HOOFDSTUK XIII.IK MAAK KENNIS MET BRUNTON.Onmiddellijk keerde ik om, daar ik zoo spoedig mogelijk weer de zijdeur wilde bereiken waardoor ik me naar buiten had begeven. Ik begreep nu dat de jongen die met die boodschap was komen aanzetten een handlanger was geweest van Dester.Op deze wijze had die wraak willen nemen; hij had me in den tuin gelokt!Ik ging terug langs het pad dat ik was afgekomen, maar het was zóó donker en die boomen leken zóó op elkaar dat ik zeker verkeerd was afgeslagen, want weldra was ik de kluts kwijt geraakt. Ik zette het nu op een loopen in de juiste richting naar ik dacht, terwijl ik schichtige blikken om me heenwierp, in de hoop ergens een licht te ontdekken. Het was toch niet denkbaar dat in dit avonduur geen enkel raam van de school meer zou zijn verlicht; daarom bleef ik zoeken naar het een of andere schijnsel.Het duurde niet lang of ik stiet met mijn knieën tegen een ijzeren traliewerk, dat de grens vormde van het terrein waarover ik rondzwierf. Ik kon het pad onderscheiden dat hier aan den anderen kant langs liep en ik hoorde de zee klotsen, waaruit ik opmaakte dat ik me in de nabijheid van de klip bevond. Ik keerde om, geraakte opnieuw verdwaald tusschen de struiken; nergens kon ik eenlichtstraalgewaarworden, en ten slotte kwam ik weer terecht bij het ijzeren traliewerk.Intusschen moest het al aardig laat zijn geworden. Als ik eens was buitengesloten! Dan zou het er zeker geducht leelijk voor me uitzien en dan zou ik wel degelijk bij den chef moeten komen. Ik volgde nu maar een pad op goed geluk om te zien waar dit me bracht, maar het kronkelde zoo verschrikkelijk dat ik een gevoel kreeg of ik in een kring rondliep, als menschen die verdwaald zijn geraakt in de woestijn of in de bergen.Het slot was dat ik voor de derde maal bij het traliewerk was beland! Toen bleef ik hier langs loopen; dat hek moest toch ergens eindigen!Ik kwam aan een gebouw, waarschijnlijk de stallen, want ik hoorde gerammel van kettingen en stampen van hoeven. Een hond had blijkbaar gemerkt dat ik aan kwam sluipen, want het dier begon verwoed te blaffen. Tastend vervolgde ik mijn weg langs de donkere muren, tot ik een deur bereikte waar het gebouw een hoek maakte; de klink week onmiddellijk toen ik die oplichtte. Ik ging binnen en werd nu voor de eerste maal een licht gewaar; in die richting begaf ik me over een wijde open vlakte waarin ik plotseling het binnenplein herkende van het hoofdgebouw.Ik had nu zoo genoeg van mijn zwerftocht en was zoo blij dat ik eindelijk eenig teeken van leven bespeurde dat ik onmiddellijk mijn krachten op de deur begon te beproeven, waarboven een raam was aangebracht dat helder werd beschenen. Ik dacht niet anders dan dat die deur op slot zou zitten: voor ik echter schelde, probeerde ik eerst het handvat om te draaien om me hiervan te overtuigen, en tot mijn onuitsprekelijke verbazing en verrukking was het slot niet omgedraaid aan den binnenkant. Een oogenblik later stond ik in het voorportaal waar ik dien avond met Burns mijn intrede had gemaakt—hoe lang scheen dit niet geleden!Toen ik de deur heel zacht had gesloten, liep ik als een muis door een lange gang, in de hoop het een of ander te ontdekken dat als wegwijzer zou kunnen dienen om mijn kamer terug te vinden. Toen ik een hoek omsloeg waar het donker was en geen licht brandde liep ik onverhoeds tegen een grooten jongen aan die van den anderen kant kwam aanzetten. Hij was zoo forsch en stevig gebouwd, dat ik bij de botsing tegen den muur terecht kwam.„Uil, die je bent! Waarom maak je zoo’n kabaal?” vroeg hij nijdig, zonder dat hij zijn stem echter durfde uitzetten.Terwijl hij dit zei keek hij schichtig om zich heen, zoodat ik begreep dat hij er in zijn eentje op uittrok en zich schuldig maakte aan de een of andere overtreding.„Allo, wat voer je hier uit?” vroeg hij, terwijl hij me bij den kraag greep en me heen en weer schudde.Hij was blijkbaar zoo kwaad en ik was er zoo zeker van dat het er leelijk voor hem zou uitzien als hij werd gesnapt, dat ik het maar het best vond om heel gewoon te antwoorden; dan zou hij me misschien het gauwst weer loslaten.„Ik wou naar mijn kamer gaan,” zei ik.„Houd je koest, uil die je bent,” beet hij me toe. „Vooruit, ga dan maar naar je kamer.”Hij sprak tegen me of ik een hond was en gaf me een schop toen ik me omkeerde om door te loopen.„Wat zou dat voor een vent zijn,” vroeg ik me af, toen ik eindelijk verdrietig en vermoeid mijn kamer had terug gevonden en veilig onder de dekens kroop. Het was een plompe jongen met een stiere-nek; hij miste een voortand, waardoor hij eenigszins lispelde. Als mijn wenschen waren vervuld, dan zouden al zijn tanden uitgeslagen mogen worden; hij had dan kunnen mummelen totdat de dentist hem onder handen had genomen.Den volgenden morgen gaf ik een korte beschrijving van hem aan Stenford.