HOOFDSTUK XX.JIM JUNIPER ZEGT ME DE WAARHEID.Langzamerhand kwam ik tot het besef dat een lichtstraal door de duisternis heendrong, en vernam ik een verward rumoer van stemmen om mij heen. Toen gevoelde ik weer dat ik een lichaam had en dat lichaam begon me hoe langer hoe meer pijn te doen.Ik besefte nu ook dat ik hard werd gestompt en gewreven, zoodat ik wel om genade had willen roepen, doch ik was niet bij machte een kreet te uiten. Het was als een nachtmerrie en het vreeselijkste was dat ik voelde dat het geen echte nachtmerrie was, maar dat er iets verschrikkelijks was gebeurd, hoewel ik niet kon begrijpen wat dit eigenlijk was geweest.„Hij komt bij,” hoorde ik iemand zeggen in mijn onmiddellijke nabijheid.Wat konden die woorden beduiden? Had ik een operatie ondergaan en was ik onder chloroform gebracht?Het werd nu lichter om me heen en het klotsen van de zee en het gonzen van de stemmen drong al luider en luider tot me door. Toch besefte ik nog niet waar ik me bevond en wat er was gebeurd.Plotseling flitste een gedachte door mijn hoofd. Ik had in zee gezwommen en was verdronken of bijna verdronken—en nu keerden de levensgeesten weder bij me terug.„Hoe maakt Kitsjin het?” hoorde ik vragen.Waarop de stem van Juniper antwoordde:„Hij zit op en eet wat.”„Wat—wat is er met Bob?” bracht ik met moeite uit.„Hij is er weer bovenop,” zei iemand en na die geruststellende woorden dommelde ik weer in.Toen ik opnieuw tot bewustzijn kwam lag ik in een bed en die gewaarwording was heerlijk. Ik strekte me zoo lang mogelijk uit en wierp een blik om me heen. Ik lag niet in mijn eigen kamertje maar in een net, eenvoudig vertrek met kale witte muren. De ramen stonden wijd open en koele frissche lucht stroomde naar binnen.Nu zag ik een dikke juffrouw op me afkomen; later vernam ik dat ze Geebel heette. Glimlachend liep ze naar me toe, en toen ze me tot heel nabij was genaderd vroeg ik fluisterend: „Waar ben ik?”„In het hospitaal,” antwoordde ze lachend met haar vriendelijke stem. „Gisteren ben je hier binnen gebracht.”„Binnen gebracht,” herhaalde ik.„Ja, je was half verdronken of drie kwart eigenlijk. En nat dat je was!” (Later heb ik gehoord dat mijn kleeren in de algemeene ontsteltenis in het water waren gerold.)„Je kleeren hangen nu te drogen in het waschhuis,” ging ze voort; „’t is te hopen dat ze niet zullen krimpen, want dat doen ze gewoonlijk.”Ik bedacht me dat mijn flanellen broek toch al wat krap zat en dit zei ik aan juffrouw Geebel.„Dan zal je die niet meer aan kunnen,” merkte ze vroolijk op; „maar wat komt dat er eigenlijk op aan nu je het er levend hebt afgebracht. Lig je goed?” voegde ze er bij, „want je moet flink warm worden gehouden.”Ik verklaarde dat ik bijna het kookpunt had bereikt.„Goed dat je van koken praat,” hernam juffrouw Geebel, „want ik heb bouillon voor je opstaan.”BRAVO BOB.BRAVO BOB.„Hij komt bij,” hoorde ik iemand zeggen. Bladz. 151.Ze verdween een oogenblik, waarna de glimlachende verschijning met een dampenden kop terugkeerde.„Ga wat opzitten,” beval juffrouw Geebel, „maar sla dien doek eerst om je heen. Zoo; pas op dat je je niet brandt. Voorzichtig hoor!”Ik volgde haar raadgevingen en begon te drinken, terwijl ik het goede mensch een verrukten blik toewierp over den rand van den kop.„Smaakt het?” vroeg ze vriendelijk.„Of het,” antwoordde ik.„Langzaam aan, hoor,” zei ze nog eens. „Je hebt je maag te veel noodig om die te verbranden door te heet te drinken.”Ik meende dit gezegde te kunnen beamen.„Er zijn menschen die den boel maar inslikken en dan hebben ze er natuurlijk heelemaal geen nut van.”Ik beloofde haar niet zoo roekeloos te zullen zijn.„Zulke menschen worden nooit dik,”verklaarde ze ten slotte.Zij behoefde me niet te vertellen dat zij niet tot die menschen behoorde, want zoo’n breede glimlach zou het hoofd van een mager persoon in zijn geheel al hebben omspand als de bandjes van een respirator.Er werd nu op de deur getikt; juffrouw Geebel voerde een kort onderhoud met een of meer personen die ik niet kon zien. „Als jullie niet te lang blijft, komt dan maar even binnen,” hoorde ik haar eindelijk zeggen, waarop het drietal Kien, Stenford en Burns verscheen die om mijn bed gingen staan en me aangaapten of ik een nieuw voorwerp was, dat in een museum was aangeschaft en nu voor de eerste maal mocht worden bezichtigd.„Een buitenkansje voor je Ellinghem!” begon Stenford, die het eerst de stilte verbrak.„Vindt je dat,” zei ik, daar ik de rol van patiënt nog wat moest blijven spelen.„Ja—geen schoolwerk heb je te maken, geen Kijkers, geen algebra voor Wilson, enz.—en lekker goedje krijg je te drinken! Wat is het?”„Bouillon,” antwoordde ik.„Die is alleen voor zieken,” riep juffrouw Geebel uit de verte.„Ik zal er geen mond aan zetten,” zei Stenford. „Ik voor mij houd meer van vast voedsel.”„Houdt je d-dan n-niet van s-sorbets?” viel Burns in.„Och, jij met je sorbets,” zei Stenford. „Maar, Ellinghem, hoe is het nu met je?”„Heel goed,” zei ik.„Het s-scheelde anders m-maar een haar of j-je was verdronken,” verklaarde Burns.Kien had tot dusver gezwegen, maar hij wierp me nu een ernstigen blik toe en vroeg: „Heb je iets gemerkt van den atmosferischen druk?”„Bravo, Kien,” riep Stenford, die het nu uitschaterde; „schrijf zijn woorden op, kerel, want als ie er het hachje bij inschiet, dan zijn ze ten minste nog van nut voor de wetenschap.”Ik begreep best dat mijn eigenzinnigheid alleen de schuld droeg van hetgeen was gebeurd. Ik gevoelde me dan ook diep beschaamd en eenigszins aarzelend vroeg ik: „Vertel jullie me ’s hoe het eigenlijk is gegaan.”„Herinner je je den laatsten keer dat je dook?” vroeg Stenford.„Ja,” zei ik.„Zeg ’s,” viel Burns in, „je k-kan n-niets van duiken.”„Dat weten we nu wel, Burns,” hernam Stenford; „dat hoef jij hier niet staan te vertellen.”„Dat doet trouwens niets tot de zaak af,” zei ik tamelijk bits. „Vertel maar door.”„Na die laatste duikeling was je heelemaal je kluts kwijt,” hernam Stenford.„Dat is niet waar,” riep ik verontwaardigd.„Het had er toch veel van, want je zwom den verkeerden kant uit.”„En toen?” vroeg ik.„Je dacht natuurlijk dat je terug zwom naar de plek waar je hadt gedoken, want toen Kitsjin tegen je stond te roepen, begon je nog harder uit te slaan.”Ik vroeg me een oogenblik af, of ik hun alles zou vertellen.„Maar je zag al gauw in dat je je had vergist,” hernam Stenford; „toen wilde je omkeeren, maar de stroom had je al te pakken en greep je zijdelings mee.”„Dat herinner ik me,” zei ik.„M-maar K-Kitsjin was al in het w-water g-gesprongen,” viel Burns in.„Hij zwom zoo hard als ie kon,” zei Stenford; „hoorde je hem schreeuwen dat je op je rug moest gaan liggen?”„Dat kan ik me niet meer herinneren,” antwoordde ik.„Het was natuurlijk voor hem gemakkelijker om je er uit te halen, als je dreef.”„H-hij was z-zeker b-bang dat je je aan hem z-zou v-vastklampen,” zei Burns.„De stroom had je heelemaal te pakken en sleurde je mee tot onder de rots,” hernam Stenford, „en—”Kien viel hem nu in de rede. „Wat voelde je?” vroeg hij ernstig. „Was de atmosferische druk krachtig? Was het een gewaarwording of—”„Leuter toch niet kerel!” riep Stenford. „Hoe kon hij dat nu weten? Waar waren we gebleven?”„Ik was meegesleurd tot onder de rots,” zei ik.„O ja! Voor dien tijd hadt je al begrepen dat je er bij was, want je gilde moord en brand. Maar toen verdween je in de tunnel; geen steek was meer van je te zien, geen steek.”„Maar K-Kitsjin zwom achter j-je aan,” zei Burns, die nu en dan ook een woordje wilde meepraten.„De jongens stonden nu allemaal klaar om jullie de hand toe te steken als je weer boven kwam,” zei Stenford. „Het was een vreeselijk oogenblik toen we niets meer van jullie zagen, terwijl we wisten dat jullie daar ergens onder de rotsen moesten zijn.”„T-toen s-sprong J-Juniper erin,” zei Burns.