HOOFDSTUK XI.WIJ MAKEN KENNIS MET STENFORD, KIEN EN COMPAGNIE.„Mag ik dit heerschap onder Uw Edele’s aandacht brengen,” zei Jim Juniper, met de zwierige gebaren van een spullebaas op de kermis; „de beroemde bokser is zijn werkzaamheden begonnen op St. Martin. Geen oogenblik heeft hij gedraald. Onmiddellijk is hij aan den arbeid gegaan. Dagelijks slaat hij blauwe oogen. Specialiteit in bloedneuzen! Kom op, kom maar op! Jullie ligt op den grond voor je het weet!”Terwijl ik deze toespraak aanhoorde, stond ik tamelijk sullig naar Bob te kijken; die scheen de drukte die Jim maakte echter heel gewoon te vinden; hij lachte alleen maar en zei toen: „Zoo, Martin, waar heb jij al dien tijd uitgehangen? Ik dacht dat ik je hier zou vinden, maar niemand had een glimp van je gezien. Ik begon heusch ongerust te worden dat je was zoek geraakt. Waar ben je geweest?”„Dat mag je wèl vragen,” zei Jim die het woord nam voordat ik een klank had kunnen uitbrengen. „Werp een blik op dit jonge mensch dat zoo juist voor de eerste maal den drempel heeft overschreden van dit eerwaardige gebouw. Waarmee denk je dat hij zich onledig heeft gehouden, Kitsjin? Het is nog geen tien minuten geleden, dat hij hier is binnen gekomen.”„Heeft ie wat te eten gehad?” vroeg Bob. „Want ik ben juist bezig om—”„Eten!” riep Juniper die op de tafel ging zitten en een gemakkelijke houding aannam; „deze jongeling bezit een ziel, of beter gezegd een maag, die ver is verheven boven eten. Neen; hij heeft een strijd op leven en dood gestreden.”„Och jij met je praatjes,” zei Bob lachend. „Wat kan je toch ratelen, Jim. Hierin ben je ieder de baas. Zoo’n kletsmajoor als jij bent heb ik nog nooit van m’n leven gezien!”„Vraag het hem maar zelf!” riep Juniper die een sierlijk handgebaar maakte in mijn richting, terwijl ik nog altijd even sullig naar Bob stond te kijken; „vraag het hem zelf maar! Hij heeft reeds het bloed doen vloeien van een onzer glorierijkste medescholieren.”„Als je je nu eens minder dichterlijk uitdrukte en gezonder taal gebruikte, dan zou ik misschien beter snappen wat je wilt zeggen,” hernam Bob lachend. „Martin, wat heb je uitgehaald? Vooruit, vertel op, en gauw wat, want het water kookt en dan kan ik thee zetten. Ik zal je te eten geven en je dorst lesschen.”„Het spijt me dat ik zoo laat ben, maar ik kan het heusch niet helpen,” begon ik. „Een jongen gaf me een slag, en—en toen sloeg ik terug.”„Toen sloeg ik terug!” riep Jim Juniper. „Nou, of ie. Ik zeg je, Kitsjin, dat je voor hem moet rillen en beven. In de gang komt ie Dester tegen...”„O, heb je het met Dester aan den stok gehad?” vroeg Bob die nu blijkbaar belang ging stellen in het verhaal.„Ja, met niemand anders. Dester had ditmaal echter den verkeerde voor zich. Hij was zoo dwaas om ons lammetje te rekenen tot dat soort jongens waarop hij het gewoonlijk heeft begrepen. Maar hij werd zijn vergissing gauw genoeg gewaar. Ons lammetje geeft hem een stuk of wat stompen die raak zijn. Dester rolt gewoon tegen den muur, maardan springt hij als een tijger op ons lammetje, maar jawel hoor, hij krijgt er nu een, geheel volgens de regelen der kunst, en tuimelt op den grond. Dester af. In het vervolg zal hij ons lammetje wel met rust laten. Als je nog aan de waarheid van mijn verhaal mocht twijfelen, vraag het dan maar aan dichter Burns die getuige was van het heele tooneel.”„Je bent er wel gauw bij geweest, Martin,” zei Bob op ernstigen toon, hoewel ik kon zien dat hij toch schik had in het verhaal.„Het spijt me dat het is gebeurd,” zei ik.„Het spijt mij geen zier,” zei Juniper. „Hoera voor onzen oorlogsheld; Kitsjin, geef hem te eten en schenk hem troost en steun. Je kunt nog eer aan hem behalen; als hij zoo voortgaat zal hij onze school met lauweren bekransen. Zijn naam zal nog op het prospectus komen te staan. Maar wees maar op je hoede voor hem. Vaarwel Kitsjin!—Vaarwel kampioen!—Je naam weet ik niet meer precies. Een volgend keer ben ik weer tot je orders.” Hij liet zich van de tafel glijden en verdween, na ons een sierlijk gebaar te hebben toegeworpen tot afscheid.„Typische vent, maar een beste kerel,” zei Bob. „Soms weet je niet of hij je voor den gek houdt of werkelijk meent wat hij zegt. Ga zitten, je zal wel honger hebben. Kijk, dit kan ik je aanbieden. O, het water kookt. Trek dien stoel wat bij en schuif die boeken maar weg. Vertel nu maar op.”„Ik kwam in een coupé te zitten met een zekeren Burns—” begon ik.„Pas op voor dien vent,” zei Bob die de thee nu inschonk. „De kerel is niet kwaad; iemand die zoo verschrikkelijk stottert heeft misschien nooit kwaad in den zin, maar Burns heeft er nu eenmaal slag van om zichzelf er leelijk in te werken en er anderen mee te laten inloopen, hoewel hij dit nooit met opzet doet. Nu, ga door.”Ik vervolgde mijn verhaal en vertelde wat ik met Burns haduitgevoerd, tot ik was gekomen aan de beschrijving van den dikken man met den horlogeketting en de onderkin. Intusschen lieten we ons het maal goed smaken; Bob die juist bezig was met een potje jam stiet plotseling een kreet van verbazing uit.„Wat is er?” vroeg ik.„Niets, het leek me alleen zoo toevallig,” antwoordde hij. „Vertel maar door.”„Ik vond het zoo vreemd dat hij mij van naam scheen te kennen en jou ook.”Bob mompelde wat; ik kon zien dat hij zich niet op zijn gemak gevoelde.„Wie is die man?” vroeg ik, „en hoe kan hij iets van ons weten? Hij woont hier pas en als Burns niet...”„Och, die uil van een Burns,” riep Bob kwaad.„Weet je hoe ie heet?”„Ja: Brunton.”„Is het de vader van den jongen die hier op school is?”„Ja.”„Is het dezelfde met wien Dester koek en ei is?”„Ja.”„Dan zal Brunton er wel alles van hooren.”„’k Zie niet in dat jullie daardoor herrie zullen krijgen,” zei Bob. „Toe, neem nog wat jam; je eet veel te weinig, kerel. De Bruntons hebben vroeger in de buurt van Londen gewoond, maar nu hebben ze om de een of andere reden hun tenten hier opgeslagen.”„Maar hoe kan die man nu iets af weten van jou en mij?” vroeg ik.„Och, die vent dien we hier op school hebben heeft hem zeker het een of ander verteld,” antwoordde Bob op luchtigen toon. „Wil je nog wat thee?”Het was duidelijk dat hij hierop niet wilde doorgaan; daarom durfde ik hem geen vragen meer stellen, hoewel ik over deze zonderlinge zaak bleef nadenken.„Als we zoo meteen klaar zijn zal ik je naar Wilson brengen—je komt in zijn klas, zie je; ik heb hem gezegd dat ik je zou ontvangen, want hij dacht natuurlijk dat je bij hem zou komen. Niemand kon denken dat je er met Burns op uit was getrokken.”Ik knikte bij wijze van instemming.„In school zullen we niet veel van elkaar zien,” hernam Bob; „maar hier kan je altijd komen, wanneer je maar wilt. Ik zit nog niet in de zesde, dus een feg houd ik er niet op na; maar ik heb met Norman afgesproken dat die je zal nemen, en ik verzeker je dat dit een buitenkansje voor je is.”Webesprakennog eenige zaken die het gewichtige voetbalspel betroffen en toen bracht Bob me naar mijn toekomstigen leeraar, een man met een ernstig gezicht en grijze bakkebaarden die op afgemeten toon sprak en den indruk maakte alsof hij me op een grooten afstand voor zich zag staan. Ik kreeg een gevoel alsof hij op een heuveltop stond en ik op een anderen en alsof hij me iets zou toeschreeuwen, zoodat ik heel verbaasd was toen hij op zachten plechtigen toon het woord tot me richtte; hij stelde me allerlei vragen over mijn werk en over de boeken die ik had gebruikt; op al mijn antwoorden volgde H’m, zoodat ik volstrekt niet wist of mijn kennis hem mee of tegenviel.Toen dit bezoek was afgeloopen werd ik gebracht naar den „chef”, een langen man met een gladgeschoren gezicht en heldere doordringende oogen. Hij had een streng voorkomen, doch hij sprak zoo vriendelijk tegen me en zei dat hij hoopte dat ik goed mijn best zou doen; ik nam me dit dan ook onmiddellijk voor, al was het alleen maar om hem genoegen te doen.„Je bent bekend met Kitsjin, is het niet?” vroeg hij, toen het onderhoud was afgeloopen en hij me goeden nacht wenschte.„Ja, mijnheer,” antwoordde ik terstond, want ik was trotsch op mijnvriendschapmet Bob.Toen zei hij dat het veel waard was om een vriend te hebben op een nieuwe school, vooral als die vriend een paar jaar ouder was, maar toch moest ik zelf mijn weg banen op St. Martin; ik moest niet te veel van een ander afhangen; in mijn later leven zou ik ook op eigen beenen moeten staan.Ik vermeld dit omdat die woorden betrekking hadden op hetgeen later gebeurde. Op dat oogenblik hield ik ze voor een waarschuwing dat ik Bob niet met alle mogelijke kleinigheden zou lastig vallen, maar er me zelf doorheen moest zien te slaan.Met dit vaste besluit kwam ik klasse B binnen, waar ik verscheidene jongens aan lessenaars zag zitten. Allen waren ongeveer van mijn grootte en leeftijd; de meesten waren druk bezig om hun boeken en verdere benoodigdheden in lessenaars te schikken; de school zou den volgenden morgen beginnen. In mijn nabijheid werd ik het roode haar van Burns gewaar, en iets verder zag ik Dester zitten wiens gezicht nog sporen droeg van het tweegevecht.Ik voelde dat ik een kleur kreeg, toen ik verlegen en stoeterig mijn weg baande tusschen al die jongens door naar de plaats die mij werd aangewezen. Iedereen keek me aan, zoodat ik me als een solist gevoelde die het podium betreedt; ik dacht dat die algemeene belangstelling uitsluitend mijn nieuwelingschap gold, doch weldra kwam ik tot de ontdekking dat ik in een zekeren zin reeds naam had gemaakt.„Zeg ’s, is het waar dat je met Dester hebt gevochten?” fluisterde de jongen aan mijn linkerkant, zoodra ik had plaats genomen.Ik begreep niet hoe hij dit nu al wist, maar ik knikte van ja.„’t Is raak geweest, hoor,” hernam hij lachend, terwijl hij eerst op zijn neus wees en toen op zijn oog.De leeraar die toezicht hield was met het een of ander bezig en stond op het verste gedeelte van het podium, endit oogenblik nam ik waar om eveneens fluisterend te antwoorden: „Och—och—het was geen gevecht eigenlijk.”Uit „Tom Brown’s schooldagen” wist ik wat onder een gevecht moest worden verstaan; ik begreep dan ook best dat het tusschen Dester en mij niet veel meer was geweest dan een schermutseling.„Niet?” hernam hij. „Hoe lang heeft het geduurd?”„Een minuut misschien,” antwoordde ik bescheiden. „Maar we mogen niet praten, is ’t wel?”