XXXII.

[Inhoud]XXXII.Reisafspraken.—Rijkdom der goudgronden.—Vermoedelijke herkomst der stofgoudafzettingen.—De diamant van den sultan van Matam.—De diamantdelving.—Het dagboek en de schedel van GeorgMüller.—Huwelijksplechtigheden.Daags na dien tocht, werd het goudwasschen weer met ijver hervat en zou dat bedrijf voortgezet worden tot het vertrek van onze avonturiers. Zij waren van oordeel, dat zij niet te veel van dat kostbare metaal konden verzamelen. En wat het vervoer betrof, daaromtrent had de trouwe Harimaoung Boekit hen gerustgesteld. Hij beloofde hen uitgeleide te doen met een dertig zijner onderhoorige Poenans, zoo mogelijk tot dat zijn beschermelingen de Sarawaksche grens zouden bereikt hebben. Dankbaar werd die hulp door Wienersdorf en zijn metgezellen aangenomen en de toebereidselen dienovereenkomstig gemaakt.Bij dat dagelijksche goudwasschen, hetwelk al meer en meer winstgevend werd, naarmate de behendigheid der fortuinzoekers zich meer volmaakte, maakte La Cueille de opmerking, dat de terreinen vanwaar dat stofgoud afgevoerd werd onmetelijk rijk moesten zijn. Vooral kwam hij tot die gevolgtrekking, toen hij van de bevolking vernam, dat bij iederen watervloed de uitgeputte rijkdommen in de beddingen der rivieren en op de zandbanken en uitspringende hoeken weder hersteld werden en dat na iederen westmoesson het stofgoud weer[313]even overvloedig aanwezig was, alsof nimmer de hand aan de ontginning geslagen ware. Als een bijzonderheid werd hem nog medegedeeld, dat hoe meer er gewasschen wordt, hoe meer het gedegen goud verdwijnt, totdat het slechts als uiterst schaarsche korrels voorkomt, terwijl het stofgoud zich weer even overvloedig als voorheen voordoet.„Dat bewijst,” verzekerde Schlickeisen, „dat de gedegen goudkorrels nederzettingen van lagere tijdperken zijn, die zich zoo spoedig niet aanvullen.”„Maar dan moet het stofgoud toch zeer veelvuldig voorkomen,” sprak Wienersdorf peinzend. „En wat moet daarvan niet voor de menschen verloren gaan, wanneer dat fijne bijna ontastbare stof door het geweld der wateren medegesleept, zich in de uitgebreide benedenbekkens met het zoo zachte slib vermengt. Ik geloof niet, dat het overdreven is te beweren, dat de beddingen der meeste rivieren op Borneo goudhoudend zijn tot aan hun uitwatering toe.”„Wel zeker zijn zij dat,” viel Johannes in. „Voor de monding der Kapoeas, die wij opgevaren hebben, ligt een eilandje, hetwelkMangboelau(goudzoeken) heet. In de overleveringen van de menschen van Kwala Kapoeas bestaat de herinnering nog, dat op dat eilandje goud gewasschen werd. Er is nog stofgoud te vinden, maar de opbrengst loont de moeite niet. Wanneer evenwel de wateren gedurende een reeks van jaren hun taak ongestoord zullen kunnen volbrengen, dan zal een ontginning weer winstgevend zijn.”„Als wij eens die terreinen konden bezoeken, van waar dat stofgoud afgevoerd wordt,” sprak La Cueille, die zich met dat onderwerp slechts bezig hield.„Die streek zullen wij doortrekken,” antwoordde Johannes, „maar wij zullen er ons niet kunnen ophouden.[314]Zij is slechts bewoond door Olo Otts, door Penheng’s, door Modang’s, door Tering’s enz. allemaal stammen, waarvan de een al woester dan de ander is, waar wij ons leven geen oogenblik zeker zullen zijn en waar wij daarenboven onmogelijk in ons onderhoud zouden kunnen voorzien, wanneer wij daar eenigen tijd wilden verwijlen. De geheele Kaminting bergketen is rijk goudhoudend; want alle rivieren, die daar ontspringen, voeren goud af onverschillig naar welke windstreken zij haar wateren stuwen. Evenwel worden de Kapoeas Moeroeng met haar nevenrivieren de soengei Mawat en de soengei Sirat, de Kahajan met haar schatplichtige soengei’s, de Miri, de Roengan en Manohin en verder de boven Katingan als de rijkste aangemerkt. Het is dus te voorzien, dat het gebergte, waaruit die rivieren ontspringen met zijn uitloopers bij onderzoek de meest bevredigende opbrengst zou opleveren.”„Hoe zou dat goud in het oorspronkelijke gebergte voorkomen?” vroeg La Cueille.Daarop wist niemand te antwoorden, zelfs de Poenans niet, die daarover nimmer nagedacht hadden. Een toeval zou den Waal daaromtrent iets hoewel niet veel mededeelen.Eens, dat hij bezig was de munitie voor kotta Rangan Hanoengoh in orde te brengen, kreeg hij in het hoofd geweerpatronen te vervaardigen. Die zouden voor de Poenans van oneindig meer gemak bij de behandeling hunner vuurwapenen ook minder gevaarlijk zijn en tot minder kruitverspilling aanleiding geven. Nu stortten die wildemannen maar een zekere hoeveelheid in den loop, veel of weinig, op gevaar af, dat het wapen hun in de handen sprong. Maar om patronen te kunnen maken had hij papier voor de hulzen noodig. Dat was evenwel in een Dajaksche kotta, ver in het binnenland gelegen, zoo maar niet te vinden. Hij sprak[315]er met Harimaoung Boekit over en liet hem daarbij eenige zijner patronen zien. Toen deze begreep wat noodig was, liep hij naar binnen en bracht een pak oude boeken te voorschijn. Het waren meestal bijbels in de Dajaksche taal, die overvloedig verspreid tot daar in de binnenlanden doorgedrongen waren, hoewel onder de bevolking geen sterveling lezen kon. Onder die boeken trof de Waal een foliant aan, die een geschreven dagregister scheen te zijn, maar in uiterst ontredderden toestand verkeerde. Een gedeelte er van bestond nog uit witte bladen, de beschrevene waren meerendeels verscheurd en aan flarden. Een titelblad was er niet, zoodat niet te zien was, wie er de schrijver of de eigenaar van geweest was. Er in bladerende, troffen hem de volgende zinsneden op een bladzijde, waarvan ook meer dan de helft ontbrak.„14 Oktober 1824.„Ik heb bevonden dat het goud hier(?) even als in andere landen in aardlagen voorkomt, die naarmate van de vorming van het terrein, meer of minder verwijderd van elkander liggen, zoodat op de eene plek soms een ware schat en op een andere in de onmiddellijke nabijheid niets, hoegenaamd niets gevonden wordt. Het goudhoudende zand rust gewoonlijk op een schacht van lichtgele leemaarde en is met een donkerkleurige bitumineuse klei bedekt. Dat zand bevat behalve een fijnkorrelig kwarts, goud in korrels, in vliesjes en in de gedaante van stof. Enkele platinadraadjes en korrels worden er ook onder aangetroffen. Zóó wordt het gevonden aan den voet der heuvels, soms ook op de benedenhellingen, maar onveranderlijk in zoodanig terrein, hetwelk door de afstroomende wateren afgezet is, dus in aangeslibde gronden. Het is mij nog niet mogen gelukken goudaderen in het kwartsgesteente te ontdekken,[316]hoewel het daar in zijn oorspronkelijken toestand en dan wellicht in vrij aanzienlijke gedegen brokken te vinden moet zijn. Want onweerlegbaar zijn de korrels en schilfers, die in die alluviale terreinen en allerwege in de rivierbeddingen aangetroffen worden, uit hun kwartsomvatting losgerukt of van grootere massa’s afgescheurd, terwijl het stofgoud ontstaan is en nog ontstaat uit de wrijving van de schilfers en korrels tegen elkander en tegen ander gesteente, voortgesleurd als zij worden door het woeste geweld van het water.„Eigenlijke bergwerken, waarin de aardlagen.…”Hier was de bladzijde afgescheurd en ontbrak het overige gedeelte.„Dat ’s drommels jammer,” mompelde de Waal en zuchtend vervolgde hij droomend: „ja, daar in dat gebergte daar moeten onmetelijke rijkdommen opgestapeld liggen.”Hij ging voort met bladeren. Eensklaps hield hij op; zijn aandacht was weer gevestigd.„Drommels dat is interessant. Dat moet ik lezen.”„16 Juli 1824.„Gisteren namiddag heb ik den grooten diamant van den Sultan van Matam gezien. Men heeft mij niet gefopt, dat kon ik ook wel aan de voorzorgen zien, die genomen werden. Anders laat de vorst wel aan nieuwsgierige vreemdelingen, die hij wantrouwt, een fraaien djakoet zien, die met den grooten diamant veel overeenkomst heeft. Maar ik heb den echten gezien en hem in handen gehad. Het is een prachtige steen, die in het rijk Landak gevonden is. Hij weegt 361 karaat; ik heb hem zelf gewogen. Het is een pyramidale dodekaëder of dubbel zeszijdige pyramide, welke op ongeveer twee derden van zijn geheele lengte gebroken is, waarschijnlijk bij het losmaken uit de hem omringd hebbende korst, iets dat meermalen wordt[317]waargenomen. De gedaante is niet regelmatig, maar eenigszins schuins. De steen is van een uiterst zuiver water, de zeer lichte speling van kleuren, welke opgemerkt wordt en naar het rooskleurige overhelt, moet meer aan de straalbreking door de scheuren veroorzaakt worden toegeschreven, dan wel aan minder zuiverheid. Zijn lengteas is 5.7, zijn kortste 3.3, de korte pyramidaalzijde is 2.9, de lange 3.9 cM. In de Dajaksche taal heet hij Sagima (hoekig), in het MaleischDanau Redjo. Zijn waarde bedraagt 5,212,000 gulden.”„Vijf millioen gulden!” schreeuwde de Waal buiten zich zelven. „Vijf millioen gulden! ik wou dat ik zulk een steentje vond.”Sedert hij zijn twintig K.G. goud gevonden had, was onze La Cueille onverzadelijk. Hij verbeeldde zich, dat om diamanten van vijf millioen te vinden, hij maar te bukken had.Hij riep zijn makkers tot zich en stelde hun de vraag, waar Landak gelegen was. Wienersdorf en Schlickeisen keken elkander eens aan. In Indische aardrijkskunde hadden zij nimmer uitgemunt en knikten dan ook ontkennend. Johannes evenwel strekte den arm uit en zei:„Daar ginds in het zuidwesten.”„Komen wij daar dicht bij?” vroeg de Waal.„Hoe heb ik het nu met je?” vroeg Johannes verbaasd. „Wij moeten steeds noordwaarts op en wij zouden daar dicht bij komen?”„Zullen wij ook streken passeeren, waar diamanten te vinden zijn?”„Drommels neen! Die dure keitjes worden, zoo ver ik weet, alleen in Tanah Laout, de zuidoostspits van Borneo en in Landak, waar je naar verneemt, op de westkust gevonden. Maar waarom vraag je dat?”[318]„Kijk eens hier,” sprak de Waal opgetogen, terwijl hij den ontredderden foliant vertoonde. „In Landak is een diamant gevonden die 5,212,000 gulden waard is. Dat is, als ik het wel heb, ruim elf millioen francs. Zeg, als we zoo’n steentje konden vinden?”„Zoo! wildet jij zoo’n steen van elf millioen francs vinden? Je wordt onverzadelijk, mijn waarde Eburoon,” lachte Wienersdorf.„L’appetit vient en mangeant,” mompelde de Waal. „Maar waarom noem je mij Eburoon?”„Dat staat in verband met je gestaarte voorouders, die de tegenwoordige Walenkwartieren bewoonden en toen Eburonen genoemd werden. Ik zal je dat later wel eens uitleggen.”„Omtrent je klimmende appetijt naar edelgesteente,” viel Johannes in, „valt je de waarschuwing te geven van daarvan je lippen en verhemelte maar schoon te houden. Je hebt het goudzoeken van nabij gezien, niet waar? welnu het diamantzoeken is oneindig veel lastiger en moeielijker. Ik heb dat jaren geleden in het Martapoerasche kunnen waarnemen. Om dat werk naar eisch te verrichten, moeten putten gegraven worden van vier à zes voet vierkant, totdat de diamantbevattende laag bereikt is.”„Hoe ziet die laag er uit?” vroeg La Cueille.„Het is in den regel een mengsel van kiezel en stukjes zandsteen in een laag klei van bijzonder roode kleur vervat. Daaronder strekt zich een laag donkerblauwe klei uit, waarin de „batoe ampar anoem”, ook wel „djakoet” genoemd, een prachtige soort van bergkristal, door de oningewijden niet van den diamant te onderkennen, aangetroffen wordt. Ontmoet men deze blauwe kleilaag zonder dat de roode aangetroffen is, dan is dat een zeker teeken, dat daar geen edelgesteenten aanwezig zijn.”[319]„Hoe diep zijn die putten?” vroeg de Waal.„Dat hangt af van het terrein en van de dikte en het aantal der dekkende lagen, waardoor heen gewerkt moet worden. Ik heb putten gezien, die 20 à 25 voet diep waren. Gemiddeld kun je ze rekenen op 12 à 15 voet.”„Waaraan herkent men de gronden, waarin diamanten verwacht worden? Men zal toch maar niet op goed geluk af dien moeitevollen arbeid van dat putgraven gaan ondernemen?” vroeg Schlickeisen.„Waarachtig niet. In de diamantdistrikten heeft men daartoe „malim’s” (gidsen, loodsen). Deze gaan tegen zonsondergang, van drie à vier man vergezeld, door de bosschen en wildernissen dwalen. Alvorens den tocht te ondernemen, hebben zij zich met een zekere tooverolie, „minjakh tjelang boemi”, een vette, vertikale streep tusschen de beide oogen tot over het neusbeen getrokken. De malim beweert dat die olie hem het vermogen schenkt de verborgenheden van het binnenste der aarde te kunnen aanschouwen.”„Ik wou dat ik van die olie had,” mompelde de Waal.„Ook zou de malim boven den grond, waaronder diamanten bedolven liggen, een lichtenden glans zien als van een glimworm, groot of klein naarmate van de grootte der steenen daardoor aangeduid.”„Hoe gaat dat diamantzoeken in zijn werk?” vroeg Wienersdorf.„Wanneer de put gegraven en de bedoelde roode kleilaag bereikt is, dan wordt die zuiver en netjes uitgestoken en de klei in een met boomschors afgeperkt vierkant verzameld, waarna, wanneer van die klei een genoegzame hoeveelheid bijeengebracht is, zij in de nabijheid van stroomend water gedragen wordt om uitgewasschen te worden.”[320]„Zeker in een doelang, zooals wij bij het goudzoeken bezigen?”