HOOFDSTUK XIX.

HOOFDSTUK XIX.ZWEMMEN EN DUIKEN.Daar de portier een tijd lang naar den hemel en de sterren stond te kijken kon ik niet van den muur vandaan. Het avontuur van dien middag was ik al bijna vergeten door hetgeen ik zoo even had vernomen.Wat kon dit beduiden? Wat beteekende dit? Ik wist hoe trotsch Bob was, en nu stond die gunsten te vragen aan een jongen als Brunton met wien hij koopjes afsloot en dien hij iets beloofde in ruil voor een andere belofte! Wat kon dat zijn?Ik dacht aan hetgeen in de gymnastiekzaal was gebeurd. Het was toen heel duidelijk dat Brunton bang was voor Bob. Het liefst zou hij op Bob zijn aangevlogen om hem af te ranselen, doch blijkbaar had hij dit niet gedurfd. Nu scheen hij echter niet meer bang te zijn voor Bob. Was Bob eigenlijk niet bang voor hem?Wat of hiervan de reden was? Brunton scheen het een of ander te weten, waarvan Bob mij met alle geweld onkundig wilde houden. Dit was een geheim, zóó belangrijk, dat Bob om het te kunnen bewaren aan het sjacheren was gegaan met een ellendeling als Brunton, voor wien hij zich had vernederd en geld had aangeboden, als ik er maar buiten zou blijven.Het zonderlinge geval nam al mijn aandacht in beslag,zoodat ik als in een droom het schoolgebouw binnen ging toen de portier was verdwenen; het liet me dan ook heelemaal onverschillig toen ik voor Kijkers werd gebracht omdat ik niet op tijd was thuisgekomen.Even later trok ik naar de kamer van Norman om hem een boek te brengen waarom hij had gevraagd. Hier trof ik Bob aan.„Hem vertrouwen?” hoorde ik Norman zeggen toen ik binnen kwam. „De vent bezit geen greintje eergevoel.”„Ik ben een idioot geweest,” zei Bob met een zucht.Ik begreep dat Bob aan Norman had gevraagd of die dacht dat Brunton zijn woord zou houden en dat Norman die vraag beslist ontkennend had geantwoord.Bob en ik trokken weg; hij nam me nu mee naar zijn eigen kamer.„Wat heb je al dien tijd uitgevoerd?” vroeg hij op een toon die hij zoo luchtig mogelijk deed klinken. „Vertel maar op, heerschap.”Ik bracht hem op de hoogte van hetgeen dien middag was gebeurd.„En dat noemen jullie verkennen?” vroeg hij lachend. „Ik zal je binnenkort ’s meenemen om je te laten zien wat verkennen is.”„De andere schijnen Sjarp te hebben gesnapt,” merkte ik op.„Ja, en die zijn uren geleden al thuisgekomen. Maar jongen, wat zien je handen er uit.”„Heb jij je wel eens langs een touw naar beneden laten glijden?” vroeg ik.„Meer dan eens,” antwoordde hij lachend, „maar ik denk dat ik wat langzamer ben gedaald. Als jullie het weer ’s doet, zet er dan niet zoo’n vaart achter. Maar hoor ’s Martin, met je verkennen en torens en klokketouwen, moet ik toch zeggen dat je heel aardig begint voor een nieuweling.”Ik voelde dat hij me nog iets anders wilde zeggen; toenik hem goeden nacht wenschte, kwam het er eindelijk uit.„Wacht nog even, Martin,” begon hij aarzelend; „je kent Brunton?”Ik knikte van ja.„Ik wou je voor iets waarschuwen, zie je.”„En dat is?”„Misschien is het onnoodig, maar het zou kunnen zijn dat...”„Ja?”„Dat Brunton je iets zou vertellen,” ging hij langzaam voort; „iets dat op jou betrekking heeft—of—of—op mij...”„Ja?” zei ik wederom, omdat zijn woorden er met zulke lange tusschenpoozen uitkwamen.„Beloof me dan dat je hem niet zult gelooven.”„In geen geval, bedoel je?”„Ja,” antwoordde hij, terwijl hij even een korten lach uitstiet. „Dat is het beste. Geloof geen woord van wat hij vertelt.”„Maar waarom zou hij...” begon ik.„’t Is ook niet zeker dat hij het zal doen,” viel Bob me in de rede;„maar hij kon je iets vertellen dat betrekking heeft op jou—of op mij—en,” voegde hij er bij, terwijl hij nu op elk woord nadruk legde: „geloof dan niet wat hij zegt.”„Ik zal er aan denken,” zei ik.„En houd mij op de hoogte,” hernam hij gejaagd. „Ik wil weten of hij het doet of niet, begrijp je? Die Brunton is een gluiperd.”Ik knikte bij wijze van toestemming.„Hij zal uit je buurt blijven en mag geen woord tegen je kikken,” zei Bob. „Laten we er nu maar niet meer over praten. Ik zal den portier wat van dat goedje gaan vragen om je handen mee in te smeren; anders zullen ze morgen geducht pijn doen.”„Ze doen me al pijn,” mompelde ik, en zonder eigenlijk te weten waarom verliet ik de kamer in een neerslachtige stemming.Bij de trap liep ik tegen Burns aan.„Heb j-je al g-gehoord van den n-nieuwen pr-prefekt?” vroeg hij.„Nee,” antwoordde ik tamelijk onverschillig. „Wie is het?”„B-Bob K-Kitsjin,” hernam hij; „’k b-ben er w-wat b-blij om, w-want hij is een k-kraan!”En Bob was blijkbaar zoo vol van die Brunton-geschiedenis dat hij me dit gewichtige nieuws niet eens had medegedeeld!Op een van de dagen die nu volgden had ik een avontuur bij het baden, dat een eind had kunnen maken aan mijn loopbaan op St. Martin.„Ga je mee naar het bassin?” vroeg Stenford op den Maandagmiddag die volgde op onzen verkenningstocht.„Ja,” antwoordde ik.„Een massa lui gaan mee,” hernam hij. „En Kien is vandaag warempel ook van de partij, omdat hij een wetenschappelijk onderzoek wil instellen zooals hij beweert.”„En B-Burns g-gaat ook mee,” verklaarde dit heerschap dat zich in het gesprek mengde.„Het zeewater zal goed zijn voor onze handen,” hernam Stenford. „Zijn de jouwe weer in orde?”„Nee,” antwoordde ik; „ik kan nog haast geen pen vasthouden en ik schrijf zoo slecht dat ik vanmorgen een geduchten uitbrander van Wilson heb gekregen.”„Wilson houdt van uitbranders,” merkte Stenford wijsgeerig op. „Dat moet je je niet te veel aantrekken. Als ie je maar geen strafwerk geeft, want daar heeft ie ook een handje van,” voegde hij er bij.Bij het zwem-bassin stonden al verscheidene jongens met Kijkers en nog eenige leeraren om toezicht te houden. Het waren meest jongens van mijn leeftijd; een paar van de ouderen waren er bij, o. a. Jim Juniper en Bob. Bob scheen verbazend bemind; al de jongens, die ik kende vonden het heerlijk dat hij tot prefekt was benoemd.„’k Dacht eigenlijk dat hij het pas na de volgende vacantiezou worden,” zei Stenford, „maar Kolman scheen hem er nu al bij te willen hebben. Groot gelijk trouwens, want Kitsjin is een kraan. Prachtig zooals de man voetbal speelt. En heb je hem wel ’s zien schieten?”„Toe maak voort!” riep Kien. „Doe je spullen af; dan gaan we erin. Ik geloof dat er een atmosferische druk is in het bassin onder de rots; ik wou dat ’s nagaan.”„Duik dan net zoo lang totdat je er achter bent,” zei Stenford, „als je dan weer levend komt opdagen, dan mag je er ons alles van vertellen.”Kien begaf zich naar de bewuste plek waar hij zijn wetenschappelijk onderzoek zou gaan instellen.Het bassin was een ideale zwemplaats; helder wit zand lag op den oever, en lage steenen en rotsblokken dienden om op te gaan zitten en als bewaarplaats voor kleeren en handdoeken, terwijl een gedeelte een uitstekende gelegenheid bood om te duiken.Dit bassin heette de Paardekom—waaraan het dien naam had te danken zou ik niet kunnen zeggen—het lag ingesloten tusschen twee rotsen en was met helder water gevuld. Het had een diepte van drie tot tien of twaalf voet, daar de bodem afliep, zoodat men erin kon baden en duiken op verschillende plaatsen. De eigenaardigheid was echter dat het water bij het diepste gedeelte onder de klip doorliep naar de grot, zoodat een goed zwemmer, die een beetje onder water kon zwemmen, door een soort van tunnel die grot kon bereiken, en vandaar kon hij weer in het volgende bassin komen.Kien en Stenford hadden me dit allemaal onderweg verteld, toen we ons naar de zwemplaats begaven.„Kostelijke plek om te duiken,” zei Stenford, die nu aan een knoop van zijn laarzen zat te morrelen.„Ja, dat zie ik,” zei ik.Ik kon maar weinig zwemmen en van duiken kon ikniets, Bob had me in de vacantie een paar zwemlessen gegeven; voor dien tijd had ik er nooit iets aan gedaan. Dit wilde ik echter niet bekennen aan Stenford dien ik een benijdenden blik toewierp, toen hij een aanloop nam en met een prachtige duikeling in het water plonsde.„Dol!” riep hij, toen hij weder uit het borrelende water te voorschijn kwam; „het water is zoo lauw als melk! Kom erin! Gauw wat!”Bob scheen me eerst nu gewaar te worden; tot nu had hij met Juniper staan praten; hij liep naar me toe en zei bijna fluisterend: „Martin, als ik jou was, dan ging ik er nog maar niet in.”„Waarom niet?” vroeg ik een weinig geraakt.„Omdat je nog niet bepaald een kampioen bent in de edele zwemkunst,” antwoordde hij glimlachend.„Maar ik mag toch wel een bad nemen,” zei ik.„Dat mag je zeker,” hernam hij, „maar ga er dan in van het strand; dan loop je eerst en zwem dan. Je weet dan dat je niet te ver bent gegaan. Als je een beetje gewend bent geraakt, neem dan het bassin.”In plaats dat ik Bob, die ouder en wijzer was en bovendien een prefekt, dankbaar was voor zijn goeden raad dien hij me had gegeven, zonder aan de anderen te laten merken dat ik nog een nieuweling was in het vak, nam ik het hem eigenlijk kwalijk dat hij zich met mij had bemoeid.„Best,” zei ik kortaf, daar ik wel inzag dat hij gelijk had, waarop ik me begaf in de aangeduide richting.„Waar ga je heen?” riep Stenford.„Naar het strand,” antwoordde ik.