WOLKVLEUGEL, DE ADELAAR.„Daar heb je hem weer! Daar is die Witkop bezig den vischarend te bestelen.”Ik schoot op uit mijn kleinecommoosieachter ’t vuur bij Gillie’s opgewonden kreet en snelde op ’t strand naar hem toe. Een blik over de Rendier-kaap heen naar de groote baai, waar ontelbare witvisschen schoolden, gaf me weer een hoofdstuk van een lange, maar altijd merkwaardige geschiedenis. Ismaques, de vischarend, was met een dikken visch uit het meer gestegen en deed zijn best om naar zijn nest te komen, waar zijn jongen om eten riepen. Boven hem zweefde de adelaar, zoo onbeweeglijk en onverbiddelijk als het noodlot, liet zich nu eens neervallen om Ismaques met een wiek in ’t gezicht te flappen, raakte hem dan weer zachtjes met zijn groote klauwen aan, alsof hij wilde zeggen: „Voel je dat, Ismaques? Als ik maar éen keer goed toegrijp, zal ’t uit zijn met jou èn je visch. En wat zullen de jongen dan beginnen daar boven in ’t nest in den ouden den? Laat hem nu liever kalm vallen; jij kunt een anderen vangen.—Laat vallen!zeg ik.”Tot dat oogenblik had de adelaar het den grooten vischarend nog alleen wat lastig gemaakt onder ’t vliegen, met af en toe een zachten wenk, dat hij geen kwaad bedoelde, maar dien visch wilde hebben, dien hij zelf niet vangen kon. Nu kwam er verandering; ’s konings humeur toonde zich even. Met ruischendewieken zwierde hij als een wervelwind om den vischarend heen en hield plotseling dreigend stand midden in de lijn van zijn vlucht. Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven; zijn gele oogen tuurden fel in de ineenkrimpende ziel van Ismaques, zijn klauwen waren ver teruggetrokken voor een doodelijken stoot. En Simmo, de Indiaan, die beneden naar me toe was komen draven, mompelde: „Nu Cheplahgan woedend; dat Ismaques zoo dadelijk merken.”Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven....Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven.…bl. 108 V.Maar Ismaques wist precies hoever hij gaan kon. Met een kreet van woede liet hij zijn visch vallen, of liever, hij gooide hem neer, in de hoop dat hij in ’t water terecht zou komen en verloren gaan. Op hetzelfde oogenblik wielde de adelaar hem uit den weg en boog bliksemsnel zijn kop. Ik had hem wel eerder zijn vleugels zien samenvouwen en neervallen, en mijn adem ingehouden bij zoo’n vaart. Maar vallen hielp nu niet, want de visch viel sneller. In plaats daarvan schoot hij naar beneden en vermeerderde ’t gewicht van zijn val door ’t stuwen van zijn forsche wieken, terwijl hij neersuisde als een bliksemflits, om den visch te grijpen voor deze ’t water raakte, en steeg hij met een groote bocht weer op—gestadig hooger en verder weg, gelijkmatig als ’t een koning betaamt te vliegen, naar zijn eigen jongen, heel ginds op den berg.Weken tevoren had ik den Ouden Witkop, zooals Gillie hem noemde, al leeren kennen op den Madawaska.We voeren de rivier op, op weg naar de wildernis, toen luide kreten en ’t gepang van een geweer vlak voor ons weerklonken. Als we haastig een bocht tusschen de beboschte oevers om kwamen schieten, troffen we een man aan met een rookend geweer, een jongen tot aan zijn middel in de rivier, die hij over trachtte te komen, en aan den anderen kant een zwart schaap, dat ronddraafde en bij elken sprong blaatte.„Hij heeft het lam meegenomen; hij heeft het lam meegenomen!” riep de jongen. Toen ik de richting van zijn vinger volgde, zag ik den Ouden Witkop, een prachtigen vogel, zwaar boven de boomtoppen aan den anderen kant van het open veld uitstijgen. Bijna instinctmatig reikte ik achter me, greep het zware geweer, dat Gillie me in handen gaf, en sprong uit de kano; want met een geweer heb je een stevigen voetsteun noodig. Het was een ver schot, maar niet zoo heel moeilijk; de Oude Witkop had zijn draai genomen en bewoog zich gestadig al verder weg. Een seconde nadat het schot gevallen was zagen we hem stilhouden en afwijken in de lucht; toen kwamen er twee witte slagpennen neerzijgen en terwijl hij zich wendde, zagen we de breuk in zijn breeden, witten staart. En dat was het teeken waar we hem later altijd aan herkenden.Dit gebeurde bijna tachtig mijlen per kano vanwaar we nu stonden, ofschoon nauwelijks tien hemelsbreed over de bergen; want de rivieren en meren, diewe volgden, kronkelen tot bijna aan ’t punt van uitgang terug; en de geheele wilde, prachtige streek was het jachtgebied van den adelaar. Waar ik ook ging, zag ik hem; ik zag hoe hij de groote rivieren volgde om aan land gespoelde forel en zalm, of hoog in de lucht dreef, waar hij twee of drie meren der wildernis overzien kon, hij met evenveel brave vischarenden, die er hun maaltijd vingen. Ik had een museum-beheerder beloofd dat ik hem dien zomer een adelaar zou bezorgen, en begon dus naarstig op dien grooten vogel te jagen. Maar dat jagen gaf niet veel, behalve dat het me heel wat van zijn zeden en gewoonten leerde, want ’t leek, alsof hij oogen en ooren over zijn geheele lichaam had; en al kroop ik als een slang door de bosschen, of al dreef ik als een wilde eend in mijn kano over het water, hij zag of hoorde me altijd en was verdwenen eer ik hem onder schot kon krijgen.Toen poogde ik hem in een stap1te lokken. Ik legde twee groote forellen met een stalen klem er tusschen in, op een ondiepe plaats in de rivier, die ik van mijn kamp uit op een steilen oever, een halve mijl stroomaf, kon gadeslaan. Den volgenden dag hief Gillie, die begeeriger was dan ik, een geschreeuw aan, en toen ik te voorschijn kwam snellen, zag ik den Ouden Witkop in ’t ondiepe water bij den stap staan, waar hij omheen klapwiekte. We sprongen in een kano en roeiden spoorslags de rivier op, terwijl we juichtenvan verrukking, dat we den fellen, ouden vogel eindelijk hadden. Toen we de laatste landtong omkwamen, die de ondiepte verborg, stond de Oude Witkop daar, geen dertig meters van ons af, nog aan een visch te rukken en in ’t water te plassen. Ik zal niet spoedig zijn houding en uitdrukking vergeten, als wij de landtong omschoten: zijn lijf rechtop en stijf, zijn wieken half ontplooid, zijn kop naar voren, de oogleden rechtgetrokken en een krachtige, felle glans van vrijheid en ongetemde wildheid in zijn heldere oogen. Zoo stond hij daar, een heerlijk wezen, tot we bijna bij hem waren,—toen steeg hij rustig op en nam een van de forellen mee. De andere had hij al in zijn maag. Hij zat in ’t geheel niet in de klem, maar was er zorgvuldig om heengestapt. Het geplas was veroorzaakt, doordat hij den eenen visch met zijn klauwen stuk had gereten en den anderen van een paal waar hij op stak had losgemaakt.Daarna kwam hij niet meer bij het ondiepe water, want hij had een nieuwe ondervinding opgedaan in zijn leven, die een donkere schaduw achterliet. Hij, die de koning was van alles wat hij van den ouden, door den bliksem getroffen den op den top van de klip overzag, die tot nog toe steeds de jager geweest was, wist nu wat het beteekende gejaagd te worden. En de angst er voor was, dunkt me, in zijn oogen en verzachtte hun fellen gloed, toen ik weken later hem er weer in keek, bij zijn eigen nest op den berg.Simmo nam ook aan onze jacht deel, maar zondergeestdrift of vertrouwen. Hij had al eerder op denzelfden adelaar gejaagd—een heelen zomer, om de waarheid te zeggen, toen een toerist, dien hij als gids diende, hem twintig dollars beloofd had voor de veeren van den koninklijken vogel. Maar de Oude Witkop droeg ze nog zegevierend en Simmo voorspelde hem een lang leven en een natuurlijken dood. „Toch niks geven op dien arend jagen,” zei hij eenvoudig. „Ik eens probeeren en hem niet kunnen besluipen. Hij alles zien; en hij niet zien, dan hij hooren. En dan, gevaar hij voelen aankomen. Daarom hij bouwen zijn nest zoo ver weg, einden weg, o, ik niet weten waar wel.” Dit laatste met een armzwaai om ’t heelal er onder te begrijpen. Cheplahgan, den Ouden Wolkvleugel, noemde hij trots den vogel, die hem een heelen zomer op jacht getart had.In ’t begin had ik op hem gejaagd als ieder andere barbaar; natuurlijk gedeeltelijk om zijn veeren voor den museumman; gedeeltelijk misschien om de lammeren van de kolonisten te beschermen; maar voornamelijk om hem te dooden, om te genieten van zijn klappende wieken als hij lag te sterven, en de bosschen te bevrijden van een wreeden dwingeland. Onder ’t jagen kwam er echter geleidelijk een verandering over me; ik zocht hem hoe langer hoe minder om zijn veeren en om zijn leven, en hoe langer hoe meer om hem zelf, om alles van hem te weten te komen. Ik placht hem urenlang gade te slaan van mijn kamp aan ’t groote meer uit, zooals hij daar rustig over deRendier-kaap zeilde, nadat hij met zijn jongen gegeten had, en in een stemming was om Ismaques in vrede zijn gang te laten gaan met visschen.Dan zette hij zijn groote wieken naar de bries en stond als een vlieger in den wind, terwijl hij geleidelijk naar boven klom in een eindelooze spiraal, hooger en hooger, zonder een zweem van inspanning, tot het oog duizelig werd onder ’t volgen. En ik hield er van om hem gade te slaan, zoo krachtig, zoo vrij, zoo zeker van zichzelf—om en om, hooger, al hooger, zonder haast, zonder moeite, en elke wending vond den hemel nader en de aarde verder onder zich uitgebreid. Nu glimmen kop en staart zilverwit in den zonneschijn; nu hangt hij roerloos, een kruis van git, als een vrouw om den hals zou kunnen dragen, tegen het klare, peillooze blauw van den Junihemel—daar! hij is in ’t blauw verloren, zoo hoog, dat ik hem niet meer kan zien. Maar juist als ik me afwend, duikt hij weer binnen ’t bereik van mijn blik, laat zich met opgevouwen vleugels als een zinklood neervallen, al sneller en sneller, al grooter en grooter, door een ontzettenden luchtstroom, tot ik opspring en mijn adem inhoud, alsof ik zelf neerkwam. En vlak voordat hij zich te pletter valt, zwenkt hij om in de lucht, met zijn kop naar beneden en half open wieken, en schiet in snelle glijvlucht naar het meer, dan in een groote bocht omhoog naar de boomtoppen, waar hij beter kan zien wat Kakagos, de zeldzame boschraaf, uitvoert, en op welk wild hijjaagt. Want om dat te ontdekken kwam Cheplahgan zoo haastig naar beneden.Dan weer kwam hij vroeg in den morgen stroomop zwieren, alsof hij al een lange dagreis achter den rug had, met iets van heel, heel ginds en nog-zóó-ver in zijn snelle voortwieken. En als ik dan aan ’t forellenwater stond en heel stil was, hoorde ik het krachtige zijdegeritsel van zijn vlerken onder ’t voorbijvliegen. ’s Middags zag ik hem boven den hoogsten bergtop in ’t Noorden hangen, op een ontzaglijke hoogte, waar de verbeelding zelfs de heerlijke vlucht van zijn uitzicht niet volgen kon; en ’s avonds vloog hij het meer over, als hij zich naar ’t Westen voortbewoog, naar den zonsondergang toe op onvermoeide wieken—altijd sterk, edel, prachtig in zijn kracht en eenzaamheid, een volmaakt zinnebeeld van de groote, verlaten, heerlijke wildernis.Eens dat ik hem gadesloeg, overviel het me plotseling, dat bosch en rivier onvolmaakt zouden zijn zonder hem. De gedachte hieraan kwam bij me terug en spaarde hem voor de wildernis, dien laatsten keer toen ik hem op leven of dood ging jagen.Dat was vlak nadat we het groote meer bereikt hadden, waar ik hem den vischarend had zien berooven. Na lang zoeken en rondloeren ontdekte ik een grooten boomstam aan den uitgang, waar de oude Witkop dikwijls zat. Er dicht bij was een groote draaikolk, op den rand van een ondiep gedeelte, en hij placht op den stam te zitten wachten tot er vischkwam, daar waar hij in ’t water kon waden om ze te vangen. Er heerschte dat jaar een ziekte onder de zuigvisschen2(die geregeld om de paar jaar heerscht, evenals onder de konijnen) en dan kwamen ze uit het diepe water naar boven kronkelen om op ’t zand uit te rusten—en werden door otters en vischarenden en beren en den ouden Witkop gegrepen, die alle hongerig op visch wachtten.Verscheiden dagen legde ik een mooi lokaas van forel en witvisch aan den rand van het ondiepe. De twee eerste keeren werd ’t aas laat in den middag uitgelegd en beide keeren kreeg een beer het den volgenden nacht. Toen legde ik het vroeg in den morgen, en voor den middag had Cheplahgan het ontdekt. Hij kwam recht als een pijl uit den boog van zijn uitkijk aan den anderen kant van den berg, van mijlen ver, en bracht me in groote verwondering, welk vreemd zesde zintuig hem leidde; want gezicht en reuk schenen beide evenzeer buitengesloten. Den volgenden dag kwam hij weer. Toen legde ik het allerbeste aas in ’t ondiepe en verborg me met mijn geweer in ’t dichte kreupelhout in de buurt.Hij kwam eindelijk, na uren wachtens, en viel met een zwaar wiekgeruisch van boven de boomtoppen neer. En toen hij op den ouden stam neerstreek en zijn breeden, witten staart uitspreidde, zag ik vol trots het gat dat mijn kogel weken te voren had gemaakt.Hij stond daar een oogenblik prachtig opgericht, kop, hals en staart glanzend wit; zelfs de donkerbruine veeren van zijn lichaam glommen in den helderen zonneschijn. En hij keerde langzaam zijn kop van den eenen kant naar den anderen, terwijl zijn scherpe oogen fonkelden, alsof hij zeggen wilde: „Aanschouwt, een koning!” tegen Chigwooltz, den kikvorsch, en Tookhees, de boschmuis, en tegen elk ander levend wezen, dat hem toevallig uit het kreupelhout zou kunnen gadeslaan bij zijn onkoninklijke daad van op doode visch te azen. Toen hupte hij naar beneden—vrij onhandig, moet ik bekennen; want hij is een dier van de hemelsche diepten, die de aanraking met de aarde niet verdragen kan—greep een visch, dien hij met zijn klauwen aan stukken trok en gulzig verslond. Twee keer trachtte ik hem te schieten, maar de gedachte aan de wildernis zonder hem wilde me niet uit het hoofd en weerhield me. En dan kwam het me zoo min voor, hem van een hinderlaag uit te betrekken, als hij naar beneden op den grond was gekomen, waar hij in ’t nadeel was; en toen hij wat van de grootere visschen in zijn klauwen greep, er snel mee omhoog rees en ze naar ’t Westen wegdroeg, was elke begeerte om hem te dooden vergaan. Er waren blijkbaar jonge Wolkvleugels, die ik ook moest opsporen en gadeslaan. Daarna jaagde ik nog ijveriger dan te voren op hem, maar zonder geweer. En een eigenaardig verlangen, waar ik geen rekenschap van geven kon, maakte zich van memeester: om dit