„Neen, waarachtig niet, maar in een legèh, hetwelk een soort van mand is, die de gedaante heeft van een halven cilinder, maar zoo fijn van bamboereepjes en gespleten rottan gevlochten is, dat het kleinste steentje er niet door kan. Alleen de klei wordt onder een voortdurend kneden en wasschen door het water als in suspensie opgenomen en medegevoerd. De achtergebleven kiezeltjes en gruis worden nog eens gezeefd en later met de hand gelijkmatig in de legèh uitgestreken in een zeer dunne laag en dan met de meeste zorgvuldigheid uitgezocht. Dikwijls wordt de legèh geledigd zonder dat er een steentje in gevonden is nog zoo klein. Gij ziet dat het geen gemakkelijk werk is, in ieder geval geen, waarmede wij ons bezig zouden kunnen houden, al kwamen wij ook door streken, alwaar dit edelgesteente aangetroffen wordt.”„Dat ’s verd … jammer!” pruttelde La Cueille. „Een vondst van vijf millioen hollandsche guldens zou wel wat inspanning waard zijn.”„Ja zeker, maar steenen van vijf millioen vind je zoo maar niet. Het is lang geleden toen die steen uit den schoot der aarde voor den dag gehaald werd. Ik meen dat dat in 1690 of 1695 gebeurd is; dus zoo wat een en drie kwart eeuw geleden. Sedert is er geen enkele meer van die taille gevonden. Zelfs zijn er geleerden en ambtenaren, die beweren dat die geheele Danau Redjo niet bestaat en dat het eenvoudig een prachtige djakoet is, die vertoond wordt. Maar laat zien, wat staat er van dien diamant in jou smerig boek?”Johannes nam het manuscript over en las. Toen hij die diamantbeschrijving ten einde had, bladerde hij in dat boek, hetwelk zijn belangstelling opwekte. Eindelijk[321]zocht hij naar den naam van den schrijver of van den bezitter; maar te vergeefs.„Wat drommel, hoe kom je aan dat vod?” vroeg hij eindelijk aan den Waal.La Cueille verhaalde nu, dat hij dat boek van Harimaoung Boekit met eenige andere ontvangen had, om patroonhulzen te maken. De Poenan werd ondervraagd en deze verhaalde na eenig bedenken, dat hij bij een koppensnellerstocht op het grondgebied der Penheng’s, een stam, welke aan de Pendeh, een soengei westelijk van de boven Doesson stroomende, woont, dat boek had buitgemaakt. Hij vertelde, dat er toen vele prenten in waren (waarschijnlijk schetsen en teekeningen); maar die waren er door de kinderen uitgescheurd.Bij nader onderzoek meende Johannes te ontdekken, dat op de bladzijde wit papier, welke den omslag aan de binnenzijde bekleedde, eenig schrift te bespeuren was. Hij zocht die bladzijde zachtjes los te maken, hetgeen gemakkelijk geschiedde, daar het kleefmiddel door vocht en tijd verteerd, krachteloos geworden was. Toen hij den omslag behoorlijk gereinigd had, las hij met ontzetting het navolgende:„Heden zijn al mijne reismakkers geslacht. Morgen is het mijne beurt. God zij mijne ziel genadig.G. M.”Peinzend bekeek Johannes die twee hoofdletters, die daar nog duidelijk gegrift stonden.„Sakkerloot!” riep hij eensklaps uit, „zou dat het dagboek van GeorgMüllerzijn, het dagboek van den geleerde, die meer dan vijf en dertig jaar geleden hier in de binnenlanden vermoord werd? Dat zou een vondst zijn! O! ongetwijfeld is het dat.”Harimaoung Boekit stormde zijn woning in en kwam weldra met een rozenkrans van bekkeneelen naar buiten.[322]Een daarvan toonde hij aan de Europeanen, hetwelk, door den gelaatshoek niet te miskennen, ontwijfelbaar aan een individu van het Kaukasische ras behoord had.„Bij dat boek gevonden,” grijnsde de Poenan.Met aandoening beschouwden onze avonturiers dat grijnzende doodshoofd, hetwelk ongetwijfeld eenmaal de zetel van de verstandelijke vermogens van den wakkeren reiziger geweest was, die der wetenschap ten offer onder de handen van sluipmoordenaars gevallen was. Zij trachtten van het Poenanhoofd nog bijzonderheden te vernemen, maar deze verklaarde er niets meer van te weten, dan dat bij dien sneltocht al de Penhengs, welke hij met de zijnen overvallen had, gedood waren. Een oude vrouw, destijds als frissche jonge vrouw tot buit der overwinnaars medegenomen, leefde nog. Zij was evenwel kindsch geworden en, toen ons viertal haar ondervroeg en haar op dien schedel en dat boek wees, was er niets uit te krijgen dan de volzin: „olo bapoeti bahalap” (een mooie blanke).Schlickeisen en Wienersdorf vereenigden hun smeekingen, om Harimaoung Boekit te bewegen, hun dat bekkeneel af te staan; maar al hun pogingen leden schipbreuk. Het bezit van den schedel eens blanken was den Poenan te onwaardeerbaar; hij snoerde zijn rozenkrans behoedzaam te samen en droeg hem binnenshuis. Johannes pakte evenwel het dagboek zorgvuldig in en beveiligde het voor meerdere beschadiging.Zoo langzamerhand waren de dagen verstreken, die Wienersdorf nog van zijn huwelijk scheidden. Blaakte hij van ongeduld, om in het bezit zijner lieftallige en aangebeden Hamadoe te geraken, Johannes van zijn kant was niet minder ongeduldig, om de reis te kunnen voortzetten.[323]Eindelijk was de dag van volle maan daar, de dag waarop het huwelijk zou voltrokken worden. Al heel vroeg in de weer, hadden Dalim en Johannes den bruidegom kant en klaar voor de plechtigheid gemaakt. Volgens Dajaksch gebruik had hij eerst in de rivier een bad moeten nemen, waarna hij door zijn makkers met katitingverf geboend en gewreven en eindelijk met „boengkang”, het vet eener zwarte kat, ingesmeerd werd, zoodat zijn huid glom als een pas gepoetste uniformknoop. De nagels aan handen en voeten werden hem verguld en op het voorhoofd werden hem een paar dikke roode strepen geschilderd, welke als twee vurige wenkbrauwen boven zijn van nature bruine dienst deden. Hij werd met een „karoenkoeng”, een maliënkolder van rottanschakels, gekleed en op zijn hoofd een mutsje van apenvel geplaatst, waarop twee sierlijke staartveeren van den neushoornvogel prijkten. De ewah, die hem om de lendenen geslagen werd, was uiterst fijn van boombast geklopt en mocht een prachtstuk in zijn soort genoemd worden. Daarover gespte hem Dalim den eigen staatsiemandauw van Harimaoung Boekit, waaraan tallooze vlokken van menschenhaar bengelden, ten bewijze dat dat wapen menigmaal zijn bloedig werk had verricht. Den bruidegom werd nu nog een schild in de hand gegeven, waarop een afzichtelijke krokodil geschilderd was, waarmede zijn dosch voltooid was.„Cré matin!” riep La Cueille bewonderend uit, „wat ben je mooi! Als mevrouw Wienersdorf nu niet voor je wegloopt, dan begrijp ik er niets van. Ik wou, dat ik je op de kermis te Jupille had. Met zoo’n wildeman zou geld te verdienen zijn.”De speculatiegeest begon waarachtig in den Waal te varen.Maar nauwelijks was Wienersdorf getooid, toen drie[324]afgevaardigden, bloedverwanten van de bruid, verschenen, om hem ernstig af te vragen, of hij tot de voltrekking van het huwelijk gereed was?„Dat kun je begrijpen!” riep La Cueille, „de vent kookt van ongeduld.”Na dat bevestigend antwoord ontvingen de afgezanten ieder een geschenk in stofgoud van den bruidegom, ter waarde ongeveer van vijf gulden, en vergezelde deze hen naar de woning der bruid. Zijn makkers met Dalim en nog eenige Djankangers volgden hem in plechtigen optocht.In een loods voor het huis van Harimaoung Boekit vond de trouwlustige de geheele bevolking van kotta Rangan Hanoengoh bij elkander. Ja, meer dan dat; velen waren van kotta Ohas en van kotta Behio voor die plechtigheid overgekomen. Meer dan duizend zielen waren daar bij elkander. De bruid, met haar lang zijden baatje en haar saloi met gouddraad doorweven, zedig gekleed, zat tusschen een twintigtal harer speelnootjes, die zonder blikken of blozen, met het bovenlijf bloot, zich te midden dier menigte bewogen. Allen, bruid en bruidsmeisjes, hadden den weelderigen haarwrong met melatiebloemen versierd.Zoodra de bruidegom binnengeleid was, stond Amai Kotong, de oudste in jaren van het gezelschap, op en sprak plechtig een invocatie uit, waarbij hij Mahatara en al de Sangiang’s, maar vooral Kadjanka, den goddelijken beheerscher der maan aanriep en hen smeekte het verliefde paar voor alle rampen en ongelukken te behoeden. Hij somde daarbij met luider stem al de bezittingen van de beide aanstaanden op, maar overdreef bij het maken van dien huwelijksinventaris als naar gewoonte niet weinig, omdat volgens de meening der Dajaks de godheid en de bovenaardsche wezens meer[325]belang in een rijken dan in een armen drommel stellen. Vervolgens vermengde hij in een aarden pot het bloed van een buffel, van een kip, van een woudduif en van een varken, en bezwoer de Sangiangs bij dat mengsel eenig bloed van hun karbouwen, van hun kippen, van hun duiven en van hun varkens te voegen.Om meer kracht aan dat bezweringsformulier bij te zetten, werd het door al de aanwezige Balians, vier-en-tachtig in getal, met vreeselijk misbaar en onder luid getrommel op haar katambong’s herhaald.Nadat Amai Kotong zich van zijn taak gekweten had, traden achtervolgens de zes oudste mannen voor en herhaalden die invocatie, voor welke handeling zij ieder van de bruid een schatting in stofgoud ter waarde van ƒ 5.10 ontvingen.Vervolgens moesten Hamadoe en Wienersdorf op eengarantong(metalen bekken) tegenover elkander plaats nemen. De bruidegom moest zich toen het bovenlijf ontblooten. Gelukkig dat hij straks met katiting gebronsd was, anders ware door de menigte ontdekt, dat hij een bleekhuid was. Amai Kotong was Hamadoe behulpzaam, om ook bij haar die ontblooting te verrichten. De lieve bruid bloosde onder den blik van zoovele oogen, die op haar gericht waren, maar vooral onder dien van haar bruidegom, dien zij toen wel had willen ontwijken. Daarop trad Amai Kotong met den pot met bloed in de hand vooruit, stak de twee voorste vingers en den duim der rechterhand in het mengsel en besmeerde nu, terwijl hij de Sangiangs smeekte het jonge paar met een talrijke nakomelingschap te zegenen, het voorhoofd, de schouders, de polsgewrichten, de maagholte en den navel van bruid en bruidegom, in welke plechtige handeling hij opgevolgd werd door de andere zes oudsten.[326]Toen die besmering afgeloopen was, deelde Wienersdorf geschenken aan de bloedverwanten zijner bruid uit, waarmede de eigenlijke trouwplechtigheden afgeloopen waren. Harimaoung Boekit kreeg een mooi baatje van rood laken met breed vergulden kraag, Amai Kotong en de overigen een fraaie ewah. En nu ging de juichende menigte tot het bruiloft vieren over en aan het smullen, waarbij het bleek, dat het Poenanhoofd de zaken ter eere van zijn zuster en van zijn bloedbroeder Dohong zeer royaal getrakteerd had.Toen bij het vallen van den avond de gemoederen, ten gevolge van het ruime gebruik van toeak, opgewonden geraakten, en de feestvreugde zich juichend en luide betuigde, wenkte Wienersdorf schier onmerkbaar zijn vrouwtje en wilde zich met haar zachtkens verwijderen. O! tegen het heengaan der bruid, daar was niets tegen; die werd door een viertal bestjes naar haar vertrek begeleid, waar zij onder die liefelijke bewaking den nacht slapeloos moest doorbrengen uit vrees voor onheilspellende droomen. Maar toen Wienersdorf haar wilde volgen, werd hij door Harimaoung Boekit, door Amai Kotong en, toen hij zich niet gewillig onderwierp, door al de overige Dajaks tegengehouden. In geen geval, zoo eischten ’s lands gebruiken, mochten de jonggehuwden elkander thans ontmoeten. Ook mocht de bruidegom niet slapen uit vrees voor nare droomgezichten. Er bleef voor hem niets anders over, dan den nacht onder het genot van een toeakje met de feestvierende vrienden door te brengen.„Diable!” schaterde La Cueille, „unedrôlede nuit nuptiale.”De bruidegom deed of hij dien uitroep niet verstaan had.Maar zoodra de zonneschijf zich den volgenden morgen aan de kim vertoonde, werd de jonggehuwde vrouw door haar speelnootjes afgehaald. Zij moest toen met[327]haar echtgenoot in een djoekoeng stijgen en met hun beidjes een eind uit den wal roeien. Ter bestemder plaatse in het midden der rivier gekomen, gaf Hamadoe plotseling een schommelende beweging aan het lichte vaartuig, waardoor het omkantelde. Wienersdorf was geen koen zwemmer, zoodat die plotselinge indompeling hem verraste en hij aanvankelijk naar de diepte zonk. Maar zijn lieve wederhelft greep hem bij de hand, hielp hem en bracht hem behouden aan wal. Daar strooiden de gillende Balians eenige rijstkorrels op beider hoofd en brachten een levende kip er bij; toen deze die korrels gretig oppikte, ging er een gejuich van de vergaderde menigte op; want nu was het bewijs geleverd, dat alle ongeluk bezworen en verjaagd was. De bruiloftsgasten keerden na het verorberen van nog een toeakje naar hun huis terug en lieten de jonggehuwden aan hun overpeinzingen over.Het huwelijk was nu wel voltrokken, maar gedurende de eerste zeven dagen daarna mochten de jonggehuwden zich aan niemand vertoonen en waren verplicht, afgezonderd van de geheele wereld te leven. Toen evenwel die zeven dagen om waren, werd er andermaal bruiloft gevierd, waarbij nu de makkers van Wienersdorf, zijn bloedverwanten vertegenwoordigende, de honneurs waarnamen. De drie Europeanen met Dalim en eenige Djankangers gingen in plechtigen optocht de jonggehuwden afhalen en geleidden hen naar eene groote ruime loods, daartoe expresselijk op het binnenplein der kotta gebouwd. Daar werden toen dezelfde ceremoniën herhaald als vroeger. Alleen de bloedbesmering der jonggetrouwden had nu plaats door de huisvrouwen van hen, die zulks bij de eerste feestviering verrichtten. Tot slot der plechtigheid bood Hamadoe met liefelijk gebaar aan Johannes, Schlickeisen en La Cueille, als vertegenwoordigers[328]der bloedverwanten van haar echtgenoot een fraai bewerkte ewah aan.„Drommels, wat zullen wij er deftig uitzien,” riep de Waal, „wanneer wij als Dajaks gekleed te Singapore zullen rondkuieren.”[329]

