HOOFDSTUK X.

HOOFDSTUK X.HOE IK BEGON.„Het bezoek is afgeloopen,” zei ik, toen we de villa een heel eind achter den rug hadden.Hoe „nieuw” ik me ook nog gevoelde, voor Burns was ik geen zier bang; ik was integendeel diep verontwaardigd op hem.„Het-t s-spijt me v-vreeselijk,” zei het jonge mensch. „I-k-k w-wist n-niet dat d-die a-akelige vent w-weg was.”„Als je de zaak maar met rust had gelaten, dan zou er niets zijn gebeurd,” hernam ik. „De man bij wien je de ruiten hebt ingegooid is de stad uit, en de man die er nu woont wist van niets en denkt nou natuurlijk dat we hem voor den gek hebben gehouden. We zullen het misschien geducht aan den stok krijgen met den chef.” Een paar school-uitdrukkingen had ik opgepikt, waardoor ik op de jongens den indruk zou maken van niet zoo groen te zijn als ik misschien leek.„Het s-spijt me v-vreeselijk,” herhaalde Burns, en toen het licht van een straatlantaren hem bescheen, kon ik aan de uitdrukking van zijn gezicht zien dat die spijt niet was geveinsd.„En dan schijnt die man bovendien nog het een of ander van me te weten,” zei ik, „dus het is best mogelijk dat hij er me nog leelijker laat indraaien.” Op wat voor manier hij dit zou kunnen doen, dat kon ik niet vermoeden. „Hij scheen mijn naam te kennen,” ging ik voort. „Hoe heet hij?”„W-weet n-niet,” mompelde Burns die in een diep neerslachtigestemming naast me liep; „die andere m-man heette Blenkinsop. Ik-k heb ook-k altijd p-pech.”Ik zei bij mezelf dat ik hartelijk hoopte dat hij in het vervolg mij buiten al zijn „pech” zou laten.„Het is al verschrikkelijk laat,” zei ik; „zouden we een standje krijgen?”„N-niet den eersten avond,” antwoordde Burns, „maar hoe eerder we er zijn, d-des t-te beter.”We zetten het nu op een loopen en renden de spaarzaam-verlichte stad door; toen klommen we den heuvel op en bereikten een groot gebouw met een massa ramen die hel werden beschenen. Het ging hier blijkbaar druk en bedrijvig toe. Onderweg had Burns me al stotterend nuttige inlichtingen verschaft over school-aangelegenheden; nu en dan gaf hij me dezelfde raadgevingen als Bob Kitsjin, doch de overige waren nieuw voor me en deze waren geput uit de rijke ervaring van Robert Burns.Volgens dit heerschap konden de jongens in twee soorten worden verdeeld: „leuke jongens” en „ellendelingen”.„Wat is die Kitsjin er voor een?” vroeg ik.„D-die is heel l-leuk,” antwoordde Burns zonder een oogenblik te aarzelen; „die J-Jim J-Juniper ook,” voegde hij erbij, „de jongen dien j-je s-straks zag. M-maar d-dat zijn groote l-lui; w-we z-zullen n-niet veel v-van ze z-zien.”„Nee, natuurlijk niet,” antwoordde ik, hoewel die mededeeling me geducht teleurstelde, want ik had gehoopt dat Bob altijd voor me in de bres zou kunnen springen.„W-wij z-zitten l-lager,” hernam Burns. „Er is een ellendeling op school; d-die heet Dester.”„O ja?” zei ik.„L-laat je n-niet op je k-kop zitten door hem,” ried Burns aan.„Nee,” antwoordde ik eenigszins weifelend.„Er is ook-k een l-lummel d-die B-Brunton heet,” hernam hij; „ik-k heb z-zoo’n hekel aan-n d-dien v-vent.”„O ja?” zei ik wederom.„Hij zal je z-zeker als feg1te pakken z-zien te krijgen.”„Is dat zoo’n nare kerel?” vroeg ik zacht.„Nou, of ie,” antwoordde Burns; „en D-Dester is k-koek en ei met hem.”We hadden nu onder een poort doorgeloopen die uitkwam op een vierkant plein; het kiezel kraakte onder onze voeten. We staken het plein dwars over en hielden stil voor een groote deur; een portier met een norsch gezicht deed open.„Jullie bent laat,” zei hij bij wijze van begroeting.„De anderen z-zijn er zeker al allemaal,” fluisterde Burns. „Ga mee, dan k-krijgen we n-nog wel t-thee; ik heb honger, j-jij ook?”Na eenige besprekingen met den nurkschen portier over onze bagage konden we onzen weg vervolgen.„Zullen we een standje krijgen?” fluisterde ik, toen we nergens een jongen gewaar werden.„’k Denk het n-niet,” antwoordde Burns. „Het k-kan zijn dat Wilson k-kwaad is.”Ik wist dat dit de naam was van een der leeraren; doch mijn eerste onaangename ondervinding op St. Martin kwam van een anderen kant.Toen we een hoek omsloegen waar de gang een bocht maakte en waar een lamp hing die een helder schijnsel afwierp renden we bijna een jongen tegen het lijf, die ongeveer even groot was als ik, hoewel hij me ouder leek. Hij had blond haar, een stompneus en sproeten. Ik hoorde Burns een klappend geluid met de tong maken en vroeg me af of die blonde jongen volgens dit heerschap tot de „leuke jongens” of tot de „ellendelingen” zou behooren.Ik begreep weldra wat voor iemand ik voor me zag.Hij bleef staan toen hij me gewaar werd en versperde me den weg. „Zoo, een nieuweling?” zei hij op een toon alsof hij dit feit als een persoonlijke beleediging beschouwde.„Ja,” zei ik, terwijl ik opmerkte dat Burns onrustig op zijn beenen stond te draaien, alsof hij verlangde om dit gezelschap zoo spoedig mogelijk kwijt te raken.„Zoo,” hernam de jongen met den stompen neus, die me nu zoo onbeschaamd aankeek dat ik driftig werd.Ik gevoelde dat hij me eens goed opnam; ik was koud en vermoeid na die lange reis en hongerig en dorstig, zoodat mijn voorkomen nu niet bepaald ontzag inboezemde. Die jongen toonde althans weinig eerbied voor mijn persoon.