XXVIII.

[Inhoud]XXVIII.Lijkplechtigheid en lijkverbranding.—Het slachten der krijgsgevangenen.—Een gierenmaaltijd.—Een Doessonsche krijgsgevangene gered.—Berichten van de vijandelijke macht.—Beraadslaging.—Soengei Mantarat.—Over land naar soengei Minjangan.—Gebrek aan water.—De „ngaga’s.”—„Ramon petak kinan.”—Hamadoe dorstig.—Een overval.—Een batonnist.Den volgenden morgen waren alle kottabewoners, ook de Poenans en Kapoeassers in de weer, om de verdere toebereidselen te treffen en de gesneuvelde makkers, die niet tot de bezetting van kotta Hamiak behoorden, te verbranden. Op het binnenplein der versterking werd een „sanggarang” opgericht, een fraai besneden mast, die zich ongeveer tien M. boven den grond verhief. Op den top van dien mast was een houten vogel met uitgespreide vleugels bevestigd, en onmiddellijk daaronder een aarden pot, waaruit de bodem geslagen was. Onder dien pot was een dwarslat aangebracht, die aan weerszijden van den sanggarang een paar d.M. uitstak en waarover heen elf lansen waaiervormig waren vastgemaakt, even veel als er lijken waren, Amai Mawong en de gevallen Siratters niet meegerekend, voor wie de lijkplechtigheden later zouden plaats hebben. De Dajak gelooft dat de zielen van den sanggarang, van den vogel, den pot en de lansen allen in delewoe liau(het[234]zielenverblijf) in een menigte kostbaarheden ten dienste der overledenen veranderd worden.Omdat de betreurden door ’s vijands handen gevallen waren, werd naast den sanggarang een „pantar solangan” opgericht, een driekant bekapte mast, die vijftien M. boven den grond uitstak, waarop een schedel van een der gevallen vijanden geplaatst was. Op ieder der drie vlakken van den mast waren zeven schuinsche inkepingen aangebracht, waarin dunne dwarsstokjes gebonden waren, die ook een paar d.M. uitstaken en waaraan bevallig gekrulde bladeren van den palasboom (een palmsoort) als versierselen waren gehangen.Vlak voor de masten werd een rij sapoendoe’s geplant, die noodlottige palen, waaraan de krijgsgevangenen gebonden moesten worden. En voor het midden dier rij sapoendoe’s werd een aardhoop opgeworpen, die een M. hoog, twee breed en vier lang was. Toen die goed aangestampt was, werd daarop de „pamahei” (brandstapel) opgericht, zijnde dit een regelmatige kubus, die van droog brandhout tot twee M. boven het grondvlak van den aardhoop opgetrokken werd. Op het grondvlak zelf en ook nog op andere plaatsen in de zijwanden, werden mandjes, met hars gevuld, tusschen het hout ingewerkt, om het vuur krachtig te voeden.Toen men daarmede gereed was, verzamelden zich alle aanwezigen in de kotta om den brandstapel en nu werden de lijken der gesneuvelden in hun vollen oorlogstooi daarop gerangschikt. Het hars, in de onderste houtlagen ingewerkt, werd nu op alle zijden van den pamahei in brand gestoken en weldra verhieven zich dikke rookwolken, waartusschen vurige vlammenspitsen lekten. De krijgsgevangenen werden nu uit hun kooien gehaald en aan de sapoendoe’s gebonden. Die menschen zagen er ellendig uit, hun haren hingen hun verward[235]langs de schouders, bij de meesten hing de ewah, het eenige kleedingstuk, dat zij om het lijf hadden, aan flarden om de lendenen. Overigens was hun voorkomen kalm en rustig. Niet uitdagend, maar ook volstrekt niet terneergeslagen. Zoodra zij allen vastgebonden waren, begonnen de Balians hun gezangen en was dat het teeken, om de afzichtelijke plechtigheid te beginnen.Eenige mannen schaarden zich om den brandstapel en bliezen vergiftigde pijltjes in den opdwarrelenden rook, om de booze geesten te verdrijven. Maar het gros sloeg een grooten kring om de arme slachtoffers. In de hooge boomen rondom zaten een troep antangs, hongerige gieren, die wisten wat ging gebeuren.Daar trad Amai Kotong vooruit; hij hief zijn lans op en bracht den eersten krijgsgevangene, die gedood zoude worden, een lichte wond in den schouder toe. Op hem volgde Harimaoung Boekit, daarop de Poenans, de Kapoeassers en de Siratters door elkander. Ieder bracht op zijn beurt een steek toe en maakte plaats voor zijn opvolger. Zoodra allen hun beurt gehad hadden, trad de eerste weer voor. Zoo duurde dat lijden meer dan een half uur; want slechts lichte verwondingen werden toegebracht. Het bloed stroomde en vormde op den grond beekjes en plasjes. Van tijd tot tijd daalde een der gieren van zijn verheven standpunt naar beneden, greep met bek en klauw een gelei van geronnen bloed en hernam zijn plaats in den boom, om zich daar naar hartelust te goed te doen. O! de pijn, het lijden had tot nu toe geen smartkreet aan den gemartelde kunnen ontlokken, maar op dat gezicht steeg de angst van den ongelukkige ten top. Zoo voor oogen te hebben, wat het lot van zijn lijk na den dood zal wezen, was een foltering zoo ontzettend wreed en onmenschelijk, dat het alleen in een duivelenbrein kon opkomen, een[236]krijgsgevangene daaraan te onderwerpen. Machteloos daar aan dien paal gebonden te zijn; niets te kunnen doen, om tegen den onverbiddelijken dood te kampen; toch nog, niettegenstaande alle ondergane ellende en beproeving, niettegenstaande de ondervonden marteling, aan het leven gehecht blijven; maar bij elken lanssteek, bij elken luwen luchtstroom, door de vlucht der nederstrijkende antangs veroorzaakt, die hij gulzig zijn bloed ziet verzwelgen, herinnerd te worden aan het onvermijdelijke, dat was de toestand van den rampzalige, die, hoewel zijn aangezicht slechts angst en vertwijfeling verkondigde, toch geen geluid gaf, dat het hart zijner beulen zou hebben kunnen streelen.Doch, eindelijk was de marteling ten einde; de ongelukkige zakte in elkander, bezweken aan bloedverlies. De menschelijke aanvallers lieten nu eerst af en begaven zich naar het volgende slachtoffer, wiens marteling nu begon. Het nog lauwe lijk hing letterlijk in zijn banden aan den noodlottigen paal en verstijfde zoo in die houding. Nu streken de antangs er op neer en begon een maaltijd, die alleen in afgrijselijkheid op zijde gestreefd wordt, wanneer menschen zich aan het vleesch hunner natuurgenooten vergasten. Een der oudste gieren, „de roode ngabi” zooals de Dajaks hem noemden, had van zijn privilege gebruik gemaakt en de oogen voor zijn buit uitgekozen. Met krachtigen klauw en scherpgehaakten snavel scheurde hij die uit en vloog daarmede in een naastbijzijnden boom. In een oogwenk was het lichaam onherkenbaar, het vertoonde slechts een afzichtelijke bloederige massa, waarin bek en klauw wroetten, totdat eenige Dajaks toesnelden, de roofvogels verdreven, het lijk van zijn banden ontdeden, het onthoofdden en op den brandstapel plaatsten, om het met de lijken zijner vijanden te verbranden.[237]Zoo werden dien dag, onder dezelfde martelingen, onder dezelfde ontzettende omstandigheden nog tien menschelijke wezens ter dood gebracht.De vier Europeanen hadden zich aan dat schouwspel, zoo veel hun mogelijk was, onttrokken. Eerst hadden zij een toevlucht in een hoekje van het binnenplein gezocht, waar zij voor het vreeselijk gezicht gedekt zaten, maar waar de wind hun den schrikkelijken rook van den brandstapel met zijn geuren van gesnerkt vleesch aanbracht. Toen hadden zij aan de andere zijde van het plein onder een afdakje plaats genomen, alwaar zij niet geheel en al het afzichtelijk tooneel ontgaan konden, maar waar zij trachtten zich bezig te houden, met het in orde brengen niet alleen van hun eigene wapenen, maar ook van de geweren door de Dajaks gebruikt, die dat wel noodig hadden. Helaas! de wreedaardige handeling, die plaats had, konden zij niet verhinderen.Johannes had met veel moeite van de hoofden verkregen, dat een der gekwetste Doessonners, die daags te voren binnengebracht en in een karandah opgesloten waren, het leven geschonken en aan hem Johannes als pandeling afgestaan werd. Het was een jongeling van ten naastebij twintig jaren, die bij een zachtmoedig uiterlijk er toch ferm en vastbesloten uitzag. Hij was slechts licht gewond door een houw over het achterhoofd, die, behalve in de schedelhuid, niet diep ingedrongen was. De hevige pijn had hem evenwel bewusteloos doen neerstorten en het was in dien toestand, dat hij krijgsgevangen gemaakt was. Toen hij tot bewustzijn wederkeerde, was hij in een karandah opgesloten.Aanvankelijk, nadat hij uit de kooi gehaald was, toonde hij zich schuw en schichtig, een jonge tijgerkat gelijk. Hij kon niet begrijpen, dat iemand belang in zijn lot kon stellen, dat iemand alleen uit medeleden hem het leven[238]wenschte te redden. Maar, toen die vier mannen, die zich daar zoo afgezonderd hielden, hem vriendelijk toespraken, alles aanwendden, om hem aan het verstand te brengen, dat hij van hen niets te vreezen had; toen hij ondervond dat zij liefderijk en zacht zijn wond betten en verbonden, hun voedsel met hem deelden; toen ontdooide de ijskorst, die dat jeugdige gemoed omgaf, werd hij spraakzaam, ja mededeelzaam, en eindigde met de vragen, die Johannes hem deed, openhartig te beantwoorden.Voorzeker, om een menschenleven te redden, had deze zich het lot van dien jongeling aangetrokken; maar vooral ook om bekend te worden met den aard en de bedoeling van den krijgstocht van Tomonggong Soerapatti. Na de genegenheid van den gevangene gewonnen te hebben, vernam hij al ras, dat Soerapatti met ongeveer 1200 man uit soengei Lahej opgerukt was, met het doel, om in de eerste plaats zich op Amai Mawong te wreken en vervolgens om de Kapoeas- en Kahajanstreken te vuur en te zwaard af te loopen. Hij had een macht van ongeveer 200 strijders voor kotta Hamiak, onder aanvoering van zijn zoon Goesti Kornel achtergelaten, met opdracht, die sterkte te verwoesten en hem het hoofd zijns vijands te brengen. Met het andere gedeelte was hij voortgetrokken naar Kahajan en was kotta Oepon-Batoe het eerste doel van dien tocht. Daar voerde Tomonggong Toendan bevel en ook deze werd tot de aartsvijanden van het Doessonsche hoofd gerekend. De gevangene verhaalde, dat bij dien hoofdtroep verscheidene strijders met geweren gewapend waren, ook dat die drie of vier kanonstukjes met zich voerden. Die vuurwapenen waren afkomstig van het „banama apoei hai,” het groote vuurschip, zooals de Doessonners de veroverde „Onrust” groothartig noemen. Het plan was om, langs de[239]soengei Sirat voort te stevenen zoover men kon, tot aan Njakatan1. Daar zou de weg landwaarts ingeslagen worden; men zou de rangkans over de heuvelkling slepen, die de waterscheiding uitmaakt en slechts weinige honderd passen breed is, en haar in de soengei Danampat te water laten. Dat riviertje zoude afgevaren worden, om zoo in de soengei Miri te geraken. Deze laatste rivier zoude men bij nacht afvaren, om voorloopig met de bevolking daar geen verwikkelingen te hebben; want Soerapatti haakte er naar, de kotta van Tomonggong Toendan zoo spoedig mogelijk te bemachtigen.Dat waren allen belangrijke mededeelingen, die niet verwaarloosd mochten worden. De betoonde mededoogendheid zoude woekerwinsten afwerpen. Toen de avond gevallen was en de meeste mannelijke bewoners der kotta bij elkander gezeten waren, om de koppen der geslachte krijgsgevangenen van hun vleeschdeelen te ontdoen, gordde Johannes den geredden Doessonner een mandauw om het middel, gaf hem een mandje op den rug, waarin voor verscheidene dagen leeftocht geborgen was, bracht hem buiten de versterking, wees hem naar het oosten, gaf hem een handdruk en liet hem vrij. Geen tweede maal liet de Doessonner dat gebaar herhalen; hij greep de hand zijns weldoeners, legde die op zijn hoofd, terwijl hij een oogenblik den nek boog; en trad toen zonder aarzelen of omkijken op het sombere woud toe, waarin hij als een spookgestalte verdween. Een poos tuurde Johannes hem achterna; toen hij hem evenwel onder de schaduwen van het bosch in veiligheid zag, keerde hij zich om, trad de versterking weer binnen[240]en riep Amai Kotong, Harimaoung Boekit en den zoon van Amai Mawong tot zich, om hun het gehoorde mede te deelen en te beraadslagen wat er te doen stond. Die berichten vielen lang niet in den smaak; zij baarden zelfs eenige ontsteltenis. Want de weg, dien de Doessonners genomen hadden, was juist dezelfde, dien Harimaoung Boekit dacht te volgen. Nu moest het reisplan gewijzigd worden. De hoofden wenschten in persoon den Doessonner te ondervragen, wanneer Tomonggong Soerapatti den tocht naar soengei Miri aanvaard had; maar tot hun groote verontwaardiging was de vogel gevlogen.„Djari gila olo tèh!” (dat mensch is dol) mompelde Harimaoung Boekit op Johannes wijzende.Maar de bewoners van kotta Hamiak berichtten, dat het gevreesde Doessonsche opperhoofd eerst daags te voren den tocht naar soengei Miri ondernomen had.„Er valt dus niet aan te denken, den weg te nemen, dien wij volgen wilden,” sprak Harimaoung Boekit. „Het lijdt geen twijfel, òf we zouden op de hoofdmacht onzer vijanden stuiten òf op een hunner zijtroepen, die door strooptochten in de levensmiddelen moeten voorzien. En om hen in het open veld aan te tasten, daartoe zijn we veel te zwak.”„Hebt ge dan een anderen uitweg?” vroeg Johannes.„Er blijven ons maar twee middelen over. Of hier te kottaHamiakblijven.…”„Loopen we dan geen gevaar ingesloten te worden? Die Doessonners moeten weer naar hun land terug.”„Er zijn zooveel verbindingswegen van de Kahajan naar de Kapoeas en Doesson. In gewone omstandigheden zoude het zelfs niet waarschijnlijk zijn, dat zij hier langs terugkeerden; maar de nederlaag der afdeeling, die zij hier achterlieten om kotta Hamiak te belegeren, zal daar[241]wel wijziging in brengen. De zucht om weerwraak te nemen, zal Soerapatti herwaarts voeren, wanneer hij te Oepon Batoe geslaagd zal zijn.”„Welnu, dan zal het geen zaak zijn hier te blijven,”uitte Johannes als zijn meening. „Er zal nu wel zoo’n groot gevaar niet zijn, dat de kotta genomen zal worden, daar ben ik niet bang voor, maar met de koppigheid en vasthoudendheid van Soerapatti zou het toch aanleiding tot een langdurig beleg geven. Gij zeidet, dat er twee middelen overbleven. Laat hooren het tweede.”„Dat tweede middel,” antwoordde Harimaoung Boekit, „is, dat wij de Doessonners trachten vooruit te komen, niet om dadelijk de soengei Miri, maar om de Kahajan te bereiken.”„Is dat mogelijk?”„Met veel haast en veel inspanning ja. Ziet ge,” ging de Poenan voort, terwijl hij de hand naar het westen uitstrekte, „daar ligt soengei Miri; we moeten evenwel dáár heen gaan,” en te gelijker tijd wees zijn vinger in zuidwestelijke richting. „We zullen de soengei Sirat volgen tot waar zij soengei Mantarat opneemt, alsdan deze laatste opstevenen tot aan de kotta van denzelfden naam. Daar zullen we aan wal stappen, de rangkans op het droge halen en ze tot aan de soengei Minjangan sleepen. Wij laten ze daar te water, zakken die soengei af en komen dan in de Kahajan.”„Mooi gezegd!” riep Johannes. „Maar eerstens, hoe lang is de afstand van de soengei Mantarat tot de soengei Minjangan?”„Wanneer een mensch alleen reist en hij baadt in het eerstgenoemd riviertje, dan is zijn hoofdhaar nog niet droog, wanneer hij het tweede bereikt heeft.”„Jawel, jawel,” lachte Johannes, „die tijdsberekening ken ik. Dat lange in een wrong opgebonden haar, daarenboven[242]beschut door een hoofddoek, droogt niet gauw. Wij zullen maar stellen, dat die eenzame reiziger daartoe vijf of zes uren zal besteden. Hoe is het terrein tusschen de beide soengeis, dat wij door te trekken hebben?”„Het gaat vrij steil omhoog, maar is toch niet zeer moeielijk. Ik heb dien afstand meermalen afgelegd. Eenmaal op den Boekit Riwoet2gekomen, dalen we zachtkens.”„Toch zullen er wel twee dagen mede gemoeid zijn, niet waar, alvorens de rangkans de soengei Minjangan zullen bereikt hebben?”„Ja, dat zeker; zeer waarschijnlijk is het zelfs, dat we twee nachten in het bosch zullen moeten doorbrengen.”„Dat is minder. Maar hoe lang zal de reis op de soengei Minjangan duren?”„Ongeveer een halven dag; dan zijn we op de Kahajan.”„Maar dan? Hoe ver zijn we dan nog van Oepon Batoe?”„Toembang Minjangan ligt op vier „djoeking’s” (hoeken, stroombuigingen) van kotta Oepon Batoe; ik reken dat we flink zullen moeten roeien, om dien afstand in één dag af te leggen.”„Maar zullen we Oepon Batoe voor Tomonggong Soerapatti bereiken?”„Dat is niet zeker. Als we haast maken, misschien wel.”„Maar als we die sterkte reeds belegerd vinden?”„Naughe!” (het kan mij niet schelen) was het luchthartige antwoord van den Poenan, „dan roep ik de stammen[243]van de boven Kahajan te zamen. En dan zullen we zien, wie baas zal spelen.”„Dan mag er geen uur verloren gaan,” was de uitspraak van Johannes. „Morgen ochtend met het krieken van den dag moeten we op weg zijn.”De Poenans en de Kapoeassers waren al gewoon geraakt onder den invloed der Europeanen, om op hun tijd te passen. Toen het dan ook na een rustig doorgebrachten nacht, in het oosten begon te dagen, was reeds alles in rep en roer en staken de rangkans een halfuur later van wal. De bewoners van kotta Hamiak zagen de reizigers, die hun zoo bij tijds ter hulp waren gesneld, met leede oogen vertrekken.De reis tot aan de monding der soengei Mantarat, die men tegen 10 uur des voormiddags bereikte, leverde niets merkwaardigs op. De rangkans stevenden dat riviertje op, hetwelk door zijne geringe diepte, groot verval en vele bochten nog al moeielijkheden opleverde, en bereikten zoo omstreeks 2 uur in den namiddag kotta Mantarat. Daar wist men van den vijand hoegenaamd niets af; als gewoonlijk was daar niemand ontwaard, geen reiziger was zelfs voorbijgetrokken, zoodat de tijdingen, die de reizigers van het beleg van het naburige kotta Hamiak medebrachten veel verwondering, maar ook veel ontsteltenis baarden. De bewoners besloten evenwel dadelijk alles tot een krachtige verdediging klaar te maken. Onwaarschijnlijk was het niet, dat zij een bezoek van een der stroopende benden zouden krijgen.Dat het daar aan de soengei Mantarat zoo rustig bevonden werd, was wel een bewijs, dat de jeugdige Doessonner in zijn erkentelijkheid aan Johannes de waarheid verklaard had.Onze reizigers hielden zich nu in de allereerste plaats bezig, om voor iederen rangkan, die medegenomen zoude[244]worden, een zestal houten rollen te vervaardigen, met welker behulp het vervoer over de waterscheidende heuvels tusschen de Kapoeas en Kahajan niet al te bezwaarlijk zoude gaan. Toen men die rollen bij elkander had, werden de zes stevigste rangkans uitgezocht, gedeeltelijk ontladen, daarna op den wal getrokken en ieder op haar rollen geplaatst. Die vaartuigen werden nu weder geladen en daarin werd ook de inhoud der achterblijvende vaartuigen voor zooveel noodig geborgen. De reizigers beijverden zich vervolgens touwen van rottan of andere slingerplanten te vervaardigen, om tot trekwerktuigen gebezigd te worden. Van de rottankabels en kettings, uit soengei Basarang en Naning medegebracht, zoude geen gebruik gemaakt worden; die werden zorgvuldig bewaard, omdat op de Kahajan en ook op de soengei Miri nog verscheidene kihams te passeeren waren. De avond was al ver gevorderd, toen men met al die toebereidselen gereed kwam, zoodat dan ook een ieder vrij vermoeid onder de hoede van de bewakers der kotta ter ruste ging.Den volgenden morgen werd met het aanbreken van den dag de moeitevolle reis hervat. De weerbare mannen bedroegen nog slechts 72, waaronder Schlickeisen die, hoewel zijn wond zich gunstig het aanzien, evenwel aan geen inspanning kon deel nemen. Het was al wel, dat hij zijn geweer droeg en dat hij de verzekering meende te kunnen geven, zijn wapen als het noodig zoude zijn, te kunnen behandelen. Johannes verdeelde het troepje nu in dier voege, dat tien mannen met geweren gewapend de voorhoede uitmaakten, dat daarachter de zes rangkans volgden, ieder door negen paar armen getrokken of gestuwd, waarachter de vrouwen en kinderen kwamen, die ten slotte door acht geweerdragenden beschermd werden.