„Sufferd, die je bent,” riep hij me toe; „je komt dan vol zand.”Toch liep ik door.„Ga niet te ver,” zei Bob toen ik langs ging, „en vergeet niet wat ik je heb gezegd van hoe je adem moet halen.”„Onderwijs je de jeugd die zich naar den Oceaan begeeft,” vroeg Juniper. „Leve Canada!”„Kom zelf maar ’s in Canada,” antwoordde Bob lachend. „Als je eerst wat hebt gezwommen, ga dan naar het bassin,” riep Bob me achterna; „ik ben er dan ook in; ik zal je dan leeren duiken.”De zee was heerlijk; het water voelde lauw aan en klotste om ons heen. Verscheidene jongens waren al aan het zwemmen; ze probeerden allerlei verschillende manieren om uit te slaan en plasten als walrussen; ik merkte echter op dat geen van allen zich ver waagde en als een enkele dit deed, dan werd onmiddellijk van het strand geroepen dat hij terug moest keeren.Ik zwom en zwom totdat ik me zoo trotsch begon te voelen over de hoogte waarop ik het reeds had gebracht, dat ik tegen mezelf zei dat Bob wel heel voorzichtig was uitgevallen.Ik kwam nu naar den oever en liep over het warme, mulle zand naar het bassin, waarin Bob zich bevond met nog eenige andere geoefende zwemmers.„Kitsjin is de beste zwemmer van de heele school,” zei Stenford, die zich nu flink stond te wrijven en af te drogen.„Dat is zoo,” zei Burns, die het roode gezicht stond af te vegen. „M-maar d-doen je handen n-niet pijn?”„Zeewater is goed voor ze,” antwoordde Stenford. „Maar het is eigenlijk zonde en jammer om op zoo’n dag je kleeren aan te trekken.”„W-waarom g-ging jij erin van het s-strand?” vroeg Burns.„Dat is een heel leuke manier,” antwoordde ik ontwijkend. „Vooral op een dag als vandaag, als het water zoo om je heen klotst.”„Ik moet toch niets van die manier hebben,” zei Stenford. „O, daar komt Kitsjin aanzetten.”Bob kwam nu aanzwemmen; hij liet zich bijna drijven.Jim Juniper stond zich op zijn doode gemak aan te kleeden op een klip die boven het bassin uitstak.„Zoo, nobele meermin,” riep hij tegen Bob. „Wat voor nieuws breng je mee uit de diepte?”„Dat zal ik je vertellen als ik er eerst ben geweest,” antwoordde Bob.„Ik dacht dat je voor goed was verdwenen,” zei Juniper.„Ik ben onderdoor gezwommen naar die andere kom,” zei Bob. „Heb jij dat wel ’s gedaan?”„Dank je stichtelijk,” antwoordde Jim. „Ik ben veel te blij als ik weer springlevend te voorschijn kom uit het water; mijn leven is te kostbaar om het te wagen in zulke onderaardsche, of beter gezegd, onderwatersche streken. Wat zou je eigenlijk moeten zeggen?”„Je kan allebei zeggen,” antwoordde Bob. „Maar het is een gekke gewaarwording. De vloed komt op en daardoor komt het water van de eene kom in de andere; als het weg stroomt zuigt het zich aan je vast en dat is een ellendig gevoel.”„Dat zou ik denken,” zei Jim. „Maar ik dank je lekker voor dat gezuig.”„Tweemaal probeerde ik eronder door te komen, maar telkens werd ik terug geslagen,” zei Bob. „Den derden keer nam ik het waar toen een geduchte golf kwam aanzetten, en toen ging het als gesmeerd.”„Wat een zwemmer, hè!” zei Stenford tegen me. „En dat is onder water, begrijp je?”Ik knikte van ja. Voor Bob gevoelde ik oprechte bewondering; ik was alleen maar beleedigd dat hij zoo weinig dunk had van mijn zwemkunst.„Kijk ’s, Jim,” zei Bob, die zich nu flink stond af te wrijven; „je kan het water zien in en uitgaan.”„Ik geloof je graag, nobele zeeheld,” antwoordde Jim, die nu zijn buis aantrok. „Zou een Canadees ooit een leugen vertellen?”Juniper en Bob waren dikke vrienden, al plaagden zeelkaar graag. Bob hield dol van Engeland, maar als Jim er bij was, dan verhief hij zijn eigen land tot in de wolken, waarop Juniper dan Canada als een woeste streek voorstelde door beren bevolkt, een land waar de menschen slechts heentrokken in de uiterste noodzakelijkheid.Bob kreeg me nu in het oog. „Martin, wil je nog duiken, of heb je er genoeg van?” riep hij me toe.„O, best,” zei ik, want ik was nog niet begonnen met me aan te kleeden.„Vooruit dan maar!” riep hij; „je moet het leeren. Begin maar met het hier te doen. Als je verdrinkt zal ik er je wel uithalen,” voegde hij er lachend bij.„Toe vooruit, kerel,” zei Stenford. „Ik wou dat ie het mij ook leerde. Hij duikt prachtig.”Ik gevoelde me nog eenigszins beleedigd en tamelijk onwillig begaf ik me naar de plek waar hij stond.„Vanhier moet je duiken,” zei hij en gaf me eenige raadgevingen.Een heele troep jongens was al weggetrokken, maar er waren nog genoeg toeschouwers overgebleven; ik gevoelde me dan ook weinig op mijn gemak. Hoe bang ik ook was, ik wilde mijn angst niet doen blijken. Ik wou geen mal figuur slaan.„Kijk, zoo moet je doen; het is dood gemakkelijk,” riep hij.Met een sierlijken zwaai maakte hij een prachtige duikeling. „Bravo!” riep Stenford.„Ja, zoo moet je doen!” zei Jim spottend.Bob kwam weer opdagen, al watertrappend. „Vooruit,” riep hij me toe; „probeer het maar.”Ik gehoorzaamde het bevel, maar als een zware zak plofte ik in het water. Toen ik te voorschijn kwam, hoorde ik de toeschouwers het uitschateren.„Heel goed, Ellinghem,” schreeuwde Stenford.„Probeer het nog maar ’s,” zei Bob, die me weer ophet droge haalde. „Zoo iets kan je maar niet dadelijk. Je zwemt anders beter dan ik dacht.”De tweede maal ging het niet zoo erbarmelijk slecht, maar ik vond het toch een beproeving en ik zei tegen mezelf dat ik het in elk geval bij den derden keer zou laten.„Je gaat vooruit,” zei Bob. „Stoor je maar niet aan die lui; je moet het op die manier leeren. Je slaat nu heel goed uit.”„Ik had hier toch wel den heelen tijd kunnen zwemmen,” zei ik; „wat voor gevaar is daar nu in?”„Er loopt een stroom bij het verste gedeelte,” antwoordde hij; „daar trekt het water.”Ik had niets van een stroom gemerkt en dacht dat hij me tot de kleine jongens wilde rekenen, maar ik zou hem wel toonen dat hij me niet zoo geringschattend behoefde te beoordeelen.Hij stond zich nu op zijn doode gemak af te drogen op de klippen; toen ik voor de derde maal dook, gaf hij me nog eenige raadgevingen; het viel hem blijkbaar mee dat ik zoo vlug en handig weer boven kwam.Den derden keer ging het werkelijk veel beter. „Goed zoo!” hoorde ik hem roepen, toen ik weer spartelend te voorschijn kwam en ik meende dat Stenford in de handen stond te klappen. Met opzet begaf ik me in de richting waar die stroom heette te loopen; ik zwom naar het verste gedeelte waar zich de tunnel bevond naar het andere bassin.„Niet dien kant,” riep Bob op een toon die als een bevel klonk. „Daar loopt die stroom! Kom terug!”Ik schonk hierop geen aandacht, want ik gevoelde niets van een stroom en zwom door. Ik wilde alleen maar een paar slagen doen in die richting en dan omkeeren, alleen maar om hem te toonen dat hij niet zoo min over me behoefde te denken.„Kom terug!” riep Bob me toe; „Martin, je bent een uil!”Nu ik me aldus door hem hoorde betitelen, werd ik kwaad en deed nog een paar slagen om hem te toonen dat hij me niet als een klein kind behoefde te behandelen.„Keer je om op je rug!” hoorde ik hem roepen en toen vernam ik een plof alsof iemand in het water sprong.Plotseling werd ik een eigenaardige trekking gewaar die me met bliksemsnelheid deed vooruitschieten; misschien liep hier dan toch een stroom en bevond ik me nu dichtbij de lager gelegen rotsen; de klip zag ik boven mijn hoofd vooruit steken. Ja, het was misschien het best dat ik nu maar omkeerde.Toen ik me wilde omdraaien kreeg ik een gevoel of die trekking plotseling had opgehouden, doch de volgende golf die aankwam, deed me wederom een eind vooruit schieten. Ik was nu als machteloos; hoe ik ook uitsloeg en spartelde, aan terugkeeren viel niet te denken.Ik begon nu in het wilde uit te slaan.„Help, help!” schreeuwde ik, doch ik kon ternauwernood een kreet uitbrengen. Ik werd machteloos heen en weer geslingerd door de klotsende golven.„Help!” riep ik wederom, waarbij ik een hoeveelheid water naar binnen kreeg.Ik vernam luide kreten van de rotsen en een stem in mijn nabijheid riep me hijgend toe: „Draai je op je rug! Op je rug!”Nog juist had ik besef genoeg om dit bevel op te volgen; toen voelde ik dat het water me met kracht omlaag zoog totdat een groen waas voor mijn oogen trok en het stemrumoer zich mengde met het geluid van kiezelsteenen die door de golven heen en weer werden geschuifeld; in mijn ooren begon het nu al harder en harder te suizen en stampen, zoodat eindelijk alle geluiden werden overstemd. Alles werd nu donker om mij heen. Het groene waas vervaagde; plotseling zag ik Mallorie voor me opdoemen; ikdacht aan den dag, toen ik met Bob en Tetsjer was komen aanrijden en wederom zag ik Horner flauw vallen, maar nu dacht ik dat ik zelf flauw viel en dat iemand in de kamer kwam om naar me te kijken en Bob zag ik loopen op dien vooruitstekenden rand langs den muur, en toen zag ik mezelf daarop loopen en voelde ik dat, als het gonzen in mijn ooren nog iets luider werd, dat ik dan naar beneden zou vallen en dood neerstorten. Het rumoer in mijn hoofd werd nu zóó luid, dat ik een gewaarwording kreeg of door mijn hersens werd gehamerd; ik klemde me vast tegen den muur, doch tevergeefs—ik stortte in de diepte.

