DE OUDE BEUKENPATRIJS.Van alle vogels, die nog veel voorkomen in wat ons van ongerepte plekjes overblijft, is het gekraagde hazelhoen—de „patrijs” uit onze jonge jaren—misschien de schuwste, de waakzaamste, doet ons het meest denken aan de oerwildernis, die we verloren hebben. Ge komt de bosschen binnen van de weide op de heuvelhelling uit en leunt even over de oude, grijze heining om naar ’t spel van licht en schaduw op de berkeknoesten te kijken. Uw oogen rusten op de verrukkelijke mengeling van zachte kleuren, zooals geen penseel nog ooit nagebootst heeft: het rijke oude goud van ’t najaarsbekleedsel, het schemerig grauwgroen van de vermolmde stomp, die de zwammen getint hebben. Wat een reusachtige boom moet dat geweest zijn, geslachten geleden, in zijn dagen van kracht; hoe onderkómen de berken, die nu uit zijn wortels groeien! Ge herinnert u de groote berken aan de rivier in de wildernis—waar kano’s uit gemaakt worden—witter dan het tentje dat er onder nestelde, terwijl hun wijde banieren in den wind wuifden, zachter dan ’t geruisch van uilevleugels, die er in de schemering als schimmen tusschen zweefden. Een vaag gevoel van verdriet besluipt u, dat uw eigen wildernis verdwenen is, en met haar de meeste van het schuwe volkje, dat hield van haar eenzaamheid. Plotseling ontstaat er geritsel in de bladeren. Er beweegtiets bij de oude stomp. Zoo pas meendet ge dat het slechts een bruine wortel was; nu snelt het heen, verstopt zich, richt zich op—kwit-kwit-kwit!en met gonzend wiekgeruisch en een warrelende wieling van dorre blaren vliegt er een hazelhoen op en schiet weg, als een stompe pijl met keisteen-punt en grijs beveerd, tusschen de verschrikte berkestammen. Wanneer ge hem stilletjes volgt om hem weer op te jagen, en te rillen en te schrikken bij zijn onverwacht wegsnorren, is er vanzelf iets Indiaansch in uw behoedzamen tred gekomen. Alle weemoed over de verloren wildernis is verdwenen; ge zijt eenvoudig blij dat er nog zooveel wildernis overblijft om welsprekend te getuigen van den goeden, ouden tijd.Het is deze trek van onoverkomelijke schuwheid in het hazelhoen, gepaard met een zwerm van half-angstige indrukken uit mijn jeugd, die mijn hart altijd doen kloppen als op een oude wijs, elken keer dat er een patrijs aan mijn voeten opstuift. Ik herinner me goed een jongetje, dat stilletjes de rustige bosschen insloop die hem met een onweerstaanbare kracht trokken, toen hun schemerige bogen en stille paden vol geheimenis en beangstigende griezeligheden waren. Voetje voor voetje ging het kind de schaduwen binnen, behoedzaam als een boschmuis, schuw als een konijntje. Plotseling een haastig geritsel en een bolderend geweld, waarmee iets van den grond opschoot; eerst klopte het kinderhart er hevig van, daarna sloeg hem de schrik in de beenen en joeg hemhet bosch uit, zoodat hij halsoverkop over de oude, grijze heining tuimelde en halverwege de wei was gerend, eer hij halt durfde houden voor dat vreeselijke achter zich. En dan, eindelijk een andere drang, die het kind altijd weer naar de bosschen deed sluipen, schuw, op zijn hoede, in spanning als een loerende vos, om te onderzoeken wat dat voor vreeselijks was, dat zoo’n beroering in de rustige bosschen te weeg kon brengen.En toen hij ’t eindelijk ontdekte—dat was een ontdekking waar die van de panterwelpen1nog maar niets bij was, als ik dat zoo eens naga. Op een dag in de bosschen, dicht bij de plek waar het gewoonlijk met vreeselijk geraas wegstoof, hoorde hij een geklok en eenkwit-kwit, en zag een mooien vogel in het kreupelhout wijken, glippen, stilhouden, wegschuilen en elke beweging van het kind opnemen. En toen dat vooruitschoot om zijn pet over den vogel te gooien, stoof hij weg, en toen—wirr! wirr! wirr!bruiste er een heele koppel hazelhoenders om hem heen op. De ontzetting daarover sloeg hem zoo in de beenen, dat hij in de warrelende blaren neerviel en zich de ooren bedekte. Maar dezen keer wist hij ten langen leste wat het was, en in een wip stond hij overeind en draafde niet heen, maar zoo gauw als zijn beentjes hem dragen konden achter den laatsten vogel aan, dien hij tusschen de boomen zag wegscharrelen, terwijl een berketak, waar hij met zijnvleugels tegen had gestooten, hem een goedendag naknikte.Er is nog meer aan dienzelfden vogel verbonden, dat altijd nog iets bijzonder opwindends geeft aan het wegbruisen van zijn vleugels door de opgeschrikte bosschen. Het was in de oude school aan den viersprong, op een slaperigen Septembermiddag. Een klas aan ’t spellen, groote jongens en kleine meisjes, stond met de schoenneuzen voor dezelfde reet in den vloer, in een rij tegenover den lessenaar van den meester. De rest van de school dutte onderwijl dommelig in over de opgegeven taak. De dikke jongen sliep openlijk op zijn armen; zelfs de deugniet was rustig, en dacht soezerig aan voorbije zomerdagen. Plotseling klonk er een vreeselijk gekraak, een kletterend gerinkel van gebroken glas, een gekrijsch van een jongen bij het raam. Twintig knieën stootten van onderen tegen de lessenaars, daar twintig jongens opsprongen. Toen, eer een van ons zijn zinnen weer bij elkaar had, was Jimmy Jenkins, een roodharige jongen, dien geen ramp uit zijn evenwicht kon brengen en wien nooit een gelegenheid ontging, over twee schoolbanken heengesprongen en zat in de meisjesafdeeling op den grond met iets tusschen de knieën geklemd.„Ik heb hem,” kondigde hij aan met het air van een veldheer.„Wat heb je?” bulderde de meester.„Een patrijs; ’t is een ouwe, een kokkerd,” zei Jimmy.En hij richtte zich op, terwijl hij een mooi patrijzenmannetje bij de pooten hield, wiens verstijvende vlerken nog krampachtig tegen zijn flanken sloegen. Hij was in de naburige bosschen opgejaagd, door den een of anderen jager uit zijn natuurlijke dekking verschrikt. Toen hij het onbekende open veld bereikte, was hij nog ontstelder, en daar een verschrikt hazelhoen altijd rechtuit vliegt, was hij als een kogel door het schoolraam geschoten en had zichzelf door den schok gedood.De regel van drieën, de derdemachtswortel en de woestijn van andere rekenkundige moeilijkheden hebben maar een flauwen indruk nagelaten op minstens één van die leerlingen; maar een vogel, die een slaperige klasse kon opwekken, en een levendige les, vol pit en belangstelling en waaruit iets sprak van den onnaspeurlijk teeren lokroep der bosschen, aan een suffen leeraar kon ontlokken—een leeraar, die ’s nachts de rechtswetenschap bestudeerde, maar overdag zijn jongens nooit—dat was een vogel om eerbied voor te hebben. Ik heb hem sindsdien altijd met aandachtiger belangstelling bestudeerd.Maar toch, hoeveel werk we ook van het hazelhoen maken, we komen weinig anders te weten, dan hoe schuw hij is. Soms, als ge stil zijt in het bosch en een hazelhoen tot bij uw schuilplaats komt gewandeld, vangt ge goed wat van hem op en kunt ge u omtrent hem van sommige dingen een denkbeeld vormen; maar hij ontdekt u al gauw en richt zich op zoo rechtals een paal en staart u wel vijf minuten aan zonder te bewegen of een ooglid te verroeren. Dan, overtroffen in zijn eigen kunstje, glipt hij weg. Een geritsel van kleine pootjes op bladeren, een zwakkwit-kwitmet een vraag er in—en hij is verdwenen. En hij zal niet, als de vos, terugkeeren om van den anderen kant te komen kijken en te trachten gewaar te worden wat ge zijt.De nog maar pas doorgedrongen beschaving is goed voor het hazelhoen, want ze voorziet hem van een overvloed van voedsel en verjaagt zijn vijanden. Hazelhoenders zijn altijd talrijker om de nederzettingen heen dan in de wildernis. Anders dan andere vogels echter, wordt hij hoe langer hoe schuwer, naarmate hij dichter bij de menschelijke woningen is. Ik veronderstel dat het komt, doordat de tegenwoordigheid van den mensch zoo dikwijls vergezeld gaat met een toeschietenden hond en ’t knallen van een geweer, en misschien met hagel in zijn veeren, die hem kwetst en pijn doet als hij wegsnort. Eens in de wildernis, toen ’k ergen honger had, ving ik twee patrijzen door over hun kop een touwlus aan ’t eind van een stok te gooien. Hier zou men even goed kunnen trachten een vleermuis in de schemering te vangen, als de hoop te koesteren een onzer patrijzen van de heuvelhellingen door zoo’n uitvinding te strikken of er ook maar dicht genoeg bij te kunnen komen om over zoo’n poging te denken.Maar er was éen hazelhoen—en nog wel het schuwstevan alle, die ’k ooit in de bosschen ontmoet heb—dat me, zonder dat hij ’t wist, allerlei trekjes uit zijn leven toonde en dat ik langzamerhand goed leerde kennen, na de waarnemingen van een paar seizoenen. Alle jagers uit het dorp kenden hem best; en een stuk of wat jongens, die geweren bezaten en begeerig waren zich in de gelederen der jagers te scharen, hadden jachtavonturen met hem beleefd. Hij stond wijd en zijd bekend als „de oude beukenpatrijs.” Dat hij oud was kon niemand ontkennen, van zijn doen en laten op de hoogte; en hij werd herhaaldelijk opgejaagd in een beukenbosch bij een beek, een paar mijlen buiten het dorp.Niettegenstaande veel geleerde discussies over de vele soorten van hazelhoenders tengevolge van duidelijke kleurverschillen, geloof ik voor mij, dat we maar één soort hebben, en dat kleurverschillen grootendeels komen van de verschillende omgevingen waarin ze leven. Van alle vogels is het hazelhoen het onzichtbaarst in rust; zijn kleur is zoo volkomen in overeenstemming met de wortels en bladeren en boomstammen, waar hij zich tusschen verschuilt. Deze verwonderlijke onzichtbaarheid wordt nog verhoogd door het feit, dat hij gemakkelijk van kleur verandert. Hij is ’s zomers donkerder en ’s winters lichter, net als het konijn. Wanneer hij in donkere bosschen woont, wordt hij glanzend roodbruin; en als hij zijn verblijf tusschen de berken houdt, is hij vaak bepaald grijs.Zoo was het stellig met den ouden patrijs. Als hij zijnstaart wijd uitspreidde en tusschen de beuken wegschoot, was zijn kleur zoo volkomen in overeenstemming met de grijze boomstammen, dat slechts een scherp oog hem kon onderscheiden.’t Was een gladde vogel, die alle knepen kende. Als hij opvloog, had hij binnen een seconde een grooten boom tusschen ons en zich gebracht, om zijn vlucht te dekken. Ik weet niet hoe vaak er wel op hem geschoten was in de vlucht. Elke jager, dien ik ken, had het menigmaal geprobeerd; en elke jongen, die in ’t najaar door de bosschen zwierf, had hem schandelijk op den grond trachten te raken. Maar hij was nooit een veer kwijtgeraakt; en hij wou nooit zoo lang stilzitten voor een staanden hond, dat de handigsten in ons gilde goed konden aanleggen.Wanneer een broedsel jonge patrijzen een hond door de bosschen hoort rennen, fladderen zij gewoonlijk op de onderste takken van een boom enkwit-kwittennieuwsgierig naar hem. Ze hebben het verschil tusschen hem en den vos nog niet geleerd, die de aartsvijand van hun geslacht is, en aan wien hun voorouders in de wildernis op dezelfde manier ontkwamen, dien ze net zoo tantaliseerden. Maar als ’t een oude vogel is, waar uw setter ’t spoor van volgt, dan is zijn handelwijze een grappige mengeling van geslepenheid en onweerstaanbare nieuwsgierigheid. Zoodra de oude Don staat, richt de patrijs zich stokstijf op bij een boomstomp en slaat den hond gade. Zoo staan ze als een paar beelden; de hond in toomgehouden door het vreemde instinct, dat hem doet „staan”, weg voor gezicht, voor geluid, voor alles, behalve voor de geuren in zijn neus; de patrijs in de grootste spanning, met elken zin op den vijand gericht, dien hij meent te misleiden door zijn goed verstoppen. Gedurende een kort oogenblik zijn ze roerloos; dan deinst de patrijs achteruit en glipt weg naar een betere schuilplaats. Als de sterke geur voor Dons neus vervliegt, staat hij niet langer, maar volgt. De patrijs hoort hem en verschuilt zich weer door zich op te richten tegen een boomstomp, waar hij onzichtbaar is; weer verstijft Don en staat met een poot in de lucht, neus en staart in een rechte lijn, alsof hij versteend was en zich niet kon roeren.Zoo gaat het voort, nu eens door de struiken glippend, dan onbeweeglijk als een steen, tot de patrijs ontdekt, dat zoolang hij zich stilhoudt de hond wel verlamd lijkt, niet in staat zich te bewegen of te voelen. Dan zet hij zich in postuur pal tegen een wortel of een boomknoest; en daar staan ze geen twintig voet van elkaar af, zonder een vin te verroeren, tot de hond uitgeput door inspanning neerzijgt, of er een eind aan maakt door vooruit te springen, of tot de stap van den jager over de bladeren den patrijs opnieuw van ontzetting vervult en hem door de Octoberbosschen wegjaagt naar eenzamer plekjes.Op een middag zag ik den ouden Ben, een beroemden hond, prachtig „staan”. Vlak vóór hem, in een ruigte van bruine varens, kon ik kop en hals van een patrijszien, die den hond scherp gadesloeg. De baas van den ouden Ben stelde voor daar op die plaats koffie te drinken, om het meesterlijk africhten van zijn hond op de proef te stellen. We trokken ons een eindje terug en gingen op ons gemak eten, terwijl we vogel en hond gadesloegen met een belangstelling, die hoe langer hoe grooter werd, naarmate de maaltijd vorderde, terwijl de oude Ben stond als een muur en het oog van den patrijs onbeweeglijk in de varenruigte glom. En geen van beide verroerde een vin, terwijl wij aten en Bens baas in kalm vertrouwen zijn pijp rookte. Eindelijk, na een vol uur, klopte hij zijn pijp op de hak van zijn laars uit en stond op om zijn geweer te krijgen. Dat beteekende den dood voor den patrijs; maar ik dankte hem te veel echt genot om het aan te zien, dat hij in zijn snelle vlucht zou worden neergeschoten. In het oogenblik, dat de baas zich omkeerde, gooide ik een stuk hout naar de varenruigte. De patrijs stoof de lucht in en weg, en de oude Ben, door ’t wiekgeruisch uit zijn bedwelming wakker geschud, liet zich gehoorzaam vallen op het sein en keerde zijn kop om, om verwijtend met zijn oogen te zeggen: „Wat ter wereld scheelt jou daar achter—heb ik hem niet lang genoeg in bedwang gehouden?”Het brave oude beest beefde als een riet na de lange inspanning, toen ik naar hem toeging om hem op zijn kop te kloppen en zijn standvastigheid te loven, en hem ’t grootste deel van mijn maaltijd te geven. Maar tot op dezen dag weet Bens baas niet wat den patrijszoo plotseling heeft opgeschrikt; en als hij u van die gebeurtenis vertelt, zal hij er nog spijtig aan toevoegen: „Ik had net een oogenblik eerder moeten beginnen, voordat hij moe werd. Dan zou ’k hem gehad hebben.”„De oude beukenpatrijs” was echter een anders geaarde vogel. Geen hond kon hem langer dan een seconde doen stilstaan; hij had maar al te goed geleerd wat dat beteekende. Zoodra hij ’t trippen van een hondepoot op de blaren hoorde, snelde hij weg en verschool zich, trok zich terug en repte zich weer, zoodat hij hond en jager op de been hield, tot hij de dekking vond naar zijn gading,—dikke boomen, of een warreling van wilden wingerd—waar hij dan aan den anderen kant uit kwam breken. En geen oog, hoe scherp ook, kon méér opvangen dan een tipje van een grijzen staart, voordat hij verdwenen was. Andere patrijzen vliegen in korte, rechte einden en kunnen gevolgd worden en weergevonden, maar hij ging er altijd op krachtige vlerken vandoor, over een ongelooflijken afstand, en zwenkte een heel eind naar rechts of links af; zoodat het tijdverspillen was om achter hem aan te gaan. Eer ge hem weer hadt, zouden zijn vleugels uitgerust zijn en was hij gereed voor nog een vlucht; en als ge hem dan vondt, schoot hij als een pijl uit den boog weg uit den top van een denneboom en er was ook niets meer van hem te zien.Hij huisde den meesten tijd op een heuvelrug achtereen verlaten hoeve oostelijk van den ouden postweg. Dit was zijn middelste verblijfplaats, een plek met dicht struikgewas, doornboschjes2en zonnige open stukjes tusschen de rotsrichels, waar ge hem als ’t u meeliep op speciale dagen in alle jaargetijden kondt vinden. Maar hij had echt het zwerversinstinct van een Newfoundlandsch rendier. ’s Winters trok hij naar ’t Zuiden, met twintig andere patrijzen, naar den voet van den bergrug, die uiteenviel in een reeks van heuveltjes en ravijnen en zonnige, goedbeschermde valleitjes, waar volop te eten was. Hier was vijftig jaar geleden weiland, dat bij een boerderij hoorde; maar nu was het overal volgegroeid met kreupelhout en frambozenvelden en wilde appelboomen, die de vogels er gezaaid hadden. Alle vogels waren er graag op z’n tijd; kwartels nestelden er aan de zoomen; en men kon een bruin konijn opkloppen uit bijna elk van de vergane hoopen takken of holle, met mos begroeide stammen die er lagen.In het voorjaar stak hij den kam weer naar het Noorden over en trok de stille, donkere bosschen in, waar hij twee of driewijfjes had met evenzooveel broedsels jonge patrijzen; die hij alle, laat me dat even zeggen, met verwonderlijke onverschilligheid beschouwde.Door het heele gebied stroomde—stil uit de groote bosschen tevoorschijn sluipend, kabbelend langs den voet van den bergrug en zingend door de oude weide—een beek, waar de oude beukenpatrijs van scheen te houden. Wel honderd keer heb ik hem daar aan de oevers opgeschrikt. Ik hoefde er maar langs te loopen op eiken willekeurigen Novembermorgen vóor acht, en ik kon er zeker van zijn, dat ik hem vond. Maar waarom hij er altijd zat op dit bepaalde uur, in dit jaargetijde, heb ik nooit kunnen uitmaken.Ik verwonderde me er dan soms over, waarom ik hem nooit zag drinken. Andere vogels hadden daar vaste drink- en baadplaatsen, en ik heb ze herhaaldelijk van mijn schuilhoek uit waargenomen, maar ofschoon ik hem dikwijls zag, nadat ik er achter was gekomen waar hij zat, hij raakte nooit het water aan.Op een vroegen zomerochtend deed zich een aannemelijke verklaring voor. Ik zat rustig bij de beek, aan den rand van het groote bosch, te wachten tot het diepe water weer kalm zou zijn geworden, waar ik juist een forel uit had opgehaald en waar ik vermoedde dat een nog grootere zich schuilhield. Terwijl ik wachtte, kwam een patrijzenmoeder met haar broedsel—een van de tallooze gezinnen van den ouden beukenpatrijs, waar hij niet naar omkeek—langs den rand van het bosch glijden. Ze waren klaarblijkelijkkomen drinken, maar niet uit de beek. Een zoeter dronk dan daaruit wachtte op hun komst. De dauw lag nog op de grassprieten; hier en daar hing een droppel aan de punt van