[245]Aanvankelijk trok de reizende kolonie vrij vlug vooruit. Zoolang het terrein zacht klimmend was, rolden de rangkans goed voort en was niet al te veel inspanning noodig, om hen in beweging te houden. Alleen de plaatsing der rollen onder de vaartuigen vereischte bij het voorttrekken eenige nauwkeurigheid, om tot geene vertraging aanleiding te geven. Maar langzamerhand werden de hellingen steiler, meer scherp en bij gevolg de moeielijkheden grooter. Met de hitte van den dag schenen ook de bezwaren toe te nemen en kwamen er oogenblikken voor, dat het geheele gezelschap bekaf naar den adem stond te snakken. Het pad voerde nu eens over kale heuveltoppen slechts met allang allang begroeid. Op die weggedeelten veroorzaakte het vervoer der rangkans niet bijzonder veel moeite; hoewel het toch een zwaar stuk werk moest heeten, die geladen vaartuigen door dat meterlange gras, waartusschen het pad nauwelijks zichtbaar was, tegen die heuveltoppen op te werken. Maar daar ter plaatse was de hitte onverdraaglijk, dáár blootgesteld aan de volle zonnestralen, was het of men zich tusschen dat groengrijze gras te midden van een oven bevond en rimpelde de onbeschermde huid in den hals, op het aangezicht of op de handen in pijnlijke blaren op. Slingerde het pad door het woud, dan was het daar veel koeler, maar de bezwaren om de rangkans vooruit te krijgen werden daar ontelbaar, schier onoverkomelijk. Hier stuitte men op de hooge en breede wortels van een randoealas, verder zat men verward in de luchtwortels van een wariengien, die met een aantal slingerplanten, deze laatste ruimschoots van doornen voorzien, als een net vormden, waardoor heen slechts met een hakmes in de vuist te breken was. Op andere plaatsen moesten de vaartuigen over omgevallen boomen heen gewerkt worden, die niet om te trekken[246]waren. Vaak gebeurde het, dat de rangkans ontladen moesten worden, om dan met vereende krachten een voor een naar boven of over het beletsel heen getrokken of gezet te worden, bij welken arbeid de hulp der vrouwen volstrekt niet versmaad werd. Het ergste van alles, waren nog de insecten, waarmede men te kampen had. Hier bij het overheen wringen van een vermolmden boom, waarin handen en voeten als in een slijmerige brij zakten, werden de reizigers met een ontelbare massa snuitkevers en torretjes, welke laatsten bij aanraking den walgelijksten stank verspreidden, zoodanig overdekt en geplaagd, dat zij geen raad wisten, hoe zich van die lastige gasten, die in al de plooien des lichaams een toevlucht zochten, te ontdoen. Elders trapten de zwoegenden in nesten van zwarte mieren, die hen als bij tooverslag overdekten en zich met hun nijptangvormige kaken gevoelig wreekten; of viel hun bij het vellen van een boom, die in den weg stond, een regen van roode mieren in den nek, die hen als met vloeibaar vuur overgoot.Iedereen was dan ook dood moe, toen zoo omstreeks drie uur in den namiddag een scherpe hoogte bestegen was, die door haar steilte en rotsachtigheid buitengewoon veel van de krachten onzer reizigers vereischt had. Harimaoung Boekit beweerde dat, wanneer gindsche hoogte bereikt en bestegen was, het zwaarste gedeelte van den weg achter den rug lag. Niemand was echter te bewegen nog een stap voorwaarts te doen; allen haakten naar rust. Er werd dan ook besloten in een boschje, dat de hoogte kroonde, een schuilplaats te zoeken en den nacht daar door te brengen. Een laatste inspanning werd evenwel nog van de afgetobten geëischt, alvorens zij zich ter rust konden leggen. Johannes liet de rangkans in den vorm van een zeshoek rangschikken zoodanig, dat zij een flinke binnenruimte vormden, waarin het geheele[247]reisgezelschap bivouakeeren kon. Bovendien liet hij nog ettelijke jonge boomen omhakken, om langs de facen van die geïmproviseerde borstwering een verhakking daar te stellen, waardoor niet gemakkelijk heen te dringen zoude zijn.De vrouwen beijverden zich het eten klaar te maken en wel met een spoed, die door de hongerigen nog aangewakkerd werd. Toen zij evenwel de rijst wilden wasschen en koken, ontbrak daartoe wel het voornaamste, namelijk: water. Daaraan had niemand gedacht. Van het oogenblik, dat men de soengei Mantarat verlaten had, was geen beekje, geen spruitje, noch bron ontwaard geworden. In den regel wordt die landreis in een zestal uren zonder bijzondere inspanning afgelegd, waarbij de behoefte aan koken of drinken niet, of niet in die mate gevoeld wordt, om tot medevoering van water te noodzaken. Nu zat men erg in het nauw. Wel stoven ettelijke Dajaks en Poenans de wildernis in en afgaande op hun instinct, vonden zij weldra eenige kelken van den „ngagas”, die het helderste water bevatten, en brachten die te huis.De ngagas is een slingerplant, die tot het geslacht der „nepenthes” behoort en bij een vrij bladerloozen stam een menigte ranken vertoont, waaraan de sierlijkste kelkvormige bekers wiegelen, die gewoonlijk ten halve met water, door de plant zelve afgescheiden,3gevuld zijn.[248]Die vondst werd met gejuich ontvangen; want iedereen had dorst en wenschte zich met een koelen dronk te verkwikken; maar om rijst te koken, daartoe was de aangebrachte hoeveelheid veel te min. Men betreurde nu, dat men geen water in bamboegeledingen medegenomen had, ook dat men verzuimd had, de rijst te kotta Mantarat te koken. Maar, wie der reizigers, die dag in dag uit op het water gezwalkt hadden, had kunnen vermoeden, dat men aan water gebrek kon krijgen? Het geval was er nu eenmaal; men zou wat kalampies, of wat gedroogde visch eten en overigens de buikgordels wat aanhalen, om de reclames van de maag het zwijgen op te leggen. Vergenoegde gezichten werden toen weinig ontwaard. Er is niets, dat meer ontstemt, dan een teleurgestelde eetlust. Vooral de kinderen lieten luidkeels hun aanspraken gelden, zich er niet aan storende, dat die niet bevredigd konden worden.Dalim, die vroeger mijnwerker te Pengaron en te Kalangan geweest was, en daar nog al ondervinding opgedaan had, nam zijn mandauw en sloop het naastbijzijnde bosch in, een rotsachtigen heuvel tegemoet, die zich in de nabuurschap verhief. Wat zijn doel was, wist hij zich zelven niet te verklaren; het was meer het instinct van het dier, dat hem naar buiten dreef, dan wel het uitzicht om iets bepaalds buit te maken. Na verloop van ruim een uur keerde hij terug en bracht een in bladeren gewikkeld pak mede. Nauwelijks binnengekomen, hurkte hij op den grond, spreidde eenige bladeren uit, opende[249]het medebrachte pak, waaruit een grauwzwarte massa te voorschijn kwam, die veel had van pijpaarde. Zoodra Harimaoung Boekit die in het oog kreeg, riep hij zegevierende uit:„Ramon petak kinan!” (eetbare aarde), en hurkte naast Dalim neer, wiens maal hij begon te deelen. Beiden, onder toevoeging van hun ration visch met watsahang roebit, die in de wildernis overal groeit, lieten het zich goed smaken. Zij riepen vervolgens de kinderen tot zich, sneden met hun mes voor ieder een flinke schijf af, en stilden zoo den honger en het geschreeuw der lieve kleinen. Zoodra de Poenans hun hoofd zich zoo zagen te goed doen, wisselden zij eenige woorden met Dalim, die hun den heuvel aanwees, waarheen hij getogen was, en stoven derwaarts om weldra terug te keeren en het geheele reisgezelschap van die lekkernij te voorzien.Niet zonder wantrouwen hadden de twee Zwitsers en de Waal dat kostje aangekeken, maar toen zij ook Johannes zagen toetasten en den noodigen ballast innemen; toen zij vernamen, dat het een soort van aarde was, die gegeten kon worden, en zij door hun magen lastig gevallen werden, begonnen ook zij te proeven. Bepaald lekker was het niet te noemen, maar terugstootend of walglijk ook niet; het was eer smakeloos of zonder bepaalden smaak. Een paar korrels zout en wat spaansche peper hielpen de deglutitie. Veel kon er evenwel niet van gebruikt worden, want het goed lag zwaar in de maag en kon bepaald voor conscientiestopper dienst doen. Na afgeloopen maaltijd zaten de Europeanen bij elkander en praatten over het wonderland, waar zelfs klei tot voedingsmiddel kan dienen. De geleerde Wienersdorf zat nog met een brok in de hand en pedant, alsof hij bezig aan ’t doceeren was, sprak hij:„Ramon petak kinan is een amorfe fijnkorrelige massa,[250]die tamelijk broos en gemakkelijk tot poeder te wrijven is. Ziet, met het mes is de massa snijdbaar en zichtbaar is op de snede, dat de structuur schieferachtig is, terwijl de snijvlakken een glanzende bruinzwarte kleur vertoonen. Die massa is zonder veel moeite splijtbaar; en ziet, de splijtvlakken zijn mat en grauwzwart van kleur, met hier en daar glanzende punten. De breuk is fijn splinterig. De reuk is zwak bitumineus en het aanvoelen eenigszins vettig. Niet te droge lippen blijven er aan kleven, doordat de stof sterk vocht opzuigt. De smaak.…”„Die hebben wij geproefd, daar is niet veel aan,” viel La Cueille den Zwitser in de rede. „Schei voor den duivel uit met dat geratel, het is om zeeziek te worden.Nom d’une pipe!wat zijn die geleerde lui toch vervelend. Vertel ons liever, of wij dat goedje nog lang zullen moeten eten.”„Neen, mijn waardste Waal,” lachte Johannes over dien uitval, „je zult er morgen ochtend nog je ontbijt mee moeten doen. Bevalt je dien kost, dan kun je er een voorraad van meenemen; maar ik hoop, dat we morgen om dezen tijd bij de soengei Minjangan gekampeerd zullen wezen en dat de vrouwtjes dan vlijtig aan het rijstkoken zullen zijn.”„Goddank!” pruttelde La Cueille, „verbeeldt je dat we dat kostje nog verscheidene dagen zouden moeten verorberen.”„Je zoudt er niets magerder van worden, dat verzeker ik je. Integendeel zou je er een mooie glanzende huid van krijgen. Men mengt daarom die aarde wel eens in het voedsel der honden, of der paarden. Het heeft evenwel een inconvenient.”„En dat is?” vroeg Wienersdorf.„Toch niet dat je een potten- en pannenfabriek in je buik krijgt?” was de vraag van La Cueille.[251]„Niet geheel en al,” lachte Johannes, „maar toch, om bij eenigszins langdurig gebruik tot het slikken van Zwitsersche pillen te noodzaken.”„Dus aanmoediging van de industrie onzer nationale apothekers,” lachten de Zwitsers.Intusschen spoedde de dag ten einde. De zon begon reeds in het westen den boschrand, die niet ver verwijderd lag, aan te raken, toen Hamadoe Wienersdorf tot zich wenkte. Hij ijlde tot haar in de zoete hoop eenige uren in haar bijzijn te kunnen slijten. Maar daarin had hij zich toch verrekend. Integendeel hem wachtte een corvée, die niet zoo aangenaam dan wel een herdersuurtje zoude zijn en daarenboven ietwat gevoelig in haar gevolgen voor den verliefde zoude worden. De lieftallige maagd leed namelijk erg aan dorst en verzocht haar aanbidder toch te trachten, wat water machtig te worden. Zij had al beproefd, eenige harer landslieden over te halen, ettelijke ngagaskelken te gaan halen; maar vermoeid en afgemat als zij zich voelden, waren zij niet te bewegen zich ook maar uit hun liggende houding op te richten. Wienersdorf praaide La Cueille, die toch ook wel wat voor zijn schoone mocht doen, en beiden haalden ook nog Dalim over, om hen te vergezellen. Het drietal drong de wildernis in, in de richting hun door de Poenans gewezen, om de bevallige kelken, met hun, in deze omstandigheden zoo onschatbaren inhoud machtig te worden. Ten einde den kring hunner doorzoekingen zoo ruim mogelijk op te vatten, spraken zij af, dat zij niet bij elkander, maar afzonderlijk zouden zoeken, dat zij zich evenwel niet buiten het bereik van elkanders stem zouden begeven en dat om dat doel te bereiken, zij den kreet van dentakakaknabootsen en beantwoorden zouden.Hun edelmoedige pogingen om de dorstigen te laven,[252]werden met goed gevolg bekroond. Zij hadden geen half uur in het woud gezocht en reeds had ieder hunner een tiental ngagaskelken gevonden. De waternood was evenwel zoo groot in het bivouac, dat zij begrepen, hun vondst niet alleen zeer welkom zoude zijn, maar dat, wanneer de voorraad, dien zij aanbrachten, niet groot was, zij zedelijk geprest zouden worden, om andermaal het bosch in te dringen, ten einde het ontbrekende aan te vullen. Daarom bleven zij nog vergaren en, daar de nepenthesbekers op de plek, die zij bereikt hadden, toevallig overvloedig voorkwamen, waren zij weldra als overladen. Wienersdorf had reeds zijn signaal „taaaak kekākākak” gegeven, waarop door zijn metgezellen geantwoord was; juist wilde hij hun toeroepen, dat het tijd was, om terug te keeren, toen eensklaps iets zwaars, naar den bons te oordeelen, uit den boom, aan wiens voet hij stond, voor hem neerviel. Hij bukte zich, om te zien, wat dat was, en niet zonder verbazing ontwaarde hij daar iets in het hooge gras liggen, dat, ware het niet rood behaard, veel had van een leelijk menschenkind met dikken buik. Het individu, dat daar lag, scheen door den val bedwelmd, althans het bewoog zich niet, was als een bal ineengerold en hield het achterhoofd met beide handen vast, de achterpooten opgetrokken, zóó dat het gezicht tusschen de beide ellebogen en de buik tusschen de knieën uitstaken en goed zichtbaar waren. Er was voor den Zwitser geen twijfel aan, of hetgeen hij daar aan zijn voeten zag, was een aap. Maar van welke soort?„Het is een groote species,” mompelde hij bij zich zelven.En meteen schoof hij zijn vracht ngagaskelken bij haar ranken op een schouder bij elkander, bukte zich en greep het dier in den nek, om het van nabij te zien[253]en des noods mede te nemen, toen hij plotseling iets op zijn rug voelde vallen, ongetwijfeld een dier of een mensch, die hem met krachtige vuist bij den strot greep en hem te gelijker tijd een dracht stokslagen toediende, die een meesterhand kenmerkten.„Himmels kreuz donnerwetter! Schockschwerenoth!” schreeuwde de Zwitser ontsteld, „das ist ja ein Italiener, der so drauf losschlagt.”Hij trachtte zich op te richten, maar dat was zoo gemakkelijk niet. De vracht, die hem op den rug zat, was lang niet licht. Daarbij knelde de hand, die hem bij de keel gegrepen had, als een schroef. Hij weerde zich en poogde ook zijn aanvaller ergens te omvatten, maar dat gelukte niet. Greep hij ook al een arm of poot, dan was hij door de spierkracht van het dier verplicht het los te laten. Inmiddels regende het nog steeds stokslagen en wist de arme Zwitser zich niet te bergen. Eindelijk ademloos en het stikken nabij, begaven hem zijn krachten; hij kon zich niet meer op de been houden, en nog een laatsten kreet uitende:„Helpt! om Godswil helpt!” gilde hij en stortte ter aarde, terwijl hem het bewustzijn begaf.Toen hij weer bijkwam, ontwaarde zijn oog het eerst het zorgvolle gelaat van La Cueille, die over hem gebogen, hem het voorhoofd, de slapen en de polsen met den koelen inhoud der ngagas waschte en daarbij angstvallig zijn bewegingen gadesloeg. Zoodra de Waal zijn makker de oogen zag opendoen, slaakte hij een kreet van vreugde:„Cré nom de noms! tu peux te vanter, de m’avoir fait une jolie peur!” was zijn eerste uitroep. „Mais quelle raclée mon cher! quelle raclée tu as subi!”Wienersdorf stak hem een hand toe; de Waal greep haar en trok hem overeind. Toen betastte zich de[254]Zwitser zorgvuldig het geheele lichaam, maar dat onderzoek viel nog al gunstig uit. Wel voelde hij veel pijn, maar de ledematen waren heel. Op een afstand lag een gedaante op den grond, die Dalim bezig was te knevelen en daartoe de ineengestrengelde ranken van de geplukte ngagas gebruikte.Op het hulpgeschreeuw van Wienersdorf waren de Dajak en de Waal haastig toegesneld. Zoodra zij de twee strijdenden in het oog kregen, riep Dalim met een soort van angst dat enkele woord:„Kahio!”Daarop sneed hij in allerijl een stevigen tak af, vervaardigde zich daarvan een knuppel en beduidde La Cueille spoedig ook zoo te doen. Daarop naderde hij snel de vechtenden en begon den tegenstander van Wienersdorf op zijn beurt geducht af te ranselen. Deze, die tot nu toe door de hitte des gevechts de naderenden niet bemerkt had, liet, zoo onzacht daartoe aangespoord, den Zwitser los en sprong zijn nieuwen vijand met den stok in de vuist te gemoet. Lang duurde het gevecht niet, maar toch lang genoeg, om te doen zien dat, met het meest oorspronkelijke wapen in de hand, de mensch niet opgewassen was tegen het dier, dat als een behendig batonnist rondom zijn tegenstander voltigeerde, diens slagen meesterlijk pareerde en daarbij niet naliet die tegenpartij op een roffel te onthalen, die haar hooren en zien deed vergaan. De kansen begonnen voor Dalim zeer hachelijk te staan. Eindelijk gelukte het den Dajak den knuppel zijns tegenstanders te grijpen en stevig vast te houden. Van dat oogenblik maakte La Cueille, die zich tot nu toe niet in het gevecht had kunnen mengen, omdat de bewegingen der strijdenden met zooveel snelheid geschiedden, dat er evenveel kans bestond om den vriend als den vijand te raken, gebruik, om zijn[255]knuppel met alle kracht fluitende op den schedel van den schermbaas te doen nederkomen. De slag was zoo flink aangebracht, dat het dier met een rauwen kreet in elkander zonk en bewusteloos daar neer lag.„Kahio!” riep Dalim andermaal, terwijl hij zich de pijnlijk getroffen plekken met de eene hand wreef, en met de andere naar het dier wees.„Orang oetan!” zeide La Cueille.„Kahio,” was het wederwoord van den Dajak.„Orang oetan.”„Dia(neen) kahio.”„Dia orang oetan.”Die woordentwist had nog lang kunnen duren; maar daar bewoog Wienersdorf zich lichtelijk kreunende. Ook het dier maakte een beweging en trachtte overeind te krabbelen. Nu wierp zich Dalim op het laatste, deelde het nog een dracht slagen toe, waarna hij het aan armen en voeten bond. Middelerwijl was Wienersdorf onder La Cueille’s goede zorgen weldra op de been. Van de door hen gevonden ngagasbekers waren velen te loor gegaan, platgetrapt of leeg geloopen. Alles bij elkander gerekend, waren evenwel nog een twintigtal ongeschonden en met haar kostelijk vocht gevuld. Men zou nu den terugtocht aannemen, maar toen men het nog steeds bewustelooze dier wilde opnemen, om het naar het bivouac te dragen, bespeurde men dat het een wijfjesaap was, terwijl het bleek, dat het diertje, dat voor den strijd aan de voeten des Zwitsers gevallen was, haar jong was. Toen dat bij zijn moeder gebracht was, trachtte het dadelijk te zuigen.[256]1Njakatan wordt in de Dajaklanden iedere plaats genoemd, alwaar de reis te water eindigt en waar aan wal gestapt wordt, om haar over land te vervolgen.↑2Boekit Riwoet beteekent windberg. Vele heuvels of bergtoppen voeren dien naam. Vooral wanneer zij alleen staan, dus ongedekt den wind vollen toegang verleenen.↑3„Door de plant zelve afgescheiden”, die woorden nam ik van Prof. P. J. Veth over. Met allen eerbied, dien ik voor de wetenschap koester, meen ik de juistheid dier bewering toch te moeten betwijfelen. De Dajaks beweren, dat het water niets dan regenwater is. Zeker is het, dat de smaak daarmede geheel en al overeenkomt. De bedoelde beker is van een sierlijk dekseltje voorzien, dat zich opent, wanneer het regent, en zich vrij hermetisch sluit, wanneer het droog weder is. Dit deksel[248]is zoo gevoelig, dat het voldoende is, wanneer hij gesloten is, er eenige waterdroppels op te sprenkelen, om hem langzaam te zien openen. Ledigt men bij droog weder zulk een kelk, zonder den rank, waaraan hij hangt, af te breken, dan is vier en twintig uren later geen spoor van vocht te ontwaren. Tien van die ngagaskelken zullen ongeveer twee liter water opleveren.↑