[Inhoud]XXXII.Reisafspraken.—Rijkdom der goudgronden.—Vermoedelijke herkomst der stofgoudafzettingen.—De diamant van den sultan van Matam.—De diamantdelving.—Het dagboek en de schedel van GeorgMüller.—Huwelijksplechtigheden.Daags na dien tocht, werd het goudwasschen weer met ijver hervat en zou dat bedrijf voortgezet worden tot het vertrek van onze avonturiers. Zij waren van oordeel, dat zij niet te veel van dat kostbare metaal konden verzamelen. En wat het vervoer betrof, daaromtrent had de trouwe Harimaoung Boekit hen gerustgesteld. Hij beloofde hen uitgeleide te doen met een dertig zijner onderhoorige Poenans, zoo mogelijk tot dat zijn beschermelingen de Sarawaksche grens zouden bereikt hebben. Dankbaar werd die hulp door Wienersdorf en zijn metgezellen aangenomen en de toebereidselen dienovereenkomstig gemaakt.Bij dat dagelijksche goudwasschen, hetwelk al meer en meer winstgevend werd, naarmate de behendigheid der fortuinzoekers zich meer volmaakte, maakte La Cueille de opmerking, dat de terreinen vanwaar dat stofgoud afgevoerd werd onmetelijk rijk moesten zijn. Vooral kwam hij tot die gevolgtrekking, toen hij van de bevolking vernam, dat bij iederen watervloed de uitgeputte rijkdommen in de beddingen der rivieren en op de zandbanken en uitspringende hoeken weder hersteld werden en dat na iederen westmoesson het stofgoud weer[313]even overvloedig aanwezig was, alsof nimmer de hand aan de ontginning geslagen ware. Als een bijzonderheid werd hem nog medegedeeld, dat hoe meer er gewasschen wordt, hoe meer het gedegen goud verdwijnt, totdat het slechts als uiterst schaarsche korrels voorkomt, terwijl het stofgoud zich weer even overvloedig als voorheen voordoet.„Dat bewijst,” verzekerde Schlickeisen, „dat de gedegen goudkorrels nederzettingen van lagere tijdperken zijn, die zich zoo spoedig niet aanvullen.”„Maar dan moet het stofgoud toch zeer veelvuldig voorkomen,” sprak Wienersdorf peinzend. „En wat moet daarvan niet voor de menschen verloren gaan, wanneer dat fijne bijna ontastbare stof door het geweld der wateren medegesleept, zich in de uitgebreide benedenbekkens met het zoo zachte slib vermengt. Ik geloof niet, dat het overdreven is te beweren, dat de beddingen der meeste rivieren op Borneo goudhoudend zijn tot aan hun uitwatering toe.”„Wel zeker zijn zij dat,” viel Johannes in. „Voor de monding der Kapoeas, die wij opgevaren hebben, ligt een eilandje, hetwelkMangboelau(goudzoeken) heet. In de overleveringen van de menschen van Kwala Kapoeas bestaat de herinnering nog, dat op dat eilandje goud gewasschen werd. Er is nog stofgoud te vinden, maar de opbrengst loont de moeite niet. Wanneer evenwel de wateren gedurende een reeks van jaren hun taak ongestoord zullen kunnen volbrengen, dan zal een ontginning weer winstgevend zijn.”„Als wij eens die terreinen konden bezoeken, van waar dat stofgoud afgevoerd wordt,” sprak La Cueille, die zich met dat onderwerp slechts bezig hield.„Die streek zullen wij doortrekken,” antwoordde Johannes, „maar wij zullen er ons niet kunnen ophouden.[314]Zij is slechts bewoond door Olo Otts, door Penheng’s, door Modang’s, door Tering’s enz. allemaal stammen, waarvan de een al woester dan de ander is, waar wij ons leven geen oogenblik zeker zullen zijn en waar wij daarenboven onmogelijk in ons onderhoud zouden kunnen voorzien, wanneer wij daar eenigen tijd wilden verwijlen. De geheele Kaminting bergketen is rijk goudhoudend; want alle rivieren, die daar ontspringen, voeren goud af onverschillig naar welke windstreken zij haar wateren stuwen. Evenwel worden de Kapoeas Moeroeng met haar nevenrivieren de soengei Mawat en de soengei Sirat, de Kahajan met haar schatplichtige soengei’s, de Miri, de Roengan en Manohin en verder de boven Katingan als de rijkste aangemerkt. Het is dus te voorzien, dat het gebergte, waaruit die rivieren ontspringen met zijn uitloopers bij onderzoek de meest bevredigende opbrengst zou opleveren.”„Hoe zou dat goud in het oorspronkelijke gebergte voorkomen?” vroeg La Cueille.Daarop wist niemand te antwoorden, zelfs de Poenans niet, die daarover nimmer nagedacht hadden. Een toeval zou den Waal daaromtrent iets hoewel niet veel mededeelen.Eens, dat hij bezig was de munitie voor kotta Rangan Hanoengoh in orde te brengen, kreeg hij in het hoofd geweerpatronen te vervaardigen. Die zouden voor de Poenans van oneindig meer gemak bij de behandeling hunner vuurwapenen ook minder gevaarlijk zijn en tot minder kruitverspilling aanleiding geven. Nu stortten die wildemannen maar een zekere hoeveelheid in den loop, veel of weinig, op gevaar af, dat het wapen hun in de handen sprong. Maar om patronen te kunnen maken had hij papier voor de hulzen noodig. Dat was evenwel in een Dajaksche kotta, ver in het binnenland gelegen, zoo maar niet te vinden. Hij sprak[315]er met Harimaoung Boekit over en liet hem daarbij eenige zijner patronen zien. Toen deze begreep wat noodig was, liep hij naar binnen en bracht een pak oude boeken te voorschijn. Het waren meestal bijbels in de Dajaksche taal, die overvloedig verspreid tot daar in de binnenlanden doorgedrongen waren, hoewel onder de bevolking geen sterveling lezen kon. Onder die boeken trof de Waal een foliant aan, die een geschreven dagregister scheen te zijn, maar in uiterst ontredderden toestand verkeerde. Een gedeelte er van bestond nog uit witte bladen, de beschrevene waren meerendeels verscheurd en aan flarden. Een titelblad was er niet, zoodat niet te zien was, wie er de schrijver of de eigenaar van geweest was. Er in bladerende, troffen hem de volgende zinsneden op een bladzijde, waarvan ook meer dan de helft ontbrak.„14 Oktober 1824.„Ik heb bevonden dat het goud hier(?) even als in andere landen in aardlagen voorkomt, die naarmate van de vorming van het terrein, meer of minder verwijderd van elkander liggen, zoodat op de eene plek soms een ware schat en op een andere in de onmiddellijke nabijheid niets, hoegenaamd niets gevonden wordt. Het goudhoudende zand rust gewoonlijk op een schacht van lichtgele leemaarde en is met een donkerkleurige bitumineuse klei bedekt. Dat zand bevat behalve een fijnkorrelig kwarts, goud in korrels, in vliesjes en in de gedaante van stof. Enkele platinadraadjes en korrels worden er ook onder aangetroffen. Zóó wordt het gevonden aan den voet der heuvels, soms ook op de benedenhellingen, maar onveranderlijk in zoodanig terrein, hetwelk door de afstroomende wateren afgezet is, dus in aangeslibde gronden. Het is mij nog niet mogen gelukken goudaderen in het kwartsgesteente te ontdekken,[316]hoewel het daar in zijn oorspronkelijken toestand en dan wellicht in vrij aanzienlijke gedegen brokken te vinden moet zijn. Want onweerlegbaar zijn de korrels en schilfers, die in die alluviale terreinen en allerwege in de rivierbeddingen aangetroffen worden, uit hun kwartsomvatting losgerukt of van grootere massa’s afgescheurd, terwijl het stofgoud ontstaan is en nog ontstaat uit de wrijving van de schilfers en korrels tegen elkander en tegen ander gesteente, voortgesleurd als zij worden door het woeste geweld van het water.„Eigenlijke bergwerken, waarin de aardlagen.…”Hier was de bladzijde afgescheurd en ontbrak het overige gedeelte.„Dat ’s drommels jammer,” mompelde de Waal en zuchtend vervolgde hij droomend: „ja, daar in dat gebergte daar moeten onmetelijke rijkdommen opgestapeld liggen.”Hij ging voort met bladeren. Eensklaps hield hij op; zijn aandacht was weer gevestigd.„Drommels dat is interessant. Dat moet ik lezen.”„16 Juli 1824.„Gisteren namiddag heb ik den grooten diamant van den Sultan van Matam gezien. Men heeft mij niet gefopt, dat kon ik ook wel aan de voorzorgen zien, die genomen werden. Anders laat de vorst wel aan nieuwsgierige vreemdelingen, die hij wantrouwt, een fraaien djakoet zien, die met den grooten diamant veel overeenkomst heeft. Maar ik heb den echten gezien en hem in handen gehad. Het is een prachtige steen, die in het rijk Landak gevonden is. Hij weegt 361 karaat; ik heb hem zelf gewogen. Het is een pyramidale dodekaëder of dubbel zeszijdige pyramide, welke op ongeveer twee derden van zijn geheele lengte gebroken is, waarschijnlijk bij het losmaken uit de hem omringd hebbende korst, iets dat meermalen wordt[317]waargenomen. De gedaante is niet regelmatig, maar eenigszins schuins. De steen is van een uiterst zuiver water, de zeer lichte speling van kleuren, welke opgemerkt wordt en naar het rooskleurige overhelt, moet meer aan de straalbreking door de scheuren veroorzaakt worden toegeschreven, dan wel aan minder zuiverheid. Zijn lengteas is 5.7, zijn kortste 3.3, de korte pyramidaalzijde is 2.9, de lange 3.9 cM. In de Dajaksche taal heet hij Sagima (hoekig), in het MaleischDanau Redjo. Zijn waarde bedraagt 5,212,000 gulden.”„Vijf millioen gulden!” schreeuwde de Waal buiten zich zelven. „Vijf millioen gulden! ik wou dat ik zulk een steentje vond.”Sedert hij zijn twintig K.G. goud gevonden had, was onze La Cueille onverzadelijk. Hij verbeeldde zich, dat om diamanten van vijf millioen te vinden, hij maar te bukken had.Hij riep zijn makkers tot zich en stelde hun de vraag, waar Landak gelegen was. Wienersdorf en Schlickeisen keken elkander eens aan. In Indische aardrijkskunde hadden zij nimmer uitgemunt en knikten dan ook ontkennend. Johannes evenwel strekte den arm uit en zei:„Daar ginds in het zuidwesten.”„Komen wij daar dicht bij?” vroeg de Waal.„Hoe heb ik het nu met je?” vroeg Johannes verbaasd. „Wij moeten steeds noordwaarts op en wij zouden daar dicht bij komen?”„Zullen wij ook streken passeeren, waar diamanten te vinden zijn?”„Drommels neen! Die dure keitjes worden, zoo ver ik weet, alleen in Tanah Laout, de zuidoostspits van Borneo en in Landak, waar je naar verneemt, op de westkust gevonden. Maar waarom vraag je dat?”[318]„Kijk eens hier,” sprak de Waal opgetogen, terwijl hij den ontredderden foliant vertoonde. „In Landak is een diamant gevonden die 5,212,000 gulden waard is. Dat is, als ik het wel heb, ruim elf millioen francs. Zeg, als we zoo’n steentje konden vinden?”„Zoo! wildet jij zoo’n steen van elf millioen francs vinden? Je wordt onverzadelijk, mijn waarde Eburoon,” lachte Wienersdorf.„L’appetit vient en mangeant,” mompelde de Waal. „Maar waarom noem je mij Eburoon?”„Dat staat in verband met je gestaarte voorouders, die de tegenwoordige Walenkwartieren bewoonden en toen Eburonen genoemd werden. Ik zal je dat later wel eens uitleggen.”„Omtrent je klimmende appetijt naar edelgesteente,” viel Johannes in, „valt je de waarschuwing te geven van daarvan je lippen en verhemelte maar schoon te houden. Je hebt het goudzoeken van nabij gezien, niet waar? welnu het diamantzoeken is oneindig veel lastiger en moeielijker. Ik heb dat jaren geleden in het Martapoerasche kunnen waarnemen. Om dat werk naar eisch te verrichten, moeten putten gegraven worden van vier à zes voet vierkant, totdat de diamantbevattende laag bereikt is.”„Hoe ziet die laag er uit?” vroeg La Cueille.„Het is in den regel een mengsel van kiezel en stukjes zandsteen in een laag klei van bijzonder roode kleur vervat. Daaronder strekt zich een laag donkerblauwe klei uit, waarin de „batoe ampar anoem”, ook wel „djakoet” genoemd, een prachtige soort van bergkristal, door de oningewijden niet van den diamant te onderkennen, aangetroffen wordt. Ontmoet men deze blauwe kleilaag zonder dat de roode aangetroffen is, dan is dat een zeker teeken, dat daar geen edelgesteenten aanwezig zijn.”[319]„Hoe diep zijn die putten?” vroeg de Waal.„Dat hangt af van het terrein en van de dikte en het aantal der dekkende lagen, waardoor heen gewerkt moet worden. Ik heb putten gezien, die 20 à 25 voet diep waren. Gemiddeld kun je ze rekenen op 12 à 15 voet.”„Waaraan herkent men de gronden, waarin diamanten verwacht worden? Men zal toch maar niet op goed geluk af dien moeitevollen arbeid van dat putgraven gaan ondernemen?” vroeg Schlickeisen.„Waarachtig niet. In de diamantdistrikten heeft men daartoe „malim’s” (gidsen, loodsen). Deze gaan tegen zonsondergang, van drie à vier man vergezeld, door de bosschen en wildernissen dwalen. Alvorens den tocht te ondernemen, hebben zij zich met een zekere tooverolie, „minjakh tjelang boemi”, een vette, vertikale streep tusschen de beide oogen tot over het neusbeen getrokken. De malim beweert dat die olie hem het vermogen schenkt de verborgenheden van het binnenste der aarde te kunnen aanschouwen.”„Ik wou dat ik van die olie had,” mompelde de Waal.„Ook zou de malim boven den grond, waaronder diamanten bedolven liggen, een lichtenden glans zien als van een glimworm, groot of klein naarmate van de grootte der steenen daardoor aangeduid.”„Hoe gaat dat diamantzoeken in zijn werk?” vroeg Wienersdorf.„Wanneer de put gegraven en de bedoelde roode kleilaag bereikt is, dan wordt die zuiver en netjes uitgestoken en de klei in een met boomschors afgeperkt vierkant verzameld, waarna, wanneer van die klei een genoegzame hoeveelheid bijeengebracht is, zij in de nabijheid van stroomend water gedragen wordt om uitgewasschen te worden.”[320]„Zeker in een doelang, zooals wij bij het goudzoeken bezigen?”„Neen, waarachtig niet, maar in een legèh, hetwelk een soort van mand is, die de gedaante heeft van een halven cilinder, maar zoo fijn van bamboereepjes en gespleten rottan gevlochten is, dat het kleinste steentje er niet door kan. Alleen de klei wordt onder een voortdurend kneden en wasschen door het water als in suspensie opgenomen en medegevoerd. De achtergebleven kiezeltjes en gruis worden nog eens gezeefd en later met de hand gelijkmatig in de legèh uitgestreken in een zeer dunne laag en dan met de meeste zorgvuldigheid uitgezocht. Dikwijls wordt de legèh geledigd zonder dat er een steentje in gevonden is nog zoo klein. Gij ziet dat het geen gemakkelijk werk is, in ieder geval geen, waarmede wij ons bezig zouden kunnen houden, al kwamen wij ook door streken, alwaar dit edelgesteente aangetroffen wordt.”„Dat ’s verd … jammer!” pruttelde La Cueille. „Een vondst van vijf millioen hollandsche guldens zou wel wat inspanning waard zijn.”„Ja zeker, maar steenen van vijf millioen vind je zoo maar niet. Het is lang geleden toen die steen uit den schoot der aarde voor den dag gehaald werd. Ik meen dat dat in 1690 of 1695 gebeurd is; dus zoo wat een en drie kwart eeuw geleden. Sedert is er geen enkele meer van die taille gevonden. Zelfs zijn er geleerden en ambtenaren, die beweren dat die geheele Danau Redjo niet bestaat en dat het eenvoudig een prachtige djakoet is, die vertoond wordt. Maar laat zien, wat staat er van dien diamant in jou smerig boek?”Johannes nam het manuscript over en las. Toen hij die diamantbeschrijving ten einde had, bladerde hij in dat boek, hetwelk zijn belangstelling opwekte. Eindelijk[321]zocht hij naar den naam van den schrijver of van den bezitter; maar te vergeefs.„Wat drommel, hoe kom je aan dat vod?” vroeg hij eindelijk aan den Waal.La Cueille verhaalde nu, dat hij dat boek van Harimaoung Boekit met eenige andere ontvangen had, om patroonhulzen te maken. De Poenan werd ondervraagd en deze verhaalde na eenig bedenken, dat hij bij een koppensnellerstocht op het grondgebied der Penheng’s, een stam, welke aan de Pendeh, een soengei westelijk van de boven Doesson stroomende, woont, dat boek had buitgemaakt. Hij vertelde, dat er toen vele prenten in waren (waarschijnlijk schetsen en teekeningen); maar die waren er door de kinderen uitgescheurd.Bij nader onderzoek meende Johannes te ontdekken, dat op de bladzijde wit papier, welke den omslag aan de binnenzijde bekleedde, eenig schrift te bespeuren was. Hij zocht die bladzijde zachtjes los te maken, hetgeen gemakkelijk geschiedde, daar het kleefmiddel door vocht en tijd verteerd, krachteloos geworden was. Toen hij den omslag behoorlijk gereinigd had, las hij met ontzetting het navolgende:„Heden zijn al mijne reismakkers geslacht. Morgen is het mijne beurt. God zij mijne ziel genadig.G. M.”Peinzend bekeek Johannes die twee hoofdletters, die daar nog duidelijk gegrift stonden.„Sakkerloot!” riep hij eensklaps uit, „zou dat het dagboek van GeorgMüllerzijn, het dagboek van den geleerde, die meer dan vijf en dertig jaar geleden hier in de binnenlanden vermoord werd? Dat zou een vondst zijn! O! ongetwijfeld is het dat.”Harimaoung Boekit stormde zijn woning in en kwam weldra met een rozenkrans van bekkeneelen naar buiten.[322]Een daarvan toonde hij aan de Europeanen, hetwelk, door den gelaatshoek niet te miskennen, ontwijfelbaar aan een individu van het Kaukasische ras behoord had.„Bij dat boek gevonden,” grijnsde de Poenan.Met aandoening beschouwden onze avonturiers dat grijnzende doodshoofd, hetwelk ongetwijfeld eenmaal de zetel van de verstandelijke vermogens van den wakkeren reiziger geweest was, die der wetenschap ten offer onder de handen van sluipmoordenaars gevallen was. Zij trachtten van het Poenanhoofd nog bijzonderheden te vernemen, maar deze verklaarde er niets meer van te weten, dan dat bij dien sneltocht al de Penhengs, welke hij met de zijnen overvallen had, gedood waren. Een oude vrouw, destijds als frissche jonge vrouw tot buit der overwinnaars medegenomen, leefde nog. Zij was evenwel kindsch geworden en, toen ons viertal haar ondervroeg en haar op dien schedel en dat boek wees, was er niets uit te krijgen dan de volzin: „olo bapoeti bahalap” (een mooie blanke).Schlickeisen en Wienersdorf vereenigden hun smeekingen, om Harimaoung Boekit te bewegen, hun dat bekkeneel af te staan; maar al hun pogingen leden schipbreuk. Het bezit van den schedel eens blanken was den Poenan te onwaardeerbaar; hij snoerde zijn rozenkrans behoedzaam te samen en droeg hem binnenshuis. Johannes pakte evenwel het dagboek zorgvuldig in en beveiligde het voor meerdere beschadiging.Zoo langzamerhand waren de dagen verstreken, die Wienersdorf nog van zijn huwelijk scheidden. Blaakte hij van ongeduld, om in het bezit zijner lieftallige en aangebeden Hamadoe te geraken, Johannes van zijn kant was niet minder ongeduldig, om de reis te kunnen voortzetten.[323]Eindelijk was de dag van volle maan daar, de dag waarop het huwelijk zou voltrokken worden. Al heel vroeg in de weer, hadden Dalim en Johannes den bruidegom kant en klaar voor de plechtigheid gemaakt. Volgens Dajaksch gebruik had hij eerst in de rivier een bad moeten nemen, waarna hij door zijn makkers met katitingverf geboend en gewreven en eindelijk met „boengkang”, het vet eener zwarte kat, ingesmeerd werd, zoodat zijn huid glom als een pas gepoetste uniformknoop. De nagels aan handen en voeten werden hem verguld en op het voorhoofd werden hem een paar dikke roode strepen geschilderd, welke als twee vurige wenkbrauwen boven zijn van nature bruine dienst deden. Hij werd met een „karoenkoeng”, een maliënkolder van rottanschakels, gekleed en op zijn hoofd een mutsje van apenvel geplaatst, waarop twee sierlijke staartveeren van den neushoornvogel prijkten. De ewah, die hem om de lendenen geslagen werd, was uiterst fijn van boombast geklopt en mocht een prachtstuk in zijn soort genoemd worden. Daarover gespte hem Dalim den eigen staatsiemandauw van Harimaoung Boekit, waaraan tallooze vlokken van menschenhaar bengelden, ten bewijze dat dat wapen menigmaal zijn bloedig werk had verricht. Den bruidegom werd nu nog een schild in de hand gegeven, waarop een afzichtelijke krokodil geschilderd was, waarmede zijn dosch voltooid was.„Cré matin!” riep La Cueille bewonderend uit, „wat ben je mooi! Als mevrouw Wienersdorf nu niet voor je wegloopt, dan begrijp ik er niets van. Ik wou, dat ik je op de kermis te Jupille had. Met zoo’n wildeman zou geld te verdienen zijn.”De speculatiegeest begon waarachtig in den Waal te varen.Maar nauwelijks was Wienersdorf getooid, toen drie[324]afgevaardigden, bloedverwanten van de bruid, verschenen, om hem ernstig af te vragen, of hij tot de voltrekking van het huwelijk gereed was?„Dat kun je begrijpen!” riep La Cueille, „de vent kookt van ongeduld.”Na dat bevestigend antwoord ontvingen de afgezanten ieder een geschenk in stofgoud van den bruidegom, ter waarde ongeveer van vijf gulden, en vergezelde deze hen naar de woning der bruid. Zijn makkers met Dalim en nog eenige Djankangers volgden hem in plechtigen optocht.In een loods voor het huis van Harimaoung Boekit vond de trouwlustige de geheele bevolking van kotta Rangan Hanoengoh bij elkander. Ja, meer dan dat; velen waren van kotta Ohas en van kotta Behio voor die plechtigheid overgekomen. Meer dan duizend zielen waren daar bij elkander. De bruid, met haar lang zijden baatje en haar saloi met gouddraad doorweven, zedig gekleed, zat tusschen een twintigtal harer speelnootjes, die zonder blikken of blozen, met het bovenlijf bloot, zich te midden dier menigte bewogen. Allen, bruid en bruidsmeisjes, hadden den weelderigen haarwrong met melatiebloemen versierd.Zoodra de bruidegom binnengeleid was, stond Amai Kotong, de oudste in jaren van het gezelschap, op en sprak plechtig een invocatie uit, waarbij hij Mahatara en al de Sangiang’s, maar vooral Kadjanka, den goddelijken beheerscher der maan aanriep en hen smeekte het verliefde paar voor alle rampen en ongelukken te behoeden. Hij somde daarbij met luider stem al de bezittingen van de beide aanstaanden op, maar overdreef bij het maken van dien huwelijksinventaris als naar gewoonte niet weinig, omdat volgens de meening der Dajaks de godheid en de bovenaardsche wezens meer[325]belang in een rijken dan in een armen drommel stellen. Vervolgens vermengde hij in een aarden pot het bloed van een buffel, van een kip, van een woudduif en van een varken, en bezwoer de Sangiangs bij dat mengsel eenig bloed van hun karbouwen, van hun kippen, van hun duiven en van hun varkens te voegen.Om meer kracht aan dat bezweringsformulier bij te zetten, werd het door al de aanwezige Balians, vier-en-tachtig in getal, met vreeselijk misbaar en onder luid getrommel op haar katambong’s herhaald.Nadat Amai Kotong zich van zijn taak gekweten had, traden achtervolgens de zes oudste mannen voor en herhaalden die invocatie, voor welke handeling zij ieder van de bruid een schatting in stofgoud ter waarde van ƒ 5.10 ontvingen.Vervolgens moesten Hamadoe en Wienersdorf op eengarantong(metalen bekken) tegenover elkander plaats nemen. De bruidegom moest zich toen het bovenlijf ontblooten. Gelukkig dat hij straks met katiting gebronsd was, anders ware door de menigte ontdekt, dat hij een bleekhuid was. Amai Kotong was Hamadoe behulpzaam, om ook bij haar die ontblooting te verrichten. De lieve bruid bloosde onder den blik van zoovele oogen, die op haar gericht waren, maar vooral onder dien van haar bruidegom, dien zij toen wel had willen ontwijken. Daarop trad Amai Kotong met den pot met bloed in de hand vooruit, stak de twee voorste vingers en den duim der rechterhand in het mengsel en besmeerde nu, terwijl hij de Sangiangs smeekte het jonge paar met een talrijke nakomelingschap te zegenen, het voorhoofd, de schouders, de polsgewrichten, de maagholte en den navel van bruid en bruidegom, in welke plechtige handeling hij opgevolgd werd door de andere zes oudsten.[326]Toen die besmering afgeloopen was, deelde Wienersdorf geschenken aan de bloedverwanten zijner bruid uit, waarmede de eigenlijke trouwplechtigheden afgeloopen waren. Harimaoung Boekit kreeg een mooi baatje van rood laken met breed vergulden kraag, Amai Kotong en de overigen een fraaie ewah. En nu ging de juichende menigte tot het bruiloft vieren over en aan het smullen, waarbij het bleek, dat het Poenanhoofd de zaken ter eere van zijn zuster en van zijn bloedbroeder Dohong zeer royaal getrakteerd had.Toen bij het vallen van den avond de gemoederen, ten gevolge van het ruime gebruik van toeak, opgewonden geraakten, en de feestvreugde zich juichend en luide betuigde, wenkte Wienersdorf schier onmerkbaar zijn vrouwtje en wilde zich met haar zachtkens verwijderen. O! tegen het heengaan der bruid, daar was niets tegen; die werd door een viertal bestjes naar haar vertrek begeleid, waar zij onder die liefelijke bewaking den nacht slapeloos moest doorbrengen uit vrees voor onheilspellende droomen. Maar toen Wienersdorf haar wilde volgen, werd hij door Harimaoung Boekit, door Amai Kotong en, toen hij zich niet gewillig onderwierp, door al de overige Dajaks tegengehouden. In geen geval, zoo eischten ’s lands gebruiken, mochten de jonggehuwden elkander thans ontmoeten. Ook mocht de bruidegom niet slapen uit vrees voor nare droomgezichten. Er bleef voor hem niets anders over, dan den nacht onder het genot van een toeakje met de feestvierende vrienden door te brengen.„Diable!” schaterde La Cueille, „unedrôlede nuit nuptiale.”De bruidegom deed of hij dien uitroep niet verstaan had.Maar zoodra de zonneschijf zich den volgenden morgen aan de kim vertoonde, werd de jonggehuwde vrouw door haar speelnootjes afgehaald. Zij moest toen met[327]haar echtgenoot in een djoekoeng stijgen en met hun beidjes een eind uit den wal roeien. Ter bestemder plaatse in het midden der rivier gekomen, gaf Hamadoe plotseling een schommelende beweging aan het lichte vaartuig, waardoor het omkantelde. Wienersdorf was geen koen zwemmer, zoodat die plotselinge indompeling hem verraste en hij aanvankelijk naar de diepte zonk. Maar zijn lieve wederhelft greep hem bij de hand, hielp hem en bracht hem behouden aan wal. Daar strooiden de gillende Balians eenige rijstkorrels op beider hoofd en brachten een levende kip er bij; toen deze die korrels gretig oppikte, ging er een gejuich van de vergaderde menigte op; want nu was het bewijs geleverd, dat alle ongeluk bezworen en verjaagd was. De bruiloftsgasten keerden na het verorberen van nog een toeakje naar hun huis terug en lieten de jonggehuwden aan hun overpeinzingen over.Het huwelijk was nu wel voltrokken, maar gedurende de eerste zeven dagen daarna mochten de jonggehuwden zich aan niemand vertoonen en waren verplicht, afgezonderd van de geheele wereld te leven. Toen evenwel die zeven dagen om waren, werd er andermaal bruiloft gevierd, waarbij nu de makkers van Wienersdorf, zijn bloedverwanten vertegenwoordigende, de honneurs waarnamen. De drie Europeanen met Dalim en eenige Djankangers gingen in plechtigen optocht de jonggehuwden afhalen en geleidden hen naar eene groote ruime loods, daartoe expresselijk op het binnenplein der kotta gebouwd. Daar werden toen dezelfde ceremoniën herhaald als vroeger. Alleen de bloedbesmering der jonggetrouwden had nu plaats door de huisvrouwen van hen, die zulks bij de eerste feestviering verrichtten. Tot slot der plechtigheid bood Hamadoe met liefelijk gebaar aan Johannes, Schlickeisen en La Cueille, als vertegenwoordigers[328]der bloedverwanten van haar echtgenoot een fraai bewerkte ewah aan.„Drommels, wat zullen wij er deftig uitzien,” riep de Waal, „wanneer wij als Dajaks gekleed te Singapore zullen rondkuieren.”[329]

