HOOFDSTUK XVI.DE TOREN.We wierpen haastig een blik om ons heen en toen doken onze hoofden gelijktijdig naar het gat om Burns toe te roepen dat hij bij ons moest komen. Van onzen vriend werden we niets gewaar dan het roode hoofd dat naar ons werd opgeheven.„Burns, ’t is hier dol leuk,” riep Stenford; „kom dan toch, jongen!”„Heusch?” vroeg Burns aarzelend. „Maar kan de l-ladder m-me w-wel houden?”„Gerust; zeker wel vijftig van jouw soort kunnen er bij!” riep Stenford terug.„Houd z-ze d-dan bovenaan beet,” zei Burns.Weldra zagen we zijn vollemaansgezicht in onze nabijheid; Stenford en ik grepen hem ieder bij een arm en trokken hem door het open luik.„Allemenschen,” riep Stenford hijgend; „als je nog een paar centimeter grooter omvang hadt, dan zouden we het ’m niet kunnen leveren.”Nu hij die paar centimeter er nog niet bij had, slaagden we erin om hem naar boven te hijschen; een stuk of wat knoopen bleven in den strijd; verder kreeg hij echter geen ongeval.„We moeten niet heelemaal recht staan,” riep Stenford, „want we mogen niet worden gezien.”Om den vierkanten toren was een hooge flinke borstwering in het rond aangebracht, zoodat we ons „uitstekend verdekt” konden opstellen, zooals Stenford het uitdrukte. We gingen op onze hurken zitten ieder voor een verschillend kijkgat en tuurden in de diepte.„Laat dien rooden bol van jou niet boven de borstwering uitpiepen,” zei Stenford, „want anders zouden de menschen nog denken dat de kerk in brand stond. Zeg, vinden jullie het hier niet moppig?”„Moppig en winderig,” antwoordde ik. „Zorg maar dat je pet op het hoofd blijft staan.”„Wat kan je hier een massa zien,” hernam Stenford. „Maar kijk nu uit naar Sjarp!”Het was goed dat hij ons hieraan herinnerde, want aan Sjarp en zijn briefkaarten hadden we eigenlijk niet meer gedacht; we zagen nu oplettend alle richtingen uit, overtuigd dat we hem moesten ontdekken als hij zich hier in den omtrek bevond.Stenford hield den kijker voortdurend voor de oogen.„Zie je ’m?” vroegen we telkens.„Nee, nog niet,” antwoordde hij dan, terwijl hij den kijker wederom naar een anderen kant richtte.„Van zoo’n hoogte zou hij zeker niet grooter dan een vlieg lijken,” merkte ik op. „Kijk maar ’s naar dien man die nu door de dorpsstraat loopt.”„M-moest hij hier d-die briefkaart op de bus d-doen?” vroeg Burns plotseling.„Weet niet,” antwoordde Stenford die nog altijd den kijker voor de oogen hield.„O, ik dacht dat je zeker wist dat dit het dorp was,” zei ik.„Er is daar ook een dorp, en iets verder is er ook een, en daar zie ik ook een kerktoren,” antwoordde Stenford. „Kijk zelf maar ’s!”Burns en ik hielden het ding beurtelings voor de oogenen moesten bekennen dat van Sjarp geen spoor was te zien.„Maar waar zijn we toch eigenlijk?” vroeg ik.Burns bleek toch een kaart bij zich te hebben; we spreidden die plat uit op het dak en begonnen ze te bestudeeren.„Je braadpan,” beval Stenford, waarop Burns het kompas te voorschijn haalde; na het flink te hebben heen en weer geschud lei hij het ding op de kaart.„Ik denk dat we hier zijn,” zei Stenford die een punt met den vinger aanwees. „Hier ligt een dorp en hier staat een kruis, waarmee ze de plaats aangeven van een kerk.”„En de zee dan?” vroeg ik. „Die is toch aan dien kant.” Ik lichtte het hoofd op en tuurde door het kijkgat. „Vanhier kan ik de zee duidelijk onderscheiden, maar volgens de kaart ligt ze juist aan den anderen kant.”„En d-dit dorp l-ligt wel t-tien kilometer v-van St. Martin af,” merkte Burns op; „we z-zullen n-nooit op t-tijd thuis z-zijn.”