HOOFDSTUK XV.

HOOFDSTUK XV.DE PADVINDERS AAN ’T WERK.„Als het allemaal waar is wat jullie vertelt, dan is Sjarp een knappe kerel als hij niet gezien en gesnapt wordt,” merkte ik op.„M-maar hij is zoo’n s-slimme v-vent,” zei Burns.„Ja,” zei Stenford; „hij kan door greppels kruipen en zich op de onmogelijkste plaatsen verstoppen. De weg maakt ook allerlei bochten.”„Hoe moeten we nu gaan?” vroeg ik toen we een hek hadden bereikt.„Dwars door het veld, om hem den weg af te snijden,” beval Stenford.„Ja, maar welke richting, bedoel ik?” zei ik, terwijl ik een blik wierp over het terrein dat zich golvend voor ons uitstrekte; ik had een gevoel of we ons op zee bevonden.„Welke richting?” herhaalde Stenford. „Ik geloof dat we dien kant uit moeten.”Hij maakte een eenigszins vaag gebaar. „Laten we zeggen west, noordwest eigenlijk.—Burns, je kompas!”Het braadpannetje dat uit den zak van Burns te voorschijn kwam werd op den top van den heuvel gelegd en wees geen bepaalde richting aan; de naald draaide en draaide als een tol in de rondte.„Zoo’n akelig ding!” zei Stenford; „houd ’t dan stil. Nee, schud het eerst ’s flink, Burns.”Toen het kompas geducht heen en weer was geschud werd het wederom op de paal van het hek gelegd en bogen we er ons overheen.„Wat wiebelt dat ding!” mompelde Stenford toen de naald al maar bleef dansen en zwaaien. „Maar kijk ’s, dat is onze richting; ’t is zoo klaar als de dag. Houd dien boom in het oog. Allo, vooruit jongens!”We zetten er een flinke vaart achter om den tijd in te halen dien we met het kompas hadden verdaan. Burns was echter heel gauw buiten adem en begon te hijgen van belang.„Dat ’s hard werk!” riep ik toen we drie of vier velden waren overgestoken.Burns stiet een brommend geluid uit; ik geloof dat hij iets wilde zeggen, maar door zijn gestotter en gehijg kwam geen klank over zijn lippen.„We hebben nog niets in de gaten gekregen,” zei Stenford toen we even halt hielden bij een omheining die nog al lastig was om over te klimmen.Burns was er op gesteld om wederom de richting met het kompas te bepalen, maar ik geloof dat het hem meer te doen was om op adem te komen. Volgens het kompas waren we te veel westelijk gegaan; toen we het hierover eens waren vervolgden we wederom onzen tocht. We zagen niets of niemand; de streek leek doodsch en verlaten.„Nu naderen we,” zei Stenford, toen we het hoogste gedeelte van den omtrek hadden bereikt; „hier kunnen we misschien het een of ander zien.”„L-laten w-we eens r-rustig uitkijken,” bracht Burns met moeite uit, die nu stond te hijgen als een stoommachine.De velden waren in deze streken niet door heggen gescheiden maar door steenen dijken die met gras waren begroeid, en nadat we ons achter een van deze haddenopgesteld tuurden we oplettend om ons heen of we ook het een of ander konden gewaar worden. Stenford keek door zijn kijker en Burns en ik moesten het met onze oogen doen.„Zie je Sjarp?” vroeg ik aan Stenford.„Nee,” antwoordde hij. „Kijk zelf maar.”Ik bracht den kijker voor mijn oogen en zag niets dan een golvend landschap met dijken en schapen.„We zijn niet hoog genoeg,” zei Stenford. „We moeten in de diepte kunnen kijken.”„Wat denk je van dien boom daar?” vroeg ik, terwijl ik wees naar een hoogen boom in het volgende veld die daar heel alleen stond.„’t Zal me benieuwen of ik erin kan,” zei Stenford, „maar we kunnen het probeeren.”We renden er op af en tilden hem op, waarna Burns en ik op den grond gingen zitten om uit te rusten, terwijl hij naar boven klauterde.„’t Is gek dat we geen van de andere jongens zien,” merkte ik op.„Ja,” zei Burns, die het braadpannetje wederom te voorschijn haalde. „Wij gingen evenals straks de richting na en hielden het kompas gereed om aan Stenford te toonen waarin we ons hadden vergist.”Plotseling weerklonk een kreet boven onze hoofden.„Zie je wat?” riepen we tegelijk.„Sjarp of een van de anderen zie ik niet,” riep hij terug; „het is niet zoo’n goede plaats als je zou denken, maar ik zie wel wat anders.”„Wat dan?” vroegen we.„Rechts is een vierkante kerktoren; jullie kunt dien vandaar niet zien.”„Wat zou dat?” riepen we.„Als we daarop kunnen komen, dan ligt de heele streek alseen kaart voor ons uitgespreid—dan zien we alles en iedereen.”„Prachtig,” riep Burns. „T-toe, kom dan beneden.”„Ik kom al,” zei Stenford, die zich langs den stam liet afglijden.We waren zoo in onzen schik met dien vierkanten toren als verkenningspunt, dat we Stenford maar niet lastig vielen met het kompas; we zetten het op een loopen in de richting die hij aanwees en weldra werden we de kerk gewaar die zich in de verte donker afteekende tegen den hemel.„Hoe heet het daar?” vroeg ik, want plotseling was een gedachte me ingevallen.„Weet niet,” antwoordde Stenford, die nu over een muurtje klauterde, „en het kan me niet schelen ook. We kunnen dien toren toch best als verkenningspunt gebruiken zonder dat we weten hoe de kerk heet, is het niet?”Hiertegen viel niet veel in te brengen, en ik draafde wederom met de anderen mede. Toen we dwars over een veld holden, werden we een boer gewaar die ons toeschreeuwde dat we moesten terug keeren. We schonken echter geen aandacht aan de kreten van het eerste menschelijke wezen dat we gewaar werden en draafden verder.Zich regelrecht naar het een of andere punt begeven, dat klinkt heel gemakkelijk; het lijkt zoo eenvoudig, maar dikwijls doen zich heel wat moeilijkheden voor.„Recht op den toren af,” riep Stenford een paar maal, alsof dit het wachtwoord was dat we hadden afgesproken. Hij liep iets voor ons uit, want hij bleek meer gehard voor den strijd dan Burns of ik. Burns hijgde nog altijd als een stoommachine en ik vond het heel aangenaam toen Stenford een wandelpas aannam toen we het dorp naderden. We hadden hem nu weldra ingehaald. „We moeten niet komen aandraven,” zei hij.„Nee,” antwoordde ik hijgend en blazend; „dat trekt maar de aandacht.”De kerk stond op een glooiing van een kleinen heuveldie zich links van ons bevond. Ze lag geheel alleen; door een veld en het kerkhof werd ze van het dorp gescheiden.„Als we een kleine bocht maakten en van den anderen kant aankwamen, dan zou dit misschien beter zijn,” merkte Stenford op. „Dan zal niemand onszien.”„Die m-man komt eraan,” zei Burns plotseling, die een schichtigen blik om zich heen had geworpen.Ja, zoowaar; hij bevond zich nog op eenigen afstand, maar hij volgde dezelfde richting als wij.„Ik d-dacht w-wel dat ie n-naar het dorp zou gaan,” verklaarde Burns.„Wat zou dat dan nog?” vroeg Stenford. „Maar des te meer reden om geen sekonde te verliezen. Vooruit. Over dit hek!”We volgden hem op den voet en wederom ging het in gestrekten draf.„De m-man v-volgt ons niet,” riep Burns hijgend, toen we een veld waren overgestoken en hij een blik achter zich had geworpen.„Hij gaat zeker naar huis om zijn kopje thee te drinken,” zei Stenford. „Maar wat kan die man ons eigenlijk schelen. Zeg, wat is die toren hoog, hè? We zullen een prachtig uitzicht hebben!”We beschreven nu een halven cirkel, zoodat de kerk zich weldra tusschen ons en het dorp bevond.„Ja, wat een hoogte,”zei ik. „Maar hoe zullen we erin komen?”„M-misschien z-zit de deur op s-slot,” zei Burns.„Je zal zien dat er de een of andere werkvrouw aan het boenen is,” zei Stenford; „maar nu we eenmaal zoo dichtbij zijn, nu zullen we erin komen; dat verzeker ik je.”Toen we de kerk waren genaderd werden we gewaar dat de deur zich aan de andere zijde bevond.„Dat is jammer,” merkte Burns op; „want ze mogen ons niet zien.”„Het is t-toch eigenlijk heel n-natuurlijk d-dat die d-deur d-daar is,” zei Burns, „anders z-zouden d-de m-menschen om d-de k-kerk m-moeten heenloopen.”„Zulke dingen vind ik juist zoo leuk,” hernam Stenford; „een goede oefening.”„Wat ga je doen?” vroeg ik.„Ik ga poolshoogte nemen,” antwoordde hij. „Ik ga eerst het terrein verkennen; ik verschuil me achter de zerken, dan ziet niemand me; ik moet natuurlijk eerst weten of de deur open is en of er niemand in de kerk is. Als we vroegen om naar den toren te mogen gaan, dan zouden ze dit misschien weigeren; daarom is het maar beter dat we er op afgaan zonder verlof te vragen.”„M-moeten wij zoolang hier b-blijven?” vroeg Burns.„Ja; verstop je achter dien hoop steenen,” antwoordde hij; „ik zal een sein geven als jullie kunt komen.”„Wat voor sein?” vroeg ik.