HOOFDSTUK XII.

HOOFDSTUK XII.MIJN VERDER OPTREDEN ALS NIEUWELING.Ik was hoogst verbaasd dat ik den heer Kijkers nu als mijnheer Broes hoorde aanspreken. Geen oogenblik was het in me opgekomen dat dit een bijnaam zou kunnen zijn; ik rilde bij de gedachte dat ik in mijn onwetendheid hem mijnheer Kijkers had kunnen noemen. Dien bijnaam had hij zeker te danken aan de groote ronde glazen van zijn bril.Hij wierp nu een verbaasden blik in de richting van den heer Wilson.„Hé, ruikt u iets?” vroeg hij. „Het is me nog niet opgevallen.”„Er brandt wat,” hernam de heer Wilson die stond te snuiven als een politie-hond.Kien gaf me een wenk uit de verte. De andere jongens keken allen even ernstig; geen spier op hun gelaat vertrok.„Ongetwijfeld,” verklaarde de heer Wilson.„Vreemd dat ik er niets van heb gemerkt,” zei de heer Broes. „Als er iets aan het branden is, dan moet het in den schoorsteen zijn, of het is ergens anders.”De heer Wilson liep plechtig naar den schoorsteen, zoodat hij een oogenblik met den rug naar de klas stond.Kien gaf me wederom een wenk. Wat wou hij toch van me? Aan den anderen kant van hem zat niemand, want zijn lessenaar was de laatste uit die rij. Wou hij dat ik de vlam uitdoofde? Die scheen al dien tijd lustig te branden; op mijn plaats kon ik de hitte voelen. Maar als ik hetdeksel van den lessenaar opklapte, zou ik natuurlijk worden gesnapt; de rook zou dan naar buiten slaan, zoodat we er nog leelijker aan toe zouden zijn. Kien, en ik zeker ook, zouden er in dat geval geducht tegen aanloopen.Kien liet zijn wangen even bol staan; hij wou dus dat ik de vlam uitblies. Ik wierp een zijdelingschen blik naar Stenford, maar die zat met zijn neus in zijn boek.De heer Broes keek naar den heer Wilson die nog altijd in den schoorsteen stond te turen; toen trok ik de stoute schoenen aan. Ik haalde diep adem om flink te kunnen blazen en lichtte den lessenaar van Kien een paar centimeters op. Tot mijn ontzetting werd ik echter gewaar dat de vlam zich had verspreid en dat in den lessenaar een vuurtje lustig aan het branden was. Mijn blazen had geen andere uitwerking dan dat het vuur werd aangewakkerd. Het hout zou zeker ook gaan branden. Na een schichtigen blik te hebben geworpen in de richting van den schoorsteen begon ik weer te blazen en nog eens te blazen. Helaas de spiritus vormde een brandend meertje in den lessenaar, dat al wijder en wijder werd. Hoe kon ik het vuur dooven?In mijn onmiddellijke nabijheid had ik geen andere vloeistof dan inkt. Mijn pas gevulde inktpot stond voor me op mijn lessenaar. Ik greep dezen met de linkerhand, terwijl ik het deksel met de rechter een weinig oplichtte en toen stortte ik den zwarten inhoud over de vlammen uit.Juist had ik den lessenaar weer dicht gedaan toen de heer Wilson het hoofd oplichtte en een blik wierp door de klas. „Nee, daar is het niet,” zei hij. „Het komt me voor dat er iets in dien hoek brandt.”De angst sloeg me om het hart toen ik hem zag naderen, gevolgd door den heer Broes.Ik vermoed dat Kien hen het liefst was achterna geloopen, want zijn oogen waren onafgebroken op de twee leeraars gericht.„’t Is hier, dunkt me,” zei de heer Wilson, die bij den lessenaar van Kien bleef stil staan.„Kijk eens, hoe zonderling,” merkte de heer Broes op, die zich voorover boog; „een zwarte vloeistof druipt op den grond—Kien!”De heer Wilson had de hand nu op den lessenaar. Dit zag ik, hoewel ik de oogen niet opsloeg van mijn boek. Plotseling weerklonk een vreeselijke knal; de lessenaar vloog omhoog en een oogenblik trilde de heele omgeving als bij een aardbeving.De leeraren waren achteruit gesprongen. Door den schok en den schrik was ik achterover getuimeld op den grond. Tegen de zoldering was iets aangekomen en een sterke brandlucht verspreidde zich nu door het lokaal.Kien nam het eerst het woord. Hij richtte zich tot den heer Broes en zei: „Het was—ik—ik deed een proef.”De beide leeraren vielen tegelijk tegen hem uit. Hun woorden waren daardoor niet duidelijk te verstaan, evenmin als bij een duet dat wordt gezongen. Ze zeiden zoo iets van: „Ongehoord om ontplofbare stoffen in de klas mede te durven brengen! Hoogst gevaarlijk! Zelf naar den chef trekken wegens verregaande onbeschaamdheid! Op gevaar af van iemand te dooden, of blind of kreupel te maken!”De heer Wilson werd eerst nu gewaar dat ik op den grond was getuimeld. „Kijk,” riep hij, „je hebt al iemand een ongeluk bezorgd. Heb je je bezeerd, Ellinghem?”„Ik geloof niet dat ik een ongeluk heb gekregen, meneer,” antwoordde ik, terwijl ik langzaam overeind rees en mijn knieën begon te wrijven.„Hij zou geen ongeluk hebben kunnen krijgen, meneer,” zei Kien heel ernstig; „er zat geen kogel of iets in. Ik wou alleen maar wat brandbare stof maken en die in een rots leggen bij de klip om ze door electriciteit aan te steken.”„Alleen maar brandbare stof!” hernam de heer Broes opstrengen toon. „’t Is een wonder dat je het heele gebouw niet in de lucht hebt laten vliegen. Zit er nog meer gevaarlijk goed in?” vroeg hij, terwijl hij den lessenaar haastig liet dicht vallen bij die vooronderstelling.„Neen, er zit niets meer in,” verklaarde Kien.„Ik zie stukken van een pijp,” zei de heer Wilson, die den lessenaar nu wederom oplichtte; „een—een pijp van leem met rood lak; in drie stukken gebroken. Heb je gerookt?” vroeg hij op minachtenden toon.„Neen, meneer,” antwoordde Kien, zonder een oogenblik te aarzelen,„De pijp is gebruikt,” hernam de heer Wilson. „Deze kop is hard en zwart en heeft het een of ander bevat, waarschijnlijk tabak. Wat is dat voor een ding? H’m!” Hij stiet een kreet uit en liet het vallen, „’t Is nog gloeiend heet!”„Dat is de stop, meneer,” zei Kien.„De stop?” vroeg de heer Wilson.„Ik heb koolgas gemaakt,” hernam Kien. „In dien kop zit steenkool.”De heer Wilson liet een brommend geluid hooren.„Maar de boel drijft van de inkt,” viel de heer Broes in; „of is het een andere vloeistof,” voegde hij er bij.