze vangst. Soms kan het gebeuren, dat de jager drie, ja meer boehies doodt, alvorens een „batoe galiga”, zoo is de Dajaksche naam van den bezoar, te vinden. Thans had men twaalf apen gedood en daaruit werden acht steenen te voorschijn gehaald, die, wel is waar, niet allen even groot en onberispelijk van samenstel waren, maar die toch door elkander elk 150 gulden waard waren. Harimaoung Boekit verzamelde ze grinnekend, stopte ze in een[191]bamboecylindertje en bood ze als een bewijs van dankbaarheid aan den redder zijns levens en als een bewijs zijner toegenegenheid aan den aanstaanden echtgenoot zijner zuster aan.„Dat spekt de mas!” mompelde La Cueille, „Crétonnerre, als ieder schot honderd vijftig gulden kon opbrengen; jongens! ik ga op den uitkijk zitten en ieder boehies, dien ik ontwaar is de mijne.”„Je kunt je de moeite voorloopig gerust sparen,” antwoordde Johannes. „Die apensoort is zoo heel overvloedig niet. Het kost soms vrij wat moeite, om er een in het gezicht te krijgen. En nu dat geweervuur tusschen dien troep weerklonken heeft, drommels! je zoudt hier lang kunnen wachten, voor dat je er nog een van te zien kreegt.”„Ik heb nog veel batoe galiga te soengei Miri,” gniffelde Harimaoung Boekit tegen Johannes. „Als we daar zijn, heb ik u een ruil voor te slaan voor de kanonnen, die ge van kotta Djankang medegenomen hebt. Die zou ik gaarne op mijn kotta zien prijken.”„Als we daar zijn, waarde Amai, zullen we daarover verder praten,” kreeg de Poenan ten antwoord. „De kanonnen, wellicht ook de geweren, zult ge kunnen krijgen.”„Ik begin te gelooven,” mengde de Waal zich in het gesprek, „dat we niet met ledige handen thuis zullen komen.”„Dat zou wel kunnen zijn; maar.… voor alles moeten we trachten te huis te komen; en zoo ver zijn we nog niet, reken daar maar op.”De Waal zuchtte eens diep.Terwijl dit alles voorviel, hadden de vrouwtjes van het reisgezelschap den tijd uitstekend benuttigd, om het maal gereed te maken. Bijna op alle plekjes van het eilandje brandden vuurtjes en de geheele atmospheer rook zoo lekker, dat buiten het ongeduld om verder te[192]stevenen, ook nog de aanspraken van de maag zich deden gelden.Eindelijk zat of beter lag de geheele reiskolonie, in verschillende groepen verdeeld, rondom de matten, waarop de gaven des Scheppers uitgestald en aangerecht waren. Hoopen dampende rijst, bijna sneeuwwit, droog van korrel gekookt en daarbij een menigte potjes en bladeren als schaaltjes met toespijs gevuld. Het hertenvleesch van den bok, des morgens geschoten, verscheen in allerhande vormen, was rechtvaardig verdeeld en scheen allen goed te smaken.Op de mat, waarom deEuropeanengelegen waren, stond een koperen pot, hermetisch met een houten deksel gesloten. Eerst hadden de reizigers daar niet op gelet; nu de honger ietwat verzadigd was, begon die hun nieuwsgierigheid gaande te maken.„Wat zou daar toch in zijn?” vroeg La Cueille.„Och, dat’s soep,” sprak Johannes, „de lui hebben vernomen, dat die te Bandjermasin nog al eens gegeten wordt en, om ons te verrassen, hebben de vrouwtjes die klaar gemaakt.”„Soep,” vroeg Schlickeisen, „soep? wel dat had je wel eerder kunnen zeggen, dan hadden we ons maal met een lekker bord kunnen beginnen. Maar om het even, smaken zal ze toch wel.”En den pot naar zich toehalende, nam hij het deksel af, en snoof met wellust de heerlijke geuren, die zich verspreidden, op. Nu stak hij er een lepel in en maakte aanstalten zich een klapperdop vol op te scheppen, maar met een kreet liet hij plotseling den lepel vallen, greep een soort tweetandige houten vleeschvork, stak daarmede in den pot en haalde iets voor den dag, dat allen—Johannes uitgezonderd—van ontzetting deed achteruit deinzen. Tusschen de tanden van den[193]vork bekneld, vertoonde zich als het ontvleesde hoofd van een kind en aan dat hoofd was nog het lichaam verbonden, dat ten halve nog uit den pot getild, twee armen met welgevormde handjes vertoonde. Sprakeloos en vol afschuw keken de Zwitsers en de Waal die gedaante aan. Schlickeisen had het besef niet, de vleeschvork los te laten. Hij stond daar als aan den grond genageld.„Wat is er? wat hebt jullie nu weer voor een kippenkuur?” vroeg Johannes.„Maar zie je dan niet?” was het hijgende antwoord van La Cueille.„Wat, die soep? Zeker zie ik die, die zal drommels lekker smaken.”„Ze willen menscheneters van ons maken!” gilde de Waal. „Dat nooit!”„Menscheneters?” vroeg Johannes onnoozel. „Kom, hou me niet voor den gek.”En Schlickeisen op zijde duwende, vulde hij zijn klapperdop met de geurige soep, zette dien aan den mond en slurpte met volle teugen.„He!” riep hij, eindelijk eens ademhalende, „verduiveld lekker!”„Hoe kun je zoo iets doen?” vroeg Wienersdorf met diepen weemoed in de stem. „Verwildert dan de mensch geheel en al in dit gevloekte land?”„Dat ik wat heb kunnen doen?” vroeg Johannes schijnbaar verbaasd.„Wel, die menschensoep drinken!”„Menschensoep?!!”„Ja, menschensoep! zie je dan dat kind niet, dat Schlickeisen te voorschijn heeft gebracht?”De Sienjo had zijn doel bereikt; die domme Europeanen waren er mooi ingeloopen. Hij schaterde het uit.[194]„Menschensoep! die krijgt jullie in Europa, zelfs in hetGrand Hôtel du Louvreniet! Onbetaalbaar!” gierde hij uit. „Ik lach me nog een ongeluk.”En de vork uit de hand van Schlickeisen grijpende, tilde hij de vleeschmassa verder uit den pot, waardoor met twee lange beenen, van handen voorzien, ook een ellenlange staart te voorschijn kwam.„Een aap!” riep La Cueille.„Een boehies, een van die, welke wij straks geschoten hebben. De vrouwtjes hebben dat dier netjes in kokend water gestopt, om hem van zijn pels te ontdoen en toen een lekkere soep daarvan bereid.”De Waal en de twee Zwitsers stonden met de hand voor den mond even ernstige gezichten te trekken, alsof de zekerheid, dat het geen menschensoep was, hen even ontsteld had, als straks de meening, dat het een kind was, dat zij gezien hadden. De walging, die zij aan den dag legden, nu zij overtuigd waren, dat het apensoep was, kon niet erger zijn, al legde Johannes hun ook uit, dat een aap een der zindelijkste dieren der schepping is, die zich met niets dan met plantaardig voedsel voedt en daarbij uiterst kieskeurig is.„Als gij daar eens mede vergelijkt het varken en de kip,” riep hij uit, „waarvan het vleesch u zoo smaakt, dan begrijp ik niet, wat ge tegen het verorberen van een aap hebt.”„Maar die gelijkenis! ’t is alsof je je broer opeet!” sprak Schlickeisen nog steeds ontzet.„Te drommel!” hernam Johannes lachende, „dat is een argument, hetwelk Darwin vergeten heeft aan te halen, om zijn beroemde stelling aannemelijk te maken; namelijk, de afschuw, dien de mensch heeft van apenvleesch, omdat hij het bewustzijn heeft zijn broeder op te peuzelen. ’t Is waar, dat de Dajak dien afschuw niet[195]kent en dien ook niet voor het menschenvleesch gevoelt.”Johannes kon oreeren als wijlen Demosthenes, maar overtuigen kon hij zijn makkers niet. De soep bleef dan ook onaangeroerd, behalve de flinke portie, die hij zelf er van verorberde en het been, waarvan hij de kuit met graagte afkluifde en die hem bijzonder smaakte.Toen het maal verorberd was, werd de reis voortgezet Sedert het vertrek van kotta Djankang was het terrein al meer en meer oploopend geworden; het waren evenwel nog slechts heuvels, die men ontwaard had, waarvan de hoogste slechts 250 voet bereikten en waartusschen de Kapoeas zich heen slingerde. Van nu af begonnen de reizigers in het noorden en noordwesten een bergketen in het gezicht te krijgen, die als zeer uitgesneden, een menigte toppen in de verte vertoonde. Johannes wees zijn makkers die keten en duidde hun aan, dat zij daarover moesten, om de Chineesche zee te kunnen bereiken. Maar, voegde hij er zuchtende bij:„We beginnen thans de zuidelijke helling te zien; wanneer wij de andere helling zullen afdalen, dat weet God alleen.”Met kracht werd voortgeroeid. Het kon omstreeks drie uur in den namiddag zijn, toen Amai Kotong het teeken gaf, om aan te leggen. Men bevond zich toen voor de monding der soengei Samoehing, die men, na een korte beraadslaging onder de Dajaks, binnen stevende. Johannes vroeg aan Harimaoung Boekit, wat dat te beteekenen had, daar men nog ruim een drietal uren zou kunnen doorreizen en wellicht Toembang Roengoi bereiken. Zonder antwoord te geven, wees de Poenan naar den hemel in het noorden, die daar erg donker uitzag en een onweder voorspelde. Dalim vertelde den Europeanen, dat een „soho” een watervloed, in de maleische streken „bandjer” genaamd, hier zeer gevaarlijk[196]kon zijn. Het water rijst dan plotseling en stroomt met onweerstaanbaar geweld. De vaartuigen, er door overvallen, worden in weerwil van alle inspanning medegesleept en loopen groot gevaar in den een of anderenlabehoe(draaikolk) te gronde te gaan, of op de rotsen der kihams verbrijzeld te worden. Zoodra men binnen de monding der Samoehing was, beijverden de reizigers zich, de lichte rangkans zoo hoog mogelijk op den zacht glooienden oever te halen, om ze buiten het bereik van het water te brengen. Ter nauwernood was men met dien arbeid klaar, of een gerommel liet zich hooren als van een verwijderden donder, dat al nader en nader kwam. De Europeanen meenden, dat het werkelijk het geluid van een onweder was, hetwelk ras naderde, en werden in die meening versterkt, daar het zwerk al meer en meer betrok, de zon reeds achter een dichten wolkensluier verscholen was en eenige groote regendroppels begonnen te vallen, die in het dichte loof van het woud een tikkend geluid gaven, alsof hier en daar een hagelsteen op de bladeren viel. Dalim riep evenwel de deserteurs tot zich, beklom met hen denboekit(heuvel), die de landtong vormt tusschen de Kapoeas en de Samoehing. Aan de oeverzijde was dat niet gemakkelijk, daar door het herhaalde rijzen der wateren, alle plantengroei belet was en de helling vrij steil omhoog liep. Maar na een kleine inspanning waren zij boven en hadden van daar een ruim vergezicht over de rivier. Alles was doodstil in de natuur, geen blad dat bewoog, geen grashalm die slingerde, geen krekel die kriekte, geen vogel die sjilpte, geen vlinder die fladderde. De wolken drukten zwaar op het aardrijk en veroorzaakten, behalve een ontzaglijke hitte, die de zweetdroppels op de voorhoofden deed parelen, ook nog een spanning van aderen en spieren en een angstige neerslachtigheid,[197]die niet te overwinnen was, en waaronder de geheele organische schepping zwoegde. Alleen het loeien van den nog steeds verwijderden donder deed zich hooren, maar steeds nader en nader, steeds onafgebroken. Die stem beheerschte alles, geweldig, machtig, als de stemme Gods, die zij ook was.„Ziet! ziet!” riep Schlickeisen, die in angstige verbazing de hand naar het boveneinde van den stroom uitstak.Daar naderde, terwijl het gedonder al dichter bij kwam, en nu den heuvel met het woud en de reizigers, die er zich op bevonden, scheen te omgeven, in de rivier een muur van water van twaalf tot vijftien voet hoog. Als loodrecht opgetrokken in die gedeelten van den stroom, waar de bedding effen was en geen of slechts luttele hinderpalen daarstelde, schreed die muur met de snelheid van een exprestrein voort. Wanneer machtige rotsen den voortgang stuitten, dan steigerde en krulde de ontzaglijke baar met haar geel drabbig water in een halven boog, alsof zij den hinderpaal, die haar in den weg stond, in een woeste omhelzing omklemmen en uit de voegen, die hem geketend hielden, dringen wilde, om hem met zich voort te sleuren. Zij overdekte zich dan met een kruin van wit schuim, brak, spatte uiteen bij die ontzaglijke inspanning en donderde, en schuimde, en kookte, alsof het onderaardsche vuur onder een monsterketel aangeblazen werd. Was zij den hinderpaal te boven, dan, als verzamelde de baar zich weder, steigerde en boomde zij zich, om weer, aan een machtigen wand gelijk voort te ijlen. Aan het geloei der wateren paarden zich het geknars der rotsen, die uit hare voegen verwrikt werden, en slagen, alsof zwaar geschut losgebrand werd, wanneer die rotsbrokken door den machtigen stroom medegesleept, tegen anderen aanbonsden. Boomen werden ontworteld en door het geweld des waters medegevoerd;[198]groote steenmassa’s werden uit hunne omlijsting van klei in de taluds der rivier uitgespoeld en ploften in het water, waarop zij een poos schenen te drijven, alvorens te zinken, zoo groot was de kracht en de snelheid van den stroom.De verschijning van dien watermuur duurde maar een oogenblik, den tijd ter nauwernood dien een sneltrein noodig heeft, om den wandelaar vooruit te stuiven. Toen hij voorbij was, was de rivieroppervlakte twaalf tot vijftien voet hooger dan een oogenblik te voren, en ging die nog voort te stijgen. Loeiend rolde de gele drabbige watermassa, waar straks een kristalheldere rivier ruischte en klaterde en over helder wit zand en reine kiezelsteentjes voortschoot.Opgetogen hadden onze Europeanen naar dit natuurtooneel staan staren; maar nog voordat de voortrollende watermuur uit hun oog verdwenen was, werd hun bewondering afgeleid. Want, alsof die voortijlende watermassa het sein gegeven had, brak het onweder op eens in al zijn majesteit los. Het vuur werd figuurlijk en letterlijk door een verblindende bliksemflits geopend, waarop een ratelende donderslag volgde, die de voorbode was van een menigte anderen, die van verscheidene punten van het zwerk zich onophoudelijk lieten hooren. Tegelijkertijd verhief zich een stormwind, die zware boomen ontwortelde, de prachtigste kruinen ter aarde boog, takken afscheurde en als vederen wegslingerde en, beladen met het aan zoovele woudreuzen ontwrongen loof, zich verder spoedde, om zijn verwoestingen voort te zetten. Een oogenblik was er, alsof alle geluiden der aarde ontketend waren. Aan het geloei van den voorthollenden stroom, paarden zich het rollen van den donder, het gekraak der afbrekende takken, het gebons en geplof van de vallende boomen, het gehuil van den stormwind,[199]het angstig getjilp der vogelen, het klagend geschreeuw der apen, en vormde, hoe wanluidend iedere toon op zich zelven ook weerklonk, een verheven harmonisch geheel, dat zich wild en woest verhief, maar het hart met ontzetting vervulde en tot bewondering voor de ontboeide natuurkrachten stemde.Al dikker en zwarter werden de wolken; al lager daalden zij tot het aardrijk, totdat zij de watermassa, die zij inhielden, niet meer konden houden en haar begonnen te ontlasten. Het was toen geen regen die viel, geen droppels die neerdaalden, maar waterstralen, die door den wind gezweept, als een golvende watergordijn vormden, welke den gezichtskring