„Ik zal drie keer krassen als een kraai,” antwoordde Stenford. „Nu ik ga; houd me zoo lang mogelijk in het oog.”Hij sloop tusschen de zerken door en was weldra om den muur van de kerk verdwenen.„St-Stenford k-kan zoo g-goed verkennen,” zei Burns, die diep onder den indruk scheen.„Ja, dat merk ik,” antwoordde ik.Daar wij geen van beiden eenige ervaring hadden op dit punt, was de lof dien wij Stenford toezwaaiden van weinig waarde. Toen we het sein vernamen kwamen we aanzetten en werden we Stenford gewaar die bij de kerkdeur stond en geheimzinnig tegen ons wenkte.„Van buiten is geen deur die toegang geeft naar den toren,” fluisterde hij; „die moet dus aan den binnenkant zijn.”„Maar ik hoor niemand,” zei Burns.„Sst, praat niet zoo hard! Een oude vrouw is aan hetwerk, maar heelemaal in het andere gedeelte. Als we het slim aanleggen, dan zal ze ons niet snappen.”Dit was nog de vraag; ik vond het echter maar het best om geen tegenwerpingen te maken.„De deur is van de klink en staat op een kier,” fluisterde Stenford; „we hebben niets te doen dan ze wat verder open te duwen. Volg me maar niet te dicht; jullie doet maar wat je mij ziet doen.”„Wie zal eerst gaan?”„Burns. Als jij erdoor bent, dan doe je de deur weer dicht.”„Best,” fluisterde ik.Stenford verdween. Burns verdween. Toen was het mijn beurt; ik volgde hen, duikend achter de kerkbanken in de richting van het poortje dat open stond en toegang gaf naar den toren. Het scheen hier zoo donker na het helle licht buiten en het rook er zoo benauwd en duf, wat een eigenaardigheid schijnt van alle dorpskerken.Het was pikdonker onder den toren; de klokketouwen die een cirkel vormden zagen er zoo geheimzinnig uit; we konden niet zien waar ze eindigden. In een hoek was een klein laag deurtje dat open stond; hierachter werden we een smalle steenen trap gewaar.Stenford was het al door; Burns had het nu bereikt. Even wendde ik het hoofd om om een blik door de kerk te werpen. Ik zag een oude vrouw met een muts, die bezig was te vegen met stoffer en blik; ze maakte hiermede zoo’n lawaai en de geluiden klonken zoo hard en hol door het leege gebouw dat ze waarschijnlijk niets van ons binnenkomen had bemerkt, hoewel Burns met zijn hak was uitgegleden bij den drempel van het deurtje wat geducht leven had gemaakt.Ik volgde Burns op de smalle trap; boven onze hoofden hoorde ik een klok tikken; weldra werd het lichter om ons heen en hadden we de klokkekamer bereikt. Ook hier zagen we de touwen, die wederom door de zoldering verdwenen.„Vinden jullie het niet dol?” vroeg Stenford verrukt.„Wat maakt die klok een herrie!” zei Burns, die door de glazen kast van het uurwerk stond te turen.„We zullen een prachtig uitzicht hebben,” merkte ik op, toen ik een blik naar buiten had geworpen door een van de kleine zijramen.„Ja, boven zullen we uren ver in den omtrek kunnen zien,” zei Stenford. „Burns, wat zie je wit; je hebt alle kalk van den muur gewreven.”„Dan zal ik z-ze d’r w-weer opsmeren als we n-naar beneden gaan st-straks,” antwoordde hij lachend.„We zullen eerst maar naar boven trekken,” hernam Stenford. „Toe, vooruit, jongens.”Nu ging het de hoogte in langs een breede ladder die in een hoek van het vertrek was gezet, want de wenteltrap liep niet verder dan de klokkekamer. In de zoldering was een open vierkant gat aangebracht, zoodat de klokkekamer hel was verlicht en de wind drong hier binnen door de luiken die waren opengeslagen.„Wat een dingen,” riep Burns uit, die met de hand streek over een van de reusachtige klokken.Er waren er acht; de grootste konden we aanraken; de kleinere hingen recht boven ons hoofd dichtbij het dak. Alles zag er hier even vuil en bestoven uit; toen we binnen kwamen vloog een vogel op van zijn nest.„Ze mochten hier wel eens schoonmaak houden,” zei Stenford, die het stof van zijn jas afsloeg. „Val niet naar beneden, Burns, want je zou er niet veel van kunnen navertellen, jongen.”Er was nog een ladder die ons nog hooger kon brengen; deze stond tusschen balken, touwen en wielen.„M-moeten we die op?” vroeg Burns aarzelend.De ladder zag er dan ook tamelijk griezelig uit. Ze voerde bijna loodrecht naar het luik in het dak en ze schudde van belang als ze maar even werd aangeraakt.„Stevig staat ze niet,” erkende Stenford die er den voet op zette. „Alle drie tegelijk zal ze ons niet kunnen houden.”Burns en ik toonden weinig lust om langs die ladder naar boven te klauteren. Ze schudde geweldig toen Stenford langzaam de sporten opging; ze stond bijna loodrecht, zoodat het wel leek of de geringste schok haar naar beneden zou doen tuimelen waarbij Stenford in den val zou worden medegesleept.Toen hij het luik had bereikt begon hij dit met alle geweld naar boven te duwen, doch tevergeefs. De ladder trilde en schudde onder hem, doch hij kon het luik slechts een paar centimeter oplichten, waarna het wederom met een slag dichtplofte.„Zeg ’s,” riep Stenford uit de hoogte, „het is te zwaar voor mij alleen; een van jullie moet me komen helpen.”„W-waarom z-zouden we nog hooger gaan?” vroeg Burns. die doodsbang was dat hij naar boven zou moeten. „Van hier af k-kunnen we t-toch ook een m-massa zien.”„Nee, dat kunnen we niet,” riep Stenford kwaad. „Vooruit, Ellinghem, samen kunnen we het best. De ladder is steviger dan je denkt. Jij laat me toch niet in den steek wel?”„Nee, ik denk er niet aan,” antwoordde ik om me groot te houden.Behoedzaam klauterde ik naar boven langs de ladder die vervaarlijk begon te kraken. Toen ik halverweg was hoorde ik plotseling het lawaai en gegons van een reusachtig raderwerk; de heele omgeving dreunde en schudde als bij een aardbeving. Ik bleef roerloos staan en hield me krampachtig aan de ladder vast om niet naar beneden te tuimelen.Toen begon de klok de kwartieren te slaan, wat een oorverdoovend lawaai maakte. Stenford riep me iets toe, maar ik kon er geen woord van verstaan. Zelfs toen de aardbeving had opgehouden zoemde en gonsde het nog zoo om ons heen dat ik half suf was in mijn hoofd toen ik verder naar boven klauterde.„Wat een herrie, hè,” zei Stenford toen ik eindelijk naast hem stond. „Veel plaats hebben we niet met z’n beiden.”Hierin had hij gelijk, maar om het luik open te kunnen krijgen moesten we wel naast elkaar op de ladder staan.„Ik heb een gevoel dat de ladder achterover zal vallen als we heel hard duwen,” zei ik met bevende stem. „Van boven zit ze niet vast, is het wel?”„Nee, jammer genoeg,” zei Stenford, „maar als de ladder even zou wippen, dan geloof ik dat ze toch weer terug zou vallen tegen den muur.”Ik hoopte dat dit het geval zou zijn, doch ik betwijfelde sterk of Stenford in dit opzicht gelijk had.„Vooruit,” riep Stenford; „één hand aan de ladder en de andere tegen het luik. Juist. Wacht tot ik tot drie tel, en dan duw je uit alle macht.”„Best,” zei ik.„Klaar? Een, twee, drie.”Het luik vloog omhoog, doch niet verder dan ongeveer tien centimeter. We zagen een helle lichtstraal; een windvlaag streek tegen ons aan; toen plofte het luik weer dicht met een geweldigen smak.Ik had de ladder onder ons voelen bewegen, en het kwam me voor dat ze iets was verschoven. Ik maakte Stenford hierop opmerkzaam.„Burns,” riep Stenford op bevelenden toon, terwijl hij een blik wierp in de diepte waar Burns tusschen de klokken en touwen stond en angstige blikken wierp in de hoogte.„Jij moet op de onderste sport gaan staan; hang erop met je heele gewicht.”„D-die s-slag w-was zoo hard d-dat alles d-dreunde,” zei Burns met trillende stem; hij riep dit op zulk een schrillen toon dat het me toescheen of de klokken wederom begonnen te gonzen en zoemen.Stenford wachtte tot de dikke Burns op de onderste sporthad plaats genomen. „Vooruit, Ellinghem,” zei hij toen, „we zullen het nog ’s probeeren. Als het luik iets naar boven gaat, dan stap je een sport hooger; pas op dat het niet weer neerploft zooals straks.”Toen hij wederom tot drie had geteld begon het duwen opnieuw. Het luik ging de hoogte in.„Houd vol,” riep Stenford hijgend.Ik had een gevoel dat een vijand het luik uit alle macht naar beneden duwde, terwijl wij onze uiterste krachten inspanden om het naar boven te krijgen. Eindelijk hadden we het luik zóó ver open dat we het op zij van ons hadden, en een oogenblik later schoot het omhoog met een vaart, waarop wij hijgend en blazend maar zegevierend door de opening kropen op het platte dak.