„O, dat is natuurlijk Brunton geweest,” zei hij. „Een nare vent. Zorg maar dat je uit zijn buurt blijft.”Ik was niet anders van plan. We bevonden ons nu op het speelterrein en ik zag Dester telkens een kwaadaardigen blik werpen in mijn richting; zijn gezicht zag nog bont en blauw en een naar gevoel welde bij me op toen ik zag dat hij op me wees, terwijl hij stond te praten met den grooten jongen, tegen wien ik den vorigen avond was aangebonsd. In de verte werd ik Bob Kitsjin gewaar; ik wou naar hem toeloopen om hem die ontmoeting te vertellen, maar bij nader inzien deed ik dit niet, want dan had ik ook moeten bekennen dat ze me voor den gek hadden gehouden en dat ik er zoo leelijk was ingevlogen. En ik wilde Bob ook niet telkens komen lastig vallen.Burns kwam nu op me toeloopen. Hij wees naar den jongen met wien Dester stond te praten en zei: „D-dat is B-Brunton,” zoodat mijn laatste zweem van twijfel was verdwenen.„En is hij de zoon van dien man bij wien we gisteren zijn geweest?” vroeg ik.„Ja,” zei Burns. „Hij is een ellendeling,” voegde hij er met overtuiging bij.Stenford keerde zich naar me toe en merkte op: „Hij is een prefekt, Ellinghem; hij zit in de zesde.”„Ja,” antwoordde ik. „Maar wat zou dat?”„Niets; ik wou je alleen maar zeggen dat je geen steek tegen ’m kunt doen als hij je slaat.”„Dat weet ik ook wel,” hernam ik; „de jongen is zoo groot, en hij ziet er zoo sterk uit dat je niet bang behoeft te zijn dat ik met hem zal gaan vechten.”„Nee, dat snap ik,” zei Stenford met een hoonlach. „Dat bedoelde ik niet. Ik wou je alleen maar zeggen dat hij als prefekt mede orde moet houden—dit wordt ten minste voorondersteld—en dit kan hij altijd als voorwendsel nemen om je een rammeling te geven.”„Ja,” zei ik. Bob Kitsjin had me hiervan al op de hoogte gebracht.„Wie heeft je als feg genomen?” vroeg hij.„Norman,” antwoordde ik.„Prachtig; dan mag je van geluk spreken.”„Ik ben nog niet bij hem geweest,” zei ik. „Bob—Kitsjin, bedoel ik—heeft gezegd dat hij me mee zou nemen naar de kamer van Norman.”„Hij en Norman zijn dikke vrienden,” hernam Stenford, „en Juniper is nummer drie. Je ziet hen bijna altijd samen. Vraag het maar aan Burns. Die is de feg van Juniper.”Burns knikte bevestigend met het hoofd.Op dit oogenblik kwam Kien aanzetten op wiens bleek gelaat nu de zweem van een glimlach was verschenen.„Zoo, hoe heb jij het gehad?” riep Stenford hem vroolijk toe. „Heb je er geducht van langs gekregen van Kolman?”„Nee,” antwoordde Kien; „’t is toch een beste vent.”„Heb je geen straf gekregen?” vroeg ik.„Jawel, maar ik heb hem alles verteld van die koolgas-geschiedenis en die ontploffing,” hernam Kien. „De man is zelf zoo dol op natuurkunde, en daarom ben ik er afgekomen met een geweldigen uitbrander en een hoop strafwerk, zoodat ik in de volgende weken bijna geen vrij uur zal hebben. Ga mee naar het laboratorium, Ellinghem, en laat me die luchtpomp ’s zien.”„Ik voor mij zou liever een pak ransel hebben gehad,” zei Stenford.„Maar dat zou mijn rapport hebben bedorven,” hernam Kien, „en als dat goed is dan heeft mijn oom in Londen me een heelen boel chemische apparaten beloofd.—Vooruit, Ellinghem, ga nu mee.”„Dan zal je ons zeker in de lucht laten vliegen, als je die dingen krijgt. Maar daar komt die ellendige Brunton aan. Laten we maken dat we wegkomen.”BRAVO BOB.BRAVO BOB.„Je scheidt uit,” zei hij heel kalm. Bladz. 93.Kien en ik hadden ons juist omgekeerd toen ik mijn naamhoorde roepen; ik herkende de stem en de angst sloeg me om het hart.„Ellinghem, kom hier!”Ik bleef besluiteloos staan.„Het is het best dat je naar hem toegaat,” fluisterde Kien.„Waarom kom je niet dadelijk als ik je roep?” schreeuwde Brunton. „Hier, zeg ik!”Ik keerde me om en liep naar hem toe. Dester stond naast hem en keek me aan met een loerenden blik.„Hoe durf jij op een jongen aanvallen als je nauwelijks een voet hier hebt gezet?” snauwde hij me toe.„Hij begon,” zei ik.„Zoo’n leugenaar!—Jij hebt ’m niet geslagen, is het wel Dester?”„Alleen nadat hij was begonnen,” antwoordde Dester, zonder een oogenblik te aarzelen.„Dat dacht ik wel,” hernam Brunton; „en jij was het ook die gisteravond door de gang liep te wandelen. Je weet heel goed dat je daar niets hebt te maken op dat uur. Je begint mooi, dat moet ik zeggen, maar ik zal je wel leeren. Ga mee!”Hij greep me bij den kraag en duwde me door de deur van de gymnastiekzaal die open stond.„Geef me een van die dingen, Dester,” zei hij.In een hoek stonden een paar schermdegens; de gehoorzame Dester greep er een en reikte dien over.Brunton gaf me een stomp en zei: „Je blijft doodstil staan; begrepen?”Hij hief den arm op, maar de degen werd hem uit de hand geslagen en viel kletterend op den grond.Toen ik omkeek zag ik Bob Kitsjin, die zelf een schermdegen in de hand hield. In zijn oogen lag een eigenaardige blik. „Je scheidt uit,” zei hij heel kalm. Blijkbaar was hij aan het schermen geweest met een jongen aan het andere eindevan de zaal, en zeker had hij hiermede opgehouden toen hij ons had zien binnenkomen.Brunton werd bleek van woede. Een groep jongens stond in de verte toe te kijken om te zien wat er zou gebeuren, nu Bob tusschenbeide was gekomen.