beperkte en de voorwerpen belette te zien, die op weinige passen afstands verwijderd waren, waterstralen die vereenigd als beken en stortvloeden, springende, vallende en wild schuimende, de helling van het terrein volgden, om zich in de rivier te storten.Nu spoedden onze zwervers den heuvel af om zich bij hun makkers te voegen. Zij vonden daar allen bedrijvig, want de plotselinge stijging der wateroppervlakte was van zoodanigen omvang geweest, dat al zeer spoedig werd ingezien dat de rangkans niet hoog genoeg op den wal waren gehaald. Gelukkig dat de eerste aandrang des waters voorbijschoot zonder de vaartuigen te bereiken. Maar bij de voortdurende stijging van het water, begreep men dat alles gedaan moest worden om de vervoermiddelen in veiligheid te stellen. De vier Europeanen togen mede aan den arbeid en met de kracht, door die vier paar armen aangebracht, vorderde hij snel, zoodat in weinig tijds de vaartuigen buiten bereik van gevaar lagen.Het onweder duurde nog geruimen tijd met onbezweken kracht voort, waarna het zich in zuidwestelijke richting verwijderde. De bliksemstralen werden minder scherp[200]en schichtvormig en gingen meer over in ontvlammingen, die het heelal schenen in vuur te zetten; de donderslagen werden minder menigvuldig, de tijdruimte tusschen die slagen en de bliksemflitsen werd gedurig grooter en het geluid zwakker. Ook bedaarde de wind allengskens en ging de plasregen in een fijnen stofregen over, die ook weldra ophield; terwijl de wolken, zich verdeelende, het hemelazuur lieten aanschouwen en een gulden straal der ondergaande zon het aardrijk kwam verkondigen, dat de strijd uitgewoed had. Alleen de rivier bleef nog verbolgen en stuwde haar drabbige wateren grommig en loeiend voort. Maar vóór nog de zon aan de westerkim wegdook, was de stijging tot stand gekomen en vóórdat de nacht ingetreden was, hadden de reizigers zich kunnen vergewissen, dat een daling merkbaar was. Allen legden zich dan ook vertrouwvol onder de hoede der schildwachten te rusten.Den volgenden morgen was ons reisgezelschap al heel vroeg tot vertrek gereed. Wel was de rivier gedurende den nacht sterk gevallen, maar toch kon de waterafvoer in vergelijking met de vorige dagen nog zeer aanzienlijk genoemd worden. Er stond ruim zes voet meer water dan daags te voren. Door den zwaren stroom zoude meer krachtsinspanning gevorderd worden, om vooruit te komen; daar stond echter tegenover, dat, nu de watermassa over een aantal beletselen heen rolde en die diep bedolf, men daarover heen kon varen welke gisteren nog in allerlei bochten vermeden moesten worden.Even voorbij het omvaren van den eersten hoek, werden de reizigers een aanzienlijke versterking gewaar, kotta Samoehing genaamd, alwaar alarmkreten weerklonken en op de garantongs geslagen werd, toen de bewoners de flotille rangkans in het oog kregen. Deze kotta verhief zich op de helling van den heuvel, op welks top[201]de Europeanen den watervloed daags te voren hadden gadegeslagen. Die top had nog al uitgebreidheid en de hellingen waren zeer dicht begroeid; terwijl de Kapoeas langs twee zijden van den heuvel kronkelde, waardoor die versterking, als in het groen verscholen, aan hun oog onttrokken was geweest. Johannes beijverde zich de Nederlandsche vlag te laten wapperen, terwijl Amai Kotong de menschen aan den wal toewuifde en hun woorden van vrede en geruststelling deed hooren. Toen de Samoehingers het oude hoofd van kotta Djankang herkenden, bedaarde hun angstvalligheid en hielden de alarmkreten op. Bij het aan wal stappen, vernam Amai Kotong, dat een gerucht liep, volgens hetwelk de Doessonners onder aanvoering van Tomonggong Soerapatti in de Kapoeasstreken zouden gevallen en dat Dajaksche hoofd thans met de bewoners van soengei Sirat aan het oorlogen zoude zijn. In den omtrek van kotta Samoehing was nog geen vijand verschenen; maar er werden angstwekkende verhalen van de voornemens van dien woesteling gedaan, als zoude hij de bewoners der Kapoeas te vuur en te zwaard willen vernielen, om zich te wreken over een nederlaag, die de Doessonners in vroegere jaren geleden hadden. Dat waren voor onze Europeanen geen opbeurende berichten, ook niet voor het overige reisgezelschap. De weg, dien zij af te leggen hadden, leidde langs de soengei Sirat en de tijding dat die weg door den erfvijand van de boven-Kapoeas bezet werd, was wel geschikt om een ieder neerslachtig te maken. Johannes evenwel zag in, dat hij die stemming geen vorderingen mocht laten maken, daarom riep hij Amai Kotong, Harimaoung Boekit, zijn drie makkers, alsook Dalim en het hoofd van kotta Samoehing, Amai Pari genaamd, in de tomoi, die aan den voet van de versterking lag, bijeen, om te beraadslagen, wat er te doen stond.[202]„Wat er te doen staat,” zei Amai Pari, „is terugkeeren, van waar gij gekomen zijt.”„Ja,” viel Amai Kotong, wien de angst op het gelaat te lezen stond, in, „ja naar kotta Djankang terug.”„Hoe sterk worden de Doessonners geschat?” vroeg Johannes.„Men spreekt van 1200 man.”„Hebben zij vuurwapenen?”„Slechts zeer weinig geweren zijn door de verspieders opgemerkt, misschien een zestal; maar zij voeren vier garaboes met zich om de borstweringen der kotta’s aan splinters te schieten.”„Hoeveel mannen tellen wij?” was de vraag van Johannes aan Amai Kotong.Deze keek hem verwonderd aan en antwoordde eerst niet, zoodat de vraag herhaald moest worden.„Dat weet gij zoo goed als ik.”„Jawel, maar ik wilde het nog eens uit uw mond hooren.”„Nu, als dat uw wensch is. Wij tellen alles en alles 84 weerbare mannen.”„Flinke, stevige kerels, niet waar? En hoeveel geweren hebben wij?”„Ik meen zes en veertig.”„Dat is juist,” viel La Cueille in. „Veertig te Kwala Hiang buit gemaakt, onze vier modelgeweren en dan de twee remmingtons van den luitenant. Maar we hebben ook nog twee revolverpistolen, systeem Le Faucheux, alles is in zeer goeden staat; daar heb ik voor gezorgd.”„En we zouden naar kotta Djankang terugkeeren!!” barstte Johannes in woeste drift los. „Wij zouden naar kotta Djankang terugkeeren, om ons daar door de blanken gevangen te laten nemen. Om u als weerspannig hoofd[203]te zien ophangen, omdat gij de wetten der herbergzaamheid geëerbiedigd hebt en uw kotta tegen de blanken verdedigd hebt? Om Harimaoung Boekit de ijzers aan de handen te zien slaan en om hem tot dwangarbeid te hooren veroordeelen; dat wil zeggen, zijn leven lang steenen te kloppen of de billen van de kinderen eens residents te wasschen; omdat hij een onverbeterlijke koppensneller is? Zeg, Amai, zijn we dan oude wijven, of klopt ons een mannenhart in de borst? Neen! bij Mahatara en bij alle Sangiangs! geen stap terug, dat zeg ik u. Met zes en veertig geweren in de handen van kerels, zooals wij zijn, daarmede is Poeloe Kalimantan van het eene einde tot het andere door te trekken en ik wil dien Soerapatti wel eens onder de oogen treden, wanneer hij het wagen zoude, ons te willen weerstaan.”De sienjo stond daar schoon in zijn verbolgenheid, aan een bronzen beeld der verontwaardiging gelijk. Harimaoung Boekit, door zijn woorden medegesleept, had zijn mandauw ontbloot, zwaaide dien met de rechterhand, terwijl hij de hand van Johannes met de andere gegrepen had.„Neen!” brulde hij meer dan hij sprak, „neen geen voetstap terug! Integendeel, voorwaarts! voorwaarts!! opdat wij die oude wijven van de Doesson eens onder de oogen krijgen. Het zal de eerste maal niet zijn, dat zij door de Ngadjoe’s van Kapoeas en Kahajan op de vlucht zullen gedreven worden. Vooruit! vooruit! daar ligt de weg!”Die ontboezeming was aanstekelijk. Zoowel Amai Kotong als Amai Pari stemden met dien kreet van, „vooruit!” in; maar ook de menigte, die buiten de tomoi de opgewonden toespraak van Johannes en die van Harimaoung Boekit gehoord had, hief een luid gejuich aan, waarbij de Poenans, als echte zonen der wildernis, zich[204]niet onbetuigd lieten. Er werd nu besloten dat het reisgezelschap den tocht dadelijk zoude vervolgen en de Samoehingers verbonden zich een dertigtal strijders te leveren, die zich onmiddellijk zouden gereed maken, in dier voege, dat zij de anderen nog voor hun aankomst aan de monding der soengei Sirat met hun rangkan zouden ingehaald hebben. De Samoehingers gingen daartoe te eerder over, daar ook zij bij de verdrijving van den gemeenschappelijken vijand groot belang hadden en de bewoners van soengei Sirat hun stamgenooten waren en meest allen tot hun verwanten behoorden. Ook het aantal vuurwapenen, die het reisgezelschap bij zich had, legde gewicht in de schaal en deed aan de overwinning niet twijfelen.Na het ontbijt verorberd te hebben was de flotille een uur later weer op weg en stevende de Kapoeas verder op. Volgens alle berekening zou het de laatste dag zijn, dat onze zwervers dien stroom zouden aanschouwen. Vóór den avond zouden zij de monding van de soengei Sirat bereiken en van daar ging de weg westwaarts die nevenrivier op. Het was nu drie en dertig dagen geleden, dat zij Kwala Kapoeas verlaten hadden, om hun zwerftocht te beginnen.Onvermoeid en onverpoosd werd voortgeroeid. Niets werd evenwel ontwaard, wat den tocht kon vertragen of ook maar onrust kon baren. Maar ook geen enkele djoekoeng op de rivier, geen menschelijk wezen op den wal werd ontmoet of gezien, bij wien men inlichting zoude hebben kunnen inwinnen. Het was of de streek uitgestorven was.Het terrein klom al meer en meer. De taluds evenwel en de bedding der rivier waren niet meer zoo rotsachtig; de grauwe klei en het dito gekleurde zand werden langzamerhand vervangen door een roodachtige vette[205]klei, waartusschen in de oeverhellingen maar zeer weinig rolsteenen ontwaard werden. De rivier was diep ingesneden; soms moest de blik zich heel hoog richten om den hellingrand te bespeuren. Wel verhieven de heuvels, die bespeurd werden, zich al meer en meer; maar hun gedaante was minder grillig, meer eenvormig met afgeronde toppen en flauwe hellingen. Prachtige bosschen verhieven zich aan weerszijden der rivier; er was echter geen tijd om die te betreden; onze reizigers konden hen slechts in het voorbijvaren bewonderen. Van tijd tot tijd, wanneer een dalspleet zich opende, waardoor een riviertje zich baan brak naar de Kapoeas, en de loofwand het veroorloofde, werd men het naderend hooggebergte gewaar, dat in het noorden en noordwesten zich als een blauwe gekartelde band vertoonde.Om den gang der rangkans niet te vertragen, en zich niet te zeer te vermoeien, losten de roeiers elkander regelmatig af. Bij een dier verpoozingen, welke de Europeanen genoten, waren zij in hun rangkan bij elkander geschoven, om het gehoorde te kotta Samoehing te bespreken. Het was trouwens wel der moeite waard. Johannes bracht zijn makkers geheel op de hoogte van wat er gaande was en legde hun uit, hoe netelig hun toestand geworden was.„Niemand wil ik ontmoedigen,” sprak hij, „integendeel, ’t zal een vereischte zijn al onzen moed, al onze geestkracht bij elkander te houden. Maar om den toestand onverschrokken en onbevangen onder de oogen te treden, om hem te kunnen beheerschen, is het noodig hem geheel en met al zijn gevaren te kennen. Vooruit, zullen we te midden van een inlandschen oorlog met al zijn verschrikkingen geraken; terug kunnen we niet, dat zou aan zelfmoord gelijk staan.”[206]„Zouden de Hollanders het zoo erg met ons maken?” vroeg Schlickeisen.„Ze zullen ons niet ter dood brengen, maar of een veroordeeling tot tien jaren tuchthuis te Samarang of detentie te Willem I niet als erger te beschouwen is, laat ik aan de beslissing der vrienden over.”„Tien jaren voor een uitstapje! kom, je neemt een loopje met ons,” sprak La Cueille.„Nou, wil jij het er op wagen? maar bedenk dat ze daar ginds dat uitstapje: desertie in tijd van oorlog met medeneming van wapens, zullen noemen. Bedenk, dat we ons met die wapens tegen het wettig gezag verzet hebben. Allen, heldendaden bij het crimineel wetboek voor de landmacht voorzien en waarop de strop staat. Zij zullen meenen al drommels veel medelijden met ons te toonen, wanneer ze ons het leven zullen schenken. De gedachte evenwel dat zij in ons vier flinke schoenmakers zullen aanwerven, zal hen wel tot genade stemmen.”„Neen, aan terugkeeren valt niet te denken,” sprak Wienersdorf ernstig. „We zitten in het schuitje en moeten mede, laten we daarover geen discussie meer voeren. Maar wie is die Soerapatti? Is dat dezelfde die het stoomschip Onrust vermeesterde, waarvan je laatst vertelde?”„Dezelfde. Hij is het erkend opperhoofd van de boven Doesson, alsook van het landschap Siang en Moeroeng, dat zich tusschen die rivier en de grenzen van Broenei uitstrekt. Als befaamd koppensneller is hij steeds in oorlog met de omliggende stammen. Vooral is hij erg op de bewoners van Kapoeas en Kahajan gebeten; die hebben steeds veel te lijden gehad van zijn invallen.”„Maar de Dajaks van de Doessonlanden zijn toch van denzelfden stam als die uit deze streken. Waarom zijn zij zoo op elkander gebeten?”[207]„Vrouwengeschiedenissen, anders niet. Bij snel- en strooptochten worden wel eens maagden, zelfs getrouwde vrouwen, wanneer deze zeer schoon zijn, ontvoerd, die dan willens of onwillens de echtgenooten der overwinnaars of beter hunner ontvoerders moeten worden. Zoo’n vrouwenroof geeft steeds tot représailles aanleiding, waardoor men vrouwen van beide partijen in de tegenovergestelde kampen aantreft. Dat is de oorsprong van dien heilloozen haat, die tusschen de telgen van een en denzelfden stam bestaat, waarbij evenwel ook nog de zucht tot koppensnellen gevoegd moet worden.”„Jawel, pas op je kop,” lachte La Cueille, „we hebben die machtspreuk lang niet gehoord; ’t wordt tijd dat je die weer eens oprakelt.”„Ja, pas op je kop! je bent hier in het land van de koppensnellers en houd je er van verzekerd, dat alles wat je daaromtrent tot nu toe gezien hebt, slechts kinderspel geweest is.”„Nu ja, we zullen oppassen.”„Bestaan er in de volksoverlevering verhalen van merkwaardige feiten uit dien heilloozen krijg?” vroeg Schlickeisen.„Ja eenige. In soengei Sirat zullen we Mawong, het hoofd van kotta Hamiak ontmoeten, dat is een van de bitterste vijanden van Soerapatti, die zal ons wel het een of het ander verhalen, als je daarop belust zijt. Maar van één krijgstocht van Soerapatti wil ik je toch vertellen, die is nog al merkwaardig. Die speelt ook niet in deze streken, maar in de benedenlanden, tot waar de Doessonners in 1833 doorgedrongen waren. Luistert.[208]1Boehiesis een zwartgrijze aap, die ongeveer drie à vier voet lang wordt. Hij heeft een staart, die langer dan zijn lichaam is. Hij behoort tot de semnopethici of slingerapen.↑

