The Project Gutenberg eBook ofBoschgeheimenThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: BoschgeheimenAuthor: William J. LongIllustrator: Charles CopelandTranslator: Cilia StoffelRelease date: September 2, 2019 [eBook #60224]Most recently updated: October 17, 2024Language: DutchCredits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net/ for ProjectGutenberg*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BOSCHGEHEIMEN ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: BoschgeheimenAuthor: William J. LongIllustrator: Charles CopelandTranslator: Cilia StoffelRelease date: September 2, 2019 [eBook #60224]Most recently updated: October 17, 2024Language: DutchCredits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net/ for ProjectGutenberg
Title: Boschgeheimen
Author: William J. LongIllustrator: Charles CopelandTranslator: Cilia Stoffel
Author: William J. Long
Illustrator: Charles Copeland
Translator: Cilia Stoffel
Release date: September 2, 2019 [eBook #60224]Most recently updated: October 17, 2024
Language: Dutch
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net/ for ProjectGutenberg
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BOSCHGEHEIMEN ***
BOSCHGEHEIMENzat Tookhees daar op den rand van mijn kopjezat Tookhees daar op den rand van mijn kopjebl. 15 V.Oorspronkelijke titelpagina.BOSCHGEHEIMENMET TOESTEMMING VAN DEN SCHRIJVER WILLIAM J. LONG UIT HET ENGELSCH VERTAALD DOOR CILIA STOFFEL TEEKENINGEN VAN CHARLES COPELANDROTTERDAM MCMXXIW. L. & J. BRUSSE’S UITGEVERSMAATSCHAPPIJVAN WILLIAM J. LONG VERSCHIJNEN IN DE VERTALING VAN CILIA STOFFEL MET TEEKENINGEN VAN CHARLES COPELAND:1DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS(3dedruk)2KIJKJES IN HET DIERENLEVEN (2dedruk)3HET BOSCHVOLKJE4OP EENZAME ZWERFTOCHTEN5BOSCHGEHEIMEN6EEN BROERTJE VAN DEN BEER7OP HERTEN UIT8ZONDER GEWEER OP JACHT9DE WITTE WOLF10LANGS DIERENPADEN IN HET HOOGE NOORDENINHOUDInleidingBladz.7De BoschmuisBladz.,,11Een Verborgen Paadje in de WildernisBladz.,,31Keeonekh, de VisscherBladz.,,37Koskomenos, de VerstootelingBladz.,,61De oude BeukenpatrijsBladz.,,80Wolkvleugel, de AdelaarBladz.,,107De Indiaansche NamenBladz.,,129AAN CH’GEEGEE-LOKH-SIS,„MIJN VRIENDJE CH’GEEGEE”, WIENSKOMST DEN WINTER BLIJ MAAKT.INLEIDING.Dit boekje is slechts een nieuw hoofdstuk uit het schuwe, wilde leven in bosch en veld, waarvan „Het Boschvolkje”, „Op Eenzame zwerftochten”, „Dierenleven in de Wildernis”, „Kijkjes in het Dierenleven” het begin vormden. Het wordt gaarne gegeven als antwoord op dien roep om meer van hen, die de vorige deeltjes gelezen hebben en wier brieven vol vriendelijkheid en waardeering waren.Allerlei vragen zijn in den laatsten tijd in diezelfde brieven opgeworpen; van welke de voornaamste deze is: Hoe kan men zulke dingen zelf ontdekken? Hoe kunnen ook wij de geheimen ontcijferen van het Boschvolkje?Er is hier geen plaats om te antwoorden, om den langen oefentijd te beschrijven, zelfs al zou ik precies kunnen verklaren wat min of meer onbewust geschiedt. Ik wilde slechts vragen of de ware oorzaak, waardoor wij zoo weinig in de bosschen zien, misschien ook schuilt in de wijze, waarop wij er ons gedragen—wij praten, lachen, ritselen, trappen takjes kapot, verstoren den vrede der eenzaamheid door wat de kleine, wilde wezentjes wonderlijke en barbaarsche geluiden moeten toeschijnen. Zij, aan den