HOOFDSTUK XIII.IK MAAK KENNIS MET BRUNTON.Onmiddellijk keerde ik om, daar ik zoo spoedig mogelijk weer de zijdeur wilde bereiken waardoor ik me naar buiten had begeven. Ik begreep nu dat de jongen die met die boodschap was komen aanzetten een handlanger was geweest van Dester.Op deze wijze had die wraak willen nemen; hij had me in den tuin gelokt!Ik ging terug langs het pad dat ik was afgekomen, maar het was zóó donker en die boomen leken zóó op elkaar dat ik zeker verkeerd was afgeslagen, want weldra was ik de kluts kwijt geraakt. Ik zette het nu op een loopen in de juiste richting naar ik dacht, terwijl ik schichtige blikken om me heenwierp, in de hoop ergens een licht te ontdekken. Het was toch niet denkbaar dat in dit avonduur geen enkel raam van de school meer zou zijn verlicht; daarom bleef ik zoeken naar het een of andere schijnsel.Het duurde niet lang of ik stiet met mijn knieën tegen een ijzeren traliewerk, dat de grens vormde van het terrein waarover ik rondzwierf. Ik kon het pad onderscheiden dat hier aan den anderen kant langs liep en ik hoorde de zee klotsen, waaruit ik opmaakte dat ik me in de nabijheid van de klip bevond. Ik keerde om, geraakte opnieuw verdwaald tusschen de struiken; nergens kon ik eenlichtstraalgewaarworden, en ten slotte kwam ik weer terecht bij het ijzeren traliewerk.Intusschen moest het al aardig laat zijn geworden. Als ik eens was buitengesloten! Dan zou het er zeker geducht leelijk voor me uitzien en dan zou ik wel degelijk bij den chef moeten komen. Ik volgde nu maar een pad op goed geluk om te zien waar dit me bracht, maar het kronkelde zoo verschrikkelijk dat ik een gevoel kreeg of ik in een kring rondliep, als menschen die verdwaald zijn geraakt in de woestijn of in de bergen.Het slot was dat ik voor de derde maal bij het traliewerk was beland! Toen bleef ik hier langs loopen; dat hek moest toch ergens eindigen!Ik kwam aan een gebouw, waarschijnlijk de stallen, want ik hoorde gerammel van kettingen en stampen van hoeven. Een hond had blijkbaar gemerkt dat ik aan kwam sluipen, want het dier begon verwoed te blaffen. Tastend vervolgde ik mijn weg langs de donkere muren, tot ik een deur bereikte waar het gebouw een hoek maakte; de klink week onmiddellijk toen ik die oplichtte. Ik ging binnen en werd nu voor de eerste maal een licht gewaar; in die richting begaf ik me over een wijde open vlakte waarin ik plotseling het binnenplein herkende van het hoofdgebouw.Ik had nu zoo genoeg van mijn zwerftocht en was zoo blij dat ik eindelijk eenig teeken van leven bespeurde dat ik onmiddellijk mijn krachten op de deur begon te beproeven, waarboven een raam was aangebracht dat helder werd beschenen. Ik dacht niet anders dan dat die deur op slot zou zitten: voor ik echter schelde, probeerde ik eerst het handvat om te draaien om me hiervan te overtuigen, en tot mijn onuitsprekelijke verbazing en verrukking was het slot niet omgedraaid aan den binnenkant. Een oogenblik later stond ik in het voorportaal waar ik dien avond met Burns mijn intrede had gemaakt—hoe lang scheen dit niet geleden!Toen ik de deur heel zacht had gesloten, liep ik als een muis door een lange gang, in de hoop het een of ander te ontdekken dat als wegwijzer zou kunnen dienen om mijn kamer terug te vinden. Toen ik een hoek omsloeg waar het donker was en geen licht brandde liep ik onverhoeds tegen een grooten jongen aan die van den anderen kant kwam aanzetten. Hij was zoo forsch en stevig gebouwd, dat ik bij de botsing tegen den muur terecht kwam.„Uil, die je bent! Waarom maak je zoo’n kabaal?” vroeg hij nijdig, zonder dat hij zijn stem echter durfde uitzetten.Terwijl hij dit zei keek hij schichtig om zich heen, zoodat ik begreep dat hij er in zijn eentje op uittrok en zich schuldig maakte aan de een of andere overtreding.„Allo, wat voer je hier uit?” vroeg hij, terwijl hij me bij den kraag greep en me heen en weer schudde.Hij was blijkbaar zoo kwaad en ik was er zoo zeker van dat het er leelijk voor hem zou uitzien als hij werd gesnapt, dat ik het maar het best vond om heel gewoon te antwoorden; dan zou hij me misschien het gauwst weer loslaten.„Ik wou naar mijn kamer gaan,” zei ik.„Houd je koest, uil die je bent,” beet hij me toe. „Vooruit, ga dan maar naar je kamer.”Hij sprak tegen me of ik een hond was en gaf me een schop toen ik me omkeerde om door te loopen.„Wat zou dat voor een vent zijn,” vroeg ik me af, toen ik eindelijk verdrietig en vermoeid mijn kamer had terug gevonden en veilig onder de dekens kroop. Het was een plompe jongen met een stiere-nek; hij miste een voortand, waardoor hij eenigszins lispelde. Als mijn wenschen waren vervuld, dan zouden al zijn tanden uitgeslagen mogen worden; hij had dan kunnen mummelen totdat de dentist hem onder handen had genomen.Den volgenden morgen gaf ik een korte beschrijving van hem aan Stenford.