HOOFDSTUK XV.DE PADVINDERS AAN ’T WERK.„Als het allemaal waar is wat jullie vertelt, dan is Sjarp een knappe kerel als hij niet gezien en gesnapt wordt,” merkte ik op.„M-maar hij is zoo’n s-slimme v-vent,” zei Burns.„Ja,” zei Stenford; „hij kan door greppels kruipen en zich op de onmogelijkste plaatsen verstoppen. De weg maakt ook allerlei bochten.”„Hoe moeten we nu gaan?” vroeg ik toen we een hek hadden bereikt.„Dwars door het veld, om hem den weg af te snijden,” beval Stenford.„Ja, maar welke richting, bedoel ik?” zei ik, terwijl ik een blik wierp over het terrein dat zich golvend voor ons uitstrekte; ik had een gevoel of we ons op zee bevonden.„Welke richting?” herhaalde Stenford. „Ik geloof dat we dien kant uit moeten.”Hij maakte een eenigszins vaag gebaar. „Laten we zeggen west, noordwest eigenlijk.—Burns, je kompas!”Het braadpannetje dat uit den zak van Burns te voorschijn kwam werd op den top van den heuvel gelegd en wees geen bepaalde richting aan; de naald draaide en draaide als een tol in de rondte.„Zoo’n akelig ding!” zei Stenford; „houd ’t dan stil. Nee, schud het eerst ’s flink, Burns.”Toen het kompas geducht heen en weer was geschud werd het wederom op de paal van het hek gelegd en bogen we er ons overheen.„Wat wiebelt dat ding!” mompelde Stenford toen de naald al maar bleef dansen en zwaaien. „Maar kijk ’s, dat is onze richting; ’t is zoo klaar als de dag. Houd dien boom in het oog. Allo, vooruit jongens!”We zetten er een flinke vaart achter om den tijd in te halen dien we met het kompas hadden verdaan. Burns was echter heel gauw buiten adem en begon te hijgen van belang.„Dat ’s hard werk!” riep ik toen we drie of vier velden waren overgestoken.Burns stiet een brommend geluid uit; ik geloof dat hij iets wilde zeggen, maar door zijn gestotter en gehijg kwam geen klank over zijn lippen.„We hebben nog niets in de gaten gekregen,” zei Stenford toen we even halt hielden bij een omheining die nog al lastig was om over te klimmen.Burns was er op gesteld om wederom de richting met het kompas te bepalen, maar ik geloof dat het hem meer te doen was om op adem te komen. Volgens het kompas waren we te veel westelijk gegaan; toen we het hierover eens waren vervolgden we wederom onzen tocht. We zagen niets of niemand; de streek leek doodsch en verlaten.„Nu naderen we,” zei Stenford, toen we het hoogste gedeelte van den omtrek hadden bereikt; „hier kunnen we misschien het een of ander zien.”„L-laten w-we eens r-rustig uitkijken,” bracht Burns met moeite uit, die nu stond te hijgen als een stoommachine.De velden waren in deze streken niet door heggen gescheiden maar door steenen dijken die met gras waren begroeid, en nadat we ons achter een van deze haddenopgesteld tuurden we oplettend om ons heen of we ook het een of ander konden gewaar worden. Stenford keek door zijn kijker en Burns en ik moesten het met onze oogen doen.„Zie je Sjarp?” vroeg ik aan Stenford.„Nee,” antwoordde hij. „Kijk zelf maar.”Ik bracht den kijker voor mijn oogen en zag niets dan een golvend landschap met dijken en schapen.„We zijn niet hoog genoeg,” zei Stenford. „We moeten in de diepte kunnen kijken.”„Wat denk je van dien boom daar?” vroeg ik, terwijl ik wees naar een hoogen boom in het volgende veld die daar heel alleen stond.„’t Zal me benieuwen of ik erin kan,” zei Stenford, „maar we kunnen het probeeren.”We renden er op af en tilden hem op, waarna Burns en ik op den grond gingen zitten om uit te rusten, terwijl hij naar boven klauterde.„’t Is gek dat we geen van de andere jongens zien,” merkte ik op.„Ja,” zei Burns, die het braadpannetje wederom te voorschijn haalde. „Wij gingen evenals straks de richting na en hielden het kompas gereed om aan Stenford te toonen waarin we ons hadden vergist.”Plotseling weerklonk een kreet boven onze hoofden.„Zie je wat?” riepen we tegelijk.„Sjarp of een van de anderen zie ik niet,” riep hij terug; „het is niet zoo’n goede plaats als je zou denken, maar ik zie wel wat anders.”„Wat dan?” vroegen we.„Rechts is een vierkante kerktoren; jullie kunt dien vandaar niet zien.”„Wat zou dat?” riepen we.„Als we daarop kunnen komen, dan ligt de heele streek alseen kaart voor ons uitgespreid—dan zien we alles en iedereen.”„Prachtig,” riep Burns. „T-toe, kom dan beneden.”„Ik kom al,” zei Stenford, die zich langs den stam liet afglijden.We waren zoo in onzen schik met dien vierkanten toren als verkenningspunt, dat we Stenford maar niet lastig vielen met het kompas; we zetten het op een loopen in de richting die hij aanwees en weldra werden we de kerk gewaar die zich in de verte donker afteekende tegen den hemel.„Hoe heet het daar?” vroeg ik, want plotseling was een gedachte me ingevallen.„Weet niet,” antwoordde Stenford, die nu over een muurtje klauterde, „en het kan me niet schelen ook. We kunnen dien toren toch best als verkenningspunt gebruiken zonder dat we weten hoe de kerk heet, is het niet?”Hiertegen viel niet veel in te brengen, en ik draafde wederom met de anderen mede. Toen we dwars over een veld holden, werden we een boer gewaar die ons toeschreeuwde dat we moesten terug keeren. We schonken echter geen aandacht aan de kreten van het eerste menschelijke wezen dat we gewaar werden en draafden verder.Zich regelrecht naar het een of andere punt begeven, dat klinkt heel gemakkelijk; het lijkt zoo eenvoudig, maar dikwijls doen zich heel wat moeilijkheden voor.„Recht op den toren af,” riep Stenford een paar maal, alsof dit het wachtwoord was dat we hadden afgesproken. Hij liep iets voor ons uit, want hij bleek meer gehard voor den strijd dan Burns of ik. Burns hijgde nog altijd als een stoommachine en ik vond het heel aangenaam toen Stenford een wandelpas aannam toen we het dorp naderden. We hadden hem nu weldra ingehaald. „We moeten niet komen aandraven,” zei hij.„Nee,” antwoordde ik hijgend en blazend; „dat trekt maar de aandacht.”De kerk stond op een glooiing van een kleinen heuveldie zich links van ons bevond. Ze lag geheel alleen; door een veld en het kerkhof werd ze van het dorp gescheiden.„Als we een kleine bocht maakten en van den anderen kant aankwamen, dan zou dit misschien beter zijn,” merkte Stenford op. „Dan zal niemand onszien.”„Die m-man komt eraan,” zei Burns plotseling, die een schichtigen blik om zich heen had geworpen.Ja, zoowaar; hij bevond zich nog op eenigen afstand, maar hij volgde dezelfde richting als wij.„Ik d-dacht w-wel dat ie n-naar het dorp zou gaan,” verklaarde Burns.„Wat zou dat dan nog?” vroeg Stenford. „Maar des te meer reden om geen sekonde te verliezen. Vooruit. Over dit hek!”We volgden hem op den voet en wederom ging het in gestrekten draf.„De m-man v-volgt ons niet,” riep Burns hijgend, toen we een veld waren overgestoken en hij een blik achter zich had geworpen.„Hij gaat zeker naar huis om zijn kopje thee te drinken,” zei Stenford. „Maar wat kan die man ons eigenlijk schelen. Zeg, wat is die toren hoog, hè? We zullen een prachtig uitzicht hebben!”We beschreven nu een halven cirkel, zoodat de kerk zich weldra tusschen ons en het dorp bevond.„Ja, wat een hoogte,”zei ik. „Maar hoe zullen we erin komen?”„M-misschien z-zit de deur op s-slot,” zei Burns.„Je zal zien dat er de een of andere werkvrouw aan het boenen is,” zei Stenford; „maar nu we eenmaal zoo dichtbij zijn, nu zullen we erin komen; dat verzeker ik je.”Toen we de kerk waren genaderd werden we gewaar dat de deur zich aan de andere zijde bevond.„Dat is jammer,” merkte Burns op; „want ze mogen ons niet zien.”„Het is t-toch eigenlijk heel n-natuurlijk d-dat die d-deur d-daar is,” zei Burns, „anders z-zouden d-de m-menschen om d-de k-kerk m-moeten heenloopen.”„Zulke dingen vind ik juist zoo leuk,” hernam Stenford; „een goede oefening.”„Wat ga je doen?” vroeg ik.„Ik ga poolshoogte nemen,” antwoordde hij. „Ik ga eerst het terrein verkennen; ik verschuil me achter de zerken, dan ziet niemand me; ik moet natuurlijk eerst weten of de deur open is en of er niemand in de kerk is. Als we vroegen om naar den toren te mogen gaan, dan zouden ze dit misschien weigeren; daarom is het maar beter dat we er op afgaan zonder verlof te vragen.”„M-moeten wij zoolang hier b-blijven?” vroeg Burns.„Ja; verstop je achter dien hoop steenen,” antwoordde hij; „ik zal een sein geven als jullie kunt komen.”„Wat voor sein?” vroeg ik.