anderen kant, glippen met geruischloozen gang door de dichte dekking, waar ze thuis zijn, schuw, zwijgend, luisterend, er meer op uit te hooren dan gehoord te worden; zij houden van destilte, haten gerucht en zijn er bang voor, evenals ze hun natuurlijke vijanden vreezen en haten.Wij zouden niet op ons gemak zijn, als een groote wildeman in ons vreedzame huis kwam, de deur inrammeide, met zijn strijdknots op meubels hieuw en zijn strijdkreet galmde. We zouden onder die omstandigheden niet heel natuurlijk zijn. We zouden onze eigenlijke gezindheid verbergen. Het zou zelfs wel eens kunnen wezen dat we het huis maar uittrokken. Zoo doet het Boschvolkje ook. Slechts als we hun gewoonten aannemen, kunnen we verwachten in hun leven en geheimen te deelen. En het is om verbaasd over te zijn, hoe weinig bang de schuwste van hen voor ons is, als we maar stil blijven en alle opwinding vermijden, zelfs van ons gevoel; want ze begrijpen ons gevoel evenzeer als onze handelingen.Een hond weet het wanneer ge bang voor hem zijt, wanneer vijandig, wanneer vriendschappelijk gezind. Een beer net eender. Raak het hoofd kwijt, en het paard, waar ge op rijdt, zal er onmiddellijk vandoor gaan. Verraad eens iets van onderdrukte opwinding, en het hert, dat ginds sierlijk den oever aftript naar uw kano in ’t riet, zal stampen en brieschen en wegspringen, zonder ooit te weten wat hem verschrikte. Maar wees rustig, vriendelijk, innerlijk vreedzaam in diezelfde omstandigheid, en het hert zal, zelfs als het u ontdekt heeft, nader komen en zijn nieuwsgierigheid op allerlei aardige manieren toonen, eer het wegdraaft, en nog over zijn schouder kijken of ge nietsmeer te zeggen hebt. Wees dan edelmoedig—laat hem ’t geflonker op een kijker zien, ’t wapperen van een kleurigen zakdoek, een tinnen fluitje of een ander prul, dat de herinnering aan een jongenszak u aan de hand kan doen—en ge loopt kans, dat hij terug zal komen, daar nieuwsgierigheid zoo rijkelijk beloond werd.Dit is nog een punt om te onthouden: alle boschbewoners zijn nieuwsgieriger naar ons, dan wij naar hen. Ga eens rustig in het bosch zitten, waar ge wilt, dan zal uw komst dezelfde opschudding veroorzaken, als een vreemdeling in een stadje tusschen de heuvels van Nieuw-Engeland. Bedwing uw nieuwsgierigheid, en weldra kunnen zij de hunne niet meer bedwingen; ze moeten komen onderzoeken wie ge zijt en wat ge uitvoert. Dan is ’t voordeel aan uw kant; want terwijl hun nieuwsgierigheid bevredigd wordt, vergeten ze vrees en geven u allerlei aardige kijkjes in hun leven, die ge nooit op een andere manier zult te zien krijgen.Wat den oorsprong van deze schetsen betreft: hij is dezelfde als bij de vorige—jaren van rustige waarneming in bosschen en velden, en een paar oude opschrijfboekjes, die de verslagen bevatten van zomer- en winterkampen in de groote wildernis.WILLIAM J. LONG.Stamford, Connecticut, Juni 1901.
BOSCHGEHEIMEN
BOSCHGEHEIMEN
BOSCHGEHEIMEN
zat Tookhees daar op den rand van mijn kopjezat Tookhees daar op den rand van mijn kopjebl. 15 V.
zat Tookhees daar op den rand van mijn kopjezat Tookhees daar op den rand van mijn kopjebl. 15 V.
zat Tookhees daar op den rand van mijn kopjezat Tookhees daar op den rand van mijn kopjebl. 15 V.
zat Tookhees daar op den rand van mijn kopje
bl. 15 V.
Oorspronkelijke titelpagina.
Oorspronkelijke titelpagina.
Oorspronkelijke titelpagina.