„Zoolang Kijkers daar bezig is merkt hij er niets van,” antwoordde de jongen heel kalm. „Maar je hebt ’m geducht op z’n kop gegeven. Burns zegt dat het bloed uit z’n neus stroomde.”„O, dus je weet het van Burns?”„Ja; je heet Ellinghem, niet?”Ik knikte van ja.„Ik heet Stenford. Toen je begon wist je dat natuurlijk niet?”„Wat wist ik toen niet?”„Van Brunton. Je moet weten dat Dester zijn page is. Brunton neemt altijd zijn partij op.”„Toen we begonnen te vechten wist ik niet eens dat ie Dester heette,” zei ik; „hij gaf me een slag en toen sloeg ik terug.”„Dat dacht ik wel,” hernam Stenford, „want als je het hadt geweten, dan zou je hem wel met rust hebben gelaten.”„Waarom?” vroeg ik eenigszins onthutst.„Omdat je van Brunton op je gezicht zal krijgen,” antwoordde Stenford heel bedaard. „Je kunt ervan op aan dat Dester hem nu alles heeft verteld. Toch ben ik blij dat de kerel ’s op zijn kop heeft gehad.”„Wat is die Brunton er voor een?” vroeg ik, om te weten te komen of Stenford hem eender beoordeelde als Burns.„Een ellendeling,” antwoordde Stenford kortaf. „Maar houd je mond: hij komt eraan.”De leeraar daalde van het podium af en verliet de klasse,waarop onmiddellijk een gegons van stemmen ontstond. De jongens verlieten bijna allemaal de banken en weldra kwam ik tot de ontdekking dat ik het middenpunt vormde van een kring belangstellenden. Er waren nog meer nieuwelingen, doch met die bemoeide bijna niemand zich. Ze zagen er zoo echt nieuw uit, want ze zaten doodstil en spraken geen woord. Ik zou zeer zeker ook niet veel hebben gezegd als ik niet door vragen was bestormd.„Zeg, hoe heet je?”„Hoe?—Ellinghem?”„Kan je boksen?”„Ben je een Piet met voetbal?”„Houd je van blokken?”„Hoeveel rondes hadt je met Dester?”„Smeet je ’m op den grond?”„Is het waar wat Burns vertelt?”„Zeg, je zal er van Brunton van langs krijgen.”Op al die vragen moest ik antwoord geven. Het viel me op dat het iedereen blijkbaar genoegen deed dat Dester leelijk te pas was gekomen, hoewel niemand dit openlijk durfde bekennen. Hij scheen er een soort partij op na te houden, want een stuk of wat jongens stonden om hem heen en ik ving nu en dan een paar woorden op als „zoo’n onbeschaamde rekel”—„hij moest zelf een pak slaag hebben” enz. Ik begreep maar al te goed op wien dit allemaal doelde.Tot mijn verwondering hoorde ik de stem van Burns plotseling boven het rumoer uit. „Als hij een p-pak m-moet hebben, d-dan m-moet D-dester hem nou m-maar een r-rammeling g-geven.”„Vooruit, Dester,” riepen verscheiden jongens: „Kijkers is naar Kolman. Tijd genoeg. Vooruit, Dester, geef hem dan op z’n gezicht!”Ik merkte heel goed op dat sommigen dien kreet aanhieven om jongeheer Dester werkelijk te believen, doch opde gezichten van de meeste jongens lag een spottende uitdrukking, omdat ze heel goed wisten dat dit heerschap het wel zou laten om opnieuw te gaan vechten. Een heel troepje stond dan ook om hem heen om zich aan te bieden als secondanten, dokter en weet ik al wat meer.„Vooruit, Dester!”—„Dester, hoe laf!”—„Toe, geef ’m dan op z’n kop, Dester!”—„Sla ’m ook een blauw oog,”—al dergelijke kreten klonken dooreen.Dester bleef echter stokstijf zitten en vergenoegde er zich mede om vreeselijke bedreigingen te uiten. Verschrikkelijke dingen schenen mij boven het hoofd te hangen.Het viel me op dat Burns hoegenaamd niet bang voor hem scheen te zijn. Telkens en telkens moest Burns onze schermutseling in kleuren en geuren vertellen en ik moet erkennen dat hij het verhaal wel wat aandikte. Zoover als ik hem kon verstaan te midden van het rumoer stelde hij me voor als een Samson of een wereldberoemd kampvechter, zoodat er op het laatst heel wat jongens waren die met eerbied tot me opzagen en bij zichzelf zeiden dat het geraden was om het niet met mij aan den stok te krijgen.„Is het niet kostelijk om Burns zoo te hooren kakelen?” zei Stenford.„Hij schijnt zich niet druk te maken om Dester,” antwoordde ik.„Nee, dat zal wel uitkomen. Hij heeft Juniper toch achter zich. Ken je Jim?”Ik knikte van ja.„Een leuke, gladde vent. Hij is verschrikkelijk dik met Norman.”Toen al dat gepraat en rumoer aan den gang was, was me opgevallen dat de jongen aan mijn rechterhand op niemand of niets acht sloeg en niemand keek evenmin naar hem om. Hij had me een oogenblik aangezien toen ik naast hem was gaan zitten; daarna had hij onmiddellijk zijnbezigheden weder hervat. Zoodra de heer Kijkers het vertrek had verlaten, had hij zijn lessenaar opgeslagen waarachter zijn hoofd verdween en wat hij uitvoerde scheen zijn volle aandacht te vorderen.Stenford had opgemerkt dat ik een paar maal dien kant uitkeek. „Dat is Kien maar,” zei hij; „de vent is dol op proeven. ’t Liefst zou ie den heelen dag in het laboratorium zitten, maar in zijn lessenaar en op zijn kamer zit ie altijd te knoeien. Op een goeden dag vliegt ie nog ’s in de lucht.”Zelf hield ik ook van proefnemingen. Ik was de gelukkige bezitter van een galvanische batterij, een luchtpomp, een Leidsche flesch en weet ik wat al niet meer; met eenige belangstelling keek ik dan ook naar den wetenschappelijken onderzoeker.Ik kreeg een glimp te zien van hetgeen in zijn lessenaar gebeurde; tot mijn verbazing zag ik tusschen een massa rommel een pijp en eenspirituslampdie helder brandde, hoewel ik hem geen lucifer had hooren afstrijken. Ik begreep dan ook niet hoe hij die had kunnen aansteken. Door die pijp vatte ik echter waarmee hij zich bezig hield. „Maak je koolgas?” vroeg ik fluisterend.Hij keek me even aan met oogen, die straalden van pleizier. „Ja, heb jij het wel ’s gedaan?”Ik knikte van ja. De lezer weet op welke wijze men hierbij te werk gaat. Men neemt een lange aarden pijp, de kop wordt gevuld met kool die tot poeder is fijn gewreven, een stop vormt de sluiting. De pijpekop werkt als een retort; het gas dat gevormd wordt, kan niet ontsnappen door de stop (hoewel dit in de praktijk toch wel gebeurt), en moet zich een uitweg banen langs den steel naar het mondstuk, waar het kan worden ontstoken en alleraardigst branden, een lust voor het oog. De eenvoudigste manier om den pijpekop te verhitten is om dien in het vuur te zetten, desteel steekt dan uit tusschen de staven, maar de wetenschappelijke methode is om een Bunsen-brander te gebruiken of een spiritus-lamp waarboven je de pijp vasthoudt met een tangetje.„Wat voor soort leem gebruik jij altijd,” zei Kien, alsof ik bijna dagelijks koolgas vervaardigde.„Wat ik maar kan krijgen,” antwoordde ik op een toon van diepen ernst, dien men dient aan te nemen als men het woord richt tot een beroemden specialiteit.„Stourbridge is verreweg de beste,” zei hij „maar toch ontsnapt nog te veel gas.”Hierin moest ik hem helaas gelijk geven.„Het leem barst,” merkte hij op.„Ja, dat is zoo,” gaf ik toe.„Nu ook weer,” hernam hij, terwijl hij weer met het hoofd achter den lessenaar wegdook. „Kijk maar!”Ik rekte den hals uit en gluurde over zijn schouder; de scherpe reuk van brandende spiritus drong tot me door.„De leem was te nat,” zei Kien, terwijl hij den barst pleisterde met wat vochtige leem die hij op een schoteltje had gereed staan; „het moest eigenlijk een halven dag drogen, maar je moet het vlug doen, of anders kan je het wel laten.”Ik gaf dit toe. Met verbazing keek ik naar dien jongen die scheikundige proeven in zijn lessenaar durfde doen, waarbij hij kans liep om ieder oogenblik door een leeraar te worden gesnapt.„Ben je—ben je? niet bang om brand te maken?” vroeg ik.„O nee,” antwoordde hij heel bedaard; „in het laboratorium is het natuurlijk veiliger. Maar ik wou niet wachten tot morgen; ik wilde die leem vandaag probeeren; in deze kool zit een massa gas. Kijk, het komt er prachtig uit; het zal zoo gaan branden.”„Ben je niet bang voor... voor...”„Voor Kijkers?—Nee, want die ruikt niets,” voegde hij er lachend bij. „Anders...”Ja, ik moest toegeven dat hij er anders wel eens leelijk tegen aan zou kunnen loopen. Brandende spiritus verspreidt nu eenmaal een eigenaardigen geur, om van gas dat ontsnapt niet eens te spreken, al geschiedt de proef ook op kleine schaal, zooals hier het geval was.„’k Had de spiritus klaar,” zei Kien, „en de pijp ook; toen Kijkers er vandoor ging had ik alleen maar een lucifer af te strijken. Leuk goedje, hè?”De spiritus-lamp brandde flink; het gas begon zich een uitweg te banen door den pijpesteel; Kien hield er een lichtje bij en keek verrukt naar de vlam die ontstond.„Prachtig; dol,” riep hij. „Zie je wel dat er een massa gas in die kool zit?”Een paar jongens waren er nu bij komen staan; ze gluurden over den schouder van Kien aan wiens proefnemingen op natuurkundig gebied ze blijkbaar waren gewend, want ze sloegen weinig aandacht op den wetenschappelijken onderzoeker. Het gevecht met Dester was nu afgehandeld; de meesten spraken over eenige kwesties die het nieuwe voetbal-seizoen betroffen.Plotseling werd „Sst”, „sst” geroepen, waarop een algemeen geschuifel van voeten volgde. Kien liet onmiddellijk zijn lessenaar dichtklappen en toen de leeraar binnen kwam zaten we allemaal even netjes en correct in de bank.Hij liep naar mij toe en liet me eenige boeken te voorschijn halen, waarin hij me het een en ander aanwees. Ik wierp een zijdelingschen blik naar Kien die geheel in zijn werk scheen verdiept, ofschoon de geur die zijn toestel verspreidde hoe langer hoe sterker werd. Zoodra de leeraar dan ook bij de volgende rij lessenaars stond, knikte hij me toe om me met trots te kennen te geven dat het gas nog lustig brandde.„Ik weet precies hoeveel gas je met dien pijpekop kan maken,” fluisterde hij, terwijl hij in een schrift decimale getallen begon op te schrijven. Hij had de kool van te voren gewogen en wist nu nauwkeurig hoeveel gas hij hiermede zou verkrijgen, en hoe zwaar het gewicht zou zijn van het overschot dat in den pijpekop achterbleef.Hij werd nu bij den leeraar geroepen; ik verwachtte niet anders dan dat hij was gesnapt en dat zijn gas-toestel zou worden verbeurd verklaard, maar de heer Kijkers stelde enkele vragen aan Kien over een examen waarvoor hij zich wilde opgeven.Toen Kien nog bij het podium stond, ging de deur open en kwam de heer Wilson binnen, die terstond een snuivend geluid maakte.„In dit vertrek hangt een eigenaardige lucht, mijnheer Broes!” zei hij. Snuf, snuf. „Ik denk dat het in den schoorsteen brandt. Ja bepaald, het is een sterke brandlucht.”