[Inhoud]XXVIII.Lijkplechtigheid en lijkverbranding.—Het slachten der krijgsgevangenen.—Een gierenmaaltijd.—Een Doessonsche krijgsgevangene gered.—Berichten van de vijandelijke macht.—Beraadslaging.—Soengei Mantarat.—Over land naar soengei Minjangan.—Gebrek aan water.—De „ngaga’s.”—„Ramon petak kinan.”—Hamadoe dorstig.—Een overval.—Een batonnist.Den volgenden morgen waren alle kottabewoners, ook de Poenans en Kapoeassers in de weer, om de verdere toebereidselen te treffen en de gesneuvelde makkers, die niet tot de bezetting van kotta Hamiak behoorden, te verbranden. Op het binnenplein der versterking werd een „sanggarang” opgericht, een fraai besneden mast, die zich ongeveer tien M. boven den grond verhief. Op den top van dien mast was een houten vogel met uitgespreide vleugels bevestigd, en onmiddellijk daaronder een aarden pot, waaruit de bodem geslagen was. Onder dien pot was een dwarslat aangebracht, die aan weerszijden van den sanggarang een paar d.M. uitstak en waarover heen elf lansen waaiervormig waren vastgemaakt, even veel als er lijken waren, Amai Mawong en de gevallen Siratters niet meegerekend, voor wie de lijkplechtigheden later zouden plaats hebben. De Dajak gelooft dat de zielen van den sanggarang, van den vogel, den pot en de lansen allen in delewoe liau(het[234]zielenverblijf) in een menigte kostbaarheden ten dienste der overledenen veranderd worden.Omdat de betreurden door ’s vijands handen gevallen waren, werd naast den sanggarang een „pantar solangan” opgericht, een driekant bekapte mast, die vijftien M. boven den grond uitstak, waarop een schedel van een der gevallen vijanden geplaatst was. Op ieder der drie vlakken van den mast waren zeven schuinsche inkepingen aangebracht, waarin dunne dwarsstokjes gebonden waren, die ook een paar d.M. uitstaken en waaraan bevallig gekrulde bladeren van den palasboom (een palmsoort) als versierselen waren gehangen.Vlak voor de masten werd een rij sapoendoe’s geplant, die noodlottige palen, waaraan de krijgsgevangenen gebonden moesten worden. En voor het midden dier rij sapoendoe’s werd een aardhoop opgeworpen, die een M. hoog, twee breed en vier lang was. Toen die goed aangestampt was, werd daarop de „pamahei” (brandstapel) opgericht, zijnde dit een regelmatige kubus, die van droog brandhout tot twee M. boven het grondvlak van den aardhoop opgetrokken werd. Op het grondvlak zelf en ook nog op andere plaatsen in de zijwanden, werden mandjes, met hars gevuld, tusschen het hout ingewerkt, om het vuur krachtig te voeden.Toen men daarmede gereed was, verzamelden zich alle aanwezigen in de kotta om den brandstapel en nu werden de lijken der gesneuvelden in hun vollen oorlogstooi daarop gerangschikt. Het hars, in de onderste houtlagen ingewerkt, werd nu op alle zijden van den pamahei in brand gestoken en weldra verhieven zich dikke rookwolken, waartusschen vurige vlammenspitsen lekten. De krijgsgevangenen werden nu uit hun kooien gehaald en aan de sapoendoe’s gebonden. Die menschen zagen er ellendig uit, hun haren hingen hun verward[235]langs de schouders, bij de meesten hing de ewah, het eenige kleedingstuk, dat zij om het lijf hadden, aan flarden om de lendenen. Overigens was hun voorkomen kalm en rustig. Niet uitdagend, maar ook volstrekt niet terneergeslagen. Zoodra zij allen vastgebonden waren, begonnen de Balians hun gezangen en was dat het teeken, om de afzichtelijke plechtigheid te beginnen.Eenige mannen schaarden zich om den brandstapel en bliezen vergiftigde pijltjes in den opdwarrelenden rook, om de booze geesten te verdrijven. Maar het gros sloeg een grooten kring om de arme slachtoffers. In de hooge boomen rondom zaten een troep antangs, hongerige gieren, die wisten wat ging gebeuren.Daar trad Amai Kotong vooruit; hij hief zijn lans op en bracht den eersten krijgsgevangene, die gedood zoude worden, een lichte wond in den schouder toe. Op hem volgde Harimaoung Boekit, daarop de Poenans, de Kapoeassers en de Siratters door elkander. Ieder bracht op zijn beurt een steek toe en maakte plaats voor zijn opvolger. Zoodra allen hun beurt gehad hadden, trad de eerste weer voor. Zoo duurde dat lijden meer dan een half uur; want slechts lichte verwondingen werden toegebracht. Het bloed stroomde en vormde op den grond beekjes en plasjes. Van tijd tot tijd daalde een der gieren van zijn verheven standpunt naar beneden, greep met bek en klauw een gelei van geronnen bloed en hernam zijn plaats in den boom, om zich daar naar hartelust te goed te doen. O! de pijn, het lijden had tot nu toe geen smartkreet aan den gemartelde kunnen ontlokken, maar op dat gezicht steeg de angst van den ongelukkige ten top. Zoo voor oogen te hebben, wat het lot van zijn lijk na den dood zal wezen, was een foltering zoo ontzettend wreed en onmenschelijk, dat het alleen in een duivelenbrein kon opkomen, een[236]krijgsgevangene daaraan te onderwerpen. Machteloos daar aan dien paal gebonden te zijn; niets te kunnen doen, om tegen den onverbiddelijken dood te kampen; toch nog, niettegenstaande alle ondergane ellende en beproeving, niettegenstaande de ondervonden marteling, aan het leven gehecht blijven; maar bij elken lanssteek, bij elken luwen luchtstroom, door de vlucht der nederstrijkende antangs veroorzaakt, die hij gulzig zijn bloed ziet verzwelgen, herinnerd te worden aan het onvermijdelijke, dat was de toestand van den rampzalige, die, hoewel zijn aangezicht slechts angst en vertwijfeling verkondigde, toch geen geluid gaf, dat het hart zijner beulen zou hebben kunnen streelen.Doch, eindelijk was de marteling ten einde; de ongelukkige zakte in elkander, bezweken aan bloedverlies. De menschelijke aanvallers lieten nu eerst af en begaven zich naar het volgende slachtoffer, wiens marteling nu begon. Het nog lauwe lijk hing letterlijk in zijn banden aan den noodlottigen paal en verstijfde zoo in die houding. Nu streken de antangs er op neer en begon een maaltijd, die alleen in afgrijselijkheid op zijde gestreefd wordt, wanneer menschen zich aan het vleesch hunner natuurgenooten vergasten. Een der oudste gieren, „de roode ngabi” zooals de Dajaks hem noemden, had van zijn privilege gebruik gemaakt en de oogen voor zijn buit uitgekozen. Met krachtigen klauw en scherpgehaakten snavel scheurde hij die uit en vloog daarmede in een naastbijzijnden boom. In een oogwenk was het lichaam onherkenbaar, het vertoonde slechts een afzichtelijke bloederige massa, waarin bek en klauw wroetten, totdat eenige Dajaks toesnelden, de roofvogels verdreven, het lijk van zijn banden ontdeden, het onthoofdden en op den brandstapel plaatsten, om het met de lijken zijner vijanden te verbranden.[237]Zoo werden dien dag, onder dezelfde martelingen, onder dezelfde ontzettende omstandigheden nog tien menschelijke wezens ter dood gebracht.De vier Europeanen hadden zich aan dat schouwspel, zoo veel hun mogelijk was, onttrokken. Eerst hadden zij een toevlucht in een hoekje van het binnenplein gezocht, waar zij voor het vreeselijk gezicht gedekt zaten, maar waar de wind hun den schrikkelijken rook van den brandstapel met zijn geuren van gesnerkt vleesch aanbracht. Toen hadden zij aan de andere zijde van het plein onder een afdakje plaats genomen, alwaar zij niet geheel en al het afzichtelijk tooneel ontgaan konden, maar waar zij trachtten zich bezig te houden, met het in orde brengen niet alleen van hun eigene wapenen, maar ook van de geweren door de Dajaks gebruikt, die dat wel noodig hadden. Helaas! de wreedaardige handeling, die plaats had, konden zij niet verhinderen.Johannes had met veel moeite van de hoofden verkregen, dat een der gekwetste Doessonners, die daags te voren binnengebracht en in een karandah opgesloten waren, het leven geschonken en aan hem Johannes als pandeling afgestaan werd. Het was een jongeling van ten naastebij twintig jaren, die bij een zachtmoedig uiterlijk er toch ferm en vastbesloten uitzag. Hij was slechts licht gewond door een houw over het achterhoofd, die, behalve in de schedelhuid, niet diep ingedrongen was. De hevige pijn had hem evenwel bewusteloos doen neerstorten en het was in dien toestand, dat hij krijgsgevangen gemaakt was. Toen hij tot bewustzijn wederkeerde, was hij in een karandah opgesloten.Aanvankelijk, nadat hij uit de kooi gehaald was, toonde hij zich schuw en schichtig, een jonge tijgerkat gelijk. Hij kon niet begrijpen, dat iemand belang in zijn lot kon stellen, dat iemand alleen uit medeleden hem het leven[238]wenschte te redden. Maar, toen die vier mannen, die zich daar zoo afgezonderd hielden, hem vriendelijk toespraken, alles aanwendden, om hem aan het verstand te brengen, dat hij van hen niets te vreezen had; toen hij ondervond dat zij liefderijk en zacht zijn wond betten en verbonden, hun voedsel met hem deelden; toen ontdooide de ijskorst, die dat jeugdige gemoed omgaf, werd hij spraakzaam, ja mededeelzaam, en eindigde met de vragen, die Johannes hem deed, openhartig te beantwoorden.Voorzeker, om een menschenleven te redden, had deze zich het lot van dien jongeling aangetrokken; maar vooral ook om bekend te worden met den aard en de bedoeling van den krijgstocht van Tomonggong Soerapatti. Na de genegenheid van den gevangene gewonnen te hebben, vernam hij al ras, dat Soerapatti met ongeveer 1200 man uit soengei Lahej opgerukt was, met het doel, om in de eerste plaats zich op Amai Mawong te wreken en vervolgens om de Kapoeas- en Kahajanstreken te vuur en te zwaard af te loopen. Hij had een macht van ongeveer 200 strijders voor kotta Hamiak, onder aanvoering van zijn zoon Goesti Kornel achtergelaten, met opdracht, die sterkte te verwoesten en hem het hoofd zijns vijands te brengen. Met het andere gedeelte was hij voortgetrokken naar Kahajan en was kotta Oepon-Batoe het eerste doel van dien tocht. Daar voerde Tomonggong Toendan bevel en ook deze werd tot de aartsvijanden van het Doessonsche hoofd gerekend. De gevangene verhaalde, dat bij dien hoofdtroep verscheidene strijders met geweren gewapend waren, ook dat die drie of vier kanonstukjes met zich voerden. Die vuurwapenen waren afkomstig van het „banama apoei hai,” het groote vuurschip, zooals de Doessonners de veroverde „Onrust” groothartig noemen. Het plan was om, langs de[239]soengei Sirat voort te stevenen zoover men kon, tot aan Njakatan1. Daar zou de weg landwaarts ingeslagen worden; men zou de rangkans over de heuvelkling slepen, die de waterscheiding uitmaakt en slechts weinige honderd passen breed is, en haar in de soengei Danampat te water laten. Dat riviertje zoude afgevaren worden, om zoo in de soengei Miri te geraken. Deze laatste rivier zoude men bij nacht afvaren, om voorloopig met de bevolking daar geen verwikkelingen te hebben; want Soerapatti haakte er naar, de kotta van Tomonggong Toendan zoo spoedig mogelijk te bemachtigen.Dat waren allen belangrijke mededeelingen, die niet verwaarloosd mochten worden. De betoonde mededoogendheid zoude woekerwinsten afwerpen. Toen de avond gevallen was en de meeste mannelijke bewoners der kotta bij elkander gezeten waren, om de koppen der geslachte krijgsgevangenen van hun vleeschdeelen te ontdoen, gordde Johannes den geredden Doessonner een mandauw om het middel, gaf hem een mandje op den rug, waarin voor verscheidene dagen leeftocht geborgen was, bracht hem buiten de versterking, wees hem naar het oosten, gaf hem een handdruk en liet hem vrij. Geen tweede maal liet de Doessonner dat gebaar herhalen; hij greep de hand zijns weldoeners, legde die op zijn hoofd, terwijl hij een oogenblik den nek boog; en trad toen zonder aarzelen of omkijken op het sombere woud toe, waarin hij als een spookgestalte verdween. Een poos tuurde Johannes hem achterna; toen hij hem evenwel onder de schaduwen van het bosch in veiligheid zag, keerde hij zich om, trad de versterking weer binnen[240]en riep Amai Kotong, Harimaoung Boekit en den zoon van Amai Mawong tot zich, om hun het gehoorde mede te deelen en te beraadslagen wat er te doen stond. Die berichten vielen lang niet in den smaak; zij baarden zelfs eenige ontsteltenis. Want de weg, dien de Doessonners genomen hadden, was juist dezelfde, dien Harimaoung Boekit dacht te volgen. Nu moest het reisplan gewijzigd worden. De hoofden wenschten in persoon den Doessonner te ondervragen, wanneer Tomonggong Soerapatti den tocht naar soengei Miri aanvaard had; maar tot hun groote verontwaardiging was de vogel gevlogen.„Djari gila olo tèh!” (dat mensch is dol) mompelde Harimaoung Boekit op Johannes wijzende.Maar de bewoners van kotta Hamiak berichtten, dat het gevreesde Doessonsche opperhoofd eerst daags te voren den tocht naar soengei Miri ondernomen had.„Er valt dus niet aan te denken, den weg te nemen, dien wij volgen wilden,” sprak Harimaoung Boekit. „Het lijdt geen twijfel, òf we zouden op de hoofdmacht onzer vijanden stuiten òf op een hunner zijtroepen, die door strooptochten in de levensmiddelen moeten voorzien. En om hen in het open veld aan te tasten, daartoe zijn we veel te zwak.”„Hebt ge dan een anderen uitweg?” vroeg Johannes.„Er blijven ons maar twee middelen over. Of hier te kottaHamiakblijven.…”„Loopen we dan geen gevaar ingesloten te worden? Die Doessonners moeten weer naar hun land terug.”„Er zijn zooveel verbindingswegen van de Kahajan naar de Kapoeas en Doesson. In gewone omstandigheden zoude het zelfs niet waarschijnlijk zijn, dat zij hier langs terugkeerden; maar de nederlaag der afdeeling, die zij hier achterlieten om kotta Hamiak te belegeren, zal daar[241]wel wijziging in brengen. De zucht om weerwraak te nemen, zal Soerapatti herwaarts voeren, wanneer hij te Oepon Batoe geslaagd zal zijn.”„Welnu, dan zal het geen zaak zijn hier te blijven,”uitte Johannes als zijn meening. „Er zal nu wel zoo’n groot gevaar niet zijn, dat de kotta genomen zal worden, daar ben ik niet bang voor, maar met de koppigheid en vasthoudendheid van Soerapatti zou het toch aanleiding tot een langdurig beleg geven. Gij zeidet, dat er twee middelen overbleven. Laat hooren het tweede.”„Dat tweede middel,” antwoordde Harimaoung Boekit, „is, dat wij de Doessonners trachten vooruit te komen, niet om dadelijk de soengei Miri, maar om de Kahajan te bereiken.”„Is dat mogelijk?”„Met veel haast en veel inspanning ja. Ziet ge,” ging de Poenan voort, terwijl hij de hand naar het westen uitstrekte, „daar ligt soengei Miri; we moeten evenwel dáár heen gaan,” en te gelijker tijd wees zijn vinger in zuidwestelijke richting. „We zullen de soengei Sirat volgen tot waar zij soengei Mantarat opneemt, alsdan deze laatste opstevenen tot aan de kotta van denzelfden naam. Daar zullen we aan wal stappen, de rangkans op het droge halen en ze tot aan de soengei Minjangan sleepen. Wij laten ze daar te water, zakken die soengei af en komen dan in de Kahajan.”„Mooi gezegd!” riep Johannes. „Maar eerstens, hoe lang is de afstand van de soengei Mantarat tot de soengei Minjangan?”„Wanneer een mensch alleen reist en hij baadt in het eerstgenoemd riviertje, dan is zijn hoofdhaar nog niet droog, wanneer hij het tweede bereikt heeft.”„Jawel, jawel,” lachte Johannes, „die tijdsberekening ken ik. Dat lange in een wrong opgebonden haar, daarenboven[242]beschut door een hoofddoek, droogt niet gauw. Wij zullen maar stellen, dat die eenzame reiziger daartoe vijf of zes uren zal besteden. Hoe is het terrein tusschen de beide soengeis, dat wij door te trekken hebben?”„Het gaat vrij steil omhoog, maar is toch niet zeer moeielijk. Ik heb dien afstand meermalen afgelegd. Eenmaal op den Boekit Riwoet2gekomen, dalen we zachtkens.”„Toch zullen er wel twee dagen mede gemoeid zijn, niet waar, alvorens de rangkans de soengei Minjangan zullen bereikt hebben?”„Ja, dat zeker; zeer waarschijnlijk is het zelfs, dat we twee nachten in het bosch zullen moeten doorbrengen.”„Dat is minder. Maar hoe lang zal de reis op de soengei Minjangan duren?”„Ongeveer een halven dag; dan zijn we op de Kahajan.”„Maar dan? Hoe ver zijn we dan nog van Oepon Batoe?”„Toembang Minjangan ligt op vier „djoeking’s” (hoeken, stroombuigingen) van kotta Oepon Batoe; ik reken dat we flink zullen moeten roeien, om dien afstand in één dag af te leggen.”„Maar zullen we Oepon Batoe voor Tomonggong Soerapatti bereiken?”„Dat is niet zeker. Als we haast maken, misschien wel.”„Maar als we die sterkte reeds belegerd vinden?”„Naughe!” (het kan mij niet schelen) was het luchthartige antwoord van den Poenan, „dan roep ik de stammen[243]van de boven Kahajan te zamen. En dan zullen we zien, wie baas zal spelen.”„Dan mag er geen uur verloren gaan,” was de uitspraak van Johannes. „Morgen ochtend met het krieken van den dag moeten we op weg zijn.”De Poenans en de Kapoeassers waren al gewoon geraakt onder den invloed der Europeanen, om op hun tijd te passen. Toen het dan ook na een rustig doorgebrachten nacht, in het oosten begon te dagen, was reeds alles in rep en roer en staken de rangkans een halfuur later van wal. De bewoners van kotta Hamiak zagen de reizigers, die hun zoo bij tijds ter hulp waren gesneld, met leede oogen vertrekken.De reis tot aan de monding der soengei Mantarat, die men tegen 10 uur des voormiddags bereikte, leverde niets merkwaardigs op. De rangkans stevenden dat riviertje op, hetwelk door zijne geringe diepte, groot verval en vele bochten nog al moeielijkheden opleverde, en bereikten zoo omstreeks 2 uur in den namiddag kotta Mantarat. Daar wist men van den vijand hoegenaamd niets af; als gewoonlijk was daar niemand ontwaard, geen reiziger was zelfs voorbijgetrokken, zoodat de tijdingen, die de reizigers van het beleg van het naburige kotta Hamiak medebrachten veel verwondering, maar ook veel ontsteltenis baarden. De bewoners besloten evenwel dadelijk alles tot een krachtige verdediging klaar te maken. Onwaarschijnlijk was het niet, dat zij een bezoek van een der stroopende benden zouden krijgen.Dat het daar aan de soengei Mantarat zoo rustig bevonden werd, was wel een bewijs, dat de jeugdige Doessonner in zijn erkentelijkheid aan Johannes de waarheid verklaard had.Onze reizigers hielden zich nu in de allereerste plaats bezig, om voor iederen rangkan, die medegenomen zoude[244]worden, een zestal houten rollen te vervaardigen, met welker behulp het vervoer over de waterscheidende heuvels tusschen de Kapoeas en Kahajan niet al te bezwaarlijk zoude gaan. Toen men die rollen bij elkander had, werden de zes stevigste rangkans uitgezocht, gedeeltelijk ontladen, daarna op den wal getrokken en ieder op haar rollen geplaatst. Die vaartuigen werden nu weder geladen en daarin werd ook de inhoud der achterblijvende vaartuigen voor zooveel noodig geborgen. De reizigers beijverden zich vervolgens touwen van rottan of andere slingerplanten te vervaardigen, om tot trekwerktuigen gebezigd te worden. Van de rottankabels en kettings, uit soengei Basarang en Naning medegebracht, zoude geen gebruik gemaakt worden; die werden zorgvuldig bewaard, omdat op de Kahajan en ook op de soengei Miri nog verscheidene kihams te passeeren waren. De avond was al ver gevorderd, toen men met al die toebereidselen gereed kwam, zoodat dan ook een ieder vrij vermoeid onder de hoede van de bewakers der kotta ter ruste ging.Den volgenden morgen werd met het aanbreken van den dag de moeitevolle reis hervat. De weerbare mannen bedroegen nog slechts 72, waaronder Schlickeisen die, hoewel zijn wond zich gunstig het aanzien, evenwel aan geen inspanning kon deel nemen. Het was al wel, dat hij zijn geweer droeg en dat hij de verzekering meende te kunnen geven, zijn wapen als het noodig zoude zijn, te kunnen behandelen. Johannes verdeelde het troepje nu in dier voege, dat tien mannen met geweren gewapend de voorhoede uitmaakten, dat daarachter de zes rangkans volgden, ieder door negen paar armen getrokken of gestuwd, waarachter de vrouwen en kinderen kwamen, die ten slotte door acht geweerdragenden beschermd werden.[245]Aanvankelijk trok de reizende kolonie vrij vlug vooruit. Zoolang het terrein zacht klimmend was, rolden de rangkans goed voort en was niet al te veel inspanning noodig, om hen in beweging te houden. Alleen de plaatsing der rollen onder de vaartuigen vereischte bij het voorttrekken eenige nauwkeurigheid, om tot geene vertraging aanleiding te geven. Maar langzamerhand werden de hellingen steiler, meer scherp en bij gevolg de moeielijkheden grooter. Met de hitte van den dag schenen ook de bezwaren toe te nemen en kwamen er oogenblikken voor, dat het geheele gezelschap bekaf naar den adem stond te snakken. Het pad voerde nu eens over kale heuveltoppen slechts met allang allang begroeid. Op die weggedeelten veroorzaakte het vervoer der rangkans niet bijzonder veel moeite; hoewel het toch een zwaar stuk werk moest heeten, die geladen vaartuigen door dat meterlange gras, waartusschen het pad nauwelijks zichtbaar was, tegen die heuveltoppen op te werken. Maar daar ter plaatse was de hitte onverdraaglijk, dáár blootgesteld aan de volle zonnestralen, was het of men zich tusschen dat groengrijze gras te midden van een oven bevond en rimpelde de onbeschermde huid in den hals, op het aangezicht of op de handen in pijnlijke blaren op. Slingerde het pad door het woud, dan was het daar veel koeler, maar de bezwaren om de rangkans vooruit te krijgen werden daar ontelbaar, schier onoverkomelijk. Hier stuitte men op de hooge en breede wortels van een randoealas, verder zat men verward in de luchtwortels van een wariengien, die met een aantal slingerplanten, deze laatste ruimschoots van doornen voorzien, als een net vormden, waardoor heen slechts met een hakmes in de vuist te breken was. Op andere plaatsen moesten de vaartuigen over omgevallen boomen heen gewerkt worden, die niet om te trekken[246]waren. Vaak gebeurde het, dat de rangkans ontladen moesten worden, om dan met vereende krachten een voor een naar boven of over het beletsel heen getrokken of gezet te worden, bij welken arbeid de hulp der vrouwen volstrekt niet versmaad werd. Het ergste van alles, waren nog de insecten, waarmede men te kampen had. Hier bij het overheen wringen van een vermolmden boom, waarin handen en voeten als in een slijmerige brij zakten, werden de reizigers met een ontelbare massa snuitkevers en torretjes, welke laatsten bij aanraking den walgelijksten stank verspreidden, zoodanig overdekt en geplaagd, dat zij geen raad wisten, hoe zich van die lastige gasten, die in al de plooien des lichaams een toevlucht zochten, te ontdoen. Elders trapten de zwoegenden in nesten van zwarte mieren, die hen als bij tooverslag overdekten en zich met hun nijptangvormige kaken gevoelig wreekten; of viel hun bij het vellen van een boom, die in den weg stond, een regen van roode mieren in den nek, die hen als met vloeibaar vuur overgoot.Iedereen was dan ook dood moe, toen zoo omstreeks drie uur in den namiddag een scherpe hoogte bestegen was, die door haar steilte en rotsachtigheid buitengewoon veel van de krachten onzer reizigers vereischt had. Harimaoung Boekit beweerde dat, wanneer gindsche hoogte bereikt en bestegen was, het zwaarste gedeelte van den weg achter den rug lag. Niemand was echter te bewegen nog een stap voorwaarts te doen; allen haakten naar rust. Er werd dan ook besloten in een boschje, dat de hoogte kroonde, een schuilplaats te zoeken en den nacht daar door te brengen. Een laatste inspanning werd evenwel nog van de afgetobten geëischt, alvorens zij zich ter rust konden leggen. Johannes liet de rangkans in den vorm van een zeshoek rangschikken zoodanig, dat zij een flinke binnenruimte vormden, waarin het geheele[247]reisgezelschap bivouakeeren kon. Bovendien liet hij nog ettelijke jonge boomen omhakken, om langs de facen van die geïmproviseerde borstwering een verhakking daar te stellen, waardoor niet gemakkelijk heen te dringen zoude zijn.De vrouwen beijverden zich het eten klaar te maken en wel met een spoed, die door de hongerigen nog aangewakkerd werd. Toen zij evenwel de rijst wilden wasschen en koken, ontbrak daartoe wel het voornaamste, namelijk: water. Daaraan had niemand gedacht. Van het oogenblik, dat men de soengei Mantarat verlaten had, was geen beekje, geen spruitje, noch bron ontwaard geworden. In den regel wordt die landreis in een zestal uren zonder bijzondere inspanning afgelegd, waarbij de behoefte aan koken of drinken niet, of niet in die mate gevoeld wordt, om tot medevoering van water te noodzaken. Nu zat men erg in het nauw. Wel stoven ettelijke Dajaks en Poenans de wildernis in en afgaande op hun instinct, vonden zij weldra eenige kelken van den „ngagas”, die het helderste water bevatten, en brachten die te huis.De ngagas is een slingerplant, die tot het geslacht der „nepenthes” behoort en bij een vrij bladerloozen stam een menigte ranken vertoont, waaraan de sierlijkste kelkvormige bekers wiegelen, die gewoonlijk ten halve met water, door de plant zelve afgescheiden,3gevuld zijn.[248]Die vondst werd met gejuich ontvangen; want iedereen had dorst en wenschte zich met een koelen dronk te verkwikken; maar om rijst te koken, daartoe was de aangebrachte hoeveelheid veel te min. Men betreurde nu, dat men geen water in bamboegeledingen medegenomen had, ook dat men verzuimd had, de rijst te kotta Mantarat te koken. Maar, wie der reizigers, die dag in dag uit op het water gezwalkt hadden, had kunnen vermoeden, dat men aan water gebrek kon krijgen? Het geval was er nu eenmaal; men zou wat kalampies, of wat gedroogde visch eten en overigens de buikgordels wat aanhalen, om de reclames van de maag het zwijgen op te leggen. Vergenoegde gezichten werden toen weinig ontwaard. Er is niets, dat meer ontstemt, dan een teleurgestelde eetlust. Vooral de kinderen lieten luidkeels hun aanspraken gelden, zich er niet aan storende, dat die niet bevredigd konden worden.Dalim, die vroeger mijnwerker te Pengaron en te Kalangan geweest was, en daar nog al ondervinding opgedaan had, nam zijn mandauw en sloop het naastbijzijnde bosch in, een rotsachtigen heuvel tegemoet, die zich in de nabuurschap verhief. Wat zijn doel was, wist hij zich zelven niet te verklaren; het was meer het instinct van het dier, dat hem naar buiten dreef, dan wel het uitzicht om iets bepaalds buit te maken. Na verloop van ruim een uur keerde hij terug en bracht een in bladeren gewikkeld pak mede. Nauwelijks binnengekomen, hurkte hij op den grond, spreidde eenige bladeren uit, opende[249]het medebrachte pak, waaruit een grauwzwarte massa te voorschijn kwam, die veel had van pijpaarde. Zoodra Harimaoung Boekit die in het oog kreeg, riep hij zegevierende uit:„Ramon petak kinan!” (eetbare aarde), en hurkte naast Dalim neer, wiens maal hij begon te deelen. Beiden, onder toevoeging van hun ration visch met watsahang roebit, die in de wildernis overal groeit, lieten het zich goed smaken. Zij riepen vervolgens de kinderen tot zich, sneden met hun mes voor ieder een flinke schijf af, en stilden zoo den honger en het geschreeuw der lieve kleinen. Zoodra de Poenans hun hoofd zich zoo zagen te goed doen, wisselden zij eenige woorden met Dalim, die hun den heuvel aanwees, waarheen hij getogen was, en stoven derwaarts om weldra terug te keeren en het geheele reisgezelschap van die lekkernij te voorzien.Niet zonder wantrouwen hadden de twee Zwitsers en de Waal dat kostje aangekeken, maar toen zij ook Johannes zagen toetasten en den noodigen ballast innemen; toen zij vernamen, dat het een soort van aarde was, die gegeten kon worden, en zij door hun magen lastig gevallen werden, begonnen ook zij te proeven. Bepaald lekker was het niet te noemen, maar terugstootend of walglijk ook niet; het was eer smakeloos of zonder bepaalden smaak. Een paar korrels zout en wat spaansche peper hielpen de deglutitie. Veel kon er evenwel niet van gebruikt worden, want het goed lag zwaar in de maag en kon bepaald voor conscientiestopper dienst doen. Na afgeloopen maaltijd zaten de Europeanen bij elkander en praatten over het wonderland, waar zelfs klei tot voedingsmiddel kan dienen. De geleerde Wienersdorf zat nog met een brok in de hand en pedant, alsof hij bezig aan ’t doceeren was, sprak hij:„Ramon petak kinan is een amorfe fijnkorrelige massa,[250]die tamelijk broos en gemakkelijk tot poeder te wrijven is. Ziet, met het mes is de massa snijdbaar en zichtbaar is op de snede, dat de structuur schieferachtig is, terwijl de snijvlakken een glanzende bruinzwarte kleur vertoonen. Die massa is zonder veel moeite splijtbaar; en ziet, de splijtvlakken zijn mat en grauwzwart van kleur, met hier en daar glanzende punten. De breuk is fijn splinterig. De reuk is zwak bitumineus en het aanvoelen eenigszins vettig. Niet te droge lippen blijven er aan kleven, doordat de stof sterk vocht opzuigt. De smaak.…”„Die hebben wij geproefd, daar is niet veel aan,” viel La Cueille den Zwitser in de rede. „Schei voor den duivel uit met dat geratel, het is om zeeziek te worden.Nom d’une pipe!wat zijn die geleerde lui toch vervelend. Vertel ons liever, of wij dat goedje nog lang zullen moeten eten.”„Neen, mijn waardste Waal,” lachte Johannes over dien uitval, „je zult er morgen ochtend nog je ontbijt mee moeten doen. Bevalt je dien kost, dan kun je er een voorraad van meenemen; maar ik hoop, dat we morgen om dezen tijd bij de soengei Minjangan gekampeerd zullen wezen en dat de vrouwtjes dan vlijtig aan het rijstkoken zullen zijn.”„Goddank!” pruttelde La Cueille, „verbeeldt je dat we dat kostje nog verscheidene dagen zouden moeten verorberen.”„Je zoudt er niets magerder van worden, dat verzeker ik je. Integendeel zou je er een mooie glanzende huid van krijgen. Men mengt daarom die aarde wel eens in het voedsel der honden, of der paarden. Het heeft evenwel een inconvenient.”„En dat is?” vroeg Wienersdorf.„Toch niet dat je een potten- en pannenfabriek in je buik krijgt?” was de vraag van La Cueille.[251]„Niet geheel en al,” lachte Johannes, „maar toch, om bij eenigszins langdurig gebruik tot het slikken van Zwitsersche pillen te noodzaken.”„Dus aanmoediging van de industrie onzer nationale apothekers,” lachten de Zwitsers.Intusschen spoedde de dag ten einde. De zon begon reeds in het westen den boschrand, die niet ver verwijderd lag, aan te raken, toen Hamadoe Wienersdorf tot zich wenkte. Hij ijlde tot haar in de zoete hoop eenige uren in haar bijzijn te kunnen slijten. Maar daarin had hij zich toch verrekend. Integendeel hem wachtte een corvée, die niet zoo aangenaam dan wel een herdersuurtje zoude zijn en daarenboven ietwat gevoelig in haar gevolgen voor den verliefde zoude worden. De lieftallige maagd leed namelijk erg aan dorst en verzocht haar aanbidder toch te trachten, wat water machtig te worden. Zij had al beproefd, eenige harer landslieden over te halen, ettelijke ngagaskelken te gaan halen; maar vermoeid en afgemat als zij zich voelden, waren zij niet te bewegen zich ook maar uit hun liggende houding op te richten. Wienersdorf praaide La Cueille, die toch ook wel wat voor zijn schoone mocht doen, en beiden haalden ook nog Dalim over, om hen te vergezellen. Het drietal drong de wildernis in, in de richting hun door de Poenans gewezen, om de bevallige kelken, met hun, in deze omstandigheden zoo onschatbaren inhoud machtig te worden. Ten einde den kring hunner doorzoekingen zoo ruim mogelijk op te vatten, spraken zij af, dat zij niet bij elkander, maar afzonderlijk zouden zoeken, dat zij zich evenwel niet buiten het bereik van elkanders stem zouden begeven en dat om dat doel te bereiken, zij den kreet van dentakakaknabootsen en beantwoorden zouden.Hun edelmoedige pogingen om de dorstigen te laven,[252]werden met goed gevolg bekroond. Zij hadden geen half uur in het woud gezocht en reeds had ieder hunner een tiental ngagaskelken gevonden. De waternood was evenwel zoo groot in het bivouac, dat zij begrepen, hun vondst niet alleen zeer welkom zoude zijn, maar dat, wanneer de voorraad, dien zij aanbrachten, niet groot was, zij zedelijk geprest zouden worden, om andermaal het bosch in te dringen, ten einde het ontbrekende aan te vullen. Daarom bleven zij nog vergaren en, daar de nepenthesbekers op de plek, die zij bereikt hadden, toevallig overvloedig voorkwamen, waren zij weldra als overladen. Wienersdorf had reeds zijn signaal „taaaak kekākākak” gegeven, waarop door zijn metgezellen geantwoord was; juist wilde hij hun toeroepen, dat het tijd was, om terug te keeren, toen eensklaps iets zwaars, naar den bons te oordeelen, uit den boom, aan wiens voet hij stond, voor hem neerviel. Hij bukte zich, om te zien, wat dat was, en niet zonder verbazing ontwaarde hij daar iets in het hooge gras liggen, dat, ware het niet rood behaard, veel had van een leelijk menschenkind met dikken buik. Het individu, dat daar lag, scheen door den val bedwelmd, althans het bewoog zich niet, was als een bal ineengerold en hield het achterhoofd met beide handen vast, de achterpooten opgetrokken, zóó dat het gezicht tusschen de beide ellebogen en de buik tusschen de knieën uitstaken en goed zichtbaar waren. Er was voor den Zwitser geen twijfel aan, of hetgeen hij daar aan zijn voeten zag, was een aap. Maar van welke soort?„Het is een groote species,” mompelde hij bij zich zelven.En meteen schoof hij zijn vracht ngagaskelken bij haar ranken op een schouder bij elkander, bukte zich en greep het dier in den nek, om het van nabij te zien[253]en des noods mede te nemen, toen hij plotseling iets op zijn rug voelde vallen, ongetwijfeld een dier of een mensch, die hem met krachtige vuist bij den strot greep en hem te gelijker tijd een dracht stokslagen toediende, die een meesterhand kenmerkten.„Himmels kreuz donnerwetter! Schockschwerenoth!” schreeuwde de Zwitser ontsteld, „das ist ja ein Italiener, der so drauf losschlagt.”Hij trachtte zich op te richten, maar dat was zoo gemakkelijk niet. De vracht, die hem op den rug zat, was lang niet licht. Daarbij knelde de hand, die hem bij de keel gegrepen had, als een schroef. Hij weerde zich en poogde ook zijn aanvaller ergens te omvatten, maar dat gelukte niet. Greep hij ook al een arm of poot, dan was hij door de spierkracht van het dier verplicht het los te laten. Inmiddels regende het nog steeds stokslagen en wist de arme Zwitser zich niet te bergen. Eindelijk ademloos en het stikken nabij, begaven hem zijn krachten; hij kon zich niet meer op de been houden, en nog een laatsten kreet uitende:„Helpt! om Godswil helpt!” gilde hij en stortte ter aarde, terwijl hem het bewustzijn begaf.Toen hij weer bijkwam, ontwaarde zijn oog het eerst het zorgvolle gelaat van La Cueille, die over hem gebogen, hem het voorhoofd, de slapen en de polsen met den koelen inhoud der ngagas waschte en daarbij angstvallig zijn bewegingen gadesloeg. Zoodra de Waal zijn makker de oogen zag opendoen, slaakte hij een kreet van vreugde:„Cré nom de noms! tu peux te vanter, de m’avoir fait une jolie peur!” was zijn eerste uitroep. „Mais quelle raclée mon cher! quelle raclée tu as subi!”Wienersdorf stak hem een hand toe; de Waal greep haar en trok hem overeind. Toen betastte zich de[254]Zwitser zorgvuldig het geheele lichaam, maar dat onderzoek viel nog al gunstig uit. Wel voelde hij veel pijn, maar de ledematen waren heel. Op een afstand lag een gedaante op den grond, die Dalim bezig was te knevelen en daartoe de ineengestrengelde ranken van de geplukte ngagas gebruikte.Op het hulpgeschreeuw van Wienersdorf waren de Dajak en de Waal haastig toegesneld. Zoodra zij de twee strijdenden in het oog kregen, riep Dalim met een soort van angst dat enkele woord:„Kahio!”Daarop sneed hij in allerijl een stevigen tak af, vervaardigde zich daarvan een knuppel en beduidde La Cueille spoedig ook zoo te doen. Daarop naderde hij snel de vechtenden en begon den tegenstander van Wienersdorf op zijn beurt geducht af te ranselen. Deze, die tot nu toe door de hitte des gevechts de naderenden niet bemerkt had, liet, zoo onzacht daartoe aangespoord, den Zwitser los en sprong zijn nieuwen vijand met den stok in de vuist te gemoet. Lang duurde het gevecht niet, maar toch lang genoeg, om te doen zien dat, met het meest oorspronkelijke wapen in de hand, de mensch niet opgewassen was tegen het dier, dat als een behendig batonnist rondom zijn tegenstander voltigeerde, diens slagen meesterlijk pareerde en daarbij niet naliet die tegenpartij op een roffel te onthalen, die haar hooren en zien deed vergaan. De kansen begonnen voor Dalim zeer hachelijk te staan. Eindelijk gelukte het den Dajak den knuppel zijns tegenstanders te grijpen en stevig vast te houden. Van dat oogenblik maakte La Cueille, die zich tot nu toe niet in het gevecht had kunnen mengen, omdat de bewegingen der strijdenden met zooveel snelheid geschiedden, dat er evenveel kans bestond om den vriend als den vijand te raken, gebruik, om zijn[255]knuppel met alle kracht fluitende op den schedel van den schermbaas te doen nederkomen. De slag was zoo flink aangebracht, dat het dier met een rauwen kreet in elkander zonk en bewusteloos daar neer lag.„Kahio!” riep Dalim andermaal, terwijl hij zich de pijnlijk getroffen plekken met de eene hand wreef, en met de andere naar het dier wees.„Orang oetan!” zeide La Cueille.„Kahio,” was het wederwoord van den Dajak.„Orang oetan.”„Dia(neen) kahio.”„Dia orang oetan.”Die woordentwist had nog lang kunnen duren; maar daar bewoog Wienersdorf zich lichtelijk kreunende. Ook het dier maakte een beweging en trachtte overeind te krabbelen. Nu wierp zich Dalim op het laatste, deelde het nog een dracht slagen toe, waarna hij het aan armen en voeten bond. Middelerwijl was Wienersdorf onder La Cueille’s goede zorgen weldra op de been. Van de door hen gevonden ngagasbekers waren velen te loor gegaan, platgetrapt of leeg geloopen. Alles bij elkander gerekend, waren evenwel nog een twintigtal ongeschonden en met haar kostelijk vocht gevuld. Men zou nu den terugtocht aannemen, maar toen men het nog steeds bewustelooze dier wilde opnemen, om het naar het bivouac te dragen, bespeurde men dat het een wijfjesaap was, terwijl het bleek, dat het diertje, dat voor den strijd aan de voeten des Zwitsers gevallen was, haar jong was. Toen dat bij zijn moeder gebracht was, trachtte het dadelijk te zuigen.[256]1Njakatan wordt in de Dajaklanden iedere plaats genoemd, alwaar de reis te water eindigt en waar aan wal gestapt wordt, om haar over land te vervolgen.↑2Boekit Riwoet beteekent windberg. Vele heuvels of bergtoppen voeren dien naam. Vooral wanneer zij alleen staan, dus ongedekt den wind vollen toegang verleenen.↑3„Door de plant zelve afgescheiden”, die woorden nam ik van Prof. P. J. Veth over. Met allen eerbied, dien ik voor de wetenschap koester, meen ik de juistheid dier bewering toch te moeten betwijfelen. De Dajaks beweren, dat het water niets dan regenwater is. Zeker is het, dat de smaak daarmede geheel en al overeenkomt. De bedoelde beker is van een sierlijk dekseltje voorzien, dat zich opent, wanneer het regent, en zich vrij hermetisch sluit, wanneer het droog weder is. Dit deksel[248]is zoo gevoelig, dat het voldoende is, wanneer hij gesloten is, er eenige waterdroppels op te sprenkelen, om hem langzaam te zien openen. Ledigt men bij droog weder zulk een kelk, zonder den rank, waaraan hij hangt, af te breken, dan is vier en twintig uren later geen spoor van vocht te ontwaren. Tien van die ngagaskelken zullen ongeveer twee liter water opleveren.↑

