[Inhoud]XXXIII.Vertrek van kotta Rangan Hanoengoh.—De soengei Miri op.—De Njakatan.—Over land.—Les noms des fous se trouvent partout.—Een nieuw model kerkhof.—De Boekit Doesson.—Zijn flora.—La Cueille’s zitvlak op de linie.—De soengei Nanga Boenoet af.—Op de Kapoeas Bohong.—Een inktmeer.—Op het Batang Loepar gebergte.Dat woord Singapore gaf de ware richting aan den gedachtengang van Johannes, die zich in den laatsten tijd èn door het goudzoeken èn door de bruiloftsvroolijkheid wel wat van zijn doel had laten afleiden. Het huwelijk was nu voltrokken en niets stond het vertrek onzer avonturiers meer in den weg. Twee dagen later was alles gereed en bij het aanbreken van den derden dag bestegen Wienersdorf en zijn echtgenoote, vergezeld van de drie andere Europeanen, van Dalim met zijn makker, van Kwala Kapoeas en van Harimaoung Boekit die, zijn belofte getrouw, met eenige volgelingen de reizigers zou vergezellen, tot hij ze buiten gevaar zou weten; een groote rangkan, die reeds daags te voren met het noodige voor de reis beladen was. Dertig Poenans namen plaats in het vaartuig, om als roeiers, ook om later als vrachtdragers bij den tocht over land dienst te doen. Er waren dus veertig personen in dat vaartuig, hetwelk onder den machtigen aandrang van zoovele pagaaien vooruitschoot en noordwaarts stevende. Zoolang de rangkan zichtbaar bleef, wisselden de opvarenden luide hoera’s[330]met de bewoners van kotta Rangan Hanoengoh, welke laatsten daarenboven uit de zes kanonstukjes, door La Cueille doelmatig op de borstwering geplaatst, een donderend salut gaven, ten bewijze dat de bediening der vuurmonden met beleid onderwezen was en de bedieners hun instructeur alle eer aandeden. De Waal was echter niet tevreden.„No. 1 van het tweede stuk behandelt zijn wisscher onhandig,” pruttelde hij, „de vent kan het beter; en No. 4 is niet oplettend bij het sluiten van het zundgat, die kerels zullen nog een ongeluk krijgen.”En zich oprichtende, wilde hij dien bedieningsmanschappen wat toeroepen; maar.…. flap! schoot de rangkan achter den eersten hoek en was de kotta voor het oog der vertrekkenden verdwenen.Nu ging de reis de soengei Miri op, die nog gedurende twee dagen opgevaren kon worden. Maar toen werd die rivier zoo onbeduidend door haar geringe watercapaciteit, dat gedurende de laatste uren met de grootste moeite voortgesjouwd werd. Eindelijk bij het vallen van den avond op den tweeden dag, bereikte men een plek, Njakatan1genaamd, alwaar aangelegd werd; verder kon ook onmogelijk gevaren worden, dewijl de Miri daar ter plaatse een vervaarlijke Kiham met groot verval vormde, waartegen wegens gebrek aan water niet op te werken was. Daar werd ontscheept en het bivouak betrokken, terwijl verder alles in gereedheid gebracht werd, om des anderen daags de reis te vervolgen.„Zullen wij geen Otts te zien krijgen?” vroeg Schlickeisen[331]aan Harimaoung Boekit, „wij zijn toch op hun grondgebied?”„Ja dat zijn we; maar het is te hopen, dat wij van bezoek verschoond zullen blijven,” was het antwoord. „Hen zien staat gelijk met een gevecht op leven en dood. Zeker hebben zij ons ontwaard en worden wij door hen gadegeslagen; maar ik ben bij hen bekend en nimmer heb ik eenige vijandelijkheid van hen ondervonden.”„Het zal toch zaak zijn waakzaam te zijn,” was de meening van Johannes, die het geheele troepje in twee deelen verdeelde, waarvan ieder op zijn beurt den wachtdienst zou verrichten.De nacht ging evenwel ongestoord voorbij. Toen de dag aangebroken was, namen de Poenans hun manden op den rug, waarin de proviand en de munitie der reizigers geborgen waren. Ook de vier Europeanen hadden een dergelijk draagmiddel, wat hun niet vreemd voorkwam, daar zij aan het torschen van den militairen ransel gewoon waren. Maar in hun mandjes waren, behalve een redelijke voorraad geweerpatronen, hun schatten aan stofgoud en batoe boehie geborgen, zoodat zij vrij wel bepakt konden heeten. Ook de lieve Hamadoe had haar draagmandje gepakt gehad met haar vrouwelijke benoodigdheden; maar toen zij het opnemen wilde, was het leeg. Wienersdorf had die vracht overgenomen en in zijn draagmand geborgen. Het vrouwtje wilde protesteeren; maar haar echtgenoot sloot haar de bekoorlijke lippen met een kus, een soort van smeekbede, aan welke gewelddadigheid het schoone geslacht zich gaarne onderwerpt. Welgemoed grepen de Europeanen nu hun stokken van ijzerhout, die, wij weten het, ook met stofgoud gevuld waren, hingen hun geweren met den cordonriem over den schouder en aanvaardden[332]den tocht. Een paar Poenans brachten den rangkan in een soort van kleine baai langs den oever en legden hem daar vast.„Zult gij dien terug vinden?” vroeg Wienersdorf aan zijn zwager.„Zeker; diefstal is hier onbekend. Het eenige, waarop ik te passen heb, is op mijn kop.”Al dadelijk merkten de Zwitsers op, dat de hoofdrichting genomen werd naar een vrij hoogen bergtop, die in het noordwesten zichtbaar was. Zij vernamen, dat die berg Boekit Doesson heette. Het was geen bergrug, dien men naderde; het was veeleer een hoogvlakte, die langzaam oprees en waarop de bergtoppen,—en er waren er vele—die met haar het centraal gebergte des eilands vormden, zich afzonderlijk en gescheiden verhieven. Het pad, indien het spoor, hetwelk door menschelijke voeten te midden dier weelderige vegetatie spaarzaam was achtergelaten, dien naam mocht voeren, was niet moeielijk; het slingerde tusschen de zachtglooiende heuvelen door, en vereischte slechts inspanning, wanneer beken moesten overgetrokken worden, die meerendeels in den leemachtigen bovengrond diep ingesneden waren en over rotsbeddingen schuimend en bruisend voortsnelden. Gewoonlijk werd dan de gelegenheid benut, om een verfrisschend bad te nemen in het kristallijne vocht, hetwelk niet veel omslag eischte van die spaarzaam gekleede reizigers en derhalve slechts weinig oponthoud veroorzaakte. Voorzichtige waakzaamheid werd evenwel bij die verfrisschingen noodig geacht, zoodat slechts de helft der mannelijke reizenden zich te water mocht begeven en de andere helft met de wapens in de hand zorgvuldig uitkeek. Niets verdachts werd evenwel waargenomen; geen menschelijk wezen werd ontwaard, geen kampong, geen woning, noch iets wat daar maar op[333]geleek. Men kon wanen, zich op een geheel onbewoond eiland te bevinden.Bij een der halten echter zouden de reizigers ervaren, dat zij niet onbespied bleven. Een prachtige boom, in de nabijheid staande, had de belangstellende opmerkzaamheid van Wienersdorf tot zich getrokken. Hij was er naar toe getreden en bewonderde dien prachtigen ijzerhoutboom, die recht als een kaars zijn heerlijke kruin van breed gebladerte op ruim veertig meter boven den bodem verhief. Een paar naden, die zich vertikaal op den stam vertoonden en door een paar horizontale gesneden werden, deden hem vermoeden, dat de bast daar ter plaatse te eeniger tijd beleedigd was, en hij kon de gedachte niet verwerpen, dat dit door menschenhanden uitgevoerd was. Daarenboven kwam het hem voor, alsof de bast in het gevormde vak van jongeren datum was dan de overige, alsof zij zich daar ter plaatse vernieuwd had. Hij stond daar nog een oogenblik te turen, toen hij zijn poeai greep en een kolossale W in dat vak begon te snijden. Hij was daar druk mede bezig en dacht reeds de beginletter zijner Hamadoe daarbij te voegen en het geheel in een vlammend hart te besluiten, toen een fluitend geluid hem deed opzien en hij een pijltje zag, hetwelk tusschen zijn hoofd en hand doorgevlogen, trillend in den stam bleef zitten. Met een kreet van schrik draaide de Zwitser zich om, legde bliksemsnel zijn geweer, hetwelk hij in de linkerhand gehouden had, aan in de richting, waar hij meende achter eenige struiken iets zich te zien bewegen, en loste zijn schot. Op die losbarsting ijlden zijne makkers toe, aan wien hij het pijltje toonde, hetwelk nog in de bast zat. Hamadoe viel hem snikkend om den hals en omstrengelde hem met hare schoone armen als om hem te beschermen, terwijl de Europeanen[334]het geweer in den aanslag brachten, om het terrein door een flink geweervuur te zuiveren. Maar Harimaoung Boekit weerhield hen met een gebaar, zette zijn stem uit en schreeuwde eenige woorden, die luid weerklonken. De woorden, die hij uitgalmde, verstonden de Europeanen niet, zij werden gegild in een dialekt, hetwelk met het Dajaksch weinig overeenkomst had. Na een poos in alle stilte gewacht te hebben; waarbij de Poenan de wenkbrauwen begon te fronsen, klonken eenige krijschende klanken tot antwoord terug. Het gelaat van Harimaoung Boekit helderde nu op; hij verzekerde dat zijn reisgenooten niets meer te duchten hadden; het waren Ott Njawong’s, die hier huisden en met dien stam was hij bevriend; maar hij eischte dat de boom, waarin Wienersdorf begonnen was zijn naam te snijden, verder ongedeerd zou worden gelaten.„Wat bliksem,” knorde La Cueille, „wat ’n idée, om hier in de wildernis zijn naam te gaan snijden!Les noms des fous se trouvent partout.”„Wat is er dan met dien boom?” vroeg Wienersdorf, zonder op de boutade van den Waal te letten.„Wel, in dien boom hebben de Otts een hunner natuurgenooten begraven,” lichtte Dalim toe. „Zij verbranden hun lijken, wikkelen de asch en de half verkoolde beenderen in een „kakandi” (lijkdoek), maken een gat in een zwaren ijzerhoutboom zooals dezen en stoppen dat pakje daarin. De opening wordt verder met hars en katipei2gedicht en met mos overdekt. De heelende natuur herstelt in weinig tijds de schors; zelfs de naden, die gij nu nog ontwaart, verdwijnen langzamerhand en er komt een oogenblik, dat alleen het alziend oog des Scheppers kan ontwaren, dat die prachtvolle[335]boom met zijn slanken stam en breede kruin tot levend graf eens menschen strekt.”„Een nieuw model kerkhof,” grinnikte de Waal.„Een model, dat evenwel geen aanbeveling tot navolging verdient,” lachte Johannes. „De meubelmakers zouden er gewis op tegen hebben. Verbeeldt je, dat, bij het bewerken van een meubelstuk, onverwachts de zaag of de schaaf op eenig hard voorwerp knarste en bij onderzoek een paar tibia’s, een rif, een grijnzende schedel enz. te voorschijn kwamen. De sukkels zouden het zeker besterven.”Tegen het einde van den tweeden dag waren de reizigers tot aan den voet van den Boekit Doesson genaderd. Het Poenanhoofd was voornemens den volgenden morgen dien berg te bestijgen, dien onze Zwitsers met geoefend oog opongeveer5000 voet boven het tafelvlak, waarop hij zich verhief, schatten. Zijn top stak naar hun berekening omstreeks 7500 à 8000 voet boven de oppervlakte der zee uit. Het doel van die bestijging was, om het omliggend terrein te kunnen overzien; want hoewel Harimaoung Boekit hier niet totaal vreemd was, wenschte hij toch eenige verkenningspunten op te doen, waarop hij zijn marsch kon regelen. Een dwaling hier in deze onmetelijke bosschen kon de noodlottigste gevolgen na zich slepen. Aanvankelijk wilde de Poenan de bestijging alleen met een paar volgelingen volvoeren en de overige reizigers aan den voet des bergs gebivouakeerd achterlaten; maar de beide Zwitsers, als echte Alpenzonen, waren niet te houden; zij moesten en zouden mede. Ook La Cueille en Johannes gaven den wensch te kennen, van de partij te mogen zijn, zoodat eindelijk besloten werd het geheele gezelschap aan die bestijging deel te laten nemen.Den volgenden morgen werd al heel vroeg de tocht[336]aanvaard. Aanvankelijk voerde de weg door zware bamboebosschen, doorweven en soms afgewisseld met lianen, rottan en andere slingergewassen, die het hoog geboomte allerwege overdekten en een schier onuitwarbaar net vormden, hetwelk het voortgaan zeer bemoeielijkte. Maar hoe hooger de reizigers stegen, hoe meer die wilde vegetatie verarmde en eindelijk geheel verdween. Zij trokken nu bosschen door van ijzerhoutboomen, van ngiatoe merah3, van bangkirei4, van rassamala5, van kadjatouw- en lontar-palmen, die plaatsvervangers van den sagopalm in de wildernis, allen hoogstammige woudreuzen, welker dicht op elkander gedrongen kruinen het ontstaan en het bestaan van anderen plantengroei daaronder en daartusschen, wegens gebrek aan lucht en licht, bijna onmogelijk maken. Daarop volgde een zone, waarin slechts weinig hoogstammig geboomte, eenige weinige Casuarinen voorkwamen, maar die daarentegen bedekt was met een kort struikgewas, door de Poenans „rhoenmèta”6geheeten, hetwelk, thans in zijn bloeitijd, die geheele strook der berghelling met een zacht rood overtoog en den verrukten Zwitsers den fraaien tooi der Alpenrozen herinnerde.Het was omstreeks half elf, toen het gezelschap den breeden, zacht gewelfden top, dat kenmerk van bijna alle bergen van Borneo’s centraal hoogland, bereikte.[337]Er zou daar een paar uur gerust worden, en terwijl Harimaoung Boekit zijn verkenningen deed, liet Hamadoe zich door een paar Poenans helpen, om het eenvoudige maal gereed te maken. Het gros evenwel der inboorlingen verspreidde zich op den top, om „rajoh”, een fijne mossoort, te zoeken, welke spaarzaam op het hooggebergte voorkomt en door den Dajak als een gelukaanbrengende talisman beschouwd en daarom verzameld wordt.De Europeanen vonden het vergezicht, hetwelk zij genoten, fraai; maar toch gevoelden zich de Zwitsers, die wellicht van gletschers, sneeuwvelden of machtige rotspartijen gedroomd hadden, eenigermate teleurgesteld. Evenwel waren zij opgetogen over het panorama, hetwelk zich aan hun voeten ontrolde. Hier waren het minder de bergpartijen, dan wel het overzicht over die prachtige keerkringsvegetatie, waarboven zij als het ware zweefden, welke hun bewondering opwekte. Middelerwijl mompelde Johannes, minder dichterlijk van natuur, terwijl hij in zijn zakboekje eenige aanteekeningen maakte:„Het is heden de zeventigste dag, sedert wij Kwala Kapoeas verlaten hebben.”„Al zoo lang?” vroeg La Cueille; „wij hebben het fort op 10 Januari verlaten, niet waar?”„Juist, en wij hebben heden 21 Maart; dat maakt op den kop af zeventig dagen.”„21 Maart?” vroeg Wienersdorf, door dien datum getroffen. „Wel dan staat heden de zon in den Ram, of vlak boven den evenaar. Wacht eens, een eenvoudig middel om te weten te komen, op welke breedte wij zijn.”En een fraaien, jongen en rechten ceder van ongeveer acht meter lengte snijdende, ontdeed hij dien van zijn takken en naalden en plantte hem op een kaleplek zoo[338]rechtstandig mogelijk, greep daarop zijn boussole en constateerde dat het korte eindje schaduw, hetwelk de stok, door de zon beschenen, nog wierp, zuiver van oost naar west wees.