BOSCHGEHEIMENMET TOESTEMMING VAN DEN SCHRIJVER WILLIAM J. LONG UIT HET ENGELSCH VERTAALD DOOR CILIA STOFFEL TEEKENINGEN VAN CHARLES COPELANDROTTERDAM MCMXXIW. L. & J. BRUSSE’S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ
BOSCHGEHEIMEN
BOSCHGEHEIMEN
MET TOESTEMMING VAN DEN SCHRIJVER WILLIAM J. LONG UIT HET ENGELSCH VERTAALD DOOR CILIA STOFFEL TEEKENINGEN VAN CHARLES COPELAND
ROTTERDAM MCMXXIW. L. & J. BRUSSE’S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ
VAN WILLIAM J. LONG VERSCHIJNEN IN DE VERTALING VAN CILIA STOFFEL MET TEEKENINGEN VAN CHARLES COPELAND:1DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS(3dedruk)2KIJKJES IN HET DIERENLEVEN (2dedruk)3HET BOSCHVOLKJE4OP EENZAME ZWERFTOCHTEN5BOSCHGEHEIMEN6EEN BROERTJE VAN DEN BEER7OP HERTEN UIT8ZONDER GEWEER OP JACHT9DE WITTE WOLF10LANGS DIERENPADEN IN HET HOOGE NOORDEN
VAN WILLIAM J. LONG VERSCHIJNEN IN DE VERTALING VAN CILIA STOFFEL MET TEEKENINGEN VAN CHARLES COPELAND:1DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS(3dedruk)2KIJKJES IN HET DIERENLEVEN (2dedruk)3HET BOSCHVOLKJE4OP EENZAME ZWERFTOCHTEN5BOSCHGEHEIMEN6EEN BROERTJE VAN DEN BEER7OP HERTEN UIT8ZONDER GEWEER OP JACHT9DE WITTE WOLF10LANGS DIERENPADEN IN HET HOOGE NOORDEN
VAN WILLIAM J. LONG VERSCHIJNEN IN DE VERTALING VAN CILIA STOFFEL MET TEEKENINGEN VAN CHARLES COPELAND:
1DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS(3dedruk)2KIJKJES IN HET DIERENLEVEN (2dedruk)3HET BOSCHVOLKJE4OP EENZAME ZWERFTOCHTEN5BOSCHGEHEIMEN6EEN BROERTJE VAN DEN BEER7OP HERTEN UIT8ZONDER GEWEER OP JACHT9DE WITTE WOLF10LANGS DIERENPADEN IN HET HOOGE NOORDEN
INHOUDInleidingBladz.7De BoschmuisBladz.,,11Een Verborgen Paadje in de WildernisBladz.,,31Keeonekh, de VisscherBladz.,,37Koskomenos, de VerstootelingBladz.,,61De oude BeukenpatrijsBladz.,,80Wolkvleugel, de AdelaarBladz.,,107De Indiaansche NamenBladz.,,129
INHOUDInleidingBladz.7De BoschmuisBladz.,,11Een Verborgen Paadje in de WildernisBladz.,,31Keeonekh, de VisscherBladz.,,37Koskomenos, de VerstootelingBladz.,,61De oude BeukenpatrijsBladz.,,80Wolkvleugel, de AdelaarBladz.,,107De Indiaansche NamenBladz.,,129
AAN CH’GEEGEE-LOKH-SIS,„MIJN VRIENDJE CH’GEEGEE”, WIENSKOMST DEN WINTER BLIJ MAAKT.
AAN CH’GEEGEE-LOKH-SIS,„MIJN VRIENDJE CH’GEEGEE”, WIENSKOMST DEN WINTER BLIJ MAAKT.
AAN CH’GEEGEE-LOKH-SIS,„MIJN VRIENDJE CH’GEEGEE”, WIENSKOMST DEN WINTER BLIJ MAAKT.