„O, dat is natuurlijk Brunton geweest,” zei hij. „Een nare vent. Zorg maar dat je uit zijn buurt blijft.”Ik was niet anders van plan. We bevonden ons nu op het speelterrein en ik zag Dester telkens een kwaadaardigen blik werpen in mijn richting; zijn gezicht zag nog bont en blauw en een naar gevoel welde bij me op toen ik zag dat hij op me wees, terwijl hij stond te praten met den grooten jongen, tegen wien ik den vorigen avond was aangebonsd. In de verte werd ik Bob Kitsjin gewaar; ik wou naar hem toeloopen om hem die ontmoeting te vertellen, maar bij nader inzien deed ik dit niet, want dan had ik ook moeten bekennen dat ze me voor den gek hadden gehouden en dat ik er zoo leelijk was ingevlogen. En ik wilde Bob ook niet telkens komen lastig vallen.Burns kwam nu op me toeloopen. Hij wees naar den jongen met wien Dester stond te praten en zei: „D-dat is B-Brunton,” zoodat mijn laatste zweem van twijfel was verdwenen.„En is hij de zoon van dien man bij wien we gisteren zijn geweest?” vroeg ik.„Ja,” zei Burns. „Hij is een ellendeling,” voegde hij er met overtuiging bij.Stenford keerde zich naar me toe en merkte op: „Hij is een prefekt, Ellinghem; hij zit in de zesde.”„Ja,” antwoordde ik. „Maar wat zou dat?”„Niets; ik wou je alleen maar zeggen dat je geen steek tegen ’m kunt doen als hij je slaat.”„Dat weet ik ook wel,” hernam ik; „de jongen is zoo groot, en hij ziet er zoo sterk uit dat je niet bang behoeft te zijn dat ik met hem zal gaan vechten.”„Nee, dat snap ik,” zei Stenford met een hoonlach. „Dat bedoelde ik niet. Ik wou je alleen maar zeggen dat hij als prefekt mede orde moet houden—dit wordt ten minste voorondersteld—en dit kan hij altijd als voorwendsel nemen om je een rammeling te geven.”„Ja,” zei ik. Bob Kitsjin had me hiervan al op de hoogte gebracht.„Wie heeft je als feg genomen?” vroeg hij.„Norman,” antwoordde ik.„Prachtig; dan mag je van geluk spreken.”„Ik ben nog niet bij hem geweest,” zei ik. „Bob—Kitsjin, bedoel ik—heeft gezegd dat hij me mee zou nemen naar de kamer van Norman.”„Hij en Norman zijn dikke vrienden,” hernam Stenford, „en Juniper is nummer drie. Je ziet hen bijna altijd samen. Vraag het maar aan Burns. Die is de feg van Juniper.”Burns knikte bevestigend met het hoofd.Op dit oogenblik kwam Kien aanzetten op wiens bleek gelaat nu de zweem van een glimlach was verschenen.„Zoo, hoe heb jij het gehad?” riep Stenford hem vroolijk toe. „Heb je er geducht van langs gekregen van Kolman?”„Nee,” antwoordde Kien; „’t is toch een beste vent.”„Heb je geen straf gekregen?” vroeg ik.„Jawel, maar ik heb hem alles verteld van die koolgas-geschiedenis en die ontploffing,” hernam Kien. „De man is zelf zoo dol op natuurkunde, en daarom ben ik er afgekomen met een geweldigen uitbrander en een hoop strafwerk, zoodat ik in de volgende weken bijna geen vrij uur zal hebben. Ga mee naar het laboratorium, Ellinghem, en laat me die luchtpomp ’s zien.”„Ik voor mij zou liever een pak ransel hebben gehad,” zei Stenford.„Maar dat zou mijn rapport hebben bedorven,” hernam Kien, „en als dat goed is dan heeft mijn oom in Londen me een heelen boel chemische apparaten beloofd.—Vooruit, Ellinghem, ga nu mee.”„Dan zal je ons zeker in de lucht laten vliegen, als je die dingen krijgt. Maar daar komt die ellendige Brunton aan. Laten we maken dat we wegkomen.”BRAVO BOB.BRAVO BOB.„Je scheidt uit,” zei hij heel kalm. Bladz. 93.Kien en ik hadden ons juist omgekeerd toen ik mijn naamhoorde roepen; ik herkende de stem en de angst sloeg me om het hart.„Ellinghem, kom hier!”Ik bleef besluiteloos staan.„Het is het best dat je naar hem toegaat,” fluisterde Kien.„Waarom kom je niet dadelijk als ik je roep?” schreeuwde Brunton. „Hier, zeg ik!”Ik keerde me om en liep naar hem toe. Dester stond naast hem en keek me aan met een loerenden blik.„Hoe durf jij op een jongen aanvallen als je nauwelijks een voet hier hebt gezet?” snauwde hij me toe.„Hij begon,” zei ik.„Zoo’n leugenaar!—Jij hebt ’m niet geslagen, is het wel Dester?”„Alleen nadat hij was begonnen,” antwoordde Dester, zonder een oogenblik te aarzelen.„Dat dacht ik wel,” hernam Brunton; „en jij was het ook die gisteravond door de gang liep te wandelen. Je weet heel goed dat je daar niets hebt te maken op dat uur. Je begint mooi, dat moet ik zeggen, maar ik zal je wel leeren. Ga mee!”Hij greep me bij den kraag en duwde me door de deur van de gymnastiekzaal die open stond.„Geef me een van die dingen, Dester,” zei hij.In een hoek stonden een paar schermdegens; de gehoorzame Dester greep er een en reikte dien over.Brunton gaf me een stomp en zei: „Je blijft doodstil staan; begrepen?”Hij hief den arm op, maar de degen werd hem uit de hand geslagen en viel kletterend op den grond.Toen ik omkeek zag ik Bob Kitsjin, die zelf een schermdegen in de hand hield. In zijn oogen lag een eigenaardige blik. „Je scheidt uit,” zei hij heel kalm. Blijkbaar was hij aan het schermen geweest met een jongen aan het andere eindevan de zaal, en zeker had hij hiermede opgehouden toen hij ons had zien binnenkomen.Brunton werd bleek van woede. Een groep jongens stond in de verte toe te kijken om te zien wat er zou gebeuren, nu Bob tusschenbeide was gekomen.
HOOFDSTUK XIII.IK MAAK KENNIS MET BRUNTON.