een blad als een diamant in ’t vroege licht te schitteren. En dan hieven de patrijsjes, die tjilpten en glipten en floten tusschen de neerbuigende halmen, hun bekjes op naar elken glanzenden dauwdroppel, die hen lokte, en dronken hem in en haastten zich met vroolijk gepiep en gorgelgeluidjes naar den volgenden droppel, die een uitnoodiging flonkerde van zijn neigenden grasspriet. De oude moeder wandelde bezadigd in hun midden, maakte zich nu eens druk om een achterblijver, dan weer klokte zij ze alle bij elkaar tot een begeerig, tsjilpend, hippend troepje, terwijl ieder vocht de eerste te zijn om een vette slak te dooden, die ze aan den onderkant van een blad had ontdekt; en straks rekte ze zich zelf uit naar een dauwdroppel, die voor hen te hoog hing om te drinken. Zoo trokken ze voorbij op nog geen paar meter afstands, een schuw, wild, gelukkig gezinnetje, en verdwenen in de schaduw van het groote bosch.Misschien is dit de reden, waarom ik den ouden beukenpatrijs nooit uit de beek heb zien drinken. De natuur heeft frisscher dronk, dien ze zelf bereid heeft, en die nog meer naar zijn smaak is.Eerder in ’t seizoen had ik nog een van zijn gezinnen daar ook in de buurt gevonden. Ik sloop langs een boschpad, toen ik ze plots verraste, op een zonnigopen plaatsje, waar ze uit alle macht aan ’t krabbelen waren in een mierenhoop. Een wild geflodder, alsof een warrelwind over den mierenhoop gevaren was; maar het was slechts de wind der vleugels van den moedervogel, die de stof opjoegen om mijn oogen te verblinden en den haastigen terugtocht te dekken van haar donzige broedsel. Nog eens sloegen haar vlerken op den grond en joegen een warreling van dorre blaren op, temidden waarvan de patrijsjes weghipten en -scharrelden, zóo precies de bladen, dat geen oog ze van elkaar kon onderscheiden. Toen zegen de blaren langzaam neer en het broedsel was verdwenen, alsof de grond het verzwolgen had; terwijl moeder patrijs juist buiten mijn bereik wegflodderde, met een vleugel sleepte alsof die gebroken was, plat op den grond viel, klokte enkwit-kwitriep, en de blaren opjoeg om mijn aandacht te trekken, me weg te krijgen van de plaats waar de jongen zich verstopt hadden.Ik knielde juist binnen den boschzoom neer, waar ik den achterblijver van het broedsel als een bruine schicht had zien verdwijnen en begon zorgvuldig naar ze te zoeken. Na een poosje vond ik er een. Hij zat plat op een dor eikeblad gedoken, vlak voor mijn neus, wonderlijk gedekt door zijn kleur. Er glinsterde iets in een donker wortelkluwen. Het was een oog, en weldra kon ’k daar een kopje onderscheiden. Dat was al wat ik van ’t gezin vermocht te ontdekken, ofschoon er nog wel twaalf vlak bij me, de meesteonder de bladen, waren. Toen ik achteruitkroop, legde ik mijn hand er op een voordat ’k hem zag, en ’t had geen haar gescheeld of ’k zou dien kleinen slimmerd bezeerd hebben, die geen vin verroerde, niet eens toen ik het blad wegnam, dat hem bedekte en ’t voorzichtig weer neerlegde.Aan den overkant van ’t pad stond een dikke dwergeik, waar ik onder ging zitten loeren. Het duurde tien lange minuten, waarin zich niets verroerde, eer moeder patrijs terug kwam sluipen. Ze klokte eens—„pas op!” scheen ’t wel te beteekenen, en er bewoog geen blad. Ze klokte weer—opende de grond zich? Daar had je ze, wel meer dan een dozijn, die uit het niet waren opgesprongen en haastig aankwamen om haar er met een eindeloos gepiep alles van te vertellen. Ze verzamelde ze zoo alle dicht om zich heen en ze verdwenen, door de schaduwen geholpen.Het was grappig zoo ijverzuchtig als de oude beukenpatrijs over de eenzaamheid waakte, waar deze merkwaardige kleine families rondzwierven. Ofschoon het leek dat hij geen zier om ze gaf, en men hem nooit in de buurt van een zijner gezinnen waarnam, hij duldde ’t niet dat een andere mannetjespatrijs in zijn bosschen kwam of ook maar binnen gehoorsafstand trommelde, ’s Winters deelde hij het zuidelijke weiland vreedzaam met wel twintig andere patrijzen; en op bepaalde dagen kon men, na veel gekruip, een heel gezelschap van die dieren op een zonnige zuidelijke helling verrassen, waar ze deftig stapten en in- en uit-en rondglipten met uitgespreiden staart en hangende vlerken, alle bewegingen uitvoerend van een patrijzenmenuet. Eens, op een laten, warmen najaarsdag, was ik naar een twaalf of vijftien van die prachtige vogels toegekropen, die hun merkwaardige vertooning ten beste gaven in een kleine opening tusschen de wilde frambozen; en in hun midden—trotscher, pralender, verwaander stappend en aanmatigender klokkend dan een van de andere—was de oude beukenpatrijs.Maar toen ’t voorjaar werd en de lange, rollende trommelklanken door de uitbottende bosschen begonnen te roffelen, trok hij zich terug naar zijn middelste gebied op den bergrug en wandelde van ’t eene eind naar ’t andere, dreef elken anderen mannetjespatrijs uit zijn gehoor en nam hem geducht onderhanden als hij ’t waagde hem te weerstaan. Dan hoorde men na een overwinning zijn luid getrommel door de Meische heerlijkheid rollen, om zooveel wijfjes als hij maar kon te verlokken zijn weelde met hem te deelen.Hij had twee trommelstammen in zijn gebied liggen, zooals ik al spoedig ontdekte; en eens, terwijl hij op den eenen stam stond te trommelen, verschool ik me bij den anderen en bootste zijn kreet vrij goed na door met mijn handen op een met lucht gevulde blaas te slaan, die ik onder mijn jas geknoopt had. Het roffelen van een patrijzen getrommel is een eigenaardig gedempt geluid; het valt dikwijls moeilijk plaats of zelfsrichting van herkomst te bepalen; en het klinkt altijd veel verder weg dan het werkelijk is. Dit heeft den ouden beukenpatrijs in ’t eerst misschien misleid om te denken, dat hij een anderen vogel heel in de verte hoorde, op een heuvelkam aan den overkant van de vallei waar hij niets te maken had; want al gauw trommelde hij weer op zijn eigen stam. Ik antwoordde er onmiddellijk op, door een uitdaging terug te roffelen en vertelde zoo ook elke wijfjespatrijs in het gebied, dat er nog een candidaat was, geneigd tot pronken en zijn staart uit te spreiden en den schitterenden kraag om zijn hals op te zetten, om zich een plaatsje te veroveren in haar gunsten, als ze hem maar op zijn trommelstam wou komen kijken.Er moet eenige argwaan, dat er een mededinger in zijn gebied gedrongen was, in den kop van den ouden patrijs zijn opgekomen, want er was een lange stilte, waarin ik me hem kon voorstellen, hoe hij recht en stijf op zijn stam aandachtig stond te luisteren om de plaats te bepalen waar die brutale indringer zat, en zijn ziedenden toorn met moeite bedwong.Zonder te wachten tot hij weer trommelde, roffelde ik een uitdaging. Ternauwernood was ’t trommelen opgehouden, of daar kwam hij den heuvel opschieten, als een bliksemschicht tusschen de dikke takken door, en plofte bij zijn eigen stam neer, waar hij zich met wonderbaarlijke gezwindheid oprichtte, om luisterend naar den indringer te spieden.Het scheen hem te verlichten, dat de stam niet bezetwas, maar hij was nog vol opgekropten toorn en achterdochtigheid. Hij gleed en dook, de heele plek over rondziend en luisterend; toen sprong hij op zijn stam en zonder als gewoonlijk den tijd te nemen om te pronken en zijn schitterende veeren uit te spreiden, liet hij den langen roffel hooren, richtte zich onmiddellijk op toen ’t gebeurd was, wendde zijn kop naar alle kanten om het eerste geluid van het antwoord van zijn mededinger op te vangen,—„Kom eens voor den dag als je durft,—rrom!—als je durft. O jou, lafaard!” En hij hipte, in vijf of zes hooge, opgewonden sprongen, als een haan vóór den storm, naar ’t andere einde van den stam, en weer rolde zijn snelle, kloppende trommelslag door de bosschen.Ofschoon ik dicht genoeg bij was om hem zonder kijker duidelijk te onderscheiden, kon ik zelfs toen niet (en andere keeren dat ik een patrijs heb zien trommelen evenmin) precies nagaan hoe dat geluid gemaakt wordt. Na een poosje bedaarde de opwinding over een vermoedelijken mededinger, en werd hij verrukt, omdat hij meende den schelm uit zijn bosch te hebben verdreven. Hij wandelde statig op den stam heen en weer, liet zijn vleugels slepen, spreidde zijn prachtigen staart wijd uit, zette zijn borst en zijn schitterenden kraag op. Plotseling richtte hij zich dan in de hoogte; een zwiepen van zijn vleugels op en neer, dat geen oog kon volgen, en ik hoorde een enkelen slag van zijn roffel. Weer een zwiepenen weer een slag; dan hoe langer hoe gauwer, tot het leek alsof hij twee of drie paar vlerken had, die suisden en wentelden beide als de spaken van een sneldraaiend wiel, en de trommelslagen rolden samen tot een langen roffel en verstierven in de bosschen.Gewoonlijk stond hij op zijn teenen, zooals een haan doet, wanneer hij met zijn vleugels klept eer hij kraait; zelden dook hij op den stam neer; maar ik twijfel er aan of hij met zijn vlerken op ’t hout slaat, zooals dikwijls beweerd wordt. Toch verschilden de beide stammen van elkaar; de eene was droog en hard, de andere vermolmd en bemost; en de roffels waren even verschillend als de beide stammen. Na een tijdje kon ik na den eersten wiekslag aan ’t geluid zeggen, welken stam hij gebruikte; maar dat was dunkt mij een quaestie van weerklank, de uitwerking van een soort klankbord, en niet doordat ze beide verschillend klonken als hij er op sloeg. Het getrommel wordt ongetwijfeld veroorzaakt, of doordat hij de vlerken boven zijn rug samenslaat, of, zooals ik geneigd ben te gelooven, doordat hij ze bij ’t neergaan tegen zijn eigen flanken klapt.Eens hoorde ik een gewonden vogel drie of vier slagen van zijn roffel geven en toen ik het wingerdboschje inging, waar hij neergestort was, vond ik hem plat op zijn rug liggen, terwijl hij zich met zijn vleugels op de flanken sloeg.Altijd als hij trommelt stapt hij eerst als een pauw, omdat hij niet weet hoeveel heldere oogen hem schuwuit het struikgewas bespieden. Eens toen ik hem een paar keer statig had zien wandelen en trommelen, ritselde ’t in de bladeren en verschenen er twee wijfjespatrijzen van weerskanten op de open plek waar zijn stam zich bevond. Toen paradeerde hij met nog grooter ijdelheid dan tevoren, terwijl de twee wijfjespatrijzen over de plek gleden: naar den schijn zochten ze zaadjes, maar in werkelijkheid bespiedden ze elke van zijn bewegingen met een schuin oogje en bewonderden hem, tot zijn innige voldoening.’s Winters volgde ik zijn spoor gewoonlijk in de sneeuw, om er achter te komen wat hij uitgevoerd had en wat voor voedsel hij gevonden had, als er schaarschte in de natuur was. Voor zijn ergste vijanden, den mensch en zijn hond, hoefde hij niet bang meer te zijn, want ze werden in bedwang gehouden door de wet, en hij zwierf nog vrijer door de bosschen dan ooit. Hij scheen te weten dat hij veilig was gedurende dezen tijd, en meer dan eens speurde ik hem na tot in zijn schuilplaats en zag hem wegfladderen door de open bosschen, terwijl hij een regen van sneeuw achter zich neerjoeg, alsof hij het op die eigenaardige wijze deed, om de richting van zijn vlucht voor mijn oogen te verbergen.Er waren echter andere vijanden, door geen wet in bedwang gehouden, behalve de algemeene boschwetten van vrees en honger. Dikwijls vond ik het spoor van een vos, dat het zijne in de sneeuw kruiste, en eens volgde ik een dubbel spoor, den vos een patrijsnaspeurend, bijna wel een halve mijl ver. De vos was hem laat in den vorigen middag op ’t spoor gekomen en was hem naar een doornboschje gevolgd, waar middenin een groote ceder stond waarin de oude beukenpatrijs op stok ging. De vos was twee keer om den boom heengegaan, had stilgestaan en opgekeken en zich toen regelrecht naar ’t moeras begeven, alsof hij wel wist, dat ’t nergens toe diende nog langer te loeren. Als er veel sneeuw lag, vond ik zelden de plek waar hij of een andere patrijs op den grond waren gaan slapen. Hij plofte gewoonlijk uit een boom in de zachte sneeuw neer, en dook er halsoverkop wel drie of vier voet in, keerde zich dan rond en nestelde zich in zijn witte, warme kamertje voor den nacht. Ik vond dan het holletje, waar hij ’s avondsin was geschoten, en er dichtbij het groote gat, waar hij er uitgebroken was toen het licht hem wekte. Als ik mijn richting dan bepaald had naar den indruk van zijn vleugels in de sneeuw, volgde ik die, om na te gaan waar hij neergestreken was en hem op zijn vroege zwerftochten na te speuren.Men zou meenen dat het een gevaarlijke manier van doen was, zoo zonder andere beschutting dan sneeuw op den grond te slapen, met allerlei hongerige vijanden, die in ’t bosch rondsluipen; maar de patrijs weet wel dat als ’t sneeuwt zijn vijanden stilletjes thuis blijven, omdat ze niet in staat zijn te zien of te ruiken, en dientengevolge allemaal zelf voor hun eigen vijanden bang zijn. Gedurende een sneeuwstorm is er altijd wapenstilstand in het bosch, en dat is de reden waarom een patrijs in de sneeuw dan alleen gaat slapen, als de vlokken nog neervallen. Wanneer dit ophoudt en de sneeuw een beetje bezonken is, zal de vos weer op de been zijn; en dan slaapt de patrijs in het naaldhout.Eens echter rekende de oude beukenpatrijs buiten den waard. ’t Was vroeg in den avond met sneeuwen opgehouden en de honger dreef den vos naar buiten, in een nacht, dat hij zich anders gedekt zou hebben gehouden. Om en bij ’t aanbreken van den dag, voordat het licht nog was doorgedrongen tot waar de oude beukenpatrijs lag te slapen, vond de vos een gat in de sneeuw, dat hem verried hoe vlak voor zijn hongerigen neus een patrijs verscholen zat,die zich van geen gevaar bewust was. Ik vond de plek, toen ik het spoor van den vos een paar uren later volgde. Wat was hij omzichtig! Het sluwe spoor sprak boekdeelen van honger en verwachting. Een paar voet van ’t veelbelovende gat af had hij stil gestaan en scherp over de sneeuw uitgekeken, om een verraderlijke ronding op de gladde oppervlakte te ontdekken. Aha! daar was ze, net aan den zoom van een boschje jeneverbessen. Hij dook neer, sloop vooruit, zoodat hij een diep spoor met zijn lichaam groef, plantte zich stevig vast en sprong toe. En daar, vlak naast het gat dat zijn pooten in de sneeuw gemaakt hadden, was nog een gat, waar de patrijs uitgebroken was, zoodat hij zijn heelen vijand, die zich een voet verrekend had, vol sneeuw gestrooid had, en met oorverdoovend lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen.... en met oorverdoovend lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen....… en met oorverdoovend lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen.…bl. 103 V.Er was nog een vijand, die verstandiger had moeten zijn en die den ouden beukenpatrijs een heel vroeg voorjaar lang achtervolgd had, toen er veel sneeuw lag en ’t voedsel karig was. Op een dag dat ik het zuidelijk gebied van den patrijs doorkruiste, ontmoette ik een jongetje,—een pienter kereltje met het jagersinstinct van een vos. Hij had altijd wat merkwaardigs—otters, of muskusratten, of een bunzing, of een grooten uil,—zoodat ik hem met vreugde begroette.„Hallo, Jantje! Wat speur jij vandaag—beren?”Maar hij schudde zijn hoofd slechts—een beetjesullig, leek het mij toe—en praatte over alles behalve over datgene waaraan hij dacht; en weldra verdween hij in het oude pad. Een van zijn jaszakken puilde meer uit dan de andere en ik wist dat er een klem in zat.Laat op dien middag stootte ik op zijn spoor en aangezien ’k niets belangrijkers te doen had, ging ik het volgen. Het leidde regelrecht naar het doornboschje waar de oude beukenpatrijs op stok ging. Ik had er dikwijls tevergeefs naar gezocht, eer de vos mij er bracht; maar Jantje had op een van zijn zwerftochten prenten en een paar veeren onder een cedertak gevonden en wist best wat dat zeggen wilde. Daar was zijn klem, precies op de plek, waar de oude patrijs den vorigen avond gestaan had, toen hij zijn sprong nam naar den ondersten tak. Er was volop koren uitgestrooid en een blauwe gaai, die Jan achterna gegaan was, zat al stevig in de klem; bij den wortel van zijn snavel net onder de oogen was hij gegrepen. Hij had de klem doen toeklappen, toen hij naar wat koren pikte, dat listig met een dun ijzerdraadje aan de pan was vastgemaakt.Toen ik de gaai zorgvuldig uit de klem nam, hield zij zich dood en slap in mijn hand, tot mijn greep ontspande en zij naar een tak boven mijn hoofd vloog, waar zij me bekeef en uitschold, omdat ik me inliet met zulke afschuwelijke uitvindingen.Ik hing de klem aan een lagen tak van den ceder, met een briefje tusschen haar tanden, om Jan te vragen of hij den volgenden dag eens bij me wou komen. Hij kwam met een beschaamd gezicht toen ’t donker werd, en ik nam hem onderhanden over onridderlijkheid en ’t verschil tusschen een diefachtigen otter en een eerlijken patrijs. Maar hij grinnikte om de blauwe gaai en ik twijfelde er aan of zoo’n berisping alleen wel een blijvende uitwerking zou hebben. Om het hem dus wat gemakkelijker te maken, liet ik iets los over de glijbaan van een otter, die ik ontdekt had en over een gezamenlijken zwerftocht op een Zaterdagmiddag. Hij vertelde me, dat hij wel twintig keer dien ouden beukenpatrijs had trachten te verschalken. Toen hij de glijbaan van den otter zag, zwoer hij klemmen en strikken voor vogels af, en ik verliet kort daarna de streek, zeer hoopvol wat den patrijs aangaat, want ik wist dat ’k de kanonnen vernageld had van zijn gevaarlijksten vijand.Jaren later kwam ik door de oude wei en ging regelrecht naar de wildernis van doornstruiken. Er waren prenten van een patrijs in de sneeuw,—korte sporen, die licht rustten op het zachte blank, en toonden dat de Natuur gedachtig was aan zijn behoeften en gezorgdhad dat zijn nieuwe sneeuwschoenen prachtig gegroeid waren. Ik haastte me naar de beek, terwijl tallooze herinneringen aan gelukkige dagen en zeldzame ontdekkingen, als het boschvolkje me zijn kleine geheimen openbaarde, zich aan me opdrongen. Toen ’k er heelemaal in verdiept was—kwit-kwit!en met luidruchtig wiekgeruisch suisde er een patrijs weg, wild en grijs als de bijzondere vogel, die daar jaren te voren geleefd had. En toen ik er een jager naar vroeg, zei hij: „Die oude beukenpatrijs? O ja, die zit daar. Daar zal hij wel blijven ook, tot hij van ouderdom doodgaat, want, ziet u, mijnheer, d’r is hier in de buurt niemand gewikst genoeg om hem te vangen.”1Felis Concolor.↑2Smilax.↑
