HOOFDSTUK XIV.

HOOFDSTUK XIV.DE STUDEERKAMER VAN NORMAN.„Nou, sla je er niet op?” vroeg Bob heel kalm en bedaard, terwijl hij Brunton zoo doordringend aanzag dat die de oogen neersloeg.Brunton stond te koken en zieden van drift; zijn gezicht vertrok krampachtig en ik dacht niet anders dan dat hij als een tijger op Bob zou aanvliegen. Maar dit gebeurde niet. Hij keerde zich om en verliet de gymnastiekzaal; zijn gang had iets waggelends alsof hij dronken was.„Kom vanmiddag na de thee in mijn kamer, Martin,” zei Bob zoo kalm of er niets was gebeurd.—„Het spijt me, Brys, dat we werden gestoord,” hernam hij, terwijl hij zich naar den jongen keerde met wien hij had staan schermen. „Willen we voortgaan?” En een oogenblik later had hij kranig gepareerd en kletterden de degens tegen elkaar.Dester was Brunton gevolgd. Toen ze buiten waren gekomen keerde Brunton zich naar Dester om, wien hij een slag om zijn ooren gaf. „Kleine aap die je bent!” snauwde hij Dester toe. „Waarom heb je me niet gezegd dat hij Kitsjin kent?”„Die was goed, hoor,” zei Stenford die met me bij de deur was blijven staan. „Kitsjin is de eenige voor wien de ellendeling bang is. Ik kan me eigenlijk niet begrijpen waarom, want ze hebben nooit iets met elkaar gehad.’t Schijnt dat Kitsjin hem op de een of andere manier in zijn macht heeft. Weet jij er misschien het rechte van?”„Neen,” antwoordde ik. Bob had nooit over Brunton tegen me gesproken.„Je mag van geluk spreken dat Kitsjin een vriend van je is,” hernam Stenford. „De vent zal je voortaan met rust laten; daar kan je van op aan, en Dester ook,” voegde hij er lachend bij. „De arme rekel heeft nu van twee lui op zijn kop gekregen.”„B-Brunton z-zal je t-toch w-wel krijgen,” viel Burns in; „en hij z-zal het K-Kitsjin betaald z-zetten, al m-moet hij m-misschien t-tijden w-wachten voor hij w-w-wraak kan nemen.”„Keurig uitgedrukt, zooals Kijkers zegt,” merkte Stenford lachend op.„Je zal het z-zien,” hield Burns vol.Later zou blijken dat hij gelijk had.„Kom, laten we nu over wat anders praten,” hernam Stenford. „Zeg, Ellinghem, ga je morgenmiddag mee verkennen?”„Heel graag,” antwoordde ik, ofschoon ik eigenlijk niet goed begreep wat hij bedoelde.„En je luchtpomp?” vroeg Kien bezorgd.„Och jij met je luchtpompen,” riep Stenford. „Jij zou maar het liefst den heelen dag in het laboratorium hokken en van tijd tot tijd zelf eens in de lucht vliegen. Pas maar op, Ellinghem; die vent zal nog al je zakgeld leenen om proefbuisjes en scheikundig goedje te koopen.—Jij moet ook meegaan, hoor Kien!”„En ik heb zoo’n hoop strafwerk van Kolman,” wierp Kien tegen op somberen toon.„Ik wed dat je dat met de eene hand schrijft, terwijl de andere met de luchtpomp bezig is,” merkte Stenford spottend op.„Och, je leutert,” zei Kien. „Vooruit, Ellinghem, ga mee. Stenford is tegenwoordig dol op verkennen. De vent heeft altijd de een of andere manie.”„’k Ben blij dat ik er tenminste jouw manie niet op nahoud,” zei Stenford lachend.—„Maar ik reken vast op je, Ellinghem; er gaan een hoop lui mee van onze klas.”„Best,” antwoordde ik, en toen was het tijd om maar binnen te gaan.„Ik zal je naar Norman brengen,” zei Bob, toen ik ’s avonds in zijn kamer kwam. „Maar vertel eerst ’s wat je met Brunton hebt gehad?”Ik legde hem uit wat er was gebeurd.„Je begrijpt toch dat je altijd bij me kunt komen om me alles te vertellen,” zei Bob heel kalm.„Dat weet ik wel,” antwoordde ik; „maar ik wil niet met allerlei kleinigheden je komen lastig vallen.”„Dat is flink van je,” zei Bob; „maar Brunton wist zeker niet dat je een vriend van me was.”Ik kreeg een kleur van pleizier dat Bob mij rondweg zijn vriend noemde op St. Martin, waar hij blijkbaar zoo hoog in aanzien stond en zulk een voorname rol speelde.„Als hij dat had geweten, zou hij zich wel op een afstand hebben gehouden,” ging Bob voort.„Waarom?” vroeg ik.„Och, de vent is wat bang voor me,” hernam Bob; „waarom, dat doet er niet toe. Ik zou je wel de reden kunnen vertellen, maar ik heb beloofd het niet te doen.”„Burns beweert dat hij het jou en mij op de een of andere manier zal betaald zetten,” zei ik.„Laten we ons niet bezorgd maken over de toekomst,” hernam Bob op luchtigen toon. „Dat doen we niet in Canada,” voegde hij er bij, terwijl hij de borst vooruit zette. „Maar ga nou mee naar Norman.”Ik gevoelde het gewicht van het oogenblik toen ik dekamer binnenging van den chef der school, den grootwaardigheidsbekleeder onder de jongens.Het was een lange jongen met een bedaard, ernstig voorkomen; hij zat aan de tafel in een kamer die grooter was dan de gewone studeervertrekken, wat echter niet wil zeggen dat hij een wijde ruimte om zich heen had. Tegenover hem zat Jim Juniper een appel te schillen.„Kom binnen, Bob,” zei Norman, die mij vriendelijk toeknikte.„Weest welkom, heeren!” riep Juniper die zich tot ons keerde, terwijl hij met een lange schil om zijn hoofd zwaaide.„Houd je nu eindelijk eens bedaard—” begon Bob.„Maar ik ben de bedaardheid in persoon,” wierp Jim tegen. „Is het niet, Dick?”Ik stond verbaasd dat iemand den chef van de school bij den voornaam durfde noemen. Norman vond dit blijkbaar heel gewoon, want hij antwoordde doodleuk: „Ik weet maar alleen dat je hier bij mij aan één stuk door zit te ratelen.”„Zeg, ik verkies niet door jou te worden belasterd,” riep Juniper. „Maar laten we onzen kostbaren tijd toch niet met beuzelingen verspillen; we moeten onze aandacht op gewichtiger dingen concentreeren, zooals Kolman zegt. Laat dit jonge mensch nu eens een proef afleggen van zijn kookkunst.”Voordat ik wist wat er gebeurde zat ik bij het vuur met een pannetje in de handen, waarop een stuk of wat vette saucijsjes lagen, die weldra begonnen te spatten en te sissen.