XXXII.Reisafspraken.—Rijkdom der goudgronden.—Vermoedelijke herkomst der stofgoudafzettingen.—De diamant van den sultan van Matam.—De diamantdelving.—Het dagboek en de schedel van GeorgMüller.—Huwelijksplechtigheden.

Reisafspraken.—Rijkdom der goudgronden.—Vermoedelijke herkomst der stofgoudafzettingen.—De diamant van den sultan van Matam.—De diamantdelving.—Het dagboek en de schedel van GeorgMüller.—Huwelijksplechtigheden.

Reisafspraken.—Rijkdom der goudgronden.—Vermoedelijke herkomst der stofgoudafzettingen.—De diamant van den sultan van Matam.—De diamantdelving.—Het dagboek en de schedel van GeorgMüller.—Huwelijksplechtigheden.

Daags na dien tocht, werd het goudwasschen weer met ijver hervat en zou dat bedrijf voortgezet worden tot het vertrek van onze avonturiers. Zij waren van oordeel, dat zij niet te veel van dat kostbare metaal konden verzamelen. En wat het vervoer betrof, daaromtrent had de trouwe Harimaoung Boekit hen gerustgesteld. Hij beloofde hen uitgeleide te doen met een dertig zijner onderhoorige Poenans, zoo mogelijk tot dat zijn beschermelingen de Sarawaksche grens zouden bereikt hebben. Dankbaar werd die hulp door Wienersdorf en zijn metgezellen aangenomen en de toebereidselen dienovereenkomstig gemaakt.Bij dat dagelijksche goudwasschen, hetwelk al meer en meer winstgevend werd, naarmate de behendigheid der fortuinzoekers zich meer volmaakte, maakte La Cueille de opmerking, dat de terreinen vanwaar dat stofgoud afgevoerd werd onmetelijk rijk moesten zijn. Vooral kwam hij tot die gevolgtrekking, toen hij van de bevolking vernam, dat bij iederen watervloed de uitgeputte rijkdommen in de beddingen der rivieren en op de zandbanken en uitspringende hoeken weder hersteld werden en dat na iederen westmoesson het stofgoud weer[313]even overvloedig aanwezig was, alsof nimmer de hand aan de ontginning geslagen ware. Als een bijzonderheid werd hem nog medegedeeld, dat hoe meer er gewasschen wordt, hoe meer het gedegen goud verdwijnt, totdat het slechts als uiterst schaarsche korrels voorkomt, terwijl het stofgoud zich weer even overvloedig als voorheen voordoet.„Dat bewijst,” verzekerde Schlickeisen, „dat de gedegen goudkorrels nederzettingen van lagere tijdperken zijn, die zich zoo spoedig niet aanvullen.”„Maar dan moet het stofgoud toch zeer veelvuldig voorkomen,” sprak Wienersdorf peinzend. „En wat moet daarvan niet voor de menschen verloren gaan, wanneer dat fijne bijna ontastbare stof door het geweld der wateren medegesleept, zich in de uitgebreide benedenbekkens met het zoo zachte slib vermengt. Ik geloof niet, dat het overdreven is te beweren, dat de beddingen der meeste rivieren op Borneo goudhoudend zijn tot aan hun uitwatering toe.”„Wel zeker zijn zij dat,” viel Johannes in. „Voor de monding der Kapoeas, die wij opgevaren hebben, ligt een eilandje, hetwelkMangboelau(goudzoeken) heet. In de overleveringen van de menschen van Kwala Kapoeas bestaat de herinnering nog, dat op dat eilandje goud gewasschen werd. Er is nog stofgoud te vinden, maar de opbrengst loont de moeite niet. Wanneer evenwel de wateren gedurende een reeks van jaren hun taak ongestoord zullen kunnen volbrengen, dan zal een ontginning weer winstgevend zijn.”„Als wij eens die terreinen konden bezoeken, van waar dat stofgoud afgevoerd wordt,” sprak La Cueille, die zich met dat onderwerp slechts bezig hield.„Die streek zullen wij doortrekken,” antwoordde Johannes, „maar wij zullen er ons niet kunnen ophouden.[314]Zij is slechts bewoond door Olo Otts, door Penheng’s, door Modang’s, door Tering’s enz. allemaal stammen, waarvan de een al woester dan de ander is, waar wij ons leven geen oogenblik zeker zullen zijn en waar wij daarenboven onmogelijk in ons onderhoud zouden kunnen voorzien, wanneer wij daar eenigen tijd wilden verwijlen. De geheele Kaminting bergketen is rijk goudhoudend; want alle rivieren, die daar ontspringen, voeren goud af onverschillig naar welke windstreken zij haar wateren stuwen. Evenwel worden de Kapoeas Moeroeng met haar nevenrivieren de soengei Mawat en de soengei Sirat, de Kahajan met haar schatplichtige soengei’s, de Miri, de Roengan en Manohin en verder de boven Katingan als de rijkste aangemerkt. Het is dus te voorzien, dat het gebergte, waaruit die rivieren ontspringen met zijn uitloopers bij onderzoek de meest bevredigende opbrengst zou opleveren.”„Hoe zou dat goud in het oorspronkelijke gebergte voorkomen?” vroeg La Cueille.Daarop wist niemand te antwoorden, zelfs de Poenans niet, die daarover nimmer nagedacht hadden. Een toeval zou den Waal daaromtrent iets hoewel niet veel mededeelen.Eens, dat hij bezig was de munitie voor kotta Rangan Hanoengoh in orde te brengen, kreeg hij in het hoofd geweerpatronen te vervaardigen. Die zouden voor de Poenans van oneindig meer gemak bij de behandeling hunner vuurwapenen ook minder gevaarlijk zijn en tot minder kruitverspilling aanleiding geven. Nu stortten die wildemannen maar een zekere hoeveelheid in den loop, veel of weinig, op gevaar af, dat het wapen hun in de handen sprong. Maar om patronen te kunnen maken had hij papier voor de hulzen noodig. Dat was evenwel in een Dajaksche kotta, ver in het binnenland gelegen, zoo maar niet te vinden. Hij sprak[315]er met Harimaoung Boekit over en liet hem daarbij eenige zijner patronen zien. Toen deze begreep wat noodig was, liep hij naar binnen en bracht een pak oude boeken te voorschijn. Het waren meestal bijbels in de Dajaksche taal, die overvloedig verspreid tot daar in de binnenlanden doorgedrongen waren, hoewel onder de bevolking geen sterveling lezen kon. Onder die boeken trof de Waal een foliant aan, die een geschreven dagregister scheen te zijn, maar in uiterst ontredderden toestand verkeerde. Een gedeelte er van bestond nog uit witte bladen, de beschrevene waren meerendeels verscheurd en aan flarden. Een titelblad was er niet, zoodat niet te zien was, wie er de schrijver of de eigenaar van geweest was. Er in bladerende, troffen hem de volgende zinsneden op een bladzijde, waarvan ook meer dan de helft ontbrak.„14 Oktober 1824.„Ik heb bevonden dat het goud hier(?) even als in andere landen in aardlagen voorkomt, die naarmate van de vorming van het terrein, meer of minder verwijderd van elkander liggen, zoodat op de eene plek soms een ware schat en op een andere in de onmiddellijke nabijheid niets, hoegenaamd niets gevonden wordt. Het goudhoudende zand rust gewoonlijk op een schacht van lichtgele leemaarde en is met een donkerkleurige bitumineuse klei bedekt. Dat zand bevat behalve een fijnkorrelig kwarts, goud in korrels, in vliesjes en in de gedaante van stof. Enkele platinadraadjes en korrels worden er ook onder aangetroffen. Zóó wordt het gevonden aan den voet der heuvels, soms ook op de benedenhellingen, maar onveranderlijk in zoodanig terrein, hetwelk door de afstroomende wateren afgezet is, dus in aangeslibde gronden. Het is mij nog niet mogen gelukken goudaderen in het kwartsgesteente te ontdekken,[316]hoewel het daar in zijn oorspronkelijken toestand en dan wellicht in vrij aanzienlijke gedegen brokken te vinden moet zijn. Want onweerlegbaar zijn de korrels en schilfers, die in die alluviale terreinen en allerwege in de rivierbeddingen aangetroffen worden, uit hun kwartsomvatting losgerukt of van grootere massa’s afgescheurd, terwijl het stofgoud ontstaan is en nog ontstaat uit de wrijving van de schilfers en korrels tegen elkander en tegen ander gesteente, voortgesleurd als zij worden door het woeste geweld van het water.„Eigenlijke bergwerken, waarin de aardlagen.…”Hier was de bladzijde afgescheurd en ontbrak het overige gedeelte.„Dat ’s drommels jammer,” mompelde de Waal en zuchtend vervolgde hij droomend: „ja, daar in dat gebergte daar moeten onmetelijke rijkdommen opgestapeld liggen.”Hij ging voort met bladeren. Eensklaps hield hij op; zijn aandacht was weer gevestigd.„Drommels dat is interessant. Dat moet ik lezen.”„16 Juli 1824.„Gisteren namiddag heb ik den grooten diamant van den Sultan van Matam gezien. Men heeft mij niet gefopt, dat kon ik ook wel aan de voorzorgen zien, die genomen werden. Anders laat de vorst wel aan nieuwsgierige vreemdelingen, die hij wantrouwt, een fraaien djakoet zien, die met den grooten diamant veel overeenkomst heeft. Maar ik heb den echten gezien en hem in handen gehad. Het is een prachtige steen, die in het rijk Landak gevonden is. Hij weegt 361 karaat; ik heb hem zelf gewogen. Het is een pyramidale dodekaëder of dubbel zeszijdige pyramide, welke op ongeveer twee derden van zijn geheele lengte gebroken is, waarschijnlijk bij het losmaken uit de hem omringd hebbende korst, iets dat meermalen wordt[317]waargenomen. De gedaante is niet regelmatig, maar eenigszins schuins. De steen is van een uiterst zuiver water, de zeer lichte speling van kleuren, welke opgemerkt wordt en naar het rooskleurige overhelt, moet meer aan de straalbreking door de scheuren veroorzaakt worden toegeschreven, dan wel aan minder zuiverheid. Zijn lengteas is 5.7, zijn kortste 3.3, de korte pyramidaalzijde is 2.9, de lange 3.9 cM. In de Dajaksche taal heet hij Sagima (hoekig), in het MaleischDanau Redjo. Zijn waarde bedraagt 5,212,000 gulden.”„Vijf millioen gulden!” schreeuwde de Waal buiten zich zelven. „Vijf millioen gulden! ik wou dat ik zulk een steentje vond.”Sedert hij zijn twintig K.G. goud gevonden had, was onze La Cueille onverzadelijk. Hij verbeeldde zich, dat om diamanten van vijf millioen te vinden, hij maar te bukken had.Hij riep zijn makkers tot zich en stelde hun de vraag, waar Landak gelegen was. Wienersdorf en Schlickeisen keken elkander eens aan. In Indische aardrijkskunde hadden zij nimmer uitgemunt en knikten dan ook ontkennend. Johannes evenwel strekte den arm uit en zei:„Daar ginds in het zuidwesten.”„Komen wij daar dicht bij?” vroeg de Waal.„Hoe heb ik het nu met je?” vroeg Johannes verbaasd. „Wij moeten steeds noordwaarts op en wij zouden daar dicht bij komen?”„Zullen wij ook streken passeeren, waar diamanten te vinden zijn?”„Drommels neen! Die dure keitjes worden, zoo ver ik weet, alleen in Tanah Laout, de zuidoostspits van Borneo en in Landak, waar je naar verneemt, op de westkust gevonden. Maar waarom vraag je dat?”[318]„Kijk eens hier,” sprak de Waal opgetogen, terwijl hij den ontredderden foliant vertoonde. „In Landak is een diamant gevonden die 5,212,000 gulden waard is. Dat is, als ik het wel heb, ruim elf millioen francs. Zeg, als we zoo’n steentje konden vinden?”„Zoo! wildet jij zoo’n steen van elf millioen francs vinden? Je wordt onverzadelijk, mijn waarde Eburoon,” lachte Wienersdorf.„L’appetit vient en mangeant,” mompelde de Waal. „Maar waarom noem je mij Eburoon?”„Dat staat in verband met je gestaarte voorouders, die de tegenwoordige Walenkwartieren bewoonden en toen Eburonen genoemd werden. Ik zal je dat later wel eens uitleggen.”„Omtrent je klimmende appetijt naar edelgesteente,” viel Johannes in, „valt je de waarschuwing te geven van daarvan je lippen en verhemelte maar schoon te houden. Je hebt het goudzoeken van nabij gezien, niet waar? welnu het diamantzoeken is oneindig veel lastiger en moeielijker. Ik heb dat jaren geleden in het Martapoerasche kunnen waarnemen. Om dat werk naar eisch te verrichten, moeten putten gegraven worden van vier à zes voet vierkant, totdat de diamantbevattende laag bereikt is.”„Hoe ziet die laag er uit?” vroeg La Cueille.„Het is in den regel een mengsel van kiezel en stukjes zandsteen in een laag klei van bijzonder roode kleur vervat. Daaronder strekt zich een laag donkerblauwe klei uit, waarin de „batoe ampar anoem”, ook wel „djakoet” genoemd, een prachtige soort van bergkristal, door de oningewijden niet van den diamant te onderkennen, aangetroffen wordt. Ontmoet men deze blauwe kleilaag zonder dat de roode aangetroffen is, dan is dat een zeker teeken, dat daar geen edelgesteenten aanwezig zijn.”[319]„Hoe diep zijn die putten?” vroeg de Waal.„Dat hangt af van het terrein en van de dikte en het aantal der dekkende lagen, waardoor heen gewerkt moet worden. Ik heb putten gezien, die 20 à 25 voet diep waren. Gemiddeld kun je ze rekenen op 12 à 15 voet.”„Waaraan herkent men de gronden, waarin diamanten verwacht worden? Men zal toch maar niet op goed geluk af dien moeitevollen arbeid van dat putgraven gaan ondernemen?” vroeg Schlickeisen.„Waarachtig niet. In de diamantdistrikten heeft men daartoe „malim’s” (gidsen, loodsen). Deze gaan tegen zonsondergang, van drie à vier man vergezeld, door de bosschen en wildernissen dwalen. Alvorens den tocht te ondernemen, hebben zij zich met een zekere tooverolie, „minjakh tjelang boemi”, een vette, vertikale streep tusschen de beide oogen tot over het neusbeen getrokken. De malim beweert dat die olie hem het vermogen schenkt de verborgenheden van het binnenste der aarde te kunnen aanschouwen.”„Ik wou dat ik van die olie had,” mompelde de Waal.„Ook zou de malim boven den grond, waaronder diamanten bedolven liggen, een lichtenden glans zien als van een glimworm, groot of klein naarmate van de grootte der steenen daardoor aangeduid.”„Hoe gaat dat diamantzoeken in zijn werk?” vroeg Wienersdorf.„Wanneer de put gegraven en de bedoelde roode kleilaag bereikt is, dan wordt die zuiver en netjes uitgestoken en de klei in een met boomschors afgeperkt vierkant verzameld, waarna, wanneer van die klei een genoegzame hoeveelheid bijeengebracht is, zij in de nabijheid van stroomend water gedragen wordt om uitgewasschen te worden.”[320]„Zeker in een doelang, zooals wij bij het goudzoeken bezigen?”