XXVII.

[Inhoud]XXVII.Het verhaal.—Soerapatti’s strooptocht langs de Kahajan.—De ontmoeting bij soengei Troessan.—Nederlaag.—Vernietiging van de Doessonsche heirmacht.—Aankomst te soengei Sirat.—Nachtelijk gevecht—Het schoonmaken der koppen.—Het „parabah.”—Maatregelen voor den marsch.—Aankomst te kotta Hamiak.—Gevecht.—Verstrooiing der Doessonsche strijdmacht.—Menschenjacht.—Een Dajaksche lekkerbeet.„Sedert geruimen tijd liep het gerucht dat Soerapatti krijgstoerustingen op groote schaal maakte, ten einde de Kapoeas- en Kahajanstreken af te loopen. Dat wil zeggen: Oude vrouwen, grijsaards en zeer jonge kinderen zouden eenvoudig om hals gebracht worden. De vrouwen, die op schoonheid konden bogen, zouden de bijzitten der overwinnaars worden, de andere vrouwen en de mannen, die in staat waren te werken, zouden zich het gruwzaamste slavenjuk moeten getroosten. Vreeselijk waren de verhalen van de Maleische handelaren, die van de boven-Doesson teruggekeerd waren. Het krijgsplan was: van uit het landschap Siang en Moeroeng op te breken naar de boven-Kahajan, dien stroom al moordende en roovende af te zakken; de soengei Troessan door te trekken, de beneden-Kapoeas uit te moorden en langs de kleine Dajakrivier terug te keeren. Moest men de berichten gelooven, dan zouden meer dan 10,000 strijders aan den tocht deelnemen; latere tijdingen brachten dat getal op 4000 terug. Het gemeenschappelijk gevaar vereenigde[209]al de bewoners der bedreigde streken en deed alle veeten, die hen onderling verdeelden, vergeten. Alle twisten werden bijgelegd; de huisgezinnen verlieten de oevers der genoemde rivieren en trokken zich diep in de wildernissen terug. Toen het gevaar nader kwam, togen de gezamenlijke strijders dier streken uit ten getale van ± 6000, om bij de monding der soengei Troessan, op weinige uren afstands van de uitwatering der kleine Dajakrivier in de Javazee, den gemeenschappelijken vijand slag te leveren en, zoo het kon, te vernietigen. De krijgsmacht van Soerapatti was uiterst verwonderd geweest, de negorijën langs de Kahajan leeg te vinden. Het was hun slechts gelukt, hier en daar een armen pandeling te overvallen, die achtergelaten was om have en goed te bewaken. En dat was nog maar schaars gebeurd, daar de meesten dier bewakers den tijd hadden gehad bij de nadering der vijandelijke vaartuigen de bosschen in te vluchten. Zij, die overvallen waren, hadden een rampzaligen martelvollen dood gevonden en hun grijnzende schedels prijkten aan den voorsteven van eenige der vijandelijke vaartuigen. De kotta’s en woningen werden verwoest en tot den grond afgebrand. Zoo kwamen de Doessonners in de beneden-Kahajan aan, waar zij ook de kampongs verlaten vonden. Zij raasden en scholden de bewoners voor oude wijven; evenwel de echo beantwoordde alleen hun uittartingen. Maar zoodra hun rangkans uit de Troessan deboucheerden, schoten de verbondenen met hun vaartuigen toe en thans begrepen de Doessonners, waarom zij de negorijën verlaten gevonden hadden. Nu begon een gevecht, dat drie dagen duurde en met de ontbinding van Soerapatti’s legermacht eindigde. Dit opperhoofd mocht zich gelukkig achten, bij die neerlaag niet tegenwoordig te zijn geweest; ook hij zou het waarschijnlijk met den dood bekocht[210]hebben. Een randjoe-wond, in de boven-Kahajan bekomen, had hem genoodzaakt het opperbevel aan zijn broeder Toengah over te geven, terwijl hij met weinige volgelingen naar de boven-Doesson teruggekeerd was. Niet dan na een hardnekkigen strijd, behaalden de verbondenen eenige voordeelen, door verwarring in de gelederen der vloot bij hun tegenstanders te berokkenen. Deze, eindelijk door een panischen schrik bevangen, wierpen zich in de maagdelijke bosschen, die de kleine Dajakrivier en de soengei Troessan omzoomen; doch hier vreemd, en weg noch steg wetende, werden zij door de bondgenooten als wild opgejaagd en als dolle honden doodgeslagen. Van Soerapatti’s heirmacht zijn geen 200 man in hun negorij teruggekeerd; de overigen vielen door het zwaard of kwamen van ellende om. Dat het leger der Doessonners zoo totaal vernietigd werd, was voornamelijk daaraan te wijten, dat het op een hoogst ongunstige plaats op de vlucht sloeg. Vooreerst waren er in den omtrek op verscheiden marschdagen afstands geen kampongs of bebouwde velden, waar de vluchtelingen hopen konden eenig voedsel te vinden. Daarbij waren na hun vlucht al hun vaartuigen vernield of door hun vijanden genomen, en zaten zij in een zeer moerassig land tusschen twee hoofdrivieren ingesloten; terwijl eindelijk de bewoners dier streek hundoodsvijandenwaren. Vertoonde zich een enkele dier ongelukkigen, door den bittersten nood gedrongen, in de nabijheid van een kampong, dan werd hij als een verscheurend dier afgemaakt. Maanden na den slag werden nog bij het ontdekken van sporen in het woud groote drijfjachten gehouden, waarbij mededoogen onbekend was. Zoo werden nog een dertigtal, die na de grootste ontberingen, na een ongeloofelijken marsch van vele maanden door een woest en vijandig land, zich overdag schuil houdende en ’s nachts behoedzaam[211]noordwaarts trekkende, eindelijk het hoogland hier in de boven-Kapoeas bereikt hadden en zich reeds behouden wanende, den stroom op een klein vlot wilden oversteken, daarbij ontdekt, gevangen genomen en later op de wreedste wijze omgebracht. Onder deze was ook Soerapatti’s broeder.”Gedurende dat verhaal had de tijd niet stil gestaan. Het was evenwel ongeveer vier uur in den namiddag geworden, toen de flotille, waarbij de Samoehingers zich gevoegd hadden, de monding der soengei Sirat bereikte. Nog steeds was niets verdachts ontwaard. Toen evenwel eenige der Poenans aan wal gestapt waren, om den omtrek te verkennen, dewijl men daar den nacht wilde doorbrengen, kwamen die al zeer spoedig terug met het bericht, dat op den noordelijken oever van de soengei, ongeveer 200 passen van den waterkant, een duidelijk spoor in het lange gras te ontwaren was, van een groote menigte menschen, die daar langs getrokken waren. Teneinde dat spoor nauwkeurig waar te nemen, gingen Harimaoung Boekit en Dalim als echte woudverspieders derwaarts. Tot dekking vergezelden hen Johannes, Schlickeisen en een tiental Dajaks, waarvan de helft met geweren gewapend was.De verkenners waren spoedig terug; zij waren tot de overtuiging geraakt, dat het spoor zeer versch en door een vrij talrijke bende veroorzaakt was, dat die bende van het westen naar het oosten getrokken was, te oordeelen naar de afdrukken van de voetstappen, die men op minder dichtbegroeide plekken had kunnen waarnemen. Zeer waarschijnlijk was het een bende stroopers, die den omtrek afliepen om te fourageeren. Men had het spoor gevolgd over een lengte van eenige duizenden meters, alwaar het aan de Kapoeas uitkwam en zich noordwaarts omboog. Vooral aan de boorden der Kapoeas bleek[212]het, dat het gevolgde spoor zeer versch was; de indrukken op den zandigen oever waren zoo scherp begrensd en nog zoo vochtig van het water, door den voet te zamengeperst, dat het voor deze natuurkinderen geen twijfel overliet, of er bevond zich op korten afstand voor hen uit een vrij aanzienlijke bende volks. Harimaoung Boekit meende zelfs een oogenblik menschenstemmen in die richting gehoord te hebben. Wat er ook van aan was, het was zaak zeer op zijn hoede te zijn. Er werd dan ook besloten, de rangkans onder den zuidelijken oever achter een vrij scherpe bocht te bergen, zoodat zij voor afkomende vaartuigen niet eerder zichtbaar werden, dan wanneer die den hoek geheel gerond hadden. Op den hoek zelven werden een viertal Dajaks, met geweren gewapend, in boomkruinen op schildwacht geplaatst, om de soengei stroomopwaarts te bewaken. Zij zouden door schieten alarm maken, wanneer onraad bespeurd werd. In de rangkans zoude de helft der weerbare manschap waakzaam en met de wapens in de hand blijven, om bij ieder voorval gereed te zijn, krachtdadig te kunnen optreden. Aan den wal werden, ter plaatse waar de rangkans lagen, eenige zware boomen geveld, die met het omringende struikgewas, dat ook omgekapt werd, een verhakking vormde, waardoor heen zich geen weg te banen was, zonder de opmerkzaamheid gaande te maken. Dat al die voorzorgen niet overbodig waren, zouden de reizigers al heel spoedig ondervinden.Het kon omstreeks middernacht zijn, toen een der schildwachten, die op den hoek in de boomen zaten, een voorwerp aan zijn voeten in de soengei zag drijven, dat veel van een boomstam had. Het kon ook wel een kaaiman wezen. Daarom floot hij zachtkens, om de wachthebbenden in de vaartuigen op hun hoede te doen zijn; want het zoude niet onmogelijk zijn,[213]dat zoo’n ondier, van de nachtelijke stilte gebruik makende, zijn prooi onverwachts uit een vaartuig greep en daarmede in de diepte verdween, vóór dat de opvarenden eigenlijk begrepen, wat er gaande was. Op dat gefluit evenwel zag de schildwacht dien boomstam of kaaiman zich bewegen en naar den wal zwemmen, in welke beweging hij gevolgd werd door een vijftal dergelijke gedaanten. Dat zwemmen was niet het geruischloos voortschieten van een dier van het krokodillengeslacht; ook dat er zoo veel anderen in de nabijheid waren, die zich richtten waarheen de eerste zwom, was in strijd met de geaardheid dier dieren. Hier was dus wat anders gaande. De schildwacht loste zijn schot; ook zijn makkers, opmerkzaam gemaakt, openden hun vuur. Nauwelijks evenwel hadden die schoten in de nachtelijke stilte weerklonken, of een kannibalisch gebrul verhief zich achter de verhakking; verscheidene gedaanten poogden daardoor heen te breken, dat aan enkelen hunner gelukte. De nacht was gelukkig niet donker, de lucht was zuiver en de sterren fonkelden vriendelijk, terwijl juist dien nacht het zodiakaal licht schemerde, waardoor het aardrijk slechts in een halfduister gehuld was. Van wat er achter de verhakking geschiedde, was evenwel niets te ontwaren; maar wie zich door dat beletsel heenwrong, verscheen als een donkere gestalte op een flauw verlichten grond en stond aan de zeker treffende kogels van de vier Europeanen bloot. De Dajaks, wien geweren in handen gegeven waren, hadden met al de opgewondenheid hun landaard eigen, een oorverdoovend vuur op de verhakking geopend. De Europeanen meer bedaard, gaven hun schot slechts af, wanneer zij zulk een donkere gedaante op den oever zagen toeijlen en misten hun doel dan nooit. Zelfs de twee Zwitsers onthielden zich stipt,[214]aan het vuurgevecht deel te nemen en bewaarden zorgvuldig den inhoud hunner repeteergeweren voor oogenblikken van onmiddellijk groot gevaar. En wel bekwam hun dat gedrag; want op eens drong een aantal aanranders door een opening, die zij in de verhakking hadden weten te maken en stormden onstuimig op den oever toe, om zich met den mandauw in de vuist op de rangkans te werpen. In den grootsten doodsangst gilden de vrouwen en waren radeloos van ontsteltenis; maar daar mengden de beide Zwitsers zich in den strijd, gaven kalm en bedaard vuur, nog eens vuur en nog eens. De aanvallers vielen op die schoten paarsgewijze. Met kreten van woede zetten zij den aanval door. De schoten der Zwitsers klonken regelmatig en velden een ieder, die den oever nabij kwam. Toch drongen een paar Doessonners, als onder dat vuur doorduikende, door, wierpen zich te water en klemden zich aan de rangkans vast, wanhopige pogingen aanwendende, om de vaartuigen, die zij gegrepen hadden, te doen omkantelen. Nu was het de beurt van de Dajaks om toe te slaan; eenige mandauwhouwen kloofden een paar schedels en deden een paar afgekapte vingeren tot in den schoot van de nedergehurkte vrouwen springen. Een paar gillen, een paar kreten, wat doodsgerochel en het pleit was beslist; de aanvallers plompten in het water en werden dood of zwaar gewond, den krokodillen ten prooi, door den stroomdraad medegevoerd.Alles was nu stil aan den oever, zoo stil zelfs, dat men bijna niet gelooven kon, dat daar zoo even nog een kamp op leven en dood gevoerd werd. De Zwitsers haastten zich de kolven hunner Remmingtongeweren van munitie te voorzien en een ieder hield zich gereed voor hetgeen nog komen kon.Daar weerklonken eensklaps opvolgend, vier geweerschoten,[215]door angst- en hulpgeschrei gevolgd. Het waren de vier schildwachten, in de boomen gezeten, die nu aangetast werden. Duidelijk zag men eenige gedaanten zich langs de boomstammen naar boven werken. De schildwachten waren dus in groot gevaar en het waren hun koppen, waarop de aanvallers het nu gemunt hadden. Op dat gezicht begaf Harimaoung Boekit zich met zijn Poenans in alle stilte te water en toen zij den oever bereikt hadden, gaven de Europeanen nogmaals vuur, waardoor de vijanden, die het hoogst geklommen waren, doodelijk getroffen, naar beneden tuimelden en de achter hen volgenden in hun val medesleepten. Van de daardoor ontstane verwarring, maakten de Poenans meesterlijk gebruik, om zich met een luid gehuil onder de ontstelde vijanden te werpen en daar de mandauws hun bloedig werk te laten verrichten. Rauwe kreten van vertwijfeling, van angst, van woede, van teleurstelling deden zich gedurende dat kortstondige gevecht met het blanke wapen hooren. Na een zeer korte wijl verschenen gillend en tierend de Poenans weder en hield ieder hunner minstens een bloedigen menschenkop in de hand; er waren er bij die er twee droegen. Een gejuich, dat uit de borst van alle Dajaks, zoowel mannen als vrouwen opsteeg, ontving de overwinnaars. Maar voor dat men hen nog naar eisch had kunnen verwelkomen, lieten zich andermaal alarmkreten hooren en werd door de schildwachten aangeduid, dat thans het gevaar van de rivierzijde dreigde. En inderdaad vertoonden zich bovenstrooms op de soengei een viertal rangkans, zwaar bemand, die pijlsnel voortschoten met het oogmerk, om de vaartuigen onzer reizigers te enteren. Maar weldra klonk ook hun een goed onderhouden geweervuur tegen, eerst door de Dajaks begonnen, en toen dat niet afdoend bleek, om[216]de aanvallers te doen deinzen, door de Europeanen gevoed, waarbij de repeteergeweren van de Zwitsers andermaal wonderen verrichtten. Met al hun moed vermochten de Doessonners door zoo’n kogelregen niet te dringen. Al spoedig telden zij een groot aantal dooden en gekwetsten en waren zij daardoor tot den terugtocht genoodzaakt. Toen zij hun achterwaartsche beweging begonnen, die tegen den zwaren stroom in niet spoedig ging, verzamelde Johannes de geweerdragende Dajaks en liet hen salvo’s geven. Dat waren nu wel geen salvo’s van geregelde troepen; zij vergrootten evenwel de vrees der vluchtenden en bespoedigden hun aftocht. De drie andere Europeanen kozen meer kalm hun doelwit, schoten bedaard en zonder overijling en veroorzaakten daardoor bij hun bedrevenheid als schutter dood en verderf in de vijandelijke vaartuigen. Het was voornamelijk de achterste rangkan, die van hun kogels het meeste te lijden had. Schot op schot, dat dreunde, kwetste of doodde een roeier. Eindelijk waren er niet meer genoeg, om den stroom te kunnen breken. Een oogenblik bleef de rangkan onder de wanhopige pogingen der overblijvenden op dezelfde plek, zonder voor-of achteruit te kunnen; maar daar werd andermaal een roeier geveld; toen begon het vaartuig te deinzen, eerst langzaam, totdat weer een stervende hand de pagaai liet ontglippen. Toen sprongen de ongedeerd gebleven Doessonners te water, om zich door de vlucht te redden en kwam de rangkan, met al de snelheid afdrijven, die de stroomdraad er aan verleenen kon. Op dat gezicht waren de Poenans niet te weerhouden; in een oogwenk waren zij te water en hadden zij het vaartuig geënterd. In minder tijd dan verteld kan worden, waren al de gekwetsten en dooden, die daarin lagen, onthoofd. De lijken werden in het water geworpen en de[217]rangkan al zwemmende naar den wal gestuurd, van waar hij langs het struikgewas voortgetrokken, als buit bij de flotille gebracht werd.Achtentwintig koppen waren buit gemaakt. Het grootste gedeelte der mannen van het reisgezelschap was weldra bezig die koppen van hun vleeschdeelen te ontdoen. Een vreeselijk schouwspel was het voor onze Europeanen, die bezigheid in hun onmiddellijke nabijheid te zien gebeuren. Een oogenblik waren zij als betooverd door dat schouwspel en konden zij er den blik niet van afwenden; zij zagen die koppen van hun haarhuid ontdoen, zij zagen de wangen, neuzen, lippen en ooren afsnijden en daarvan menig stuk in gretige monden verdwijnen; zij zagen de puntige poeai’s in hoeken en gaten tusschen de beenderen woelen, de oogen uit hun kassen halen en eindelijk in de schedelholten wroeten om de hersenen uit te halen. Maar toen zij zagen, dat die weeke zachte bloederige massa met gulzigheid verzwolgen werd, toen, hoewel dat gezicht hun niet vreemd meer was, voelden zij zich een onmacht nabij en moesten zij het gelaat afwenden, om zich aan dat schrikkelijk schouwspel te onttrekken. Helaas! zij mochten hun walging niet uiten, zoo als zij die ondervonden; nu reeds werd in hun nabijheid gemompeld en konden zij woorden opvangen aan hun adres, die te verstaan gaven, dat zij „helden met beo’s1harten waren.”De nacht ging verder ongestoord voorbij. Toen de dag aanbrak, stapte de helft der Dajaks en al de Poenans aan wal, onthoofdden de vijanden, gesneuveld of gewond[218]bij de verhakking en wierpen de lijken in de rivier. Het aantal buit gemaakte schedels klom nu tot negen en dertig. Bij een verkenning, op beide oevers der soengei ondernomen, kwam men tot de gevolgtrekking, dat de bende, waarvan men daags te voren de sporen ontdekt had, op haar beurt het reisgezelschap bespeurd en bespied en eindelijk een gekombineerden aanval te land en te water beraamd had, die, wanneer hij gelijktijdig ondernomen ware, het grootste gevaar had kunnen opleveren.Het was nu zaak om goed uit te kijken. Men was in aanraking geweest met den vijand en hoewel geen verliezen geleden waren, leerde de opgedane ondervinding, dat de vijand, waarmee men te doen had, stoutmoedig en ondernemend was. Johannes bepaalde nu, dat de rangkan, waarin hij met zijn makkers gezeten was, de spits zoude uitmaken; dat zij geen deel meer zouden nemen aan het roeien, maar dat zij met Amai Kotong en Dalim scherp zouden uitzien, om met hun wisse schoten onmiddellijk waar het noodig was krachtdadig te kunnen optreden. Harimaoung Boekit met zijn Poenans zou de achterwacht vormen, terwijl bij hem nog eenige geweerdragenden werden ingedeeld, om desnoods alarm- of seinschoten te kunnen doen.Dat men niet te veel voorzorgsmaatregelen kon treffen, zoude ras ondervonden worden.Het kon ongeveer 9 uur in den morgen zijn; men had ijverig doorgeroeid en tot nu toe niets van vijanden op de oevers bespeurd, toen Dalim eensklaps een lichten kreet uitstiet en den Europeanen een man wees, die bijna geheel gedekt door een’ boomstam, met zijn mandauw bezig was een paar rottantouwen door te hakken.„Parabah!” riep Dalim met ontzetting.[219]„Pambeseai goeloengoeloeng!” (hard roeien) beval Amai Kotong, terwijl hij de achteraankomende rangkans waarschuwde.De man aan den wal had reeds een touw doorgekapt; hij keek aandachtig naar de rangkans en toen hij die genoegzaam genaderd zag, verhief hij den arm, om den tweeden rottan door te slaan. Maar daarbij moest hij zich bloot geven; de borst werd een ondeelbare poos zichtbaar en dat was voor de beide Zwitsers meer dan voldoende, om hun nimmer falende kogels af te zenden. Bijna op dezelfde plek door de beide projectielen getroffen, volvoerde de Doessonner een luchtsprong, terwijl hij zijn wanhopig gezicht ten hemel verhief, en dood nederstortte. Een makker sprong van achter een boom te voorschijn om het voorgenomen werk te verrichten; maar voor dat die twee schreden gedaan had, weerklonken andermaal twee geweerschoten en viel ook deze, in voorhoofd en in borst getroffen, dood neder. Een derde onderging het zelfde lot. Een vierde bewoog zich, als een slang schuifelende, langs den grond; die was niet door de scherpschutters te ontwaren. Daar bereikte hij het touw, dat met een dubbelen slag om een boomstam gewonden was ongeveer op vijf voeten boven den grond. Om dat te bereiken, moest hij zich op de knieën oprichten. Dat deed hij en greep daarbij het touw met de linkerhand, die toen alleen voor de schutters zichtbaar werd. In die houding verhief hij de rechterhand, om den houw op den sterk gespannen rottan toe te brengen, toen andermaal twee schoten weerklonken, die hem de linkervuist verbrijzelden, maar tevens het noodlottig gevolg hadden het touw door te snijden.