„Ja,” hernam Stenford; „Jim had zijn kleeren uitgegooid en zwom van den anderen kant naar de tunnel toe. Kitsjin kwam nu te voorschijn.”„W-wat zag d-die er akelig uit!” zei Burns.„Ja, hij zag er ellendig uit!” verklaarde Stenford. „Hij was maar even boven gekomen om adem te scheppen terwijl hij water trapte.”„Ik dacht dat hij iets tegen Jim riep.”„Ja, dat deed hij ook; we gilden het nu allemaal uit, omdat we dachten dat hij je hadt kunnen grijpen, maar ineens hielden we onzen mond toen we zagen dat dit niet het geval was. Juniper was nu vlak bij hem, Bob schreeuwde hem toe: „„Terug, terug, de stroom!”” of iets dergelijks.”„Ik geloof zelfs dat ie tegen Jim vloekte,” zei Kien.„Kitsjin is een kraan,” zei Stenford, wien het moeite kostte zijn aandoening te bedwingen. „Hij wou niet dat iemand zou verdrinken om hem te redden.”„M-maar Jim gr-greep zich v-vast aan het v-vooruitstekende g-gedeelte van de rots...” zei Burns.„Dat wou ik je nu juist gaan vertellen,” zei Stenford. „Hij hield één hand gereed om die te kunnen toesteken zoodra Kitsjin weer te voorschijn kwam, want we hadden alle hoop opgegeven dat jij nog in leven was.”Burns knikte met het roode hoofd om deze verklaring te beamen.„Toen scheen een heele groote golf van de eene kom door de tunnel naar het andere bassin te stroomen. Kitsjin kwam nu te voorschijn die jou vasthield; in een oogwenkwas Juniper in het water; met één hand duwde hij, terwijl hij met de andere zwom.”„Jullie dreef nog mee met de golf,” zei Kien.„Toen jullie zoowat in het midden waren, begon het water terug te trekken,” zei Stenford; „dat was vreeselijk om te zien.”„We zagen dat het jullie w-wilde meesleuren!” verklaarde Burns.„Juniper was onvermoeid,” zei Stenford; „hij duwde uit al zijn macht en heel langzaam naderden jullie de plek waar wij stonden om te helpen.”„Jij was n-net een l-lijk,” zei Burns.„Je zag donkerblauw,” verklaarde Kien; „dat kwam omdat het bloed—”„Scheid uit met je wijsheid, kerel!” riep Stenford; „anders kom ik nooit klaar met m’n verhaal—We dachten niet anders of je hadt al den laatsten adem uitgeblazen. Kitsjin viel flauw zoodra we hem naar boven hadden gesleurd. Juniper zei dat dit kwam door te groote inspanning van zijn hart.”„We lieten hem liggen en begonnen te p-probeeren of w-we je n-nog bij konden krijgen,” zei Burns.„Ja,” zei Stenford; „eerst moest je al het water kwijt raken dat je binnen hadt gekregen, en toen pasten we de kunstmatige ademhaling toe, je weet wel uit „Eerste Hulp bij Ongelukken”, en toen begonnen we je te wrijven en zoowat meer.”„We w-wreven t-tot w-we niet m-meer konden,” zei Burns.„Kitsjin was ook weer in orde—hij kon ten minste weer praten, al zag hij er nog ellendig uit. „Is hij goed?” vroeg hij. „Gek dat hij niet eens scheen te weten dat hij er je uit had gekregen. Hij kon zich al gauw weer overeind richten en zijn eerste vraag was hoe het met je was.”„We hadden hem nog niet verteld dat we dachten dat je dood was,” zei Kien.„We zeiden dat we ons best deden je bij te krijgen,” hernam Stenford, „en toen stond hij op; de jongens hadden hem afgedroogd en hem geholpen met wat kleeren aan te schieten; toen liep hij naar de plek waar jij lag; zoodra hij je zag riep hij: „Groote hemel,” en werd hij lijkwit.„Probeer de andere manier, zei hij,” viel Kien in; „hoe die heet ben ik vergeten. We moesten je omdraaien en je rug wrijven; Juniper en hij deden hun uiterste best, maar Kitsjin moest uitscheiden omdat hij heelemaal op was.”„Toen die andere methode ruim twintig minuten was toegepast begon je bij te komen,” verklaarde de wetenschappelijke Kien.„Op die eerste manier zou het ook wel zijn gegaan,” hernam Stenford. „We kunnen er nu kalm en rustig over praten, Ellinghem, maar toen we met je bezig waren was het vreeselijk; die spanning of je dood was of levend, dat was ontzettend.”„Maar hoe wist je of,” begon ik.„We keerden je nu en dan om,” viel Stenford in; „eindelijk zagen we je de oogleden even trillen. Juniper lei zijn hoofd tegen je aan en riep: „„Hij ademt.””„Ja, zoo is het gegaan,” zei Kien.„En weet je wat het gekst was,” hernam Stenford op peinzenden toon; „je zou denken dat de jongens nu zouden hebben gejuicht van pleizier, maar niemand zei een woord, en de lui die met je bezig waren geweest stonden gewoon te huilen. En Kitsjin had moeite zijn tranen in te houden; hij keerde zich naar Juniper en zei: „„Het spijt me dat ik straks tegen je vloekte, maar je hadt het niet moeten doen; je waagde je leven, beste kerel.”” En toen droegen we je naar huis.”„De lui zeiden d-dat je z-zoo z-zwaar was,” merkte Burns op.„Thuis werdt je dadelijk in een warm bad gestopt en toen werdt je naar bed gebracht.”„Nu weet je alles,” zei Kien; „ik wou alleen maar dat je me kon vertellen of de luchtdruk krachtig was in die tunnel.”„Was het geen vreeselijk gevoel?” vroeg Stenford.„Ja vreeselijk,” antwoordde ik.„Hoe staat het met onzen meerman?” hoorden we nu zeggen. We keken om en zagen Jim Juniper die ongemerkt was binnengekomen en glimlachend naderde. Zonder antwoord af te wachten op zijn vraag voegde hij er bij: „En Burns, jij hebt het heele geval zeker op rijm staan te vertellen is het niet?”Ik wilde hem nu danken voor hetgeen hij had gedaan. „Ik heb alles gehoord,” bracht ik stotterend uit, „en ik dank je hartelijk voor...”„Och, ik heb bijna niets kunnen doen,” viel Juniper me in de rede. „Ik kon alleen maar als ceremonie-meester optreden door jullie in de goede richting te duwen, waardoor de dappere meermannen het land konden bereiken. Aan wal is het toch maar het best, vindt je ook niet?”Ik gaf dit onmiddellijk toe.„Maar als Kitsjin zich geen Hercules had getoond, dan zou je nu zeker op den bodem van de zee liggen, waarde heer,” hernam hij.Op dit oogenblik keerde hij zich geheel naar mij en een andere uitdrukking verscheen in zijn oogen toen hij zei: „Ik moet je ronduit zeggen dat je gisteren bij het zwemmen een geduchte lastpost bent geweest.”„Ja, dat is zoo,” gaf ik toe, terwijl ik een kleur kreeg.„Het is niet mijn gewoonte om krachtige, gekruide taal te gebruiken zooals vriend Burns,” zei Juniper; „maar toch geloof ik ditmaal wel reden te hebben om je een geduchten lastpost te mogen noemen.”Ik beaamde dit wederom.„Wat voor plaats je zelf in de jongenswereld inneemt, dat weet ik nog niet,” hernam Juniper. „Maar wel weet ikdat ik het je hoogst kwalijk neem, dat we door jouw schuld bijna onzen Kitsjin kwijt zijn geweest, die wel tienmaal zooveel waard is als jij. Ik hoop dat je me wilt vergeven, dat ik dit ronduit zeg in je gezicht.”„Daarin heb je gelijk,” zei ik met nadruk.„Ik vond het mijn plicht, zie je, om je dit openlijk mede te deelen, omdat het hoogst onwaarschijnlijk is dat Kitsjin je zelf deze waarheden onder het oog zal brengen. Laat ik je ten slotte vertellen, waarde heer,” voegde hij er bij, terwijl hij zich met sierlijke gebaren in de richting begaf van de deur, „dat Kitsjin de beste vent is dien je ooit in dit tranendal zal ontmoeten.”Met een zwaai van zijn arm wuifde hij ons toe om afscheid te nemen en verdween. De andere drie werden door juffrouw Geebel weggejaagd, daar ze eigenlijk al veel te lang waren gebleven.Blijkbaar had ze het heele gesprek verstaan, want toen we wederom alleen waren zei ze:„Het zal me benieuwen of jij ooit weer in zee durft, al ben jij zeker niet voorbestemd om te verdrinken.”’s Middags kwam Bob me een bezoek brengen. Hij liep naar me toe en zei:„Ik ben hier al geweest, maar toen sliep je. Hoe is het met je?”„Heel goed,” antwoordde ik. „De dokter zegt dat ik morgen mag opstaan.”„Je bent dus weer beter?” vroeg Bob lachend.„Ja,” antwoordde ik. Ik kreeg een kleur en zei: „Bob, hoe zal ik ooit—”Hij ging vlak voor me staan en strekte de hand uit om mij het zwijgen op te leggen. „Ik begrijp wel wat je wilt zeggen, maar dat hoeft niet, kerel.”„O Bob,” riep ik uit, terwijl de tranen me over de wangen stroomden toen ik zijn hand greep, „je bent een kraan.”