„Bij de ontploffing heeft een vloeistof zich misschien chemisch afgescheiden,” zei Kien, die zich opnieuw man van de wetenschap toonde.Ik wist wel beter, maar ik hield mijn mond.„Het kan zijn dat die zwarte stof is ontstaan door het verbrandings-proces,” hernam Kien met zachte stem.„En ik verzeker je dat je het in het vervolg wel zal laten om zulke gevaarlijke spelletjes te spelen,” verklaarde de heer Broes op strengen toon.De wetenschappelijke onderzoeker ging in de bank zitten. De heer Wilson vertrok, na zich nog eens te hebben overtuigd dat ik geen letsel had opgeloopen; de heer Broes begafzich naar het andere einde van het lokaal en Kien bleef al maar tegen me fluisteren, om me een verklaring te geven van de oorzaak van die ontploffing en van het ontstaan van die zwarte vloeistof, die hij hield voor een soort „ammonia-geest” geloof ik, en hoe het kwam dat die stop van de pijp was gesprongen.„Zonde en jammer dat ik niet op mijn plaats zat,” zei hij, „want dan had ik de kracht van de ontploffing veel beter kunnen nagaan; ik had dan gezien hoever de ontlading doordrong in het hout.”Ik was blij dat hij me geen verwijten deed over de wijze waarop ik was opgetreden; maar alles zou hij me geloof ik hebben vergeven, toen ik tegen hem zei dat ik hem mijn luchtpomp zou leenen om proeven mee te doen.„Heusch?” vroeg hij, terwijl zijn gezicht nu opklaarde. „Ik denk dat ik een pak zal krijgen van Kolman, maar die proef was toch wel leuk.”Ik begon in te zien dat ik voor Kien moest oppassen, hoe ijverig hij zich ook toelegde op de natuurwetenschap; waarschijnlijk deed ik maar het best om hem zijn proefnemingen alleen te laten doen.Ik was blij toen het tijd was om naar bed te gaan. Ik had zooveel jongens gezien en ik had al zooveel ondervonden en bijgewoond, dat het me een raadsel scheen dat ik eerst twee uur geleden mijn intrede had gedaan op St. Martin.Nauwelijks was ik in mijn slaapkamer beland of een jongen stak zijn hoofd om den hoek en haastig, op een toon die geen tegenspraak duldde, zei hij: „Ellinghem, je moet dadelijk bij den chef komen.”„Moet ik nù naar den chef?” vroeg ik verbaasd.„Ja, en ’t is je geraden om hem niet te laten wachten.”„Maar waarom?” zei ik.„Dat zal je gauw genoeg gewaar worden.”„Heeft hij je gestuurd om mij te halen?”„Ja, natuurlijk; denk je soms dat ik anders zou zijn komen aanzetten?”In het lokaal had ik dien jongen wel met Dester zien praten, maar ik was nog te onervaren om eenige achterdocht te koesteren. Geen oogenblik kwam het zelfs in me op dat hij me voor den gek kon houden. Ik vroeg me dan ook alleen maar af waarom de chef me liet roepen.„Is het om die geschiedenis met Kien?” zei ik.„Weet ik het,” antwoordde hij. „’t Is best mogelijk. Maar als je langer treuzelt krijg je nog leelijker op je gezicht.”Ik dacht niet anders dan dat Kien bij het ondergaan van zijn straf mij had genoemd als medeplichtige.„Ga je nou haast?” vroeg de jongen, „of zal ik aan Kolman gaan zeggen dat je ervoor bedankt om te komen?”„Nee, ik zal wel gaan,” antwoordde ik bedrukt, „maar vanhier weet ik niet den weg naar de studeerkamer.”„O, die zal ik je wel wijzen,” zei de jongen gedienstig. „Gauw, ga mee! Hij zal toch al niet begrijpen waar je blijft.”Hij ging me voor door de gang en liep een kleine trap af; in dit gedeelte was ik nog niet geweest.„Dit is korter,” zei de jongen die me even over den schouder aankeek.Toen liepen we door een andere gang die flauw was verlicht en bleven voor een deur stil staan.„Zeg,” fluisterde die jongen tegen me, terwijl hij de hand op de klink hield; „langs die deur loopt een pad. Als je dat bent afgeloopen sla je links af, dan loop je weer recht door en sla je weer links af, en dan sta je voor de deur van Kolman.”„Ga je niet mee?” vroeg ik.„Dank je stichtelijk,” mompelde hij. „Ik trek alleen naar Kolman als hij me laat roepen.”„Dus tweemaal links om?” vroeg ik nog, terwijl hij de deur open maakte.„Ja! De weg is heel gemakkelijk te vinden; je kunt niet missen.”De deur was nu open en ik werd een heel donker pad gewaar.„Ga er maar vandoor,” zei de jongen; „je vindt het vanzelf.”„Wacht nog even,” riep ik, toen ik een blik in de duisternis had geworpen; „hoe kom ik terug?”„Langs denzelfden weg,” antwoordde hij kortaf. „Alsjeblieft, vooruit!”Hij deed de deur achter me dicht. Ik ging een trede af en stond op kiezelzand. Nu mijn oogen langzamerhand aan de duisternis gewend geraakten, kon ik de richting van het pad volgen.Ik bevond, me blijkbaar in een tuin; waarschijnlijk de tuin van den heer Kolman. In de buurt was nergens een huis; anders zou ik toch wel verlichte ramen hebben gezien. Misschien zou ik die ontdekken als ik den eersten keer links was afgeslagen.Ik gevoelde me alles behalve op mijn gemak, zoo alleen op dat donkere pad. Hier en daar rezen aan weerszijden groote zwarte struiken op, die nog zwarter schenen dan de nacht; de wind floot er doorheen en liet ze heen en weer wiegen zoodat ze schenen te leven en me deden denken aan monniken met zwarte kappen die tegen me stonden te knikken.Mijn voetstappen deden het kiezel kraken toen ik verder liep tot ik links zou kunnen afslaan. Maar die jongen had zich zeker vergist. Er was wel een pad rechts.Besluiteloos bleef ik stil staan. Nog eenige meters legde ik af, maar nergens kon ik aan mijn linkerkant een zijweg gewaar worden. Toen nam ik maar het pad rechts. Ook hier krakende kiezelsteenen en zwarte struiken. Plotseling zag ik een weg aan mijn linkerhand. Ik sloeg dien onmiddellijk in. Wederom krakend kiezel, hooge, wuivende struiken, windvlagen die langs me streken. Doch nergens een huis te bekennen.Plotseling bleef ik stil staan. Eindelijk begon ik de waarheid te vermoeden; ik was het slachtoffer van een streek die met mij was uitgehaald. Ik was hierheen gelokt om me op een dwaalspoor te brengen! De chef had me niet laten roepen.