ongetemde, ongerepte dier van wolken en bergen aan te raken.Den volgenden dag deed ik het. Er groeiden dichte struiken langs den eenen kant van den ouden stam, waar de adelaar op ging zitten. Hier hakte ik met mijn jachtmes een tunnel in en schikte de toppen zoo, dat ze me beter verborgen. Toen legde ik mijn aas uit, een goede twee uur voordat de oude Witkop op zijn vroegst kon komen, en kroop mijn hol in om te wachten.Nauwelijks had ik me in mijn plaatsje genesteld en me afgevraagd hoe lang menschelijk geduld het steken van insecten en de heete, benauwde lucht zou kunnen uithouden zonder zich te verroeren of een blad te bewegen, of het zware zijgeruisch klonk vlakbij en ik hoorde den greep van zijn klauwen op den stam.Daar stond hij op een armslengte afstands, terwijl hij onrustig met zijn kop draaide en het licht op zijn witte borst blikkerde, met de felle, ongetemde fonkeling in zijn heldere oog. Nooit te voren had hijzoo groot, zoo sterk, zoo prachtig geleken; mijn hart sprong op, toen ik me hem dacht als het zinnebeeld van mijn volk. Ik ben er nog blij om, dat ik eenmaal dat zinnebeeld aanschouwd heb en er de ontroering over heb gevoeld.Maar ik had weinig tijd om te denken, want Cheplahgan was rusteloos. Het een of andere instinct scheen hem voor een gevaar te waarschuwen, dat hij niet zien kon. Op hetzelfde oogenblik dat zijn kop was afgewend strekte ik mijn arm uit. Er verroerde zich nauwelijks een blad door die beweging; toch draaide hij zich bliksemsnel om en dook om toe te springen. Zijn oogen staarden recht in de mijne, zoo fel, dat ik het bijna niet uithouden kon. Misschien vergiste ik me, maar in dat korte oogenblik was het, of de harde glinstering zijner oogen van vrees verzachtte, toen hij mij herkende als het eenige in de wildernis dat op hem durfde jagen, op hem, den koning. Mijn hand raakte hem vol op den schouder; toen schoot hij de lucht in, en zwierde in groote kringen boven de boomtoppen, nog steeds neerziend op den mensch, zich angstig afvragend op welke wijze hij toch in dien man zijn macht was gekomen.Maar éen ding begreep hij niet. Terwijl ik op den stam stond, hoogopgericht, en naar hem opkeek, zooals hij boven me zwierde, dacht ik niet anders dan: „Ik heb het gedaan, ik heb het gedaan, Cheplahgan, Wolkvleugel. En ik zou je bij je pooten hebben kunnen grijpen en je hebben vastgebonden, en in eenzak gepakt naar het kamp hebben kunnen brengen, als ik je niet liever vrij had laten gaan. En dat is beter dan je te schieten. Nu zal ik je jongen zoeken en die ook aanraken.”Dagenlang had ik Witkops vluchtlijnen gevolgd en ik was tot het besluit gekomen dat zijn nest zich ergens in de bergen ten noord-westen van het groote meer bevond. Daar ging ik op een middag heen, en terwijl ’k verdwaald was in het hooge hout, dat nergens naar eenige richting een uitkijk gaf, zag ik niet Witkop, maar een grooter adelaar, zijn wijfje ongetwijfeld, die met voedsel recht het Westen invloog naar een hooge klip, die ik eens met mijn verrekijker, van een berg aan de overzij van het meer af, gezien had.Terwijl ik er den volgenden morgen vroeg heentoog, was het Cheplahgan zelf, die me wees waar zijn nest zich bevond. Ik liep langs den voet van de klip te jagen, toen ik omkeek naar het meer, waar ik hem heel uit de verte aan zag komen, en verstopte me in het kreupelhout. Hij kwam vlak langs me heen en toen ’k hem naging, zag ’k hem op een vooruitstekend gedeelte bij den top van de klip zitten. Vlak onder hem, boven in een verwrongen boom, die uit het rotsvlak groeide, vormde een reusachtige hoop takken het nest, terwijl er een groote moederadelaar bij zat, die de jongen voerde. Beide vogels schrokken op en maakten dat ze wegkwamen bij mijn nadering, maar keerden al gauw terug en zwierden boven mijn hoofd af en aan, toen ik het nest en het rotsvlak door mijnverrekijker op zat te nemen. Ze hoefden nu niet voorzichtig te zijn. Beide vogels schenen bij instinct te weten waarom ik gekomen was, en dat het lot van de adelaarsjongen in mijn handen lag, als ik de klip maar kon beklimmen.Het was een benauwend karweitje, die klimpartij van een driehonderd voet tegen den steilen rotswand op. Gelukkig was de rots vol naden en reten door eeuwenlang verweren; struiken en dwergboomen groeiden uit ontelbare spleten, die me een vast steunpunt voor mijn voeten gaven en me soms wel meer dan twaalf voet naar boven hielpen. Terwijl ik klom, kringden de vogels al lager en lager; het sterke ruischen van hun wieken was nu voortdurend om mijn hoofd; ’t leek of ze elk oogenblik grooter, feller werden, terwijl mijn houvast hoe langer hoe onzekerder werd en de aarde en de spitse boomtoppen ver wegzonken. Er zat een goede revolver in mijn zak, om in geval van nood te dienen; maar als de groote vogels me hadden aangevallen, zou ’t me leelijk vergaan zijn, want van tijd tot tijd was ik verplicht me stevig metbeide handen vast te grijpen, met mijn gezicht naar de klip, zoodoende de adelaars vrij latend om van boven en van achteren te stooten. Ik geloof nu, dat, wanneer ik op zoo’n plek angst had getoond, of geschreeuwd had, of ze weg had trachten te jagen, ze als furiën met wiek en klauw op me af zouden zijn geschoten. Ik kon ’t in hun felle oogen zien wanneer ik opkeek; maar de gedachte aan de keeren dat ik op ze gejaagd had, en vooral de herinnering aan dien keer toen ik uit de struiken reikte en hem had aangeraakt, was Witkop bij en maakte hem bevreesd. Ik ging dus gestaag mijn gang, zonder schijnbaar een gedachte aan de adelaars te schenken, ofschoon ik diep in mijn binnenste bang genoeg was, en bereikte den voet van den boom waarin het nest was gemaakt.Daar stond ik langen tijd, met mijn arm om den gedraaiden, ouden tronk geslagen, uit te kijken over het bosch dat zich uitbreidde in de diepte, gedeeltelijk om weer moed te verzamelen, gedeeltelijk om de adelaars gerust te stellen, die vlak bij me kringden met een zekere ingespannen verbazing in hun oogen, maar voornamelijk om te overleggen wat me nu te doen stond. In den boom kon ik makkelijk klimmen, maar het nest—een reusachtige geschiedenis, waar jaarin, jaaruit bij aangebouwd was—vulde de kruin van den boom geheel, en ik kon geen steunpunt voor mijn voet vinden, vanwaar ik over den rand kon zien en de arendsjongen bekijken, zonderhet nest stuk te maken. Dat wilde ik niet doen, en ik twijfelde er aan of de moeder-adelaar het toe zou laten. Wel twaalf keer scheen ze op het punt zich op mijn hoofd neer te storten, om het met haar klauwen stuk te rijten; maar steeds zwenkte ze weg als ik kalm opkeek, en de oude Witkop, die heel duidelijk het teeken van mijn kogel droeg, zwierde tusschen haar en mij en scheen te zeggen: „Wacht, wacht. Ik begrijp het niet; maar hij kan ons dooden als hij het wil—en de jongen zijn in zijn macht.” Hij was nu dichter bij me dan ooit en de schuwheid verdween gaandeweg. Maar de felheid eveneens.Van den voet van den boom ging de spleet waar deze in groeide rechts naar boven en dan weer terug naar de richel boven het nest, waar Cheplahgan stond toen ik hem ontdekte. De rand van die spleet bood een duizelingwekkend pad, dat men gaan kon door zich als een kreeft voort te bewegen, met het gezicht naar de klip en niets dan de struiken daar, om zich met de vingers aan vast te grijpen. Ten leste probeerde ik het, kroop twintig voet schuin naar boven en tien weer terug en liet me met een diepen zucht van verlichting op een breede richel vallen, bedekt met botten en vischschubben, overblijfselen van menige barbaarsche smulpartij. Onder me, bijna binnen mijn bereik, was het nest met twee donkere, rimpelige jonge vogels, die op twijgen en hooi rustten, met visch, vleesch en gevogelte in een bloederigen, velligen, schubbigen kring om zich heen—het zag eruit als het allerbloeddorstigste huishouden, waar ’k ooit ongevraagd naar binnen had gekeken.Maar terwijl ik nog zat te kijken en me verbaasde, en uit trachtte te maken wat voor ander wild ze die jeugdige kannibalen, die ik had helpen voeren, gebracht hadden, gebeurde er iets vreemds, dat me zoo trof als weinig dingen onder de dieren der natuur ooit gedaan hebben. De adelaars waren dicht bij me, toen ze me langs den laatsten rotshoek volgden en ongetwijfeld in hun hart hoopten dat ik uit zou glijden, en een eind maken aan hun zorg, en mijn lichaam als voedsel voor de jongen geven. Terwijl ik nu op de richel aandachtig in het nest zat te turen, verliet de groote vogelmoeder me en zweefde boven haar adelaarsjongen, alsof ze hen met haar vlerken zelfs voor ’t gezicht van mijn oogen wilde beschermen. Maar de oude Witkop bleef om me heenkringen. Lager kwam hij, steeds lager, tot hij, met een uiterste poging van koenheid, zijn wieken opvouwde en naast me op de richel neerstreek, nog geen tien voet van me af, waar hij zich omwendde en me aankeek. „Kijk,” scheen hij te zeggen, „we zijn weer in elkaars bereik. Je hebt me eens aangeraakt; ik weet niet hoe of waarom. Hier ben ik nu om me aan te raken of te dooden, zooals je verkiest; maar spaar de jongen.”Een oogenblik later streek de moeder neer op den rand van het nest. En daar zaten we, met z’n drieën, allen evenzeer in verwondering, met de jonge adelaars aan onze voeten, de klip boven ons, en driehonderdvoet beneden ons de sparretoppen van de wildernis, die zich uitbreidde om zich in de bergen te verliezen, aan den overkant van het groote meer.Ik zat doodstil, wat de eenige manier is om een dier in de natuur gerust te stellen; en weldra had Cheplahgan, dunkt me, zijn vrees en zijn zorg voor de jongen vergeten. Maar zoodra stond ik niet op, of hij was de lucht weer in en kringde rusteloos boven mijn hoofd met zijn wijfje, en dezelfde wilde felheid was weer in zijn oogen als hij neerkeek. Een half uur later had ik den top van de klip bereikt en toog ik oostelijk naar het meer, langs een heel wat gemakkelijker weg afdalend, dan die waar ik mee naar boven was gegaan. Daarna kwam ik er nog herhaaldelijk terug en zag van op een afstand hoe de adelaarsjongen gevoerd werden. Maar ik ben nooit meer naar het nest toegeklommen.Eens, toen ik bij het boschje kwam op de klip, waar ik gewoonlijk het nest door mijn kijker lag op te nemen, merkte ik, dat er een adelaarsjong weg was. Het andere stond op den rand van het nest angstig naar beneden in den afgrond te kijken, waar zijn dapperder kameraadje zeker heen was gevlogen, en van tijd tot tijd troosteloos te roepen. Zijn heele houding gaf duidelijk te kennen, dat hij honger had en boos en verlaten was. Weldra kwam de moeder-adelaar snel uit het dal met voedsel in haar klauwen. Ze kwam tot den rand van het nest, zweefde er even boven, als om het hongerige adelaarsjong het voedselte laten zien en ruiken, daalde toen langzaam naar het dal, terwijl ze ’t voedsel meenam en het jong op haar manier aanmaande te komen; dan zou hij het hebben. Hij riep haar hard na van den rand van het nest en breidde herhaaldelijk zijn vleugels uit om haar te volgen. Maar dat neerduiken was te griezelig; zijn moed begaf hem; en hij trok zich veilig weer in het nest terug, trok zijn kop in de schouders, sloot zijn oogen en trachtte te vergeten dat hij honger had. De beteekenis van dit tooneeltje was duidelijk genoeg. Ze poogde hem te leeren vliegen, door hem te verstaan te geven, dat zijn vleugels volwassen waren en dat de tijd gekomen was om ze te gebruiken; maar hij was bang.Na een poosje kwam ze terug; zonder voedsel dezen keer, en zweefde boven het nest, terwijl ze het jong op alle manieren probeerde te bewegen er uit te komen. Ze slaagde eindelijk, toen het met een wanhopige poging opsprong en naar de richel er boven klapwiekte, waar ik hem met den ouden Witkop had zitten bekijken. Toen, nadat hij de wereld ernstig van zijn nieuwe plaats had overzien, flodderde hij weer naar het nest terug en hield zich doof voor alle verzekeringen van zijn moeder, dat hij net zoo gemakkelijk naar de boomtoppen beneden kon vliegen, als hij maar wilde.Plotseling, alsof ze ontmoedigd was, steeg ze hoog boven hem op. Ik hield mijn adem in, want ik wist wat er zou gebeuren. Het kleine ding stond op denrand van het nest den sprong te overwegen, dien hij niet nemen dorst. Achter hem klonk een scherpe kreet, die maakte dat hij op zijn hoede was, in de grootste spanning. Het volgende oogenblik was de moeder-adelaar neergeschoten en had het nest bij zijn pooten een klap gegeven, zoodat hij met zijn steunpunt van takken samen de lucht invloog.Nu dreef hij, dreef hij in de blauwe lucht, ondanks zichzelf, en klapwiekte zoo hard hij kon om zich ’t leven te redden. Boven hem, onder hem, naast hem zweefde de moeder op onvermoeide wieken, terwijl ze hem zachtjes toeriep dat ze daar was. Maar de vreeselijke angst voor de diepten en de speertoppen van de sparren had het jonge dier bevangen; zijn wiekgeklepper werd hoe langer hoe wilder; al sneller en sneller viel hij. Plotseling—meer uit angst leek het mij, dan dat zijn kracht ten einde was—verloor hij zijn evenwicht en keukelde halsoverkop de ruimte in. Nu scheen het wel dat ’t met hem gedaan was; hij vouwde zijn vleugels op om tusschen de boomen te pletter te vallen. Toen schoot de oude moeder-adelaar als een bliksemschicht onder hem; zijn radelooze pooten raakten haar breede schouders tusschen haar wieken. Hij richtte zich op, rustte een poosje, kwam weer tot bezinning; daarna schoot ze plotseling onder hem weg en liet hem op zijn eigen vlerken neerkomen. Een handvol veeren, door zijn klauwen er uitgerukt, zegen langzaam achter hem neer.Het was alles het werk van een oogenblik, eer ik ze tusschen de boomen heel in de diepte uit ’t oog verloor; als ik ze weer in mijn kijker kreeg, zat het adelaarsjong in den top van een grooten den en was de moeder hem aan ’t voeren.En toen ik daar alleen in de groote wildernis stond, drong het plotseling voor het eerst duidelijk tot me door, wat de wijze, oude profeet bedoelde; ofschoon hij het langgeleden schreef, in een ver verwijderd land en een ander dan Wolkvleugel haar jongen geleerd had, geheel onbewust van de welgezinde oogen, die het uit een boschje gadesloegen: „Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijne jongen zweeft, zijne vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijne vlerken—zoo de Heere.”1Gewestelijk voor klem.↑2Genus Catostomidae.↑