„Neen, waarachtig niet, maar in een legèh, hetwelk een soort van mand is, die de gedaante heeft van een halven cilinder, maar zoo fijn van bamboereepjes en gespleten rottan gevlochten is, dat het kleinste steentje er niet door kan. Alleen de klei wordt onder een voortdurend kneden en wasschen door het water als in suspensie opgenomen en medegevoerd. De achtergebleven kiezeltjes en gruis worden nog eens gezeefd en later met de hand gelijkmatig in de legèh uitgestreken in een zeer dunne laag en dan met de meeste zorgvuldigheid uitgezocht. Dikwijls wordt de legèh geledigd zonder dat er een steentje in gevonden is nog zoo klein. Gij ziet dat het geen gemakkelijk werk is, in ieder geval geen, waarmede wij ons bezig zouden kunnen houden, al kwamen wij ook door streken, alwaar dit edelgesteente aangetroffen wordt.”„Dat ’s verd … jammer!” pruttelde La Cueille. „Een vondst van vijf millioen hollandsche guldens zou wel wat inspanning waard zijn.”„Ja zeker, maar steenen van vijf millioen vind je zoo maar niet. Het is lang geleden toen die steen uit den schoot der aarde voor den dag gehaald werd. Ik meen dat dat in 1690 of 1695 gebeurd is; dus zoo wat een en drie kwart eeuw geleden. Sedert is er geen enkele meer van die taille gevonden. Zelfs zijn er geleerden en ambtenaren, die beweren dat die geheele Danau Redjo niet bestaat en dat het eenvoudig een prachtige djakoet is, die vertoond wordt. Maar laat zien, wat staat er van dien diamant in jou smerig boek?”Johannes nam het manuscript over en las. Toen hij die diamantbeschrijving ten einde had, bladerde hij in dat boek, hetwelk zijn belangstelling opwekte. Eindelijk[321]zocht hij naar den naam van den schrijver of van den bezitter; maar te vergeefs.„Wat drommel, hoe kom je aan dat vod?” vroeg hij eindelijk aan den Waal.La Cueille verhaalde nu, dat hij dat boek van Harimaoung Boekit met eenige andere ontvangen had, om patroonhulzen te maken. De Poenan werd ondervraagd en deze verhaalde na eenig bedenken, dat hij bij een koppensnellerstocht op het grondgebied der Penheng’s, een stam, welke aan de Pendeh, een soengei westelijk van de boven Doesson stroomende, woont, dat boek had buitgemaakt. Hij vertelde, dat er toen vele prenten in waren (waarschijnlijk schetsen en teekeningen); maar die waren er door de kinderen uitgescheurd.Bij nader onderzoek meende Johannes te ontdekken, dat op de bladzijde wit papier, welke den omslag aan de binnenzijde bekleedde, eenig schrift te bespeuren was. Hij zocht die bladzijde zachtjes los te maken, hetgeen gemakkelijk geschiedde, daar het kleefmiddel door vocht en tijd verteerd, krachteloos geworden was. Toen hij den omslag behoorlijk gereinigd had, las hij met ontzetting het navolgende:„Heden zijn al mijne reismakkers geslacht. Morgen is het mijne beurt. God zij mijne ziel genadig.G. M.”Peinzend bekeek Johannes die twee hoofdletters, die daar nog duidelijk gegrift stonden.„Sakkerloot!” riep hij eensklaps uit, „zou dat het dagboek van GeorgMüllerzijn, het dagboek van den geleerde, die meer dan vijf en dertig jaar geleden hier in de binnenlanden vermoord werd? Dat zou een vondst zijn! O! ongetwijfeld is het dat.”Harimaoung Boekit stormde zijn woning in en kwam weldra met een rozenkrans van bekkeneelen naar buiten.[322]Een daarvan toonde hij aan de Europeanen, hetwelk, door den gelaatshoek niet te miskennen, ontwijfelbaar aan een individu van het Kaukasische ras behoord had.„Bij dat boek gevonden,” grijnsde de Poenan.Met aandoening beschouwden onze avonturiers dat grijnzende doodshoofd, hetwelk ongetwijfeld eenmaal de zetel van de verstandelijke vermogens van den wakkeren reiziger geweest was, die der wetenschap ten offer onder de handen van sluipmoordenaars gevallen was. Zij trachtten van het Poenanhoofd nog bijzonderheden te vernemen, maar deze verklaarde er niets meer van te weten, dan dat bij dien sneltocht al de Penhengs, welke hij met de zijnen overvallen had, gedood waren. Een oude vrouw, destijds als frissche jonge vrouw tot buit der overwinnaars medegenomen, leefde nog. Zij was evenwel kindsch geworden en, toen ons viertal haar ondervroeg en haar op dien schedel en dat boek wees, was er niets uit te krijgen dan de volzin: „olo bapoeti bahalap” (een mooie blanke).Schlickeisen en Wienersdorf vereenigden hun smeekingen, om Harimaoung Boekit te bewegen, hun dat bekkeneel af te staan; maar al hun pogingen leden schipbreuk. Het bezit van den schedel eens blanken was den Poenan te onwaardeerbaar; hij snoerde zijn rozenkrans behoedzaam te samen en droeg hem binnenshuis. Johannes pakte evenwel het dagboek zorgvuldig in en beveiligde het voor meerdere beschadiging.Zoo langzamerhand waren de dagen verstreken, die Wienersdorf nog van zijn huwelijk scheidden. Blaakte hij van ongeduld, om in het bezit zijner lieftallige en aangebeden Hamadoe te geraken, Johannes van zijn kant was niet minder ongeduldig, om de reis te kunnen voortzetten.[323]Eindelijk was de dag van volle maan daar, de dag waarop het huwelijk zou voltrokken worden. Al heel vroeg in de weer, hadden Dalim en Johannes den bruidegom kant en klaar voor de plechtigheid gemaakt. Volgens Dajaksch gebruik had hij eerst in de rivier een bad moeten nemen, waarna hij door zijn makkers met katitingverf geboend en gewreven en eindelijk met „boengkang”, het vet eener zwarte kat, ingesmeerd werd, zoodat zijn huid glom als een pas gepoetste uniformknoop. De nagels aan handen en voeten werden hem verguld en op het voorhoofd werden hem een paar dikke roode strepen geschilderd, welke als twee vurige wenkbrauwen boven zijn van nature bruine dienst deden. Hij werd met een „karoenkoeng”, een maliënkolder van rottanschakels, gekleed en op zijn hoofd een mutsje van apenvel geplaatst, waarop twee sierlijke staartveeren van den neushoornvogel prijkten. De ewah, die hem om de lendenen geslagen werd, was uiterst fijn van boombast geklopt en mocht een prachtstuk in zijn soort genoemd worden. Daarover gespte hem Dalim den eigen staatsiemandauw van Harimaoung Boekit, waaraan tallooze vlokken van menschenhaar bengelden, ten bewijze dat dat wapen menigmaal zijn bloedig werk had verricht. Den bruidegom werd nu nog een schild in de hand gegeven, waarop een afzichtelijke krokodil geschilderd was, waarmede zijn dosch voltooid was.„Cré matin!” riep La Cueille bewonderend uit, „wat ben je mooi! Als mevrouw Wienersdorf nu niet voor je wegloopt, dan begrijp ik er niets van. Ik wou, dat ik je op de kermis te Jupille had. Met zoo’n wildeman zou geld te verdienen zijn.”De speculatiegeest begon waarachtig in den Waal te varen.Maar nauwelijks was Wienersdorf getooid, toen drie[324]afgevaardigden, bloedverwanten van de bruid, verschenen, om hem ernstig af te vragen, of hij tot de voltrekking van het huwelijk gereed was?„Dat kun je begrijpen!” riep La Cueille, „de vent kookt van ongeduld.”Na dat bevestigend antwoord ontvingen de afgezanten ieder een geschenk in stofgoud van den bruidegom, ter waarde ongeveer van vijf gulden, en vergezelde deze hen naar de woning der bruid. Zijn makkers met Dalim en nog eenige Djankangers volgden hem in plechtigen optocht.In een loods voor het huis van Harimaoung Boekit vond de trouwlustige de geheele bevolking van kotta Rangan Hanoengoh bij elkander. Ja, meer dan dat; velen waren van kotta Ohas en van kotta Behio voor die plechtigheid overgekomen. Meer dan duizend zielen waren daar bij elkander. De bruid, met haar lang zijden baatje en haar saloi met gouddraad doorweven, zedig gekleed, zat tusschen een twintigtal harer speelnootjes, die zonder blikken of blozen, met het bovenlijf bloot, zich te midden dier menigte bewogen. Allen, bruid en bruidsmeisjes, hadden den weelderigen haarwrong met melatiebloemen versierd.Zoodra de bruidegom binnengeleid was, stond Amai Kotong, de oudste in jaren van het gezelschap, op en sprak plechtig een invocatie uit, waarbij hij Mahatara en al de Sangiang’s, maar vooral Kadjanka, den goddelijken beheerscher der maan aanriep en hen smeekte het verliefde paar voor alle rampen en ongelukken te behoeden. Hij somde daarbij met luider stem al de bezittingen van de beide aanstaanden op, maar overdreef bij het maken van dien huwelijksinventaris als naar gewoonte niet weinig, omdat volgens de meening der Dajaks de godheid en de bovenaardsche wezens meer[325]belang in een rijken dan in een armen drommel stellen. Vervolgens vermengde hij in een aarden pot het bloed van een buffel, van een kip, van een woudduif en van een varken, en bezwoer de Sangiangs bij dat mengsel eenig bloed van hun karbouwen, van hun kippen, van hun duiven en van hun varkens te voegen.Om meer kracht aan dat bezweringsformulier bij te zetten, werd het door al de aanwezige Balians, vier-en-tachtig in getal, met vreeselijk misbaar en onder luid getrommel op haar katambong’s herhaald.Nadat Amai Kotong zich van zijn taak gekweten had, traden achtervolgens de zes oudste mannen voor en herhaalden die invocatie, voor welke handeling zij ieder van de bruid een schatting in stofgoud ter waarde van ƒ 5.10 ontvingen.Vervolgens moesten Hamadoe en Wienersdorf op eengarantong(metalen bekken) tegenover elkander plaats nemen. De bruidegom moest zich toen het bovenlijf ontblooten. Gelukkig dat hij straks met katiting gebronsd was, anders ware door de menigte ontdekt, dat hij een bleekhuid was. Amai Kotong was Hamadoe behulpzaam, om ook bij haar die ontblooting te verrichten. De lieve bruid bloosde onder den blik van zoovele oogen, die op haar gericht waren, maar vooral onder dien van haar bruidegom, dien zij toen wel had willen ontwijken. Daarop trad Amai Kotong met den pot met bloed in de hand vooruit, stak de twee voorste vingers en den duim der rechterhand in het mengsel en besmeerde nu, terwijl hij de Sangiangs smeekte het jonge paar met een talrijke nakomelingschap te zegenen, het voorhoofd, de schouders, de polsgewrichten, de maagholte en den navel van bruid en bruidegom, in welke plechtige handeling hij opgevolgd werd door de andere zes oudsten.[326]Toen die besmering afgeloopen was, deelde Wienersdorf geschenken aan de bloedverwanten zijner bruid uit, waarmede de eigenlijke trouwplechtigheden afgeloopen waren. Harimaoung Boekit kreeg een mooi baatje van rood laken met breed vergulden kraag, Amai Kotong en de overigen een fraaie ewah. En nu ging de juichende menigte tot het bruiloft vieren over en aan het smullen, waarbij het bleek, dat het Poenanhoofd de zaken ter eere van zijn zuster en van zijn bloedbroeder Dohong zeer royaal getrakteerd had.Toen bij het vallen van den avond de gemoederen, ten gevolge van het ruime gebruik van toeak, opgewonden geraakten, en de feestvreugde zich juichend en luide betuigde, wenkte Wienersdorf schier onmerkbaar zijn vrouwtje en wilde zich met haar zachtkens verwijderen. O! tegen het heengaan der bruid, daar was niets tegen; die werd door een viertal bestjes naar haar vertrek begeleid, waar zij onder die liefelijke bewaking den nacht slapeloos moest doorbrengen uit vrees voor onheilspellende droomen. Maar toen Wienersdorf haar wilde volgen, werd hij door Harimaoung Boekit, door Amai Kotong en, toen hij zich niet gewillig onderwierp, door al de overige Dajaks tegengehouden. In geen geval, zoo eischten ’s lands gebruiken, mochten de jonggehuwden elkander thans ontmoeten. Ook mocht de bruidegom niet slapen uit vrees voor nare droomgezichten. Er bleef voor hem niets anders over, dan den nacht onder het genot van een toeakje met de feestvierende vrienden door te brengen.„Diable!” schaterde La Cueille, „unedrôlede nuit nuptiale.”De bruidegom deed of hij dien uitroep niet verstaan had.Maar zoodra de zonneschijf zich den volgenden morgen aan de kim vertoonde, werd de jonggehuwde vrouw door haar speelnootjes afgehaald. Zij moest toen met[327]haar echtgenoot in een djoekoeng stijgen en met hun beidjes een eind uit den wal roeien. Ter bestemder plaatse in het midden der rivier gekomen, gaf Hamadoe plotseling een schommelende beweging aan het lichte vaartuig, waardoor het omkantelde. Wienersdorf was geen koen zwemmer, zoodat die plotselinge indompeling hem verraste en hij aanvankelijk naar de diepte zonk. Maar zijn lieve wederhelft greep hem bij de hand, hielp hem en bracht hem behouden aan wal. Daar strooiden de gillende Balians eenige rijstkorrels op beider hoofd en brachten een levende kip er bij; toen deze die korrels gretig oppikte, ging er een gejuich van de vergaderde menigte op; want nu was het bewijs geleverd, dat alle ongeluk bezworen en verjaagd was. De bruiloftsgasten keerden na het verorberen van nog een toeakje naar hun huis terug en lieten de jonggehuwden aan hun overpeinzingen over.Het huwelijk was nu wel voltrokken, maar gedurende de eerste zeven dagen daarna mochten de jonggehuwden zich aan niemand vertoonen en waren verplicht, afgezonderd van de geheele wereld te leven. Toen evenwel die zeven dagen om waren, werd er andermaal bruiloft gevierd, waarbij nu de makkers van Wienersdorf, zijn bloedverwanten vertegenwoordigende, de honneurs waarnamen. De drie Europeanen met Dalim en eenige Djankangers gingen in plechtigen optocht de jonggehuwden afhalen en geleidden hen naar eene groote ruime loods, daartoe expresselijk op het binnenplein der kotta gebouwd. Daar werden toen dezelfde ceremoniën herhaald als vroeger. Alleen de bloedbesmering der jonggetrouwden had nu plaats door de huisvrouwen van hen, die zulks bij de eerste feestviering verrichtten. Tot slot der plechtigheid bood Hamadoe met liefelijk gebaar aan Johannes, Schlickeisen en La Cueille, als vertegenwoordigers[328]der bloedverwanten van haar echtgenoot een fraai bewerkte ewah aan.„Drommels, wat zullen wij er deftig uitzien,” riep de Waal, „wanneer wij als Dajaks gekleed te Singapore zullen rondkuieren.”[329]