DE OUDE BEUKENPATRIJS.Van alle vogels, die nog veel voorkomen in wat ons van ongerepte plekjes overblijft, is het gekraagde hazelhoen—de „patrijs” uit onze jonge jaren—misschien de schuwste, de waakzaamste, doet ons het meest denken aan de oerwildernis, die we verloren hebben. Ge komt de bosschen binnen van de weide op de heuvelhelling uit en leunt even over de oude, grijze heining om naar ’t spel van licht en schaduw op de berkeknoesten te kijken. Uw oogen rusten op de verrukkelijke mengeling van zachte kleuren, zooals geen penseel nog ooit nagebootst heeft: het rijke oude goud van ’t najaarsbekleedsel, het schemerig grauwgroen van de vermolmde stomp, die de zwammen getint hebben. Wat een reusachtige boom moet dat geweest zijn, geslachten geleden, in zijn dagen van kracht; hoe onderkómen de berken, die nu uit zijn wortels groeien! Ge herinnert u de groote berken aan de rivier in de wildernis—waar kano’s uit gemaakt worden—witter dan het tentje dat er onder nestelde, terwijl hun wijde banieren in den wind wuifden, zachter dan ’t geruisch van uilevleugels, die er in de schemering als schimmen tusschen zweefden. Een vaag gevoel van verdriet besluipt u, dat uw eigen wildernis verdwenen is, en met haar de meeste van het schuwe volkje, dat hield van haar eenzaamheid. Plotseling ontstaat er geritsel in de bladeren. Er beweegtiets bij de oude stomp. Zoo pas meendet ge dat het slechts een bruine wortel was; nu snelt het heen, verstopt zich, richt zich op—kwit-kwit-kwit!en met gonzend wiekgeruisch en een warrelende wieling van dorre blaren vliegt er een hazelhoen op en schiet weg, als een stompe pijl met keisteen-punt en grijs beveerd, tusschen de verschrikte berkestammen. Wanneer ge hem stilletjes volgt om hem weer op te jagen, en te rillen en te schrikken bij zijn onverwacht wegsnorren, is er vanzelf iets Indiaansch in uw behoedzamen tred gekomen. Alle weemoed over de verloren wildernis is verdwenen; ge zijt eenvoudig blij dat er nog zooveel wildernis overblijft om welsprekend te getuigen van den goeden, ouden tijd.Het is deze trek van onoverkomelijke schuwheid in het hazelhoen, gepaard met een zwerm van half-angstige indrukken uit mijn jeugd, die mijn hart altijd doen kloppen als op een oude wijs, elken keer dat er een patrijs aan mijn voeten opstuift. Ik herinner me goed een jongetje, dat stilletjes de rustige bosschen insloop die hem met een onweerstaanbare kracht trokken, toen hun schemerige bogen en stille paden vol geheimenis en beangstigende griezeligheden waren. Voetje voor voetje ging het kind de schaduwen binnen, behoedzaam als een boschmuis, schuw als een konijntje. Plotseling een haastig geritsel en een bolderend geweld, waarmee iets van den grond opschoot; eerst klopte het kinderhart er hevig van, daarna sloeg hem de schrik in de beenen en joeg hemhet bosch uit, zoodat hij halsoverkop over de oude, grijze heining tuimelde en halverwege de wei was gerend, eer hij halt durfde houden voor dat vreeselijke achter zich. En dan, eindelijk een andere drang, die het kind altijd weer naar de bosschen deed sluipen, schuw, op zijn hoede, in spanning als een loerende vos, om te onderzoeken wat dat voor vreeselijks was, dat zoo’n beroering in de rustige bosschen te weeg kon brengen.En toen hij ’t eindelijk ontdekte—dat was een ontdekking waar die van de panterwelpen1nog maar niets bij was, als ik dat zoo eens naga. Op een dag in de bosschen, dicht bij de plek waar het gewoonlijk met vreeselijk geraas wegstoof, hoorde hij een geklok en eenkwit-kwit, en zag een mooien vogel in het kreupelhout wijken, glippen, stilhouden, wegschuilen en elke beweging van het kind opnemen. En toen dat vooruitschoot om zijn pet over den vogel te gooien, stoof hij weg, en toen—wirr! wirr! wirr!bruiste er een heele koppel hazelhoenders om hem heen op. De ontzetting daarover sloeg hem zoo in de beenen, dat hij in de warrelende blaren neerviel en zich de ooren bedekte. Maar dezen keer wist hij ten langen leste wat het was, en in een wip stond hij overeind en draafde niet heen, maar zoo gauw als zijn beentjes hem dragen konden achter den laatsten vogel aan, dien hij tusschen de boomen zag wegscharrelen, terwijl een berketak, waar hij met zijnvleugels tegen had gestooten, hem een goedendag naknikte.Er is nog meer aan dienzelfden vogel verbonden, dat altijd nog iets bijzonder opwindends geeft aan het wegbruisen van zijn vleugels door de opgeschrikte bosschen. Het was in de oude school aan den viersprong, op een slaperigen Septembermiddag. Een klas aan ’t spellen, groote jongens en kleine meisjes, stond met de schoenneuzen voor dezelfde reet in den vloer, in een rij tegenover den lessenaar van den meester. De rest van de school dutte onderwijl dommelig in over de opgegeven taak. De dikke jongen sliep openlijk op zijn armen; zelfs de deugniet was rustig, en dacht soezerig aan voorbije zomerdagen. Plotseling klonk er een vreeselijk gekraak, een kletterend gerinkel van gebroken glas, een gekrijsch van een jongen bij het raam. Twintig knieën stootten van onderen tegen de lessenaars, daar twintig jongens opsprongen. Toen, eer een van ons zijn zinnen weer bij elkaar had, was Jimmy Jenkins, een roodharige jongen, dien geen ramp uit zijn evenwicht kon brengen en wien nooit een gelegenheid ontging, over twee schoolbanken heengesprongen en zat in de meisjesafdeeling op den grond met iets tusschen de knieën geklemd.„Ik heb hem,” kondigde hij aan met het air van een veldheer.„Wat heb je?” bulderde de meester.„Een patrijs; ’t is een ouwe, een kokkerd,” zei Jimmy.En hij richtte zich op, terwijl hij een mooi patrijzenmannetje bij de pooten hield, wiens verstijvende vlerken nog krampachtig tegen zijn flanken sloegen. Hij was in de naburige bosschen opgejaagd, door den een of anderen jager uit zijn natuurlijke dekking verschrikt. Toen hij het onbekende open veld bereikte, was hij nog ontstelder, en daar een verschrikt hazelhoen altijd rechtuit vliegt, was hij als een kogel door het schoolraam geschoten en had zichzelf door den schok gedood.De regel van drieën, de derdemachtswortel en de woestijn van andere rekenkundige moeilijkheden hebben maar een flauwen indruk nagelaten op minstens één van die leerlingen; maar een vogel, die een slaperige klasse kon opwekken, en een levendige les, vol pit en belangstelling en waaruit iets sprak van den onnaspeurlijk teeren lokroep der bosschen, aan een suffen leeraar kon ontlokken—een leeraar, die ’s nachts de rechtswetenschap bestudeerde, maar overdag zijn jongens nooit—dat was een vogel om eerbied voor te hebben. Ik heb hem sindsdien altijd met aandachtiger belangstelling bestudeerd.Maar toch, hoeveel werk we ook van het hazelhoen maken, we komen weinig anders te weten, dan hoe schuw hij is. Soms, als ge stil zijt in het bosch en een hazelhoen tot bij uw schuilplaats komt gewandeld, vangt ge goed wat van hem op en kunt ge u omtrent hem van sommige dingen een denkbeeld vormen; maar hij ontdekt u al gauw en richt zich op zoo rechtals een paal en staart u wel vijf minuten aan zonder te bewegen of een ooglid te verroeren. Dan, overtroffen in zijn eigen kunstje, glipt hij weg. Een geritsel van kleine pootjes op bladeren, een zwakkwit-kwitmet een vraag er in—en hij is verdwenen. En hij zal niet, als de vos, terugkeeren om van den anderen kant te komen kijken en te trachten gewaar te worden wat ge zijt.De nog maar pas doorgedrongen beschaving is goed voor het hazelhoen, want ze voorziet hem van een overvloed van voedsel en verjaagt zijn vijanden. Hazelhoenders zijn altijd talrijker om de nederzettingen heen dan in de wildernis. Anders dan andere vogels echter, wordt hij hoe langer hoe schuwer, naarmate hij dichter bij de menschelijke woningen is. Ik veronderstel dat het komt, doordat de tegenwoordigheid van den mensch zoo dikwijls vergezeld gaat met een toeschietenden hond en ’t knallen van een geweer, en misschien met hagel in zijn veeren, die hem kwetst en pijn doet als hij wegsnort. Eens in de wildernis, toen ’k ergen honger had, ving ik twee patrijzen door over hun kop een touwlus aan ’t eind van een stok te gooien. Hier zou men even goed kunnen trachten een vleermuis in de schemering te vangen, als de hoop te koesteren een onzer patrijzen van de heuvelhellingen door zoo’n uitvinding te strikken of er ook maar dicht genoeg bij te kunnen komen om over zoo’n poging te denken.Maar er was éen hazelhoen—en nog wel het schuwstevan alle, die ’k ooit in de bosschen ontmoet heb—dat me, zonder dat hij ’t wist, allerlei trekjes uit zijn leven toonde en dat ik langzamerhand goed leerde kennen, na de waarnemingen van een paar seizoenen. Alle jagers uit het dorp kenden hem best; en een stuk of wat jongens, die geweren bezaten en begeerig waren zich in de gelederen der jagers te scharen, hadden jachtavonturen met hem beleefd. Hij stond wijd en zijd bekend als „de oude beukenpatrijs.” Dat hij oud was kon niemand ontkennen, van zijn doen en laten op de hoogte; en hij werd herhaaldelijk opgejaagd in een beukenbosch bij een beek, een paar mijlen buiten het dorp.Niettegenstaande veel geleerde discussies over de vele soorten van hazelhoenders tengevolge van duidelijke kleurverschillen, geloof ik voor mij, dat we maar één soort hebben, en dat kleurverschillen grootendeels komen van de verschillende omgevingen waarin ze leven. Van alle vogels is het hazelhoen het onzichtbaarst in rust; zijn kleur is zoo volkomen in overeenstemming met de wortels en bladeren en boomstammen, waar hij zich tusschen verschuilt. Deze verwonderlijke onzichtbaarheid wordt nog verhoogd door het feit, dat hij gemakkelijk van kleur verandert. Hij is ’s zomers donkerder en ’s winters lichter, net als het konijn. Wanneer hij in donkere bosschen woont, wordt hij glanzend roodbruin; en als hij zijn verblijf tusschen de berken houdt, is hij vaak bepaald grijs.Zoo was het stellig met den ouden patrijs. Als hij zijnstaart wijd uitspreidde en tusschen de beuken wegschoot, was zijn kleur zoo volkomen in overeenstemming met de grijze boomstammen, dat slechts een scherp oog hem kon onderscheiden.’t Was een gladde vogel, die alle knepen kende. Als hij opvloog, had hij binnen een seconde een grooten boom tusschen ons en zich gebracht, om zijn vlucht te dekken. Ik weet niet hoe vaak er wel op hem geschoten was in de vlucht. Elke jager, dien ik ken, had het menigmaal geprobeerd; en elke jongen, die in ’t najaar door de bosschen zwierf, had hem schandelijk op den grond trachten te raken. Maar hij was nooit een veer kwijtgeraakt; en hij wou nooit zoo lang stilzitten voor een staanden hond, dat de handigsten in ons gilde goed konden aanleggen.Wanneer een broedsel jonge patrijzen een hond door de bosschen hoort rennen, fladderen zij gewoonlijk op de onderste takken van een boom enkwit-kwittennieuwsgierig naar hem. Ze hebben het verschil tusschen hem en den vos nog niet geleerd, die de aartsvijand van hun geslacht is, en aan wien hun voorouders in de wildernis op dezelfde manier ontkwamen, dien ze net zoo tantaliseerden. Maar als ’t een oude vogel is, waar uw setter ’t spoor van volgt, dan is zijn handelwijze een grappige mengeling van geslepenheid en onweerstaanbare nieuwsgierigheid. Zoodra de oude Don staat, richt de patrijs zich stokstijf op bij een boomstomp en slaat den hond gade. Zoo staan ze als een paar beelden; de hond in toomgehouden door het vreemde instinct, dat hem doet „staan”, weg voor gezicht, voor geluid, voor alles, behalve voor de geuren in zijn neus; de patrijs in de grootste spanning, met elken zin op den vijand gericht, dien hij meent te misleiden door zijn goed verstoppen. Gedurende een kort oogenblik zijn ze roerloos; dan deinst de patrijs achteruit en glipt weg naar een betere schuilplaats. Als de sterke geur voor Dons neus vervliegt, staat hij niet langer, maar volgt. De patrijs hoort hem en verschuilt zich weer door zich op te richten tegen een boomstomp, waar hij onzichtbaar is; weer verstijft Don en staat met een poot in de lucht, neus en staart in een rechte lijn, alsof hij versteend was en zich niet kon roeren.Zoo gaat het voort, nu eens door de struiken glippend, dan onbeweeglijk als een steen, tot de patrijs ontdekt, dat zoolang hij zich stilhoudt de hond wel verlamd lijkt, niet in staat zich te bewegen of te voelen. Dan zet hij zich in postuur pal tegen een wortel of een boomknoest; en daar staan ze geen twintig voet van elkaar af, zonder een vin te verroeren, tot de hond uitgeput door inspanning neerzijgt, of er een eind aan maakt door vooruit te springen, of tot de stap van den jager over de bladeren den patrijs opnieuw van ontzetting vervult en hem door de Octoberbosschen wegjaagt naar eenzamer plekjes.Op een middag zag ik den ouden Ben, een beroemden hond, prachtig „staan”. Vlak vóór hem, in een ruigte van bruine varens, kon ik kop en hals van een patrijszien, die den hond scherp gadesloeg. De baas van den ouden Ben stelde voor daar op die plaats koffie te drinken, om het meesterlijk africhten van zijn hond op de proef te stellen. We trokken ons een eindje terug en gingen op ons gemak eten, terwijl we vogel en hond gadesloegen met een belangstelling, die hoe langer hoe grooter werd, naarmate de maaltijd vorderde, terwijl de oude Ben stond als een muur en het oog van den patrijs onbeweeglijk in de varenruigte glom. En geen van beide verroerde een vin, terwijl wij aten en Bens baas in kalm vertrouwen zijn pijp rookte. Eindelijk, na een vol uur, klopte hij zijn pijp op de hak van zijn laars uit en stond op om zijn geweer te krijgen. Dat beteekende den dood voor den patrijs; maar ik dankte hem te veel echt genot om het aan te zien, dat hij in zijn snelle vlucht zou worden neergeschoten. In het oogenblik, dat de baas zich omkeerde, gooide ik een stuk hout naar de varenruigte. De patrijs stoof de lucht in en weg, en de oude Ben, door ’t wiekgeruisch uit zijn bedwelming wakker geschud, liet zich gehoorzaam vallen op het sein en keerde zijn kop om, om verwijtend met zijn oogen te zeggen: „Wat ter wereld scheelt jou daar achter—heb ik hem niet lang genoeg in bedwang gehouden?”Het brave oude beest beefde als een riet na de lange inspanning, toen ik naar hem toeging om hem op zijn kop te kloppen en zijn standvastigheid te loven, en hem ’t grootste deel van mijn maaltijd te geven. Maar tot op dezen dag weet Bens baas niet wat den patrijszoo plotseling heeft opgeschrikt; en als hij u van die gebeurtenis vertelt, zal hij er nog spijtig aan toevoegen: „Ik had net een oogenblik eerder moeten beginnen, voordat hij moe werd. Dan zou ’k hem gehad hebben.”„De oude beukenpatrijs” was echter een anders geaarde vogel. Geen hond kon hem langer dan een seconde doen stilstaan; hij had maar al te goed geleerd wat dat beteekende. Zoodra hij ’t trippen van een hondepoot op de blaren hoorde, snelde hij weg en verschool zich, trok zich terug en repte zich weer, zoodat hij hond en jager op de been hield, tot hij de dekking vond naar zijn gading,—dikke boomen, of een warreling van wilden wingerd—waar hij dan aan den anderen kant uit kwam breken. En geen oog, hoe scherp ook, kon méér opvangen dan een tipje van een grijzen staart, voordat hij verdwenen was. Andere patrijzen vliegen in korte, rechte einden en kunnen gevolgd worden en weergevonden, maar hij ging er altijd op krachtige vlerken vandoor, over een ongelooflijken afstand, en zwenkte een heel eind naar rechts of links af; zoodat het tijdverspillen was om achter hem aan te gaan. Eer ge hem weer hadt, zouden zijn vleugels uitgerust zijn en was hij gereed voor nog een vlucht; en als ge hem dan vondt, schoot hij als een pijl uit den boog weg uit den top van een denneboom en er was ook niets meer van hem te zien.Hij huisde den meesten tijd op een heuvelrug achtereen verlaten hoeve oostelijk van den ouden postweg. Dit was zijn middelste verblijfplaats, een plek met dicht struikgewas, doornboschjes2en zonnige open stukjes tusschen de rotsrichels, waar ge hem als ’t u meeliep op speciale dagen in alle jaargetijden kondt vinden. Maar hij had echt het zwerversinstinct van een Newfoundlandsch rendier. ’s Winters trok hij naar ’t Zuiden, met twintig andere patrijzen, naar den voet van den bergrug, die uiteenviel in een reeks van heuveltjes en ravijnen en zonnige, goedbeschermde valleitjes, waar volop te eten was. Hier was vijftig jaar geleden weiland, dat bij een boerderij hoorde; maar nu was het overal volgegroeid met kreupelhout en frambozenvelden en wilde appelboomen, die de vogels er gezaaid hadden. Alle vogels waren er graag op z’n tijd; kwartels nestelden er aan de zoomen; en men kon een bruin konijn opkloppen uit bijna elk van de vergane hoopen takken of holle, met mos begroeide stammen die er lagen.In het voorjaar stak hij den kam weer naar het Noorden over en trok de stille, donkere bosschen in, waar hij twee of driewijfjes had met evenzooveel broedsels jonge patrijzen; die hij alle, laat me dat even zeggen, met verwonderlijke onverschilligheid beschouwde.Door het heele gebied stroomde—stil uit de groote bosschen tevoorschijn sluipend, kabbelend langs den voet van den bergrug en zingend door de oude weide—een beek, waar de oude beukenpatrijs van scheen te houden. Wel honderd keer heb ik hem daar aan de oevers opgeschrikt. Ik hoefde er maar langs te loopen op eiken willekeurigen Novembermorgen vóor acht, en ik kon er zeker van zijn, dat ik hem vond. Maar waarom hij er altijd zat op dit bepaalde uur, in dit jaargetijde, heb ik nooit kunnen uitmaken.Ik verwonderde me er dan soms over, waarom ik hem nooit zag drinken. Andere vogels hadden daar vaste drink- en baadplaatsen, en ik heb ze herhaaldelijk van mijn schuilhoek uit waargenomen, maar ofschoon ik hem dikwijls zag, nadat ik er achter was gekomen waar hij zat, hij raakte nooit het water aan.Op een vroegen zomerochtend deed zich een aannemelijke verklaring voor. Ik zat rustig bij de beek, aan den rand van het groote bosch, te wachten tot het diepe water weer kalm zou zijn geworden, waar ik juist een forel uit had opgehaald en waar ik vermoedde dat een nog grootere zich schuilhield. Terwijl ik wachtte, kwam een patrijzenmoeder met haar broedsel—een van de tallooze gezinnen van den ouden beukenpatrijs, waar hij niet naar omkeek—langs den rand van het bosch glijden. Ze waren klaarblijkelijkkomen drinken, maar niet uit de beek. Een zoeter dronk dan daaruit wachtte op hun komst. De dauw lag nog op de grassprieten; hier en daar hing een droppel aan de punt van een blad