XXVI.Een Dajaksch ontbijt.—„Kalamboe-ei” en „bakatak”.—Een eiland.—De „boehies”.—Moordpartij.—De bezoarsteenen.—Een nieuw model soep.—In veilige haven.—De storm.—De „soho”.—Kotta Samoehing.—Oorlogsgeruchten.—Beraadslaging.—Niet terug; maar vooruit naar soengei Sirat.—De laatste dag op de Kapoeas.

Een Dajaksch ontbijt.—„Kalamboe-ei” en „bakatak”.—Een eiland.—De „boehies”.—Moordpartij.—De bezoarsteenen.—Een nieuw model soep.—In veilige haven.—De storm.—De „soho”.—Kotta Samoehing.—Oorlogsgeruchten.—Beraadslaging.—Niet terug; maar vooruit naar soengei Sirat.—De laatste dag op de Kapoeas.

Een Dajaksch ontbijt.—„Kalamboe-ei” en „bakatak”.—Een eiland.—De „boehies”.—Moordpartij.—De bezoarsteenen.—Een nieuw model soep.—In veilige haven.—De storm.—De „soho”.—Kotta Samoehing.—Oorlogsgeruchten.—Beraadslaging.—Niet terug; maar vooruit naar soengei Sirat.—De laatste dag op de Kapoeas.