Daags na dien tocht, werd het goudwasschen weer met ijver hervat en zou dat bedrijf voortgezet worden tot het vertrek van onze avonturiers. Zij waren van oordeel, dat zij niet te veel van dat kostbare metaal konden verzamelen. En wat het vervoer betrof, daaromtrent had de trouwe Harimaoung Boekit hen gerustgesteld. Hij beloofde hen uitgeleide te doen met een dertig zijner onderhoorige Poenans, zoo mogelijk tot dat zijn beschermelingen de Sarawaksche grens zouden bereikt hebben. Dankbaar werd die hulp door Wienersdorf en zijn metgezellen aangenomen en de toebereidselen dienovereenkomstig gemaakt.

Bij dat dagelijksche goudwasschen, hetwelk al meer en meer winstgevend werd, naarmate de behendigheid der fortuinzoekers zich meer volmaakte, maakte La Cueille de opmerking, dat de terreinen vanwaar dat stofgoud afgevoerd werd onmetelijk rijk moesten zijn. Vooral kwam hij tot die gevolgtrekking, toen hij van de bevolking vernam, dat bij iederen watervloed de uitgeputte rijkdommen in de beddingen der rivieren en op de zandbanken en uitspringende hoeken weder hersteld werden en dat na iederen westmoesson het stofgoud weer[313]even overvloedig aanwezig was, alsof nimmer de hand aan de ontginning geslagen ware. Als een bijzonderheid werd hem nog medegedeeld, dat hoe meer er gewasschen wordt, hoe meer het gedegen goud verdwijnt, totdat het slechts als uiterst schaarsche korrels voorkomt, terwijl het stofgoud zich weer even overvloedig als voorheen voordoet.

„Dat bewijst,” verzekerde Schlickeisen, „dat de gedegen goudkorrels nederzettingen van lagere tijdperken zijn, die zich zoo spoedig niet aanvullen.”

„Maar dan moet het stofgoud toch zeer veelvuldig voorkomen,” sprak Wienersdorf peinzend. „En wat moet daarvan niet voor de menschen verloren gaan, wanneer dat fijne bijna ontastbare stof door het geweld der wateren medegesleept, zich in de uitgebreide benedenbekkens met het zoo zachte slib vermengt. Ik geloof niet, dat het overdreven is te beweren, dat de beddingen der meeste rivieren op Borneo goudhoudend zijn tot aan hun uitwatering toe.”