„Vanmorgen heb je het met Brunton aan den stok gehad,” merkte Juniper op. „Dat heeft Brys me verteld.”„Och, ik heb het eigenlijk niet met hem aan den stok gehad,” antwoordde Bob. „Prik er in met je vork, Martin, en keer ze telkens.”Deze laatste woorden werden tot mij gericht, omdat hij blijkbaar een andere wending wilde geven aan het gesprek,want ik stond de saucijsjes al te prikken en te keeren.„Hij doet het prachtig,” zei Juniper; „laat hem maar zijn gang gaan, Kitsjin. Dick, je hebt een juweel van een keukenmeid, zooals de dames zeggen op het naaikransje. Brys heeft me verteld dat je als een ridder uit den ouden tijd hem den degen uit de hand hebt geslagen.”„Hij liet zich nog al gemakkelijk ontwapenen,” mompelde Bob. „Hij had me niet zien aankomen, dus de slag kwam onverwachts aan.”„Brys vond het zoo vreemd dat hij niet op je aanvloog.”„Ja, hij liet me met rust,” antwoordde Bob kortaf.„Hij is veel zwaarder gebouwd dan jij.”„Ja, dat is zoo,” zei Bob.„Waarom wilde hij dan niet jouw edel bloed vergieten?”„Hè, scheid nu uit met dat gezeur over Brunton,” riep Bob ongeduldig; „hij is zooveel drukte niet waard.”Norman had zitten schrijven terwijl wij aan het praten waren. Hij vouwde den brief nu dicht en sloot het couvert. „Hebben jullie het zoo druk over Brunton?” vroeg hij. „Binnenkort zal er herrie komen met dien vent; ik vertrouw dat jullie mijn partij zult opnemen.”„Verklaar je nader. Waarop doelen die geheimzinnige woorden?” riep Jim met het gebaar van een volleerd acteur.„Dat doet er voorloopig niet toe,” antwoordde Norman; „ik geloof dat hij de anderen een wenk gaf om hun te beduiden dat geen geheimen in mijn bijzijn moesten verhandeld worden.”„Als je er mij buiten kunt houden, dan zou me dit hoogst aangenaam zijn,” viel Bob in.„Dat is onmogelijk,” antwoordde Norman. „Als het eenmaal zoo ver is, dan zal ik je hulp noodig hebben. Brunton houdt er een soort partij op na en hij zal zich geducht weren als zijn leven op het spel staat.”„Zijn leven?” riep Juniper ontsteld uit.„Je snapt best wat ik meen,” hernam Norman; „zijn leven hier op school, bedoel ik, de plaats die hij hier inneemt.”„Laat de vent maar met rust,” mompelde Bob; „raak hem maar niet met een stok aan, of....”„Of met een schermdegen,” viel Jim lachend in.Nu begon het gesprek te loopen over het aanstaande voetbal-seizoen en hoe de kansen stonden voor de verschillende clubs; voordat deze onderwerpen echter waren afgehandeld, waren de saucijsjes klaar en moest ik als de wind brood gaan roosteren, waarbij ik handen te kort kwam om aan alle aanvragen te voldoen.Den volgenden middag zou een heele troep er op uit trekken om te gaan verkennen. Dit was toen nog een nieuwtje en ik wist eigenlijk heelemaal niet wat dit wilde zeggen, maar ik wachtte er me wel voor om mijn onwetendheid te laten blijken.Met Burns stond ik in een hoek van het veld te praten, toen Stenford kwam aanloopen.„Vooruit, zijn jullie klaar?” vroeg hij. „Hoe eerder we er vandoor gaan, des te beter.”„Wat m-moeten we d-doen?” zei Burns, die zijn onkunde liet blijken, waardoor hij zich eerlijker toonde dan ik.„Wel, we gaan verkennen!” riep Stenford.—„Dat heb ik je gezegd, is het niet, Ellinghem?”Ik knikte ernstig van ja.„Hoe g-gaat dat,” hernam Burns.„Wel, Sjarp trekt er op uit naar Humbie, waar hij een briefkaart op de bus moet doen als bewijs dat ie daar is geweest—en dan moet hij naar Broekford trekken om daar een tweede briefkaart op de bus te doen.”„En w-wat d-doen w-wij?” vroeg Burns.„We geven hem een kwartier voorsprong,” antwoordde Stenford; „dat is een heele boel, want hij loopt verreweg het hardst van ons allemaal; en dan trekken wij er in drietroepjes van vier op uit, want er gaan zoowat twaalf jongens mee—en dan moeten we—”„Hem t-te p-pakken zien te krijgen?” viel Burns in.„Nee, we moeten hem eerst nagaan, en we moeten trachten te beletten dat hij die kaarten op de bus doet.”„Maar als hij langs den kortsten weg naar die dorpen trekt, dan blijft hij ons den heelen tijd voor en kunnen we niets uitvoeren,” zei ik, want nu Burns zooveel vragen stelde, durfde ik ook iets in het midden te brengen.„Jawel, maar hij moet langs het lage pad naarHumbieen wij gaan regelrecht erheen over den heuvel,” antwoordde Stenford.„Het is t-te hopen dat ie d-dat wezenlijk d-doet,” zei Burns grinnekend.„Wij zullen in elk geval met ons drieën gaan,” hernam Stenford. „De anderen staan al klaar. We zullen ons pas scheiden bij de zijwegen.”„Maar k-kunnen we n-niet allemaal samen b-blijven?” stelde Burns voor.„Nee, dat kan niet,” antwoordde Stenford heel beslist. „Ik heb de verschillende richtingen aangegeven en de signalen en zoowat meer.”„Wat heb je om je hals hangen?” vroeg ik.„Een verrekijker,” zei Stenford op heel gewichtigen toon. „Het is er eentje van Kien. De vent wou dol graag mee, maar hij moet z’n strafwerk maken.—Heb je je kompas bij je, Burns?”„Ja,” antwoordde Burns die een reusachtig kompas uit den jaszak te voorschijn haalde.„Het lijkt wel een braadpan,” merkte Stenford op. „Maar dat ding kan wel te pas komen.”„Heeft een van jullie een kaart?” vroeg ik.„Waarom zouden we nu een kaart noodig hebben?” zei Stenford op minachtenden toon.„Ken je de streek dan zoo goed?” zei ik.„Ja, op m’n duimpje,” antwoordde Stenford op luchtigen toon; „maar met zoo’n reusachtig kompas zullen we heusch niet verdwalen.”Dit was nog de vraag, maar ik durfde als nieuweling geen tegenwerpingen meer maken.We trokken er met z’n allen op uit, en toen we Sjarp genoeg voorsprong hadden gelaten—de jongen was al een kwartier geleden vertrokken—toen scheidden we bij de zijwegen. We waren in drieën verdeeld: oost, midden en west. Stenford, Burns en ik vormden de westelijke partij.