„Een van de wetten hier op school is dat al de nieuwelingen beginnen met een mep te krijgen,” zei hij.Voor ik wist wat er met me gebeurde had hij me een slag in mijn gezicht gegeven.Er zijn oogenblikken waarin een felle woede ons een moed doet toonen dien we eigenlijk niet bezitten. In zijn handelwijze was zoo iets grievends en vernederends dat ik kookte en ziedde van drift. Al was hij een reus geweest, dan geloof ik nog dat ik op hem zou zijn aangevlogen.Bliksemsnel had ik hem een stomp tusschen zijn oogen gegeven, en het scheen wel of die met juistheid toegebrachte slag mij aanspoorde tot verdere wraakneming, want ik diende hem nog twee stompen toe voor mijn tegenstander zich kon verweren. Als een blok viel hij tegen den muur en tot mijn verbazing zag ik dat hij uit den neus bloedde.„Heb je genoeg gehad?” riep ik met een stem die mijzelf zonderling in de ooren klonk.Een oogenblik bleef hij me hijgend aanzien; op zijn gezicht was nu een nare uitdrukking verschenen: zooals hij daar stond met dat bloed dat langs zijn mond droop was hij een monster. Plotseling stiet hij een snerpenden kreet uit en vloog als een wilde kat op me aan.Mijn woede was eenigszins bedaard; ik dacht nu aan de lessen in het boksen die ik van Bob Kitsjin had gekregen. Ik ontweek hem door een sprong en bracht hem een slag toe terwijl hij langs me vloog. Het was meer geluk dan wijsheid dat ik hem had geraakt. Ik geloof dat de stomp bij zijn oor was aangekomen; bovendien bleef zijn voet haken, zoodat hij met een smak op den grond neerplofte.„Zoo’n klein lief lammetje,” hoorde ik plotseling naast me zeggen; ik keek op en werd Jim Juniper gewaar dien ik al even in den trein met Burns had gezien. Hij scheen het geval hoogst vermakelijk te vinden, want zijn gezicht straalde van pleizier.Hij keerde zich nu naar den jongen die langzaam overeind krabbelde en zei: „Dester, ik geloof dat je nu genoeg hebt gehad. Ik vermoed, vrindje, dat je vandaag den verkeerde voor hebt. Wees in het vervolg wat meer op je hoede, hè? Het beste is nu voor je om je neus wat onder de pomp te houden; je treft het dat het water niet al te koud is voor dezen tijd van het jaar. Leg ook een lapje biefstuk op je oog, Dester, maar het biefstukje mag niet gaar zijn; een rauw stukje vleesch, hoor, dat zou een dokter je zeker aanraden.”Dester—want ik wist nu welken jongen ik op den grond had gegooid—was weer overeind gerezen. Ik dacht niet anders dan dat hij me zou aanvallen, maar na me een blik te hebben toegeworpen waarin felle haat stond te lezen, sloop hij weg terwijl hij de roode druppels van zijn neus veegde.„Dester heeft voorloopig genoeg gehad,” zei Juniper op vaderlijken toon, terwijl hij zich naar mij keerde. „De vent schijnt zich dit keer te hebben vergist.”„Hij is begonnen,” antwoordde ik. Mijn adem ging nog hijgend op en neer, en hoe ik mijn best ook deed het beven van mijn stem te beletten—dit was me onmogelijk.„Dan is het in orde,” zei Juniper lachend. „Als nieuwelingzou het ook niet bijster beleefd zijn geweest als jij de vijandelijkheden had aangevangen.”„Het spijt me,” zei ik; ik had mijn kalmte nu weer herkregen.„Ik zou er maar geen spijt van hebben,” merkte Juniper wijsgeerig op. „Wat zeg jij Burns?” vroeg Jim die zich nu naar Burns keerde; mijn nieuwe vriend had staan toekijken met wijd-open mond van verbazing.„N-nee,” antwoordde Burns met nadruk; „ik v-vond het zoo l-leuk.”„Dester heeft er flink van langs gehad, niet?”„N-nou—of ie!”„Mijn lief, mak lammetje,” hernam Jim die nu weer het woord tot mij richtte; „ik moet er je aandacht op vestigen dat op je wijze van aanvallen kritiek zou kunnen worden uitgeoefend, hoe flink die ook was, maar die stomp met je linkerhand was goed. Van wien heb je boksen geleerd?”„Van Bob Kitsjin,” antwoordde ik; „ken je hem?”„Of ik Bob Kitsjin ken? Dat zou ik denken,” riep Juniper die met een theatraal gebaar de armen ophief. „Dat zou ik denken!”„Nou, of ie,” zei Burns wederom.„Is Kitsjin een vriend van je?” vroeg Jim.„Ja, ik ken hem nog al goed,” antwoordde ik bescheiden.„Dan deel ik je bij deze mede, dat je een bovensten besten kerel kent, jonge vuistvechter. Maar hoe heet je eigenlijk?”„Ellinghem,” zei ik.„Dan ben jij het exemplaar naar wien Bob overal loopt te zoeken; hij snapt maar niet waar je toch uithangt.”„Ik ging met Burns mee om—” begon ik, doch dit heerschap greep plotseling mijn arm, zoodat ik den zin maar afbrak.„Als je met hem meegaat, dan zal hij er je wel gauw leelijk laten indraaien,” riep Jim lachend. „Onze dichter Burns is een gevaarlijk sujet. Maar zeg ’s, Burns, hoe kwam het in je op om onzen nieuwen makken vriend af te leiden van het pad der deugd?”„Het w-was bij vergissing,” bracht Burns met moeite uit.„Dat spreekt,” hernam de ander. „Jij vergist je maar eens. Ga nou maar door, en jij, Ellinghem, kom mee, dan zal ik je brengen naar Kitsjin om zijn vaderlijk bezorgd hart gerust te stellen.”„Zeg ’s, J-Jim,” zei mijn roodharige vriend toen Juniper met me weg trok.„Wat moet je van me, Burns?” vroeg Jim.„Als D-Dester het v-vertelt aan B-Brunton—”„Daar kan je van op aan.”„Dan z-zal ie—”„Ja, dat zal ie zeker.”„D-dan moet je Ellinghem w-waarschuwen.”„Maar die kent Kitsjin en daarom zal het wel zoo’n vaart niet loopen.”„M-misschien niet, m-maar toch ...” antwoordde Burns aarzelend, waarop hij verder trok, terwijl Juniper zijn arm door den mijne stak—een eer waardoor ik me bijzonder gevleid gevoelde—en zoo liepen we samen de gang af en een steenen trap op; toen hielden we stil voor een deur waarop Jim op een eigenaardige manier klopte.„Binnen!” riep een bekende stem.We gingen de kamer in waar Bob Kitsjin bezig was water te koken boven een spiritus-licht.1Jongens uit de laagste klassen die diensten moeten bewijzen aan de jongens uit de hoogste klasse.↑