„Wel zeker zijn zij dat,” viel Johannes in. „Voor de monding der Kapoeas, die wij opgevaren hebben, ligt een eilandje, hetwelkMangboelau(goudzoeken) heet. In de overleveringen van de menschen van Kwala Kapoeas bestaat de herinnering nog, dat op dat eilandje goud gewasschen werd. Er is nog stofgoud te vinden, maar de opbrengst loont de moeite niet. Wanneer evenwel de wateren gedurende een reeks van jaren hun taak ongestoord zullen kunnen volbrengen, dan zal een ontginning weer winstgevend zijn.”

„Als wij eens die terreinen konden bezoeken, van waar dat stofgoud afgevoerd wordt,” sprak La Cueille, die zich met dat onderwerp slechts bezig hield.

„Die streek zullen wij doortrekken,” antwoordde Johannes, „maar wij zullen er ons niet kunnen ophouden.[314]Zij is slechts bewoond door Olo Otts, door Penheng’s, door Modang’s, door Tering’s enz. allemaal stammen, waarvan de een al woester dan de ander is, waar wij ons leven geen oogenblik zeker zullen zijn en waar wij daarenboven onmogelijk in ons onderhoud zouden kunnen voorzien, wanneer wij daar eenigen tijd wilden verwijlen. De geheele Kaminting bergketen is rijk goudhoudend; want alle rivieren, die daar ontspringen, voeren goud af onverschillig naar welke windstreken zij haar wateren stuwen. Evenwel worden de Kapoeas Moeroeng met haar nevenrivieren de soengei Mawat en de soengei Sirat, de Kahajan met haar schatplichtige soengei’s, de Miri, de Roengan en Manohin en verder de boven Katingan als de rijkste aangemerkt. Het is dus te voorzien, dat het gebergte, waaruit die rivieren ontspringen met zijn uitloopers bij onderzoek de meest bevredigende opbrengst zou opleveren.”

„Hoe zou dat goud in het oorspronkelijke gebergte voorkomen?” vroeg La Cueille.

Daarop wist niemand te antwoorden, zelfs de Poenans niet, die daarover nimmer nagedacht hadden. Een toeval zou den Waal daaromtrent iets hoewel niet veel mededeelen.

Eens, dat hij bezig was de munitie voor kotta Rangan Hanoengoh in orde te brengen, kreeg hij in het hoofd geweerpatronen te vervaardigen. Die zouden voor de Poenans van oneindig meer gemak bij de behandeling hunner vuurwapenen ook minder gevaarlijk zijn en tot minder kruitverspilling aanleiding geven. Nu stortten die wildemannen maar een zekere hoeveelheid in den loop, veel of weinig, op gevaar af, dat het wapen hun in de handen sprong. Maar om patronen te kunnen maken had hij papier voor de hulzen noodig. Dat was evenwel in een Dajaksche kotta, ver in het binnenland gelegen, zoo maar niet te vinden. Hij sprak[315]er met Harimaoung Boekit over en liet hem daarbij eenige zijner patronen zien. Toen deze begreep wat noodig was, liep hij naar binnen en bracht een pak oude boeken te voorschijn. Het waren meestal bijbels in de Dajaksche taal, die overvloedig verspreid tot daar in de binnenlanden doorgedrongen waren, hoewel onder de bevolking geen sterveling lezen kon. Onder die boeken trof de Waal een foliant aan, die een geschreven dagregister scheen te zijn, maar in uiterst ontredderden toestand verkeerde. Een gedeelte er van bestond nog uit witte bladen, de beschrevene waren meerendeels verscheurd en aan flarden. Een titelblad was er niet, zoodat niet te zien was, wie er de schrijver of de eigenaar van geweest was. Er in bladerende, troffen hem de volgende zinsneden op een bladzijde, waarvan ook meer dan de helft ontbrak.

„14 Oktober 1824.„Ik heb bevonden dat het goud hier(?) even als in andere landen in aardlagen voorkomt, die naarmate van de vorming van het terrein, meer of minder verwijderd van elkander liggen, zoodat op de eene plek soms een ware schat en op een andere in de onmiddellijke nabijheid niets, hoegenaamd niets gevonden wordt. Het goudhoudende zand rust gewoonlijk op een schacht van lichtgele leemaarde en is met een donkerkleurige bitumineuse klei bedekt. Dat zand bevat behalve een fijnkorrelig kwarts, goud in korrels, in vliesjes en in de gedaante van stof. Enkele platinadraadjes en korrels worden er ook onder aangetroffen. Zóó wordt het gevonden aan den voet der heuvels, soms ook op de benedenhellingen, maar onveranderlijk in zoodanig terrein, hetwelk door de afstroomende wateren afgezet is, dus in aangeslibde gronden. Het is mij nog niet mogen gelukken goudaderen in het kwartsgesteente te ontdekken,[316]hoewel het daar in zijn oorspronkelijken toestand en dan wellicht in vrij aanzienlijke gedegen brokken te vinden moet zijn. Want onweerlegbaar zijn de korrels en schilfers, die in die alluviale terreinen en allerwege in de rivierbeddingen aangetroffen worden, uit hun kwartsomvatting losgerukt of van grootere massa’s afgescheurd, terwijl het stofgoud ontstaan is en nog ontstaat uit de wrijving van de schilfers en korrels tegen elkander en tegen ander gesteente, voortgesleurd als zij worden door het woeste geweld van het water.„Eigenlijke bergwerken, waarin de aardlagen.…”

„14 Oktober 1824.

„Ik heb bevonden dat het goud hier(?) even als in andere landen in aardlagen voorkomt, die naarmate van de vorming van het terrein, meer of minder verwijderd van elkander liggen, zoodat op de eene plek soms een ware schat en op een andere in de onmiddellijke nabijheid niets, hoegenaamd niets gevonden wordt. Het goudhoudende zand rust gewoonlijk op een schacht van lichtgele leemaarde en is met een donkerkleurige bitumineuse klei bedekt. Dat zand bevat behalve een fijnkorrelig kwarts, goud in korrels, in vliesjes en in de gedaante van stof. Enkele platinadraadjes en korrels worden er ook onder aangetroffen. Zóó wordt het gevonden aan den voet der heuvels, soms ook op de benedenhellingen, maar onveranderlijk in zoodanig terrein, hetwelk door de afstroomende wateren afgezet is, dus in aangeslibde gronden. Het is mij nog niet mogen gelukken goudaderen in het kwartsgesteente te ontdekken,[316]hoewel het daar in zijn oorspronkelijken toestand en dan wellicht in vrij aanzienlijke gedegen brokken te vinden moet zijn. Want onweerlegbaar zijn de korrels en schilfers, die in die alluviale terreinen en allerwege in de rivierbeddingen aangetroffen worden, uit hun kwartsomvatting losgerukt of van grootere massa’s afgescheurd, terwijl het stofgoud ontstaan is en nog ontstaat uit de wrijving van de schilfers en korrels tegen elkander en tegen ander gesteente, voortgesleurd als zij worden door het woeste geweld van het water.

„Eigenlijke bergwerken, waarin de aardlagen.…”

Hier was de bladzijde afgescheurd en ontbrak het overige gedeelte.

„Dat ’s drommels jammer,” mompelde de Waal en zuchtend vervolgde hij droomend: „ja, daar in dat gebergte daar moeten onmetelijke rijkdommen opgestapeld liggen.”

Hij ging voort met bladeren. Eensklaps hield hij op; zijn aandacht was weer gevestigd.

„Drommels dat is interessant. Dat moet ik lezen.”

„16 Juli 1824.„Gisteren namiddag heb ik den grooten diamant van den Sultan van Matam gezien. Men heeft mij niet gefopt, dat kon ik ook wel aan de voorzorgen zien, die genomen werden. Anders laat de vorst wel aan nieuwsgierige vreemdelingen, die hij wantrouwt, een fraaien djakoet zien, die met den grooten diamant veel overeenkomst heeft. Maar ik heb den echten gezien en hem in handen gehad. Het is een prachtige steen, die in het rijk Landak gevonden is. Hij weegt 361 karaat; ik heb hem zelf gewogen. Het is een pyramidale dodekaëder of dubbel zeszijdige pyramide, welke op ongeveer twee derden van zijn geheele lengte gebroken is, waarschijnlijk bij het losmaken uit de hem omringd hebbende korst, iets dat meermalen wordt[317]waargenomen. De gedaante is niet regelmatig, maar eenigszins schuins. De steen is van een uiterst zuiver water, de zeer lichte speling van kleuren, welke opgemerkt wordt en naar het rooskleurige overhelt, moet meer aan de straalbreking door de scheuren veroorzaakt worden toegeschreven, dan wel aan minder zuiverheid. Zijn lengteas is 5.7, zijn kortste 3.3, de korte pyramidaalzijde is 2.9, de lange 3.9 cM. In de Dajaksche taal heet hij Sagima (hoekig), in het MaleischDanau Redjo. Zijn waarde bedraagt 5,212,000 gulden.”

„16 Juli 1824.

„Gisteren namiddag heb ik den grooten diamant van den Sultan van Matam gezien. Men heeft mij niet gefopt, dat kon ik ook wel aan de voorzorgen zien, die genomen werden. Anders laat de vorst wel aan nieuwsgierige vreemdelingen, die hij wantrouwt, een fraaien djakoet zien, die met den grooten diamant veel overeenkomst heeft. Maar ik heb den echten gezien en hem in handen gehad. Het is een prachtige steen, die in het rijk Landak gevonden is. Hij weegt 361 karaat; ik heb hem zelf gewogen. Het is een pyramidale dodekaëder of dubbel zeszijdige pyramide, welke op ongeveer twee derden van zijn geheele lengte gebroken is, waarschijnlijk bij het losmaken uit de hem omringd hebbende korst, iets dat meermalen wordt[317]waargenomen. De gedaante is niet regelmatig, maar eenigszins schuins. De steen is van een uiterst zuiver water, de zeer lichte speling van kleuren, welke opgemerkt wordt en naar het rooskleurige overhelt, moet meer aan de straalbreking door de scheuren veroorzaakt worden toegeschreven, dan wel aan minder zuiverheid. Zijn lengteas is 5.7, zijn kortste 3.3, de korte pyramidaalzijde is 2.9, de lange 3.9 cM. In de Dajaksche taal heet hij Sagima (hoekig), in het MaleischDanau Redjo. Zijn waarde bedraagt 5,212,000 gulden.”

„Vijf millioen gulden!” schreeuwde de Waal buiten zich zelven. „Vijf millioen gulden! ik wou dat ik zulk een steentje vond.”

Sedert hij zijn twintig K.G. goud gevonden had, was onze La Cueille onverzadelijk. Hij verbeeldde zich, dat om diamanten van vijf millioen te vinden, hij maar te bukken had.

Hij riep zijn makkers tot zich en stelde hun de vraag, waar Landak gelegen was. Wienersdorf en Schlickeisen keken elkander eens aan. In Indische aardrijkskunde hadden zij nimmer uitgemunt en knikten dan ook ontkennend. Johannes evenwel strekte den arm uit en zei:

„Daar ginds in het zuidwesten.”

„Komen wij daar dicht bij?” vroeg de Waal.

„Hoe heb ik het nu met je?” vroeg Johannes verbaasd. „Wij moeten steeds noordwaarts op en wij zouden daar dicht bij komen?”

„Zullen wij ook streken passeeren, waar diamanten te vinden zijn?”

„Drommels neen! Die dure keitjes worden, zoo ver ik weet, alleen in Tanah Laout, de zuidoostspits van Borneo en in Landak, waar je naar verneemt, op de westkust gevonden. Maar waarom vraag je dat?”[318]

„Kijk eens hier,” sprak de Waal opgetogen, terwijl hij den ontredderden foliant vertoonde. „In Landak is een diamant gevonden die 5,212,000 gulden waard is. Dat is, als ik het wel heb, ruim elf millioen francs. Zeg, als we zoo’n steentje konden vinden?”

„Zoo! wildet jij zoo’n steen van elf millioen francs vinden? Je wordt onverzadelijk, mijn waarde Eburoon,” lachte Wienersdorf.

„L’appetit vient en mangeant,” mompelde de Waal. „Maar waarom noem je mij Eburoon?”

„Dat staat in verband met je gestaarte voorouders, die de tegenwoordige Walenkwartieren bewoonden en toen Eburonen genoemd werden. Ik zal je dat later wel eens uitleggen.”

„Omtrent je klimmende appetijt naar edelgesteente,” viel Johannes in, „valt je de waarschuwing te geven van daarvan je lippen en verhemelte maar schoon te houden. Je hebt het goudzoeken van nabij gezien, niet waar? welnu het diamantzoeken is oneindig veel lastiger en moeielijker. Ik heb dat jaren geleden in het Martapoerasche kunnen waarnemen. Om dat werk naar eisch te verrichten, moeten putten gegraven worden van vier à zes voet vierkant, totdat de diamantbevattende laag bereikt is.”

„Hoe ziet die laag er uit?” vroeg La Cueille.

„Het is in den regel een mengsel van kiezel en stukjes zandsteen in een laag klei van bijzonder roode kleur vervat. Daaronder strekt zich een laag donkerblauwe klei uit, waarin de „batoe ampar anoem”, ook wel „djakoet” genoemd, een prachtige soort van bergkristal, door de oningewijden niet van den diamant te onderkennen, aangetroffen wordt. Ontmoet men deze blauwe kleilaag zonder dat de roode aangetroffen is, dan is dat een zeker teeken, dat daar geen edelgesteenten aanwezig zijn.”[319]

„Hoe diep zijn die putten?” vroeg de Waal.

„Dat hangt af van het terrein en van de dikte en het aantal der dekkende lagen, waardoor heen gewerkt moet worden. Ik heb putten gezien, die 20 à 25 voet diep waren. Gemiddeld kun je ze rekenen op 12 à 15 voet.”

„Waaraan herkent men de gronden, waarin diamanten verwacht worden? Men zal toch maar niet op goed geluk af dien moeitevollen arbeid van dat putgraven gaan ondernemen?” vroeg Schlickeisen.

„Waarachtig niet. In de diamantdistrikten heeft men daartoe „malim’s” (gidsen, loodsen). Deze gaan tegen zonsondergang, van drie à vier man vergezeld, door de bosschen en wildernissen dwalen. Alvorens den tocht te ondernemen, hebben zij zich met een zekere tooverolie, „minjakh tjelang boemi”, een vette, vertikale streep tusschen de beide oogen tot over het neusbeen getrokken. De malim beweert dat die olie hem het vermogen schenkt de verborgenheden van het binnenste der aarde te kunnen aanschouwen.”

„Ik wou dat ik van die olie had,” mompelde de Waal.

„Ook zou de malim boven den grond, waaronder diamanten bedolven liggen, een lichtenden glans zien als van een glimworm, groot of klein naarmate van de grootte der steenen daardoor aangeduid.”

„Hoe gaat dat diamantzoeken in zijn werk?” vroeg Wienersdorf.

„Wanneer de put gegraven en de bedoelde roode kleilaag bereikt is, dan wordt die zuiver en netjes uitgestoken en de klei in een met boomschors afgeperkt vierkant verzameld, waarna, wanneer van die klei een genoegzame hoeveelheid bijeengebracht is, zij in de nabijheid van stroomend water gedragen wordt om uitgewasschen te worden.”[320]

„Zeker in een doelang, zooals wij bij het goudzoeken bezigen?”