HOOFDSTUK XIX.ZWEMMEN EN DUIKEN.Daar de portier een tijd lang naar den hemel en de sterren stond te kijken kon ik niet van den muur vandaan. Het avontuur van dien middag was ik al bijna vergeten door hetgeen ik zoo even had vernomen.Wat kon dit beduiden? Wat beteekende dit? Ik wist hoe trotsch Bob was, en nu stond die gunsten te vragen aan een jongen als Brunton met wien hij koopjes afsloot en dien hij iets beloofde in ruil voor een andere belofte! Wat kon dat zijn?Ik dacht aan hetgeen in de gymnastiekzaal was gebeurd. Het was toen heel duidelijk dat Brunton bang was voor Bob. Het liefst zou hij op Bob zijn aangevlogen om hem af te ranselen, doch blijkbaar had hij dit niet gedurfd. Nu scheen hij echter niet meer bang te zijn voor Bob. Was Bob eigenlijk niet bang voor hem?Wat of hiervan de reden was? Brunton scheen het een of ander te weten, waarvan Bob mij met alle geweld onkundig wilde houden. Dit was een geheim, zóó belangrijk, dat Bob om het te kunnen bewaren aan het sjacheren was gegaan met een ellendeling als Brunton, voor wien hij zich had vernederd en geld had aangeboden, als ik er maar buiten zou blijven.Het zonderlinge geval nam al mijn aandacht in beslag,zoodat ik als in een droom het schoolgebouw binnen ging toen de portier was verdwenen; het liet me dan ook heelemaal onverschillig toen ik voor Kijkers werd gebracht omdat ik niet op tijd was thuisgekomen.Even later trok ik naar de kamer van Norman om hem een boek te brengen waarom hij had gevraagd. Hier trof ik Bob aan.„Hem vertrouwen?” hoorde ik Norman zeggen toen ik binnen kwam. „De vent bezit geen greintje eergevoel.”„Ik ben een idioot geweest,” zei Bob met een zucht.Ik begreep dat Bob aan Norman had gevraagd of die dacht dat Brunton zijn woord zou houden en dat Norman die vraag beslist ontkennend had geantwoord.Bob en ik trokken weg; hij nam me nu mee naar zijn eigen kamer.„Wat heb je al dien tijd uitgevoerd?” vroeg hij op een toon die hij zoo luchtig mogelijk deed klinken. „Vertel maar op, heerschap.”Ik bracht hem op de hoogte van hetgeen dien middag was gebeurd.„En dat noemen jullie verkennen?” vroeg hij lachend. „Ik zal je binnenkort ’s meenemen om je te laten zien wat verkennen is.”„De andere schijnen Sjarp te hebben gesnapt,” merkte ik op.„Ja, en die zijn uren geleden al thuisgekomen. Maar jongen, wat zien je handen er uit.”„Heb jij je wel eens langs een touw naar beneden laten glijden?” vroeg ik.„Meer dan eens,” antwoordde hij lachend, „maar ik denk dat ik wat langzamer ben gedaald. Als jullie het weer ’s doet, zet er dan niet zoo’n vaart achter. Maar hoor ’s Martin, met je verkennen en torens en klokketouwen, moet ik toch zeggen dat je heel aardig begint voor een nieuweling.”Ik voelde dat hij me nog iets anders wilde zeggen; toenik hem goeden nacht wenschte, kwam het er eindelijk uit.„Wacht nog even, Martin,” begon hij aarzelend; „je kent Brunton?”Ik knikte van ja.„Ik wou je voor iets waarschuwen, zie je.”„En dat is?”„Misschien is het onnoodig, maar het zou kunnen zijn dat...”„Ja?”„Dat Brunton je iets zou vertellen,” ging hij langzaam voort; „iets dat op jou betrekking heeft—of—of—op mij...”„Ja?” zei ik wederom, omdat zijn woorden er met zulke lange tusschenpoozen uitkwamen.„Beloof me dan dat je hem niet zult gelooven.”„In geen geval, bedoel je?”„Ja,” antwoordde hij, terwijl hij even een korten lach uitstiet. „Dat is het beste. Geloof geen woord van wat hij vertelt.”„Maar waarom zou hij...” begon ik.„’t Is ook niet zeker dat hij het zal doen,” viel Bob me in de rede;„maar hij kon je iets vertellen dat betrekking heeft op jou—of op mij—en,” voegde hij er bij, terwijl hij nu op elk woord nadruk legde: „geloof dan niet wat hij zegt.”„Ik zal er aan denken,” zei ik.„En houd mij op de hoogte,” hernam hij gejaagd. „Ik wil weten of hij het doet of niet, begrijp je? Die Brunton is een gluiperd.”Ik knikte bij wijze van toestemming.„Hij zal uit je buurt blijven en mag geen woord tegen je kikken,” zei Bob. „Laten we er nu maar niet meer over praten. Ik zal den portier wat van dat goedje gaan vragen om je handen mee in te smeren; anders zullen ze morgen geducht pijn doen.”„Ze doen me al pijn,” mompelde ik, en zonder eigenlijk te weten waarom verliet ik de kamer in een neerslachtige stemming.Bij de trap liep ik tegen Burns aan.„Heb j-je al g-gehoord van den n-nieuwen pr-prefekt?” vroeg hij.„Nee,” antwoordde ik tamelijk onverschillig. „Wie is het?”„B-Bob K-Kitsjin,” hernam hij; „’k b-ben er w-wat b-blij om, w-want hij is een k-kraan!”En Bob was blijkbaar zoo vol van die Brunton-geschiedenis dat hij me dit gewichtige nieuws niet eens had medegedeeld!Op een van de dagen die nu volgden had ik een avontuur bij het baden, dat een eind had kunnen maken aan mijn loopbaan op St. Martin.„Ga je mee naar het bassin?” vroeg Stenford op den Maandagmiddag die volgde op onzen verkenningstocht.„Ja,” antwoordde ik.„Een massa lui gaan mee,” hernam hij. „En Kien is vandaag warempel ook van de partij, omdat hij een wetenschappelijk onderzoek wil instellen zooals hij beweert.”„En B-Burns g-gaat ook mee,” verklaarde dit heerschap dat zich in het gesprek mengde.„Het zeewater zal goed zijn voor onze handen,” hernam Stenford. „Zijn de jouwe weer in orde?”„Nee,” antwoordde ik; „ik kan nog haast geen pen vasthouden en ik schrijf zoo slecht dat ik vanmorgen een geduchten uitbrander van Wilson heb gekregen.”„Wilson houdt van uitbranders,” merkte Stenford wijsgeerig op. „Dat moet je je niet te veel aantrekken. Als ie je maar geen strafwerk geeft, want daar heeft ie ook een handje van,” voegde hij er bij.Bij het zwem-bassin stonden al verscheidene jongens met Kijkers en nog eenige leeraren om toezicht te houden. Het waren meest jongens van mijn leeftijd; een paar van de ouderen waren er bij, o. a. Jim Juniper en Bob. Bob scheen verbazend bemind; al de jongens, die ik kende vonden het heerlijk dat hij tot prefekt was benoemd.„’k Dacht eigenlijk dat hij het pas na de volgende vacantiezou worden,” zei Stenford, „maar Kolman scheen hem er nu al bij te willen hebben. Groot gelijk trouwens, want Kitsjin is een kraan. Prachtig zooals de man voetbal speelt. En heb je hem wel ’s zien schieten?”„Toe maak voort!” riep Kien. „Doe je spullen af; dan gaan we erin. Ik geloof dat er een atmosferische druk is in het bassin onder de rots; ik wou dat ’s nagaan.”„Duik dan net zoo lang totdat je er achter bent,” zei Stenford, „als je dan weer levend komt opdagen, dan mag je er ons alles van vertellen.”Kien begaf zich naar de bewuste plek waar hij zijn wetenschappelijk onderzoek zou gaan instellen.Het bassin was een ideale zwemplaats; helder wit zand lag op den oever, en lage steenen en rotsblokken dienden om op te gaan zitten en als bewaarplaats voor kleeren en handdoeken, terwijl een gedeelte een uitstekende gelegenheid bood om te duiken.Dit bassin heette de Paardekom—waaraan het dien naam had te danken zou ik niet kunnen zeggen—het lag ingesloten tusschen twee rotsen en was met helder water gevuld. Het had een diepte van drie tot tien of twaalf voet, daar de bodem afliep, zoodat men erin kon baden en duiken op verschillende plaatsen. De eigenaardigheid was echter dat het water bij het diepste gedeelte onder de klip doorliep naar de grot, zoodat een goed zwemmer, die een beetje onder water kon zwemmen, door een soort van tunnel die grot kon bereiken, en vandaar kon hij weer in het volgende bassin komen.Kien en Stenford hadden me dit allemaal onderweg verteld, toen we ons naar de zwemplaats begaven.„Kostelijke plek om te duiken,” zei Stenford, die nu aan een knoop van zijn laarzen zat te morrelen.„Ja, dat zie ik,” zei ik.Ik kon maar weinig zwemmen en van duiken kon ikniets, Bob had me in de vacantie een paar zwemlessen gegeven; voor dien tijd had ik er nooit iets aan gedaan. Dit wilde ik echter niet bekennen aan Stenford dien ik een benijdenden blik toewierp, toen hij een aanloop nam en met een prachtige duikeling in het water plonsde.„Dol!” riep hij, toen hij weder uit het borrelende water te voorschijn kwam; „het water is zoo lauw als melk! Kom erin! Gauw wat!”Bob scheen me eerst nu gewaar te worden; tot nu had hij met Juniper staan praten; hij liep naar me toe en zei bijna fluisterend: „Martin, als ik jou was, dan ging ik er nog maar niet in.”„Waarom niet?” vroeg ik een weinig geraakt.„Omdat je nog niet bepaald een kampioen bent in de edele zwemkunst,” antwoordde hij glimlachend.„Maar ik mag toch wel een bad nemen,” zei ik.„Dat mag je zeker,” hernam hij, „maar ga er dan in van het strand; dan loop je eerst en zwem dan. Je weet dan dat je niet te ver bent gegaan. Als je een beetje gewend bent geraakt, neem dan het bassin.”In plaats dat ik Bob, die ouder en wijzer was en bovendien een prefekt, dankbaar was voor zijn goeden raad dien hij me had gegeven, zonder aan de anderen te laten merken dat ik nog een nieuweling was in het vak, nam ik het hem eigenlijk kwalijk dat hij zich met mij had bemoeid.„Best,” zei ik kortaf, daar ik wel inzag dat hij gelijk had, waarop ik me begaf in de aangeduide richting.„Waar ga je heen?” riep Stenford.„Naar het strand,” antwoordde ik.