HOOFDSTUK XI.WIJ MAKEN KENNIS MET STENFORD, KIEN EN COMPAGNIE.„Mag ik dit heerschap onder Uw Edele’s aandacht brengen,” zei Jim Juniper, met de zwierige gebaren van een spullebaas op de kermis; „de beroemde bokser is zijn werkzaamheden begonnen op St. Martin. Geen oogenblik heeft hij gedraald. Onmiddellijk is hij aan den arbeid gegaan. Dagelijks slaat hij blauwe oogen. Specialiteit in bloedneuzen! Kom op, kom maar op! Jullie ligt op den grond voor je het weet!”Terwijl ik deze toespraak aanhoorde, stond ik tamelijk sullig naar Bob te kijken; die scheen de drukte die Jim maakte echter heel gewoon te vinden; hij lachte alleen maar en zei toen: „Zoo, Martin, waar heb jij al dien tijd uitgehangen? Ik dacht dat ik je hier zou vinden, maar niemand had een glimp van je gezien. Ik begon heusch ongerust te worden dat je was zoek geraakt. Waar ben je geweest?”„Dat mag je wèl vragen,” zei Jim die het woord nam voordat ik een klank had kunnen uitbrengen. „Werp een blik op dit jonge mensch dat zoo juist voor de eerste maal den drempel heeft overschreden van dit eerwaardige gebouw. Waarmee denk je dat hij zich onledig heeft gehouden, Kitsjin? Het is nog geen tien minuten geleden, dat hij hier is binnen gekomen.”„Heeft ie wat te eten gehad?” vroeg Bob. „Want ik ben juist bezig om—”„Eten!” riep Juniper die op de tafel ging zitten en een gemakkelijke houding aannam; „deze jongeling bezit een ziel, of beter gezegd een maag, die ver is verheven boven eten. Neen; hij heeft een strijd op leven en dood gestreden.”„Och jij met je praatjes,” zei Bob lachend. „Wat kan je toch ratelen, Jim. Hierin ben je ieder de baas. Zoo’n kletsmajoor als jij bent heb ik nog nooit van m’n leven gezien!”„Vraag het hem maar zelf!” riep Juniper die een sierlijk handgebaar maakte in mijn richting, terwijl ik nog altijd even sullig naar Bob stond te kijken; „vraag het hem zelf maar! Hij heeft reeds het bloed doen vloeien van een onzer glorierijkste medescholieren.”„Als je je nu eens minder dichterlijk uitdrukte en gezonder taal gebruikte, dan zou ik misschien beter snappen wat je wilt zeggen,” hernam Bob lachend. „Martin, wat heb je uitgehaald? Vooruit, vertel op, en gauw wat, want het water kookt en dan kan ik thee zetten. Ik zal je te eten geven en je dorst lesschen.”„Het spijt me dat ik zoo laat ben, maar ik kan het heusch niet helpen,” begon ik. „Een jongen gaf me een slag, en—en toen sloeg ik terug.”„Toen sloeg ik terug!” riep Jim Juniper. „Nou, of ie. Ik zeg je, Kitsjin, dat je voor hem moet rillen en beven. In de gang komt ie Dester tegen...”„O, heb je het met Dester aan den stok gehad?” vroeg Bob die nu blijkbaar belang ging stellen in het verhaal.„Ja, met niemand anders. Dester had ditmaal echter den verkeerde voor zich. Hij was zoo dwaas om ons lammetje te rekenen tot dat soort jongens waarop hij het gewoonlijk heeft begrepen. Maar hij werd zijn vergissing gauw genoeg gewaar. Ons lammetje geeft hem een stuk of wat stompen die raak zijn. Dester rolt gewoon tegen den muur, maardan springt hij als een tijger op ons lammetje, maar jawel hoor, hij krijgt er nu een, geheel volgens de regelen der kunst, en tuimelt op den grond. Dester af. In het vervolg zal hij ons lammetje wel met rust laten. Als je nog aan de waarheid van mijn verhaal mocht twijfelen, vraag het dan maar aan dichter Burns die getuige was van het heele tooneel.”„Je bent er wel gauw bij geweest, Martin,” zei Bob op ernstigen toon, hoewel ik kon zien dat hij toch schik had in het verhaal.„Het spijt me dat het is gebeurd,” zei ik.„Het spijt mij geen zier,” zei Juniper. „Hoera voor onzen oorlogsheld; Kitsjin, geef hem te eten en schenk hem troost en steun. Je kunt nog eer aan hem behalen; als hij zoo voortgaat zal hij onze school met lauweren bekransen. Zijn naam zal nog op het prospectus komen te staan. Maar wees maar op je hoede voor hem. Vaarwel Kitsjin!—Vaarwel kampioen!—Je naam weet ik niet meer precies. Een volgend keer ben ik weer tot je orders.” Hij liet zich van de tafel glijden en verdween, na ons een sierlijk gebaar te hebben toegeworpen tot afscheid.„Typische vent, maar een beste kerel,” zei Bob. „Soms weet je niet of hij je voor den gek houdt of werkelijk meent wat hij zegt. Ga zitten, je zal wel honger hebben. Kijk, dit kan ik je aanbieden. O, het water kookt. Trek dien stoel wat bij en schuif die boeken maar weg. Vertel nu maar op.”„Ik kwam in een coupé te zitten met een zekeren Burns—” begon ik.„Pas op voor dien vent,” zei Bob die de thee nu inschonk. „De kerel is niet kwaad; iemand die zoo verschrikkelijk stottert heeft misschien nooit kwaad in den zin, maar Burns heeft er nu eenmaal slag van om zichzelf er leelijk in te werken en er anderen mee te laten inloopen, hoewel hij dit nooit met opzet doet. Nu, ga door.”Ik vervolgde mijn verhaal en vertelde wat ik met Burns haduitgevoerd, tot ik was gekomen aan de beschrijving van den dikken man met den horlogeketting en de onderkin. Intusschen lieten we ons het maal goed smaken; Bob die juist bezig was met een potje jam stiet plotseling een kreet van verbazing uit.„Wat is er?” vroeg ik.„Niets, het leek me alleen zoo toevallig,” antwoordde hij. „Vertel maar door.”„Ik vond het zoo vreemd dat hij mij van naam scheen te kennen en jou ook.”Bob mompelde wat; ik kon zien dat hij zich niet op zijn gemak gevoelde.„Wie is die man?” vroeg ik, „en hoe kan hij iets van ons weten? Hij woont hier pas en als Burns niet...”„Och, die uil van een Burns,” riep Bob kwaad.„Weet je hoe ie heet?”„Ja: Brunton.”„Is het de vader van den jongen die hier op school is?”„Ja.”„Is het dezelfde met wien Dester koek en ei is?”„Ja.”„Dan zal Brunton er wel alles van hooren.”„’k Zie niet in dat jullie daardoor herrie zullen krijgen,” zei Bob. „Toe, neem nog wat jam; je eet veel te weinig, kerel. De Bruntons hebben vroeger in de buurt van Londen gewoond, maar nu hebben ze om de een of andere reden hun tenten hier opgeslagen.”„Maar hoe kan die man nu iets af weten van jou en mij?” vroeg ik.„Och, die vent dien we hier op school hebben heeft hem zeker het een of ander verteld,” antwoordde Bob op luchtigen toon. „Wil je nog wat thee?”Het was duidelijk dat hij hierop niet wilde doorgaan; daarom durfde ik hem geen vragen meer stellen, hoewel ik over deze zonderlinge zaak bleef nadenken.„Als we zoo meteen klaar zijn zal ik je naar Wilson brengen—je komt in zijn klas, zie je; ik heb hem gezegd dat ik je zou ontvangen, want hij dacht natuurlijk dat je bij hem zou komen. Niemand kon denken dat je er met Burns op uit was getrokken.”Ik knikte bij wijze van instemming.„In school zullen we niet veel van elkaar zien,” hernam Bob; „maar hier kan je altijd komen, wanneer je maar wilt. Ik zit nog niet in de zesde, dus een feg houd ik er niet op na; maar ik heb met Norman afgesproken dat die je zal nemen, en ik verzeker je dat dit een buitenkansje voor je is.”Webesprakennog eenige zaken die het gewichtige voetbalspel betroffen en toen bracht Bob me naar mijn toekomstigen leeraar, een man met een ernstig gezicht en grijze bakkebaarden die op afgemeten toon sprak en den indruk maakte alsof hij me op een grooten afstand voor zich zag staan. Ik kreeg een gevoel alsof hij op een heuveltop stond en ik op een anderen en alsof hij me iets zou toeschreeuwen, zoodat ik heel verbaasd was toen hij op zachten plechtigen toon het woord tot me richtte; hij stelde me allerlei vragen over mijn werk en over de boeken die ik had gebruikt; op al mijn antwoorden volgde H’m, zoodat ik volstrekt niet wist of mijn kennis hem mee of tegenviel.Toen dit bezoek was afgeloopen werd ik gebracht naar den „chef”, een langen man met een gladgeschoren gezicht en heldere doordringende oogen. Hij had een streng voorkomen, doch hij sprak zoo vriendelijk tegen me en zei dat hij hoopte dat ik goed mijn best zou doen; ik nam me dit dan ook onmiddellijk voor, al was het alleen maar om hem genoegen te doen.„Je bent bekend met Kitsjin, is het niet?” vroeg hij, toen het onderhoud was afgeloopen en hij me goeden nacht wenschte.„Ja, mijnheer,” antwoordde ik terstond, want ik was trotsch op mijnvriendschapmet Bob.Toen zei hij dat het veel waard was om een vriend te hebben op een nieuwe school, vooral als die vriend een paar jaar ouder was, maar toch moest ik zelf mijn weg banen op St. Martin; ik moest niet te veel van een ander afhangen; in mijn later leven zou ik ook op eigen beenen moeten staan.Ik vermeld dit omdat die woorden betrekking hadden op hetgeen later gebeurde. Op dat oogenblik hield ik ze voor een waarschuwing dat ik Bob niet met alle mogelijke kleinigheden zou lastig vallen, maar er me zelf doorheen moest zien te slaan.Met dit vaste besluit kwam ik klasse B binnen, waar ik verscheidene jongens aan lessenaars zag zitten. Allen waren ongeveer van mijn grootte en leeftijd; de meesten waren druk bezig om hun boeken en verdere benoodigdheden in lessenaars te schikken; de school zou den volgenden morgen beginnen. In mijn nabijheid werd ik het roode haar van Burns gewaar, en iets verder zag ik Dester zitten wiens gezicht nog sporen droeg van het tweegevecht.Ik voelde dat ik een kleur kreeg, toen ik verlegen en stoeterig mijn weg baande tusschen al die jongens door naar de plaats die mij werd aangewezen. Iedereen keek me aan, zoodat ik me als een solist gevoelde die het podium betreedt; ik dacht dat die algemeene belangstelling uitsluitend mijn nieuwelingschap gold, doch weldra kwam ik tot de ontdekking dat ik in een zekeren zin reeds naam had gemaakt.„Zeg ’s, is het waar dat je met Dester hebt gevochten?” fluisterde de jongen aan mijn linkerkant, zoodra ik had plaats genomen.Ik begreep niet hoe hij dit nu al wist, maar ik knikte van ja.„’t Is raak geweest, hoor,” hernam hij lachend, terwijl hij eerst op zijn neus wees en toen op zijn oog.De leeraar die toezicht hield was met het een of ander bezig en stond op het verste gedeelte van het podium, endit oogenblik nam ik waar om eveneens fluisterend te antwoorden: „Och—och—het was geen gevecht eigenlijk.”Uit „Tom Brown’s schooldagen” wist ik wat onder een gevecht moest worden verstaan; ik begreep dan ook best dat het tusschen Dester en mij niet veel meer was geweest dan een schermutseling.„Niet?” hernam hij. „Hoe lang heeft het geduurd?”„Een minuut misschien,” antwoordde ik bescheiden. „Maar we mogen niet praten, is ’t wel?”