HOOFDSTUK XII.MIJN VERDER OPTREDEN ALS NIEUWELING.Ik was hoogst verbaasd dat ik den heer Kijkers nu als mijnheer Broes hoorde aanspreken. Geen oogenblik was het in me opgekomen dat dit een bijnaam zou kunnen zijn; ik rilde bij de gedachte dat ik in mijn onwetendheid hem mijnheer Kijkers had kunnen noemen. Dien bijnaam had hij zeker te danken aan de groote ronde glazen van zijn bril.Hij wierp nu een verbaasden blik in de richting van den heer Wilson.„Hé, ruikt u iets?” vroeg hij. „Het is me nog niet opgevallen.”„Er brandt wat,” hernam de heer Wilson die stond te snuiven als een politie-hond.Kien gaf me een wenk uit de verte. De andere jongens keken allen even ernstig; geen spier op hun gelaat vertrok.„Ongetwijfeld,” verklaarde de heer Wilson.„Vreemd dat ik er niets van heb gemerkt,” zei de heer Broes. „Als er iets aan het branden is, dan moet het in den schoorsteen zijn, of het is ergens anders.”De heer Wilson liep plechtig naar den schoorsteen, zoodat hij een oogenblik met den rug naar de klas stond.Kien gaf me wederom een wenk. Wat wou hij toch van me? Aan den anderen kant van hem zat niemand, want zijn lessenaar was de laatste uit die rij. Wou hij dat ik de vlam uitdoofde? Die scheen al dien tijd lustig te branden; op mijn plaats kon ik de hitte voelen. Maar als ik hetdeksel van den lessenaar opklapte, zou ik natuurlijk worden gesnapt; de rook zou dan naar buiten slaan, zoodat we er nog leelijker aan toe zouden zijn. Kien, en ik zeker ook, zouden er in dat geval geducht tegen aanloopen.Kien liet zijn wangen even bol staan; hij wou dus dat ik de vlam uitblies. Ik wierp een zijdelingschen blik naar Stenford, maar die zat met zijn neus in zijn boek.De heer Broes keek naar den heer Wilson die nog altijd in den schoorsteen stond te turen; toen trok ik de stoute schoenen aan. Ik haalde diep adem om flink te kunnen blazen en lichtte den lessenaar van Kien een paar centimeters op. Tot mijn ontzetting werd ik echter gewaar dat de vlam zich had verspreid en dat in den lessenaar een vuurtje lustig aan het branden was. Mijn blazen had geen andere uitwerking dan dat het vuur werd aangewakkerd. Het hout zou zeker ook gaan branden. Na een schichtigen blik te hebben geworpen in de richting van den schoorsteen begon ik weer te blazen en nog eens te blazen. Helaas de spiritus vormde een brandend meertje in den lessenaar, dat al wijder en wijder werd. Hoe kon ik het vuur dooven?In mijn onmiddellijke nabijheid had ik geen andere vloeistof dan inkt. Mijn pas gevulde inktpot stond voor me op mijn lessenaar. Ik greep dezen met de linkerhand, terwijl ik het deksel met de rechter een weinig oplichtte en toen stortte ik den zwarten inhoud over de vlammen uit.Juist had ik den lessenaar weer dicht gedaan toen de heer Wilson het hoofd oplichtte en een blik wierp door de klas. „Nee, daar is het niet,” zei hij. „Het komt me voor dat er iets in dien hoek brandt.”De angst sloeg me om het hart toen ik hem zag naderen, gevolgd door den heer Broes.Ik vermoed dat Kien hen het liefst was achterna geloopen, want zijn oogen waren onafgebroken op de twee leeraars gericht.„’t Is hier, dunkt me,” zei de heer Wilson, die bij den lessenaar van Kien bleef stil staan.„Kijk eens, hoe zonderling,” merkte de heer Broes op, die zich voorover boog; „een zwarte vloeistof druipt op den grond—Kien!”De heer Wilson had de hand nu op den lessenaar. Dit zag ik, hoewel ik de oogen niet opsloeg van mijn boek. Plotseling weerklonk een vreeselijke knal; de lessenaar vloog omhoog en een oogenblik trilde de heele omgeving als bij een aardbeving.De leeraren waren achteruit gesprongen. Door den schok en den schrik was ik achterover getuimeld op den grond. Tegen de zoldering was iets aangekomen en een sterke brandlucht verspreidde zich nu door het lokaal.Kien nam het eerst het woord. Hij richtte zich tot den heer Broes en zei: „Het was—ik—ik deed een proef.”De beide leeraren vielen tegelijk tegen hem uit. Hun woorden waren daardoor niet duidelijk te verstaan, evenmin als bij een duet dat wordt gezongen. Ze zeiden zoo iets van: „Ongehoord om ontplofbare stoffen in de klas mede te durven brengen! Hoogst gevaarlijk! Zelf naar den chef trekken wegens verregaande onbeschaamdheid! Op gevaar af van iemand te dooden, of blind of kreupel te maken!”De heer Wilson werd eerst nu gewaar dat ik op den grond was getuimeld. „Kijk,” riep hij, „je hebt al iemand een ongeluk bezorgd. Heb je je bezeerd, Ellinghem?”„Ik geloof niet dat ik een ongeluk heb gekregen, meneer,” antwoordde ik, terwijl ik langzaam overeind rees en mijn knieën begon te wrijven.„Hij zou geen ongeluk hebben kunnen krijgen, meneer,” zei Kien heel ernstig; „er zat geen kogel of iets in. Ik wou alleen maar wat brandbare stof maken en die in een rots leggen bij de klip om ze door electriciteit aan te steken.”„Alleen maar brandbare stof!” hernam de heer Broes opstrengen toon. „’t Is een wonder dat je het heele gebouw niet in de lucht hebt laten vliegen. Zit er nog meer gevaarlijk goed in?” vroeg hij, terwijl hij den lessenaar haastig liet dicht vallen bij die vooronderstelling.„Neen, er zit niets meer in,” verklaarde Kien.„Ik zie stukken van een pijp,” zei de heer Wilson, die den lessenaar nu wederom oplichtte; „een—een pijp van leem met rood lak; in drie stukken gebroken. Heb je gerookt?” vroeg hij op minachtenden toon.„Neen, meneer,” antwoordde Kien, zonder een oogenblik te aarzelen,„De pijp is gebruikt,” hernam de heer Wilson. „Deze kop is hard en zwart en heeft het een of ander bevat, waarschijnlijk tabak. Wat is dat voor een ding? H’m!” Hij stiet een kreet uit en liet het vallen, „’t Is nog gloeiend heet!”„Dat is de stop, meneer,” zei Kien.„De stop?” vroeg de heer Wilson.„Ik heb koolgas gemaakt,” hernam Kien. „In dien kop zit steenkool.”De heer Wilson liet een brommend geluid hooren.„Maar de boel drijft van de inkt,” viel de heer Broes in; „of is het een andere vloeistof,” voegde hij er bij.