„Goeloengoeloeng! pambeseai goeloengoeloeng!!” gilden Amai Kotong en Dalim.De rangkans schoten vooruit, terwijl zij het schuim[220]onder hun stevens deden opstuiven. Voor een oogenblik zag men de kruin van een der woudreuzen, eenontzaglijkenboom, die zich op den oever der soengei verhief, als beschonken heen en weer waggelen; de rechte stam boog, hernam den rechten stand weer, neigde andermaal, om zich weer terug te buigen en viel toen, eerst langzaam en weifelend, vervolgens allengs versnellend, krakend en met donderend geweld ter neder en overdekte met zijn takken en loof de rivier, die onder dien val wild en woest opspatte en zich als een fijne stofregen van schuim in de lucht verdeelde en de plek als in een nevel hulde. Gelukkig waren de rangkans, toen de boom viel, de gevaarvolle plaats voorbij; alleen de laatste vaartuigen dreigden om te slaan en te zinken door het woeste geweld van het opgezweepte water. Een paar seconden vertraging in de vaart der rangkans of vervroeging in den val des booms, dan ware de flotille vernietigd geweest en niemand der opvarenden ware ontkomen.Van de vaartuigen had men het kunststuk van schuttersbedrevenheid der Zwitsers kunnen zien. Met benepen harten, had men het verloop, dat in weinige seconden plaats moest hebben, gadegeslagen. Men moest daar ter plaatse voorbij, en wel zoo spoedig mogelijk, dat begreep iedereen. Ware toch de boom vóór in stede van achter de vaartuigen nedergestort, dan zou men een groot oponthoud gehad hebben; want aan een opruiming van dien woudreus, die daar nu in de soengei lag en haar volkomen afsloot, zou niet te denken geweest zijn. Men zou niets anders hebben kunnen doen, dan de rangkans te ontladen en haar dan zoo over den slagboom heenwerken. Dat ware een arbeid geweest van minstens twee dagen, ongerekend nog de ongevallen, die uit de nabijheid des vijands konden geboren worden.[221]Dankbaarheid was dan ook in ieders oog te lezen voor die mannen, die zoo ter rechter tijd geholpen hadden. En het was met een soort van ontzag, dat evenwel gevoelens van genegenheid niet uitsloot, dat men voortaan opkeek naar hen, die met hun kogels zoo juist wisten te treffen.„Mille noms de noms!” brulde La Cueille, „daar zijn we mooi door heen gekomen!”„Dat mag je wel zeggen,” lachte Johannes vergenoegd. „Maar opgepast; jullie ziet nu waartoe die duivels in staat zijn. Dat is een van de gewone krijgslisten der Dajaks. Op de boorden der rivier, waarlangs zij de nadering van vijanden verwachten, worden groote boomen, de grootste en zwaarste bij voorkeur, zoodanig onder aan den voet ingekeept, dat, wanneer de rottantouwen, die de kruinen steunen, doorgekapt worden, de woudreuzen in het vaarwater storten moeten. Een zestal mannen houden bij zoo’n boom de wacht. In den regel blijven zij verscholen en van het geheele toestel is gewoonlijk niets te ontwaren. Eenmaal de touwen doorgekapt, maken zich de wachthebbenden uit de voeten, om op een afstand de gevolgen gade te slaan.”„Ik hoorde Dalim „parabah” schreeuwen bij het begin van die pret. Begreept ge dat woord?” vroeg Schlickeisen.„Dat is de benaming van de krijgslist van het boomen laten vallen.”„Het is mooi uitgedacht, dat moet erkend worden,” sprak La Cueille. „Als je zoo’n boom op je bol of op je lendenen krijgt, dan ben je zoo plat als een velletje postpapier. We zullen bliksems goed onze oogen den kost moeten geven.”„Ja, wel zeker, dat zullen we moeten,” antwoordde Johannes. „Maar ik heb besloten, om voortaan op iederen[222]oever der rivier een twaalftal mannen te laten marcheeren, die de vaartuigen een vijftig passen vooruit blijven en, hoewel met elkaar in verband blijvende, het geboomte doorzoeken moeten, om zoodoende dergelijke vallen onschadelijk te maken.”„Maar, hoe wil je die vallen onschadelijk maken?”„Wel, wanneer menschen ontdekt worden, verjaagt men die of schiet ze dood. Men zoekt dan de ingekeepte boomen op, die met hun verwondingen niet moeielijk te ontwaren zijn aan de landzijde. Men houdt dan de wacht bij den val tot al de rangkans voorbijgetrokken zijn, waarna de rottantouwen doorgehakt worden en de boom omvalt. Dat zal het voordeel hebben onze rugzijde te dekken zoowel tegen de Doessonners, die langs de soengei versterking uit hun negorij kunnen krijgen, als tegen een vervolging van den kant der Hollanders, wanneer die ons op ’t spoor mochten zijn. Tegen dien maatregel is geen ernstige bedenking te maken. In den regel zijn het slechts weinige mannen, die zoo’n parabah bewaken, en die zullen wel spoedig met geweervuur te verdrijven zijn.”Met spoed, maar toch zoo behoedzaam mogelijk, werd verder getrokken. Een tweetal boomen, die op het vallen stonden, werden nog ontdekt. Maar, zooals Johannes voorzien had, waren een paar schoten voldoende, om de bewakers te verjagen, en al ras was een driedubbele verhakking in de soengei daargesteld, die den toegang van de benedenlanden afsloot.Zoo werd voortgerukt. Het was twee uur in den namiddag ongeveer, toen men kotta Hamiak in het gezicht kreeg; maar wat daar ontwaard werd, was alles behalve opbeurend. Men was daar verwoed aan het vechten. Boven de toppen der palissadeering, die hier, evenals elders in de Dajaklanden, van afstand tot afstand met gebleekte[223]schedels prijkte, zag men de verdedigers der kotta in uitdagende houding verschijnen en alles, wat hen onder handen kwam, werpen naar het hoofd der aanvallers, die op een paar punten de ompaling trachtten te beklimmen. Op een kleinen afstand zag men twee kanonstukjes, achter een kunstmatig heuveltje van rijshout, die van tijd tot tijd hun kogels op de kotta afzonden. Veel uitwerking van dat vuren was niet te ontwaren, hoewel de aankomenden het volle gezicht op het geteisterde gedeelte hadden; de zware ijzerhouten boomstammen, die de borstwering der kotta uitmaakten, schenen met de kogeltjes te spotten. Het bleek dan ook al ras, dat dat kanonvuur niet zoo zeer tot doel had bres te schieten, dan wel om de bezetting vrees aan te jagen en van dat gedeelte der borstwering te verdrijven. Inderdaad op het midden dier face hadden de Doessonners een hoop droge takkebossen te zaam gebracht, die tegen de palissadeering opgestapeld en toen in brand gestoken. Het scheen dat dit vuur al eenigen tijd gebrand had, hoewel van een beschadiging van de omheining, die gevaarlijk kon worden voor de belegerden, niet veel te bespeuren was.Onze reizigers waren tot nu toe onder de taluds van de diep ingesneden soengei ongemerkt gebleven en bespiedden den vijand van achter dichte struiken, die langs den oever groeiden. Nadat Johannes den toestand een oogenblik gadegeslagen had, wenkte hij Harimaoung Boekit tot zich, wees hem in de verte een boschje van dicht struikgewas, dat de positie van het gros der aanvallers vrij dicht in den rug naderde en fluisterde hem iets in het oor. Grinnekend verzamelde het Poenanhoofd zijn makkers, stapte met hen aan wal en verdween achter het loof, dat de boorden der soengei voor het oog verborg. Toen Johannes hen niet meer zag, verzamelde hij zijn[224]lotgenooten, voegde daaraan nog een dertig geweerdragende Dajaks, waaronder ook Dalim, toe, drukte de achterblijvenden onder aanvoering van Amai Kotong goed op het hart de vrouwen en kinderen te bewaken en te beschermen, en trok daarop recht op den hoofdgroep der Doessonners los. Tot nu toe waren de bewegingen onzer reizigers voor dezen verborgen gebleven. Hun strijd met de Siratters had hun geheele opmerkzaamheid tot zich getrokken; ook een zekere zorgeloosheid den inlanders zoo eigen, had hen doen nalaten een waakzaam oog op de soengei te houden. Toen Johannes nu plotseling met zijn troepje uit het struikgewas te voorschijn trad, was de verbazing groot. Zij duurde evenwel kort, want aangemoedigd door het geringe aantal van de naderenden, stoof hun het grootste gedeelte der Doessonsche strijders met een luidlēēēēlēlēlēlē ouiiit! en de mandauws zwaaiende te gemoet. Zij dachten met hun verpletterende overmacht een gemakkelijke overwinning te behalen op dat troepje hetwelk nog geen vijfendertig man sterk bleek te zijn. Het uitzicht, om zonder veel inspanning die schedels te kunnen buit maken, lachte de helden uitermate toe. Met iedere seconde verminderde de afstand tusschen beide partijen. Johannes wist een voorbeeldelooze tucht onder de zijnen te bewaren. Geen stem verhief zich, geen geluid werd van hun zijde vernomen; het scheelde waarachtig weinig of dat troepje marcheerde in den pas als een sectie afgedrilde rekruten en trok rustig en kalm vooruit. De Doessonners daarentegen naderden gillend en tierend, hortend en stootend, met sprongen of in den looppas. Daar stond eensklaps het troepje van Johannes stil en scheen als aan den grond genageld. Lēēēēh lēlēlēlēlē ouiiiit! brulden de Doessonners en stormden vooruit, in de meening dat hun tegenstanders de schrik om het hart sloeg. De geweren vielen nu evenwel[225]in den aanslag en een flink uitgevoerd salvo temperde den aanloop aanmerkelijk. Vier der aanvallers lagen op den grond te kermen. Voordat de Doessonsche helden van hun verbazing bekomen waren, hadden de Kapoeassers weer geladen en zonden andermaal hun lood in den dichten drom. Ditmaal vielen zeven vijanden. De Europeanen hadden zich tot nu toe van de deelneming aan het gevecht onthouden en spaarden hun vuur, om de eindbeslissing op het wichtige oogenblik te bevorderen. Nu zich evenwel een soort van razernij van den aanvallenden troep scheen meester gemaakt te hebben en de vijanden steeds voorwaarts stoven, openden ook zij hun vuur en verspilden hun munitiën niet. Ieder schot was raak en het aantal gevallen Doessonners werd al grooter en grooter. Vooral de repeteergeweren in de handen der Zwitsers verrichtten andermaal wonderen. Bij de totale windstilte, die heerschte, was het kleine troepje als in een rookcirkel gehuld, van waaruit bliksemstralen knetterden, die het als met een muur van lood omgaven. Toch rukten de aanvallers, niettegenstaande hun verliezen, al nader en nader. De lansen begonnen zich reeds met de bajonetten te kruisen; reeds hadden Johannes en La Cueille, die geen tijd meer hadden om hun trompladers te herladen, de revolverpistolen ter hand genomen. Vloeken en verwenschingen, angstgillen en zegekreten weerklonken allerwege. De Europeanen schoten hun laatste patronen, die in de geweerloopen zaten af, staken woedend de bajonetten in de naakte borstkassen, of grepen de geweren bij den loop, om de kolf als een knods te hanteeren en schedels te verbrijzelen of schouders te ontwrichten. De toestand werd allerhachelijkst. Reeds waren eenige Dajaks onder de slagen der aanvallers gevallen; Schlickeisen had een flinken houw over den linkerarm gekregen, die hem buiten gevecht stelde. Gelukkig[226]dat La Cueille den tweeden houw met zijn geweer pareerde, den Doessonner de bajonet in den buik stak en nog tijd had zijn revolver uit den gordel te rukken, om een tweeden, die toeschoot, à bout portant te vellen.Maar daar kwam eensklaps verademing. Harimaoung Boekit verscheen met zijn Poenans in den rug der Doessonners, en wierp zich onverschrokken met den mandauw in de vuist in hun gelederen. Ontzettend was de kamp, die zich nu ontspon. De Doessonners dachten er niet aan zich gewonnen te geven, maar stelden zich wanhopig te weer. Johannes evenwel, van het oogenblik van verademing gebruik makende, verzamelde zijn troepje, deed snel herladen en liet nu salvo op salvo geven. Van een andere zijde deden de verdedigers van kotta Hamiak, na hun brandende palissadeering gebluscht te hebben, een uitval, tastten de legerplaats der Doessonners aan, staken die in brand en vermeesterden de twee kanonstukjes, die hen zoo beangstigd hadden. Toen de vlammen achter hen hoog opdwarrelden, toen de wanhoopskreten van allerwege weerklonken, toen dat geweervuur hen teisterde en bleef teisteren, toen begon de moed der Doessonners te zinken. Nog een salvo, dat Johannes in hun gelederen zond, en waarbij een lange slungel viel, die als hoofd de anderen aanmoedigde, bracht de verwarring ten top en nu was er geen houden meer aan; de geheele bende sloeg op de vlucht. In minder tijd dan noodig is, om het te vertellen, was de geduchte schaar, die kottaHamiakbelegerd had, uit elkander gespat en hadden de strijders een toevlucht in de bosschen gezocht. Maar, daarmede was het gevecht niet ten einde. Een bende van de verdedigers der kotta stormde ook de bosschen in, om den vijand nog zooveel mogelijk schade toe te brengen, maar vooral om gevangenen te maken.[227]Toen de laatste Doessonners uit het gezicht verdwenen waren, vereenigden zich de strijders van ons reisgezelschap met de bewoners der kotta, terwijl ook de rangkans naderbij kwamen en vrouwen en kinderen aan wal stapten. Een ontzettend tooneel begon al ras. Zoowel de mannen der kotta, als de Dajaks der rangkans en de Poenans van Harimaoung Boekit hielden zich onledig met de gevallen vijanden dood of gewond te onthoofden. Een paar licht gekwetsten werden gespaard; hun zou een vreeselijker lot beschoren zijn. Toen de koppen verzameld waren, herhaalde zich het afzichtelijk tooneel van den vorigen nacht, maar nu op veel grooter schaal. Helaas! de wetten der menschelijkheid werden door die onwetenden en verwaarloosden wel verkracht.Bij de opruiming der vijandelijke lijken, die eenvoudig in de soengei gesmeten werden, ontdekte men dat vijf Poenans en zes Dajaks van het reisgezelschap gesneuveld waren, terwijl ook de lijken van een drietal Sieratters gevonden werden. Maar wat de meeste droefheid veroorzaakte en al de bewoners der kotta in weeklachten deed uitbarsten, was dat ook Amai Mawong, hoofd van kotta Hamiak bij den uitval, dien hij aangevoerd had, omgekomen was. Hij was steeds een persoonlijke vijand van Tomonggong Soerapatti geweest, die jaren geleden hem een dochter ontstolen had en wien hij op zijn beurt een paar zijner meest geliefde vrouwen ontkaapt had. Krijgs- en sneltochten, invallen over en weer in elkanders gebied, waren daarvan het gevolg geweest en de nu plaats gehad hebbende aanranding van Soerapatti had geen ander uitgangspunt dan zijn haat tegen Amai Mawong, waarbij zich de zucht gepaard had om zich op de Kapoeassche en Kahajansche bevolking voor vroegere nederlagen te wreken.Het lijk van het geliefde hoofd werd met veel misbaar[228]binnen de kotta gedragen en daar ten toon gesteld tot dat de begrafenis zoude plaats hebben. De Poenans en de Dajaks van kotta Djankang maakten alle toebereidselen, om de lijken hunner makkers den volgenden morgen te verbranden. Dat is een gewoonte bij sommige stammen, wanneer geen tijd genoegzaam voorhanden is, om de begrafenisplechtigheden te kunnen volvoeren. Men sprak de hoop uit, dat de uitgetrokkenHamiakkerseen flink aantal gevangenen zouden maken. Men sloot de gevangen genomen Doessonners in karandahs op en men haalde bij voorbaat nog meerdere kooien te voorschijn, om de verwachte slachtoffers te bergen. De nacht was reeds ingevallen, toen de menschenjagers te huis kwamen. Het was hun gelukt een troep Doessonners te overvallen, die, uitgeput van de vermoeienissen, dien dag ondervonden, neergevallen waren, toen zij zich in veiligheid waanden en in diepen slaap gedompeld lagen. Voor zij zich te weer stellen konden, waren hun handen en voeten gebonden; zij, die zich te woest aanstelden, ontvingen een zwaren slag op den schedel, die hen bewusteloos deed neerzinken. Mededoogen werd niet gekend. Zoo werden acht menschelijke wezens aangebracht, die onmiddellijk in de boeien in zekerheid gebracht werden. De volgende zon zoude hun vreeselijk uiteinde te aanschouwen geven.Wienersdorf verbond den arm van zijn gekwetsten makker op het liefderijkst. De wond was wel groot en had nog al bloedverlies veroorzaakt, maar de houw was meer in een schuine richting aangebracht en was niet diep doorgedrongen, zoodat weinig gevaar bestond. Een papje van de fijngewreven bladeren van den boentoek kakoembang werd op de wond gelegd, om de ontsteking te weren. Johannes regelde nu den zekerheidsdienst voor den nacht, die trouwens zoo heel zwaar niet behoefde te[229]zijn, daar een terugkeer van den vluchtenden vijand wel niet verwacht kon worden, waarna allen zich te rusten legden. Alleen Wienersdorf en La Cueille gingen hun dulcinea’s nog eens opzoeken, om heel galant te vernemen, of de ontsteltenis, dien dag ondervonden, eenigszins bedaard was. Och, zulke tooneelen waren haar niet vreemd; de deernen waren vrij opgeruimd en verheugden zich van ganscher harte, dat die gevaren al weer achter den rug waren. Al spoedig zaten de gelieven bij elkander in een druk gesprek gewikkeld en uitten de beide Europeanen, volgens de inspraken van hun hart en de mate hunner ontwikkeling, ruw en ongekunsteld of gevoelvol en beschaafd, maar beiden onverholen, de hoop om toch spoedig zoo’n land van verschrikkingen te kunnen verlaten.De beide verliefde paren zaten met nog eenige jonge dames in het vertrek, alwaar de meisjes gastvrijheid gevonden hadden. Hamadoe en Wienersdorf zaten innig met elkander te keuvelen en weldra was hun omgeving, ja het geheele heelal voor hun liefdevolle blikken, die elkaar slechts zochten, verdwenen. Het gesprek tusschen Moendoet en La Cueille vlotte zoo niet. Hij had dien dag vele inspanningen doorgestaan, misschien had hij ook wel hier of daar een teugje toeak weten machtig te worden. Hoe het ook zij, hij voelde zich wezenlijk vermoeid en uitgeput. Na een poos met zijn schoone gepraat te hebben, werd hij al loomer en loomer, hij strekte de ledematen gemakkelijk uit op het matje, waarop hij, naast het meisje gehurkt, gezeten had, liet het hoofd op haar schoot rusten en geraakte in dien verdoofden toestand, niet zelden in de keerkringslanden, die geen slapen en geen waken is, waarin het lichaam rust, maar waarbij de geest nog ten halve werkzaam blijft. Liefdevol zat het meisje hem aan te staren, haar[230]blik bleef op hem geboeid. Zij hield zich stil, om zijn rust niet te storen. Bij een beweging, die de slaapdronkene maakte, en waarbij hij met de hand door de haren woelde, streek zij hem de lokken uit het aangezicht en bracht die met zachte hand op hun plaats. Zij begon er een soort van genoegen in te vinden, de vingers door die zijdeachtige haren te laten gaan, zoo verschillend met de harde haren van haar zelve en van haar stamgenooten. Zacht streelde zij dat hoofd; maar plotseling begonnen haar vingers meer bedrijvigheid te toonen. Zij boog voorover en fluisterde tot een harer vriendinnen:„Panggoeti.”Dat woord laat zich zoo gemakkelijk niet vertalen.„Pang”is een voorzetsel dat „veel” beteekent en „goeti”; wel.… dat is de „pediculus capitis” der latijnen.De vriendin schoof naderbij en beide meisjes waren weldra bezig een vreemdsoortige jacht op het hoofd van den Waal te houden. De vingers woelden tusschen de lokken en vervolgden het wild op de haarhuid. Iedere pediculus, die zich liet verrassen, lokte een waas van vergenoegen op het gelaat der schoonen. Het diertje werd op de hand gezet, bewonderd, weer tusschen den duim en voorsten vinger gegrepen en tusschen de lippen van de vriendin gebracht, die het insect tusschen de tanden deed knappen en zich zoo het verhemelte streelde. Die vriendschapsbewijzen geschiedden over en weer en gingen met de gebruikelijke kwinkslagen gepaard. Eindelijk door dat gewiemel op zijn hoofd uit zijn verdooving geraakt, opende de Waal de oogen en zag zich niet onaardig geëncadreerd door de beide lieftallige wezens. Hij glimlachte en trok Moendoet naar zich toe, om haar een kus te ontrooven; maar op dat oogenblik scheen de jacht juist buitengewoon voorspoedig te zijn.[231]Beide meisjes haalden de hand bedachtzaam uit zijn hoofdhaar terug en brachten die te gelijkertijd aan zijn mond. De Waal, onbekend met wat er omging, opende lachend de lippen en ontving de levende lekkernij op de tong. Toen hij haar gekrieuwel gevoelde, keek hij de meisjes een poos aan, die zijn blik met een argloozen oogopslag beantwoordden. Lang niet gerustgesteld, spoog hij op zijn hand, bekeek wat hij in den mond had gehad en barstte in een wilden vloek uit:„Des poux! des poux! sacré saloppes! des poux dans ma bouche!”En meteen gaf hij ieder der meisjes een oorvijg, die klonk als een klok. De deernen begonnen zoo te gillen en te schreeuwen, dat een gedeelte der bewoners van de kotta, in hun nachtrust gestoord, kwam kijken wat er toch gaande was. Er ontstond toen een leven als een oordeel. De meisjes beweerden huilende en snikkende, dat zij den vrijer een beleefdheid hadden bewezen, door hem een lekkernij aan te bieden; de Waal vloekte en raasde, omdat men hem, volgens zijn beweren, onreine dingen in den mond gestopt had. De twist liep al hooger en hooger, tot dat Johannes en Dalim aankwamen en zich lieten inlichten. Nu was de zaak spoedig opgehelderd. Moendoet werd aan het verstand gebracht, dat haar vrijer nog te nieuwbakken Dajak was en dat hij nog maar niet kon vergeten, dat hij Arabier was, en uit een land kwam, waar zulke gerechten niet op prijs worden gesteld. De Waal vernam, dat de versnapering, die hem aangeboden was, een wezenlijke attentie geweest was, die hij met een lompheid beantwoord had.„Ik laat me villen,” mompelde hij, terwijl hij zich nogmaals den mond afveegde, „als ik haar nog een zoen geef.”„En toch zult ge daartoe moeten overgaan,” was het[232]kalme wederwoord van Johannes, „want je hebt een bewijs van toegenegenheid met een onbetamelijkheid beantwoord; daar valt niets aan te doen, die moet je herstellen.”En Moendoet bij een hand grijpende, bracht hij het mokkende meisje bij den Waal, die het lieve gezichtje toch al met een soort van spijt en verlangen aanschouwde. Johannes gaf haar een kleinen duw, zoodat zij in La Cueille’s geopende armen terecht kwam. Hij kon haar toch niet op den grond laten vallen. De lippen zochten elkander, een hartelijke zoen weerklonk en de vrede was gesloten. De Waal benutte een oogenblik, dat hij meende ongezien te zijn, om zich nogmaals den mond af te vegen.[233]1Ziet over den Beo de noot in Deel I bladz.89.Men beweert, dat de beo sterft, wanneer hij bloed ziet. Van daar die uitdrukking.↑