„Sufferd, die je bent,” riep hij me toe; „je komt dan vol zand.”Toch liep ik door.„Ga niet te ver,” zei Bob toen ik langs ging, „en vergeet niet wat ik je heb gezegd van hoe je adem moet halen.”„Onderwijs je de jeugd die zich naar den Oceaan begeeft,” vroeg Juniper. „Leve Canada!”„Kom zelf maar ’s in Canada,” antwoordde Bob lachend. „Als je eerst wat hebt gezwommen, ga dan naar het bassin,” riep Bob me achterna; „ik ben er dan ook in; ik zal je dan leeren duiken.”De zee was heerlijk; het water voelde lauw aan en klotste om ons heen. Verscheidene jongens waren al aan het zwemmen; ze probeerden allerlei verschillende manieren om uit te slaan en plasten als walrussen; ik merkte echter op dat geen van allen zich ver waagde en als een enkele dit deed, dan werd onmiddellijk van het strand geroepen dat hij terug moest keeren.Ik zwom en zwom totdat ik me zoo trotsch begon te voelen over de hoogte waarop ik het reeds had gebracht, dat ik tegen mezelf zei dat Bob wel heel voorzichtig was uitgevallen.Ik kwam nu naar den oever en liep over het warme, mulle zand naar het bassin, waarin Bob zich bevond met nog eenige andere geoefende zwemmers.„Kitsjin is de beste zwemmer van de heele school,” zei Stenford, die zich nu flink stond te wrijven en af te drogen.„Dat is zoo,” zei Burns, die het roode gezicht stond af te vegen. „M-maar d-doen je handen n-niet pijn?”„Zeewater is goed voor ze,” antwoordde Stenford. „Maar het is eigenlijk zonde en jammer om op zoo’n dag je kleeren aan te trekken.”„W-waarom g-ging jij erin van het s-strand?” vroeg Burns.„Dat is een heel leuke manier,” antwoordde ik ontwijkend. „Vooral op een dag als vandaag, als het water zoo om je heen klotst.”„Ik moet toch niets van die manier hebben,” zei Stenford. „O, daar komt Kitsjin aanzetten.”Bob kwam nu aanzwemmen; hij liet zich bijna drijven.Jim Juniper stond zich op zijn doode gemak aan te kleeden op een klip die boven het bassin uitstak.„Zoo, nobele meermin,” riep hij tegen Bob. „Wat voor nieuws breng je mee uit de diepte?”„Dat zal ik je vertellen als ik er eerst ben geweest,” antwoordde Bob.„Ik dacht dat je voor goed was verdwenen,” zei Juniper.„Ik ben onderdoor gezwommen naar die andere kom,” zei Bob. „Heb jij dat wel ’s gedaan?”„Dank je stichtelijk,” antwoordde Jim. „Ik ben veel te blij als ik weer springlevend te voorschijn kom uit het water; mijn leven is te kostbaar om het te wagen in zulke onderaardsche, of beter gezegd, onderwatersche streken. Wat zou je eigenlijk moeten zeggen?”„Je kan allebei zeggen,” antwoordde Bob. „Maar het is een gekke gewaarwording. De vloed komt op en daardoor komt het water van de eene kom in de andere; als het weg stroomt zuigt het zich aan je vast en dat is een ellendig gevoel.”„Dat zou ik denken,” zei Jim. „Maar ik dank je lekker voor dat gezuig.”„Tweemaal probeerde ik eronder door te komen, maar telkens werd ik terug geslagen,” zei Bob. „Den derden keer nam ik het waar toen een geduchte golf kwam aanzetten, en toen ging het als gesmeerd.”„Wat een zwemmer, hè!” zei Stenford tegen me. „En dat is onder water, begrijp je?”Ik knikte van ja. Voor Bob gevoelde ik oprechte bewondering; ik was alleen maar beleedigd dat hij zoo weinig dunk had van mijn zwemkunst.„Kijk ’s, Jim,” zei Bob, die zich nu flink stond af te wrijven; „je kan het water zien in en uitgaan.”„Ik geloof je graag, nobele zeeheld,” antwoordde Jim, die nu zijn buis aantrok. „Zou een Canadees ooit een leugen vertellen?”Juniper en Bob waren dikke vrienden, al plaagden zeelkaar graag. Bob hield dol van Engeland, maar als Jim er bij was, dan verhief hij zijn eigen land tot in de wolken, waarop Juniper dan Canada als een woeste streek voorstelde door beren bevolkt, een land waar de menschen slechts heentrokken in de uiterste noodzakelijkheid.Bob kreeg me nu in het oog. „Martin, wil je nog duiken, of heb je er genoeg van?” riep hij me toe.„O, best,” zei ik, want ik was nog niet begonnen met me aan te kleeden.„Vooruit dan maar!” riep hij; „je moet het leeren. Begin maar met het hier te doen. Als je verdrinkt zal ik er je wel uithalen,” voegde hij er lachend bij.„Toe vooruit, kerel,” zei Stenford. „Ik wou dat ie het mij ook leerde. Hij duikt prachtig.”Ik gevoelde me nog eenigszins beleedigd en tamelijk onwillig begaf ik me naar de plek waar hij stond.„Vanhier moet je duiken,” zei hij en gaf me eenige raadgevingen.Een heele troep jongens was al weggetrokken, maar er waren nog genoeg toeschouwers overgebleven; ik gevoelde me dan ook weinig op mijn gemak. Hoe bang ik ook was, ik wilde mijn angst niet doen blijken. Ik wou geen mal figuur slaan.„Kijk, zoo moet je doen; het is dood gemakkelijk,” riep hij.Met een sierlijken zwaai maakte hij een prachtige duikeling. „Bravo!” riep Stenford.„Ja, zoo moet je doen!” zei Jim spottend.Bob kwam weer opdagen, al watertrappend. „Vooruit,” riep hij me toe; „probeer het maar.”Ik gehoorzaamde het bevel, maar als een zware zak plofte ik in het water. Toen ik te voorschijn kwam, hoorde ik de toeschouwers het uitschateren.„Heel goed, Ellinghem,” schreeuwde Stenford.„Probeer het nog maar ’s,” zei Bob, die me weer ophet droge haalde. „Zoo iets kan je maar niet dadelijk. Je zwemt anders beter dan ik dacht.”De tweede maal ging het niet zoo erbarmelijk slecht, maar ik vond het toch een beproeving en ik zei tegen mezelf dat ik het in elk geval bij den derden keer zou laten.„Je gaat vooruit,” zei Bob. „Stoor je maar niet aan die lui; je moet het op die manier leeren. Je slaat nu heel goed uit.”„Ik had hier toch wel den heelen tijd kunnen zwemmen,” zei ik; „wat voor gevaar is daar nu in?”„Er loopt een stroom bij het verste gedeelte,” antwoordde hij; „daar trekt het water.”Ik had niets van een stroom gemerkt en dacht dat hij me tot de kleine jongens wilde rekenen, maar ik zou hem wel toonen dat hij me niet zoo geringschattend behoefde te beoordeelen.Hij stond zich nu op zijn doode gemak af te drogen op de klippen; toen ik voor de derde maal dook, gaf hij me nog eenige raadgevingen; het viel hem blijkbaar mee dat ik zoo vlug en handig weer boven kwam.Den derden keer ging het werkelijk veel beter. „Goed zoo!” hoorde ik hem roepen, toen ik weer spartelend te voorschijn kwam en ik meende dat Stenford in de handen stond te klappen. Met opzet begaf ik me in de richting waar die stroom heette te loopen; ik zwom naar het verste gedeelte waar zich de tunnel bevond naar het andere bassin.„Niet dien kant,” riep Bob op een toon die als een bevel klonk. „Daar loopt die stroom! Kom terug!”Ik schonk hierop geen aandacht, want ik gevoelde niets van een stroom en zwom door. Ik wilde alleen maar een paar slagen doen in die richting en dan omkeeren, alleen maar om hem te toonen dat hij niet zoo min over me behoefde te denken.„Kom terug!” riep Bob me toe; „Martin, je bent een uil!”Nu ik me aldus door hem hoorde betitelen, werd ik kwaad en deed nog een paar slagen om hem te toonen dat hij me niet als een klein kind behoefde te behandelen.„Keer je om op je rug!” hoorde ik hem roepen en toen vernam ik een plof alsof iemand in het water sprong.Plotseling werd ik een eigenaardige trekking gewaar die me met bliksemsnelheid deed vooruitschieten; misschien liep hier dan toch een stroom en bevond ik me nu dichtbij de lager gelegen rotsen; de klip zag ik boven mijn hoofd vooruit steken. Ja, het was misschien het best dat ik nu maar omkeerde.Toen ik me wilde omdraaien kreeg ik een gevoel of die trekking plotseling had opgehouden, doch de volgende golf die aankwam, deed me wederom een eind vooruit schieten. Ik was nu als machteloos; hoe ik ook uitsloeg en spartelde, aan terugkeeren viel niet te denken.Ik begon nu in het wilde uit te slaan.„Help, help!” schreeuwde ik, doch ik kon ternauwernood een kreet uitbrengen. Ik werd machteloos heen en weer geslingerd door de klotsende golven.„Help!” riep ik wederom, waarbij ik een hoeveelheid water naar binnen kreeg.Ik vernam luide kreten van de rotsen en een stem in mijn nabijheid riep me hijgend toe: „Draai je op je rug! Op je rug!”Nog juist had ik besef genoeg om dit bevel op te volgen; toen voelde ik dat het water me met kracht omlaag zoog totdat een groen waas voor mijn oogen trok en het stemrumoer zich mengde met het geluid van kiezelsteenen die door de golven heen en weer werden geschuifeld; in mijn ooren begon het nu al harder en harder te suizen en stampen, zoodat eindelijk alle geluiden werden overstemd. Alles werd nu donker om mij heen. Het groene waas vervaagde; plotseling zag ik Mallorie voor me opdoemen; ikdacht aan den dag, toen ik met Bob en Tetsjer was komen aanrijden en wederom zag ik Horner flauw vallen, maar nu dacht ik dat ik zelf flauw viel en dat iemand in de kamer kwam om naar me te kijken en Bob zag ik loopen op dien vooruitstekenden rand langs den muur, en toen zag ik mezelf daarop loopen en voelde ik dat, als het gonzen in mijn ooren nog iets luider werd, dat ik dan naar beneden zou vallen en dood neerstorten. Het rumoer in mijn hoofd werd nu zóó luid, dat ik een gewaarwording kreeg of door mijn hersens werd gehamerd; ik klemde me vast tegen den muur, doch tevergeefs—ik stortte in de diepte.