„Ik zal drie keer krassen als een kraai,” antwoordde Stenford. „Nu ik ga; houd me zoo lang mogelijk in het oog.”Hij sloop tusschen de zerken door en was weldra om den muur van de kerk verdwenen.„St-Stenford k-kan zoo g-goed verkennen,” zei Burns, die diep onder den indruk scheen.„Ja, dat merk ik,” antwoordde ik.Daar wij geen van beiden eenige ervaring hadden op dit punt, was de lof dien wij Stenford toezwaaiden van weinig waarde. Toen we het sein vernamen kwamen we aanzetten en werden we Stenford gewaar die bij de kerkdeur stond en geheimzinnig tegen ons wenkte.„Van buiten is geen deur die toegang geeft naar den toren,” fluisterde hij; „die moet dus aan den binnenkant zijn.”„Maar ik hoor niemand,” zei Burns.„Sst, praat niet zoo hard! Een oude vrouw is aan hetwerk, maar heelemaal in het andere gedeelte. Als we het slim aanleggen, dan zal ze ons niet snappen.”Dit was nog de vraag; ik vond het echter maar het best om geen tegenwerpingen te maken.„De deur is van de klink en staat op een kier,” fluisterde Stenford; „we hebben niets te doen dan ze wat verder open te duwen. Volg me maar niet te dicht; jullie doet maar wat je mij ziet doen.”„Wie zal eerst gaan?”„Burns. Als jij erdoor bent, dan doe je de deur weer dicht.”„Best,” fluisterde ik.Stenford verdween. Burns verdween. Toen was het mijn beurt; ik volgde hen, duikend achter de kerkbanken in de richting van het poortje dat open stond en toegang gaf naar den toren. Het scheen hier zoo donker na het helle licht buiten en het rook er zoo benauwd en duf, wat een eigenaardigheid schijnt van alle dorpskerken.Het was pikdonker onder den toren; de klokketouwen die een cirkel vormden zagen er zoo geheimzinnig uit; we konden niet zien waar ze eindigden. In een hoek was een klein laag deurtje dat open stond; hierachter werden we een smalle steenen trap gewaar.Stenford was het al door; Burns had het nu bereikt. Even wendde ik het hoofd om om een blik door de kerk te werpen. Ik zag een oude vrouw met een muts, die bezig was te vegen met stoffer en blik; ze maakte hiermede zoo’n lawaai en de geluiden klonken zoo hard en hol door het leege gebouw dat ze waarschijnlijk niets van ons binnenkomen had bemerkt, hoewel Burns met zijn hak was uitgegleden bij den drempel van het deurtje wat geducht leven had gemaakt.Ik volgde Burns op de smalle trap; boven onze hoofden hoorde ik een klok tikken; weldra werd het lichter om ons heen en hadden we de klokkekamer bereikt. Ook hier zagen we de touwen, die wederom door de zoldering verdwenen.„Vinden jullie het niet dol?” vroeg Stenford verrukt.„Wat maakt die klok een herrie!” zei Burns, die door de glazen kast van het uurwerk stond te turen.„We zullen een prachtig uitzicht hebben,” merkte ik op, toen ik een blik naar buiten had geworpen door een van de kleine zijramen.„Ja, boven zullen we uren ver in den omtrek kunnen zien,” zei Stenford. „Burns, wat zie je wit; je hebt alle kalk van den muur gewreven.”„Dan zal ik z-ze d’r w-weer opsmeren als we n-naar beneden gaan st-straks,” antwoordde hij lachend.„We zullen eerst maar naar boven trekken,” hernam Stenford. „Toe, vooruit, jongens.”Nu ging het de hoogte in langs een breede ladder die in een hoek van het vertrek was gezet, want de wenteltrap liep niet verder dan de klokkekamer. In de zoldering was een open vierkant gat aangebracht, zoodat de klokkekamer hel was verlicht en de wind drong hier binnen door de luiken die waren opengeslagen.„Wat een dingen,” riep Burns uit, die met de hand streek over een van de reusachtige klokken.Er waren er acht; de grootste konden we aanraken; de kleinere hingen recht boven ons hoofd dichtbij het dak. Alles zag er hier even vuil en bestoven uit; toen we binnen kwamen vloog een vogel op van zijn nest.„Ze mochten hier wel eens schoonmaak houden,” zei Stenford, die het stof van zijn jas afsloeg. „Val niet naar beneden, Burns, want je zou er niet veel van kunnen navertellen, jongen.”Er was nog een ladder die ons nog hooger kon brengen; deze stond tusschen balken, touwen en wielen.„M-moeten we die op?” vroeg Burns aarzelend.De ladder zag er dan ook tamelijk griezelig uit. Ze voerde bijna loodrecht naar het luik in het dak en ze schudde van belang als ze maar even werd aangeraakt.„Stevig staat ze niet,” erkende Stenford die er den voet op zette. „Alle drie tegelijk zal ze ons niet kunnen houden.”Burns en ik toonden weinig lust om langs die ladder naar boven te klauteren. Ze schudde geweldig toen Stenford langzaam de sporten opging; ze stond bijna loodrecht, zoodat het wel leek of de geringste schok haar naar beneden zou doen tuimelen waarbij Stenford in den val zou worden medegesleept.Toen hij het luik had bereikt begon hij dit met alle geweld naar boven te duwen, doch tevergeefs. De ladder trilde en schudde onder hem, doch hij kon het luik slechts een paar centimeter oplichten, waarna het wederom met een slag dichtplofte.„Zeg ’s,” riep Stenford uit de hoogte, „het is te zwaar voor mij alleen; een van jullie moet me komen helpen.”„W-waarom z-zouden we nog hooger gaan?” vroeg Burns. die doodsbang was dat hij naar boven zou moeten. „Van hier af k-kunnen we t-toch ook een m-massa zien.”„Nee, dat kunnen we niet,” riep Stenford kwaad. „Vooruit, Ellinghem, samen kunnen we het best. De ladder is steviger dan je denkt. Jij laat me toch niet in den steek wel?”„Nee, ik denk er niet aan,” antwoordde ik om me groot te houden.Behoedzaam klauterde ik naar boven langs de ladder die vervaarlijk begon te kraken. Toen ik halverweg was hoorde ik plotseling het lawaai en gegons van een reusachtig raderwerk; de heele omgeving dreunde en schudde als bij een aardbeving. Ik bleef roerloos staan en hield me krampachtig aan de ladder vast om niet naar beneden te tuimelen.Toen begon de klok de kwartieren te slaan, wat een oorverdoovend lawaai maakte. Stenford riep me iets toe, maar ik kon er geen woord van verstaan. Zelfs toen de aardbeving had opgehouden zoemde en gonsde het nog zoo om ons heen dat ik half suf was in mijn hoofd toen ik verder naar boven klauterde.„Wat een herrie, hè,” zei Stenford toen ik eindelijk naast hem stond. „Veel plaats hebben we niet met z’n beiden.”Hierin had hij gelijk, maar om het luik open te kunnen krijgen moesten we wel naast elkaar op de ladder staan.„Ik heb een gevoel dat de ladder achterover zal vallen als we heel hard duwen,” zei ik met bevende stem. „Van boven zit ze niet vast, is het wel?”„Nee, jammer genoeg,” zei Stenford, „maar als de ladder even zou wippen, dan geloof ik dat ze toch weer terug zou vallen tegen den muur.”Ik hoopte dat dit het geval zou zijn, doch ik betwijfelde sterk of Stenford in dit opzicht gelijk had.„Vooruit,” riep Stenford; „één hand aan de ladder en de andere tegen het luik. Juist. Wacht tot ik tot drie tel, en dan duw je uit alle macht.”„Best,” zei ik.„Klaar? Een, twee, drie.”Het luik vloog omhoog, doch niet verder dan ongeveer tien centimeter. We zagen een helle lichtstraal; een windvlaag streek tegen ons aan; toen plofte het luik weer dicht met een geweldigen smak.Ik had de ladder onder ons voelen bewegen, en het kwam me voor dat ze iets was verschoven. Ik maakte Stenford hierop opmerkzaam.„Burns,” riep Stenford op bevelenden toon, terwijl hij een blik wierp in de diepte waar Burns tusschen de klokken en touwen stond en angstige blikken wierp in de hoogte.„Jij moet op de onderste sport gaan staan; hang erop met je heele gewicht.”„D-die s-slag w-was zoo hard d-dat alles d-dreunde,” zei Burns met trillende stem; hij riep dit op zulk een schrillen toon dat het me toescheen of de klokken wederom begonnen te gonzen en zoemen.Stenford wachtte tot de dikke Burns op de onderste sporthad plaats genomen. „Vooruit, Ellinghem,” zei hij toen, „we zullen het nog ’s probeeren. Als het luik iets naar boven gaat, dan stap je een sport hooger; pas op dat het niet weer neerploft zooals straks.”Toen hij wederom tot drie had geteld begon het duwen opnieuw. Het luik ging de hoogte in.„Houd vol,” riep Stenford hijgend.Ik had een gevoel dat een vijand het luik uit alle macht naar beneden duwde, terwijl wij onze uiterste krachten inspanden om het naar boven te krijgen. Eindelijk hadden we het luik zóó ver open dat we het op zij van ons hadden, en een oogenblik later schoot het omhoog met een vaart, waarop wij hijgend en blazend maar zegevierend door de opening kropen op het platte dak.