als een diamant in ’t vroege licht te schitteren. En dan hieven de patrijsjes, die tjilpten en glipten en floten tusschen de neerbuigende halmen, hun bekjes op naar elken glanzenden dauwdroppel, die hen lokte, en dronken hem in en haastten zich met vroolijk gepiep en gorgelgeluidjes naar den volgenden droppel, die een uitnoodiging flonkerde van zijn neigenden grasspriet. De oude moeder wandelde bezadigd in hun midden, maakte zich nu eens druk om een achterblijver, dan weer klokte zij ze alle bij elkaar tot een begeerig, tsjilpend, hippend troepje, terwijl ieder vocht de eerste te zijn om een vette slak te dooden, die ze aan den onderkant van een blad had ontdekt; en straks rekte ze zich zelf uit naar een dauwdroppel, die voor hen te hoog hing om te drinken. Zoo trokken ze voorbij op nog geen paar meter afstands, een schuw, wild, gelukkig gezinnetje, en verdwenen in de schaduw van het groote bosch.Misschien is dit de reden, waarom ik den ouden beukenpatrijs nooit uit de beek heb zien drinken. De natuur heeft frisscher dronk, dien ze zelf bereid heeft, en die nog meer naar zijn smaak is.Eerder in ’t seizoen had ik nog een van zijn gezinnen daar ook in de buurt gevonden. Ik sloop langs een boschpad, toen ik ze plots verraste, op een zonnigopen plaatsje, waar ze uit alle macht aan ’t krabbelen waren in een mierenhoop. Een wild geflodder, alsof een warrelwind over den mierenhoop gevaren was; maar het was slechts de wind der vleugels van den moedervogel, die de stof opjoegen om mijn oogen te verblinden en den haastigen terugtocht te dekken van haar donzige broedsel. Nog eens sloegen haar vlerken op den grond en joegen een warreling van dorre blaren op, temidden waarvan de patrijsjes weghipten en -scharrelden, zóo precies de bladen, dat geen oog ze van elkaar kon onderscheiden. Toen zegen de blaren langzaam neer en het broedsel was verdwenen, alsof de grond het verzwolgen had; terwijl moeder patrijs juist buiten mijn bereik wegflodderde, met een vleugel sleepte alsof die gebroken was, plat op den grond viel, klokte enkwit-kwitriep, en de blaren opjoeg om mijn aandacht te trekken, me weg te krijgen van de plaats waar de jongen zich verstopt hadden.Ik knielde juist binnen den boschzoom neer, waar ik den achterblijver van het broedsel als een bruine schicht had zien verdwijnen en begon zorgvuldig naar ze te zoeken. Na een poosje vond ik er een. Hij zat plat op een dor eikeblad gedoken, vlak voor mijn neus, wonderlijk gedekt door zijn kleur. Er glinsterde iets in een donker wortelkluwen. Het was een oog, en weldra kon ’k daar een kopje onderscheiden. Dat was al wat ik van ’t gezin vermocht te ontdekken, ofschoon er nog wel twaalf vlak bij me, de meesteonder de bladen, waren. Toen ik achteruitkroop, legde ik mijn hand er op een voordat ’k hem zag, en ’t had geen haar gescheeld of ’k zou dien kleinen slimmerd bezeerd hebben, die geen vin verroerde, niet eens toen ik het blad wegnam, dat hem bedekte en ’t voorzichtig weer neerlegde.Aan den overkant van ’t pad stond een dikke dwergeik, waar ik onder ging zitten loeren. Het duurde tien lange minuten, waarin zich niets verroerde, eer moeder patrijs terug kwam sluipen. Ze klokte eens—„pas op!” scheen ’t wel te beteekenen, en er bewoog geen blad. Ze klokte weer—opende de grond zich? Daar had je ze, wel meer dan een dozijn, die uit het niet waren opgesprongen en haastig aankwamen om haar er met een eindeloos gepiep alles van te vertellen. Ze verzamelde ze zoo alle dicht om zich heen en ze verdwenen, door de schaduwen geholpen.Het was grappig zoo ijverzuchtig als de oude beukenpatrijs over de eenzaamheid waakte, waar deze merkwaardige kleine families rondzwierven. Ofschoon het leek dat hij geen zier om ze gaf, en men hem nooit in de buurt van een zijner gezinnen waarnam, hij duldde ’t niet dat een andere mannetjespatrijs in zijn bosschen kwam of ook maar binnen gehoorsafstand trommelde, ’s Winters deelde hij het zuidelijke weiland vreedzaam met wel twintig andere patrijzen; en op bepaalde dagen kon men, na veel gekruip, een heel gezelschap van die dieren op een zonnige zuidelijke helling verrassen, waar ze deftig stapten en in- en uit-en rondglipten met uitgespreiden staart en hangende vlerken, alle bewegingen uitvoerend van een patrijzenmenuet. Eens, op een laten, warmen najaarsdag, was ik naar een twaalf of vijftien van die prachtige vogels toegekropen, die hun merkwaardige vertooning ten beste gaven in een kleine opening tusschen de wilde frambozen; en in hun midden—trotscher, pralender, verwaander stappend en aanmatigender klokkend dan een van de andere—was de oude beukenpatrijs.Maar toen ’t voorjaar werd en de lange, rollende trommelklanken door de uitbottende bosschen begonnen te roffelen, trok hij zich terug naar zijn middelste gebied op den bergrug en wandelde van ’t eene eind naar ’t andere, dreef elken anderen mannetjespatrijs uit zijn gehoor en nam hem geducht onderhanden als hij ’t waagde hem te weerstaan. Dan hoorde men na een overwinning zijn luid getrommel door de Meische heerlijkheid rollen, om zooveel wijfjes als hij maar kon te verlokken zijn weelde met hem te deelen.Hij had twee trommelstammen in zijn gebied liggen, zooals ik al spoedig ontdekte; en eens, terwijl hij op den eenen stam stond te trommelen, verschool ik me bij den anderen en bootste zijn kreet vrij goed na door met mijn handen op een met lucht gevulde blaas te slaan, die ik onder mijn jas geknoopt had. Het roffelen van een patrijzen getrommel is een eigenaardig gedempt geluid; het valt dikwijls moeilijk plaats of zelfsrichting van herkomst te bepalen; en het klinkt altijd veel verder weg dan het werkelijk is. Dit heeft den ouden beukenpatrijs in ’t eerst misschien misleid om te denken, dat hij een anderen vogel heel in de verte hoorde, op een heuvelkam aan den overkant van de vallei waar hij niets te maken had; want al gauw trommelde hij weer op zijn eigen stam. Ik antwoordde er onmiddellijk op, door een uitdaging terug te roffelen en vertelde zoo ook elke wijfjespatrijs in het gebied, dat er nog een candidaat was, geneigd tot pronken en zijn staart uit te spreiden en den schitterenden kraag om zijn hals op te zetten, om zich een plaatsje te veroveren in haar gunsten, als ze hem maar op zijn trommelstam wou komen kijken.Er moet eenige argwaan, dat er een mededinger in zijn gebied gedrongen was, in den kop van den ouden patrijs zijn opgekomen, want er was een lange stilte, waarin ik me hem kon voorstellen, hoe hij recht en stijf op zijn stam aandachtig stond te luisteren om de plaats te bepalen waar die brutale indringer zat, en zijn ziedenden toorn met moeite bedwong.Zonder te wachten tot hij weer trommelde, roffelde ik een uitdaging. Ternauwernood was ’t trommelen opgehouden, of daar kwam hij den heuvel opschieten, als een bliksemschicht tusschen de dikke takken door, en plofte bij zijn eigen stam neer, waar hij zich met wonderbaarlijke gezwindheid oprichtte, om luisterend naar den indringer te spieden.Het scheen hem te verlichten, dat de stam niet bezetwas, maar hij was nog vol opgekropten toorn en achterdochtigheid. Hij gleed en dook, de heele plek over rondziend en luisterend; toen sprong hij op zijn stam en zonder als gewoonlijk den tijd te nemen om te pronken en zijn schitterende veeren uit te spreiden, liet hij den langen roffel hooren, richtte zich onmiddellijk op toen ’t gebeurd was, wendde zijn kop naar alle kanten om het eerste geluid van het antwoord van zijn mededinger op te vangen,—„Kom eens voor den dag als je durft,—rrom!—als je durft. O jou, lafaard!” En hij hipte, in vijf of zes hooge, opgewonden sprongen, als een haan vóór den storm, naar ’t andere einde van den stam, en weer rolde zijn snelle, kloppende trommelslag door de bosschen.Ofschoon ik dicht genoeg bij was om hem zonder kijker duidelijk te onderscheiden, kon ik zelfs toen niet (en andere keeren dat ik een patrijs heb zien trommelen evenmin) precies nagaan hoe dat geluid gemaakt wordt. Na een poosje bedaarde de opwinding over een vermoedelijken mededinger, en werd hij verrukt, omdat hij meende den schelm uit zijn bosch te hebben verdreven. Hij wandelde statig op den stam heen en weer, liet zijn vleugels slepen, spreidde zijn prachtigen staart wijd uit, zette zijn borst en zijn schitterenden kraag op. Plotseling richtte hij zich dan in de hoogte; een zwiepen van zijn vleugels op en neer, dat geen oog kon volgen, en ik hoorde een enkelen slag van zijn roffel. Weer een zwiepenen weer een slag; dan hoe langer hoe gauwer, tot het leek alsof hij twee of drie paar vlerken had, die suisden en wentelden beide als de spaken van een sneldraaiend wiel, en de trommelslagen rolden samen tot een langen roffel en verstierven in de bosschen.Gewoonlijk stond hij op zijn teenen, zooals een haan doet, wanneer hij met zijn vleugels klept eer hij kraait; zelden dook hij op den stam neer; maar ik twijfel er aan of hij met zijn vlerken op ’t hout slaat, zooals dikwijls beweerd wordt. Toch verschilden de beide stammen van elkaar; de eene was droog en hard, de andere vermolmd en bemost; en de roffels waren even verschillend als de beide stammen. Na een tijdje kon ik na den eersten wiekslag aan ’t geluid zeggen, welken stam hij gebruikte; maar dat was dunkt mij een quaestie van weerklank, de uitwerking van een soort klankbord, en niet doordat ze beide verschillend klonken als hij er op sloeg. Het getrommel wordt ongetwijfeld veroorzaakt, of doordat hij de vlerken boven zijn rug samenslaat, of, zooals ik geneigd ben te gelooven, doordat hij ze bij ’t neergaan tegen zijn eigen flanken klapt.Eens hoorde ik een gewonden vogel drie of vier slagen van zijn roffel geven en toen ik het wingerdboschje inging, waar hij neergestort was, vond ik hem plat op zijn rug liggen, terwijl hij zich met zijn vleugels op de flanken sloeg.Altijd als hij trommelt stapt hij eerst als een pauw, omdat hij niet weet hoeveel heldere oogen hem schuwuit het struikgewas bespieden. Eens toen ik hem een paar keer statig had zien wandelen en trommelen, ritselde ’t in de bladeren en verschenen er twee wijfjespatrijzen van weerskanten op de open plek waar zijn stam zich bevond. Toen paradeerde hij met nog grooter ijdelheid dan tevoren, terwijl de twee wijfjespatrijzen over de plek gleden: naar den schijn zochten ze zaadjes, maar in werkelijkheid bespiedden ze elke van zijn bewegingen met een schuin oogje en bewonderden hem, tot zijn innige voldoening.’s Winters volgde ik zijn spoor gewoonlijk in de sneeuw, om er achter te komen wat hij uitgevoerd had en wat voor voedsel hij gevonden had, als er schaarschte in de natuur was. Voor zijn ergste vijanden, den mensch en zijn hond, hoefde hij niet bang meer te zijn, want ze werden in bedwang gehouden door de wet, en hij zwierf nog vrijer door de bosschen dan ooit. Hij scheen te weten dat hij veilig was gedurende dezen tijd, en meer dan eens speurde ik hem na tot in zijn schuilplaats en zag hem wegfladderen door de open bosschen, terwijl hij een regen van sneeuw achter zich neerjoeg, alsof hij het op die eigenaardige wijze deed, om de richting van zijn vlucht voor mijn oogen te verbergen.Er waren echter andere vijanden, door geen wet in bedwang gehouden, behalve de algemeene boschwetten van vrees en honger. Dikwijls vond ik het spoor van een vos, dat het zijne in de sneeuw kruiste, en eens volgde ik een dubbel spoor, den vos een patrijsnaspeurend, bijna wel een halve mijl ver. De vos was hem laat in den vorigen middag op ’t spoor gekomen en was hem naar een doornboschje gevolgd, waar middenin een groote ceder stond waarin de oude beukenpatrijs op stok ging. De vos was twee keer om den boom heengegaan, had stilgestaan en opgekeken en zich toen regelrecht naar ’t moeras begeven, alsof hij wel wist, dat ’t nergens toe diende nog langer te loeren. Als er veel sneeuw lag, vond ik zelden de plek waar hij of een andere patrijs op den grond waren gaan slapen. Hij plofte gewoonlijk uit een boom in de zachte sneeuw neer, en dook er halsoverkop wel drie of vier voet in, keerde zich dan rond en nestelde zich in zijn witte, warme kamertje voor den nacht. Ik vond dan het holletje, waar hij ’s avondsin was geschoten, en er dichtbij het groote gat, waar hij er uitgebroken was toen het licht hem wekte. Als ik mijn richting dan bepaald had naar den indruk van zijn vleugels in de sneeuw, volgde ik die, om na te gaan waar hij neergestreken was en hem op zijn vroege zwerftochten na te speuren.Men zou meenen dat het een gevaarlijke manier van doen was, zoo zonder andere beschutting dan sneeuw op den grond te slapen, met allerlei hongerige vijanden, die in ’t bosch rondsluipen; maar de patrijs weet wel dat als ’t sneeuwt zijn vijanden stilletjes thuis blijven, omdat ze niet in staat zijn te zien of te ruiken, en dientengevolge allemaal zelf voor hun eigen vijanden bang zijn. Gedurende een sneeuwstorm is er altijd wapenstilstand in het bosch, en dat is de reden waarom een patrijs in de sneeuw dan alleen gaat slapen, als de vlokken nog neervallen. Wanneer dit ophoudt en de sneeuw een beetje bezonken is, zal de vos weer op de been zijn; en dan slaapt de patrijs in het naaldhout.Eens echter rekende de oude beukenpatrijs buiten den waard. ’t Was vroeg in den avond met sneeuwen opgehouden en de honger dreef den vos naar buiten, in een nacht, dat hij zich anders gedekt zou hebben gehouden. Om en bij ’t aanbreken van den dag, voordat het licht nog was doorgedrongen tot waar de oude beukenpatrijs lag te slapen, vond de vos een gat in de sneeuw, dat hem verried hoe vlak voor zijn hongerigen neus een patrijs verscholen zat,die zich van geen gevaar bewust was. Ik vond de plek, toen ik het spoor van den vos een paar uren later volgde. Wat was hij omzichtig! Het sluwe spoor sprak boekdeelen van honger en verwachting. Een paar voet van ’t veelbelovende gat af had hij stil gestaan en scherp over de sneeuw uitgekeken, om een verraderlijke ronding op de gladde oppervlakte te ontdekken. Aha! daar was ze, net aan den zoom van een boschje jeneverbessen. Hij dook neer, sloop vooruit, zoodat hij een diep spoor met zijn lichaam groef, plantte zich stevig vast en sprong toe. En daar, vlak naast het gat dat zijn pooten in de sneeuw gemaakt hadden, was nog een gat, waar de patrijs uitgebroken was, zoodat hij zijn heelen vijand, die zich een voet verrekend had, vol sneeuw gestrooid had, en met oorverdoovend lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen.... en met oorverdoovend lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen....… en met oorverdoovend lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen.…bl. 103 V.Er was nog een vijand, die verstandiger had moeten zijn en die den ouden beukenpatrijs een heel vroeg voorjaar lang achtervolgd had, toen er veel sneeuw lag en ’t voedsel karig was. Op een dag dat ik het zuidelijk gebied van den patrijs doorkruiste, ontmoette ik een jongetje,—een pienter kereltje met het jagersinstinct van een vos. Hij had altijd wat merkwaardigs—otters, of muskusratten, of een bunzing, of een grooten uil,—zoodat ik hem met vreugde begroette.„Hallo, Jantje! Wat speur jij vandaag—beren?”Maar hij schudde zijn hoofd slechts—een beetjesullig, leek het mij toe—en praatte over alles behalve over datgene waaraan hij dacht; en weldra verdween hij in het oude pad. Een van zijn jaszakken puilde meer uit dan de andere en ik wist dat er een klem in zat.Laat op dien middag stootte ik op zijn spoor en aangezien ’k niets belangrijkers te doen had, ging ik het volgen. Het leidde regelrecht naar het doornboschje waar de oude beukenpatrijs op stok ging. Ik had er dikwijls tevergeefs naar gezocht, eer de vos mij er bracht; maar Jantje had op een van zijn zwerftochten prenten en een paar veeren onder een cedertak gevonden en wist best wat dat zeggen wilde. Daar was zijn klem, precies op de plek, waar de oude patrijs den vorigen avond gestaan had, toen hij zijn sprong nam naar den ondersten tak. Er was volop koren uitgestrooid en een blauwe gaai, die Jan achterna gegaan was, zat al stevig in de klem; bij den wortel van zijn snavel net onder de oogen was hij gegrepen. Hij had de klem doen toeklappen, toen hij naar wat koren pikte, dat listig met een dun ijzerdraadje aan de pan was vastgemaakt.Toen ik de gaai zorgvuldig uit de klem nam, hield zij zich dood en slap in mijn hand, tot mijn greep ontspande en zij naar een tak boven mijn hoofd vloog, waar zij me bekeef en uitschold, omdat ik me inliet met zulke afschuwelijke uitvindingen.Ik hing de klem aan een lagen tak van den ceder, met een briefje tusschen haar tanden, om Jan te vragen of hij den volgenden dag eens bij me wou komen. Hij kwam met een beschaamd gezicht toen ’t donker werd, en ik nam hem onderhanden over onridderlijkheid en ’t verschil tusschen een diefachtigen otter en een eerlijken patrijs. Maar hij grinnikte om de blauwe gaai en ik twijfelde er aan of zoo’n berisping alleen wel een blijvende uitwerking zou hebben. Om het hem dus wat gemakkelijker te maken, liet ik iets los over de glijbaan van een otter, die ik ontdekt had en over een gezamenlijken zwerftocht op een Zaterdagmiddag. Hij vertelde me, dat hij wel twintig keer dien ouden beukenpatrijs had trachten te verschalken. Toen hij de glijbaan van den otter zag, zwoer hij klemmen en strikken voor vogels af, en ik verliet kort daarna de streek, zeer hoopvol wat den patrijs aangaat, want ik wist dat ’k de kanonnen vernageld had van zijn gevaarlijksten vijand.Jaren later kwam ik door de oude wei en ging regelrecht naar de wildernis van doornstruiken. Er waren prenten van een patrijs in de sneeuw,—korte sporen, die licht rustten op het zachte blank, en toonden dat de Natuur gedachtig was aan zijn behoeften en gezorgdhad dat zijn nieuwe sneeuwschoenen prachtig gegroeid waren. Ik haastte me naar de beek, terwijl tallooze herinneringen aan gelukkige dagen en zeldzame ontdekkingen, als het boschvolkje me zijn kleine geheimen openbaarde, zich aan me opdrongen. Toen ’k er heelemaal in verdiept was—kwit-kwit!en met luidruchtig wiekgeruisch suisde er een patrijs weg, wild en grijs als de bijzondere vogel, die daar jaren te voren geleefd had. En toen ik er een jager naar vroeg, zei hij: „Die oude beukenpatrijs? O ja, die zit daar. Daar zal hij wel blijven ook, tot hij van ouderdom doodgaat, want, ziet u, mijnheer, d’r is hier in de buurt niemand gewikst genoeg om hem te vangen.”1Felis Concolor.↑2Smilax.↑
DE OUDE BEUKENPATRIJS.