„’t Is te hopen van wel,” mompelde Stenford.We begonnen nu allerlei dorpen aan te wijzen, waar we ons konden bevinden volgens onze berekening; alleen die te ver waren afgelegen kwamen niet in aanmerking.Eigenlijk vond ik dit zoeken in den blinde een rare manier.„En als we te ver zijn gegaan en niet op tijd thuis komen wat dan?” vroeg ik.„Geen sprake van!” riep Stenford. „We zijn pas op weg. Trouwens hebben we op Zaterdag extra verlof.”„K-Kijkers heeft gezegd dat we dit n-niet meer z-zouden, krijgen,” merkte Burns op.„Kijkers is niet wijs!” zei Stenford, die de zaak hiermede als afgedaan beschouwde.„Gek dat we geen van de anderen hebben gezien,” merkte ik op;„die zijn zeker allemaal den anderen kant uit.”„Of we ze zien of niet zien, ik vind het hier wat leuk,” verklaarde Stenford.We stemden hiermede in. Ons geweten stelden we gerust door nu en dan een blik te werpen door de kijkgaten van de borstwering in de hoop den onzichtbaren Sjarp in het oog te krijgen, doch het grootste gedeelte van den tijd brachten we door met lui uitgestrekt te liggen op het zinken dak dat door de namiddagzon werd bestraald en warm werd gestoofd.„Jammer dat Kien er niet bij is,” zei ik, daar ik medelijden gevoelde met den armen stakker die met dat heerlijke weer aan zijn strafwerk zat te pennen.„Wees maar blij dat ie niet hier is,” antwoordde Stenford slaperig. „De vent zou anders zeker de wetten van de zwaartekracht op je willen beproeven en je over den rand van den toren gooien om te zien hoe lang het duurt voor je op den grond bent beland; misschien zou onze goede dikke Burns er ook aan moeten gelooven omdat hij het hoogst belangrijk zou vinden om de vermeerdering van snelheid te bepalen tusschen de eerste en de tweede sekonde van den val.”„B-best mogelijk,” zei Burns lachend; de gedachte alleen maakte hem wat huiverig en daarom schoof hij wat meer naar het midden toe.„In een paar sekonden zijn we weer beneden,” merkte Stenford op.„Ja,” zei ik, terwijl ik wederom den kijker nam, in de hoop Sjarp ditmaal gewaar te worden.„Zie je hem?” vroeg Stenford onverschillig.„Nee,” antwoordde ik; „’k zie niets en het dorp ligt als verlaten. Een stuk of wat kippen die buiten loopen; dat is alles.„Ze schijnen het zich in deze streek niet druk te maken!” merkte Stenford op, die zich in een gemakkelijke houding uitstrekte. „Hebben jullie ook zoo’n trek in chocola?”„Of wat het maar is,” zei Burns. „Ik k-krijg z-zoo’n honger.”„De zon gaat onder,” merkte ik op. Ik begreep dat hetniet vroeg meer kon zijn. Wij hadden geen van drieën een horloge meer bij ons; wel hadden we naar het slaan van de klok gehoord, doch het was eigenlijk niet tot ons doorgedrongen welk uur ze aangaf. In mijn gevoel lagen we al een heelen tijd op het dak. Stenford was ingeslapen. De zon was nu heelemaal onder en het begon harder te waaien, zoodat we het koud kregen. De klok liet drie slagen hooren.„Kwartier voor vijf,” zei Stenford die zich nu half oprichtte en geeuwde. „Hoe zouden jullie het vinden als we over een kwartier opstapten?”„Best,” zei ik. „Zouden we Sjarp nog te zien krijgen?”„Geen denken aan,” antwoordde hij. „’t Is mogelijk dat we ’m snappen voordat ie thuis komt. We zullen naar hem blijven uitkijken. ’t Zou wel leuk zijn als het nog lukte.”Burns en ik waren dit met hem eens. De duisternis begon te vallen.„Niemand zal ons nu toch in de gaten krijgen,” zei ik, terwijl ik opstond en heen en weer ging loopen langs de borstwering. Burns stak de braadpan in den zak en vouwde zijn kaart op.„Weet je den kortsten weg naar huis?” vroeg ik.Stenford stiet een brommend geluid uit wat zooveel als „ja” moest beteekenen. Hij moest zijn best doen om zijn geeuwen in te houden. „Ik geloof dat het nu tijd is om te gaan,” zei hij. „Wat was het hier leuk, hè! Vooruit, jongelui, nu naar beneden. Wie het eerst?”