HOOFDSTUK XX.JIM JUNIPER ZEGT ME DE WAARHEID.Langzamerhand kwam ik tot het besef dat een lichtstraal door de duisternis heendrong, en vernam ik een verward rumoer van stemmen om mij heen. Toen gevoelde ik weer dat ik een lichaam had en dat lichaam begon me hoe langer hoe meer pijn te doen.Ik besefte nu ook dat ik hard werd gestompt en gewreven, zoodat ik wel om genade had willen roepen, doch ik was niet bij machte een kreet te uiten. Het was als een nachtmerrie en het vreeselijkste was dat ik voelde dat het geen echte nachtmerrie was, maar dat er iets verschrikkelijks was gebeurd, hoewel ik niet kon begrijpen wat dit eigenlijk was geweest.„Hij komt bij,” hoorde ik iemand zeggen in mijn onmiddellijke nabijheid.Wat konden die woorden beduiden? Had ik een operatie ondergaan en was ik onder chloroform gebracht?Het werd nu lichter om me heen en het klotsen van de zee en het gonzen van de stemmen drong al luider en luider tot me door. Toch besefte ik nog niet waar ik me bevond en wat er was gebeurd.Plotseling flitste een gedachte door mijn hoofd. Ik had in zee gezwommen en was verdronken of bijna verdronken—en nu keerden de levensgeesten weder bij me terug.„Hoe maakt Kitsjin het?” hoorde ik vragen.Waarop de stem van Juniper antwoordde:„Hij zit op en eet wat.”„Wat—wat is er met Bob?” bracht ik met moeite uit.„Hij is er weer bovenop,” zei iemand en na die geruststellende woorden dommelde ik weer in.Toen ik opnieuw tot bewustzijn kwam lag ik in een bed en die gewaarwording was heerlijk. Ik strekte me zoo lang mogelijk uit en wierp een blik om me heen. Ik lag niet in mijn eigen kamertje maar in een net, eenvoudig vertrek met kale witte muren. De ramen stonden wijd open en koele frissche lucht stroomde naar binnen.Nu zag ik een dikke juffrouw op me afkomen; later vernam ik dat ze Geebel heette. Glimlachend liep ze naar me toe, en toen ze me tot heel nabij was genaderd vroeg ik fluisterend: „Waar ben ik?”„In het hospitaal,” antwoordde ze lachend met haar vriendelijke stem. „Gisteren ben je hier binnen gebracht.”„Binnen gebracht,” herhaalde ik.„Ja, je was half verdronken of drie kwart eigenlijk. En nat dat je was!” (Later heb ik gehoord dat mijn kleeren in de algemeene ontsteltenis in het water waren gerold.)„Je kleeren hangen nu te drogen in het waschhuis,” ging ze voort; „’t is te hopen dat ze niet zullen krimpen, want dat doen ze gewoonlijk.”Ik bedacht me dat mijn flanellen broek toch al wat krap zat en dit zei ik aan juffrouw Geebel.„Dan zal je die niet meer aan kunnen,” merkte ze vroolijk op; „maar wat komt dat er eigenlijk op aan nu je het er levend hebt afgebracht. Lig je goed?” voegde ze er bij, „want je moet flink warm worden gehouden.”Ik verklaarde dat ik bijna het kookpunt had bereikt.„Goed dat je van koken praat,” hernam juffrouw Geebel, „want ik heb bouillon voor je opstaan.”BRAVO BOB.BRAVO BOB.„Hij komt bij,” hoorde ik iemand zeggen. Bladz. 151.Ze verdween een oogenblik, waarna de glimlachende verschijning met een dampenden kop terugkeerde.„Ga wat opzitten,” beval juffrouw Geebel, „maar sla dien doek eerst om je heen. Zoo; pas op dat je je niet brandt. Voorzichtig hoor!”Ik volgde haar raadgevingen en begon te drinken, terwijl ik het goede mensch een verrukten blik toewierp over den rand van den kop.„Smaakt het?” vroeg ze vriendelijk.„Of het,” antwoordde ik.„Langzaam aan, hoor,” zei ze nog eens. „Je hebt je maag te veel noodig om die te verbranden door te heet te drinken.”Ik meende dit gezegde te kunnen beamen.„Er zijn menschen die den boel maar inslikken en dan hebben ze er natuurlijk heelemaal geen nut van.”Ik beloofde haar niet zoo roekeloos te zullen zijn.„Zulke menschen worden nooit dik,”verklaarde ze ten slotte.Zij behoefde me niet te vertellen dat zij niet tot die menschen behoorde, want zoo’n breede glimlach zou het hoofd van een mager persoon in zijn geheel al hebben omspand als de bandjes van een respirator.Er werd nu op de deur getikt; juffrouw Geebel voerde een kort onderhoud met een of meer personen die ik niet kon zien. „Als jullie niet te lang blijft, komt dan maar even binnen,” hoorde ik haar eindelijk zeggen, waarop het drietal Kien, Stenford en Burns verscheen die om mijn bed gingen staan en me aangaapten of ik een nieuw voorwerp was, dat in een museum was aangeschaft en nu voor de eerste maal mocht worden bezichtigd.„Een buitenkansje voor je Ellinghem!” begon Stenford, die het eerst de stilte verbrak.„Vindt je dat,” zei ik, daar ik de rol van patiënt nog wat moest blijven spelen.„Ja—geen schoolwerk heb je te maken, geen Kijkers, geen algebra voor Wilson, enz.—en lekker goedje krijg je te drinken! Wat is het?”„Bouillon,” antwoordde ik.„Die is alleen voor zieken,” riep juffrouw Geebel uit de verte.„Ik zal er geen mond aan zetten,” zei Stenford. „Ik voor mij houd meer van vast voedsel.”„Houdt je d-dan n-niet van s-sorbets?” viel Burns in.„Och, jij met je sorbets,” zei Stenford. „Maar, Ellinghem, hoe is het nu met je?”„Heel goed,” zei ik.„Het s-scheelde anders m-maar een haar of j-je was verdronken,” verklaarde Burns.Kien had tot dusver gezwegen, maar hij wierp me nu een ernstigen blik toe en vroeg: „Heb je iets gemerkt van den atmosferischen druk?”„Bravo, Kien,” riep Stenford, die het nu uitschaterde; „schrijf zijn woorden op, kerel, want als ie er het hachje bij inschiet, dan zijn ze ten minste nog van nut voor de wetenschap.”Ik begreep best dat mijn eigenzinnigheid alleen de schuld droeg van hetgeen was gebeurd. Ik gevoelde me dan ook diep beschaamd en eenigszins aarzelend vroeg ik: „Vertel jullie me ’s hoe het eigenlijk is gegaan.”„Herinner je je den laatsten keer dat je dook?” vroeg Stenford.„Ja,” zei ik.„Zeg ’s,” viel Burns in, „je k-kan n-niets van duiken.”„Dat weten we nu wel, Burns,” hernam Stenford; „dat hoef jij hier niet staan te vertellen.”„Dat doet trouwens niets tot de zaak af,” zei ik tamelijk bits. „Vertel maar door.”„Na die laatste duikeling was je heelemaal je kluts kwijt,” hernam Stenford.„Dat is niet waar,” riep ik verontwaardigd.„Het had er toch veel van, want je zwom den verkeerden kant uit.”„En toen?” vroeg ik.„Je dacht natuurlijk dat je terug zwom naar de plek waar je hadt gedoken, want toen Kitsjin tegen je stond te roepen, begon je nog harder uit te slaan.”Ik vroeg me een oogenblik af, of ik hun alles zou vertellen.„Maar je zag al gauw in dat je je had vergist,” hernam Stenford; „toen wilde je omkeeren, maar de stroom had je al te pakken en greep je zijdelings mee.”„Dat herinner ik me,” zei ik.„M-maar K-Kitsjin was al in het w-water g-gesprongen,” viel Burns in.„Hij zwom zoo hard als ie kon,” zei Stenford; „hoorde je hem schreeuwen dat je op je rug moest gaan liggen?”„Dat kan ik me niet meer herinneren,” antwoordde ik.„Het was natuurlijk voor hem gemakkelijker om je er uit te halen, als je dreef.”„H-hij was z-zeker b-bang dat je je aan hem z-zou v-vastklampen,” zei Burns.„De stroom had je heelemaal te pakken en sleurde je mee tot onder de rots,” hernam Stenford, „en—”Kien viel hem nu in de rede. „Wat voelde je?” vroeg hij ernstig. „Was de atmosferische druk krachtig? Was het een gewaarwording of—”„Leuter toch niet kerel!” riep Stenford. „Hoe kon hij dat nu weten? Waar waren we gebleven?”„Ik was meegesleurd tot onder de rots,” zei ik.„O ja! Voor dien tijd hadt je al begrepen dat je er bij was, want je gilde moord en brand. Maar toen verdween je in de tunnel; geen steek was meer van je te zien, geen steek.”„Maar K-Kitsjin zwom achter j-je aan,” zei Burns, die nu en dan ook een woordje wilde meepraten.„De jongens stonden nu allemaal klaar om jullie de hand toe te steken als je weer boven kwam,” zei Stenford. „Het was een vreeselijk oogenblik toen we niets meer van jullie zagen, terwijl we wisten dat jullie daar ergens onder de rotsen moesten zijn.”„T-toen s-sprong J-Juniper erin,” zei Burns.„Ja,” hernam Stenford; „Jim had zijn kleeren uitgegooid en zwom van den anderen kant naar de tunnel toe. Kitsjin kwam nu te voorschijn.”