„Zoolang Kijkers daar bezig is merkt hij er niets van,” antwoordde de jongen heel kalm. „Maar je hebt ’m geducht op z’n kop gegeven. Burns zegt dat het bloed uit z’n neus stroomde.”„O, dus je weet het van Burns?”„Ja; je heet Ellinghem, niet?”Ik knikte van ja.„Ik heet Stenford. Toen je begon wist je dat natuurlijk niet?”„Wat wist ik toen niet?”„Van Brunton. Je moet weten dat Dester zijn page is. Brunton neemt altijd zijn partij op.”„Toen we begonnen te vechten wist ik niet eens dat ie Dester heette,” zei ik; „hij gaf me een slag en toen sloeg ik terug.”„Dat dacht ik wel,” hernam Stenford, „want als je het hadt geweten, dan zou je hem wel met rust hebben gelaten.”„Waarom?” vroeg ik eenigszins onthutst.„Omdat je van Brunton op je gezicht zal krijgen,” antwoordde Stenford heel bedaard. „Je kunt ervan op aan dat Dester hem nu alles heeft verteld. Toch ben ik blij dat de kerel ’s op zijn kop heeft gehad.”„Wat is die Brunton er voor een?” vroeg ik, om te weten te komen of Stenford hem eender beoordeelde als Burns.„Een ellendeling,” antwoordde Stenford kortaf. „Maar houd je mond: hij komt eraan.”De leeraar daalde van het podium af en verliet de klasse,waarop onmiddellijk een gegons van stemmen ontstond. De jongens verlieten bijna allemaal de banken en weldra kwam ik tot de ontdekking dat ik het middenpunt vormde van een kring belangstellenden. Er waren nog meer nieuwelingen, doch met die bemoeide bijna niemand zich. Ze zagen er zoo echt nieuw uit, want ze zaten doodstil en spraken geen woord. Ik zou zeer zeker ook niet veel hebben gezegd als ik niet door vragen was bestormd.„Zeg, hoe heet je?”„Hoe?—Ellinghem?”„Kan je boksen?”„Ben je een Piet met voetbal?”„Houd je van blokken?”„Hoeveel rondes hadt je met Dester?”„Smeet je ’m op den grond?”„Is het waar wat Burns vertelt?”„Zeg, je zal er van Brunton van langs krijgen.”Op al die vragen moest ik antwoord geven. Het viel me op dat het iedereen blijkbaar genoegen deed dat Dester leelijk te pas was gekomen, hoewel niemand dit openlijk durfde bekennen. Hij scheen er een soort partij op na te houden, want een stuk of wat jongens stonden om hem heen en ik ving nu en dan een paar woorden op als „zoo’n onbeschaamde rekel”—„hij moest zelf een pak slaag hebben” enz. Ik begreep maar al te goed op wien dit allemaal doelde.Tot mijn verwondering hoorde ik de stem van Burns plotseling boven het rumoer uit. „Als hij een p-pak m-moet hebben, d-dan m-moet D-dester hem nou m-maar een r-rammeling g-geven.”„Vooruit, Dester,” riepen verscheiden jongens: „Kijkers is naar Kolman. Tijd genoeg. Vooruit, Dester, geef hem dan op z’n gezicht!”Ik merkte heel goed op dat sommigen dien kreet aanhieven om jongeheer Dester werkelijk te believen, doch opde gezichten van de meeste jongens lag een spottende uitdrukking, omdat ze heel goed wisten dat dit heerschap het wel zou laten om opnieuw te gaan vechten. Een heel troepje stond dan ook om hem heen om zich aan te bieden als secondanten, dokter en weet ik al wat meer.„Vooruit, Dester!”—„Dester, hoe laf!”—„Toe, geef ’m dan op z’n kop, Dester!”—„Sla ’m ook een blauw oog,”—al dergelijke kreten klonken dooreen.Dester bleef echter stokstijf zitten en vergenoegde er zich mede om vreeselijke bedreigingen te uiten. Verschrikkelijke dingen schenen mij boven het hoofd te hangen.Het viel me op dat Burns hoegenaamd niet bang voor hem scheen te zijn. Telkens en telkens moest Burns onze schermutseling in kleuren en geuren vertellen en ik moet erkennen dat hij het verhaal wel wat aandikte. Zoover als ik hem kon verstaan te midden van het rumoer stelde hij me voor als een Samson of een wereldberoemd kampvechter, zoodat er op het laatst heel wat jongens waren die met eerbied tot me opzagen en bij zichzelf zeiden dat het geraden was om het niet met mij aan den stok te krijgen.„Is het niet kostelijk om Burns zoo te hooren kakelen?” zei Stenford.„Hij schijnt zich niet druk te maken om Dester,” antwoordde ik.„Nee, dat zal wel uitkomen. Hij heeft Juniper toch achter zich. Ken je Jim?”Ik knikte van ja.„Een leuke, gladde vent. Hij is verschrikkelijk dik met Norman.”Toen al dat gepraat en rumoer aan den gang was, was me opgevallen dat de jongen aan mijn rechterhand op niemand of niets acht sloeg en niemand keek evenmin naar hem om. Hij had me een oogenblik aangezien toen ik naast hem was gaan zitten; daarna had hij onmiddellijk zijnbezigheden weder hervat. Zoodra de heer Kijkers het vertrek had verlaten, had hij zijn lessenaar opgeslagen waarachter zijn hoofd verdween en wat hij uitvoerde scheen zijn volle aandacht te vorderen.Stenford had opgemerkt dat ik een paar maal dien kant uitkeek. „Dat is Kien maar,” zei hij; „de vent is dol op proeven. ’t Liefst zou ie den heelen dag in het laboratorium zitten, maar in zijn lessenaar en op zijn kamer zit ie altijd te knoeien. Op een goeden dag vliegt ie nog ’s in de lucht.”Zelf hield ik ook van proefnemingen. Ik was de gelukkige bezitter van een galvanische batterij, een luchtpomp, een Leidsche flesch en weet ik wat al niet meer; met eenige belangstelling keek ik dan ook naar den wetenschappelijken onderzoeker.Ik kreeg een glimp te zien van hetgeen in zijn lessenaar gebeurde; tot mijn verbazing zag ik tusschen een massa rommel een pijp en eenspirituslampdie helder brandde, hoewel ik hem geen lucifer had hooren afstrijken. Ik begreep dan ook niet hoe hij die had kunnen aansteken. Door die pijp vatte ik echter waarmee hij zich bezig hield. „Maak je koolgas?” vroeg ik fluisterend.Hij keek me even aan met oogen, die straalden van pleizier. „Ja, heb jij het wel ’s gedaan?”Ik knikte van ja. De lezer weet op welke wijze men hierbij te werk gaat. Men neemt een lange aarden pijp, de kop wordt gevuld met kool die tot poeder is fijn gewreven, een stop vormt de sluiting. De pijpekop werkt als een retort; het gas dat gevormd wordt, kan niet ontsnappen door de stop (hoewel dit in de praktijk toch wel gebeurt), en moet zich een uitweg banen langs den steel naar het mondstuk, waar het kan worden ontstoken en alleraardigst branden, een lust voor het oog. De eenvoudigste manier om den pijpekop te verhitten is om dien in het vuur te zetten, desteel steekt dan uit tusschen de staven, maar de wetenschappelijke methode is om een Bunsen-brander te gebruiken of een spiritus-lamp waarboven je de pijp vasthoudt met een tangetje.„Wat voor soort leem gebruik jij altijd,” zei Kien, alsof ik bijna dagelijks koolgas vervaardigde.„Wat ik maar kan krijgen,” antwoordde ik op een toon van diepen ernst, dien men dient aan te nemen als men het woord richt tot een beroemden specialiteit.„Stourbridge is verreweg de beste,” zei hij „maar toch ontsnapt nog te veel gas.”Hierin moest ik hem helaas gelijk geven.„Het leem barst,” merkte hij op.„Ja, dat is zoo,” gaf ik toe.„Nu ook weer,” hernam hij, terwijl hij weer met het hoofd achter den lessenaar wegdook. „Kijk maar!”Ik rekte den hals uit en gluurde over zijn schouder; de scherpe reuk van brandende spiritus drong tot me door.„De leem was te nat,” zei Kien, terwijl hij den barst pleisterde met wat vochtige leem die hij op een schoteltje had gereed staan; „het moest eigenlijk een halven dag drogen, maar je moet het vlug doen, of anders kan je het wel laten.”Ik gaf dit toe. Met verbazing keek ik naar dien jongen die scheikundige proeven in zijn lessenaar durfde doen, waarbij hij kans liep om ieder oogenblik door een leeraar te worden gesnapt.„Ben je—ben je? niet bang om brand te maken?” vroeg ik.„O nee,” antwoordde hij heel bedaard; „in het laboratorium is het natuurlijk veiliger. Maar ik wou niet wachten tot morgen; ik wilde die leem vandaag probeeren; in deze kool zit een massa gas. Kijk, het komt er prachtig uit; het zal zoo gaan branden.”„Ben je niet bang voor... voor...”„Voor Kijkers?—Nee, want die ruikt niets,” voegde hij er lachend bij. „Anders...”Ja, ik moest toegeven dat hij er anders wel eens leelijk tegen aan zou kunnen loopen. Brandende spiritus verspreidt nu eenmaal een eigenaardigen geur, om van gas dat ontsnapt niet eens te spreken, al geschiedt de proef ook op kleine schaal, zooals hier het geval was.„’k Had de spiritus klaar,” zei Kien, „en de pijp ook; toen Kijkers er vandoor ging had ik alleen maar een lucifer af te strijken. Leuk goedje, hè?”De spiritus-lamp brandde flink; het gas begon zich een uitweg te banen door den pijpesteel; Kien hield er een lichtje bij en keek verrukt naar de vlam die ontstond.„Prachtig; dol,” riep hij. „Zie je wel dat er een massa gas in die kool zit?”Een paar jongens waren er nu bij komen staan; ze gluurden over den schouder van Kien aan wiens proefnemingen op natuurkundig gebied ze blijkbaar waren gewend, want ze sloegen weinig aandacht op den wetenschappelijken onderzoeker. Het gevecht met Dester was nu afgehandeld; de meesten spraken over eenige kwesties die het nieuwe voetbal-seizoen betroffen.Plotseling werd „Sst”, „sst” geroepen, waarop een algemeen geschuifel van voeten volgde. Kien liet onmiddellijk zijn lessenaar dichtklappen en toen de leeraar binnen kwam zaten we allemaal even netjes en correct in de bank.Hij liep naar mij toe en liet me eenige boeken te voorschijn halen, waarin hij me het een en ander aanwees. Ik wierp een zijdelingschen blik naar Kien die geheel in zijn werk scheen verdiept, ofschoon de geur die zijn toestel verspreidde hoe langer hoe sterker werd. Zoodra de leeraar dan ook bij de volgende rij lessenaars stond, knikte hij me toe om me met trots te kennen te geven dat het gas nog lustig brandde.„Ik weet precies hoeveel gas je met dien pijpekop kan maken,” fluisterde hij, terwijl hij in een schrift decimale getallen begon op te schrijven. Hij had de kool van te voren gewogen en wist nu nauwkeurig hoeveel gas hij hiermede zou verkrijgen, en hoe zwaar het gewicht zou zijn van het overschot dat in den pijpekop achterbleef.Hij werd nu bij den leeraar geroepen; ik verwachtte niet anders dan dat hij was gesnapt en dat zijn gas-toestel zou worden verbeurd verklaard, maar de heer Kijkers stelde enkele vragen aan Kien over een examen waarvoor hij zich wilde opgeven.Toen Kien nog bij het podium stond, ging de deur open en kwam de heer Wilson binnen, die terstond een snuivend geluid maakte.„In dit vertrek hangt een eigenaardige lucht, mijnheer Broes!” zei hij. Snuf, snuf. „Ik denk dat het in den schoorsteen brandt. Ja bepaald, het is een sterke brandlucht.”
HOOFDSTUK XI.WIJ MAKEN KENNIS MET STENFORD, KIEN EN COMPAGNIE.