XXVIII.Lijkplechtigheid en lijkverbranding.—Het slachten der krijgsgevangenen.—Een gierenmaaltijd.—Een Doessonsche krijgsgevangene gered.—Berichten van de vijandelijke macht.—Beraadslaging.—Soengei Mantarat.—Over land naar soengei Minjangan.—Gebrek aan water.—De „ngaga’s.”—„Ramon petak kinan.”—Hamadoe dorstig.—Een overval.—Een batonnist.

Lijkplechtigheid en lijkverbranding.—Het slachten der krijgsgevangenen.—Een gierenmaaltijd.—Een Doessonsche krijgsgevangene gered.—Berichten van de vijandelijke macht.—Beraadslaging.—Soengei Mantarat.—Over land naar soengei Minjangan.—Gebrek aan water.—De „ngaga’s.”—„Ramon petak kinan.”—Hamadoe dorstig.—Een overval.—Een batonnist.

Lijkplechtigheid en lijkverbranding.—Het slachten der krijgsgevangenen.—Een gierenmaaltijd.—Een Doessonsche krijgsgevangene gered.—Berichten van de vijandelijke macht.—Beraadslaging.—Soengei Mantarat.—Over land naar soengei Minjangan.—Gebrek aan water.—De „ngaga’s.”—„Ramon petak kinan.”—Hamadoe dorstig.—Een overval.—Een batonnist.