[Inhoud]XXVII.Het verhaal.—Soerapatti’s strooptocht langs de Kahajan.—De ontmoeting bij soengei Troessan.—Nederlaag.—Vernietiging van de Doessonsche heirmacht.—Aankomst te soengei Sirat.—Nachtelijk gevecht—Het schoonmaken der koppen.—Het „parabah.”—Maatregelen voor den marsch.—Aankomst te kotta Hamiak.—Gevecht.—Verstrooiing der Doessonsche strijdmacht.—Menschenjacht.—Een Dajaksche lekkerbeet.„Sedert geruimen tijd liep het gerucht dat Soerapatti krijgstoerustingen op groote schaal maakte, ten einde de Kapoeas- en Kahajanstreken af te loopen. Dat wil zeggen: Oude vrouwen, grijsaards en zeer jonge kinderen zouden eenvoudig om hals gebracht worden. De vrouwen, die op schoonheid konden bogen, zouden de bijzitten der overwinnaars worden, de andere vrouwen en de mannen, die in staat waren te werken, zouden zich het gruwzaamste slavenjuk moeten getroosten. Vreeselijk waren de verhalen van de Maleische handelaren, die van de boven-Doesson teruggekeerd waren. Het krijgsplan was: van uit het landschap Siang en Moeroeng op te breken naar de boven-Kahajan, dien stroom al moordende en roovende af te zakken; de soengei Troessan door te trekken, de beneden-Kapoeas uit te moorden en langs de kleine Dajakrivier terug te keeren. Moest men de berichten gelooven, dan zouden meer dan 10,000 strijders aan den tocht deelnemen; latere tijdingen brachten dat getal op 4000 terug. Het gemeenschappelijk gevaar vereenigde[209]al de bewoners der bedreigde streken en deed alle veeten, die hen onderling verdeelden, vergeten. Alle twisten werden bijgelegd; de huisgezinnen verlieten de oevers der genoemde rivieren en trokken zich diep in de wildernissen terug. Toen het gevaar nader kwam, togen de gezamenlijke strijders dier streken uit ten getale van ± 6000, om bij de monding der soengei Troessan, op weinige uren afstands van de uitwatering der kleine Dajakrivier in de Javazee, den gemeenschappelijken vijand slag te leveren en, zoo het kon, te vernietigen. De krijgsmacht van Soerapatti was uiterst verwonderd geweest, de negorijën langs de Kahajan leeg te vinden. Het was hun slechts gelukt, hier en daar een armen pandeling te overvallen, die achtergelaten was om have en goed te bewaken. En dat was nog maar schaars gebeurd, daar de meesten dier bewakers den tijd hadden gehad bij de nadering der vijandelijke vaartuigen de bosschen in te vluchten. Zij, die overvallen waren, hadden een rampzaligen martelvollen dood gevonden en hun grijnzende schedels prijkten aan den voorsteven van eenige der vijandelijke vaartuigen. De kotta’s en woningen werden verwoest en tot den grond afgebrand. Zoo kwamen de Doessonners in de beneden-Kahajan aan, waar zij ook de kampongs verlaten vonden. Zij raasden en scholden de bewoners voor oude wijven; evenwel de echo beantwoordde alleen hun uittartingen. Maar zoodra hun rangkans uit de Troessan deboucheerden, schoten de verbondenen met hun vaartuigen toe en thans begrepen de Doessonners, waarom zij de negorijën verlaten gevonden hadden. Nu begon een gevecht, dat drie dagen duurde en met de ontbinding van Soerapatti’s legermacht eindigde. Dit opperhoofd mocht zich gelukkig achten, bij die neerlaag niet tegenwoordig te zijn geweest; ook hij zou het waarschijnlijk met den dood bekocht[210]hebben. Een randjoe-wond, in de boven-Kahajan bekomen, had hem genoodzaakt het opperbevel aan zijn broeder Toengah over te geven, terwijl hij met weinige volgelingen naar de boven-Doesson teruggekeerd was. Niet dan na een hardnekkigen strijd, behaalden de verbondenen eenige voordeelen, door verwarring in de gelederen der vloot bij hun tegenstanders te berokkenen. Deze, eindelijk door een panischen schrik bevangen, wierpen zich in de maagdelijke bosschen, die de kleine Dajakrivier en de soengei Troessan omzoomen; doch hier vreemd, en weg noch steg wetende, werden zij door de bondgenooten als wild opgejaagd en als dolle honden doodgeslagen. Van Soerapatti’s heirmacht zijn geen 200 man in hun negorij teruggekeerd; de overigen vielen door het zwaard of kwamen van ellende om. Dat het leger der Doessonners zoo totaal vernietigd werd, was voornamelijk daaraan te wijten, dat het op een hoogst ongunstige plaats op de vlucht sloeg. Vooreerst waren er in den omtrek op verscheiden marschdagen afstands geen kampongs of bebouwde velden, waar de vluchtelingen hopen konden eenig voedsel te vinden. Daarbij waren na hun vlucht al hun vaartuigen vernield of door hun vijanden genomen, en zaten zij in een zeer moerassig land tusschen twee hoofdrivieren ingesloten; terwijl eindelijk de bewoners dier streek hundoodsvijandenwaren. Vertoonde zich een enkele dier ongelukkigen, door den bittersten nood gedrongen, in de nabijheid van een kampong, dan werd hij als een verscheurend dier afgemaakt. Maanden na den slag werden nog bij het ontdekken van sporen in het woud groote drijfjachten gehouden, waarbij mededoogen onbekend was. Zoo werden nog een dertigtal, die na de grootste ontberingen, na een ongeloofelijken marsch van vele maanden door een woest en vijandig land, zich overdag schuil houdende en ’s nachts behoedzaam[211]noordwaarts trekkende, eindelijk het hoogland hier in de boven-Kapoeas bereikt hadden en zich reeds behouden wanende, den stroom op een klein vlot wilden oversteken, daarbij ontdekt, gevangen genomen en later op de wreedste wijze omgebracht. Onder deze was ook Soerapatti’s broeder.”Gedurende dat verhaal had de tijd niet stil gestaan. Het was evenwel ongeveer vier uur in den namiddag geworden, toen de flotille, waarbij de Samoehingers zich gevoegd hadden, de monding der soengei Sirat bereikte. Nog steeds was niets verdachts ontwaard. Toen evenwel eenige der Poenans aan wal gestapt waren, om den omtrek te verkennen, dewijl men daar den nacht wilde doorbrengen, kwamen die al zeer spoedig terug met het bericht, dat op den noordelijken oever van de soengei, ongeveer 200 passen van den waterkant, een duidelijk spoor in het lange gras te ontwaren was, van een groote menigte menschen, die daar langs getrokken waren. Teneinde dat spoor nauwkeurig waar te nemen, gingen Harimaoung Boekit en Dalim als echte woudverspieders derwaarts. Tot dekking vergezelden hen Johannes, Schlickeisen en een tiental Dajaks, waarvan de helft met geweren gewapend was.De verkenners waren spoedig terug; zij waren tot de overtuiging geraakt, dat het spoor zeer versch en door een vrij talrijke bende veroorzaakt was, dat die bende van het westen naar het oosten getrokken was, te oordeelen naar de afdrukken van de voetstappen, die men op minder dichtbegroeide plekken had kunnen waarnemen. Zeer waarschijnlijk was het een bende stroopers, die den omtrek afliepen om te fourageeren. Men had het spoor gevolgd over een lengte van eenige duizenden meters, alwaar het aan de Kapoeas uitkwam en zich noordwaarts omboog. Vooral aan de boorden der Kapoeas bleek[212]het, dat het gevolgde spoor zeer versch was; de indrukken op den zandigen oever waren zoo scherp begrensd en nog zoo vochtig van het water, door den voet te zamengeperst, dat het voor deze natuurkinderen geen twijfel overliet, of er bevond zich op korten afstand voor hen uit een vrij aanzienlijke bende volks. Harimaoung Boekit meende zelfs een oogenblik menschenstemmen in die richting gehoord te hebben. Wat er ook van aan was, het was zaak zeer op zijn hoede te zijn. Er werd dan ook besloten, de rangkans onder den zuidelijken oever achter een vrij scherpe bocht te bergen, zoodat zij voor afkomende vaartuigen niet eerder zichtbaar werden, dan wanneer die den hoek geheel gerond hadden. Op den hoek zelven werden een viertal Dajaks, met geweren gewapend, in boomkruinen op schildwacht geplaatst, om de soengei stroomopwaarts te bewaken. Zij zouden door schieten alarm maken, wanneer onraad bespeurd werd. In de rangkans zoude de helft der weerbare manschap waakzaam en met de wapens in de hand blijven, om bij ieder voorval gereed te zijn, krachtdadig te kunnen optreden. Aan den wal werden, ter plaatse waar de rangkans lagen, eenige zware boomen geveld, die met het omringende struikgewas, dat ook omgekapt werd, een verhakking vormde, waardoor heen zich geen weg te banen was, zonder de opmerkzaamheid gaande te maken. Dat al die voorzorgen niet overbodig waren, zouden de reizigers al heel spoedig ondervinden.Het kon omstreeks middernacht zijn, toen een der schildwachten, die op den hoek in de boomen zaten, een voorwerp aan zijn voeten in de soengei zag drijven, dat veel van een boomstam had. Het kon ook wel een kaaiman wezen. Daarom floot hij zachtkens, om de wachthebbenden in de vaartuigen op hun hoede te doen zijn; want het zoude niet onmogelijk zijn,[213]dat zoo’n ondier, van de nachtelijke stilte gebruik makende, zijn prooi onverwachts uit een vaartuig greep en daarmede in de diepte verdween, vóór dat de opvarenden eigenlijk begrepen, wat er gaande was. Op dat gefluit evenwel zag de schildwacht dien boomstam of kaaiman zich bewegen en naar den wal zwemmen, in welke beweging hij gevolgd werd door een vijftal dergelijke gedaanten. Dat zwemmen was niet het geruischloos voortschieten van een dier van het krokodillengeslacht; ook dat er zoo veel anderen in de nabijheid waren, die zich richtten waarheen de eerste zwom, was in strijd met de geaardheid dier dieren. Hier was dus wat anders gaande. De schildwacht loste zijn schot; ook zijn makkers, opmerkzaam gemaakt, openden hun vuur. Nauwelijks evenwel hadden die schoten in de nachtelijke stilte weerklonken, of een kannibalisch gebrul verhief zich achter de verhakking; verscheidene gedaanten poogden daardoor heen te breken, dat aan enkelen hunner gelukte. De nacht was gelukkig niet donker, de lucht was zuiver en de sterren fonkelden vriendelijk, terwijl juist dien nacht het zodiakaal licht schemerde, waardoor het aardrijk slechts in een halfduister gehuld was. Van wat er achter de verhakking geschiedde, was evenwel niets te ontwaren; maar wie zich door dat beletsel heenwrong, verscheen als een donkere gestalte op een flauw verlichten grond en stond aan de zeker treffende kogels van de vier Europeanen bloot. De Dajaks, wien geweren in handen gegeven waren, hadden met al de opgewondenheid hun landaard eigen, een oorverdoovend vuur op de verhakking geopend. De Europeanen meer bedaard, gaven hun schot slechts af, wanneer zij zulk een donkere gedaante op den oever zagen toeijlen en misten hun doel dan nooit. Zelfs de twee Zwitsers onthielden zich stipt,[214]aan het vuurgevecht deel te nemen en bewaarden zorgvuldig den inhoud hunner repeteergeweren voor oogenblikken van onmiddellijk groot gevaar. En wel bekwam hun dat gedrag; want op eens drong een aantal aanranders door een opening, die zij in de verhakking hadden weten te maken en stormden onstuimig op den oever toe, om zich met den mandauw in de vuist op de rangkans te werpen. In den grootsten doodsangst gilden de vrouwen en waren radeloos van ontsteltenis; maar daar mengden de beide Zwitsers zich in den strijd, gaven kalm en bedaard vuur, nog eens vuur en nog eens. De aanvallers vielen op die schoten paarsgewijze. Met kreten van woede zetten zij den aanval door. De schoten der Zwitsers klonken regelmatig en velden een ieder, die den oever nabij kwam. Toch drongen een paar Doessonners, als onder dat vuur doorduikende, door, wierpen zich te water en klemden zich aan de rangkans vast, wanhopige pogingen aanwendende, om de vaartuigen, die zij gegrepen hadden, te doen omkantelen. Nu was het de beurt van de Dajaks om toe te slaan; eenige mandauwhouwen kloofden een paar schedels en deden een paar afgekapte vingeren tot in den schoot van de nedergehurkte vrouwen springen. Een paar gillen, een paar kreten, wat doodsgerochel en het pleit was beslist; de aanvallers plompten in het water en werden dood of zwaar gewond, den krokodillen ten prooi, door den stroomdraad medegevoerd.Alles was nu stil aan den oever, zoo stil zelfs, dat men bijna niet gelooven kon, dat daar zoo even nog een kamp op leven en dood gevoerd werd. De Zwitsers haastten zich de kolven hunner Remmingtongeweren van munitie te voorzien en een ieder hield zich gereed voor hetgeen nog komen kon.Daar weerklonken eensklaps opvolgend, vier geweerschoten,[215]door angst- en hulpgeschrei gevolgd. Het waren de vier schildwachten, in de boomen gezeten, die nu aangetast werden. Duidelijk zag men eenige gedaanten zich langs de boomstammen naar boven werken. De schildwachten waren dus in groot gevaar en het waren hun koppen, waarop de aanvallers het nu gemunt hadden. Op dat gezicht begaf Harimaoung Boekit zich met zijn Poenans in alle stilte te water en toen zij den oever bereikt hadden, gaven de Europeanen nogmaals vuur, waardoor de vijanden, die het hoogst geklommen waren, doodelijk getroffen, naar beneden tuimelden en de achter hen volgenden in hun val medesleepten. Van de daardoor ontstane verwarring, maakten de Poenans meesterlijk gebruik, om zich met een luid gehuil onder de ontstelde vijanden te werpen en daar de mandauws hun bloedig werk te laten verrichten. Rauwe kreten van vertwijfeling, van angst, van woede, van teleurstelling deden zich gedurende dat kortstondige gevecht met het blanke wapen hooren. Na een zeer korte wijl verschenen gillend en tierend de Poenans weder en hield ieder hunner minstens een bloedigen menschenkop in de hand; er waren er bij die er twee droegen. Een gejuich, dat uit de borst van alle Dajaks, zoowel mannen als vrouwen opsteeg, ontving de overwinnaars. Maar voor dat men hen nog naar eisch had kunnen verwelkomen, lieten zich andermaal alarmkreten hooren en werd door de schildwachten aangeduid, dat thans het gevaar van de rivierzijde dreigde. En inderdaad vertoonden zich bovenstrooms op de soengei een viertal rangkans, zwaar bemand, die pijlsnel voortschoten met het oogmerk, om de vaartuigen onzer reizigers te enteren. Maar weldra klonk ook hun een goed onderhouden geweervuur tegen, eerst door de Dajaks begonnen, en toen dat niet afdoend bleek, om[216]de aanvallers te doen deinzen, door de Europeanen gevoed, waarbij de repeteergeweren van de Zwitsers andermaal wonderen verrichtten. Met al hun moed vermochten de Doessonners door zoo’n kogelregen niet te dringen. Al spoedig telden zij een groot aantal dooden en gekwetsten en waren zij daardoor tot den terugtocht genoodzaakt. Toen zij hun achterwaartsche beweging begonnen, die tegen den zwaren stroom in niet spoedig ging, verzamelde Johannes de geweerdragende Dajaks en liet hen salvo’s geven. Dat waren nu wel geen salvo’s van geregelde troepen; zij vergrootten evenwel de vrees der vluchtenden en bespoedigden hun aftocht. De drie andere Europeanen kozen meer kalm hun doelwit, schoten bedaard en zonder overijling en veroorzaakten daardoor bij hun bedrevenheid als schutter dood en verderf in de vijandelijke vaartuigen. Het was voornamelijk de achterste rangkan, die van hun kogels het meeste te lijden had. Schot op schot, dat dreunde, kwetste of doodde een roeier. Eindelijk waren er niet meer genoeg, om den stroom te kunnen breken. Een oogenblik bleef de rangkan onder de wanhopige pogingen der overblijvenden op dezelfde plek, zonder voor-of achteruit te kunnen; maar daar werd andermaal een roeier geveld; toen begon het vaartuig te deinzen, eerst langzaam, totdat weer een stervende hand de pagaai liet ontglippen. Toen sprongen de ongedeerd gebleven Doessonners te water, om zich door de vlucht te redden en kwam de rangkan, met al de snelheid afdrijven, die de stroomdraad er aan verleenen kon. Op dat gezicht waren de Poenans niet te weerhouden; in een oogwenk waren zij te water en hadden zij het vaartuig geënterd. In minder tijd dan verteld kan worden, waren al de gekwetsten en dooden, die daarin lagen, onthoofd. De lijken werden in het water geworpen en de[217]rangkan al zwemmende naar den wal gestuurd, van waar hij langs het struikgewas voortgetrokken, als buit bij de flotille gebracht werd.Achtentwintig koppen waren buit gemaakt. Het grootste gedeelte der mannen van het reisgezelschap was weldra bezig die koppen van hun vleeschdeelen te ontdoen. Een vreeselijk schouwspel was het voor onze Europeanen, die bezigheid in hun onmiddellijke nabijheid te zien gebeuren. Een oogenblik waren zij als betooverd door dat schouwspel en konden zij er den blik niet van afwenden; zij zagen die koppen van hun haarhuid ontdoen, zij zagen de wangen, neuzen, lippen en ooren afsnijden en daarvan menig stuk in gretige monden verdwijnen; zij zagen de puntige poeai’s in hoeken en gaten tusschen de beenderen woelen, de oogen uit hun kassen halen en eindelijk in de schedelholten wroeten om de hersenen uit te halen. Maar toen zij zagen, dat die weeke zachte bloederige massa met gulzigheid verzwolgen werd, toen, hoewel dat gezicht hun niet vreemd meer was, voelden zij zich een onmacht nabij en moesten zij het gelaat afwenden, om zich aan dat schrikkelijk schouwspel te onttrekken. Helaas! zij mochten hun walging niet uiten, zoo als zij die ondervonden; nu reeds werd in hun nabijheid gemompeld en konden zij woorden opvangen aan hun adres, die te verstaan gaven, dat zij „helden met beo’s1harten waren.”De nacht ging verder ongestoord voorbij. Toen de dag aanbrak, stapte de helft der Dajaks en al de Poenans aan wal, onthoofdden de vijanden, gesneuveld of gewond[218]bij de verhakking en wierpen de lijken in de rivier. Het aantal buit gemaakte schedels klom nu tot negen en dertig. Bij een verkenning, op beide oevers der soengei ondernomen, kwam men tot de gevolgtrekking, dat de bende, waarvan men daags te voren de sporen ontdekt had, op haar beurt het reisgezelschap bespeurd en bespied en eindelijk een gekombineerden aanval te land en te water beraamd had, die, wanneer hij gelijktijdig ondernomen ware, het grootste gevaar had kunnen opleveren.Het was nu zaak om goed uit te kijken. Men was in aanraking geweest met den vijand en hoewel geen verliezen geleden waren, leerde de opgedane ondervinding, dat de vijand, waarmee men te doen had, stoutmoedig en ondernemend was. Johannes bepaalde nu, dat de rangkan, waarin hij met zijn makkers gezeten was, de spits zoude uitmaken; dat zij geen deel meer zouden nemen aan het roeien, maar dat zij met Amai Kotong en Dalim scherp zouden uitzien, om met hun wisse schoten onmiddellijk waar het noodig was krachtdadig te kunnen optreden. Harimaoung Boekit met zijn Poenans zou de achterwacht vormen, terwijl bij hem nog eenige geweerdragenden werden ingedeeld, om desnoods alarm- of seinschoten te kunnen doen.Dat men niet te veel voorzorgsmaatregelen kon treffen, zoude ras ondervonden worden.Het kon ongeveer 9 uur in den morgen zijn; men had ijverig doorgeroeid en tot nu toe niets van vijanden op de oevers bespeurd, toen Dalim eensklaps een lichten kreet uitstiet en den Europeanen een man wees, die bijna geheel gedekt door een’ boomstam, met zijn mandauw bezig was een paar rottantouwen door te hakken.„Parabah!” riep Dalim met ontzetting.[219]„Pambeseai goeloengoeloeng!” (hard roeien) beval Amai Kotong, terwijl hij de achteraankomende rangkans waarschuwde.De man aan den wal had reeds een touw doorgekapt; hij keek aandachtig naar de rangkans en toen hij die genoegzaam genaderd zag, verhief hij den arm, om den tweeden rottan door te slaan. Maar daarbij moest hij zich bloot geven; de borst werd een ondeelbare poos zichtbaar en dat was voor de beide Zwitsers meer dan voldoende, om hun nimmer falende kogels af te zenden. Bijna op dezelfde plek door de beide projectielen getroffen, volvoerde de Doessonner een luchtsprong, terwijl hij zijn wanhopig gezicht ten hemel verhief, en dood nederstortte. Een makker sprong van achter een boom te voorschijn om het voorgenomen werk te verrichten; maar voor dat die twee schreden gedaan had, weerklonken andermaal twee geweerschoten en viel ook deze, in voorhoofd en in borst getroffen, dood neder. Een derde onderging het zelfde lot. Een vierde bewoog zich, als een slang schuifelende, langs den grond; die was niet door de scherpschutters te ontwaren. Daar bereikte hij het touw, dat met een dubbelen slag om een boomstam gewonden was ongeveer op vijf voeten boven den grond. Om dat te bereiken, moest hij zich op de knieën oprichten. Dat deed hij en greep daarbij het touw met de linkerhand, die toen alleen voor de schutters zichtbaar werd. In die houding verhief hij de rechterhand, om den houw op den sterk gespannen rottan toe te brengen, toen andermaal twee schoten weerklonken, die hem de linkervuist verbrijzelden, maar tevens het noodlottig gevolg hadden het touw door te snijden.