„Bij de ontploffing heeft een vloeistof zich misschien chemisch afgescheiden,” zei Kien, die zich opnieuw man van de wetenschap toonde.Ik wist wel beter, maar ik hield mijn mond.„Het kan zijn dat die zwarte stof is ontstaan door het verbrandings-proces,” hernam Kien met zachte stem.„En ik verzeker je dat je het in het vervolg wel zal laten om zulke gevaarlijke spelletjes te spelen,” verklaarde de heer Broes op strengen toon.De wetenschappelijke onderzoeker ging in de bank zitten. De heer Wilson vertrok, na zich nog eens te hebben overtuigd dat ik geen letsel had opgeloopen; de heer Broes begafzich naar het andere einde van het lokaal en Kien bleef al maar tegen me fluisteren, om me een verklaring te geven van de oorzaak van die ontploffing en van het ontstaan van die zwarte vloeistof, die hij hield voor een soort „ammonia-geest” geloof ik, en hoe het kwam dat die stop van de pijp was gesprongen.„Zonde en jammer dat ik niet op mijn plaats zat,” zei hij, „want dan had ik de kracht van de ontploffing veel beter kunnen nagaan; ik had dan gezien hoever de ontlading doordrong in het hout.”Ik was blij dat hij me geen verwijten deed over de wijze waarop ik was opgetreden; maar alles zou hij me geloof ik hebben vergeven, toen ik tegen hem zei dat ik hem mijn luchtpomp zou leenen om proeven mee te doen.„Heusch?” vroeg hij, terwijl zijn gezicht nu opklaarde. „Ik denk dat ik een pak zal krijgen van Kolman, maar die proef was toch wel leuk.”Ik begon in te zien dat ik voor Kien moest oppassen, hoe ijverig hij zich ook toelegde op de natuurwetenschap; waarschijnlijk deed ik maar het best om hem zijn proefnemingen alleen te laten doen.Ik was blij toen het tijd was om naar bed te gaan. Ik had zooveel jongens gezien en ik had al zooveel ondervonden en bijgewoond, dat het me een raadsel scheen dat ik eerst twee uur geleden mijn intrede had gedaan op St. Martin.Nauwelijks was ik in mijn slaapkamer beland of een jongen stak zijn hoofd om den hoek en haastig, op een toon die geen tegenspraak duldde, zei hij: „Ellinghem, je moet dadelijk bij den chef komen.”„Moet ik nù naar den chef?” vroeg ik verbaasd.„Ja, en ’t is je geraden om hem niet te laten wachten.”„Maar waarom?” zei ik.„Dat zal je gauw genoeg gewaar worden.”„Heeft hij je gestuurd om mij te halen?”„Ja, natuurlijk; denk je soms dat ik anders zou zijn komen aanzetten?”In het lokaal had ik dien jongen wel met Dester zien praten, maar ik was nog te onervaren om eenige achterdocht te koesteren. Geen oogenblik kwam het zelfs in me op dat hij me voor den gek kon houden. Ik vroeg me dan ook alleen maar af waarom de chef me liet roepen.„Is het om die geschiedenis met Kien?” zei ik.„Weet ik het,” antwoordde hij. „’t Is best mogelijk. Maar als je langer treuzelt krijg je nog leelijker op je gezicht.”Ik dacht niet anders dan dat Kien bij het ondergaan van zijn straf mij had genoemd als medeplichtige.„Ga je nou haast?” vroeg de jongen, „of zal ik aan Kolman gaan zeggen dat je ervoor bedankt om te komen?”„Nee, ik zal wel gaan,” antwoordde ik bedrukt, „maar vanhier weet ik niet den weg naar de studeerkamer.”„O, die zal ik je wel wijzen,” zei de jongen gedienstig. „Gauw, ga mee! Hij zal toch al niet begrijpen waar je blijft.”Hij ging me voor door de gang en liep een kleine trap af; in dit gedeelte was ik nog niet geweest.„Dit is korter,” zei de jongen die me even over den schouder aankeek.Toen liepen we door een andere gang die flauw was verlicht en bleven voor een deur stil staan.„Zeg,” fluisterde die jongen tegen me, terwijl hij de hand op de klink hield; „langs die deur loopt een pad. Als je dat bent afgeloopen sla je links af, dan loop je weer recht door en sla je weer links af, en dan sta je voor de deur van Kolman.”„Ga je niet mee?” vroeg ik.„Dank je stichtelijk,” mompelde hij. „Ik trek alleen naar Kolman als hij me laat roepen.”„Dus tweemaal links om?” vroeg ik nog, terwijl hij de deur open maakte.„Ja! De weg is heel gemakkelijk te vinden; je kunt niet missen.”De deur was nu open en ik werd een heel donker pad gewaar.„Ga er maar vandoor,” zei de jongen; „je vindt het vanzelf.”„Wacht nog even,” riep ik, toen ik een blik in de duisternis had geworpen; „hoe kom ik terug?”„Langs denzelfden weg,” antwoordde hij kortaf. „Alsjeblieft, vooruit!”Hij deed de deur achter me dicht. Ik ging een trede af en stond op kiezelzand. Nu mijn oogen langzamerhand aan de duisternis gewend geraakten, kon ik de richting van het pad volgen.Ik bevond, me blijkbaar in een tuin; waarschijnlijk de tuin van den heer Kolman. In de buurt was nergens een huis; anders zou ik toch wel verlichte ramen hebben gezien. Misschien zou ik die ontdekken als ik den eersten keer links was afgeslagen.Ik gevoelde me alles behalve op mijn gemak, zoo alleen op dat donkere pad. Hier en daar rezen aan weerszijden groote zwarte struiken op, die nog zwarter schenen dan de nacht; de wind floot er doorheen en liet ze heen en weer wiegen zoodat ze schenen te leven en me deden denken aan monniken met zwarte kappen die tegen me stonden te knikken.Mijn voetstappen deden het kiezel kraken toen ik verder liep tot ik links zou kunnen afslaan. Maar die jongen had zich zeker vergist. Er was wel een pad rechts.Besluiteloos bleef ik stil staan. Nog eenige meters legde ik af, maar nergens kon ik aan mijn linkerkant een zijweg gewaar worden. Toen nam ik maar het pad rechts. Ook hier krakende kiezelsteenen en zwarte struiken. Plotseling zag ik een weg aan mijn linkerhand. Ik sloeg dien onmiddellijk in. Wederom krakend kiezel, hooge, wuivende struiken, windvlagen die langs me streken. Doch nergens een huis te bekennen.Plotseling bleef ik stil staan. Eindelijk begon ik de waarheid te vermoeden; ik was het slachtoffer van een streek die met mij was uitgehaald. Ik was hierheen gelokt om me op een dwaalspoor te brengen! De chef had me niet laten roepen.