„Miswijzing bestaat in deze streken niet,” mompelde de Zwitser. „Maar.… dat zou toch toevallig wezen! Wellicht is er lokale attractie in het spel, die de naald doet afwijken? Dat zal zich gauw uitwijzen.”„Wat mopper je toch?” vroeg La Cueille.„Straks,” was het lakonieke antwoord van Wienersdorf.En hij ging voort al zijn aandacht te wijden aan de schaduw, die de geplante staak nog steeds wierp. Die kortte steeds al meer en meer in, totdat zij geheel verdwenen was. Gedurende een oogenblik was geen schaduw hoegenaamd te bespeuren.„Middag!” riep de Zwitser. „Ik heb de eer de heeren op den evenaar te feliciteeren.”Schlickeisen snelde toe. Waarachtig er was geen schaduw meer te bekennen. De top van den staak was dunner dan het beneden eind en zijn zijden waren geheel en al door het zonlicht verlicht. De Boekit-Doesson lag dus vlak onder de evennachtslijn.„Dus ik zit met mijn.… hoe zal ik het noemen? nu ja, met mijn zitvlak op de linie?” vroeg La Cueille.„Jij zit met je zitvlak op de linie, die eer heb je.”„Jongens! als wij aan boord waren, dan was er feest, dan kwam Neptunus en dan zou een oorlam niet uitblijven.”„Welnu,” zei Johannes, „die zul je nu ook hebben. Wij zullen met een hartigen teug afscheid van het zuidelijk halfrond nemen.”En opspringende haalde hij uit een der mandjes twee vierkante flesschen, echte A.V.H., die hij onder de aanwezigen leegschonk. De Poenans lieten zich het verleidelijke[339]vocht goed smaken en paarden hun gillend lēēēēh lĕlĕlĕlĕ ouiit! aan het hoerageschreeuw der Europeanen, die elkander de hand drukten en geluk wenschten, dat hun desertie tot zoo ver goed gelukt was.„Wij zijn er nog niet,” was de pessimistische meening van Johannes, „maar het zwaarste is toch achter den rug.”Wienersdorf vatte de hand van Hamadoe en wees haar naar het noorden. De lieftallige jonge vrouw sloeg haar fraaien arm om den hals van haar echtgenoot en lispelde aan zijn oor, dat zij hem volgen zou, waarheen hij ook trok.Na het eenvoudige maal verorberd te hebben, daalden de reizigers den Boekit Doesson af, zetten den tocht voort en betrokken bij het vallen van den avond het bivouak aan de boorden eener beek, die haar wateren niet meer zuidwaarts stuwde; maar, aan de andere zijde der waterscheiding gelegen, een schatplichtige soengei der Melahoei-rivier was, welke laatste westwaarts stroomt, zich bij Sintang met de Kapoeas Bohang vereenigt en op Borneo’s westkust in zee uitwatert. De reizigers hadden dus het watergebied van de Javazee verlaten en waren dat van de Chineesche zee ingetrokken.Daags daarna werd de reis vervolgd. Gedurende drie dagen werd ijverig gemarcheerd en, hoewel het pad heuvel op heuvel af voerde en menige moeielijkheid te overwinnen was, hield Wienersdorf’s vrouwtje zich nog het best van allen. Zuchtten de mannen al eens en mompelden zij al een enkelen keer over vermoeidheid, geen klacht ontsnapte haar; integendeel zij bleef vroolijk en opgeruimd, had voor allen een vriendelijken blik en een hartelijk woord over en, wanneer het bivouak betrokken was en de mannen hun ledematen op het gras uitstrekten, dan was zij nog bedrijvig om het eenvoudige maal gereed te maken en strekte haar opgeruimdheid[340]en van tijd tot tijd een heldere schaterlach van haar lippen tot opbeuring van de vermoeiden en de afgematten.Ook nu werd bij het betrekken van het bivouak de stiptste waakzaamheid in acht genomen en was steeds de helft der reizigers wakker en met de wapens in de hand gereed om geweld met geweld te keeren. Maar juist ten gevolge van die waakzaamheid gingen de nachten, die zij in het sombere woud doorbrachten, ongestoord voorbij.Van den Boekit Doesson af geleidde Harimaoung Boekit de reizigers in nagenoeg westelijke richting, waarbij hij den top van den Boekit Lientang, die boven de hem omringende heuvelen hoog uitstak, als een onfeilbaar baken in het oog hield, totdat de soengei Malahoei bereikt werd. Men trok die rivier over op een vlot, hetwelk door de Poenans in alle haast van een groot aantal bamboestaken, die daar ter plaatse in overvloed groeiden, vervaardigd werd. Toen die overtocht volbracht was, werd de marschrichting, nagenoeg noord ten westen genomen en bereikten de reizigers bij het vallen van den avond een paar hutten, die bij een waterval, Kiham Toeak, genaamd aan de soengei Nanga Boenoet gelegen waren. Harimaoung Boekit was daar geen vreemdeling; zelfs stond hij met de bewoners op den meest vriendschappelijken voet. Hij trad een dier hutten binnen en slaagde er in voor een paar thaëls stofgoud een rangkan aan te schaffen, ruim genoeg om het geheele reisgezelschap op te nemen.Den volgenden morgen werd de reis voortgezet en ging het in ijlende vaart de soengei Nanga Boenoet stroomaf. Er waren verscheiden kiham’s af te dalen; maar voor mannen als onze Poenans had dat weinig te beduiden. Wanneer het vaartuig zulk een stroomversnelling[341]naderde, verdubbelden de roeiers hun krachtsinspanning, daartoe door hem, die den stuurpagaai in handen hield, met luid gegil aangezet. Allen zelfs Hamadoe namen dan den beseai ter hand, en de rangkan stoof met duizelingwekkende snelheid vooruit, schoot de hellende watervlakte af, danste op de hobbelende golven, splitste onweerstaanbaar het schuim, schuurde schier rakelings langs de rotsen, maar kwam behouden beneden in meer stil water aan, om na een oogenblik uitblazens van de roeiers de vaart te vervolgen. In de oevertaluds dier soengei waren op verscheiden plaatsen steenkolenbeddingen zichtbaar, die in rijkdom voor die van kotta Djangkang niet schenen onder te doen. Maar de pijlsnelle vaart ontnam La Cueille de gelegenheid een onderzoek naar de kwaliteit in te stellen.Het was bijkans avond, toen de reizigers de kampong Nanga Boenoet, aan de uitwatering van die soengei in de Kapoeas Bohong gelegen, passeerden. Daar laatstgenoemde stroom, een paar honderd el breed, de vaart hoegenaamd geen moeielijkheden in den weg legde en de nacht buitengewoon helder en het weder zeer kalm was, werd er besloten de reis gedurende de nachtelijke uren voort te zetten.Toen de dageraad in het oosten begon te gloren, bevonden de reizigers zich voor de monding der Blitang en voeren die in. De soengei Blitang vormt met de soengei Labojan een toegangskanaal tot Danau Loewar, het grootste van een groep meren, welke zich aan den voet van het Batang Loepar gebergte uitstrekken. De vaart op de Blitang was zeer voorspoedig niettegenstaande de stroom, dien men te overwinnen had, sterk was. Onze reizigers overnachtten in de nabijheid van kotta Nanga Strong, een kleine Dajaksche nederzetting aan de samenvloeiing van de Blitang met de Labojan gelegen. Den volgenden[342]morgen al heel vroeg stevende de rangkan het meer Loewar in, alwaar een geheele bevolking met de vischvangst bezig was. In dat meer komt een visch, „lawang” genaamd, overvloedig voor, die ongeveer 7 d.M. lang wordt, een gladde glibberige huid zonder schubben heeft en gewapend is met drie flinke stekels, een op den rug en een bij ieder der kieuwen. Het vleesch van dien visch is zeer zacht en flauw, schier oneetbaar. Hij wordt echter in groote menigte gevangen alleen ter wille van de kuit, die gezouten en gerookt een groote handelswaarde heeft.De visschers, in hun bedrijf verdiept, lieten onze reizigers ongemoeid en deze laatsten stevenden naar den noordelijken oever van het meer, alwaar de ontscheping zou plaats hebben om dan de reis verder te vervolgen. Toen de rangkan zich in het midden van het meer bevond, konden de opvarenden een blik werpen op het gebergte, hetwelk den horizon in het noorden begrensde.„Daar! daarover!!” riep Johannes, „danzijnwij vrij!”Met aandoening keken de Europeanen dien bergketen aan, die zich als een donkerblauwe band op het lichte azuur des hemels afteekende. Een oogenblik antwoordde niemand hunner. Het was alsof al het leed en de gevaren, die zij getrotseerd hadden, om zoover te geraken, die mannen voor de oogen zweefden, zoo stemmig keken zij, terwijl zij de stilte niet verbraken. Eindelijk vroeg Schlickeisen:„Hoe heet die bergketen?”„Het Batang Loepar gebergte,” antwoordde Johannes.„Hoe hoog wordt het geschat?”„De hoogste toppen worden door Engelsche berichtgevers op 6 à 7000 voet berekend.”„Dat zal een klim zijn,” meende La Cueille.„Toch niet. De meerspiegel bevindt zich allicht op[343]een paar duizend voet; die hebben wij al niet meer te klimmen. Daarbij zullen wij nu wel niet juist over de hoogste toppen moeten en zal zich wel een dwarsdal voor ons openen, om ons toegang tot het beloofde land te geven.”„Hebben wij nog een groot traject af te leggen, wanneer wij daar boven zijn?” vroeg La Cueille.„Om te Jupille te komen? Ja, dat is nog een heel eindje,” lachte Johannes.„Neen domkop, om de boorden der zee te bereiken?” antwoordde de Waal gebelgd.„Daar weet ik niet veel van; ik ben hier nimmer geweest.”Die vraag aan Harimaoung voorgelegd, leidde ook tot geen oplossing. Het Poenanhoofd lachte, schudde met het hoofd en bij zijn onvermogen om zich van afstanden een begrip te maken bleef het daarbij.„Wat ziet het water van het meer er zwart uit, het is of wij op inkt varen,” was de opmerking van Schlickeisen.„Ja, die kleur heb ik al op de Blitang opgemerkt,” antwoordde Wienersdorf. „Maar hier op het meer vind ik, dat dit somber getinte water juist in een omlijsting als deze past. Aanschouwt dien zwarten spiegel, die zich achter ons eindeloos ver uitstrekt en onder de zonnestralen als een onmetelijke oppervlakte van git glinstert, terwijl voor ons het donkergroene loof van het hoogwoud, dat de hellingen van het gebergte bedekt, daarbij scherp afsteekt en de trapsgewijze overgangen van de zachtste tot de stoutste en de steilste vormen van dien bergwand te helderder doet uitkomen en zoo een afwisseling vormt van het liefelijke en het verhevene, zooals nauwelijks eenig ander punt op den aardbol, zoo nauw vereenigd, kan aanbieden.”De Zwitsers zaten in volle bewondering. Als een[344]prachtige schilderij, door een geniale meesterhand ontworpen, ontrolde zich voor hun oogen een berglandschap, dat met onweerstaanbare kracht hun gedachten naar den geliefden geboortegrond terugvoerde. Waren de wateren van het meer helder, doorschijnend en kleurloos of lichtblauw getint geweest, waren de berghellingen en rotspartijen bedekt en bekroond geweest met slanke dennen, in groepen geschaard of wel afzonderlijk staande, had zich hier en daar een kerktorentje of een witgepleisterde villa tusschen het groen der wouden vertoond, dan ware de begoocheling volkomen geweest, dan hadden de Alpenzonen daar te midden van Borneo kunnen wanen op het Bodenmeer te dobberen. Op het punt, waar zij zich met hun rangkan bevonden, was de overeenkomst verrassend en riepen zij juichend uit, dat zij de omstreken van Lindau herkenden. In het zuiden en zuidwesten strekte zich de heerlijke waterspiegel eindeloos ver uit; in het westen was het Tomodok gebergte zichtbaar; in het noorden verhief zich trapsgewijze het Batang Loepar gebergte, terwijl zich in het noord-oosten de piramiden en massieve rotsblokken van het Sareboe Saratoes gebergte opstapelden, waarachter de hoogere toppen van het Medai gebergte kwamen uitkijken, en dit laatste op den achtergrond bekroond werd door een hel lichtenden top, die onder de keerkringszon als vloeibaar zilver blonk, de Japoh Poerau, bij de Engelschen Boekit Tebong geheeten.„Ein Firn!” juichten de Zwitsers, in hun landstaal, terwijl zij elkander den glinsterenden top aanwezen.„Hebben wij dien te beklimmen?” vroegen zij met een zucht van heimwee.Harimaoung Boekit schudde ontkennend het hoofd en wees naar het noorden heen. Zij zouden dus dien sneeuwtop rechts laten liggen. Dat was een teleurstelling, maar waaraan niets te veranderen viel.[345]Het was ongeveer middag, toen de reizigers den noordelijken oever van het meer bereikten. Onmiddellijk werden de draagmandjes opgenomen om de reis te voet te vervolgen.„De plus fou en plus fou” mompelde La Cueille, toen hij het gekibbel waarnam van Wienersdorf met Hamadoe, welke laatste er nu op stond, om haar gedeelte van de te vervoeren vracht te dragen, maar welken eisch haar echtgenoot slechts met een kus op de malsche lippen beantwoordde. De Waal voelde zich buiten staat tot zoo’n liefdesvervoering en zoo’n opoffering en was in zijn hart blij, dat zijn vrijerij met Moendoet afgesprongen was.„Ik zou haar pakje ook hebben moeten dragen,” gromde hij met een grijns, „en ik heb waarachtig aan het mijne genoeg.”Nadat de rangkan behoorlijk langs den oever onder eenige afhangende struiken verborgen was, waar Harimaoung Boekit hem later hoopte terug te vinden, om bij den terugtocht te gebruiken, ging het moedig voorwaarts.Aanvankelijk leidde het pad door een moerassige streek, die het meer omzoomde, maar na een marsch van een half uur was die doorgeworsteld en begonnen de eerste terreinhellingen zich voor te doen. Het pad was vrij goed; men kon zien, dat hierlangs een druk verkeer plaats had, hoewel noch woning noch sterveling ontwaard werden. Ons reisgezelschap stapte flink voort en vorderde zoo goed, dat, toen de avond begon te vallen, het hoogste punt van den zadelrug van het Batang Loepar gebergte bereikt was. Daar werd in het lommer van het hooggeboomte het bivouak betrokken en sliep het reisgezelschap weldra onder de hoede der wachthebbenden rustig in.[346]1Njakatan wordt iedere plaats in de bovenlanden genoemd, waar de reis te water eindigt, om haar over land te vervolgen. Komt van „sakan”, hetwelk uitladen, lossen beteekent.↑2Katipei. Zie daarover de noot op bladz.88van dit deel.↑3Ngiatoe merah is op Borneo de kostbaarste der vele getahpertjahsoorten. Levert eenproduct, hetwelk roodachtig bruin is.↑4Bangkirei behoort tot de fraaiste timmerhoutsoorten van Borneo. Laat zich gemakkelijk bewerken en is zeer duurzaam.↑5Rassamala, deLiquidambar Altingianader geleerden, is ook uitmuntend timmerhout.↑6Rhoenmèta =Lasiosiphon speciosus, draagt bloemen als kleine Geldersche rozen, die aan trossen groeien. Is een uitermate aanvallig gewas.↑