HOOFDSTUK XV.DE PADVINDERS AAN ’T WERK.

„Als het allemaal waar is wat jullie vertelt, dan is Sjarp een knappe kerel als hij niet gezien en gesnapt wordt,” merkte ik op.„M-maar hij is zoo’n s-slimme v-vent,” zei Burns.„Ja,” zei Stenford; „hij kan door greppels kruipen en zich op de onmogelijkste plaatsen verstoppen. De weg maakt ook allerlei bochten.”„Hoe moeten we nu gaan?” vroeg ik toen we een hek hadden bereikt.„Dwars door het veld, om hem den weg af te snijden,” beval Stenford.„Ja, maar welke richting, bedoel ik?” zei ik, terwijl ik een blik wierp over het terrein dat zich golvend voor ons uitstrekte; ik had een gevoel of we ons op zee bevonden.„Welke richting?” herhaalde Stenford. „Ik geloof dat we dien kant uit moeten.”Hij maakte een eenigszins vaag gebaar. „Laten we zeggen west, noordwest eigenlijk.—Burns, je kompas!”Het braadpannetje dat uit den zak van Burns te voorschijn kwam werd op den top van den heuvel gelegd en wees geen bepaalde richting aan; de naald draaide en draaide als een tol in de rondte.„Zoo’n akelig ding!” zei Stenford; „houd ’t dan stil. Nee, schud het eerst ’s flink, Burns.”Toen het kompas geducht heen en weer was geschud werd het wederom op de paal van het hek gelegd en bogen we er ons overheen.„Wat wiebelt dat ding!” mompelde Stenford toen de naald al maar bleef dansen en zwaaien. „Maar kijk ’s, dat is onze richting; ’t is zoo klaar als de dag. Houd dien boom in het oog. Allo, vooruit jongens!”We zetten er een flinke vaart achter om den tijd in te halen dien we met het kompas hadden verdaan. Burns was echter heel gauw buiten adem en begon te hijgen van belang.„Dat ’s hard werk!” riep ik toen we drie of vier velden waren overgestoken.Burns stiet een brommend geluid uit; ik geloof dat hij iets wilde zeggen, maar door zijn gestotter en gehijg kwam geen klank over zijn lippen.„We hebben nog niets in de gaten gekregen,” zei Stenford toen we even halt hielden bij een omheining die nog al lastig was om over te klimmen.Burns was er op gesteld om wederom de richting met het kompas te bepalen, maar ik geloof dat het hem meer te doen was om op adem te komen. Volgens het kompas waren we te veel westelijk gegaan; toen we het hierover eens waren vervolgden we wederom onzen tocht. We zagen niets of niemand; de streek leek doodsch en verlaten.„Nu naderen we,” zei Stenford, toen we het hoogste gedeelte van den omtrek hadden bereikt; „hier kunnen we misschien het een of ander zien.”„L-laten w-we eens r-rustig uitkijken,” bracht Burns met moeite uit, die nu stond te hijgen als een stoommachine.De velden waren in deze streken niet door heggen gescheiden maar door steenen dijken die met gras waren begroeid, en nadat we ons achter een van deze haddenopgesteld tuurden we oplettend om ons heen of we ook het een of ander konden gewaar worden. Stenford keek door zijn kijker en Burns en ik moesten het met onze oogen doen.„Zie je Sjarp?” vroeg ik aan Stenford.„Nee,” antwoordde hij. „Kijk zelf maar.”Ik bracht den kijker voor mijn oogen en zag niets dan een golvend landschap met dijken en schapen.„We zijn niet hoog genoeg,” zei Stenford. „We moeten in de diepte kunnen kijken.”„Wat denk je van dien boom daar?” vroeg ik, terwijl ik wees naar een hoogen boom in het volgende veld die daar heel alleen stond.„’t Zal me benieuwen of ik erin kan,” zei Stenford, „maar we kunnen het probeeren.”We renden er op af en tilden hem op, waarna Burns en ik op den grond gingen zitten om uit te rusten, terwijl hij naar boven klauterde.„’t Is gek dat we geen van de andere jongens zien,” merkte ik op.„Ja,” zei Burns, die het braadpannetje wederom te voorschijn haalde. „Wij gingen evenals straks de richting na en hielden het kompas gereed om aan Stenford te toonen waarin we ons hadden vergist.”Plotseling weerklonk een kreet boven onze hoofden.„Zie je wat?” riepen we tegelijk.„Sjarp of een van de anderen zie ik niet,” riep hij terug; „het is niet zoo’n goede plaats als je zou denken, maar ik zie wel wat anders.”„Wat dan?” vroegen we.„Rechts is een vierkante kerktoren; jullie kunt dien vandaar niet zien.”„Wat zou dat?” riepen we.„Als we daarop kunnen komen, dan ligt de heele streek alseen kaart voor ons uitgespreid—dan zien we alles en iedereen.”„Prachtig,” riep Burns. „T-toe, kom dan beneden.”„Ik kom al,” zei Stenford, die zich langs den stam liet afglijden.We waren zoo in onzen schik met dien vierkanten toren als verkenningspunt, dat we Stenford maar niet lastig vielen met het kompas; we zetten het op een loopen in de richting die hij aanwees en weldra werden we de kerk gewaar die zich in de verte donker afteekende tegen den hemel.„Hoe heet het daar?” vroeg ik, want plotseling was een gedachte me ingevallen.„Weet niet,” antwoordde Stenford, die nu over een muurtje klauterde, „en het kan me niet schelen ook. We kunnen dien toren toch best als verkenningspunt gebruiken zonder dat we weten hoe de kerk heet, is het niet?”Hiertegen viel niet veel in te brengen, en ik draafde wederom met de anderen mede. Toen we dwars over een veld holden, werden we een boer gewaar die ons toeschreeuwde dat we moesten terug keeren. We schonken echter geen aandacht aan de kreten van het eerste menschelijke wezen dat we gewaar werden en draafden verder.Zich regelrecht naar het een of andere punt begeven, dat klinkt heel gemakkelijk; het lijkt zoo eenvoudig, maar dikwijls doen zich heel wat moeilijkheden voor.„Recht op den toren af,” riep Stenford een paar maal, alsof dit het wachtwoord was dat we hadden afgesproken. Hij liep iets voor ons uit, want hij bleek meer gehard voor den strijd dan Burns of ik. Burns hijgde nog altijd als een stoommachine en ik vond het heel aangenaam toen Stenford een wandelpas aannam toen we het dorp naderden. We hadden hem nu weldra ingehaald. „We moeten niet komen aandraven,” zei hij.„Nee,” antwoordde ik hijgend en blazend; „dat trekt maar de aandacht.”De kerk stond op een glooiing van een kleinen heuveldie zich links van ons bevond. Ze lag geheel alleen; door een veld en het kerkhof werd ze van het dorp gescheiden.„Als we een kleine bocht maakten en van den anderen kant aankwamen, dan zou dit misschien beter zijn,” merkte Stenford op. „Dan zal niemand onszien.”„Die m-man komt eraan,” zei Burns plotseling, die een schichtigen blik om zich heen had geworpen.Ja, zoowaar; hij bevond zich nog op eenigen afstand, maar hij volgde dezelfde richting als wij.„Ik d-dacht w-wel dat ie n-naar het dorp zou gaan,” verklaarde Burns.„Wat zou dat dan nog?” vroeg Stenford. „Maar des te meer reden om geen sekonde te verliezen. Vooruit. Over dit hek!”We volgden hem op den voet en wederom ging het in gestrekten draf.„De m-man v-volgt ons niet,” riep Burns hijgend, toen we een veld waren overgestoken en hij een blik achter zich had geworpen.„Hij gaat zeker naar huis om zijn kopje thee te drinken,” zei Stenford. „Maar wat kan die man ons eigenlijk schelen. Zeg, wat is die toren hoog, hè? We zullen een prachtig uitzicht hebben!”We beschreven nu een halven cirkel, zoodat de kerk zich weldra tusschen ons en het dorp bevond.„Ja, wat een hoogte,”zei ik. „Maar hoe zullen we erin komen?”„M-misschien z-zit de deur op s-slot,” zei Burns.„Je zal zien dat er de een of andere werkvrouw aan het boenen is,” zei Stenford; „maar nu we eenmaal zoo dichtbij zijn, nu zullen we erin komen; dat verzeker ik je.”Toen we de kerk waren genaderd werden we gewaar dat de deur zich aan de andere zijde bevond.„Dat is jammer,” merkte Burns op; „want ze mogen ons niet zien.”„Het is t-toch eigenlijk heel n-natuurlijk d-dat die d-deur d-daar is,” zei Burns, „anders z-zouden d-de m-menschen om d-de k-kerk m-moeten heenloopen.”„Zulke dingen vind ik juist zoo leuk,” hernam Stenford; „een goede oefening.”„Wat ga je doen?” vroeg ik.„Ik ga poolshoogte nemen,” antwoordde hij. „Ik ga eerst het terrein verkennen; ik verschuil me achter de zerken, dan ziet niemand me; ik moet natuurlijk eerst weten of de deur open is en of er niemand in de kerk is. Als we vroegen om naar den toren te mogen gaan, dan zouden ze dit misschien weigeren; daarom is het maar beter dat we er op afgaan zonder verlof te vragen.”„M-moeten wij zoolang hier b-blijven?” vroeg Burns.„Ja; verstop je achter dien hoop steenen,” antwoordde hij; „ik zal een sein geven als jullie kunt komen.”„Wat voor sein?” vroeg ik.