HOOFDSTUK XIV.DE STUDEERKAMER VAN NORMAN.„Nou, sla je er niet op?” vroeg Bob heel kalm en bedaard, terwijl hij Brunton zoo doordringend aanzag dat die de oogen neersloeg.Brunton stond te koken en zieden van drift; zijn gezicht vertrok krampachtig en ik dacht niet anders dan dat hij als een tijger op Bob zou aanvliegen. Maar dit gebeurde niet. Hij keerde zich om en verliet de gymnastiekzaal; zijn gang had iets waggelends alsof hij dronken was.„Kom vanmiddag na de thee in mijn kamer, Martin,” zei Bob zoo kalm of er niets was gebeurd.—„Het spijt me, Brys, dat we werden gestoord,” hernam hij, terwijl hij zich naar den jongen keerde met wien hij had staan schermen. „Willen we voortgaan?” En een oogenblik later had hij kranig gepareerd en kletterden de degens tegen elkaar.Dester was Brunton gevolgd. Toen ze buiten waren gekomen keerde Brunton zich naar Dester om, wien hij een slag om zijn ooren gaf. „Kleine aap die je bent!” snauwde hij Dester toe. „Waarom heb je me niet gezegd dat hij Kitsjin kent?”„Die was goed, hoor,” zei Stenford die met me bij de deur was blijven staan. „Kitsjin is de eenige voor wien de ellendeling bang is. Ik kan me eigenlijk niet begrijpen waarom, want ze hebben nooit iets met elkaar gehad.’t Schijnt dat Kitsjin hem op de een of andere manier in zijn macht heeft. Weet jij er misschien het rechte van?”„Neen,” antwoordde ik. Bob had nooit over Brunton tegen me gesproken.„Je mag van geluk spreken dat Kitsjin een vriend van je is,” hernam Stenford. „De vent zal je voortaan met rust laten; daar kan je van op aan, en Dester ook,” voegde hij er lachend bij. „De arme rekel heeft nu van twee lui op zijn kop gekregen.”„B-Brunton z-zal je t-toch w-wel krijgen,” viel Burns in; „en hij z-zal het K-Kitsjin betaald z-zetten, al m-moet hij m-misschien t-tijden w-wachten voor hij w-w-wraak kan nemen.”„Keurig uitgedrukt, zooals Kijkers zegt,” merkte Stenford lachend op.„Je zal het z-zien,” hield Burns vol.Later zou blijken dat hij gelijk had.„Kom, laten we nu over wat anders praten,” hernam Stenford. „Zeg, Ellinghem, ga je morgenmiddag mee verkennen?”„Heel graag,” antwoordde ik, ofschoon ik eigenlijk niet goed begreep wat hij bedoelde.„En je luchtpomp?” vroeg Kien bezorgd.„Och jij met je luchtpompen,” riep Stenford. „Jij zou maar het liefst den heelen dag in het laboratorium hokken en van tijd tot tijd zelf eens in de lucht vliegen. Pas maar op, Ellinghem; die vent zal nog al je zakgeld leenen om proefbuisjes en scheikundig goedje te koopen.—Jij moet ook meegaan, hoor Kien!”„En ik heb zoo’n hoop strafwerk van Kolman,” wierp Kien tegen op somberen toon.„Ik wed dat je dat met de eene hand schrijft, terwijl de andere met de luchtpomp bezig is,” merkte Stenford spottend op.„Och, je leutert,” zei Kien. „Vooruit, Ellinghem, ga mee. Stenford is tegenwoordig dol op verkennen. De vent heeft altijd de een of andere manie.”„’k Ben blij dat ik er tenminste jouw manie niet op nahoud,” zei Stenford lachend.—„Maar ik reken vast op je, Ellinghem; er gaan een hoop lui mee van onze klas.”„Best,” antwoordde ik, en toen was het tijd om maar binnen te gaan.„Ik zal je naar Norman brengen,” zei Bob, toen ik ’s avonds in zijn kamer kwam. „Maar vertel eerst ’s wat je met Brunton hebt gehad?”Ik legde hem uit wat er was gebeurd.„Je begrijpt toch dat je altijd bij me kunt komen om me alles te vertellen,” zei Bob heel kalm.„Dat weet ik wel,” antwoordde ik; „maar ik wil niet met allerlei kleinigheden je komen lastig vallen.”„Dat is flink van je,” zei Bob; „maar Brunton wist zeker niet dat je een vriend van me was.”Ik kreeg een kleur van pleizier dat Bob mij rondweg zijn vriend noemde op St. Martin, waar hij blijkbaar zoo hoog in aanzien stond en zulk een voorname rol speelde.„Als hij dat had geweten, zou hij zich wel op een afstand hebben gehouden,” ging Bob voort.„Waarom?” vroeg ik.„Och, de vent is wat bang voor me,” hernam Bob; „waarom, dat doet er niet toe. Ik zou je wel de reden kunnen vertellen, maar ik heb beloofd het niet te doen.”„Burns beweert dat hij het jou en mij op de een of andere manier zal betaald zetten,” zei ik.„Laten we ons niet bezorgd maken over de toekomst,” hernam Bob op luchtigen toon. „Dat doen we niet in Canada,” voegde hij er bij, terwijl hij de borst vooruit zette. „Maar ga nou mee naar Norman.”Ik gevoelde het gewicht van het oogenblik toen ik dekamer binnenging van den chef der school, den grootwaardigheidsbekleeder onder de jongens.Het was een lange jongen met een bedaard, ernstig voorkomen; hij zat aan de tafel in een kamer die grooter was dan de gewone studeervertrekken, wat echter niet wil zeggen dat hij een wijde ruimte om zich heen had. Tegenover hem zat Jim Juniper een appel te schillen.„Kom binnen, Bob,” zei Norman, die mij vriendelijk toeknikte.„Weest welkom, heeren!” riep Juniper die zich tot ons keerde, terwijl hij met een lange schil om zijn hoofd zwaaide.„Houd je nu eindelijk eens bedaard—” begon Bob.„Maar ik ben de bedaardheid in persoon,” wierp Jim tegen. „Is het niet, Dick?”Ik stond verbaasd dat iemand den chef van de school bij den voornaam durfde noemen. Norman vond dit blijkbaar heel gewoon, want hij antwoordde doodleuk: „Ik weet maar alleen dat je hier bij mij aan één stuk door zit te ratelen.”„Zeg, ik verkies niet door jou te worden belasterd,” riep Juniper. „Maar laten we onzen kostbaren tijd toch niet met beuzelingen verspillen; we moeten onze aandacht op gewichtiger dingen concentreeren, zooals Kolman zegt. Laat dit jonge mensch nu eens een proef afleggen van zijn kookkunst.”Voordat ik wist wat er gebeurde zat ik bij het vuur met een pannetje in de handen, waarop een stuk of wat vette saucijsjes lagen, die weldra begonnen te spatten en te sissen.