Van alle vogels, die nog veel voorkomen in wat ons van ongerepte plekjes overblijft, is het gekraagde hazelhoen—de „patrijs” uit onze jonge jaren—misschien de schuwste, de waakzaamste, doet ons het meest denken aan de oerwildernis, die we verloren hebben. Ge komt de bosschen binnen van de weide op de heuvelhelling uit en leunt even over de oude, grijze heining om naar ’t spel van licht en schaduw op de berkeknoesten te kijken. Uw oogen rusten op de verrukkelijke mengeling van zachte kleuren, zooals geen penseel nog ooit nagebootst heeft: het rijke oude goud van ’t najaarsbekleedsel, het schemerig grauwgroen van de vermolmde stomp, die de zwammen getint hebben. Wat een reusachtige boom moet dat geweest zijn, geslachten geleden, in zijn dagen van kracht; hoe onderkómen de berken, die nu uit zijn wortels groeien! Ge herinnert u de groote berken aan de rivier in de wildernis—waar kano’s uit gemaakt worden—witter dan het tentje dat er onder nestelde, terwijl hun wijde banieren in den wind wuifden, zachter dan ’t geruisch van uilevleugels, die er in de schemering als schimmen tusschen zweefden. Een vaag gevoel van verdriet besluipt u, dat uw eigen wildernis verdwenen is, en met haar de meeste van het schuwe volkje, dat hield van haar eenzaamheid. Plotseling ontstaat er geritsel in de bladeren. Er beweegtiets bij de oude stomp. Zoo pas meendet ge dat het slechts een bruine wortel was; nu snelt het heen, verstopt zich, richt zich op—kwit-kwit-kwit!en met gonzend wiekgeruisch en een warrelende wieling van dorre blaren vliegt er een hazelhoen op en schiet weg, als een stompe pijl met keisteen-punt en grijs beveerd, tusschen de verschrikte berkestammen. Wanneer ge hem stilletjes volgt om hem weer op te jagen, en te rillen en te schrikken bij zijn onverwacht wegsnorren, is er vanzelf iets Indiaansch in uw behoedzamen tred gekomen. Alle weemoed over de verloren wildernis is verdwenen; ge zijt eenvoudig blij dat er nog zooveel wildernis overblijft om welsprekend te getuigen van den goeden, ouden tijd.Het is deze trek van onoverkomelijke schuwheid in het hazelhoen, gepaard met een zwerm van half-angstige indrukken uit mijn jeugd, die mijn hart altijd doen kloppen als op een oude wijs, elken keer dat er een patrijs aan mijn voeten opstuift. Ik herinner me goed een jongetje, dat stilletjes de rustige bosschen insloop die hem met een onweerstaanbare kracht trokken, toen hun schemerige bogen en stille paden vol geheimenis en beangstigende griezeligheden waren. Voetje voor voetje ging het kind de schaduwen binnen, behoedzaam als een boschmuis, schuw als een konijntje. Plotseling een haastig geritsel en een bolderend geweld, waarmee iets van den grond opschoot; eerst klopte het kinderhart er hevig van, daarna sloeg hem de schrik in de beenen en joeg hemhet bosch uit, zoodat hij halsoverkop over de oude, grijze heining tuimelde en halverwege de wei was gerend, eer hij halt durfde houden voor dat vreeselijke achter zich. En dan, eindelijk een andere drang, die het kind altijd weer naar de bosschen deed sluipen, schuw, op zijn hoede, in spanning als een loerende vos, om te onderzoeken wat dat voor vreeselijks was, dat zoo’n beroering in de rustige bosschen te weeg kon brengen.En toen hij ’t eindelijk ontdekte—dat was een ontdekking waar die van de panterwelpen1nog maar niets bij was, als ik dat zoo eens naga. Op een dag in de bosschen, dicht bij de plek waar het gewoonlijk met vreeselijk geraas wegstoof, hoorde hij een geklok en eenkwit-kwit, en zag een mooien vogel in het kreupelhout wijken, glippen, stilhouden, wegschuilen en elke beweging van het kind opnemen. En toen dat vooruitschoot om zijn pet over den vogel te gooien, stoof hij weg, en toen—wirr! wirr! wirr!bruiste er een heele koppel hazelhoenders om hem heen op. De ontzetting daarover sloeg hem zoo in de beenen, dat hij in de warrelende blaren neerviel en zich de ooren bedekte. Maar dezen keer wist hij ten langen leste wat het was, en in een wip stond hij overeind en draafde niet heen, maar zoo gauw als zijn beentjes hem dragen konden achter den laatsten vogel aan, dien hij tusschen de boomen zag wegscharrelen, terwijl een berketak, waar hij met zijnvleugels tegen had gestooten, hem een goedendag naknikte.Er is nog meer aan dienzelfden vogel verbonden, dat altijd nog iets bijzonder opwindends geeft aan het wegbruisen van zijn vleugels door de opgeschrikte bosschen. Het was in de oude school aan den viersprong, op een slaperigen Septembermiddag. Een klas aan ’t spellen, groote jongens en kleine meisjes, stond met de schoenneuzen voor dezelfde reet in den vloer, in een rij tegenover den lessenaar van den meester. De rest van de school dutte onderwijl dommelig in over de opgegeven taak. De dikke jongen sliep openlijk op zijn armen; zelfs de deugniet was rustig, en dacht soezerig aan voorbije zomerdagen. Plotseling klonk er een vreeselijk gekraak, een kletterend gerinkel van gebroken glas, een gekrijsch van een jongen bij het raam. Twintig knieën stootten van onderen tegen de lessenaars, daar twintig jongens opsprongen. Toen, eer een van ons zijn zinnen weer bij elkaar had, was Jimmy Jenkins, een roodharige jongen, dien geen ramp uit zijn evenwicht kon brengen en wien nooit een gelegenheid ontging, over twee schoolbanken heengesprongen en zat in de meisjesafdeeling op den grond met iets tusschen de knieën geklemd.„Ik heb hem,” kondigde hij aan met het air van een veldheer.„Wat heb je?” bulderde de meester.„Een patrijs; ’t is een ouwe, een kokkerd,” zei Jimmy.En hij richtte zich op, terwijl hij een mooi patrijzenmannetje bij de pooten hield, wiens verstijvende vlerken nog krampachtig tegen zijn flanken sloegen. Hij was in de naburige bosschen opgejaagd, door den een of anderen jager uit zijn natuurlijke dekking verschrikt. Toen hij het onbekende open veld bereikte, was hij nog ontstelder, en daar een verschrikt hazelhoen altijd rechtuit vliegt, was hij als een kogel door het schoolraam geschoten en had zichzelf door den schok gedood.De regel van drieën, de derdemachtswortel en de woestijn van andere rekenkundige moeilijkheden hebben maar een flauwen indruk nagelaten op minstens één van die leerlingen; maar een vogel, die een slaperige klasse kon opwekken, en een levendige les, vol pit en belangstelling en waaruit iets sprak van den onnaspeurlijk teeren lokroep der bosschen, aan een suffen leeraar kon ontlokken—een leeraar, die ’s nachts de rechtswetenschap bestudeerde, maar overdag zijn jongens nooit—dat was een vogel om eerbied voor te hebben. Ik heb hem sindsdien altijd met aandachtiger belangstelling bestudeerd.Maar toch, hoeveel werk we ook van het hazelhoen maken, we komen weinig anders te weten, dan hoe schuw hij is. Soms, als ge stil zijt in het bosch en een hazelhoen tot bij uw schuilplaats komt gewandeld, vangt ge goed wat van hem op en kunt ge u omtrent hem van sommige dingen een denkbeeld vormen; maar hij ontdekt u al gauw en richt zich op zoo rechtals een paal en staart u wel vijf minuten aan zonder te bewegen of een ooglid te verroeren. Dan, overtroffen in zijn eigen kunstje, glipt hij weg. Een geritsel van kleine pootjes op bladeren, een zwakkwit-kwitmet een vraag er in—en hij is verdwenen. En hij zal niet, als de vos, terugkeeren om van den anderen kant te komen kijken en te trachten gewaar te worden wat ge zijt.De nog maar pas doorgedrongen beschaving is goed voor het hazelhoen, want ze voorziet hem van een overvloed van voedsel en verjaagt zijn vijanden. Hazelhoenders zijn altijd talrijker om de nederzettingen heen dan in de wildernis. Anders dan andere vogels echter, wordt hij hoe langer hoe schuwer, naarmate hij dichter bij de menschelijke woningen is. Ik veronderstel dat het komt, doordat de tegenwoordigheid van den mensch zoo dikwijls vergezeld gaat met een toeschietenden hond en ’t knallen van een geweer, en misschien met hagel in zijn veeren, die hem kwetst en pijn doet als hij wegsnort. Eens in de wildernis, toen ’k ergen honger had, ving ik twee patrijzen door over hun kop een touwlus aan ’t eind van een stok te gooien. Hier zou men even goed kunnen trachten een vleermuis in de schemering te vangen, als de hoop te koesteren een onzer patrijzen van de heuvelhellingen door zoo’n uitvinding te strikken of er ook maar dicht genoeg bij te kunnen komen om over zoo’n poging te denken.Maar er was éen hazelhoen—en nog wel het schuwstevan alle, die ’k ooit in de bosschen ontmoet heb—dat me, zonder dat hij ’t wist, allerlei trekjes uit zijn leven toonde en dat ik langzamerhand goed leerde kennen, na de waarnemingen van een paar seizoenen. Alle jagers uit het dorp kenden hem best; en een stuk of wat jongens, die geweren bezaten en begeerig waren zich in de gelederen der jagers te scharen, hadden jachtavonturen met hem beleefd. Hij stond wijd en zijd bekend als „de oude beukenpatrijs.” Dat hij oud was kon niemand ontkennen, van zijn doen en laten op de hoogte; en hij werd herhaaldelijk opgejaagd in een beukenbosch bij een beek, een paar mijlen buiten het dorp.Niettegenstaande veel geleerde discussies over de vele soorten van hazelhoenders tengevolge van duidelijke kleurverschillen, geloof ik voor mij, dat we maar één soort hebben, en dat kleurverschillen grootendeels komen van de verschillende omgevingen waarin ze leven. Van alle vogels is het hazelhoen het onzichtbaarst in rust; zijn kleur is zoo volkomen in overeenstemming met de wortels en bladeren en boomstammen, waar hij zich tusschen verschuilt. Deze verwonderlijke onzichtbaarheid wordt nog verhoogd door het feit, dat hij gemakkelijk van kleur verandert. Hij is ’s zomers donkerder en ’s winters lichter, net als het konijn. Wanneer hij in donkere bosschen woont, wordt hij glanzend roodbruin; en als hij zijn verblijf tusschen de berken houdt, is hij vaak bepaald grijs.Zoo was het stellig met den ouden patrijs. Als hij zijnstaart wijd uitspreidde en tusschen de beuken wegschoot, was zijn kleur zoo volkomen in overeenstemming met de grijze boomstammen, dat slechts een scherp oog hem kon onderscheiden.’t Was een gladde vogel, die alle knepen kende. Als hij opvloog, had hij binnen een seconde een grooten boom tusschen ons en zich gebracht, om zijn vlucht te dekken. Ik weet niet hoe vaak er wel op hem geschoten was in de vlucht. Elke jager, dien ik ken, had het menigmaal geprobeerd; en elke jongen, die in ’t najaar door de bosschen zwierf, had hem schandelijk op den grond trachten te raken. Maar hij was nooit een veer kwijtgeraakt; en hij wou nooit zoo lang stilzitten voor een staanden hond, dat de handigsten in ons gilde goed konden aanleggen.Wanneer een broedsel jonge patrijzen een hond door de bosschen hoort rennen, fladderen zij gewoonlijk op de onderste takken van een boom enkwit-kwittennieuwsgierig naar hem. Ze hebben het verschil tusschen hem en den vos nog niet geleerd, die de aartsvijand van hun geslacht is, en aan wien hun voorouders in de wildernis op dezelfde manier ontkwamen, dien ze net zoo tantaliseerden. Maar als ’t een oude vogel is, waar uw setter ’t spoor van volgt, dan is zijn handelwijze een grappige mengeling van geslepenheid en onweerstaanbare nieuwsgierigheid. Zoodra de oude Don staat, richt de patrijs zich stokstijf op bij een boomstomp en slaat den hond gade. Zoo staan ze als een paar beelden; de hond in toomgehouden door het vreemde instinct, dat hem doet „staan”, weg voor gezicht, voor geluid, voor alles, behalve voor de geuren in zijn neus; de patrijs in de grootste spanning, met elken zin op den vijand gericht, dien hij meent te misleiden door zijn goed verstoppen. Gedurende een kort oogenblik zijn ze roerloos; dan deinst de patrijs achteruit en glipt weg naar een betere schuilplaats. Als de sterke geur voor Dons neus vervliegt, staat hij niet langer, maar volgt. De patrijs hoort hem en verschuilt zich weer door zich op te richten tegen een boomstomp, waar hij onzichtbaar is; weer verstijft Don en staat met een poot in de lucht, neus en staart in een rechte lijn, alsof hij versteend was en zich niet kon roeren.Zoo gaat het voort, nu eens door de struiken glippend, dan onbeweeglijk als een steen, tot de patrijs ontdekt, dat zoolang hij zich stilhoudt de hond wel verlamd lijkt, niet in staat zich te bewegen of te voelen. Dan zet hij zich in postuur pal tegen een wortel of een boomknoest; en daar staan ze geen twintig voet van elkaar af, zonder een vin te verroeren, tot de hond uitgeput door inspanning neerzijgt, of er een eind aan maakt door vooruit te springen, of tot de stap van den jager over de bladeren den patrijs opnieuw van ontzetting vervult en hem door de Octoberbosschen wegjaagt naar eenzamer plekjes.Op een middag zag ik den ouden Ben, een beroemden hond, prachtig „staan”. Vlak vóór hem, in een ruigte van bruine varens, kon ik kop en hals van een patrijszien, die den hond scherp gadesloeg. De baas van den ouden Ben stelde voor daar op die plaats koffie te drinken, om het meesterlijk africhten van zijn hond op de proef te stellen. We trokken ons een eindje terug en gingen op ons gemak eten, terwijl we vogel en hond gadesloegen met een belangstelling, die hoe langer hoe grooter werd, naarmate de maaltijd vorderde, terwijl de oude Ben stond als een muur en het oog van den patrijs onbeweeglijk in de varenruigte glom. En geen van beide verroerde een vin, terwijl wij aten en Bens baas in kalm vertrouwen zijn pijp rookte. Eindelijk, na een vol uur, klopte hij zijn pijp op de hak van zijn laars uit en stond op om zijn geweer te krijgen. Dat beteekende den dood voor den patrijs; maar ik dankte hem te veel echt genot om het aan te zien, dat hij in zijn snelle vlucht zou worden neergeschoten. In het oogenblik, dat de baas zich omkeerde, gooide ik een stuk hout naar de varenruigte. De patrijs stoof de lucht in en weg, en de oude Ben, door ’t wiekgeruisch uit zijn bedwelming wakker geschud, liet zich gehoorzaam vallen op het sein en keerde zijn kop om, om verwijtend met zijn oogen te zeggen: „Wat ter wereld scheelt jou daar achter—heb ik hem niet lang genoeg in bedwang gehouden?”Het brave oude beest beefde als een riet na de lange inspanning, toen ik naar hem toeging om hem op zijn kop te kloppen en zijn standvastigheid te loven, en hem ’t grootste deel van mijn maaltijd te geven. Maar tot op dezen dag weet Bens baas niet wat den patrijszoo plotseling heeft opgeschrikt; en als hij u van die gebeurtenis vertelt, zal hij er nog spijtig aan toevoegen: „Ik had net een oogenblik eerder moeten beginnen, voordat hij moe werd. Dan zou ’k hem gehad hebben.”„De oude beukenpatrijs” was echter een anders geaarde vogel. Geen hond kon hem langer dan een seconde doen stilstaan; hij had maar al te goed geleerd wat dat beteekende. Zoodra hij ’t trippen van een hondepoot op de blaren hoorde, snelde hij weg en verschool zich, trok zich terug en repte zich weer, zoodat hij hond en jager op de been hield, tot hij de dekking vond naar zijn gading,—dikke boomen, of een warreling van wilden wingerd—waar hij dan aan den anderen kant uit kwam breken. En geen oog, hoe scherp ook, kon méér opvangen dan een tipje van een grijzen staart, voordat hij verdwenen was. Andere patrijzen vliegen in korte, rechte einden en kunnen gevolgd worden en weergevonden, maar hij ging er altijd op krachtige vlerken vandoor, over een ongelooflijken afstand, en zwenkte een heel eind naar rechts of links af; zoodat het tijdverspillen was om achter hem aan te gaan. Eer ge hem weer hadt, zouden zijn vleugels uitgerust zijn en was hij gereed voor nog een vlucht; en als ge hem dan vondt, schoot hij als een pijl uit den boog weg uit den top van een denneboom en er was ook niets meer van hem te zien.Hij huisde den meesten tijd op een heuvelrug achtereen verlaten hoeve oostelijk van den ouden postweg. Dit was zijn middelste verblijfplaats, een plek met dicht struikgewas, doornboschjes2en zonnige open stukjes tusschen de rotsrichels, waar ge hem als ’t u meeliep op speciale dagen in alle jaargetijden kondt vinden. Maar hij had echt het zwerversinstinct van een Newfoundlandsch rendier. ’s Winters trok hij naar ’t Zuiden, met twintig andere patrijzen, naar den voet van den bergrug, die uiteenviel in een reeks van heuveltjes en ravijnen en zonnige, goedbeschermde valleitjes, waar volop te eten was. Hier was vijftig jaar geleden weiland, dat bij een boerderij hoorde; maar nu was het overal volgegroeid met kreupelhout en frambozenvelden en wilde appelboomen, die de vogels er gezaaid hadden. Alle vogels waren er graag op z’n tijd; kwartels nestelden er aan de zoomen; en men kon een bruin konijn opkloppen uit bijna elk van de vergane hoopen takken of holle, met mos begroeide stammen die er lagen.In het voorjaar stak hij den kam weer naar het Noorden over en trok de stille, donkere bosschen in, waar hij twee of driewijfjes had met evenzooveel broedsels jonge patrijzen; die hij alle, laat me dat even zeggen, met verwonderlijke onverschilligheid beschouwde.Door het heele gebied stroomde—stil uit de groote bosschen tevoorschijn sluipend, kabbelend langs den voet van den bergrug en zingend door de oude weide—een beek, waar de oude beukenpatrijs van scheen te houden. Wel honderd keer heb ik hem daar aan de oevers opgeschrikt. Ik hoefde er maar langs te loopen op eiken willekeurigen Novembermorgen vóor acht, en ik kon er zeker van zijn, dat ik hem vond. Maar waarom hij er altijd zat op dit bepaalde uur, in dit jaargetijde, heb ik nooit kunnen uitmaken.Ik verwonderde me er dan soms over, waarom ik hem nooit zag drinken. Andere vogels hadden daar vaste drink- en baadplaatsen, en ik heb ze herhaaldelijk van mijn schuilhoek uit waargenomen, maar ofschoon ik hem dikwijls zag, nadat ik er achter was gekomen waar hij zat, hij raakte nooit het water aan.Op een vroegen zomerochtend deed zich een aannemelijke verklaring voor. Ik zat rustig bij de beek, aan den rand van het groote bosch, te wachten tot het diepe water weer kalm zou zijn geworden, waar ik juist een forel uit had opgehaald en waar ik vermoedde dat een nog grootere zich schuilhield. Terwijl ik wachtte, kwam een patrijzenmoeder met haar broedsel—een van de tallooze gezinnen van den ouden beukenpatrijs, waar hij niet naar omkeek—langs den rand van het bosch glijden. Ze waren klaarblijkelijkkomen drinken, maar niet uit de beek. Een zoeter dronk dan daaruit wachtte op hun komst. De dauw lag nog op de grassprieten; hier en daar hing een droppel aan de