WOLKVLEUGEL, DE ADELAAR.„Daar heb je hem weer! Daar is die Witkop bezig den vischarend te bestelen.”Ik schoot op uit mijn kleinecommoosieachter ’t vuur bij Gillie’s opgewonden kreet en snelde op ’t strand naar hem toe. Een blik over de Rendier-kaap heen naar de groote baai, waar ontelbare witvisschen schoolden, gaf me weer een hoofdstuk van een lange, maar altijd merkwaardige geschiedenis. Ismaques, de vischarend, was met een dikken visch uit het meer gestegen en deed zijn best om naar zijn nest te komen, waar zijn jongen om eten riepen. Boven hem zweefde de adelaar, zoo onbeweeglijk en onverbiddelijk als het noodlot, liet zich nu eens neervallen om Ismaques met een wiek in ’t gezicht te flappen, raakte hem dan weer zachtjes met zijn groote klauwen aan, alsof hij wilde zeggen: „Voel je dat, Ismaques? Als ik maar éen keer goed toegrijp, zal ’t uit zijn met jou èn je visch. En wat zullen de jongen dan beginnen daar boven in ’t nest in den ouden den? Laat hem nu liever kalm vallen; jij kunt een anderen vangen.—Laat vallen!zeg ik.”Tot dat oogenblik had de adelaar het den grooten vischarend nog alleen wat lastig gemaakt onder ’t vliegen, met af en toe een zachten wenk, dat hij geen kwaad bedoelde, maar dien visch wilde hebben, dien hij zelf niet vangen kon. Nu kwam er verandering; ’s konings humeur toonde zich even. Met ruischendewieken zwierde hij als een wervelwind om den vischarend heen en hield plotseling dreigend stand midden in de lijn van zijn vlucht. Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven; zijn gele oogen tuurden fel in de ineenkrimpende ziel van Ismaques, zijn klauwen waren ver teruggetrokken voor een doodelijken stoot. En Simmo, de Indiaan, die beneden naar me toe was komen draven, mompelde: „Nu Cheplahgan woedend; dat Ismaques zoo dadelijk merken.”Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven....Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven.…bl. 108 V.Maar Ismaques wist precies hoever hij gaan kon. Met een kreet van woede liet hij zijn visch vallen, of liever, hij gooide hem neer, in de hoop dat hij in ’t water terecht zou komen en verloren gaan. Op hetzelfde oogenblik wielde de adelaar hem uit den weg en boog bliksemsnel zijn kop. Ik had hem wel eerder zijn vleugels zien samenvouwen en neervallen, en mijn adem ingehouden bij zoo’n vaart. Maar vallen hielp nu niet, want de visch viel sneller. In plaats daarvan schoot hij naar beneden en vermeerderde ’t gewicht van zijn val door ’t stuwen van zijn forsche wieken, terwijl hij neersuisde als een bliksemflits, om den visch te grijpen voor deze ’t water raakte, en steeg hij met een groote bocht weer op—gestadig hooger en verder weg, gelijkmatig als ’t een koning betaamt te vliegen, naar zijn eigen jongen, heel ginds op den berg.Weken tevoren had ik den Ouden Witkop, zooals Gillie hem noemde, al leeren kennen op den Madawaska.We voeren de rivier op, op weg naar de wildernis, toen luide kreten en ’t gepang van een geweer vlak voor ons weerklonken. Als we haastig een bocht tusschen de beboschte oevers om kwamen schieten, troffen we een man aan met een rookend geweer, een jongen tot aan zijn middel in de rivier, die hij over trachtte te komen, en aan den anderen kant een zwart schaap, dat ronddraafde en bij elken sprong blaatte.„Hij heeft het lam meegenomen; hij heeft het lam meegenomen!” riep de jongen. Toen ik de richting van zijn vinger volgde, zag ik den Ouden Witkop, een prachtigen vogel, zwaar boven de boomtoppen aan den anderen kant van het open veld uitstijgen. Bijna instinctmatig reikte ik achter me, greep het zware geweer, dat Gillie me in handen gaf, en sprong uit de kano; want met een geweer heb je een stevigen voetsteun noodig. Het was een ver schot, maar niet zoo heel moeilijk; de Oude Witkop had zijn draai genomen en bewoog zich gestadig al verder weg. Een seconde nadat het schot gevallen was zagen we hem stilhouden en afwijken in de lucht; toen kwamen er twee witte slagpennen neerzijgen en terwijl hij zich wendde, zagen we de breuk in zijn breeden, witten staart. En dat was het teeken waar we hem later altijd aan herkenden.Dit gebeurde bijna tachtig mijlen per kano vanwaar we nu stonden, ofschoon nauwelijks tien hemelsbreed over de bergen; want de rivieren en meren, diewe volgden, kronkelen tot bijna aan ’t punt van uitgang terug; en de geheele wilde, prachtige streek was het jachtgebied van den adelaar. Waar ik ook ging, zag ik hem; ik zag hoe hij de groote rivieren volgde om aan land gespoelde forel en zalm, of hoog in de lucht dreef, waar hij twee of drie meren der wildernis overzien kon, hij met evenveel brave vischarenden, die er hun maaltijd vingen. Ik had een museum-beheerder beloofd dat ik hem dien zomer een adelaar zou bezorgen, en begon dus naarstig op dien grooten vogel te jagen. Maar dat jagen gaf niet veel, behalve dat het me heel wat van zijn zeden en gewoonten leerde, want ’t leek, alsof hij oogen en ooren over zijn geheele lichaam had; en al kroop ik als een slang door de bosschen, of al dreef ik als een wilde eend in mijn kano over het water, hij zag of hoorde me altijd en was verdwenen eer ik hem onder schot kon krijgen.Toen poogde ik hem in een stap1te lokken. Ik legde twee groote forellen met een stalen klem er tusschen in, op een ondiepe plaats in de rivier, die ik van mijn kamp uit op een steilen oever, een halve mijl stroomaf, kon gadeslaan. Den volgenden dag hief Gillie, die begeeriger was dan ik, een geschreeuw aan, en toen ik te voorschijn kwam snellen, zag ik den Ouden Witkop in ’t ondiepe water bij den stap staan, waar hij omheen klapwiekte. We sprongen in een kano en roeiden spoorslags de rivier op, terwijl we juichtenvan verrukking, dat we den fellen, ouden vogel eindelijk hadden. Toen we de laatste landtong omkwamen, die de ondiepte verborg, stond de Oude Witkop daar, geen dertig meters van ons af, nog aan een visch te rukken en in ’t water te plassen. Ik zal niet spoedig zijn houding en uitdrukking vergeten, als wij de landtong omschoten: zijn lijf rechtop en stijf, zijn wieken half ontplooid, zijn kop naar voren, de oogleden rechtgetrokken en een krachtige, felle glans van vrijheid en ongetemde wildheid in zijn heldere oogen. Zoo stond hij daar, een heerlijk wezen, tot we bijna bij hem waren,—toen steeg hij rustig op en nam een van de forellen mee. De andere had hij al in zijn maag. Hij zat in ’t geheel niet in de klem, maar was er zorgvuldig om heengestapt. Het geplas was veroorzaakt, doordat hij den eenen visch met zijn klauwen stuk had gereten en den anderen van een paal waar hij op stak had losgemaakt.Daarna kwam hij niet meer bij het ondiepe water, want hij had een nieuwe ondervinding opgedaan in zijn leven, die een donkere schaduw achterliet. Hij, die de koning was van alles wat hij van den ouden, door den bliksem getroffen den op den top van de klip overzag, die tot nog toe steeds de jager geweest was, wist nu wat het beteekende gejaagd te worden. En de angst er voor was, dunkt me, in zijn oogen en verzachtte hun fellen gloed, toen ik weken later hem er weer in keek, bij zijn eigen nest op den berg.Simmo nam ook aan onze jacht deel, maar zondergeestdrift of vertrouwen. Hij had al eerder op denzelfden adelaar gejaagd—een heelen zomer, om de waarheid te zeggen, toen een toerist, dien hij als gids diende, hem twintig dollars beloofd had voor de veeren van den koninklijken vogel. Maar de Oude Witkop droeg ze nog zegevierend en Simmo voorspelde hem een lang leven en een natuurlijken dood. „Toch niks geven op dien arend jagen,” zei hij eenvoudig. „Ik eens probeeren en hem niet kunnen besluipen. Hij alles zien; en hij niet zien, dan hij hooren. En dan, gevaar hij voelen aankomen. Daarom hij bouwen zijn nest zoo ver weg, einden weg, o, ik niet weten waar wel.” Dit laatste met een armzwaai om ’t heelal er onder te begrijpen. Cheplahgan, den Ouden Wolkvleugel, noemde hij trots den vogel, die hem een heelen zomer op jacht getart had.In ’t begin had ik op hem gejaagd als ieder andere barbaar; natuurlijk gedeeltelijk om zijn veeren voor den museumman; gedeeltelijk misschien om de lammeren van de kolonisten te beschermen; maar voornamelijk om hem te dooden, om te genieten van zijn klappende wieken als hij lag te sterven, en de bosschen te bevrijden van een wreeden dwingeland. Onder ’t jagen kwam er echter geleidelijk een verandering over me; ik zocht hem hoe langer hoe minder om zijn veeren en om zijn leven, en hoe langer hoe meer om hem zelf, om alles van hem te weten te komen. Ik placht hem urenlang gade te slaan van mijn kamp aan ’t groote meer uit, zooals hij daar rustig over deRendier-kaap zeilde, nadat hij met zijn jongen gegeten had, en in een stemming was om Ismaques in vrede zijn gang te laten gaan met visschen.Dan zette hij zijn groote wieken naar de bries en stond als een vlieger in den wind, terwijl hij geleidelijk naar boven klom in een eindelooze spiraal, hooger en hooger, zonder een zweem van inspanning, tot het oog duizelig werd onder ’t volgen. En ik hield er van om hem gade te slaan, zoo krachtig, zoo vrij, zoo zeker van zichzelf—om en om, hooger, al hooger, zonder haast, zonder moeite, en elke wending vond den hemel nader en de aarde verder onder zich uitgebreid. Nu glimmen kop en staart zilverwit in den zonneschijn; nu hangt hij roerloos, een kruis van git, als een vrouw om den hals zou kunnen dragen, tegen het klare, peillooze blauw van den Junihemel—daar! hij is in ’t blauw verloren, zoo hoog, dat ik hem niet meer kan zien. Maar juist als ik me afwend, duikt hij weer binnen ’t bereik van mijn blik, laat zich met opgevouwen vleugels als een zinklood neervallen, al sneller en sneller, al grooter en grooter, door een ontzettenden luchtstroom, tot ik opspring en mijn adem inhoud, alsof ik zelf neerkwam. En vlak voordat hij zich te pletter valt, zwenkt hij om in de lucht, met zijn kop naar beneden en half open wieken, en schiet in snelle glijvlucht naar het meer, dan in een groote bocht omhoog naar de boomtoppen, waar hij beter kan zien wat Kakagos, de zeldzame boschraaf, uitvoert, en op welk wild hijjaagt. Want om dat te ontdekken kwam Cheplahgan zoo haastig naar beneden.Dan weer kwam hij vroeg in den morgen stroomop zwieren, alsof hij al een lange dagreis achter den rug had, met iets van heel, heel ginds en nog-zóó-ver in zijn snelle voortwieken. En als ik dan aan ’t forellenwater stond en heel stil was, hoorde ik het krachtige zijdegeritsel van zijn vlerken onder ’t voorbijvliegen. ’s Middags zag ik hem boven den hoogsten bergtop in ’t Noorden hangen, op een ontzaglijke hoogte, waar de verbeelding zelfs de heerlijke vlucht van zijn uitzicht niet volgen kon; en ’s avonds vloog hij het meer over, als hij zich naar ’t Westen voortbewoog, naar den zonsondergang toe op onvermoeide wieken—altijd sterk, edel, prachtig in zijn kracht en eenzaamheid, een volmaakt zinnebeeld van de groote, verlaten, heerlijke wildernis.Eens dat ik hem gadesloeg, overviel het me plotseling, dat bosch en rivier onvolmaakt zouden zijn zonder hem. De gedachte hieraan kwam bij me terug en spaarde hem voor de wildernis, dien laatsten keer toen ik hem op leven of dood ging jagen.Dat was vlak nadat we het groote meer bereikt hadden, waar ik hem den vischarend had zien berooven. Na lang zoeken en rondloeren ontdekte ik een grooten boomstam aan den uitgang, waar de oude Witkop dikwijls zat. Er dicht bij was een groote draaikolk, op den rand van een ondiep gedeelte, en hij placht op den stam te zitten wachten tot er vischkwam, daar waar hij in ’t water kon waden om ze te vangen. Er heerschte dat jaar een ziekte onder de zuigvisschen2(die geregeld om de paar jaar heerscht, evenals onder de konijnen) en dan kwamen ze uit het diepe water naar boven kronkelen om op ’t zand uit te rusten—en werden door otters en vischarenden en beren en den ouden Witkop gegrepen, die alle hongerig op visch wachtten.Verscheiden dagen legde ik een mooi lokaas van forel en witvisch aan den rand van het ondiepe. De twee eerste keeren werd ’t aas laat in den middag uitgelegd en beide keeren kreeg een beer het den volgenden nacht. Toen legde ik het vroeg in den morgen, en voor den middag had Cheplahgan het ontdekt. Hij kwam recht als een pijl uit den boog van zijn uitkijk aan den anderen kant van den berg, van mijlen ver, en bracht me in groote verwondering, welk vreemd zesde zintuig hem leidde; want gezicht en reuk schenen beide evenzeer buitengesloten. Den volgenden dag kwam hij weer. Toen legde ik het allerbeste aas in ’t ondiepe en verborg me met mijn geweer in ’t dichte kreupelhout in de buurt.Hij kwam eindelijk, na uren wachtens, en viel met een zwaar wiekgeruisch van boven de boomtoppen neer. En toen hij op den ouden stam neerstreek en zijn breeden, witten staart uitspreidde, zag ik vol trots het gat dat mijn kogel weken te voren had gemaakt.Hij stond daar een oogenblik prachtig opgericht, kop, hals en staart glanzend wit; zelfs de donkerbruine veeren van zijn lichaam glommen in den helderen zonneschijn. En hij keerde langzaam zijn kop van den eenen kant naar den anderen, terwijl zijn scherpe oogen fonkelden, alsof hij zeggen wilde: „Aanschouwt, een koning!” tegen Chigwooltz, den kikvorsch, en Tookhees, de boschmuis, en tegen elk ander levend wezen, dat hem toevallig uit het kreupelhout zou kunnen gadeslaan bij zijn onkoninklijke daad van op doode visch te azen. Toen hupte hij naar beneden—vrij onhandig, moet ik bekennen; want hij is een dier van de hemelsche diepten, die de aanraking met de aarde niet verdragen kan—greep een visch, dien hij met zijn klauwen aan stukken trok en gulzig verslond. Twee keer trachtte ik hem te schieten, maar de gedachte aan de wildernis zonder hem wilde me niet uit het hoofd en weerhield me. En dan kwam het me zoo min voor, hem van een hinderlaag uit te betrekken, als hij naar beneden op den grond was gekomen, waar hij in ’t nadeel was; en toen hij wat van de grootere visschen in zijn klauwen greep, er snel mee omhoog rees en ze naar ’t Westen wegdroeg, was elke begeerte om hem te dooden vergaan. Er waren blijkbaar jonge Wolkvleugels, die ik ook moest opsporen en gadeslaan. Daarna jaagde ik nog ijveriger dan te voren op hem, maar zonder geweer. En een eigenaardig verlangen, waar ik geen rekenschap van geven kon, maakte zich van memeester: om dit ongetemde, ongerepte