[Inhoud]XXXIII.Vertrek van kotta Rangan Hanoengoh.—De soengei Miri op.—De Njakatan.—Over land.—Les noms des fous se trouvent partout.—Een nieuw model kerkhof.—De Boekit Doesson.—Zijn flora.—La Cueille’s zitvlak op de linie.—De soengei Nanga Boenoet af.—Op de Kapoeas Bohong.—Een inktmeer.—Op het Batang Loepar gebergte.Dat woord Singapore gaf de ware richting aan den gedachtengang van Johannes, die zich in den laatsten tijd èn door het goudzoeken èn door de bruiloftsvroolijkheid wel wat van zijn doel had laten afleiden. Het huwelijk was nu voltrokken en niets stond het vertrek onzer avonturiers meer in den weg. Twee dagen later was alles gereed en bij het aanbreken van den derden dag bestegen Wienersdorf en zijn echtgenoote, vergezeld van de drie andere Europeanen, van Dalim met zijn makker, van Kwala Kapoeas en van Harimaoung Boekit die, zijn belofte getrouw, met eenige volgelingen de reizigers zou vergezellen, tot hij ze buiten gevaar zou weten; een groote rangkan, die reeds daags te voren met het noodige voor de reis beladen was. Dertig Poenans namen plaats in het vaartuig, om als roeiers, ook om later als vrachtdragers bij den tocht over land dienst te doen. Er waren dus veertig personen in dat vaartuig, hetwelk onder den machtigen aandrang van zoovele pagaaien vooruitschoot en noordwaarts stevende. Zoolang de rangkan zichtbaar bleef, wisselden de opvarenden luide hoera’s[330]met de bewoners van kotta Rangan Hanoengoh, welke laatsten daarenboven uit de zes kanonstukjes, door La Cueille doelmatig op de borstwering geplaatst, een donderend salut gaven, ten bewijze dat de bediening der vuurmonden met beleid onderwezen was en de bedieners hun instructeur alle eer aandeden. De Waal was echter niet tevreden.„No. 1 van het tweede stuk behandelt zijn wisscher onhandig,” pruttelde hij, „de vent kan het beter; en No. 4 is niet oplettend bij het sluiten van het zundgat, die kerels zullen nog een ongeluk krijgen.”En zich oprichtende, wilde hij dien bedieningsmanschappen wat toeroepen; maar.…. flap! schoot de rangkan achter den eersten hoek en was de kotta voor het oog der vertrekkenden verdwenen.Nu ging de reis de soengei Miri op, die nog gedurende twee dagen opgevaren kon worden. Maar toen werd die rivier zoo onbeduidend door haar geringe watercapaciteit, dat gedurende de laatste uren met de grootste moeite voortgesjouwd werd. Eindelijk bij het vallen van den avond op den tweeden dag, bereikte men een plek, Njakatan1genaamd, alwaar aangelegd werd; verder kon ook onmogelijk gevaren worden, dewijl de Miri daar ter plaatse een vervaarlijke Kiham met groot verval vormde, waartegen wegens gebrek aan water niet op te werken was. Daar werd ontscheept en het bivouak betrokken, terwijl verder alles in gereedheid gebracht werd, om des anderen daags de reis te vervolgen.„Zullen wij geen Otts te zien krijgen?” vroeg Schlickeisen[331]aan Harimaoung Boekit, „wij zijn toch op hun grondgebied?”„Ja dat zijn we; maar het is te hopen, dat wij van bezoek verschoond zullen blijven,” was het antwoord. „Hen zien staat gelijk met een gevecht op leven en dood. Zeker hebben zij ons ontwaard en worden wij door hen gadegeslagen; maar ik ben bij hen bekend en nimmer heb ik eenige vijandelijkheid van hen ondervonden.”„Het zal toch zaak zijn waakzaam te zijn,” was de meening van Johannes, die het geheele troepje in twee deelen verdeelde, waarvan ieder op zijn beurt den wachtdienst zou verrichten.De nacht ging evenwel ongestoord voorbij. Toen de dag aangebroken was, namen de Poenans hun manden op den rug, waarin de proviand en de munitie der reizigers geborgen waren. Ook de vier Europeanen hadden een dergelijk draagmiddel, wat hun niet vreemd voorkwam, daar zij aan het torschen van den militairen ransel gewoon waren. Maar in hun mandjes waren, behalve een redelijke voorraad geweerpatronen, hun schatten aan stofgoud en batoe boehie geborgen, zoodat zij vrij wel bepakt konden heeten. Ook de lieve Hamadoe had haar draagmandje gepakt gehad met haar vrouwelijke benoodigdheden; maar toen zij het opnemen wilde, was het leeg. Wienersdorf had die vracht overgenomen en in zijn draagmand geborgen. Het vrouwtje wilde protesteeren; maar haar echtgenoot sloot haar de bekoorlijke lippen met een kus, een soort van smeekbede, aan welke gewelddadigheid het schoone geslacht zich gaarne onderwerpt. Welgemoed grepen de Europeanen nu hun stokken van ijzerhout, die, wij weten het, ook met stofgoud gevuld waren, hingen hun geweren met den cordonriem over den schouder en aanvaardden[332]den tocht. Een paar Poenans brachten den rangkan in een soort van kleine baai langs den oever en legden hem daar vast.„Zult gij dien terug vinden?” vroeg Wienersdorf aan zijn zwager.„Zeker; diefstal is hier onbekend. Het eenige, waarop ik te passen heb, is op mijn kop.”Al dadelijk merkten de Zwitsers op, dat de hoofdrichting genomen werd naar een vrij hoogen bergtop, die in het noordwesten zichtbaar was. Zij vernamen, dat die berg Boekit Doesson heette. Het was geen bergrug, dien men naderde; het was veeleer een hoogvlakte, die langzaam oprees en waarop de bergtoppen,—en er waren er vele—die met haar het centraal gebergte des eilands vormden, zich afzonderlijk en gescheiden verhieven. Het pad, indien het spoor, hetwelk door menschelijke voeten te midden dier weelderige vegetatie spaarzaam was achtergelaten, dien naam mocht voeren, was niet moeielijk; het slingerde tusschen de zachtglooiende heuvelen door, en vereischte slechts inspanning, wanneer beken moesten overgetrokken worden, die meerendeels in den leemachtigen bovengrond diep ingesneden waren en over rotsbeddingen schuimend en bruisend voortsnelden. Gewoonlijk werd dan de gelegenheid benut, om een verfrisschend bad te nemen in het kristallijne vocht, hetwelk niet veel omslag eischte van die spaarzaam gekleede reizigers en derhalve slechts weinig oponthoud veroorzaakte. Voorzichtige waakzaamheid werd evenwel bij die verfrisschingen noodig geacht, zoodat slechts de helft der mannelijke reizenden zich te water mocht begeven en de andere helft met de wapens in de hand zorgvuldig uitkeek. Niets verdachts werd evenwel waargenomen; geen menschelijk wezen werd ontwaard, geen kampong, geen woning, noch iets wat daar maar op[333]geleek. Men kon wanen, zich op een geheel onbewoond eiland te bevinden.Bij een der halten echter zouden de reizigers ervaren, dat zij niet onbespied bleven. Een prachtige boom, in de nabijheid staande, had de belangstellende opmerkzaamheid van Wienersdorf tot zich getrokken. Hij was er naar toe getreden en bewonderde dien prachtigen ijzerhoutboom, die recht als een kaars zijn heerlijke kruin van breed gebladerte op ruim veertig meter boven den bodem verhief. Een paar naden, die zich vertikaal op den stam vertoonden en door een paar horizontale gesneden werden, deden hem vermoeden, dat de bast daar ter plaatse te eeniger tijd beleedigd was, en hij kon de gedachte niet verwerpen, dat dit door menschenhanden uitgevoerd was. Daarenboven kwam het hem voor, alsof de bast in het gevormde vak van jongeren datum was dan de overige, alsof zij zich daar ter plaatse vernieuwd had. Hij stond daar nog een oogenblik te turen, toen hij zijn poeai greep en een kolossale W in dat vak begon te snijden. Hij was daar druk mede bezig en dacht reeds de beginletter zijner Hamadoe daarbij te voegen en het geheel in een vlammend hart te besluiten, toen een fluitend geluid hem deed opzien en hij een pijltje zag, hetwelk tusschen zijn hoofd en hand doorgevlogen, trillend in den stam bleef zitten. Met een kreet van schrik draaide de Zwitser zich om, legde bliksemsnel zijn geweer, hetwelk hij in de linkerhand gehouden had, aan in de richting, waar hij meende achter eenige struiken iets zich te zien bewegen, en loste zijn schot. Op die losbarsting ijlden zijne makkers toe, aan wien hij het pijltje toonde, hetwelk nog in de bast zat. Hamadoe viel hem snikkend om den hals en omstrengelde hem met hare schoone armen als om hem te beschermen, terwijl de Europeanen[334]het geweer in den aanslag brachten, om het terrein door een flink geweervuur te zuiveren. Maar Harimaoung Boekit weerhield hen met een gebaar, zette zijn stem uit en schreeuwde eenige woorden, die luid weerklonken. De woorden, die hij uitgalmde, verstonden de Europeanen niet, zij werden gegild in een dialekt, hetwelk met het Dajaksch weinig overeenkomst had. Na een poos in alle stilte gewacht te hebben; waarbij de Poenan de wenkbrauwen begon te fronsen, klonken eenige krijschende klanken tot antwoord terug. Het gelaat van Harimaoung Boekit helderde nu op; hij verzekerde dat zijn reisgenooten niets meer te duchten hadden; het waren Ott Njawong’s, die hier huisden en met dien stam was hij bevriend; maar hij eischte dat de boom, waarin Wienersdorf begonnen was zijn naam te snijden, verder ongedeerd zou worden gelaten.„Wat bliksem,” knorde La Cueille, „wat ’n idée, om hier in de wildernis zijn naam te gaan snijden!Les noms des fous se trouvent partout.”„Wat is er dan met dien boom?” vroeg Wienersdorf, zonder op de boutade van den Waal te letten.„Wel, in dien boom hebben de Otts een hunner natuurgenooten begraven,” lichtte Dalim toe. „Zij verbranden hun lijken, wikkelen de asch en de half verkoolde beenderen in een „kakandi” (lijkdoek), maken een gat in een zwaren ijzerhoutboom zooals dezen en stoppen dat pakje daarin. De opening wordt verder met hars en katipei2gedicht en met mos overdekt. De heelende natuur herstelt in weinig tijds de schors; zelfs de naden, die gij nu nog ontwaart, verdwijnen langzamerhand en er komt een oogenblik, dat alleen het alziend oog des Scheppers kan ontwaren, dat die prachtvolle[335]boom met zijn slanken stam en breede kruin tot levend graf eens menschen strekt.”„Een nieuw model kerkhof,” grinnikte de Waal.„Een model, dat evenwel geen aanbeveling tot navolging verdient,” lachte Johannes. „De meubelmakers zouden er gewis op tegen hebben. Verbeeldt je, dat, bij het bewerken van een meubelstuk, onverwachts de zaag of de schaaf op eenig hard voorwerp knarste en bij onderzoek een paar tibia’s, een rif, een grijnzende schedel enz. te voorschijn kwamen. De sukkels zouden het zeker besterven.”Tegen het einde van den tweeden dag waren de reizigers tot aan den voet van den Boekit Doesson genaderd. Het Poenanhoofd was voornemens den volgenden morgen dien berg te bestijgen, dien onze Zwitsers met geoefend oog opongeveer5000 voet boven het tafelvlak, waarop hij zich verhief, schatten. Zijn top stak naar hun berekening omstreeks 7500 à 8000 voet boven de oppervlakte der zee uit. Het doel van die bestijging was, om het omliggend terrein te kunnen overzien; want hoewel Harimaoung Boekit hier niet totaal vreemd was, wenschte hij toch eenige verkenningspunten op te doen, waarop hij zijn marsch kon regelen. Een dwaling hier in deze onmetelijke bosschen kon de noodlottigste gevolgen na zich slepen. Aanvankelijk wilde de Poenan de bestijging alleen met een paar volgelingen volvoeren en de overige reizigers aan den voet des bergs gebivouakeerd achterlaten; maar de beide Zwitsers, als echte Alpenzonen, waren niet te houden; zij moesten en zouden mede. Ook La Cueille en Johannes gaven den wensch te kennen, van de partij te mogen zijn, zoodat eindelijk besloten werd het geheele gezelschap aan die bestijging deel te laten nemen.Den volgenden morgen werd al heel vroeg de tocht[336]aanvaard. Aanvankelijk voerde de weg door zware bamboebosschen, doorweven en soms afgewisseld met lianen, rottan en andere slingergewassen, die het hoog geboomte allerwege overdekten en een schier onuitwarbaar net vormden, hetwelk het voortgaan zeer bemoeielijkte. Maar hoe hooger de reizigers stegen, hoe meer die wilde vegetatie verarmde en eindelijk geheel verdween. Zij trokken nu bosschen door van ijzerhoutboomen, van ngiatoe merah3, van bangkirei4, van rassamala5, van kadjatouw- en lontar-palmen, die plaatsvervangers van den sagopalm in de wildernis, allen hoogstammige woudreuzen, welker dicht op elkander gedrongen kruinen het ontstaan en het bestaan van anderen plantengroei daaronder en daartusschen, wegens gebrek aan lucht en licht, bijna onmogelijk maken. Daarop volgde een zone, waarin slechts weinig hoogstammig geboomte, eenige weinige Casuarinen voorkwamen, maar die daarentegen bedekt was met een kort struikgewas, door de Poenans „rhoenmèta”6geheeten, hetwelk, thans in zijn bloeitijd, die geheele strook der berghelling met een zacht rood overtoog en den verrukten Zwitsers den fraaien tooi der Alpenrozen herinnerde.Het was omstreeks half elf, toen het gezelschap den breeden, zacht gewelfden top, dat kenmerk van bijna alle bergen van Borneo’s centraal hoogland, bereikte.[337]Er zou daar een paar uur gerust worden, en terwijl Harimaoung Boekit zijn verkenningen deed, liet Hamadoe zich door een paar Poenans helpen, om het eenvoudige maal gereed te maken. Het gros evenwel der inboorlingen verspreidde zich op den top, om „rajoh”, een fijne mossoort, te zoeken, welke spaarzaam op het hooggebergte voorkomt en door den Dajak als een gelukaanbrengende talisman beschouwd en daarom verzameld wordt.De Europeanen vonden het vergezicht, hetwelk zij genoten, fraai; maar toch gevoelden zich de Zwitsers, die wellicht van gletschers, sneeuwvelden of machtige rotspartijen gedroomd hadden, eenigermate teleurgesteld. Evenwel waren zij opgetogen over het panorama, hetwelk zich aan hun voeten ontrolde. Hier waren het minder de bergpartijen, dan wel het overzicht over die prachtige keerkringsvegetatie, waarboven zij als het ware zweefden, welke hun bewondering opwekte. Middelerwijl mompelde Johannes, minder dichterlijk van natuur, terwijl hij in zijn zakboekje eenige aanteekeningen maakte:„Het is heden de zeventigste dag, sedert wij Kwala Kapoeas verlaten hebben.”„Al zoo lang?” vroeg La Cueille; „wij hebben het fort op 10 Januari verlaten, niet waar?”„Juist, en wij hebben heden 21 Maart; dat maakt op den kop af zeventig dagen.”„21 Maart?” vroeg Wienersdorf, door dien datum getroffen. „Wel dan staat heden de zon in den Ram, of vlak boven den evenaar. Wacht eens, een eenvoudig middel om te weten te komen, op welke breedte wij zijn.”En een fraaien, jongen en rechten ceder van ongeveer acht meter lengte snijdende, ontdeed hij dien van zijn takken en naalden en plantte hem op een kaleplek zoo[338]rechtstandig mogelijk, greep daarop zijn boussole en constateerde dat het korte eindje schaduw, hetwelk de stok, door de zon beschenen, nog wierp, zuiver van oost naar west wees.„Miswijzing bestaat in deze streken niet,” mompelde de Zwitser. „Maar.… dat zou toch toevallig wezen! Wellicht is er lokale attractie in het spel, die de naald doet afwijken? Dat zal zich gauw uitwijzen.”„Wat mopper je toch?” vroeg La Cueille.„Straks,” was het lakonieke antwoord van Wienersdorf.En hij ging voort al zijn aandacht te wijden aan de schaduw, die de geplante staak nog steeds wierp. Die kortte steeds al meer en meer in, totdat zij geheel verdwenen was. Gedurende een oogenblik was geen schaduw hoegenaamd te bespeuren.