Met het aanbreken van den dag waren de reizigers weer tot vertrek gereed. Toen dat oogenblik gekomen was, deelde Johannes een twintigtal stengen tabak aan de voornaamsten van kotta Karangan uit; aan de echtgenoote van het hoofd bood hij een halssnoer van fraaie glaskralen uit de pacotille van Baba Poetjieng aan, welke oplettendheid zeer gewaardeerd werd, en dan ook allen argwaan wegnam. Als tegenbeleefdheid beijverde de gastvrouw zich den vertrekkenden pakjes „parei poeloet” (ketanrijst) in pisangbladeren gewikkeld, aan te bieden en bij ieder dier pakjes een flink stuk gebraden „kalamboe-ei” of „bakatak” te voegen. Een flinke teug dubbel overgehaalden toeak werd ook ieder der reizigers gegund.Dien toeak dronk La Cueille met graagte. Hij smakte nog lang daarna met tong en lippen, veegde zich begeerig den mond af en begon zijn ontbijt. De kleverige rijst was hem bekend; met wat fijn zout, fijn geraspte klappernoot[186]smaakte zij niet kwaad. Maar met een wantrouwend oog bekeek hij de vleeschspijzen, die hem zoo maar in de hand gestopt waren. Hij rook er eens aan. Verduiveld! die geur kittelde aangenaam zijn reukorganen. Hij zette er de tanden in en waarachtig de smaak overtrof nog den geur. Hij verbande alle herinneringen aan paalworm en slangen en liet zich het zoodje goed smaken, totdat Johannes hem vroeg, of hij wel wist, wat hij daar at.„Om het even,” antwoordde de Waal, „’t is afgedriedonders lekker!”„Als het je maar smaakt, dan is alles goed. Ik vind het ook lekker, al is het wat vies.”Met een stuk in den geopenden mond, keek de Waal Johannes aan.„Wat is het dan?” bracht hij stotterend uit, terwijl hij de hand aan den mond bracht.„Neen, laat zitten; ’t is te lekker om weg te gooien. Daarenboven, zoo erg is het niet. De „kalamboe-ei” is een vuistdikke tuinslak met prachtige schelp.”De Waal kokhalsde reeds.„En het andere?” vroeg hij met vertwijfelende stem.„De „bakatak” is een groene kikvorsch, die hier allerwege langs de rivierboorden gevonden wordt.”„O, mon Dieu!” kreunde de Waal met een verdachte beweging van zeeziekte.„Kom, wat is dat voor gekheid!” riep Johannes, „je bent toch nu lang genoeg in de Dajaklanden, om die meisjesgrillen afgeleerd te hebben. Daar, drink eens voor het vet.”En meteen gaf hij hem een bamboemaatje met jenever gevuld over. In een slok sloeg de Waal den inhoud naar binnen en zei, terwijl hij zich de maagstreek wreef:[187]„Fichtre! dat smaakt; voor nog zoo’n borrel eet ik tien slakken op.”„Dat wil ik wel gelooven,” lachte Johannes, „die tien slakken zouden evenwel je maag bezwaren. Je hebt daarenboven nu genoeg hartversterking. Pruim je rijst nu maar op.”La Cueille gehoorzaamde stipt; maar hij moffelde toch het lekkere gebraad weg en moest zich omkeeren van walging, toen hij zijn Moendoet zich met een genotvol gelaat de vingers zag aflikken. Hij nam zich voor, haar in volle vier en twintig uren geen zoen te geven.Na afloop van dat lekkere maal nam een ieder weer zijn plaats in de vaartuigen in, en onder een luid hoera zette zich de rangkanvloot in beweging.De stroom werd al meer en meer woest en de vaart moeielijker. Wel had men heden slechts drie kihams te boven te komen, die daarenboven niet lang, niet bochtig en derhalve niet veel moeielijkheden opleverden; maar de rivier zelve werd al smaller en smaller en al meer en meer ondiep. Haar watervermogen verminderde allengskens en bij iedere zijrivier, die men voorbijvoer, deed zich dat al meer en meer gevoelen. Toen men kotta Karangan eenige uren achter den rug had, zagen de Europeanen in, dat het overgaan in rangkans van een goede bekendheid met deze streken getuigde. Al had men ook hun prauw tegen de kihams kunnen ophalen, hier toch had zij de vaart moeten staken.Van kotta Karangan af was het terrein een ware chaos. De taluds der rivier vertoonden een onregelmatige opvolging van kalklagen, diorietmassa’s en zandsteen, hier en daar doorsneden met calcedonen en vuursteenen, het alles gedekt door een dikke humuslaag, die aan een rijken plantentooi het noodige voedsel verschafte.[188]Tegen den middag legde deflotillebij een eilandje aan, dat bestond uit verblindend wit zand, spaarzaam met kleine afgeronde witte keitjes vermengd. Een eiland was het eigenlijk niet; het was niets anders dan een zandbank, die thans bij den lagen waterstand boven de oppervlakte verscheen. Door de geringe breedte der rivier kon het woud op de beide oevers dit plekje overschaduwen, zoodat het een bekoorlijk rustpunt aanbood. Tenauwernood had het reisgezelschap de vaartuigen verlaten, om zich de beenen wat te ontspannen, toen men een geheele troep „boehies”1door de hooge boomen zag voltigeeren. Nieuwsgierig als alle vierhandige dieren, naderden zij den boschrand en gluurden, onder het maken van allerlei koddige luchtsprongen, naar hetgeen de reizigers daar op dat eiland uitvoerden. Al meer en meer vertrouwvol wordende, naderden zij, naderden nog meer; ja eenige der jongeren waagden zich tot op de onderste takken, lieten zich aan hun lange staarten afhangen en wiegelden zich zoo vlak boven de hoofden der menschen, die zij bijkans met hun voorhanden konden aanraken. Toen de vertrouwelijkheid zoo ver gevorderd was, sprak Harimaoung Boekit eenige woorden, waarop de vier Europeanen hun geweren met groven hagel en gekapt lood laadden en eenige Dajaks hun blaasroeren grepen.Nog altijd sprong de lustige apenkolonie boven de hoofden der menschen, onbewust van het gevaar, dat dreigde. Op een gegeven teeken knalden de geweerschoten en een twaalftal boehies stortten voor het meerendeel doodelijk gewond neder. Hartverscheurend was het geklaag, dat deze gekwetste dieren aanhieven.[189]Hun makkers verdwenen in allerijl. Toch niet allen; een moeder, die haar jong onder het moordend lood had zien vallen en zelve ongedeerd was gebleven, liet zich van boven afvallen, greep haar stervend kind, klemde dat aan de borst en sprong, vóór dat er zich iemand tegen verzetten kon, te water, dook onder, bereikte den oever en was in een oogwenk in het dichte groen verdwenen. Een ander der gekwetsten viel niet. Krampachtig hield hij zich met de achterhanden vast aan den tak, waarop hij zich kluchtig verlustigde, toen de menschen hun moordaanslag volvoerden. Een oogenblik hing hij daar; men kon hem met de hand bijna aanraken. Tranen droppelden hem uit de oogen en met de voorhanden hield hij zich de borst omklemd, terwijl het bloed hem tusschen de vingeren doorsijpelde. Daar had hij een gapende wond, het scheen wel een snee, waarschijnlijk door het afschampen van een scherphoekig stuk lood te weeg gebracht. Klaaglijk klonk het gesteun van het arme dier; zijn blik had een weemoedig verwijtende uitdrukking, alsof het vragen wilde: „wat heb ik u toch gedaan, om mij zoo te behandelen?” De uitdrukking van dien blik was zoo meewarig, dat geen der Dajaks, zelfs geen der woeste Poenans een vinger uitstak, om zich van het dier meester te maken. Allen stonden met het oog vol deernis toe te kijken. Eindelijk verzamelde de arme boehies al zijn krachten, greep met de voorarmen den tak, waaraan hij hing, tilde zich omhoog en zette zich neder. Nu plukte hij eenige bladeren en jonge spruiten, kauwde die fijn en legde de zoo gevormde pap op de wond. Nu hield hij zich een wijl stil, als om adem te scheppen; waarna hij zich met behulp van zijn staart en drie zijner handen, terwijl de vierde de wond bleef bedekken, langzaam verwijderde en tusschen het donkere loof verdween.[190]Bij dat schouwspel èn van die moeder, die alles waagde, om haar kind te redden, èn van dien gekwetste, die met zulk een welsprekende mimiek de deernis zijner beulen wist in te roepen, hadden de Europeanen spijt gevoeld, zich tot die moordpartij te hebben laten verleiden. Maar nog voor zij hun gevoelens hadden kunnen uiten, waren de Dajaks met den mandauw in de hand op de gekwetste apen toegesprongen en hadden ze niettegenstaande hun hartverscheurend geschreeuw in een oogenblik gedood. Nu begon een afzichtelijk schouwspel. Ieder, die een lijk in handen hield, haastte zich den buik daarvan open te snijden, om met volle handen in de lauwe ingewanden te wroeten. In de darmen van sommige dieren, maar vooral van de boehies, wordt dikwijls een groenachtige steen ter dikte van een groote erwt aangetroffen. In vroegere tijden werd dien steen door de blanken een buitengewone geneeskundige kracht toegeschreven. In Europa werd hij onder den naam van bezoar ter markt gebracht, alwaar hij toen met het zeldzaamste edelgesteente in kostbaarheid wedijverde. In den tegenwoordigen tijd is zijn oude roem, althans bij de blanken, verdwenen, maar bij de bewoners van den geheelen Indischen Archipel heeft hij nog een zekere waarde behouden en geldt zulk een groene erwt, zoowel te Batavia als te Singapore soms 200 gulden.Onze reizigers waren uiterst gelukkig geweest bij deze vangst. Soms kan het gebeuren, dat de jager drie, ja meer boehies doodt, alvorens een „batoe galiga”, zoo is de Dajaksche naam van den bezoar, te vinden. Thans had men twaalf apen gedood en daaruit werden acht steenen te voorschijn gehaald, die, wel is waar, niet allen even groot en onberispelijk van samenstel waren, maar die toch door elkander elk 150 gulden waard waren. Harimaoung Boekit verzamelde ze grinnekend, stopte ze in een[191]bamboecylindertje en bood ze als een bewijs van dankbaarheid aan den redder zijns levens en als een bewijs zijner toegenegenheid aan den aanstaanden echtgenoot zijner zuster aan.„Dat spekt de mas!” mompelde La Cueille, „Crétonnerre, als ieder schot honderd vijftig gulden kon opbrengen; jongens! ik ga op den uitkijk zitten en ieder boehies, dien ik ontwaar is de mijne.”„Je kunt je de moeite voorloopig gerust sparen,” antwoordde Johannes. „Die apensoort is zoo heel overvloedig niet. Het kost soms vrij wat moeite, om er een in het gezicht te krijgen. En nu dat geweervuur tusschen dien troep weerklonken heeft, drommels! je zoudt hier lang kunnen wachten, voor dat je er nog een van te zien kreegt.”„Ik heb nog veel batoe galiga te soengei Miri,” gniffelde Harimaoung Boekit tegen Johannes. „Als we daar zijn, heb ik u een ruil voor te slaan voor de kanonnen, die ge van kotta Djankang medegenomen hebt. Die zou ik gaarne op mijn kotta zien prijken.”„Als we daar zijn, waarde Amai, zullen we daarover verder praten,” kreeg de Poenan ten antwoord. „De kanonnen, wellicht ook de geweren, zult ge kunnen krijgen.”„Ik begin te gelooven,” mengde de Waal zich in het gesprek, „dat we niet met ledige handen thuis zullen komen.”„Dat zou wel kunnen zijn; maar.… voor alles moeten we trachten te huis te komen; en zoo ver zijn we nog niet, reken daar maar op.”De Waal zuchtte eens diep.Terwijl dit alles voorviel, hadden de vrouwtjes van het reisgezelschap den tijd uitstekend benuttigd, om het maal gereed te maken. Bijna op alle plekjes van het eilandje brandden vuurtjes en de geheele atmospheer rook zoo lekker, dat buiten het ongeduld om verder te[192]stevenen, ook nog de aanspraken van de maag zich deden gelden.Eindelijk zat of beter lag de geheele reiskolonie, in verschillende groepen verdeeld, rondom de matten, waarop de gaven des Scheppers uitgestald en aangerecht waren. Hoopen dampende rijst, bijna sneeuwwit, droog van korrel gekookt en daarbij een menigte potjes en bladeren als schaaltjes met toespijs gevuld. Het hertenvleesch van den bok, des morgens geschoten, verscheen in allerhande vormen, was rechtvaardig verdeeld en scheen allen goed te smaken.Op de mat, waarom deEuropeanengelegen waren, stond een koperen pot, hermetisch met een houten deksel gesloten. Eerst hadden de reizigers daar niet op gelet; nu de honger ietwat verzadigd was, begon die hun nieuwsgierigheid gaande te maken.„Wat zou daar toch in zijn?” vroeg La Cueille.„Och, dat’s soep,” sprak Johannes, „de lui hebben vernomen, dat die te Bandjermasin nog al eens gegeten wordt en, om ons te verrassen, hebben de vrouwtjes die klaar gemaakt.”„Soep,” vroeg Schlickeisen, „soep? wel dat had je wel eerder kunnen zeggen, dan hadden we ons maal met een lekker bord kunnen beginnen. Maar om het even, smaken zal ze toch wel.”En den pot naar zich toehalende, nam hij het deksel af, en snoof met wellust de heerlijke geuren, die zich verspreidden, op. Nu stak hij er een lepel in en maakte aanstalten zich een klapperdop vol op te scheppen, maar met een kreet liet hij plotseling den lepel vallen, greep een soort tweetandige houten vleeschvork, stak daarmede in den pot en haalde iets voor den dag, dat allen—Johannes uitgezonderd—van ontzetting deed achteruit deinzen. Tusschen de tanden van den[193]vork bekneld, vertoonde zich als het ontvleesde hoofd van een kind en aan dat hoofd was nog het lichaam verbonden, dat ten halve nog uit den pot getild, twee armen met welgevormde handjes vertoonde. Sprakeloos en vol afschuw keken de Zwitsers en de Waal die gedaante aan. Schlickeisen had het besef niet, de vleeschvork los te laten. Hij stond daar als aan den grond genageld.„Wat is er? wat hebt jullie nu weer voor een kippenkuur?” vroeg Johannes.„Maar zie je dan niet?” was het hijgende antwoord van La Cueille.„Wat, die soep? Zeker zie ik die, die zal drommels lekker smaken.”„Ze willen menscheneters van ons maken!” gilde de Waal. „Dat nooit!”„Menscheneters?” vroeg Johannes onnoozel. „Kom, hou me niet voor den gek.”En Schlickeisen op zijde duwende, vulde hij zijn klapperdop met de geurige soep, zette dien aan den mond en slurpte met volle teugen.„He!” riep hij, eindelijk eens ademhalende, „verduiveld lekker!”„Hoe kun je zoo iets doen?” vroeg Wienersdorf met diepen weemoed in de stem. „Verwildert dan de mensch geheel en al in dit gevloekte land?”„Dat ik wat heb kunnen doen?” vroeg Johannes schijnbaar verbaasd.„Wel, die menschensoep drinken!”„Menschensoep?!!”„Ja, menschensoep! zie je dan dat kind niet, dat Schlickeisen te voorschijn heeft gebracht?”De Sienjo had zijn doel bereikt; die domme Europeanen waren er mooi ingeloopen. Hij schaterde het uit.[194]„Menschensoep! die krijgt jullie in Europa, zelfs in hetGrand Hôtel du Louvreniet! Onbetaalbaar!” gierde hij uit. „Ik lach me nog een ongeluk.”En de vork uit de hand van Schlickeisen grijpende, tilde hij de vleeschmassa verder uit den pot, waardoor met twee lange beenen, van handen voorzien, ook een ellenlange staart te voorschijn kwam.„Een aap!” riep La Cueille.„Een boehies, een van die, welke wij straks geschoten hebben. De vrouwtjes hebben dat dier netjes in kokend water gestopt, om hem van zijn pels te ontdoen en toen een lekkere soep daarvan bereid.”De Waal en de twee Zwitsers stonden met de hand voor den mond even ernstige gezichten te trekken, alsof de zekerheid, dat het geen menschensoep was, hen even ontsteld had, als straks de meening, dat het een kind was, dat zij gezien hadden. De walging, die zij aan den dag legden, nu zij overtuigd waren, dat het apensoep was, kon niet erger zijn, al legde Johannes hun ook uit, dat een aap een der zindelijkste dieren der schepping is, die zich met niets dan met plantaardig voedsel voedt en daarbij uiterst kieskeurig is.„Als gij daar eens mede vergelijkt het varken en de kip,” riep hij uit, „waarvan het vleesch u zoo smaakt, dan begrijp ik niet, wat ge tegen het verorberen van een aap hebt.”„Maar die gelijkenis! ’t is alsof je je broer opeet!” sprak Schlickeisen nog steeds ontzet.„Te drommel!” hernam Johannes lachende, „dat is een argument, hetwelk Darwin vergeten heeft aan te halen, om zijn beroemde stelling aannemelijk te maken; namelijk, de afschuw, dien de mensch heeft van apenvleesch, omdat hij het bewustzijn heeft zijn broeder op te peuzelen. ’t Is waar, dat de Dajak dien afschuw niet[195]kent en dien ook niet voor het menschenvleesch gevoelt.”Johannes kon oreeren als wijlen Demosthenes, maar overtuigen kon hij zijn makkers niet. De soep bleef dan ook onaangeroerd, behalve de flinke portie, die hij zelf er van verorberde en het been, waarvan hij de kuit met graagte afkluifde en die hem bijzonder smaakte.Toen het maal verorberd was, werd de reis voortgezet Sedert het vertrek van kotta Djankang was het terrein al meer en meer oploopend geworden; het waren evenwel nog slechts heuvels, die men ontwaard had, waarvan de hoogste slechts 250 voet bereikten en waartusschen de Kapoeas zich heen slingerde. Van nu af begonnen de reizigers in het noorden en noordwesten een bergketen in het gezicht te krijgen, die als zeer uitgesneden, een menigte toppen in de verte vertoonde. Johannes wees zijn makkers die keten en duidde hun aan, dat zij daarover moesten, om de Chineesche zee te kunnen bereiken. Maar, voegde hij er zuchtende bij:„We beginnen thans de zuidelijke helling te zien; wanneer wij de andere helling zullen afdalen, dat weet God alleen.”Met kracht werd voortgeroeid. Het kon omstreeks drie uur in den namiddag zijn, toen Amai Kotong het teeken gaf, om aan te leggen. Men bevond zich toen voor de monding der soengei Samoehing, die men, na een korte beraadslaging onder de Dajaks, binnen stevende. Johannes vroeg aan Harimaoung Boekit, wat dat te beteekenen had, daar men nog ruim een drietal uren zou kunnen doorreizen en wellicht Toembang Roengoi bereiken. Zonder antwoord te geven, wees de Poenan naar den hemel in het noorden, die daar erg donker uitzag en een onweder voorspelde. Dalim vertelde den Europeanen, dat een „soho” een watervloed, in de maleische streken „bandjer” genaamd, hier zeer gevaarlijk[196]kon zijn. Het water rijst dan plotseling en stroomt met onweerstaanbaar geweld. De vaartuigen, er door overvallen, worden in weerwil van alle inspanning medegesleept en loopen groot gevaar in den een of anderenlabehoe(draaikolk) te gronde te gaan, of op de rotsen der kihams verbrijzeld te worden. Zoodra men binnen de monding der Samoehing was, beijverden de reizigers zich, de lichte rangkans zoo hoog mogelijk op den zacht glooienden oever te halen, om ze buiten het bereik van het water te brengen. Ter nauwernood was men met dien arbeid klaar, of een gerommel liet zich hooren als van een verwijderden donder, dat al nader en nader kwam. De Europeanen meenden, dat het werkelijk het geluid van een onweder was, hetwelk ras naderde, en werden in die meening versterkt, daar het zwerk al meer en meer betrok, de zon reeds achter een dichten wolkensluier verscholen was en eenige groote regendroppels begonnen te vallen, die in het dichte loof van het woud een tikkend geluid gaven, alsof hier en daar een hagelsteen op de bladeren viel. Dalim riep evenwel de deserteurs tot zich, beklom met hen denboekit(heuvel), die de landtong vormt tusschen de Kapoeas en de Samoehing. Aan de oeverzijde was dat niet gemakkelijk, daar door het herhaalde rijzen der wateren, alle plantengroei belet was en de helling vrij steil omhoog liep. Maar na een kleine inspanning waren zij boven en hadden van daar een ruim vergezicht over de rivier. Alles was doodstil in de natuur, geen blad dat bewoog, geen grashalm die slingerde, geen krekel die kriekte, geen vogel die sjilpte, geen vlinder die fladderde. De wolken drukten zwaar op het aardrijk en veroorzaakten, behalve een ontzaglijke hitte, die de zweetdroppels op de voorhoofden deed parelen, ook nog een spanning van aderen en spieren en een angstige neerslachtigheid,[197]die niet te overwinnen was, en waaronder de geheele organische schepping zwoegde. Alleen het loeien van den nog steeds verwijderden donder deed zich hooren, maar steeds nader en nader, steeds onafgebroken. Die stem beheerschte alles, geweldig, machtig, als de stemme Gods, die zij ook was.