„Vanmorgen heb je het met Brunton aan den stok gehad,” merkte Juniper op. „Dat heeft Brys me verteld.”„Och, ik heb het eigenlijk niet met hem aan den stok gehad,” antwoordde Bob. „Prik er in met je vork, Martin, en keer ze telkens.”Deze laatste woorden werden tot mij gericht, omdat hij blijkbaar een andere wending wilde geven aan het gesprek,want ik stond de saucijsjes al te prikken en te keeren.„Hij doet het prachtig,” zei Juniper; „laat hem maar zijn gang gaan, Kitsjin. Dick, je hebt een juweel van een keukenmeid, zooals de dames zeggen op het naaikransje. Brys heeft me verteld dat je als een ridder uit den ouden tijd hem den degen uit de hand hebt geslagen.”„Hij liet zich nog al gemakkelijk ontwapenen,” mompelde Bob. „Hij had me niet zien aankomen, dus de slag kwam onverwachts aan.”„Brys vond het zoo vreemd dat hij niet op je aanvloog.”„Ja, hij liet me met rust,” antwoordde Bob kortaf.„Hij is veel zwaarder gebouwd dan jij.”„Ja, dat is zoo,” zei Bob.„Waarom wilde hij dan niet jouw edel bloed vergieten?”„Hè, scheid nu uit met dat gezeur over Brunton,” riep Bob ongeduldig; „hij is zooveel drukte niet waard.”Norman had zitten schrijven terwijl wij aan het praten waren. Hij vouwde den brief nu dicht en sloot het couvert. „Hebben jullie het zoo druk over Brunton?” vroeg hij. „Binnenkort zal er herrie komen met dien vent; ik vertrouw dat jullie mijn partij zult opnemen.”„Verklaar je nader. Waarop doelen die geheimzinnige woorden?” riep Jim met het gebaar van een volleerd acteur.„Dat doet er voorloopig niet toe,” antwoordde Norman; „ik geloof dat hij de anderen een wenk gaf om hun te beduiden dat geen geheimen in mijn bijzijn moesten verhandeld worden.”„Als je er mij buiten kunt houden, dan zou me dit hoogst aangenaam zijn,” viel Bob in.„Dat is onmogelijk,” antwoordde Norman. „Als het eenmaal zoo ver is, dan zal ik je hulp noodig hebben. Brunton houdt er een soort partij op na en hij zal zich geducht weren als zijn leven op het spel staat.”„Zijn leven?” riep Juniper ontsteld uit.„Je snapt best wat ik meen,” hernam Norman; „zijn leven hier op school, bedoel ik, de plaats die hij hier inneemt.”„Laat de vent maar met rust,” mompelde Bob; „raak hem maar niet met een stok aan, of....”„Of met een schermdegen,” viel Jim lachend in.Nu begon het gesprek te loopen over het aanstaande voetbal-seizoen en hoe de kansen stonden voor de verschillende clubs; voordat deze onderwerpen echter waren afgehandeld, waren de saucijsjes klaar en moest ik als de wind brood gaan roosteren, waarbij ik handen te kort kwam om aan alle aanvragen te voldoen.Den volgenden middag zou een heele troep er op uit trekken om te gaan verkennen. Dit was toen nog een nieuwtje en ik wist eigenlijk heelemaal niet wat dit wilde zeggen, maar ik wachtte er me wel voor om mijn onwetendheid te laten blijken.Met Burns stond ik in een hoek van het veld te praten, toen Stenford kwam aanloopen.„Vooruit, zijn jullie klaar?” vroeg hij. „Hoe eerder we er vandoor gaan, des te beter.”„Wat m-moeten we d-doen?” zei Burns, die zijn onkunde liet blijken, waardoor hij zich eerlijker toonde dan ik.„Wel, we gaan verkennen!” riep Stenford.—„Dat heb ik je gezegd, is het niet, Ellinghem?”Ik knikte ernstig van ja.„Hoe g-gaat dat,” hernam Burns.„Wel, Sjarp trekt er op uit naar Humbie, waar hij een briefkaart op de bus moet doen als bewijs dat ie daar is geweest—en dan moet hij naar Broekford trekken om daar een tweede briefkaart op de bus te doen.”„En w-wat d-doen w-wij?” vroeg Burns.„We geven hem een kwartier voorsprong,” antwoordde Stenford; „dat is een heele boel, want hij loopt verreweg het hardst van ons allemaal; en dan trekken wij er in drietroepjes van vier op uit, want er gaan zoowat twaalf jongens mee—en dan moeten we—”„Hem t-te p-pakken zien te krijgen?” viel Burns in.„Nee, we moeten hem eerst nagaan, en we moeten trachten te beletten dat hij die kaarten op de bus doet.”„Maar als hij langs den kortsten weg naar die dorpen trekt, dan blijft hij ons den heelen tijd voor en kunnen we niets uitvoeren,” zei ik, want nu Burns zooveel vragen stelde, durfde ik ook iets in het midden te brengen.„Jawel, maar hij moet langs het lage pad naarHumbieen wij gaan regelrecht erheen over den heuvel,” antwoordde Stenford.„Het is t-te hopen dat ie d-dat wezenlijk d-doet,” zei Burns grinnekend.„Wij zullen in elk geval met ons drieën gaan,” hernam Stenford. „De anderen staan al klaar. We zullen ons pas scheiden bij de zijwegen.”„Maar k-kunnen we n-niet allemaal samen b-blijven?” stelde Burns voor.„Nee, dat kan niet,” antwoordde Stenford heel beslist. „Ik heb de verschillende richtingen aangegeven en de signalen en zoowat meer.”„Wat heb je om je hals hangen?” vroeg ik.„Een verrekijker,” zei Stenford op heel gewichtigen toon. „Het is er eentje van Kien. De vent wou dol graag mee, maar hij moet z’n strafwerk maken.—Heb je je kompas bij je, Burns?”„Ja,” antwoordde Burns die een reusachtig kompas uit den jaszak te voorschijn haalde.„Het lijkt wel een braadpan,” merkte Stenford op. „Maar dat ding kan wel te pas komen.”„Heeft een van jullie een kaart?” vroeg ik.„Waarom zouden we nu een kaart noodig hebben?” zei Stenford op minachtenden toon.„Ken je de streek dan zoo goed?” zei ik.„Ja, op m’n duimpje,” antwoordde Stenford op luchtigen toon; „maar met zoo’n reusachtig kompas zullen we heusch niet verdwalen.”Dit was nog de vraag, maar ik durfde als nieuweling geen tegenwerpingen meer maken.We trokken er met z’n allen op uit, en toen we Sjarp genoeg voorsprong hadden gelaten—de jongen was al een kwartier geleden vertrokken—toen scheidden we bij de zijwegen. We waren in drieën verdeeld: oost, midden en west. Stenford, Burns en ik vormden de westelijke partij.