„Middag!” riep de Zwitser. „Ik heb de eer de heeren op den evenaar te feliciteeren.”Schlickeisen snelde toe. Waarachtig er was geen schaduw meer te bekennen. De top van den staak was dunner dan het beneden eind en zijn zijden waren geheel en al door het zonlicht verlicht. De Boekit-Doesson lag dus vlak onder de evennachtslijn.„Dus ik zit met mijn.… hoe zal ik het noemen? nu ja, met mijn zitvlak op de linie?” vroeg La Cueille.„Jij zit met je zitvlak op de linie, die eer heb je.”„Jongens! als wij aan boord waren, dan was er feest, dan kwam Neptunus en dan zou een oorlam niet uitblijven.”„Welnu,” zei Johannes, „die zul je nu ook hebben. Wij zullen met een hartigen teug afscheid van het zuidelijk halfrond nemen.”En opspringende haalde hij uit een der mandjes twee vierkante flesschen, echte A.V.H., die hij onder de aanwezigen leegschonk. De Poenans lieten zich het verleidelijke[339]vocht goed smaken en paarden hun gillend lēēēēh lĕlĕlĕlĕ ouiit! aan het hoerageschreeuw der Europeanen, die elkander de hand drukten en geluk wenschten, dat hun desertie tot zoo ver goed gelukt was.„Wij zijn er nog niet,” was de pessimistische meening van Johannes, „maar het zwaarste is toch achter den rug.”Wienersdorf vatte de hand van Hamadoe en wees haar naar het noorden. De lieftallige jonge vrouw sloeg haar fraaien arm om den hals van haar echtgenoot en lispelde aan zijn oor, dat zij hem volgen zou, waarheen hij ook trok.Na het eenvoudige maal verorberd te hebben, daalden de reizigers den Boekit Doesson af, zetten den tocht voort en betrokken bij het vallen van den avond het bivouak aan de boorden eener beek, die haar wateren niet meer zuidwaarts stuwde; maar, aan de andere zijde der waterscheiding gelegen, een schatplichtige soengei der Melahoei-rivier was, welke laatste westwaarts stroomt, zich bij Sintang met de Kapoeas Bohang vereenigt en op Borneo’s westkust in zee uitwatert. De reizigers hadden dus het watergebied van de Javazee verlaten en waren dat van de Chineesche zee ingetrokken.Daags daarna werd de reis vervolgd. Gedurende drie dagen werd ijverig gemarcheerd en, hoewel het pad heuvel op heuvel af voerde en menige moeielijkheid te overwinnen was, hield Wienersdorf’s vrouwtje zich nog het best van allen. Zuchtten de mannen al eens en mompelden zij al een enkelen keer over vermoeidheid, geen klacht ontsnapte haar; integendeel zij bleef vroolijk en opgeruimd, had voor allen een vriendelijken blik en een hartelijk woord over en, wanneer het bivouak betrokken was en de mannen hun ledematen op het gras uitstrekten, dan was zij nog bedrijvig om het eenvoudige maal gereed te maken en strekte haar opgeruimdheid[340]en van tijd tot tijd een heldere schaterlach van haar lippen tot opbeuring van de vermoeiden en de afgematten.Ook nu werd bij het betrekken van het bivouak de stiptste waakzaamheid in acht genomen en was steeds de helft der reizigers wakker en met de wapens in de hand gereed om geweld met geweld te keeren. Maar juist ten gevolge van die waakzaamheid gingen de nachten, die zij in het sombere woud doorbrachten, ongestoord voorbij.Van den Boekit Doesson af geleidde Harimaoung Boekit de reizigers in nagenoeg westelijke richting, waarbij hij den top van den Boekit Lientang, die boven de hem omringende heuvelen hoog uitstak, als een onfeilbaar baken in het oog hield, totdat de soengei Malahoei bereikt werd. Men trok die rivier over op een vlot, hetwelk door de Poenans in alle haast van een groot aantal bamboestaken, die daar ter plaatse in overvloed groeiden, vervaardigd werd. Toen die overtocht volbracht was, werd de marschrichting, nagenoeg noord ten westen genomen en bereikten de reizigers bij het vallen van den avond een paar hutten, die bij een waterval, Kiham Toeak, genaamd aan de soengei Nanga Boenoet gelegen waren. Harimaoung Boekit was daar geen vreemdeling; zelfs stond hij met de bewoners op den meest vriendschappelijken voet. Hij trad een dier hutten binnen en slaagde er in voor een paar thaëls stofgoud een rangkan aan te schaffen, ruim genoeg om het geheele reisgezelschap op te nemen.Den volgenden morgen werd de reis voortgezet en ging het in ijlende vaart de soengei Nanga Boenoet stroomaf. Er waren verscheiden kiham’s af te dalen; maar voor mannen als onze Poenans had dat weinig te beduiden. Wanneer het vaartuig zulk een stroomversnelling[341]naderde, verdubbelden de roeiers hun krachtsinspanning, daartoe door hem, die den stuurpagaai in handen hield, met luid gegil aangezet. Allen zelfs Hamadoe namen dan den beseai ter hand, en de rangkan stoof met duizelingwekkende snelheid vooruit, schoot de hellende watervlakte af, danste op de hobbelende golven, splitste onweerstaanbaar het schuim, schuurde schier rakelings langs de rotsen, maar kwam behouden beneden in meer stil water aan, om na een oogenblik uitblazens van de roeiers de vaart te vervolgen. In de oevertaluds dier soengei waren op verscheiden plaatsen steenkolenbeddingen zichtbaar, die in rijkdom voor die van kotta Djangkang niet schenen onder te doen. Maar de pijlsnelle vaart ontnam La Cueille de gelegenheid een onderzoek naar de kwaliteit in te stellen.Het was bijkans avond, toen de reizigers de kampong Nanga Boenoet, aan de uitwatering van die soengei in de Kapoeas Bohong gelegen, passeerden. Daar laatstgenoemde stroom, een paar honderd el breed, de vaart hoegenaamd geen moeielijkheden in den weg legde en de nacht buitengewoon helder en het weder zeer kalm was, werd er besloten de reis gedurende de nachtelijke uren voort te zetten.Toen de dageraad in het oosten begon te gloren, bevonden de reizigers zich voor de monding der Blitang en voeren die in. De soengei Blitang vormt met de soengei Labojan een toegangskanaal tot Danau Loewar, het grootste van een groep meren, welke zich aan den voet van het Batang Loepar gebergte uitstrekken. De vaart op de Blitang was zeer voorspoedig niettegenstaande de stroom, dien men te overwinnen had, sterk was. Onze reizigers overnachtten in de nabijheid van kotta Nanga Strong, een kleine Dajaksche nederzetting aan de samenvloeiing van de Blitang met de Labojan gelegen. Den volgenden[342]morgen al heel vroeg stevende de rangkan het meer Loewar in, alwaar een geheele bevolking met de vischvangst bezig was. In dat meer komt een visch, „lawang” genaamd, overvloedig voor, die ongeveer 7 d.M. lang wordt, een gladde glibberige huid zonder schubben heeft en gewapend is met drie flinke stekels, een op den rug en een bij ieder der kieuwen. Het vleesch van dien visch is zeer zacht en flauw, schier oneetbaar. Hij wordt echter in groote menigte gevangen alleen ter wille van de kuit, die gezouten en gerookt een groote handelswaarde heeft.De visschers, in hun bedrijf verdiept, lieten onze reizigers ongemoeid en deze laatsten stevenden naar den noordelijken oever van het meer, alwaar de ontscheping zou plaats hebben om dan de reis verder te vervolgen. Toen de rangkan zich in het midden van het meer bevond, konden de opvarenden een blik werpen op het gebergte, hetwelk den horizon in het noorden begrensde.„Daar! daarover!!” riep Johannes, „danzijnwij vrij!”Met aandoening keken de Europeanen dien bergketen aan, die zich als een donkerblauwe band op het lichte azuur des hemels afteekende. Een oogenblik antwoordde niemand hunner. Het was alsof al het leed en de gevaren, die zij getrotseerd hadden, om zoover te geraken, die mannen voor de oogen zweefden, zoo stemmig keken zij, terwijl zij de stilte niet verbraken. Eindelijk vroeg Schlickeisen:„Hoe heet die bergketen?”„Het Batang Loepar gebergte,” antwoordde Johannes.„Hoe hoog wordt het geschat?”„De hoogste toppen worden door Engelsche berichtgevers op 6 à 7000 voet berekend.”„Dat zal een klim zijn,” meende La Cueille.„Toch niet. De meerspiegel bevindt zich allicht op[343]een paar duizend voet; die hebben wij al niet meer te klimmen. Daarbij zullen wij nu wel niet juist over de hoogste toppen moeten en zal zich wel een dwarsdal voor ons openen, om ons toegang tot het beloofde land te geven.”„Hebben wij nog een groot traject af te leggen, wanneer wij daar boven zijn?” vroeg La Cueille.„Om te Jupille te komen? Ja, dat is nog een heel eindje,” lachte Johannes.„Neen domkop, om de boorden der zee te bereiken?” antwoordde de Waal gebelgd.„Daar weet ik niet veel van; ik ben hier nimmer geweest.”Die vraag aan Harimaoung voorgelegd, leidde ook tot geen oplossing. Het Poenanhoofd lachte, schudde met het hoofd en bij zijn onvermogen om zich van afstanden een begrip te maken bleef het daarbij.„Wat ziet het water van het meer er zwart uit, het is of wij op inkt varen,” was de opmerking van Schlickeisen.„Ja, die kleur heb ik al op de Blitang opgemerkt,” antwoordde Wienersdorf. „Maar hier op het meer vind ik, dat dit somber getinte water juist in een omlijsting als deze past. Aanschouwt dien zwarten spiegel, die zich achter ons eindeloos ver uitstrekt en onder de zonnestralen als een onmetelijke oppervlakte van git glinstert, terwijl voor ons het donkergroene loof van het hoogwoud, dat de hellingen van het gebergte bedekt, daarbij scherp afsteekt en de trapsgewijze overgangen van de zachtste tot de stoutste en de steilste vormen van dien bergwand te helderder doet uitkomen en zoo een afwisseling vormt van het liefelijke en het verhevene, zooals nauwelijks eenig ander punt op den aardbol, zoo nauw vereenigd, kan aanbieden.”De Zwitsers zaten in volle bewondering. Als een[344]prachtige schilderij, door een geniale meesterhand ontworpen, ontrolde zich voor hun oogen een berglandschap, dat met onweerstaanbare kracht hun gedachten naar den geliefden geboortegrond terugvoerde. Waren de wateren van het meer helder, doorschijnend en kleurloos of lichtblauw getint geweest, waren de berghellingen en rotspartijen bedekt en bekroond geweest met slanke dennen, in groepen geschaard of wel afzonderlijk staande, had zich hier en daar een kerktorentje of een witgepleisterde villa tusschen het groen der wouden vertoond, dan ware de begoocheling volkomen geweest, dan hadden de Alpenzonen daar te midden van Borneo kunnen wanen op het Bodenmeer te dobberen. Op het punt, waar zij zich met hun rangkan bevonden, was de overeenkomst verrassend en riepen zij juichend uit, dat zij de omstreken van Lindau herkenden. In het zuiden en zuidwesten strekte zich de heerlijke waterspiegel eindeloos ver uit; in het westen was het Tomodok gebergte zichtbaar; in het noorden verhief zich trapsgewijze het Batang Loepar gebergte, terwijl zich in het noord-oosten de piramiden en massieve rotsblokken van het Sareboe Saratoes gebergte opstapelden, waarachter de hoogere toppen van het Medai gebergte kwamen uitkijken, en dit laatste op den achtergrond bekroond werd door een hel lichtenden top, die onder de keerkringszon als vloeibaar zilver blonk, de Japoh Poerau, bij de Engelschen Boekit Tebong geheeten.„Ein Firn!” juichten de Zwitsers, in hun landstaal, terwijl zij elkander den glinsterenden top aanwezen.„Hebben wij dien te beklimmen?” vroegen zij met een zucht van heimwee.Harimaoung Boekit schudde ontkennend het hoofd en wees naar het noorden heen. Zij zouden dus dien sneeuwtop rechts laten liggen. Dat was een teleurstelling, maar waaraan niets te veranderen viel.[345]Het was ongeveer middag, toen de reizigers den noordelijken oever van het meer bereikten. Onmiddellijk werden de draagmandjes opgenomen om de reis te voet te vervolgen.„De plus fou en plus fou” mompelde La Cueille, toen hij het gekibbel waarnam van Wienersdorf met Hamadoe, welke laatste er nu op stond, om haar gedeelte van de te vervoeren vracht te dragen, maar welken eisch haar echtgenoot slechts met een kus op de malsche lippen beantwoordde. De Waal voelde zich buiten staat tot zoo’n liefdesvervoering en zoo’n opoffering en was in zijn hart blij, dat zijn vrijerij met Moendoet afgesprongen was.„Ik zou haar pakje ook hebben moeten dragen,” gromde hij met een grijns, „en ik heb waarachtig aan het mijne genoeg.”Nadat de rangkan behoorlijk langs den oever onder eenige afhangende struiken verborgen was, waar Harimaoung Boekit hem later hoopte terug te vinden, om bij den terugtocht te gebruiken, ging het moedig voorwaarts.Aanvankelijk leidde het pad door een moerassige streek, die het meer omzoomde, maar na een marsch van een half uur was die doorgeworsteld en begonnen de eerste terreinhellingen zich voor te doen. Het pad was vrij goed; men kon zien, dat hierlangs een druk verkeer plaats had, hoewel noch woning noch sterveling ontwaard werden. Ons reisgezelschap stapte flink voort en vorderde zoo goed, dat, toen de avond begon te vallen, het hoogste punt van den zadelrug van het Batang Loepar gebergte bereikt was. Daar werd in het lommer van het hooggeboomte het bivouak betrokken en sliep het reisgezelschap weldra onder de hoede der wachthebbenden rustig in.[346]1Njakatan wordt iedere plaats in de bovenlanden genoemd, waar de reis te water eindigt, om haar over land te vervolgen. Komt van „sakan”, hetwelk uitladen, lossen beteekent.↑2Katipei. Zie daarover de noot op bladz.88van dit deel.↑3Ngiatoe merah is op Borneo de kostbaarste der vele getahpertjahsoorten. Levert eenproduct, hetwelk roodachtig bruin is.↑4Bangkirei behoort tot de fraaiste timmerhoutsoorten van Borneo. Laat zich gemakkelijk bewerken en is zeer duurzaam.↑5Rassamala, deLiquidambar Altingianader geleerden, is ook uitmuntend timmerhout.↑6Rhoenmèta =Lasiosiphon speciosus, draagt bloemen als kleine Geldersche rozen, die aan trossen groeien. Is een uitermate aanvallig gewas.↑
XXXIII.Vertrek van kotta Rangan Hanoengoh.—De soengei Miri op.—De Njakatan.—Over land.—Les noms des fous se trouvent partout.—Een nieuw model kerkhof.—De Boekit Doesson.—Zijn flora.—La Cueille’s zitvlak op de linie.—De soengei Nanga Boenoet af.—Op de Kapoeas Bohong.—Een inktmeer.—Op het Batang Loepar gebergte.
Vertrek van kotta Rangan Hanoengoh.—De soengei Miri op.—De Njakatan.—Over land.—Les noms des fous se trouvent partout.—Een nieuw model kerkhof.—De Boekit Doesson.—Zijn flora.—La Cueille’s zitvlak op de linie.—De soengei Nanga Boenoet af.—Op de Kapoeas Bohong.—Een inktmeer.—Op het Batang Loepar gebergte.
Vertrek van kotta Rangan Hanoengoh.—De soengei Miri op.—De Njakatan.—Over land.—Les noms des fous se trouvent partout.—Een nieuw model kerkhof.—De Boekit Doesson.—Zijn flora.—La Cueille’s zitvlak op de linie.—De soengei Nanga Boenoet af.—Op de Kapoeas Bohong.—Een inktmeer.—Op het Batang Loepar gebergte.