„Ik,” riep Burns, die onmiddellijk de beenen door het luik stak.„Laat je handen niet los, voor je de voeten op een sport hebt,” riep ik hem toe.„N-nee, z-zoo wijs ben ik!” antwoordde Burns hijgend die zich nu krampachtig aan den rand vastgreep terwijl zijn lichaam langzamerhand in de diepte verdween. Weldra zagen we niets meer van hem dan het roode sproetige gezicht waarop nu een kalm-gelukkige uitdrukking verscheen.„Ben je d’r?” vroeg ik.„Ja,” stiet hij hijgend uit, „maar het is l-lastig voor je d-die eerste sport h-hebt. K-kom niet te gauw achter me aan!”„Wees maar niet bang,” stelde Stenford hem gerust. „O, daar slaat de klok weer.”Langzaam werden de kwartieren aangegeven.„De l-ladder t-trilt ervan,” verklaarde Burns op angstigen toon. „Laten we even wachten tot het uur is geslagen. Die groote klok maakt zoo’n heisa.”Boem klonk het en we begonnen allen tegelijk de slagen te tellen: Een—twee—drie—vier—vijf—we dachten dat het toen uit was, maar de klok liet nog een slag hooren.„Zes uur!” riep Stenford. „Het is een uur later dan ik dacht. Maar die klok is misschien gek. Anders konden we er wel ’s leelijk tegen aanloopen!—Vooruit, Burns! Kerel, wat ben je toch langzaam uitgevallen!”Na dit verwijt was Burns in een oogwenk verdwenen. Stenford volgde hem zoo gauw dat het wel leek of hij door den ander met een touw naar omlaag werd getrokken. Ik hoorde hun laarzen op de sporten kletteren en ik vernam den kreet dien Burns slaakte toen Stenford hem onder aan de ladder had ingehaald en op hem had getrapt.Een oogenblik later stond ik naast hen. Stenford ging ditmaal voorop en daalde de tweede ladder af met de snelheid van een acrobaat. Burns volgde blazend en hijgend.„N-niet te gauw,” riep hij me toe.Toen ik de klokkekamer had bereikt zag ik in het schemerlicht nog juist het hoofd van Stenford die de wenteltrap reeds afdaalde.„Stenford, luister ’s,” riep ik.„Wat is er?” vroeg hij wrevelig.„We hebben het luik open gelaten.”„Wat zou dat?” riep hij. „Wat kan ons dat luik schelen!”„Het zou toch misschien beter zijn geweest als...” begon ik.„Zou je het alleen kunnen?”„Misschien.”„Best; dan zullen wij beneden op je wachten,” riep hij me toe.Ik rende wederom de ladders op; twee gedachten joegen me angst aan. Ten eerste was ik bang dat ik het luik niet in mijn eentje zou kunnen sluiten, en dan, en dan, maar die gedachte was zoo vreeselijk dat ik er niet bij durfde stilstaan.Ik moest wederom op het dak klauteren en mijn krachten beproeven met dat zware monster, dat me nu wederom een vijand toescheen die uit alle macht weerstand bood. Na een gevecht van man tegen man kreeg ik het recht overeind waarna ik eronder kroop en het toen langzaam liet zakken.Dit zakken ging echter plotseling met zoo’n vaart dat ik langs de ladder werd geduwd en tusschen de klokketouwen terecht kwam voordat ik eigenlijk wist wat er met me gebeurde. Het luik was met zoo’n kracht op mijn hoofd terecht gekomen hoe ik ook had gedoken om den slag te vermijden, dat ik een oogenblik als versuft was. Toen ik de klokkekamer had bereikt, had ik een gevoel dat ik mijn heele leven niets meer met luiken wilde te maken hebben.Ik vond den weg in het donker naar de wenteltrap. Straks toen het nog klaarlichten dag was, was het hier al donker genoeg, maar nu heerschte volslagen duisternis in de kerk, die zich als een zwarte ruimte voor me uitstrekte; ik gooide een schop om die een zinken emmer omver wierp. De echo weergalmde nog door het gebouw toen ik tusschen de kerkbanken sloop in de richting van de deur.Ja, Stenford en Burns hadden woord gehouden en stonden op me te wachten. Ik rende tegen hen aan in het donker.