„Goeloengoeloeng! pambeseai goeloengoeloeng!!” gilden Amai Kotong en Dalim.De rangkans schoten vooruit, terwijl zij het schuim[220]onder hun stevens deden opstuiven. Voor een oogenblik zag men de kruin van een der woudreuzen, eenontzaglijkenboom, die zich op den oever der soengei verhief, als beschonken heen en weer waggelen; de rechte stam boog, hernam den rechten stand weer, neigde andermaal, om zich weer terug te buigen en viel toen, eerst langzaam en weifelend, vervolgens allengs versnellend, krakend en met donderend geweld ter neder en overdekte met zijn takken en loof de rivier, die onder dien val wild en woest opspatte en zich als een fijne stofregen van schuim in de lucht verdeelde en de plek als in een nevel hulde. Gelukkig waren de rangkans, toen de boom viel, de gevaarvolle plaats voorbij; alleen de laatste vaartuigen dreigden om te slaan en te zinken door het woeste geweld van het opgezweepte water. Een paar seconden vertraging in de vaart der rangkans of vervroeging in den val des booms, dan ware de flotille vernietigd geweest en niemand der opvarenden ware ontkomen.Van de vaartuigen had men het kunststuk van schuttersbedrevenheid der Zwitsers kunnen zien. Met benepen harten, had men het verloop, dat in weinige seconden plaats moest hebben, gadegeslagen. Men moest daar ter plaatse voorbij, en wel zoo spoedig mogelijk, dat begreep iedereen. Ware toch de boom vóór in stede van achter de vaartuigen nedergestort, dan zou men een groot oponthoud gehad hebben; want aan een opruiming van dien woudreus, die daar nu in de soengei lag en haar volkomen afsloot, zou niet te denken geweest zijn. Men zou niets anders hebben kunnen doen, dan de rangkans te ontladen en haar dan zoo over den slagboom heenwerken. Dat ware een arbeid geweest van minstens twee dagen, ongerekend nog de ongevallen, die uit de nabijheid des vijands konden geboren worden.[221]Dankbaarheid was dan ook in ieders oog te lezen voor die mannen, die zoo ter rechter tijd geholpen hadden. En het was met een soort van ontzag, dat evenwel gevoelens van genegenheid niet uitsloot, dat men voortaan opkeek naar hen, die met hun kogels zoo juist wisten te treffen.„Mille noms de noms!” brulde La Cueille, „daar zijn we mooi door heen gekomen!”„Dat mag je wel zeggen,” lachte Johannes vergenoegd. „Maar opgepast; jullie ziet nu waartoe die duivels in staat zijn. Dat is een van de gewone krijgslisten der Dajaks. Op de boorden der rivier, waarlangs zij de nadering van vijanden verwachten, worden groote boomen, de grootste en zwaarste bij voorkeur, zoodanig onder aan den voet ingekeept, dat, wanneer de rottantouwen, die de kruinen steunen, doorgekapt worden, de woudreuzen in het vaarwater storten moeten. Een zestal mannen houden bij zoo’n boom de wacht. In den regel blijven zij verscholen en van het geheele toestel is gewoonlijk niets te ontwaren. Eenmaal de touwen doorgekapt, maken zich de wachthebbenden uit de voeten, om op een afstand de gevolgen gade te slaan.”„Ik hoorde Dalim „parabah” schreeuwen bij het begin van die pret. Begreept ge dat woord?” vroeg Schlickeisen.„Dat is de benaming van de krijgslist van het boomen laten vallen.”„Het is mooi uitgedacht, dat moet erkend worden,” sprak La Cueille. „Als je zoo’n boom op je bol of op je lendenen krijgt, dan ben je zoo plat als een velletje postpapier. We zullen bliksems goed onze oogen den kost moeten geven.”„Ja, wel zeker, dat zullen we moeten,” antwoordde Johannes. „Maar ik heb besloten, om voortaan op iederen[222]oever der rivier een twaalftal mannen te laten marcheeren, die de vaartuigen een vijftig passen vooruit blijven en, hoewel met elkaar in verband blijvende, het geboomte doorzoeken moeten, om zoodoende dergelijke vallen onschadelijk te maken.”„Maar, hoe wil je die vallen onschadelijk maken?”„Wel, wanneer menschen ontdekt worden, verjaagt men die of schiet ze dood. Men zoekt dan de ingekeepte boomen op, die met hun verwondingen niet moeielijk te ontwaren zijn aan de landzijde. Men houdt dan de wacht bij den val tot al de rangkans voorbijgetrokken zijn, waarna de rottantouwen doorgehakt worden en de boom omvalt. Dat zal het voordeel hebben onze rugzijde te dekken zoowel tegen de Doessonners, die langs de soengei versterking uit hun negorij kunnen krijgen, als tegen een vervolging van den kant der Hollanders, wanneer die ons op ’t spoor mochten zijn. Tegen dien maatregel is geen ernstige bedenking te maken. In den regel zijn het slechts weinige mannen, die zoo’n parabah bewaken, en die zullen wel spoedig met geweervuur te verdrijven zijn.”Met spoed, maar toch zoo behoedzaam mogelijk, werd verder getrokken. Een tweetal boomen, die op het vallen stonden, werden nog ontdekt. Maar, zooals Johannes voorzien had, waren een paar schoten voldoende, om de bewakers te verjagen, en al ras was een driedubbele verhakking in de soengei daargesteld, die den toegang van de benedenlanden afsloot.Zoo werd voortgerukt. Het was twee uur in den namiddag ongeveer, toen men kotta Hamiak in het gezicht kreeg; maar wat daar ontwaard werd, was alles behalve opbeurend. Men was daar verwoed aan het vechten. Boven de toppen der palissadeering, die hier, evenals elders in de Dajaklanden, van afstand tot afstand met gebleekte[223]schedels prijkte, zag men de verdedigers der kotta in uitdagende houding verschijnen en alles, wat hen onder handen kwam, werpen naar het hoofd der aanvallers, die op een paar punten de ompaling trachtten te beklimmen. Op een kleinen afstand zag men twee kanonstukjes, achter een kunstmatig heuveltje van rijshout, die van tijd tot tijd hun kogels op de kotta afzonden. Veel uitwerking van dat vuren was niet te ontwaren, hoewel de aankomenden het volle gezicht op het geteisterde gedeelte hadden; de zware ijzerhouten boomstammen, die de borstwering der kotta uitmaakten, schenen met de kogeltjes te spotten. Het bleek dan ook al ras, dat dat kanonvuur niet zoo zeer tot doel had bres te schieten, dan wel om de bezetting vrees aan te jagen en van dat gedeelte der borstwering te verdrijven. Inderdaad op het midden dier face hadden de Doessonners een hoop droge takkebossen te zaam gebracht, die tegen de palissadeering opgestapeld en toen in brand gestoken. Het scheen dat dit vuur al eenigen tijd gebrand had, hoewel van een beschadiging van de omheining, die gevaarlijk kon worden voor de belegerden, niet veel te bespeuren was.Onze reizigers waren tot nu toe onder de taluds van de diep ingesneden soengei ongemerkt gebleven en bespiedden den vijand van achter dichte struiken, die langs den oever groeiden. Nadat Johannes den toestand een oogenblik gadegeslagen had, wenkte hij Harimaoung Boekit tot zich, wees hem in de verte een boschje van dicht struikgewas, dat de positie van het gros der aanvallers vrij dicht in den rug naderde en fluisterde hem iets in het oor. Grinnekend verzamelde het Poenanhoofd zijn makkers, stapte met hen aan wal en verdween achter het loof, dat de boorden der soengei voor het oog verborg. Toen Johannes hen niet meer zag, verzamelde hij zijn[224]lotgenooten, voegde daaraan nog een dertig geweerdragende Dajaks, waaronder ook Dalim, toe, drukte de achterblijvenden onder aanvoering van Amai Kotong goed op het hart de vrouwen en kinderen te bewaken en te beschermen, en trok daarop recht op den hoofdgroep der Doessonners los. Tot nu toe waren de bewegingen onzer reizigers voor dezen verborgen gebleven. Hun strijd met de Siratters had hun geheele opmerkzaamheid tot zich getrokken; ook een zekere zorgeloosheid den inlanders zoo eigen, had hen doen nalaten een waakzaam oog op de soengei te houden. Toen Johannes nu plotseling met zijn troepje uit het struikgewas te voorschijn trad, was de verbazing groot. Zij duurde evenwel kort, want aangemoedigd door het geringe aantal van de naderenden, stoof hun het grootste gedeelte der Doessonsche strijders met een luidlēēēēlēlēlēlē ouiiit! en de mandauws zwaaiende te gemoet. Zij dachten met hun verpletterende overmacht een gemakkelijke overwinning te behalen op dat troepje hetwelk nog geen vijfendertig man sterk bleek te zijn. Het uitzicht, om zonder veel inspanning die schedels te kunnen buit maken, lachte de helden uitermate toe. Met iedere seconde verminderde de afstand tusschen beide partijen. Johannes wist een voorbeeldelooze tucht onder de zijnen te bewaren. Geen stem verhief zich, geen geluid werd van hun zijde vernomen; het scheelde waarachtig weinig of dat troepje marcheerde in den pas als een sectie afgedrilde rekruten en trok rustig en kalm vooruit. De Doessonners daarentegen naderden gillend en tierend, hortend en stootend, met sprongen of in den looppas. Daar stond eensklaps het troepje van Johannes stil en scheen als aan den grond genageld. Lēēēēh lēlēlēlēlē ouiiiit! brulden de Doessonners en stormden vooruit, in de meening dat hun tegenstanders de schrik om het hart sloeg. De geweren vielen nu evenwel[225]in den aanslag en een flink uitgevoerd salvo temperde den aanloop aanmerkelijk. Vier der aanvallers lagen op den grond te kermen. Voordat de Doessonsche helden van hun verbazing bekomen waren, hadden de Kapoeassers weer geladen en zonden andermaal hun lood in den dichten drom. Ditmaal vielen zeven vijanden. De Europeanen hadden zich tot nu toe van de deelneming aan het gevecht onthouden en spaarden hun vuur, om de eindbeslissing op het wichtige oogenblik te bevorderen. Nu zich evenwel een soort van razernij van den aanvallenden troep scheen meester gemaakt te hebben en de vijanden steeds voorwaarts stoven, openden ook zij hun vuur en verspilden hun munitiën niet. Ieder schot was raak en het aantal gevallen Doessonners werd al grooter en grooter. Vooral de repeteergeweren in de handen der Zwitsers verrichtten andermaal wonderen. Bij de totale windstilte, die heerschte, was het kleine troepje als in een rookcirkel gehuld, van waaruit bliksemstralen knetterden, die het als met een muur van lood omgaven. Toch rukten de aanvallers, niettegenstaande hun verliezen, al nader en nader. De lansen begonnen zich reeds met de bajonetten te kruisen; reeds hadden Johannes en La Cueille, die geen tijd meer hadden om hun trompladers te herladen, de revolverpistolen ter hand genomen. Vloeken en verwenschingen, angstgillen en zegekreten weerklonken allerwege. De Europeanen schoten hun laatste patronen, die in de geweerloopen zaten af, staken woedend de bajonetten in de naakte borstkassen, of grepen de geweren bij den loop, om de kolf als een knods te hanteeren en schedels te verbrijzelen of schouders te ontwrichten. De toestand werd allerhachelijkst. Reeds waren eenige Dajaks onder de slagen der aanvallers gevallen; Schlickeisen had een flinken houw over den linkerarm gekregen, die hem buiten gevecht stelde. Gelukkig[226]dat La Cueille den tweeden houw met zijn geweer pareerde, den Doessonner de bajonet in den buik stak en nog tijd had zijn revolver uit den gordel te rukken, om een tweeden, die toeschoot, à bout portant te vellen.Maar daar kwam eensklaps verademing. Harimaoung Boekit verscheen met zijn Poenans in den rug der Doessonners, en wierp zich onverschrokken met den mandauw in de vuist in hun gelederen. Ontzettend was de kamp, die zich nu ontspon. De Doessonners dachten er niet aan zich gewonnen te geven, maar stelden zich wanhopig te weer. Johannes evenwel, van het oogenblik van verademing gebruik makende, verzamelde zijn troepje, deed snel herladen en liet nu salvo op salvo geven. Van een andere zijde deden de verdedigers van kotta Hamiak, na hun brandende palissadeering gebluscht te hebben, een uitval, tastten de legerplaats der Doessonners aan, staken die in brand en vermeesterden de twee kanonstukjes, die hen zoo beangstigd hadden. Toen de vlammen achter hen hoog opdwarrelden, toen de wanhoopskreten van allerwege weerklonken, toen dat geweervuur hen teisterde en bleef teisteren, toen begon de moed der Doessonners te zinken. Nog een salvo, dat Johannes in hun gelederen zond, en waarbij een lange slungel viel, die als hoofd de anderen aanmoedigde, bracht de verwarring ten top en nu was er geen houden meer aan; de geheele bende sloeg op de vlucht. In minder tijd dan noodig is, om het te vertellen, was de geduchte schaar, die kottaHamiakbelegerd had, uit elkander gespat en hadden de strijders een toevlucht in de bosschen gezocht. Maar, daarmede was het gevecht niet ten einde. Een bende van de verdedigers der kotta stormde ook de bosschen in, om den vijand nog zooveel mogelijk schade toe te brengen, maar vooral om gevangenen te maken.[227]Toen de laatste Doessonners uit het gezicht verdwenen waren, vereenigden zich de strijders van ons reisgezelschap met de bewoners der kotta, terwijl ook de rangkans naderbij kwamen en vrouwen en kinderen aan wal stapten. Een ontzettend tooneel begon al ras. Zoowel de mannen der kotta, als de Dajaks der rangkans en de Poenans van Harimaoung Boekit hielden zich onledig met de gevallen vijanden dood of gewond te onthoofden. Een paar licht gekwetsten werden gespaard; hun zou een vreeselijker lot beschoren zijn. Toen de koppen verzameld waren, herhaalde zich het afzichtelijk tooneel van den vorigen nacht, maar nu op veel grooter schaal. Helaas! de wetten der menschelijkheid werden door die onwetenden en verwaarloosden wel verkracht.Bij de opruiming der vijandelijke lijken, die eenvoudig in de soengei gesmeten werden, ontdekte men dat vijf Poenans en zes Dajaks van het reisgezelschap gesneuveld waren, terwijl ook de lijken van een drietal Sieratters gevonden werden. Maar wat de meeste droefheid veroorzaakte en al de bewoners der kotta in weeklachten deed uitbarsten, was dat ook Amai Mawong, hoofd van kotta Hamiak bij den uitval, dien hij aangevoerd had, omgekomen was. Hij was steeds een persoonlijke vijand van Tomonggong Soerapatti geweest, die jaren geleden hem een dochter ontstolen had en wien hij op zijn beurt een paar zijner meest geliefde vrouwen ontkaapt had. Krijgs- en sneltochten, invallen over en weer in elkanders gebied, waren daarvan het gevolg geweest en de nu plaats gehad hebbende aanranding van Soerapatti had geen ander uitgangspunt dan zijn haat tegen Amai Mawong, waarbij zich de zucht gepaard had om zich op de Kapoeassche en Kahajansche bevolking voor vroegere nederlagen te wreken.Het lijk van het geliefde hoofd werd met veel misbaar[228]binnen de kotta gedragen en daar ten toon gesteld tot dat de begrafenis zoude plaats hebben. De Poenans en de Dajaks van kotta Djankang maakten alle toebereidselen, om de lijken hunner makkers den volgenden morgen te verbranden. Dat is een gewoonte bij sommige stammen, wanneer geen tijd genoegzaam voorhanden is, om de begrafenisplechtigheden te kunnen volvoeren. Men sprak de hoop uit, dat de uitgetrokkenHamiakkerseen flink aantal gevangenen zouden maken. Men sloot de gevangen genomen Doessonners in karandahs op en men haalde bij voorbaat nog meerdere kooien te voorschijn, om de verwachte slachtoffers te bergen. De nacht was reeds ingevallen, toen de menschenjagers te huis kwamen. Het was hun gelukt een troep Doessonners te overvallen, die, uitgeput van de vermoeienissen, dien dag ondervonden, neergevallen waren, toen zij zich in veiligheid waanden en in diepen slaap gedompeld lagen. Voor zij zich te weer stellen konden, waren hun handen en voeten gebonden; zij, die zich te woest aanstelden, ontvingen een zwaren slag op den schedel, die hen bewusteloos deed neerzinken. Mededoogen werd niet gekend. Zoo werden acht menschelijke wezens aangebracht, die onmiddellijk in de boeien in zekerheid gebracht werden. De volgende zon zoude hun vreeselijk uiteinde te aanschouwen geven.Wienersdorf verbond den arm van zijn gekwetsten makker op het liefderijkst. De wond was wel groot en had nog al bloedverlies veroorzaakt, maar de houw was meer in een schuine richting aangebracht en was niet diep doorgedrongen, zoodat weinig gevaar bestond. Een papje van de fijngewreven bladeren van den boentoek kakoembang werd op de wond gelegd, om de ontsteking te weren. Johannes regelde nu den zekerheidsdienst voor den nacht, die trouwens zoo heel zwaar niet behoefde te[229]zijn, daar een terugkeer van den vluchtenden vijand wel niet verwacht kon worden, waarna allen zich te rusten legden. Alleen Wienersdorf en La Cueille gingen hun dulcinea’s nog eens opzoeken, om heel galant te vernemen, of de ontsteltenis, dien dag ondervonden, eenigszins bedaard was. Och, zulke tooneelen waren haar niet vreemd; de deernen waren vrij opgeruimd en verheugden zich van ganscher harte, dat die gevaren al weer achter den rug waren. Al spoedig zaten de gelieven bij elkander in een druk gesprek gewikkeld en uitten de beide Europeanen, volgens de inspraken van hun hart en de mate hunner ontwikkeling, ruw en ongekunsteld of gevoelvol en beschaafd, maar beiden onverholen, de hoop om toch spoedig zoo’n land van verschrikkingen te kunnen verlaten.De beide verliefde paren zaten met nog eenige jonge dames in het vertrek, alwaar de meisjes gastvrijheid gevonden hadden. Hamadoe en Wienersdorf zaten innig met elkander te keuvelen en weldra was hun omgeving, ja het geheele heelal voor hun liefdevolle blikken, die elkaar slechts zochten, verdwenen. Het gesprek tusschen Moendoet en La Cueille vlotte zoo niet. Hij had dien dag vele inspanningen doorgestaan, misschien had hij ook wel hier of daar een teugje toeak weten machtig te worden. Hoe het ook zij, hij voelde zich wezenlijk vermoeid en uitgeput. Na een poos met zijn schoone gepraat te hebben, werd hij al loomer en loomer, hij strekte de ledematen gemakkelijk uit op het matje, waarop hij, naast het meisje gehurkt, gezeten had, liet het hoofd op haar schoot rusten en geraakte in dien verdoofden toestand, niet zelden in de keerkringslanden, die geen slapen en geen waken is, waarin het lichaam rust, maar waarbij de geest nog ten halve werkzaam blijft. Liefdevol zat het meisje hem aan te staren, haar[230]blik bleef op hem geboeid. Zij hield zich stil, om zijn rust niet te storen. Bij een beweging, die de slaapdronkene maakte, en waarbij hij met de hand door de haren woelde, streek zij hem de lokken uit het aangezicht en bracht die met zachte hand op hun plaats. Zij begon er een soort van genoegen in te vinden, de vingers door die zijdeachtige haren te laten gaan, zoo verschillend met de harde haren van haar zelve en van haar stamgenooten. Zacht streelde zij dat hoofd; maar plotseling begonnen haar vingers meer bedrijvigheid te toonen. Zij boog voorover en fluisterde tot een harer vriendinnen:„Panggoeti.”Dat woord laat zich zoo gemakkelijk niet vertalen.„Pang”is een voorzetsel dat „veel” beteekent en „goeti”; wel.… dat is de „pediculus capitis” der latijnen.De vriendin schoof naderbij en beide meisjes waren weldra bezig een vreemdsoortige jacht op het hoofd van den Waal te houden. De vingers woelden tusschen de lokken en vervolgden het wild op de haarhuid. Iedere pediculus, die zich liet verrassen, lokte een waas van vergenoegen op het gelaat der schoonen. Het diertje werd op de hand gezet, bewonderd, weer tusschen den duim en voorsten vinger gegrepen en tusschen de lippen van de vriendin gebracht, die het insect tusschen de tanden deed knappen en zich zoo het verhemelte streelde. Die vriendschapsbewijzen geschiedden over en weer en gingen met de gebruikelijke kwinkslagen gepaard. Eindelijk door dat gewiemel op zijn hoofd uit zijn verdooving geraakt, opende de Waal de oogen en zag zich niet onaardig geëncadreerd door de beide lieftallige wezens. Hij glimlachte en trok Moendoet naar zich toe, om haar een kus te ontrooven; maar op dat oogenblik scheen de jacht juist buitengewoon voorspoedig te zijn.[231]Beide meisjes haalden de hand bedachtzaam uit zijn hoofdhaar terug en brachten die te gelijkertijd aan zijn mond. De Waal, onbekend met wat er omging, opende lachend de lippen en ontving de levende lekkernij op de tong. Toen hij haar gekrieuwel gevoelde, keek hij de meisjes een poos aan, die zijn blik met een argloozen oogopslag beantwoordden. Lang niet gerustgesteld, spoog hij op zijn hand, bekeek wat hij in den mond had gehad en barstte in een wilden vloek uit:„Des poux! des poux! sacré saloppes! des poux dans ma bouche!”En meteen gaf hij ieder der meisjes een oorvijg, die klonk als een klok. De deernen begonnen zoo te gillen en te schreeuwen, dat een gedeelte der bewoners van de kotta, in hun nachtrust gestoord, kwam kijken wat er toch gaande was. Er ontstond toen een leven als een oordeel. De meisjes beweerden huilende en snikkende, dat zij den vrijer een beleefdheid hadden bewezen, door hem een lekkernij aan te bieden; de Waal vloekte en raasde, omdat men hem, volgens zijn beweren, onreine dingen in den mond gestopt had. De twist liep al hooger en hooger, tot dat Johannes en Dalim aankwamen en zich lieten inlichten. Nu was de zaak spoedig opgehelderd. Moendoet werd aan het verstand gebracht, dat haar vrijer nog te nieuwbakken Dajak was en dat hij nog maar niet kon vergeten, dat hij Arabier was, en uit een land kwam, waar zulke gerechten niet op prijs worden gesteld. De Waal vernam, dat de versnapering, die hem aangeboden was, een wezenlijke attentie geweest was, die hij met een lompheid beantwoord had.„Ik laat me villen,” mompelde hij, terwijl hij zich nogmaals den mond afveegde, „als ik haar nog een zoen geef.”„En toch zult ge daartoe moeten overgaan,” was het[232]kalme wederwoord van Johannes, „want je hebt een bewijs van toegenegenheid met een onbetamelijkheid beantwoord; daar valt niets aan te doen, die moet je herstellen.”En Moendoet bij een hand grijpende, bracht hij het mokkende meisje bij den Waal, die het lieve gezichtje toch al met een soort van spijt en verlangen aanschouwde. Johannes gaf haar een kleinen duw, zoodat zij in La Cueille’s geopende armen terecht kwam. Hij kon haar toch niet op den grond laten vallen. De lippen zochten elkander, een hartelijke zoen weerklonk en de vrede was gesloten. De Waal benutte een oogenblik, dat hij meende ongezien te zijn, om zich nogmaals den mond af te vegen.[233]1Ziet over den Beo de noot in Deel I bladz.89.Men beweert, dat de beo sterft, wanneer hij bloed ziet. Van daar die uitdrukking.↑