HOOFDSTUK XIV.DE STUDEERKAMER VAN NORMAN.

„Nou, sla je er niet op?” vroeg Bob heel kalm en bedaard, terwijl hij Brunton zoo doordringend aanzag dat die de oogen neersloeg.Brunton stond te koken en zieden van drift; zijn gezicht vertrok krampachtig en ik dacht niet anders dan dat hij als een tijger op Bob zou aanvliegen. Maar dit gebeurde niet. Hij keerde zich om en verliet de gymnastiekzaal; zijn gang had iets waggelends alsof hij dronken was.„Kom vanmiddag na de thee in mijn kamer, Martin,” zei Bob zoo kalm of er niets was gebeurd.—„Het spijt me, Brys, dat we werden gestoord,” hernam hij, terwijl hij zich naar den jongen keerde met wien hij had staan schermen. „Willen we voortgaan?” En een oogenblik later had hij kranig gepareerd en kletterden de degens tegen elkaar.Dester was Brunton gevolgd. Toen ze buiten waren gekomen keerde Brunton zich naar Dester om, wien hij een slag om zijn ooren gaf. „Kleine aap die je bent!” snauwde hij Dester toe. „Waarom heb je me niet gezegd dat hij Kitsjin kent?”„Die was goed, hoor,” zei Stenford die met me bij de deur was blijven staan. „Kitsjin is de eenige voor wien de ellendeling bang is. Ik kan me eigenlijk niet begrijpen waarom, want ze hebben nooit iets met elkaar gehad.’t Schijnt dat Kitsjin hem op de een of andere manier in zijn macht heeft. Weet jij er misschien het rechte van?”„Neen,” antwoordde ik. Bob had nooit over Brunton tegen me gesproken.„Je mag van geluk spreken dat Kitsjin een vriend van je is,” hernam Stenford. „De vent zal je voortaan met rust laten; daar kan je van op aan, en Dester ook,” voegde hij er lachend bij. „De arme rekel heeft nu van twee lui op zijn kop gekregen.”„B-Brunton z-zal je t-toch w-wel krijgen,” viel Burns in; „en hij z-zal het K-Kitsjin betaald z-zetten, al m-moet hij m-misschien t-tijden w-wachten voor hij w-w-wraak kan nemen.”„Keurig uitgedrukt, zooals Kijkers zegt,” merkte Stenford lachend op.„Je zal het z-zien,” hield Burns vol.Later zou blijken dat hij gelijk had.„Kom, laten we nu over wat anders praten,” hernam Stenford. „Zeg, Ellinghem, ga je morgenmiddag mee verkennen?”„Heel graag,” antwoordde ik, ofschoon ik eigenlijk niet goed begreep wat hij bedoelde.„En je luchtpomp?” vroeg Kien bezorgd.„Och jij met je luchtpompen,” riep Stenford. „Jij zou maar het liefst den heelen dag in het laboratorium hokken en van tijd tot tijd zelf eens in de lucht vliegen. Pas maar op, Ellinghem; die vent zal nog al je zakgeld leenen om proefbuisjes en scheikundig goedje te koopen.—Jij moet ook meegaan, hoor Kien!”„En ik heb zoo’n hoop strafwerk van Kolman,” wierp Kien tegen op somberen toon.„Ik wed dat je dat met de eene hand schrijft, terwijl de andere met de luchtpomp bezig is,” merkte Stenford spottend op.„Och, je leutert,” zei Kien. „Vooruit, Ellinghem, ga mee. Stenford is tegenwoordig dol op verkennen. De vent heeft altijd de een of andere manie.”„’k Ben blij dat ik er tenminste jouw manie niet op nahoud,” zei Stenford lachend.—„Maar ik reken vast op je, Ellinghem; er gaan een hoop lui mee van onze klas.”„Best,” antwoordde ik, en toen was het tijd om maar binnen te gaan.„Ik zal je naar Norman brengen,” zei Bob, toen ik ’s avonds in zijn kamer kwam. „Maar vertel eerst ’s wat je met Brunton hebt gehad?”Ik legde hem uit wat er was gebeurd.„Je begrijpt toch dat je altijd bij me kunt komen om me alles te vertellen,” zei Bob heel kalm.„Dat weet ik wel,” antwoordde ik; „maar ik wil niet met allerlei kleinigheden je komen lastig vallen.”„Dat is flink van je,” zei Bob; „maar Brunton wist zeker niet dat je een vriend van me was.”Ik kreeg een kleur van pleizier dat Bob mij rondweg zijn vriend noemde op St. Martin, waar hij blijkbaar zoo hoog in aanzien stond en zulk een voorname rol speelde.„Als hij dat had geweten, zou hij zich wel op een afstand hebben gehouden,” ging Bob voort.„Waarom?” vroeg ik.„Och, de vent is wat bang voor me,” hernam Bob; „waarom, dat doet er niet toe. Ik zou je wel de reden kunnen vertellen, maar ik heb beloofd het niet te doen.”„Burns beweert dat hij het jou en mij op de een of andere manier zal betaald zetten,” zei ik.„Laten we ons niet bezorgd maken over de toekomst,” hernam Bob op luchtigen toon. „Dat doen we niet in Canada,” voegde hij er bij, terwijl hij de borst vooruit zette. „Maar ga nou mee naar Norman.”Ik gevoelde het gewicht van het oogenblik toen ik dekamer binnenging van den chef der school, den grootwaardigheidsbekleeder onder de jongens.Het was een lange jongen met een bedaard, ernstig voorkomen; hij zat aan de tafel in een kamer die grooter was dan de gewone studeervertrekken, wat echter niet wil zeggen dat hij een wijde ruimte om zich heen had. Tegenover hem zat Jim Juniper een appel te schillen.„Kom binnen, Bob,” zei Norman, die mij vriendelijk toeknikte.„Weest welkom, heeren!” riep Juniper die zich tot ons keerde, terwijl hij met een lange schil om zijn hoofd zwaaide.„Houd je nu eindelijk eens bedaard—” begon Bob.„Maar ik ben de bedaardheid in persoon,” wierp Jim tegen. „Is het niet, Dick?”Ik stond verbaasd dat iemand den chef van de school bij den voornaam durfde noemen. Norman vond dit blijkbaar heel gewoon, want hij antwoordde doodleuk: „Ik weet maar alleen dat je hier bij mij aan één stuk door zit te ratelen.”„Zeg, ik verkies niet door jou te worden belasterd,” riep Juniper. „Maar laten we onzen kostbaren tijd toch niet met beuzelingen verspillen; we moeten onze aandacht op gewichtiger dingen concentreeren, zooals Kolman zegt. Laat dit jonge mensch nu eens een proef afleggen van zijn kookkunst.”Voordat ik wist wat er gebeurde zat ik bij het vuur met een pannetje in de handen, waarop een stuk of wat vette saucijsjes lagen, die weldra begonnen te spatten en te sissen.