„Zeg, hoe vindt je nu zoo iets?” zei Stenford fluisterend. „De deur zit op slot.”Ik had hier een voorgevoel van gehad. Dat was de gedachte die me zulk een angst had aangejaagd.Stenford liet het voorkomen of hij het geval tamelijk luchtig opvatte, doch het was duidelijk merkbaar dat hij er geducht mee in zat.„Op slot?” vroeg ik.„Ja; dat oude mensch is naar huis; we zitten nu gevangen.” Ik ruggelde natuurlijk aan de deur om me van de waarheid te overtuigen. Dat doet iedereen die voor een deur komt te staan en als hem wordt verteld dat die op slot zit.„Laat dat maar gerust,” zei Stenford wrevelig. „Denk je soms dat wij er niet aan hebben staan morrelen?”„Ja, w-wij hebben het z-zeker wel t-tienmaal geprobeerd,” beaamde Burns.De deur zat op slot. Ik draaide aan de kruk en duwde en trok, doch tevergeefs.„Ben je nu overtuigd?” vroeg Stenford.„Dan moeten we er op een andere manier zien uit te komen,” antwoordde ik.„Hoe dan?”„Door het raam.”„Kan niet. Kijk maar.”De vensters konden ons niet helpen. We liepen met ons drieën het geheele gebouw door; we speurden in alle hoeken en gaten en probeerden nog of twee andere deuren ook op slot zaten. De ramen waren smal en voorzien van ijzeren traliewerk; van boven waren kleine openingen aangebracht voor toevoer van versche lucht. De kleine zijdeuren schenen nog vaster op slot te zitten dan de hoofddeur.Toen we het vruchtelooze van onze pogingen inzagen, gingen we naast elkaar in een bank zitten alsof we naar een preek gingen luisteren. Een minuut of wat bleven we zwijgen.„We zijn er bij,” zei Stenford. „Wat zou er voor ons op zitten?”Ik was nog te weinig op de hoogte van de toestanden op St. Martin om deze vraag te kunnen beantwoorden.„Van K-Kijkers z-zullen we w-wel op ons ge-gezicht k-krijgen,” zei Burns.„Maak je maar niet druk over Kijkers,” zei Stenford ongeduldig. „Ik wou dat ik den man weer zag. De vraag is alleen; hoe zullen we hier vandaan komen?”„Zou iemand de kerk binnen gaan om de kachel aan te maken of zoo iets,” merkte ik op.„Ze stoken nog niet,” antwoordde Stenford; „voor morgenochtend zal hier wel niemand verschijnen.”„Ik kan me niet begrijpen wanneer dat oude mensch is weggegaan,” hernam ik, „we hadden haar toch vanaf den toren moeten zien.”„Het doet er weinig toe wanneer ze is weggegaan,” antwoordde Stenford op bitteren toon. „Ze is weg en daarmee uit. Ze ging er zeker vandoor toen we met dat ongelukkige luik bezig waren. ’k Wed dat ze toen heel kalm naar huis is getrokken om haar kopje thee te drinken; dat doen die oude vrouwen altijd,” voegde hij er nijdig bij, alsof het mensch zich hoogst onbetamelijk tegenover ons had gedragen.„’k Heb z-zelf z-zoo’n trek in thee,” verklaarde Burns.„Wat zullen we doen?” vroeg Stenford die opstond. „We kunnen onzen tijd hier niet zitten te verleuteren.”„We moeten de menschen in het dorp waarschuwen,” zei ik; „ten minste als zij mogen weten dat we hier zijn.”„Dat mogen ze, als wij daardoor eruit kunnen komen.”„M-maar hoe?” vroeg Burns.„We kunnen op den toren gaan staan schreeuwen,” antwoordde ik.„Vooruit dan,” riep Stenford; „als we ons niet haasten, zijn de lui misschien naar bed.”Wederom ging het naar boven langs de wenteltrap en door de klokkekamer en langs de eerste ladder; in hetdonker leken de klokken nog reusachtiger dan straks.„Heb je het luik dicht gekregen?” vroeg Stenford.„Ja; een lastig karweitje.”„Jammer,” zei hij.Ik was dit met hem eens, want ik voelde nog den slag op mijn hoofd.We trokken opnieuw aan het werk en na eenigen tijd stonden we wederom op het dak; we keken in de richting van het dorp waar de lichten hier en daar werden ontstoken. Aan den hemel verschenen reeds sterren; de wind die nu hevig kwam opsteken woei met rukken tegen ons aan.