„W-wat zag d-die er akelig uit!” zei Burns.„Ja, hij zag er ellendig uit!” verklaarde Stenford. „Hij was maar even boven gekomen om adem te scheppen terwijl hij water trapte.”„Ik dacht dat hij iets tegen Jim riep.”„Ja, dat deed hij ook; we gilden het nu allemaal uit, omdat we dachten dat hij je hadt kunnen grijpen, maar ineens hielden we onzen mond toen we zagen dat dit niet het geval was. Juniper was nu vlak bij hem, Bob schreeuwde hem toe: „„Terug, terug, de stroom!”” of iets dergelijks.”„Ik geloof zelfs dat ie tegen Jim vloekte,” zei Kien.„Kitsjin is een kraan,” zei Stenford, wien het moeite kostte zijn aandoening te bedwingen. „Hij wou niet dat iemand zou verdrinken om hem te redden.”„M-maar Jim gr-greep zich v-vast aan het v-vooruitstekende g-gedeelte van de rots...” zei Burns.„Dat wou ik je nu juist gaan vertellen,” zei Stenford. „Hij hield één hand gereed om die te kunnen toesteken zoodra Kitsjin weer te voorschijn kwam, want we hadden alle hoop opgegeven dat jij nog in leven was.”Burns knikte met het roode hoofd om deze verklaring te beamen.„Toen scheen een heele groote golf van de eene kom door de tunnel naar het andere bassin te stroomen. Kitsjin kwam nu te voorschijn die jou vasthield; in een oogwenkwas Juniper in het water; met één hand duwde hij, terwijl hij met de andere zwom.”„Jullie dreef nog mee met de golf,” zei Kien.„Toen jullie zoowat in het midden waren, begon het water terug te trekken,” zei Stenford; „dat was vreeselijk om te zien.”„We zagen dat het jullie w-wilde meesleuren!” verklaarde Burns.„Juniper was onvermoeid,” zei Stenford; „hij duwde uit al zijn macht en heel langzaam naderden jullie de plek waar wij stonden om te helpen.”„Jij was n-net een l-lijk,” zei Burns.„Je zag donkerblauw,” verklaarde Kien; „dat kwam omdat het bloed—”„Scheid uit met je wijsheid, kerel!” riep Stenford; „anders kom ik nooit klaar met m’n verhaal—We dachten niet anders of je hadt al den laatsten adem uitgeblazen. Kitsjin viel flauw zoodra we hem naar boven hadden gesleurd. Juniper zei dat dit kwam door te groote inspanning van zijn hart.”„We lieten hem liggen en begonnen te p-probeeren of w-we je n-nog bij konden krijgen,” zei Burns.„Ja,” zei Stenford; „eerst moest je al het water kwijt raken dat je binnen hadt gekregen, en toen pasten we de kunstmatige ademhaling toe, je weet wel uit „Eerste Hulp bij Ongelukken”, en toen begonnen we je te wrijven en zoowat meer.”„We w-wreven t-tot w-we niet m-meer konden,” zei Burns.„Kitsjin was ook weer in orde—hij kon ten minste weer praten, al zag hij er nog ellendig uit. „Is hij goed?” vroeg hij. „Gek dat hij niet eens scheen te weten dat hij er je uit had gekregen. Hij kon zich al gauw weer overeind richten en zijn eerste vraag was hoe het met je was.”„We hadden hem nog niet verteld dat we dachten dat je dood was,” zei Kien.„We zeiden dat we ons best deden je bij te krijgen,” hernam Stenford, „en toen stond hij op; de jongens hadden hem afgedroogd en hem geholpen met wat kleeren aan te schieten; toen liep hij naar de plek waar jij lag; zoodra hij je zag riep hij: „Groote hemel,” en werd hij lijkwit.„Probeer de andere manier, zei hij,” viel Kien in; „hoe die heet ben ik vergeten. We moesten je omdraaien en je rug wrijven; Juniper en hij deden hun uiterste best, maar Kitsjin moest uitscheiden omdat hij heelemaal op was.”„Toen die andere methode ruim twintig minuten was toegepast begon je bij te komen,” verklaarde de wetenschappelijke Kien.„Op die eerste manier zou het ook wel zijn gegaan,” hernam Stenford. „We kunnen er nu kalm en rustig over praten, Ellinghem, maar toen we met je bezig waren was het vreeselijk; die spanning of je dood was of levend, dat was ontzettend.”„Maar hoe wist je of,” begon ik.„We keerden je nu en dan om,” viel Stenford in; „eindelijk zagen we je de oogleden even trillen. Juniper lei zijn hoofd tegen je aan en riep: „„Hij ademt.””„Ja, zoo is het gegaan,” zei Kien.„En weet je wat het gekst was,” hernam Stenford op peinzenden toon; „je zou denken dat de jongens nu zouden hebben gejuicht van pleizier, maar niemand zei een woord, en de lui die met je bezig waren geweest stonden gewoon te huilen. En Kitsjin had moeite zijn tranen in te houden; hij keerde zich naar Juniper en zei: „„Het spijt me dat ik straks tegen je vloekte, maar je hadt het niet moeten doen; je waagde je leven, beste kerel.”” En toen droegen we je naar huis.”„De lui zeiden d-dat je z-zoo z-zwaar was,” merkte Burns op.„Thuis werdt je dadelijk in een warm bad gestopt en toen werdt je naar bed gebracht.”„Nu weet je alles,” zei Kien; „ik wou alleen maar dat je me kon vertellen of de luchtdruk krachtig was in die tunnel.”„Was het geen vreeselijk gevoel?” vroeg Stenford.„Ja vreeselijk,” antwoordde ik.„Hoe staat het met onzen meerman?” hoorden we nu zeggen. We keken om en zagen Jim Juniper die ongemerkt was binnengekomen en glimlachend naderde. Zonder antwoord af te wachten op zijn vraag voegde hij er bij: „En Burns, jij hebt het heele geval zeker op rijm staan te vertellen is het niet?”Ik wilde hem nu danken voor hetgeen hij had gedaan. „Ik heb alles gehoord,” bracht ik stotterend uit, „en ik dank je hartelijk voor...”„Och, ik heb bijna niets kunnen doen,” viel Juniper me in de rede. „Ik kon alleen maar als ceremonie-meester optreden door jullie in de goede richting te duwen, waardoor de dappere meermannen het land konden bereiken. Aan wal is het toch maar het best, vindt je ook niet?”Ik gaf dit onmiddellijk toe.„Maar als Kitsjin zich geen Hercules had getoond, dan zou je nu zeker op den bodem van de zee liggen, waarde heer,” hernam hij.Op dit oogenblik keerde hij zich geheel naar mij en een andere uitdrukking verscheen in zijn oogen toen hij zei: „Ik moet je ronduit zeggen dat je gisteren bij het zwemmen een geduchte lastpost bent geweest.”„Ja, dat is zoo,” gaf ik toe, terwijl ik een kleur kreeg.„Het is niet mijn gewoonte om krachtige, gekruide taal te gebruiken zooals vriend Burns,” zei Juniper; „maar toch geloof ik ditmaal wel reden te hebben om je een geduchten lastpost te mogen noemen.”Ik beaamde dit wederom.„Wat voor plaats je zelf in de jongenswereld inneemt, dat weet ik nog niet,” hernam Juniper. „Maar wel weet ikdat ik het je hoogst kwalijk neem, dat we door jouw schuld bijna onzen Kitsjin kwijt zijn geweest, die wel tienmaal zooveel waard is als jij. Ik hoop dat je me wilt vergeven, dat ik dit ronduit zeg in je gezicht.”„Daarin heb je gelijk,” zei ik met nadruk.„Ik vond het mijn plicht, zie je, om je dit openlijk mede te deelen, omdat het hoogst onwaarschijnlijk is dat Kitsjin je zelf deze waarheden onder het oog zal brengen. Laat ik je ten slotte vertellen, waarde heer,” voegde hij er bij, terwijl hij zich met sierlijke gebaren in de richting begaf van de deur, „dat Kitsjin de beste vent is dien je ooit in dit tranendal zal ontmoeten.”Met een zwaai van zijn arm wuifde hij ons toe om afscheid te nemen en verdween. De andere drie werden door juffrouw Geebel weggejaagd, daar ze eigenlijk al veel te lang waren gebleven.Blijkbaar had ze het heele gesprek verstaan, want toen we wederom alleen waren zei ze:„Het zal me benieuwen of jij ooit weer in zee durft, al ben jij zeker niet voorbestemd om te verdrinken.”’s Middags kwam Bob me een bezoek brengen. Hij liep naar me toe en zei:„Ik ben hier al geweest, maar toen sliep je. Hoe is het met je?”„Heel goed,” antwoordde ik. „De dokter zegt dat ik morgen mag opstaan.”„Je bent dus weer beter?” vroeg Bob lachend.„Ja,” antwoordde ik. Ik kreeg een kleur en zei: „Bob, hoe zal ik ooit—”Hij ging vlak voor me staan en strekte de hand uit om mij het zwijgen op te leggen. „Ik begrijp wel wat je wilt zeggen, maar dat hoeft niet, kerel.”„O Bob,” riep ik uit, terwijl de tranen me over de wangen stroomden toen ik zijn hand greep, „je bent een kraan.”
HOOFDSTUK XX.JIM JUNIPER ZEGT ME DE WAARHEID.