XXVII.Het verhaal.—Soerapatti’s strooptocht langs de Kahajan.—De ontmoeting bij soengei Troessan.—Nederlaag.—Vernietiging van de Doessonsche heirmacht.—Aankomst te soengei Sirat.—Nachtelijk gevecht—Het schoonmaken der koppen.—Het „parabah.”—Maatregelen voor den marsch.—Aankomst te kotta Hamiak.—Gevecht.—Verstrooiing der Doessonsche strijdmacht.—Menschenjacht.—Een Dajaksche lekkerbeet.

Het verhaal.—Soerapatti’s strooptocht langs de Kahajan.—De ontmoeting bij soengei Troessan.—Nederlaag.—Vernietiging van de Doessonsche heirmacht.—Aankomst te soengei Sirat.—Nachtelijk gevecht—Het schoonmaken der koppen.—Het „parabah.”—Maatregelen voor den marsch.—Aankomst te kotta Hamiak.—Gevecht.—Verstrooiing der Doessonsche strijdmacht.—Menschenjacht.—Een Dajaksche lekkerbeet.

Het verhaal.—Soerapatti’s strooptocht langs de Kahajan.—De ontmoeting bij soengei Troessan.—Nederlaag.—Vernietiging van de Doessonsche heirmacht.—Aankomst te soengei Sirat.—Nachtelijk gevecht—Het schoonmaken der koppen.—Het „parabah.”—Maatregelen voor den marsch.—Aankomst te kotta Hamiak.—Gevecht.—Verstrooiing der Doessonsche strijdmacht.—Menschenjacht.—Een Dajaksche lekkerbeet.