HOOFDSTUK XII.MIJN VERDER OPTREDEN ALS NIEUWELING.

Ik was hoogst verbaasd dat ik den heer Kijkers nu als mijnheer Broes hoorde aanspreken. Geen oogenblik was het in me opgekomen dat dit een bijnaam zou kunnen zijn; ik rilde bij de gedachte dat ik in mijn onwetendheid hem mijnheer Kijkers had kunnen noemen. Dien bijnaam had hij zeker te danken aan de groote ronde glazen van zijn bril.Hij wierp nu een verbaasden blik in de richting van den heer Wilson.„Hé, ruikt u iets?” vroeg hij. „Het is me nog niet opgevallen.”„Er brandt wat,” hernam de heer Wilson die stond te snuiven als een politie-hond.Kien gaf me een wenk uit de verte. De andere jongens keken allen even ernstig; geen spier op hun gelaat vertrok.„Ongetwijfeld,” verklaarde de heer Wilson.„Vreemd dat ik er niets van heb gemerkt,” zei de heer Broes. „Als er iets aan het branden is, dan moet het in den schoorsteen zijn, of het is ergens anders.”De heer Wilson liep plechtig naar den schoorsteen, zoodat hij een oogenblik met den rug naar de klas stond.Kien gaf me wederom een wenk. Wat wou hij toch van me? Aan den anderen kant van hem zat niemand, want zijn lessenaar was de laatste uit die rij. Wou hij dat ik de vlam uitdoofde? Die scheen al dien tijd lustig te branden; op mijn plaats kon ik de hitte voelen. Maar als ik hetdeksel van den lessenaar opklapte, zou ik natuurlijk worden gesnapt; de rook zou dan naar buiten slaan, zoodat we er nog leelijker aan toe zouden zijn. Kien, en ik zeker ook, zouden er in dat geval geducht tegen aanloopen.Kien liet zijn wangen even bol staan; hij wou dus dat ik de vlam uitblies. Ik wierp een zijdelingschen blik naar Stenford, maar die zat met zijn neus in zijn boek.De heer Broes keek naar den heer Wilson die nog altijd in den schoorsteen stond te turen; toen trok ik de stoute schoenen aan. Ik haalde diep adem om flink te kunnen blazen en lichtte den lessenaar van Kien een paar centimeters op. Tot mijn ontzetting werd ik echter gewaar dat de vlam zich had verspreid en dat in den lessenaar een vuurtje lustig aan het branden was. Mijn blazen had geen andere uitwerking dan dat het vuur werd aangewakkerd. Het hout zou zeker ook gaan branden. Na een schichtigen blik te hebben geworpen in de richting van den schoorsteen begon ik weer te blazen en nog eens te blazen. Helaas de spiritus vormde een brandend meertje in den lessenaar, dat al wijder en wijder werd. Hoe kon ik het vuur dooven?In mijn onmiddellijke nabijheid had ik geen andere vloeistof dan inkt. Mijn pas gevulde inktpot stond voor me op mijn lessenaar. Ik greep dezen met de linkerhand, terwijl ik het deksel met de rechter een weinig oplichtte en toen stortte ik den zwarten inhoud over de vlammen uit.Juist had ik den lessenaar weer dicht gedaan toen de heer Wilson het hoofd oplichtte en een blik wierp door de klas. „Nee, daar is het niet,” zei hij. „Het komt me voor dat er iets in dien hoek brandt.”De angst sloeg me om het hart toen ik hem zag naderen, gevolgd door den heer Broes.Ik vermoed dat Kien hen het liefst was achterna geloopen, want zijn oogen waren onafgebroken op de twee leeraars gericht.„’t Is hier, dunkt me,” zei de heer Wilson, die bij den lessenaar van Kien bleef stil staan.„Kijk eens, hoe zonderling,” merkte de heer Broes op, die zich voorover boog; „een zwarte vloeistof druipt op den grond—Kien!”De heer Wilson had de hand nu op den lessenaar. Dit zag ik, hoewel ik de oogen niet opsloeg van mijn boek. Plotseling weerklonk een vreeselijke knal; de lessenaar vloog omhoog en een oogenblik trilde de heele omgeving als bij een aardbeving.De leeraren waren achteruit gesprongen. Door den schok en den schrik was ik achterover getuimeld op den grond. Tegen de zoldering was iets aangekomen en een sterke brandlucht verspreidde zich nu door het lokaal.Kien nam het eerst het woord. Hij richtte zich tot den heer Broes en zei: „Het was—ik—ik deed een proef.”De beide leeraren vielen tegelijk tegen hem uit. Hun woorden waren daardoor niet duidelijk te verstaan, evenmin als bij een duet dat wordt gezongen. Ze zeiden zoo iets van: „Ongehoord om ontplofbare stoffen in de klas mede te durven brengen! Hoogst gevaarlijk! Zelf naar den chef trekken wegens verregaande onbeschaamdheid! Op gevaar af van iemand te dooden, of blind of kreupel te maken!”De heer Wilson werd eerst nu gewaar dat ik op den grond was getuimeld. „Kijk,” riep hij, „je hebt al iemand een ongeluk bezorgd. Heb je je bezeerd, Ellinghem?”„Ik geloof niet dat ik een ongeluk heb gekregen, meneer,” antwoordde ik, terwijl ik langzaam overeind rees en mijn knieën begon te wrijven.„Hij zou geen ongeluk hebben kunnen krijgen, meneer,” zei Kien heel ernstig; „er zat geen kogel of iets in. Ik wou alleen maar wat brandbare stof maken en die in een rots leggen bij de klip om ze door electriciteit aan te steken.”„Alleen maar brandbare stof!” hernam de heer Broes opstrengen toon. „’t Is een wonder dat je het heele gebouw niet in de lucht hebt laten vliegen. Zit er nog meer gevaarlijk goed in?” vroeg hij, terwijl hij den lessenaar haastig liet dicht vallen bij die vooronderstelling.„Neen, er zit niets meer in,” verklaarde Kien.„Ik zie stukken van een pijp,” zei de heer Wilson, die den lessenaar nu wederom oplichtte; „een—een pijp van leem met rood lak; in drie stukken gebroken. Heb je gerookt?” vroeg hij op minachtenden toon.„Neen, meneer,” antwoordde Kien, zonder een oogenblik te aarzelen,„De pijp is gebruikt,” hernam de heer Wilson. „Deze kop is hard en zwart en heeft het een of ander bevat, waarschijnlijk tabak. Wat is dat voor een ding? H’m!” Hij stiet een kreet uit en liet het vallen, „’t Is nog gloeiend heet!”„Dat is de stop, meneer,” zei Kien.„De stop?” vroeg de heer Wilson.„Ik heb koolgas gemaakt,” hernam Kien. „In dien kop zit steenkool.”De heer Wilson liet een brommend geluid hooren.„Maar de boel drijft van de inkt,” viel de heer Broes in; „of is het een andere vloeistof,” voegde hij er bij.