HOOFDSTUK X.HOE IK BEGON.„Het bezoek is afgeloopen,” zei ik, toen we de villa een heel eind achter den rug hadden.Hoe „nieuw” ik me ook nog gevoelde, voor Burns was ik geen zier bang; ik was integendeel diep verontwaardigd op hem.„Het-t s-spijt me v-vreeselijk,” zei het jonge mensch. „I-k-k w-wist n-niet dat d-die a-akelige vent w-weg was.”„Als je de zaak maar met rust had gelaten, dan zou er niets zijn gebeurd,” hernam ik. „De man bij wien je de ruiten hebt ingegooid is de stad uit, en de man die er nu woont wist van niets en denkt nou natuurlijk dat we hem voor den gek hebben gehouden. We zullen het misschien geducht aan den stok krijgen met den chef.” Een paar school-uitdrukkingen had ik opgepikt, waardoor ik op de jongens den indruk zou maken van niet zoo groen te zijn als ik misschien leek.„Het s-spijt me v-vreeselijk,” herhaalde Burns, en toen het licht van een straatlantaren hem bescheen, kon ik aan de uitdrukking van zijn gezicht zien dat die spijt niet was geveinsd.„En dan schijnt die man bovendien nog het een of ander van me te weten,” zei ik, „dus het is best mogelijk dat hij er me nog leelijker laat indraaien.” Op wat voor manier hij dit zou kunnen doen, dat kon ik niet vermoeden. „Hij scheen mijn naam te kennen,” ging ik voort. „Hoe heet hij?”„W-weet n-niet,” mompelde Burns die in een diep neerslachtigestemming naast me liep; „die andere m-man heette Blenkinsop. Ik-k heb ook-k altijd p-pech.”Ik zei bij mezelf dat ik hartelijk hoopte dat hij in het vervolg mij buiten al zijn „pech” zou laten.„Het is al verschrikkelijk laat,” zei ik; „zouden we een standje krijgen?”„N-niet den eersten avond,” antwoordde Burns, „maar hoe eerder we er zijn, d-des t-te beter.”We zetten het nu op een loopen en renden de spaarzaam-verlichte stad door; toen klommen we den heuvel op en bereikten een groot gebouw met een massa ramen die hel werden beschenen. Het ging hier blijkbaar druk en bedrijvig toe. Onderweg had Burns me al stotterend nuttige inlichtingen verschaft over school-aangelegenheden; nu en dan gaf hij me dezelfde raadgevingen als Bob Kitsjin, doch de overige waren nieuw voor me en deze waren geput uit de rijke ervaring van Robert Burns.Volgens dit heerschap konden de jongens in twee soorten worden verdeeld: „leuke jongens” en „ellendelingen”.„Wat is die Kitsjin er voor een?” vroeg ik.„D-die is heel l-leuk,” antwoordde Burns zonder een oogenblik te aarzelen; „die J-Jim J-Juniper ook,” voegde hij erbij, „de jongen dien j-je s-straks zag. M-maar d-dat zijn groote l-lui; w-we z-zullen n-niet veel v-van ze z-zien.”„Nee, natuurlijk niet,” antwoordde ik, hoewel die mededeeling me geducht teleurstelde, want ik had gehoopt dat Bob altijd voor me in de bres zou kunnen springen.„W-wij z-zitten l-lager,” hernam Burns. „Er is een ellendeling op school; d-die heet Dester.”„O ja?” zei ik.„L-laat je n-niet op je k-kop zitten door hem,” ried Burns aan.„Nee,” antwoordde ik eenigszins weifelend.„Er is ook-k een l-lummel d-die B-Brunton heet,” hernam hij; „ik-k heb z-zoo’n hekel aan-n d-dien v-vent.”„O ja?” zei ik wederom.„Hij zal je z-zeker als feg1te pakken z-zien te krijgen.”„Is dat zoo’n nare kerel?” vroeg ik zacht.„Nou, of ie,” antwoordde Burns; „en D-Dester is k-koek en ei met hem.”We hadden nu onder een poort doorgeloopen die uitkwam op een vierkant plein; het kiezel kraakte onder onze voeten. We staken het plein dwars over en hielden stil voor een groote deur; een portier met een norsch gezicht deed open.„Jullie bent laat,” zei hij bij wijze van begroeting.„De anderen z-zijn er zeker al allemaal,” fluisterde Burns. „Ga mee, dan k-krijgen we n-nog wel t-thee; ik heb honger, j-jij ook?”Na eenige besprekingen met den nurkschen portier over onze bagage konden we onzen weg vervolgen.„Zullen we een standje krijgen?” fluisterde ik, toen we nergens een jongen gewaar werden.„’k Denk het n-niet,” antwoordde Burns. „Het k-kan zijn dat Wilson k-kwaad is.”Ik wist dat dit de naam was van een der leeraren; doch mijn eerste onaangename ondervinding op St. Martin kwam van een anderen kant.Toen we een hoek omsloegen waar de gang een bocht maakte en waar een lamp hing die een helder schijnsel afwierp renden we bijna een jongen tegen het lijf, die ongeveer even groot was als ik, hoewel hij me ouder leek. Hij had blond haar, een stompneus en sproeten. Ik hoorde Burns een klappend geluid met de tong maken en vroeg me af of die blonde jongen volgens dit heerschap tot de „leuke jongens” of tot de „ellendelingen” zou behooren.Ik begreep weldra wat voor iemand ik voor me zag.Hij bleef staan toen hij me gewaar werd en versperde me den weg. „Zoo, een nieuweling?” zei hij op een toon alsof hij dit feit als een persoonlijke beleediging beschouwde.„Ja,” zei ik, terwijl ik opmerkte dat Burns onrustig op zijn beenen stond te draaien, alsof hij verlangde om dit gezelschap zoo spoedig mogelijk kwijt te raken.„Zoo,” hernam de jongen met den stompen neus, die me nu zoo onbeschaamd aankeek dat ik driftig werd.Ik gevoelde dat hij me eens goed opnam; ik was koud en vermoeid na die lange reis en hongerig en dorstig, zoodat mijn voorkomen nu niet bepaald ontzag inboezemde. Die jongen toonde althans weinig eerbied voor mijn persoon.