Langzamerhand kwam ik tot het besef dat een lichtstraal door de duisternis heendrong, en vernam ik een verward rumoer van stemmen om mij heen. Toen gevoelde ik weer dat ik een lichaam had en dat lichaam begon me hoe langer hoe meer pijn te doen.Ik besefte nu ook dat ik hard werd gestompt en gewreven, zoodat ik wel om genade had willen roepen, doch ik was niet bij machte een kreet te uiten. Het was als een nachtmerrie en het vreeselijkste was dat ik voelde dat het geen echte nachtmerrie was, maar dat er iets verschrikkelijks was gebeurd, hoewel ik niet kon begrijpen wat dit eigenlijk was geweest.„Hij komt bij,” hoorde ik iemand zeggen in mijn onmiddellijke nabijheid.Wat konden die woorden beduiden? Had ik een operatie ondergaan en was ik onder chloroform gebracht?Het werd nu lichter om me heen en het klotsen van de zee en het gonzen van de stemmen drong al luider en luider tot me door. Toch besefte ik nog niet waar ik me bevond en wat er was gebeurd.Plotseling flitste een gedachte door mijn hoofd. Ik had in zee gezwommen en was verdronken of bijna verdronken—en nu keerden de levensgeesten weder bij me terug.„Hoe maakt Kitsjin het?” hoorde ik vragen.Waarop de stem van Juniper antwoordde:„Hij zit op en eet wat.”„Wat—wat is er met Bob?” bracht ik met moeite uit.„Hij is er weer bovenop,” zei iemand en na die geruststellende woorden dommelde ik weer in.Toen ik opnieuw tot bewustzijn kwam lag ik in een bed en die gewaarwording was heerlijk. Ik strekte me zoo lang mogelijk uit en wierp een blik om me heen. Ik lag niet in mijn eigen kamertje maar in een net, eenvoudig vertrek met kale witte muren. De ramen stonden wijd open en koele frissche lucht stroomde naar binnen.Nu zag ik een dikke juffrouw op me afkomen; later vernam ik dat ze Geebel heette. Glimlachend liep ze naar me toe, en toen ze me tot heel nabij was genaderd vroeg ik fluisterend: „Waar ben ik?”„In het hospitaal,” antwoordde ze lachend met haar vriendelijke stem. „Gisteren ben je hier binnen gebracht.”„Binnen gebracht,” herhaalde ik.„Ja, je was half verdronken of drie kwart eigenlijk. En nat dat je was!” (Later heb ik gehoord dat mijn kleeren in de algemeene ontsteltenis in het water waren gerold.)„Je kleeren hangen nu te drogen in het waschhuis,” ging ze voort; „’t is te hopen dat ze niet zullen krimpen, want dat doen ze gewoonlijk.”Ik bedacht me dat mijn flanellen broek toch al wat krap zat en dit zei ik aan juffrouw Geebel.„Dan zal je die niet meer aan kunnen,” merkte ze vroolijk op; „maar wat komt dat er eigenlijk op aan nu je het er levend hebt afgebracht. Lig je goed?” voegde ze er bij, „want je moet flink warm worden gehouden.”Ik verklaarde dat ik bijna het kookpunt had bereikt.„Goed dat je van koken praat,” hernam juffrouw Geebel, „want ik heb bouillon voor je opstaan.”BRAVO BOB.BRAVO BOB.„Hij komt bij,” hoorde ik iemand zeggen. Bladz. 151.Ze verdween een oogenblik, waarna de glimlachende verschijning met een dampenden kop terugkeerde.„Ga wat opzitten,” beval juffrouw Geebel, „maar sla dien doek eerst om je heen. Zoo; pas op dat je je niet brandt. Voorzichtig hoor!”Ik volgde haar raadgevingen en begon te drinken, terwijl ik het goede mensch een verrukten blik toewierp over den rand van den kop.„Smaakt het?” vroeg ze vriendelijk.„Of het,” antwoordde ik.„Langzaam aan, hoor,” zei ze nog eens. „Je hebt je maag te veel noodig om die te verbranden door te heet te drinken.”Ik meende dit gezegde te kunnen beamen.„Er zijn menschen die den boel maar inslikken en dan hebben ze er natuurlijk heelemaal geen nut van.”Ik beloofde haar niet zoo roekeloos te zullen zijn.„Zulke menschen worden nooit dik,”verklaarde ze ten slotte.Zij behoefde me niet te vertellen dat zij niet tot die menschen behoorde, want zoo’n breede glimlach zou het hoofd van een mager persoon in zijn geheel al hebben omspand als de bandjes van een respirator.Er werd nu op de deur getikt; juffrouw Geebel voerde een kort onderhoud met een of meer personen die ik niet kon zien. „Als jullie niet te lang blijft, komt dan maar even binnen,” hoorde ik haar eindelijk zeggen, waarop het drietal Kien, Stenford en Burns verscheen die om mijn bed gingen staan en me aangaapten of ik een nieuw voorwerp was, dat in een museum was aangeschaft en nu voor de eerste maal mocht worden bezichtigd.„Een buitenkansje voor je Ellinghem!” begon Stenford, die het eerst de stilte verbrak.„Vindt je dat,” zei ik, daar ik de rol van patiënt nog wat moest blijven spelen.„Ja—geen schoolwerk heb je te maken, geen Kijkers, geen algebra voor Wilson, enz.—en lekker goedje krijg je te drinken! Wat is het?”„Bouillon,” antwoordde ik.„Die is alleen voor zieken,” riep juffrouw Geebel uit de verte.„Ik zal er geen mond aan zetten,” zei Stenford. „Ik voor mij houd meer van vast voedsel.”„Houdt je d-dan n-niet van s-sorbets?” viel Burns in.„Och, jij met je sorbets,” zei Stenford. „Maar, Ellinghem, hoe is het nu met je?”„Heel goed,” zei ik.„Het s-scheelde anders m-maar een haar of j-je was verdronken,” verklaarde Burns.Kien had tot dusver gezwegen, maar hij wierp me nu een ernstigen blik toe en vroeg: „Heb je iets gemerkt van den atmosferischen druk?”„Bravo, Kien,” riep Stenford, die het nu uitschaterde; „schrijf zijn woorden op, kerel, want als ie er het hachje bij inschiet, dan zijn ze ten minste nog van nut voor de wetenschap.”Ik begreep best dat mijn eigenzinnigheid alleen de schuld droeg van hetgeen was gebeurd. Ik gevoelde me dan ook diep beschaamd en eenigszins aarzelend vroeg ik: „Vertel jullie me ’s hoe het eigenlijk is gegaan.”„Herinner je je den laatsten keer dat je dook?” vroeg Stenford.„Ja,” zei ik.„Zeg ’s,” viel Burns in, „je k-kan n-niets van duiken.”„Dat weten we nu wel, Burns,” hernam Stenford; „dat hoef jij hier niet staan te vertellen.”„Dat doet trouwens niets tot de zaak af,” zei ik tamelijk bits. „Vertel maar door.”„Na die laatste duikeling was je heelemaal je kluts kwijt,” hernam Stenford.„Dat is niet waar,” riep ik verontwaardigd.„Het had er toch veel van, want je zwom den verkeerden kant uit.”„En toen?” vroeg ik.„Je dacht natuurlijk dat je terug zwom naar de plek waar je hadt gedoken, want toen Kitsjin tegen je stond te roepen, begon je nog harder uit te slaan.”Ik vroeg me een oogenblik af, of ik hun alles zou vertellen.„Maar je zag al gauw in dat je je had vergist,” hernam Stenford; „toen wilde je omkeeren, maar de stroom had je al te pakken en greep je zijdelings mee.”„Dat herinner ik me,” zei ik.„M-maar K-Kitsjin was al in het w-water g-gesprongen,” viel Burns in.„Hij zwom zoo hard als ie kon,” zei Stenford; „hoorde je hem schreeuwen dat je op je rug moest gaan liggen?”„Dat kan ik me niet meer herinneren,” antwoordde ik.„Het was natuurlijk voor hem gemakkelijker om je er uit te halen, als je dreef.”„H-hij was z-zeker b-bang dat je je aan hem z-zou v-vastklampen,” zei Burns.„De stroom had je heelemaal te pakken en sleurde je mee tot onder de rots,” hernam Stenford, „en—”Kien viel hem nu in de rede. „Wat voelde je?” vroeg hij ernstig. „Was de atmosferische druk krachtig? Was het een gewaarwording of—”„Leuter toch niet kerel!” riep Stenford. „Hoe kon hij dat nu weten? Waar waren we gebleven?”„Ik was meegesleurd tot onder de rots,” zei ik.„O ja! Voor dien tijd hadt je al begrepen dat je er bij was, want je gilde moord en brand. Maar toen verdween je in de tunnel; geen steek was meer van je te zien, geen steek.”„Maar K-Kitsjin zwom achter j-je aan,” zei Burns, die nu en dan ook een woordje wilde meepraten.„De jongens stonden nu allemaal klaar om jullie de hand toe te steken als je weer boven kwam,” zei Stenford. „Het was een vreeselijk oogenblik toen we niets meer van jullie zagen, terwijl we wisten dat jullie daar ergens onder de rotsen moesten zijn.”„T-toen s-sprong J-Juniper erin,” zei Burns.„Ja,” hernam Stenford; „Jim had zijn kleeren uitgegooid en zwom van den anderen kant naar de tunnel toe. Kitsjin kwam nu te voorschijn.”„W-wat zag d-die er akelig uit!” zei Burns.