punt van een blad als een diamant in ’t vroege licht te schitteren. En dan hieven de patrijsjes, die tjilpten en glipten en floten tusschen de neerbuigende halmen, hun bekjes op naar elken glanzenden dauwdroppel, die hen lokte, en dronken hem in en haastten zich met vroolijk gepiep en gorgelgeluidjes naar den volgenden droppel, die een uitnoodiging flonkerde van zijn neigenden grasspriet. De oude moeder wandelde bezadigd in hun midden, maakte zich nu eens druk om een achterblijver, dan weer klokte zij ze alle bij elkaar tot een begeerig, tsjilpend, hippend troepje, terwijl ieder vocht de eerste te zijn om een vette slak te dooden, die ze aan den onderkant van een blad had ontdekt; en straks rekte ze zich zelf uit naar een dauwdroppel, die voor hen te hoog hing om te drinken. Zoo trokken ze voorbij op nog geen paar meter afstands, een schuw, wild, gelukkig gezinnetje, en verdwenen in de schaduw van het groote bosch.Misschien is dit de reden, waarom ik den ouden beukenpatrijs nooit uit de beek heb zien drinken. De natuur heeft frisscher dronk, dien ze zelf bereid heeft, en die nog meer naar zijn smaak is.Eerder in ’t seizoen had ik nog een van zijn gezinnen daar ook in de buurt gevonden. Ik sloop langs een boschpad, toen ik ze plots verraste, op een zonnigopen plaatsje, waar ze uit alle macht aan ’t krabbelen waren in een mierenhoop. Een wild geflodder, alsof een warrelwind over den mierenhoop gevaren was; maar het was slechts de wind der vleugels van den moedervogel, die de stof opjoegen om mijn oogen te verblinden en den haastigen terugtocht te dekken van haar donzige broedsel. Nog eens sloegen haar vlerken op den grond en joegen een warreling van dorre blaren op, temidden waarvan de patrijsjes weghipten en -scharrelden, zóo precies de bladen, dat geen oog ze van elkaar kon onderscheiden. Toen zegen de blaren langzaam neer en het broedsel was verdwenen, alsof de grond het verzwolgen had; terwijl moeder patrijs juist buiten mijn bereik wegflodderde, met een vleugel sleepte alsof die gebroken was, plat op den grond viel, klokte enkwit-kwitriep, en de blaren opjoeg om mijn aandacht te trekken, me weg te krijgen van de plaats waar de jongen zich verstopt hadden.Ik knielde juist binnen den boschzoom neer, waar ik den achterblijver van het broedsel als een bruine schicht had zien verdwijnen en begon zorgvuldig naar ze te zoeken. Na een poosje vond ik er een. Hij zat plat op een dor eikeblad gedoken, vlak voor mijn neus, wonderlijk gedekt door zijn kleur. Er glinsterde iets in een donker wortelkluwen. Het was een oog, en weldra kon ’k daar een kopje onderscheiden. Dat was al wat ik van ’t gezin vermocht te ontdekken, ofschoon er nog wel twaalf vlak bij me, de meesteonder de bladen, waren. Toen ik achteruitkroop, legde ik mijn hand er op een voordat ’k hem zag, en ’t had geen haar gescheeld of ’k zou dien kleinen slimmerd bezeerd hebben, die geen vin verroerde, niet eens toen ik het blad wegnam, dat hem bedekte en ’t voorzichtig weer neerlegde.Aan den overkant van ’t pad stond een dikke dwergeik, waar ik onder ging zitten loeren. Het duurde tien lange minuten, waarin zich niets verroerde, eer moeder patrijs terug kwam sluipen. Ze klokte eens—„pas op!” scheen ’t wel te beteekenen, en er bewoog geen blad. Ze klokte weer—opende de grond zich? Daar had je ze, wel meer dan een dozijn, die uit het niet waren opgesprongen en haastig aankwamen om haar er met een eindeloos gepiep alles van te vertellen. Ze verzamelde ze zoo alle dicht om zich heen en ze verdwenen, door de schaduwen geholpen.Het was grappig zoo ijverzuchtig als de oude beukenpatrijs over de eenzaamheid waakte, waar deze merkwaardige kleine families rondzwierven. Ofschoon het leek dat hij geen zier om ze gaf, en men hem nooit in de buurt van een zijner gezinnen waarnam, hij duldde ’t niet dat een andere mannetjespatrijs in zijn bosschen kwam of ook maar binnen gehoorsafstand trommelde, ’s Winters deelde hij het zuidelijke weiland vreedzaam met wel twintig andere patrijzen; en op bepaalde dagen kon men, na veel gekruip, een heel gezelschap van die dieren op een zonnige zuidelijke helling verrassen, waar ze deftig stapten en in- en uit-en rondglipten met uitgespreiden staart en hangende vlerken, alle bewegingen uitvoerend van een patrijzenmenuet. Eens, op een laten, warmen najaarsdag, was ik naar een twaalf of vijftien van die prachtige vogels toegekropen, die hun merkwaardige vertooning ten beste gaven in een kleine opening tusschen de wilde frambozen; en in hun midden—trotscher, pralender, verwaander stappend en aanmatigender klokkend dan een van de andere—was de oude beukenpatrijs.Maar toen ’t voorjaar werd en de lange, rollende trommelklanken door de uitbottende bosschen begonnen te roffelen, trok hij zich terug naar zijn middelste gebied op den bergrug en wandelde van ’t eene eind naar ’t andere, dreef elken anderen mannetjespatrijs uit zijn gehoor en nam hem geducht onderhanden als hij ’t waagde hem te weerstaan. Dan hoorde men na een overwinning zijn luid getrommel door de Meische heerlijkheid rollen, om zooveel wijfjes als hij maar kon te verlokken zijn weelde met hem te deelen.Hij had twee trommelstammen in zijn gebied liggen, zooals ik al spoedig ontdekte; en eens, terwijl hij op den eenen stam stond te trommelen, verschool ik me bij den anderen en bootste zijn kreet vrij goed na door met mijn handen op een met lucht gevulde blaas te slaan, die ik onder mijn jas geknoopt had. Het roffelen van een patrijzen getrommel is een eigenaardig gedempt geluid; het valt dikwijls moeilijk plaats of zelfsrichting van herkomst te bepalen; en het klinkt altijd veel verder weg dan het werkelijk is. Dit heeft den ouden beukenpatrijs in ’t eerst misschien misleid om te denken, dat hij een anderen vogel heel in de verte hoorde, op een heuvelkam aan den overkant van de vallei waar hij niets te maken had; want al gauw trommelde hij weer op zijn eigen stam. Ik antwoordde er onmiddellijk op, door een uitdaging terug te roffelen en vertelde zoo ook elke wijfjespatrijs in het gebied, dat er nog een candidaat was, geneigd tot pronken en zijn staart uit te spreiden en den schitterenden kraag om zijn hals op te zetten, om zich een plaatsje te veroveren in haar gunsten, als ze hem maar op zijn trommelstam wou komen kijken.Er moet eenige argwaan, dat er een mededinger in zijn gebied gedrongen was, in den kop van den ouden patrijs zijn opgekomen, want er was een lange stilte, waarin ik me hem kon voorstellen, hoe hij recht en stijf op zijn stam aandachtig stond te luisteren om de plaats te bepalen waar die brutale indringer zat, en zijn ziedenden toorn met moeite bedwong.Zonder te wachten tot hij weer trommelde, roffelde ik een uitdaging. Ternauwernood was ’t trommelen opgehouden, of daar kwam hij den heuvel opschieten, als een bliksemschicht tusschen de dikke takken door, en plofte bij zijn eigen stam neer, waar hij zich met wonderbaarlijke gezwindheid oprichtte, om luisterend naar den indringer te spieden.Het scheen hem te verlichten, dat de stam niet bezetwas, maar hij was nog vol opgekropten toorn en achterdochtigheid. Hij gleed en dook, de heele plek over rondziend en luisterend; toen sprong hij op zijn stam en zonder als gewoonlijk den tijd te nemen om te pronken en zijn schitterende veeren uit te spreiden, liet hij den langen roffel hooren, richtte zich onmiddellijk op toen ’t gebeurd was, wendde zijn kop naar alle kanten om het eerste geluid van het antwoord van zijn mededinger op te vangen,—„Kom eens voor den dag als je durft,—rrom!—als je durft. O jou, lafaard!” En hij hipte, in vijf of zes hooge, opgewonden sprongen, als een haan vóór den storm, naar ’t andere einde van den stam, en weer rolde zijn snelle, kloppende trommelslag door de bosschen.Ofschoon ik dicht genoeg bij was om hem zonder kijker duidelijk te onderscheiden, kon ik zelfs toen niet (en andere keeren dat ik een patrijs heb zien trommelen evenmin) precies nagaan hoe dat geluid gemaakt wordt. Na een poosje bedaarde de opwinding over een vermoedelijken mededinger, en werd hij verrukt, omdat hij meende den schelm uit zijn bosch te hebben verdreven. Hij wandelde statig op den stam heen en weer, liet zijn vleugels slepen, spreidde zijn prachtigen staart wijd uit, zette zijn borst en zijn schitterenden kraag op. Plotseling richtte hij zich dan in de hoogte; een zwiepen van zijn vleugels op en neer, dat geen oog kon volgen, en ik hoorde een enkelen slag van zijn roffel. Weer een zwiepenen weer een slag; dan hoe langer hoe gauwer, tot het leek alsof hij twee of drie paar vlerken had, die suisden en wentelden beide als de spaken van een sneldraaiend wiel, en de trommelslagen rolden samen tot een langen roffel en verstierven in de bosschen.Gewoonlijk stond hij op zijn teenen, zooals een haan doet, wanneer hij met zijn vleugels klept eer hij kraait; zelden dook hij op den stam neer; maar ik twijfel er aan of hij met zijn vlerken op ’t hout slaat, zooals dikwijls beweerd wordt. Toch verschilden de beide stammen van elkaar; de eene was droog en hard, de andere vermolmd en bemost; en de roffels waren even verschillend als de beide stammen. Na een tijdje kon ik na den eersten wiekslag aan ’t geluid zeggen, welken stam hij gebruikte; maar dat was dunkt mij een quaestie van weerklank, de uitwerking van een soort klankbord, en niet doordat ze beide verschillend klonken als hij er op sloeg. Het getrommel wordt ongetwijfeld veroorzaakt, of doordat hij de vlerken boven zijn rug samenslaat, of, zooals ik geneigd ben te gelooven, doordat hij ze bij ’t neergaan tegen zijn eigen flanken klapt.Eens hoorde ik een gewonden vogel drie of vier slagen van zijn roffel geven en toen ik het wingerdboschje inging, waar hij neergestort was, vond ik hem plat op zijn rug liggen, terwijl hij zich met zijn vleugels op de flanken sloeg.Altijd als hij trommelt stapt hij eerst als een pauw, omdat hij niet weet hoeveel heldere oogen hem schuwuit het struikgewas bespieden. Eens toen ik hem een paar keer statig had zien wandelen en trommelen, ritselde ’t in de bladeren en verschenen er twee wijfjespatrijzen van weerskanten op de open plek waar zijn stam zich bevond. Toen paradeerde hij met nog grooter ijdelheid dan tevoren, terwijl de twee wijfjespatrijzen over de plek gleden: naar den schijn zochten ze zaadjes, maar in werkelijkheid bespiedden ze elke van zijn bewegingen met een schuin oogje en bewonderden hem, tot zijn innige voldoening.’s Winters volgde ik zijn spoor gewoonlijk in de sneeuw, om er achter te komen wat hij uitgevoerd had en wat voor voedsel hij gevonden had, als er schaarschte in de natuur was. Voor zijn ergste vijanden, den mensch en zijn hond, hoefde hij niet bang meer te zijn, want ze werden in bedwang gehouden door de wet, en hij zwierf nog vrijer door de bosschen dan ooit. Hij scheen te weten dat hij veilig was gedurende dezen tijd, en meer dan eens speurde ik hem na tot in zijn schuilplaats en zag hem wegfladderen door de open bosschen, terwijl hij een regen van sneeuw achter zich neerjoeg, alsof hij het op die eigenaardige wijze deed, om de richting van zijn vlucht voor mijn oogen te verbergen.Er waren echter andere vijanden, door geen wet in bedwang gehouden, behalve de algemeene boschwetten van vrees en honger. Dikwijls vond ik het spoor van een vos, dat het zijne in de sneeuw kruiste, en eens volgde ik een dubbel spoor, den vos een patrijsnaspeurend, bijna wel een halve mijl ver. De vos was hem laat in den vorigen middag op ’t spoor gekomen en was hem naar een doornboschje gevolgd, waar middenin een groote ceder stond waarin de oude beukenpatrijs op stok ging. De vos was twee keer om den boom heengegaan, had stilgestaan en opgekeken en zich toen regelrecht naar ’t moeras begeven, alsof hij wel wist, dat ’t nergens toe diende nog langer te loeren. Als er veel sneeuw lag, vond ik zelden de plek waar hij of een andere patrijs op den grond waren gaan slapen. Hij plofte gewoonlijk uit een boom in de zachte sneeuw neer, en dook er halsoverkop wel drie of vier voet in, keerde zich dan rond en nestelde zich in zijn witte, warme kamertje voor den nacht. Ik vond dan het holletje, waar hij ’s avondsin was geschoten, en er dichtbij het groote gat, waar hij er uitgebroken was toen het licht hem wekte. Als ik mijn richting dan bepaald had naar den indruk van zijn vleugels in de sneeuw, volgde ik die, om na te gaan waar hij neergestreken was en hem op zijn vroege zwerftochten na te speuren.Men zou meenen dat het een gevaarlijke manier van doen was, zoo zonder andere beschutting dan sneeuw op den grond te slapen, met allerlei hongerige vijanden, die in ’t bosch rondsluipen; maar de patrijs weet wel dat als ’t sneeuwt zijn vijanden stilletjes thuis blijven, omdat ze niet in staat zijn te zien of te ruiken, en dientengevolge allemaal zelf voor hun eigen vijanden bang zijn. Gedurende een sneeuwstorm is er altijd wapenstilstand in het bosch, en dat is de reden waarom een patrijs in de sneeuw dan alleen gaat slapen, als de vlokken nog neervallen. Wanneer dit ophoudt en de sneeuw een beetje bezonken is, zal de vos weer op de been zijn; en dan slaapt de patrijs in het naaldhout.Eens echter rekende de oude beukenpatrijs buiten den waard. ’t Was vroeg in den avond met sneeuwen opgehouden en de honger dreef den vos naar buiten, in een nacht, dat hij zich anders gedekt zou hebben gehouden. Om en bij ’t aanbreken van den dag, voordat het licht nog was doorgedrongen tot waar de oude beukenpatrijs lag te slapen, vond de vos een gat in de sneeuw, dat hem verried hoe vlak voor zijn hongerigen neus een patrijs verscholen zat,die zich van geen gevaar bewust was. Ik vond de plek, toen ik het spoor van den vos een paar uren later volgde. Wat was hij omzichtig! Het sluwe spoor sprak boekdeelen van honger en verwachting. Een paar voet van ’t veelbelovende gat af had hij stil gestaan en scherp over de sneeuw uitgekeken, om een verraderlijke ronding op de gladde oppervlakte te ontdekken. Aha! daar was ze, net aan den zoom van een boschje jeneverbessen. Hij dook neer, sloop vooruit, zoodat hij een diep spoor met zijn lichaam groef, plantte zich stevig vast en sprong toe. En daar, vlak naast het gat dat zijn pooten in de sneeuw gemaakt hadden, was nog een gat, waar de patrijs uitgebroken was, zoodat hij zijn heelen vijand, die zich een voet verrekend had, vol sneeuw gestrooid had, en met oorverdoovend lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen.... en met oorverdoovend lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen....… en met oorverdoovend lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen.…bl. 103 V.Er was nog een vijand, die verstandiger had moeten zijn en die den ouden beukenpatrijs een heel vroeg voorjaar lang achtervolgd had, toen er veel sneeuw lag en ’t voedsel karig was. Op een dag dat ik het zuidelijk gebied van den patrijs doorkruiste, ontmoette ik een jongetje,—een pienter kereltje met het jagersinstinct van een vos. Hij had altijd wat merkwaardigs—otters, of muskusratten, of een bunzing, of een grooten uil,—zoodat ik hem met vreugde begroette.„Hallo, Jantje! Wat speur jij vandaag—beren?”Maar hij schudde zijn hoofd slechts—een beetjesullig, leek het mij toe—en praatte over alles behalve over datgene waaraan hij dacht; en weldra verdween hij in het oude pad. Een van zijn jaszakken puilde meer uit dan de andere en ik wist dat er een klem in zat.Laat op dien middag stootte ik op zijn spoor en aangezien ’k niets belangrijkers te doen had, ging ik het volgen. Het leidde regelrecht naar het doornboschje waar de oude beukenpatrijs op stok ging. Ik had er dikwijls tevergeefs naar gezocht, eer de vos mij er bracht; maar Jantje had op een van zijn zwerftochten prenten en een paar veeren onder een cedertak gevonden en wist best wat dat zeggen wilde. Daar was zijn klem, precies op de plek, waar de oude patrijs den vorigen avond gestaan had, toen hij zijn sprong nam naar den ondersten tak. Er was volop koren uitgestrooid en een blauwe gaai, die Jan achterna gegaan was, zat al stevig in de klem; bij den wortel van zijn snavel net onder de oogen was hij gegrepen. Hij had de klem doen toeklappen, toen hij naar wat koren pikte, dat listig met een dun ijzerdraadje aan de pan was vastgemaakt.Toen ik de gaai zorgvuldig uit de klem nam, hield zij zich dood en slap in mijn hand, tot mijn greep ontspande en zij naar een tak boven mijn hoofd vloog, waar zij me bekeef en uitschold, omdat ik me inliet met zulke afschuwelijke uitvindingen.Ik hing de klem aan een lagen tak van den ceder, met een briefje tusschen haar tanden, om Jan te vragen of hij den volgenden dag eens bij me wou komen. Hij kwam met een beschaamd gezicht toen ’t donker werd, en ik nam hem onderhanden over onridderlijkheid en ’t verschil tusschen een diefachtigen otter en een eerlijken patrijs. Maar hij grinnikte om de blauwe gaai en ik twijfelde er aan of zoo’n berisping alleen wel een blijvende uitwerking zou hebben. Om het hem dus wat gemakkelijker te maken, liet ik iets los over de glijbaan van een otter, die ik ontdekt had en over een gezamenlijken zwerftocht op een Zaterdagmiddag. Hij vertelde me, dat hij wel twintig keer dien ouden beukenpatrijs had trachten te verschalken. Toen hij de glijbaan van den otter zag, zwoer hij klemmen en strikken voor vogels af, en ik verliet kort daarna de streek, zeer hoopvol wat den patrijs aangaat, want ik wist dat ’k de kanonnen vernageld had van zijn gevaarlijksten vijand.Jaren later kwam ik door de oude wei en ging regelrecht naar de wildernis van doornstruiken. Er waren prenten van een patrijs in de sneeuw,—korte sporen, die licht rustten op het zachte blank, en toonden dat de Natuur gedachtig was aan zijn behoeften en gezorgdhad dat zijn nieuwe sneeuwschoenen prachtig gegroeid waren. Ik haastte me naar de beek, terwijl tallooze herinneringen aan gelukkige dagen en zeldzame ontdekkingen, als het boschvolkje me zijn kleine geheimen openbaarde, zich aan me opdrongen. Toen ’k er heelemaal in verdiept was—kwit-kwit!en met luidruchtig wiekgeruisch suisde er een patrijs weg, wild en grijs als de bijzondere vogel, die daar jaren te voren geleefd had. En toen ik er een jager naar vroeg, zei hij: „Die oude beukenpatrijs? O ja, die zit daar. Daar zal hij wel blijven ook, tot hij van ouderdom doodgaat, want, ziet u, mijnheer, d’r is hier in de buurt niemand gewikst genoeg om hem te vangen.”