„Een van de wetten hier op school is dat al de nieuwelingen beginnen met een mep te krijgen,” zei hij.Voor ik wist wat er met me gebeurde had hij me een slag in mijn gezicht gegeven.Er zijn oogenblikken waarin een felle woede ons een moed doet toonen dien we eigenlijk niet bezitten. In zijn handelwijze was zoo iets grievends en vernederends dat ik kookte en ziedde van drift. Al was hij een reus geweest, dan geloof ik nog dat ik op hem zou zijn aangevlogen.Bliksemsnel had ik hem een stomp tusschen zijn oogen gegeven, en het scheen wel of die met juistheid toegebrachte slag mij aanspoorde tot verdere wraakneming, want ik diende hem nog twee stompen toe voor mijn tegenstander zich kon verweren. Als een blok viel hij tegen den muur en tot mijn verbazing zag ik dat hij uit den neus bloedde.„Heb je genoeg gehad?” riep ik met een stem die mijzelf zonderling in de ooren klonk.Een oogenblik bleef hij me hijgend aanzien; op zijn gezicht was nu een nare uitdrukking verschenen: zooals hij daar stond met dat bloed dat langs zijn mond droop was hij een monster. Plotseling stiet hij een snerpenden kreet uit en vloog als een wilde kat op me aan.Mijn woede was eenigszins bedaard; ik dacht nu aan de lessen in het boksen die ik van Bob Kitsjin had gekregen. Ik ontweek hem door een sprong en bracht hem een slag toe terwijl hij langs me vloog. Het was meer geluk dan wijsheid dat ik hem had geraakt. Ik geloof dat de stomp bij zijn oor was aangekomen; bovendien bleef zijn voet haken, zoodat hij met een smak op den grond neerplofte.„Zoo’n klein lief lammetje,” hoorde ik plotseling naast me zeggen; ik keek op en werd Jim Juniper gewaar dien ik al even in den trein met Burns had gezien. Hij scheen het geval hoogst vermakelijk te vinden, want zijn gezicht straalde van pleizier.Hij keerde zich nu naar den jongen die langzaam overeind krabbelde en zei: „Dester, ik geloof dat je nu genoeg hebt gehad. Ik vermoed, vrindje, dat je vandaag den verkeerde voor hebt. Wees in het vervolg wat meer op je hoede, hè? Het beste is nu voor je om je neus wat onder de pomp te houden; je treft het dat het water niet al te koud is voor dezen tijd van het jaar. Leg ook een lapje biefstuk op je oog, Dester, maar het biefstukje mag niet gaar zijn; een rauw stukje vleesch, hoor, dat zou een dokter je zeker aanraden.”Dester—want ik wist nu welken jongen ik op den grond had gegooid—was weer overeind gerezen. Ik dacht niet anders dan dat hij me zou aanvallen, maar na me een blik te hebben toegeworpen waarin felle haat stond te lezen, sloop hij weg terwijl hij de roode druppels van zijn neus veegde.„Dester heeft voorloopig genoeg gehad,” zei Juniper op vaderlijken toon, terwijl hij zich naar mij keerde. „De vent schijnt zich dit keer te hebben vergist.”„Hij is begonnen,” antwoordde ik. Mijn adem ging nog hijgend op en neer, en hoe ik mijn best ook deed het beven van mijn stem te beletten—dit was me onmogelijk.„Dan is het in orde,” zei Juniper lachend. „Als nieuwelingzou het ook niet bijster beleefd zijn geweest als jij de vijandelijkheden had aangevangen.”„Het spijt me,” zei ik; ik had mijn kalmte nu weer herkregen.„Ik zou er maar geen spijt van hebben,” merkte Juniper wijsgeerig op. „Wat zeg jij Burns?” vroeg Jim die zich nu naar Burns keerde; mijn nieuwe vriend had staan toekijken met wijd-open mond van verbazing.„N-nee,” antwoordde Burns met nadruk; „ik v-vond het zoo l-leuk.”„Dester heeft er flink van langs gehad, niet?”„N-nou—of ie!”„Mijn lief, mak lammetje,” hernam Jim die nu weer het woord tot mij richtte; „ik moet er je aandacht op vestigen dat op je wijze van aanvallen kritiek zou kunnen worden uitgeoefend, hoe flink die ook was, maar die stomp met je linkerhand was goed. Van wien heb je boksen geleerd?”„Van Bob Kitsjin,” antwoordde ik; „ken je hem?”„Of ik Bob Kitsjin ken? Dat zou ik denken,” riep Juniper die met een theatraal gebaar de armen ophief. „Dat zou ik denken!”„Nou, of ie,” zei Burns wederom.„Is Kitsjin een vriend van je?” vroeg Jim.„Ja, ik ken hem nog al goed,” antwoordde ik bescheiden.„Dan deel ik je bij deze mede, dat je een bovensten besten kerel kent, jonge vuistvechter. Maar hoe heet je eigenlijk?”„Ellinghem,” zei ik.„Dan ben jij het exemplaar naar wien Bob overal loopt te zoeken; hij snapt maar niet waar je toch uithangt.”„Ik ging met Burns mee om—” begon ik, doch dit heerschap greep plotseling mijn arm, zoodat ik den zin maar afbrak.„Als je met hem meegaat, dan zal hij er je wel gauw leelijk laten indraaien,” riep Jim lachend. „Onze dichter Burns is een gevaarlijk sujet. Maar zeg ’s, Burns, hoe kwam het in je op om onzen nieuwen makken vriend af te leiden van het pad der deugd?”„Het w-was bij vergissing,” bracht Burns met moeite uit.„Dat spreekt,” hernam de ander. „Jij vergist je maar eens. Ga nou maar door, en jij, Ellinghem, kom mee, dan zal ik je brengen naar Kitsjin om zijn vaderlijk bezorgd hart gerust te stellen.”„Zeg ’s, J-Jim,” zei mijn roodharige vriend toen Juniper met me weg trok.„Wat moet je van me, Burns?” vroeg Jim.„Als D-Dester het v-vertelt aan B-Brunton—”„Daar kan je van op aan.”„Dan z-zal ie—”„Ja, dat zal ie zeker.”„D-dan moet je Ellinghem w-waarschuwen.”„Maar die kent Kitsjin en daarom zal het wel zoo’n vaart niet loopen.”„M-misschien niet, m-maar toch ...” antwoordde Burns aarzelend, waarop hij verder trok, terwijl Juniper zijn arm door den mijne stak—een eer waardoor ik me bijzonder gevleid gevoelde—en zoo liepen we samen de gang af en een steenen trap op; toen hielden we stil voor een deur waarop Jim op een eigenaardige manier klopte.„Binnen!” riep een bekende stem.We gingen de kamer in waar Bob Kitsjin bezig was water te koken boven een spiritus-licht.1Jongens uit de laagste klassen die diensten moeten bewijzen aan de jongens uit de hoogste klasse.↑