„Ja, hij zag er ellendig uit!” verklaarde Stenford. „Hij was maar even boven gekomen om adem te scheppen terwijl hij water trapte.”„Ik dacht dat hij iets tegen Jim riep.”„Ja, dat deed hij ook; we gilden het nu allemaal uit, omdat we dachten dat hij je hadt kunnen grijpen, maar ineens hielden we onzen mond toen we zagen dat dit niet het geval was. Juniper was nu vlak bij hem, Bob schreeuwde hem toe: „„Terug, terug, de stroom!”” of iets dergelijks.”„Ik geloof zelfs dat ie tegen Jim vloekte,” zei Kien.„Kitsjin is een kraan,” zei Stenford, wien het moeite kostte zijn aandoening te bedwingen. „Hij wou niet dat iemand zou verdrinken om hem te redden.”„M-maar Jim gr-greep zich v-vast aan het v-vooruitstekende g-gedeelte van de rots...” zei Burns.„Dat wou ik je nu juist gaan vertellen,” zei Stenford. „Hij hield één hand gereed om die te kunnen toesteken zoodra Kitsjin weer te voorschijn kwam, want we hadden alle hoop opgegeven dat jij nog in leven was.”Burns knikte met het roode hoofd om deze verklaring te beamen.„Toen scheen een heele groote golf van de eene kom door de tunnel naar het andere bassin te stroomen. Kitsjin kwam nu te voorschijn die jou vasthield; in een oogwenkwas Juniper in het water; met één hand duwde hij, terwijl hij met de andere zwom.”„Jullie dreef nog mee met de golf,” zei Kien.„Toen jullie zoowat in het midden waren, begon het water terug te trekken,” zei Stenford; „dat was vreeselijk om te zien.”„We zagen dat het jullie w-wilde meesleuren!” verklaarde Burns.„Juniper was onvermoeid,” zei Stenford; „hij duwde uit al zijn macht en heel langzaam naderden jullie de plek waar wij stonden om te helpen.”„Jij was n-net een l-lijk,” zei Burns.„Je zag donkerblauw,” verklaarde Kien; „dat kwam omdat het bloed—”„Scheid uit met je wijsheid, kerel!” riep Stenford; „anders kom ik nooit klaar met m’n verhaal—We dachten niet anders of je hadt al den laatsten adem uitgeblazen. Kitsjin viel flauw zoodra we hem naar boven hadden gesleurd. Juniper zei dat dit kwam door te groote inspanning van zijn hart.”„We lieten hem liggen en begonnen te p-probeeren of w-we je n-nog bij konden krijgen,” zei Burns.„Ja,” zei Stenford; „eerst moest je al het water kwijt raken dat je binnen hadt gekregen, en toen pasten we de kunstmatige ademhaling toe, je weet wel uit „Eerste Hulp bij Ongelukken”, en toen begonnen we je te wrijven en zoowat meer.”„We w-wreven t-tot w-we niet m-meer konden,” zei Burns.„Kitsjin was ook weer in orde—hij kon ten minste weer praten, al zag hij er nog ellendig uit. „Is hij goed?” vroeg hij. „Gek dat hij niet eens scheen te weten dat hij er je uit had gekregen. Hij kon zich al gauw weer overeind richten en zijn eerste vraag was hoe het met je was.”„We hadden hem nog niet verteld dat we dachten dat je dood was,” zei Kien.„We zeiden dat we ons best deden je bij te krijgen,” hernam Stenford, „en toen stond hij op; de jongens hadden hem afgedroogd en hem geholpen met wat kleeren aan te schieten; toen liep hij naar de plek waar jij lag; zoodra hij je zag riep hij: „Groote hemel,” en werd hij lijkwit.„Probeer de andere manier, zei hij,” viel Kien in; „hoe die heet ben ik vergeten. We moesten je omdraaien en je rug wrijven; Juniper en hij deden hun uiterste best, maar Kitsjin moest uitscheiden omdat hij heelemaal op was.”„Toen die andere methode ruim twintig minuten was toegepast begon je bij te komen,” verklaarde de wetenschappelijke Kien.„Op die eerste manier zou het ook wel zijn gegaan,” hernam Stenford. „We kunnen er nu kalm en rustig over praten, Ellinghem, maar toen we met je bezig waren was het vreeselijk; die spanning of je dood was of levend, dat was ontzettend.”„Maar hoe wist je of,” begon ik.„We keerden je nu en dan om,” viel Stenford in; „eindelijk zagen we je de oogleden even trillen. Juniper lei zijn hoofd tegen je aan en riep: „„Hij ademt.””„Ja, zoo is het gegaan,” zei Kien.„En weet je wat het gekst was,” hernam Stenford op peinzenden toon; „je zou denken dat de jongens nu zouden hebben gejuicht van pleizier, maar niemand zei een woord, en de lui die met je bezig waren geweest stonden gewoon te huilen. En Kitsjin had moeite zijn tranen in te houden; hij keerde zich naar Juniper en zei: „„Het spijt me dat ik straks tegen je vloekte, maar je hadt het niet moeten doen; je waagde je leven, beste kerel.”” En toen droegen we je naar huis.”„De lui zeiden d-dat je z-zoo z-zwaar was,” merkte Burns op.„Thuis werdt je dadelijk in een warm bad gestopt en toen werdt je naar bed gebracht.”„Nu weet je alles,” zei Kien; „ik wou alleen maar dat je me kon vertellen of de luchtdruk krachtig was in die tunnel.”„Was het geen vreeselijk gevoel?” vroeg Stenford.„Ja vreeselijk,” antwoordde ik.„Hoe staat het met onzen meerman?” hoorden we nu zeggen. We keken om en zagen Jim Juniper die ongemerkt was binnengekomen en glimlachend naderde. Zonder antwoord af te wachten op zijn vraag voegde hij er bij: „En Burns, jij hebt het heele geval zeker op rijm staan te vertellen is het niet?”Ik wilde hem nu danken voor hetgeen hij had gedaan. „Ik heb alles gehoord,” bracht ik stotterend uit, „en ik dank je hartelijk voor...”„Och, ik heb bijna niets kunnen doen,” viel Juniper me in de rede. „Ik kon alleen maar als ceremonie-meester optreden door jullie in de goede richting te duwen, waardoor de dappere meermannen het land konden bereiken. Aan wal is het toch maar het best, vindt je ook niet?”Ik gaf dit onmiddellijk toe.„Maar als Kitsjin zich geen Hercules had getoond, dan zou je nu zeker op den bodem van de zee liggen, waarde heer,” hernam hij.Op dit oogenblik keerde hij zich geheel naar mij en een andere uitdrukking verscheen in zijn oogen toen hij zei: „Ik moet je ronduit zeggen dat je gisteren bij het zwemmen een geduchte lastpost bent geweest.”„Ja, dat is zoo,” gaf ik toe, terwijl ik een kleur kreeg.„Het is niet mijn gewoonte om krachtige, gekruide taal te gebruiken zooals vriend Burns,” zei Juniper; „maar toch geloof ik ditmaal wel reden te hebben om je een geduchten lastpost te mogen noemen.”Ik beaamde dit wederom.„Wat voor plaats je zelf in de jongenswereld inneemt, dat weet ik nog niet,” hernam Juniper. „Maar wel weet ikdat ik het je hoogst kwalijk neem, dat we door jouw schuld bijna onzen Kitsjin kwijt zijn geweest, die wel tienmaal zooveel waard is als jij. Ik hoop dat je me wilt vergeven, dat ik dit ronduit zeg in je gezicht.”„Daarin heb je gelijk,” zei ik met nadruk.„Ik vond het mijn plicht, zie je, om je dit openlijk mede te deelen, omdat het hoogst onwaarschijnlijk is dat Kitsjin je zelf deze waarheden onder het oog zal brengen. Laat ik je ten slotte vertellen, waarde heer,” voegde hij er bij, terwijl hij zich met sierlijke gebaren in de richting begaf van de deur, „dat Kitsjin de beste vent is dien je ooit in dit tranendal zal ontmoeten.”Met een zwaai van zijn arm wuifde hij ons toe om afscheid te nemen en verdween. De andere drie werden door juffrouw Geebel weggejaagd, daar ze eigenlijk al veel te lang waren gebleven.Blijkbaar had ze het heele gesprek verstaan, want toen we wederom alleen waren zei ze:„Het zal me benieuwen of jij ooit weer in zee durft, al ben jij zeker niet voorbestemd om te verdrinken.”’s Middags kwam Bob me een bezoek brengen. Hij liep naar me toe en zei:„Ik ben hier al geweest, maar toen sliep je. Hoe is het met je?”„Heel goed,” antwoordde ik. „De dokter zegt dat ik morgen mag opstaan.”„Je bent dus weer beter?” vroeg Bob lachend.„Ja,” antwoordde ik. Ik kreeg een kleur en zei: „Bob, hoe zal ik ooit—”Hij ging vlak voor me staan en strekte de hand uit om mij het zwijgen op te leggen. „Ik begrijp wel wat je wilt zeggen, maar dat hoeft niet, kerel.”„O Bob,” riep ik uit, terwijl de tranen me over de wangen stroomden toen ik zijn hand greep, „je bent een kraan.”
Langzamerhand kwam ik tot het besef dat een lichtstraal door de duisternis heendrong, en vernam ik een verward rumoer van stemmen om mij heen. Toen gevoelde ik weer dat ik een lichaam had en dat lichaam begon me hoe langer hoe meer pijn te doen.