„Ziet! ziet!” riep Schlickeisen, die in angstige verbazing de hand naar het boveneinde van den stroom uitstak.Daar naderde, terwijl het gedonder al dichter bij kwam, en nu den heuvel met het woud en de reizigers, die er zich op bevonden, scheen te omgeven, in de rivier een muur van water van twaalf tot vijftien voet hoog. Als loodrecht opgetrokken in die gedeelten van den stroom, waar de bedding effen was en geen of slechts luttele hinderpalen daarstelde, schreed die muur met de snelheid van een exprestrein voort. Wanneer machtige rotsen den voortgang stuitten, dan steigerde en krulde de ontzaglijke baar met haar geel drabbig water in een halven boog, alsof zij den hinderpaal, die haar in den weg stond, in een woeste omhelzing omklemmen en uit de voegen, die hem geketend hielden, dringen wilde, om hem met zich voort te sleuren. Zij overdekte zich dan met een kruin van wit schuim, brak, spatte uiteen bij die ontzaglijke inspanning en donderde, en schuimde, en kookte, alsof het onderaardsche vuur onder een monsterketel aangeblazen werd. Was zij den hinderpaal te boven, dan, als verzamelde de baar zich weder, steigerde en boomde zij zich, om weer, aan een machtigen wand gelijk voort te ijlen. Aan het geloei der wateren paarden zich het geknars der rotsen, die uit hare voegen verwrikt werden, en slagen, alsof zwaar geschut losgebrand werd, wanneer die rotsbrokken door den machtigen stroom medegesleept, tegen anderen aanbonsden. Boomen werden ontworteld en door het geweld des waters medegevoerd;[198]groote steenmassa’s werden uit hunne omlijsting van klei in de taluds der rivier uitgespoeld en ploften in het water, waarop zij een poos schenen te drijven, alvorens te zinken, zoo groot was de kracht en de snelheid van den stroom.De verschijning van dien watermuur duurde maar een oogenblik, den tijd ter nauwernood dien een sneltrein noodig heeft, om den wandelaar vooruit te stuiven. Toen hij voorbij was, was de rivieroppervlakte twaalf tot vijftien voet hooger dan een oogenblik te voren, en ging die nog voort te stijgen. Loeiend rolde de gele drabbige watermassa, waar straks een kristalheldere rivier ruischte en klaterde en over helder wit zand en reine kiezelsteentjes voortschoot.Opgetogen hadden onze Europeanen naar dit natuurtooneel staan staren; maar nog voordat de voortrollende watermuur uit hun oog verdwenen was, werd hun bewondering afgeleid. Want, alsof die voortijlende watermassa het sein gegeven had, brak het onweder op eens in al zijn majesteit los. Het vuur werd figuurlijk en letterlijk door een verblindende bliksemflits geopend, waarop een ratelende donderslag volgde, die de voorbode was van een menigte anderen, die van verscheidene punten van het zwerk zich onophoudelijk lieten hooren. Tegelijkertijd verhief zich een stormwind, die zware boomen ontwortelde, de prachtigste kruinen ter aarde boog, takken afscheurde en als vederen wegslingerde en, beladen met het aan zoovele woudreuzen ontwrongen loof, zich verder spoedde, om zijn verwoestingen voort te zetten. Een oogenblik was er, alsof alle geluiden der aarde ontketend waren. Aan het geloei van den voorthollenden stroom, paarden zich het rollen van den donder, het gekraak der afbrekende takken, het gebons en geplof van de vallende boomen, het gehuil van den stormwind,[199]het angstig getjilp der vogelen, het klagend geschreeuw der apen, en vormde, hoe wanluidend iedere toon op zich zelven ook weerklonk, een verheven harmonisch geheel, dat zich wild en woest verhief, maar het hart met ontzetting vervulde en tot bewondering voor de ontboeide natuurkrachten stemde.Al dikker en zwarter werden de wolken; al lager daalden zij tot het aardrijk, totdat zij de watermassa, die zij inhielden, niet meer konden houden en haar begonnen te ontlasten. Het was toen geen regen die viel, geen droppels die neerdaalden, maar waterstralen, die door den wind gezweept, als een golvende watergordijn vormden, welke den gezichtskring beperkte en de voorwerpen belette te zien, die op weinige passen afstands verwijderd waren, waterstralen die vereenigd als beken en stortvloeden, springende, vallende en wild schuimende, de helling van het terrein volgden, om zich in de rivier te storten.Nu spoedden onze zwervers den heuvel af om zich bij hun makkers te voegen. Zij vonden daar allen bedrijvig, want de plotselinge stijging der wateroppervlakte was van zoodanigen omvang geweest, dat al zeer spoedig werd ingezien dat de rangkans niet hoog genoeg op den wal waren gehaald. Gelukkig dat de eerste aandrang des waters voorbijschoot zonder de vaartuigen te bereiken. Maar bij de voortdurende stijging van het water, begreep men dat alles gedaan moest worden om de vervoermiddelen in veiligheid te stellen. De vier Europeanen togen mede aan den arbeid en met de kracht, door die vier paar armen aangebracht, vorderde hij snel, zoodat in weinig tijds de vaartuigen buiten bereik van gevaar lagen.Het onweder duurde nog geruimen tijd met onbezweken kracht voort, waarna het zich in zuidwestelijke richting verwijderde. De bliksemstralen werden minder scherp[200]en schichtvormig en gingen meer over in ontvlammingen, die het heelal schenen in vuur te zetten; de donderslagen werden minder menigvuldig, de tijdruimte tusschen die slagen en de bliksemflitsen werd gedurig grooter en het geluid zwakker. Ook bedaarde de wind allengskens en ging de plasregen in een fijnen stofregen over, die ook weldra ophield; terwijl de wolken, zich verdeelende, het hemelazuur lieten aanschouwen en een gulden straal der ondergaande zon het aardrijk kwam verkondigen, dat de strijd uitgewoed had. Alleen de rivier bleef nog verbolgen en stuwde haar drabbige wateren grommig en loeiend voort. Maar vóór nog de zon aan de westerkim wegdook, was de stijging tot stand gekomen en vóórdat de nacht ingetreden was, hadden de reizigers zich kunnen vergewissen, dat een daling merkbaar was. Allen legden zich dan ook vertrouwvol onder de hoede der schildwachten te rusten.Den volgenden morgen was ons reisgezelschap al heel vroeg tot vertrek gereed. Wel was de rivier gedurende den nacht sterk gevallen, maar toch kon de waterafvoer in vergelijking met de vorige dagen nog zeer aanzienlijk genoemd worden. Er stond ruim zes voet meer water dan daags te voren. Door den zwaren stroom zoude meer krachtsinspanning gevorderd worden, om vooruit te komen; daar stond echter tegenover, dat, nu de watermassa over een aantal beletselen heen rolde en die diep bedolf, men daarover heen kon varen welke gisteren nog in allerlei bochten vermeden moesten worden.Even voorbij het omvaren van den eersten hoek, werden de reizigers een aanzienlijke versterking gewaar, kotta Samoehing genaamd, alwaar alarmkreten weerklonken en op de garantongs geslagen werd, toen de bewoners de flotille rangkans in het oog kregen. Deze kotta verhief zich op de helling van den heuvel, op welks top[201]de Europeanen den watervloed daags te voren hadden gadegeslagen. Die top had nog al uitgebreidheid en de hellingen waren zeer dicht begroeid; terwijl de Kapoeas langs twee zijden van den heuvel kronkelde, waardoor die versterking, als in het groen verscholen, aan hun oog onttrokken was geweest. Johannes beijverde zich de Nederlandsche vlag te laten wapperen, terwijl Amai Kotong de menschen aan den wal toewuifde en hun woorden van vrede en geruststelling deed hooren. Toen de Samoehingers het oude hoofd van kotta Djankang herkenden, bedaarde hun angstvalligheid en hielden de alarmkreten op. Bij het aan wal stappen, vernam Amai Kotong, dat een gerucht liep, volgens hetwelk de Doessonners onder aanvoering van Tomonggong Soerapatti in de Kapoeasstreken zouden gevallen en dat Dajaksche hoofd thans met de bewoners van soengei Sirat aan het oorlogen zoude zijn. In den omtrek van kotta Samoehing was nog geen vijand verschenen; maar er werden angstwekkende verhalen van de voornemens van dien woesteling gedaan, als zoude hij de bewoners der Kapoeas te vuur en te zwaard willen vernielen, om zich te wreken over een nederlaag, die de Doessonners in vroegere jaren geleden hadden. Dat waren voor onze Europeanen geen opbeurende berichten, ook niet voor het overige reisgezelschap. De weg, dien zij af te leggen hadden, leidde langs de soengei Sirat en de tijding dat die weg door den erfvijand van de boven-Kapoeas bezet werd, was wel geschikt om een ieder neerslachtig te maken. Johannes evenwel zag in, dat hij die stemming geen vorderingen mocht laten maken, daarom riep hij Amai Kotong, Harimaoung Boekit, zijn drie makkers, alsook Dalim en het hoofd van kotta Samoehing, Amai Pari genaamd, in de tomoi, die aan den voet van de versterking lag, bijeen, om te beraadslagen, wat er te doen stond.[202]„Wat er te doen staat,” zei Amai Pari, „is terugkeeren, van waar gij gekomen zijt.”„Ja,” viel Amai Kotong, wien de angst op het gelaat te lezen stond, in, „ja naar kotta Djankang terug.”„Hoe sterk worden de Doessonners geschat?” vroeg Johannes.„Men spreekt van 1200 man.”„Hebben zij vuurwapenen?”„Slechts zeer weinig geweren zijn door de verspieders opgemerkt, misschien een zestal; maar zij voeren vier garaboes met zich om de borstweringen der kotta’s aan splinters te schieten.”„Hoeveel mannen tellen wij?” was de vraag van Johannes aan Amai Kotong.Deze keek hem verwonderd aan en antwoordde eerst niet, zoodat de vraag herhaald moest worden.„Dat weet gij zoo goed als ik.”„Jawel, maar ik wilde het nog eens uit uw mond hooren.”„Nu, als dat uw wensch is. Wij tellen alles en alles 84 weerbare mannen.”„Flinke, stevige kerels, niet waar? En hoeveel geweren hebben wij?”„Ik meen zes en veertig.”„Dat is juist,” viel La Cueille in. „Veertig te Kwala Hiang buit gemaakt, onze vier modelgeweren en dan de twee remmingtons van den luitenant. Maar we hebben ook nog twee revolverpistolen, systeem Le Faucheux, alles is in zeer goeden staat; daar heb ik voor gezorgd.”„En we zouden naar kotta Djankang terugkeeren!!” barstte Johannes in woeste drift los. „Wij zouden naar kotta Djankang terugkeeren, om ons daar door de blanken gevangen te laten nemen. Om u als weerspannig hoofd[203]te zien ophangen, omdat gij de wetten der herbergzaamheid geëerbiedigd hebt en uw kotta tegen de blanken verdedigd hebt? Om Harimaoung Boekit de ijzers aan de handen te zien slaan en om hem tot dwangarbeid te hooren veroordeelen; dat wil zeggen, zijn leven lang steenen te kloppen of de billen van de kinderen eens residents te wasschen; omdat hij een onverbeterlijke koppensneller is? Zeg, Amai, zijn we dan oude wijven, of klopt ons een mannenhart in de borst? Neen! bij Mahatara en bij alle Sangiangs! geen stap terug, dat zeg ik u. Met zes en veertig geweren in de handen van kerels, zooals wij zijn, daarmede is Poeloe Kalimantan van het eene einde tot het andere door te trekken en ik wil dien Soerapatti wel eens onder de oogen treden, wanneer hij het wagen zoude, ons te willen weerstaan.”De sienjo stond daar schoon in zijn verbolgenheid, aan een bronzen beeld der verontwaardiging gelijk. Harimaoung Boekit, door zijn woorden medegesleept, had zijn mandauw ontbloot, zwaaide dien met de rechterhand, terwijl hij de hand van Johannes met de andere gegrepen had.„Neen!” brulde hij meer dan hij sprak, „neen geen voetstap terug! Integendeel, voorwaarts! voorwaarts!! opdat wij die oude wijven van de Doesson eens onder de oogen krijgen. Het zal de eerste maal niet zijn, dat zij door de Ngadjoe’s van Kapoeas en Kahajan op de vlucht zullen gedreven worden. Vooruit! vooruit! daar ligt de weg!”Die ontboezeming was aanstekelijk. Zoowel Amai Kotong als Amai Pari stemden met dien kreet van, „vooruit!” in; maar ook de menigte, die buiten de tomoi de opgewonden toespraak van Johannes en die van Harimaoung Boekit gehoord had, hief een luid gejuich aan, waarbij de Poenans, als echte zonen der wildernis, zich[204]niet onbetuigd lieten. Er werd nu besloten dat het reisgezelschap den tocht dadelijk zoude vervolgen en de Samoehingers verbonden zich een dertigtal strijders te leveren, die zich onmiddellijk zouden gereed maken, in dier voege, dat zij de anderen nog voor hun aankomst aan de monding der soengei Sirat met hun rangkan zouden ingehaald hebben. De Samoehingers gingen daartoe te eerder over, daar ook zij bij de verdrijving van den gemeenschappelijken vijand groot belang hadden en de bewoners van soengei Sirat hun stamgenooten waren en meest allen tot hun verwanten behoorden. Ook het aantal vuurwapenen, die het reisgezelschap bij zich had, legde gewicht in de schaal en deed aan de overwinning niet twijfelen.Na het ontbijt verorberd te hebben was de flotille een uur later weer op weg en stevende de Kapoeas verder op. Volgens alle berekening zou het de laatste dag zijn, dat onze zwervers dien stroom zouden aanschouwen. Vóór den avond zouden zij de monding van de soengei Sirat bereiken en van daar ging de weg westwaarts die nevenrivier op. Het was nu drie en dertig dagen geleden, dat zij Kwala Kapoeas verlaten hadden, om hun zwerftocht te beginnen.Onvermoeid en onverpoosd werd voortgeroeid. Niets werd evenwel ontwaard, wat den tocht kon vertragen of ook maar onrust kon baren. Maar ook geen enkele djoekoeng op de rivier, geen menschelijk wezen op den wal werd ontmoet of gezien, bij wien men inlichting zoude hebben kunnen inwinnen. Het was of de streek uitgestorven was.Het terrein klom al meer en meer. De taluds evenwel en de bedding der rivier waren niet meer zoo rotsachtig; de grauwe klei en het dito gekleurde zand werden langzamerhand vervangen door een roodachtige vette[205]klei, waartusschen in de oeverhellingen maar zeer weinig rolsteenen ontwaard werden. De rivier was diep ingesneden; soms moest de blik zich heel hoog richten om den hellingrand te bespeuren. Wel verhieven de heuvels, die bespeurd werden, zich al meer en meer; maar hun gedaante was minder grillig, meer eenvormig met afgeronde toppen en flauwe hellingen. Prachtige bosschen verhieven zich aan weerszijden der rivier; er was echter geen tijd om die te betreden; onze reizigers konden hen slechts in het voorbijvaren bewonderen. Van tijd tot tijd, wanneer een dalspleet zich opende, waardoor een riviertje zich baan brak naar de Kapoeas, en de loofwand het veroorloofde, werd men het naderend hooggebergte gewaar, dat in het noorden en noordwesten zich als een blauwe gekartelde band vertoonde.Om den gang der rangkans niet te vertragen, en zich niet te zeer te vermoeien, losten de roeiers elkander regelmatig af. Bij een dier verpoozingen, welke de Europeanen genoten, waren zij in hun rangkan bij elkander geschoven, om het gehoorde te kotta Samoehing te bespreken. Het was trouwens wel der moeite waard. Johannes bracht zijn makkers geheel op de hoogte van wat er gaande was en legde hun uit, hoe netelig hun toestand geworden was.„Niemand wil ik ontmoedigen,” sprak hij, „integendeel, ’t zal een vereischte zijn al onzen moed, al onze geestkracht bij elkander te houden. Maar om den toestand onverschrokken en onbevangen onder de oogen te treden, om hem te kunnen beheerschen, is het noodig hem geheel en met al zijn gevaren te kennen. Vooruit, zullen we te midden van een inlandschen oorlog met al zijn verschrikkingen geraken; terug kunnen we niet, dat zou aan zelfmoord gelijk staan.”[206]„Zouden de Hollanders het zoo erg met ons maken?” vroeg Schlickeisen.„Ze zullen ons niet ter dood brengen, maar of een veroordeeling tot tien jaren tuchthuis te Samarang of detentie te Willem I niet als erger te beschouwen is, laat ik aan de beslissing der vrienden over.”„Tien jaren voor een uitstapje! kom, je neemt een loopje met ons,” sprak La Cueille.„Nou, wil jij het er op wagen? maar bedenk dat ze daar ginds dat uitstapje: desertie in tijd van oorlog met medeneming van wapens, zullen noemen. Bedenk, dat we ons met die wapens tegen het wettig gezag verzet hebben. Allen, heldendaden bij het crimineel wetboek voor de landmacht voorzien en waarop de strop staat. Zij zullen meenen al drommels veel medelijden met ons te toonen, wanneer ze ons het leven zullen schenken. De gedachte evenwel dat zij in ons vier flinke schoenmakers zullen aanwerven, zal hen wel tot genade stemmen.”„Neen, aan terugkeeren valt niet te denken,” sprak Wienersdorf ernstig. „We zitten in het schuitje en moeten mede, laten we daarover geen discussie meer voeren. Maar wie is die Soerapatti? Is dat dezelfde die het stoomschip Onrust vermeesterde, waarvan je laatst vertelde?”„Dezelfde. Hij is het erkend opperhoofd van de boven Doesson, alsook van het landschap Siang en Moeroeng, dat zich tusschen die rivier en de grenzen van Broenei uitstrekt. Als befaamd koppensneller is hij steeds in oorlog met de omliggende stammen. Vooral is hij erg op de bewoners van Kapoeas en Kahajan gebeten; die hebben steeds veel te lijden gehad van zijn invallen.”„Maar de Dajaks van de Doessonlanden zijn toch van denzelfden stam als die uit deze streken. Waarom zijn zij zoo op elkander gebeten?”[207]„Vrouwengeschiedenissen, anders niet. Bij snel- en strooptochten worden wel eens maagden, zelfs getrouwde vrouwen, wanneer deze zeer schoon zijn, ontvoerd, die dan willens of onwillens de echtgenooten der overwinnaars of beter hunner ontvoerders moeten worden. Zoo’n vrouwenroof geeft steeds tot représailles aanleiding, waardoor men vrouwen van beide partijen in de tegenovergestelde kampen aantreft. Dat is de oorsprong van dien heilloozen haat, die tusschen de telgen van een en denzelfden stam bestaat, waarbij evenwel ook nog de zucht tot koppensnellen gevoegd moet worden.”„Jawel, pas op je kop,” lachte La Cueille, „we hebben die machtspreuk lang niet gehoord; ’t wordt tijd dat je die weer eens oprakelt.”„Ja, pas op je kop! je bent hier in het land van de koppensnellers en houd je er van verzekerd, dat alles wat je daaromtrent tot nu toe gezien hebt, slechts kinderspel geweest is.”„Nu ja, we zullen oppassen.”„Bestaan er in de volksoverlevering verhalen van merkwaardige feiten uit dien heilloozen krijg?” vroeg Schlickeisen.„Ja eenige. In soengei Sirat zullen we Mawong, het hoofd van kotta Hamiak ontmoeten, dat is een van de bitterste vijanden van Soerapatti, die zal ons wel het een of het ander verhalen, als je daarop belust zijt. Maar van één krijgstocht van Soerapatti wil ik je toch vertellen, die is nog al merkwaardig. Die speelt ook niet in deze streken, maar in de benedenlanden, tot waar de Doessonners in 1833 doorgedrongen waren. Luistert.[208]