Dat woord Singapore gaf de ware richting aan den gedachtengang van Johannes, die zich in den laatsten tijd èn door het goudzoeken èn door de bruiloftsvroolijkheid wel wat van zijn doel had laten afleiden. Het huwelijk was nu voltrokken en niets stond het vertrek onzer avonturiers meer in den weg. Twee dagen later was alles gereed en bij het aanbreken van den derden dag bestegen Wienersdorf en zijn echtgenoote, vergezeld van de drie andere Europeanen, van Dalim met zijn makker, van Kwala Kapoeas en van Harimaoung Boekit die, zijn belofte getrouw, met eenige volgelingen de reizigers zou vergezellen, tot hij ze buiten gevaar zou weten; een groote rangkan, die reeds daags te voren met het noodige voor de reis beladen was. Dertig Poenans namen plaats in het vaartuig, om als roeiers, ook om later als vrachtdragers bij den tocht over land dienst te doen. Er waren dus veertig personen in dat vaartuig, hetwelk onder den machtigen aandrang van zoovele pagaaien vooruitschoot en noordwaarts stevende. Zoolang de rangkan zichtbaar bleef, wisselden de opvarenden luide hoera’s[330]met de bewoners van kotta Rangan Hanoengoh, welke laatsten daarenboven uit de zes kanonstukjes, door La Cueille doelmatig op de borstwering geplaatst, een donderend salut gaven, ten bewijze dat de bediening der vuurmonden met beleid onderwezen was en de bedieners hun instructeur alle eer aandeden. De Waal was echter niet tevreden.„No. 1 van het tweede stuk behandelt zijn wisscher onhandig,” pruttelde hij, „de vent kan het beter; en No. 4 is niet oplettend bij het sluiten van het zundgat, die kerels zullen nog een ongeluk krijgen.”En zich oprichtende, wilde hij dien bedieningsmanschappen wat toeroepen; maar.…. flap! schoot de rangkan achter den eersten hoek en was de kotta voor het oog der vertrekkenden verdwenen.Nu ging de reis de soengei Miri op, die nog gedurende twee dagen opgevaren kon worden. Maar toen werd die rivier zoo onbeduidend door haar geringe watercapaciteit, dat gedurende de laatste uren met de grootste moeite voortgesjouwd werd. Eindelijk bij het vallen van den avond op den tweeden dag, bereikte men een plek, Njakatan1genaamd, alwaar aangelegd werd; verder kon ook onmogelijk gevaren worden, dewijl de Miri daar ter plaatse een vervaarlijke Kiham met groot verval vormde, waartegen wegens gebrek aan water niet op te werken was. Daar werd ontscheept en het bivouak betrokken, terwijl verder alles in gereedheid gebracht werd, om des anderen daags de reis te vervolgen.„Zullen wij geen Otts te zien krijgen?” vroeg Schlickeisen[331]aan Harimaoung Boekit, „wij zijn toch op hun grondgebied?”„Ja dat zijn we; maar het is te hopen, dat wij van bezoek verschoond zullen blijven,” was het antwoord. „Hen zien staat gelijk met een gevecht op leven en dood. Zeker hebben zij ons ontwaard en worden wij door hen gadegeslagen; maar ik ben bij hen bekend en nimmer heb ik eenige vijandelijkheid van hen ondervonden.”„Het zal toch zaak zijn waakzaam te zijn,” was de meening van Johannes, die het geheele troepje in twee deelen verdeelde, waarvan ieder op zijn beurt den wachtdienst zou verrichten.De nacht ging evenwel ongestoord voorbij. Toen de dag aangebroken was, namen de Poenans hun manden op den rug, waarin de proviand en de munitie der reizigers geborgen waren. Ook de vier Europeanen hadden een dergelijk draagmiddel, wat hun niet vreemd voorkwam, daar zij aan het torschen van den militairen ransel gewoon waren. Maar in hun mandjes waren, behalve een redelijke voorraad geweerpatronen, hun schatten aan stofgoud en batoe boehie geborgen, zoodat zij vrij wel bepakt konden heeten. Ook de lieve Hamadoe had haar draagmandje gepakt gehad met haar vrouwelijke benoodigdheden; maar toen zij het opnemen wilde, was het leeg. Wienersdorf had die vracht overgenomen en in zijn draagmand geborgen. Het vrouwtje wilde protesteeren; maar haar echtgenoot sloot haar de bekoorlijke lippen met een kus, een soort van smeekbede, aan welke gewelddadigheid het schoone geslacht zich gaarne onderwerpt. Welgemoed grepen de Europeanen nu hun stokken van ijzerhout, die, wij weten het, ook met stofgoud gevuld waren, hingen hun geweren met den cordonriem over den schouder en aanvaardden[332]den tocht. Een paar Poenans brachten den rangkan in een soort van kleine baai langs den oever en legden hem daar vast.„Zult gij dien terug vinden?” vroeg Wienersdorf aan zijn zwager.„Zeker; diefstal is hier onbekend. Het eenige, waarop ik te passen heb, is op mijn kop.”Al dadelijk merkten de Zwitsers op, dat de hoofdrichting genomen werd naar een vrij hoogen bergtop, die in het noordwesten zichtbaar was. Zij vernamen, dat die berg Boekit Doesson heette. Het was geen bergrug, dien men naderde; het was veeleer een hoogvlakte, die langzaam oprees en waarop de bergtoppen,—en er waren er vele—die met haar het centraal gebergte des eilands vormden, zich afzonderlijk en gescheiden verhieven. Het pad, indien het spoor, hetwelk door menschelijke voeten te midden dier weelderige vegetatie spaarzaam was achtergelaten, dien naam mocht voeren, was niet moeielijk; het slingerde tusschen de zachtglooiende heuvelen door, en vereischte slechts inspanning, wanneer beken moesten overgetrokken worden, die meerendeels in den leemachtigen bovengrond diep ingesneden waren en over rotsbeddingen schuimend en bruisend voortsnelden. Gewoonlijk werd dan de gelegenheid benut, om een verfrisschend bad te nemen in het kristallijne vocht, hetwelk niet veel omslag eischte van die spaarzaam gekleede reizigers en derhalve slechts weinig oponthoud veroorzaakte. Voorzichtige waakzaamheid werd evenwel bij die verfrisschingen noodig geacht, zoodat slechts de helft der mannelijke reizenden zich te water mocht begeven en de andere helft met de wapens in de hand zorgvuldig uitkeek. Niets verdachts werd evenwel waargenomen; geen menschelijk wezen werd ontwaard, geen kampong, geen woning, noch iets wat daar maar op[333]geleek. Men kon wanen, zich op een geheel onbewoond eiland te bevinden.Bij een der halten echter zouden de reizigers ervaren, dat zij niet onbespied bleven. Een prachtige boom, in de nabijheid staande, had de belangstellende opmerkzaamheid van Wienersdorf tot zich getrokken. Hij was er naar toe getreden en bewonderde dien prachtigen ijzerhoutboom, die recht als een kaars zijn heerlijke kruin van breed gebladerte op ruim veertig meter boven den bodem verhief. Een paar naden, die zich vertikaal op den stam vertoonden en door een paar horizontale gesneden werden, deden hem vermoeden, dat de bast daar ter plaatse te eeniger tijd beleedigd was, en hij kon de gedachte niet verwerpen, dat dit door menschenhanden uitgevoerd was. Daarenboven kwam het hem voor, alsof de bast in het gevormde vak van jongeren datum was dan de overige, alsof zij zich daar ter plaatse vernieuwd had. Hij stond daar nog een oogenblik te turen, toen hij zijn poeai greep en een kolossale W in dat vak begon te snijden. Hij was daar druk mede bezig en dacht reeds de beginletter zijner Hamadoe daarbij te voegen en het geheel in een vlammend hart te besluiten, toen een fluitend geluid hem deed opzien en hij een pijltje zag, hetwelk tusschen zijn hoofd en hand doorgevlogen, trillend in den stam bleef zitten. Met een kreet van schrik draaide de Zwitser zich om, legde bliksemsnel zijn geweer, hetwelk hij in de linkerhand gehouden had, aan in de richting, waar hij meende achter eenige struiken iets zich te zien bewegen, en loste zijn schot. Op die losbarsting ijlden zijne makkers toe, aan wien hij het pijltje toonde, hetwelk nog in de bast zat. Hamadoe viel hem snikkend om den hals en omstrengelde hem met hare schoone armen als om hem te beschermen, terwijl de Europeanen[334]het geweer in den aanslag brachten, om het terrein door een flink geweervuur te zuiveren. Maar Harimaoung Boekit weerhield hen met een gebaar, zette zijn stem uit en schreeuwde eenige woorden, die luid weerklonken. De woorden, die hij uitgalmde, verstonden de Europeanen niet, zij werden gegild in een dialekt, hetwelk met het Dajaksch weinig overeenkomst had. Na een poos in alle stilte gewacht te hebben; waarbij de Poenan de wenkbrauwen begon te fronsen, klonken eenige krijschende klanken tot antwoord terug. Het gelaat van Harimaoung Boekit helderde nu op; hij verzekerde dat zijn reisgenooten niets meer te duchten hadden; het waren Ott Njawong’s, die hier huisden en met dien stam was hij bevriend; maar hij eischte dat de boom, waarin Wienersdorf begonnen was zijn naam te snijden, verder ongedeerd zou worden gelaten.„Wat bliksem,” knorde La Cueille, „wat ’n idée, om hier in de wildernis zijn naam te gaan snijden!Les noms des fous se trouvent partout.”„Wat is er dan met dien boom?” vroeg Wienersdorf, zonder op de boutade van den Waal te letten.„Wel, in dien boom hebben de Otts een hunner natuurgenooten begraven,” lichtte Dalim toe. „Zij verbranden hun lijken, wikkelen de asch en de half verkoolde beenderen in een „kakandi” (lijkdoek), maken een gat in een zwaren ijzerhoutboom zooals dezen en stoppen dat pakje daarin. De opening wordt verder met hars en katipei2gedicht en met mos overdekt. De heelende natuur herstelt in weinig tijds de schors; zelfs de naden, die gij nu nog ontwaart, verdwijnen langzamerhand en er komt een oogenblik, dat alleen het alziend oog des Scheppers kan ontwaren, dat die prachtvolle[335]boom met zijn slanken stam en breede kruin tot levend graf eens menschen strekt.”„Een nieuw model kerkhof,” grinnikte de Waal.„Een model, dat evenwel geen aanbeveling tot navolging verdient,” lachte Johannes. „De meubelmakers zouden er gewis op tegen hebben. Verbeeldt je, dat, bij het bewerken van een meubelstuk, onverwachts de zaag of de schaaf op eenig hard voorwerp knarste en bij onderzoek een paar tibia’s, een rif, een grijnzende schedel enz. te voorschijn kwamen. De sukkels zouden het zeker besterven.”Tegen het einde van den tweeden dag waren de reizigers tot aan den voet van den Boekit Doesson genaderd. Het Poenanhoofd was voornemens den volgenden morgen dien berg te bestijgen, dien onze Zwitsers met geoefend oog opongeveer5000 voet boven het tafelvlak, waarop hij zich verhief, schatten. Zijn top stak naar hun berekening omstreeks 7500 à 8000 voet boven de oppervlakte der zee uit. Het doel van die bestijging was, om het omliggend terrein te kunnen overzien; want hoewel Harimaoung Boekit hier niet totaal vreemd was, wenschte hij toch eenige verkenningspunten op te doen, waarop hij zijn marsch kon regelen. Een dwaling hier in deze onmetelijke bosschen kon de noodlottigste gevolgen na zich slepen. Aanvankelijk wilde de Poenan de bestijging alleen met een paar volgelingen volvoeren en de overige reizigers aan den voet des bergs gebivouakeerd achterlaten; maar de beide Zwitsers, als echte Alpenzonen, waren niet te houden; zij moesten en zouden mede. Ook La Cueille en Johannes gaven den wensch te kennen, van de partij te mogen zijn, zoodat eindelijk besloten werd het geheele gezelschap aan die bestijging deel te laten nemen.Den volgenden morgen werd al heel vroeg de tocht[336]aanvaard. Aanvankelijk voerde de weg door zware bamboebosschen, doorweven en soms afgewisseld met lianen, rottan en andere slingergewassen, die het hoog geboomte allerwege overdekten en een schier onuitwarbaar net vormden, hetwelk het voortgaan zeer bemoeielijkte. Maar hoe hooger de reizigers stegen, hoe meer die wilde vegetatie verarmde en eindelijk geheel verdween. Zij trokken nu bosschen door van ijzerhoutboomen, van ngiatoe merah3, van bangkirei4, van rassamala5, van kadjatouw- en lontar-palmen, die plaatsvervangers van den sagopalm in de wildernis, allen hoogstammige woudreuzen, welker dicht op elkander gedrongen kruinen het ontstaan en het bestaan van anderen plantengroei daaronder en daartusschen, wegens gebrek aan lucht en licht, bijna onmogelijk maken. Daarop volgde een zone, waarin slechts weinig hoogstammig geboomte, eenige weinige Casuarinen voorkwamen, maar die daarentegen bedekt was met een kort struikgewas, door de Poenans „rhoenmèta”6geheeten, hetwelk, thans in zijn bloeitijd, die geheele strook der berghelling met een zacht rood overtoog en den verrukten Zwitsers den fraaien tooi der Alpenrozen herinnerde.Het was omstreeks half elf, toen het gezelschap den breeden, zacht gewelfden top, dat kenmerk van bijna alle bergen van Borneo’s centraal hoogland, bereikte.[337]Er zou daar een paar uur gerust worden, en terwijl Harimaoung Boekit zijn verkenningen deed, liet Hamadoe zich door een paar Poenans helpen, om het eenvoudige maal gereed te maken. Het gros evenwel der inboorlingen verspreidde zich op den top, om „rajoh”, een fijne mossoort, te zoeken, welke spaarzaam op het hooggebergte voorkomt en door den Dajak als een gelukaanbrengende talisman beschouwd en daarom verzameld wordt.De Europeanen vonden het vergezicht, hetwelk zij genoten, fraai; maar toch gevoelden zich de Zwitsers, die wellicht van gletschers, sneeuwvelden of machtige rotspartijen gedroomd hadden, eenigermate teleurgesteld. Evenwel waren zij opgetogen over het panorama, hetwelk zich aan hun voeten ontrolde. Hier waren het minder de bergpartijen, dan wel het overzicht over die prachtige keerkringsvegetatie, waarboven zij als het ware zweefden, welke hun bewondering opwekte. Middelerwijl mompelde Johannes, minder dichterlijk van natuur, terwijl hij in zijn zakboekje eenige aanteekeningen maakte:„Het is heden de zeventigste dag, sedert wij Kwala Kapoeas verlaten hebben.”„Al zoo lang?” vroeg La Cueille; „wij hebben het fort op 10 Januari verlaten, niet waar?”„Juist, en wij hebben heden 21 Maart; dat maakt op den kop af zeventig dagen.”„21 Maart?” vroeg Wienersdorf, door dien datum getroffen. „Wel dan staat heden de zon in den Ram, of vlak boven den evenaar. Wacht eens, een eenvoudig middel om te weten te komen, op welke breedte wij zijn.”En een fraaien, jongen en rechten ceder van ongeveer acht meter lengte snijdende, ontdeed hij dien van zijn takken en naalden en plantte hem op een kaleplek zoo[338]rechtstandig mogelijk, greep daarop zijn boussole en constateerde dat het korte eindje schaduw, hetwelk de stok, door de zon beschenen, nog wierp, zuiver van oost naar west wees.„Miswijzing bestaat in deze streken niet,” mompelde de Zwitser. „Maar.… dat zou toch toevallig wezen! Wellicht is er lokale attractie in het spel, die de naald doet afwijken? Dat zal zich gauw uitwijzen.”„Wat mopper je toch?” vroeg La Cueille.