HOOFDSTUK X.HOE IK BEGON.

„Het bezoek is afgeloopen,” zei ik, toen we de villa een heel eind achter den rug hadden.Hoe „nieuw” ik me ook nog gevoelde, voor Burns was ik geen zier bang; ik was integendeel diep verontwaardigd op hem.„Het-t s-spijt me v-vreeselijk,” zei het jonge mensch. „I-k-k w-wist n-niet dat d-die a-akelige vent w-weg was.”„Als je de zaak maar met rust had gelaten, dan zou er niets zijn gebeurd,” hernam ik. „De man bij wien je de ruiten hebt ingegooid is de stad uit, en de man die er nu woont wist van niets en denkt nou natuurlijk dat we hem voor den gek hebben gehouden. We zullen het misschien geducht aan den stok krijgen met den chef.” Een paar school-uitdrukkingen had ik opgepikt, waardoor ik op de jongens den indruk zou maken van niet zoo groen te zijn als ik misschien leek.„Het s-spijt me v-vreeselijk,” herhaalde Burns, en toen het licht van een straatlantaren hem bescheen, kon ik aan de uitdrukking van zijn gezicht zien dat die spijt niet was geveinsd.„En dan schijnt die man bovendien nog het een of ander van me te weten,” zei ik, „dus het is best mogelijk dat hij er me nog leelijker laat indraaien.” Op wat voor manier hij dit zou kunnen doen, dat kon ik niet vermoeden. „Hij scheen mijn naam te kennen,” ging ik voort. „Hoe heet hij?”„W-weet n-niet,” mompelde Burns die in een diep neerslachtigestemming naast me liep; „die andere m-man heette Blenkinsop. Ik-k heb ook-k altijd p-pech.”Ik zei bij mezelf dat ik hartelijk hoopte dat hij in het vervolg mij buiten al zijn „pech” zou laten.„Het is al verschrikkelijk laat,” zei ik; „zouden we een standje krijgen?”„N-niet den eersten avond,” antwoordde Burns, „maar hoe eerder we er zijn, d-des t-te beter.”We zetten het nu op een loopen en renden de spaarzaam-verlichte stad door; toen klommen we den heuvel op en bereikten een groot gebouw met een massa ramen die hel werden beschenen. Het ging hier blijkbaar druk en bedrijvig toe. Onderweg had Burns me al stotterend nuttige inlichtingen verschaft over school-aangelegenheden; nu en dan gaf hij me dezelfde raadgevingen als Bob Kitsjin, doch de overige waren nieuw voor me en deze waren geput uit de rijke ervaring van Robert Burns.Volgens dit heerschap konden de jongens in twee soorten worden verdeeld: „leuke jongens” en „ellendelingen”.„Wat is die Kitsjin er voor een?” vroeg ik.„D-die is heel l-leuk,” antwoordde Burns zonder een oogenblik te aarzelen; „die J-Jim J-Juniper ook,” voegde hij erbij, „de jongen dien j-je s-straks zag. M-maar d-dat zijn groote l-lui; w-we z-zullen n-niet veel v-van ze z-zien.”„Nee, natuurlijk niet,” antwoordde ik, hoewel die mededeeling me geducht teleurstelde, want ik had gehoopt dat Bob altijd voor me in de bres zou kunnen springen.„W-wij z-zitten l-lager,” hernam Burns. „Er is een ellendeling op school; d-die heet Dester.”„O ja?” zei ik.„L-laat je n-niet op je k-kop zitten door hem,” ried Burns aan.„Nee,” antwoordde ik eenigszins weifelend.„Er is ook-k een l-lummel d-die B-Brunton heet,” hernam hij; „ik-k heb z-zoo’n hekel aan-n d-dien v-vent.”„O ja?” zei ik wederom.„Hij zal je z-zeker als feg1te pakken z-zien te krijgen.”„Is dat zoo’n nare kerel?” vroeg ik zacht.„Nou, of ie,” antwoordde Burns; „en D-Dester is k-koek en ei met hem.”We hadden nu onder een poort doorgeloopen die uitkwam op een vierkant plein; het kiezel kraakte onder onze voeten. We staken het plein dwars over en hielden stil voor een groote deur; een portier met een norsch gezicht deed open.„Jullie bent laat,” zei hij bij wijze van begroeting.„De anderen z-zijn er zeker al allemaal,” fluisterde Burns. „Ga mee, dan k-krijgen we n-nog wel t-thee; ik heb honger, j-jij ook?”Na eenige besprekingen met den nurkschen portier over onze bagage konden we onzen weg vervolgen.„Zullen we een standje krijgen?” fluisterde ik, toen we nergens een jongen gewaar werden.„’k Denk het n-niet,” antwoordde Burns. „Het k-kan zijn dat Wilson k-kwaad is.”Ik wist dat dit de naam was van een der leeraren; doch mijn eerste onaangename ondervinding op St. Martin kwam van een anderen kant.Toen we een hoek omsloegen waar de gang een bocht maakte en waar een lamp hing die een helder schijnsel afwierp renden we bijna een jongen tegen het lijf, die ongeveer even groot was als ik, hoewel hij me ouder leek. Hij had blond haar, een stompneus en sproeten. Ik hoorde Burns een klappend geluid met de tong maken en vroeg me af of die blonde jongen volgens dit heerschap tot de „leuke jongens” of tot de „ellendelingen” zou behooren.Ik begreep weldra wat voor iemand ik voor me zag.Hij bleef staan toen hij me gewaar werd en versperde me den weg. „Zoo, een nieuweling?” zei hij op een toon alsof hij dit feit als een persoonlijke beleediging beschouwde.„Ja,” zei ik, terwijl ik opmerkte dat Burns onrustig op zijn beenen stond te draaien, alsof hij verlangde om dit gezelschap zoo spoedig mogelijk kwijt te raken.„Zoo,” hernam de jongen met den stompen neus, die me nu zoo onbeschaamd aankeek dat ik driftig werd.Ik gevoelde dat hij me eens goed opnam; ik was koud en vermoeid na die lange reis en hongerig en dorstig, zoodat mijn voorkomen nu niet bepaald ontzag inboezemde. Die jongen toonde althans weinig eerbied voor mijn persoon.