„Ik zal drie keer krassen als een kraai,” antwoordde Stenford. „Nu ik ga; houd me zoo lang mogelijk in het oog.”Hij sloop tusschen de zerken door en was weldra om den muur van de kerk verdwenen.„St-Stenford k-kan zoo g-goed verkennen,” zei Burns, die diep onder den indruk scheen.„Ja, dat merk ik,” antwoordde ik.Daar wij geen van beiden eenige ervaring hadden op dit punt, was de lof dien wij Stenford toezwaaiden van weinig waarde. Toen we het sein vernamen kwamen we aanzetten en werden we Stenford gewaar die bij de kerkdeur stond en geheimzinnig tegen ons wenkte.„Van buiten is geen deur die toegang geeft naar den toren,” fluisterde hij; „die moet dus aan den binnenkant zijn.”„Maar ik hoor niemand,” zei Burns.„Sst, praat niet zoo hard! Een oude vrouw is aan hetwerk, maar heelemaal in het andere gedeelte. Als we het slim aanleggen, dan zal ze ons niet snappen.”Dit was nog de vraag; ik vond het echter maar het best om geen tegenwerpingen te maken.„De deur is van de klink en staat op een kier,” fluisterde Stenford; „we hebben niets te doen dan ze wat verder open te duwen. Volg me maar niet te dicht; jullie doet maar wat je mij ziet doen.”„Wie zal eerst gaan?”„Burns. Als jij erdoor bent, dan doe je de deur weer dicht.”„Best,” fluisterde ik.Stenford verdween. Burns verdween. Toen was het mijn beurt; ik volgde hen, duikend achter de kerkbanken in de richting van het poortje dat open stond en toegang gaf naar den toren. Het scheen hier zoo donker na het helle licht buiten en het rook er zoo benauwd en duf, wat een eigenaardigheid schijnt van alle dorpskerken.Het was pikdonker onder den toren; de klokketouwen die een cirkel vormden zagen er zoo geheimzinnig uit; we konden niet zien waar ze eindigden. In een hoek was een klein laag deurtje dat open stond; hierachter werden we een smalle steenen trap gewaar.Stenford was het al door; Burns had het nu bereikt. Even wendde ik het hoofd om om een blik door de kerk te werpen. Ik zag een oude vrouw met een muts, die bezig was te vegen met stoffer en blik; ze maakte hiermede zoo’n lawaai en de geluiden klonken zoo hard en hol door het leege gebouw dat ze waarschijnlijk niets van ons binnenkomen had bemerkt, hoewel Burns met zijn hak was uitgegleden bij den drempel van het deurtje wat geducht leven had gemaakt.Ik volgde Burns op de smalle trap; boven onze hoofden hoorde ik een klok tikken; weldra werd het lichter om ons heen en hadden we de klokkekamer bereikt. Ook hier zagen we de touwen, die wederom door de zoldering verdwenen.„Vinden jullie het niet dol?” vroeg Stenford verrukt.„Wat maakt die klok een herrie!” zei Burns, die door de glazen kast van het uurwerk stond te turen.„We zullen een prachtig uitzicht hebben,” merkte ik op, toen ik een blik naar buiten had geworpen door een van de kleine zijramen.„Ja, boven zullen we uren ver in den omtrek kunnen zien,” zei Stenford. „Burns, wat zie je wit; je hebt alle kalk van den muur gewreven.”„Dan zal ik z-ze d’r w-weer opsmeren als we n-naar beneden gaan st-straks,” antwoordde hij lachend.„We zullen eerst maar naar boven trekken,” hernam Stenford. „Toe, vooruit, jongens.”Nu ging het de hoogte in langs een breede ladder die in een hoek van het vertrek was gezet, want de wenteltrap liep niet verder dan de klokkekamer. In de zoldering was een open vierkant gat aangebracht, zoodat de klokkekamer hel was verlicht en de wind drong hier binnen door de luiken die waren opengeslagen.„Wat een dingen,” riep Burns uit, die met de hand streek over een van de reusachtige klokken.Er waren er acht; de grootste konden we aanraken; de kleinere hingen recht boven ons hoofd dichtbij het dak. Alles zag er hier even vuil en bestoven uit; toen we binnen kwamen vloog een vogel op van zijn nest.„Ze mochten hier wel eens schoonmaak houden,” zei Stenford, die het stof van zijn jas afsloeg. „Val niet naar beneden, Burns, want je zou er niet veel van kunnen navertellen, jongen.”Er was nog een ladder die ons nog hooger kon brengen; deze stond tusschen balken, touwen en wielen.„M-moeten we die op?” vroeg Burns aarzelend.De ladder zag er dan ook tamelijk griezelig uit. Ze voerde bijna loodrecht naar het luik in het dak en ze schudde van belang als ze maar even werd aangeraakt.„Stevig staat ze niet,” erkende Stenford die er den voet op zette. „Alle drie tegelijk zal ze ons niet kunnen houden.”Burns en ik toonden weinig lust om langs die ladder naar boven te klauteren. Ze schudde geweldig toen Stenford langzaam de sporten opging; ze stond bijna loodrecht, zoodat het wel leek of de geringste schok haar naar beneden zou doen tuimelen waarbij Stenford in den val zou worden medegesleept.Toen hij het luik had bereikt begon hij dit met alle geweld naar boven te duwen, doch tevergeefs. De ladder trilde en schudde onder hem, doch hij kon het luik slechts een paar centimeter oplichten, waarna het wederom met een slag dichtplofte.„Zeg ’s,” riep Stenford uit de hoogte, „het is te zwaar voor mij alleen; een van jullie moet me komen helpen.”„W-waarom z-zouden we nog hooger gaan?” vroeg Burns. die doodsbang was dat hij naar boven zou moeten. „Van hier af k-kunnen we t-toch ook een m-massa zien.”„Nee, dat kunnen we niet,” riep Stenford kwaad. „Vooruit, Ellinghem, samen kunnen we het best. De ladder is steviger dan je denkt. Jij laat me toch niet in den steek wel?”„Nee, ik denk er niet aan,” antwoordde ik om me groot te houden.Behoedzaam klauterde ik naar boven langs de ladder die vervaarlijk begon te kraken. Toen ik halverweg was hoorde ik plotseling het lawaai en gegons van een reusachtig raderwerk; de heele omgeving dreunde en schudde als bij een aardbeving. Ik bleef roerloos staan en hield me krampachtig aan de ladder vast om niet naar beneden te tuimelen.Toen begon de klok de kwartieren te slaan, wat een oorverdoovend lawaai maakte. Stenford riep me iets toe, maar ik kon er geen woord van verstaan. Zelfs toen de aardbeving had opgehouden zoemde en gonsde het nog zoo om ons heen dat ik half suf was in mijn hoofd toen ik verder naar boven klauterde.„Wat een herrie, hè,” zei Stenford toen ik eindelijk naast hem stond. „Veel plaats hebben we niet met z’n beiden.”Hierin had hij gelijk, maar om het luik open te kunnen krijgen moesten we wel naast elkaar op de ladder staan.„Ik heb een gevoel dat de ladder achterover zal vallen als we heel hard duwen,” zei ik met bevende stem. „Van boven zit ze niet vast, is het wel?”„Nee, jammer genoeg,” zei Stenford, „maar als de ladder even zou wippen, dan geloof ik dat ze toch weer terug zou vallen tegen den muur.”Ik hoopte dat dit het geval zou zijn, doch ik betwijfelde sterk of Stenford in dit opzicht gelijk had.„Vooruit,” riep Stenford; „één hand aan de ladder en de andere tegen het luik. Juist. Wacht tot ik tot drie tel, en dan duw je uit alle macht.”„Best,” zei ik.„Klaar? Een, twee, drie.”Het luik vloog omhoog, doch niet verder dan ongeveer tien centimeter. We zagen een helle lichtstraal; een windvlaag streek tegen ons aan; toen plofte het luik weer dicht met een geweldigen smak.Ik had de ladder onder ons voelen bewegen, en het kwam me voor dat ze iets was verschoven. Ik maakte Stenford hierop opmerkzaam.„Burns,” riep Stenford op bevelenden toon, terwijl hij een blik wierp in de diepte waar Burns tusschen de klokken en touwen stond en angstige blikken wierp in de hoogte.„Jij moet op de onderste sport gaan staan; hang erop met je heele gewicht.”„D-die s-slag w-was zoo hard d-dat alles d-dreunde,” zei Burns met trillende stem; hij riep dit op zulk een schrillen toon dat het me toescheen of de klokken wederom begonnen te gonzen en zoemen.Stenford wachtte tot de dikke Burns op de onderste sporthad plaats genomen. „Vooruit, Ellinghem,” zei hij toen, „we zullen het nog ’s probeeren. Als het luik iets naar boven gaat, dan stap je een sport hooger; pas op dat het niet weer neerploft zooals straks.”Toen hij wederom tot drie had geteld begon het duwen opnieuw. Het luik ging de hoogte in.„Houd vol,” riep Stenford hijgend.Ik had een gevoel dat een vijand het luik uit alle macht naar beneden duwde, terwijl wij onze uiterste krachten inspanden om het naar boven te krijgen. Eindelijk hadden we het luik zóó ver open dat we het op zij van ons hadden, en een oogenblik later schoot het omhoog met een vaart, waarop wij hijgend en blazend maar zegevierend door de opening kropen op het platte dak.