dier van wolken en bergen aan te raken.Den volgenden dag deed ik het. Er groeiden dichte struiken langs den eenen kant van den ouden stam, waar de adelaar op ging zitten. Hier hakte ik met mijn jachtmes een tunnel in en schikte de toppen zoo, dat ze me beter verborgen. Toen legde ik mijn aas uit, een goede twee uur voordat de oude Witkop op zijn vroegst kon komen, en kroop mijn hol in om te wachten.Nauwelijks had ik me in mijn plaatsje genesteld en me afgevraagd hoe lang menschelijk geduld het steken van insecten en de heete, benauwde lucht zou kunnen uithouden zonder zich te verroeren of een blad te bewegen, of het zware zijgeruisch klonk vlakbij en ik hoorde den greep van zijn klauwen op den stam.Daar stond hij op een armslengte afstands, terwijl hij onrustig met zijn kop draaide en het licht op zijn witte borst blikkerde, met de felle, ongetemde fonkeling in zijn heldere oog. Nooit te voren had hijzoo groot, zoo sterk, zoo prachtig geleken; mijn hart sprong op, toen ik me hem dacht als het zinnebeeld van mijn volk. Ik ben er nog blij om, dat ik eenmaal dat zinnebeeld aanschouwd heb en er de ontroering over heb gevoeld.Maar ik had weinig tijd om te denken, want Cheplahgan was rusteloos. Het een of andere instinct scheen hem voor een gevaar te waarschuwen, dat hij niet zien kon. Op hetzelfde oogenblik dat zijn kop was afgewend strekte ik mijn arm uit. Er verroerde zich nauwelijks een blad door die beweging; toch draaide hij zich bliksemsnel om en dook om toe te springen. Zijn oogen staarden recht in de mijne, zoo fel, dat ik het bijna niet uithouden kon. Misschien vergiste ik me, maar in dat korte oogenblik was het, of de harde glinstering zijner oogen van vrees verzachtte, toen hij mij herkende als het eenige in de wildernis dat op hem durfde jagen, op hem, den koning. Mijn hand raakte hem vol op den schouder; toen schoot hij de lucht in, en zwierde in groote kringen boven de boomtoppen, nog steeds neerziend op den mensch, zich angstig afvragend op welke wijze hij toch in dien man zijn macht was gekomen.Maar éen ding begreep hij niet. Terwijl ik op den stam stond, hoogopgericht, en naar hem opkeek, zooals hij boven me zwierde, dacht ik niet anders dan: „Ik heb het gedaan, ik heb het gedaan, Cheplahgan, Wolkvleugel. En ik zou je bij je pooten hebben kunnen grijpen en je hebben vastgebonden, en in eenzak gepakt naar het kamp hebben kunnen brengen, als ik je niet liever vrij had laten gaan. En dat is beter dan je te schieten. Nu zal ik je jongen zoeken en die ook aanraken.”Dagenlang had ik Witkops vluchtlijnen gevolgd en ik was tot het besluit gekomen dat zijn nest zich ergens in de bergen ten noord-westen van het groote meer bevond. Daar ging ik op een middag heen, en terwijl ’k verdwaald was in het hooge hout, dat nergens naar eenige richting een uitkijk gaf, zag ik niet Witkop, maar een grooter adelaar, zijn wijfje ongetwijfeld, die met voedsel recht het Westen invloog naar een hooge klip, die ik eens met mijn verrekijker, van een berg aan de overzij van het meer af, gezien had.Terwijl ik er den volgenden morgen vroeg heentoog, was het Cheplahgan zelf, die me wees waar zijn nest zich bevond. Ik liep langs den voet van de klip te jagen, toen ik omkeek naar het meer, waar ik hem heel uit de verte aan zag komen, en verstopte me in het kreupelhout. Hij kwam vlak langs me heen en toen ’k hem naging, zag ’k hem op een vooruitstekend gedeelte bij den top van de klip zitten. Vlak onder hem, boven in een verwrongen boom, die uit het rotsvlak groeide, vormde een reusachtige hoop takken het nest, terwijl er een groote moederadelaar bij zat, die de jongen voerde. Beide vogels schrokken op en maakten dat ze wegkwamen bij mijn nadering, maar keerden al gauw terug en zwierden boven mijn hoofd af en aan, toen ik het nest en het rotsvlak door mijnverrekijker op zat te nemen. Ze hoefden nu niet voorzichtig te zijn. Beide vogels schenen bij instinct te weten waarom ik gekomen was, en dat het lot van de adelaarsjongen in mijn handen lag, als ik de klip maar kon beklimmen.Het was een benauwend karweitje, die klimpartij van een driehonderd voet tegen den steilen rotswand op. Gelukkig was de rots vol naden en reten door eeuwenlang verweren; struiken en dwergboomen groeiden uit ontelbare spleten, die me een vast steunpunt voor mijn voeten gaven en me soms wel meer dan twaalf voet naar boven hielpen. Terwijl ik klom, kringden de vogels al lager en lager; het sterke ruischen van hun wieken was nu voortdurend om mijn hoofd; ’t leek of ze elk oogenblik grooter, feller werden, terwijl mijn houvast hoe langer hoe onzekerder werd en de aarde en de spitse boomtoppen ver wegzonken. Er zat een goede revolver in mijn zak, om in geval van nood te dienen; maar als de groote vogels me hadden aangevallen, zou ’t me leelijk vergaan zijn, want van tijd tot tijd was ik verplicht me stevig metbeide handen vast te grijpen, met mijn gezicht naar de klip, zoodoende de adelaars vrij latend om van boven en van achteren te stooten. Ik geloof nu, dat, wanneer ik op zoo’n plek angst had getoond, of geschreeuwd had, of ze weg had trachten te jagen, ze als furiën met wiek en klauw op me af zouden zijn geschoten. Ik kon ’t in hun felle oogen zien wanneer ik opkeek; maar de gedachte aan de keeren dat ik op ze gejaagd had, en vooral de herinnering aan dien keer toen ik uit de struiken reikte en hem had aangeraakt, was Witkop bij en maakte hem bevreesd. Ik ging dus gestaag mijn gang, zonder schijnbaar een gedachte aan de adelaars te schenken, ofschoon ik diep in mijn binnenste bang genoeg was, en bereikte den voet van den boom waarin het nest was gemaakt.Daar stond ik langen tijd, met mijn arm om den gedraaiden, ouden tronk geslagen, uit te kijken over het bosch dat zich uitbreidde in de diepte, gedeeltelijk om weer moed te verzamelen, gedeeltelijk om de adelaars gerust te stellen, die vlak bij me kringden met een zekere ingespannen verbazing in hun oogen, maar voornamelijk om te overleggen wat me nu te doen stond. In den boom kon ik makkelijk klimmen, maar het nest—een reusachtige geschiedenis, waar jaarin, jaaruit bij aangebouwd was—vulde de kruin van den boom geheel, en ik kon geen steunpunt voor mijn voet vinden, vanwaar ik over den rand kon zien en de arendsjongen bekijken, zonderhet nest stuk te maken. Dat wilde ik niet doen, en ik twijfelde er aan of de moeder-adelaar het toe zou laten. Wel twaalf keer scheen ze op het punt zich op mijn hoofd neer te storten, om het met haar klauwen stuk te rijten; maar steeds zwenkte ze weg als ik kalm opkeek, en de oude Witkop, die heel duidelijk het teeken van mijn kogel droeg, zwierde tusschen haar en mij en scheen te zeggen: „Wacht, wacht. Ik begrijp het niet; maar hij kan ons dooden als hij het wil—en de jongen zijn in zijn macht.” Hij was nu dichter bij me dan ooit en de schuwheid verdween gaandeweg. Maar de felheid eveneens.Van den voet van den boom ging de spleet waar deze in groeide rechts naar boven en dan weer terug naar de richel boven het nest, waar Cheplahgan stond toen ik hem ontdekte. De rand van die spleet bood een duizelingwekkend pad, dat men gaan kon door zich als een kreeft voort te bewegen, met het gezicht naar de klip en niets dan de struiken daar, om zich met de vingers aan vast te grijpen. Ten leste probeerde ik het, kroop twintig voet schuin naar boven en tien weer terug en liet me met een diepen zucht van verlichting op een breede richel vallen, bedekt met botten en vischschubben, overblijfselen van menige barbaarsche smulpartij. Onder me, bijna binnen mijn bereik, was het nest met twee donkere, rimpelige jonge vogels, die op twijgen en hooi rustten, met visch, vleesch en gevogelte in een bloederigen, velligen, schubbigen kring om zich heen—het zag eruit als het allerbloeddorstigste huishouden, waar ’k ooit ongevraagd naar binnen had gekeken.Maar terwijl ik nog zat te kijken en me verbaasde, en uit trachtte te maken wat voor ander wild ze die jeugdige kannibalen, die ik had helpen voeren, gebracht hadden, gebeurde er iets vreemds, dat me zoo trof als weinig dingen onder de dieren der natuur ooit gedaan hebben. De adelaars waren dicht bij me, toen ze me langs den laatsten rotshoek volgden en ongetwijfeld in hun hart hoopten dat ik uit zou glijden, en een eind maken aan hun zorg, en mijn lichaam als voedsel voor de jongen geven. Terwijl ik nu op de richel aandachtig in het nest zat te turen, verliet de groote vogelmoeder me en zweefde boven haar adelaarsjongen, alsof ze hen met haar vlerken zelfs voor ’t gezicht van mijn oogen wilde beschermen. Maar de oude Witkop bleef om me heenkringen. Lager kwam hij, steeds lager, tot hij, met een uiterste poging van koenheid, zijn wieken opvouwde en naast me op de richel neerstreek, nog geen tien voet van me af, waar hij zich omwendde en me aankeek. „Kijk,” scheen hij te zeggen, „we zijn weer in elkaars bereik. Je hebt me eens aangeraakt; ik weet niet hoe of waarom. Hier ben ik nu om me aan te raken of te dooden, zooals je verkiest; maar spaar de jongen.”Een oogenblik later streek de moeder neer op den rand van het nest. En daar zaten we, met z’n drieën, allen evenzeer in verwondering, met de jonge adelaars aan onze voeten, de klip boven ons, en driehonderdvoet beneden ons de sparretoppen van de wildernis, die zich uitbreidde om zich in de bergen te verliezen, aan den overkant van het groote meer.Ik zat doodstil, wat de eenige manier is om een dier in de natuur gerust te stellen; en weldra had Cheplahgan, dunkt me, zijn vrees en zijn zorg voor de jongen vergeten. Maar zoodra stond ik niet op, of hij was de lucht weer in en kringde rusteloos boven mijn hoofd met zijn wijfje, en dezelfde wilde felheid was weer in zijn oogen als hij neerkeek. Een half uur later had ik den top van de klip bereikt en toog ik oostelijk naar het meer, langs een heel wat gemakkelijker weg afdalend, dan die waar ik mee naar boven was gegaan. Daarna kwam ik er nog herhaaldelijk terug en zag van op een afstand hoe de adelaarsjongen gevoerd werden. Maar ik ben nooit meer naar het nest toegeklommen.Eens, toen ik bij het boschje kwam op de klip, waar ik gewoonlijk het nest door mijn kijker lag op te nemen, merkte ik, dat er een adelaarsjong weg was. Het andere stond op den rand van het nest angstig naar beneden in den afgrond te kijken, waar zijn dapperder kameraadje zeker heen was gevlogen, en van tijd tot tijd troosteloos te roepen. Zijn heele houding gaf duidelijk te kennen, dat hij honger had en boos en verlaten was. Weldra kwam de moeder-adelaar snel uit het dal met voedsel in haar klauwen. Ze kwam tot den rand van het nest, zweefde er even boven, als om het hongerige adelaarsjong het voedselte laten zien en ruiken, daalde toen langzaam naar het dal, terwijl ze ’t voedsel meenam en het jong op haar manier aanmaande te komen; dan zou hij het hebben. Hij riep haar hard na van den rand van het nest en breidde herhaaldelijk zijn vleugels uit om haar te volgen. Maar dat neerduiken was te griezelig; zijn moed begaf hem; en hij trok zich veilig weer in het nest terug, trok zijn kop in de schouders, sloot zijn oogen en trachtte te vergeten dat hij honger had. De beteekenis van dit tooneeltje was duidelijk genoeg. Ze poogde hem te leeren vliegen, door hem te verstaan te geven, dat zijn vleugels volwassen waren en dat de tijd gekomen was om ze te gebruiken; maar hij was bang.Na een poosje kwam ze terug; zonder voedsel dezen keer, en zweefde boven het nest, terwijl ze het jong op alle manieren probeerde te bewegen er uit te komen. Ze slaagde eindelijk, toen het met een wanhopige poging opsprong en naar de richel er boven klapwiekte, waar ik hem met den ouden Witkop had zitten bekijken. Toen, nadat hij de wereld ernstig van zijn nieuwe plaats had overzien, flodderde hij weer naar het nest terug en hield zich doof voor alle verzekeringen van zijn moeder, dat hij net zoo gemakkelijk naar de boomtoppen beneden kon vliegen, als hij maar wilde.Plotseling, alsof ze ontmoedigd was, steeg ze hoog boven hem op. Ik hield mijn adem in, want ik wist wat er zou gebeuren. Het kleine ding stond op denrand van het nest den sprong te overwegen, dien hij niet nemen dorst. Achter hem klonk een scherpe kreet, die maakte dat hij op zijn hoede was, in de grootste spanning. Het volgende oogenblik was de moeder-adelaar neergeschoten en had het nest bij zijn pooten een klap gegeven, zoodat hij met zijn steunpunt van takken samen de lucht invloog.Nu dreef hij, dreef hij in de blauwe lucht, ondanks zichzelf, en klapwiekte zoo hard hij kon om zich ’t leven te redden. Boven hem, onder hem, naast hem zweefde de moeder op onvermoeide wieken, terwijl ze hem zachtjes toeriep dat ze daar was. Maar de vreeselijke angst voor de diepten en de speertoppen van de sparren had het jonge dier bevangen; zijn wiekgeklepper werd hoe langer hoe wilder; al sneller en sneller viel hij. Plotseling—meer uit angst leek het mij, dan dat zijn kracht ten einde was—verloor hij zijn evenwicht en keukelde halsoverkop de ruimte in. Nu scheen het wel dat ’t met hem gedaan was; hij vouwde zijn vleugels op om tusschen de boomen te pletter te vallen. Toen schoot de oude moeder-adelaar als een bliksemschicht onder hem; zijn radelooze pooten raakten haar breede schouders tusschen haar wieken. Hij richtte zich op, rustte een poosje, kwam weer tot bezinning; daarna schoot ze plotseling onder hem weg en liet hem op zijn eigen vlerken neerkomen. Een handvol veeren, door zijn klauwen er uitgerukt, zegen langzaam achter hem neer.Het was alles het werk van een oogenblik, eer ik ze tusschen de boomen heel in de diepte uit ’t oog verloor; als ik ze weer in mijn kijker kreeg, zat het adelaarsjong in den top van een grooten den en was de moeder hem aan ’t voeren.En toen ik daar alleen in de groote wildernis stond, drong het plotseling voor het eerst duidelijk tot me door, wat de wijze, oude profeet bedoelde; ofschoon hij het langgeleden schreef, in een ver verwijderd land en een ander dan Wolkvleugel haar jongen geleerd had, geheel onbewust van de welgezinde oogen, die het uit een boschje gadesloegen: „Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijne jongen zweeft, zijne vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijne vlerken—zoo de Heere.”1Gewestelijk voor klem.↑2Genus Catostomidae.↑
WOLKVLEUGEL, DE ADELAAR.