„Vanmorgen heb je het met Brunton aan den stok gehad,” merkte Juniper op. „Dat heeft Brys me verteld.”„Och, ik heb het eigenlijk niet met hem aan den stok gehad,” antwoordde Bob. „Prik er in met je vork, Martin, en keer ze telkens.”Deze laatste woorden werden tot mij gericht, omdat hij blijkbaar een andere wending wilde geven aan het gesprek,want ik stond de saucijsjes al te prikken en te keeren.„Hij doet het prachtig,” zei Juniper; „laat hem maar zijn gang gaan, Kitsjin. Dick, je hebt een juweel van een keukenmeid, zooals de dames zeggen op het naaikransje. Brys heeft me verteld dat je als een ridder uit den ouden tijd hem den degen uit de hand hebt geslagen.”„Hij liet zich nog al gemakkelijk ontwapenen,” mompelde Bob. „Hij had me niet zien aankomen, dus de slag kwam onverwachts aan.”„Brys vond het zoo vreemd dat hij niet op je aanvloog.”„Ja, hij liet me met rust,” antwoordde Bob kortaf.„Hij is veel zwaarder gebouwd dan jij.”„Ja, dat is zoo,” zei Bob.„Waarom wilde hij dan niet jouw edel bloed vergieten?”„Hè, scheid nu uit met dat gezeur over Brunton,” riep Bob ongeduldig; „hij is zooveel drukte niet waard.”Norman had zitten schrijven terwijl wij aan het praten waren. Hij vouwde den brief nu dicht en sloot het couvert. „Hebben jullie het zoo druk over Brunton?” vroeg hij. „Binnenkort zal er herrie komen met dien vent; ik vertrouw dat jullie mijn partij zult opnemen.”„Verklaar je nader. Waarop doelen die geheimzinnige woorden?” riep Jim met het gebaar van een volleerd acteur.„Dat doet er voorloopig niet toe,” antwoordde Norman; „ik geloof dat hij de anderen een wenk gaf om hun te beduiden dat geen geheimen in mijn bijzijn moesten verhandeld worden.”„Als je er mij buiten kunt houden, dan zou me dit hoogst aangenaam zijn,” viel Bob in.„Dat is onmogelijk,” antwoordde Norman. „Als het eenmaal zoo ver is, dan zal ik je hulp noodig hebben. Brunton houdt er een soort partij op na en hij zal zich geducht weren als zijn leven op het spel staat.”„Zijn leven?” riep Juniper ontsteld uit.„Je snapt best wat ik meen,” hernam Norman; „zijn leven hier op school, bedoel ik, de plaats die hij hier inneemt.”„Laat de vent maar met rust,” mompelde Bob; „raak hem maar niet met een stok aan, of....”„Of met een schermdegen,” viel Jim lachend in.Nu begon het gesprek te loopen over het aanstaande voetbal-seizoen en hoe de kansen stonden voor de verschillende clubs; voordat deze onderwerpen echter waren afgehandeld, waren de saucijsjes klaar en moest ik als de wind brood gaan roosteren, waarbij ik handen te kort kwam om aan alle aanvragen te voldoen.Den volgenden middag zou een heele troep er op uit trekken om te gaan verkennen. Dit was toen nog een nieuwtje en ik wist eigenlijk heelemaal niet wat dit wilde zeggen, maar ik wachtte er me wel voor om mijn onwetendheid te laten blijken.Met Burns stond ik in een hoek van het veld te praten, toen Stenford kwam aanloopen.„Vooruit, zijn jullie klaar?” vroeg hij. „Hoe eerder we er vandoor gaan, des te beter.”„Wat m-moeten we d-doen?” zei Burns, die zijn onkunde liet blijken, waardoor hij zich eerlijker toonde dan ik.„Wel, we gaan verkennen!” riep Stenford.—„Dat heb ik je gezegd, is het niet, Ellinghem?”Ik knikte ernstig van ja.„Hoe g-gaat dat,” hernam Burns.„Wel, Sjarp trekt er op uit naar Humbie, waar hij een briefkaart op de bus moet doen als bewijs dat ie daar is geweest—en dan moet hij naar Broekford trekken om daar een tweede briefkaart op de bus te doen.”„En w-wat d-doen w-wij?” vroeg Burns.„We geven hem een kwartier voorsprong,” antwoordde Stenford; „dat is een heele boel, want hij loopt verreweg het hardst van ons allemaal; en dan trekken wij er in drietroepjes van vier op uit, want er gaan zoowat twaalf jongens mee—en dan moeten we—”„Hem t-te p-pakken zien te krijgen?” viel Burns in.„Nee, we moeten hem eerst nagaan, en we moeten trachten te beletten dat hij die kaarten op de bus doet.”„Maar als hij langs den kortsten weg naar die dorpen trekt, dan blijft hij ons den heelen tijd voor en kunnen we niets uitvoeren,” zei ik, want nu Burns zooveel vragen stelde, durfde ik ook iets in het midden te brengen.„Jawel, maar hij moet langs het lage pad naarHumbieen wij gaan regelrecht erheen over den heuvel,” antwoordde Stenford.„Het is t-te hopen dat ie d-dat wezenlijk d-doet,” zei Burns grinnekend.„Wij zullen in elk geval met ons drieën gaan,” hernam Stenford. „De anderen staan al klaar. We zullen ons pas scheiden bij de zijwegen.”„Maar k-kunnen we n-niet allemaal samen b-blijven?” stelde Burns voor.„Nee, dat kan niet,” antwoordde Stenford heel beslist. „Ik heb de verschillende richtingen aangegeven en de signalen en zoowat meer.”„Wat heb je om je hals hangen?” vroeg ik.„Een verrekijker,” zei Stenford op heel gewichtigen toon. „Het is er eentje van Kien. De vent wou dol graag mee, maar hij moet z’n strafwerk maken.—Heb je je kompas bij je, Burns?”„Ja,” antwoordde Burns die een reusachtig kompas uit den jaszak te voorschijn haalde.„Het lijkt wel een braadpan,” merkte Stenford op. „Maar dat ding kan wel te pas komen.”„Heeft een van jullie een kaart?” vroeg ik.„Waarom zouden we nu een kaart noodig hebben?” zei Stenford op minachtenden toon.„Ken je de streek dan zoo goed?” zei ik.„Ja, op m’n duimpje,” antwoordde Stenford op luchtigen toon; „maar met zoo’n reusachtig kompas zullen we heusch niet verdwalen.”Dit was nog de vraag, maar ik durfde als nieuweling geen tegenwerpingen meer maken.We trokken er met z’n allen op uit, en toen we Sjarp genoeg voorsprong hadden gelaten—de jongen was al een kwartier geleden vertrokken—toen scheidden we bij de zijwegen. We waren in drieën verdeeld: oost, midden en west. Stenford, Burns en ik vormden de westelijke partij.