„Een van de wetten hier op school is dat al de nieuwelingen beginnen met een mep te krijgen,” zei hij.Voor ik wist wat er met me gebeurde had hij me een slag in mijn gezicht gegeven.Er zijn oogenblikken waarin een felle woede ons een moed doet toonen dien we eigenlijk niet bezitten. In zijn handelwijze was zoo iets grievends en vernederends dat ik kookte en ziedde van drift. Al was hij een reus geweest, dan geloof ik nog dat ik op hem zou zijn aangevlogen.Bliksemsnel had ik hem een stomp tusschen zijn oogen gegeven, en het scheen wel of die met juistheid toegebrachte slag mij aanspoorde tot verdere wraakneming, want ik diende hem nog twee stompen toe voor mijn tegenstander zich kon verweren. Als een blok viel hij tegen den muur en tot mijn verbazing zag ik dat hij uit den neus bloedde.„Heb je genoeg gehad?” riep ik met een stem die mijzelf zonderling in de ooren klonk.Een oogenblik bleef hij me hijgend aanzien; op zijn gezicht was nu een nare uitdrukking verschenen: zooals hij daar stond met dat bloed dat langs zijn mond droop was hij een monster. Plotseling stiet hij een snerpenden kreet uit en vloog als een wilde kat op me aan.Mijn woede was eenigszins bedaard; ik dacht nu aan de lessen in het boksen die ik van Bob Kitsjin had gekregen. Ik ontweek hem door een sprong en bracht hem een slag toe terwijl hij langs me vloog. Het was meer geluk dan wijsheid dat ik hem had geraakt. Ik geloof dat de stomp bij zijn oor was aangekomen; bovendien bleef zijn voet haken, zoodat hij met een smak op den grond neerplofte.„Zoo’n klein lief lammetje,” hoorde ik plotseling naast me zeggen; ik keek op en werd Jim Juniper gewaar dien ik al even in den trein met Burns had gezien. Hij scheen het geval hoogst vermakelijk te vinden, want zijn gezicht straalde van pleizier.Hij keerde zich nu naar den jongen die langzaam overeind krabbelde en zei: „Dester, ik geloof dat je nu genoeg hebt gehad. Ik vermoed, vrindje, dat je vandaag den verkeerde voor hebt. Wees in het vervolg wat meer op je hoede, hè? Het beste is nu voor je om je neus wat onder de pomp te houden; je treft het dat het water niet al te koud is voor dezen tijd van het jaar. Leg ook een lapje biefstuk op je oog, Dester, maar het biefstukje mag niet gaar zijn; een rauw stukje vleesch, hoor, dat zou een dokter je zeker aanraden.”Dester—want ik wist nu welken jongen ik op den grond had gegooid—was weer overeind gerezen. Ik dacht niet anders dan dat hij me zou aanvallen, maar na me een blik te hebben toegeworpen waarin felle haat stond te lezen, sloop hij weg terwijl hij de roode druppels van zijn neus veegde.„Dester heeft voorloopig genoeg gehad,” zei Juniper op vaderlijken toon, terwijl hij zich naar mij keerde. „De vent schijnt zich dit keer te hebben vergist.”„Hij is begonnen,” antwoordde ik. Mijn adem ging nog hijgend op en neer, en hoe ik mijn best ook deed het beven van mijn stem te beletten—dit was me onmogelijk.„Dan is het in orde,” zei Juniper lachend. „Als nieuwelingzou het ook niet bijster beleefd zijn geweest als jij de vijandelijkheden had aangevangen.”„Het spijt me,” zei ik; ik had mijn kalmte nu weer herkregen.„Ik zou er maar geen spijt van hebben,” merkte Juniper wijsgeerig op. „Wat zeg jij Burns?” vroeg Jim die zich nu naar Burns keerde; mijn nieuwe vriend had staan toekijken met wijd-open mond van verbazing.„N-nee,” antwoordde Burns met nadruk; „ik v-vond het zoo l-leuk.”„Dester heeft er flink van langs gehad, niet?”„N-nou—of ie!”„Mijn lief, mak lammetje,” hernam Jim die nu weer het woord tot mij richtte; „ik moet er je aandacht op vestigen dat op je wijze van aanvallen kritiek zou kunnen worden uitgeoefend, hoe flink die ook was, maar die stomp met je linkerhand was goed. Van wien heb je boksen geleerd?”„Van Bob Kitsjin,” antwoordde ik; „ken je hem?”„Of ik Bob Kitsjin ken? Dat zou ik denken,” riep Juniper die met een theatraal gebaar de armen ophief. „Dat zou ik denken!”„Nou, of ie,” zei Burns wederom.„Is Kitsjin een vriend van je?” vroeg Jim.„Ja, ik ken hem nog al goed,” antwoordde ik bescheiden.„Dan deel ik je bij deze mede, dat je een bovensten besten kerel kent, jonge vuistvechter. Maar hoe heet je eigenlijk?”„Ellinghem,” zei ik.„Dan ben jij het exemplaar naar wien Bob overal loopt te zoeken; hij snapt maar niet waar je toch uithangt.”„Ik ging met Burns mee om—” begon ik, doch dit heerschap greep plotseling mijn arm, zoodat ik den zin maar afbrak.„Als je met hem meegaat, dan zal hij er je wel gauw leelijk laten indraaien,” riep Jim lachend. „Onze dichter Burns is een gevaarlijk sujet. Maar zeg ’s, Burns, hoe kwam het in je op om onzen nieuwen makken vriend af te leiden van het pad der deugd?”„Het w-was bij vergissing,” bracht Burns met moeite uit.„Dat spreekt,” hernam de ander. „Jij vergist je maar eens. Ga nou maar door, en jij, Ellinghem, kom mee, dan zal ik je brengen naar Kitsjin om zijn vaderlijk bezorgd hart gerust te stellen.”„Zeg ’s, J-Jim,” zei mijn roodharige vriend toen Juniper met me weg trok.„Wat moet je van me, Burns?” vroeg Jim.„Als D-Dester het v-vertelt aan B-Brunton—”„Daar kan je van op aan.”„Dan z-zal ie—”„Ja, dat zal ie zeker.”„D-dan moet je Ellinghem w-waarschuwen.”„Maar die kent Kitsjin en daarom zal het wel zoo’n vaart niet loopen.”„M-misschien niet, m-maar toch ...” antwoordde Burns aarzelend, waarop hij verder trok, terwijl Juniper zijn arm door den mijne stak—een eer waardoor ik me bijzonder gevleid gevoelde—en zoo liepen we samen de gang af en een steenen trap op; toen hielden we stil voor een deur waarop Jim op een eigenaardige manier klopte.„Binnen!” riep een bekende stem.We gingen de kamer in waar Bob Kitsjin bezig was water te koken boven een spiritus-licht.