Den volgenden morgen waren alle kottabewoners, ook de Poenans en Kapoeassers in de weer, om de verdere toebereidselen te treffen en de gesneuvelde makkers, die niet tot de bezetting van kotta Hamiak behoorden, te verbranden. Op het binnenplein der versterking werd een „sanggarang” opgericht, een fraai besneden mast, die zich ongeveer tien M. boven den grond verhief. Op den top van dien mast was een houten vogel met uitgespreide vleugels bevestigd, en onmiddellijk daaronder een aarden pot, waaruit de bodem geslagen was. Onder dien pot was een dwarslat aangebracht, die aan weerszijden van den sanggarang een paar d.M. uitstak en waarover heen elf lansen waaiervormig waren vastgemaakt, even veel als er lijken waren, Amai Mawong en de gevallen Siratters niet meegerekend, voor wie de lijkplechtigheden later zouden plaats hebben. De Dajak gelooft dat de zielen van den sanggarang, van den vogel, den pot en de lansen allen in delewoe liau(het[234]zielenverblijf) in een menigte kostbaarheden ten dienste der overledenen veranderd worden.Omdat de betreurden door ’s vijands handen gevallen waren, werd naast den sanggarang een „pantar solangan” opgericht, een driekant bekapte mast, die vijftien M. boven den grond uitstak, waarop een schedel van een der gevallen vijanden geplaatst was. Op ieder der drie vlakken van den mast waren zeven schuinsche inkepingen aangebracht, waarin dunne dwarsstokjes gebonden waren, die ook een paar d.M. uitstaken en waaraan bevallig gekrulde bladeren van den palasboom (een palmsoort) als versierselen waren gehangen.Vlak voor de masten werd een rij sapoendoe’s geplant, die noodlottige palen, waaraan de krijgsgevangenen gebonden moesten worden. En voor het midden dier rij sapoendoe’s werd een aardhoop opgeworpen, die een M. hoog, twee breed en vier lang was. Toen die goed aangestampt was, werd daarop de „pamahei” (brandstapel) opgericht, zijnde dit een regelmatige kubus, die van droog brandhout tot twee M. boven het grondvlak van den aardhoop opgetrokken werd. Op het grondvlak zelf en ook nog op andere plaatsen in de zijwanden, werden mandjes, met hars gevuld, tusschen het hout ingewerkt, om het vuur krachtig te voeden.Toen men daarmede gereed was, verzamelden zich alle aanwezigen in de kotta om den brandstapel en nu werden de lijken der gesneuvelden in hun vollen oorlogstooi daarop gerangschikt. Het hars, in de onderste houtlagen ingewerkt, werd nu op alle zijden van den pamahei in brand gestoken en weldra verhieven zich dikke rookwolken, waartusschen vurige vlammenspitsen lekten. De krijgsgevangenen werden nu uit hun kooien gehaald en aan de sapoendoe’s gebonden. Die menschen zagen er ellendig uit, hun haren hingen hun verward[235]langs de schouders, bij de meesten hing de ewah, het eenige kleedingstuk, dat zij om het lijf hadden, aan flarden om de lendenen. Overigens was hun voorkomen kalm en rustig. Niet uitdagend, maar ook volstrekt niet terneergeslagen. Zoodra zij allen vastgebonden waren, begonnen de Balians hun gezangen en was dat het teeken, om de afzichtelijke plechtigheid te beginnen.Eenige mannen schaarden zich om den brandstapel en bliezen vergiftigde pijltjes in den opdwarrelenden rook, om de booze geesten te verdrijven. Maar het gros sloeg een grooten kring om de arme slachtoffers. In de hooge boomen rondom zaten een troep antangs, hongerige gieren, die wisten wat ging gebeuren.Daar trad Amai Kotong vooruit; hij hief zijn lans op en bracht den eersten krijgsgevangene, die gedood zoude worden, een lichte wond in den schouder toe. Op hem volgde Harimaoung Boekit, daarop de Poenans, de Kapoeassers en de Siratters door elkander. Ieder bracht op zijn beurt een steek toe en maakte plaats voor zijn opvolger. Zoodra allen hun beurt gehad hadden, trad de eerste weer voor. Zoo duurde dat lijden meer dan een half uur; want slechts lichte verwondingen werden toegebracht. Het bloed stroomde en vormde op den grond beekjes en plasjes. Van tijd tot tijd daalde een der gieren van zijn verheven standpunt naar beneden, greep met bek en klauw een gelei van geronnen bloed en hernam zijn plaats in den boom, om zich daar naar hartelust te goed te doen. O! de pijn, het lijden had tot nu toe geen smartkreet aan den gemartelde kunnen ontlokken, maar op dat gezicht steeg de angst van den ongelukkige ten top. Zoo voor oogen te hebben, wat het lot van zijn lijk na den dood zal wezen, was een foltering zoo ontzettend wreed en onmenschelijk, dat het alleen in een duivelenbrein kon opkomen, een[236]krijgsgevangene daaraan te onderwerpen. Machteloos daar aan dien paal gebonden te zijn; niets te kunnen doen, om tegen den onverbiddelijken dood te kampen; toch nog, niettegenstaande alle ondergane ellende en beproeving, niettegenstaande de ondervonden marteling, aan het leven gehecht blijven; maar bij elken lanssteek, bij elken luwen luchtstroom, door de vlucht der nederstrijkende antangs veroorzaakt, die hij gulzig zijn bloed ziet verzwelgen, herinnerd te worden aan het onvermijdelijke, dat was de toestand van den rampzalige, die, hoewel zijn aangezicht slechts angst en vertwijfeling verkondigde, toch geen geluid gaf, dat het hart zijner beulen zou hebben kunnen streelen.Doch, eindelijk was de marteling ten einde; de ongelukkige zakte in elkander, bezweken aan bloedverlies. De menschelijke aanvallers lieten nu eerst af en begaven zich naar het volgende slachtoffer, wiens marteling nu begon. Het nog lauwe lijk hing letterlijk in zijn banden aan den noodlottigen paal en verstijfde zoo in die houding. Nu streken de antangs er op neer en begon een maaltijd, die alleen in afgrijselijkheid op zijde gestreefd wordt, wanneer menschen zich aan het vleesch hunner natuurgenooten vergasten. Een der oudste gieren, „de roode ngabi” zooals de Dajaks hem noemden, had van zijn privilege gebruik gemaakt en de oogen voor zijn buit uitgekozen. Met krachtigen klauw en scherpgehaakten snavel scheurde hij die uit en vloog daarmede in een naastbijzijnden boom. In een oogwenk was het lichaam onherkenbaar, het vertoonde slechts een afzichtelijke bloederige massa, waarin bek en klauw wroetten, totdat eenige Dajaks toesnelden, de roofvogels verdreven, het lijk van zijn banden ontdeden, het onthoofdden en op den brandstapel plaatsten, om het met de lijken zijner vijanden te verbranden.[237]Zoo werden dien dag, onder dezelfde martelingen, onder dezelfde ontzettende omstandigheden nog tien menschelijke wezens ter dood gebracht.De vier Europeanen hadden zich aan dat schouwspel, zoo veel hun mogelijk was, onttrokken. Eerst hadden zij een toevlucht in een hoekje van het binnenplein gezocht, waar zij voor het vreeselijk gezicht gedekt zaten, maar waar de wind hun den schrikkelijken rook van den brandstapel met zijn geuren van gesnerkt vleesch aanbracht. Toen hadden zij aan de andere zijde van het plein onder een afdakje plaats genomen, alwaar zij niet geheel en al het afzichtelijk tooneel ontgaan konden, maar waar zij trachtten zich bezig te houden, met het in orde brengen niet alleen van hun eigene wapenen, maar ook van de geweren door de Dajaks gebruikt, die dat wel noodig hadden. Helaas! de wreedaardige handeling, die plaats had, konden zij niet verhinderen.Johannes had met veel moeite van de hoofden verkregen, dat een der gekwetste Doessonners, die daags te voren binnengebracht en in een karandah opgesloten waren, het leven geschonken en aan hem Johannes als pandeling afgestaan werd. Het was een jongeling van ten naastebij twintig jaren, die bij een zachtmoedig uiterlijk er toch ferm en vastbesloten uitzag. Hij was slechts licht gewond door een houw over het achterhoofd, die, behalve in de schedelhuid, niet diep ingedrongen was. De hevige pijn had hem evenwel bewusteloos doen neerstorten en het was in dien toestand, dat hij krijgsgevangen gemaakt was. Toen hij tot bewustzijn wederkeerde, was hij in een karandah opgesloten.Aanvankelijk, nadat hij uit de kooi gehaald was, toonde hij zich schuw en schichtig, een jonge tijgerkat gelijk. Hij kon niet begrijpen, dat iemand belang in zijn lot kon stellen, dat iemand alleen uit medeleden hem het leven[238]wenschte te redden. Maar, toen die vier mannen, die zich daar zoo afgezonderd hielden, hem vriendelijk toespraken, alles aanwendden, om hem aan het verstand te brengen, dat hij van hen niets te vreezen had; toen hij ondervond dat zij liefderijk en zacht zijn wond betten en verbonden, hun voedsel met hem deelden; toen ontdooide de ijskorst, die dat jeugdige gemoed omgaf, werd hij spraakzaam, ja mededeelzaam, en eindigde met de vragen, die Johannes hem deed, openhartig te beantwoorden.Voorzeker, om een menschenleven te redden, had deze zich het lot van dien jongeling aangetrokken; maar vooral ook om bekend te worden met den aard en de bedoeling van den krijgstocht van Tomonggong Soerapatti. Na de genegenheid van den gevangene gewonnen te hebben, vernam hij al ras, dat Soerapatti met ongeveer 1200 man uit soengei Lahej opgerukt was, met het doel, om in de eerste plaats zich op Amai Mawong te wreken en vervolgens om de Kapoeas- en Kahajanstreken te vuur en te zwaard af te loopen. Hij had een macht van ongeveer 200 strijders voor kotta Hamiak, onder aanvoering van zijn zoon Goesti Kornel achtergelaten, met opdracht, die sterkte te verwoesten en hem het hoofd zijns vijands te brengen. Met het andere gedeelte was hij voortgetrokken naar Kahajan en was kotta Oepon-Batoe het eerste doel van dien tocht. Daar voerde Tomonggong Toendan bevel en ook deze werd tot de aartsvijanden van het Doessonsche hoofd gerekend. De gevangene verhaalde, dat bij dien hoofdtroep verscheidene strijders met geweren gewapend waren, ook dat die drie of vier kanonstukjes met zich voerden. Die vuurwapenen waren afkomstig van het „banama apoei hai,” het groote vuurschip, zooals de Doessonners de veroverde „Onrust” groothartig noemen. Het plan was om, langs de[239]soengei Sirat voort te stevenen zoover men kon, tot aan Njakatan1. Daar zou de weg landwaarts ingeslagen worden; men zou de rangkans over de heuvelkling slepen, die de waterscheiding uitmaakt en slechts weinige honderd passen breed is, en haar in de soengei Danampat te water laten. Dat riviertje zoude afgevaren worden, om zoo in de soengei Miri te geraken. Deze laatste rivier zoude men bij nacht afvaren, om voorloopig met de bevolking daar geen verwikkelingen te hebben; want Soerapatti haakte er naar, de kotta van Tomonggong Toendan zoo spoedig mogelijk te bemachtigen.Dat waren allen belangrijke mededeelingen, die niet verwaarloosd mochten worden. De betoonde mededoogendheid zoude woekerwinsten afwerpen. Toen de avond gevallen was en de meeste mannelijke bewoners der kotta bij elkander gezeten waren, om de koppen der geslachte krijgsgevangenen van hun vleeschdeelen te ontdoen, gordde Johannes den geredden Doessonner een mandauw om het middel, gaf hem een mandje op den rug, waarin voor verscheidene dagen leeftocht geborgen was, bracht hem buiten de versterking, wees hem naar het oosten, gaf hem een handdruk en liet hem vrij. Geen tweede maal liet de Doessonner dat gebaar herhalen; hij greep de hand zijns weldoeners, legde die op zijn hoofd, terwijl hij een oogenblik den nek boog; en trad toen zonder aarzelen of omkijken op het sombere woud toe, waarin hij als een spookgestalte verdween. Een poos tuurde Johannes hem achterna; toen hij hem evenwel onder de schaduwen van het bosch in veiligheid zag, keerde hij zich om, trad de versterking weer binnen[240]en riep Amai Kotong, Harimaoung Boekit en den zoon van Amai Mawong tot zich, om hun het gehoorde mede te deelen en te beraadslagen wat er te doen stond. Die berichten vielen lang niet in den smaak; zij baarden zelfs eenige ontsteltenis. Want de weg, dien de Doessonners genomen hadden, was juist dezelfde, dien Harimaoung Boekit dacht te volgen. Nu moest het reisplan gewijzigd worden. De hoofden wenschten in persoon den Doessonner te ondervragen, wanneer Tomonggong Soerapatti den tocht naar soengei Miri aanvaard had; maar tot hun groote verontwaardiging was de vogel gevlogen.„Djari gila olo tèh!” (dat mensch is dol) mompelde Harimaoung Boekit op Johannes wijzende.Maar de bewoners van kotta Hamiak berichtten, dat het gevreesde Doessonsche opperhoofd eerst daags te voren den tocht naar soengei Miri ondernomen had.„Er valt dus niet aan te denken, den weg te nemen, dien wij volgen wilden,” sprak Harimaoung Boekit. „Het lijdt geen twijfel, òf we zouden op de hoofdmacht onzer vijanden stuiten òf op een hunner zijtroepen, die door strooptochten in de levensmiddelen moeten voorzien. En om hen in het open veld aan te tasten, daartoe zijn we veel te zwak.”„Hebt ge dan een anderen uitweg?” vroeg Johannes.„Er blijven ons maar twee middelen over. Of hier te kottaHamiakblijven.…”„Loopen we dan geen gevaar ingesloten te worden? Die Doessonners moeten weer naar hun land terug.”„Er zijn zooveel verbindingswegen van de Kahajan naar de Kapoeas en Doesson. In gewone omstandigheden zoude het zelfs niet waarschijnlijk zijn, dat zij hier langs terugkeerden; maar de nederlaag der afdeeling, die zij hier achterlieten om kotta Hamiak te belegeren, zal daar[241]wel wijziging in brengen. De zucht om weerwraak te nemen, zal Soerapatti herwaarts voeren, wanneer hij te Oepon Batoe geslaagd zal zijn.”„Welnu, dan zal het geen zaak zijn hier te blijven,”uitte Johannes als zijn meening. „Er zal nu wel zoo’n groot gevaar niet zijn, dat de kotta genomen zal worden, daar ben ik niet bang voor, maar met de koppigheid en vasthoudendheid van Soerapatti zou het toch aanleiding tot een langdurig beleg geven. Gij zeidet, dat er twee middelen overbleven. Laat hooren het tweede.”„Dat tweede middel,” antwoordde Harimaoung Boekit, „is, dat wij de Doessonners trachten vooruit te komen, niet om dadelijk de soengei Miri, maar om de Kahajan te bereiken.”„Is dat mogelijk?”„Met veel haast en veel inspanning ja. Ziet ge,” ging de Poenan voort, terwijl hij de hand naar het westen uitstrekte, „daar ligt soengei Miri; we moeten evenwel dáár heen gaan,” en te gelijker tijd wees zijn vinger in zuidwestelijke richting. „We zullen de soengei Sirat volgen tot waar zij soengei Mantarat opneemt, alsdan deze laatste opstevenen tot aan de kotta van denzelfden naam. Daar zullen we aan wal stappen, de rangkans op het droge halen en ze tot aan de soengei Minjangan sleepen. Wij laten ze daar te water, zakken die soengei af en komen dan in de Kahajan.”„Mooi gezegd!” riep Johannes. „Maar eerstens, hoe lang is de afstand van de soengei Mantarat tot de soengei Minjangan?”„Wanneer een mensch alleen reist en hij baadt in het eerstgenoemd riviertje, dan is zijn hoofdhaar nog niet droog, wanneer hij het tweede bereikt heeft.”„Jawel, jawel,” lachte Johannes, „die tijdsberekening ken ik. Dat lange in een wrong opgebonden haar, daarenboven[242]beschut door een hoofddoek, droogt niet gauw. Wij zullen maar stellen, dat die eenzame reiziger daartoe vijf of zes uren zal besteden. Hoe is het terrein tusschen de beide soengeis, dat wij door te trekken hebben?”„Het gaat vrij steil omhoog, maar is toch niet zeer moeielijk. Ik heb dien afstand meermalen afgelegd. Eenmaal op den Boekit Riwoet2gekomen, dalen we zachtkens.”„Toch zullen er wel twee dagen mede gemoeid zijn, niet waar, alvorens de rangkans de soengei Minjangan zullen bereikt hebben?”„Ja, dat zeker; zeer waarschijnlijk is het zelfs, dat we twee nachten in het bosch zullen moeten doorbrengen.”„Dat is minder. Maar hoe lang zal de reis op de soengei Minjangan duren?”„Ongeveer een halven dag; dan zijn we op de Kahajan.”„Maar dan? Hoe ver zijn we dan nog van Oepon Batoe?”„Toembang Minjangan ligt op vier „djoeking’s” (hoeken, stroombuigingen) van kotta Oepon Batoe; ik reken dat we flink zullen moeten roeien, om dien afstand in één dag af te leggen.”„Maar zullen we Oepon Batoe voor Tomonggong Soerapatti bereiken?”„Dat is niet zeker. Als we haast maken, misschien wel.”„Maar als we die sterkte reeds belegerd vinden?”„Naughe!” (het kan mij niet schelen) was het luchthartige antwoord van den Poenan, „dan roep ik de stammen[243]van de boven Kahajan te zamen. En dan zullen we zien, wie baas zal spelen.”„Dan mag er geen uur verloren gaan,” was de uitspraak van Johannes. „Morgen ochtend met het krieken van den dag moeten we op weg zijn.”De Poenans en de Kapoeassers waren al gewoon geraakt onder den invloed der Europeanen, om op hun tijd te passen. Toen het dan ook na een rustig doorgebrachten nacht, in het oosten begon te dagen, was reeds alles in rep en roer en staken de rangkans een halfuur later van wal. De bewoners van kotta Hamiak zagen de reizigers, die hun zoo bij tijds ter hulp waren gesneld, met leede oogen vertrekken.De reis tot aan de monding der soengei Mantarat, die men tegen 10 uur des voormiddags bereikte, leverde niets merkwaardigs op. De rangkans stevenden dat riviertje op, hetwelk door zijne geringe diepte, groot verval en vele bochten nog al moeielijkheden opleverde, en bereikten zoo omstreeks 2 uur in den namiddag kotta Mantarat. Daar wist men van den vijand hoegenaamd niets af; als gewoonlijk was daar niemand ontwaard, geen reiziger was zelfs voorbijgetrokken, zoodat de tijdingen, die de reizigers van het beleg van het naburige kotta Hamiak medebrachten veel verwondering, maar ook veel ontsteltenis baarden. De bewoners besloten evenwel dadelijk alles tot een krachtige verdediging klaar te maken. Onwaarschijnlijk was het niet, dat zij een bezoek van een der stroopende benden zouden krijgen.Dat het daar aan de soengei Mantarat zoo rustig bevonden werd, was wel een bewijs, dat de jeugdige Doessonner in zijn erkentelijkheid aan Johannes de waarheid verklaard had.Onze reizigers hielden zich nu in de allereerste plaats bezig, om voor iederen rangkan, die medegenomen zoude[244]worden, een zestal houten rollen te vervaardigen, met welker behulp het vervoer over de waterscheidende heuvels tusschen de Kapoeas en Kahajan niet al te bezwaarlijk zoude gaan. Toen men die rollen bij elkander had, werden de zes stevigste rangkans uitgezocht, gedeeltelijk ontladen, daarna op den wal getrokken en ieder op haar rollen geplaatst. Die vaartuigen werden nu weder geladen en daarin werd ook de inhoud der achterblijvende vaartuigen voor zooveel noodig geborgen. De reizigers beijverden zich vervolgens touwen van rottan of andere slingerplanten te vervaardigen, om tot trekwerktuigen gebezigd te worden. Van de rottankabels en kettings, uit soengei Basarang en Naning medegebracht, zoude geen gebruik gemaakt worden; die werden zorgvuldig bewaard, omdat op de Kahajan en ook op de soengei Miri nog verscheidene kihams te passeeren waren. De avond was al ver gevorderd, toen men met al die toebereidselen gereed kwam, zoodat dan ook een ieder vrij vermoeid onder de hoede van de bewakers der kotta ter ruste ging.Den volgenden morgen werd met het aanbreken van den dag de moeitevolle reis hervat. De weerbare mannen bedroegen nog slechts 72, waaronder Schlickeisen die, hoewel zijn wond zich gunstig het aanzien, evenwel aan geen inspanning kon deel nemen. Het was al wel, dat hij zijn geweer droeg en dat hij de verzekering meende te kunnen geven, zijn wapen als het noodig zoude zijn, te kunnen behandelen. Johannes verdeelde het troepje nu in dier voege, dat tien mannen met geweren gewapend de voorhoede uitmaakten, dat daarachter de zes rangkans volgden, ieder door negen paar armen getrokken of gestuwd, waarachter de vrouwen en kinderen kwamen, die ten slotte door acht geweerdragenden beschermd werden.[245]Aanvankelijk trok de reizende kolonie vrij vlug vooruit. Zoolang het terrein zacht klimmend was, rolden de rangkans goed voort en was niet al te veel inspanning noodig, om hen in beweging te houden. Alleen de plaatsing der rollen onder de vaartuigen vereischte bij het voorttrekken eenige nauwkeurigheid, om tot geene vertraging aanleiding te geven. Maar langzamerhand werden de hellingen steiler, meer scherp en bij gevolg de moeielijkheden grooter. Met de hitte van den dag schenen ook de bezwaren toe te nemen en kwamen er oogenblikken voor, dat het geheele gezelschap bekaf naar den adem stond te snakken. Het pad voerde nu eens over kale heuveltoppen slechts met allang allang begroeid. Op die weggedeelten veroorzaakte het vervoer der rangkans niet bijzonder veel moeite; hoewel het toch een zwaar stuk werk moest heeten, die geladen vaartuigen door dat meterlange gras, waartusschen het pad nauwelijks zichtbaar was, tegen die heuveltoppen op te werken. Maar daar ter plaatse was de hitte onverdraaglijk, dáár blootgesteld aan de volle zonnestralen, was het of men zich tusschen dat groengrijze gras te midden van een oven bevond en rimpelde de onbeschermde huid in den hals, op het aangezicht of op de handen in pijnlijke blaren op. Slingerde het pad door het woud, dan was het daar veel koeler, maar de bezwaren om de rangkans vooruit te krijgen werden daar ontelbaar, schier onoverkomelijk. Hier stuitte men op de hooge en breede wortels van een randoealas, verder zat men verward in de luchtwortels van een wariengien, die met een aantal slingerplanten, deze laatste ruimschoots van doornen voorzien, als een net vormden, waardoor heen slechts met een hakmes in de vuist te breken was. Op andere plaatsen moesten de vaartuigen over omgevallen boomen heen gewerkt worden, die niet om te trekken[246]waren. Vaak gebeurde het, dat de rangkans ontladen moesten worden, om dan met vereende krachten een voor een naar boven of over het beletsel heen getrokken of gezet te worden, bij welken arbeid de hulp der vrouwen volstrekt niet versmaad werd. Het ergste van alles, waren nog de insecten, waarmede men te kampen had. Hier bij het overheen wringen van een vermolmden boom, waarin handen en voeten als in een slijmerige brij zakten, werden de reizigers met een ontelbare massa snuitkevers en torretjes, welke laatsten bij aanraking den walgelijksten stank verspreidden, zoodanig overdekt en geplaagd, dat zij geen raad wisten, hoe zich van die lastige gasten, die in al de plooien des lichaams een toevlucht zochten, te ontdoen. Elders trapten de zwoegenden in nesten van zwarte mieren, die hen als bij tooverslag overdekten en zich met hun nijptangvormige kaken gevoelig wreekten; of viel hun bij het vellen van een boom, die in den weg stond, een regen van roode mieren in den nek, die hen als met vloeibaar vuur overgoot.Iedereen was dan ook dood moe, toen zoo omstreeks drie uur in den namiddag een scherpe hoogte bestegen was, die door haar steilte en rotsachtigheid buitengewoon veel van de krachten onzer reizigers vereischt had. Harimaoung Boekit beweerde dat, wanneer gindsche hoogte bereikt en bestegen was, het zwaarste gedeelte van den weg achter den rug lag. Niemand was echter te bewegen nog een stap voorwaarts te doen; allen haakten naar rust. Er werd dan ook besloten in een boschje, dat de hoogte kroonde, een schuilplaats te zoeken en den nacht daar door te brengen. Een laatste inspanning werd evenwel nog van de afgetobten geëischt, alvorens zij zich ter rust konden leggen. Johannes liet de rangkans in den vorm van een zeshoek rangschikken zoodanig, dat zij een flinke binnenruimte vormden, waarin het geheele[247]reisgezelschap bivouakeeren kon. Bovendien liet hij nog ettelijke jonge boomen omhakken, om langs de facen van die geïmproviseerde borstwering een verhakking daar te stellen, waardoor niet gemakkelijk heen te dringen zoude zijn.De vrouwen beijverden zich het eten klaar te maken en wel met een spoed, die door de hongerigen nog aangewakkerd werd. Toen zij evenwel de rijst wilden wasschen en koken, ontbrak daartoe wel het voornaamste, namelijk: water. Daaraan had niemand gedacht. Van het oogenblik, dat men de soengei Mantarat verlaten had, was geen beekje, geen spruitje, noch bron ontwaard geworden. In den regel wordt die landreis in een zestal uren zonder bijzondere inspanning afgelegd, waarbij de behoefte aan koken of drinken niet, of niet in die mate gevoeld wordt, om tot medevoering van water te noodzaken. Nu zat men erg in het nauw. Wel stoven ettelijke Dajaks en Poenans de wildernis in en afgaande op hun instinct, vonden zij weldra eenige kelken van den „ngagas”, die het helderste water bevatten, en brachten die te huis.De ngagas is een slingerplant, die tot het geslacht der „nepenthes” behoort en bij een vrij bladerloozen stam een menigte ranken vertoont, waaraan de sierlijkste kelkvormige bekers wiegelen, die gewoonlijk ten halve met water, door de plant zelve afgescheiden,3gevuld zijn.[248]Die vondst werd met gejuich ontvangen; want iedereen had dorst en wenschte zich met een koelen dronk te verkwikken; maar om rijst te koken, daartoe was de aangebrachte hoeveelheid veel te min. Men betreurde nu, dat men geen water in bamboegeledingen medegenomen had, ook dat men verzuimd had, de rijst te kotta Mantarat te koken. Maar, wie der reizigers, die dag in dag uit op het water gezwalkt hadden, had kunnen vermoeden, dat men aan water gebrek kon krijgen? Het geval was er nu eenmaal; men zou wat kalampies, of wat gedroogde visch eten en overigens de buikgordels wat aanhalen, om de reclames van de maag het zwijgen op te leggen. Vergenoegde gezichten werden toen weinig ontwaard. Er is niets, dat meer ontstemt, dan een teleurgestelde eetlust. Vooral de kinderen lieten luidkeels hun aanspraken gelden, zich er niet aan storende, dat die niet bevredigd konden worden.Dalim, die vroeger mijnwerker te Pengaron en te Kalangan geweest was, en daar nog al ondervinding opgedaan had, nam zijn mandauw en sloop het naastbijzijnde bosch in, een rotsachtigen heuvel tegemoet, die zich in de nabuurschap verhief. Wat zijn doel was, wist hij zich zelven niet te verklaren; het was meer het instinct van het dier, dat hem naar buiten dreef, dan wel het uitzicht om iets bepaalds buit te maken. Na verloop van ruim een uur keerde hij terug en bracht een in bladeren gewikkeld pak mede. Nauwelijks binnengekomen, hurkte hij op den grond, spreidde eenige bladeren uit, opende[249]het medebrachte pak, waaruit een grauwzwarte massa te voorschijn kwam, die veel had van pijpaarde. Zoodra Harimaoung Boekit die in het oog kreeg, riep hij zegevierende uit:„Ramon petak kinan!” (eetbare aarde), en hurkte naast Dalim neer, wiens maal hij begon te deelen. Beiden, onder toevoeging van hun ration visch met watsahang roebit, die in de wildernis overal groeit, lieten het zich goed smaken. Zij riepen vervolgens de kinderen tot zich, sneden met hun mes voor ieder een flinke schijf af, en stilden zoo den honger en het geschreeuw der lieve kleinen. Zoodra de Poenans hun hoofd zich zoo zagen te goed doen, wisselden zij eenige woorden met Dalim, die hun den heuvel aanwees, waarheen hij getogen was, en stoven derwaarts om weldra terug te keeren en het geheele reisgezelschap van die lekkernij te voorzien.Niet zonder wantrouwen hadden de twee Zwitsers en de Waal dat kostje aangekeken, maar toen zij ook Johannes zagen toetasten en den noodigen ballast innemen; toen zij vernamen, dat het een soort van aarde was, die gegeten kon worden, en zij door hun magen lastig gevallen werden, begonnen ook zij te proeven. Bepaald lekker was het niet te noemen, maar terugstootend of walglijk ook niet; het was eer smakeloos of zonder bepaalden smaak. Een paar korrels zout en wat spaansche peper hielpen de deglutitie. Veel kon er evenwel niet van gebruikt worden, want het goed lag zwaar in de maag en kon bepaald voor conscientiestopper dienst doen. Na afgeloopen maaltijd zaten de Europeanen bij elkander en praatten over het wonderland, waar zelfs klei tot voedingsmiddel kan dienen. De geleerde Wienersdorf zat nog met een brok in de hand en pedant, alsof hij bezig aan ’t doceeren was, sprak hij:„Ramon petak kinan is een amorfe fijnkorrelige massa,[250]die tamelijk broos en gemakkelijk tot poeder te wrijven is. Ziet, met het mes is de massa snijdbaar en zichtbaar is op de snede, dat de structuur schieferachtig is, terwijl de snijvlakken een glanzende bruinzwarte kleur vertoonen. Die massa is zonder veel moeite splijtbaar; en ziet, de splijtvlakken zijn mat en grauwzwart van kleur, met hier en daar glanzende punten. De breuk is fijn splinterig. De reuk is zwak bitumineus en het aanvoelen eenigszins vettig. Niet te droge lippen blijven er aan kleven, doordat de stof sterk vocht opzuigt. De smaak.…”„Die hebben wij geproefd, daar is niet veel aan,” viel La Cueille den Zwitser in de rede. „Schei voor den duivel uit met dat geratel, het is om zeeziek te worden.Nom d’une pipe!wat zijn die geleerde lui toch vervelend. Vertel ons liever, of wij dat goedje nog lang zullen moeten eten.”„Neen, mijn waardste Waal,” lachte Johannes over dien uitval, „je zult er morgen ochtend nog je ontbijt mee moeten doen. Bevalt je dien kost, dan kun je er een voorraad van meenemen; maar ik hoop, dat we morgen om dezen tijd bij de soengei Minjangan gekampeerd zullen wezen en dat de vrouwtjes dan vlijtig aan het rijstkoken zullen zijn.”„Goddank!” pruttelde La Cueille, „verbeeldt je dat we dat kostje nog verscheidene dagen zouden moeten verorberen.”„Je zoudt er niets magerder van worden, dat verzeker ik je. Integendeel zou je er een mooie glanzende huid van krijgen. Men mengt daarom die aarde wel eens in het voedsel der honden, of der paarden. Het heeft evenwel een inconvenient.”„En dat is?” vroeg Wienersdorf.„Toch niet dat je een potten- en pannenfabriek in je buik krijgt?” was de vraag van La Cueille.[251]„Niet geheel en al,” lachte Johannes, „maar toch, om bij eenigszins langdurig gebruik tot het slikken van Zwitsersche pillen te noodzaken.”„Dus aanmoediging van de industrie onzer nationale apothekers,” lachten de Zwitsers.Intusschen spoedde de dag ten einde. De zon begon reeds in het westen den boschrand, die niet ver verwijderd lag, aan te raken, toen Hamadoe Wienersdorf tot zich wenkte. Hij ijlde tot haar in de zoete hoop eenige uren in haar bijzijn te kunnen slijten. Maar daarin had hij zich toch verrekend. Integendeel hem wachtte een corvée, die niet zoo aangenaam dan wel een herdersuurtje zoude zijn en daarenboven ietwat gevoelig in haar gevolgen voor den verliefde zoude worden. De lieftallige maagd leed namelijk erg aan dorst en verzocht haar aanbidder toch te trachten, wat water machtig te worden. Zij had al beproefd, eenige harer landslieden over te halen, ettelijke ngagaskelken te gaan halen; maar vermoeid en afgemat als zij zich voelden, waren zij niet te bewegen zich ook maar uit hun liggende houding op te richten. Wienersdorf praaide La Cueille, die toch ook wel wat voor zijn schoone mocht doen, en beiden haalden ook nog Dalim over, om hen te vergezellen. Het drietal drong de wildernis in, in de richting hun door de Poenans gewezen, om de bevallige kelken, met hun, in deze omstandigheden zoo onschatbaren inhoud machtig te worden. Ten einde den kring hunner doorzoekingen zoo ruim mogelijk op te vatten, spraken zij af, dat zij niet bij elkander, maar afzonderlijk zouden zoeken, dat zij zich evenwel niet buiten het bereik van elkanders stem zouden begeven en dat om dat doel te bereiken, zij den kreet van dentakakaknabootsen en beantwoorden zouden.Hun edelmoedige pogingen om de dorstigen te laven,[252]werden met goed gevolg bekroond. Zij hadden geen half uur in het woud gezocht en reeds had ieder hunner een tiental ngagaskelken gevonden. De waternood was evenwel zoo groot in het bivouac, dat zij begrepen, hun vondst niet alleen zeer welkom zoude zijn, maar dat, wanneer de voorraad, dien zij aanbrachten, niet groot was, zij zedelijk geprest zouden worden, om andermaal het bosch in te dringen, ten einde het ontbrekende aan te vullen. Daarom bleven zij nog vergaren en, daar de nepenthesbekers op de plek, die zij bereikt hadden, toevallig overvloedig voorkwamen, waren zij weldra als overladen. Wienersdorf had reeds zijn signaal „taaaak kekākākak” gegeven, waarop door zijn metgezellen geantwoord was; juist wilde hij hun toeroepen, dat het tijd was, om terug te keeren, toen eensklaps iets zwaars, naar den bons te oordeelen, uit den boom, aan wiens voet hij stond, voor hem neerviel. Hij bukte zich, om te zien, wat dat was, en niet zonder verbazing ontwaarde hij daar iets in het hooge gras liggen, dat, ware het niet rood behaard, veel had van een leelijk menschenkind met dikken buik. Het individu, dat daar lag, scheen door den val bedwelmd, althans het bewoog zich niet, was als een bal ineengerold en hield het achterhoofd met beide handen vast, de achterpooten opgetrokken, zóó dat het gezicht tusschen de beide ellebogen en de buik tusschen de knieën uitstaken en goed zichtbaar waren. Er was voor den Zwitser geen twijfel aan, of hetgeen hij daar aan zijn voeten zag, was een aap. Maar van welke soort?„Het is een groote species,” mompelde hij bij zich zelven.En meteen schoof hij zijn vracht ngagaskelken bij haar ranken op een schouder bij elkander, bukte zich en greep het dier in den nek, om het van nabij te zien[253]en des noods mede te nemen, toen hij plotseling iets op zijn rug voelde vallen, ongetwijfeld een dier of een mensch, die hem met krachtige vuist bij den strot greep en hem te gelijker tijd een dracht stokslagen toediende, die een meesterhand kenmerkten.„Himmels kreuz donnerwetter! Schockschwerenoth!” schreeuwde de Zwitser ontsteld, „das ist ja ein Italiener, der so drauf losschlagt.”Hij trachtte zich op te richten, maar dat was zoo gemakkelijk niet. De vracht, die hem op den rug zat, was lang niet licht. Daarbij knelde de hand, die hem bij de keel gegrepen had, als een schroef. Hij weerde zich en poogde ook zijn aanvaller ergens te omvatten, maar dat gelukte niet. Greep hij ook al een arm of poot, dan was hij door de spierkracht van het dier verplicht het los te laten. Inmiddels regende het nog steeds stokslagen en wist de arme Zwitser zich niet te bergen. Eindelijk ademloos en het stikken nabij, begaven hem zijn krachten; hij kon zich niet meer op de been houden, en nog een laatsten kreet uitende:„Helpt! om Godswil helpt!” gilde hij en stortte ter aarde, terwijl hem het bewustzijn begaf.Toen hij weer bijkwam, ontwaarde zijn oog het eerst het zorgvolle gelaat van La Cueille, die over hem gebogen, hem het voorhoofd, de slapen en de polsen met den koelen inhoud der ngagas waschte en daarbij angstvallig zijn bewegingen gadesloeg. Zoodra de Waal zijn makker de oogen zag opendoen, slaakte hij een kreet van vreugde:„Cré nom de noms! tu peux te vanter, de m’avoir fait une jolie peur!” was zijn eerste uitroep. „Mais quelle raclée mon cher! quelle raclée tu as subi!”Wienersdorf stak hem een hand toe; de Waal greep haar en trok hem overeind. Toen betastte zich de[254]Zwitser zorgvuldig het geheele lichaam, maar dat onderzoek viel nog al gunstig uit. Wel voelde hij veel pijn, maar de ledematen waren heel. Op een afstand lag een gedaante op den grond, die Dalim bezig was te knevelen en daartoe de ineengestrengelde ranken van de geplukte ngagas gebruikte.Op het hulpgeschreeuw van Wienersdorf waren de Dajak en de Waal haastig toegesneld. Zoodra zij de twee strijdenden in het oog kregen, riep Dalim met een soort van angst dat enkele woord:„Kahio!”Daarop sneed hij in allerijl een stevigen tak af, vervaardigde zich daarvan een knuppel en beduidde La Cueille spoedig ook zoo te doen. Daarop naderde hij snel de vechtenden en begon den tegenstander van Wienersdorf op zijn beurt geducht af te ranselen. Deze, die tot nu toe door de hitte des gevechts de naderenden niet bemerkt had, liet, zoo onzacht daartoe aangespoord, den Zwitser los en sprong zijn nieuwen vijand met den stok in de vuist te gemoet. Lang duurde het gevecht niet, maar toch lang genoeg, om te doen zien dat, met het meest oorspronkelijke wapen in de hand, de mensch niet opgewassen was tegen het dier, dat als een behendig batonnist rondom zijn tegenstander voltigeerde, diens slagen meesterlijk pareerde en daarbij niet naliet die tegenpartij op een roffel te onthalen, die haar hooren en zien deed vergaan. De kansen begonnen voor Dalim zeer hachelijk te staan. Eindelijk gelukte het den Dajak den knuppel zijns tegenstanders te grijpen en stevig vast te houden. Van dat oogenblik maakte La Cueille, die zich tot nu toe niet in het gevecht had kunnen mengen, omdat de bewegingen der strijdenden met zooveel snelheid geschiedden, dat er evenveel kans bestond om den vriend als den vijand te raken, gebruik, om zijn[255]knuppel met alle kracht fluitende op den schedel van den schermbaas te doen nederkomen. De slag was zoo flink aangebracht, dat het dier met een rauwen kreet in elkander zonk en bewusteloos daar neer lag.„Kahio!” riep Dalim andermaal, terwijl hij zich de pijnlijk getroffen plekken met de eene hand wreef, en met de andere naar het dier wees.„Orang oetan!” zeide La Cueille.„Kahio,” was het wederwoord van den Dajak.„Orang oetan.”„Dia(neen) kahio.”„Dia orang oetan.”Die woordentwist had nog lang kunnen duren; maar daar bewoog Wienersdorf zich lichtelijk kreunende. Ook het dier maakte een beweging en trachtte overeind te krabbelen. Nu wierp zich Dalim op het laatste, deelde het nog een dracht slagen toe, waarna hij het aan armen en voeten bond. Middelerwijl was Wienersdorf onder La Cueille’s goede zorgen weldra op de been. Van de door hen gevonden ngagasbekers waren velen te loor gegaan, platgetrapt of leeg geloopen. Alles bij elkander gerekend, waren evenwel nog een twintigtal ongeschonden en met haar kostelijk vocht gevuld. Men zou nu den terugtocht aannemen, maar toen men het nog steeds bewustelooze dier wilde opnemen, om het naar het bivouac te dragen, bespeurde men dat het een wijfjesaap was, terwijl het bleek, dat het diertje, dat voor den strijd aan de voeten des Zwitsers gevallen was, haar jong was. Toen dat bij zijn moeder gebracht was, trachtte het dadelijk te zuigen.[256]