Onmiddellijk keerde ik om, daar ik zoo spoedig mogelijk weer de zijdeur wilde bereiken waardoor ik me naar buiten had begeven. Ik begreep nu dat de jongen die met die boodschap was komen aanzetten een handlanger was geweest van Dester.Op deze wijze had die wraak willen nemen; hij had me in den tuin gelokt!Ik ging terug langs het pad dat ik was afgekomen, maar het was zóó donker en die boomen leken zóó op elkaar dat ik zeker verkeerd was afgeslagen, want weldra was ik de kluts kwijt geraakt. Ik zette het nu op een loopen in de juiste richting naar ik dacht, terwijl ik schichtige blikken om me heenwierp, in de hoop ergens een licht te ontdekken. Het was toch niet denkbaar dat in dit avonduur geen enkel raam van de school meer zou zijn verlicht; daarom bleef ik zoeken naar het een of andere schijnsel.Het duurde niet lang of ik stiet met mijn knieën tegen een ijzeren traliewerk, dat de grens vormde van het terrein waarover ik rondzwierf. Ik kon het pad onderscheiden dat hier aan den anderen kant langs liep en ik hoorde de zee klotsen, waaruit ik opmaakte dat ik me in de nabijheid van de klip bevond. Ik keerde om, geraakte opnieuw verdwaald tusschen de struiken; nergens kon ik eenlichtstraalgewaarworden, en ten slotte kwam ik weer terecht bij het ijzeren traliewerk.Intusschen moest het al aardig laat zijn geworden. Als ik eens was buitengesloten! Dan zou het er zeker geducht leelijk voor me uitzien en dan zou ik wel degelijk bij den chef moeten komen. Ik volgde nu maar een pad op goed geluk om te zien waar dit me bracht, maar het kronkelde zoo verschrikkelijk dat ik een gevoel kreeg of ik in een kring rondliep, als menschen die verdwaald zijn geraakt in de woestijn of in de bergen.Het slot was dat ik voor de derde maal bij het traliewerk was beland! Toen bleef ik hier langs loopen; dat hek moest toch ergens eindigen!Ik kwam aan een gebouw, waarschijnlijk de stallen, want ik hoorde gerammel van kettingen en stampen van hoeven. Een hond had blijkbaar gemerkt dat ik aan kwam sluipen, want het dier begon verwoed te blaffen. Tastend vervolgde ik mijn weg langs de donkere muren, tot ik een deur bereikte waar het gebouw een hoek maakte; de klink week onmiddellijk toen ik die oplichtte. Ik ging binnen en werd nu voor de eerste maal een licht gewaar; in die richting begaf ik me over een wijde open vlakte waarin ik plotseling het binnenplein herkende van het hoofdgebouw.Ik had nu zoo genoeg van mijn zwerftocht en was zoo blij dat ik eindelijk eenig teeken van leven bespeurde dat ik onmiddellijk mijn krachten op de deur begon te beproeven, waarboven een raam was aangebracht dat helder werd beschenen. Ik dacht niet anders dan dat die deur op slot zou zitten: voor ik echter schelde, probeerde ik eerst het handvat om te draaien om me hiervan te overtuigen, en tot mijn onuitsprekelijke verbazing en verrukking was het slot niet omgedraaid aan den binnenkant. Een oogenblik later stond ik in het voorportaal waar ik dien avond met Burns mijn intrede had gemaakt—hoe lang scheen dit niet geleden!Toen ik de deur heel zacht had gesloten, liep ik als een muis door een lange gang, in de hoop het een of ander te ontdekken dat als wegwijzer zou kunnen dienen om mijn kamer terug te vinden. Toen ik een hoek omsloeg waar het donker was en geen licht brandde liep ik onverhoeds tegen een grooten jongen aan die van den anderen kant kwam aanzetten. Hij was zoo forsch en stevig gebouwd, dat ik bij de botsing tegen den muur terecht kwam.„Uil, die je bent! Waarom maak je zoo’n kabaal?” vroeg hij nijdig, zonder dat hij zijn stem echter durfde uitzetten.Terwijl hij dit zei keek hij schichtig om zich heen, zoodat ik begreep dat hij er in zijn eentje op uittrok en zich schuldig maakte aan de een of andere overtreding.„Allo, wat voer je hier uit?” vroeg hij, terwijl hij me bij den kraag greep en me heen en weer schudde.Hij was blijkbaar zoo kwaad en ik was er zoo zeker van dat het er leelijk voor hem zou uitzien als hij werd gesnapt, dat ik het maar het best vond om heel gewoon te antwoorden; dan zou hij me misschien het gauwst weer loslaten.„Ik wou naar mijn kamer gaan,” zei ik.„Houd je koest, uil die je bent,” beet hij me toe. „Vooruit, ga dan maar naar je kamer.”Hij sprak tegen me of ik een hond was en gaf me een schop toen ik me omkeerde om door te loopen.„Wat zou dat voor een vent zijn,” vroeg ik me af, toen ik eindelijk verdrietig en vermoeid mijn kamer had terug gevonden en veilig onder de dekens kroop. Het was een plompe jongen met een stiere-nek; hij miste een voortand, waardoor hij eenigszins lispelde. Als mijn wenschen waren vervuld, dan zouden al zijn tanden uitgeslagen mogen worden; hij had dan kunnen mummelen totdat de dentist hem onder handen had genomen.Den volgenden morgen gaf ik een korte beschrijving van hem aan Stenford.