INLEIDING.Dit boekje is slechts een nieuw hoofdstuk uit het schuwe, wilde leven in bosch en veld, waarvan „Het Boschvolkje”, „Op Eenzame zwerftochten”, „Dierenleven in de Wildernis”, „Kijkjes in het Dierenleven” het begin vormden. Het wordt gaarne gegeven als antwoord op dien roep om meer van hen, die de vorige deeltjes gelezen hebben en wier brieven vol vriendelijkheid en waardeering waren.Allerlei vragen zijn in den laatsten tijd in diezelfde brieven opgeworpen; van welke de voornaamste deze is: Hoe kan men zulke dingen zelf ontdekken? Hoe kunnen ook wij de geheimen ontcijferen van het Boschvolkje?Er is hier geen plaats om te antwoorden, om den langen oefentijd te beschrijven, zelfs al zou ik precies kunnen verklaren wat min of meer onbewust geschiedt. Ik wilde slechts vragen of de ware oorzaak, waardoor wij zoo weinig in de bosschen zien, misschien ook schuilt in de wijze, waarop wij er ons gedragen—wij praten, lachen, ritselen, trappen takjes kapot, verstoren den vrede der eenzaamheid door wat de kleine, wilde wezentjes wonderlijke en barbaarsche geluiden moeten toeschijnen. Zij, aan den anderen kant, glippen met geruischloozen gang door de dichte dekking, waar ze thuis zijn, schuw, zwijgend, luisterend, er meer op uit te hooren dan gehoord te worden; zij houden van destilte, haten gerucht en zijn er bang voor, evenals ze hun natuurlijke vijanden vreezen en haten.Wij zouden niet op ons gemak zijn, als een groote wildeman in ons vreedzame huis kwam, de deur inrammeide, met zijn strijdknots op meubels hieuw en zijn strijdkreet galmde. We zouden onder die omstandigheden niet heel natuurlijk zijn. We zouden onze eigenlijke gezindheid verbergen. Het zou zelfs wel eens kunnen wezen dat we het huis maar uittrokken. Zoo doet het Boschvolkje ook. Slechts als we hun gewoonten aannemen, kunnen we verwachten in hun leven en geheimen te deelen. En het is om verbaasd over te zijn, hoe weinig bang de schuwste van hen voor ons is, als we maar stil blijven en alle opwinding vermijden, zelfs van ons gevoel; want ze begrijpen ons gevoel evenzeer als onze handelingen.Een hond weet het wanneer ge bang voor hem zijt, wanneer vijandig, wanneer vriendschappelijk gezind. Een beer net eender. Raak het hoofd kwijt, en het paard, waar ge op rijdt, zal er onmiddellijk vandoor gaan. Verraad eens iets van onderdrukte opwinding, en het hert, dat ginds sierlijk den oever aftript naar uw kano in ’t riet, zal stampen en brieschen en wegspringen, zonder ooit te weten wat hem verschrikte. Maar wees rustig, vriendelijk, innerlijk vreedzaam in diezelfde omstandigheid, en het hert zal, zelfs als het u ontdekt heeft, nader komen en zijn nieuwsgierigheid op allerlei aardige manieren toonen, eer het wegdraaft, en nog over zijn schouder kijken of ge nietsmeer te zeggen hebt. Wees dan edelmoedig—laat hem ’t geflonker op een kijker zien, ’t wapperen van een kleurigen zakdoek, een tinnen fluitje of een ander prul, dat de herinnering aan een jongenszak u aan de hand kan doen—en ge loopt kans, dat hij terug zal komen, daar nieuwsgierigheid zoo rijkelijk beloond werd.Dit is nog een punt om te onthouden: alle boschbewoners zijn nieuwsgieriger naar ons, dan wij naar hen. Ga eens rustig in het bosch zitten, waar ge wilt, dan zal uw komst dezelfde opschudding veroorzaken, als een vreemdeling in een stadje tusschen de heuvels van Nieuw-Engeland. Bedwing uw nieuwsgierigheid, en weldra kunnen zij de hunne niet meer bedwingen; ze moeten komen onderzoeken wie ge zijt en wat ge uitvoert. Dan is ’t voordeel aan uw kant; want terwijl hun nieuwsgierigheid bevredigd wordt, vergeten ze vrees en geven u allerlei aardige kijkjes in hun leven, die ge nooit op een andere manier zult te zien krijgen.Wat den oorsprong van deze schetsen betreft: hij is dezelfde als bij de vorige—jaren van rustige waarneming in bosschen en velden, en een paar oude opschrijfboekjes, die de verslagen bevatten van zomer- en winterkampen in de groote wildernis.WILLIAM J. LONG.Stamford, Connecticut, Juni 1901.
INLEIDING.