„Mag ik dit heerschap onder Uw Edele’s aandacht brengen,” zei Jim Juniper, met de zwierige gebaren van een spullebaas op de kermis; „de beroemde bokser is zijn werkzaamheden begonnen op St. Martin. Geen oogenblik heeft hij gedraald. Onmiddellijk is hij aan den arbeid gegaan. Dagelijks slaat hij blauwe oogen. Specialiteit in bloedneuzen! Kom op, kom maar op! Jullie ligt op den grond voor je het weet!”Terwijl ik deze toespraak aanhoorde, stond ik tamelijk sullig naar Bob te kijken; die scheen de drukte die Jim maakte echter heel gewoon te vinden; hij lachte alleen maar en zei toen: „Zoo, Martin, waar heb jij al dien tijd uitgehangen? Ik dacht dat ik je hier zou vinden, maar niemand had een glimp van je gezien. Ik begon heusch ongerust te worden dat je was zoek geraakt. Waar ben je geweest?”„Dat mag je wèl vragen,” zei Jim die het woord nam voordat ik een klank had kunnen uitbrengen. „Werp een blik op dit jonge mensch dat zoo juist voor de eerste maal den drempel heeft overschreden van dit eerwaardige gebouw. Waarmee denk je dat hij zich onledig heeft gehouden, Kitsjin? Het is nog geen tien minuten geleden, dat hij hier is binnen gekomen.”„Heeft ie wat te eten gehad?” vroeg Bob. „Want ik ben juist bezig om—”„Eten!” riep Juniper die op de tafel ging zitten en een gemakkelijke houding aannam; „deze jongeling bezit een ziel, of beter gezegd een maag, die ver is verheven boven eten. Neen; hij heeft een strijd op leven en dood gestreden.”„Och jij met je praatjes,” zei Bob lachend. „Wat kan je toch ratelen, Jim. Hierin ben je ieder de baas. Zoo’n kletsmajoor als jij bent heb ik nog nooit van m’n leven gezien!”„Vraag het hem maar zelf!” riep Juniper die een sierlijk handgebaar maakte in mijn richting, terwijl ik nog altijd even sullig naar Bob stond te kijken; „vraag het hem zelf maar! Hij heeft reeds het bloed doen vloeien van een onzer glorierijkste medescholieren.”„Als je je nu eens minder dichterlijk uitdrukte en gezonder taal gebruikte, dan zou ik misschien beter snappen wat je wilt zeggen,” hernam Bob lachend. „Martin, wat heb je uitgehaald? Vooruit, vertel op, en gauw wat, want het water kookt en dan kan ik thee zetten. Ik zal je te eten geven en je dorst lesschen.”„Het spijt me dat ik zoo laat ben, maar ik kan het heusch niet helpen,” begon ik. „Een jongen gaf me een slag, en—en toen sloeg ik terug.”„Toen sloeg ik terug!” riep Jim Juniper. „Nou, of ie. Ik zeg je, Kitsjin, dat je voor hem moet rillen en beven. In de gang komt ie Dester tegen...”„O, heb je het met Dester aan den stok gehad?” vroeg Bob die nu blijkbaar belang ging stellen in het verhaal.„Ja, met niemand anders. Dester had ditmaal echter den verkeerde voor zich. Hij was zoo dwaas om ons lammetje te rekenen tot dat soort jongens waarop hij het gewoonlijk heeft begrepen. Maar hij werd zijn vergissing gauw genoeg gewaar. Ons lammetje geeft hem een stuk of wat stompen die raak zijn. Dester rolt gewoon tegen den muur, maardan springt hij als een tijger op ons lammetje, maar jawel hoor, hij krijgt er nu een, geheel volgens de regelen der kunst, en tuimelt op den grond. Dester af. In het vervolg zal hij ons lammetje wel met rust laten. Als je nog aan de waarheid van mijn verhaal mocht twijfelen, vraag het dan maar aan dichter Burns die getuige was van het heele tooneel.”„Je bent er wel gauw bij geweest, Martin,” zei Bob op ernstigen toon, hoewel ik kon zien dat hij toch schik had in het verhaal.„Het spijt me dat het is gebeurd,” zei ik.„Het spijt mij geen zier,” zei Juniper. „Hoera voor onzen oorlogsheld; Kitsjin, geef hem te eten en schenk hem troost en steun. Je kunt nog eer aan hem behalen; als hij zoo voortgaat zal hij onze school met lauweren bekransen. Zijn naam zal nog op het prospectus komen te staan. Maar wees maar op je hoede voor hem. Vaarwel Kitsjin!—Vaarwel kampioen!—Je naam weet ik niet meer precies. Een volgend keer ben ik weer tot je orders.” Hij liet zich van de tafel glijden en verdween, na ons een sierlijk gebaar te hebben toegeworpen tot afscheid.„Typische vent, maar een beste kerel,” zei Bob. „Soms weet je niet of hij je voor den gek houdt of werkelijk meent wat hij zegt. Ga zitten, je zal wel honger hebben. Kijk, dit kan ik je aanbieden. O, het water kookt. Trek dien stoel wat bij en schuif die boeken maar weg. Vertel nu maar op.”„Ik kwam in een coupé te zitten met een zekeren Burns—” begon ik.„Pas op voor dien vent,” zei Bob die de thee nu inschonk. „De kerel is niet kwaad; iemand die zoo verschrikkelijk stottert heeft misschien nooit kwaad in den zin, maar Burns heeft er nu eenmaal slag van om zichzelf er leelijk in te werken en er anderen mee te laten inloopen, hoewel hij dit nooit met opzet doet. Nu, ga door.”Ik vervolgde mijn verhaal en vertelde wat ik met Burns haduitgevoerd, tot ik was gekomen aan de beschrijving van den dikken man met den horlogeketting en de onderkin. Intusschen lieten we ons het maal goed smaken; Bob die juist bezig was met een potje jam stiet plotseling een kreet van verbazing uit.„Wat is er?” vroeg ik.„Niets, het leek me alleen zoo toevallig,” antwoordde hij. „Vertel maar door.”„Ik vond het zoo vreemd dat hij mij van naam scheen te kennen en jou ook.”Bob mompelde wat; ik kon zien dat hij zich niet op zijn gemak gevoelde.„Wie is die man?” vroeg ik, „en hoe kan hij iets van ons weten? Hij woont hier pas en als Burns niet...”„Och, die uil van een Burns,” riep Bob kwaad.„Weet je hoe ie heet?”„Ja: Brunton.”„Is het de vader van den jongen die hier op school is?”„Ja.”„Is het dezelfde met wien Dester koek en ei is?”„Ja.”„Dan zal Brunton er wel alles van hooren.”„’k Zie niet in dat jullie daardoor herrie zullen krijgen,” zei Bob. „Toe, neem nog wat jam; je eet veel te weinig, kerel. De Bruntons hebben vroeger in de buurt van Londen gewoond, maar nu hebben ze om de een of andere reden hun tenten hier opgeslagen.”„Maar hoe kan die man nu iets af weten van jou en mij?” vroeg ik.„Och, die vent dien we hier op school hebben heeft hem zeker het een of ander verteld,” antwoordde Bob op luchtigen toon. „Wil je nog wat thee?”Het was duidelijk dat hij hierop niet wilde doorgaan; daarom durfde ik hem geen vragen meer stellen, hoewel ik over deze zonderlinge zaak bleef nadenken.„Als we zoo meteen klaar zijn zal ik je naar Wilson brengen—je komt in zijn klas, zie je; ik heb hem gezegd dat ik je zou ontvangen, want hij dacht natuurlijk dat je bij hem zou komen. Niemand kon denken dat je er met Burns op uit was getrokken.”Ik knikte bij wijze van instemming.„In school zullen we niet veel van elkaar zien,” hernam Bob; „maar hier kan je altijd komen, wanneer je maar wilt. Ik zit nog niet in de zesde, dus een feg houd ik er niet op na; maar ik heb met Norman afgesproken dat die je zal nemen, en ik verzeker je dat dit een buitenkansje voor je is.”Webesprakennog eenige zaken die het gewichtige voetbalspel betroffen en toen bracht Bob me naar mijn toekomstigen leeraar, een man met een ernstig gezicht en grijze bakkebaarden die op afgemeten toon sprak en den indruk maakte alsof hij me op een grooten afstand voor zich zag staan. Ik kreeg een gevoel alsof hij op een heuveltop stond en ik op een anderen en alsof hij me iets zou toeschreeuwen, zoodat ik heel verbaasd was toen hij op zachten plechtigen toon het woord tot me richtte; hij stelde me allerlei vragen over mijn werk en over de boeken die ik had gebruikt; op al mijn antwoorden volgde H’m, zoodat ik volstrekt niet wist of mijn kennis hem mee of tegenviel.Toen dit bezoek was afgeloopen werd ik gebracht naar den „chef”, een langen man met een gladgeschoren gezicht en heldere doordringende oogen. Hij had een streng voorkomen, doch hij sprak zoo vriendelijk tegen me en zei dat hij hoopte dat ik goed mijn best zou doen; ik nam me dit dan ook onmiddellijk voor, al was het alleen maar om hem genoegen te doen.„Je bent bekend met Kitsjin, is het niet?” vroeg hij, toen het onderhoud was afgeloopen en hij me goeden nacht wenschte.„Ja, mijnheer,” antwoordde ik terstond, want ik was trotsch op mijnvriendschapmet Bob.Toen zei hij dat het veel waard was om een vriend te hebben op een nieuwe school, vooral als die vriend een paar jaar ouder was, maar toch moest ik zelf mijn weg banen op St. Martin; ik moest niet te veel van een ander afhangen; in mijn later leven zou ik ook op eigen beenen moeten staan.Ik vermeld dit omdat die woorden betrekking hadden op hetgeen later gebeurde. Op dat oogenblik hield ik ze voor een waarschuwing dat ik Bob niet met alle mogelijke kleinigheden zou lastig vallen, maar er me zelf doorheen moest zien te slaan.Met dit vaste besluit kwam ik klasse B binnen, waar ik verscheidene jongens aan lessenaars zag zitten. Allen waren ongeveer van mijn grootte en leeftijd; de meesten waren druk bezig om hun boeken en verdere benoodigdheden in lessenaars te schikken; de school zou den volgenden morgen beginnen. In mijn nabijheid werd ik het roode haar van Burns gewaar, en iets verder zag ik Dester zitten wiens gezicht nog sporen droeg van het tweegevecht.Ik voelde dat ik een kleur kreeg, toen ik verlegen en stoeterig mijn weg baande tusschen al die jongens door naar de plaats die mij werd aangewezen. Iedereen keek me aan, zoodat ik me als een solist gevoelde die het podium betreedt; ik dacht dat die algemeene belangstelling uitsluitend mijn nieuwelingschap gold, doch weldra kwam ik tot de ontdekking dat ik in een zekeren zin reeds naam had gemaakt.„Zeg ’s, is het waar dat je met Dester hebt gevochten?” fluisterde de jongen aan mijn linkerkant, zoodra ik had plaats genomen.Ik begreep niet hoe hij dit nu al wist, maar ik knikte van ja.„’t Is raak geweest, hoor,” hernam hij lachend, terwijl hij eerst op zijn neus wees en toen op zijn oog.De leeraar die toezicht hield was met het een of ander bezig en stond op het verste gedeelte van het podium, endit oogenblik nam ik waar om eveneens fluisterend te antwoorden: „Och—och—het was geen gevecht eigenlijk.”Uit „Tom Brown’s schooldagen” wist ik wat onder een gevecht moest worden verstaan; ik begreep dan ook best dat het tusschen Dester en mij niet veel meer was geweest dan een schermutseling.„Niet?” hernam hij. „Hoe lang heeft het geduurd?”„Een minuut misschien,” antwoordde ik bescheiden. „Maar we mogen niet praten, is ’t wel?”