„O, dat is natuurlijk Brunton geweest,” zei hij. „Een nare vent. Zorg maar dat je uit zijn buurt blijft.”Ik was niet anders van plan. We bevonden ons nu op het speelterrein en ik zag Dester telkens een kwaadaardigen blik werpen in mijn richting; zijn gezicht zag nog bont en blauw en een naar gevoel welde bij me op toen ik zag dat hij op me wees, terwijl hij stond te praten met den grooten jongen, tegen wien ik den vorigen avond was aangebonsd. In de verte werd ik Bob Kitsjin gewaar; ik wou naar hem toeloopen om hem die ontmoeting te vertellen, maar bij nader inzien deed ik dit niet, want dan had ik ook moeten bekennen dat ze me voor den gek hadden gehouden en dat ik er zoo leelijk was ingevlogen. En ik wilde Bob ook niet telkens komen lastig vallen.Burns kwam nu op me toeloopen. Hij wees naar den jongen met wien Dester stond te praten en zei: „D-dat is B-Brunton,” zoodat mijn laatste zweem van twijfel was verdwenen.„En is hij de zoon van dien man bij wien we gisteren zijn geweest?” vroeg ik.„Ja,” zei Burns. „Hij is een ellendeling,” voegde hij er met overtuiging bij.Stenford keerde zich naar me toe en merkte op: „Hij is een prefekt, Ellinghem; hij zit in de zesde.”„Ja,” antwoordde ik. „Maar wat zou dat?”„Niets; ik wou je alleen maar zeggen dat je geen steek tegen ’m kunt doen als hij je slaat.”„Dat weet ik ook wel,” hernam ik; „de jongen is zoo groot, en hij ziet er zoo sterk uit dat je niet bang behoeft te zijn dat ik met hem zal gaan vechten.”„Nee, dat snap ik,” zei Stenford met een hoonlach. „Dat bedoelde ik niet. Ik wou je alleen maar zeggen dat hij als prefekt mede orde moet houden—dit wordt ten minste voorondersteld—en dit kan hij altijd als voorwendsel nemen om je een rammeling te geven.”„Ja,” zei ik. Bob Kitsjin had me hiervan al op de hoogte gebracht.„Wie heeft je als feg genomen?” vroeg hij.„Norman,” antwoordde ik.„Prachtig; dan mag je van geluk spreken.”„Ik ben nog niet bij hem geweest,” zei ik. „Bob—Kitsjin, bedoel ik—heeft gezegd dat hij me mee zou nemen naar de kamer van Norman.”„Hij en Norman zijn dikke vrienden,” hernam Stenford, „en Juniper is nummer drie. Je ziet hen bijna altijd samen. Vraag het maar aan Burns. Die is de feg van Juniper.”Burns knikte bevestigend met het hoofd.Op dit oogenblik kwam Kien aanzetten op wiens bleek gelaat nu de zweem van een glimlach was verschenen.„Zoo, hoe heb jij het gehad?” riep Stenford hem vroolijk toe. „Heb je er geducht van langs gekregen van Kolman?”„Nee,” antwoordde Kien; „’t is toch een beste vent.”„Heb je geen straf gekregen?” vroeg ik.„Jawel, maar ik heb hem alles verteld van die koolgas-geschiedenis en die ontploffing,” hernam Kien. „De man is zelf zoo dol op natuurkunde, en daarom ben ik er afgekomen met een geweldigen uitbrander en een hoop strafwerk, zoodat ik in de volgende weken bijna geen vrij uur zal hebben. Ga mee naar het laboratorium, Ellinghem, en laat me die luchtpomp ’s zien.”„Ik voor mij zou liever een pak ransel hebben gehad,” zei Stenford.„Maar dat zou mijn rapport hebben bedorven,” hernam Kien, „en als dat goed is dan heeft mijn oom in Londen me een heelen boel chemische apparaten beloofd.—Vooruit, Ellinghem, ga nu mee.”„Dan zal je ons zeker in de lucht laten vliegen, als je die dingen krijgt. Maar daar komt die ellendige Brunton aan. Laten we maken dat we wegkomen.”BRAVO BOB.BRAVO BOB.„Je scheidt uit,” zei hij heel kalm. Bladz. 93.Kien en ik hadden ons juist omgekeerd toen ik mijn naamhoorde roepen; ik herkende de stem en de angst sloeg me om het hart.„Ellinghem, kom hier!”Ik bleef besluiteloos staan.„Het is het best dat je naar hem toegaat,” fluisterde Kien.„Waarom kom je niet dadelijk als ik je roep?” schreeuwde Brunton. „Hier, zeg ik!”Ik keerde me om en liep naar hem toe. Dester stond naast hem en keek me aan met een loerenden blik.„Hoe durf jij op een jongen aanvallen als je nauwelijks een voet hier hebt gezet?” snauwde hij me toe.„Hij begon,” zei ik.„Zoo’n leugenaar!—Jij hebt ’m niet geslagen, is het wel Dester?”„Alleen nadat hij was begonnen,” antwoordde Dester, zonder een oogenblik te aarzelen.„Dat dacht ik wel,” hernam Brunton; „en jij was het ook die gisteravond door de gang liep te wandelen. Je weet heel goed dat je daar niets hebt te maken op dat uur. Je begint mooi, dat moet ik zeggen, maar ik zal je wel leeren. Ga mee!”Hij greep me bij den kraag en duwde me door de deur van de gymnastiekzaal die open stond.„Geef me een van die dingen, Dester,” zei hij.In een hoek stonden een paar schermdegens; de gehoorzame Dester greep er een en reikte dien over.Brunton gaf me een stomp en zei: „Je blijft doodstil staan; begrepen?”Hij hief den arm op, maar de degen werd hem uit de hand geslagen en viel kletterend op den grond.Toen ik omkeek zag ik Bob Kitsjin, die zelf een schermdegen in de hand hield. In zijn oogen lag een eigenaardige blik. „Je scheidt uit,” zei hij heel kalm. Blijkbaar was hij aan het schermen geweest met een jongen aan het andere eindevan de zaal, en zeker had hij hiermede opgehouden toen hij ons had zien binnenkomen.Brunton werd bleek van woede. Een groep jongens stond in de verte toe te kijken om te zien wat er zou gebeuren, nu Bob tusschenbeide was gekomen.