HOOFDSTUK XIX.ZWEMMEN EN DUIKEN.

Daar de portier een tijd lang naar den hemel en de sterren stond te kijken kon ik niet van den muur vandaan. Het avontuur van dien middag was ik al bijna vergeten door hetgeen ik zoo even had vernomen.Wat kon dit beduiden? Wat beteekende dit? Ik wist hoe trotsch Bob was, en nu stond die gunsten te vragen aan een jongen als Brunton met wien hij koopjes afsloot en dien hij iets beloofde in ruil voor een andere belofte! Wat kon dat zijn?Ik dacht aan hetgeen in de gymnastiekzaal was gebeurd. Het was toen heel duidelijk dat Brunton bang was voor Bob. Het liefst zou hij op Bob zijn aangevlogen om hem af te ranselen, doch blijkbaar had hij dit niet gedurfd. Nu scheen hij echter niet meer bang te zijn voor Bob. Was Bob eigenlijk niet bang voor hem?Wat of hiervan de reden was? Brunton scheen het een of ander te weten, waarvan Bob mij met alle geweld onkundig wilde houden. Dit was een geheim, zóó belangrijk, dat Bob om het te kunnen bewaren aan het sjacheren was gegaan met een ellendeling als Brunton, voor wien hij zich had vernederd en geld had aangeboden, als ik er maar buiten zou blijven.Het zonderlinge geval nam al mijn aandacht in beslag,zoodat ik als in een droom het schoolgebouw binnen ging toen de portier was verdwenen; het liet me dan ook heelemaal onverschillig toen ik voor Kijkers werd gebracht omdat ik niet op tijd was thuisgekomen.Even later trok ik naar de kamer van Norman om hem een boek te brengen waarom hij had gevraagd. Hier trof ik Bob aan.„Hem vertrouwen?” hoorde ik Norman zeggen toen ik binnen kwam. „De vent bezit geen greintje eergevoel.”„Ik ben een idioot geweest,” zei Bob met een zucht.Ik begreep dat Bob aan Norman had gevraagd of die dacht dat Brunton zijn woord zou houden en dat Norman die vraag beslist ontkennend had geantwoord.Bob en ik trokken weg; hij nam me nu mee naar zijn eigen kamer.„Wat heb je al dien tijd uitgevoerd?” vroeg hij op een toon die hij zoo luchtig mogelijk deed klinken. „Vertel maar op, heerschap.”Ik bracht hem op de hoogte van hetgeen dien middag was gebeurd.„En dat noemen jullie verkennen?” vroeg hij lachend. „Ik zal je binnenkort ’s meenemen om je te laten zien wat verkennen is.”„De andere schijnen Sjarp te hebben gesnapt,” merkte ik op.„Ja, en die zijn uren geleden al thuisgekomen. Maar jongen, wat zien je handen er uit.”„Heb jij je wel eens langs een touw naar beneden laten glijden?” vroeg ik.„Meer dan eens,” antwoordde hij lachend, „maar ik denk dat ik wat langzamer ben gedaald. Als jullie het weer ’s doet, zet er dan niet zoo’n vaart achter. Maar hoor ’s Martin, met je verkennen en torens en klokketouwen, moet ik toch zeggen dat je heel aardig begint voor een nieuweling.”Ik voelde dat hij me nog iets anders wilde zeggen; toenik hem goeden nacht wenschte, kwam het er eindelijk uit.„Wacht nog even, Martin,” begon hij aarzelend; „je kent Brunton?”Ik knikte van ja.„Ik wou je voor iets waarschuwen, zie je.”„En dat is?”„Misschien is het onnoodig, maar het zou kunnen zijn dat...”„Ja?”„Dat Brunton je iets zou vertellen,” ging hij langzaam voort; „iets dat op jou betrekking heeft—of—of—op mij...”„Ja?” zei ik wederom, omdat zijn woorden er met zulke lange tusschenpoozen uitkwamen.„Beloof me dan dat je hem niet zult gelooven.”„In geen geval, bedoel je?”„Ja,” antwoordde hij, terwijl hij even een korten lach uitstiet. „Dat is het beste. Geloof geen woord van wat hij vertelt.”„Maar waarom zou hij...” begon ik.„’t Is ook niet zeker dat hij het zal doen,” viel Bob me in de rede;„maar hij kon je iets vertellen dat betrekking heeft op jou—of op mij—en,” voegde hij er bij, terwijl hij nu op elk woord nadruk legde: „geloof dan niet wat hij zegt.”„Ik zal er aan denken,” zei ik.„En houd mij op de hoogte,” hernam hij gejaagd. „Ik wil weten of hij het doet of niet, begrijp je? Die Brunton is een gluiperd.”Ik knikte bij wijze van toestemming.„Hij zal uit je buurt blijven en mag geen woord tegen je kikken,” zei Bob. „Laten we er nu maar niet meer over praten. Ik zal den portier wat van dat goedje gaan vragen om je handen mee in te smeren; anders zullen ze morgen geducht pijn doen.”„Ze doen me al pijn,” mompelde ik, en zonder eigenlijk te weten waarom verliet ik de kamer in een neerslachtige stemming.Bij de trap liep ik tegen Burns aan.„Heb j-je al g-gehoord van den n-nieuwen pr-prefekt?” vroeg hij.„Nee,” antwoordde ik tamelijk onverschillig. „Wie is het?”„B-Bob K-Kitsjin,” hernam hij; „’k b-ben er w-wat b-blij om, w-want hij is een k-kraan!”En Bob was blijkbaar zoo vol van die Brunton-geschiedenis dat hij me dit gewichtige nieuws niet eens had medegedeeld!Op een van de dagen die nu volgden had ik een avontuur bij het baden, dat een eind had kunnen maken aan mijn loopbaan op St. Martin.„Ga je mee naar het bassin?” vroeg Stenford op den Maandagmiddag die volgde op onzen verkenningstocht.„Ja,” antwoordde ik.„Een massa lui gaan mee,” hernam hij. „En Kien is vandaag warempel ook van de partij, omdat hij een wetenschappelijk onderzoek wil instellen zooals hij beweert.”„En B-Burns g-gaat ook mee,” verklaarde dit heerschap dat zich in het gesprek mengde.„Het zeewater zal goed zijn voor onze handen,” hernam Stenford. „Zijn de jouwe weer in orde?”„Nee,” antwoordde ik; „ik kan nog haast geen pen vasthouden en ik schrijf zoo slecht dat ik vanmorgen een geduchten uitbrander van Wilson heb gekregen.”„Wilson houdt van uitbranders,” merkte Stenford wijsgeerig op. „Dat moet je je niet te veel aantrekken. Als ie je maar geen strafwerk geeft, want daar heeft ie ook een handje van,” voegde hij er bij.Bij het zwem-bassin stonden al verscheidene jongens met Kijkers en nog eenige leeraren om toezicht te houden. Het waren meest jongens van mijn leeftijd; een paar van de ouderen waren er bij, o. a. Jim Juniper en Bob. Bob scheen verbazend bemind; al de jongens, die ik kende vonden het heerlijk dat hij tot prefekt was benoemd.„’k Dacht eigenlijk dat hij het pas na de volgende vacantiezou worden,” zei Stenford, „maar Kolman scheen hem er nu al bij te willen hebben. Groot gelijk trouwens, want Kitsjin is een kraan. Prachtig zooals de man voetbal speelt. En heb je hem wel ’s zien schieten?”„Toe maak voort!” riep Kien. „Doe je spullen af; dan gaan we erin. Ik geloof dat er een atmosferische druk is in het bassin onder de rots; ik wou dat ’s nagaan.”„Duik dan net zoo lang totdat je er achter bent,” zei Stenford, „als je dan weer levend komt opdagen, dan mag je er ons alles van vertellen.”Kien begaf zich naar de bewuste plek waar hij zijn wetenschappelijk onderzoek zou gaan instellen.Het bassin was een ideale zwemplaats; helder wit zand lag op den oever, en lage steenen en rotsblokken dienden om op te gaan zitten en als bewaarplaats voor kleeren en handdoeken, terwijl een gedeelte een uitstekende gelegenheid bood om te duiken.Dit bassin heette de Paardekom—waaraan het dien naam had te danken zou ik niet kunnen zeggen—het lag ingesloten tusschen twee rotsen en was met helder water gevuld. Het had een diepte van drie tot tien of twaalf voet, daar de bodem afliep, zoodat men erin kon baden en duiken op verschillende plaatsen. De eigenaardigheid was echter dat het water bij het diepste gedeelte onder de klip doorliep naar de grot, zoodat een goed zwemmer, die een beetje onder water kon zwemmen, door een soort van tunnel die grot kon bereiken, en vandaar kon hij weer in het volgende bassin komen.Kien en Stenford hadden me dit allemaal onderweg verteld, toen we ons naar de zwemplaats begaven.„Kostelijke plek om te duiken,” zei Stenford, die nu aan een knoop van zijn laarzen zat te morrelen.„Ja, dat zie ik,” zei ik.Ik kon maar weinig zwemmen en van duiken kon ikniets, Bob had me in de vacantie een paar zwemlessen gegeven; voor dien tijd had ik er nooit iets aan gedaan. Dit wilde ik echter niet bekennen aan Stenford dien ik een benijdenden blik toewierp, toen hij een aanloop nam en met een prachtige duikeling in het water plonsde.„Dol!” riep hij, toen hij weder uit het borrelende water te voorschijn kwam; „het water is zoo lauw als melk! Kom erin! Gauw wat!”Bob scheen me eerst nu gewaar te worden; tot nu had hij met Juniper staan praten; hij liep naar me toe en zei bijna fluisterend: „Martin, als ik jou was, dan ging ik er nog maar niet in.”„Waarom niet?” vroeg ik een weinig geraakt.„Omdat je nog niet bepaald een kampioen bent in de edele zwemkunst,” antwoordde hij glimlachend.„Maar ik mag toch wel een bad nemen,” zei ik.„Dat mag je zeker,” hernam hij, „maar ga er dan in van het strand; dan loop je eerst en zwem dan. Je weet dan dat je niet te ver bent gegaan. Als je een beetje gewend bent geraakt, neem dan het bassin.”In plaats dat ik Bob, die ouder en wijzer was en bovendien een prefekt, dankbaar was voor zijn goeden raad dien hij me had gegeven, zonder aan de anderen te laten merken dat ik nog een nieuweling was in het vak, nam ik het hem eigenlijk kwalijk dat hij zich met mij had bemoeid.„Best,” zei ik kortaf, daar ik wel inzag dat hij gelijk had, waarop ik me begaf in de aangeduide richting.„Waar ga je heen?” riep Stenford.„Naar het strand,” antwoordde ik.