„Als het allemaal waar is wat jullie vertelt, dan is Sjarp een knappe kerel als hij niet gezien en gesnapt wordt,” merkte ik op.

„M-maar hij is zoo’n s-slimme v-vent,” zei Burns.

„Ja,” zei Stenford; „hij kan door greppels kruipen en zich op de onmogelijkste plaatsen verstoppen. De weg maakt ook allerlei bochten.”

„Hoe moeten we nu gaan?” vroeg ik toen we een hek hadden bereikt.

„Dwars door het veld, om hem den weg af te snijden,” beval Stenford.

„Ja, maar welke richting, bedoel ik?” zei ik, terwijl ik een blik wierp over het terrein dat zich golvend voor ons uitstrekte; ik had een gevoel of we ons op zee bevonden.

„Welke richting?” herhaalde Stenford. „Ik geloof dat we dien kant uit moeten.”

Hij maakte een eenigszins vaag gebaar. „Laten we zeggen west, noordwest eigenlijk.—Burns, je kompas!”

Het braadpannetje dat uit den zak van Burns te voorschijn kwam werd op den top van den heuvel gelegd en wees geen bepaalde richting aan; de naald draaide en draaide als een tol in de rondte.

„Zoo’n akelig ding!” zei Stenford; „houd ’t dan stil. Nee, schud het eerst ’s flink, Burns.”

Toen het kompas geducht heen en weer was geschud werd het wederom op de paal van het hek gelegd en bogen we er ons overheen.

„Wat wiebelt dat ding!” mompelde Stenford toen de naald al maar bleef dansen en zwaaien. „Maar kijk ’s, dat is onze richting; ’t is zoo klaar als de dag. Houd dien boom in het oog. Allo, vooruit jongens!”

We zetten er een flinke vaart achter om den tijd in te halen dien we met het kompas hadden verdaan. Burns was echter heel gauw buiten adem en begon te hijgen van belang.

„Dat ’s hard werk!” riep ik toen we drie of vier velden waren overgestoken.

Burns stiet een brommend geluid uit; ik geloof dat hij iets wilde zeggen, maar door zijn gestotter en gehijg kwam geen klank over zijn lippen.

„We hebben nog niets in de gaten gekregen,” zei Stenford toen we even halt hielden bij een omheining die nog al lastig was om over te klimmen.

Burns was er op gesteld om wederom de richting met het kompas te bepalen, maar ik geloof dat het hem meer te doen was om op adem te komen. Volgens het kompas waren we te veel westelijk gegaan; toen we het hierover eens waren vervolgden we wederom onzen tocht. We zagen niets of niemand; de streek leek doodsch en verlaten.

„Nu naderen we,” zei Stenford, toen we het hoogste gedeelte van den omtrek hadden bereikt; „hier kunnen we misschien het een of ander zien.”

„L-laten w-we eens r-rustig uitkijken,” bracht Burns met moeite uit, die nu stond te hijgen als een stoommachine.

De velden waren in deze streken niet door heggen gescheiden maar door steenen dijken die met gras waren begroeid, en nadat we ons achter een van deze haddenopgesteld tuurden we oplettend om ons heen of we ook het een of ander konden gewaar worden. Stenford keek door zijn kijker en Burns en ik moesten het met onze oogen doen.

„Zie je Sjarp?” vroeg ik aan Stenford.

„Nee,” antwoordde hij. „Kijk zelf maar.”

Ik bracht den kijker voor mijn oogen en zag niets dan een golvend landschap met dijken en schapen.

„We zijn niet hoog genoeg,” zei Stenford. „We moeten in de diepte kunnen kijken.”

„Wat denk je van dien boom daar?” vroeg ik, terwijl ik wees naar een hoogen boom in het volgende veld die daar heel alleen stond.

„’t Zal me benieuwen of ik erin kan,” zei Stenford, „maar we kunnen het probeeren.”

We renden er op af en tilden hem op, waarna Burns en ik op den grond gingen zitten om uit te rusten, terwijl hij naar boven klauterde.

„’t Is gek dat we geen van de andere jongens zien,” merkte ik op.

„Ja,” zei Burns, die het braadpannetje wederom te voorschijn haalde. „Wij gingen evenals straks de richting na en hielden het kompas gereed om aan Stenford te toonen waarin we ons hadden vergist.”

Plotseling weerklonk een kreet boven onze hoofden.

„Zie je wat?” riepen we tegelijk.

„Sjarp of een van de anderen zie ik niet,” riep hij terug; „het is niet zoo’n goede plaats als je zou denken, maar ik zie wel wat anders.”

„Wat dan?” vroegen we.

„Rechts is een vierkante kerktoren; jullie kunt dien vandaar niet zien.”

„Wat zou dat?” riepen we.

„Als we daarop kunnen komen, dan ligt de heele streek alseen kaart voor ons uitgespreid—dan zien we alles en iedereen.”

„Prachtig,” riep Burns. „T-toe, kom dan beneden.”

„Ik kom al,” zei Stenford, die zich langs den stam liet afglijden.

We waren zoo in onzen schik met dien vierkanten toren als verkenningspunt, dat we Stenford maar niet lastig vielen met het kompas; we zetten het op een loopen in de richting die hij aanwees en weldra werden we de kerk gewaar die zich in de verte donker afteekende tegen den hemel.

„Hoe heet het daar?” vroeg ik, want plotseling was een gedachte me ingevallen.

„Weet niet,” antwoordde Stenford, die nu over een muurtje klauterde, „en het kan me niet schelen ook. We kunnen dien toren toch best als verkenningspunt gebruiken zonder dat we weten hoe de kerk heet, is het niet?”

Hiertegen viel niet veel in te brengen, en ik draafde wederom met de anderen mede. Toen we dwars over een veld holden, werden we een boer gewaar die ons toeschreeuwde dat we moesten terug keeren. We schonken echter geen aandacht aan de kreten van het eerste menschelijke wezen dat we gewaar werden en draafden verder.

Zich regelrecht naar het een of andere punt begeven, dat klinkt heel gemakkelijk; het lijkt zoo eenvoudig, maar dikwijls doen zich heel wat moeilijkheden voor.

„Recht op den toren af,” riep Stenford een paar maal, alsof dit het wachtwoord was dat we hadden afgesproken. Hij liep iets voor ons uit, want hij bleek meer gehard voor den strijd dan Burns of ik. Burns hijgde nog altijd als een stoommachine en ik vond het heel aangenaam toen Stenford een wandelpas aannam toen we het dorp naderden. We hadden hem nu weldra ingehaald. „We moeten niet komen aandraven,” zei hij.

„Nee,” antwoordde ik hijgend en blazend; „dat trekt maar de aandacht.”

De kerk stond op een glooiing van een kleinen heuveldie zich links van ons bevond. Ze lag geheel alleen; door een veld en het kerkhof werd ze van het dorp gescheiden.

„Als we een kleine bocht maakten en van den anderen kant aankwamen, dan zou dit misschien beter zijn,” merkte Stenford op. „Dan zal niemand onszien.”

„Die m-man komt eraan,” zei Burns plotseling, die een schichtigen blik om zich heen had geworpen.

Ja, zoowaar; hij bevond zich nog op eenigen afstand, maar hij volgde dezelfde richting als wij.

„Ik d-dacht w-wel dat ie n-naar het dorp zou gaan,” verklaarde Burns.

„Wat zou dat dan nog?” vroeg Stenford. „Maar des te meer reden om geen sekonde te verliezen. Vooruit. Over dit hek!”

We volgden hem op den voet en wederom ging het in gestrekten draf.

„De m-man v-volgt ons niet,” riep Burns hijgend, toen we een veld waren overgestoken en hij een blik achter zich had geworpen.

„Hij gaat zeker naar huis om zijn kopje thee te drinken,” zei Stenford. „Maar wat kan die man ons eigenlijk schelen. Zeg, wat is die toren hoog, hè? We zullen een prachtig uitzicht hebben!”

We beschreven nu een halven cirkel, zoodat de kerk zich weldra tusschen ons en het dorp bevond.

„Ja, wat een hoogte,”zei ik. „Maar hoe zullen we erin komen?”

„M-misschien z-zit de deur op s-slot,” zei Burns.

„Je zal zien dat er de een of andere werkvrouw aan het boenen is,” zei Stenford; „maar nu we eenmaal zoo dichtbij zijn, nu zullen we erin komen; dat verzeker ik je.”

Toen we de kerk waren genaderd werden we gewaar dat de deur zich aan de andere zijde bevond.

„Dat is jammer,” merkte Burns op; „want ze mogen ons niet zien.”

„Het is t-toch eigenlijk heel n-natuurlijk d-dat die d-deur d-daar is,” zei Burns, „anders z-zouden d-de m-menschen om d-de k-kerk m-moeten heenloopen.”

„Zulke dingen vind ik juist zoo leuk,” hernam Stenford; „een goede oefening.”

„Wat ga je doen?” vroeg ik.

„Ik ga poolshoogte nemen,” antwoordde hij. „Ik ga eerst het terrein verkennen; ik verschuil me achter de zerken, dan ziet niemand me; ik moet natuurlijk eerst weten of de deur open is en of er niemand in de kerk is. Als we vroegen om naar den toren te mogen gaan, dan zouden ze dit misschien weigeren; daarom is het maar beter dat we er op afgaan zonder verlof te vragen.”

„M-moeten wij zoolang hier b-blijven?” vroeg Burns.

„Ja; verstop je achter dien hoop steenen,” antwoordde hij; „ik zal een sein geven als jullie kunt komen.”

„Wat voor sein?” vroeg ik.