Van alle vogels, die nog veel voorkomen in wat ons van ongerepte plekjes overblijft, is het gekraagde hazelhoen—de „patrijs” uit onze jonge jaren—misschien de schuwste, de waakzaamste, doet ons het meest denken aan de oerwildernis, die we verloren hebben. Ge komt de bosschen binnen van de weide op de heuvelhelling uit en leunt even over de oude, grijze heining om naar ’t spel van licht en schaduw op de berkeknoesten te kijken. Uw oogen rusten op de verrukkelijke mengeling van zachte kleuren, zooals geen penseel nog ooit nagebootst heeft: het rijke oude goud van ’t najaarsbekleedsel, het schemerig grauwgroen van de vermolmde stomp, die de zwammen getint hebben. Wat een reusachtige boom moet dat geweest zijn, geslachten geleden, in zijn dagen van kracht; hoe onderkómen de berken, die nu uit zijn wortels groeien! Ge herinnert u de groote berken aan de rivier in de wildernis—waar kano’s uit gemaakt worden—witter dan het tentje dat er onder nestelde, terwijl hun wijde banieren in den wind wuifden, zachter dan ’t geruisch van uilevleugels, die er in de schemering als schimmen tusschen zweefden. Een vaag gevoel van verdriet besluipt u, dat uw eigen wildernis verdwenen is, en met haar de meeste van het schuwe volkje, dat hield van haar eenzaamheid. Plotseling ontstaat er geritsel in de bladeren. Er beweegtiets bij de oude stomp. Zoo pas meendet ge dat het slechts een bruine wortel was; nu snelt het heen, verstopt zich, richt zich op—kwit-kwit-kwit!en met gonzend wiekgeruisch en een warrelende wieling van dorre blaren vliegt er een hazelhoen op en schiet weg, als een stompe pijl met keisteen-punt en grijs beveerd, tusschen de verschrikte berkestammen. Wanneer ge hem stilletjes volgt om hem weer op te jagen, en te rillen en te schrikken bij zijn onverwacht wegsnorren, is er vanzelf iets Indiaansch in uw behoedzamen tred gekomen. Alle weemoed over de verloren wildernis is verdwenen; ge zijt eenvoudig blij dat er nog zooveel wildernis overblijft om welsprekend te getuigen van den goeden, ouden tijd.
Het is deze trek van onoverkomelijke schuwheid in het hazelhoen, gepaard met een zwerm van half-angstige indrukken uit mijn jeugd, die mijn hart altijd doen kloppen als op een oude wijs, elken keer dat er een patrijs aan mijn voeten opstuift. Ik herinner me goed een jongetje, dat stilletjes de rustige bosschen insloop die hem met een onweerstaanbare kracht trokken, toen hun schemerige bogen en stille paden vol geheimenis en beangstigende griezeligheden waren. Voetje voor voetje ging het kind de schaduwen binnen, behoedzaam als een boschmuis, schuw als een konijntje. Plotseling een haastig geritsel en een bolderend geweld, waarmee iets van den grond opschoot; eerst klopte het kinderhart er hevig van, daarna sloeg hem de schrik in de beenen en joeg hemhet bosch uit, zoodat hij halsoverkop over de oude, grijze heining tuimelde en halverwege de wei was gerend, eer hij halt durfde houden voor dat vreeselijke achter zich. En dan, eindelijk een andere drang, die het kind altijd weer naar de bosschen deed sluipen, schuw, op zijn hoede, in spanning als een loerende vos, om te onderzoeken wat dat voor vreeselijks was, dat zoo’n beroering in de rustige bosschen te weeg kon brengen.
En toen hij ’t eindelijk ontdekte—dat was een ontdekking waar die van de panterwelpen1nog maar niets bij was, als ik dat zoo eens naga. Op een dag in de bosschen, dicht bij de plek waar het gewoonlijk met vreeselijk geraas wegstoof, hoorde hij een geklok en eenkwit-kwit, en zag een mooien vogel in het kreupelhout wijken, glippen, stilhouden, wegschuilen en elke beweging van het kind opnemen. En toen dat vooruitschoot om zijn pet over den vogel te gooien, stoof hij weg, en toen—wirr! wirr! wirr!bruiste er een heele koppel hazelhoenders om hem heen op. De ontzetting daarover sloeg hem zoo in de beenen, dat hij in de warrelende blaren neerviel en zich de ooren bedekte. Maar dezen keer wist hij ten langen leste wat het was, en in een wip stond hij overeind en draafde niet heen, maar zoo gauw als zijn beentjes hem dragen konden achter den laatsten vogel aan, dien hij tusschen de boomen zag wegscharrelen, terwijl een berketak, waar hij met zijnvleugels tegen had gestooten, hem een goedendag naknikte.
Er is nog meer aan dienzelfden vogel verbonden, dat altijd nog iets bijzonder opwindends geeft aan het wegbruisen van zijn vleugels door de opgeschrikte bosschen. Het was in de oude school aan den viersprong, op een slaperigen Septembermiddag. Een klas aan ’t spellen, groote jongens en kleine meisjes, stond met de schoenneuzen voor dezelfde reet in den vloer, in een rij tegenover den lessenaar van den meester. De rest van de school dutte onderwijl dommelig in over de opgegeven taak. De dikke jongen sliep openlijk op zijn armen; zelfs de deugniet was rustig, en dacht soezerig aan voorbije zomerdagen. Plotseling klonk er een vreeselijk gekraak, een kletterend gerinkel van gebroken glas, een gekrijsch van een jongen bij het raam. Twintig knieën stootten van onderen tegen de lessenaars, daar twintig jongens opsprongen. Toen, eer een van ons zijn zinnen weer bij elkaar had, was Jimmy Jenkins, een roodharige jongen, dien geen ramp uit zijn evenwicht kon brengen en wien nooit een gelegenheid ontging, over twee schoolbanken heengesprongen en zat in de meisjesafdeeling op den grond met iets tusschen de knieën geklemd.
„Ik heb hem,” kondigde hij aan met het air van een veldheer.
„Wat heb je?” bulderde de meester.
„Een patrijs; ’t is een ouwe, een kokkerd,” zei Jimmy.En hij richtte zich op, terwijl hij een mooi patrijzenmannetje bij de pooten hield, wiens verstijvende vlerken nog krampachtig tegen zijn flanken sloegen. Hij was in de naburige bosschen opgejaagd, door den een of anderen jager uit zijn natuurlijke dekking verschrikt. Toen hij het onbekende open veld bereikte, was hij nog ontstelder, en daar een verschrikt hazelhoen altijd rechtuit vliegt, was hij als een kogel door het schoolraam geschoten en had zichzelf door den schok gedood.
De regel van drieën, de derdemachtswortel en de woestijn van andere rekenkundige moeilijkheden hebben maar een flauwen indruk nagelaten op minstens één van die leerlingen; maar een vogel, die een slaperige klasse kon opwekken, en een levendige les, vol pit en belangstelling en waaruit iets sprak van den onnaspeurlijk teeren lokroep der bosschen, aan een suffen leeraar kon ontlokken—een leeraar, die ’s nachts de rechtswetenschap bestudeerde, maar overdag zijn jongens nooit—dat was een vogel om eerbied voor te hebben. Ik heb hem sindsdien altijd met aandachtiger belangstelling bestudeerd.
Maar toch, hoeveel werk we ook van het hazelhoen maken, we komen weinig anders te weten, dan hoe schuw hij is. Soms, als ge stil zijt in het bosch en een hazelhoen tot bij uw schuilplaats komt gewandeld, vangt ge goed wat van hem op en kunt ge u omtrent hem van sommige dingen een denkbeeld vormen; maar hij ontdekt u al gauw en richt zich op zoo rechtals een paal en staart u wel vijf minuten aan zonder te bewegen of een ooglid te verroeren. Dan, overtroffen in zijn eigen kunstje, glipt hij weg. Een geritsel van kleine pootjes op bladeren, een zwakkwit-kwitmet een vraag er in—en hij is verdwenen. En hij zal niet, als de vos, terugkeeren om van den anderen kant te komen kijken en te trachten gewaar te worden wat ge zijt.
De nog maar pas doorgedrongen beschaving is goed voor het hazelhoen, want ze voorziet hem van een overvloed van voedsel en verjaagt zijn vijanden. Hazelhoenders zijn altijd talrijker om de nederzettingen heen dan in de wildernis. Anders dan andere vogels echter, wordt hij hoe langer hoe schuwer, naarmate hij dichter bij de menschelijke woningen is. Ik veronderstel dat het komt, doordat de tegenwoordigheid van den mensch zoo dikwijls vergezeld gaat met een toeschietenden hond en ’t knallen van een geweer, en misschien met hagel in zijn veeren, die hem kwetst en pijn doet als hij wegsnort. Eens in de wildernis, toen ’k ergen honger had, ving ik twee patrijzen door over hun kop een touwlus aan ’t eind van een stok te gooien. Hier zou men even goed kunnen trachten een vleermuis in de schemering te vangen, als de hoop te koesteren een onzer patrijzen van de heuvelhellingen door zoo’n uitvinding te strikken of er ook maar dicht genoeg bij te kunnen komen om over zoo’n poging te denken.
Maar er was éen hazelhoen—en nog wel het schuwstevan alle, die ’k ooit in de bosschen ontmoet heb—dat me, zonder dat hij ’t wist, allerlei trekjes uit zijn leven toonde en dat ik langzamerhand goed leerde kennen, na de waarnemingen van een paar seizoenen. Alle jagers uit het dorp kenden hem best; en een stuk of wat jongens, die geweren bezaten en begeerig waren zich in de gelederen der jagers te scharen, hadden jachtavonturen met hem beleefd. Hij stond wijd en zijd bekend als „de oude beukenpatrijs.” Dat hij oud was kon niemand ontkennen, van zijn doen en laten op de hoogte; en hij werd herhaaldelijk opgejaagd in een beukenbosch bij een beek, een paar mijlen buiten het dorp.
Niettegenstaande veel geleerde discussies over de vele soorten van hazelhoenders tengevolge van duidelijke kleurverschillen, geloof ik voor mij, dat we maar één soort hebben, en dat kleurverschillen grootendeels komen van de verschillende omgevingen waarin ze leven. Van alle vogels is het hazelhoen het onzichtbaarst in rust; zijn kleur is zoo volkomen in overeenstemming met de wortels en bladeren en boomstammen, waar hij zich tusschen verschuilt. Deze verwonderlijke onzichtbaarheid wordt nog verhoogd door het feit, dat hij gemakkelijk van kleur verandert. Hij is ’s zomers donkerder en ’s winters lichter, net als het konijn. Wanneer hij in donkere bosschen woont, wordt hij glanzend roodbruin; en als hij zijn verblijf tusschen de berken houdt, is hij vaak bepaald grijs.
Zoo was het stellig met den ouden patrijs. Als hij zijnstaart wijd uitspreidde en tusschen de beuken wegschoot, was zijn kleur zoo volkomen in overeenstemming met de grijze boomstammen, dat slechts een scherp oog hem kon onderscheiden.
’t Was een gladde vogel, die alle knepen kende. Als hij opvloog, had hij binnen een seconde een grooten boom tusschen ons en zich gebracht, om zijn vlucht te dekken. Ik weet niet hoe vaak er wel op hem geschoten was in de vlucht. Elke jager, dien ik ken, had het menigmaal geprobeerd; en elke jongen, die in ’t najaar door de bosschen zwierf, had hem schandelijk op den grond trachten te raken. Maar hij was nooit een veer kwijtgeraakt; en hij wou nooit zoo lang stilzitten voor een staanden hond, dat de handigsten in ons gilde goed konden aanleggen.
Wanneer een broedsel jonge patrijzen een hond door de bosschen hoort rennen, fladderen zij gewoonlijk op de onderste takken van een boom enkwit-kwittennieuwsgierig naar hem. Ze hebben het verschil tusschen hem en den vos nog niet geleerd, die de aartsvijand van hun geslacht is, en aan wien hun voorouders in de wildernis op dezelfde manier ontkwamen, dien ze net zoo tantaliseerden. Maar als ’t een oude vogel is, waar uw setter ’t spoor van volgt, dan is zijn handelwijze een grappige mengeling van geslepenheid en onweerstaanbare nieuwsgierigheid. Zoodra de oude Don staat, richt de patrijs zich stokstijf op bij een boomstomp en slaat den hond gade. Zoo staan ze als een paar beelden; de hond in toomgehouden door het vreemde instinct, dat hem doet „staan”, weg voor gezicht, voor geluid, voor alles, behalve voor de geuren in zijn neus; de patrijs in de grootste spanning, met elken zin op den vijand gericht, dien hij meent te misleiden door zijn goed verstoppen. Gedurende een kort oogenblik zijn ze roerloos; dan deinst de patrijs achteruit en glipt weg naar een betere schuilplaats. Als de sterke geur voor Dons neus vervliegt, staat hij niet langer, maar volgt. De patrijs hoort hem en verschuilt zich weer door zich op te richten tegen een boomstomp, waar hij onzichtbaar is; weer verstijft Don en staat met een poot in de lucht, neus en staart in een rechte lijn, alsof hij versteend was en zich niet kon roeren.
Zoo gaat het voort, nu eens door de struiken glippend, dan onbeweeglijk als een steen, tot de patrijs ontdekt, dat zoolang hij zich stilhoudt de hond wel verlamd lijkt, niet in staat zich te bewegen of te voelen. Dan zet hij zich in postuur pal tegen een wortel of een boomknoest; en daar staan ze geen twintig voet van elkaar af, zonder een vin te verroeren, tot de hond uitgeput door inspanning neerzijgt, of er een eind aan maakt door vooruit te springen, of tot de stap van den jager over de bladeren den patrijs opnieuw van ontzetting vervult en hem door de Octoberbosschen wegjaagt naar eenzamer plekjes.
Op een middag zag ik den ouden Ben, een beroemden hond, prachtig „staan”. Vlak vóór hem, in een ruigte van bruine varens, kon ik kop en hals van een patrijszien, die den hond scherp gadesloeg. De baas van den ouden Ben stelde voor daar op die plaats koffie te drinken, om het meesterlijk africhten van zijn hond op de proef te stellen. We trokken ons een eindje terug en gingen op ons gemak eten, terwijl we vogel en hond gadesloegen met een belangstelling, die hoe langer hoe grooter werd, naarmate de maaltijd vorderde, terwijl de oude Ben stond als een muur en het oog van den patrijs onbeweeglijk in de varenruigte glom. En geen van beide verroerde een vin, terwijl wij aten en Bens baas in kalm vertrouwen zijn pijp rookte. Eindelijk, na een vol uur, klopte hij zijn pijp op de hak van zijn laars uit en stond op om zijn geweer te krijgen. Dat beteekende den dood voor den patrijs; maar ik dankte hem te veel echt genot om het aan te zien, dat hij in zijn snelle vlucht zou worden neergeschoten. In het oogenblik, dat de baas zich omkeerde, gooide ik een stuk hout naar de varenruigte. De patrijs stoof de lucht in en weg, en de oude Ben, door ’t wiekgeruisch uit zijn bedwelming wakker geschud, liet zich gehoorzaam vallen op het sein en keerde zijn kop om, om verwijtend met zijn oogen te zeggen: „Wat ter wereld scheelt jou daar achter—heb ik hem niet lang genoeg in bedwang gehouden?”
Het brave oude beest beefde als een riet na de lange inspanning, toen ik naar hem toeging om hem op zijn kop te kloppen en zijn standvastigheid te loven, en hem ’t grootste deel van mijn maaltijd te geven. Maar tot op dezen dag weet Bens baas niet wat den patrijszoo plotseling heeft opgeschrikt; en als hij u van die gebeurtenis vertelt, zal hij er nog spijtig aan toevoegen: „Ik had net een oogenblik eerder moeten beginnen, voordat hij moe werd. Dan zou ’k hem gehad hebben.”
„De oude beukenpatrijs” was echter een anders geaarde vogel. Geen hond kon hem langer dan een seconde doen stilstaan; hij had maar al te goed geleerd wat dat beteekende. Zoodra hij ’t trippen van een hondepoot op de blaren hoorde, snelde hij weg en verschool zich, trok zich terug en repte zich weer, zoodat hij hond en jager op de been hield, tot hij de dekking vond naar zijn gading,—dikke boomen, of een warreling van wilden wingerd—waar hij dan aan den anderen kant uit kwam breken. En geen oog, hoe scherp ook, kon méér opvangen dan een tipje van een grijzen staart, voordat hij verdwenen was. Andere patrijzen vliegen in korte, rechte einden en kunnen gevolgd worden en weergevonden, maar hij ging er altijd op krachtige vlerken vandoor, over een ongelooflijken afstand, en zwenkte een heel eind naar rechts of links af; zoodat het tijdverspillen was om achter hem aan te gaan. Eer ge hem weer hadt, zouden zijn vleugels uitgerust zijn en was hij gereed voor nog een vlucht; en als ge hem dan vondt, schoot hij als een pijl uit den boog weg uit den top van een denneboom en er was ook niets meer van hem te zien.
Hij huisde den meesten tijd op een heuvelrug achtereen verlaten hoeve oostelijk van den ouden postweg. Dit was zijn middelste verblijfplaats, een plek met dicht struikgewas, doornboschjes2en zonnige open stukjes tusschen de rotsrichels, waar ge hem als ’t u meeliep op speciale dagen in alle jaargetijden kondt vinden. Maar hij had echt het zwerversinstinct van een Newfoundlandsch rendier. ’s Winters trok hij naar ’t Zuiden, met twintig andere patrijzen, naar den voet van den bergrug, die uiteenviel in een reeks van heuveltjes en ravijnen en zonnige, goedbeschermde valleitjes, waar volop te eten was. Hier was vijftig jaar geleden weiland, dat bij een boerderij hoorde; maar nu was het overal volgegroeid met kreupelhout en frambozenvelden en wilde appelboomen, die de vogels er gezaaid hadden. Alle vogels waren er graag op z’n tijd; kwartels nestelden er aan de zoomen; en men kon een bruin konijn opkloppen uit bijna elk van de vergane hoopen takken of holle, met mos begroeide stammen die er lagen.
In het voorjaar stak hij den kam weer naar het Noorden over en trok de stille, donkere bosschen in, waar hij twee of driewijfjes had met evenzooveel broedsels jonge patrijzen; die hij alle, laat me dat even zeggen, met verwonderlijke onverschilligheid beschouwde.
Door het heele gebied stroomde—stil uit de groote bosschen tevoorschijn sluipend, kabbelend langs den voet van den bergrug en zingend door de oude weide—een beek, waar de oude beukenpatrijs van scheen te houden. Wel honderd keer heb ik hem daar aan de oevers opgeschrikt. Ik hoefde er maar langs te loopen op eiken willekeurigen Novembermorgen vóor acht, en ik kon er zeker van zijn, dat ik hem vond. Maar waarom hij er altijd zat op dit bepaalde uur, in dit jaargetijde, heb ik nooit kunnen uitmaken.
Ik verwonderde me er dan soms over, waarom ik hem nooit zag drinken. Andere vogels hadden daar vaste drink- en baadplaatsen, en ik heb ze herhaaldelijk van mijn schuilhoek uit waargenomen, maar ofschoon ik hem dikwijls zag, nadat ik er achter was gekomen waar hij zat, hij raakte nooit het water aan.
Op een vroegen zomerochtend deed zich een aannemelijke verklaring voor. Ik zat rustig bij de beek, aan den rand van het groote bosch, te wachten tot het diepe water weer kalm zou zijn geworden, waar ik juist een forel uit had opgehaald en waar ik vermoedde dat een nog grootere zich schuilhield. Terwijl ik wachtte, kwam een patrijzenmoeder met haar broedsel—een van de tallooze gezinnen van den ouden beukenpatrijs, waar hij niet naar omkeek—langs den rand van het bosch glijden. Ze waren klaarblijkelijkkomen drinken, maar niet uit de beek. Een zoeter dronk dan daaruit wachtte op hun komst. De dauw lag nog op de grassprieten; hier en daar hing een droppel aan de punt van een blad als een diamant in ’t vroege licht te schitteren. En dan hieven de patrijsjes, die tjilpten en glipten en floten tusschen de neerbuigende halmen, hun bekjes op naar elken glanzenden dauwdroppel, die hen lokte, en dronken hem in en haastten zich met vroolijk gepiep en gorgelgeluidjes naar den volgenden droppel, die een uitnoodiging flonkerde van zijn neigenden grasspriet. De oude moeder wandelde bezadigd in hun midden, maakte zich nu eens druk om een achterblijver, dan weer klokte zij ze alle bij elkaar tot een begeerig, tsjilpend, hippend troepje, terwijl ieder vocht de eerste te zijn om een vette slak te dooden, die ze aan den onderkant van een blad had ontdekt; en straks rekte ze zich zelf uit naar een dauwdroppel, die voor hen te hoog hing om te drinken. Zoo trokken ze voorbij op nog geen paar meter afstands, een schuw, wild, gelukkig gezinnetje, en verdwenen in de schaduw van het groote bosch.