Den volgenden morgen waren alle kottabewoners, ook de Poenans en Kapoeassers in de weer, om de verdere toebereidselen te treffen en de gesneuvelde makkers, die niet tot de bezetting van kotta Hamiak behoorden, te verbranden. Op het binnenplein der versterking werd een „sanggarang” opgericht, een fraai besneden mast, die zich ongeveer tien M. boven den grond verhief. Op den top van dien mast was een houten vogel met uitgespreide vleugels bevestigd, en onmiddellijk daaronder een aarden pot, waaruit de bodem geslagen was. Onder dien pot was een dwarslat aangebracht, die aan weerszijden van den sanggarang een paar d.M. uitstak en waarover heen elf lansen waaiervormig waren vastgemaakt, even veel als er lijken waren, Amai Mawong en de gevallen Siratters niet meegerekend, voor wie de lijkplechtigheden later zouden plaats hebben. De Dajak gelooft dat de zielen van den sanggarang, van den vogel, den pot en de lansen allen in delewoe liau(het[234]zielenverblijf) in een menigte kostbaarheden ten dienste der overledenen veranderd worden.

Omdat de betreurden door ’s vijands handen gevallen waren, werd naast den sanggarang een „pantar solangan” opgericht, een driekant bekapte mast, die vijftien M. boven den grond uitstak, waarop een schedel van een der gevallen vijanden geplaatst was. Op ieder der drie vlakken van den mast waren zeven schuinsche inkepingen aangebracht, waarin dunne dwarsstokjes gebonden waren, die ook een paar d.M. uitstaken en waaraan bevallig gekrulde bladeren van den palasboom (een palmsoort) als versierselen waren gehangen.

Vlak voor de masten werd een rij sapoendoe’s geplant, die noodlottige palen, waaraan de krijgsgevangenen gebonden moesten worden. En voor het midden dier rij sapoendoe’s werd een aardhoop opgeworpen, die een M. hoog, twee breed en vier lang was. Toen die goed aangestampt was, werd daarop de „pamahei” (brandstapel) opgericht, zijnde dit een regelmatige kubus, die van droog brandhout tot twee M. boven het grondvlak van den aardhoop opgetrokken werd. Op het grondvlak zelf en ook nog op andere plaatsen in de zijwanden, werden mandjes, met hars gevuld, tusschen het hout ingewerkt, om het vuur krachtig te voeden.

Toen men daarmede gereed was, verzamelden zich alle aanwezigen in de kotta om den brandstapel en nu werden de lijken der gesneuvelden in hun vollen oorlogstooi daarop gerangschikt. Het hars, in de onderste houtlagen ingewerkt, werd nu op alle zijden van den pamahei in brand gestoken en weldra verhieven zich dikke rookwolken, waartusschen vurige vlammenspitsen lekten. De krijgsgevangenen werden nu uit hun kooien gehaald en aan de sapoendoe’s gebonden. Die menschen zagen er ellendig uit, hun haren hingen hun verward[235]langs de schouders, bij de meesten hing de ewah, het eenige kleedingstuk, dat zij om het lijf hadden, aan flarden om de lendenen. Overigens was hun voorkomen kalm en rustig. Niet uitdagend, maar ook volstrekt niet terneergeslagen. Zoodra zij allen vastgebonden waren, begonnen de Balians hun gezangen en was dat het teeken, om de afzichtelijke plechtigheid te beginnen.