„Straks,” was het lakonieke antwoord van Wienersdorf.En hij ging voort al zijn aandacht te wijden aan de schaduw, die de geplante staak nog steeds wierp. Die kortte steeds al meer en meer in, totdat zij geheel verdwenen was. Gedurende een oogenblik was geen schaduw hoegenaamd te bespeuren.„Middag!” riep de Zwitser. „Ik heb de eer de heeren op den evenaar te feliciteeren.”Schlickeisen snelde toe. Waarachtig er was geen schaduw meer te bekennen. De top van den staak was dunner dan het beneden eind en zijn zijden waren geheel en al door het zonlicht verlicht. De Boekit-Doesson lag dus vlak onder de evennachtslijn.„Dus ik zit met mijn.… hoe zal ik het noemen? nu ja, met mijn zitvlak op de linie?” vroeg La Cueille.„Jij zit met je zitvlak op de linie, die eer heb je.”„Jongens! als wij aan boord waren, dan was er feest, dan kwam Neptunus en dan zou een oorlam niet uitblijven.”„Welnu,” zei Johannes, „die zul je nu ook hebben. Wij zullen met een hartigen teug afscheid van het zuidelijk halfrond nemen.”En opspringende haalde hij uit een der mandjes twee vierkante flesschen, echte A.V.H., die hij onder de aanwezigen leegschonk. De Poenans lieten zich het verleidelijke[339]vocht goed smaken en paarden hun gillend lēēēēh lĕlĕlĕlĕ ouiit! aan het hoerageschreeuw der Europeanen, die elkander de hand drukten en geluk wenschten, dat hun desertie tot zoo ver goed gelukt was.„Wij zijn er nog niet,” was de pessimistische meening van Johannes, „maar het zwaarste is toch achter den rug.”Wienersdorf vatte de hand van Hamadoe en wees haar naar het noorden. De lieftallige jonge vrouw sloeg haar fraaien arm om den hals van haar echtgenoot en lispelde aan zijn oor, dat zij hem volgen zou, waarheen hij ook trok.Na het eenvoudige maal verorberd te hebben, daalden de reizigers den Boekit Doesson af, zetten den tocht voort en betrokken bij het vallen van den avond het bivouak aan de boorden eener beek, die haar wateren niet meer zuidwaarts stuwde; maar, aan de andere zijde der waterscheiding gelegen, een schatplichtige soengei der Melahoei-rivier was, welke laatste westwaarts stroomt, zich bij Sintang met de Kapoeas Bohang vereenigt en op Borneo’s westkust in zee uitwatert. De reizigers hadden dus het watergebied van de Javazee verlaten en waren dat van de Chineesche zee ingetrokken.Daags daarna werd de reis vervolgd. Gedurende drie dagen werd ijverig gemarcheerd en, hoewel het pad heuvel op heuvel af voerde en menige moeielijkheid te overwinnen was, hield Wienersdorf’s vrouwtje zich nog het best van allen. Zuchtten de mannen al eens en mompelden zij al een enkelen keer over vermoeidheid, geen klacht ontsnapte haar; integendeel zij bleef vroolijk en opgeruimd, had voor allen een vriendelijken blik en een hartelijk woord over en, wanneer het bivouak betrokken was en de mannen hun ledematen op het gras uitstrekten, dan was zij nog bedrijvig om het eenvoudige maal gereed te maken en strekte haar opgeruimdheid[340]en van tijd tot tijd een heldere schaterlach van haar lippen tot opbeuring van de vermoeiden en de afgematten.Ook nu werd bij het betrekken van het bivouak de stiptste waakzaamheid in acht genomen en was steeds de helft der reizigers wakker en met de wapens in de hand gereed om geweld met geweld te keeren. Maar juist ten gevolge van die waakzaamheid gingen de nachten, die zij in het sombere woud doorbrachten, ongestoord voorbij.Van den Boekit Doesson af geleidde Harimaoung Boekit de reizigers in nagenoeg westelijke richting, waarbij hij den top van den Boekit Lientang, die boven de hem omringende heuvelen hoog uitstak, als een onfeilbaar baken in het oog hield, totdat de soengei Malahoei bereikt werd. Men trok die rivier over op een vlot, hetwelk door de Poenans in alle haast van een groot aantal bamboestaken, die daar ter plaatse in overvloed groeiden, vervaardigd werd. Toen die overtocht volbracht was, werd de marschrichting, nagenoeg noord ten westen genomen en bereikten de reizigers bij het vallen van den avond een paar hutten, die bij een waterval, Kiham Toeak, genaamd aan de soengei Nanga Boenoet gelegen waren. Harimaoung Boekit was daar geen vreemdeling; zelfs stond hij met de bewoners op den meest vriendschappelijken voet. Hij trad een dier hutten binnen en slaagde er in voor een paar thaëls stofgoud een rangkan aan te schaffen, ruim genoeg om het geheele reisgezelschap op te nemen.Den volgenden morgen werd de reis voortgezet en ging het in ijlende vaart de soengei Nanga Boenoet stroomaf. Er waren verscheiden kiham’s af te dalen; maar voor mannen als onze Poenans had dat weinig te beduiden. Wanneer het vaartuig zulk een stroomversnelling[341]naderde, verdubbelden de roeiers hun krachtsinspanning, daartoe door hem, die den stuurpagaai in handen hield, met luid gegil aangezet. Allen zelfs Hamadoe namen dan den beseai ter hand, en de rangkan stoof met duizelingwekkende snelheid vooruit, schoot de hellende watervlakte af, danste op de hobbelende golven, splitste onweerstaanbaar het schuim, schuurde schier rakelings langs de rotsen, maar kwam behouden beneden in meer stil water aan, om na een oogenblik uitblazens van de roeiers de vaart te vervolgen. In de oevertaluds dier soengei waren op verscheiden plaatsen steenkolenbeddingen zichtbaar, die in rijkdom voor die van kotta Djangkang niet schenen onder te doen. Maar de pijlsnelle vaart ontnam La Cueille de gelegenheid een onderzoek naar de kwaliteit in te stellen.Het was bijkans avond, toen de reizigers de kampong Nanga Boenoet, aan de uitwatering van die soengei in de Kapoeas Bohong gelegen, passeerden. Daar laatstgenoemde stroom, een paar honderd el breed, de vaart hoegenaamd geen moeielijkheden in den weg legde en de nacht buitengewoon helder en het weder zeer kalm was, werd er besloten de reis gedurende de nachtelijke uren voort te zetten.Toen de dageraad in het oosten begon te gloren, bevonden de reizigers zich voor de monding der Blitang en voeren die in. De soengei Blitang vormt met de soengei Labojan een toegangskanaal tot Danau Loewar, het grootste van een groep meren, welke zich aan den voet van het Batang Loepar gebergte uitstrekken. De vaart op de Blitang was zeer voorspoedig niettegenstaande de stroom, dien men te overwinnen had, sterk was. Onze reizigers overnachtten in de nabijheid van kotta Nanga Strong, een kleine Dajaksche nederzetting aan de samenvloeiing van de Blitang met de Labojan gelegen. Den volgenden[342]morgen al heel vroeg stevende de rangkan het meer Loewar in, alwaar een geheele bevolking met de vischvangst bezig was. In dat meer komt een visch, „lawang” genaamd, overvloedig voor, die ongeveer 7 d.M. lang wordt, een gladde glibberige huid zonder schubben heeft en gewapend is met drie flinke stekels, een op den rug en een bij ieder der kieuwen. Het vleesch van dien visch is zeer zacht en flauw, schier oneetbaar. Hij wordt echter in groote menigte gevangen alleen ter wille van de kuit, die gezouten en gerookt een groote handelswaarde heeft.De visschers, in hun bedrijf verdiept, lieten onze reizigers ongemoeid en deze laatsten stevenden naar den noordelijken oever van het meer, alwaar de ontscheping zou plaats hebben om dan de reis verder te vervolgen. Toen de rangkan zich in het midden van het meer bevond, konden de opvarenden een blik werpen op het gebergte, hetwelk den horizon in het noorden begrensde.„Daar! daarover!!” riep Johannes, „danzijnwij vrij!”Met aandoening keken de Europeanen dien bergketen aan, die zich als een donkerblauwe band op het lichte azuur des hemels afteekende. Een oogenblik antwoordde niemand hunner. Het was alsof al het leed en de gevaren, die zij getrotseerd hadden, om zoover te geraken, die mannen voor de oogen zweefden, zoo stemmig keken zij, terwijl zij de stilte niet verbraken. Eindelijk vroeg Schlickeisen:„Hoe heet die bergketen?”„Het Batang Loepar gebergte,” antwoordde Johannes.„Hoe hoog wordt het geschat?”„De hoogste toppen worden door Engelsche berichtgevers op 6 à 7000 voet berekend.”„Dat zal een klim zijn,” meende La Cueille.„Toch niet. De meerspiegel bevindt zich allicht op[343]een paar duizend voet; die hebben wij al niet meer te klimmen. Daarbij zullen wij nu wel niet juist over de hoogste toppen moeten en zal zich wel een dwarsdal voor ons openen, om ons toegang tot het beloofde land te geven.”„Hebben wij nog een groot traject af te leggen, wanneer wij daar boven zijn?” vroeg La Cueille.„Om te Jupille te komen? Ja, dat is nog een heel eindje,” lachte Johannes.„Neen domkop, om de boorden der zee te bereiken?” antwoordde de Waal gebelgd.„Daar weet ik niet veel van; ik ben hier nimmer geweest.”Die vraag aan Harimaoung voorgelegd, leidde ook tot geen oplossing. Het Poenanhoofd lachte, schudde met het hoofd en bij zijn onvermogen om zich van afstanden een begrip te maken bleef het daarbij.„Wat ziet het water van het meer er zwart uit, het is of wij op inkt varen,” was de opmerking van Schlickeisen.„Ja, die kleur heb ik al op de Blitang opgemerkt,” antwoordde Wienersdorf. „Maar hier op het meer vind ik, dat dit somber getinte water juist in een omlijsting als deze past. Aanschouwt dien zwarten spiegel, die zich achter ons eindeloos ver uitstrekt en onder de zonnestralen als een onmetelijke oppervlakte van git glinstert, terwijl voor ons het donkergroene loof van het hoogwoud, dat de hellingen van het gebergte bedekt, daarbij scherp afsteekt en de trapsgewijze overgangen van de zachtste tot de stoutste en de steilste vormen van dien bergwand te helderder doet uitkomen en zoo een afwisseling vormt van het liefelijke en het verhevene, zooals nauwelijks eenig ander punt op den aardbol, zoo nauw vereenigd, kan aanbieden.”De Zwitsers zaten in volle bewondering. Als een[344]prachtige schilderij, door een geniale meesterhand ontworpen, ontrolde zich voor hun oogen een berglandschap, dat met onweerstaanbare kracht hun gedachten naar den geliefden geboortegrond terugvoerde. Waren de wateren van het meer helder, doorschijnend en kleurloos of lichtblauw getint geweest, waren de berghellingen en rotspartijen bedekt en bekroond geweest met slanke dennen, in groepen geschaard of wel afzonderlijk staande, had zich hier en daar een kerktorentje of een witgepleisterde villa tusschen het groen der wouden vertoond, dan ware de begoocheling volkomen geweest, dan hadden de Alpenzonen daar te midden van Borneo kunnen wanen op het Bodenmeer te dobberen. Op het punt, waar zij zich met hun rangkan bevonden, was de overeenkomst verrassend en riepen zij juichend uit, dat zij de omstreken van Lindau herkenden. In het zuiden en zuidwesten strekte zich de heerlijke waterspiegel eindeloos ver uit; in het westen was het Tomodok gebergte zichtbaar; in het noorden verhief zich trapsgewijze het Batang Loepar gebergte, terwijl zich in het noord-oosten de piramiden en massieve rotsblokken van het Sareboe Saratoes gebergte opstapelden, waarachter de hoogere toppen van het Medai gebergte kwamen uitkijken, en dit laatste op den achtergrond bekroond werd door een hel lichtenden top, die onder de keerkringszon als vloeibaar zilver blonk, de Japoh Poerau, bij de Engelschen Boekit Tebong geheeten.„Ein Firn!” juichten de Zwitsers, in hun landstaal, terwijl zij elkander den glinsterenden top aanwezen.„Hebben wij dien te beklimmen?” vroegen zij met een zucht van heimwee.Harimaoung Boekit schudde ontkennend het hoofd en wees naar het noorden heen. Zij zouden dus dien sneeuwtop rechts laten liggen. Dat was een teleurstelling, maar waaraan niets te veranderen viel.[345]Het was ongeveer middag, toen de reizigers den noordelijken oever van het meer bereikten. Onmiddellijk werden de draagmandjes opgenomen om de reis te voet te vervolgen.„De plus fou en plus fou” mompelde La Cueille, toen hij het gekibbel waarnam van Wienersdorf met Hamadoe, welke laatste er nu op stond, om haar gedeelte van de te vervoeren vracht te dragen, maar welken eisch haar echtgenoot slechts met een kus op de malsche lippen beantwoordde. De Waal voelde zich buiten staat tot zoo’n liefdesvervoering en zoo’n opoffering en was in zijn hart blij, dat zijn vrijerij met Moendoet afgesprongen was.„Ik zou haar pakje ook hebben moeten dragen,” gromde hij met een grijns, „en ik heb waarachtig aan het mijne genoeg.”Nadat de rangkan behoorlijk langs den oever onder eenige afhangende struiken verborgen was, waar Harimaoung Boekit hem later hoopte terug te vinden, om bij den terugtocht te gebruiken, ging het moedig voorwaarts.Aanvankelijk leidde het pad door een moerassige streek, die het meer omzoomde, maar na een marsch van een half uur was die doorgeworsteld en begonnen de eerste terreinhellingen zich voor te doen. Het pad was vrij goed; men kon zien, dat hierlangs een druk verkeer plaats had, hoewel noch woning noch sterveling ontwaard werden. Ons reisgezelschap stapte flink voort en vorderde zoo goed, dat, toen de avond begon te vallen, het hoogste punt van den zadelrug van het Batang Loepar gebergte bereikt was. Daar werd in het lommer van het hooggeboomte het bivouak betrokken en sliep het reisgezelschap weldra onder de hoede der wachthebbenden rustig in.[346]
Dat woord Singapore gaf de ware richting aan den gedachtengang van Johannes, die zich in den laatsten tijd èn door het goudzoeken èn door de bruiloftsvroolijkheid wel wat van zijn doel had laten afleiden. Het huwelijk was nu voltrokken en niets stond het vertrek onzer avonturiers meer in den weg. Twee dagen later was alles gereed en bij het aanbreken van den derden dag bestegen Wienersdorf en zijn echtgenoote, vergezeld van de drie andere Europeanen, van Dalim met zijn makker, van Kwala Kapoeas en van Harimaoung Boekit die, zijn belofte getrouw, met eenige volgelingen de reizigers zou vergezellen, tot hij ze buiten gevaar zou weten; een groote rangkan, die reeds daags te voren met het noodige voor de reis beladen was. Dertig Poenans namen plaats in het vaartuig, om als roeiers, ook om later als vrachtdragers bij den tocht over land dienst te doen. Er waren dus veertig personen in dat vaartuig, hetwelk onder den machtigen aandrang van zoovele pagaaien vooruitschoot en noordwaarts stevende. Zoolang de rangkan zichtbaar bleef, wisselden de opvarenden luide hoera’s[330]met de bewoners van kotta Rangan Hanoengoh, welke laatsten daarenboven uit de zes kanonstukjes, door La Cueille doelmatig op de borstwering geplaatst, een donderend salut gaven, ten bewijze dat de bediening der vuurmonden met beleid onderwezen was en de bedieners hun instructeur alle eer aandeden. De Waal was echter niet tevreden.
„No. 1 van het tweede stuk behandelt zijn wisscher onhandig,” pruttelde hij, „de vent kan het beter; en No. 4 is niet oplettend bij het sluiten van het zundgat, die kerels zullen nog een ongeluk krijgen.”