„Sufferd, die je bent,” riep hij me toe; „je komt dan vol zand.”Toch liep ik door.„Ga niet te ver,” zei Bob toen ik langs ging, „en vergeet niet wat ik je heb gezegd van hoe je adem moet halen.”„Onderwijs je de jeugd die zich naar den Oceaan begeeft,” vroeg Juniper. „Leve Canada!”„Kom zelf maar ’s in Canada,” antwoordde Bob lachend. „Als je eerst wat hebt gezwommen, ga dan naar het bassin,” riep Bob me achterna; „ik ben er dan ook in; ik zal je dan leeren duiken.”De zee was heerlijk; het water voelde lauw aan en klotste om ons heen. Verscheidene jongens waren al aan het zwemmen; ze probeerden allerlei verschillende manieren om uit te slaan en plasten als walrussen; ik merkte echter op dat geen van allen zich ver waagde en als een enkele dit deed, dan werd onmiddellijk van het strand geroepen dat hij terug moest keeren.Ik zwom en zwom totdat ik me zoo trotsch begon te voelen over de hoogte waarop ik het reeds had gebracht, dat ik tegen mezelf zei dat Bob wel heel voorzichtig was uitgevallen.Ik kwam nu naar den oever en liep over het warme, mulle zand naar het bassin, waarin Bob zich bevond met nog eenige andere geoefende zwemmers.„Kitsjin is de beste zwemmer van de heele school,” zei Stenford, die zich nu flink stond te wrijven en af te drogen.„Dat is zoo,” zei Burns, die het roode gezicht stond af te vegen. „M-maar d-doen je handen n-niet pijn?”„Zeewater is goed voor ze,” antwoordde Stenford. „Maar het is eigenlijk zonde en jammer om op zoo’n dag je kleeren aan te trekken.”„W-waarom g-ging jij erin van het s-strand?” vroeg Burns.„Dat is een heel leuke manier,” antwoordde ik ontwijkend. „Vooral op een dag als vandaag, als het water zoo om je heen klotst.”„Ik moet toch niets van die manier hebben,” zei Stenford. „O, daar komt Kitsjin aanzetten.”Bob kwam nu aanzwemmen; hij liet zich bijna drijven.Jim Juniper stond zich op zijn doode gemak aan te kleeden op een klip die boven het bassin uitstak.„Zoo, nobele meermin,” riep hij tegen Bob. „Wat voor nieuws breng je mee uit de diepte?”„Dat zal ik je vertellen als ik er eerst ben geweest,” antwoordde Bob.„Ik dacht dat je voor goed was verdwenen,” zei Juniper.„Ik ben onderdoor gezwommen naar die andere kom,” zei Bob. „Heb jij dat wel ’s gedaan?”„Dank je stichtelijk,” antwoordde Jim. „Ik ben veel te blij als ik weer springlevend te voorschijn kom uit het water; mijn leven is te kostbaar om het te wagen in zulke onderaardsche, of beter gezegd, onderwatersche streken. Wat zou je eigenlijk moeten zeggen?”„Je kan allebei zeggen,” antwoordde Bob. „Maar het is een gekke gewaarwording. De vloed komt op en daardoor komt het water van de eene kom in de andere; als het weg stroomt zuigt het zich aan je vast en dat is een ellendig gevoel.”„Dat zou ik denken,” zei Jim. „Maar ik dank je lekker voor dat gezuig.”„Tweemaal probeerde ik eronder door te komen, maar telkens werd ik terug geslagen,” zei Bob. „Den derden keer nam ik het waar toen een geduchte golf kwam aanzetten, en toen ging het als gesmeerd.”„Wat een zwemmer, hè!” zei Stenford tegen me. „En dat is onder water, begrijp je?”Ik knikte van ja. Voor Bob gevoelde ik oprechte bewondering; ik was alleen maar beleedigd dat hij zoo weinig dunk had van mijn zwemkunst.„Kijk ’s, Jim,” zei Bob, die zich nu flink stond af te wrijven; „je kan het water zien in en uitgaan.”„Ik geloof je graag, nobele zeeheld,” antwoordde Jim, die nu zijn buis aantrok. „Zou een Canadees ooit een leugen vertellen?”Juniper en Bob waren dikke vrienden, al plaagden zeelkaar graag. Bob hield dol van Engeland, maar als Jim er bij was, dan verhief hij zijn eigen land tot in de wolken, waarop Juniper dan Canada als een woeste streek voorstelde door beren bevolkt, een land waar de menschen slechts heentrokken in de uiterste noodzakelijkheid.Bob kreeg me nu in het oog. „Martin, wil je nog duiken, of heb je er genoeg van?” riep hij me toe.„O, best,” zei ik, want ik was nog niet begonnen met me aan te kleeden.„Vooruit dan maar!” riep hij; „je moet het leeren. Begin maar met het hier te doen. Als je verdrinkt zal ik er je wel uithalen,” voegde hij er lachend bij.„Toe vooruit, kerel,” zei Stenford. „Ik wou dat ie het mij ook leerde. Hij duikt prachtig.”Ik gevoelde me nog eenigszins beleedigd en tamelijk onwillig begaf ik me naar de plek waar hij stond.„Vanhier moet je duiken,” zei hij en gaf me eenige raadgevingen.Een heele troep jongens was al weggetrokken, maar er waren nog genoeg toeschouwers overgebleven; ik gevoelde me dan ook weinig op mijn gemak. Hoe bang ik ook was, ik wilde mijn angst niet doen blijken. Ik wou geen mal figuur slaan.„Kijk, zoo moet je doen; het is dood gemakkelijk,” riep hij.Met een sierlijken zwaai maakte hij een prachtige duikeling. „Bravo!” riep Stenford.„Ja, zoo moet je doen!” zei Jim spottend.Bob kwam weer opdagen, al watertrappend. „Vooruit,” riep hij me toe; „probeer het maar.”Ik gehoorzaamde het bevel, maar als een zware zak plofte ik in het water. Toen ik te voorschijn kwam, hoorde ik de toeschouwers het uitschateren.„Heel goed, Ellinghem,” schreeuwde Stenford.„Probeer het nog maar ’s,” zei Bob, die me weer ophet droge haalde. „Zoo iets kan je maar niet dadelijk. Je zwemt anders beter dan ik dacht.”De tweede maal ging het niet zoo erbarmelijk slecht, maar ik vond het toch een beproeving en ik zei tegen mezelf dat ik het in elk geval bij den derden keer zou laten.„Je gaat vooruit,” zei Bob. „Stoor je maar niet aan die lui; je moet het op die manier leeren. Je slaat nu heel goed uit.”„Ik had hier toch wel den heelen tijd kunnen zwemmen,” zei ik; „wat voor gevaar is daar nu in?”„Er loopt een stroom bij het verste gedeelte,” antwoordde hij; „daar trekt het water.”Ik had niets van een stroom gemerkt en dacht dat hij me tot de kleine jongens wilde rekenen, maar ik zou hem wel toonen dat hij me niet zoo geringschattend behoefde te beoordeelen.Hij stond zich nu op zijn doode gemak af te drogen op de klippen; toen ik voor de derde maal dook, gaf hij me nog eenige raadgevingen; het viel hem blijkbaar mee dat ik zoo vlug en handig weer boven kwam.Den derden keer ging het werkelijk veel beter. „Goed zoo!” hoorde ik hem roepen, toen ik weer spartelend te voorschijn kwam en ik meende dat Stenford in de handen stond te klappen. Met opzet begaf ik me in de richting waar die stroom heette te loopen; ik zwom naar het verste gedeelte waar zich de tunnel bevond naar het andere bassin.„Niet dien kant,” riep Bob op een toon die als een bevel klonk. „Daar loopt die stroom! Kom terug!”Ik schonk hierop geen aandacht, want ik gevoelde niets van een stroom en zwom door. Ik wilde alleen maar een paar slagen doen in die richting en dan omkeeren, alleen maar om hem te toonen dat hij niet zoo min over me behoefde te denken.„Kom terug!” riep Bob me toe; „Martin, je bent een uil!”Nu ik me aldus door hem hoorde betitelen, werd ik kwaad en deed nog een paar slagen om hem te toonen dat hij me niet als een klein kind behoefde te behandelen.„Keer je om op je rug!” hoorde ik hem roepen en toen vernam ik een plof alsof iemand in het water sprong.Plotseling werd ik een eigenaardige trekking gewaar die me met bliksemsnelheid deed vooruitschieten; misschien liep hier dan toch een stroom en bevond ik me nu dichtbij de lager gelegen rotsen; de klip zag ik boven mijn hoofd vooruit steken. Ja, het was misschien het best dat ik nu maar omkeerde.Toen ik me wilde omdraaien kreeg ik een gevoel of die trekking plotseling had opgehouden, doch de volgende golf die aankwam, deed me wederom een eind vooruit schieten. Ik was nu als machteloos; hoe ik ook uitsloeg en spartelde, aan terugkeeren viel niet te denken.Ik begon nu in het wilde uit te slaan.„Help, help!” schreeuwde ik, doch ik kon ternauwernood een kreet uitbrengen. Ik werd machteloos heen en weer geslingerd door de klotsende golven.„Help!” riep ik wederom, waarbij ik een hoeveelheid water naar binnen kreeg.Ik vernam luide kreten van de rotsen en een stem in mijn nabijheid riep me hijgend toe: „Draai je op je rug! Op je rug!”Nog juist had ik besef genoeg om dit bevel op te volgen; toen voelde ik dat het water me met kracht omlaag zoog totdat een groen waas voor mijn oogen trok en het stemrumoer zich mengde met het geluid van kiezelsteenen die door de golven heen en weer werden geschuifeld; in mijn ooren begon het nu al harder en harder te suizen en stampen, zoodat eindelijk alle geluiden werden overstemd. Alles werd nu donker om mij heen. Het groene waas vervaagde; plotseling zag ik Mallorie voor me opdoemen; ikdacht aan den dag, toen ik met Bob en Tetsjer was komen aanrijden en wederom zag ik Horner flauw vallen, maar nu dacht ik dat ik zelf flauw viel en dat iemand in de kamer kwam om naar me te kijken en Bob zag ik loopen op dien vooruitstekenden rand langs den muur, en toen zag ik mezelf daarop loopen en voelde ik dat, als het gonzen in mijn ooren nog iets luider werd, dat ik dan naar beneden zou vallen en dood neerstorten. Het rumoer in mijn hoofd werd nu zóó luid, dat ik een gewaarwording kreeg of door mijn hersens werd gehamerd; ik klemde me vast tegen den muur, doch tevergeefs—ik stortte in de diepte.