Eenige mannen schaarden zich om den brandstapel en bliezen vergiftigde pijltjes in den opdwarrelenden rook, om de booze geesten te verdrijven. Maar het gros sloeg een grooten kring om de arme slachtoffers. In de hooge boomen rondom zaten een troep antangs, hongerige gieren, die wisten wat ging gebeuren.

Daar trad Amai Kotong vooruit; hij hief zijn lans op en bracht den eersten krijgsgevangene, die gedood zoude worden, een lichte wond in den schouder toe. Op hem volgde Harimaoung Boekit, daarop de Poenans, de Kapoeassers en de Siratters door elkander. Ieder bracht op zijn beurt een steek toe en maakte plaats voor zijn opvolger. Zoodra allen hun beurt gehad hadden, trad de eerste weer voor. Zoo duurde dat lijden meer dan een half uur; want slechts lichte verwondingen werden toegebracht. Het bloed stroomde en vormde op den grond beekjes en plasjes. Van tijd tot tijd daalde een der gieren van zijn verheven standpunt naar beneden, greep met bek en klauw een gelei van geronnen bloed en hernam zijn plaats in den boom, om zich daar naar hartelust te goed te doen. O! de pijn, het lijden had tot nu toe geen smartkreet aan den gemartelde kunnen ontlokken, maar op dat gezicht steeg de angst van den ongelukkige ten top. Zoo voor oogen te hebben, wat het lot van zijn lijk na den dood zal wezen, was een foltering zoo ontzettend wreed en onmenschelijk, dat het alleen in een duivelenbrein kon opkomen, een[236]krijgsgevangene daaraan te onderwerpen. Machteloos daar aan dien paal gebonden te zijn; niets te kunnen doen, om tegen den onverbiddelijken dood te kampen; toch nog, niettegenstaande alle ondergane ellende en beproeving, niettegenstaande de ondervonden marteling, aan het leven gehecht blijven; maar bij elken lanssteek, bij elken luwen luchtstroom, door de vlucht der nederstrijkende antangs veroorzaakt, die hij gulzig zijn bloed ziet verzwelgen, herinnerd te worden aan het onvermijdelijke, dat was de toestand van den rampzalige, die, hoewel zijn aangezicht slechts angst en vertwijfeling verkondigde, toch geen geluid gaf, dat het hart zijner beulen zou hebben kunnen streelen.

Doch, eindelijk was de marteling ten einde; de ongelukkige zakte in elkander, bezweken aan bloedverlies. De menschelijke aanvallers lieten nu eerst af en begaven zich naar het volgende slachtoffer, wiens marteling nu begon. Het nog lauwe lijk hing letterlijk in zijn banden aan den noodlottigen paal en verstijfde zoo in die houding. Nu streken de antangs er op neer en begon een maaltijd, die alleen in afgrijselijkheid op zijde gestreefd wordt, wanneer menschen zich aan het vleesch hunner natuurgenooten vergasten. Een der oudste gieren, „de roode ngabi” zooals de Dajaks hem noemden, had van zijn privilege gebruik gemaakt en de oogen voor zijn buit uitgekozen. Met krachtigen klauw en scherpgehaakten snavel scheurde hij die uit en vloog daarmede in een naastbijzijnden boom. In een oogwenk was het lichaam onherkenbaar, het vertoonde slechts een afzichtelijke bloederige massa, waarin bek en klauw wroetten, totdat eenige Dajaks toesnelden, de roofvogels verdreven, het lijk van zijn banden ontdeden, het onthoofdden en op den brandstapel plaatsten, om het met de lijken zijner vijanden te verbranden.[237]

Zoo werden dien dag, onder dezelfde martelingen, onder dezelfde ontzettende omstandigheden nog tien menschelijke wezens ter dood gebracht.

De vier Europeanen hadden zich aan dat schouwspel, zoo veel hun mogelijk was, onttrokken. Eerst hadden zij een toevlucht in een hoekje van het binnenplein gezocht, waar zij voor het vreeselijk gezicht gedekt zaten, maar waar de wind hun den schrikkelijken rook van den brandstapel met zijn geuren van gesnerkt vleesch aanbracht. Toen hadden zij aan de andere zijde van het plein onder een afdakje plaats genomen, alwaar zij niet geheel en al het afzichtelijk tooneel ontgaan konden, maar waar zij trachtten zich bezig te houden, met het in orde brengen niet alleen van hun eigene wapenen, maar ook van de geweren door de Dajaks gebruikt, die dat wel noodig hadden. Helaas! de wreedaardige handeling, die plaats had, konden zij niet verhinderen.

Johannes had met veel moeite van de hoofden verkregen, dat een der gekwetste Doessonners, die daags te voren binnengebracht en in een karandah opgesloten waren, het leven geschonken en aan hem Johannes als pandeling afgestaan werd. Het was een jongeling van ten naastebij twintig jaren, die bij een zachtmoedig uiterlijk er toch ferm en vastbesloten uitzag. Hij was slechts licht gewond door een houw over het achterhoofd, die, behalve in de schedelhuid, niet diep ingedrongen was. De hevige pijn had hem evenwel bewusteloos doen neerstorten en het was in dien toestand, dat hij krijgsgevangen gemaakt was. Toen hij tot bewustzijn wederkeerde, was hij in een karandah opgesloten.

Aanvankelijk, nadat hij uit de kooi gehaald was, toonde hij zich schuw en schichtig, een jonge tijgerkat gelijk. Hij kon niet begrijpen, dat iemand belang in zijn lot kon stellen, dat iemand alleen uit medeleden hem het leven[238]wenschte te redden. Maar, toen die vier mannen, die zich daar zoo afgezonderd hielden, hem vriendelijk toespraken, alles aanwendden, om hem aan het verstand te brengen, dat hij van hen niets te vreezen had; toen hij ondervond dat zij liefderijk en zacht zijn wond betten en verbonden, hun voedsel met hem deelden; toen ontdooide de ijskorst, die dat jeugdige gemoed omgaf, werd hij spraakzaam, ja mededeelzaam, en eindigde met de vragen, die Johannes hem deed, openhartig te beantwoorden.

Voorzeker, om een menschenleven te redden, had deze zich het lot van dien jongeling aangetrokken; maar vooral ook om bekend te worden met den aard en de bedoeling van den krijgstocht van Tomonggong Soerapatti. Na de genegenheid van den gevangene gewonnen te hebben, vernam hij al ras, dat Soerapatti met ongeveer 1200 man uit soengei Lahej opgerukt was, met het doel, om in de eerste plaats zich op Amai Mawong te wreken en vervolgens om de Kapoeas- en Kahajanstreken te vuur en te zwaard af te loopen. Hij had een macht van ongeveer 200 strijders voor kotta Hamiak, onder aanvoering van zijn zoon Goesti Kornel achtergelaten, met opdracht, die sterkte te verwoesten en hem het hoofd zijns vijands te brengen. Met het andere gedeelte was hij voortgetrokken naar Kahajan en was kotta Oepon-Batoe het eerste doel van dien tocht. Daar voerde Tomonggong Toendan bevel en ook deze werd tot de aartsvijanden van het Doessonsche hoofd gerekend. De gevangene verhaalde, dat bij dien hoofdtroep verscheidene strijders met geweren gewapend waren, ook dat die drie of vier kanonstukjes met zich voerden. Die vuurwapenen waren afkomstig van het „banama apoei hai,” het groote vuurschip, zooals de Doessonners de veroverde „Onrust” groothartig noemen. Het plan was om, langs de[239]soengei Sirat voort te stevenen zoover men kon, tot aan Njakatan1. Daar zou de weg landwaarts ingeslagen worden; men zou de rangkans over de heuvelkling slepen, die de waterscheiding uitmaakt en slechts weinige honderd passen breed is, en haar in de soengei Danampat te water laten. Dat riviertje zoude afgevaren worden, om zoo in de soengei Miri te geraken. Deze laatste rivier zoude men bij nacht afvaren, om voorloopig met de bevolking daar geen verwikkelingen te hebben; want Soerapatti haakte er naar, de kotta van Tomonggong Toendan zoo spoedig mogelijk te bemachtigen.

Dat waren allen belangrijke mededeelingen, die niet verwaarloosd mochten worden. De betoonde mededoogendheid zoude woekerwinsten afwerpen. Toen de avond gevallen was en de meeste mannelijke bewoners der kotta bij elkander gezeten waren, om de koppen der geslachte krijgsgevangenen van hun vleeschdeelen te ontdoen, gordde Johannes den geredden Doessonner een mandauw om het middel, gaf hem een mandje op den rug, waarin voor verscheidene dagen leeftocht geborgen was, bracht hem buiten de versterking, wees hem naar het oosten, gaf hem een handdruk en liet hem vrij. Geen tweede maal liet de Doessonner dat gebaar herhalen; hij greep de hand zijns weldoeners, legde die op zijn hoofd, terwijl hij een oogenblik den nek boog; en trad toen zonder aarzelen of omkijken op het sombere woud toe, waarin hij als een spookgestalte verdween. Een poos tuurde Johannes hem achterna; toen hij hem evenwel onder de schaduwen van het bosch in veiligheid zag, keerde hij zich om, trad de versterking weer binnen[240]en riep Amai Kotong, Harimaoung Boekit en den zoon van Amai Mawong tot zich, om hun het gehoorde mede te deelen en te beraadslagen wat er te doen stond. Die berichten vielen lang niet in den smaak; zij baarden zelfs eenige ontsteltenis. Want de weg, dien de Doessonners genomen hadden, was juist dezelfde, dien Harimaoung Boekit dacht te volgen. Nu moest het reisplan gewijzigd worden. De hoofden wenschten in persoon den Doessonner te ondervragen, wanneer Tomonggong Soerapatti den tocht naar soengei Miri aanvaard had; maar tot hun groote verontwaardiging was de vogel gevlogen.

„Djari gila olo tèh!” (dat mensch is dol) mompelde Harimaoung Boekit op Johannes wijzende.

Maar de bewoners van kotta Hamiak berichtten, dat het gevreesde Doessonsche opperhoofd eerst daags te voren den tocht naar soengei Miri ondernomen had.

„Er valt dus niet aan te denken, den weg te nemen, dien wij volgen wilden,” sprak Harimaoung Boekit. „Het lijdt geen twijfel, òf we zouden op de hoofdmacht onzer vijanden stuiten òf op een hunner zijtroepen, die door strooptochten in de levensmiddelen moeten voorzien. En om hen in het open veld aan te tasten, daartoe zijn we veel te zwak.”

„Hebt ge dan een anderen uitweg?” vroeg Johannes.

„Er blijven ons maar twee middelen over. Of hier te kottaHamiakblijven.…”

„Loopen we dan geen gevaar ingesloten te worden? Die Doessonners moeten weer naar hun land terug.”

„Er zijn zooveel verbindingswegen van de Kahajan naar de Kapoeas en Doesson. In gewone omstandigheden zoude het zelfs niet waarschijnlijk zijn, dat zij hier langs terugkeerden; maar de nederlaag der afdeeling, die zij hier achterlieten om kotta Hamiak te belegeren, zal daar[241]wel wijziging in brengen. De zucht om weerwraak te nemen, zal Soerapatti herwaarts voeren, wanneer hij te Oepon Batoe geslaagd zal zijn.”

„Welnu, dan zal het geen zaak zijn hier te blijven,”uitte Johannes als zijn meening. „Er zal nu wel zoo’n groot gevaar niet zijn, dat de kotta genomen zal worden, daar ben ik niet bang voor, maar met de koppigheid en vasthoudendheid van Soerapatti zou het toch aanleiding tot een langdurig beleg geven. Gij zeidet, dat er twee middelen overbleven. Laat hooren het tweede.”

„Dat tweede middel,” antwoordde Harimaoung Boekit, „is, dat wij de Doessonners trachten vooruit te komen, niet om dadelijk de soengei Miri, maar om de Kahajan te bereiken.”

„Is dat mogelijk?”

„Met veel haast en veel inspanning ja. Ziet ge,” ging de Poenan voort, terwijl hij de hand naar het westen uitstrekte, „daar ligt soengei Miri; we moeten evenwel dáár heen gaan,” en te gelijker tijd wees zijn vinger in zuidwestelijke richting. „We zullen de soengei Sirat volgen tot waar zij soengei Mantarat opneemt, alsdan deze laatste opstevenen tot aan de kotta van denzelfden naam. Daar zullen we aan wal stappen, de rangkans op het droge halen en ze tot aan de soengei Minjangan sleepen. Wij laten ze daar te water, zakken die soengei af en komen dan in de Kahajan.”

„Mooi gezegd!” riep Johannes. „Maar eerstens, hoe lang is de afstand van de soengei Mantarat tot de soengei Minjangan?”

„Wanneer een mensch alleen reist en hij baadt in het eerstgenoemd riviertje, dan is zijn hoofdhaar nog niet droog, wanneer hij het tweede bereikt heeft.”

„Jawel, jawel,” lachte Johannes, „die tijdsberekening ken ik. Dat lange in een wrong opgebonden haar, daarenboven[242]beschut door een hoofddoek, droogt niet gauw. Wij zullen maar stellen, dat die eenzame reiziger daartoe vijf of zes uren zal besteden. Hoe is het terrein tusschen de beide soengeis, dat wij door te trekken hebben?”

„Het gaat vrij steil omhoog, maar is toch niet zeer moeielijk. Ik heb dien afstand meermalen afgelegd. Eenmaal op den Boekit Riwoet2gekomen, dalen we zachtkens.”

„Toch zullen er wel twee dagen mede gemoeid zijn, niet waar, alvorens de rangkans de soengei Minjangan zullen bereikt hebben?”

„Ja, dat zeker; zeer waarschijnlijk is het zelfs, dat we twee nachten in het bosch zullen moeten doorbrengen.”

„Dat is minder. Maar hoe lang zal de reis op de soengei Minjangan duren?”

„Ongeveer een halven dag; dan zijn we op de Kahajan.”

„Maar dan? Hoe ver zijn we dan nog van Oepon Batoe?”

„Toembang Minjangan ligt op vier „djoeking’s” (hoeken, stroombuigingen) van kotta Oepon Batoe; ik reken dat we flink zullen moeten roeien, om dien afstand in één dag af te leggen.”

„Maar zullen we Oepon Batoe voor Tomonggong Soerapatti bereiken?”

„Dat is niet zeker. Als we haast maken, misschien wel.”

„Maar als we die sterkte reeds belegerd vinden?”

„Naughe!” (het kan mij niet schelen) was het luchthartige antwoord van den Poenan, „dan roep ik de stammen[243]van de boven Kahajan te zamen. En dan zullen we zien, wie baas zal spelen.”

„Dan mag er geen uur verloren gaan,” was de uitspraak van Johannes. „Morgen ochtend met het krieken van den dag moeten we op weg zijn.”

De Poenans en de Kapoeassers waren al gewoon geraakt onder den invloed der Europeanen, om op hun tijd te passen. Toen het dan ook na een rustig doorgebrachten nacht, in het oosten begon te dagen, was reeds alles in rep en roer en staken de rangkans een halfuur later van wal. De bewoners van kotta Hamiak zagen de reizigers, die hun zoo bij tijds ter hulp waren gesneld, met leede oogen vertrekken.

De reis tot aan de monding der soengei Mantarat, die men tegen 10 uur des voormiddags bereikte, leverde niets merkwaardigs op. De rangkans stevenden dat riviertje op, hetwelk door zijne geringe diepte, groot verval en vele bochten nog al moeielijkheden opleverde, en bereikten zoo omstreeks 2 uur in den namiddag kotta Mantarat. Daar wist men van den vijand hoegenaamd niets af; als gewoonlijk was daar niemand ontwaard, geen reiziger was zelfs voorbijgetrokken, zoodat de tijdingen, die de reizigers van het beleg van het naburige kotta Hamiak medebrachten veel verwondering, maar ook veel ontsteltenis baarden. De bewoners besloten evenwel dadelijk alles tot een krachtige verdediging klaar te maken. Onwaarschijnlijk was het niet, dat zij een bezoek van een der stroopende benden zouden krijgen.

Dat het daar aan de soengei Mantarat zoo rustig bevonden werd, was wel een bewijs, dat de jeugdige Doessonner in zijn erkentelijkheid aan Johannes de waarheid verklaard had.

Onze reizigers hielden zich nu in de allereerste plaats bezig, om voor iederen rangkan, die medegenomen zoude[244]worden, een zestal houten rollen te vervaardigen, met welker behulp het vervoer over de waterscheidende heuvels tusschen de Kapoeas en Kahajan niet al te bezwaarlijk zoude gaan. Toen men die rollen bij elkander had, werden de zes stevigste rangkans uitgezocht, gedeeltelijk ontladen, daarna op den wal getrokken en ieder op haar rollen geplaatst. Die vaartuigen werden nu weder geladen en daarin werd ook de inhoud der achterblijvende vaartuigen voor zooveel noodig geborgen. De reizigers beijverden zich vervolgens touwen van rottan of andere slingerplanten te vervaardigen, om tot trekwerktuigen gebezigd te worden. Van de rottankabels en kettings, uit soengei Basarang en Naning medegebracht, zoude geen gebruik gemaakt worden; die werden zorgvuldig bewaard, omdat op de Kahajan en ook op de soengei Miri nog verscheidene kihams te passeeren waren. De avond was al ver gevorderd, toen men met al die toebereidselen gereed kwam, zoodat dan ook een ieder vrij vermoeid onder de hoede van de bewakers der kotta ter ruste ging.

Den volgenden morgen werd met het aanbreken van den dag de moeitevolle reis hervat. De weerbare mannen bedroegen nog slechts 72, waaronder Schlickeisen die, hoewel zijn wond zich gunstig het aanzien, evenwel aan geen inspanning kon deel nemen. Het was al wel, dat hij zijn geweer droeg en dat hij de verzekering meende te kunnen geven, zijn wapen als het noodig zoude zijn, te kunnen behandelen. Johannes verdeelde het troepje nu in dier voege, dat tien mannen met geweren gewapend de voorhoede uitmaakten, dat daarachter de zes rangkans volgden, ieder door negen paar armen getrokken of gestuwd, waarachter de vrouwen en kinderen kwamen, die ten slotte door acht geweerdragenden beschermd werden.[245]

Aanvankelijk trok de reizende kolonie vrij vlug vooruit. Zoolang het terrein zacht klimmend was, rolden de rangkans goed voort en was niet al te veel inspanning noodig, om hen in beweging te houden. Alleen de plaatsing der rollen onder de vaartuigen vereischte bij het voorttrekken eenige nauwkeurigheid, om tot geene vertraging aanleiding te geven. Maar langzamerhand werden de hellingen steiler, meer scherp en bij gevolg de moeielijkheden grooter. Met de hitte van den dag schenen ook de bezwaren toe te nemen en kwamen er oogenblikken voor, dat het geheele gezelschap bekaf naar den adem stond te snakken. Het pad voerde nu eens over kale heuveltoppen slechts met allang allang begroeid. Op die weggedeelten veroorzaakte het vervoer der rangkans niet bijzonder veel moeite; hoewel het toch een zwaar stuk werk moest heeten, die geladen vaartuigen door dat meterlange gras, waartusschen het pad nauwelijks zichtbaar was, tegen die heuveltoppen op te werken. Maar daar ter plaatse was de hitte onverdraaglijk, dáár blootgesteld aan de volle zonnestralen, was het of men zich tusschen dat groengrijze gras te midden van een oven bevond en rimpelde de onbeschermde huid in den hals, op het aangezicht of op de handen in pijnlijke blaren op. Slingerde het pad door het woud, dan was het daar veel koeler, maar de bezwaren om de rangkans vooruit te krijgen werden daar ontelbaar, schier onoverkomelijk. Hier stuitte men op de hooge en breede wortels van een randoealas, verder zat men verward in de luchtwortels van een wariengien, die met een aantal slingerplanten, deze laatste ruimschoots van doornen voorzien, als een net vormden, waardoor heen slechts met een hakmes in de vuist te breken was. Op andere plaatsen moesten de vaartuigen over omgevallen boomen heen gewerkt worden, die niet om te trekken[246]waren. Vaak gebeurde het, dat de rangkans ontladen moesten worden, om dan met vereende krachten een voor een naar boven of over het beletsel heen getrokken of gezet te worden, bij welken arbeid de hulp der vrouwen volstrekt niet versmaad werd. Het ergste van alles, waren nog de insecten, waarmede men te kampen had. Hier bij het overheen wringen van een vermolmden boom, waarin handen en voeten als in een slijmerige brij zakten, werden de reizigers met een ontelbare massa snuitkevers en torretjes, welke laatsten bij aanraking den walgelijksten stank verspreidden, zoodanig overdekt en geplaagd, dat zij geen raad wisten, hoe zich van die lastige gasten, die in al de plooien des lichaams een toevlucht zochten, te ontdoen. Elders trapten de zwoegenden in nesten van zwarte mieren, die hen als bij tooverslag overdekten en zich met hun nijptangvormige kaken gevoelig wreekten; of viel hun bij het vellen van een boom, die in den weg stond, een regen van roode mieren in den nek, die hen als met vloeibaar vuur overgoot.Iedereen was dan ook dood moe, toen zoo omstreeks drie uur in den namiddag een scherpe hoogte bestegen was, die door haar steilte en rotsachtigheid buitengewoon veel van de krachten onzer reizigers vereischt had. Harimaoung Boekit beweerde dat, wanneer gindsche hoogte bereikt en bestegen was, het zwaarste gedeelte van den weg achter den rug lag. Niemand was echter te bewegen nog een stap voorwaarts te doen; allen haakten naar rust. Er werd dan ook besloten in een boschje, dat de hoogte kroonde, een schuilplaats te zoeken en den nacht daar door te brengen. Een laatste inspanning werd evenwel nog van de afgetobten geëischt, alvorens zij zich ter rust konden leggen. Johannes liet de rangkans in den vorm van een zeshoek rangschikken zoodanig, dat zij een flinke binnenruimte vormden, waarin het geheele[247]reisgezelschap bivouakeeren kon. Bovendien liet hij nog ettelijke jonge boomen omhakken, om langs de facen van die geïmproviseerde borstwering een verhakking daar te stellen, waardoor niet gemakkelijk heen te dringen zoude zijn.