„Daar heb je hem weer! Daar is die Witkop bezig den vischarend te bestelen.”Ik schoot op uit mijn kleinecommoosieachter ’t vuur bij Gillie’s opgewonden kreet en snelde op ’t strand naar hem toe. Een blik over de Rendier-kaap heen naar de groote baai, waar ontelbare witvisschen schoolden, gaf me weer een hoofdstuk van een lange, maar altijd merkwaardige geschiedenis. Ismaques, de vischarend, was met een dikken visch uit het meer gestegen en deed zijn best om naar zijn nest te komen, waar zijn jongen om eten riepen. Boven hem zweefde de adelaar, zoo onbeweeglijk en onverbiddelijk als het noodlot, liet zich nu eens neervallen om Ismaques met een wiek in ’t gezicht te flappen, raakte hem dan weer zachtjes met zijn groote klauwen aan, alsof hij wilde zeggen: „Voel je dat, Ismaques? Als ik maar éen keer goed toegrijp, zal ’t uit zijn met jou èn je visch. En wat zullen de jongen dan beginnen daar boven in ’t nest in den ouden den? Laat hem nu liever kalm vallen; jij kunt een anderen vangen.—Laat vallen!zeg ik.”Tot dat oogenblik had de adelaar het den grooten vischarend nog alleen wat lastig gemaakt onder ’t vliegen, met af en toe een zachten wenk, dat hij geen kwaad bedoelde, maar dien visch wilde hebben, dien hij zelf niet vangen kon. Nu kwam er verandering; ’s konings humeur toonde zich even. Met ruischendewieken zwierde hij als een wervelwind om den vischarend heen en hield plotseling dreigend stand midden in de lijn van zijn vlucht. Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven; zijn gele oogen tuurden fel in de ineenkrimpende ziel van Ismaques, zijn klauwen waren ver teruggetrokken voor een doodelijken stoot. En Simmo, de Indiaan, die beneden naar me toe was komen draven, mompelde: „Nu Cheplahgan woedend; dat Ismaques zoo dadelijk merken.”Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven....Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven.…bl. 108 V.Maar Ismaques wist precies hoever hij gaan kon. Met een kreet van woede liet hij zijn visch vallen, of liever, hij gooide hem neer, in de hoop dat hij in ’t water terecht zou komen en verloren gaan. Op hetzelfde oogenblik wielde de adelaar hem uit den weg en boog bliksemsnel zijn kop. Ik had hem wel eerder zijn vleugels zien samenvouwen en neervallen, en mijn adem ingehouden bij zoo’n vaart. Maar vallen hielp nu niet, want de visch viel sneller. In plaats daarvan schoot hij naar beneden en vermeerderde ’t gewicht van zijn val door ’t stuwen van zijn forsche wieken, terwijl hij neersuisde als een bliksemflits, om den visch te grijpen voor deze ’t water raakte, en steeg hij met een groote bocht weer op—gestadig hooger en verder weg, gelijkmatig als ’t een koning betaamt te vliegen, naar zijn eigen jongen, heel ginds op den berg.Weken tevoren had ik den Ouden Witkop, zooals Gillie hem noemde, al leeren kennen op den Madawaska.We voeren de rivier op, op weg naar de wildernis, toen luide kreten en ’t gepang van een geweer vlak voor ons weerklonken. Als we haastig een bocht tusschen de beboschte oevers om kwamen schieten, troffen we een man aan met een rookend geweer, een jongen tot aan zijn middel in de rivier, die hij over trachtte te komen, en aan den anderen kant een zwart schaap, dat ronddraafde en bij elken sprong blaatte.„Hij heeft het lam meegenomen; hij heeft het lam meegenomen!” riep de jongen. Toen ik de richting van zijn vinger volgde, zag ik den Ouden Witkop, een prachtigen vogel, zwaar boven de boomtoppen aan den anderen kant van het open veld uitstijgen. Bijna instinctmatig reikte ik achter me, greep het zware geweer, dat Gillie me in handen gaf, en sprong uit de kano; want met een geweer heb je een stevigen voetsteun noodig. Het was een ver schot, maar niet zoo heel moeilijk; de Oude Witkop had zijn draai genomen en bewoog zich gestadig al verder weg. Een seconde nadat het schot gevallen was zagen we hem stilhouden en afwijken in de lucht; toen kwamen er twee witte slagpennen neerzijgen en terwijl hij zich wendde, zagen we de breuk in zijn breeden, witten staart. En dat was het teeken waar we hem later altijd aan herkenden.Dit gebeurde bijna tachtig mijlen per kano vanwaar we nu stonden, ofschoon nauwelijks tien hemelsbreed over de bergen; want de rivieren en meren, diewe volgden, kronkelen tot bijna aan ’t punt van uitgang terug; en de geheele wilde, prachtige streek was het jachtgebied van den adelaar. Waar ik ook ging, zag ik hem; ik zag hoe hij de groote rivieren volgde om aan land gespoelde forel en zalm, of hoog in de lucht dreef, waar hij twee of drie meren der wildernis overzien kon, hij met evenveel brave vischarenden, die er hun maaltijd vingen. Ik had een museum-beheerder beloofd dat ik hem dien zomer een adelaar zou bezorgen, en begon dus naarstig op dien grooten vogel te jagen. Maar dat jagen gaf niet veel, behalve dat het me heel wat van zijn zeden en gewoonten leerde, want ’t leek, alsof hij oogen en ooren over zijn geheele lichaam had; en al kroop ik als een slang door de bosschen, of al dreef ik als een wilde eend in mijn kano over het water, hij zag of hoorde me altijd en was verdwenen eer ik hem onder schot kon krijgen.Toen poogde ik hem in een stap1te lokken. Ik legde twee groote forellen met een stalen klem er tusschen in, op een ondiepe plaats in de rivier, die ik van mijn kamp uit op een steilen oever, een halve mijl stroomaf, kon gadeslaan. Den volgenden dag hief Gillie, die begeeriger was dan ik, een geschreeuw aan, en toen ik te voorschijn kwam snellen, zag ik den Ouden Witkop in ’t ondiepe water bij den stap staan, waar hij omheen klapwiekte. We sprongen in een kano en roeiden spoorslags de rivier op, terwijl we juichtenvan verrukking, dat we den fellen, ouden vogel eindelijk hadden. Toen we de laatste landtong omkwamen, die de ondiepte verborg, stond de Oude Witkop daar, geen dertig meters van ons af, nog aan een visch te rukken en in ’t water te plassen. Ik zal niet spoedig zijn houding en uitdrukking vergeten, als wij de landtong omschoten: zijn lijf rechtop en stijf, zijn wieken half ontplooid, zijn kop naar voren, de oogleden rechtgetrokken en een krachtige, felle glans van vrijheid en ongetemde wildheid in zijn heldere oogen. Zoo stond hij daar, een heerlijk wezen, tot we bijna bij hem waren,—toen steeg hij rustig op en nam een van de forellen mee. De andere had hij al in zijn maag. Hij zat in ’t geheel niet in de klem, maar was er zorgvuldig om heengestapt. Het geplas was veroorzaakt, doordat hij den eenen visch met zijn klauwen stuk had gereten en den anderen van een paal waar hij op stak had losgemaakt.Daarna kwam hij niet meer bij het ondiepe water, want hij had een nieuwe ondervinding opgedaan in zijn leven, die een donkere schaduw achterliet. Hij, die de koning was van alles wat hij van den ouden, door den bliksem getroffen den op den top van de klip overzag, die tot nog toe steeds de jager geweest was, wist nu wat het beteekende gejaagd te worden. En de angst er voor was, dunkt me, in zijn oogen en verzachtte hun fellen gloed, toen ik weken later hem er weer in keek, bij zijn eigen nest op den berg.Simmo nam ook aan onze jacht deel, maar zondergeestdrift of vertrouwen. Hij had al eerder op denzelfden adelaar gejaagd—een heelen zomer, om de waarheid te zeggen, toen een toerist, dien hij als gids diende, hem twintig dollars beloofd had voor de veeren van den koninklijken vogel. Maar de Oude Witkop droeg ze nog zegevierend en Simmo voorspelde hem een lang leven en een natuurlijken dood. „Toch niks geven op dien arend jagen,” zei hij eenvoudig. „Ik eens probeeren en hem niet kunnen besluipen. Hij alles zien; en hij niet zien, dan hij hooren. En dan, gevaar hij voelen aankomen. Daarom hij bouwen zijn nest zoo ver weg, einden weg, o, ik niet weten waar wel.” Dit laatste met een armzwaai om ’t heelal er onder te begrijpen. Cheplahgan, den Ouden Wolkvleugel, noemde hij trots den vogel, die hem een heelen zomer op jacht getart had.In ’t begin had ik op hem gejaagd als ieder andere barbaar; natuurlijk gedeeltelijk om zijn veeren voor den museumman; gedeeltelijk misschien om de lammeren van de kolonisten te beschermen; maar voornamelijk om hem te dooden, om te genieten van zijn klappende wieken als hij lag te sterven, en de bosschen te bevrijden van een wreeden dwingeland. Onder ’t jagen kwam er echter geleidelijk een verandering over me; ik zocht hem hoe langer hoe minder om zijn veeren en om zijn leven, en hoe langer hoe meer om hem zelf, om alles van hem te weten te komen. Ik placht hem urenlang gade te slaan van mijn kamp aan ’t groote meer uit, zooals hij daar rustig over deRendier-kaap zeilde, nadat hij met zijn jongen gegeten had, en in een stemming was om Ismaques in vrede zijn gang te laten gaan met visschen.Dan zette hij zijn groote wieken naar de bries en stond als een vlieger in den wind, terwijl hij geleidelijk naar boven klom in een eindelooze spiraal, hooger en hooger, zonder een zweem van inspanning, tot het oog duizelig werd onder ’t volgen. En ik hield er van om hem gade te slaan, zoo krachtig, zoo vrij, zoo zeker van zichzelf—om en om, hooger, al hooger, zonder haast, zonder moeite, en elke wending vond den hemel nader en de aarde verder onder zich uitgebreid. Nu glimmen kop en staart zilverwit in den zonneschijn; nu hangt hij roerloos, een kruis van git, als een vrouw om den hals zou kunnen dragen, tegen het klare, peillooze blauw van den Junihemel—daar! hij is in ’t blauw verloren, zoo hoog, dat ik hem niet meer kan zien. Maar juist als ik me afwend, duikt hij weer binnen ’t bereik van mijn blik, laat zich met opgevouwen vleugels als een zinklood neervallen, al sneller en sneller, al grooter en grooter, door een ontzettenden luchtstroom, tot ik opspring en mijn adem inhoud, alsof ik zelf neerkwam. En vlak voordat hij zich te pletter valt, zwenkt hij om in de lucht, met zijn kop naar beneden en half open wieken, en schiet in snelle glijvlucht naar het meer, dan in een groote bocht omhoog naar de boomtoppen, waar hij beter kan zien wat Kakagos, de zeldzame boschraaf, uitvoert, en op welk wild hijjaagt. Want om dat te ontdekken kwam Cheplahgan zoo haastig naar beneden.Dan weer kwam hij vroeg in den morgen stroomop zwieren, alsof hij al een lange dagreis achter den rug had, met iets van heel, heel ginds en nog-zóó-ver in zijn snelle voortwieken. En als ik dan aan ’t forellenwater stond en heel stil was, hoorde ik het krachtige zijdegeritsel van zijn vlerken onder ’t voorbijvliegen. ’s Middags zag ik hem boven den hoogsten bergtop in ’t Noorden hangen, op een ontzaglijke hoogte, waar de verbeelding zelfs de heerlijke vlucht van zijn uitzicht niet volgen kon; en ’s avonds vloog hij het meer over, als hij zich naar ’t Westen voortbewoog, naar den zonsondergang toe op onvermoeide wieken—altijd sterk, edel, prachtig in zijn kracht en eenzaamheid, een volmaakt zinnebeeld van de groote, verlaten, heerlijke wildernis.Eens dat ik hem gadesloeg, overviel het me plotseling, dat bosch en rivier onvolmaakt zouden zijn zonder hem. De gedachte hieraan kwam bij me terug en spaarde hem voor de wildernis, dien laatsten keer toen ik hem op leven of dood ging jagen.Dat was vlak nadat we het groote meer bereikt hadden, waar ik hem den vischarend had zien berooven. Na lang zoeken en rondloeren ontdekte ik een grooten boomstam aan den uitgang, waar de oude Witkop dikwijls zat. Er dicht bij was een groote draaikolk, op den rand van een ondiep gedeelte, en hij placht op den stam te zitten wachten tot er vischkwam, daar waar hij in ’t water kon waden om ze te vangen. Er heerschte dat jaar een ziekte onder de zuigvisschen2(die geregeld om de paar jaar heerscht, evenals onder de konijnen) en dan kwamen ze uit het diepe water naar boven kronkelen om op ’t zand uit te rusten—en werden door otters en vischarenden en beren en den ouden Witkop gegrepen, die alle hongerig op visch wachtten.Verscheiden dagen legde ik een mooi lokaas van forel en witvisch aan den rand van het ondiepe. De twee eerste keeren werd ’t aas laat in den middag uitgelegd en beide keeren kreeg een beer het den volgenden nacht. Toen legde ik het vroeg in den morgen, en voor den middag had Cheplahgan het ontdekt. Hij kwam recht als een pijl uit den boog van zijn uitkijk aan den anderen kant van den berg, van mijlen ver, en bracht me in groote verwondering, welk vreemd zesde zintuig hem leidde; want gezicht en reuk schenen beide evenzeer buitengesloten. Den volgenden dag kwam hij weer. Toen legde ik het allerbeste aas in ’t ondiepe en verborg me met mijn geweer in ’t dichte kreupelhout in de buurt.Hij kwam eindelijk, na uren wachtens, en viel met een zwaar wiekgeruisch van boven de boomtoppen neer. En toen hij op den ouden stam neerstreek en zijn breeden, witten staart uitspreidde, zag ik vol trots het gat dat mijn kogel weken te voren had gemaakt.Hij stond daar een oogenblik prachtig opgericht, kop, hals en staart glanzend wit; zelfs de donkerbruine veeren van zijn lichaam glommen in den helderen zonneschijn. En hij keerde langzaam zijn kop van den eenen kant naar den anderen, terwijl zijn scherpe oogen fonkelden, alsof hij zeggen wilde: „Aanschouwt, een koning!” tegen Chigwooltz, den kikvorsch, en Tookhees, de boschmuis, en tegen elk ander levend wezen, dat hem toevallig uit het kreupelhout zou kunnen gadeslaan bij zijn onkoninklijke daad van op doode visch te azen. Toen hupte hij naar beneden—vrij onhandig, moet ik bekennen; want hij is een dier van de hemelsche diepten, die de aanraking met de aarde niet verdragen kan—greep een visch, dien hij met zijn klauwen aan stukken trok en gulzig verslond. Twee keer trachtte ik hem te schieten, maar de gedachte aan de wildernis zonder hem wilde me niet uit het hoofd en weerhield me. En dan kwam het me zoo min voor, hem van een hinderlaag uit te betrekken, als hij naar beneden op den grond was gekomen, waar hij in ’t nadeel was; en toen hij wat van de grootere visschen in zijn klauwen greep, er snel mee omhoog rees en ze naar ’t Westen wegdroeg, was elke begeerte om hem te dooden vergaan. Er waren blijkbaar jonge Wolkvleugels, die ik ook moest opsporen en gadeslaan. Daarna jaagde ik nog ijveriger dan te voren op hem, maar zonder geweer. En een eigenaardig verlangen, waar ik geen rekenschap van geven kon, maakte zich van memeester: om dit ongetemde, ongerepte dier van