Onmiddellijk keerde ik om, daar ik zoo spoedig mogelijk weer de zijdeur wilde bereiken waardoor ik me naar buiten had begeven. Ik begreep nu dat de jongen die met die boodschap was komen aanzetten een handlanger was geweest van Dester.
Op deze wijze had die wraak willen nemen; hij had me in den tuin gelokt!
Ik ging terug langs het pad dat ik was afgekomen, maar het was zóó donker en die boomen leken zóó op elkaar dat ik zeker verkeerd was afgeslagen, want weldra was ik de kluts kwijt geraakt. Ik zette het nu op een loopen in de juiste richting naar ik dacht, terwijl ik schichtige blikken om me heenwierp, in de hoop ergens een licht te ontdekken. Het was toch niet denkbaar dat in dit avonduur geen enkel raam van de school meer zou zijn verlicht; daarom bleef ik zoeken naar het een of andere schijnsel.
Het duurde niet lang of ik stiet met mijn knieën tegen een ijzeren traliewerk, dat de grens vormde van het terrein waarover ik rondzwierf. Ik kon het pad onderscheiden dat hier aan den anderen kant langs liep en ik hoorde de zee klotsen, waaruit ik opmaakte dat ik me in de nabijheid van de klip bevond. Ik keerde om, geraakte opnieuw verdwaald tusschen de struiken; nergens kon ik eenlichtstraalgewaarworden, en ten slotte kwam ik weer terecht bij het ijzeren traliewerk.
Intusschen moest het al aardig laat zijn geworden. Als ik eens was buitengesloten! Dan zou het er zeker geducht leelijk voor me uitzien en dan zou ik wel degelijk bij den chef moeten komen. Ik volgde nu maar een pad op goed geluk om te zien waar dit me bracht, maar het kronkelde zoo verschrikkelijk dat ik een gevoel kreeg of ik in een kring rondliep, als menschen die verdwaald zijn geraakt in de woestijn of in de bergen.
Het slot was dat ik voor de derde maal bij het traliewerk was beland! Toen bleef ik hier langs loopen; dat hek moest toch ergens eindigen!
Ik kwam aan een gebouw, waarschijnlijk de stallen, want ik hoorde gerammel van kettingen en stampen van hoeven. Een hond had blijkbaar gemerkt dat ik aan kwam sluipen, want het dier begon verwoed te blaffen. Tastend vervolgde ik mijn weg langs de donkere muren, tot ik een deur bereikte waar het gebouw een hoek maakte; de klink week onmiddellijk toen ik die oplichtte. Ik ging binnen en werd nu voor de eerste maal een licht gewaar; in die richting begaf ik me over een wijde open vlakte waarin ik plotseling het binnenplein herkende van het hoofdgebouw.
Ik had nu zoo genoeg van mijn zwerftocht en was zoo blij dat ik eindelijk eenig teeken van leven bespeurde dat ik onmiddellijk mijn krachten op de deur begon te beproeven, waarboven een raam was aangebracht dat helder werd beschenen. Ik dacht niet anders dan dat die deur op slot zou zitten: voor ik echter schelde, probeerde ik eerst het handvat om te draaien om me hiervan te overtuigen, en tot mijn onuitsprekelijke verbazing en verrukking was het slot niet omgedraaid aan den binnenkant. Een oogenblik later stond ik in het voorportaal waar ik dien avond met Burns mijn intrede had gemaakt—hoe lang scheen dit niet geleden!
Toen ik de deur heel zacht had gesloten, liep ik als een muis door een lange gang, in de hoop het een of ander te ontdekken dat als wegwijzer zou kunnen dienen om mijn kamer terug te vinden. Toen ik een hoek omsloeg waar het donker was en geen licht brandde liep ik onverhoeds tegen een grooten jongen aan die van den anderen kant kwam aanzetten. Hij was zoo forsch en stevig gebouwd, dat ik bij de botsing tegen den muur terecht kwam.
„Uil, die je bent! Waarom maak je zoo’n kabaal?” vroeg hij nijdig, zonder dat hij zijn stem echter durfde uitzetten.
Terwijl hij dit zei keek hij schichtig om zich heen, zoodat ik begreep dat hij er in zijn eentje op uittrok en zich schuldig maakte aan de een of andere overtreding.
„Allo, wat voer je hier uit?” vroeg hij, terwijl hij me bij den kraag greep en me heen en weer schudde.
Hij was blijkbaar zoo kwaad en ik was er zoo zeker van dat het er leelijk voor hem zou uitzien als hij werd gesnapt, dat ik het maar het best vond om heel gewoon te antwoorden; dan zou hij me misschien het gauwst weer loslaten.
„Ik wou naar mijn kamer gaan,” zei ik.
„Houd je koest, uil die je bent,” beet hij me toe. „Vooruit, ga dan maar naar je kamer.”
Hij sprak tegen me of ik een hond was en gaf me een schop toen ik me omkeerde om door te loopen.
„Wat zou dat voor een vent zijn,” vroeg ik me af, toen ik eindelijk verdrietig en vermoeid mijn kamer had terug gevonden en veilig onder de dekens kroop. Het was een plompe jongen met een stiere-nek; hij miste een voortand, waardoor hij eenigszins lispelde. Als mijn wenschen waren vervuld, dan zouden al zijn tanden uitgeslagen mogen worden; hij had dan kunnen mummelen totdat de dentist hem onder handen had genomen.
Den volgenden morgen gaf ik een korte beschrijving van hem aan Stenford.
„O, dat is natuurlijk Brunton geweest,” zei hij. „Een nare vent. Zorg maar dat je uit zijn buurt blijft.”
Ik was niet anders van plan. We bevonden ons nu op het speelterrein en ik zag Dester telkens een kwaadaardigen blik werpen in mijn richting; zijn gezicht zag nog bont en blauw en een naar gevoel welde bij me op toen ik zag dat hij op me wees, terwijl hij stond te praten met den grooten jongen, tegen wien ik den vorigen avond was aangebonsd. In de verte werd ik Bob Kitsjin gewaar; ik wou naar hem toeloopen om hem die ontmoeting te vertellen, maar bij nader inzien deed ik dit niet, want dan had ik ook moeten bekennen dat ze me voor den gek hadden gehouden en dat ik er zoo leelijk was ingevlogen. En ik wilde Bob ook niet telkens komen lastig vallen.