Ik besefte nu ook dat ik hard werd gestompt en gewreven, zoodat ik wel om genade had willen roepen, doch ik was niet bij machte een kreet te uiten. Het was als een nachtmerrie en het vreeselijkste was dat ik voelde dat het geen echte nachtmerrie was, maar dat er iets verschrikkelijks was gebeurd, hoewel ik niet kon begrijpen wat dit eigenlijk was geweest.
„Hij komt bij,” hoorde ik iemand zeggen in mijn onmiddellijke nabijheid.
Wat konden die woorden beduiden? Had ik een operatie ondergaan en was ik onder chloroform gebracht?
Het werd nu lichter om me heen en het klotsen van de zee en het gonzen van de stemmen drong al luider en luider tot me door. Toch besefte ik nog niet waar ik me bevond en wat er was gebeurd.
Plotseling flitste een gedachte door mijn hoofd. Ik had in zee gezwommen en was verdronken of bijna verdronken—en nu keerden de levensgeesten weder bij me terug.
„Hoe maakt Kitsjin het?” hoorde ik vragen.
Waarop de stem van Juniper antwoordde:
„Hij zit op en eet wat.”
„Wat—wat is er met Bob?” bracht ik met moeite uit.
„Hij is er weer bovenop,” zei iemand en na die geruststellende woorden dommelde ik weer in.
Toen ik opnieuw tot bewustzijn kwam lag ik in een bed en die gewaarwording was heerlijk. Ik strekte me zoo lang mogelijk uit en wierp een blik om me heen. Ik lag niet in mijn eigen kamertje maar in een net, eenvoudig vertrek met kale witte muren. De ramen stonden wijd open en koele frissche lucht stroomde naar binnen.
Nu zag ik een dikke juffrouw op me afkomen; later vernam ik dat ze Geebel heette. Glimlachend liep ze naar me toe, en toen ze me tot heel nabij was genaderd vroeg ik fluisterend: „Waar ben ik?”
„In het hospitaal,” antwoordde ze lachend met haar vriendelijke stem. „Gisteren ben je hier binnen gebracht.”
„Binnen gebracht,” herhaalde ik.
„Ja, je was half verdronken of drie kwart eigenlijk. En nat dat je was!” (Later heb ik gehoord dat mijn kleeren in de algemeene ontsteltenis in het water waren gerold.)
„Je kleeren hangen nu te drogen in het waschhuis,” ging ze voort; „’t is te hopen dat ze niet zullen krimpen, want dat doen ze gewoonlijk.”
Ik bedacht me dat mijn flanellen broek toch al wat krap zat en dit zei ik aan juffrouw Geebel.
„Dan zal je die niet meer aan kunnen,” merkte ze vroolijk op; „maar wat komt dat er eigenlijk op aan nu je het er levend hebt afgebracht. Lig je goed?” voegde ze er bij, „want je moet flink warm worden gehouden.”
Ik verklaarde dat ik bijna het kookpunt had bereikt.
„Goed dat je van koken praat,” hernam juffrouw Geebel, „want ik heb bouillon voor je opstaan.”
BRAVO BOB.BRAVO BOB.„Hij komt bij,” hoorde ik iemand zeggen. Bladz. 151.
BRAVO BOB.
„Hij komt bij,” hoorde ik iemand zeggen. Bladz. 151.
Ze verdween een oogenblik, waarna de glimlachende verschijning met een dampenden kop terugkeerde.
„Ga wat opzitten,” beval juffrouw Geebel, „maar sla dien doek eerst om je heen. Zoo; pas op dat je je niet brandt. Voorzichtig hoor!”
Ik volgde haar raadgevingen en begon te drinken, terwijl ik het goede mensch een verrukten blik toewierp over den rand van den kop.
„Smaakt het?” vroeg ze vriendelijk.
„Of het,” antwoordde ik.
„Langzaam aan, hoor,” zei ze nog eens. „Je hebt je maag te veel noodig om die te verbranden door te heet te drinken.”
Ik meende dit gezegde te kunnen beamen.
„Er zijn menschen die den boel maar inslikken en dan hebben ze er natuurlijk heelemaal geen nut van.”
Ik beloofde haar niet zoo roekeloos te zullen zijn.
„Zulke menschen worden nooit dik,”verklaarde ze ten slotte.
Zij behoefde me niet te vertellen dat zij niet tot die menschen behoorde, want zoo’n breede glimlach zou het hoofd van een mager persoon in zijn geheel al hebben omspand als de bandjes van een respirator.
Er werd nu op de deur getikt; juffrouw Geebel voerde een kort onderhoud met een of meer personen die ik niet kon zien. „Als jullie niet te lang blijft, komt dan maar even binnen,” hoorde ik haar eindelijk zeggen, waarop het drietal Kien, Stenford en Burns verscheen die om mijn bed gingen staan en me aangaapten of ik een nieuw voorwerp was, dat in een museum was aangeschaft en nu voor de eerste maal mocht worden bezichtigd.
„Een buitenkansje voor je Ellinghem!” begon Stenford, die het eerst de stilte verbrak.
„Vindt je dat,” zei ik, daar ik de rol van patiënt nog wat moest blijven spelen.
„Ja—geen schoolwerk heb je te maken, geen Kijkers, geen algebra voor Wilson, enz.—en lekker goedje krijg je te drinken! Wat is het?”
„Bouillon,” antwoordde ik.
„Die is alleen voor zieken,” riep juffrouw Geebel uit de verte.
„Ik zal er geen mond aan zetten,” zei Stenford. „Ik voor mij houd meer van vast voedsel.”
„Houdt je d-dan n-niet van s-sorbets?” viel Burns in.
„Och, jij met je sorbets,” zei Stenford. „Maar, Ellinghem, hoe is het nu met je?”
„Heel goed,” zei ik.
„Het s-scheelde anders m-maar een haar of j-je was verdronken,” verklaarde Burns.
Kien had tot dusver gezwegen, maar hij wierp me nu een ernstigen blik toe en vroeg: „Heb je iets gemerkt van den atmosferischen druk?”
„Bravo, Kien,” riep Stenford, die het nu uitschaterde; „schrijf zijn woorden op, kerel, want als ie er het hachje bij inschiet, dan zijn ze ten minste nog van nut voor de wetenschap.”
Ik begreep best dat mijn eigenzinnigheid alleen de schuld droeg van hetgeen was gebeurd. Ik gevoelde me dan ook diep beschaamd en eenigszins aarzelend vroeg ik: „Vertel jullie me ’s hoe het eigenlijk is gegaan.”
„Herinner je je den laatsten keer dat je dook?” vroeg Stenford.
„Ja,” zei ik.
„Zeg ’s,” viel Burns in, „je k-kan n-niets van duiken.”
„Dat weten we nu wel, Burns,” hernam Stenford; „dat hoef jij hier niet staan te vertellen.”
„Dat doet trouwens niets tot de zaak af,” zei ik tamelijk bits. „Vertel maar door.”
„Na die laatste duikeling was je heelemaal je kluts kwijt,” hernam Stenford.
„Dat is niet waar,” riep ik verontwaardigd.
„Het had er toch veel van, want je zwom den verkeerden kant uit.”
„En toen?” vroeg ik.
„Je dacht natuurlijk dat je terug zwom naar de plek waar je hadt gedoken, want toen Kitsjin tegen je stond te roepen, begon je nog harder uit te slaan.”
Ik vroeg me een oogenblik af, of ik hun alles zou vertellen.
„Maar je zag al gauw in dat je je had vergist,” hernam Stenford; „toen wilde je omkeeren, maar de stroom had je al te pakken en greep je zijdelings mee.”
„Dat herinner ik me,” zei ik.
„M-maar K-Kitsjin was al in het w-water g-gesprongen,” viel Burns in.
„Hij zwom zoo hard als ie kon,” zei Stenford; „hoorde je hem schreeuwen dat je op je rug moest gaan liggen?”
„Dat kan ik me niet meer herinneren,” antwoordde ik.
„Het was natuurlijk voor hem gemakkelijker om je er uit te halen, als je dreef.”
„H-hij was z-zeker b-bang dat je je aan hem z-zou v-vastklampen,” zei Burns.
„De stroom had je heelemaal te pakken en sleurde je mee tot onder de rots,” hernam Stenford, „en—”
Kien viel hem nu in de rede. „Wat voelde je?” vroeg hij ernstig. „Was de atmosferische druk krachtig? Was het een gewaarwording of—”
„Leuter toch niet kerel!” riep Stenford. „Hoe kon hij dat nu weten? Waar waren we gebleven?”
„Ik was meegesleurd tot onder de rots,” zei ik.
„O ja! Voor dien tijd hadt je al begrepen dat je er bij was, want je gilde moord en brand. Maar toen verdween je in de tunnel; geen steek was meer van je te zien, geen steek.”
„Maar K-Kitsjin zwom achter j-je aan,” zei Burns, die nu en dan ook een woordje wilde meepraten.
„De jongens stonden nu allemaal klaar om jullie de hand toe te steken als je weer boven kwam,” zei Stenford. „Het was een vreeselijk oogenblik toen we niets meer van jullie zagen, terwijl we wisten dat jullie daar ergens onder de rotsen moesten zijn.”
„T-toen s-sprong J-Juniper erin,” zei Burns.
„Ja,” hernam Stenford; „Jim had zijn kleeren uitgegooid en zwom van den anderen kant naar de tunnel toe. Kitsjin kwam nu te voorschijn.”