wolken en bergen aan te raken.Den volgenden dag deed ik het. Er groeiden dichte struiken langs den eenen kant van den ouden stam, waar de adelaar op ging zitten. Hier hakte ik met mijn jachtmes een tunnel in en schikte de toppen zoo, dat ze me beter verborgen. Toen legde ik mijn aas uit, een goede twee uur voordat de oude Witkop op zijn vroegst kon komen, en kroop mijn hol in om te wachten.Nauwelijks had ik me in mijn plaatsje genesteld en me afgevraagd hoe lang menschelijk geduld het steken van insecten en de heete, benauwde lucht zou kunnen uithouden zonder zich te verroeren of een blad te bewegen, of het zware zijgeruisch klonk vlakbij en ik hoorde den greep van zijn klauwen op den stam.Daar stond hij op een armslengte afstands, terwijl hij onrustig met zijn kop draaide en het licht op zijn witte borst blikkerde, met de felle, ongetemde fonkeling in zijn heldere oog. Nooit te voren had hijzoo groot, zoo sterk, zoo prachtig geleken; mijn hart sprong op, toen ik me hem dacht als het zinnebeeld van mijn volk. Ik ben er nog blij om, dat ik eenmaal dat zinnebeeld aanschouwd heb en er de ontroering over heb gevoeld.Maar ik had weinig tijd om te denken, want Cheplahgan was rusteloos. Het een of andere instinct scheen hem voor een gevaar te waarschuwen, dat hij niet zien kon. Op hetzelfde oogenblik dat zijn kop was afgewend strekte ik mijn arm uit. Er verroerde zich nauwelijks een blad door die beweging; toch draaide hij zich bliksemsnel om en dook om toe te springen. Zijn oogen staarden recht in de mijne, zoo fel, dat ik het bijna niet uithouden kon. Misschien vergiste ik me, maar in dat korte oogenblik was het, of de harde glinstering zijner oogen van vrees verzachtte, toen hij mij herkende als het eenige in de wildernis dat op hem durfde jagen, op hem, den koning. Mijn hand raakte hem vol op den schouder; toen schoot hij de lucht in, en zwierde in groote kringen boven de boomtoppen, nog steeds neerziend op den mensch, zich angstig afvragend op welke wijze hij toch in dien man zijn macht was gekomen.Maar éen ding begreep hij niet. Terwijl ik op den stam stond, hoogopgericht, en naar hem opkeek, zooals hij boven me zwierde, dacht ik niet anders dan: „Ik heb het gedaan, ik heb het gedaan, Cheplahgan, Wolkvleugel. En ik zou je bij je pooten hebben kunnen grijpen en je hebben vastgebonden, en in eenzak gepakt naar het kamp hebben kunnen brengen, als ik je niet liever vrij had laten gaan. En dat is beter dan je te schieten. Nu zal ik je jongen zoeken en die ook aanraken.”Dagenlang had ik Witkops vluchtlijnen gevolgd en ik was tot het besluit gekomen dat zijn nest zich ergens in de bergen ten noord-westen van het groote meer bevond. Daar ging ik op een middag heen, en terwijl ’k verdwaald was in het hooge hout, dat nergens naar eenige richting een uitkijk gaf, zag ik niet Witkop, maar een grooter adelaar, zijn wijfje ongetwijfeld, die met voedsel recht het Westen invloog naar een hooge klip, die ik eens met mijn verrekijker, van een berg aan de overzij van het meer af, gezien had.Terwijl ik er den volgenden morgen vroeg heentoog, was het Cheplahgan zelf, die me wees waar zijn nest zich bevond. Ik liep langs den voet van de klip te jagen, toen ik omkeek naar het meer, waar ik hem heel uit de verte aan zag komen, en verstopte me in het kreupelhout. Hij kwam vlak langs me heen en toen ’k hem naging, zag ’k hem op een vooruitstekend gedeelte bij den top van de klip zitten. Vlak onder hem, boven in een verwrongen boom, die uit het rotsvlak groeide, vormde een reusachtige hoop takken het nest, terwijl er een groote moederadelaar bij zat, die de jongen voerde. Beide vogels schrokken op en maakten dat ze wegkwamen bij mijn nadering, maar keerden al gauw terug en zwierden boven mijn hoofd af en aan, toen ik het nest en het rotsvlak door mijnverrekijker op zat te nemen. Ze hoefden nu niet voorzichtig te zijn. Beide vogels schenen bij instinct te weten waarom ik gekomen was, en dat het lot van de adelaarsjongen in mijn handen lag, als ik de klip maar kon beklimmen.Het was een benauwend karweitje, die klimpartij van een driehonderd voet tegen den steilen rotswand op. Gelukkig was de rots vol naden en reten door eeuwenlang verweren; struiken en dwergboomen groeiden uit ontelbare spleten, die me een vast steunpunt voor mijn voeten gaven en me soms wel meer dan twaalf voet naar boven hielpen. Terwijl ik klom, kringden de vogels al lager en lager; het sterke ruischen van hun wieken was nu voortdurend om mijn hoofd; ’t leek of ze elk oogenblik grooter, feller werden, terwijl mijn houvast hoe langer hoe onzekerder werd en de aarde en de spitse boomtoppen ver wegzonken. Er zat een goede revolver in mijn zak, om in geval van nood te dienen; maar als de groote vogels me hadden aangevallen, zou ’t me leelijk vergaan zijn, want van tijd tot tijd was ik verplicht me stevig metbeide handen vast te grijpen, met mijn gezicht naar de klip, zoodoende de adelaars vrij latend om van boven en van achteren te stooten. Ik geloof nu, dat, wanneer ik op zoo’n plek angst had getoond, of geschreeuwd had, of ze weg had trachten te jagen, ze als furiën met wiek en klauw op me af zouden zijn geschoten. Ik kon ’t in hun felle oogen zien wanneer ik opkeek; maar de gedachte aan de keeren dat ik op ze gejaagd had, en vooral de herinnering aan dien keer toen ik uit de struiken reikte en hem had aangeraakt, was Witkop bij en maakte hem bevreesd. Ik ging dus gestaag mijn gang, zonder schijnbaar een gedachte aan de adelaars te schenken, ofschoon ik diep in mijn binnenste bang genoeg was, en bereikte den voet van den boom waarin het nest was gemaakt.Daar stond ik langen tijd, met mijn arm om den gedraaiden, ouden tronk geslagen, uit te kijken over het bosch dat zich uitbreidde in de diepte, gedeeltelijk om weer moed te verzamelen, gedeeltelijk om de adelaars gerust te stellen, die vlak bij me kringden met een zekere ingespannen verbazing in hun oogen, maar voornamelijk om te overleggen wat me nu te doen stond. In den boom kon ik makkelijk klimmen, maar het nest—een reusachtige geschiedenis, waar jaarin, jaaruit bij aangebouwd was—vulde de kruin van den boom geheel, en ik kon geen steunpunt voor mijn voet vinden, vanwaar ik over den rand kon zien en de arendsjongen bekijken, zonderhet nest stuk te maken. Dat wilde ik niet doen, en ik twijfelde er aan of de moeder-adelaar het toe zou laten. Wel twaalf keer scheen ze op het punt zich op mijn hoofd neer te storten, om het met haar klauwen stuk te rijten; maar steeds zwenkte ze weg als ik kalm opkeek, en de oude Witkop, die heel duidelijk het teeken van mijn kogel droeg, zwierde tusschen haar en mij en scheen te zeggen: „Wacht, wacht. Ik begrijp het niet; maar hij kan ons dooden als hij het wil—en de jongen zijn in zijn macht.” Hij was nu dichter bij me dan ooit en de schuwheid verdween gaandeweg. Maar de felheid eveneens.Van den voet van den boom ging de spleet waar deze in groeide rechts naar boven en dan weer terug naar de richel boven het nest, waar Cheplahgan stond toen ik hem ontdekte. De rand van die spleet bood een duizelingwekkend pad, dat men gaan kon door zich als een kreeft voort te bewegen, met het gezicht naar de klip en niets dan de struiken daar, om zich met de vingers aan vast te grijpen. Ten leste probeerde ik het, kroop twintig voet schuin naar boven en tien weer terug en liet me met een diepen zucht van verlichting op een breede richel vallen, bedekt met botten en vischschubben, overblijfselen van menige barbaarsche smulpartij. Onder me, bijna binnen mijn bereik, was het nest met twee donkere, rimpelige jonge vogels, die op twijgen en hooi rustten, met visch, vleesch en gevogelte in een bloederigen, velligen, schubbigen kring om zich heen—het zag eruit als het allerbloeddorstigste huishouden, waar ’k ooit ongevraagd naar binnen had gekeken.Maar terwijl ik nog zat te kijken en me verbaasde, en uit trachtte te maken wat voor ander wild ze die jeugdige kannibalen, die ik had helpen voeren, gebracht hadden, gebeurde er iets vreemds, dat me zoo trof als weinig dingen onder de dieren der natuur ooit gedaan hebben. De adelaars waren dicht bij me, toen ze me langs den laatsten rotshoek volgden en ongetwijfeld in hun hart hoopten dat ik uit zou glijden, en een eind maken aan hun zorg, en mijn lichaam als voedsel voor de jongen geven. Terwijl ik nu op de richel aandachtig in het nest zat te turen, verliet de groote vogelmoeder me en zweefde boven haar adelaarsjongen, alsof ze hen met haar vlerken zelfs voor ’t gezicht van mijn oogen wilde beschermen. Maar de oude Witkop bleef om me heenkringen. Lager kwam hij, steeds lager, tot hij, met een uiterste poging van koenheid, zijn wieken opvouwde en naast me op de richel neerstreek, nog geen tien voet van me af, waar hij zich omwendde en me aankeek. „Kijk,” scheen hij te zeggen, „we zijn weer in elkaars bereik. Je hebt me eens aangeraakt; ik weet niet hoe of waarom. Hier ben ik nu om me aan te raken of te dooden, zooals je verkiest; maar spaar de jongen.”Een oogenblik later streek de moeder neer op den rand van het nest. En daar zaten we, met z’n drieën, allen evenzeer in verwondering, met de jonge adelaars aan onze voeten, de klip boven ons, en driehonderdvoet beneden ons de sparretoppen van de wildernis, die zich uitbreidde om zich in de bergen te verliezen, aan den overkant van het groote meer.Ik zat doodstil, wat de eenige manier is om een dier in de natuur gerust te stellen; en weldra had Cheplahgan, dunkt me, zijn vrees en zijn zorg voor de jongen vergeten. Maar zoodra stond ik niet op, of hij was de lucht weer in en kringde rusteloos boven mijn hoofd met zijn wijfje, en dezelfde wilde felheid was weer in zijn oogen als hij neerkeek. Een half uur later had ik den top van de klip bereikt en toog ik oostelijk naar het meer, langs een heel wat gemakkelijker weg afdalend, dan die waar ik mee naar boven was gegaan. Daarna kwam ik er nog herhaaldelijk terug en zag van op een afstand hoe de adelaarsjongen gevoerd werden. Maar ik ben nooit meer naar het nest toegeklommen.Eens, toen ik bij het boschje kwam op de klip, waar ik gewoonlijk het nest door mijn kijker lag op te nemen, merkte ik, dat er een adelaarsjong weg was. Het andere stond op den rand van het nest angstig naar beneden in den afgrond te kijken, waar zijn dapperder kameraadje zeker heen was gevlogen, en van tijd tot tijd troosteloos te roepen. Zijn heele houding gaf duidelijk te kennen, dat hij honger had en boos en verlaten was. Weldra kwam de moeder-adelaar snel uit het dal met voedsel in haar klauwen. Ze kwam tot den rand van het nest, zweefde er even boven, als om het hongerige adelaarsjong het voedselte laten zien en ruiken, daalde toen langzaam naar het dal, terwijl ze ’t voedsel meenam en het jong op haar manier aanmaande te komen; dan zou hij het hebben. Hij riep haar hard na van den rand van het nest en breidde herhaaldelijk zijn vleugels uit om haar te volgen. Maar dat neerduiken was te griezelig; zijn moed begaf hem; en hij trok zich veilig weer in het nest terug, trok zijn kop in de schouders, sloot zijn oogen en trachtte te vergeten dat hij honger had. De beteekenis van dit tooneeltje was duidelijk genoeg. Ze poogde hem te leeren vliegen, door hem te verstaan te geven, dat zijn vleugels volwassen waren en dat de tijd gekomen was om ze te gebruiken; maar hij was bang.Na een poosje kwam ze terug; zonder voedsel dezen keer, en zweefde boven het nest, terwijl ze het jong op alle manieren probeerde te bewegen er uit te komen. Ze slaagde eindelijk, toen het met een wanhopige poging opsprong en naar de richel er boven klapwiekte, waar ik hem met den ouden Witkop had zitten bekijken. Toen, nadat hij de wereld ernstig van zijn nieuwe plaats had overzien, flodderde hij weer naar het nest terug en hield zich doof voor alle verzekeringen van zijn moeder, dat hij net zoo gemakkelijk naar de boomtoppen beneden kon vliegen, als hij maar wilde.Plotseling, alsof ze ontmoedigd was, steeg ze hoog boven hem op. Ik hield mijn adem in, want ik wist wat er zou gebeuren. Het kleine ding stond op denrand van het nest den sprong te overwegen, dien hij niet nemen dorst. Achter hem klonk een scherpe kreet, die maakte dat hij op zijn hoede was, in de grootste spanning. Het volgende oogenblik was de moeder-adelaar neergeschoten en had het nest bij zijn pooten een klap gegeven, zoodat hij met zijn steunpunt van takken samen de lucht invloog.Nu dreef hij, dreef hij in de blauwe lucht, ondanks zichzelf, en klapwiekte zoo hard hij kon om zich ’t leven te redden. Boven hem, onder hem, naast hem zweefde de moeder op onvermoeide wieken, terwijl ze hem zachtjes toeriep dat ze daar was. Maar de vreeselijke angst voor de diepten en de speertoppen van de sparren had het jonge dier bevangen; zijn wiekgeklepper werd hoe langer hoe wilder; al sneller en sneller viel hij. Plotseling—meer uit angst leek het mij, dan dat zijn kracht ten einde was—verloor hij zijn evenwicht en keukelde halsoverkop de ruimte in. Nu scheen het wel dat ’t met hem gedaan was; hij vouwde zijn vleugels op om tusschen de boomen te pletter te vallen. Toen schoot de oude moeder-adelaar als een bliksemschicht onder hem; zijn radelooze pooten raakten haar breede schouders tusschen haar wieken. Hij richtte zich op, rustte een poosje, kwam weer tot bezinning; daarna schoot ze plotseling onder hem weg en liet hem op zijn eigen vlerken neerkomen. Een handvol veeren, door zijn klauwen er uitgerukt, zegen langzaam achter hem neer.Het was alles het werk van een oogenblik, eer ik ze tusschen de boomen heel in de diepte uit ’t oog verloor; als ik ze weer in mijn kijker kreeg, zat het adelaarsjong in den top van een grooten den en was de moeder hem aan ’t voeren.En toen ik daar alleen in de groote wildernis stond, drong het plotseling voor het eerst duidelijk tot me door, wat de wijze, oude profeet bedoelde; ofschoon hij het langgeleden schreef, in een ver verwijderd land en een ander dan Wolkvleugel haar jongen geleerd had, geheel onbewust van de welgezinde oogen, die het uit een boschje gadesloegen: „Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijne jongen zweeft, zijne vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijne vlerken—zoo de Heere.”
„Daar heb je hem weer! Daar is die Witkop bezig den vischarend te bestelen.”