Met het aanbreken van den dag waren de reizigers weer tot vertrek gereed. Toen dat oogenblik gekomen was, deelde Johannes een twintigtal stengen tabak aan de voornaamsten van kotta Karangan uit; aan de echtgenoote van het hoofd bood hij een halssnoer van fraaie glaskralen uit de pacotille van Baba Poetjieng aan, welke oplettendheid zeer gewaardeerd werd, en dan ook allen argwaan wegnam. Als tegenbeleefdheid beijverde de gastvrouw zich den vertrekkenden pakjes „parei poeloet” (ketanrijst) in pisangbladeren gewikkeld, aan te bieden en bij ieder dier pakjes een flink stuk gebraden „kalamboe-ei” of „bakatak” te voegen. Een flinke teug dubbel overgehaalden toeak werd ook ieder der reizigers gegund.

Dien toeak dronk La Cueille met graagte. Hij smakte nog lang daarna met tong en lippen, veegde zich begeerig den mond af en begon zijn ontbijt. De kleverige rijst was hem bekend; met wat fijn zout, fijn geraspte klappernoot[186]smaakte zij niet kwaad. Maar met een wantrouwend oog bekeek hij de vleeschspijzen, die hem zoo maar in de hand gestopt waren. Hij rook er eens aan. Verduiveld! die geur kittelde aangenaam zijn reukorganen. Hij zette er de tanden in en waarachtig de smaak overtrof nog den geur. Hij verbande alle herinneringen aan paalworm en slangen en liet zich het zoodje goed smaken, totdat Johannes hem vroeg, of hij wel wist, wat hij daar at.

„Om het even,” antwoordde de Waal, „’t is afgedriedonders lekker!”

„Als het je maar smaakt, dan is alles goed. Ik vind het ook lekker, al is het wat vies.”

Met een stuk in den geopenden mond, keek de Waal Johannes aan.

„Wat is het dan?” bracht hij stotterend uit, terwijl hij de hand aan den mond bracht.

„Neen, laat zitten; ’t is te lekker om weg te gooien. Daarenboven, zoo erg is het niet. De „kalamboe-ei” is een vuistdikke tuinslak met prachtige schelp.”

De Waal kokhalsde reeds.

„En het andere?” vroeg hij met vertwijfelende stem.

„De „bakatak” is een groene kikvorsch, die hier allerwege langs de rivierboorden gevonden wordt.”

„O, mon Dieu!” kreunde de Waal met een verdachte beweging van zeeziekte.

„Kom, wat is dat voor gekheid!” riep Johannes, „je bent toch nu lang genoeg in de Dajaklanden, om die meisjesgrillen afgeleerd te hebben. Daar, drink eens voor het vet.”

En meteen gaf hij hem een bamboemaatje met jenever gevuld over. In een slok sloeg de Waal den inhoud naar binnen en zei, terwijl hij zich de maagstreek wreef:[187]

„Fichtre! dat smaakt; voor nog zoo’n borrel eet ik tien slakken op.”

„Dat wil ik wel gelooven,” lachte Johannes, „die tien slakken zouden evenwel je maag bezwaren. Je hebt daarenboven nu genoeg hartversterking. Pruim je rijst nu maar op.”

La Cueille gehoorzaamde stipt; maar hij moffelde toch het lekkere gebraad weg en moest zich omkeeren van walging, toen hij zijn Moendoet zich met een genotvol gelaat de vingers zag aflikken. Hij nam zich voor, haar in volle vier en twintig uren geen zoen te geven.

Na afloop van dat lekkere maal nam een ieder weer zijn plaats in de vaartuigen in, en onder een luid hoera zette zich de rangkanvloot in beweging.

De stroom werd al meer en meer woest en de vaart moeielijker. Wel had men heden slechts drie kihams te boven te komen, die daarenboven niet lang, niet bochtig en derhalve niet veel moeielijkheden opleverden; maar de rivier zelve werd al smaller en smaller en al meer en meer ondiep. Haar watervermogen verminderde allengskens en bij iedere zijrivier, die men voorbijvoer, deed zich dat al meer en meer gevoelen. Toen men kotta Karangan eenige uren achter den rug had, zagen de Europeanen in, dat het overgaan in rangkans van een goede bekendheid met deze streken getuigde. Al had men ook hun prauw tegen de kihams kunnen ophalen, hier toch had zij de vaart moeten staken.

Van kotta Karangan af was het terrein een ware chaos. De taluds der rivier vertoonden een onregelmatige opvolging van kalklagen, diorietmassa’s en zandsteen, hier en daar doorsneden met calcedonen en vuursteenen, het alles gedekt door een dikke humuslaag, die aan een rijken plantentooi het noodige voedsel verschafte.[188]

Tegen den middag legde deflotillebij een eilandje aan, dat bestond uit verblindend wit zand, spaarzaam met kleine afgeronde witte keitjes vermengd. Een eiland was het eigenlijk niet; het was niets anders dan een zandbank, die thans bij den lagen waterstand boven de oppervlakte verscheen. Door de geringe breedte der rivier kon het woud op de beide oevers dit plekje overschaduwen, zoodat het een bekoorlijk rustpunt aanbood. Tenauwernood had het reisgezelschap de vaartuigen verlaten, om zich de beenen wat te ontspannen, toen men een geheele troep „boehies”1door de hooge boomen zag voltigeeren. Nieuwsgierig als alle vierhandige dieren, naderden zij den boschrand en gluurden, onder het maken van allerlei koddige luchtsprongen, naar hetgeen de reizigers daar op dat eiland uitvoerden. Al meer en meer vertrouwvol wordende, naderden zij, naderden nog meer; ja eenige der jongeren waagden zich tot op de onderste takken, lieten zich aan hun lange staarten afhangen en wiegelden zich zoo vlak boven de hoofden der menschen, die zij bijkans met hun voorhanden konden aanraken. Toen de vertrouwelijkheid zoo ver gevorderd was, sprak Harimaoung Boekit eenige woorden, waarop de vier Europeanen hun geweren met groven hagel en gekapt lood laadden en eenige Dajaks hun blaasroeren grepen.

Nog altijd sprong de lustige apenkolonie boven de hoofden der menschen, onbewust van het gevaar, dat dreigde. Op een gegeven teeken knalden de geweerschoten en een twaalftal boehies stortten voor het meerendeel doodelijk gewond neder. Hartverscheurend was het geklaag, dat deze gekwetste dieren aanhieven.[189]Hun makkers verdwenen in allerijl. Toch niet allen; een moeder, die haar jong onder het moordend lood had zien vallen en zelve ongedeerd was gebleven, liet zich van boven afvallen, greep haar stervend kind, klemde dat aan de borst en sprong, vóór dat er zich iemand tegen verzetten kon, te water, dook onder, bereikte den oever en was in een oogwenk in het dichte groen verdwenen. Een ander der gekwetsten viel niet. Krampachtig hield hij zich met de achterhanden vast aan den tak, waarop hij zich kluchtig verlustigde, toen de menschen hun moordaanslag volvoerden. Een oogenblik hing hij daar; men kon hem met de hand bijna aanraken. Tranen droppelden hem uit de oogen en met de voorhanden hield hij zich de borst omklemd, terwijl het bloed hem tusschen de vingeren doorsijpelde. Daar had hij een gapende wond, het scheen wel een snee, waarschijnlijk door het afschampen van een scherphoekig stuk lood te weeg gebracht. Klaaglijk klonk het gesteun van het arme dier; zijn blik had een weemoedig verwijtende uitdrukking, alsof het vragen wilde: „wat heb ik u toch gedaan, om mij zoo te behandelen?” De uitdrukking van dien blik was zoo meewarig, dat geen der Dajaks, zelfs geen der woeste Poenans een vinger uitstak, om zich van het dier meester te maken. Allen stonden met het oog vol deernis toe te kijken. Eindelijk verzamelde de arme boehies al zijn krachten, greep met de voorarmen den tak, waaraan hij hing, tilde zich omhoog en zette zich neder. Nu plukte hij eenige bladeren en jonge spruiten, kauwde die fijn en legde de zoo gevormde pap op de wond. Nu hield hij zich een wijl stil, als om adem te scheppen; waarna hij zich met behulp van zijn staart en drie zijner handen, terwijl de vierde de wond bleef bedekken, langzaam verwijderde en tusschen het donkere loof verdween.[190]

Bij dat schouwspel èn van die moeder, die alles waagde, om haar kind te redden, èn van dien gekwetste, die met zulk een welsprekende mimiek de deernis zijner beulen wist in te roepen, hadden de Europeanen spijt gevoeld, zich tot die moordpartij te hebben laten verleiden. Maar nog voor zij hun gevoelens hadden kunnen uiten, waren de Dajaks met den mandauw in de hand op de gekwetste apen toegesprongen en hadden ze niettegenstaande hun hartverscheurend geschreeuw in een oogenblik gedood. Nu begon een afzichtelijk schouwspel. Ieder, die een lijk in handen hield, haastte zich den buik daarvan open te snijden, om met volle handen in de lauwe ingewanden te wroeten. In de darmen van sommige dieren, maar vooral van de boehies, wordt dikwijls een groenachtige steen ter dikte van een groote erwt aangetroffen. In vroegere tijden werd dien steen door de blanken een buitengewone geneeskundige kracht toegeschreven. In Europa werd hij onder den naam van bezoar ter markt gebracht, alwaar hij toen met het zeldzaamste edelgesteente in kostbaarheid wedijverde. In den tegenwoordigen tijd is zijn oude roem, althans bij de blanken, verdwenen, maar bij de bewoners van den geheelen Indischen Archipel heeft hij nog een zekere waarde behouden en geldt zulk een groene erwt, zoowel te Batavia als te Singapore soms 200 gulden.

Onze reizigers waren uiterst gelukkig geweest bij deze vangst. Soms kan het gebeuren, dat de jager drie, ja meer boehies doodt, alvorens een „batoe galiga”, zoo is de Dajaksche naam van den bezoar, te vinden. Thans had men twaalf apen gedood en daaruit werden acht steenen te voorschijn gehaald, die, wel is waar, niet allen even groot en onberispelijk van samenstel waren, maar die toch door elkander elk 150 gulden waard waren. Harimaoung Boekit verzamelde ze grinnekend, stopte ze in een[191]bamboecylindertje en bood ze als een bewijs van dankbaarheid aan den redder zijns levens en als een bewijs zijner toegenegenheid aan den aanstaanden echtgenoot zijner zuster aan.

„Dat spekt de mas!” mompelde La Cueille, „Crétonnerre, als ieder schot honderd vijftig gulden kon opbrengen; jongens! ik ga op den uitkijk zitten en ieder boehies, dien ik ontwaar is de mijne.”

„Je kunt je de moeite voorloopig gerust sparen,” antwoordde Johannes. „Die apensoort is zoo heel overvloedig niet. Het kost soms vrij wat moeite, om er een in het gezicht te krijgen. En nu dat geweervuur tusschen dien troep weerklonken heeft, drommels! je zoudt hier lang kunnen wachten, voor dat je er nog een van te zien kreegt.”

„Ik heb nog veel batoe galiga te soengei Miri,” gniffelde Harimaoung Boekit tegen Johannes. „Als we daar zijn, heb ik u een ruil voor te slaan voor de kanonnen, die ge van kotta Djankang medegenomen hebt. Die zou ik gaarne op mijn kotta zien prijken.”

„Als we daar zijn, waarde Amai, zullen we daarover verder praten,” kreeg de Poenan ten antwoord. „De kanonnen, wellicht ook de geweren, zult ge kunnen krijgen.”

„Ik begin te gelooven,” mengde de Waal zich in het gesprek, „dat we niet met ledige handen thuis zullen komen.”

„Dat zou wel kunnen zijn; maar.… voor alles moeten we trachten te huis te komen; en zoo ver zijn we nog niet, reken daar maar op.”

De Waal zuchtte eens diep.

Terwijl dit alles voorviel, hadden de vrouwtjes van het reisgezelschap den tijd uitstekend benuttigd, om het maal gereed te maken. Bijna op alle plekjes van het eilandje brandden vuurtjes en de geheele atmospheer rook zoo lekker, dat buiten het ongeduld om verder te[192]stevenen, ook nog de aanspraken van de maag zich deden gelden.

Eindelijk zat of beter lag de geheele reiskolonie, in verschillende groepen verdeeld, rondom de matten, waarop de gaven des Scheppers uitgestald en aangerecht waren. Hoopen dampende rijst, bijna sneeuwwit, droog van korrel gekookt en daarbij een menigte potjes en bladeren als schaaltjes met toespijs gevuld. Het hertenvleesch van den bok, des morgens geschoten, verscheen in allerhande vormen, was rechtvaardig verdeeld en scheen allen goed te smaken.

Op de mat, waarom deEuropeanengelegen waren, stond een koperen pot, hermetisch met een houten deksel gesloten. Eerst hadden de reizigers daar niet op gelet; nu de honger ietwat verzadigd was, begon die hun nieuwsgierigheid gaande te maken.

„Wat zou daar toch in zijn?” vroeg La Cueille.

„Och, dat’s soep,” sprak Johannes, „de lui hebben vernomen, dat die te Bandjermasin nog al eens gegeten wordt en, om ons te verrassen, hebben de vrouwtjes die klaar gemaakt.”