HOOFDSTUK XVI.DE TOREN.We wierpen haastig een blik om ons heen en toen doken onze hoofden gelijktijdig naar het gat om Burns toe te roepen dat hij bij ons moest komen. Van onzen vriend werden we niets gewaar dan het roode hoofd dat naar ons werd opgeheven.„Burns, ’t is hier dol leuk,” riep Stenford; „kom dan toch, jongen!”„Heusch?” vroeg Burns aarzelend. „Maar kan de l-ladder m-me w-wel houden?”„Gerust; zeker wel vijftig van jouw soort kunnen er bij!” riep Stenford terug.„Houd z-ze d-dan bovenaan beet,” zei Burns.Weldra zagen we zijn vollemaansgezicht in onze nabijheid; Stenford en ik grepen hem ieder bij een arm en trokken hem door het open luik.„Allemenschen,” riep Stenford hijgend; „als je nog een paar centimeter grooter omvang hadt, dan zouden we het ’m niet kunnen leveren.”Nu hij die paar centimeter er nog niet bij had, slaagden we erin om hem naar boven te hijschen; een stuk of wat knoopen bleven in den strijd; verder kreeg hij echter geen ongeval.„We moeten niet heelemaal recht staan,” riep Stenford, „want we mogen niet worden gezien.”Om den vierkanten toren was een hooge flinke borstwering in het rond aangebracht, zoodat we ons „uitstekend verdekt” konden opstellen, zooals Stenford het uitdrukte. We gingen op onze hurken zitten ieder voor een verschillend kijkgat en tuurden in de diepte.„Laat dien rooden bol van jou niet boven de borstwering uitpiepen,” zei Stenford, „want anders zouden de menschen nog denken dat de kerk in brand stond. Zeg, vinden jullie het hier niet moppig?”„Moppig en winderig,” antwoordde ik. „Zorg maar dat je pet op het hoofd blijft staan.”„Wat kan je hier een massa zien,” hernam Stenford. „Maar kijk nu uit naar Sjarp!”Het was goed dat hij ons hieraan herinnerde, want aan Sjarp en zijn briefkaarten hadden we eigenlijk niet meer gedacht; we zagen nu oplettend alle richtingen uit, overtuigd dat we hem moesten ontdekken als hij zich hier in den omtrek bevond.Stenford hield den kijker voortdurend voor de oogen.„Zie je ’m?” vroegen we telkens.„Nee, nog niet,” antwoordde hij dan, terwijl hij den kijker wederom naar een anderen kant richtte.„Van zoo’n hoogte zou hij zeker niet grooter dan een vlieg lijken,” merkte ik op. „Kijk maar ’s naar dien man die nu door de dorpsstraat loopt.”„M-moest hij hier d-die briefkaart op de bus d-doen?” vroeg Burns plotseling.„Weet niet,” antwoordde Stenford die nog altijd den kijker voor de oogen hield.„O, ik dacht dat je zeker wist dat dit het dorp was,” zei ik.„Er is daar ook een dorp, en iets verder is er ook een, en daar zie ik ook een kerktoren,” antwoordde Stenford. „Kijk zelf maar ’s!”Burns en ik hielden het ding beurtelings voor de oogenen moesten bekennen dat van Sjarp geen spoor was te zien.„Maar waar zijn we toch eigenlijk?” vroeg ik.Burns bleek toch een kaart bij zich te hebben; we spreidden die plat uit op het dak en begonnen ze te bestudeeren.„Je braadpan,” beval Stenford, waarop Burns het kompas te voorschijn haalde; na het flink te hebben heen en weer geschud lei hij het ding op de kaart.„Ik denk dat we hier zijn,” zei Stenford die een punt met den vinger aanwees. „Hier ligt een dorp en hier staat een kruis, waarmee ze de plaats aangeven van een kerk.”„En de zee dan?” vroeg ik. „Die is toch aan dien kant.” Ik lichtte het hoofd op en tuurde door het kijkgat. „Vanhier kan ik de zee duidelijk onderscheiden, maar volgens de kaart ligt ze juist aan den anderen kant.”„En d-dit dorp l-ligt wel t-tien kilometer v-van St. Martin af,” merkte Burns op; „we z-zullen n-nooit op t-tijd thuis z-zijn.”