„Sedert geruimen tijd liep het gerucht dat Soerapatti krijgstoerustingen op groote schaal maakte, ten einde de Kapoeas- en Kahajanstreken af te loopen. Dat wil zeggen: Oude vrouwen, grijsaards en zeer jonge kinderen zouden eenvoudig om hals gebracht worden. De vrouwen, die op schoonheid konden bogen, zouden de bijzitten der overwinnaars worden, de andere vrouwen en de mannen, die in staat waren te werken, zouden zich het gruwzaamste slavenjuk moeten getroosten. Vreeselijk waren de verhalen van de Maleische handelaren, die van de boven-Doesson teruggekeerd waren. Het krijgsplan was: van uit het landschap Siang en Moeroeng op te breken naar de boven-Kahajan, dien stroom al moordende en roovende af te zakken; de soengei Troessan door te trekken, de beneden-Kapoeas uit te moorden en langs de kleine Dajakrivier terug te keeren. Moest men de berichten gelooven, dan zouden meer dan 10,000 strijders aan den tocht deelnemen; latere tijdingen brachten dat getal op 4000 terug. Het gemeenschappelijk gevaar vereenigde[209]al de bewoners der bedreigde streken en deed alle veeten, die hen onderling verdeelden, vergeten. Alle twisten werden bijgelegd; de huisgezinnen verlieten de oevers der genoemde rivieren en trokken zich diep in de wildernissen terug. Toen het gevaar nader kwam, togen de gezamenlijke strijders dier streken uit ten getale van ± 6000, om bij de monding der soengei Troessan, op weinige uren afstands van de uitwatering der kleine Dajakrivier in de Javazee, den gemeenschappelijken vijand slag te leveren en, zoo het kon, te vernietigen. De krijgsmacht van Soerapatti was uiterst verwonderd geweest, de negorijën langs de Kahajan leeg te vinden. Het was hun slechts gelukt, hier en daar een armen pandeling te overvallen, die achtergelaten was om have en goed te bewaken. En dat was nog maar schaars gebeurd, daar de meesten dier bewakers den tijd hadden gehad bij de nadering der vijandelijke vaartuigen de bosschen in te vluchten. Zij, die overvallen waren, hadden een rampzaligen martelvollen dood gevonden en hun grijnzende schedels prijkten aan den voorsteven van eenige der vijandelijke vaartuigen. De kotta’s en woningen werden verwoest en tot den grond afgebrand. Zoo kwamen de Doessonners in de beneden-Kahajan aan, waar zij ook de kampongs verlaten vonden. Zij raasden en scholden de bewoners voor oude wijven; evenwel de echo beantwoordde alleen hun uittartingen. Maar zoodra hun rangkans uit de Troessan deboucheerden, schoten de verbondenen met hun vaartuigen toe en thans begrepen de Doessonners, waarom zij de negorijën verlaten gevonden hadden. Nu begon een gevecht, dat drie dagen duurde en met de ontbinding van Soerapatti’s legermacht eindigde. Dit opperhoofd mocht zich gelukkig achten, bij die neerlaag niet tegenwoordig te zijn geweest; ook hij zou het waarschijnlijk met den dood bekocht[210]hebben. Een randjoe-wond, in de boven-Kahajan bekomen, had hem genoodzaakt het opperbevel aan zijn broeder Toengah over te geven, terwijl hij met weinige volgelingen naar de boven-Doesson teruggekeerd was. Niet dan na een hardnekkigen strijd, behaalden de verbondenen eenige voordeelen, door verwarring in de gelederen der vloot bij hun tegenstanders te berokkenen. Deze, eindelijk door een panischen schrik bevangen, wierpen zich in de maagdelijke bosschen, die de kleine Dajakrivier en de soengei Troessan omzoomen; doch hier vreemd, en weg noch steg wetende, werden zij door de bondgenooten als wild opgejaagd en als dolle honden doodgeslagen. Van Soerapatti’s heirmacht zijn geen 200 man in hun negorij teruggekeerd; de overigen vielen door het zwaard of kwamen van ellende om. Dat het leger der Doessonners zoo totaal vernietigd werd, was voornamelijk daaraan te wijten, dat het op een hoogst ongunstige plaats op de vlucht sloeg. Vooreerst waren er in den omtrek op verscheiden marschdagen afstands geen kampongs of bebouwde velden, waar de vluchtelingen hopen konden eenig voedsel te vinden. Daarbij waren na hun vlucht al hun vaartuigen vernield of door hun vijanden genomen, en zaten zij in een zeer moerassig land tusschen twee hoofdrivieren ingesloten; terwijl eindelijk de bewoners dier streek hundoodsvijandenwaren. Vertoonde zich een enkele dier ongelukkigen, door den bittersten nood gedrongen, in de nabijheid van een kampong, dan werd hij als een verscheurend dier afgemaakt. Maanden na den slag werden nog bij het ontdekken van sporen in het woud groote drijfjachten gehouden, waarbij mededoogen onbekend was. Zoo werden nog een dertigtal, die na de grootste ontberingen, na een ongeloofelijken marsch van vele maanden door een woest en vijandig land, zich overdag schuil houdende en ’s nachts behoedzaam[211]noordwaarts trekkende, eindelijk het hoogland hier in de boven-Kapoeas bereikt hadden en zich reeds behouden wanende, den stroom op een klein vlot wilden oversteken, daarbij ontdekt, gevangen genomen en later op de wreedste wijze omgebracht. Onder deze was ook Soerapatti’s broeder.”Gedurende dat verhaal had de tijd niet stil gestaan. Het was evenwel ongeveer vier uur in den namiddag geworden, toen de flotille, waarbij de Samoehingers zich gevoegd hadden, de monding der soengei Sirat bereikte. Nog steeds was niets verdachts ontwaard. Toen evenwel eenige der Poenans aan wal gestapt waren, om den omtrek te verkennen, dewijl men daar den nacht wilde doorbrengen, kwamen die al zeer spoedig terug met het bericht, dat op den noordelijken oever van de soengei, ongeveer 200 passen van den waterkant, een duidelijk spoor in het lange gras te ontwaren was, van een groote menigte menschen, die daar langs getrokken waren. Teneinde dat spoor nauwkeurig waar te nemen, gingen Harimaoung Boekit en Dalim als echte woudverspieders derwaarts. Tot dekking vergezelden hen Johannes, Schlickeisen en een tiental Dajaks, waarvan de helft met geweren gewapend was.De verkenners waren spoedig terug; zij waren tot de overtuiging geraakt, dat het spoor zeer versch en door een vrij talrijke bende veroorzaakt was, dat die bende van het westen naar het oosten getrokken was, te oordeelen naar de afdrukken van de voetstappen, die men op minder dichtbegroeide plekken had kunnen waarnemen. Zeer waarschijnlijk was het een bende stroopers, die den omtrek afliepen om te fourageeren. Men had het spoor gevolgd over een lengte van eenige duizenden meters, alwaar het aan de Kapoeas uitkwam en zich noordwaarts omboog. Vooral aan de boorden der Kapoeas bleek[212]het, dat het gevolgde spoor zeer versch was; de indrukken op den zandigen oever waren zoo scherp begrensd en nog zoo vochtig van het water, door den voet te zamengeperst, dat het voor deze natuurkinderen geen twijfel overliet, of er bevond zich op korten afstand voor hen uit een vrij aanzienlijke bende volks. Harimaoung Boekit meende zelfs een oogenblik menschenstemmen in die richting gehoord te hebben. Wat er ook van aan was, het was zaak zeer op zijn hoede te zijn. Er werd dan ook besloten, de rangkans onder den zuidelijken oever achter een vrij scherpe bocht te bergen, zoodat zij voor afkomende vaartuigen niet eerder zichtbaar werden, dan wanneer die den hoek geheel gerond hadden. Op den hoek zelven werden een viertal Dajaks, met geweren gewapend, in boomkruinen op schildwacht geplaatst, om de soengei stroomopwaarts te bewaken. Zij zouden door schieten alarm maken, wanneer onraad bespeurd werd. In de rangkans zoude de helft der weerbare manschap waakzaam en met de wapens in de hand blijven, om bij ieder voorval gereed te zijn, krachtdadig te kunnen optreden. Aan den wal werden, ter plaatse waar de rangkans lagen, eenige zware boomen geveld, die met het omringende struikgewas, dat ook omgekapt werd, een verhakking vormde, waardoor heen zich geen weg te banen was, zonder de opmerkzaamheid gaande te maken. Dat al die voorzorgen niet overbodig waren, zouden de reizigers al heel spoedig ondervinden.Het kon omstreeks middernacht zijn, toen een der schildwachten, die op den hoek in de boomen zaten, een voorwerp aan zijn voeten in de soengei zag drijven, dat veel van een boomstam had. Het kon ook wel een kaaiman wezen. Daarom floot hij zachtkens, om de wachthebbenden in de vaartuigen op hun hoede te doen zijn; want het zoude niet onmogelijk zijn,[213]dat zoo’n ondier, van de nachtelijke stilte gebruik makende, zijn prooi onverwachts uit een vaartuig greep en daarmede in de diepte verdween, vóór dat de opvarenden eigenlijk begrepen, wat er gaande was. Op dat gefluit evenwel zag de schildwacht dien boomstam of kaaiman zich bewegen en naar den wal zwemmen, in welke beweging hij gevolgd werd door een vijftal dergelijke gedaanten. Dat zwemmen was niet het geruischloos voortschieten van een dier van het krokodillengeslacht; ook dat er zoo veel anderen in de nabijheid waren, die zich richtten waarheen de eerste zwom, was in strijd met de geaardheid dier dieren. Hier was dus wat anders gaande. De schildwacht loste zijn schot; ook zijn makkers, opmerkzaam gemaakt, openden hun vuur. Nauwelijks evenwel hadden die schoten in de nachtelijke stilte weerklonken, of een kannibalisch gebrul verhief zich achter de verhakking; verscheidene gedaanten poogden daardoor heen te breken, dat aan enkelen hunner gelukte. De nacht was gelukkig niet donker, de lucht was zuiver en de sterren fonkelden vriendelijk, terwijl juist dien nacht het zodiakaal licht schemerde, waardoor het aardrijk slechts in een halfduister gehuld was. Van wat er achter de verhakking geschiedde, was evenwel niets te ontwaren; maar wie zich door dat beletsel heenwrong, verscheen als een donkere gestalte op een flauw verlichten grond en stond aan de zeker treffende kogels van de vier Europeanen bloot. De Dajaks, wien geweren in handen gegeven waren, hadden met al de opgewondenheid hun landaard eigen, een oorverdoovend vuur op de verhakking geopend. De Europeanen meer bedaard, gaven hun schot slechts af, wanneer zij zulk een donkere gedaante op den oever zagen toeijlen en misten hun doel dan nooit. Zelfs de twee Zwitsers onthielden zich stipt,[214]aan het vuurgevecht deel te nemen en bewaarden zorgvuldig den inhoud hunner repeteergeweren voor oogenblikken van onmiddellijk groot gevaar. En wel bekwam hun dat gedrag; want op eens drong een aantal aanranders door een opening, die zij in de verhakking hadden weten te maken en stormden onstuimig op den oever toe, om zich met den mandauw in de vuist op de rangkans te werpen. In den grootsten doodsangst gilden de vrouwen en waren radeloos van ontsteltenis; maar daar mengden de beide Zwitsers zich in den strijd, gaven kalm en bedaard vuur, nog eens vuur en nog eens. De aanvallers vielen op die schoten paarsgewijze. Met kreten van woede zetten zij den aanval door. De schoten der Zwitsers klonken regelmatig en velden een ieder, die den oever nabij kwam. Toch drongen een paar Doessonners, als onder dat vuur doorduikende, door, wierpen zich te water en klemden zich aan de rangkans vast, wanhopige pogingen aanwendende, om de vaartuigen, die zij gegrepen hadden, te doen omkantelen. Nu was het de beurt van de Dajaks om toe te slaan; eenige mandauwhouwen kloofden een paar schedels en deden een paar afgekapte vingeren tot in den schoot van de nedergehurkte vrouwen springen. Een paar gillen, een paar kreten, wat doodsgerochel en het pleit was beslist; de aanvallers plompten in het water en werden dood of zwaar gewond, den krokodillen ten prooi, door den stroomdraad medegevoerd.Alles was nu stil aan den oever, zoo stil zelfs, dat men bijna niet gelooven kon, dat daar zoo even nog een kamp op leven en dood gevoerd werd. De Zwitsers haastten zich de kolven hunner Remmingtongeweren van munitie te voorzien en een ieder hield zich gereed voor hetgeen nog komen kon.Daar weerklonken eensklaps opvolgend, vier geweerschoten,[215]door angst- en hulpgeschrei gevolgd. Het waren de vier schildwachten, in de boomen gezeten, die nu aangetast werden. Duidelijk zag men eenige gedaanten zich langs de boomstammen naar boven werken. De schildwachten waren dus in groot gevaar en het waren hun koppen, waarop de aanvallers het nu gemunt hadden. Op dat gezicht begaf Harimaoung Boekit zich met zijn Poenans in alle stilte te water en toen zij den oever bereikt hadden, gaven de Europeanen nogmaals vuur, waardoor de vijanden, die het hoogst geklommen waren, doodelijk getroffen, naar beneden tuimelden en de achter hen volgenden in hun val medesleepten. Van de daardoor ontstane verwarring, maakten de Poenans meesterlijk gebruik, om zich met een luid gehuil onder de ontstelde vijanden te werpen en daar de mandauws hun bloedig werk te laten verrichten. Rauwe kreten van vertwijfeling, van angst, van woede, van teleurstelling deden zich gedurende dat kortstondige gevecht met het blanke wapen hooren. Na een zeer korte wijl verschenen gillend en tierend de Poenans weder en hield ieder hunner minstens een bloedigen menschenkop in de hand; er waren er bij die er twee droegen. Een gejuich, dat uit de borst van alle Dajaks, zoowel mannen als vrouwen opsteeg, ontving de overwinnaars. Maar voor dat men hen nog naar eisch had kunnen verwelkomen, lieten zich andermaal alarmkreten hooren en werd door de schildwachten aangeduid, dat thans het gevaar van de rivierzijde dreigde. En inderdaad vertoonden zich bovenstrooms op de soengei een viertal rangkans, zwaar bemand, die pijlsnel voortschoten met het oogmerk, om de vaartuigen onzer reizigers te enteren. Maar weldra klonk ook hun een goed onderhouden geweervuur tegen, eerst door de Dajaks begonnen, en toen dat niet afdoend bleek, om[216]de aanvallers te doen deinzen, door de Europeanen gevoed, waarbij de repeteergeweren van de Zwitsers andermaal wonderen verrichtten. Met al hun moed vermochten de Doessonners door zoo’n kogelregen niet te dringen. Al spoedig telden zij een groot aantal dooden en gekwetsten en waren zij daardoor tot den terugtocht genoodzaakt. Toen zij hun achterwaartsche beweging begonnen, die tegen den zwaren stroom in niet spoedig ging, verzamelde Johannes de geweerdragende Dajaks en liet hen salvo’s geven. Dat waren nu wel geen salvo’s van geregelde troepen; zij vergrootten evenwel de vrees der vluchtenden en bespoedigden hun aftocht. De drie andere Europeanen kozen meer kalm hun doelwit, schoten bedaard en zonder overijling en veroorzaakten daardoor bij hun bedrevenheid als schutter dood en verderf in de vijandelijke vaartuigen. Het was voornamelijk de achterste rangkan, die van hun kogels het meeste te lijden had. Schot op schot, dat dreunde, kwetste of doodde een roeier. Eindelijk waren er niet meer genoeg, om den stroom te kunnen breken. Een oogenblik bleef de rangkan onder de wanhopige pogingen der overblijvenden op dezelfde plek, zonder voor-of achteruit te kunnen; maar daar werd andermaal een roeier geveld; toen begon het vaartuig te deinzen, eerst langzaam, totdat weer een stervende hand de pagaai liet ontglippen. Toen sprongen de ongedeerd gebleven Doessonners te water, om zich door de vlucht te redden en kwam de rangkan, met al de snelheid afdrijven, die de stroomdraad er aan verleenen kon. Op dat gezicht waren de Poenans niet te weerhouden; in een oogwenk waren zij te water en hadden zij het vaartuig geënterd. In minder tijd dan verteld kan worden, waren al de gekwetsten en dooden, die daarin lagen, onthoofd. De lijken werden in het water geworpen en de[217]rangkan al zwemmende naar den wal gestuurd, van waar hij langs het struikgewas voortgetrokken, als buit bij de flotille gebracht werd.Achtentwintig koppen waren buit gemaakt. Het grootste gedeelte der mannen van het reisgezelschap was weldra bezig die koppen van hun vleeschdeelen te ontdoen. Een vreeselijk schouwspel was het voor onze Europeanen, die bezigheid in hun onmiddellijke nabijheid te zien gebeuren. Een oogenblik waren zij als betooverd door dat schouwspel en konden zij er den blik niet van afwenden; zij zagen die koppen van hun haarhuid ontdoen, zij zagen de wangen, neuzen, lippen en ooren afsnijden en daarvan menig stuk in gretige monden verdwijnen; zij zagen de puntige poeai’s in hoeken en gaten tusschen de beenderen woelen, de oogen uit hun kassen halen en eindelijk in de schedelholten wroeten om de hersenen uit te halen. Maar toen zij zagen, dat die weeke zachte bloederige massa met gulzigheid verzwolgen werd, toen, hoewel dat gezicht hun niet vreemd meer was, voelden zij zich een onmacht nabij en moesten zij het gelaat afwenden, om zich aan dat schrikkelijk schouwspel te onttrekken. Helaas! zij mochten hun walging niet uiten, zoo als zij die ondervonden; nu reeds werd in hun nabijheid gemompeld en konden zij woorden opvangen aan hun adres, die te verstaan gaven, dat zij „helden met beo’s1harten waren.”De nacht ging verder ongestoord voorbij. Toen de dag aanbrak, stapte de helft der Dajaks en al de Poenans aan wal, onthoofdden de vijanden, gesneuveld of gewond[218]bij de verhakking en wierpen de lijken in de rivier. Het aantal buit gemaakte schedels klom nu tot negen en dertig. Bij een verkenning, op beide oevers der soengei ondernomen, kwam men tot de gevolgtrekking, dat de bende, waarvan men daags te voren de sporen ontdekt had, op haar beurt het reisgezelschap bespeurd en bespied en eindelijk een gekombineerden aanval te land en te water beraamd had, die, wanneer hij gelijktijdig ondernomen ware, het grootste gevaar had kunnen opleveren.Het was nu zaak om goed uit te kijken. Men was in aanraking geweest met den vijand en hoewel geen verliezen geleden waren, leerde de opgedane ondervinding, dat de vijand, waarmee men te doen had, stoutmoedig en ondernemend was. Johannes bepaalde nu, dat de rangkan, waarin hij met zijn makkers gezeten was, de spits zoude uitmaken; dat zij geen deel meer zouden nemen aan het roeien, maar dat zij met Amai Kotong en Dalim scherp zouden uitzien, om met hun wisse schoten onmiddellijk waar het noodig was krachtdadig te kunnen optreden. Harimaoung Boekit met zijn Poenans zou de achterwacht vormen, terwijl bij hem nog eenige geweerdragenden werden ingedeeld, om desnoods alarm- of seinschoten te kunnen doen.Dat men niet te veel voorzorgsmaatregelen kon treffen, zoude ras ondervonden worden.Het kon ongeveer 9 uur in den morgen zijn; men had ijverig doorgeroeid en tot nu toe niets van vijanden op de oevers bespeurd, toen Dalim eensklaps een lichten kreet uitstiet en den Europeanen een man wees, die bijna geheel gedekt door een’ boomstam, met zijn mandauw bezig was een paar rottantouwen door te hakken.„Parabah!” riep Dalim met ontzetting.[219]„Pambeseai goeloengoeloeng!” (hard roeien) beval Amai Kotong, terwijl hij de achteraankomende rangkans waarschuwde.De man aan den wal had reeds een touw doorgekapt; hij keek aandachtig naar de rangkans en toen hij die genoegzaam genaderd zag, verhief hij den arm, om den tweeden rottan door te slaan. Maar daarbij moest hij zich bloot geven; de borst werd een ondeelbare poos zichtbaar en dat was voor de beide Zwitsers meer dan voldoende, om hun nimmer falende kogels af te zenden. Bijna op dezelfde plek door de beide projectielen getroffen, volvoerde de Doessonner een luchtsprong, terwijl hij zijn wanhopig gezicht ten hemel verhief, en dood nederstortte. Een makker sprong van achter een boom te voorschijn om het voorgenomen werk te verrichten; maar voor dat die twee schreden gedaan had, weerklonken andermaal twee geweerschoten en viel ook deze, in voorhoofd en in borst getroffen, dood neder. Een derde onderging het zelfde lot. Een vierde bewoog zich, als een slang schuifelende, langs den grond; die was niet door de scherpschutters te ontwaren. Daar bereikte hij het touw, dat met een dubbelen slag om een boomstam gewonden was ongeveer op vijf voeten boven den grond. Om dat te bereiken, moest hij zich op de knieën oprichten. Dat deed hij en greep daarbij het touw met de linkerhand, die toen alleen voor de schutters zichtbaar werd. In die houding verhief hij de rechterhand, om den houw op den sterk gespannen rottan toe te brengen, toen andermaal twee schoten weerklonken, die hem de linkervuist verbrijzelden, maar tevens het noodlottig gevolg hadden het touw door te snijden.„Goeloengoeloeng! pambeseai goeloengoeloeng!!” gilden Amai Kotong en Dalim.De rangkans schoten vooruit, terwijl zij het schuim[220]onder hun stevens deden opstuiven. Voor een oogenblik zag men de kruin van een der woudreuzen, eenontzaglijkenboom, die zich op den oever der soengei verhief, als beschonken heen en weer waggelen; de rechte stam boog, hernam den rechten stand weer, neigde andermaal, om zich weer terug te buigen en viel toen, eerst langzaam en weifelend, vervolgens allengs versnellend, krakend en met donderend geweld ter neder en overdekte met zijn takken en loof de rivier, die onder dien val wild en woest opspatte en zich als een fijne stofregen van schuim in de lucht verdeelde en de plek als in een nevel hulde. Gelukkig waren de rangkans, toen de boom viel, de gevaarvolle plaats voorbij; alleen de laatste vaartuigen dreigden om te slaan en te zinken door het woeste geweld van het opgezweepte water. Een paar seconden vertraging in de vaart der rangkans of vervroeging in den val des booms, dan ware de flotille vernietigd geweest en niemand der opvarenden ware ontkomen.Van de vaartuigen had men het kunststuk van schuttersbedrevenheid der Zwitsers kunnen zien. Met benepen harten, had men het verloop, dat in weinige seconden plaats moest hebben, gadegeslagen. Men moest daar ter plaatse voorbij, en wel zoo spoedig mogelijk, dat begreep iedereen. Ware toch de boom vóór in stede van achter de vaartuigen nedergestort, dan zou men een groot oponthoud gehad hebben; want aan een opruiming van dien woudreus, die daar nu in de soengei lag en haar volkomen afsloot, zou niet te denken geweest zijn. Men zou niets anders hebben kunnen doen, dan de rangkans te ontladen en haar dan zoo over den slagboom heenwerken. Dat ware een arbeid geweest van minstens twee dagen, ongerekend nog de ongevallen, die uit de nabijheid des vijands konden geboren worden.[221]Dankbaarheid was dan ook in ieders oog te lezen voor die mannen, die zoo ter rechter tijd geholpen hadden. En het was met een soort van ontzag, dat evenwel gevoelens van genegenheid niet uitsloot, dat men voortaan opkeek naar hen, die met hun kogels zoo juist wisten te treffen.„Mille noms de noms!” brulde La Cueille, „daar zijn we mooi door heen gekomen!”„Dat mag je wel zeggen,” lachte Johannes vergenoegd. „Maar opgepast; jullie ziet nu waartoe die duivels in staat zijn. Dat is een van de gewone krijgslisten der Dajaks. Op de boorden der rivier, waarlangs zij de nadering van vijanden verwachten, worden groote boomen, de grootste en zwaarste bij voorkeur, zoodanig onder aan den voet ingekeept, dat, wanneer de rottantouwen, die de kruinen steunen, doorgekapt worden, de woudreuzen in het vaarwater storten moeten. Een zestal mannen houden bij zoo’n boom de wacht. In den regel blijven zij verscholen en van het geheele toestel is gewoonlijk niets te ontwaren. Eenmaal de touwen doorgekapt, maken zich de wachthebbenden uit de voeten, om op een afstand de gevolgen gade te slaan.”„Ik hoorde Dalim „parabah” schreeuwen bij het begin van die pret. Begreept ge dat woord?” vroeg Schlickeisen.„Dat is de benaming van de krijgslist van het boomen laten vallen.”„Het is mooi uitgedacht, dat moet erkend worden,” sprak La Cueille. „Als je zoo’n boom op je bol of op je lendenen krijgt, dan ben je zoo plat als een velletje postpapier. We zullen bliksems goed onze oogen den kost moeten geven.”„Ja, wel zeker, dat zullen we moeten,” antwoordde Johannes. „Maar ik heb besloten, om voortaan op iederen[222]oever der rivier een twaalftal mannen te laten marcheeren, die de vaartuigen een vijftig passen vooruit blijven en, hoewel met elkaar in verband blijvende, het geboomte doorzoeken moeten, om zoodoende dergelijke vallen onschadelijk te maken.”„Maar, hoe wil je die vallen onschadelijk maken?”„Wel, wanneer menschen ontdekt worden, verjaagt men die of schiet ze dood. Men zoekt dan de ingekeepte boomen op, die met hun verwondingen niet moeielijk te ontwaren zijn aan de landzijde. Men houdt dan de wacht bij den val tot al de rangkans voorbijgetrokken zijn, waarna de rottantouwen doorgehakt worden en de boom omvalt. Dat zal het voordeel hebben onze rugzijde te dekken zoowel tegen de Doessonners, die langs de soengei versterking uit hun negorij kunnen krijgen, als tegen een vervolging van den kant der Hollanders, wanneer die ons op ’t spoor mochten zijn. Tegen dien maatregel is geen ernstige bedenking te maken. In den regel zijn het slechts weinige mannen, die zoo’n parabah bewaken, en die zullen wel spoedig met geweervuur te verdrijven zijn.”Met spoed, maar toch zoo behoedzaam mogelijk, werd verder getrokken. Een tweetal boomen, die op het vallen stonden, werden nog ontdekt. Maar, zooals Johannes voorzien had, waren een paar schoten voldoende, om de bewakers te verjagen, en al ras was een driedubbele verhakking in de soengei daargesteld, die den toegang van de benedenlanden afsloot.Zoo werd voortgerukt. Het was twee uur in den namiddag ongeveer, toen men kotta Hamiak in het gezicht kreeg; maar wat daar ontwaard werd, was alles behalve opbeurend. Men was daar verwoed aan het vechten. Boven de toppen der palissadeering, die hier, evenals elders in de Dajaklanden, van afstand tot afstand met gebleekte[223]schedels prijkte, zag men de verdedigers der kotta in uitdagende houding verschijnen en alles, wat hen onder handen kwam, werpen naar het hoofd der aanvallers, die op een paar punten de ompaling trachtten te beklimmen. Op een kleinen afstand zag men twee kanonstukjes, achter een kunstmatig heuveltje van rijshout, die van tijd tot tijd hun kogels op de kotta afzonden. Veel uitwerking van dat vuren was niet te ontwaren, hoewel de aankomenden het volle gezicht op het geteisterde gedeelte hadden; de zware ijzerhouten boomstammen, die de borstwering der kotta uitmaakten, schenen met de kogeltjes te spotten. Het bleek dan ook al ras, dat dat kanonvuur niet zoo zeer tot doel had bres te schieten, dan wel om de bezetting vrees aan te jagen en van dat gedeelte der borstwering te verdrijven. Inderdaad op het midden dier face hadden de Doessonners een hoop droge takkebossen te zaam gebracht, die tegen de palissadeering opgestapeld en toen in brand gestoken. Het scheen dat dit vuur al eenigen tijd gebrand had, hoewel van een beschadiging van de omheining, die gevaarlijk kon worden voor de belegerden, niet veel te bespeuren was.Onze reizigers waren tot nu toe onder de taluds van de diep ingesneden soengei ongemerkt gebleven en bespiedden den vijand van achter dichte struiken, die langs den oever groeiden. Nadat Johannes den toestand een oogenblik gadegeslagen had, wenkte hij Harimaoung Boekit tot zich, wees hem in de verte een boschje van dicht struikgewas, dat de positie van het gros der aanvallers vrij dicht in den rug naderde en fluisterde hem iets in het oor. Grinnekend verzamelde het Poenanhoofd zijn makkers, stapte met hen aan wal en verdween achter het loof, dat de boorden der soengei voor het oog verborg. Toen Johannes hen niet meer zag, verzamelde hij zijn[224]lotgenooten, voegde daaraan nog een dertig geweerdragende Dajaks, waaronder ook Dalim, toe, drukte de achterblijvenden onder aanvoering van Amai Kotong goed op het hart de vrouwen en kinderen te bewaken en te beschermen, en trok daarop recht op den hoofdgroep der Doessonners los. Tot nu toe waren de bewegingen onzer reizigers voor dezen verborgen gebleven. Hun strijd met de Siratters had hun geheele opmerkzaamheid tot zich getrokken; ook een zekere zorgeloosheid den inlanders zoo eigen, had hen doen nalaten een waakzaam oog op de soengei te houden. Toen Johannes nu plotseling met zijn troepje uit het struikgewas te voorschijn trad, was de verbazing groot. Zij duurde evenwel kort, want aangemoedigd door het geringe aantal van de naderenden, stoof hun het grootste gedeelte der Doessonsche strijders met een luidlēēēēlēlēlēlē ouiiit! en de mandauws zwaaiende te gemoet. Zij dachten met hun verpletterende overmacht een gemakkelijke overwinning te behalen op dat troepje hetwelk nog geen vijfendertig man sterk bleek te zijn. Het uitzicht, om zonder veel inspanning die schedels te kunnen buit maken, lachte de helden uitermate toe. Met iedere seconde verminderde de afstand tusschen beide partijen. Johannes wist een voorbeeldelooze tucht onder de zijnen te bewaren. Geen stem verhief zich, geen geluid werd van hun zijde vernomen; het scheelde waarachtig weinig of dat troepje marcheerde in den pas als een sectie afgedrilde rekruten en trok rustig en kalm vooruit. De Doessonners daarentegen naderden gillend en tierend, hortend en stootend, met sprongen of in den looppas. Daar stond eensklaps het troepje van Johannes stil en scheen als aan den grond genageld. Lēēēēh lēlēlēlēlē ouiiiit! brulden de Doessonners en stormden vooruit, in de meening dat hun tegenstanders de schrik om het hart sloeg. De geweren vielen nu evenwel[225]in den aanslag en een flink uitgevoerd salvo temperde den aanloop aanmerkelijk. Vier der aanvallers lagen op den grond te kermen. Voordat de Doessonsche helden van hun verbazing bekomen waren, hadden de Kapoeassers weer geladen en zonden andermaal hun lood in den dichten drom. Ditmaal vielen zeven vijanden. De Europeanen hadden zich tot nu toe van de deelneming aan het gevecht onthouden en spaarden hun vuur, om de eindbeslissing op het wichtige oogenblik te bevorderen. Nu zich evenwel een soort van razernij van den aanvallenden troep scheen meester gemaakt te hebben en de vijanden steeds voorwaarts stoven, openden ook zij hun vuur en verspilden hun munitiën niet. Ieder schot was raak en het aantal gevallen Doessonners werd al grooter en grooter. Vooral de repeteergeweren in de handen der Zwitsers verrichtten andermaal wonderen. Bij de totale windstilte, die heerschte, was het kleine troepje als in een rookcirkel gehuld, van waaruit bliksemstralen knetterden, die het als met een muur van lood omgaven. Toch rukten de aanvallers, niettegenstaande hun verliezen, al nader en nader. De lansen begonnen zich reeds met de bajonetten te kruisen; reeds hadden Johannes en La Cueille, die geen tijd meer hadden om hun trompladers te herladen, de revolverpistolen ter hand genomen. Vloeken en verwenschingen, angstgillen en zegekreten weerklonken allerwege. De Europeanen schoten hun laatste patronen, die in de geweerloopen zaten af, staken woedend de bajonetten in de naakte borstkassen, of grepen de geweren bij den loop, om de kolf als een knods te hanteeren en schedels te verbrijzelen of schouders te ontwrichten. De toestand werd allerhachelijkst. Reeds waren eenige Dajaks onder de slagen der aanvallers gevallen; Schlickeisen had een flinken houw over den linkerarm gekregen, die hem buiten gevecht stelde. Gelukkig[226]dat La Cueille den tweeden houw met zijn geweer pareerde, den Doessonner de bajonet in den buik stak en nog tijd had zijn revolver uit den gordel te rukken, om een tweeden, die toeschoot, à bout portant te vellen.Maar daar kwam eensklaps verademing. Harimaoung Boekit verscheen met zijn Poenans in den rug der Doessonners, en wierp zich onverschrokken met den mandauw in de vuist in hun gelederen. Ontzettend was de kamp, die zich nu ontspon. De Doessonners dachten er niet aan zich gewonnen te geven, maar stelden zich wanhopig te weer. Johannes evenwel, van het oogenblik van verademing gebruik makende, verzamelde zijn troepje, deed snel herladen en liet nu salvo op salvo geven. Van een andere zijde deden de verdedigers van kotta Hamiak, na hun brandende palissadeering gebluscht te hebben, een uitval, tastten de legerplaats der Doessonners aan, staken die in brand en vermeesterden de twee kanonstukjes, die hen zoo beangstigd hadden. Toen de vlammen achter hen hoog opdwarrelden, toen de wanhoopskreten van allerwege weerklonken, toen dat geweervuur hen teisterde en bleef teisteren, toen begon de moed der Doessonners te zinken. Nog een salvo, dat Johannes in hun gelederen zond, en waarbij een lange slungel viel, die als hoofd de anderen aanmoedigde, bracht de verwarring ten top en nu was er geen houden meer aan; de geheele bende sloeg op de vlucht. In minder tijd dan noodig is, om het te vertellen, was de geduchte schaar, die kottaHamiakbelegerd had, uit elkander gespat en hadden de strijders een toevlucht in de bosschen gezocht. Maar, daarmede was het gevecht niet ten einde. Een bende van de verdedigers der kotta stormde ook de bosschen in, om den vijand nog zooveel mogelijk schade toe te brengen, maar vooral om gevangenen te maken.[227]Toen de laatste Doessonners uit het gezicht verdwenen waren, vereenigden zich de strijders van ons reisgezelschap met de bewoners der kotta, terwijl ook de rangkans naderbij kwamen en vrouwen en kinderen aan wal stapten. Een ontzettend tooneel begon al ras. Zoowel de mannen der kotta, als de Dajaks der rangkans en de Poenans van Harimaoung Boekit hielden zich onledig met de gevallen vijanden dood of gewond te onthoofden. Een paar licht gekwetsten werden gespaard; hun zou een vreeselijker lot beschoren zijn. Toen de koppen verzameld waren, herhaalde zich het afzichtelijk tooneel van den vorigen nacht, maar nu op veel grooter schaal. Helaas! de wetten der menschelijkheid werden door die onwetenden en verwaarloosden wel verkracht.Bij de opruiming der vijandelijke lijken, die eenvoudig in de soengei gesmeten werden, ontdekte men dat vijf Poenans en zes Dajaks van het reisgezelschap gesneuveld waren, terwijl ook de lijken van een drietal Sieratters gevonden werden. Maar wat de meeste droefheid veroorzaakte en al de bewoners der kotta in weeklachten deed uitbarsten, was dat ook Amai Mawong, hoofd van kotta Hamiak bij den uitval, dien hij aangevoerd had, omgekomen was. Hij was steeds een persoonlijke vijand van Tomonggong Soerapatti geweest, die jaren geleden hem een dochter ontstolen had en wien hij op zijn beurt een paar zijner meest geliefde vrouwen ontkaapt had. Krijgs- en sneltochten, invallen over en weer in elkanders gebied, waren daarvan het gevolg geweest en de nu plaats gehad hebbende aanranding van Soerapatti had geen ander uitgangspunt dan zijn haat tegen Amai Mawong, waarbij zich de zucht gepaard had om zich op de Kapoeassche en Kahajansche bevolking voor vroegere nederlagen te wreken.Het lijk van het geliefde hoofd werd met veel misbaar[228]binnen de kotta gedragen en daar ten toon gesteld tot dat de begrafenis zoude plaats hebben. De Poenans en de Dajaks van kotta Djankang maakten alle toebereidselen, om de lijken hunner makkers den volgenden morgen te verbranden. Dat is een gewoonte bij sommige stammen, wanneer geen tijd genoegzaam voorhanden is, om de begrafenisplechtigheden te kunnen volvoeren. Men sprak de hoop uit, dat de uitgetrokkenHamiakkerseen flink aantal gevangenen zouden maken. Men sloot de gevangen genomen Doessonners in karandahs op en men haalde bij voorbaat nog meerdere kooien te voorschijn, om de verwachte slachtoffers te bergen. De nacht was reeds ingevallen, toen de menschenjagers te huis kwamen. Het was hun gelukt een troep Doessonners te overvallen, die, uitgeput van de vermoeienissen, dien dag ondervonden, neergevallen waren, toen zij zich in veiligheid waanden en in diepen slaap gedompeld lagen. Voor zij zich te weer stellen konden, waren hun handen en voeten gebonden; zij, die zich te woest aanstelden, ontvingen een zwaren slag op den schedel, die hen bewusteloos deed neerzinken. Mededoogen werd niet gekend. Zoo werden acht menschelijke wezens aangebracht, die onmiddellijk in de boeien in zekerheid gebracht werden. De volgende zon zoude hun vreeselijk uiteinde te aanschouwen geven.Wienersdorf verbond den arm van zijn gekwetsten makker op het liefderijkst. De wond was wel groot en had nog al bloedverlies veroorzaakt, maar de houw was meer in een schuine richting aangebracht en was niet diep doorgedrongen, zoodat weinig gevaar bestond. Een papje van de fijngewreven bladeren van den boentoek kakoembang werd op de wond gelegd, om de ontsteking te weren. Johannes regelde nu den zekerheidsdienst voor den nacht, die trouwens zoo heel zwaar niet behoefde te[229]zijn, daar een terugkeer van den vluchtenden vijand wel niet verwacht kon worden, waarna allen zich te rusten legden. Alleen Wienersdorf en La Cueille gingen hun dulcinea’s nog eens opzoeken, om heel galant te vernemen, of de ontsteltenis, dien dag ondervonden, eenigszins bedaard was. Och, zulke tooneelen waren haar niet vreemd; de deernen waren vrij opgeruimd en verheugden zich van ganscher harte, dat die gevaren al weer achter den rug waren. Al spoedig zaten de gelieven bij elkander in een druk gesprek gewikkeld en uitten de beide Europeanen, volgens de inspraken van hun hart en de mate hunner ontwikkeling, ruw en ongekunsteld of gevoelvol en beschaafd, maar beiden onverholen, de hoop om toch spoedig zoo’n land van verschrikkingen te kunnen verlaten.De beide verliefde paren zaten met nog eenige jonge dames in het vertrek, alwaar de meisjes gastvrijheid gevonden hadden. Hamadoe en Wienersdorf zaten innig met elkander te keuvelen en weldra was hun omgeving, ja het geheele heelal voor hun liefdevolle blikken, die elkaar slechts zochten, verdwenen. Het gesprek tusschen Moendoet en La Cueille vlotte zoo niet. Hij had dien dag vele inspanningen doorgestaan, misschien had hij ook wel hier of daar een teugje toeak weten machtig te worden. Hoe het ook zij, hij voelde zich wezenlijk vermoeid en uitgeput. Na een poos met zijn schoone gepraat te hebben, werd hij al loomer en loomer, hij strekte de ledematen gemakkelijk uit op het matje, waarop hij, naast het meisje gehurkt, gezeten had, liet het hoofd op haar schoot rusten en geraakte in dien verdoofden toestand, niet zelden in de keerkringslanden, die geen slapen en geen waken is, waarin het lichaam rust, maar waarbij de geest nog ten halve werkzaam blijft. Liefdevol zat het meisje hem aan te staren, haar[230]blik bleef op hem geboeid. Zij hield zich stil, om zijn rust niet te storen. Bij een beweging, die de slaapdronkene maakte, en waarbij hij met de hand door de haren woelde, streek zij hem de lokken uit het aangezicht en bracht die met zachte hand op hun plaats. Zij begon er een soort van genoegen in te vinden, de vingers door die zijdeachtige haren te laten gaan, zoo verschillend met de harde haren van haar zelve en van haar stamgenooten. Zacht streelde zij dat hoofd; maar plotseling begonnen haar vingers meer bedrijvigheid te toonen. Zij boog voorover en fluisterde tot een harer vriendinnen:„Panggoeti.”Dat woord laat zich zoo gemakkelijk niet vertalen.„Pang”is een voorzetsel dat „veel” beteekent en „goeti”; wel.… dat is de „pediculus capitis” der latijnen.De vriendin schoof naderbij en beide meisjes waren weldra bezig een vreemdsoortige jacht op het hoofd van den Waal te houden. De vingers woelden tusschen de lokken en vervolgden het wild op de haarhuid. Iedere pediculus, die zich liet verrassen, lokte een waas van vergenoegen op het gelaat der schoonen. Het diertje werd op de hand gezet, bewonderd, weer tusschen den duim en voorsten vinger gegrepen en tusschen de lippen van de vriendin gebracht, die het insect tusschen de tanden deed knappen en zich zoo het verhemelte streelde. Die vriendschapsbewijzen geschiedden over en weer en gingen met de gebruikelijke kwinkslagen gepaard. Eindelijk door dat gewiemel op zijn hoofd uit zijn verdooving geraakt, opende de Waal de oogen en zag zich niet onaardig geëncadreerd door de beide lieftallige wezens. Hij glimlachte en trok Moendoet naar zich toe, om haar een kus te ontrooven; maar op dat oogenblik scheen de jacht juist buitengewoon voorspoedig te zijn.[231]Beide meisjes haalden de hand bedachtzaam uit zijn hoofdhaar terug en brachten die te gelijkertijd aan zijn mond. De Waal, onbekend met wat er omging, opende lachend de lippen en ontving de levende lekkernij op de tong. Toen hij haar gekrieuwel gevoelde, keek hij de meisjes een poos aan, die zijn blik met een argloozen oogopslag beantwoordden. Lang niet gerustgesteld, spoog hij op zijn hand, bekeek wat hij in den mond had gehad en barstte in een wilden vloek uit:„Des poux! des poux! sacré saloppes! des poux dans ma bouche!”En meteen gaf hij ieder der meisjes een oorvijg, die klonk als een klok. De deernen begonnen zoo te gillen en te schreeuwen, dat een gedeelte der bewoners van de kotta, in hun nachtrust gestoord, kwam kijken wat er toch gaande was. Er ontstond toen een leven als een oordeel. De meisjes beweerden huilende en snikkende, dat zij den vrijer een beleefdheid hadden bewezen, door hem een lekkernij aan te bieden; de Waal vloekte en raasde, omdat men hem, volgens zijn beweren, onreine dingen in den mond gestopt had. De twist liep al hooger en hooger, tot dat Johannes en Dalim aankwamen en zich lieten inlichten. Nu was de zaak spoedig opgehelderd. Moendoet werd aan het verstand gebracht, dat haar vrijer nog te nieuwbakken Dajak was en dat hij nog maar niet kon vergeten, dat hij Arabier was, en uit een land kwam, waar zulke gerechten niet op prijs worden gesteld. De Waal vernam, dat de versnapering, die hem aangeboden was, een wezenlijke attentie geweest was, die hij met een lompheid beantwoord had.„Ik laat me villen,” mompelde hij, terwijl hij zich nogmaals den mond afveegde, „als ik haar nog een zoen geef.”„En toch zult ge daartoe moeten overgaan,” was het[232]kalme wederwoord van Johannes, „want je hebt een bewijs van toegenegenheid met een onbetamelijkheid beantwoord; daar valt niets aan te doen, die moet je herstellen.”En Moendoet bij een hand grijpende, bracht hij het mokkende meisje bij den Waal, die het lieve gezichtje toch al met een soort van spijt en verlangen aanschouwde. Johannes gaf haar een kleinen duw, zoodat zij in La Cueille’s geopende armen terecht kwam. Hij kon haar toch niet op den grond laten vallen. De lippen zochten elkander, een hartelijke zoen weerklonk en de vrede was gesloten. De Waal benutte een oogenblik, dat hij meende ongezien te zijn, om zich nogmaals den mond af te vegen.[233]