„Bij de ontploffing heeft een vloeistof zich misschien chemisch afgescheiden,” zei Kien, die zich opnieuw man van de wetenschap toonde.Ik wist wel beter, maar ik hield mijn mond.„Het kan zijn dat die zwarte stof is ontstaan door het verbrandings-proces,” hernam Kien met zachte stem.„En ik verzeker je dat je het in het vervolg wel zal laten om zulke gevaarlijke spelletjes te spelen,” verklaarde de heer Broes op strengen toon.De wetenschappelijke onderzoeker ging in de bank zitten. De heer Wilson vertrok, na zich nog eens te hebben overtuigd dat ik geen letsel had opgeloopen; de heer Broes begafzich naar het andere einde van het lokaal en Kien bleef al maar tegen me fluisteren, om me een verklaring te geven van de oorzaak van die ontploffing en van het ontstaan van die zwarte vloeistof, die hij hield voor een soort „ammonia-geest” geloof ik, en hoe het kwam dat die stop van de pijp was gesprongen.„Zonde en jammer dat ik niet op mijn plaats zat,” zei hij, „want dan had ik de kracht van de ontploffing veel beter kunnen nagaan; ik had dan gezien hoever de ontlading doordrong in het hout.”Ik was blij dat hij me geen verwijten deed over de wijze waarop ik was opgetreden; maar alles zou hij me geloof ik hebben vergeven, toen ik tegen hem zei dat ik hem mijn luchtpomp zou leenen om proeven mee te doen.„Heusch?” vroeg hij, terwijl zijn gezicht nu opklaarde. „Ik denk dat ik een pak zal krijgen van Kolman, maar die proef was toch wel leuk.”Ik begon in te zien dat ik voor Kien moest oppassen, hoe ijverig hij zich ook toelegde op de natuurwetenschap; waarschijnlijk deed ik maar het best om hem zijn proefnemingen alleen te laten doen.Ik was blij toen het tijd was om naar bed te gaan. Ik had zooveel jongens gezien en ik had al zooveel ondervonden en bijgewoond, dat het me een raadsel scheen dat ik eerst twee uur geleden mijn intrede had gedaan op St. Martin.Nauwelijks was ik in mijn slaapkamer beland of een jongen stak zijn hoofd om den hoek en haastig, op een toon die geen tegenspraak duldde, zei hij: „Ellinghem, je moet dadelijk bij den chef komen.”„Moet ik nù naar den chef?” vroeg ik verbaasd.„Ja, en ’t is je geraden om hem niet te laten wachten.”„Maar waarom?” zei ik.„Dat zal je gauw genoeg gewaar worden.”„Heeft hij je gestuurd om mij te halen?”„Ja, natuurlijk; denk je soms dat ik anders zou zijn komen aanzetten?”In het lokaal had ik dien jongen wel met Dester zien praten, maar ik was nog te onervaren om eenige achterdocht te koesteren. Geen oogenblik kwam het zelfs in me op dat hij me voor den gek kon houden. Ik vroeg me dan ook alleen maar af waarom de chef me liet roepen.„Is het om die geschiedenis met Kien?” zei ik.„Weet ik het,” antwoordde hij. „’t Is best mogelijk. Maar als je langer treuzelt krijg je nog leelijker op je gezicht.”Ik dacht niet anders dan dat Kien bij het ondergaan van zijn straf mij had genoemd als medeplichtige.„Ga je nou haast?” vroeg de jongen, „of zal ik aan Kolman gaan zeggen dat je ervoor bedankt om te komen?”„Nee, ik zal wel gaan,” antwoordde ik bedrukt, „maar vanhier weet ik niet den weg naar de studeerkamer.”„O, die zal ik je wel wijzen,” zei de jongen gedienstig. „Gauw, ga mee! Hij zal toch al niet begrijpen waar je blijft.”Hij ging me voor door de gang en liep een kleine trap af; in dit gedeelte was ik nog niet geweest.„Dit is korter,” zei de jongen die me even over den schouder aankeek.Toen liepen we door een andere gang die flauw was verlicht en bleven voor een deur stil staan.„Zeg,” fluisterde die jongen tegen me, terwijl hij de hand op de klink hield; „langs die deur loopt een pad. Als je dat bent afgeloopen sla je links af, dan loop je weer recht door en sla je weer links af, en dan sta je voor de deur van Kolman.”„Ga je niet mee?” vroeg ik.„Dank je stichtelijk,” mompelde hij. „Ik trek alleen naar Kolman als hij me laat roepen.”„Dus tweemaal links om?” vroeg ik nog, terwijl hij de deur open maakte.„Ja! De weg is heel gemakkelijk te vinden; je kunt niet missen.”De deur was nu open en ik werd een heel donker pad gewaar.„Ga er maar vandoor,” zei de jongen; „je vindt het vanzelf.”„Wacht nog even,” riep ik, toen ik een blik in de duisternis had geworpen; „hoe kom ik terug?”„Langs denzelfden weg,” antwoordde hij kortaf. „Alsjeblieft, vooruit!”Hij deed de deur achter me dicht. Ik ging een trede af en stond op kiezelzand. Nu mijn oogen langzamerhand aan de duisternis gewend geraakten, kon ik de richting van het pad volgen.Ik bevond, me blijkbaar in een tuin; waarschijnlijk de tuin van den heer Kolman. In de buurt was nergens een huis; anders zou ik toch wel verlichte ramen hebben gezien. Misschien zou ik die ontdekken als ik den eersten keer links was afgeslagen.Ik gevoelde me alles behalve op mijn gemak, zoo alleen op dat donkere pad. Hier en daar rezen aan weerszijden groote zwarte struiken op, die nog zwarter schenen dan de nacht; de wind floot er doorheen en liet ze heen en weer wiegen zoodat ze schenen te leven en me deden denken aan monniken met zwarte kappen die tegen me stonden te knikken.Mijn voetstappen deden het kiezel kraken toen ik verder liep tot ik links zou kunnen afslaan. Maar die jongen had zich zeker vergist. Er was wel een pad rechts.Besluiteloos bleef ik stil staan. Nog eenige meters legde ik af, maar nergens kon ik aan mijn linkerkant een zijweg gewaar worden. Toen nam ik maar het pad rechts. Ook hier krakende kiezelsteenen en zwarte struiken. Plotseling zag ik een weg aan mijn linkerhand. Ik sloeg dien onmiddellijk in. Wederom krakend kiezel, hooge, wuivende struiken, windvlagen die langs me streken. Doch nergens een huis te bekennen.Plotseling bleef ik stil staan. Eindelijk begon ik de waarheid te vermoeden; ik was het slachtoffer van een streek die met mij was uitgehaald. Ik was hierheen gelokt om me op een dwaalspoor te brengen! De chef had me niet laten roepen.