„Nou, sla je er niet op?” vroeg Bob heel kalm en bedaard, terwijl hij Brunton zoo doordringend aanzag dat die de oogen neersloeg.

Brunton stond te koken en zieden van drift; zijn gezicht vertrok krampachtig en ik dacht niet anders dan dat hij als een tijger op Bob zou aanvliegen. Maar dit gebeurde niet. Hij keerde zich om en verliet de gymnastiekzaal; zijn gang had iets waggelends alsof hij dronken was.

„Kom vanmiddag na de thee in mijn kamer, Martin,” zei Bob zoo kalm of er niets was gebeurd.—„Het spijt me, Brys, dat we werden gestoord,” hernam hij, terwijl hij zich naar den jongen keerde met wien hij had staan schermen. „Willen we voortgaan?” En een oogenblik later had hij kranig gepareerd en kletterden de degens tegen elkaar.

Dester was Brunton gevolgd. Toen ze buiten waren gekomen keerde Brunton zich naar Dester om, wien hij een slag om zijn ooren gaf. „Kleine aap die je bent!” snauwde hij Dester toe. „Waarom heb je me niet gezegd dat hij Kitsjin kent?”

„Die was goed, hoor,” zei Stenford die met me bij de deur was blijven staan. „Kitsjin is de eenige voor wien de ellendeling bang is. Ik kan me eigenlijk niet begrijpen waarom, want ze hebben nooit iets met elkaar gehad.’t Schijnt dat Kitsjin hem op de een of andere manier in zijn macht heeft. Weet jij er misschien het rechte van?”

„Neen,” antwoordde ik. Bob had nooit over Brunton tegen me gesproken.

„Je mag van geluk spreken dat Kitsjin een vriend van je is,” hernam Stenford. „De vent zal je voortaan met rust laten; daar kan je van op aan, en Dester ook,” voegde hij er lachend bij. „De arme rekel heeft nu van twee lui op zijn kop gekregen.”

„B-Brunton z-zal je t-toch w-wel krijgen,” viel Burns in; „en hij z-zal het K-Kitsjin betaald z-zetten, al m-moet hij m-misschien t-tijden w-wachten voor hij w-w-wraak kan nemen.”

„Keurig uitgedrukt, zooals Kijkers zegt,” merkte Stenford lachend op.

„Je zal het z-zien,” hield Burns vol.

Later zou blijken dat hij gelijk had.

„Kom, laten we nu over wat anders praten,” hernam Stenford. „Zeg, Ellinghem, ga je morgenmiddag mee verkennen?”

„Heel graag,” antwoordde ik, ofschoon ik eigenlijk niet goed begreep wat hij bedoelde.

„En je luchtpomp?” vroeg Kien bezorgd.

„Och jij met je luchtpompen,” riep Stenford. „Jij zou maar het liefst den heelen dag in het laboratorium hokken en van tijd tot tijd zelf eens in de lucht vliegen. Pas maar op, Ellinghem; die vent zal nog al je zakgeld leenen om proefbuisjes en scheikundig goedje te koopen.—Jij moet ook meegaan, hoor Kien!”

„En ik heb zoo’n hoop strafwerk van Kolman,” wierp Kien tegen op somberen toon.

„Ik wed dat je dat met de eene hand schrijft, terwijl de andere met de luchtpomp bezig is,” merkte Stenford spottend op.

„Och, je leutert,” zei Kien. „Vooruit, Ellinghem, ga mee. Stenford is tegenwoordig dol op verkennen. De vent heeft altijd de een of andere manie.”

„’k Ben blij dat ik er tenminste jouw manie niet op nahoud,” zei Stenford lachend.—„Maar ik reken vast op je, Ellinghem; er gaan een hoop lui mee van onze klas.”

„Best,” antwoordde ik, en toen was het tijd om maar binnen te gaan.

„Ik zal je naar Norman brengen,” zei Bob, toen ik ’s avonds in zijn kamer kwam. „Maar vertel eerst ’s wat je met Brunton hebt gehad?”

Ik legde hem uit wat er was gebeurd.

„Je begrijpt toch dat je altijd bij me kunt komen om me alles te vertellen,” zei Bob heel kalm.

„Dat weet ik wel,” antwoordde ik; „maar ik wil niet met allerlei kleinigheden je komen lastig vallen.”

„Dat is flink van je,” zei Bob; „maar Brunton wist zeker niet dat je een vriend van me was.”

Ik kreeg een kleur van pleizier dat Bob mij rondweg zijn vriend noemde op St. Martin, waar hij blijkbaar zoo hoog in aanzien stond en zulk een voorname rol speelde.

„Als hij dat had geweten, zou hij zich wel op een afstand hebben gehouden,” ging Bob voort.

„Waarom?” vroeg ik.

„Och, de vent is wat bang voor me,” hernam Bob; „waarom, dat doet er niet toe. Ik zou je wel de reden kunnen vertellen, maar ik heb beloofd het niet te doen.”

„Burns beweert dat hij het jou en mij op de een of andere manier zal betaald zetten,” zei ik.

„Laten we ons niet bezorgd maken over de toekomst,” hernam Bob op luchtigen toon. „Dat doen we niet in Canada,” voegde hij er bij, terwijl hij de borst vooruit zette. „Maar ga nou mee naar Norman.”

Ik gevoelde het gewicht van het oogenblik toen ik dekamer binnenging van den chef der school, den grootwaardigheidsbekleeder onder de jongens.

Het was een lange jongen met een bedaard, ernstig voorkomen; hij zat aan de tafel in een kamer die grooter was dan de gewone studeervertrekken, wat echter niet wil zeggen dat hij een wijde ruimte om zich heen had. Tegenover hem zat Jim Juniper een appel te schillen.

„Kom binnen, Bob,” zei Norman, die mij vriendelijk toeknikte.

„Weest welkom, heeren!” riep Juniper die zich tot ons keerde, terwijl hij met een lange schil om zijn hoofd zwaaide.

„Houd je nu eindelijk eens bedaard—” begon Bob.

„Maar ik ben de bedaardheid in persoon,” wierp Jim tegen. „Is het niet, Dick?”

Ik stond verbaasd dat iemand den chef van de school bij den voornaam durfde noemen. Norman vond dit blijkbaar heel gewoon, want hij antwoordde doodleuk: „Ik weet maar alleen dat je hier bij mij aan één stuk door zit te ratelen.”

„Zeg, ik verkies niet door jou te worden belasterd,” riep Juniper. „Maar laten we onzen kostbaren tijd toch niet met beuzelingen verspillen; we moeten onze aandacht op gewichtiger dingen concentreeren, zooals Kolman zegt. Laat dit jonge mensch nu eens een proef afleggen van zijn kookkunst.”

Voordat ik wist wat er gebeurde zat ik bij het vuur met een pannetje in de handen, waarop een stuk of wat vette saucijsjes lagen, die weldra begonnen te spatten en te sissen.

„Vanmorgen heb je het met Brunton aan den stok gehad,” merkte Juniper op. „Dat heeft Brys me verteld.”