„Soep,” vroeg Schlickeisen, „soep? wel dat had je wel eerder kunnen zeggen, dan hadden we ons maal met een lekker bord kunnen beginnen. Maar om het even, smaken zal ze toch wel.”

En den pot naar zich toehalende, nam hij het deksel af, en snoof met wellust de heerlijke geuren, die zich verspreidden, op. Nu stak hij er een lepel in en maakte aanstalten zich een klapperdop vol op te scheppen, maar met een kreet liet hij plotseling den lepel vallen, greep een soort tweetandige houten vleeschvork, stak daarmede in den pot en haalde iets voor den dag, dat allen—Johannes uitgezonderd—van ontzetting deed achteruit deinzen. Tusschen de tanden van den[193]vork bekneld, vertoonde zich als het ontvleesde hoofd van een kind en aan dat hoofd was nog het lichaam verbonden, dat ten halve nog uit den pot getild, twee armen met welgevormde handjes vertoonde. Sprakeloos en vol afschuw keken de Zwitsers en de Waal die gedaante aan. Schlickeisen had het besef niet, de vleeschvork los te laten. Hij stond daar als aan den grond genageld.

„Wat is er? wat hebt jullie nu weer voor een kippenkuur?” vroeg Johannes.

„Maar zie je dan niet?” was het hijgende antwoord van La Cueille.

„Wat, die soep? Zeker zie ik die, die zal drommels lekker smaken.”

„Ze willen menscheneters van ons maken!” gilde de Waal. „Dat nooit!”

„Menscheneters?” vroeg Johannes onnoozel. „Kom, hou me niet voor den gek.”

En Schlickeisen op zijde duwende, vulde hij zijn klapperdop met de geurige soep, zette dien aan den mond en slurpte met volle teugen.

„He!” riep hij, eindelijk eens ademhalende, „verduiveld lekker!”

„Hoe kun je zoo iets doen?” vroeg Wienersdorf met diepen weemoed in de stem. „Verwildert dan de mensch geheel en al in dit gevloekte land?”

„Dat ik wat heb kunnen doen?” vroeg Johannes schijnbaar verbaasd.

„Wel, die menschensoep drinken!”

„Menschensoep?!!”

„Ja, menschensoep! zie je dan dat kind niet, dat Schlickeisen te voorschijn heeft gebracht?”

De Sienjo had zijn doel bereikt; die domme Europeanen waren er mooi ingeloopen. Hij schaterde het uit.[194]

„Menschensoep! die krijgt jullie in Europa, zelfs in hetGrand Hôtel du Louvreniet! Onbetaalbaar!” gierde hij uit. „Ik lach me nog een ongeluk.”

En de vork uit de hand van Schlickeisen grijpende, tilde hij de vleeschmassa verder uit den pot, waardoor met twee lange beenen, van handen voorzien, ook een ellenlange staart te voorschijn kwam.

„Een aap!” riep La Cueille.

„Een boehies, een van die, welke wij straks geschoten hebben. De vrouwtjes hebben dat dier netjes in kokend water gestopt, om hem van zijn pels te ontdoen en toen een lekkere soep daarvan bereid.”

De Waal en de twee Zwitsers stonden met de hand voor den mond even ernstige gezichten te trekken, alsof de zekerheid, dat het geen menschensoep was, hen even ontsteld had, als straks de meening, dat het een kind was, dat zij gezien hadden. De walging, die zij aan den dag legden, nu zij overtuigd waren, dat het apensoep was, kon niet erger zijn, al legde Johannes hun ook uit, dat een aap een der zindelijkste dieren der schepping is, die zich met niets dan met plantaardig voedsel voedt en daarbij uiterst kieskeurig is.

„Als gij daar eens mede vergelijkt het varken en de kip,” riep hij uit, „waarvan het vleesch u zoo smaakt, dan begrijp ik niet, wat ge tegen het verorberen van een aap hebt.”

„Maar die gelijkenis! ’t is alsof je je broer opeet!” sprak Schlickeisen nog steeds ontzet.

„Te drommel!” hernam Johannes lachende, „dat is een argument, hetwelk Darwin vergeten heeft aan te halen, om zijn beroemde stelling aannemelijk te maken; namelijk, de afschuw, dien de mensch heeft van apenvleesch, omdat hij het bewustzijn heeft zijn broeder op te peuzelen. ’t Is waar, dat de Dajak dien afschuw niet[195]kent en dien ook niet voor het menschenvleesch gevoelt.”

Johannes kon oreeren als wijlen Demosthenes, maar overtuigen kon hij zijn makkers niet. De soep bleef dan ook onaangeroerd, behalve de flinke portie, die hij zelf er van verorberde en het been, waarvan hij de kuit met graagte afkluifde en die hem bijzonder smaakte.

Toen het maal verorberd was, werd de reis voortgezet Sedert het vertrek van kotta Djankang was het terrein al meer en meer oploopend geworden; het waren evenwel nog slechts heuvels, die men ontwaard had, waarvan de hoogste slechts 250 voet bereikten en waartusschen de Kapoeas zich heen slingerde. Van nu af begonnen de reizigers in het noorden en noordwesten een bergketen in het gezicht te krijgen, die als zeer uitgesneden, een menigte toppen in de verte vertoonde. Johannes wees zijn makkers die keten en duidde hun aan, dat zij daarover moesten, om de Chineesche zee te kunnen bereiken. Maar, voegde hij er zuchtende bij:

„We beginnen thans de zuidelijke helling te zien; wanneer wij de andere helling zullen afdalen, dat weet God alleen.”

Met kracht werd voortgeroeid. Het kon omstreeks drie uur in den namiddag zijn, toen Amai Kotong het teeken gaf, om aan te leggen. Men bevond zich toen voor de monding der soengei Samoehing, die men, na een korte beraadslaging onder de Dajaks, binnen stevende. Johannes vroeg aan Harimaoung Boekit, wat dat te beteekenen had, daar men nog ruim een drietal uren zou kunnen doorreizen en wellicht Toembang Roengoi bereiken. Zonder antwoord te geven, wees de Poenan naar den hemel in het noorden, die daar erg donker uitzag en een onweder voorspelde. Dalim vertelde den Europeanen, dat een „soho” een watervloed, in de maleische streken „bandjer” genaamd, hier zeer gevaarlijk[196]kon zijn. Het water rijst dan plotseling en stroomt met onweerstaanbaar geweld. De vaartuigen, er door overvallen, worden in weerwil van alle inspanning medegesleept en loopen groot gevaar in den een of anderenlabehoe(draaikolk) te gronde te gaan, of op de rotsen der kihams verbrijzeld te worden. Zoodra men binnen de monding der Samoehing was, beijverden de reizigers zich, de lichte rangkans zoo hoog mogelijk op den zacht glooienden oever te halen, om ze buiten het bereik van het water te brengen. Ter nauwernood was men met dien arbeid klaar, of een gerommel liet zich hooren als van een verwijderden donder, dat al nader en nader kwam. De Europeanen meenden, dat het werkelijk het geluid van een onweder was, hetwelk ras naderde, en werden in die meening versterkt, daar het zwerk al meer en meer betrok, de zon reeds achter een dichten wolkensluier verscholen was en eenige groote regendroppels begonnen te vallen, die in het dichte loof van het woud een tikkend geluid gaven, alsof hier en daar een hagelsteen op de bladeren viel. Dalim riep evenwel de deserteurs tot zich, beklom met hen denboekit(heuvel), die de landtong vormt tusschen de Kapoeas en de Samoehing. Aan de oeverzijde was dat niet gemakkelijk, daar door het herhaalde rijzen der wateren, alle plantengroei belet was en de helling vrij steil omhoog liep. Maar na een kleine inspanning waren zij boven en hadden van daar een ruim vergezicht over de rivier. Alles was doodstil in de natuur, geen blad dat bewoog, geen grashalm die slingerde, geen krekel die kriekte, geen vogel die sjilpte, geen vlinder die fladderde. De wolken drukten zwaar op het aardrijk en veroorzaakten, behalve een ontzaglijke hitte, die de zweetdroppels op de voorhoofden deed parelen, ook nog een spanning van aderen en spieren en een angstige neerslachtigheid,[197]die niet te overwinnen was, en waaronder de geheele organische schepping zwoegde. Alleen het loeien van den nog steeds verwijderden donder deed zich hooren, maar steeds nader en nader, steeds onafgebroken. Die stem beheerschte alles, geweldig, machtig, als de stemme Gods, die zij ook was.

„Ziet! ziet!” riep Schlickeisen, die in angstige verbazing de hand naar het boveneinde van den stroom uitstak.

Daar naderde, terwijl het gedonder al dichter bij kwam, en nu den heuvel met het woud en de reizigers, die er zich op bevonden, scheen te omgeven, in de rivier een muur van water van twaalf tot vijftien voet hoog. Als loodrecht opgetrokken in die gedeelten van den stroom, waar de bedding effen was en geen of slechts luttele hinderpalen daarstelde, schreed die muur met de snelheid van een exprestrein voort. Wanneer machtige rotsen den voortgang stuitten, dan steigerde en krulde de ontzaglijke baar met haar geel drabbig water in een halven boog, alsof zij den hinderpaal, die haar in den weg stond, in een woeste omhelzing omklemmen en uit de voegen, die hem geketend hielden, dringen wilde, om hem met zich voort te sleuren. Zij overdekte zich dan met een kruin van wit schuim, brak, spatte uiteen bij die ontzaglijke inspanning en donderde, en schuimde, en kookte, alsof het onderaardsche vuur onder een monsterketel aangeblazen werd. Was zij den hinderpaal te boven, dan, als verzamelde de baar zich weder, steigerde en boomde zij zich, om weer, aan een machtigen wand gelijk voort te ijlen. Aan het geloei der wateren paarden zich het geknars der rotsen, die uit hare voegen verwrikt werden, en slagen, alsof zwaar geschut losgebrand werd, wanneer die rotsbrokken door den machtigen stroom medegesleept, tegen anderen aanbonsden. Boomen werden ontworteld en door het geweld des waters medegevoerd;[198]groote steenmassa’s werden uit hunne omlijsting van klei in de taluds der rivier uitgespoeld en ploften in het water, waarop zij een poos schenen te drijven, alvorens te zinken, zoo groot was de kracht en de snelheid van den stroom.

De verschijning van dien watermuur duurde maar een oogenblik, den tijd ter nauwernood dien een sneltrein noodig heeft, om den wandelaar vooruit te stuiven. Toen hij voorbij was, was de rivieroppervlakte twaalf tot vijftien voet hooger dan een oogenblik te voren, en ging die nog voort te stijgen. Loeiend rolde de gele drabbige watermassa, waar straks een kristalheldere rivier ruischte en klaterde en over helder wit zand en reine kiezelsteentjes voortschoot.

Opgetogen hadden onze Europeanen naar dit natuurtooneel staan staren; maar nog voordat de voortrollende watermuur uit hun oog verdwenen was, werd hun bewondering afgeleid. Want, alsof die voortijlende watermassa het sein gegeven had, brak het onweder op eens in al zijn majesteit los. Het vuur werd figuurlijk en letterlijk door een verblindende bliksemflits geopend, waarop een ratelende donderslag volgde, die de voorbode was van een menigte anderen, die van verscheidene punten van het zwerk zich onophoudelijk lieten hooren. Tegelijkertijd verhief zich een stormwind, die zware boomen ontwortelde, de prachtigste kruinen ter aarde boog, takken afscheurde en als vederen wegslingerde en, beladen met het aan zoovele woudreuzen ontwrongen loof, zich verder spoedde, om zijn verwoestingen voort te zetten. Een oogenblik was er, alsof alle geluiden der aarde ontketend waren. Aan het geloei van den voorthollenden stroom, paarden zich het rollen van den donder, het gekraak der afbrekende takken, het gebons en geplof van de vallende boomen, het gehuil van den stormwind,[199]het angstig getjilp der vogelen, het klagend geschreeuw der apen, en vormde, hoe wanluidend iedere toon op zich zelven ook weerklonk, een verheven harmonisch geheel, dat zich wild en woest verhief, maar het hart met ontzetting vervulde en tot bewondering voor de ontboeide natuurkrachten stemde.

Al dikker en zwarter werden de wolken; al lager daalden zij tot het aardrijk, totdat zij de watermassa, die zij inhielden, niet meer konden houden en haar begonnen te ontlasten. Het was toen geen regen die viel, geen droppels die neerdaalden, maar waterstralen, die door den wind gezweept, als een golvende watergordijn vormden, welke den gezichtskring beperkte en de voorwerpen belette te zien, die op weinige passen afstands verwijderd waren, waterstralen die vereenigd als beken en stortvloeden, springende, vallende en wild schuimende, de helling van het terrein volgden, om zich in de rivier te storten.

Nu spoedden onze zwervers den heuvel af om zich bij hun makkers te voegen. Zij vonden daar allen bedrijvig, want de plotselinge stijging der wateroppervlakte was van zoodanigen omvang geweest, dat al zeer spoedig werd ingezien dat de rangkans niet hoog genoeg op den wal waren gehaald. Gelukkig dat de eerste aandrang des waters voorbijschoot zonder de vaartuigen te bereiken. Maar bij de voortdurende stijging van het water, begreep men dat alles gedaan moest worden om de vervoermiddelen in veiligheid te stellen. De vier Europeanen togen mede aan den arbeid en met de kracht, door die vier paar armen aangebracht, vorderde hij snel, zoodat in weinig tijds de vaartuigen buiten bereik van gevaar lagen.

Het onweder duurde nog geruimen tijd met onbezweken kracht voort, waarna het zich in zuidwestelijke richting verwijderde. De bliksemstralen werden minder scherp[200]en schichtvormig en gingen meer over in ontvlammingen, die het heelal schenen in vuur te zetten; de donderslagen werden minder menigvuldig, de tijdruimte tusschen die slagen en de bliksemflitsen werd gedurig grooter en het geluid zwakker. Ook bedaarde de wind allengskens en ging de plasregen in een fijnen stofregen over, die ook weldra ophield; terwijl de wolken, zich verdeelende, het hemelazuur lieten aanschouwen en een gulden straal der ondergaande zon het aardrijk kwam verkondigen, dat de strijd uitgewoed had. Alleen de rivier bleef nog verbolgen en stuwde haar drabbige wateren grommig en loeiend voort. Maar vóór nog de zon aan de westerkim wegdook, was de stijging tot stand gekomen en vóórdat de nacht ingetreden was, hadden de reizigers zich kunnen vergewissen, dat een daling merkbaar was. Allen legden zich dan ook vertrouwvol onder de hoede der schildwachten te rusten.