„Zoolang Kijkers daar bezig is merkt hij er niets van,” antwoordde de jongen heel kalm. „Maar je hebt ’m geducht op z’n kop gegeven. Burns zegt dat het bloed uit z’n neus stroomde.”„O, dus je weet het van Burns?”„Ja; je heet Ellinghem, niet?”Ik knikte van ja.„Ik heet Stenford. Toen je begon wist je dat natuurlijk niet?”„Wat wist ik toen niet?”„Van Brunton. Je moet weten dat Dester zijn page is. Brunton neemt altijd zijn partij op.”„Toen we begonnen te vechten wist ik niet eens dat ie Dester heette,” zei ik; „hij gaf me een slag en toen sloeg ik terug.”„Dat dacht ik wel,” hernam Stenford, „want als je het hadt geweten, dan zou je hem wel met rust hebben gelaten.”„Waarom?” vroeg ik eenigszins onthutst.„Omdat je van Brunton op je gezicht zal krijgen,” antwoordde Stenford heel bedaard. „Je kunt ervan op aan dat Dester hem nu alles heeft verteld. Toch ben ik blij dat de kerel ’s op zijn kop heeft gehad.”„Wat is die Brunton er voor een?” vroeg ik, om te weten te komen of Stenford hem eender beoordeelde als Burns.„Een ellendeling,” antwoordde Stenford kortaf. „Maar houd je mond: hij komt eraan.”De leeraar daalde van het podium af en verliet de klasse,waarop onmiddellijk een gegons van stemmen ontstond. De jongens verlieten bijna allemaal de banken en weldra kwam ik tot de ontdekking dat ik het middenpunt vormde van een kring belangstellenden. Er waren nog meer nieuwelingen, doch met die bemoeide bijna niemand zich. Ze zagen er zoo echt nieuw uit, want ze zaten doodstil en spraken geen woord. Ik zou zeer zeker ook niet veel hebben gezegd als ik niet door vragen was bestormd.„Zeg, hoe heet je?”„Hoe?—Ellinghem?”„Kan je boksen?”„Ben je een Piet met voetbal?”„Houd je van blokken?”„Hoeveel rondes hadt je met Dester?”„Smeet je ’m op den grond?”„Is het waar wat Burns vertelt?”„Zeg, je zal er van Brunton van langs krijgen.”Op al die vragen moest ik antwoord geven. Het viel me op dat het iedereen blijkbaar genoegen deed dat Dester leelijk te pas was gekomen, hoewel niemand dit openlijk durfde bekennen. Hij scheen er een soort partij op na te houden, want een stuk of wat jongens stonden om hem heen en ik ving nu en dan een paar woorden op als „zoo’n onbeschaamde rekel”—„hij moest zelf een pak slaag hebben” enz. Ik begreep maar al te goed op wien dit allemaal doelde.Tot mijn verwondering hoorde ik de stem van Burns plotseling boven het rumoer uit. „Als hij een p-pak m-moet hebben, d-dan m-moet D-dester hem nou m-maar een r-rammeling g-geven.”„Vooruit, Dester,” riepen verscheiden jongens: „Kijkers is naar Kolman. Tijd genoeg. Vooruit, Dester, geef hem dan op z’n gezicht!”Ik merkte heel goed op dat sommigen dien kreet aanhieven om jongeheer Dester werkelijk te believen, doch opde gezichten van de meeste jongens lag een spottende uitdrukking, omdat ze heel goed wisten dat dit heerschap het wel zou laten om opnieuw te gaan vechten. Een heel troepje stond dan ook om hem heen om zich aan te bieden als secondanten, dokter en weet ik al wat meer.„Vooruit, Dester!”—„Dester, hoe laf!”—„Toe, geef ’m dan op z’n kop, Dester!”—„Sla ’m ook een blauw oog,”—al dergelijke kreten klonken dooreen.Dester bleef echter stokstijf zitten en vergenoegde er zich mede om vreeselijke bedreigingen te uiten. Verschrikkelijke dingen schenen mij boven het hoofd te hangen.Het viel me op dat Burns hoegenaamd niet bang voor hem scheen te zijn. Telkens en telkens moest Burns onze schermutseling in kleuren en geuren vertellen en ik moet erkennen dat hij het verhaal wel wat aandikte. Zoover als ik hem kon verstaan te midden van het rumoer stelde hij me voor als een Samson of een wereldberoemd kampvechter, zoodat er op het laatst heel wat jongens waren die met eerbied tot me opzagen en bij zichzelf zeiden dat het geraden was om het niet met mij aan den stok te krijgen.„Is het niet kostelijk om Burns zoo te hooren kakelen?” zei Stenford.„Hij schijnt zich niet druk te maken om Dester,” antwoordde ik.„Nee, dat zal wel uitkomen. Hij heeft Juniper toch achter zich. Ken je Jim?”Ik knikte van ja.„Een leuke, gladde vent. Hij is verschrikkelijk dik met Norman.”Toen al dat gepraat en rumoer aan den gang was, was me opgevallen dat de jongen aan mijn rechterhand op niemand of niets acht sloeg en niemand keek evenmin naar hem om. Hij had me een oogenblik aangezien toen ik naast hem was gaan zitten; daarna had hij onmiddellijk zijnbezigheden weder hervat. Zoodra de heer Kijkers het vertrek had verlaten, had hij zijn lessenaar opgeslagen waarachter zijn hoofd verdween en wat hij uitvoerde scheen zijn volle aandacht te vorderen.Stenford had opgemerkt dat ik een paar maal dien kant uitkeek. „Dat is Kien maar,” zei hij; „de vent is dol op proeven. ’t Liefst zou ie den heelen dag in het laboratorium zitten, maar in zijn lessenaar en op zijn kamer zit ie altijd te knoeien. Op een goeden dag vliegt ie nog ’s in de lucht.”Zelf hield ik ook van proefnemingen. Ik was de gelukkige bezitter van een galvanische batterij, een luchtpomp, een Leidsche flesch en weet ik wat al niet meer; met eenige belangstelling keek ik dan ook naar den wetenschappelijken onderzoeker.Ik kreeg een glimp te zien van hetgeen in zijn lessenaar gebeurde; tot mijn verbazing zag ik tusschen een massa rommel een pijp en eenspirituslampdie helder brandde, hoewel ik hem geen lucifer had hooren afstrijken. Ik begreep dan ook niet hoe hij die had kunnen aansteken. Door die pijp vatte ik echter waarmee hij zich bezig hield. „Maak je koolgas?” vroeg ik fluisterend.Hij keek me even aan met oogen, die straalden van pleizier. „Ja, heb jij het wel ’s gedaan?”Ik knikte van ja. De lezer weet op welke wijze men hierbij te werk gaat. Men neemt een lange aarden pijp, de kop wordt gevuld met kool die tot poeder is fijn gewreven, een stop vormt de sluiting. De pijpekop werkt als een retort; het gas dat gevormd wordt, kan niet ontsnappen door de stop (hoewel dit in de praktijk toch wel gebeurt), en moet zich een uitweg banen langs den steel naar het mondstuk, waar het kan worden ontstoken en alleraardigst branden, een lust voor het oog. De eenvoudigste manier om den pijpekop te verhitten is om dien in het vuur te zetten, desteel steekt dan uit tusschen de staven, maar de wetenschappelijke methode is om een Bunsen-brander te gebruiken of een spiritus-lamp waarboven je de pijp vasthoudt met een tangetje.„Wat voor soort leem gebruik jij altijd,” zei Kien, alsof ik bijna dagelijks koolgas vervaardigde.„Wat ik maar kan krijgen,” antwoordde ik op een toon van diepen ernst, dien men dient aan te nemen als men het woord richt tot een beroemden specialiteit.„Stourbridge is verreweg de beste,” zei hij „maar toch ontsnapt nog te veel gas.”Hierin moest ik hem helaas gelijk geven.„Het leem barst,” merkte hij op.„Ja, dat is zoo,” gaf ik toe.„Nu ook weer,” hernam hij, terwijl hij weer met het hoofd achter den lessenaar wegdook. „Kijk maar!”Ik rekte den hals uit en gluurde over zijn schouder; de scherpe reuk van brandende spiritus drong tot me door.„De leem was te nat,” zei Kien, terwijl hij den barst pleisterde met wat vochtige leem die hij op een schoteltje had gereed staan; „het moest eigenlijk een halven dag drogen, maar je moet het vlug doen, of anders kan je het wel laten.”Ik gaf dit toe. Met verbazing keek ik naar dien jongen die scheikundige proeven in zijn lessenaar durfde doen, waarbij hij kans liep om ieder oogenblik door een leeraar te worden gesnapt.„Ben je—ben je? niet bang om brand te maken?” vroeg ik.„O nee,” antwoordde hij heel bedaard; „in het laboratorium is het natuurlijk veiliger. Maar ik wou niet wachten tot morgen; ik wilde die leem vandaag probeeren; in deze kool zit een massa gas. Kijk, het komt er prachtig uit; het zal zoo gaan branden.”„Ben je niet bang voor... voor...”„Voor Kijkers?—Nee, want die ruikt niets,” voegde hij er lachend bij. „Anders...”Ja, ik moest toegeven dat hij er anders wel eens leelijk tegen aan zou kunnen loopen. Brandende spiritus verspreidt nu eenmaal een eigenaardigen geur, om van gas dat ontsnapt niet eens te spreken, al geschiedt de proef ook op kleine schaal, zooals hier het geval was.„’k Had de spiritus klaar,” zei Kien, „en de pijp ook; toen Kijkers er vandoor ging had ik alleen maar een lucifer af te strijken. Leuk goedje, hè?”De spiritus-lamp brandde flink; het gas begon zich een uitweg te banen door den pijpesteel; Kien hield er een lichtje bij en keek verrukt naar de vlam die ontstond.„Prachtig; dol,” riep hij. „Zie je wel dat er een massa gas in die kool zit?”Een paar jongens waren er nu bij komen staan; ze gluurden over den schouder van Kien aan wiens proefnemingen op natuurkundig gebied ze blijkbaar waren gewend, want ze sloegen weinig aandacht op den wetenschappelijken onderzoeker. Het gevecht met Dester was nu afgehandeld; de meesten spraken over eenige kwesties die het nieuwe voetbal-seizoen betroffen.Plotseling werd „Sst”, „sst” geroepen, waarop een algemeen geschuifel van voeten volgde. Kien liet onmiddellijk zijn lessenaar dichtklappen en toen de leeraar binnen kwam zaten we allemaal even netjes en correct in de bank.Hij liep naar mij toe en liet me eenige boeken te voorschijn halen, waarin hij me het een en ander aanwees. Ik wierp een zijdelingschen blik naar Kien die geheel in zijn werk scheen verdiept, ofschoon de geur die zijn toestel verspreidde hoe langer hoe sterker werd. Zoodra de leeraar dan ook bij de volgende rij lessenaars stond, knikte hij me toe om me met trots te kennen te geven dat het gas nog lustig brandde.„Ik weet precies hoeveel gas je met dien pijpekop kan maken,” fluisterde hij, terwijl hij in een schrift decimale getallen begon op te schrijven. Hij had de kool van te voren gewogen en wist nu nauwkeurig hoeveel gas hij hiermede zou verkrijgen, en hoe zwaar het gewicht zou zijn van het overschot dat in den pijpekop achterbleef.Hij werd nu bij den leeraar geroepen; ik verwachtte niet anders dan dat hij was gesnapt en dat zijn gas-toestel zou worden verbeurd verklaard, maar de heer Kijkers stelde enkele vragen aan Kien over een examen waarvoor hij zich wilde opgeven.Toen Kien nog bij het podium stond, ging de deur open en kwam de heer Wilson binnen, die terstond een snuivend geluid maakte.„In dit vertrek hangt een eigenaardige lucht, mijnheer Broes!” zei hij. Snuf, snuf. „Ik denk dat het in den schoorsteen brandt. Ja bepaald, het is een sterke brandlucht.”