Ik schoot op uit mijn kleinecommoosieachter ’t vuur bij Gillie’s opgewonden kreet en snelde op ’t strand naar hem toe. Een blik over de Rendier-kaap heen naar de groote baai, waar ontelbare witvisschen schoolden, gaf me weer een hoofdstuk van een lange, maar altijd merkwaardige geschiedenis. Ismaques, de vischarend, was met een dikken visch uit het meer gestegen en deed zijn best om naar zijn nest te komen, waar zijn jongen om eten riepen. Boven hem zweefde de adelaar, zoo onbeweeglijk en onverbiddelijk als het noodlot, liet zich nu eens neervallen om Ismaques met een wiek in ’t gezicht te flappen, raakte hem dan weer zachtjes met zijn groote klauwen aan, alsof hij wilde zeggen: „Voel je dat, Ismaques? Als ik maar éen keer goed toegrijp, zal ’t uit zijn met jou èn je visch. En wat zullen de jongen dan beginnen daar boven in ’t nest in den ouden den? Laat hem nu liever kalm vallen; jij kunt een anderen vangen.—Laat vallen!zeg ik.”
Tot dat oogenblik had de adelaar het den grooten vischarend nog alleen wat lastig gemaakt onder ’t vliegen, met af en toe een zachten wenk, dat hij geen kwaad bedoelde, maar dien visch wilde hebben, dien hij zelf niet vangen kon. Nu kwam er verandering; ’s konings humeur toonde zich even. Met ruischendewieken zwierde hij als een wervelwind om den vischarend heen en hield plotseling dreigend stand midden in de lijn van zijn vlucht. Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven; zijn gele oogen tuurden fel in de ineenkrimpende ziel van Ismaques, zijn klauwen waren ver teruggetrokken voor een doodelijken stoot. En Simmo, de Indiaan, die beneden naar me toe was komen draven, mompelde: „Nu Cheplahgan woedend; dat Ismaques zoo dadelijk merken.”
Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven....Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven.…bl. 108 V.
Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven.…
bl. 108 V.
Maar Ismaques wist precies hoever hij gaan kon. Met een kreet van woede liet hij zijn visch vallen, of liever, hij gooide hem neer, in de hoop dat hij in ’t water terecht zou komen en verloren gaan. Op hetzelfde oogenblik wielde de adelaar hem uit den weg en boog bliksemsnel zijn kop. Ik had hem wel eerder zijn vleugels zien samenvouwen en neervallen, en mijn adem ingehouden bij zoo’n vaart. Maar vallen hielp nu niet, want de visch viel sneller. In plaats daarvan schoot hij naar beneden en vermeerderde ’t gewicht van zijn val door ’t stuwen van zijn forsche wieken, terwijl hij neersuisde als een bliksemflits, om den visch te grijpen voor deze ’t water raakte, en steeg hij met een groote bocht weer op—gestadig hooger en verder weg, gelijkmatig als ’t een koning betaamt te vliegen, naar zijn eigen jongen, heel ginds op den berg.
Weken tevoren had ik den Ouden Witkop, zooals Gillie hem noemde, al leeren kennen op den Madawaska.We voeren de rivier op, op weg naar de wildernis, toen luide kreten en ’t gepang van een geweer vlak voor ons weerklonken. Als we haastig een bocht tusschen de beboschte oevers om kwamen schieten, troffen we een man aan met een rookend geweer, een jongen tot aan zijn middel in de rivier, die hij over trachtte te komen, en aan den anderen kant een zwart schaap, dat ronddraafde en bij elken sprong blaatte.
„Hij heeft het lam meegenomen; hij heeft het lam meegenomen!” riep de jongen. Toen ik de richting van zijn vinger volgde, zag ik den Ouden Witkop, een prachtigen vogel, zwaar boven de boomtoppen aan den anderen kant van het open veld uitstijgen. Bijna instinctmatig reikte ik achter me, greep het zware geweer, dat Gillie me in handen gaf, en sprong uit de kano; want met een geweer heb je een stevigen voetsteun noodig. Het was een ver schot, maar niet zoo heel moeilijk; de Oude Witkop had zijn draai genomen en bewoog zich gestadig al verder weg. Een seconde nadat het schot gevallen was zagen we hem stilhouden en afwijken in de lucht; toen kwamen er twee witte slagpennen neerzijgen en terwijl hij zich wendde, zagen we de breuk in zijn breeden, witten staart. En dat was het teeken waar we hem later altijd aan herkenden.
Dit gebeurde bijna tachtig mijlen per kano vanwaar we nu stonden, ofschoon nauwelijks tien hemelsbreed over de bergen; want de rivieren en meren, diewe volgden, kronkelen tot bijna aan ’t punt van uitgang terug; en de geheele wilde, prachtige streek was het jachtgebied van den adelaar. Waar ik ook ging, zag ik hem; ik zag hoe hij de groote rivieren volgde om aan land gespoelde forel en zalm, of hoog in de lucht dreef, waar hij twee of drie meren der wildernis overzien kon, hij met evenveel brave vischarenden, die er hun maaltijd vingen. Ik had een museum-beheerder beloofd dat ik hem dien zomer een adelaar zou bezorgen, en begon dus naarstig op dien grooten vogel te jagen. Maar dat jagen gaf niet veel, behalve dat het me heel wat van zijn zeden en gewoonten leerde, want ’t leek, alsof hij oogen en ooren over zijn geheele lichaam had; en al kroop ik als een slang door de bosschen, of al dreef ik als een wilde eend in mijn kano over het water, hij zag of hoorde me altijd en was verdwenen eer ik hem onder schot kon krijgen.
Toen poogde ik hem in een stap1te lokken. Ik legde twee groote forellen met een stalen klem er tusschen in, op een ondiepe plaats in de rivier, die ik van mijn kamp uit op een steilen oever, een halve mijl stroomaf, kon gadeslaan. Den volgenden dag hief Gillie, die begeeriger was dan ik, een geschreeuw aan, en toen ik te voorschijn kwam snellen, zag ik den Ouden Witkop in ’t ondiepe water bij den stap staan, waar hij omheen klapwiekte. We sprongen in een kano en roeiden spoorslags de rivier op, terwijl we juichtenvan verrukking, dat we den fellen, ouden vogel eindelijk hadden. Toen we de laatste landtong omkwamen, die de ondiepte verborg, stond de Oude Witkop daar, geen dertig meters van ons af, nog aan een visch te rukken en in ’t water te plassen. Ik zal niet spoedig zijn houding en uitdrukking vergeten, als wij de landtong omschoten: zijn lijf rechtop en stijf, zijn wieken half ontplooid, zijn kop naar voren, de oogleden rechtgetrokken en een krachtige, felle glans van vrijheid en ongetemde wildheid in zijn heldere oogen. Zoo stond hij daar, een heerlijk wezen, tot we bijna bij hem waren,—toen steeg hij rustig op en nam een van de forellen mee. De andere had hij al in zijn maag. Hij zat in ’t geheel niet in de klem, maar was er zorgvuldig om heengestapt. Het geplas was veroorzaakt, doordat hij den eenen visch met zijn klauwen stuk had gereten en den anderen van een paal waar hij op stak had losgemaakt.
Daarna kwam hij niet meer bij het ondiepe water, want hij had een nieuwe ondervinding opgedaan in zijn leven, die een donkere schaduw achterliet. Hij, die de koning was van alles wat hij van den ouden, door den bliksem getroffen den op den top van de klip overzag, die tot nog toe steeds de jager geweest was, wist nu wat het beteekende gejaagd te worden. En de angst er voor was, dunkt me, in zijn oogen en verzachtte hun fellen gloed, toen ik weken later hem er weer in keek, bij zijn eigen nest op den berg.
Simmo nam ook aan onze jacht deel, maar zondergeestdrift of vertrouwen. Hij had al eerder op denzelfden adelaar gejaagd—een heelen zomer, om de waarheid te zeggen, toen een toerist, dien hij als gids diende, hem twintig dollars beloofd had voor de veeren van den koninklijken vogel. Maar de Oude Witkop droeg ze nog zegevierend en Simmo voorspelde hem een lang leven en een natuurlijken dood. „Toch niks geven op dien arend jagen,” zei hij eenvoudig. „Ik eens probeeren en hem niet kunnen besluipen. Hij alles zien; en hij niet zien, dan hij hooren. En dan, gevaar hij voelen aankomen. Daarom hij bouwen zijn nest zoo ver weg, einden weg, o, ik niet weten waar wel.” Dit laatste met een armzwaai om ’t heelal er onder te begrijpen. Cheplahgan, den Ouden Wolkvleugel, noemde hij trots den vogel, die hem een heelen zomer op jacht getart had.
In ’t begin had ik op hem gejaagd als ieder andere barbaar; natuurlijk gedeeltelijk om zijn veeren voor den museumman; gedeeltelijk misschien om de lammeren van de kolonisten te beschermen; maar voornamelijk om hem te dooden, om te genieten van zijn klappende wieken als hij lag te sterven, en de bosschen te bevrijden van een wreeden dwingeland. Onder ’t jagen kwam er echter geleidelijk een verandering over me; ik zocht hem hoe langer hoe minder om zijn veeren en om zijn leven, en hoe langer hoe meer om hem zelf, om alles van hem te weten te komen. Ik placht hem urenlang gade te slaan van mijn kamp aan ’t groote meer uit, zooals hij daar rustig over deRendier-kaap zeilde, nadat hij met zijn jongen gegeten had, en in een stemming was om Ismaques in vrede zijn gang te laten gaan met visschen.
Dan zette hij zijn groote wieken naar de bries en stond als een vlieger in den wind, terwijl hij geleidelijk naar boven klom in een eindelooze spiraal, hooger en hooger, zonder een zweem van inspanning, tot het oog duizelig werd onder ’t volgen. En ik hield er van om hem gade te slaan, zoo krachtig, zoo vrij, zoo zeker van zichzelf—om en om, hooger, al hooger, zonder haast, zonder moeite, en elke wending vond den hemel nader en de aarde verder onder zich uitgebreid. Nu glimmen kop en staart zilverwit in den zonneschijn; nu hangt hij roerloos, een kruis van git, als een vrouw om den hals zou kunnen dragen, tegen het klare, peillooze blauw van den Junihemel—daar! hij is in ’t blauw verloren, zoo hoog, dat ik hem niet meer kan zien. Maar juist als ik me afwend, duikt hij weer binnen ’t bereik van mijn blik, laat zich met opgevouwen vleugels als een zinklood neervallen, al sneller en sneller, al grooter en grooter, door een ontzettenden luchtstroom, tot ik opspring en mijn adem inhoud, alsof ik zelf neerkwam. En vlak voordat hij zich te pletter valt, zwenkt hij om in de lucht, met zijn kop naar beneden en half open wieken, en schiet in snelle glijvlucht naar het meer, dan in een groote bocht omhoog naar de boomtoppen, waar hij beter kan zien wat Kakagos, de zeldzame boschraaf, uitvoert, en op welk wild hijjaagt. Want om dat te ontdekken kwam Cheplahgan zoo haastig naar beneden.
Dan weer kwam hij vroeg in den morgen stroomop zwieren, alsof hij al een lange dagreis achter den rug had, met iets van heel, heel ginds en nog-zóó-ver in zijn snelle voortwieken. En als ik dan aan ’t forellenwater stond en heel stil was, hoorde ik het krachtige zijdegeritsel van zijn vlerken onder ’t voorbijvliegen. ’s Middags zag ik hem boven den hoogsten bergtop in ’t Noorden hangen, op een ontzaglijke hoogte, waar de verbeelding zelfs de heerlijke vlucht van zijn uitzicht niet volgen kon; en ’s avonds vloog hij het meer over, als hij zich naar ’t Westen voortbewoog, naar den zonsondergang toe op onvermoeide wieken—altijd sterk, edel, prachtig in zijn kracht en eenzaamheid, een volmaakt zinnebeeld van de groote, verlaten, heerlijke wildernis.
Eens dat ik hem gadesloeg, overviel het me plotseling, dat bosch en rivier onvolmaakt zouden zijn zonder hem. De gedachte hieraan kwam bij me terug en spaarde hem voor de wildernis, dien laatsten keer toen ik hem op leven of dood ging jagen.
Dat was vlak nadat we het groote meer bereikt hadden, waar ik hem den vischarend had zien berooven. Na lang zoeken en rondloeren ontdekte ik een grooten boomstam aan den uitgang, waar de oude Witkop dikwijls zat. Er dicht bij was een groote draaikolk, op den rand van een ondiep gedeelte, en hij placht op den stam te zitten wachten tot er vischkwam, daar waar hij in ’t water kon waden om ze te vangen. Er heerschte dat jaar een ziekte onder de zuigvisschen2(die geregeld om de paar jaar heerscht, evenals onder de konijnen) en dan kwamen ze uit het diepe water naar boven kronkelen om op ’t zand uit te rusten—en werden door otters en vischarenden en beren en den ouden Witkop gegrepen, die alle hongerig op visch wachtten.
Verscheiden dagen legde ik een mooi lokaas van forel en witvisch aan den rand van het ondiepe. De twee eerste keeren werd ’t aas laat in den middag uitgelegd en beide keeren kreeg een beer het den volgenden nacht. Toen legde ik het vroeg in den morgen, en voor den middag had Cheplahgan het ontdekt. Hij kwam recht als een pijl uit den boog van zijn uitkijk aan den anderen kant van den berg, van mijlen ver, en bracht me in groote verwondering, welk vreemd zesde zintuig hem leidde; want gezicht en reuk schenen beide evenzeer buitengesloten. Den volgenden dag kwam hij weer. Toen legde ik het allerbeste aas in ’t ondiepe en verborg me met mijn geweer in ’t dichte kreupelhout in de buurt.
Hij kwam eindelijk, na uren wachtens, en viel met een zwaar wiekgeruisch van boven de boomtoppen neer. En toen hij op den ouden stam neerstreek en zijn breeden, witten staart uitspreidde, zag ik vol trots het gat dat mijn kogel weken te voren had gemaakt.Hij stond daar een oogenblik prachtig opgericht, kop, hals en staart glanzend wit; zelfs de donkerbruine veeren van zijn lichaam glommen in den helderen zonneschijn. En hij keerde langzaam zijn kop van den eenen kant naar den anderen, terwijl zijn scherpe oogen fonkelden, alsof hij zeggen wilde: „Aanschouwt, een koning!” tegen Chigwooltz, den kikvorsch, en Tookhees, de boschmuis, en tegen elk ander levend wezen, dat hem toevallig uit het kreupelhout zou kunnen gadeslaan bij zijn onkoninklijke daad van op doode visch te azen. Toen hupte hij naar beneden—vrij onhandig, moet ik bekennen; want hij is een dier van de hemelsche diepten, die de aanraking met de aarde niet verdragen kan—greep een visch, dien hij met zijn klauwen aan stukken trok en gulzig verslond. Twee keer trachtte ik hem te schieten, maar de gedachte aan de wildernis zonder hem wilde me niet uit het hoofd en weerhield me. En dan kwam het me zoo min voor, hem van een hinderlaag uit te betrekken, als hij naar beneden op den grond was gekomen, waar hij in ’t nadeel was; en toen hij wat van de grootere visschen in zijn klauwen greep, er snel mee omhoog rees en ze naar ’t Westen wegdroeg, was elke begeerte om hem te dooden vergaan. Er waren blijkbaar jonge Wolkvleugels, die ik ook moest opsporen en gadeslaan. Daarna jaagde ik nog ijveriger dan te voren op hem, maar zonder geweer. En een eigenaardig verlangen, waar ik geen rekenschap van geven kon, maakte zich van memeester: om dit ongetemde, ongerepte dier van wolken en bergen aan te raken.