Den volgenden morgen was ons reisgezelschap al heel vroeg tot vertrek gereed. Wel was de rivier gedurende den nacht sterk gevallen, maar toch kon de waterafvoer in vergelijking met de vorige dagen nog zeer aanzienlijk genoemd worden. Er stond ruim zes voet meer water dan daags te voren. Door den zwaren stroom zoude meer krachtsinspanning gevorderd worden, om vooruit te komen; daar stond echter tegenover, dat, nu de watermassa over een aantal beletselen heen rolde en die diep bedolf, men daarover heen kon varen welke gisteren nog in allerlei bochten vermeden moesten worden.

Even voorbij het omvaren van den eersten hoek, werden de reizigers een aanzienlijke versterking gewaar, kotta Samoehing genaamd, alwaar alarmkreten weerklonken en op de garantongs geslagen werd, toen de bewoners de flotille rangkans in het oog kregen. Deze kotta verhief zich op de helling van den heuvel, op welks top[201]de Europeanen den watervloed daags te voren hadden gadegeslagen. Die top had nog al uitgebreidheid en de hellingen waren zeer dicht begroeid; terwijl de Kapoeas langs twee zijden van den heuvel kronkelde, waardoor die versterking, als in het groen verscholen, aan hun oog onttrokken was geweest. Johannes beijverde zich de Nederlandsche vlag te laten wapperen, terwijl Amai Kotong de menschen aan den wal toewuifde en hun woorden van vrede en geruststelling deed hooren. Toen de Samoehingers het oude hoofd van kotta Djankang herkenden, bedaarde hun angstvalligheid en hielden de alarmkreten op. Bij het aan wal stappen, vernam Amai Kotong, dat een gerucht liep, volgens hetwelk de Doessonners onder aanvoering van Tomonggong Soerapatti in de Kapoeasstreken zouden gevallen en dat Dajaksche hoofd thans met de bewoners van soengei Sirat aan het oorlogen zoude zijn. In den omtrek van kotta Samoehing was nog geen vijand verschenen; maar er werden angstwekkende verhalen van de voornemens van dien woesteling gedaan, als zoude hij de bewoners der Kapoeas te vuur en te zwaard willen vernielen, om zich te wreken over een nederlaag, die de Doessonners in vroegere jaren geleden hadden. Dat waren voor onze Europeanen geen opbeurende berichten, ook niet voor het overige reisgezelschap. De weg, dien zij af te leggen hadden, leidde langs de soengei Sirat en de tijding dat die weg door den erfvijand van de boven-Kapoeas bezet werd, was wel geschikt om een ieder neerslachtig te maken. Johannes evenwel zag in, dat hij die stemming geen vorderingen mocht laten maken, daarom riep hij Amai Kotong, Harimaoung Boekit, zijn drie makkers, alsook Dalim en het hoofd van kotta Samoehing, Amai Pari genaamd, in de tomoi, die aan den voet van de versterking lag, bijeen, om te beraadslagen, wat er te doen stond.[202]

„Wat er te doen staat,” zei Amai Pari, „is terugkeeren, van waar gij gekomen zijt.”

„Ja,” viel Amai Kotong, wien de angst op het gelaat te lezen stond, in, „ja naar kotta Djankang terug.”

„Hoe sterk worden de Doessonners geschat?” vroeg Johannes.

„Men spreekt van 1200 man.”

„Hebben zij vuurwapenen?”

„Slechts zeer weinig geweren zijn door de verspieders opgemerkt, misschien een zestal; maar zij voeren vier garaboes met zich om de borstweringen der kotta’s aan splinters te schieten.”

„Hoeveel mannen tellen wij?” was de vraag van Johannes aan Amai Kotong.

Deze keek hem verwonderd aan en antwoordde eerst niet, zoodat de vraag herhaald moest worden.

„Dat weet gij zoo goed als ik.”

„Jawel, maar ik wilde het nog eens uit uw mond hooren.”

„Nu, als dat uw wensch is. Wij tellen alles en alles 84 weerbare mannen.”

„Flinke, stevige kerels, niet waar? En hoeveel geweren hebben wij?”

„Ik meen zes en veertig.”

„Dat is juist,” viel La Cueille in. „Veertig te Kwala Hiang buit gemaakt, onze vier modelgeweren en dan de twee remmingtons van den luitenant. Maar we hebben ook nog twee revolverpistolen, systeem Le Faucheux, alles is in zeer goeden staat; daar heb ik voor gezorgd.”

„En we zouden naar kotta Djankang terugkeeren!!” barstte Johannes in woeste drift los. „Wij zouden naar kotta Djankang terugkeeren, om ons daar door de blanken gevangen te laten nemen. Om u als weerspannig hoofd[203]te zien ophangen, omdat gij de wetten der herbergzaamheid geëerbiedigd hebt en uw kotta tegen de blanken verdedigd hebt? Om Harimaoung Boekit de ijzers aan de handen te zien slaan en om hem tot dwangarbeid te hooren veroordeelen; dat wil zeggen, zijn leven lang steenen te kloppen of de billen van de kinderen eens residents te wasschen; omdat hij een onverbeterlijke koppensneller is? Zeg, Amai, zijn we dan oude wijven, of klopt ons een mannenhart in de borst? Neen! bij Mahatara en bij alle Sangiangs! geen stap terug, dat zeg ik u. Met zes en veertig geweren in de handen van kerels, zooals wij zijn, daarmede is Poeloe Kalimantan van het eene einde tot het andere door te trekken en ik wil dien Soerapatti wel eens onder de oogen treden, wanneer hij het wagen zoude, ons te willen weerstaan.”

De sienjo stond daar schoon in zijn verbolgenheid, aan een bronzen beeld der verontwaardiging gelijk. Harimaoung Boekit, door zijn woorden medegesleept, had zijn mandauw ontbloot, zwaaide dien met de rechterhand, terwijl hij de hand van Johannes met de andere gegrepen had.

„Neen!” brulde hij meer dan hij sprak, „neen geen voetstap terug! Integendeel, voorwaarts! voorwaarts!! opdat wij die oude wijven van de Doesson eens onder de oogen krijgen. Het zal de eerste maal niet zijn, dat zij door de Ngadjoe’s van Kapoeas en Kahajan op de vlucht zullen gedreven worden. Vooruit! vooruit! daar ligt de weg!”

Die ontboezeming was aanstekelijk. Zoowel Amai Kotong als Amai Pari stemden met dien kreet van, „vooruit!” in; maar ook de menigte, die buiten de tomoi de opgewonden toespraak van Johannes en die van Harimaoung Boekit gehoord had, hief een luid gejuich aan, waarbij de Poenans, als echte zonen der wildernis, zich[204]niet onbetuigd lieten. Er werd nu besloten dat het reisgezelschap den tocht dadelijk zoude vervolgen en de Samoehingers verbonden zich een dertigtal strijders te leveren, die zich onmiddellijk zouden gereed maken, in dier voege, dat zij de anderen nog voor hun aankomst aan de monding der soengei Sirat met hun rangkan zouden ingehaald hebben. De Samoehingers gingen daartoe te eerder over, daar ook zij bij de verdrijving van den gemeenschappelijken vijand groot belang hadden en de bewoners van soengei Sirat hun stamgenooten waren en meest allen tot hun verwanten behoorden. Ook het aantal vuurwapenen, die het reisgezelschap bij zich had, legde gewicht in de schaal en deed aan de overwinning niet twijfelen.

Na het ontbijt verorberd te hebben was de flotille een uur later weer op weg en stevende de Kapoeas verder op. Volgens alle berekening zou het de laatste dag zijn, dat onze zwervers dien stroom zouden aanschouwen. Vóór den avond zouden zij de monding van de soengei Sirat bereiken en van daar ging de weg westwaarts die nevenrivier op. Het was nu drie en dertig dagen geleden, dat zij Kwala Kapoeas verlaten hadden, om hun zwerftocht te beginnen.

Onvermoeid en onverpoosd werd voortgeroeid. Niets werd evenwel ontwaard, wat den tocht kon vertragen of ook maar onrust kon baren. Maar ook geen enkele djoekoeng op de rivier, geen menschelijk wezen op den wal werd ontmoet of gezien, bij wien men inlichting zoude hebben kunnen inwinnen. Het was of de streek uitgestorven was.

Het terrein klom al meer en meer. De taluds evenwel en de bedding der rivier waren niet meer zoo rotsachtig; de grauwe klei en het dito gekleurde zand werden langzamerhand vervangen door een roodachtige vette[205]klei, waartusschen in de oeverhellingen maar zeer weinig rolsteenen ontwaard werden. De rivier was diep ingesneden; soms moest de blik zich heel hoog richten om den hellingrand te bespeuren. Wel verhieven de heuvels, die bespeurd werden, zich al meer en meer; maar hun gedaante was minder grillig, meer eenvormig met afgeronde toppen en flauwe hellingen. Prachtige bosschen verhieven zich aan weerszijden der rivier; er was echter geen tijd om die te betreden; onze reizigers konden hen slechts in het voorbijvaren bewonderen. Van tijd tot tijd, wanneer een dalspleet zich opende, waardoor een riviertje zich baan brak naar de Kapoeas, en de loofwand het veroorloofde, werd men het naderend hooggebergte gewaar, dat in het noorden en noordwesten zich als een blauwe gekartelde band vertoonde.

Om den gang der rangkans niet te vertragen, en zich niet te zeer te vermoeien, losten de roeiers elkander regelmatig af. Bij een dier verpoozingen, welke de Europeanen genoten, waren zij in hun rangkan bij elkander geschoven, om het gehoorde te kotta Samoehing te bespreken. Het was trouwens wel der moeite waard. Johannes bracht zijn makkers geheel op de hoogte van wat er gaande was en legde hun uit, hoe netelig hun toestand geworden was.

„Niemand wil ik ontmoedigen,” sprak hij, „integendeel, ’t zal een vereischte zijn al onzen moed, al onze geestkracht bij elkander te houden. Maar om den toestand onverschrokken en onbevangen onder de oogen te treden, om hem te kunnen beheerschen, is het noodig hem geheel en met al zijn gevaren te kennen. Vooruit, zullen we te midden van een inlandschen oorlog met al zijn verschrikkingen geraken; terug kunnen we niet, dat zou aan zelfmoord gelijk staan.”[206]

„Zouden de Hollanders het zoo erg met ons maken?” vroeg Schlickeisen.

„Ze zullen ons niet ter dood brengen, maar of een veroordeeling tot tien jaren tuchthuis te Samarang of detentie te Willem I niet als erger te beschouwen is, laat ik aan de beslissing der vrienden over.”

„Tien jaren voor een uitstapje! kom, je neemt een loopje met ons,” sprak La Cueille.

„Nou, wil jij het er op wagen? maar bedenk dat ze daar ginds dat uitstapje: desertie in tijd van oorlog met medeneming van wapens, zullen noemen. Bedenk, dat we ons met die wapens tegen het wettig gezag verzet hebben. Allen, heldendaden bij het crimineel wetboek voor de landmacht voorzien en waarop de strop staat. Zij zullen meenen al drommels veel medelijden met ons te toonen, wanneer ze ons het leven zullen schenken. De gedachte evenwel dat zij in ons vier flinke schoenmakers zullen aanwerven, zal hen wel tot genade stemmen.”

„Neen, aan terugkeeren valt niet te denken,” sprak Wienersdorf ernstig. „We zitten in het schuitje en moeten mede, laten we daarover geen discussie meer voeren. Maar wie is die Soerapatti? Is dat dezelfde die het stoomschip Onrust vermeesterde, waarvan je laatst vertelde?”

„Dezelfde. Hij is het erkend opperhoofd van de boven Doesson, alsook van het landschap Siang en Moeroeng, dat zich tusschen die rivier en de grenzen van Broenei uitstrekt. Als befaamd koppensneller is hij steeds in oorlog met de omliggende stammen. Vooral is hij erg op de bewoners van Kapoeas en Kahajan gebeten; die hebben steeds veel te lijden gehad van zijn invallen.”

„Maar de Dajaks van de Doessonlanden zijn toch van denzelfden stam als die uit deze streken. Waarom zijn zij zoo op elkander gebeten?”[207]

„Vrouwengeschiedenissen, anders niet. Bij snel- en strooptochten worden wel eens maagden, zelfs getrouwde vrouwen, wanneer deze zeer schoon zijn, ontvoerd, die dan willens of onwillens de echtgenooten der overwinnaars of beter hunner ontvoerders moeten worden. Zoo’n vrouwenroof geeft steeds tot représailles aanleiding, waardoor men vrouwen van beide partijen in de tegenovergestelde kampen aantreft. Dat is de oorsprong van dien heilloozen haat, die tusschen de telgen van een en denzelfden stam bestaat, waarbij evenwel ook nog de zucht tot koppensnellen gevoegd moet worden.”

„Jawel, pas op je kop,” lachte La Cueille, „we hebben die machtspreuk lang niet gehoord; ’t wordt tijd dat je die weer eens oprakelt.”

„Ja, pas op je kop! je bent hier in het land van de koppensnellers en houd je er van verzekerd, dat alles wat je daaromtrent tot nu toe gezien hebt, slechts kinderspel geweest is.”

„Nu ja, we zullen oppassen.”

„Bestaan er in de volksoverlevering verhalen van merkwaardige feiten uit dien heilloozen krijg?” vroeg Schlickeisen.

„Ja eenige. In soengei Sirat zullen we Mawong, het hoofd van kotta Hamiak ontmoeten, dat is een van de bitterste vijanden van Soerapatti, die zal ons wel het een of het ander verhalen, als je daarop belust zijt. Maar van één krijgstocht van Soerapatti wil ik je toch vertellen, die is nog al merkwaardig. Die speelt ook niet in deze streken, maar in de benedenlanden, tot waar de Doessonners in 1833 doorgedrongen waren. Luistert.[208]

1Boehiesis een zwartgrijze aap, die ongeveer drie à vier voet lang wordt. Hij heeft een staart, die langer dan zijn lichaam is. Hij behoort tot de semnopethici of slingerapen.↑

1Boehiesis een zwartgrijze aap, die ongeveer drie à vier voet lang wordt. Hij heeft een staart, die langer dan zijn lichaam is. Hij behoort tot de semnopethici of slingerapen.↑

1Boehiesis een zwartgrijze aap, die ongeveer drie à vier voet lang wordt. Hij heeft een staart, die langer dan zijn lichaam is. Hij behoort tot de semnopethici of slingerapen.↑

1Boehiesis een zwartgrijze aap, die ongeveer drie à vier voet lang wordt. Hij heeft een staart, die langer dan zijn lichaam is. Hij behoort tot de semnopethici of slingerapen.↑


Back to IndexNext