„Ik zal drie keer krassen als een kraai,” antwoordde Stenford. „Nu ik ga; houd me zoo lang mogelijk in het oog.”

Hij sloop tusschen de zerken door en was weldra om den muur van de kerk verdwenen.

„St-Stenford k-kan zoo g-goed verkennen,” zei Burns, die diep onder den indruk scheen.

„Ja, dat merk ik,” antwoordde ik.

Daar wij geen van beiden eenige ervaring hadden op dit punt, was de lof dien wij Stenford toezwaaiden van weinig waarde. Toen we het sein vernamen kwamen we aanzetten en werden we Stenford gewaar die bij de kerkdeur stond en geheimzinnig tegen ons wenkte.

„Van buiten is geen deur die toegang geeft naar den toren,” fluisterde hij; „die moet dus aan den binnenkant zijn.”

„Maar ik hoor niemand,” zei Burns.

„Sst, praat niet zoo hard! Een oude vrouw is aan hetwerk, maar heelemaal in het andere gedeelte. Als we het slim aanleggen, dan zal ze ons niet snappen.”

Dit was nog de vraag; ik vond het echter maar het best om geen tegenwerpingen te maken.

„De deur is van de klink en staat op een kier,” fluisterde Stenford; „we hebben niets te doen dan ze wat verder open te duwen. Volg me maar niet te dicht; jullie doet maar wat je mij ziet doen.”

„Wie zal eerst gaan?”

„Burns. Als jij erdoor bent, dan doe je de deur weer dicht.”

„Best,” fluisterde ik.

Stenford verdween. Burns verdween. Toen was het mijn beurt; ik volgde hen, duikend achter de kerkbanken in de richting van het poortje dat open stond en toegang gaf naar den toren. Het scheen hier zoo donker na het helle licht buiten en het rook er zoo benauwd en duf, wat een eigenaardigheid schijnt van alle dorpskerken.

Het was pikdonker onder den toren; de klokketouwen die een cirkel vormden zagen er zoo geheimzinnig uit; we konden niet zien waar ze eindigden. In een hoek was een klein laag deurtje dat open stond; hierachter werden we een smalle steenen trap gewaar.

Stenford was het al door; Burns had het nu bereikt. Even wendde ik het hoofd om om een blik door de kerk te werpen. Ik zag een oude vrouw met een muts, die bezig was te vegen met stoffer en blik; ze maakte hiermede zoo’n lawaai en de geluiden klonken zoo hard en hol door het leege gebouw dat ze waarschijnlijk niets van ons binnenkomen had bemerkt, hoewel Burns met zijn hak was uitgegleden bij den drempel van het deurtje wat geducht leven had gemaakt.

Ik volgde Burns op de smalle trap; boven onze hoofden hoorde ik een klok tikken; weldra werd het lichter om ons heen en hadden we de klokkekamer bereikt. Ook hier zagen we de touwen, die wederom door de zoldering verdwenen.

„Vinden jullie het niet dol?” vroeg Stenford verrukt.

„Wat maakt die klok een herrie!” zei Burns, die door de glazen kast van het uurwerk stond te turen.

„We zullen een prachtig uitzicht hebben,” merkte ik op, toen ik een blik naar buiten had geworpen door een van de kleine zijramen.

„Ja, boven zullen we uren ver in den omtrek kunnen zien,” zei Stenford. „Burns, wat zie je wit; je hebt alle kalk van den muur gewreven.”

„Dan zal ik z-ze d’r w-weer opsmeren als we n-naar beneden gaan st-straks,” antwoordde hij lachend.

„We zullen eerst maar naar boven trekken,” hernam Stenford. „Toe, vooruit, jongens.”

Nu ging het de hoogte in langs een breede ladder die in een hoek van het vertrek was gezet, want de wenteltrap liep niet verder dan de klokkekamer. In de zoldering was een open vierkant gat aangebracht, zoodat de klokkekamer hel was verlicht en de wind drong hier binnen door de luiken die waren opengeslagen.

„Wat een dingen,” riep Burns uit, die met de hand streek over een van de reusachtige klokken.

Er waren er acht; de grootste konden we aanraken; de kleinere hingen recht boven ons hoofd dichtbij het dak. Alles zag er hier even vuil en bestoven uit; toen we binnen kwamen vloog een vogel op van zijn nest.

„Ze mochten hier wel eens schoonmaak houden,” zei Stenford, die het stof van zijn jas afsloeg. „Val niet naar beneden, Burns, want je zou er niet veel van kunnen navertellen, jongen.”

Er was nog een ladder die ons nog hooger kon brengen; deze stond tusschen balken, touwen en wielen.

„M-moeten we die op?” vroeg Burns aarzelend.

De ladder zag er dan ook tamelijk griezelig uit. Ze voerde bijna loodrecht naar het luik in het dak en ze schudde van belang als ze maar even werd aangeraakt.

„Stevig staat ze niet,” erkende Stenford die er den voet op zette. „Alle drie tegelijk zal ze ons niet kunnen houden.”

Burns en ik toonden weinig lust om langs die ladder naar boven te klauteren. Ze schudde geweldig toen Stenford langzaam de sporten opging; ze stond bijna loodrecht, zoodat het wel leek of de geringste schok haar naar beneden zou doen tuimelen waarbij Stenford in den val zou worden medegesleept.

Toen hij het luik had bereikt begon hij dit met alle geweld naar boven te duwen, doch tevergeefs. De ladder trilde en schudde onder hem, doch hij kon het luik slechts een paar centimeter oplichten, waarna het wederom met een slag dichtplofte.

„Zeg ’s,” riep Stenford uit de hoogte, „het is te zwaar voor mij alleen; een van jullie moet me komen helpen.”

„W-waarom z-zouden we nog hooger gaan?” vroeg Burns. die doodsbang was dat hij naar boven zou moeten. „Van hier af k-kunnen we t-toch ook een m-massa zien.”

„Nee, dat kunnen we niet,” riep Stenford kwaad. „Vooruit, Ellinghem, samen kunnen we het best. De ladder is steviger dan je denkt. Jij laat me toch niet in den steek wel?”

„Nee, ik denk er niet aan,” antwoordde ik om me groot te houden.

Behoedzaam klauterde ik naar boven langs de ladder die vervaarlijk begon te kraken. Toen ik halverweg was hoorde ik plotseling het lawaai en gegons van een reusachtig raderwerk; de heele omgeving dreunde en schudde als bij een aardbeving. Ik bleef roerloos staan en hield me krampachtig aan de ladder vast om niet naar beneden te tuimelen.

Toen begon de klok de kwartieren te slaan, wat een oorverdoovend lawaai maakte. Stenford riep me iets toe, maar ik kon er geen woord van verstaan. Zelfs toen de aardbeving had opgehouden zoemde en gonsde het nog zoo om ons heen dat ik half suf was in mijn hoofd toen ik verder naar boven klauterde.

„Wat een herrie, hè,” zei Stenford toen ik eindelijk naast hem stond. „Veel plaats hebben we niet met z’n beiden.”

Hierin had hij gelijk, maar om het luik open te kunnen krijgen moesten we wel naast elkaar op de ladder staan.

„Ik heb een gevoel dat de ladder achterover zal vallen als we heel hard duwen,” zei ik met bevende stem. „Van boven zit ze niet vast, is het wel?”

„Nee, jammer genoeg,” zei Stenford, „maar als de ladder even zou wippen, dan geloof ik dat ze toch weer terug zou vallen tegen den muur.”

Ik hoopte dat dit het geval zou zijn, doch ik betwijfelde sterk of Stenford in dit opzicht gelijk had.

„Vooruit,” riep Stenford; „één hand aan de ladder en de andere tegen het luik. Juist. Wacht tot ik tot drie tel, en dan duw je uit alle macht.”

„Best,” zei ik.

„Klaar? Een, twee, drie.”

Het luik vloog omhoog, doch niet verder dan ongeveer tien centimeter. We zagen een helle lichtstraal; een windvlaag streek tegen ons aan; toen plofte het luik weer dicht met een geweldigen smak.

Ik had de ladder onder ons voelen bewegen, en het kwam me voor dat ze iets was verschoven. Ik maakte Stenford hierop opmerkzaam.

„Burns,” riep Stenford op bevelenden toon, terwijl hij een blik wierp in de diepte waar Burns tusschen de klokken en touwen stond en angstige blikken wierp in de hoogte.„Jij moet op de onderste sport gaan staan; hang erop met je heele gewicht.”

„D-die s-slag w-was zoo hard d-dat alles d-dreunde,” zei Burns met trillende stem; hij riep dit op zulk een schrillen toon dat het me toescheen of de klokken wederom begonnen te gonzen en zoemen.

Stenford wachtte tot de dikke Burns op de onderste sporthad plaats genomen. „Vooruit, Ellinghem,” zei hij toen, „we zullen het nog ’s probeeren. Als het luik iets naar boven gaat, dan stap je een sport hooger; pas op dat het niet weer neerploft zooals straks.”

Toen hij wederom tot drie had geteld begon het duwen opnieuw. Het luik ging de hoogte in.

„Houd vol,” riep Stenford hijgend.

Ik had een gevoel dat een vijand het luik uit alle macht naar beneden duwde, terwijl wij onze uiterste krachten inspanden om het naar boven te krijgen. Eindelijk hadden we het luik zóó ver open dat we het op zij van ons hadden, en een oogenblik later schoot het omhoog met een vaart, waarop wij hijgend en blazend maar zegevierend door de opening kropen op het platte dak.


Back to IndexNext