„Het bezoek is afgeloopen,” zei ik, toen we de villa een heel eind achter den rug hadden.

Hoe „nieuw” ik me ook nog gevoelde, voor Burns was ik geen zier bang; ik was integendeel diep verontwaardigd op hem.

„Het-t s-spijt me v-vreeselijk,” zei het jonge mensch. „I-k-k w-wist n-niet dat d-die a-akelige vent w-weg was.”

„Als je de zaak maar met rust had gelaten, dan zou er niets zijn gebeurd,” hernam ik. „De man bij wien je de ruiten hebt ingegooid is de stad uit, en de man die er nu woont wist van niets en denkt nou natuurlijk dat we hem voor den gek hebben gehouden. We zullen het misschien geducht aan den stok krijgen met den chef.” Een paar school-uitdrukkingen had ik opgepikt, waardoor ik op de jongens den indruk zou maken van niet zoo groen te zijn als ik misschien leek.

„Het s-spijt me v-vreeselijk,” herhaalde Burns, en toen het licht van een straatlantaren hem bescheen, kon ik aan de uitdrukking van zijn gezicht zien dat die spijt niet was geveinsd.

„En dan schijnt die man bovendien nog het een of ander van me te weten,” zei ik, „dus het is best mogelijk dat hij er me nog leelijker laat indraaien.” Op wat voor manier hij dit zou kunnen doen, dat kon ik niet vermoeden. „Hij scheen mijn naam te kennen,” ging ik voort. „Hoe heet hij?”

„W-weet n-niet,” mompelde Burns die in een diep neerslachtigestemming naast me liep; „die andere m-man heette Blenkinsop. Ik-k heb ook-k altijd p-pech.”

Ik zei bij mezelf dat ik hartelijk hoopte dat hij in het vervolg mij buiten al zijn „pech” zou laten.

„Het is al verschrikkelijk laat,” zei ik; „zouden we een standje krijgen?”

„N-niet den eersten avond,” antwoordde Burns, „maar hoe eerder we er zijn, d-des t-te beter.”

We zetten het nu op een loopen en renden de spaarzaam-verlichte stad door; toen klommen we den heuvel op en bereikten een groot gebouw met een massa ramen die hel werden beschenen. Het ging hier blijkbaar druk en bedrijvig toe. Onderweg had Burns me al stotterend nuttige inlichtingen verschaft over school-aangelegenheden; nu en dan gaf hij me dezelfde raadgevingen als Bob Kitsjin, doch de overige waren nieuw voor me en deze waren geput uit de rijke ervaring van Robert Burns.

Volgens dit heerschap konden de jongens in twee soorten worden verdeeld: „leuke jongens” en „ellendelingen”.

„Wat is die Kitsjin er voor een?” vroeg ik.

„D-die is heel l-leuk,” antwoordde Burns zonder een oogenblik te aarzelen; „die J-Jim J-Juniper ook,” voegde hij erbij, „de jongen dien j-je s-straks zag. M-maar d-dat zijn groote l-lui; w-we z-zullen n-niet veel v-van ze z-zien.”

„Nee, natuurlijk niet,” antwoordde ik, hoewel die mededeeling me geducht teleurstelde, want ik had gehoopt dat Bob altijd voor me in de bres zou kunnen springen.

„W-wij z-zitten l-lager,” hernam Burns. „Er is een ellendeling op school; d-die heet Dester.”

„O ja?” zei ik.

„L-laat je n-niet op je k-kop zitten door hem,” ried Burns aan.

„Nee,” antwoordde ik eenigszins weifelend.

„Er is ook-k een l-lummel d-die B-Brunton heet,” hernam hij; „ik-k heb z-zoo’n hekel aan-n d-dien v-vent.”

„O ja?” zei ik wederom.

„Hij zal je z-zeker als feg1te pakken z-zien te krijgen.”

„Is dat zoo’n nare kerel?” vroeg ik zacht.

„Nou, of ie,” antwoordde Burns; „en D-Dester is k-koek en ei met hem.”

We hadden nu onder een poort doorgeloopen die uitkwam op een vierkant plein; het kiezel kraakte onder onze voeten. We staken het plein dwars over en hielden stil voor een groote deur; een portier met een norsch gezicht deed open.

„Jullie bent laat,” zei hij bij wijze van begroeting.

„De anderen z-zijn er zeker al allemaal,” fluisterde Burns. „Ga mee, dan k-krijgen we n-nog wel t-thee; ik heb honger, j-jij ook?”

Na eenige besprekingen met den nurkschen portier over onze bagage konden we onzen weg vervolgen.

„Zullen we een standje krijgen?” fluisterde ik, toen we nergens een jongen gewaar werden.

„’k Denk het n-niet,” antwoordde Burns. „Het k-kan zijn dat Wilson k-kwaad is.”

Ik wist dat dit de naam was van een der leeraren; doch mijn eerste onaangename ondervinding op St. Martin kwam van een anderen kant.

Toen we een hoek omsloegen waar de gang een bocht maakte en waar een lamp hing die een helder schijnsel afwierp renden we bijna een jongen tegen het lijf, die ongeveer even groot was als ik, hoewel hij me ouder leek. Hij had blond haar, een stompneus en sproeten. Ik hoorde Burns een klappend geluid met de tong maken en vroeg me af of die blonde jongen volgens dit heerschap tot de „leuke jongens” of tot de „ellendelingen” zou behooren.

Ik begreep weldra wat voor iemand ik voor me zag.

Hij bleef staan toen hij me gewaar werd en versperde me den weg. „Zoo, een nieuweling?” zei hij op een toon alsof hij dit feit als een persoonlijke beleediging beschouwde.

„Ja,” zei ik, terwijl ik opmerkte dat Burns onrustig op zijn beenen stond te draaien, alsof hij verlangde om dit gezelschap zoo spoedig mogelijk kwijt te raken.

„Zoo,” hernam de jongen met den stompen neus, die me nu zoo onbeschaamd aankeek dat ik driftig werd.

Ik gevoelde dat hij me eens goed opnam; ik was koud en vermoeid na die lange reis en hongerig en dorstig, zoodat mijn voorkomen nu niet bepaald ontzag inboezemde. Die jongen toonde althans weinig eerbied voor mijn persoon.

„Een van de wetten hier op school is dat al de nieuwelingen beginnen met een mep te krijgen,” zei hij.

Voor ik wist wat er met me gebeurde had hij me een slag in mijn gezicht gegeven.

Er zijn oogenblikken waarin een felle woede ons een moed doet toonen dien we eigenlijk niet bezitten. In zijn handelwijze was zoo iets grievends en vernederends dat ik kookte en ziedde van drift. Al was hij een reus geweest, dan geloof ik nog dat ik op hem zou zijn aangevlogen.