Ik was hoogst verbaasd dat ik den heer Kijkers nu als mijnheer Broes hoorde aanspreken. Geen oogenblik was het in me opgekomen dat dit een bijnaam zou kunnen zijn; ik rilde bij de gedachte dat ik in mijn onwetendheid hem mijnheer Kijkers had kunnen noemen. Dien bijnaam had hij zeker te danken aan de groote ronde glazen van zijn bril.

Hij wierp nu een verbaasden blik in de richting van den heer Wilson.

„Hé, ruikt u iets?” vroeg hij. „Het is me nog niet opgevallen.”

„Er brandt wat,” hernam de heer Wilson die stond te snuiven als een politie-hond.

Kien gaf me een wenk uit de verte. De andere jongens keken allen even ernstig; geen spier op hun gelaat vertrok.

„Ongetwijfeld,” verklaarde de heer Wilson.

„Vreemd dat ik er niets van heb gemerkt,” zei de heer Broes. „Als er iets aan het branden is, dan moet het in den schoorsteen zijn, of het is ergens anders.”

De heer Wilson liep plechtig naar den schoorsteen, zoodat hij een oogenblik met den rug naar de klas stond.

Kien gaf me wederom een wenk. Wat wou hij toch van me? Aan den anderen kant van hem zat niemand, want zijn lessenaar was de laatste uit die rij. Wou hij dat ik de vlam uitdoofde? Die scheen al dien tijd lustig te branden; op mijn plaats kon ik de hitte voelen. Maar als ik hetdeksel van den lessenaar opklapte, zou ik natuurlijk worden gesnapt; de rook zou dan naar buiten slaan, zoodat we er nog leelijker aan toe zouden zijn. Kien, en ik zeker ook, zouden er in dat geval geducht tegen aanloopen.

Kien liet zijn wangen even bol staan; hij wou dus dat ik de vlam uitblies. Ik wierp een zijdelingschen blik naar Stenford, maar die zat met zijn neus in zijn boek.

De heer Broes keek naar den heer Wilson die nog altijd in den schoorsteen stond te turen; toen trok ik de stoute schoenen aan. Ik haalde diep adem om flink te kunnen blazen en lichtte den lessenaar van Kien een paar centimeters op. Tot mijn ontzetting werd ik echter gewaar dat de vlam zich had verspreid en dat in den lessenaar een vuurtje lustig aan het branden was. Mijn blazen had geen andere uitwerking dan dat het vuur werd aangewakkerd. Het hout zou zeker ook gaan branden. Na een schichtigen blik te hebben geworpen in de richting van den schoorsteen begon ik weer te blazen en nog eens te blazen. Helaas de spiritus vormde een brandend meertje in den lessenaar, dat al wijder en wijder werd. Hoe kon ik het vuur dooven?

In mijn onmiddellijke nabijheid had ik geen andere vloeistof dan inkt. Mijn pas gevulde inktpot stond voor me op mijn lessenaar. Ik greep dezen met de linkerhand, terwijl ik het deksel met de rechter een weinig oplichtte en toen stortte ik den zwarten inhoud over de vlammen uit.

Juist had ik den lessenaar weer dicht gedaan toen de heer Wilson het hoofd oplichtte en een blik wierp door de klas. „Nee, daar is het niet,” zei hij. „Het komt me voor dat er iets in dien hoek brandt.”

De angst sloeg me om het hart toen ik hem zag naderen, gevolgd door den heer Broes.

Ik vermoed dat Kien hen het liefst was achterna geloopen, want zijn oogen waren onafgebroken op de twee leeraars gericht.

„’t Is hier, dunkt me,” zei de heer Wilson, die bij den lessenaar van Kien bleef stil staan.

„Kijk eens, hoe zonderling,” merkte de heer Broes op, die zich voorover boog; „een zwarte vloeistof druipt op den grond—Kien!”

De heer Wilson had de hand nu op den lessenaar. Dit zag ik, hoewel ik de oogen niet opsloeg van mijn boek. Plotseling weerklonk een vreeselijke knal; de lessenaar vloog omhoog en een oogenblik trilde de heele omgeving als bij een aardbeving.

De leeraren waren achteruit gesprongen. Door den schok en den schrik was ik achterover getuimeld op den grond. Tegen de zoldering was iets aangekomen en een sterke brandlucht verspreidde zich nu door het lokaal.

Kien nam het eerst het woord. Hij richtte zich tot den heer Broes en zei: „Het was—ik—ik deed een proef.”

De beide leeraren vielen tegelijk tegen hem uit. Hun woorden waren daardoor niet duidelijk te verstaan, evenmin als bij een duet dat wordt gezongen. Ze zeiden zoo iets van: „Ongehoord om ontplofbare stoffen in de klas mede te durven brengen! Hoogst gevaarlijk! Zelf naar den chef trekken wegens verregaande onbeschaamdheid! Op gevaar af van iemand te dooden, of blind of kreupel te maken!”

De heer Wilson werd eerst nu gewaar dat ik op den grond was getuimeld. „Kijk,” riep hij, „je hebt al iemand een ongeluk bezorgd. Heb je je bezeerd, Ellinghem?”

„Ik geloof niet dat ik een ongeluk heb gekregen, meneer,” antwoordde ik, terwijl ik langzaam overeind rees en mijn knieën begon te wrijven.

„Hij zou geen ongeluk hebben kunnen krijgen, meneer,” zei Kien heel ernstig; „er zat geen kogel of iets in. Ik wou alleen maar wat brandbare stof maken en die in een rots leggen bij de klip om ze door electriciteit aan te steken.”

„Alleen maar brandbare stof!” hernam de heer Broes opstrengen toon. „’t Is een wonder dat je het heele gebouw niet in de lucht hebt laten vliegen. Zit er nog meer gevaarlijk goed in?” vroeg hij, terwijl hij den lessenaar haastig liet dicht vallen bij die vooronderstelling.

„Neen, er zit niets meer in,” verklaarde Kien.

„Ik zie stukken van een pijp,” zei de heer Wilson, die den lessenaar nu wederom oplichtte; „een—een pijp van leem met rood lak; in drie stukken gebroken. Heb je gerookt?” vroeg hij op minachtenden toon.

„Neen, meneer,” antwoordde Kien, zonder een oogenblik te aarzelen,

„De pijp is gebruikt,” hernam de heer Wilson. „Deze kop is hard en zwart en heeft het een of ander bevat, waarschijnlijk tabak. Wat is dat voor een ding? H’m!” Hij stiet een kreet uit en liet het vallen, „’t Is nog gloeiend heet!”

„Dat is de stop, meneer,” zei Kien.

„De stop?” vroeg de heer Wilson.

„Ik heb koolgas gemaakt,” hernam Kien. „In dien kop zit steenkool.”

De heer Wilson liet een brommend geluid hooren.

„Maar de boel drijft van de inkt,” viel de heer Broes in; „of is het een andere vloeistof,” voegde hij er bij.