En zich oprichtende, wilde hij dien bedieningsmanschappen wat toeroepen; maar.…. flap! schoot de rangkan achter den eersten hoek en was de kotta voor het oog der vertrekkenden verdwenen.
Nu ging de reis de soengei Miri op, die nog gedurende twee dagen opgevaren kon worden. Maar toen werd die rivier zoo onbeduidend door haar geringe watercapaciteit, dat gedurende de laatste uren met de grootste moeite voortgesjouwd werd. Eindelijk bij het vallen van den avond op den tweeden dag, bereikte men een plek, Njakatan1genaamd, alwaar aangelegd werd; verder kon ook onmogelijk gevaren worden, dewijl de Miri daar ter plaatse een vervaarlijke Kiham met groot verval vormde, waartegen wegens gebrek aan water niet op te werken was. Daar werd ontscheept en het bivouak betrokken, terwijl verder alles in gereedheid gebracht werd, om des anderen daags de reis te vervolgen.
„Zullen wij geen Otts te zien krijgen?” vroeg Schlickeisen[331]aan Harimaoung Boekit, „wij zijn toch op hun grondgebied?”
„Ja dat zijn we; maar het is te hopen, dat wij van bezoek verschoond zullen blijven,” was het antwoord. „Hen zien staat gelijk met een gevecht op leven en dood. Zeker hebben zij ons ontwaard en worden wij door hen gadegeslagen; maar ik ben bij hen bekend en nimmer heb ik eenige vijandelijkheid van hen ondervonden.”
„Het zal toch zaak zijn waakzaam te zijn,” was de meening van Johannes, die het geheele troepje in twee deelen verdeelde, waarvan ieder op zijn beurt den wachtdienst zou verrichten.
De nacht ging evenwel ongestoord voorbij. Toen de dag aangebroken was, namen de Poenans hun manden op den rug, waarin de proviand en de munitie der reizigers geborgen waren. Ook de vier Europeanen hadden een dergelijk draagmiddel, wat hun niet vreemd voorkwam, daar zij aan het torschen van den militairen ransel gewoon waren. Maar in hun mandjes waren, behalve een redelijke voorraad geweerpatronen, hun schatten aan stofgoud en batoe boehie geborgen, zoodat zij vrij wel bepakt konden heeten. Ook de lieve Hamadoe had haar draagmandje gepakt gehad met haar vrouwelijke benoodigdheden; maar toen zij het opnemen wilde, was het leeg. Wienersdorf had die vracht overgenomen en in zijn draagmand geborgen. Het vrouwtje wilde protesteeren; maar haar echtgenoot sloot haar de bekoorlijke lippen met een kus, een soort van smeekbede, aan welke gewelddadigheid het schoone geslacht zich gaarne onderwerpt. Welgemoed grepen de Europeanen nu hun stokken van ijzerhout, die, wij weten het, ook met stofgoud gevuld waren, hingen hun geweren met den cordonriem over den schouder en aanvaardden[332]den tocht. Een paar Poenans brachten den rangkan in een soort van kleine baai langs den oever en legden hem daar vast.
„Zult gij dien terug vinden?” vroeg Wienersdorf aan zijn zwager.
„Zeker; diefstal is hier onbekend. Het eenige, waarop ik te passen heb, is op mijn kop.”
Al dadelijk merkten de Zwitsers op, dat de hoofdrichting genomen werd naar een vrij hoogen bergtop, die in het noordwesten zichtbaar was. Zij vernamen, dat die berg Boekit Doesson heette. Het was geen bergrug, dien men naderde; het was veeleer een hoogvlakte, die langzaam oprees en waarop de bergtoppen,—en er waren er vele—die met haar het centraal gebergte des eilands vormden, zich afzonderlijk en gescheiden verhieven. Het pad, indien het spoor, hetwelk door menschelijke voeten te midden dier weelderige vegetatie spaarzaam was achtergelaten, dien naam mocht voeren, was niet moeielijk; het slingerde tusschen de zachtglooiende heuvelen door, en vereischte slechts inspanning, wanneer beken moesten overgetrokken worden, die meerendeels in den leemachtigen bovengrond diep ingesneden waren en over rotsbeddingen schuimend en bruisend voortsnelden. Gewoonlijk werd dan de gelegenheid benut, om een verfrisschend bad te nemen in het kristallijne vocht, hetwelk niet veel omslag eischte van die spaarzaam gekleede reizigers en derhalve slechts weinig oponthoud veroorzaakte. Voorzichtige waakzaamheid werd evenwel bij die verfrisschingen noodig geacht, zoodat slechts de helft der mannelijke reizenden zich te water mocht begeven en de andere helft met de wapens in de hand zorgvuldig uitkeek. Niets verdachts werd evenwel waargenomen; geen menschelijk wezen werd ontwaard, geen kampong, geen woning, noch iets wat daar maar op[333]geleek. Men kon wanen, zich op een geheel onbewoond eiland te bevinden.
Bij een der halten echter zouden de reizigers ervaren, dat zij niet onbespied bleven. Een prachtige boom, in de nabijheid staande, had de belangstellende opmerkzaamheid van Wienersdorf tot zich getrokken. Hij was er naar toe getreden en bewonderde dien prachtigen ijzerhoutboom, die recht als een kaars zijn heerlijke kruin van breed gebladerte op ruim veertig meter boven den bodem verhief. Een paar naden, die zich vertikaal op den stam vertoonden en door een paar horizontale gesneden werden, deden hem vermoeden, dat de bast daar ter plaatse te eeniger tijd beleedigd was, en hij kon de gedachte niet verwerpen, dat dit door menschenhanden uitgevoerd was. Daarenboven kwam het hem voor, alsof de bast in het gevormde vak van jongeren datum was dan de overige, alsof zij zich daar ter plaatse vernieuwd had. Hij stond daar nog een oogenblik te turen, toen hij zijn poeai greep en een kolossale W in dat vak begon te snijden. Hij was daar druk mede bezig en dacht reeds de beginletter zijner Hamadoe daarbij te voegen en het geheel in een vlammend hart te besluiten, toen een fluitend geluid hem deed opzien en hij een pijltje zag, hetwelk tusschen zijn hoofd en hand doorgevlogen, trillend in den stam bleef zitten. Met een kreet van schrik draaide de Zwitser zich om, legde bliksemsnel zijn geweer, hetwelk hij in de linkerhand gehouden had, aan in de richting, waar hij meende achter eenige struiken iets zich te zien bewegen, en loste zijn schot. Op die losbarsting ijlden zijne makkers toe, aan wien hij het pijltje toonde, hetwelk nog in de bast zat. Hamadoe viel hem snikkend om den hals en omstrengelde hem met hare schoone armen als om hem te beschermen, terwijl de Europeanen[334]het geweer in den aanslag brachten, om het terrein door een flink geweervuur te zuiveren. Maar Harimaoung Boekit weerhield hen met een gebaar, zette zijn stem uit en schreeuwde eenige woorden, die luid weerklonken. De woorden, die hij uitgalmde, verstonden de Europeanen niet, zij werden gegild in een dialekt, hetwelk met het Dajaksch weinig overeenkomst had. Na een poos in alle stilte gewacht te hebben; waarbij de Poenan de wenkbrauwen begon te fronsen, klonken eenige krijschende klanken tot antwoord terug. Het gelaat van Harimaoung Boekit helderde nu op; hij verzekerde dat zijn reisgenooten niets meer te duchten hadden; het waren Ott Njawong’s, die hier huisden en met dien stam was hij bevriend; maar hij eischte dat de boom, waarin Wienersdorf begonnen was zijn naam te snijden, verder ongedeerd zou worden gelaten.
„Wat bliksem,” knorde La Cueille, „wat ’n idée, om hier in de wildernis zijn naam te gaan snijden!Les noms des fous se trouvent partout.”
„Wat is er dan met dien boom?” vroeg Wienersdorf, zonder op de boutade van den Waal te letten.
„Wel, in dien boom hebben de Otts een hunner natuurgenooten begraven,” lichtte Dalim toe. „Zij verbranden hun lijken, wikkelen de asch en de half verkoolde beenderen in een „kakandi” (lijkdoek), maken een gat in een zwaren ijzerhoutboom zooals dezen en stoppen dat pakje daarin. De opening wordt verder met hars en katipei2gedicht en met mos overdekt. De heelende natuur herstelt in weinig tijds de schors; zelfs de naden, die gij nu nog ontwaart, verdwijnen langzamerhand en er komt een oogenblik, dat alleen het alziend oog des Scheppers kan ontwaren, dat die prachtvolle[335]boom met zijn slanken stam en breede kruin tot levend graf eens menschen strekt.”
„Een nieuw model kerkhof,” grinnikte de Waal.
„Een model, dat evenwel geen aanbeveling tot navolging verdient,” lachte Johannes. „De meubelmakers zouden er gewis op tegen hebben. Verbeeldt je, dat, bij het bewerken van een meubelstuk, onverwachts de zaag of de schaaf op eenig hard voorwerp knarste en bij onderzoek een paar tibia’s, een rif, een grijnzende schedel enz. te voorschijn kwamen. De sukkels zouden het zeker besterven.”
Tegen het einde van den tweeden dag waren de reizigers tot aan den voet van den Boekit Doesson genaderd. Het Poenanhoofd was voornemens den volgenden morgen dien berg te bestijgen, dien onze Zwitsers met geoefend oog opongeveer5000 voet boven het tafelvlak, waarop hij zich verhief, schatten. Zijn top stak naar hun berekening omstreeks 7500 à 8000 voet boven de oppervlakte der zee uit. Het doel van die bestijging was, om het omliggend terrein te kunnen overzien; want hoewel Harimaoung Boekit hier niet totaal vreemd was, wenschte hij toch eenige verkenningspunten op te doen, waarop hij zijn marsch kon regelen. Een dwaling hier in deze onmetelijke bosschen kon de noodlottigste gevolgen na zich slepen. Aanvankelijk wilde de Poenan de bestijging alleen met een paar volgelingen volvoeren en de overige reizigers aan den voet des bergs gebivouakeerd achterlaten; maar de beide Zwitsers, als echte Alpenzonen, waren niet te houden; zij moesten en zouden mede. Ook La Cueille en Johannes gaven den wensch te kennen, van de partij te mogen zijn, zoodat eindelijk besloten werd het geheele gezelschap aan die bestijging deel te laten nemen.
Den volgenden morgen werd al heel vroeg de tocht[336]aanvaard. Aanvankelijk voerde de weg door zware bamboebosschen, doorweven en soms afgewisseld met lianen, rottan en andere slingergewassen, die het hoog geboomte allerwege overdekten en een schier onuitwarbaar net vormden, hetwelk het voortgaan zeer bemoeielijkte. Maar hoe hooger de reizigers stegen, hoe meer die wilde vegetatie verarmde en eindelijk geheel verdween. Zij trokken nu bosschen door van ijzerhoutboomen, van ngiatoe merah3, van bangkirei4, van rassamala5, van kadjatouw- en lontar-palmen, die plaatsvervangers van den sagopalm in de wildernis, allen hoogstammige woudreuzen, welker dicht op elkander gedrongen kruinen het ontstaan en het bestaan van anderen plantengroei daaronder en daartusschen, wegens gebrek aan lucht en licht, bijna onmogelijk maken. Daarop volgde een zone, waarin slechts weinig hoogstammig geboomte, eenige weinige Casuarinen voorkwamen, maar die daarentegen bedekt was met een kort struikgewas, door de Poenans „rhoenmèta”6geheeten, hetwelk, thans in zijn bloeitijd, die geheele strook der berghelling met een zacht rood overtoog en den verrukten Zwitsers den fraaien tooi der Alpenrozen herinnerde.
Het was omstreeks half elf, toen het gezelschap den breeden, zacht gewelfden top, dat kenmerk van bijna alle bergen van Borneo’s centraal hoogland, bereikte.[337]Er zou daar een paar uur gerust worden, en terwijl Harimaoung Boekit zijn verkenningen deed, liet Hamadoe zich door een paar Poenans helpen, om het eenvoudige maal gereed te maken. Het gros evenwel der inboorlingen verspreidde zich op den top, om „rajoh”, een fijne mossoort, te zoeken, welke spaarzaam op het hooggebergte voorkomt en door den Dajak als een gelukaanbrengende talisman beschouwd en daarom verzameld wordt.
De Europeanen vonden het vergezicht, hetwelk zij genoten, fraai; maar toch gevoelden zich de Zwitsers, die wellicht van gletschers, sneeuwvelden of machtige rotspartijen gedroomd hadden, eenigermate teleurgesteld. Evenwel waren zij opgetogen over het panorama, hetwelk zich aan hun voeten ontrolde. Hier waren het minder de bergpartijen, dan wel het overzicht over die prachtige keerkringsvegetatie, waarboven zij als het ware zweefden, welke hun bewondering opwekte. Middelerwijl mompelde Johannes, minder dichterlijk van natuur, terwijl hij in zijn zakboekje eenige aanteekeningen maakte:
„Het is heden de zeventigste dag, sedert wij Kwala Kapoeas verlaten hebben.”
„Al zoo lang?” vroeg La Cueille; „wij hebben het fort op 10 Januari verlaten, niet waar?”
„Juist, en wij hebben heden 21 Maart; dat maakt op den kop af zeventig dagen.”
„21 Maart?” vroeg Wienersdorf, door dien datum getroffen. „Wel dan staat heden de zon in den Ram, of vlak boven den evenaar. Wacht eens, een eenvoudig middel om te weten te komen, op welke breedte wij zijn.”
En een fraaien, jongen en rechten ceder van ongeveer acht meter lengte snijdende, ontdeed hij dien van zijn takken en naalden en plantte hem op een kaleplek zoo[338]rechtstandig mogelijk, greep daarop zijn boussole en constateerde dat het korte eindje schaduw, hetwelk de stok, door de zon beschenen, nog wierp, zuiver van oost naar west wees.
„Miswijzing bestaat in deze streken niet,” mompelde de Zwitser. „Maar.… dat zou toch toevallig wezen! Wellicht is er lokale attractie in het spel, die de naald doet afwijken? Dat zal zich gauw uitwijzen.”
„Wat mopper je toch?” vroeg La Cueille.
„Straks,” was het lakonieke antwoord van Wienersdorf.
En hij ging voort al zijn aandacht te wijden aan de schaduw, die de geplante staak nog steeds wierp. Die kortte steeds al meer en meer in, totdat zij geheel verdwenen was. Gedurende een oogenblik was geen schaduw hoegenaamd te bespeuren.
„Middag!” riep de Zwitser. „Ik heb de eer de heeren op den evenaar te feliciteeren.”
Schlickeisen snelde toe. Waarachtig er was geen schaduw meer te bekennen. De top van den staak was dunner dan het beneden eind en zijn zijden waren geheel en al door het zonlicht verlicht. De Boekit-Doesson lag dus vlak onder de evennachtslijn.
„Dus ik zit met mijn.… hoe zal ik het noemen? nu ja, met mijn zitvlak op de linie?” vroeg La Cueille.
„Jij zit met je zitvlak op de linie, die eer heb je.”
„Jongens! als wij aan boord waren, dan was er feest, dan kwam Neptunus en dan zou een oorlam niet uitblijven.”
„Welnu,” zei Johannes, „die zul je nu ook hebben. Wij zullen met een hartigen teug afscheid van het zuidelijk halfrond nemen.”
En opspringende haalde hij uit een der mandjes twee vierkante flesschen, echte A.V.H., die hij onder de aanwezigen leegschonk. De Poenans lieten zich het verleidelijke[339]vocht goed smaken en paarden hun gillend lēēēēh lĕlĕlĕlĕ ouiit! aan het hoerageschreeuw der Europeanen, die elkander de hand drukten en geluk wenschten, dat hun desertie tot zoo ver goed gelukt was.
„Wij zijn er nog niet,” was de pessimistische meening van Johannes, „maar het zwaarste is toch achter den rug.”