Misschien is dit de reden, waarom ik den ouden beukenpatrijs nooit uit de beek heb zien drinken. De natuur heeft frisscher dronk, dien ze zelf bereid heeft, en die nog meer naar zijn smaak is.
Eerder in ’t seizoen had ik nog een van zijn gezinnen daar ook in de buurt gevonden. Ik sloop langs een boschpad, toen ik ze plots verraste, op een zonnigopen plaatsje, waar ze uit alle macht aan ’t krabbelen waren in een mierenhoop. Een wild geflodder, alsof een warrelwind over den mierenhoop gevaren was; maar het was slechts de wind der vleugels van den moedervogel, die de stof opjoegen om mijn oogen te verblinden en den haastigen terugtocht te dekken van haar donzige broedsel. Nog eens sloegen haar vlerken op den grond en joegen een warreling van dorre blaren op, temidden waarvan de patrijsjes weghipten en -scharrelden, zóo precies de bladen, dat geen oog ze van elkaar kon onderscheiden. Toen zegen de blaren langzaam neer en het broedsel was verdwenen, alsof de grond het verzwolgen had; terwijl moeder patrijs juist buiten mijn bereik wegflodderde, met een vleugel sleepte alsof die gebroken was, plat op den grond viel, klokte enkwit-kwitriep, en de blaren opjoeg om mijn aandacht te trekken, me weg te krijgen van de plaats waar de jongen zich verstopt hadden.
Ik knielde juist binnen den boschzoom neer, waar ik den achterblijver van het broedsel als een bruine schicht had zien verdwijnen en begon zorgvuldig naar ze te zoeken. Na een poosje vond ik er een. Hij zat plat op een dor eikeblad gedoken, vlak voor mijn neus, wonderlijk gedekt door zijn kleur. Er glinsterde iets in een donker wortelkluwen. Het was een oog, en weldra kon ’k daar een kopje onderscheiden. Dat was al wat ik van ’t gezin vermocht te ontdekken, ofschoon er nog wel twaalf vlak bij me, de meesteonder de bladen, waren. Toen ik achteruitkroop, legde ik mijn hand er op een voordat ’k hem zag, en ’t had geen haar gescheeld of ’k zou dien kleinen slimmerd bezeerd hebben, die geen vin verroerde, niet eens toen ik het blad wegnam, dat hem bedekte en ’t voorzichtig weer neerlegde.
Aan den overkant van ’t pad stond een dikke dwergeik, waar ik onder ging zitten loeren. Het duurde tien lange minuten, waarin zich niets verroerde, eer moeder patrijs terug kwam sluipen. Ze klokte eens—„pas op!” scheen ’t wel te beteekenen, en er bewoog geen blad. Ze klokte weer—opende de grond zich? Daar had je ze, wel meer dan een dozijn, die uit het niet waren opgesprongen en haastig aankwamen om haar er met een eindeloos gepiep alles van te vertellen. Ze verzamelde ze zoo alle dicht om zich heen en ze verdwenen, door de schaduwen geholpen.
Het was grappig zoo ijverzuchtig als de oude beukenpatrijs over de eenzaamheid waakte, waar deze merkwaardige kleine families rondzwierven. Ofschoon het leek dat hij geen zier om ze gaf, en men hem nooit in de buurt van een zijner gezinnen waarnam, hij duldde ’t niet dat een andere mannetjespatrijs in zijn bosschen kwam of ook maar binnen gehoorsafstand trommelde, ’s Winters deelde hij het zuidelijke weiland vreedzaam met wel twintig andere patrijzen; en op bepaalde dagen kon men, na veel gekruip, een heel gezelschap van die dieren op een zonnige zuidelijke helling verrassen, waar ze deftig stapten en in- en uit-en rondglipten met uitgespreiden staart en hangende vlerken, alle bewegingen uitvoerend van een patrijzenmenuet. Eens, op een laten, warmen najaarsdag, was ik naar een twaalf of vijftien van die prachtige vogels toegekropen, die hun merkwaardige vertooning ten beste gaven in een kleine opening tusschen de wilde frambozen; en in hun midden—trotscher, pralender, verwaander stappend en aanmatigender klokkend dan een van de andere—was de oude beukenpatrijs.
Maar toen ’t voorjaar werd en de lange, rollende trommelklanken door de uitbottende bosschen begonnen te roffelen, trok hij zich terug naar zijn middelste gebied op den bergrug en wandelde van ’t eene eind naar ’t andere, dreef elken anderen mannetjespatrijs uit zijn gehoor en nam hem geducht onderhanden als hij ’t waagde hem te weerstaan. Dan hoorde men na een overwinning zijn luid getrommel door de Meische heerlijkheid rollen, om zooveel wijfjes als hij maar kon te verlokken zijn weelde met hem te deelen.
Hij had twee trommelstammen in zijn gebied liggen, zooals ik al spoedig ontdekte; en eens, terwijl hij op den eenen stam stond te trommelen, verschool ik me bij den anderen en bootste zijn kreet vrij goed na door met mijn handen op een met lucht gevulde blaas te slaan, die ik onder mijn jas geknoopt had. Het roffelen van een patrijzen getrommel is een eigenaardig gedempt geluid; het valt dikwijls moeilijk plaats of zelfsrichting van herkomst te bepalen; en het klinkt altijd veel verder weg dan het werkelijk is. Dit heeft den ouden beukenpatrijs in ’t eerst misschien misleid om te denken, dat hij een anderen vogel heel in de verte hoorde, op een heuvelkam aan den overkant van de vallei waar hij niets te maken had; want al gauw trommelde hij weer op zijn eigen stam. Ik antwoordde er onmiddellijk op, door een uitdaging terug te roffelen en vertelde zoo ook elke wijfjespatrijs in het gebied, dat er nog een candidaat was, geneigd tot pronken en zijn staart uit te spreiden en den schitterenden kraag om zijn hals op te zetten, om zich een plaatsje te veroveren in haar gunsten, als ze hem maar op zijn trommelstam wou komen kijken.
Er moet eenige argwaan, dat er een mededinger in zijn gebied gedrongen was, in den kop van den ouden patrijs zijn opgekomen, want er was een lange stilte, waarin ik me hem kon voorstellen, hoe hij recht en stijf op zijn stam aandachtig stond te luisteren om de plaats te bepalen waar die brutale indringer zat, en zijn ziedenden toorn met moeite bedwong.
Zonder te wachten tot hij weer trommelde, roffelde ik een uitdaging. Ternauwernood was ’t trommelen opgehouden, of daar kwam hij den heuvel opschieten, als een bliksemschicht tusschen de dikke takken door, en plofte bij zijn eigen stam neer, waar hij zich met wonderbaarlijke gezwindheid oprichtte, om luisterend naar den indringer te spieden.
Het scheen hem te verlichten, dat de stam niet bezetwas, maar hij was nog vol opgekropten toorn en achterdochtigheid. Hij gleed en dook, de heele plek over rondziend en luisterend; toen sprong hij op zijn stam en zonder als gewoonlijk den tijd te nemen om te pronken en zijn schitterende veeren uit te spreiden, liet hij den langen roffel hooren, richtte zich onmiddellijk op toen ’t gebeurd was, wendde zijn kop naar alle kanten om het eerste geluid van het antwoord van zijn mededinger op te vangen,—„Kom eens voor den dag als je durft,—rrom!—als je durft. O jou, lafaard!” En hij hipte, in vijf of zes hooge, opgewonden sprongen, als een haan vóór den storm, naar ’t andere einde van den stam, en weer rolde zijn snelle, kloppende trommelslag door de bosschen.
Ofschoon ik dicht genoeg bij was om hem zonder kijker duidelijk te onderscheiden, kon ik zelfs toen niet (en andere keeren dat ik een patrijs heb zien trommelen evenmin) precies nagaan hoe dat geluid gemaakt wordt. Na een poosje bedaarde de opwinding over een vermoedelijken mededinger, en werd hij verrukt, omdat hij meende den schelm uit zijn bosch te hebben verdreven. Hij wandelde statig op den stam heen en weer, liet zijn vleugels slepen, spreidde zijn prachtigen staart wijd uit, zette zijn borst en zijn schitterenden kraag op. Plotseling richtte hij zich dan in de hoogte; een zwiepen van zijn vleugels op en neer, dat geen oog kon volgen, en ik hoorde een enkelen slag van zijn roffel. Weer een zwiepenen weer een slag; dan hoe langer hoe gauwer, tot het leek alsof hij twee of drie paar vlerken had, die suisden en wentelden beide als de spaken van een sneldraaiend wiel, en de trommelslagen rolden samen tot een langen roffel en verstierven in de bosschen.
Gewoonlijk stond hij op zijn teenen, zooals een haan doet, wanneer hij met zijn vleugels klept eer hij kraait; zelden dook hij op den stam neer; maar ik twijfel er aan of hij met zijn vlerken op ’t hout slaat, zooals dikwijls beweerd wordt. Toch verschilden de beide stammen van elkaar; de eene was droog en hard, de andere vermolmd en bemost; en de roffels waren even verschillend als de beide stammen. Na een tijdje kon ik na den eersten wiekslag aan ’t geluid zeggen, welken stam hij gebruikte; maar dat was dunkt mij een quaestie van weerklank, de uitwerking van een soort klankbord, en niet doordat ze beide verschillend klonken als hij er op sloeg. Het getrommel wordt ongetwijfeld veroorzaakt, of doordat hij de vlerken boven zijn rug samenslaat, of, zooals ik geneigd ben te gelooven, doordat hij ze bij ’t neergaan tegen zijn eigen flanken klapt.
Eens hoorde ik een gewonden vogel drie of vier slagen van zijn roffel geven en toen ik het wingerdboschje inging, waar hij neergestort was, vond ik hem plat op zijn rug liggen, terwijl hij zich met zijn vleugels op de flanken sloeg.
Altijd als hij trommelt stapt hij eerst als een pauw, omdat hij niet weet hoeveel heldere oogen hem schuwuit het struikgewas bespieden. Eens toen ik hem een paar keer statig had zien wandelen en trommelen, ritselde ’t in de bladeren en verschenen er twee wijfjespatrijzen van weerskanten op de open plek waar zijn stam zich bevond. Toen paradeerde hij met nog grooter ijdelheid dan tevoren, terwijl de twee wijfjespatrijzen over de plek gleden: naar den schijn zochten ze zaadjes, maar in werkelijkheid bespiedden ze elke van zijn bewegingen met een schuin oogje en bewonderden hem, tot zijn innige voldoening.
’s Winters volgde ik zijn spoor gewoonlijk in de sneeuw, om er achter te komen wat hij uitgevoerd had en wat voor voedsel hij gevonden had, als er schaarschte in de natuur was. Voor zijn ergste vijanden, den mensch en zijn hond, hoefde hij niet bang meer te zijn, want ze werden in bedwang gehouden door de wet, en hij zwierf nog vrijer door de bosschen dan ooit. Hij scheen te weten dat hij veilig was gedurende dezen tijd, en meer dan eens speurde ik hem na tot in zijn schuilplaats en zag hem wegfladderen door de open bosschen, terwijl hij een regen van sneeuw achter zich neerjoeg, alsof hij het op die eigenaardige wijze deed, om de richting van zijn vlucht voor mijn oogen te verbergen.
Er waren echter andere vijanden, door geen wet in bedwang gehouden, behalve de algemeene boschwetten van vrees en honger. Dikwijls vond ik het spoor van een vos, dat het zijne in de sneeuw kruiste, en eens volgde ik een dubbel spoor, den vos een patrijsnaspeurend, bijna wel een halve mijl ver. De vos was hem laat in den vorigen middag op ’t spoor gekomen en was hem naar een doornboschje gevolgd, waar middenin een groote ceder stond waarin de oude beukenpatrijs op stok ging. De vos was twee keer om den boom heengegaan, had stilgestaan en opgekeken en zich toen regelrecht naar ’t moeras begeven, alsof hij wel wist, dat ’t nergens toe diende nog langer te loeren. Als er veel sneeuw lag, vond ik zelden de plek waar hij of een andere patrijs op den grond waren gaan slapen. Hij plofte gewoonlijk uit een boom in de zachte sneeuw neer, en dook er halsoverkop wel drie of vier voet in, keerde zich dan rond en nestelde zich in zijn witte, warme kamertje voor den nacht. Ik vond dan het holletje, waar hij ’s avondsin was geschoten, en er dichtbij het groote gat, waar hij er uitgebroken was toen het licht hem wekte. Als ik mijn richting dan bepaald had naar den indruk van zijn vleugels in de sneeuw, volgde ik die, om na te gaan waar hij neergestreken was en hem op zijn vroege zwerftochten na te speuren.
Men zou meenen dat het een gevaarlijke manier van doen was, zoo zonder andere beschutting dan sneeuw op den grond te slapen, met allerlei hongerige vijanden, die in ’t bosch rondsluipen; maar de patrijs weet wel dat als ’t sneeuwt zijn vijanden stilletjes thuis blijven, omdat ze niet in staat zijn te zien of te ruiken, en dientengevolge allemaal zelf voor hun eigen vijanden bang zijn. Gedurende een sneeuwstorm is er altijd wapenstilstand in het bosch, en dat is de reden waarom een patrijs in de sneeuw dan alleen gaat slapen, als de vlokken nog neervallen. Wanneer dit ophoudt en de sneeuw een beetje bezonken is, zal de vos weer op de been zijn; en dan slaapt de patrijs in het naaldhout.
Eens echter rekende de oude beukenpatrijs buiten den waard. ’t Was vroeg in den avond met sneeuwen opgehouden en de honger dreef den vos naar buiten, in een nacht, dat hij zich anders gedekt zou hebben gehouden. Om en bij ’t aanbreken van den dag, voordat het licht nog was doorgedrongen tot waar de oude beukenpatrijs lag te slapen, vond de vos een gat in de sneeuw, dat hem verried hoe vlak voor zijn hongerigen neus een patrijs verscholen zat,die zich van geen gevaar bewust was. Ik vond de plek, toen ik het spoor van den vos een paar uren later volgde. Wat was hij omzichtig! Het sluwe spoor sprak boekdeelen van honger en verwachting. Een paar voet van ’t veelbelovende gat af had hij stil gestaan en scherp over de sneeuw uitgekeken, om een verraderlijke ronding op de gladde oppervlakte te ontdekken. Aha! daar was ze, net aan den zoom van een boschje jeneverbessen. Hij dook neer, sloop vooruit, zoodat hij een diep spoor met zijn lichaam groef, plantte zich stevig vast en sprong toe. En daar, vlak naast het gat dat zijn pooten in de sneeuw gemaakt hadden, was nog een gat, waar de patrijs uitgebroken was, zoodat hij zijn heelen vijand, die zich een voet verrekend had, vol sneeuw gestrooid had, en met oorverdoovend lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen.
... en met oorverdoovend lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen....… en met oorverdoovend lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen.…bl. 103 V.
… en met oorverdoovend lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen.…
bl. 103 V.
Er was nog een vijand, die verstandiger had moeten zijn en die den ouden beukenpatrijs een heel vroeg voorjaar lang achtervolgd had, toen er veel sneeuw lag en ’t voedsel karig was. Op een dag dat ik het zuidelijk gebied van den patrijs doorkruiste, ontmoette ik een jongetje,—een pienter kereltje met het jagersinstinct van een vos. Hij had altijd wat merkwaardigs—otters, of muskusratten, of een bunzing, of een grooten uil,—zoodat ik hem met vreugde begroette.
„Hallo, Jantje! Wat speur jij vandaag—beren?”
Maar hij schudde zijn hoofd slechts—een beetjesullig, leek het mij toe—en praatte over alles behalve over datgene waaraan hij dacht; en weldra verdween hij in het oude pad. Een van zijn jaszakken puilde meer uit dan de andere en ik wist dat er een klem in zat.
Laat op dien middag stootte ik op zijn spoor en aangezien ’k niets belangrijkers te doen had, ging ik het volgen. Het leidde regelrecht naar het doornboschje waar de oude beukenpatrijs op stok ging. Ik had er dikwijls tevergeefs naar gezocht, eer de vos mij er bracht; maar Jantje had op een van zijn zwerftochten prenten en een paar veeren onder een cedertak gevonden en wist best wat dat zeggen wilde. Daar was zijn klem, precies op de plek, waar de oude patrijs den vorigen avond gestaan had, toen hij zijn sprong nam naar den ondersten tak. Er was volop koren uitgestrooid en een blauwe gaai, die Jan achterna gegaan was, zat al stevig in de klem; bij den wortel van zijn snavel net onder de oogen was hij gegrepen. Hij had de klem doen toeklappen, toen hij naar wat koren pikte, dat listig met een dun ijzerdraadje aan de pan was vastgemaakt.Toen ik de gaai zorgvuldig uit de klem nam, hield zij zich dood en slap in mijn hand, tot mijn greep ontspande en zij naar een tak boven mijn hoofd vloog, waar zij me bekeef en uitschold, omdat ik me inliet met zulke afschuwelijke uitvindingen.
Ik hing de klem aan een lagen tak van den ceder, met een briefje tusschen haar tanden, om Jan te vragen of hij den volgenden dag eens bij me wou komen. Hij kwam met een beschaamd gezicht toen ’t donker werd, en ik nam hem onderhanden over onridderlijkheid en ’t verschil tusschen een diefachtigen otter en een eerlijken patrijs. Maar hij grinnikte om de blauwe gaai en ik twijfelde er aan of zoo’n berisping alleen wel een blijvende uitwerking zou hebben. Om het hem dus wat gemakkelijker te maken, liet ik iets los over de glijbaan van een otter, die ik ontdekt had en over een gezamenlijken zwerftocht op een Zaterdagmiddag. Hij vertelde me, dat hij wel twintig keer dien ouden beukenpatrijs had trachten te verschalken. Toen hij de glijbaan van den otter zag, zwoer hij klemmen en strikken voor vogels af, en ik verliet kort daarna de streek, zeer hoopvol wat den patrijs aangaat, want ik wist dat ’k de kanonnen vernageld had van zijn gevaarlijksten vijand.
Jaren later kwam ik door de oude wei en ging regelrecht naar de wildernis van doornstruiken. Er waren prenten van een patrijs in de sneeuw,—korte sporen, die licht rustten op het zachte blank, en toonden dat de Natuur gedachtig was aan zijn behoeften en gezorgdhad dat zijn nieuwe sneeuwschoenen prachtig gegroeid waren. Ik haastte me naar de beek, terwijl tallooze herinneringen aan gelukkige dagen en zeldzame ontdekkingen, als het boschvolkje me zijn kleine geheimen openbaarde, zich aan me opdrongen. Toen ’k er heelemaal in verdiept was—kwit-kwit!en met luidruchtig wiekgeruisch suisde er een patrijs weg, wild en grijs als de bijzondere vogel, die daar jaren te voren geleefd had. En toen ik er een jager naar vroeg, zei hij: „Die oude beukenpatrijs? O ja, die zit daar. Daar zal hij wel blijven ook, tot hij van ouderdom doodgaat, want, ziet u, mijnheer, d’r is hier in de buurt niemand gewikst genoeg om hem te vangen.”
1Felis Concolor.↑2Smilax.↑
1Felis Concolor.↑2Smilax.↑
1Felis Concolor.↑
2Smilax.↑