Daar de portier een tijd lang naar den hemel en de sterren stond te kijken kon ik niet van den muur vandaan. Het avontuur van dien middag was ik al bijna vergeten door hetgeen ik zoo even had vernomen.

Wat kon dit beduiden? Wat beteekende dit? Ik wist hoe trotsch Bob was, en nu stond die gunsten te vragen aan een jongen als Brunton met wien hij koopjes afsloot en dien hij iets beloofde in ruil voor een andere belofte! Wat kon dat zijn?

Ik dacht aan hetgeen in de gymnastiekzaal was gebeurd. Het was toen heel duidelijk dat Brunton bang was voor Bob. Het liefst zou hij op Bob zijn aangevlogen om hem af te ranselen, doch blijkbaar had hij dit niet gedurfd. Nu scheen hij echter niet meer bang te zijn voor Bob. Was Bob eigenlijk niet bang voor hem?

Wat of hiervan de reden was? Brunton scheen het een of ander te weten, waarvan Bob mij met alle geweld onkundig wilde houden. Dit was een geheim, zóó belangrijk, dat Bob om het te kunnen bewaren aan het sjacheren was gegaan met een ellendeling als Brunton, voor wien hij zich had vernederd en geld had aangeboden, als ik er maar buiten zou blijven.

Het zonderlinge geval nam al mijn aandacht in beslag,zoodat ik als in een droom het schoolgebouw binnen ging toen de portier was verdwenen; het liet me dan ook heelemaal onverschillig toen ik voor Kijkers werd gebracht omdat ik niet op tijd was thuisgekomen.

Even later trok ik naar de kamer van Norman om hem een boek te brengen waarom hij had gevraagd. Hier trof ik Bob aan.

„Hem vertrouwen?” hoorde ik Norman zeggen toen ik binnen kwam. „De vent bezit geen greintje eergevoel.”

„Ik ben een idioot geweest,” zei Bob met een zucht.

Ik begreep dat Bob aan Norman had gevraagd of die dacht dat Brunton zijn woord zou houden en dat Norman die vraag beslist ontkennend had geantwoord.

Bob en ik trokken weg; hij nam me nu mee naar zijn eigen kamer.

„Wat heb je al dien tijd uitgevoerd?” vroeg hij op een toon die hij zoo luchtig mogelijk deed klinken. „Vertel maar op, heerschap.”

Ik bracht hem op de hoogte van hetgeen dien middag was gebeurd.

„En dat noemen jullie verkennen?” vroeg hij lachend. „Ik zal je binnenkort ’s meenemen om je te laten zien wat verkennen is.”

„De andere schijnen Sjarp te hebben gesnapt,” merkte ik op.

„Ja, en die zijn uren geleden al thuisgekomen. Maar jongen, wat zien je handen er uit.”

„Heb jij je wel eens langs een touw naar beneden laten glijden?” vroeg ik.

„Meer dan eens,” antwoordde hij lachend, „maar ik denk dat ik wat langzamer ben gedaald. Als jullie het weer ’s doet, zet er dan niet zoo’n vaart achter. Maar hoor ’s Martin, met je verkennen en torens en klokketouwen, moet ik toch zeggen dat je heel aardig begint voor een nieuweling.”

Ik voelde dat hij me nog iets anders wilde zeggen; toenik hem goeden nacht wenschte, kwam het er eindelijk uit.

„Wacht nog even, Martin,” begon hij aarzelend; „je kent Brunton?”

Ik knikte van ja.

„Ik wou je voor iets waarschuwen, zie je.”

„En dat is?”

„Misschien is het onnoodig, maar het zou kunnen zijn dat...”

„Ja?”

„Dat Brunton je iets zou vertellen,” ging hij langzaam voort; „iets dat op jou betrekking heeft—of—of—op mij...”

„Ja?” zei ik wederom, omdat zijn woorden er met zulke lange tusschenpoozen uitkwamen.

„Beloof me dan dat je hem niet zult gelooven.”

„In geen geval, bedoel je?”

„Ja,” antwoordde hij, terwijl hij even een korten lach uitstiet. „Dat is het beste. Geloof geen woord van wat hij vertelt.”

„Maar waarom zou hij...” begon ik.

„’t Is ook niet zeker dat hij het zal doen,” viel Bob me in de rede;„maar hij kon je iets vertellen dat betrekking heeft op jou—of op mij—en,” voegde hij er bij, terwijl hij nu op elk woord nadruk legde: „geloof dan niet wat hij zegt.”

„Ik zal er aan denken,” zei ik.

„En houd mij op de hoogte,” hernam hij gejaagd. „Ik wil weten of hij het doet of niet, begrijp je? Die Brunton is een gluiperd.”

Ik knikte bij wijze van toestemming.

„Hij zal uit je buurt blijven en mag geen woord tegen je kikken,” zei Bob. „Laten we er nu maar niet meer over praten. Ik zal den portier wat van dat goedje gaan vragen om je handen mee in te smeren; anders zullen ze morgen geducht pijn doen.”

„Ze doen me al pijn,” mompelde ik, en zonder eigenlijk te weten waarom verliet ik de kamer in een neerslachtige stemming.

Bij de trap liep ik tegen Burns aan.

„Heb j-je al g-gehoord van den n-nieuwen pr-prefekt?” vroeg hij.

„Nee,” antwoordde ik tamelijk onverschillig. „Wie is het?”

„B-Bob K-Kitsjin,” hernam hij; „’k b-ben er w-wat b-blij om, w-want hij is een k-kraan!”

En Bob was blijkbaar zoo vol van die Brunton-geschiedenis dat hij me dit gewichtige nieuws niet eens had medegedeeld!

Op een van de dagen die nu volgden had ik een avontuur bij het baden, dat een eind had kunnen maken aan mijn loopbaan op St. Martin.

„Ga je mee naar het bassin?” vroeg Stenford op den Maandagmiddag die volgde op onzen verkenningstocht.

„Ja,” antwoordde ik.

„Een massa lui gaan mee,” hernam hij. „En Kien is vandaag warempel ook van de partij, omdat hij een wetenschappelijk onderzoek wil instellen zooals hij beweert.”

„En B-Burns g-gaat ook mee,” verklaarde dit heerschap dat zich in het gesprek mengde.

„Het zeewater zal goed zijn voor onze handen,” hernam Stenford. „Zijn de jouwe weer in orde?”

„Nee,” antwoordde ik; „ik kan nog haast geen pen vasthouden en ik schrijf zoo slecht dat ik vanmorgen een geduchten uitbrander van Wilson heb gekregen.”

„Wilson houdt van uitbranders,” merkte Stenford wijsgeerig op. „Dat moet je je niet te veel aantrekken. Als ie je maar geen strafwerk geeft, want daar heeft ie ook een handje van,” voegde hij er bij.

Bij het zwem-bassin stonden al verscheidene jongens met Kijkers en nog eenige leeraren om toezicht te houden. Het waren meest jongens van mijn leeftijd; een paar van de ouderen waren er bij, o. a. Jim Juniper en Bob. Bob scheen verbazend bemind; al de jongens, die ik kende vonden het heerlijk dat hij tot prefekt was benoemd.

„’k Dacht eigenlijk dat hij het pas na de volgende vacantiezou worden,” zei Stenford, „maar Kolman scheen hem er nu al bij te willen hebben. Groot gelijk trouwens, want Kitsjin is een kraan. Prachtig zooals de man voetbal speelt. En heb je hem wel ’s zien schieten?”

„Toe maak voort!” riep Kien. „Doe je spullen af; dan gaan we erin. Ik geloof dat er een atmosferische druk is in het bassin onder de rots; ik wou dat ’s nagaan.”

„Duik dan net zoo lang totdat je er achter bent,” zei Stenford, „als je dan weer levend komt opdagen, dan mag je er ons alles van vertellen.”

Kien begaf zich naar de bewuste plek waar hij zijn wetenschappelijk onderzoek zou gaan instellen.

Het bassin was een ideale zwemplaats; helder wit zand lag op den oever, en lage steenen en rotsblokken dienden om op te gaan zitten en als bewaarplaats voor kleeren en handdoeken, terwijl een gedeelte een uitstekende gelegenheid bood om te duiken.

Dit bassin heette de Paardekom—waaraan het dien naam had te danken zou ik niet kunnen zeggen—het lag ingesloten tusschen twee rotsen en was met helder water gevuld. Het had een diepte van drie tot tien of twaalf voet, daar de bodem afliep, zoodat men erin kon baden en duiken op verschillende plaatsen. De eigenaardigheid was echter dat het water bij het diepste gedeelte onder de klip doorliep naar de grot, zoodat een goed zwemmer, die een beetje onder water kon zwemmen, door een soort van tunnel die grot kon bereiken, en vandaar kon hij weer in het volgende bassin komen.

Kien en Stenford hadden me dit allemaal onderweg verteld, toen we ons naar de zwemplaats begaven.

„Kostelijke plek om te duiken,” zei Stenford, die nu aan een knoop van zijn laarzen zat te morrelen.

„Ja, dat zie ik,” zei ik.

Ik kon maar weinig zwemmen en van duiken kon ikniets, Bob had me in de vacantie een paar zwemlessen gegeven; voor dien tijd had ik er nooit iets aan gedaan. Dit wilde ik echter niet bekennen aan Stenford dien ik een benijdenden blik toewierp, toen hij een aanloop nam en met een prachtige duikeling in het water plonsde.

„Dol!” riep hij, toen hij weder uit het borrelende water te voorschijn kwam; „het water is zoo lauw als melk! Kom erin! Gauw wat!”

Bob scheen me eerst nu gewaar te worden; tot nu had hij met Juniper staan praten; hij liep naar me toe en zei bijna fluisterend: „Martin, als ik jou was, dan ging ik er nog maar niet in.”

„Waarom niet?” vroeg ik een weinig geraakt.

„Omdat je nog niet bepaald een kampioen bent in de edele zwemkunst,” antwoordde hij glimlachend.

„Maar ik mag toch wel een bad nemen,” zei ik.

„Dat mag je zeker,” hernam hij, „maar ga er dan in van het strand; dan loop je eerst en zwem dan. Je weet dan dat je niet te ver bent gegaan. Als je een beetje gewend bent geraakt, neem dan het bassin.”

In plaats dat ik Bob, die ouder en wijzer was en bovendien een prefekt, dankbaar was voor zijn goeden raad dien hij me had gegeven, zonder aan de anderen te laten merken dat ik nog een nieuweling was in het vak, nam ik het hem eigenlijk kwalijk dat hij zich met mij had bemoeid.

„Best,” zei ik kortaf, daar ik wel inzag dat hij gelijk had, waarop ik me begaf in de aangeduide richting.

„Waar ga je heen?” riep Stenford.

„Naar het strand,” antwoordde ik.

„Sufferd, die je bent,” riep hij me toe; „je komt dan vol zand.”

Toch liep ik door.