Dit boekje is slechts een nieuw hoofdstuk uit het schuwe, wilde leven in bosch en veld, waarvan „Het Boschvolkje”, „Op Eenzame zwerftochten”, „Dierenleven in de Wildernis”, „Kijkjes in het Dierenleven” het begin vormden. Het wordt gaarne gegeven als antwoord op dien roep om meer van hen, die de vorige deeltjes gelezen hebben en wier brieven vol vriendelijkheid en waardeering waren.Allerlei vragen zijn in den laatsten tijd in diezelfde brieven opgeworpen; van welke de voornaamste deze is: Hoe kan men zulke dingen zelf ontdekken? Hoe kunnen ook wij de geheimen ontcijferen van het Boschvolkje?Er is hier geen plaats om te antwoorden, om den langen oefentijd te beschrijven, zelfs al zou ik precies kunnen verklaren wat min of meer onbewust geschiedt. Ik wilde slechts vragen of de ware oorzaak, waardoor wij zoo weinig in de bosschen zien, misschien ook schuilt in de wijze, waarop wij er ons gedragen—wij praten, lachen, ritselen, trappen takjes kapot, verstoren den vrede der eenzaamheid door wat de kleine, wilde wezentjes wonderlijke en barbaarsche geluiden moeten toeschijnen. Zij, aan den anderen kant, glippen met geruischloozen gang door de dichte dekking, waar ze thuis zijn, schuw, zwijgend, luisterend, er meer op uit te hooren dan gehoord te worden; zij houden van destilte, haten gerucht en zijn er bang voor, evenals ze hun natuurlijke vijanden vreezen en haten.Wij zouden niet op ons gemak zijn, als een groote wildeman in ons vreedzame huis kwam, de deur inrammeide, met zijn strijdknots op meubels hieuw en zijn strijdkreet galmde. We zouden onder die omstandigheden niet heel natuurlijk zijn. We zouden onze eigenlijke gezindheid verbergen. Het zou zelfs wel eens kunnen wezen dat we het huis maar uittrokken. Zoo doet het Boschvolkje ook. Slechts als we hun gewoonten aannemen, kunnen we verwachten in hun leven en geheimen te deelen. En het is om verbaasd over te zijn, hoe weinig bang de schuwste van hen voor ons is, als we maar stil blijven en alle opwinding vermijden, zelfs van ons gevoel; want ze begrijpen ons gevoel evenzeer als onze handelingen.Een hond weet het wanneer ge bang voor hem zijt, wanneer vijandig, wanneer vriendschappelijk gezind. Een beer net eender. Raak het hoofd kwijt, en het paard, waar ge op rijdt, zal er onmiddellijk vandoor gaan. Verraad eens iets van onderdrukte opwinding, en het hert, dat ginds sierlijk den oever aftript naar uw kano in ’t riet, zal stampen en brieschen en wegspringen, zonder ooit te weten wat hem verschrikte. Maar wees rustig, vriendelijk, innerlijk vreedzaam in diezelfde omstandigheid, en het hert zal, zelfs als het u ontdekt heeft, nader komen en zijn nieuwsgierigheid op allerlei aardige manieren toonen, eer het wegdraaft, en nog over zijn schouder kijken of ge nietsmeer te zeggen hebt. Wees dan edelmoedig—laat hem ’t geflonker op een kijker zien, ’t wapperen van een kleurigen zakdoek, een tinnen fluitje of een ander prul, dat de herinnering aan een jongenszak u aan de hand kan doen—en ge loopt kans, dat hij terug zal komen, daar nieuwsgierigheid zoo rijkelijk beloond werd.Dit is nog een punt om te onthouden: alle boschbewoners zijn nieuwsgieriger naar ons, dan wij naar hen. Ga eens rustig in het bosch zitten, waar ge wilt, dan zal uw komst dezelfde opschudding veroorzaken, als een vreemdeling in een stadje tusschen de heuvels van Nieuw-Engeland. Bedwing uw nieuwsgierigheid, en weldra kunnen zij de hunne niet meer bedwingen; ze moeten komen onderzoeken wie ge zijt en wat ge uitvoert. Dan is ’t voordeel aan uw kant; want terwijl hun nieuwsgierigheid bevredigd wordt, vergeten ze vrees en geven u allerlei aardige kijkjes in hun leven, die ge nooit op een andere manier zult te zien krijgen.Wat den oorsprong van deze schetsen betreft: hij is dezelfde als bij de vorige—jaren van rustige waarneming in bosschen en velden, en een paar oude opschrijfboekjes, die de verslagen bevatten van zomer- en winterkampen in de groote wildernis.WILLIAM J. LONG.Stamford, Connecticut, Juni 1901.
Dit boekje is slechts een nieuw hoofdstuk uit het schuwe, wilde leven in bosch en veld, waarvan „Het Boschvolkje”, „Op Eenzame zwerftochten”, „Dierenleven in de Wildernis”, „Kijkjes in het Dierenleven” het begin vormden. Het wordt gaarne gegeven als antwoord op dien roep om meer van hen, die de vorige deeltjes gelezen hebben en wier brieven vol vriendelijkheid en waardeering waren.