„Neen, waarachtig niet, maar in een legèh, hetwelk een soort van mand is, die de gedaante heeft van een halven cilinder, maar zoo fijn van bamboereepjes en gespleten rottan gevlochten is, dat het kleinste steentje er niet door kan. Alleen de klei wordt onder een voortdurend kneden en wasschen door het water als in suspensie opgenomen en medegevoerd. De achtergebleven kiezeltjes en gruis worden nog eens gezeefd en later met de hand gelijkmatig in de legèh uitgestreken in een zeer dunne laag en dan met de meeste zorgvuldigheid uitgezocht. Dikwijls wordt de legèh geledigd zonder dat er een steentje in gevonden is nog zoo klein. Gij ziet dat het geen gemakkelijk werk is, in ieder geval geen, waarmede wij ons bezig zouden kunnen houden, al kwamen wij ook door streken, alwaar dit edelgesteente aangetroffen wordt.”

„Dat ’s verd … jammer!” pruttelde La Cueille. „Een vondst van vijf millioen hollandsche guldens zou wel wat inspanning waard zijn.”

„Ja zeker, maar steenen van vijf millioen vind je zoo maar niet. Het is lang geleden toen die steen uit den schoot der aarde voor den dag gehaald werd. Ik meen dat dat in 1690 of 1695 gebeurd is; dus zoo wat een en drie kwart eeuw geleden. Sedert is er geen enkele meer van die taille gevonden. Zelfs zijn er geleerden en ambtenaren, die beweren dat die geheele Danau Redjo niet bestaat en dat het eenvoudig een prachtige djakoet is, die vertoond wordt. Maar laat zien, wat staat er van dien diamant in jou smerig boek?”

Johannes nam het manuscript over en las. Toen hij die diamantbeschrijving ten einde had, bladerde hij in dat boek, hetwelk zijn belangstelling opwekte. Eindelijk[321]zocht hij naar den naam van den schrijver of van den bezitter; maar te vergeefs.

„Wat drommel, hoe kom je aan dat vod?” vroeg hij eindelijk aan den Waal.

La Cueille verhaalde nu, dat hij dat boek van Harimaoung Boekit met eenige andere ontvangen had, om patroonhulzen te maken. De Poenan werd ondervraagd en deze verhaalde na eenig bedenken, dat hij bij een koppensnellerstocht op het grondgebied der Penheng’s, een stam, welke aan de Pendeh, een soengei westelijk van de boven Doesson stroomende, woont, dat boek had buitgemaakt. Hij vertelde, dat er toen vele prenten in waren (waarschijnlijk schetsen en teekeningen); maar die waren er door de kinderen uitgescheurd.

Bij nader onderzoek meende Johannes te ontdekken, dat op de bladzijde wit papier, welke den omslag aan de binnenzijde bekleedde, eenig schrift te bespeuren was. Hij zocht die bladzijde zachtjes los te maken, hetgeen gemakkelijk geschiedde, daar het kleefmiddel door vocht en tijd verteerd, krachteloos geworden was. Toen hij den omslag behoorlijk gereinigd had, las hij met ontzetting het navolgende:

„Heden zijn al mijne reismakkers geslacht. Morgen is het mijne beurt. God zij mijne ziel genadig.G. M.”

„Heden zijn al mijne reismakkers geslacht. Morgen is het mijne beurt. God zij mijne ziel genadig.

G. M.”

Peinzend bekeek Johannes die twee hoofdletters, die daar nog duidelijk gegrift stonden.

„Sakkerloot!” riep hij eensklaps uit, „zou dat het dagboek van GeorgMüllerzijn, het dagboek van den geleerde, die meer dan vijf en dertig jaar geleden hier in de binnenlanden vermoord werd? Dat zou een vondst zijn! O! ongetwijfeld is het dat.”

Harimaoung Boekit stormde zijn woning in en kwam weldra met een rozenkrans van bekkeneelen naar buiten.[322]Een daarvan toonde hij aan de Europeanen, hetwelk, door den gelaatshoek niet te miskennen, ontwijfelbaar aan een individu van het Kaukasische ras behoord had.

„Bij dat boek gevonden,” grijnsde de Poenan.

Met aandoening beschouwden onze avonturiers dat grijnzende doodshoofd, hetwelk ongetwijfeld eenmaal de zetel van de verstandelijke vermogens van den wakkeren reiziger geweest was, die der wetenschap ten offer onder de handen van sluipmoordenaars gevallen was. Zij trachtten van het Poenanhoofd nog bijzonderheden te vernemen, maar deze verklaarde er niets meer van te weten, dan dat bij dien sneltocht al de Penhengs, welke hij met de zijnen overvallen had, gedood waren. Een oude vrouw, destijds als frissche jonge vrouw tot buit der overwinnaars medegenomen, leefde nog. Zij was evenwel kindsch geworden en, toen ons viertal haar ondervroeg en haar op dien schedel en dat boek wees, was er niets uit te krijgen dan de volzin: „olo bapoeti bahalap” (een mooie blanke).

Schlickeisen en Wienersdorf vereenigden hun smeekingen, om Harimaoung Boekit te bewegen, hun dat bekkeneel af te staan; maar al hun pogingen leden schipbreuk. Het bezit van den schedel eens blanken was den Poenan te onwaardeerbaar; hij snoerde zijn rozenkrans behoedzaam te samen en droeg hem binnenshuis. Johannes pakte evenwel het dagboek zorgvuldig in en beveiligde het voor meerdere beschadiging.

Zoo langzamerhand waren de dagen verstreken, die Wienersdorf nog van zijn huwelijk scheidden. Blaakte hij van ongeduld, om in het bezit zijner lieftallige en aangebeden Hamadoe te geraken, Johannes van zijn kant was niet minder ongeduldig, om de reis te kunnen voortzetten.[323]

Eindelijk was de dag van volle maan daar, de dag waarop het huwelijk zou voltrokken worden. Al heel vroeg in de weer, hadden Dalim en Johannes den bruidegom kant en klaar voor de plechtigheid gemaakt. Volgens Dajaksch gebruik had hij eerst in de rivier een bad moeten nemen, waarna hij door zijn makkers met katitingverf geboend en gewreven en eindelijk met „boengkang”, het vet eener zwarte kat, ingesmeerd werd, zoodat zijn huid glom als een pas gepoetste uniformknoop. De nagels aan handen en voeten werden hem verguld en op het voorhoofd werden hem een paar dikke roode strepen geschilderd, welke als twee vurige wenkbrauwen boven zijn van nature bruine dienst deden. Hij werd met een „karoenkoeng”, een maliënkolder van rottanschakels, gekleed en op zijn hoofd een mutsje van apenvel geplaatst, waarop twee sierlijke staartveeren van den neushoornvogel prijkten. De ewah, die hem om de lendenen geslagen werd, was uiterst fijn van boombast geklopt en mocht een prachtstuk in zijn soort genoemd worden. Daarover gespte hem Dalim den eigen staatsiemandauw van Harimaoung Boekit, waaraan tallooze vlokken van menschenhaar bengelden, ten bewijze dat dat wapen menigmaal zijn bloedig werk had verricht. Den bruidegom werd nu nog een schild in de hand gegeven, waarop een afzichtelijke krokodil geschilderd was, waarmede zijn dosch voltooid was.

„Cré matin!” riep La Cueille bewonderend uit, „wat ben je mooi! Als mevrouw Wienersdorf nu niet voor je wegloopt, dan begrijp ik er niets van. Ik wou, dat ik je op de kermis te Jupille had. Met zoo’n wildeman zou geld te verdienen zijn.”

De speculatiegeest begon waarachtig in den Waal te varen.

Maar nauwelijks was Wienersdorf getooid, toen drie[324]afgevaardigden, bloedverwanten van de bruid, verschenen, om hem ernstig af te vragen, of hij tot de voltrekking van het huwelijk gereed was?

„Dat kun je begrijpen!” riep La Cueille, „de vent kookt van ongeduld.”

Na dat bevestigend antwoord ontvingen de afgezanten ieder een geschenk in stofgoud van den bruidegom, ter waarde ongeveer van vijf gulden, en vergezelde deze hen naar de woning der bruid. Zijn makkers met Dalim en nog eenige Djankangers volgden hem in plechtigen optocht.

In een loods voor het huis van Harimaoung Boekit vond de trouwlustige de geheele bevolking van kotta Rangan Hanoengoh bij elkander. Ja, meer dan dat; velen waren van kotta Ohas en van kotta Behio voor die plechtigheid overgekomen. Meer dan duizend zielen waren daar bij elkander. De bruid, met haar lang zijden baatje en haar saloi met gouddraad doorweven, zedig gekleed, zat tusschen een twintigtal harer speelnootjes, die zonder blikken of blozen, met het bovenlijf bloot, zich te midden dier menigte bewogen. Allen, bruid en bruidsmeisjes, hadden den weelderigen haarwrong met melatiebloemen versierd.

Zoodra de bruidegom binnengeleid was, stond Amai Kotong, de oudste in jaren van het gezelschap, op en sprak plechtig een invocatie uit, waarbij hij Mahatara en al de Sangiang’s, maar vooral Kadjanka, den goddelijken beheerscher der maan aanriep en hen smeekte het verliefde paar voor alle rampen en ongelukken te behoeden. Hij somde daarbij met luider stem al de bezittingen van de beide aanstaanden op, maar overdreef bij het maken van dien huwelijksinventaris als naar gewoonte niet weinig, omdat volgens de meening der Dajaks de godheid en de bovenaardsche wezens meer[325]belang in een rijken dan in een armen drommel stellen. Vervolgens vermengde hij in een aarden pot het bloed van een buffel, van een kip, van een woudduif en van een varken, en bezwoer de Sangiangs bij dat mengsel eenig bloed van hun karbouwen, van hun kippen, van hun duiven en van hun varkens te voegen.

Om meer kracht aan dat bezweringsformulier bij te zetten, werd het door al de aanwezige Balians, vier-en-tachtig in getal, met vreeselijk misbaar en onder luid getrommel op haar katambong’s herhaald.

Nadat Amai Kotong zich van zijn taak gekweten had, traden achtervolgens de zes oudste mannen voor en herhaalden die invocatie, voor welke handeling zij ieder van de bruid een schatting in stofgoud ter waarde van ƒ 5.10 ontvingen.

Vervolgens moesten Hamadoe en Wienersdorf op eengarantong(metalen bekken) tegenover elkander plaats nemen. De bruidegom moest zich toen het bovenlijf ontblooten. Gelukkig dat hij straks met katiting gebronsd was, anders ware door de menigte ontdekt, dat hij een bleekhuid was. Amai Kotong was Hamadoe behulpzaam, om ook bij haar die ontblooting te verrichten. De lieve bruid bloosde onder den blik van zoovele oogen, die op haar gericht waren, maar vooral onder dien van haar bruidegom, dien zij toen wel had willen ontwijken. Daarop trad Amai Kotong met den pot met bloed in de hand vooruit, stak de twee voorste vingers en den duim der rechterhand in het mengsel en besmeerde nu, terwijl hij de Sangiangs smeekte het jonge paar met een talrijke nakomelingschap te zegenen, het voorhoofd, de schouders, de polsgewrichten, de maagholte en den navel van bruid en bruidegom, in welke plechtige handeling hij opgevolgd werd door de andere zes oudsten.[326]

Toen die besmering afgeloopen was, deelde Wienersdorf geschenken aan de bloedverwanten zijner bruid uit, waarmede de eigenlijke trouwplechtigheden afgeloopen waren. Harimaoung Boekit kreeg een mooi baatje van rood laken met breed vergulden kraag, Amai Kotong en de overigen een fraaie ewah. En nu ging de juichende menigte tot het bruiloft vieren over en aan het smullen, waarbij het bleek, dat het Poenanhoofd de zaken ter eere van zijn zuster en van zijn bloedbroeder Dohong zeer royaal getrakteerd had.

Toen bij het vallen van den avond de gemoederen, ten gevolge van het ruime gebruik van toeak, opgewonden geraakten, en de feestvreugde zich juichend en luide betuigde, wenkte Wienersdorf schier onmerkbaar zijn vrouwtje en wilde zich met haar zachtkens verwijderen. O! tegen het heengaan der bruid, daar was niets tegen; die werd door een viertal bestjes naar haar vertrek begeleid, waar zij onder die liefelijke bewaking den nacht slapeloos moest doorbrengen uit vrees voor onheilspellende droomen. Maar toen Wienersdorf haar wilde volgen, werd hij door Harimaoung Boekit, door Amai Kotong en, toen hij zich niet gewillig onderwierp, door al de overige Dajaks tegengehouden. In geen geval, zoo eischten ’s lands gebruiken, mochten de jonggehuwden elkander thans ontmoeten. Ook mocht de bruidegom niet slapen uit vrees voor nare droomgezichten. Er bleef voor hem niets anders over, dan den nacht onder het genot van een toeakje met de feestvierende vrienden door te brengen.

„Diable!” schaterde La Cueille, „unedrôlede nuit nuptiale.”

De bruidegom deed of hij dien uitroep niet verstaan had.

Maar zoodra de zonneschijf zich den volgenden morgen aan de kim vertoonde, werd de jonggehuwde vrouw door haar speelnootjes afgehaald. Zij moest toen met[327]haar echtgenoot in een djoekoeng stijgen en met hun beidjes een eind uit den wal roeien. Ter bestemder plaatse in het midden der rivier gekomen, gaf Hamadoe plotseling een schommelende beweging aan het lichte vaartuig, waardoor het omkantelde. Wienersdorf was geen koen zwemmer, zoodat die plotselinge indompeling hem verraste en hij aanvankelijk naar de diepte zonk. Maar zijn lieve wederhelft greep hem bij de hand, hielp hem en bracht hem behouden aan wal. Daar strooiden de gillende Balians eenige rijstkorrels op beider hoofd en brachten een levende kip er bij; toen deze die korrels gretig oppikte, ging er een gejuich van de vergaderde menigte op; want nu was het bewijs geleverd, dat alle ongeluk bezworen en verjaagd was. De bruiloftsgasten keerden na het verorberen van nog een toeakje naar hun huis terug en lieten de jonggehuwden aan hun overpeinzingen over.

Het huwelijk was nu wel voltrokken, maar gedurende de eerste zeven dagen daarna mochten de jonggehuwden zich aan niemand vertoonen en waren verplicht, afgezonderd van de geheele wereld te leven. Toen evenwel die zeven dagen om waren, werd er andermaal bruiloft gevierd, waarbij nu de makkers van Wienersdorf, zijn bloedverwanten vertegenwoordigende, de honneurs waarnamen. De drie Europeanen met Dalim en eenige Djankangers gingen in plechtigen optocht de jonggehuwden afhalen en geleidden hen naar eene groote ruime loods, daartoe expresselijk op het binnenplein der kotta gebouwd. Daar werden toen dezelfde ceremoniën herhaald als vroeger. Alleen de bloedbesmering der jonggetrouwden had nu plaats door de huisvrouwen van hen, die zulks bij de eerste feestviering verrichtten. Tot slot der plechtigheid bood Hamadoe met liefelijk gebaar aan Johannes, Schlickeisen en La Cueille, als vertegenwoordigers[328]der bloedverwanten van haar echtgenoot een fraai bewerkte ewah aan.

„Drommels, wat zullen wij er deftig uitzien,” riep de Waal, „wanneer wij als Dajaks gekleed te Singapore zullen rondkuieren.”[329]


Back to IndexNext