„Ga niet te ver,” zei Bob toen ik langs ging, „en vergeet niet wat ik je heb gezegd van hoe je adem moet halen.”

„Onderwijs je de jeugd die zich naar den Oceaan begeeft,” vroeg Juniper. „Leve Canada!”

„Kom zelf maar ’s in Canada,” antwoordde Bob lachend. „Als je eerst wat hebt gezwommen, ga dan naar het bassin,” riep Bob me achterna; „ik ben er dan ook in; ik zal je dan leeren duiken.”

De zee was heerlijk; het water voelde lauw aan en klotste om ons heen. Verscheidene jongens waren al aan het zwemmen; ze probeerden allerlei verschillende manieren om uit te slaan en plasten als walrussen; ik merkte echter op dat geen van allen zich ver waagde en als een enkele dit deed, dan werd onmiddellijk van het strand geroepen dat hij terug moest keeren.

Ik zwom en zwom totdat ik me zoo trotsch begon te voelen over de hoogte waarop ik het reeds had gebracht, dat ik tegen mezelf zei dat Bob wel heel voorzichtig was uitgevallen.

Ik kwam nu naar den oever en liep over het warme, mulle zand naar het bassin, waarin Bob zich bevond met nog eenige andere geoefende zwemmers.

„Kitsjin is de beste zwemmer van de heele school,” zei Stenford, die zich nu flink stond te wrijven en af te drogen.

„Dat is zoo,” zei Burns, die het roode gezicht stond af te vegen. „M-maar d-doen je handen n-niet pijn?”

„Zeewater is goed voor ze,” antwoordde Stenford. „Maar het is eigenlijk zonde en jammer om op zoo’n dag je kleeren aan te trekken.”

„W-waarom g-ging jij erin van het s-strand?” vroeg Burns.

„Dat is een heel leuke manier,” antwoordde ik ontwijkend. „Vooral op een dag als vandaag, als het water zoo om je heen klotst.”

„Ik moet toch niets van die manier hebben,” zei Stenford. „O, daar komt Kitsjin aanzetten.”

Bob kwam nu aanzwemmen; hij liet zich bijna drijven.

Jim Juniper stond zich op zijn doode gemak aan te kleeden op een klip die boven het bassin uitstak.

„Zoo, nobele meermin,” riep hij tegen Bob. „Wat voor nieuws breng je mee uit de diepte?”

„Dat zal ik je vertellen als ik er eerst ben geweest,” antwoordde Bob.

„Ik dacht dat je voor goed was verdwenen,” zei Juniper.

„Ik ben onderdoor gezwommen naar die andere kom,” zei Bob. „Heb jij dat wel ’s gedaan?”

„Dank je stichtelijk,” antwoordde Jim. „Ik ben veel te blij als ik weer springlevend te voorschijn kom uit het water; mijn leven is te kostbaar om het te wagen in zulke onderaardsche, of beter gezegd, onderwatersche streken. Wat zou je eigenlijk moeten zeggen?”

„Je kan allebei zeggen,” antwoordde Bob. „Maar het is een gekke gewaarwording. De vloed komt op en daardoor komt het water van de eene kom in de andere; als het weg stroomt zuigt het zich aan je vast en dat is een ellendig gevoel.”

„Dat zou ik denken,” zei Jim. „Maar ik dank je lekker voor dat gezuig.”

„Tweemaal probeerde ik eronder door te komen, maar telkens werd ik terug geslagen,” zei Bob. „Den derden keer nam ik het waar toen een geduchte golf kwam aanzetten, en toen ging het als gesmeerd.”

„Wat een zwemmer, hè!” zei Stenford tegen me. „En dat is onder water, begrijp je?”

Ik knikte van ja. Voor Bob gevoelde ik oprechte bewondering; ik was alleen maar beleedigd dat hij zoo weinig dunk had van mijn zwemkunst.

„Kijk ’s, Jim,” zei Bob, die zich nu flink stond af te wrijven; „je kan het water zien in en uitgaan.”

„Ik geloof je graag, nobele zeeheld,” antwoordde Jim, die nu zijn buis aantrok. „Zou een Canadees ooit een leugen vertellen?”

Juniper en Bob waren dikke vrienden, al plaagden zeelkaar graag. Bob hield dol van Engeland, maar als Jim er bij was, dan verhief hij zijn eigen land tot in de wolken, waarop Juniper dan Canada als een woeste streek voorstelde door beren bevolkt, een land waar de menschen slechts heentrokken in de uiterste noodzakelijkheid.

Bob kreeg me nu in het oog. „Martin, wil je nog duiken, of heb je er genoeg van?” riep hij me toe.

„O, best,” zei ik, want ik was nog niet begonnen met me aan te kleeden.

„Vooruit dan maar!” riep hij; „je moet het leeren. Begin maar met het hier te doen. Als je verdrinkt zal ik er je wel uithalen,” voegde hij er lachend bij.

„Toe vooruit, kerel,” zei Stenford. „Ik wou dat ie het mij ook leerde. Hij duikt prachtig.”

Ik gevoelde me nog eenigszins beleedigd en tamelijk onwillig begaf ik me naar de plek waar hij stond.

„Vanhier moet je duiken,” zei hij en gaf me eenige raadgevingen.

Een heele troep jongens was al weggetrokken, maar er waren nog genoeg toeschouwers overgebleven; ik gevoelde me dan ook weinig op mijn gemak. Hoe bang ik ook was, ik wilde mijn angst niet doen blijken. Ik wou geen mal figuur slaan.

„Kijk, zoo moet je doen; het is dood gemakkelijk,” riep hij.

Met een sierlijken zwaai maakte hij een prachtige duikeling. „Bravo!” riep Stenford.

„Ja, zoo moet je doen!” zei Jim spottend.

Bob kwam weer opdagen, al watertrappend. „Vooruit,” riep hij me toe; „probeer het maar.”

Ik gehoorzaamde het bevel, maar als een zware zak plofte ik in het water. Toen ik te voorschijn kwam, hoorde ik de toeschouwers het uitschateren.

„Heel goed, Ellinghem,” schreeuwde Stenford.

„Probeer het nog maar ’s,” zei Bob, die me weer ophet droge haalde. „Zoo iets kan je maar niet dadelijk. Je zwemt anders beter dan ik dacht.”

De tweede maal ging het niet zoo erbarmelijk slecht, maar ik vond het toch een beproeving en ik zei tegen mezelf dat ik het in elk geval bij den derden keer zou laten.

„Je gaat vooruit,” zei Bob. „Stoor je maar niet aan die lui; je moet het op die manier leeren. Je slaat nu heel goed uit.”

„Ik had hier toch wel den heelen tijd kunnen zwemmen,” zei ik; „wat voor gevaar is daar nu in?”

„Er loopt een stroom bij het verste gedeelte,” antwoordde hij; „daar trekt het water.”

Ik had niets van een stroom gemerkt en dacht dat hij me tot de kleine jongens wilde rekenen, maar ik zou hem wel toonen dat hij me niet zoo geringschattend behoefde te beoordeelen.

Hij stond zich nu op zijn doode gemak af te drogen op de klippen; toen ik voor de derde maal dook, gaf hij me nog eenige raadgevingen; het viel hem blijkbaar mee dat ik zoo vlug en handig weer boven kwam.

Den derden keer ging het werkelijk veel beter. „Goed zoo!” hoorde ik hem roepen, toen ik weer spartelend te voorschijn kwam en ik meende dat Stenford in de handen stond te klappen. Met opzet begaf ik me in de richting waar die stroom heette te loopen; ik zwom naar het verste gedeelte waar zich de tunnel bevond naar het andere bassin.

„Niet dien kant,” riep Bob op een toon die als een bevel klonk. „Daar loopt die stroom! Kom terug!”

Ik schonk hierop geen aandacht, want ik gevoelde niets van een stroom en zwom door. Ik wilde alleen maar een paar slagen doen in die richting en dan omkeeren, alleen maar om hem te toonen dat hij niet zoo min over me behoefde te denken.

„Kom terug!” riep Bob me toe; „Martin, je bent een uil!”

Nu ik me aldus door hem hoorde betitelen, werd ik kwaad en deed nog een paar slagen om hem te toonen dat hij me niet als een klein kind behoefde te behandelen.

„Keer je om op je rug!” hoorde ik hem roepen en toen vernam ik een plof alsof iemand in het water sprong.

Plotseling werd ik een eigenaardige trekking gewaar die me met bliksemsnelheid deed vooruitschieten; misschien liep hier dan toch een stroom en bevond ik me nu dichtbij de lager gelegen rotsen; de klip zag ik boven mijn hoofd vooruit steken. Ja, het was misschien het best dat ik nu maar omkeerde.

Toen ik me wilde omdraaien kreeg ik een gevoel of die trekking plotseling had opgehouden, doch de volgende golf die aankwam, deed me wederom een eind vooruit schieten. Ik was nu als machteloos; hoe ik ook uitsloeg en spartelde, aan terugkeeren viel niet te denken.

Ik begon nu in het wilde uit te slaan.

„Help, help!” schreeuwde ik, doch ik kon ternauwernood een kreet uitbrengen. Ik werd machteloos heen en weer geslingerd door de klotsende golven.

„Help!” riep ik wederom, waarbij ik een hoeveelheid water naar binnen kreeg.

Ik vernam luide kreten van de rotsen en een stem in mijn nabijheid riep me hijgend toe: „Draai je op je rug! Op je rug!”

Nog juist had ik besef genoeg om dit bevel op te volgen; toen voelde ik dat het water me met kracht omlaag zoog totdat een groen waas voor mijn oogen trok en het stemrumoer zich mengde met het geluid van kiezelsteenen die door de golven heen en weer werden geschuifeld; in mijn ooren begon het nu al harder en harder te suizen en stampen, zoodat eindelijk alle geluiden werden overstemd. Alles werd nu donker om mij heen. Het groene waas vervaagde; plotseling zag ik Mallorie voor me opdoemen; ikdacht aan den dag, toen ik met Bob en Tetsjer was komen aanrijden en wederom zag ik Horner flauw vallen, maar nu dacht ik dat ik zelf flauw viel en dat iemand in de kamer kwam om naar me te kijken en Bob zag ik loopen op dien vooruitstekenden rand langs den muur, en toen zag ik mezelf daarop loopen en voelde ik dat, als het gonzen in mijn ooren nog iets luider werd, dat ik dan naar beneden zou vallen en dood neerstorten. Het rumoer in mijn hoofd werd nu zóó luid, dat ik een gewaarwording kreeg of door mijn hersens werd gehamerd; ik klemde me vast tegen den muur, doch tevergeefs—ik stortte in de diepte.


Back to IndexNext