Burns kwam nu op me toeloopen. Hij wees naar den jongen met wien Dester stond te praten en zei: „D-dat is B-Brunton,” zoodat mijn laatste zweem van twijfel was verdwenen.
„En is hij de zoon van dien man bij wien we gisteren zijn geweest?” vroeg ik.
„Ja,” zei Burns. „Hij is een ellendeling,” voegde hij er met overtuiging bij.
Stenford keerde zich naar me toe en merkte op: „Hij is een prefekt, Ellinghem; hij zit in de zesde.”
„Ja,” antwoordde ik. „Maar wat zou dat?”
„Niets; ik wou je alleen maar zeggen dat je geen steek tegen ’m kunt doen als hij je slaat.”
„Dat weet ik ook wel,” hernam ik; „de jongen is zoo groot, en hij ziet er zoo sterk uit dat je niet bang behoeft te zijn dat ik met hem zal gaan vechten.”
„Nee, dat snap ik,” zei Stenford met een hoonlach. „Dat bedoelde ik niet. Ik wou je alleen maar zeggen dat hij als prefekt mede orde moet houden—dit wordt ten minste voorondersteld—en dit kan hij altijd als voorwendsel nemen om je een rammeling te geven.”
„Ja,” zei ik. Bob Kitsjin had me hiervan al op de hoogte gebracht.
„Wie heeft je als feg genomen?” vroeg hij.
„Norman,” antwoordde ik.
„Prachtig; dan mag je van geluk spreken.”
„Ik ben nog niet bij hem geweest,” zei ik. „Bob—Kitsjin, bedoel ik—heeft gezegd dat hij me mee zou nemen naar de kamer van Norman.”
„Hij en Norman zijn dikke vrienden,” hernam Stenford, „en Juniper is nummer drie. Je ziet hen bijna altijd samen. Vraag het maar aan Burns. Die is de feg van Juniper.”
Burns knikte bevestigend met het hoofd.
Op dit oogenblik kwam Kien aanzetten op wiens bleek gelaat nu de zweem van een glimlach was verschenen.
„Zoo, hoe heb jij het gehad?” riep Stenford hem vroolijk toe. „Heb je er geducht van langs gekregen van Kolman?”
„Nee,” antwoordde Kien; „’t is toch een beste vent.”
„Heb je geen straf gekregen?” vroeg ik.
„Jawel, maar ik heb hem alles verteld van die koolgas-geschiedenis en die ontploffing,” hernam Kien. „De man is zelf zoo dol op natuurkunde, en daarom ben ik er afgekomen met een geweldigen uitbrander en een hoop strafwerk, zoodat ik in de volgende weken bijna geen vrij uur zal hebben. Ga mee naar het laboratorium, Ellinghem, en laat me die luchtpomp ’s zien.”
„Ik voor mij zou liever een pak ransel hebben gehad,” zei Stenford.
„Maar dat zou mijn rapport hebben bedorven,” hernam Kien, „en als dat goed is dan heeft mijn oom in Londen me een heelen boel chemische apparaten beloofd.—Vooruit, Ellinghem, ga nu mee.”
„Dan zal je ons zeker in de lucht laten vliegen, als je die dingen krijgt. Maar daar komt die ellendige Brunton aan. Laten we maken dat we wegkomen.”
BRAVO BOB.BRAVO BOB.„Je scheidt uit,” zei hij heel kalm. Bladz. 93.
BRAVO BOB.
„Je scheidt uit,” zei hij heel kalm. Bladz. 93.
Kien en ik hadden ons juist omgekeerd toen ik mijn naamhoorde roepen; ik herkende de stem en de angst sloeg me om het hart.
„Ellinghem, kom hier!”
Ik bleef besluiteloos staan.
„Het is het best dat je naar hem toegaat,” fluisterde Kien.
„Waarom kom je niet dadelijk als ik je roep?” schreeuwde Brunton. „Hier, zeg ik!”
Ik keerde me om en liep naar hem toe. Dester stond naast hem en keek me aan met een loerenden blik.
„Hoe durf jij op een jongen aanvallen als je nauwelijks een voet hier hebt gezet?” snauwde hij me toe.
„Hij begon,” zei ik.
„Zoo’n leugenaar!—Jij hebt ’m niet geslagen, is het wel Dester?”
„Alleen nadat hij was begonnen,” antwoordde Dester, zonder een oogenblik te aarzelen.
„Dat dacht ik wel,” hernam Brunton; „en jij was het ook die gisteravond door de gang liep te wandelen. Je weet heel goed dat je daar niets hebt te maken op dat uur. Je begint mooi, dat moet ik zeggen, maar ik zal je wel leeren. Ga mee!”
Hij greep me bij den kraag en duwde me door de deur van de gymnastiekzaal die open stond.
„Geef me een van die dingen, Dester,” zei hij.
In een hoek stonden een paar schermdegens; de gehoorzame Dester greep er een en reikte dien over.
Brunton gaf me een stomp en zei: „Je blijft doodstil staan; begrepen?”
Hij hief den arm op, maar de degen werd hem uit de hand geslagen en viel kletterend op den grond.
Toen ik omkeek zag ik Bob Kitsjin, die zelf een schermdegen in de hand hield. In zijn oogen lag een eigenaardige blik. „Je scheidt uit,” zei hij heel kalm. Blijkbaar was hij aan het schermen geweest met een jongen aan het andere eindevan de zaal, en zeker had hij hiermede opgehouden toen hij ons had zien binnenkomen.
Brunton werd bleek van woede. Een groep jongens stond in de verte toe te kijken om te zien wat er zou gebeuren, nu Bob tusschenbeide was gekomen.