Allerlei vragen zijn in den laatsten tijd in diezelfde brieven opgeworpen; van welke de voornaamste deze is: Hoe kan men zulke dingen zelf ontdekken? Hoe kunnen ook wij de geheimen ontcijferen van het Boschvolkje?
Er is hier geen plaats om te antwoorden, om den langen oefentijd te beschrijven, zelfs al zou ik precies kunnen verklaren wat min of meer onbewust geschiedt. Ik wilde slechts vragen of de ware oorzaak, waardoor wij zoo weinig in de bosschen zien, misschien ook schuilt in de wijze, waarop wij er ons gedragen—wij praten, lachen, ritselen, trappen takjes kapot, verstoren den vrede der eenzaamheid door wat de kleine, wilde wezentjes wonderlijke en barbaarsche geluiden moeten toeschijnen. Zij, aan den anderen kant, glippen met geruischloozen gang door de dichte dekking, waar ze thuis zijn, schuw, zwijgend, luisterend, er meer op uit te hooren dan gehoord te worden; zij houden van destilte, haten gerucht en zijn er bang voor, evenals ze hun natuurlijke vijanden vreezen en haten.
Wij zouden niet op ons gemak zijn, als een groote wildeman in ons vreedzame huis kwam, de deur inrammeide, met zijn strijdknots op meubels hieuw en zijn strijdkreet galmde. We zouden onder die omstandigheden niet heel natuurlijk zijn. We zouden onze eigenlijke gezindheid verbergen. Het zou zelfs wel eens kunnen wezen dat we het huis maar uittrokken. Zoo doet het Boschvolkje ook. Slechts als we hun gewoonten aannemen, kunnen we verwachten in hun leven en geheimen te deelen. En het is om verbaasd over te zijn, hoe weinig bang de schuwste van hen voor ons is, als we maar stil blijven en alle opwinding vermijden, zelfs van ons gevoel; want ze begrijpen ons gevoel evenzeer als onze handelingen.
Een hond weet het wanneer ge bang voor hem zijt, wanneer vijandig, wanneer vriendschappelijk gezind. Een beer net eender. Raak het hoofd kwijt, en het paard, waar ge op rijdt, zal er onmiddellijk vandoor gaan. Verraad eens iets van onderdrukte opwinding, en het hert, dat ginds sierlijk den oever aftript naar uw kano in ’t riet, zal stampen en brieschen en wegspringen, zonder ooit te weten wat hem verschrikte. Maar wees rustig, vriendelijk, innerlijk vreedzaam in diezelfde omstandigheid, en het hert zal, zelfs als het u ontdekt heeft, nader komen en zijn nieuwsgierigheid op allerlei aardige manieren toonen, eer het wegdraaft, en nog over zijn schouder kijken of ge nietsmeer te zeggen hebt. Wees dan edelmoedig—laat hem ’t geflonker op een kijker zien, ’t wapperen van een kleurigen zakdoek, een tinnen fluitje of een ander prul, dat de herinnering aan een jongenszak u aan de hand kan doen—en ge loopt kans, dat hij terug zal komen, daar nieuwsgierigheid zoo rijkelijk beloond werd.
Dit is nog een punt om te onthouden: alle boschbewoners zijn nieuwsgieriger naar ons, dan wij naar hen. Ga eens rustig in het bosch zitten, waar ge wilt, dan zal uw komst dezelfde opschudding veroorzaken, als een vreemdeling in een stadje tusschen de heuvels van Nieuw-Engeland. Bedwing uw nieuwsgierigheid, en weldra kunnen zij de hunne niet meer bedwingen; ze moeten komen onderzoeken wie ge zijt en wat ge uitvoert. Dan is ’t voordeel aan uw kant; want terwijl hun nieuwsgierigheid bevredigd wordt, vergeten ze vrees en geven u allerlei aardige kijkjes in hun leven, die ge nooit op een andere manier zult te zien krijgen.
Wat den oorsprong van deze schetsen betreft: hij is dezelfde als bij de vorige—jaren van rustige waarneming in bosschen en velden, en een paar oude opschrijfboekjes, die de verslagen bevatten van zomer- en winterkampen in de groote wildernis.
WILLIAM J. LONG.
Stamford, Connecticut, Juni 1901.