„Sedert geruimen tijd liep het gerucht dat Soerapatti krijgstoerustingen op groote schaal maakte, ten einde de Kapoeas- en Kahajanstreken af te loopen. Dat wil zeggen: Oude vrouwen, grijsaards en zeer jonge kinderen zouden eenvoudig om hals gebracht worden. De vrouwen, die op schoonheid konden bogen, zouden de bijzitten der overwinnaars worden, de andere vrouwen en de mannen, die in staat waren te werken, zouden zich het gruwzaamste slavenjuk moeten getroosten. Vreeselijk waren de verhalen van de Maleische handelaren, die van de boven-Doesson teruggekeerd waren. Het krijgsplan was: van uit het landschap Siang en Moeroeng op te breken naar de boven-Kahajan, dien stroom al moordende en roovende af te zakken; de soengei Troessan door te trekken, de beneden-Kapoeas uit te moorden en langs de kleine Dajakrivier terug te keeren. Moest men de berichten gelooven, dan zouden meer dan 10,000 strijders aan den tocht deelnemen; latere tijdingen brachten dat getal op 4000 terug. Het gemeenschappelijk gevaar vereenigde[209]al de bewoners der bedreigde streken en deed alle veeten, die hen onderling verdeelden, vergeten. Alle twisten werden bijgelegd; de huisgezinnen verlieten de oevers der genoemde rivieren en trokken zich diep in de wildernissen terug. Toen het gevaar nader kwam, togen de gezamenlijke strijders dier streken uit ten getale van ± 6000, om bij de monding der soengei Troessan, op weinige uren afstands van de uitwatering der kleine Dajakrivier in de Javazee, den gemeenschappelijken vijand slag te leveren en, zoo het kon, te vernietigen. De krijgsmacht van Soerapatti was uiterst verwonderd geweest, de negorijën langs de Kahajan leeg te vinden. Het was hun slechts gelukt, hier en daar een armen pandeling te overvallen, die achtergelaten was om have en goed te bewaken. En dat was nog maar schaars gebeurd, daar de meesten dier bewakers den tijd hadden gehad bij de nadering der vijandelijke vaartuigen de bosschen in te vluchten. Zij, die overvallen waren, hadden een rampzaligen martelvollen dood gevonden en hun grijnzende schedels prijkten aan den voorsteven van eenige der vijandelijke vaartuigen. De kotta’s en woningen werden verwoest en tot den grond afgebrand. Zoo kwamen de Doessonners in de beneden-Kahajan aan, waar zij ook de kampongs verlaten vonden. Zij raasden en scholden de bewoners voor oude wijven; evenwel de echo beantwoordde alleen hun uittartingen. Maar zoodra hun rangkans uit de Troessan deboucheerden, schoten de verbondenen met hun vaartuigen toe en thans begrepen de Doessonners, waarom zij de negorijën verlaten gevonden hadden. Nu begon een gevecht, dat drie dagen duurde en met de ontbinding van Soerapatti’s legermacht eindigde. Dit opperhoofd mocht zich gelukkig achten, bij die neerlaag niet tegenwoordig te zijn geweest; ook hij zou het waarschijnlijk met den dood bekocht[210]hebben. Een randjoe-wond, in de boven-Kahajan bekomen, had hem genoodzaakt het opperbevel aan zijn broeder Toengah over te geven, terwijl hij met weinige volgelingen naar de boven-Doesson teruggekeerd was. Niet dan na een hardnekkigen strijd, behaalden de verbondenen eenige voordeelen, door verwarring in de gelederen der vloot bij hun tegenstanders te berokkenen. Deze, eindelijk door een panischen schrik bevangen, wierpen zich in de maagdelijke bosschen, die de kleine Dajakrivier en de soengei Troessan omzoomen; doch hier vreemd, en weg noch steg wetende, werden zij door de bondgenooten als wild opgejaagd en als dolle honden doodgeslagen. Van Soerapatti’s heirmacht zijn geen 200 man in hun negorij teruggekeerd; de overigen vielen door het zwaard of kwamen van ellende om. Dat het leger der Doessonners zoo totaal vernietigd werd, was voornamelijk daaraan te wijten, dat het op een hoogst ongunstige plaats op de vlucht sloeg. Vooreerst waren er in den omtrek op verscheiden marschdagen afstands geen kampongs of bebouwde velden, waar de vluchtelingen hopen konden eenig voedsel te vinden. Daarbij waren na hun vlucht al hun vaartuigen vernield of door hun vijanden genomen, en zaten zij in een zeer moerassig land tusschen twee hoofdrivieren ingesloten; terwijl eindelijk de bewoners dier streek hundoodsvijandenwaren. Vertoonde zich een enkele dier ongelukkigen, door den bittersten nood gedrongen, in de nabijheid van een kampong, dan werd hij als een verscheurend dier afgemaakt. Maanden na den slag werden nog bij het ontdekken van sporen in het woud groote drijfjachten gehouden, waarbij mededoogen onbekend was. Zoo werden nog een dertigtal, die na de grootste ontberingen, na een ongeloofelijken marsch van vele maanden door een woest en vijandig land, zich overdag schuil houdende en ’s nachts behoedzaam[211]noordwaarts trekkende, eindelijk het hoogland hier in de boven-Kapoeas bereikt hadden en zich reeds behouden wanende, den stroom op een klein vlot wilden oversteken, daarbij ontdekt, gevangen genomen en later op de wreedste wijze omgebracht. Onder deze was ook Soerapatti’s broeder.”

Gedurende dat verhaal had de tijd niet stil gestaan. Het was evenwel ongeveer vier uur in den namiddag geworden, toen de flotille, waarbij de Samoehingers zich gevoegd hadden, de monding der soengei Sirat bereikte. Nog steeds was niets verdachts ontwaard. Toen evenwel eenige der Poenans aan wal gestapt waren, om den omtrek te verkennen, dewijl men daar den nacht wilde doorbrengen, kwamen die al zeer spoedig terug met het bericht, dat op den noordelijken oever van de soengei, ongeveer 200 passen van den waterkant, een duidelijk spoor in het lange gras te ontwaren was, van een groote menigte menschen, die daar langs getrokken waren. Teneinde dat spoor nauwkeurig waar te nemen, gingen Harimaoung Boekit en Dalim als echte woudverspieders derwaarts. Tot dekking vergezelden hen Johannes, Schlickeisen en een tiental Dajaks, waarvan de helft met geweren gewapend was.

De verkenners waren spoedig terug; zij waren tot de overtuiging geraakt, dat het spoor zeer versch en door een vrij talrijke bende veroorzaakt was, dat die bende van het westen naar het oosten getrokken was, te oordeelen naar de afdrukken van de voetstappen, die men op minder dichtbegroeide plekken had kunnen waarnemen. Zeer waarschijnlijk was het een bende stroopers, die den omtrek afliepen om te fourageeren. Men had het spoor gevolgd over een lengte van eenige duizenden meters, alwaar het aan de Kapoeas uitkwam en zich noordwaarts omboog. Vooral aan de boorden der Kapoeas bleek[212]het, dat het gevolgde spoor zeer versch was; de indrukken op den zandigen oever waren zoo scherp begrensd en nog zoo vochtig van het water, door den voet te zamengeperst, dat het voor deze natuurkinderen geen twijfel overliet, of er bevond zich op korten afstand voor hen uit een vrij aanzienlijke bende volks. Harimaoung Boekit meende zelfs een oogenblik menschenstemmen in die richting gehoord te hebben. Wat er ook van aan was, het was zaak zeer op zijn hoede te zijn. Er werd dan ook besloten, de rangkans onder den zuidelijken oever achter een vrij scherpe bocht te bergen, zoodat zij voor afkomende vaartuigen niet eerder zichtbaar werden, dan wanneer die den hoek geheel gerond hadden. Op den hoek zelven werden een viertal Dajaks, met geweren gewapend, in boomkruinen op schildwacht geplaatst, om de soengei stroomopwaarts te bewaken. Zij zouden door schieten alarm maken, wanneer onraad bespeurd werd. In de rangkans zoude de helft der weerbare manschap waakzaam en met de wapens in de hand blijven, om bij ieder voorval gereed te zijn, krachtdadig te kunnen optreden. Aan den wal werden, ter plaatse waar de rangkans lagen, eenige zware boomen geveld, die met het omringende struikgewas, dat ook omgekapt werd, een verhakking vormde, waardoor heen zich geen weg te banen was, zonder de opmerkzaamheid gaande te maken. Dat al die voorzorgen niet overbodig waren, zouden de reizigers al heel spoedig ondervinden.

Het kon omstreeks middernacht zijn, toen een der schildwachten, die op den hoek in de boomen zaten, een voorwerp aan zijn voeten in de soengei zag drijven, dat veel van een boomstam had. Het kon ook wel een kaaiman wezen. Daarom floot hij zachtkens, om de wachthebbenden in de vaartuigen op hun hoede te doen zijn; want het zoude niet onmogelijk zijn,[213]dat zoo’n ondier, van de nachtelijke stilte gebruik makende, zijn prooi onverwachts uit een vaartuig greep en daarmede in de diepte verdween, vóór dat de opvarenden eigenlijk begrepen, wat er gaande was. Op dat gefluit evenwel zag de schildwacht dien boomstam of kaaiman zich bewegen en naar den wal zwemmen, in welke beweging hij gevolgd werd door een vijftal dergelijke gedaanten. Dat zwemmen was niet het geruischloos voortschieten van een dier van het krokodillengeslacht; ook dat er zoo veel anderen in de nabijheid waren, die zich richtten waarheen de eerste zwom, was in strijd met de geaardheid dier dieren. Hier was dus wat anders gaande. De schildwacht loste zijn schot; ook zijn makkers, opmerkzaam gemaakt, openden hun vuur. Nauwelijks evenwel hadden die schoten in de nachtelijke stilte weerklonken, of een kannibalisch gebrul verhief zich achter de verhakking; verscheidene gedaanten poogden daardoor heen te breken, dat aan enkelen hunner gelukte. De nacht was gelukkig niet donker, de lucht was zuiver en de sterren fonkelden vriendelijk, terwijl juist dien nacht het zodiakaal licht schemerde, waardoor het aardrijk slechts in een halfduister gehuld was. Van wat er achter de verhakking geschiedde, was evenwel niets te ontwaren; maar wie zich door dat beletsel heenwrong, verscheen als een donkere gestalte op een flauw verlichten grond en stond aan de zeker treffende kogels van de vier Europeanen bloot. De Dajaks, wien geweren in handen gegeven waren, hadden met al de opgewondenheid hun landaard eigen, een oorverdoovend vuur op de verhakking geopend. De Europeanen meer bedaard, gaven hun schot slechts af, wanneer zij zulk een donkere gedaante op den oever zagen toeijlen en misten hun doel dan nooit. Zelfs de twee Zwitsers onthielden zich stipt,[214]aan het vuurgevecht deel te nemen en bewaarden zorgvuldig den inhoud hunner repeteergeweren voor oogenblikken van onmiddellijk groot gevaar. En wel bekwam hun dat gedrag; want op eens drong een aantal aanranders door een opening, die zij in de verhakking hadden weten te maken en stormden onstuimig op den oever toe, om zich met den mandauw in de vuist op de rangkans te werpen. In den grootsten doodsangst gilden de vrouwen en waren radeloos van ontsteltenis; maar daar mengden de beide Zwitsers zich in den strijd, gaven kalm en bedaard vuur, nog eens vuur en nog eens. De aanvallers vielen op die schoten paarsgewijze. Met kreten van woede zetten zij den aanval door. De schoten der Zwitsers klonken regelmatig en velden een ieder, die den oever nabij kwam. Toch drongen een paar Doessonners, als onder dat vuur doorduikende, door, wierpen zich te water en klemden zich aan de rangkans vast, wanhopige pogingen aanwendende, om de vaartuigen, die zij gegrepen hadden, te doen omkantelen. Nu was het de beurt van de Dajaks om toe te slaan; eenige mandauwhouwen kloofden een paar schedels en deden een paar afgekapte vingeren tot in den schoot van de nedergehurkte vrouwen springen. Een paar gillen, een paar kreten, wat doodsgerochel en het pleit was beslist; de aanvallers plompten in het water en werden dood of zwaar gewond, den krokodillen ten prooi, door den stroomdraad medegevoerd.

Alles was nu stil aan den oever, zoo stil zelfs, dat men bijna niet gelooven kon, dat daar zoo even nog een kamp op leven en dood gevoerd werd. De Zwitsers haastten zich de kolven hunner Remmingtongeweren van munitie te voorzien en een ieder hield zich gereed voor hetgeen nog komen kon.

Daar weerklonken eensklaps opvolgend, vier geweerschoten,[215]door angst- en hulpgeschrei gevolgd. Het waren de vier schildwachten, in de boomen gezeten, die nu aangetast werden. Duidelijk zag men eenige gedaanten zich langs de boomstammen naar boven werken. De schildwachten waren dus in groot gevaar en het waren hun koppen, waarop de aanvallers het nu gemunt hadden. Op dat gezicht begaf Harimaoung Boekit zich met zijn Poenans in alle stilte te water en toen zij den oever bereikt hadden, gaven de Europeanen nogmaals vuur, waardoor de vijanden, die het hoogst geklommen waren, doodelijk getroffen, naar beneden tuimelden en de achter hen volgenden in hun val medesleepten. Van de daardoor ontstane verwarring, maakten de Poenans meesterlijk gebruik, om zich met een luid gehuil onder de ontstelde vijanden te werpen en daar de mandauws hun bloedig werk te laten verrichten. Rauwe kreten van vertwijfeling, van angst, van woede, van teleurstelling deden zich gedurende dat kortstondige gevecht met het blanke wapen hooren. Na een zeer korte wijl verschenen gillend en tierend de Poenans weder en hield ieder hunner minstens een bloedigen menschenkop in de hand; er waren er bij die er twee droegen. Een gejuich, dat uit de borst van alle Dajaks, zoowel mannen als vrouwen opsteeg, ontving de overwinnaars. Maar voor dat men hen nog naar eisch had kunnen verwelkomen, lieten zich andermaal alarmkreten hooren en werd door de schildwachten aangeduid, dat thans het gevaar van de rivierzijde dreigde. En inderdaad vertoonden zich bovenstrooms op de soengei een viertal rangkans, zwaar bemand, die pijlsnel voortschoten met het oogmerk, om de vaartuigen onzer reizigers te enteren. Maar weldra klonk ook hun een goed onderhouden geweervuur tegen, eerst door de Dajaks begonnen, en toen dat niet afdoend bleek, om[216]de aanvallers te doen deinzen, door de Europeanen gevoed, waarbij de repeteergeweren van de Zwitsers andermaal wonderen verrichtten. Met al hun moed vermochten de Doessonners door zoo’n kogelregen niet te dringen. Al spoedig telden zij een groot aantal dooden en gekwetsten en waren zij daardoor tot den terugtocht genoodzaakt. Toen zij hun achterwaartsche beweging begonnen, die tegen den zwaren stroom in niet spoedig ging, verzamelde Johannes de geweerdragende Dajaks en liet hen salvo’s geven. Dat waren nu wel geen salvo’s van geregelde troepen; zij vergrootten evenwel de vrees der vluchtenden en bespoedigden hun aftocht. De drie andere Europeanen kozen meer kalm hun doelwit, schoten bedaard en zonder overijling en veroorzaakten daardoor bij hun bedrevenheid als schutter dood en verderf in de vijandelijke vaartuigen. Het was voornamelijk de achterste rangkan, die van hun kogels het meeste te lijden had. Schot op schot, dat dreunde, kwetste of doodde een roeier. Eindelijk waren er niet meer genoeg, om den stroom te kunnen breken. Een oogenblik bleef de rangkan onder de wanhopige pogingen der overblijvenden op dezelfde plek, zonder voor-of achteruit te kunnen; maar daar werd andermaal een roeier geveld; toen begon het vaartuig te deinzen, eerst langzaam, totdat weer een stervende hand de pagaai liet ontglippen. Toen sprongen de ongedeerd gebleven Doessonners te water, om zich door de vlucht te redden en kwam de rangkan, met al de snelheid afdrijven, die de stroomdraad er aan verleenen kon. Op dat gezicht waren de Poenans niet te weerhouden; in een oogwenk waren zij te water en hadden zij het vaartuig geënterd. In minder tijd dan verteld kan worden, waren al de gekwetsten en dooden, die daarin lagen, onthoofd. De lijken werden in het water geworpen en de[217]rangkan al zwemmende naar den wal gestuurd, van waar hij langs het struikgewas voortgetrokken, als buit bij de flotille gebracht werd.

Achtentwintig koppen waren buit gemaakt. Het grootste gedeelte der mannen van het reisgezelschap was weldra bezig die koppen van hun vleeschdeelen te ontdoen. Een vreeselijk schouwspel was het voor onze Europeanen, die bezigheid in hun onmiddellijke nabijheid te zien gebeuren. Een oogenblik waren zij als betooverd door dat schouwspel en konden zij er den blik niet van afwenden; zij zagen die koppen van hun haarhuid ontdoen, zij zagen de wangen, neuzen, lippen en ooren afsnijden en daarvan menig stuk in gretige monden verdwijnen; zij zagen de puntige poeai’s in hoeken en gaten tusschen de beenderen woelen, de oogen uit hun kassen halen en eindelijk in de schedelholten wroeten om de hersenen uit te halen. Maar toen zij zagen, dat die weeke zachte bloederige massa met gulzigheid verzwolgen werd, toen, hoewel dat gezicht hun niet vreemd meer was, voelden zij zich een onmacht nabij en moesten zij het gelaat afwenden, om zich aan dat schrikkelijk schouwspel te onttrekken. Helaas! zij mochten hun walging niet uiten, zoo als zij die ondervonden; nu reeds werd in hun nabijheid gemompeld en konden zij woorden opvangen aan hun adres, die te verstaan gaven, dat zij „helden met beo’s1harten waren.”

De nacht ging verder ongestoord voorbij. Toen de dag aanbrak, stapte de helft der Dajaks en al de Poenans aan wal, onthoofdden de vijanden, gesneuveld of gewond[218]bij de verhakking en wierpen de lijken in de rivier. Het aantal buit gemaakte schedels klom nu tot negen en dertig. Bij een verkenning, op beide oevers der soengei ondernomen, kwam men tot de gevolgtrekking, dat de bende, waarvan men daags te voren de sporen ontdekt had, op haar beurt het reisgezelschap bespeurd en bespied en eindelijk een gekombineerden aanval te land en te water beraamd had, die, wanneer hij gelijktijdig ondernomen ware, het grootste gevaar had kunnen opleveren.

Het was nu zaak om goed uit te kijken. Men was in aanraking geweest met den vijand en hoewel geen verliezen geleden waren, leerde de opgedane ondervinding, dat de vijand, waarmee men te doen had, stoutmoedig en ondernemend was. Johannes bepaalde nu, dat de rangkan, waarin hij met zijn makkers gezeten was, de spits zoude uitmaken; dat zij geen deel meer zouden nemen aan het roeien, maar dat zij met Amai Kotong en Dalim scherp zouden uitzien, om met hun wisse schoten onmiddellijk waar het noodig was krachtdadig te kunnen optreden. Harimaoung Boekit met zijn Poenans zou de achterwacht vormen, terwijl bij hem nog eenige geweerdragenden werden ingedeeld, om desnoods alarm- of seinschoten te kunnen doen.

Dat men niet te veel voorzorgsmaatregelen kon treffen, zoude ras ondervonden worden.

Het kon ongeveer 9 uur in den morgen zijn; men had ijverig doorgeroeid en tot nu toe niets van vijanden op de oevers bespeurd, toen Dalim eensklaps een lichten kreet uitstiet en den Europeanen een man wees, die bijna geheel gedekt door een’ boomstam, met zijn mandauw bezig was een paar rottantouwen door te hakken.

„Parabah!” riep Dalim met ontzetting.[219]

„Pambeseai goeloengoeloeng!” (hard roeien) beval Amai Kotong, terwijl hij de achteraankomende rangkans waarschuwde.

De man aan den wal had reeds een touw doorgekapt; hij keek aandachtig naar de rangkans en toen hij die genoegzaam genaderd zag, verhief hij den arm, om den tweeden rottan door te slaan. Maar daarbij moest hij zich bloot geven; de borst werd een ondeelbare poos zichtbaar en dat was voor de beide Zwitsers meer dan voldoende, om hun nimmer falende kogels af te zenden. Bijna op dezelfde plek door de beide projectielen getroffen, volvoerde de Doessonner een luchtsprong, terwijl hij zijn wanhopig gezicht ten hemel verhief, en dood nederstortte. Een makker sprong van achter een boom te voorschijn om het voorgenomen werk te verrichten; maar voor dat die twee schreden gedaan had, weerklonken andermaal twee geweerschoten en viel ook deze, in voorhoofd en in borst getroffen, dood neder. Een derde onderging het zelfde lot. Een vierde bewoog zich, als een slang schuifelende, langs den grond; die was niet door de scherpschutters te ontwaren. Daar bereikte hij het touw, dat met een dubbelen slag om een boomstam gewonden was ongeveer op vijf voeten boven den grond. Om dat te bereiken, moest hij zich op de knieën oprichten. Dat deed hij en greep daarbij het touw met de linkerhand, die toen alleen voor de schutters zichtbaar werd. In die houding verhief hij de rechterhand, om den houw op den sterk gespannen rottan toe te brengen, toen andermaal twee schoten weerklonken, die hem de linkervuist verbrijzelden, maar tevens het noodlottig gevolg hadden het touw door te snijden.

„Goeloengoeloeng! pambeseai goeloengoeloeng!!” gilden Amai Kotong en Dalim.

De rangkans schoten vooruit, terwijl zij het schuim[220]onder hun stevens deden opstuiven. Voor een oogenblik zag men de kruin van een der woudreuzen, eenontzaglijkenboom, die zich op den oever der soengei verhief, als beschonken heen en weer waggelen; de rechte stam boog, hernam den rechten stand weer, neigde andermaal, om zich weer terug te buigen en viel toen, eerst langzaam en weifelend, vervolgens allengs versnellend, krakend en met donderend geweld ter neder en overdekte met zijn takken en loof de rivier, die onder dien val wild en woest opspatte en zich als een fijne stofregen van schuim in de lucht verdeelde en de plek als in een nevel hulde. Gelukkig waren de rangkans, toen de boom viel, de gevaarvolle plaats voorbij; alleen de laatste vaartuigen dreigden om te slaan en te zinken door het woeste geweld van het opgezweepte water. Een paar seconden vertraging in de vaart der rangkans of vervroeging in den val des booms, dan ware de flotille vernietigd geweest en niemand der opvarenden ware ontkomen.