„Mag ik dit heerschap onder Uw Edele’s aandacht brengen,” zei Jim Juniper, met de zwierige gebaren van een spullebaas op de kermis; „de beroemde bokser is zijn werkzaamheden begonnen op St. Martin. Geen oogenblik heeft hij gedraald. Onmiddellijk is hij aan den arbeid gegaan. Dagelijks slaat hij blauwe oogen. Specialiteit in bloedneuzen! Kom op, kom maar op! Jullie ligt op den grond voor je het weet!”
Terwijl ik deze toespraak aanhoorde, stond ik tamelijk sullig naar Bob te kijken; die scheen de drukte die Jim maakte echter heel gewoon te vinden; hij lachte alleen maar en zei toen: „Zoo, Martin, waar heb jij al dien tijd uitgehangen? Ik dacht dat ik je hier zou vinden, maar niemand had een glimp van je gezien. Ik begon heusch ongerust te worden dat je was zoek geraakt. Waar ben je geweest?”
„Dat mag je wèl vragen,” zei Jim die het woord nam voordat ik een klank had kunnen uitbrengen. „Werp een blik op dit jonge mensch dat zoo juist voor de eerste maal den drempel heeft overschreden van dit eerwaardige gebouw. Waarmee denk je dat hij zich onledig heeft gehouden, Kitsjin? Het is nog geen tien minuten geleden, dat hij hier is binnen gekomen.”
„Heeft ie wat te eten gehad?” vroeg Bob. „Want ik ben juist bezig om—”
„Eten!” riep Juniper die op de tafel ging zitten en een gemakkelijke houding aannam; „deze jongeling bezit een ziel, of beter gezegd een maag, die ver is verheven boven eten. Neen; hij heeft een strijd op leven en dood gestreden.”
„Och jij met je praatjes,” zei Bob lachend. „Wat kan je toch ratelen, Jim. Hierin ben je ieder de baas. Zoo’n kletsmajoor als jij bent heb ik nog nooit van m’n leven gezien!”
„Vraag het hem maar zelf!” riep Juniper die een sierlijk handgebaar maakte in mijn richting, terwijl ik nog altijd even sullig naar Bob stond te kijken; „vraag het hem zelf maar! Hij heeft reeds het bloed doen vloeien van een onzer glorierijkste medescholieren.”
„Als je je nu eens minder dichterlijk uitdrukte en gezonder taal gebruikte, dan zou ik misschien beter snappen wat je wilt zeggen,” hernam Bob lachend. „Martin, wat heb je uitgehaald? Vooruit, vertel op, en gauw wat, want het water kookt en dan kan ik thee zetten. Ik zal je te eten geven en je dorst lesschen.”
„Het spijt me dat ik zoo laat ben, maar ik kan het heusch niet helpen,” begon ik. „Een jongen gaf me een slag, en—en toen sloeg ik terug.”
„Toen sloeg ik terug!” riep Jim Juniper. „Nou, of ie. Ik zeg je, Kitsjin, dat je voor hem moet rillen en beven. In de gang komt ie Dester tegen...”
„O, heb je het met Dester aan den stok gehad?” vroeg Bob die nu blijkbaar belang ging stellen in het verhaal.
„Ja, met niemand anders. Dester had ditmaal echter den verkeerde voor zich. Hij was zoo dwaas om ons lammetje te rekenen tot dat soort jongens waarop hij het gewoonlijk heeft begrepen. Maar hij werd zijn vergissing gauw genoeg gewaar. Ons lammetje geeft hem een stuk of wat stompen die raak zijn. Dester rolt gewoon tegen den muur, maardan springt hij als een tijger op ons lammetje, maar jawel hoor, hij krijgt er nu een, geheel volgens de regelen der kunst, en tuimelt op den grond. Dester af. In het vervolg zal hij ons lammetje wel met rust laten. Als je nog aan de waarheid van mijn verhaal mocht twijfelen, vraag het dan maar aan dichter Burns die getuige was van het heele tooneel.”
„Je bent er wel gauw bij geweest, Martin,” zei Bob op ernstigen toon, hoewel ik kon zien dat hij toch schik had in het verhaal.
„Het spijt me dat het is gebeurd,” zei ik.
„Het spijt mij geen zier,” zei Juniper. „Hoera voor onzen oorlogsheld; Kitsjin, geef hem te eten en schenk hem troost en steun. Je kunt nog eer aan hem behalen; als hij zoo voortgaat zal hij onze school met lauweren bekransen. Zijn naam zal nog op het prospectus komen te staan. Maar wees maar op je hoede voor hem. Vaarwel Kitsjin!—Vaarwel kampioen!—Je naam weet ik niet meer precies. Een volgend keer ben ik weer tot je orders.” Hij liet zich van de tafel glijden en verdween, na ons een sierlijk gebaar te hebben toegeworpen tot afscheid.
„Typische vent, maar een beste kerel,” zei Bob. „Soms weet je niet of hij je voor den gek houdt of werkelijk meent wat hij zegt. Ga zitten, je zal wel honger hebben. Kijk, dit kan ik je aanbieden. O, het water kookt. Trek dien stoel wat bij en schuif die boeken maar weg. Vertel nu maar op.”
„Ik kwam in een coupé te zitten met een zekeren Burns—” begon ik.
„Pas op voor dien vent,” zei Bob die de thee nu inschonk. „De kerel is niet kwaad; iemand die zoo verschrikkelijk stottert heeft misschien nooit kwaad in den zin, maar Burns heeft er nu eenmaal slag van om zichzelf er leelijk in te werken en er anderen mee te laten inloopen, hoewel hij dit nooit met opzet doet. Nu, ga door.”
Ik vervolgde mijn verhaal en vertelde wat ik met Burns haduitgevoerd, tot ik was gekomen aan de beschrijving van den dikken man met den horlogeketting en de onderkin. Intusschen lieten we ons het maal goed smaken; Bob die juist bezig was met een potje jam stiet plotseling een kreet van verbazing uit.
„Wat is er?” vroeg ik.
„Niets, het leek me alleen zoo toevallig,” antwoordde hij. „Vertel maar door.”
„Ik vond het zoo vreemd dat hij mij van naam scheen te kennen en jou ook.”
Bob mompelde wat; ik kon zien dat hij zich niet op zijn gemak gevoelde.
„Wie is die man?” vroeg ik, „en hoe kan hij iets van ons weten? Hij woont hier pas en als Burns niet...”
„Och, die uil van een Burns,” riep Bob kwaad.
„Weet je hoe ie heet?”
„Ja: Brunton.”
„Is het de vader van den jongen die hier op school is?”
„Ja.”
„Is het dezelfde met wien Dester koek en ei is?”
„Ja.”
„Dan zal Brunton er wel alles van hooren.”
„’k Zie niet in dat jullie daardoor herrie zullen krijgen,” zei Bob. „Toe, neem nog wat jam; je eet veel te weinig, kerel. De Bruntons hebben vroeger in de buurt van Londen gewoond, maar nu hebben ze om de een of andere reden hun tenten hier opgeslagen.”
„Maar hoe kan die man nu iets af weten van jou en mij?” vroeg ik.
„Och, die vent dien we hier op school hebben heeft hem zeker het een of ander verteld,” antwoordde Bob op luchtigen toon. „Wil je nog wat thee?”
Het was duidelijk dat hij hierop niet wilde doorgaan; daarom durfde ik hem geen vragen meer stellen, hoewel ik over deze zonderlinge zaak bleef nadenken.
„Als we zoo meteen klaar zijn zal ik je naar Wilson brengen—je komt in zijn klas, zie je; ik heb hem gezegd dat ik je zou ontvangen, want hij dacht natuurlijk dat je bij hem zou komen. Niemand kon denken dat je er met Burns op uit was getrokken.”
Ik knikte bij wijze van instemming.
„In school zullen we niet veel van elkaar zien,” hernam Bob; „maar hier kan je altijd komen, wanneer je maar wilt. Ik zit nog niet in de zesde, dus een feg houd ik er niet op na; maar ik heb met Norman afgesproken dat die je zal nemen, en ik verzeker je dat dit een buitenkansje voor je is.”
Webesprakennog eenige zaken die het gewichtige voetbalspel betroffen en toen bracht Bob me naar mijn toekomstigen leeraar, een man met een ernstig gezicht en grijze bakkebaarden die op afgemeten toon sprak en den indruk maakte alsof hij me op een grooten afstand voor zich zag staan. Ik kreeg een gevoel alsof hij op een heuveltop stond en ik op een anderen en alsof hij me iets zou toeschreeuwen, zoodat ik heel verbaasd was toen hij op zachten plechtigen toon het woord tot me richtte; hij stelde me allerlei vragen over mijn werk en over de boeken die ik had gebruikt; op al mijn antwoorden volgde H’m, zoodat ik volstrekt niet wist of mijn kennis hem mee of tegenviel.
Toen dit bezoek was afgeloopen werd ik gebracht naar den „chef”, een langen man met een gladgeschoren gezicht en heldere doordringende oogen. Hij had een streng voorkomen, doch hij sprak zoo vriendelijk tegen me en zei dat hij hoopte dat ik goed mijn best zou doen; ik nam me dit dan ook onmiddellijk voor, al was het alleen maar om hem genoegen te doen.
„Je bent bekend met Kitsjin, is het niet?” vroeg hij, toen het onderhoud was afgeloopen en hij me goeden nacht wenschte.
„Ja, mijnheer,” antwoordde ik terstond, want ik was trotsch op mijnvriendschapmet Bob.
Toen zei hij dat het veel waard was om een vriend te hebben op een nieuwe school, vooral als die vriend een paar jaar ouder was, maar toch moest ik zelf mijn weg banen op St. Martin; ik moest niet te veel van een ander afhangen; in mijn later leven zou ik ook op eigen beenen moeten staan.
Ik vermeld dit omdat die woorden betrekking hadden op hetgeen later gebeurde. Op dat oogenblik hield ik ze voor een waarschuwing dat ik Bob niet met alle mogelijke kleinigheden zou lastig vallen, maar er me zelf doorheen moest zien te slaan.
Met dit vaste besluit kwam ik klasse B binnen, waar ik verscheidene jongens aan lessenaars zag zitten. Allen waren ongeveer van mijn grootte en leeftijd; de meesten waren druk bezig om hun boeken en verdere benoodigdheden in lessenaars te schikken; de school zou den volgenden morgen beginnen. In mijn nabijheid werd ik het roode haar van Burns gewaar, en iets verder zag ik Dester zitten wiens gezicht nog sporen droeg van het tweegevecht.
Ik voelde dat ik een kleur kreeg, toen ik verlegen en stoeterig mijn weg baande tusschen al die jongens door naar de plaats die mij werd aangewezen. Iedereen keek me aan, zoodat ik me als een solist gevoelde die het podium betreedt; ik dacht dat die algemeene belangstelling uitsluitend mijn nieuwelingschap gold, doch weldra kwam ik tot de ontdekking dat ik in een zekeren zin reeds naam had gemaakt.
„Zeg ’s, is het waar dat je met Dester hebt gevochten?” fluisterde de jongen aan mijn linkerkant, zoodra ik had plaats genomen.
Ik begreep niet hoe hij dit nu al wist, maar ik knikte van ja.
„’t Is raak geweest, hoor,” hernam hij lachend, terwijl hij eerst op zijn neus wees en toen op zijn oog.
De leeraar die toezicht hield was met het een of ander bezig en stond op het verste gedeelte van het podium, endit oogenblik nam ik waar om eveneens fluisterend te antwoorden: „Och—och—het was geen gevecht eigenlijk.”
Uit „Tom Brown’s schooldagen” wist ik wat onder een gevecht moest worden verstaan; ik begreep dan ook best dat het tusschen Dester en mij niet veel meer was geweest dan een schermutseling.
„Niet?” hernam hij. „Hoe lang heeft het geduurd?”
„Een minuut misschien,” antwoordde ik bescheiden. „Maar we mogen niet praten, is ’t wel?”
„Zoolang Kijkers daar bezig is merkt hij er niets van,” antwoordde de jongen heel kalm. „Maar je hebt ’m geducht op z’n kop gegeven. Burns zegt dat het bloed uit z’n neus stroomde.”