Wienersdorf vatte de hand van Hamadoe en wees haar naar het noorden. De lieftallige jonge vrouw sloeg haar fraaien arm om den hals van haar echtgenoot en lispelde aan zijn oor, dat zij hem volgen zou, waarheen hij ook trok.
Na het eenvoudige maal verorberd te hebben, daalden de reizigers den Boekit Doesson af, zetten den tocht voort en betrokken bij het vallen van den avond het bivouak aan de boorden eener beek, die haar wateren niet meer zuidwaarts stuwde; maar, aan de andere zijde der waterscheiding gelegen, een schatplichtige soengei der Melahoei-rivier was, welke laatste westwaarts stroomt, zich bij Sintang met de Kapoeas Bohang vereenigt en op Borneo’s westkust in zee uitwatert. De reizigers hadden dus het watergebied van de Javazee verlaten en waren dat van de Chineesche zee ingetrokken.
Daags daarna werd de reis vervolgd. Gedurende drie dagen werd ijverig gemarcheerd en, hoewel het pad heuvel op heuvel af voerde en menige moeielijkheid te overwinnen was, hield Wienersdorf’s vrouwtje zich nog het best van allen. Zuchtten de mannen al eens en mompelden zij al een enkelen keer over vermoeidheid, geen klacht ontsnapte haar; integendeel zij bleef vroolijk en opgeruimd, had voor allen een vriendelijken blik en een hartelijk woord over en, wanneer het bivouak betrokken was en de mannen hun ledematen op het gras uitstrekten, dan was zij nog bedrijvig om het eenvoudige maal gereed te maken en strekte haar opgeruimdheid[340]en van tijd tot tijd een heldere schaterlach van haar lippen tot opbeuring van de vermoeiden en de afgematten.
Ook nu werd bij het betrekken van het bivouak de stiptste waakzaamheid in acht genomen en was steeds de helft der reizigers wakker en met de wapens in de hand gereed om geweld met geweld te keeren. Maar juist ten gevolge van die waakzaamheid gingen de nachten, die zij in het sombere woud doorbrachten, ongestoord voorbij.
Van den Boekit Doesson af geleidde Harimaoung Boekit de reizigers in nagenoeg westelijke richting, waarbij hij den top van den Boekit Lientang, die boven de hem omringende heuvelen hoog uitstak, als een onfeilbaar baken in het oog hield, totdat de soengei Malahoei bereikt werd. Men trok die rivier over op een vlot, hetwelk door de Poenans in alle haast van een groot aantal bamboestaken, die daar ter plaatse in overvloed groeiden, vervaardigd werd. Toen die overtocht volbracht was, werd de marschrichting, nagenoeg noord ten westen genomen en bereikten de reizigers bij het vallen van den avond een paar hutten, die bij een waterval, Kiham Toeak, genaamd aan de soengei Nanga Boenoet gelegen waren. Harimaoung Boekit was daar geen vreemdeling; zelfs stond hij met de bewoners op den meest vriendschappelijken voet. Hij trad een dier hutten binnen en slaagde er in voor een paar thaëls stofgoud een rangkan aan te schaffen, ruim genoeg om het geheele reisgezelschap op te nemen.
Den volgenden morgen werd de reis voortgezet en ging het in ijlende vaart de soengei Nanga Boenoet stroomaf. Er waren verscheiden kiham’s af te dalen; maar voor mannen als onze Poenans had dat weinig te beduiden. Wanneer het vaartuig zulk een stroomversnelling[341]naderde, verdubbelden de roeiers hun krachtsinspanning, daartoe door hem, die den stuurpagaai in handen hield, met luid gegil aangezet. Allen zelfs Hamadoe namen dan den beseai ter hand, en de rangkan stoof met duizelingwekkende snelheid vooruit, schoot de hellende watervlakte af, danste op de hobbelende golven, splitste onweerstaanbaar het schuim, schuurde schier rakelings langs de rotsen, maar kwam behouden beneden in meer stil water aan, om na een oogenblik uitblazens van de roeiers de vaart te vervolgen. In de oevertaluds dier soengei waren op verscheiden plaatsen steenkolenbeddingen zichtbaar, die in rijkdom voor die van kotta Djangkang niet schenen onder te doen. Maar de pijlsnelle vaart ontnam La Cueille de gelegenheid een onderzoek naar de kwaliteit in te stellen.
Het was bijkans avond, toen de reizigers de kampong Nanga Boenoet, aan de uitwatering van die soengei in de Kapoeas Bohong gelegen, passeerden. Daar laatstgenoemde stroom, een paar honderd el breed, de vaart hoegenaamd geen moeielijkheden in den weg legde en de nacht buitengewoon helder en het weder zeer kalm was, werd er besloten de reis gedurende de nachtelijke uren voort te zetten.
Toen de dageraad in het oosten begon te gloren, bevonden de reizigers zich voor de monding der Blitang en voeren die in. De soengei Blitang vormt met de soengei Labojan een toegangskanaal tot Danau Loewar, het grootste van een groep meren, welke zich aan den voet van het Batang Loepar gebergte uitstrekken. De vaart op de Blitang was zeer voorspoedig niettegenstaande de stroom, dien men te overwinnen had, sterk was. Onze reizigers overnachtten in de nabijheid van kotta Nanga Strong, een kleine Dajaksche nederzetting aan de samenvloeiing van de Blitang met de Labojan gelegen. Den volgenden[342]morgen al heel vroeg stevende de rangkan het meer Loewar in, alwaar een geheele bevolking met de vischvangst bezig was. In dat meer komt een visch, „lawang” genaamd, overvloedig voor, die ongeveer 7 d.M. lang wordt, een gladde glibberige huid zonder schubben heeft en gewapend is met drie flinke stekels, een op den rug en een bij ieder der kieuwen. Het vleesch van dien visch is zeer zacht en flauw, schier oneetbaar. Hij wordt echter in groote menigte gevangen alleen ter wille van de kuit, die gezouten en gerookt een groote handelswaarde heeft.
De visschers, in hun bedrijf verdiept, lieten onze reizigers ongemoeid en deze laatsten stevenden naar den noordelijken oever van het meer, alwaar de ontscheping zou plaats hebben om dan de reis verder te vervolgen. Toen de rangkan zich in het midden van het meer bevond, konden de opvarenden een blik werpen op het gebergte, hetwelk den horizon in het noorden begrensde.
„Daar! daarover!!” riep Johannes, „danzijnwij vrij!”
Met aandoening keken de Europeanen dien bergketen aan, die zich als een donkerblauwe band op het lichte azuur des hemels afteekende. Een oogenblik antwoordde niemand hunner. Het was alsof al het leed en de gevaren, die zij getrotseerd hadden, om zoover te geraken, die mannen voor de oogen zweefden, zoo stemmig keken zij, terwijl zij de stilte niet verbraken. Eindelijk vroeg Schlickeisen:
„Hoe heet die bergketen?”
„Het Batang Loepar gebergte,” antwoordde Johannes.
„Hoe hoog wordt het geschat?”
„De hoogste toppen worden door Engelsche berichtgevers op 6 à 7000 voet berekend.”
„Dat zal een klim zijn,” meende La Cueille.
„Toch niet. De meerspiegel bevindt zich allicht op[343]een paar duizend voet; die hebben wij al niet meer te klimmen. Daarbij zullen wij nu wel niet juist over de hoogste toppen moeten en zal zich wel een dwarsdal voor ons openen, om ons toegang tot het beloofde land te geven.”
„Hebben wij nog een groot traject af te leggen, wanneer wij daar boven zijn?” vroeg La Cueille.
„Om te Jupille te komen? Ja, dat is nog een heel eindje,” lachte Johannes.
„Neen domkop, om de boorden der zee te bereiken?” antwoordde de Waal gebelgd.
„Daar weet ik niet veel van; ik ben hier nimmer geweest.”
Die vraag aan Harimaoung voorgelegd, leidde ook tot geen oplossing. Het Poenanhoofd lachte, schudde met het hoofd en bij zijn onvermogen om zich van afstanden een begrip te maken bleef het daarbij.
„Wat ziet het water van het meer er zwart uit, het is of wij op inkt varen,” was de opmerking van Schlickeisen.
„Ja, die kleur heb ik al op de Blitang opgemerkt,” antwoordde Wienersdorf. „Maar hier op het meer vind ik, dat dit somber getinte water juist in een omlijsting als deze past. Aanschouwt dien zwarten spiegel, die zich achter ons eindeloos ver uitstrekt en onder de zonnestralen als een onmetelijke oppervlakte van git glinstert, terwijl voor ons het donkergroene loof van het hoogwoud, dat de hellingen van het gebergte bedekt, daarbij scherp afsteekt en de trapsgewijze overgangen van de zachtste tot de stoutste en de steilste vormen van dien bergwand te helderder doet uitkomen en zoo een afwisseling vormt van het liefelijke en het verhevene, zooals nauwelijks eenig ander punt op den aardbol, zoo nauw vereenigd, kan aanbieden.”
De Zwitsers zaten in volle bewondering. Als een[344]prachtige schilderij, door een geniale meesterhand ontworpen, ontrolde zich voor hun oogen een berglandschap, dat met onweerstaanbare kracht hun gedachten naar den geliefden geboortegrond terugvoerde. Waren de wateren van het meer helder, doorschijnend en kleurloos of lichtblauw getint geweest, waren de berghellingen en rotspartijen bedekt en bekroond geweest met slanke dennen, in groepen geschaard of wel afzonderlijk staande, had zich hier en daar een kerktorentje of een witgepleisterde villa tusschen het groen der wouden vertoond, dan ware de begoocheling volkomen geweest, dan hadden de Alpenzonen daar te midden van Borneo kunnen wanen op het Bodenmeer te dobberen. Op het punt, waar zij zich met hun rangkan bevonden, was de overeenkomst verrassend en riepen zij juichend uit, dat zij de omstreken van Lindau herkenden. In het zuiden en zuidwesten strekte zich de heerlijke waterspiegel eindeloos ver uit; in het westen was het Tomodok gebergte zichtbaar; in het noorden verhief zich trapsgewijze het Batang Loepar gebergte, terwijl zich in het noord-oosten de piramiden en massieve rotsblokken van het Sareboe Saratoes gebergte opstapelden, waarachter de hoogere toppen van het Medai gebergte kwamen uitkijken, en dit laatste op den achtergrond bekroond werd door een hel lichtenden top, die onder de keerkringszon als vloeibaar zilver blonk, de Japoh Poerau, bij de Engelschen Boekit Tebong geheeten.
„Ein Firn!” juichten de Zwitsers, in hun landstaal, terwijl zij elkander den glinsterenden top aanwezen.
„Hebben wij dien te beklimmen?” vroegen zij met een zucht van heimwee.
Harimaoung Boekit schudde ontkennend het hoofd en wees naar het noorden heen. Zij zouden dus dien sneeuwtop rechts laten liggen. Dat was een teleurstelling, maar waaraan niets te veranderen viel.[345]
Het was ongeveer middag, toen de reizigers den noordelijken oever van het meer bereikten. Onmiddellijk werden de draagmandjes opgenomen om de reis te voet te vervolgen.
„De plus fou en plus fou” mompelde La Cueille, toen hij het gekibbel waarnam van Wienersdorf met Hamadoe, welke laatste er nu op stond, om haar gedeelte van de te vervoeren vracht te dragen, maar welken eisch haar echtgenoot slechts met een kus op de malsche lippen beantwoordde. De Waal voelde zich buiten staat tot zoo’n liefdesvervoering en zoo’n opoffering en was in zijn hart blij, dat zijn vrijerij met Moendoet afgesprongen was.
„Ik zou haar pakje ook hebben moeten dragen,” gromde hij met een grijns, „en ik heb waarachtig aan het mijne genoeg.”
Nadat de rangkan behoorlijk langs den oever onder eenige afhangende struiken verborgen was, waar Harimaoung Boekit hem later hoopte terug te vinden, om bij den terugtocht te gebruiken, ging het moedig voorwaarts.
Aanvankelijk leidde het pad door een moerassige streek, die het meer omzoomde, maar na een marsch van een half uur was die doorgeworsteld en begonnen de eerste terreinhellingen zich voor te doen. Het pad was vrij goed; men kon zien, dat hierlangs een druk verkeer plaats had, hoewel noch woning noch sterveling ontwaard werden. Ons reisgezelschap stapte flink voort en vorderde zoo goed, dat, toen de avond begon te vallen, het hoogste punt van den zadelrug van het Batang Loepar gebergte bereikt was. Daar werd in het lommer van het hooggeboomte het bivouak betrokken en sliep het reisgezelschap weldra onder de hoede der wachthebbenden rustig in.[346]
1Njakatan wordt iedere plaats in de bovenlanden genoemd, waar de reis te water eindigt, om haar over land te vervolgen. Komt van „sakan”, hetwelk uitladen, lossen beteekent.↑2Katipei. Zie daarover de noot op bladz.88van dit deel.↑3Ngiatoe merah is op Borneo de kostbaarste der vele getahpertjahsoorten. Levert eenproduct, hetwelk roodachtig bruin is.↑4Bangkirei behoort tot de fraaiste timmerhoutsoorten van Borneo. Laat zich gemakkelijk bewerken en is zeer duurzaam.↑5Rassamala, deLiquidambar Altingianader geleerden, is ook uitmuntend timmerhout.↑6Rhoenmèta =Lasiosiphon speciosus, draagt bloemen als kleine Geldersche rozen, die aan trossen groeien. Is een uitermate aanvallig gewas.↑
1Njakatan wordt iedere plaats in de bovenlanden genoemd, waar de reis te water eindigt, om haar over land te vervolgen. Komt van „sakan”, hetwelk uitladen, lossen beteekent.↑2Katipei. Zie daarover de noot op bladz.88van dit deel.↑3Ngiatoe merah is op Borneo de kostbaarste der vele getahpertjahsoorten. Levert eenproduct, hetwelk roodachtig bruin is.↑4Bangkirei behoort tot de fraaiste timmerhoutsoorten van Borneo. Laat zich gemakkelijk bewerken en is zeer duurzaam.↑5Rassamala, deLiquidambar Altingianader geleerden, is ook uitmuntend timmerhout.↑6Rhoenmèta =Lasiosiphon speciosus, draagt bloemen als kleine Geldersche rozen, die aan trossen groeien. Is een uitermate aanvallig gewas.↑
1Njakatan wordt iedere plaats in de bovenlanden genoemd, waar de reis te water eindigt, om haar over land te vervolgen. Komt van „sakan”, hetwelk uitladen, lossen beteekent.↑
1Njakatan wordt iedere plaats in de bovenlanden genoemd, waar de reis te water eindigt, om haar over land te vervolgen. Komt van „sakan”, hetwelk uitladen, lossen beteekent.↑
2Katipei. Zie daarover de noot op bladz.88van dit deel.↑
2Katipei. Zie daarover de noot op bladz.88van dit deel.↑
3Ngiatoe merah is op Borneo de kostbaarste der vele getahpertjahsoorten. Levert eenproduct, hetwelk roodachtig bruin is.↑
3Ngiatoe merah is op Borneo de kostbaarste der vele getahpertjahsoorten. Levert eenproduct, hetwelk roodachtig bruin is.↑
4Bangkirei behoort tot de fraaiste timmerhoutsoorten van Borneo. Laat zich gemakkelijk bewerken en is zeer duurzaam.↑
4Bangkirei behoort tot de fraaiste timmerhoutsoorten van Borneo. Laat zich gemakkelijk bewerken en is zeer duurzaam.↑
5Rassamala, deLiquidambar Altingianader geleerden, is ook uitmuntend timmerhout.↑
5Rassamala, deLiquidambar Altingianader geleerden, is ook uitmuntend timmerhout.↑
6Rhoenmèta =Lasiosiphon speciosus, draagt bloemen als kleine Geldersche rozen, die aan trossen groeien. Is een uitermate aanvallig gewas.↑
6Rhoenmèta =Lasiosiphon speciosus, draagt bloemen als kleine Geldersche rozen, die aan trossen groeien. Is een uitermate aanvallig gewas.↑