Bliksemsnel had ik hem een stomp tusschen zijn oogen gegeven, en het scheen wel of die met juistheid toegebrachte slag mij aanspoorde tot verdere wraakneming, want ik diende hem nog twee stompen toe voor mijn tegenstander zich kon verweren. Als een blok viel hij tegen den muur en tot mijn verbazing zag ik dat hij uit den neus bloedde.

„Heb je genoeg gehad?” riep ik met een stem die mijzelf zonderling in de ooren klonk.

Een oogenblik bleef hij me hijgend aanzien; op zijn gezicht was nu een nare uitdrukking verschenen: zooals hij daar stond met dat bloed dat langs zijn mond droop was hij een monster. Plotseling stiet hij een snerpenden kreet uit en vloog als een wilde kat op me aan.

Mijn woede was eenigszins bedaard; ik dacht nu aan de lessen in het boksen die ik van Bob Kitsjin had gekregen. Ik ontweek hem door een sprong en bracht hem een slag toe terwijl hij langs me vloog. Het was meer geluk dan wijsheid dat ik hem had geraakt. Ik geloof dat de stomp bij zijn oor was aangekomen; bovendien bleef zijn voet haken, zoodat hij met een smak op den grond neerplofte.

„Zoo’n klein lief lammetje,” hoorde ik plotseling naast me zeggen; ik keek op en werd Jim Juniper gewaar dien ik al even in den trein met Burns had gezien. Hij scheen het geval hoogst vermakelijk te vinden, want zijn gezicht straalde van pleizier.

Hij keerde zich nu naar den jongen die langzaam overeind krabbelde en zei: „Dester, ik geloof dat je nu genoeg hebt gehad. Ik vermoed, vrindje, dat je vandaag den verkeerde voor hebt. Wees in het vervolg wat meer op je hoede, hè? Het beste is nu voor je om je neus wat onder de pomp te houden; je treft het dat het water niet al te koud is voor dezen tijd van het jaar. Leg ook een lapje biefstuk op je oog, Dester, maar het biefstukje mag niet gaar zijn; een rauw stukje vleesch, hoor, dat zou een dokter je zeker aanraden.”

Dester—want ik wist nu welken jongen ik op den grond had gegooid—was weer overeind gerezen. Ik dacht niet anders dan dat hij me zou aanvallen, maar na me een blik te hebben toegeworpen waarin felle haat stond te lezen, sloop hij weg terwijl hij de roode druppels van zijn neus veegde.

„Dester heeft voorloopig genoeg gehad,” zei Juniper op vaderlijken toon, terwijl hij zich naar mij keerde. „De vent schijnt zich dit keer te hebben vergist.”

„Hij is begonnen,” antwoordde ik. Mijn adem ging nog hijgend op en neer, en hoe ik mijn best ook deed het beven van mijn stem te beletten—dit was me onmogelijk.

„Dan is het in orde,” zei Juniper lachend. „Als nieuwelingzou het ook niet bijster beleefd zijn geweest als jij de vijandelijkheden had aangevangen.”

„Het spijt me,” zei ik; ik had mijn kalmte nu weer herkregen.

„Ik zou er maar geen spijt van hebben,” merkte Juniper wijsgeerig op. „Wat zeg jij Burns?” vroeg Jim die zich nu naar Burns keerde; mijn nieuwe vriend had staan toekijken met wijd-open mond van verbazing.

„N-nee,” antwoordde Burns met nadruk; „ik v-vond het zoo l-leuk.”

„Dester heeft er flink van langs gehad, niet?”

„N-nou—of ie!”

„Mijn lief, mak lammetje,” hernam Jim die nu weer het woord tot mij richtte; „ik moet er je aandacht op vestigen dat op je wijze van aanvallen kritiek zou kunnen worden uitgeoefend, hoe flink die ook was, maar die stomp met je linkerhand was goed. Van wien heb je boksen geleerd?”

„Van Bob Kitsjin,” antwoordde ik; „ken je hem?”

„Of ik Bob Kitsjin ken? Dat zou ik denken,” riep Juniper die met een theatraal gebaar de armen ophief. „Dat zou ik denken!”

„Nou, of ie,” zei Burns wederom.

„Is Kitsjin een vriend van je?” vroeg Jim.

„Ja, ik ken hem nog al goed,” antwoordde ik bescheiden.

„Dan deel ik je bij deze mede, dat je een bovensten besten kerel kent, jonge vuistvechter. Maar hoe heet je eigenlijk?”

„Ellinghem,” zei ik.

„Dan ben jij het exemplaar naar wien Bob overal loopt te zoeken; hij snapt maar niet waar je toch uithangt.”

„Ik ging met Burns mee om—” begon ik, doch dit heerschap greep plotseling mijn arm, zoodat ik den zin maar afbrak.

„Als je met hem meegaat, dan zal hij er je wel gauw leelijk laten indraaien,” riep Jim lachend. „Onze dichter Burns is een gevaarlijk sujet. Maar zeg ’s, Burns, hoe kwam het in je op om onzen nieuwen makken vriend af te leiden van het pad der deugd?”

„Het w-was bij vergissing,” bracht Burns met moeite uit.

„Dat spreekt,” hernam de ander. „Jij vergist je maar eens. Ga nou maar door, en jij, Ellinghem, kom mee, dan zal ik je brengen naar Kitsjin om zijn vaderlijk bezorgd hart gerust te stellen.”

„Zeg ’s, J-Jim,” zei mijn roodharige vriend toen Juniper met me weg trok.

„Wat moet je van me, Burns?” vroeg Jim.

„Als D-Dester het v-vertelt aan B-Brunton—”

„Daar kan je van op aan.”

„Dan z-zal ie—”

„Ja, dat zal ie zeker.”

„D-dan moet je Ellinghem w-waarschuwen.”

„Maar die kent Kitsjin en daarom zal het wel zoo’n vaart niet loopen.”

„M-misschien niet, m-maar toch ...” antwoordde Burns aarzelend, waarop hij verder trok, terwijl Juniper zijn arm door den mijne stak—een eer waardoor ik me bijzonder gevleid gevoelde—en zoo liepen we samen de gang af en een steenen trap op; toen hielden we stil voor een deur waarop Jim op een eigenaardige manier klopte.

„Binnen!” riep een bekende stem.

We gingen de kamer in waar Bob Kitsjin bezig was water te koken boven een spiritus-licht.

1Jongens uit de laagste klassen die diensten moeten bewijzen aan de jongens uit de hoogste klasse.↑

1Jongens uit de laagste klassen die diensten moeten bewijzen aan de jongens uit de hoogste klasse.↑


Back to IndexNext