„O, dus je weet het van Burns?”
„Ja; je heet Ellinghem, niet?”
Ik knikte van ja.
„Ik heet Stenford. Toen je begon wist je dat natuurlijk niet?”
„Wat wist ik toen niet?”
„Van Brunton. Je moet weten dat Dester zijn page is. Brunton neemt altijd zijn partij op.”
„Toen we begonnen te vechten wist ik niet eens dat ie Dester heette,” zei ik; „hij gaf me een slag en toen sloeg ik terug.”
„Dat dacht ik wel,” hernam Stenford, „want als je het hadt geweten, dan zou je hem wel met rust hebben gelaten.”
„Waarom?” vroeg ik eenigszins onthutst.
„Omdat je van Brunton op je gezicht zal krijgen,” antwoordde Stenford heel bedaard. „Je kunt ervan op aan dat Dester hem nu alles heeft verteld. Toch ben ik blij dat de kerel ’s op zijn kop heeft gehad.”
„Wat is die Brunton er voor een?” vroeg ik, om te weten te komen of Stenford hem eender beoordeelde als Burns.
„Een ellendeling,” antwoordde Stenford kortaf. „Maar houd je mond: hij komt eraan.”
De leeraar daalde van het podium af en verliet de klasse,waarop onmiddellijk een gegons van stemmen ontstond. De jongens verlieten bijna allemaal de banken en weldra kwam ik tot de ontdekking dat ik het middenpunt vormde van een kring belangstellenden. Er waren nog meer nieuwelingen, doch met die bemoeide bijna niemand zich. Ze zagen er zoo echt nieuw uit, want ze zaten doodstil en spraken geen woord. Ik zou zeer zeker ook niet veel hebben gezegd als ik niet door vragen was bestormd.
„Zeg, hoe heet je?”
„Hoe?—Ellinghem?”
„Kan je boksen?”
„Ben je een Piet met voetbal?”
„Houd je van blokken?”
„Hoeveel rondes hadt je met Dester?”
„Smeet je ’m op den grond?”
„Is het waar wat Burns vertelt?”
„Zeg, je zal er van Brunton van langs krijgen.”
Op al die vragen moest ik antwoord geven. Het viel me op dat het iedereen blijkbaar genoegen deed dat Dester leelijk te pas was gekomen, hoewel niemand dit openlijk durfde bekennen. Hij scheen er een soort partij op na te houden, want een stuk of wat jongens stonden om hem heen en ik ving nu en dan een paar woorden op als „zoo’n onbeschaamde rekel”—„hij moest zelf een pak slaag hebben” enz. Ik begreep maar al te goed op wien dit allemaal doelde.
Tot mijn verwondering hoorde ik de stem van Burns plotseling boven het rumoer uit. „Als hij een p-pak m-moet hebben, d-dan m-moet D-dester hem nou m-maar een r-rammeling g-geven.”
„Vooruit, Dester,” riepen verscheiden jongens: „Kijkers is naar Kolman. Tijd genoeg. Vooruit, Dester, geef hem dan op z’n gezicht!”
Ik merkte heel goed op dat sommigen dien kreet aanhieven om jongeheer Dester werkelijk te believen, doch opde gezichten van de meeste jongens lag een spottende uitdrukking, omdat ze heel goed wisten dat dit heerschap het wel zou laten om opnieuw te gaan vechten. Een heel troepje stond dan ook om hem heen om zich aan te bieden als secondanten, dokter en weet ik al wat meer.
„Vooruit, Dester!”—„Dester, hoe laf!”—„Toe, geef ’m dan op z’n kop, Dester!”—„Sla ’m ook een blauw oog,”—al dergelijke kreten klonken dooreen.
Dester bleef echter stokstijf zitten en vergenoegde er zich mede om vreeselijke bedreigingen te uiten. Verschrikkelijke dingen schenen mij boven het hoofd te hangen.
Het viel me op dat Burns hoegenaamd niet bang voor hem scheen te zijn. Telkens en telkens moest Burns onze schermutseling in kleuren en geuren vertellen en ik moet erkennen dat hij het verhaal wel wat aandikte. Zoover als ik hem kon verstaan te midden van het rumoer stelde hij me voor als een Samson of een wereldberoemd kampvechter, zoodat er op het laatst heel wat jongens waren die met eerbied tot me opzagen en bij zichzelf zeiden dat het geraden was om het niet met mij aan den stok te krijgen.
„Is het niet kostelijk om Burns zoo te hooren kakelen?” zei Stenford.
„Hij schijnt zich niet druk te maken om Dester,” antwoordde ik.
„Nee, dat zal wel uitkomen. Hij heeft Juniper toch achter zich. Ken je Jim?”
Ik knikte van ja.
„Een leuke, gladde vent. Hij is verschrikkelijk dik met Norman.”
Toen al dat gepraat en rumoer aan den gang was, was me opgevallen dat de jongen aan mijn rechterhand op niemand of niets acht sloeg en niemand keek evenmin naar hem om. Hij had me een oogenblik aangezien toen ik naast hem was gaan zitten; daarna had hij onmiddellijk zijnbezigheden weder hervat. Zoodra de heer Kijkers het vertrek had verlaten, had hij zijn lessenaar opgeslagen waarachter zijn hoofd verdween en wat hij uitvoerde scheen zijn volle aandacht te vorderen.
Stenford had opgemerkt dat ik een paar maal dien kant uitkeek. „Dat is Kien maar,” zei hij; „de vent is dol op proeven. ’t Liefst zou ie den heelen dag in het laboratorium zitten, maar in zijn lessenaar en op zijn kamer zit ie altijd te knoeien. Op een goeden dag vliegt ie nog ’s in de lucht.”
Zelf hield ik ook van proefnemingen. Ik was de gelukkige bezitter van een galvanische batterij, een luchtpomp, een Leidsche flesch en weet ik wat al niet meer; met eenige belangstelling keek ik dan ook naar den wetenschappelijken onderzoeker.
Ik kreeg een glimp te zien van hetgeen in zijn lessenaar gebeurde; tot mijn verbazing zag ik tusschen een massa rommel een pijp en eenspirituslampdie helder brandde, hoewel ik hem geen lucifer had hooren afstrijken. Ik begreep dan ook niet hoe hij die had kunnen aansteken. Door die pijp vatte ik echter waarmee hij zich bezig hield. „Maak je koolgas?” vroeg ik fluisterend.
Hij keek me even aan met oogen, die straalden van pleizier. „Ja, heb jij het wel ’s gedaan?”
Ik knikte van ja. De lezer weet op welke wijze men hierbij te werk gaat. Men neemt een lange aarden pijp, de kop wordt gevuld met kool die tot poeder is fijn gewreven, een stop vormt de sluiting. De pijpekop werkt als een retort; het gas dat gevormd wordt, kan niet ontsnappen door de stop (hoewel dit in de praktijk toch wel gebeurt), en moet zich een uitweg banen langs den steel naar het mondstuk, waar het kan worden ontstoken en alleraardigst branden, een lust voor het oog. De eenvoudigste manier om den pijpekop te verhitten is om dien in het vuur te zetten, desteel steekt dan uit tusschen de staven, maar de wetenschappelijke methode is om een Bunsen-brander te gebruiken of een spiritus-lamp waarboven je de pijp vasthoudt met een tangetje.
„Wat voor soort leem gebruik jij altijd,” zei Kien, alsof ik bijna dagelijks koolgas vervaardigde.
„Wat ik maar kan krijgen,” antwoordde ik op een toon van diepen ernst, dien men dient aan te nemen als men het woord richt tot een beroemden specialiteit.
„Stourbridge is verreweg de beste,” zei hij „maar toch ontsnapt nog te veel gas.”
Hierin moest ik hem helaas gelijk geven.
„Het leem barst,” merkte hij op.
„Ja, dat is zoo,” gaf ik toe.
„Nu ook weer,” hernam hij, terwijl hij weer met het hoofd achter den lessenaar wegdook. „Kijk maar!”
Ik rekte den hals uit en gluurde over zijn schouder; de scherpe reuk van brandende spiritus drong tot me door.
„De leem was te nat,” zei Kien, terwijl hij den barst pleisterde met wat vochtige leem die hij op een schoteltje had gereed staan; „het moest eigenlijk een halven dag drogen, maar je moet het vlug doen, of anders kan je het wel laten.”
Ik gaf dit toe. Met verbazing keek ik naar dien jongen die scheikundige proeven in zijn lessenaar durfde doen, waarbij hij kans liep om ieder oogenblik door een leeraar te worden gesnapt.
„Ben je—ben je? niet bang om brand te maken?” vroeg ik.
„O nee,” antwoordde hij heel bedaard; „in het laboratorium is het natuurlijk veiliger. Maar ik wou niet wachten tot morgen; ik wilde die leem vandaag probeeren; in deze kool zit een massa gas. Kijk, het komt er prachtig uit; het zal zoo gaan branden.”
„Ben je niet bang voor... voor...”
„Voor Kijkers?—Nee, want die ruikt niets,” voegde hij er lachend bij. „Anders...”
Ja, ik moest toegeven dat hij er anders wel eens leelijk tegen aan zou kunnen loopen. Brandende spiritus verspreidt nu eenmaal een eigenaardigen geur, om van gas dat ontsnapt niet eens te spreken, al geschiedt de proef ook op kleine schaal, zooals hier het geval was.
„’k Had de spiritus klaar,” zei Kien, „en de pijp ook; toen Kijkers er vandoor ging had ik alleen maar een lucifer af te strijken. Leuk goedje, hè?”
De spiritus-lamp brandde flink; het gas begon zich een uitweg te banen door den pijpesteel; Kien hield er een lichtje bij en keek verrukt naar de vlam die ontstond.
„Prachtig; dol,” riep hij. „Zie je wel dat er een massa gas in die kool zit?”
Een paar jongens waren er nu bij komen staan; ze gluurden over den schouder van Kien aan wiens proefnemingen op natuurkundig gebied ze blijkbaar waren gewend, want ze sloegen weinig aandacht op den wetenschappelijken onderzoeker. Het gevecht met Dester was nu afgehandeld; de meesten spraken over eenige kwesties die het nieuwe voetbal-seizoen betroffen.
Plotseling werd „Sst”, „sst” geroepen, waarop een algemeen geschuifel van voeten volgde. Kien liet onmiddellijk zijn lessenaar dichtklappen en toen de leeraar binnen kwam zaten we allemaal even netjes en correct in de bank.
Hij liep naar mij toe en liet me eenige boeken te voorschijn halen, waarin hij me het een en ander aanwees. Ik wierp een zijdelingschen blik naar Kien die geheel in zijn werk scheen verdiept, ofschoon de geur die zijn toestel verspreidde hoe langer hoe sterker werd. Zoodra de leeraar dan ook bij de volgende rij lessenaars stond, knikte hij me toe om me met trots te kennen te geven dat het gas nog lustig brandde.
„Ik weet precies hoeveel gas je met dien pijpekop kan maken,” fluisterde hij, terwijl hij in een schrift decimale getallen begon op te schrijven. Hij had de kool van te voren gewogen en wist nu nauwkeurig hoeveel gas hij hiermede zou verkrijgen, en hoe zwaar het gewicht zou zijn van het overschot dat in den pijpekop achterbleef.
Hij werd nu bij den leeraar geroepen; ik verwachtte niet anders dan dat hij was gesnapt en dat zijn gas-toestel zou worden verbeurd verklaard, maar de heer Kijkers stelde enkele vragen aan Kien over een examen waarvoor hij zich wilde opgeven.
Toen Kien nog bij het podium stond, ging de deur open en kwam de heer Wilson binnen, die terstond een snuivend geluid maakte.
„In dit vertrek hangt een eigenaardige lucht, mijnheer Broes!” zei hij. Snuf, snuf. „Ik denk dat het in den schoorsteen brandt. Ja bepaald, het is een sterke brandlucht.”