„Bij de ontploffing heeft een vloeistof zich misschien chemisch afgescheiden,” zei Kien, die zich opnieuw man van de wetenschap toonde.

Ik wist wel beter, maar ik hield mijn mond.

„Het kan zijn dat die zwarte stof is ontstaan door het verbrandings-proces,” hernam Kien met zachte stem.

„En ik verzeker je dat je het in het vervolg wel zal laten om zulke gevaarlijke spelletjes te spelen,” verklaarde de heer Broes op strengen toon.

De wetenschappelijke onderzoeker ging in de bank zitten. De heer Wilson vertrok, na zich nog eens te hebben overtuigd dat ik geen letsel had opgeloopen; de heer Broes begafzich naar het andere einde van het lokaal en Kien bleef al maar tegen me fluisteren, om me een verklaring te geven van de oorzaak van die ontploffing en van het ontstaan van die zwarte vloeistof, die hij hield voor een soort „ammonia-geest” geloof ik, en hoe het kwam dat die stop van de pijp was gesprongen.

„Zonde en jammer dat ik niet op mijn plaats zat,” zei hij, „want dan had ik de kracht van de ontploffing veel beter kunnen nagaan; ik had dan gezien hoever de ontlading doordrong in het hout.”

Ik was blij dat hij me geen verwijten deed over de wijze waarop ik was opgetreden; maar alles zou hij me geloof ik hebben vergeven, toen ik tegen hem zei dat ik hem mijn luchtpomp zou leenen om proeven mee te doen.

„Heusch?” vroeg hij, terwijl zijn gezicht nu opklaarde. „Ik denk dat ik een pak zal krijgen van Kolman, maar die proef was toch wel leuk.”

Ik begon in te zien dat ik voor Kien moest oppassen, hoe ijverig hij zich ook toelegde op de natuurwetenschap; waarschijnlijk deed ik maar het best om hem zijn proefnemingen alleen te laten doen.

Ik was blij toen het tijd was om naar bed te gaan. Ik had zooveel jongens gezien en ik had al zooveel ondervonden en bijgewoond, dat het me een raadsel scheen dat ik eerst twee uur geleden mijn intrede had gedaan op St. Martin.

Nauwelijks was ik in mijn slaapkamer beland of een jongen stak zijn hoofd om den hoek en haastig, op een toon die geen tegenspraak duldde, zei hij: „Ellinghem, je moet dadelijk bij den chef komen.”

„Moet ik nù naar den chef?” vroeg ik verbaasd.

„Ja, en ’t is je geraden om hem niet te laten wachten.”

„Maar waarom?” zei ik.

„Dat zal je gauw genoeg gewaar worden.”

„Heeft hij je gestuurd om mij te halen?”

„Ja, natuurlijk; denk je soms dat ik anders zou zijn komen aanzetten?”

In het lokaal had ik dien jongen wel met Dester zien praten, maar ik was nog te onervaren om eenige achterdocht te koesteren. Geen oogenblik kwam het zelfs in me op dat hij me voor den gek kon houden. Ik vroeg me dan ook alleen maar af waarom de chef me liet roepen.

„Is het om die geschiedenis met Kien?” zei ik.

„Weet ik het,” antwoordde hij. „’t Is best mogelijk. Maar als je langer treuzelt krijg je nog leelijker op je gezicht.”

Ik dacht niet anders dan dat Kien bij het ondergaan van zijn straf mij had genoemd als medeplichtige.

„Ga je nou haast?” vroeg de jongen, „of zal ik aan Kolman gaan zeggen dat je ervoor bedankt om te komen?”

„Nee, ik zal wel gaan,” antwoordde ik bedrukt, „maar vanhier weet ik niet den weg naar de studeerkamer.”

„O, die zal ik je wel wijzen,” zei de jongen gedienstig. „Gauw, ga mee! Hij zal toch al niet begrijpen waar je blijft.”

Hij ging me voor door de gang en liep een kleine trap af; in dit gedeelte was ik nog niet geweest.

„Dit is korter,” zei de jongen die me even over den schouder aankeek.

Toen liepen we door een andere gang die flauw was verlicht en bleven voor een deur stil staan.

„Zeg,” fluisterde die jongen tegen me, terwijl hij de hand op de klink hield; „langs die deur loopt een pad. Als je dat bent afgeloopen sla je links af, dan loop je weer recht door en sla je weer links af, en dan sta je voor de deur van Kolman.”

„Ga je niet mee?” vroeg ik.

„Dank je stichtelijk,” mompelde hij. „Ik trek alleen naar Kolman als hij me laat roepen.”

„Dus tweemaal links om?” vroeg ik nog, terwijl hij de deur open maakte.

„Ja! De weg is heel gemakkelijk te vinden; je kunt niet missen.”

De deur was nu open en ik werd een heel donker pad gewaar.

„Ga er maar vandoor,” zei de jongen; „je vindt het vanzelf.”

„Wacht nog even,” riep ik, toen ik een blik in de duisternis had geworpen; „hoe kom ik terug?”

„Langs denzelfden weg,” antwoordde hij kortaf. „Alsjeblieft, vooruit!”

Hij deed de deur achter me dicht. Ik ging een trede af en stond op kiezelzand. Nu mijn oogen langzamerhand aan de duisternis gewend geraakten, kon ik de richting van het pad volgen.

Ik bevond, me blijkbaar in een tuin; waarschijnlijk de tuin van den heer Kolman. In de buurt was nergens een huis; anders zou ik toch wel verlichte ramen hebben gezien. Misschien zou ik die ontdekken als ik den eersten keer links was afgeslagen.

Ik gevoelde me alles behalve op mijn gemak, zoo alleen op dat donkere pad. Hier en daar rezen aan weerszijden groote zwarte struiken op, die nog zwarter schenen dan de nacht; de wind floot er doorheen en liet ze heen en weer wiegen zoodat ze schenen te leven en me deden denken aan monniken met zwarte kappen die tegen me stonden te knikken.

Mijn voetstappen deden het kiezel kraken toen ik verder liep tot ik links zou kunnen afslaan. Maar die jongen had zich zeker vergist. Er was wel een pad rechts.

Besluiteloos bleef ik stil staan. Nog eenige meters legde ik af, maar nergens kon ik aan mijn linkerkant een zijweg gewaar worden. Toen nam ik maar het pad rechts. Ook hier krakende kiezelsteenen en zwarte struiken. Plotseling zag ik een weg aan mijn linkerhand. Ik sloeg dien onmiddellijk in. Wederom krakend kiezel, hooge, wuivende struiken, windvlagen die langs me streken. Doch nergens een huis te bekennen.

Plotseling bleef ik stil staan. Eindelijk begon ik de waarheid te vermoeden; ik was het slachtoffer van een streek die met mij was uitgehaald. Ik was hierheen gelokt om me op een dwaalspoor te brengen! De chef had me niet laten roepen.


Back to IndexNext