„W-wat zag d-die er akelig uit!” zei Burns.
„Ja, hij zag er ellendig uit!” verklaarde Stenford. „Hij was maar even boven gekomen om adem te scheppen terwijl hij water trapte.”
„Ik dacht dat hij iets tegen Jim riep.”
„Ja, dat deed hij ook; we gilden het nu allemaal uit, omdat we dachten dat hij je hadt kunnen grijpen, maar ineens hielden we onzen mond toen we zagen dat dit niet het geval was. Juniper was nu vlak bij hem, Bob schreeuwde hem toe: „„Terug, terug, de stroom!”” of iets dergelijks.”
„Ik geloof zelfs dat ie tegen Jim vloekte,” zei Kien.
„Kitsjin is een kraan,” zei Stenford, wien het moeite kostte zijn aandoening te bedwingen. „Hij wou niet dat iemand zou verdrinken om hem te redden.”
„M-maar Jim gr-greep zich v-vast aan het v-vooruitstekende g-gedeelte van de rots...” zei Burns.
„Dat wou ik je nu juist gaan vertellen,” zei Stenford. „Hij hield één hand gereed om die te kunnen toesteken zoodra Kitsjin weer te voorschijn kwam, want we hadden alle hoop opgegeven dat jij nog in leven was.”
Burns knikte met het roode hoofd om deze verklaring te beamen.
„Toen scheen een heele groote golf van de eene kom door de tunnel naar het andere bassin te stroomen. Kitsjin kwam nu te voorschijn die jou vasthield; in een oogwenkwas Juniper in het water; met één hand duwde hij, terwijl hij met de andere zwom.”
„Jullie dreef nog mee met de golf,” zei Kien.
„Toen jullie zoowat in het midden waren, begon het water terug te trekken,” zei Stenford; „dat was vreeselijk om te zien.”
„We zagen dat het jullie w-wilde meesleuren!” verklaarde Burns.
„Juniper was onvermoeid,” zei Stenford; „hij duwde uit al zijn macht en heel langzaam naderden jullie de plek waar wij stonden om te helpen.”
„Jij was n-net een l-lijk,” zei Burns.
„Je zag donkerblauw,” verklaarde Kien; „dat kwam omdat het bloed—”
„Scheid uit met je wijsheid, kerel!” riep Stenford; „anders kom ik nooit klaar met m’n verhaal—We dachten niet anders of je hadt al den laatsten adem uitgeblazen. Kitsjin viel flauw zoodra we hem naar boven hadden gesleurd. Juniper zei dat dit kwam door te groote inspanning van zijn hart.”
„We lieten hem liggen en begonnen te p-probeeren of w-we je n-nog bij konden krijgen,” zei Burns.
„Ja,” zei Stenford; „eerst moest je al het water kwijt raken dat je binnen hadt gekregen, en toen pasten we de kunstmatige ademhaling toe, je weet wel uit „Eerste Hulp bij Ongelukken”, en toen begonnen we je te wrijven en zoowat meer.”
„We w-wreven t-tot w-we niet m-meer konden,” zei Burns.
„Kitsjin was ook weer in orde—hij kon ten minste weer praten, al zag hij er nog ellendig uit. „Is hij goed?” vroeg hij. „Gek dat hij niet eens scheen te weten dat hij er je uit had gekregen. Hij kon zich al gauw weer overeind richten en zijn eerste vraag was hoe het met je was.”
„We hadden hem nog niet verteld dat we dachten dat je dood was,” zei Kien.
„We zeiden dat we ons best deden je bij te krijgen,” hernam Stenford, „en toen stond hij op; de jongens hadden hem afgedroogd en hem geholpen met wat kleeren aan te schieten; toen liep hij naar de plek waar jij lag; zoodra hij je zag riep hij: „Groote hemel,” en werd hij lijkwit.
„Probeer de andere manier, zei hij,” viel Kien in; „hoe die heet ben ik vergeten. We moesten je omdraaien en je rug wrijven; Juniper en hij deden hun uiterste best, maar Kitsjin moest uitscheiden omdat hij heelemaal op was.”
„Toen die andere methode ruim twintig minuten was toegepast begon je bij te komen,” verklaarde de wetenschappelijke Kien.
„Op die eerste manier zou het ook wel zijn gegaan,” hernam Stenford. „We kunnen er nu kalm en rustig over praten, Ellinghem, maar toen we met je bezig waren was het vreeselijk; die spanning of je dood was of levend, dat was ontzettend.”
„Maar hoe wist je of,” begon ik.
„We keerden je nu en dan om,” viel Stenford in; „eindelijk zagen we je de oogleden even trillen. Juniper lei zijn hoofd tegen je aan en riep: „„Hij ademt.””
„Ja, zoo is het gegaan,” zei Kien.
„En weet je wat het gekst was,” hernam Stenford op peinzenden toon; „je zou denken dat de jongens nu zouden hebben gejuicht van pleizier, maar niemand zei een woord, en de lui die met je bezig waren geweest stonden gewoon te huilen. En Kitsjin had moeite zijn tranen in te houden; hij keerde zich naar Juniper en zei: „„Het spijt me dat ik straks tegen je vloekte, maar je hadt het niet moeten doen; je waagde je leven, beste kerel.”” En toen droegen we je naar huis.”
„De lui zeiden d-dat je z-zoo z-zwaar was,” merkte Burns op.
„Thuis werdt je dadelijk in een warm bad gestopt en toen werdt je naar bed gebracht.”
„Nu weet je alles,” zei Kien; „ik wou alleen maar dat je me kon vertellen of de luchtdruk krachtig was in die tunnel.”
„Was het geen vreeselijk gevoel?” vroeg Stenford.
„Ja vreeselijk,” antwoordde ik.
„Hoe staat het met onzen meerman?” hoorden we nu zeggen. We keken om en zagen Jim Juniper die ongemerkt was binnengekomen en glimlachend naderde. Zonder antwoord af te wachten op zijn vraag voegde hij er bij: „En Burns, jij hebt het heele geval zeker op rijm staan te vertellen is het niet?”
Ik wilde hem nu danken voor hetgeen hij had gedaan. „Ik heb alles gehoord,” bracht ik stotterend uit, „en ik dank je hartelijk voor...”
„Och, ik heb bijna niets kunnen doen,” viel Juniper me in de rede. „Ik kon alleen maar als ceremonie-meester optreden door jullie in de goede richting te duwen, waardoor de dappere meermannen het land konden bereiken. Aan wal is het toch maar het best, vindt je ook niet?”
Ik gaf dit onmiddellijk toe.
„Maar als Kitsjin zich geen Hercules had getoond, dan zou je nu zeker op den bodem van de zee liggen, waarde heer,” hernam hij.
Op dit oogenblik keerde hij zich geheel naar mij en een andere uitdrukking verscheen in zijn oogen toen hij zei: „Ik moet je ronduit zeggen dat je gisteren bij het zwemmen een geduchte lastpost bent geweest.”
„Ja, dat is zoo,” gaf ik toe, terwijl ik een kleur kreeg.
„Het is niet mijn gewoonte om krachtige, gekruide taal te gebruiken zooals vriend Burns,” zei Juniper; „maar toch geloof ik ditmaal wel reden te hebben om je een geduchten lastpost te mogen noemen.”
Ik beaamde dit wederom.
„Wat voor plaats je zelf in de jongenswereld inneemt, dat weet ik nog niet,” hernam Juniper. „Maar wel weet ikdat ik het je hoogst kwalijk neem, dat we door jouw schuld bijna onzen Kitsjin kwijt zijn geweest, die wel tienmaal zooveel waard is als jij. Ik hoop dat je me wilt vergeven, dat ik dit ronduit zeg in je gezicht.”
„Daarin heb je gelijk,” zei ik met nadruk.
„Ik vond het mijn plicht, zie je, om je dit openlijk mede te deelen, omdat het hoogst onwaarschijnlijk is dat Kitsjin je zelf deze waarheden onder het oog zal brengen. Laat ik je ten slotte vertellen, waarde heer,” voegde hij er bij, terwijl hij zich met sierlijke gebaren in de richting begaf van de deur, „dat Kitsjin de beste vent is dien je ooit in dit tranendal zal ontmoeten.”
Met een zwaai van zijn arm wuifde hij ons toe om afscheid te nemen en verdween. De andere drie werden door juffrouw Geebel weggejaagd, daar ze eigenlijk al veel te lang waren gebleven.
Blijkbaar had ze het heele gesprek verstaan, want toen we wederom alleen waren zei ze:
„Het zal me benieuwen of jij ooit weer in zee durft, al ben jij zeker niet voorbestemd om te verdrinken.”
’s Middags kwam Bob me een bezoek brengen. Hij liep naar me toe en zei:
„Ik ben hier al geweest, maar toen sliep je. Hoe is het met je?”
„Heel goed,” antwoordde ik. „De dokter zegt dat ik morgen mag opstaan.”
„Je bent dus weer beter?” vroeg Bob lachend.
„Ja,” antwoordde ik. Ik kreeg een kleur en zei: „Bob, hoe zal ik ooit—”
Hij ging vlak voor me staan en strekte de hand uit om mij het zwijgen op te leggen. „Ik begrijp wel wat je wilt zeggen, maar dat hoeft niet, kerel.”
„O Bob,” riep ik uit, terwijl de tranen me over de wangen stroomden toen ik zijn hand greep, „je bent een kraan.”