De vrouwen beijverden zich het eten klaar te maken en wel met een spoed, die door de hongerigen nog aangewakkerd werd. Toen zij evenwel de rijst wilden wasschen en koken, ontbrak daartoe wel het voornaamste, namelijk: water. Daaraan had niemand gedacht. Van het oogenblik, dat men de soengei Mantarat verlaten had, was geen beekje, geen spruitje, noch bron ontwaard geworden. In den regel wordt die landreis in een zestal uren zonder bijzondere inspanning afgelegd, waarbij de behoefte aan koken of drinken niet, of niet in die mate gevoeld wordt, om tot medevoering van water te noodzaken. Nu zat men erg in het nauw. Wel stoven ettelijke Dajaks en Poenans de wildernis in en afgaande op hun instinct, vonden zij weldra eenige kelken van den „ngagas”, die het helderste water bevatten, en brachten die te huis.

De ngagas is een slingerplant, die tot het geslacht der „nepenthes” behoort en bij een vrij bladerloozen stam een menigte ranken vertoont, waaraan de sierlijkste kelkvormige bekers wiegelen, die gewoonlijk ten halve met water, door de plant zelve afgescheiden,3gevuld zijn.[248]

Die vondst werd met gejuich ontvangen; want iedereen had dorst en wenschte zich met een koelen dronk te verkwikken; maar om rijst te koken, daartoe was de aangebrachte hoeveelheid veel te min. Men betreurde nu, dat men geen water in bamboegeledingen medegenomen had, ook dat men verzuimd had, de rijst te kotta Mantarat te koken. Maar, wie der reizigers, die dag in dag uit op het water gezwalkt hadden, had kunnen vermoeden, dat men aan water gebrek kon krijgen? Het geval was er nu eenmaal; men zou wat kalampies, of wat gedroogde visch eten en overigens de buikgordels wat aanhalen, om de reclames van de maag het zwijgen op te leggen. Vergenoegde gezichten werden toen weinig ontwaard. Er is niets, dat meer ontstemt, dan een teleurgestelde eetlust. Vooral de kinderen lieten luidkeels hun aanspraken gelden, zich er niet aan storende, dat die niet bevredigd konden worden.

Dalim, die vroeger mijnwerker te Pengaron en te Kalangan geweest was, en daar nog al ondervinding opgedaan had, nam zijn mandauw en sloop het naastbijzijnde bosch in, een rotsachtigen heuvel tegemoet, die zich in de nabuurschap verhief. Wat zijn doel was, wist hij zich zelven niet te verklaren; het was meer het instinct van het dier, dat hem naar buiten dreef, dan wel het uitzicht om iets bepaalds buit te maken. Na verloop van ruim een uur keerde hij terug en bracht een in bladeren gewikkeld pak mede. Nauwelijks binnengekomen, hurkte hij op den grond, spreidde eenige bladeren uit, opende[249]het medebrachte pak, waaruit een grauwzwarte massa te voorschijn kwam, die veel had van pijpaarde. Zoodra Harimaoung Boekit die in het oog kreeg, riep hij zegevierende uit:

„Ramon petak kinan!” (eetbare aarde), en hurkte naast Dalim neer, wiens maal hij begon te deelen. Beiden, onder toevoeging van hun ration visch met watsahang roebit, die in de wildernis overal groeit, lieten het zich goed smaken. Zij riepen vervolgens de kinderen tot zich, sneden met hun mes voor ieder een flinke schijf af, en stilden zoo den honger en het geschreeuw der lieve kleinen. Zoodra de Poenans hun hoofd zich zoo zagen te goed doen, wisselden zij eenige woorden met Dalim, die hun den heuvel aanwees, waarheen hij getogen was, en stoven derwaarts om weldra terug te keeren en het geheele reisgezelschap van die lekkernij te voorzien.

Niet zonder wantrouwen hadden de twee Zwitsers en de Waal dat kostje aangekeken, maar toen zij ook Johannes zagen toetasten en den noodigen ballast innemen; toen zij vernamen, dat het een soort van aarde was, die gegeten kon worden, en zij door hun magen lastig gevallen werden, begonnen ook zij te proeven. Bepaald lekker was het niet te noemen, maar terugstootend of walglijk ook niet; het was eer smakeloos of zonder bepaalden smaak. Een paar korrels zout en wat spaansche peper hielpen de deglutitie. Veel kon er evenwel niet van gebruikt worden, want het goed lag zwaar in de maag en kon bepaald voor conscientiestopper dienst doen. Na afgeloopen maaltijd zaten de Europeanen bij elkander en praatten over het wonderland, waar zelfs klei tot voedingsmiddel kan dienen. De geleerde Wienersdorf zat nog met een brok in de hand en pedant, alsof hij bezig aan ’t doceeren was, sprak hij:

„Ramon petak kinan is een amorfe fijnkorrelige massa,[250]die tamelijk broos en gemakkelijk tot poeder te wrijven is. Ziet, met het mes is de massa snijdbaar en zichtbaar is op de snede, dat de structuur schieferachtig is, terwijl de snijvlakken een glanzende bruinzwarte kleur vertoonen. Die massa is zonder veel moeite splijtbaar; en ziet, de splijtvlakken zijn mat en grauwzwart van kleur, met hier en daar glanzende punten. De breuk is fijn splinterig. De reuk is zwak bitumineus en het aanvoelen eenigszins vettig. Niet te droge lippen blijven er aan kleven, doordat de stof sterk vocht opzuigt. De smaak.…”

„Die hebben wij geproefd, daar is niet veel aan,” viel La Cueille den Zwitser in de rede. „Schei voor den duivel uit met dat geratel, het is om zeeziek te worden.Nom d’une pipe!wat zijn die geleerde lui toch vervelend. Vertel ons liever, of wij dat goedje nog lang zullen moeten eten.”

„Neen, mijn waardste Waal,” lachte Johannes over dien uitval, „je zult er morgen ochtend nog je ontbijt mee moeten doen. Bevalt je dien kost, dan kun je er een voorraad van meenemen; maar ik hoop, dat we morgen om dezen tijd bij de soengei Minjangan gekampeerd zullen wezen en dat de vrouwtjes dan vlijtig aan het rijstkoken zullen zijn.”

„Goddank!” pruttelde La Cueille, „verbeeldt je dat we dat kostje nog verscheidene dagen zouden moeten verorberen.”

„Je zoudt er niets magerder van worden, dat verzeker ik je. Integendeel zou je er een mooie glanzende huid van krijgen. Men mengt daarom die aarde wel eens in het voedsel der honden, of der paarden. Het heeft evenwel een inconvenient.”

„En dat is?” vroeg Wienersdorf.

„Toch niet dat je een potten- en pannenfabriek in je buik krijgt?” was de vraag van La Cueille.[251]

„Niet geheel en al,” lachte Johannes, „maar toch, om bij eenigszins langdurig gebruik tot het slikken van Zwitsersche pillen te noodzaken.”

„Dus aanmoediging van de industrie onzer nationale apothekers,” lachten de Zwitsers.

Intusschen spoedde de dag ten einde. De zon begon reeds in het westen den boschrand, die niet ver verwijderd lag, aan te raken, toen Hamadoe Wienersdorf tot zich wenkte. Hij ijlde tot haar in de zoete hoop eenige uren in haar bijzijn te kunnen slijten. Maar daarin had hij zich toch verrekend. Integendeel hem wachtte een corvée, die niet zoo aangenaam dan wel een herdersuurtje zoude zijn en daarenboven ietwat gevoelig in haar gevolgen voor den verliefde zoude worden. De lieftallige maagd leed namelijk erg aan dorst en verzocht haar aanbidder toch te trachten, wat water machtig te worden. Zij had al beproefd, eenige harer landslieden over te halen, ettelijke ngagaskelken te gaan halen; maar vermoeid en afgemat als zij zich voelden, waren zij niet te bewegen zich ook maar uit hun liggende houding op te richten. Wienersdorf praaide La Cueille, die toch ook wel wat voor zijn schoone mocht doen, en beiden haalden ook nog Dalim over, om hen te vergezellen. Het drietal drong de wildernis in, in de richting hun door de Poenans gewezen, om de bevallige kelken, met hun, in deze omstandigheden zoo onschatbaren inhoud machtig te worden. Ten einde den kring hunner doorzoekingen zoo ruim mogelijk op te vatten, spraken zij af, dat zij niet bij elkander, maar afzonderlijk zouden zoeken, dat zij zich evenwel niet buiten het bereik van elkanders stem zouden begeven en dat om dat doel te bereiken, zij den kreet van dentakakaknabootsen en beantwoorden zouden.

Hun edelmoedige pogingen om de dorstigen te laven,[252]werden met goed gevolg bekroond. Zij hadden geen half uur in het woud gezocht en reeds had ieder hunner een tiental ngagaskelken gevonden. De waternood was evenwel zoo groot in het bivouac, dat zij begrepen, hun vondst niet alleen zeer welkom zoude zijn, maar dat, wanneer de voorraad, dien zij aanbrachten, niet groot was, zij zedelijk geprest zouden worden, om andermaal het bosch in te dringen, ten einde het ontbrekende aan te vullen. Daarom bleven zij nog vergaren en, daar de nepenthesbekers op de plek, die zij bereikt hadden, toevallig overvloedig voorkwamen, waren zij weldra als overladen. Wienersdorf had reeds zijn signaal „taaaak kekākākak” gegeven, waarop door zijn metgezellen geantwoord was; juist wilde hij hun toeroepen, dat het tijd was, om terug te keeren, toen eensklaps iets zwaars, naar den bons te oordeelen, uit den boom, aan wiens voet hij stond, voor hem neerviel. Hij bukte zich, om te zien, wat dat was, en niet zonder verbazing ontwaarde hij daar iets in het hooge gras liggen, dat, ware het niet rood behaard, veel had van een leelijk menschenkind met dikken buik. Het individu, dat daar lag, scheen door den val bedwelmd, althans het bewoog zich niet, was als een bal ineengerold en hield het achterhoofd met beide handen vast, de achterpooten opgetrokken, zóó dat het gezicht tusschen de beide ellebogen en de buik tusschen de knieën uitstaken en goed zichtbaar waren. Er was voor den Zwitser geen twijfel aan, of hetgeen hij daar aan zijn voeten zag, was een aap. Maar van welke soort?

„Het is een groote species,” mompelde hij bij zich zelven.

En meteen schoof hij zijn vracht ngagaskelken bij haar ranken op een schouder bij elkander, bukte zich en greep het dier in den nek, om het van nabij te zien[253]en des noods mede te nemen, toen hij plotseling iets op zijn rug voelde vallen, ongetwijfeld een dier of een mensch, die hem met krachtige vuist bij den strot greep en hem te gelijker tijd een dracht stokslagen toediende, die een meesterhand kenmerkten.

„Himmels kreuz donnerwetter! Schockschwerenoth!” schreeuwde de Zwitser ontsteld, „das ist ja ein Italiener, der so drauf losschlagt.”

Hij trachtte zich op te richten, maar dat was zoo gemakkelijk niet. De vracht, die hem op den rug zat, was lang niet licht. Daarbij knelde de hand, die hem bij de keel gegrepen had, als een schroef. Hij weerde zich en poogde ook zijn aanvaller ergens te omvatten, maar dat gelukte niet. Greep hij ook al een arm of poot, dan was hij door de spierkracht van het dier verplicht het los te laten. Inmiddels regende het nog steeds stokslagen en wist de arme Zwitser zich niet te bergen. Eindelijk ademloos en het stikken nabij, begaven hem zijn krachten; hij kon zich niet meer op de been houden, en nog een laatsten kreet uitende:

„Helpt! om Godswil helpt!” gilde hij en stortte ter aarde, terwijl hem het bewustzijn begaf.

Toen hij weer bijkwam, ontwaarde zijn oog het eerst het zorgvolle gelaat van La Cueille, die over hem gebogen, hem het voorhoofd, de slapen en de polsen met den koelen inhoud der ngagas waschte en daarbij angstvallig zijn bewegingen gadesloeg. Zoodra de Waal zijn makker de oogen zag opendoen, slaakte hij een kreet van vreugde:

„Cré nom de noms! tu peux te vanter, de m’avoir fait une jolie peur!” was zijn eerste uitroep. „Mais quelle raclée mon cher! quelle raclée tu as subi!”

Wienersdorf stak hem een hand toe; de Waal greep haar en trok hem overeind. Toen betastte zich de[254]Zwitser zorgvuldig het geheele lichaam, maar dat onderzoek viel nog al gunstig uit. Wel voelde hij veel pijn, maar de ledematen waren heel. Op een afstand lag een gedaante op den grond, die Dalim bezig was te knevelen en daartoe de ineengestrengelde ranken van de geplukte ngagas gebruikte.

Op het hulpgeschreeuw van Wienersdorf waren de Dajak en de Waal haastig toegesneld. Zoodra zij de twee strijdenden in het oog kregen, riep Dalim met een soort van angst dat enkele woord:

„Kahio!”

Daarop sneed hij in allerijl een stevigen tak af, vervaardigde zich daarvan een knuppel en beduidde La Cueille spoedig ook zoo te doen. Daarop naderde hij snel de vechtenden en begon den tegenstander van Wienersdorf op zijn beurt geducht af te ranselen. Deze, die tot nu toe door de hitte des gevechts de naderenden niet bemerkt had, liet, zoo onzacht daartoe aangespoord, den Zwitser los en sprong zijn nieuwen vijand met den stok in de vuist te gemoet. Lang duurde het gevecht niet, maar toch lang genoeg, om te doen zien dat, met het meest oorspronkelijke wapen in de hand, de mensch niet opgewassen was tegen het dier, dat als een behendig batonnist rondom zijn tegenstander voltigeerde, diens slagen meesterlijk pareerde en daarbij niet naliet die tegenpartij op een roffel te onthalen, die haar hooren en zien deed vergaan. De kansen begonnen voor Dalim zeer hachelijk te staan. Eindelijk gelukte het den Dajak den knuppel zijns tegenstanders te grijpen en stevig vast te houden. Van dat oogenblik maakte La Cueille, die zich tot nu toe niet in het gevecht had kunnen mengen, omdat de bewegingen der strijdenden met zooveel snelheid geschiedden, dat er evenveel kans bestond om den vriend als den vijand te raken, gebruik, om zijn[255]knuppel met alle kracht fluitende op den schedel van den schermbaas te doen nederkomen. De slag was zoo flink aangebracht, dat het dier met een rauwen kreet in elkander zonk en bewusteloos daar neer lag.

„Kahio!” riep Dalim andermaal, terwijl hij zich de pijnlijk getroffen plekken met de eene hand wreef, en met de andere naar het dier wees.

„Orang oetan!” zeide La Cueille.

„Kahio,” was het wederwoord van den Dajak.

„Orang oetan.”

„Dia(neen) kahio.”

„Dia orang oetan.”

Die woordentwist had nog lang kunnen duren; maar daar bewoog Wienersdorf zich lichtelijk kreunende. Ook het dier maakte een beweging en trachtte overeind te krabbelen. Nu wierp zich Dalim op het laatste, deelde het nog een dracht slagen toe, waarna hij het aan armen en voeten bond. Middelerwijl was Wienersdorf onder La Cueille’s goede zorgen weldra op de been. Van de door hen gevonden ngagasbekers waren velen te loor gegaan, platgetrapt of leeg geloopen. Alles bij elkander gerekend, waren evenwel nog een twintigtal ongeschonden en met haar kostelijk vocht gevuld. Men zou nu den terugtocht aannemen, maar toen men het nog steeds bewustelooze dier wilde opnemen, om het naar het bivouac te dragen, bespeurde men dat het een wijfjesaap was, terwijl het bleek, dat het diertje, dat voor den strijd aan de voeten des Zwitsers gevallen was, haar jong was. Toen dat bij zijn moeder gebracht was, trachtte het dadelijk te zuigen.[256]

1Njakatan wordt in de Dajaklanden iedere plaats genoemd, alwaar de reis te water eindigt en waar aan wal gestapt wordt, om haar over land te vervolgen.↑2Boekit Riwoet beteekent windberg. Vele heuvels of bergtoppen voeren dien naam. Vooral wanneer zij alleen staan, dus ongedekt den wind vollen toegang verleenen.↑3„Door de plant zelve afgescheiden”, die woorden nam ik van Prof. P. J. Veth over. Met allen eerbied, dien ik voor de wetenschap koester, meen ik de juistheid dier bewering toch te moeten betwijfelen. De Dajaks beweren, dat het water niets dan regenwater is. Zeker is het, dat de smaak daarmede geheel en al overeenkomt. De bedoelde beker is van een sierlijk dekseltje voorzien, dat zich opent, wanneer het regent, en zich vrij hermetisch sluit, wanneer het droog weder is. Dit deksel[248]is zoo gevoelig, dat het voldoende is, wanneer hij gesloten is, er eenige waterdroppels op te sprenkelen, om hem langzaam te zien openen. Ledigt men bij droog weder zulk een kelk, zonder den rank, waaraan hij hangt, af te breken, dan is vier en twintig uren later geen spoor van vocht te ontwaren. Tien van die ngagaskelken zullen ongeveer twee liter water opleveren.↑

1Njakatan wordt in de Dajaklanden iedere plaats genoemd, alwaar de reis te water eindigt en waar aan wal gestapt wordt, om haar over land te vervolgen.↑2Boekit Riwoet beteekent windberg. Vele heuvels of bergtoppen voeren dien naam. Vooral wanneer zij alleen staan, dus ongedekt den wind vollen toegang verleenen.↑3„Door de plant zelve afgescheiden”, die woorden nam ik van Prof. P. J. Veth over. Met allen eerbied, dien ik voor de wetenschap koester, meen ik de juistheid dier bewering toch te moeten betwijfelen. De Dajaks beweren, dat het water niets dan regenwater is. Zeker is het, dat de smaak daarmede geheel en al overeenkomt. De bedoelde beker is van een sierlijk dekseltje voorzien, dat zich opent, wanneer het regent, en zich vrij hermetisch sluit, wanneer het droog weder is. Dit deksel[248]is zoo gevoelig, dat het voldoende is, wanneer hij gesloten is, er eenige waterdroppels op te sprenkelen, om hem langzaam te zien openen. Ledigt men bij droog weder zulk een kelk, zonder den rank, waaraan hij hangt, af te breken, dan is vier en twintig uren later geen spoor van vocht te ontwaren. Tien van die ngagaskelken zullen ongeveer twee liter water opleveren.↑

1Njakatan wordt in de Dajaklanden iedere plaats genoemd, alwaar de reis te water eindigt en waar aan wal gestapt wordt, om haar over land te vervolgen.↑

1Njakatan wordt in de Dajaklanden iedere plaats genoemd, alwaar de reis te water eindigt en waar aan wal gestapt wordt, om haar over land te vervolgen.↑

2Boekit Riwoet beteekent windberg. Vele heuvels of bergtoppen voeren dien naam. Vooral wanneer zij alleen staan, dus ongedekt den wind vollen toegang verleenen.↑

2Boekit Riwoet beteekent windberg. Vele heuvels of bergtoppen voeren dien naam. Vooral wanneer zij alleen staan, dus ongedekt den wind vollen toegang verleenen.↑

3„Door de plant zelve afgescheiden”, die woorden nam ik van Prof. P. J. Veth over. Met allen eerbied, dien ik voor de wetenschap koester, meen ik de juistheid dier bewering toch te moeten betwijfelen. De Dajaks beweren, dat het water niets dan regenwater is. Zeker is het, dat de smaak daarmede geheel en al overeenkomt. De bedoelde beker is van een sierlijk dekseltje voorzien, dat zich opent, wanneer het regent, en zich vrij hermetisch sluit, wanneer het droog weder is. Dit deksel[248]is zoo gevoelig, dat het voldoende is, wanneer hij gesloten is, er eenige waterdroppels op te sprenkelen, om hem langzaam te zien openen. Ledigt men bij droog weder zulk een kelk, zonder den rank, waaraan hij hangt, af te breken, dan is vier en twintig uren later geen spoor van vocht te ontwaren. Tien van die ngagaskelken zullen ongeveer twee liter water opleveren.↑

3„Door de plant zelve afgescheiden”, die woorden nam ik van Prof. P. J. Veth over. Met allen eerbied, dien ik voor de wetenschap koester, meen ik de juistheid dier bewering toch te moeten betwijfelen. De Dajaks beweren, dat het water niets dan regenwater is. Zeker is het, dat de smaak daarmede geheel en al overeenkomt. De bedoelde beker is van een sierlijk dekseltje voorzien, dat zich opent, wanneer het regent, en zich vrij hermetisch sluit, wanneer het droog weder is. Dit deksel[248]is zoo gevoelig, dat het voldoende is, wanneer hij gesloten is, er eenige waterdroppels op te sprenkelen, om hem langzaam te zien openen. Ledigt men bij droog weder zulk een kelk, zonder den rank, waaraan hij hangt, af te breken, dan is vier en twintig uren later geen spoor van vocht te ontwaren. Tien van die ngagaskelken zullen ongeveer twee liter water opleveren.↑


Back to IndexNext