Den volgenden dag deed ik het. Er groeiden dichte struiken langs den eenen kant van den ouden stam, waar de adelaar op ging zitten. Hier hakte ik met mijn jachtmes een tunnel in en schikte de toppen zoo, dat ze me beter verborgen. Toen legde ik mijn aas uit, een goede twee uur voordat de oude Witkop op zijn vroegst kon komen, en kroop mijn hol in om te wachten.
Nauwelijks had ik me in mijn plaatsje genesteld en me afgevraagd hoe lang menschelijk geduld het steken van insecten en de heete, benauwde lucht zou kunnen uithouden zonder zich te verroeren of een blad te bewegen, of het zware zijgeruisch klonk vlakbij en ik hoorde den greep van zijn klauwen op den stam.
Daar stond hij op een armslengte afstands, terwijl hij onrustig met zijn kop draaide en het licht op zijn witte borst blikkerde, met de felle, ongetemde fonkeling in zijn heldere oog. Nooit te voren had hijzoo groot, zoo sterk, zoo prachtig geleken; mijn hart sprong op, toen ik me hem dacht als het zinnebeeld van mijn volk. Ik ben er nog blij om, dat ik eenmaal dat zinnebeeld aanschouwd heb en er de ontroering over heb gevoeld.
Maar ik had weinig tijd om te denken, want Cheplahgan was rusteloos. Het een of andere instinct scheen hem voor een gevaar te waarschuwen, dat hij niet zien kon. Op hetzelfde oogenblik dat zijn kop was afgewend strekte ik mijn arm uit. Er verroerde zich nauwelijks een blad door die beweging; toch draaide hij zich bliksemsnel om en dook om toe te springen. Zijn oogen staarden recht in de mijne, zoo fel, dat ik het bijna niet uithouden kon. Misschien vergiste ik me, maar in dat korte oogenblik was het, of de harde glinstering zijner oogen van vrees verzachtte, toen hij mij herkende als het eenige in de wildernis dat op hem durfde jagen, op hem, den koning. Mijn hand raakte hem vol op den schouder; toen schoot hij de lucht in, en zwierde in groote kringen boven de boomtoppen, nog steeds neerziend op den mensch, zich angstig afvragend op welke wijze hij toch in dien man zijn macht was gekomen.
Maar éen ding begreep hij niet. Terwijl ik op den stam stond, hoogopgericht, en naar hem opkeek, zooals hij boven me zwierde, dacht ik niet anders dan: „Ik heb het gedaan, ik heb het gedaan, Cheplahgan, Wolkvleugel. En ik zou je bij je pooten hebben kunnen grijpen en je hebben vastgebonden, en in eenzak gepakt naar het kamp hebben kunnen brengen, als ik je niet liever vrij had laten gaan. En dat is beter dan je te schieten. Nu zal ik je jongen zoeken en die ook aanraken.”
Dagenlang had ik Witkops vluchtlijnen gevolgd en ik was tot het besluit gekomen dat zijn nest zich ergens in de bergen ten noord-westen van het groote meer bevond. Daar ging ik op een middag heen, en terwijl ’k verdwaald was in het hooge hout, dat nergens naar eenige richting een uitkijk gaf, zag ik niet Witkop, maar een grooter adelaar, zijn wijfje ongetwijfeld, die met voedsel recht het Westen invloog naar een hooge klip, die ik eens met mijn verrekijker, van een berg aan de overzij van het meer af, gezien had.
Terwijl ik er den volgenden morgen vroeg heentoog, was het Cheplahgan zelf, die me wees waar zijn nest zich bevond. Ik liep langs den voet van de klip te jagen, toen ik omkeek naar het meer, waar ik hem heel uit de verte aan zag komen, en verstopte me in het kreupelhout. Hij kwam vlak langs me heen en toen ’k hem naging, zag ’k hem op een vooruitstekend gedeelte bij den top van de klip zitten. Vlak onder hem, boven in een verwrongen boom, die uit het rotsvlak groeide, vormde een reusachtige hoop takken het nest, terwijl er een groote moederadelaar bij zat, die de jongen voerde. Beide vogels schrokken op en maakten dat ze wegkwamen bij mijn nadering, maar keerden al gauw terug en zwierden boven mijn hoofd af en aan, toen ik het nest en het rotsvlak door mijnverrekijker op zat te nemen. Ze hoefden nu niet voorzichtig te zijn. Beide vogels schenen bij instinct te weten waarom ik gekomen was, en dat het lot van de adelaarsjongen in mijn handen lag, als ik de klip maar kon beklimmen.
Het was een benauwend karweitje, die klimpartij van een driehonderd voet tegen den steilen rotswand op. Gelukkig was de rots vol naden en reten door eeuwenlang verweren; struiken en dwergboomen groeiden uit ontelbare spleten, die me een vast steunpunt voor mijn voeten gaven en me soms wel meer dan twaalf voet naar boven hielpen. Terwijl ik klom, kringden de vogels al lager en lager; het sterke ruischen van hun wieken was nu voortdurend om mijn hoofd; ’t leek of ze elk oogenblik grooter, feller werden, terwijl mijn houvast hoe langer hoe onzekerder werd en de aarde en de spitse boomtoppen ver wegzonken. Er zat een goede revolver in mijn zak, om in geval van nood te dienen; maar als de groote vogels me hadden aangevallen, zou ’t me leelijk vergaan zijn, want van tijd tot tijd was ik verplicht me stevig metbeide handen vast te grijpen, met mijn gezicht naar de klip, zoodoende de adelaars vrij latend om van boven en van achteren te stooten. Ik geloof nu, dat, wanneer ik op zoo’n plek angst had getoond, of geschreeuwd had, of ze weg had trachten te jagen, ze als furiën met wiek en klauw op me af zouden zijn geschoten. Ik kon ’t in hun felle oogen zien wanneer ik opkeek; maar de gedachte aan de keeren dat ik op ze gejaagd had, en vooral de herinnering aan dien keer toen ik uit de struiken reikte en hem had aangeraakt, was Witkop bij en maakte hem bevreesd. Ik ging dus gestaag mijn gang, zonder schijnbaar een gedachte aan de adelaars te schenken, ofschoon ik diep in mijn binnenste bang genoeg was, en bereikte den voet van den boom waarin het nest was gemaakt.
Daar stond ik langen tijd, met mijn arm om den gedraaiden, ouden tronk geslagen, uit te kijken over het bosch dat zich uitbreidde in de diepte, gedeeltelijk om weer moed te verzamelen, gedeeltelijk om de adelaars gerust te stellen, die vlak bij me kringden met een zekere ingespannen verbazing in hun oogen, maar voornamelijk om te overleggen wat me nu te doen stond. In den boom kon ik makkelijk klimmen, maar het nest—een reusachtige geschiedenis, waar jaarin, jaaruit bij aangebouwd was—vulde de kruin van den boom geheel, en ik kon geen steunpunt voor mijn voet vinden, vanwaar ik over den rand kon zien en de arendsjongen bekijken, zonderhet nest stuk te maken. Dat wilde ik niet doen, en ik twijfelde er aan of de moeder-adelaar het toe zou laten. Wel twaalf keer scheen ze op het punt zich op mijn hoofd neer te storten, om het met haar klauwen stuk te rijten; maar steeds zwenkte ze weg als ik kalm opkeek, en de oude Witkop, die heel duidelijk het teeken van mijn kogel droeg, zwierde tusschen haar en mij en scheen te zeggen: „Wacht, wacht. Ik begrijp het niet; maar hij kan ons dooden als hij het wil—en de jongen zijn in zijn macht.” Hij was nu dichter bij me dan ooit en de schuwheid verdween gaandeweg. Maar de felheid eveneens.
Van den voet van den boom ging de spleet waar deze in groeide rechts naar boven en dan weer terug naar de richel boven het nest, waar Cheplahgan stond toen ik hem ontdekte. De rand van die spleet bood een duizelingwekkend pad, dat men gaan kon door zich als een kreeft voort te bewegen, met het gezicht naar de klip en niets dan de struiken daar, om zich met de vingers aan vast te grijpen. Ten leste probeerde ik het, kroop twintig voet schuin naar boven en tien weer terug en liet me met een diepen zucht van verlichting op een breede richel vallen, bedekt met botten en vischschubben, overblijfselen van menige barbaarsche smulpartij. Onder me, bijna binnen mijn bereik, was het nest met twee donkere, rimpelige jonge vogels, die op twijgen en hooi rustten, met visch, vleesch en gevogelte in een bloederigen, velligen, schubbigen kring om zich heen—het zag eruit als het allerbloeddorstigste huishouden, waar ’k ooit ongevraagd naar binnen had gekeken.
Maar terwijl ik nog zat te kijken en me verbaasde, en uit trachtte te maken wat voor ander wild ze die jeugdige kannibalen, die ik had helpen voeren, gebracht hadden, gebeurde er iets vreemds, dat me zoo trof als weinig dingen onder de dieren der natuur ooit gedaan hebben. De adelaars waren dicht bij me, toen ze me langs den laatsten rotshoek volgden en ongetwijfeld in hun hart hoopten dat ik uit zou glijden, en een eind maken aan hun zorg, en mijn lichaam als voedsel voor de jongen geven. Terwijl ik nu op de richel aandachtig in het nest zat te turen, verliet de groote vogelmoeder me en zweefde boven haar adelaarsjongen, alsof ze hen met haar vlerken zelfs voor ’t gezicht van mijn oogen wilde beschermen. Maar de oude Witkop bleef om me heenkringen. Lager kwam hij, steeds lager, tot hij, met een uiterste poging van koenheid, zijn wieken opvouwde en naast me op de richel neerstreek, nog geen tien voet van me af, waar hij zich omwendde en me aankeek. „Kijk,” scheen hij te zeggen, „we zijn weer in elkaars bereik. Je hebt me eens aangeraakt; ik weet niet hoe of waarom. Hier ben ik nu om me aan te raken of te dooden, zooals je verkiest; maar spaar de jongen.”
Een oogenblik later streek de moeder neer op den rand van het nest. En daar zaten we, met z’n drieën, allen evenzeer in verwondering, met de jonge adelaars aan onze voeten, de klip boven ons, en driehonderdvoet beneden ons de sparretoppen van de wildernis, die zich uitbreidde om zich in de bergen te verliezen, aan den overkant van het groote meer.
Ik zat doodstil, wat de eenige manier is om een dier in de natuur gerust te stellen; en weldra had Cheplahgan, dunkt me, zijn vrees en zijn zorg voor de jongen vergeten. Maar zoodra stond ik niet op, of hij was de lucht weer in en kringde rusteloos boven mijn hoofd met zijn wijfje, en dezelfde wilde felheid was weer in zijn oogen als hij neerkeek. Een half uur later had ik den top van de klip bereikt en toog ik oostelijk naar het meer, langs een heel wat gemakkelijker weg afdalend, dan die waar ik mee naar boven was gegaan. Daarna kwam ik er nog herhaaldelijk terug en zag van op een afstand hoe de adelaarsjongen gevoerd werden. Maar ik ben nooit meer naar het nest toegeklommen.
Eens, toen ik bij het boschje kwam op de klip, waar ik gewoonlijk het nest door mijn kijker lag op te nemen, merkte ik, dat er een adelaarsjong weg was. Het andere stond op den rand van het nest angstig naar beneden in den afgrond te kijken, waar zijn dapperder kameraadje zeker heen was gevlogen, en van tijd tot tijd troosteloos te roepen. Zijn heele houding gaf duidelijk te kennen, dat hij honger had en boos en verlaten was. Weldra kwam de moeder-adelaar snel uit het dal met voedsel in haar klauwen. Ze kwam tot den rand van het nest, zweefde er even boven, als om het hongerige adelaarsjong het voedselte laten zien en ruiken, daalde toen langzaam naar het dal, terwijl ze ’t voedsel meenam en het jong op haar manier aanmaande te komen; dan zou hij het hebben. Hij riep haar hard na van den rand van het nest en breidde herhaaldelijk zijn vleugels uit om haar te volgen. Maar dat neerduiken was te griezelig; zijn moed begaf hem; en hij trok zich veilig weer in het nest terug, trok zijn kop in de schouders, sloot zijn oogen en trachtte te vergeten dat hij honger had. De beteekenis van dit tooneeltje was duidelijk genoeg. Ze poogde hem te leeren vliegen, door hem te verstaan te geven, dat zijn vleugels volwassen waren en dat de tijd gekomen was om ze te gebruiken; maar hij was bang.
Na een poosje kwam ze terug; zonder voedsel dezen keer, en zweefde boven het nest, terwijl ze het jong op alle manieren probeerde te bewegen er uit te komen. Ze slaagde eindelijk, toen het met een wanhopige poging opsprong en naar de richel er boven klapwiekte, waar ik hem met den ouden Witkop had zitten bekijken. Toen, nadat hij de wereld ernstig van zijn nieuwe plaats had overzien, flodderde hij weer naar het nest terug en hield zich doof voor alle verzekeringen van zijn moeder, dat hij net zoo gemakkelijk naar de boomtoppen beneden kon vliegen, als hij maar wilde.
Plotseling, alsof ze ontmoedigd was, steeg ze hoog boven hem op. Ik hield mijn adem in, want ik wist wat er zou gebeuren. Het kleine ding stond op denrand van het nest den sprong te overwegen, dien hij niet nemen dorst. Achter hem klonk een scherpe kreet, die maakte dat hij op zijn hoede was, in de grootste spanning. Het volgende oogenblik was de moeder-adelaar neergeschoten en had het nest bij zijn pooten een klap gegeven, zoodat hij met zijn steunpunt van takken samen de lucht invloog.
Nu dreef hij, dreef hij in de blauwe lucht, ondanks zichzelf, en klapwiekte zoo hard hij kon om zich ’t leven te redden. Boven hem, onder hem, naast hem zweefde de moeder op onvermoeide wieken, terwijl ze hem zachtjes toeriep dat ze daar was. Maar de vreeselijke angst voor de diepten en de speertoppen van de sparren had het jonge dier bevangen; zijn wiekgeklepper werd hoe langer hoe wilder; al sneller en sneller viel hij. Plotseling—meer uit angst leek het mij, dan dat zijn kracht ten einde was—verloor hij zijn evenwicht en keukelde halsoverkop de ruimte in. Nu scheen het wel dat ’t met hem gedaan was; hij vouwde zijn vleugels op om tusschen de boomen te pletter te vallen. Toen schoot de oude moeder-adelaar als een bliksemschicht onder hem; zijn radelooze pooten raakten haar breede schouders tusschen haar wieken. Hij richtte zich op, rustte een poosje, kwam weer tot bezinning; daarna schoot ze plotseling onder hem weg en liet hem op zijn eigen vlerken neerkomen. Een handvol veeren, door zijn klauwen er uitgerukt, zegen langzaam achter hem neer.
Het was alles het werk van een oogenblik, eer ik ze tusschen de boomen heel in de diepte uit ’t oog verloor; als ik ze weer in mijn kijker kreeg, zat het adelaarsjong in den top van een grooten den en was de moeder hem aan ’t voeren.
En toen ik daar alleen in de groote wildernis stond, drong het plotseling voor het eerst duidelijk tot me door, wat de wijze, oude profeet bedoelde; ofschoon hij het langgeleden schreef, in een ver verwijderd land en een ander dan Wolkvleugel haar jongen geleerd had, geheel onbewust van de welgezinde oogen, die het uit een boschje gadesloegen: „Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijne jongen zweeft, zijne vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijne vlerken—zoo de Heere.”
1Gewestelijk voor klem.↑2Genus Catostomidae.↑
1Gewestelijk voor klem.↑2Genus Catostomidae.↑
1Gewestelijk voor klem.↑
2Genus Catostomidae.↑