Van de vaartuigen had men het kunststuk van schuttersbedrevenheid der Zwitsers kunnen zien. Met benepen harten, had men het verloop, dat in weinige seconden plaats moest hebben, gadegeslagen. Men moest daar ter plaatse voorbij, en wel zoo spoedig mogelijk, dat begreep iedereen. Ware toch de boom vóór in stede van achter de vaartuigen nedergestort, dan zou men een groot oponthoud gehad hebben; want aan een opruiming van dien woudreus, die daar nu in de soengei lag en haar volkomen afsloot, zou niet te denken geweest zijn. Men zou niets anders hebben kunnen doen, dan de rangkans te ontladen en haar dan zoo over den slagboom heenwerken. Dat ware een arbeid geweest van minstens twee dagen, ongerekend nog de ongevallen, die uit de nabijheid des vijands konden geboren worden.[221]Dankbaarheid was dan ook in ieders oog te lezen voor die mannen, die zoo ter rechter tijd geholpen hadden. En het was met een soort van ontzag, dat evenwel gevoelens van genegenheid niet uitsloot, dat men voortaan opkeek naar hen, die met hun kogels zoo juist wisten te treffen.

„Mille noms de noms!” brulde La Cueille, „daar zijn we mooi door heen gekomen!”

„Dat mag je wel zeggen,” lachte Johannes vergenoegd. „Maar opgepast; jullie ziet nu waartoe die duivels in staat zijn. Dat is een van de gewone krijgslisten der Dajaks. Op de boorden der rivier, waarlangs zij de nadering van vijanden verwachten, worden groote boomen, de grootste en zwaarste bij voorkeur, zoodanig onder aan den voet ingekeept, dat, wanneer de rottantouwen, die de kruinen steunen, doorgekapt worden, de woudreuzen in het vaarwater storten moeten. Een zestal mannen houden bij zoo’n boom de wacht. In den regel blijven zij verscholen en van het geheele toestel is gewoonlijk niets te ontwaren. Eenmaal de touwen doorgekapt, maken zich de wachthebbenden uit de voeten, om op een afstand de gevolgen gade te slaan.”

„Ik hoorde Dalim „parabah” schreeuwen bij het begin van die pret. Begreept ge dat woord?” vroeg Schlickeisen.

„Dat is de benaming van de krijgslist van het boomen laten vallen.”

„Het is mooi uitgedacht, dat moet erkend worden,” sprak La Cueille. „Als je zoo’n boom op je bol of op je lendenen krijgt, dan ben je zoo plat als een velletje postpapier. We zullen bliksems goed onze oogen den kost moeten geven.”

„Ja, wel zeker, dat zullen we moeten,” antwoordde Johannes. „Maar ik heb besloten, om voortaan op iederen[222]oever der rivier een twaalftal mannen te laten marcheeren, die de vaartuigen een vijftig passen vooruit blijven en, hoewel met elkaar in verband blijvende, het geboomte doorzoeken moeten, om zoodoende dergelijke vallen onschadelijk te maken.”

„Maar, hoe wil je die vallen onschadelijk maken?”

„Wel, wanneer menschen ontdekt worden, verjaagt men die of schiet ze dood. Men zoekt dan de ingekeepte boomen op, die met hun verwondingen niet moeielijk te ontwaren zijn aan de landzijde. Men houdt dan de wacht bij den val tot al de rangkans voorbijgetrokken zijn, waarna de rottantouwen doorgehakt worden en de boom omvalt. Dat zal het voordeel hebben onze rugzijde te dekken zoowel tegen de Doessonners, die langs de soengei versterking uit hun negorij kunnen krijgen, als tegen een vervolging van den kant der Hollanders, wanneer die ons op ’t spoor mochten zijn. Tegen dien maatregel is geen ernstige bedenking te maken. In den regel zijn het slechts weinige mannen, die zoo’n parabah bewaken, en die zullen wel spoedig met geweervuur te verdrijven zijn.”

Met spoed, maar toch zoo behoedzaam mogelijk, werd verder getrokken. Een tweetal boomen, die op het vallen stonden, werden nog ontdekt. Maar, zooals Johannes voorzien had, waren een paar schoten voldoende, om de bewakers te verjagen, en al ras was een driedubbele verhakking in de soengei daargesteld, die den toegang van de benedenlanden afsloot.

Zoo werd voortgerukt. Het was twee uur in den namiddag ongeveer, toen men kotta Hamiak in het gezicht kreeg; maar wat daar ontwaard werd, was alles behalve opbeurend. Men was daar verwoed aan het vechten. Boven de toppen der palissadeering, die hier, evenals elders in de Dajaklanden, van afstand tot afstand met gebleekte[223]schedels prijkte, zag men de verdedigers der kotta in uitdagende houding verschijnen en alles, wat hen onder handen kwam, werpen naar het hoofd der aanvallers, die op een paar punten de ompaling trachtten te beklimmen. Op een kleinen afstand zag men twee kanonstukjes, achter een kunstmatig heuveltje van rijshout, die van tijd tot tijd hun kogels op de kotta afzonden. Veel uitwerking van dat vuren was niet te ontwaren, hoewel de aankomenden het volle gezicht op het geteisterde gedeelte hadden; de zware ijzerhouten boomstammen, die de borstwering der kotta uitmaakten, schenen met de kogeltjes te spotten. Het bleek dan ook al ras, dat dat kanonvuur niet zoo zeer tot doel had bres te schieten, dan wel om de bezetting vrees aan te jagen en van dat gedeelte der borstwering te verdrijven. Inderdaad op het midden dier face hadden de Doessonners een hoop droge takkebossen te zaam gebracht, die tegen de palissadeering opgestapeld en toen in brand gestoken. Het scheen dat dit vuur al eenigen tijd gebrand had, hoewel van een beschadiging van de omheining, die gevaarlijk kon worden voor de belegerden, niet veel te bespeuren was.

Onze reizigers waren tot nu toe onder de taluds van de diep ingesneden soengei ongemerkt gebleven en bespiedden den vijand van achter dichte struiken, die langs den oever groeiden. Nadat Johannes den toestand een oogenblik gadegeslagen had, wenkte hij Harimaoung Boekit tot zich, wees hem in de verte een boschje van dicht struikgewas, dat de positie van het gros der aanvallers vrij dicht in den rug naderde en fluisterde hem iets in het oor. Grinnekend verzamelde het Poenanhoofd zijn makkers, stapte met hen aan wal en verdween achter het loof, dat de boorden der soengei voor het oog verborg. Toen Johannes hen niet meer zag, verzamelde hij zijn[224]lotgenooten, voegde daaraan nog een dertig geweerdragende Dajaks, waaronder ook Dalim, toe, drukte de achterblijvenden onder aanvoering van Amai Kotong goed op het hart de vrouwen en kinderen te bewaken en te beschermen, en trok daarop recht op den hoofdgroep der Doessonners los. Tot nu toe waren de bewegingen onzer reizigers voor dezen verborgen gebleven. Hun strijd met de Siratters had hun geheele opmerkzaamheid tot zich getrokken; ook een zekere zorgeloosheid den inlanders zoo eigen, had hen doen nalaten een waakzaam oog op de soengei te houden. Toen Johannes nu plotseling met zijn troepje uit het struikgewas te voorschijn trad, was de verbazing groot. Zij duurde evenwel kort, want aangemoedigd door het geringe aantal van de naderenden, stoof hun het grootste gedeelte der Doessonsche strijders met een luidlēēēēlēlēlēlē ouiiit! en de mandauws zwaaiende te gemoet. Zij dachten met hun verpletterende overmacht een gemakkelijke overwinning te behalen op dat troepje hetwelk nog geen vijfendertig man sterk bleek te zijn. Het uitzicht, om zonder veel inspanning die schedels te kunnen buit maken, lachte de helden uitermate toe. Met iedere seconde verminderde de afstand tusschen beide partijen. Johannes wist een voorbeeldelooze tucht onder de zijnen te bewaren. Geen stem verhief zich, geen geluid werd van hun zijde vernomen; het scheelde waarachtig weinig of dat troepje marcheerde in den pas als een sectie afgedrilde rekruten en trok rustig en kalm vooruit. De Doessonners daarentegen naderden gillend en tierend, hortend en stootend, met sprongen of in den looppas. Daar stond eensklaps het troepje van Johannes stil en scheen als aan den grond genageld. Lēēēēh lēlēlēlēlē ouiiiit! brulden de Doessonners en stormden vooruit, in de meening dat hun tegenstanders de schrik om het hart sloeg. De geweren vielen nu evenwel[225]in den aanslag en een flink uitgevoerd salvo temperde den aanloop aanmerkelijk. Vier der aanvallers lagen op den grond te kermen. Voordat de Doessonsche helden van hun verbazing bekomen waren, hadden de Kapoeassers weer geladen en zonden andermaal hun lood in den dichten drom. Ditmaal vielen zeven vijanden. De Europeanen hadden zich tot nu toe van de deelneming aan het gevecht onthouden en spaarden hun vuur, om de eindbeslissing op het wichtige oogenblik te bevorderen. Nu zich evenwel een soort van razernij van den aanvallenden troep scheen meester gemaakt te hebben en de vijanden steeds voorwaarts stoven, openden ook zij hun vuur en verspilden hun munitiën niet. Ieder schot was raak en het aantal gevallen Doessonners werd al grooter en grooter. Vooral de repeteergeweren in de handen der Zwitsers verrichtten andermaal wonderen. Bij de totale windstilte, die heerschte, was het kleine troepje als in een rookcirkel gehuld, van waaruit bliksemstralen knetterden, die het als met een muur van lood omgaven. Toch rukten de aanvallers, niettegenstaande hun verliezen, al nader en nader. De lansen begonnen zich reeds met de bajonetten te kruisen; reeds hadden Johannes en La Cueille, die geen tijd meer hadden om hun trompladers te herladen, de revolverpistolen ter hand genomen. Vloeken en verwenschingen, angstgillen en zegekreten weerklonken allerwege. De Europeanen schoten hun laatste patronen, die in de geweerloopen zaten af, staken woedend de bajonetten in de naakte borstkassen, of grepen de geweren bij den loop, om de kolf als een knods te hanteeren en schedels te verbrijzelen of schouders te ontwrichten. De toestand werd allerhachelijkst. Reeds waren eenige Dajaks onder de slagen der aanvallers gevallen; Schlickeisen had een flinken houw over den linkerarm gekregen, die hem buiten gevecht stelde. Gelukkig[226]dat La Cueille den tweeden houw met zijn geweer pareerde, den Doessonner de bajonet in den buik stak en nog tijd had zijn revolver uit den gordel te rukken, om een tweeden, die toeschoot, à bout portant te vellen.

Maar daar kwam eensklaps verademing. Harimaoung Boekit verscheen met zijn Poenans in den rug der Doessonners, en wierp zich onverschrokken met den mandauw in de vuist in hun gelederen. Ontzettend was de kamp, die zich nu ontspon. De Doessonners dachten er niet aan zich gewonnen te geven, maar stelden zich wanhopig te weer. Johannes evenwel, van het oogenblik van verademing gebruik makende, verzamelde zijn troepje, deed snel herladen en liet nu salvo op salvo geven. Van een andere zijde deden de verdedigers van kotta Hamiak, na hun brandende palissadeering gebluscht te hebben, een uitval, tastten de legerplaats der Doessonners aan, staken die in brand en vermeesterden de twee kanonstukjes, die hen zoo beangstigd hadden. Toen de vlammen achter hen hoog opdwarrelden, toen de wanhoopskreten van allerwege weerklonken, toen dat geweervuur hen teisterde en bleef teisteren, toen begon de moed der Doessonners te zinken. Nog een salvo, dat Johannes in hun gelederen zond, en waarbij een lange slungel viel, die als hoofd de anderen aanmoedigde, bracht de verwarring ten top en nu was er geen houden meer aan; de geheele bende sloeg op de vlucht. In minder tijd dan noodig is, om het te vertellen, was de geduchte schaar, die kottaHamiakbelegerd had, uit elkander gespat en hadden de strijders een toevlucht in de bosschen gezocht. Maar, daarmede was het gevecht niet ten einde. Een bende van de verdedigers der kotta stormde ook de bosschen in, om den vijand nog zooveel mogelijk schade toe te brengen, maar vooral om gevangenen te maken.[227]

Toen de laatste Doessonners uit het gezicht verdwenen waren, vereenigden zich de strijders van ons reisgezelschap met de bewoners der kotta, terwijl ook de rangkans naderbij kwamen en vrouwen en kinderen aan wal stapten. Een ontzettend tooneel begon al ras. Zoowel de mannen der kotta, als de Dajaks der rangkans en de Poenans van Harimaoung Boekit hielden zich onledig met de gevallen vijanden dood of gewond te onthoofden. Een paar licht gekwetsten werden gespaard; hun zou een vreeselijker lot beschoren zijn. Toen de koppen verzameld waren, herhaalde zich het afzichtelijk tooneel van den vorigen nacht, maar nu op veel grooter schaal. Helaas! de wetten der menschelijkheid werden door die onwetenden en verwaarloosden wel verkracht.

Bij de opruiming der vijandelijke lijken, die eenvoudig in de soengei gesmeten werden, ontdekte men dat vijf Poenans en zes Dajaks van het reisgezelschap gesneuveld waren, terwijl ook de lijken van een drietal Sieratters gevonden werden. Maar wat de meeste droefheid veroorzaakte en al de bewoners der kotta in weeklachten deed uitbarsten, was dat ook Amai Mawong, hoofd van kotta Hamiak bij den uitval, dien hij aangevoerd had, omgekomen was. Hij was steeds een persoonlijke vijand van Tomonggong Soerapatti geweest, die jaren geleden hem een dochter ontstolen had en wien hij op zijn beurt een paar zijner meest geliefde vrouwen ontkaapt had. Krijgs- en sneltochten, invallen over en weer in elkanders gebied, waren daarvan het gevolg geweest en de nu plaats gehad hebbende aanranding van Soerapatti had geen ander uitgangspunt dan zijn haat tegen Amai Mawong, waarbij zich de zucht gepaard had om zich op de Kapoeassche en Kahajansche bevolking voor vroegere nederlagen te wreken.

Het lijk van het geliefde hoofd werd met veel misbaar[228]binnen de kotta gedragen en daar ten toon gesteld tot dat de begrafenis zoude plaats hebben. De Poenans en de Dajaks van kotta Djankang maakten alle toebereidselen, om de lijken hunner makkers den volgenden morgen te verbranden. Dat is een gewoonte bij sommige stammen, wanneer geen tijd genoegzaam voorhanden is, om de begrafenisplechtigheden te kunnen volvoeren. Men sprak de hoop uit, dat de uitgetrokkenHamiakkerseen flink aantal gevangenen zouden maken. Men sloot de gevangen genomen Doessonners in karandahs op en men haalde bij voorbaat nog meerdere kooien te voorschijn, om de verwachte slachtoffers te bergen. De nacht was reeds ingevallen, toen de menschenjagers te huis kwamen. Het was hun gelukt een troep Doessonners te overvallen, die, uitgeput van de vermoeienissen, dien dag ondervonden, neergevallen waren, toen zij zich in veiligheid waanden en in diepen slaap gedompeld lagen. Voor zij zich te weer stellen konden, waren hun handen en voeten gebonden; zij, die zich te woest aanstelden, ontvingen een zwaren slag op den schedel, die hen bewusteloos deed neerzinken. Mededoogen werd niet gekend. Zoo werden acht menschelijke wezens aangebracht, die onmiddellijk in de boeien in zekerheid gebracht werden. De volgende zon zoude hun vreeselijk uiteinde te aanschouwen geven.

Wienersdorf verbond den arm van zijn gekwetsten makker op het liefderijkst. De wond was wel groot en had nog al bloedverlies veroorzaakt, maar de houw was meer in een schuine richting aangebracht en was niet diep doorgedrongen, zoodat weinig gevaar bestond. Een papje van de fijngewreven bladeren van den boentoek kakoembang werd op de wond gelegd, om de ontsteking te weren. Johannes regelde nu den zekerheidsdienst voor den nacht, die trouwens zoo heel zwaar niet behoefde te[229]zijn, daar een terugkeer van den vluchtenden vijand wel niet verwacht kon worden, waarna allen zich te rusten legden. Alleen Wienersdorf en La Cueille gingen hun dulcinea’s nog eens opzoeken, om heel galant te vernemen, of de ontsteltenis, dien dag ondervonden, eenigszins bedaard was. Och, zulke tooneelen waren haar niet vreemd; de deernen waren vrij opgeruimd en verheugden zich van ganscher harte, dat die gevaren al weer achter den rug waren. Al spoedig zaten de gelieven bij elkander in een druk gesprek gewikkeld en uitten de beide Europeanen, volgens de inspraken van hun hart en de mate hunner ontwikkeling, ruw en ongekunsteld of gevoelvol en beschaafd, maar beiden onverholen, de hoop om toch spoedig zoo’n land van verschrikkingen te kunnen verlaten.

De beide verliefde paren zaten met nog eenige jonge dames in het vertrek, alwaar de meisjes gastvrijheid gevonden hadden. Hamadoe en Wienersdorf zaten innig met elkander te keuvelen en weldra was hun omgeving, ja het geheele heelal voor hun liefdevolle blikken, die elkaar slechts zochten, verdwenen. Het gesprek tusschen Moendoet en La Cueille vlotte zoo niet. Hij had dien dag vele inspanningen doorgestaan, misschien had hij ook wel hier of daar een teugje toeak weten machtig te worden. Hoe het ook zij, hij voelde zich wezenlijk vermoeid en uitgeput. Na een poos met zijn schoone gepraat te hebben, werd hij al loomer en loomer, hij strekte de ledematen gemakkelijk uit op het matje, waarop hij, naast het meisje gehurkt, gezeten had, liet het hoofd op haar schoot rusten en geraakte in dien verdoofden toestand, niet zelden in de keerkringslanden, die geen slapen en geen waken is, waarin het lichaam rust, maar waarbij de geest nog ten halve werkzaam blijft. Liefdevol zat het meisje hem aan te staren, haar[230]blik bleef op hem geboeid. Zij hield zich stil, om zijn rust niet te storen. Bij een beweging, die de slaapdronkene maakte, en waarbij hij met de hand door de haren woelde, streek zij hem de lokken uit het aangezicht en bracht die met zachte hand op hun plaats. Zij begon er een soort van genoegen in te vinden, de vingers door die zijdeachtige haren te laten gaan, zoo verschillend met de harde haren van haar zelve en van haar stamgenooten. Zacht streelde zij dat hoofd; maar plotseling begonnen haar vingers meer bedrijvigheid te toonen. Zij boog voorover en fluisterde tot een harer vriendinnen:

„Panggoeti.”

Dat woord laat zich zoo gemakkelijk niet vertalen.„Pang”is een voorzetsel dat „veel” beteekent en „goeti”; wel.… dat is de „pediculus capitis” der latijnen.

De vriendin schoof naderbij en beide meisjes waren weldra bezig een vreemdsoortige jacht op het hoofd van den Waal te houden. De vingers woelden tusschen de lokken en vervolgden het wild op de haarhuid. Iedere pediculus, die zich liet verrassen, lokte een waas van vergenoegen op het gelaat der schoonen. Het diertje werd op de hand gezet, bewonderd, weer tusschen den duim en voorsten vinger gegrepen en tusschen de lippen van de vriendin gebracht, die het insect tusschen de tanden deed knappen en zich zoo het verhemelte streelde. Die vriendschapsbewijzen geschiedden over en weer en gingen met de gebruikelijke kwinkslagen gepaard. Eindelijk door dat gewiemel op zijn hoofd uit zijn verdooving geraakt, opende de Waal de oogen en zag zich niet onaardig geëncadreerd door de beide lieftallige wezens. Hij glimlachte en trok Moendoet naar zich toe, om haar een kus te ontrooven; maar op dat oogenblik scheen de jacht juist buitengewoon voorspoedig te zijn.[231]Beide meisjes haalden de hand bedachtzaam uit zijn hoofdhaar terug en brachten die te gelijkertijd aan zijn mond. De Waal, onbekend met wat er omging, opende lachend de lippen en ontving de levende lekkernij op de tong. Toen hij haar gekrieuwel gevoelde, keek hij de meisjes een poos aan, die zijn blik met een argloozen oogopslag beantwoordden. Lang niet gerustgesteld, spoog hij op zijn hand, bekeek wat hij in den mond had gehad en barstte in een wilden vloek uit:

„Des poux! des poux! sacré saloppes! des poux dans ma bouche!”

En meteen gaf hij ieder der meisjes een oorvijg, die klonk als een klok. De deernen begonnen zoo te gillen en te schreeuwen, dat een gedeelte der bewoners van de kotta, in hun nachtrust gestoord, kwam kijken wat er toch gaande was. Er ontstond toen een leven als een oordeel. De meisjes beweerden huilende en snikkende, dat zij den vrijer een beleefdheid hadden bewezen, door hem een lekkernij aan te bieden; de Waal vloekte en raasde, omdat men hem, volgens zijn beweren, onreine dingen in den mond gestopt had. De twist liep al hooger en hooger, tot dat Johannes en Dalim aankwamen en zich lieten inlichten. Nu was de zaak spoedig opgehelderd. Moendoet werd aan het verstand gebracht, dat haar vrijer nog te nieuwbakken Dajak was en dat hij nog maar niet kon vergeten, dat hij Arabier was, en uit een land kwam, waar zulke gerechten niet op prijs worden gesteld. De Waal vernam, dat de versnapering, die hem aangeboden was, een wezenlijke attentie geweest was, die hij met een lompheid beantwoord had.

„Ik laat me villen,” mompelde hij, terwijl hij zich nogmaals den mond afveegde, „als ik haar nog een zoen geef.”

„En toch zult ge daartoe moeten overgaan,” was het[232]kalme wederwoord van Johannes, „want je hebt een bewijs van toegenegenheid met een onbetamelijkheid beantwoord; daar valt niets aan te doen, die moet je herstellen.”

En Moendoet bij een hand grijpende, bracht hij het mokkende meisje bij den Waal, die het lieve gezichtje toch al met een soort van spijt en verlangen aanschouwde. Johannes gaf haar een kleinen duw, zoodat zij in La Cueille’s geopende armen terecht kwam. Hij kon haar toch niet op den grond laten vallen. De lippen zochten elkander, een hartelijke zoen weerklonk en de vrede was gesloten. De Waal benutte een oogenblik, dat hij meende ongezien te zijn, om zich nogmaals den mond af te vegen.[233]

1Ziet over den Beo de noot in Deel I bladz.89.Men beweert, dat de beo sterft, wanneer hij bloed ziet. Van daar die uitdrukking.↑

1Ziet over den Beo de noot in Deel I bladz.89.Men beweert, dat de beo sterft, wanneer hij bloed ziet. Van daar die uitdrukking.↑

1Ziet over den Beo de noot in Deel I bladz.89.Men beweert, dat de beo sterft, wanneer hij bloed ziet. Van daar die uitdrukking.↑

1Ziet over den Beo de noot in Deel I bladz.89.

Men beweert, dat de beo sterft, wanneer hij bloed ziet. Van daar die uitdrukking.↑


Back to IndexNext