„Och, ik heb het eigenlijk niet met hem aan den stok gehad,” antwoordde Bob. „Prik er in met je vork, Martin, en keer ze telkens.”

Deze laatste woorden werden tot mij gericht, omdat hij blijkbaar een andere wending wilde geven aan het gesprek,want ik stond de saucijsjes al te prikken en te keeren.

„Hij doet het prachtig,” zei Juniper; „laat hem maar zijn gang gaan, Kitsjin. Dick, je hebt een juweel van een keukenmeid, zooals de dames zeggen op het naaikransje. Brys heeft me verteld dat je als een ridder uit den ouden tijd hem den degen uit de hand hebt geslagen.”

„Hij liet zich nog al gemakkelijk ontwapenen,” mompelde Bob. „Hij had me niet zien aankomen, dus de slag kwam onverwachts aan.”

„Brys vond het zoo vreemd dat hij niet op je aanvloog.”

„Ja, hij liet me met rust,” antwoordde Bob kortaf.

„Hij is veel zwaarder gebouwd dan jij.”

„Ja, dat is zoo,” zei Bob.

„Waarom wilde hij dan niet jouw edel bloed vergieten?”

„Hè, scheid nu uit met dat gezeur over Brunton,” riep Bob ongeduldig; „hij is zooveel drukte niet waard.”

Norman had zitten schrijven terwijl wij aan het praten waren. Hij vouwde den brief nu dicht en sloot het couvert. „Hebben jullie het zoo druk over Brunton?” vroeg hij. „Binnenkort zal er herrie komen met dien vent; ik vertrouw dat jullie mijn partij zult opnemen.”

„Verklaar je nader. Waarop doelen die geheimzinnige woorden?” riep Jim met het gebaar van een volleerd acteur.

„Dat doet er voorloopig niet toe,” antwoordde Norman; „ik geloof dat hij de anderen een wenk gaf om hun te beduiden dat geen geheimen in mijn bijzijn moesten verhandeld worden.”

„Als je er mij buiten kunt houden, dan zou me dit hoogst aangenaam zijn,” viel Bob in.

„Dat is onmogelijk,” antwoordde Norman. „Als het eenmaal zoo ver is, dan zal ik je hulp noodig hebben. Brunton houdt er een soort partij op na en hij zal zich geducht weren als zijn leven op het spel staat.”

„Zijn leven?” riep Juniper ontsteld uit.

„Je snapt best wat ik meen,” hernam Norman; „zijn leven hier op school, bedoel ik, de plaats die hij hier inneemt.”

„Laat de vent maar met rust,” mompelde Bob; „raak hem maar niet met een stok aan, of....”

„Of met een schermdegen,” viel Jim lachend in.

Nu begon het gesprek te loopen over het aanstaande voetbal-seizoen en hoe de kansen stonden voor de verschillende clubs; voordat deze onderwerpen echter waren afgehandeld, waren de saucijsjes klaar en moest ik als de wind brood gaan roosteren, waarbij ik handen te kort kwam om aan alle aanvragen te voldoen.

Den volgenden middag zou een heele troep er op uit trekken om te gaan verkennen. Dit was toen nog een nieuwtje en ik wist eigenlijk heelemaal niet wat dit wilde zeggen, maar ik wachtte er me wel voor om mijn onwetendheid te laten blijken.

Met Burns stond ik in een hoek van het veld te praten, toen Stenford kwam aanloopen.

„Vooruit, zijn jullie klaar?” vroeg hij. „Hoe eerder we er vandoor gaan, des te beter.”

„Wat m-moeten we d-doen?” zei Burns, die zijn onkunde liet blijken, waardoor hij zich eerlijker toonde dan ik.

„Wel, we gaan verkennen!” riep Stenford.—„Dat heb ik je gezegd, is het niet, Ellinghem?”

Ik knikte ernstig van ja.

„Hoe g-gaat dat,” hernam Burns.

„Wel, Sjarp trekt er op uit naar Humbie, waar hij een briefkaart op de bus moet doen als bewijs dat ie daar is geweest—en dan moet hij naar Broekford trekken om daar een tweede briefkaart op de bus te doen.”

„En w-wat d-doen w-wij?” vroeg Burns.

„We geven hem een kwartier voorsprong,” antwoordde Stenford; „dat is een heele boel, want hij loopt verreweg het hardst van ons allemaal; en dan trekken wij er in drietroepjes van vier op uit, want er gaan zoowat twaalf jongens mee—en dan moeten we—”

„Hem t-te p-pakken zien te krijgen?” viel Burns in.

„Nee, we moeten hem eerst nagaan, en we moeten trachten te beletten dat hij die kaarten op de bus doet.”

„Maar als hij langs den kortsten weg naar die dorpen trekt, dan blijft hij ons den heelen tijd voor en kunnen we niets uitvoeren,” zei ik, want nu Burns zooveel vragen stelde, durfde ik ook iets in het midden te brengen.

„Jawel, maar hij moet langs het lage pad naarHumbieen wij gaan regelrecht erheen over den heuvel,” antwoordde Stenford.

„Het is t-te hopen dat ie d-dat wezenlijk d-doet,” zei Burns grinnekend.

„Wij zullen in elk geval met ons drieën gaan,” hernam Stenford. „De anderen staan al klaar. We zullen ons pas scheiden bij de zijwegen.”

„Maar k-kunnen we n-niet allemaal samen b-blijven?” stelde Burns voor.

„Nee, dat kan niet,” antwoordde Stenford heel beslist. „Ik heb de verschillende richtingen aangegeven en de signalen en zoowat meer.”

„Wat heb je om je hals hangen?” vroeg ik.

„Een verrekijker,” zei Stenford op heel gewichtigen toon. „Het is er eentje van Kien. De vent wou dol graag mee, maar hij moet z’n strafwerk maken.—Heb je je kompas bij je, Burns?”

„Ja,” antwoordde Burns die een reusachtig kompas uit den jaszak te voorschijn haalde.

„Het lijkt wel een braadpan,” merkte Stenford op. „Maar dat ding kan wel te pas komen.”

„Heeft een van jullie een kaart?” vroeg ik.

„Waarom zouden we nu een kaart noodig hebben?” zei Stenford op minachtenden toon.

„Ken je de streek dan zoo goed?” zei ik.

„Ja, op m’n duimpje,” antwoordde Stenford op luchtigen toon; „maar met zoo’n reusachtig kompas zullen we heusch niet verdwalen.”

Dit was nog de vraag, maar ik durfde als nieuweling geen tegenwerpingen meer maken.

We trokken er met z’n allen op uit, en toen we Sjarp genoeg voorsprong hadden gelaten—de jongen was al een kwartier geleden vertrokken—toen scheidden we bij de zijwegen. We waren in drieën verdeeld: oost, midden en west. Stenford, Burns en ik vormden de westelijke partij.


Back to IndexNext