„’t Is te hopen van wel,” mompelde Stenford.We begonnen nu allerlei dorpen aan te wijzen, waar we ons konden bevinden volgens onze berekening; alleen die te ver waren afgelegen kwamen niet in aanmerking.Eigenlijk vond ik dit zoeken in den blinde een rare manier.„En als we te ver zijn gegaan en niet op tijd thuis komen wat dan?” vroeg ik.„Geen sprake van!” riep Stenford. „We zijn pas op weg. Trouwens hebben we op Zaterdag extra verlof.”„K-Kijkers heeft gezegd dat we dit n-niet meer z-zouden, krijgen,” merkte Burns op.„Kijkers is niet wijs!” zei Stenford, die de zaak hiermede als afgedaan beschouwde.„Gek dat we geen van de anderen hebben gezien,” merkte ik op;„die zijn zeker allemaal den anderen kant uit.”„Of we ze zien of niet zien, ik vind het hier wat leuk,” verklaarde Stenford.We stemden hiermede in. Ons geweten stelden we gerust door nu en dan een blik te werpen door de kijkgaten van de borstwering in de hoop den onzichtbaren Sjarp in het oog te krijgen, doch het grootste gedeelte van den tijd brachten we door met lui uitgestrekt te liggen op het zinken dak dat door de namiddagzon werd bestraald en warm werd gestoofd.„Jammer dat Kien er niet bij is,” zei ik, daar ik medelijden gevoelde met den armen stakker die met dat heerlijke weer aan zijn strafwerk zat te pennen.„Wees maar blij dat ie niet hier is,” antwoordde Stenford slaperig. „De vent zou anders zeker de wetten van de zwaartekracht op je willen beproeven en je over den rand van den toren gooien om te zien hoe lang het duurt voor je op den grond bent beland; misschien zou onze goede dikke Burns er ook aan moeten gelooven omdat hij het hoogst belangrijk zou vinden om de vermeerdering van snelheid te bepalen tusschen de eerste en de tweede sekonde van den val.”„B-best mogelijk,” zei Burns lachend; de gedachte alleen maakte hem wat huiverig en daarom schoof hij wat meer naar het midden toe.„In een paar sekonden zijn we weer beneden,” merkte Stenford op.„Ja,” zei ik, terwijl ik wederom den kijker nam, in de hoop Sjarp ditmaal gewaar te worden.„Zie je hem?” vroeg Stenford onverschillig.„Nee,” antwoordde ik; „’k zie niets en het dorp ligt als verlaten. Een stuk of wat kippen die buiten loopen; dat is alles.„Ze schijnen het zich in deze streek niet druk te maken!” merkte Stenford op, die zich in een gemakkelijke houding uitstrekte. „Hebben jullie ook zoo’n trek in chocola?”„Of wat het maar is,” zei Burns. „Ik k-krijg z-zoo’n honger.”„De zon gaat onder,” merkte ik op. Ik begreep dat hetniet vroeg meer kon zijn. Wij hadden geen van drieën een horloge meer bij ons; wel hadden we naar het slaan van de klok gehoord, doch het was eigenlijk niet tot ons doorgedrongen welk uur ze aangaf. In mijn gevoel lagen we al een heelen tijd op het dak. Stenford was ingeslapen. De zon was nu heelemaal onder en het begon harder te waaien, zoodat we het koud kregen. De klok liet drie slagen hooren.„Kwartier voor vijf,” zei Stenford die zich nu half oprichtte en geeuwde. „Hoe zouden jullie het vinden als we over een kwartier opstapten?”„Best,” zei ik. „Zouden we Sjarp nog te zien krijgen?”„Geen denken aan,” antwoordde hij. „’t Is mogelijk dat we ’m snappen voordat ie thuis komt. We zullen naar hem blijven uitkijken. ’t Zou wel leuk zijn als het nog lukte.”Burns en ik waren dit met hem eens. De duisternis begon te vallen.„Niemand zal ons nu toch in de gaten krijgen,” zei ik, terwijl ik opstond en heen en weer ging loopen langs de borstwering. Burns stak de braadpan in den zak en vouwde zijn kaart op.„Weet je den kortsten weg naar huis?” vroeg ik.Stenford stiet een brommend geluid uit wat zooveel als „ja” moest beteekenen. Hij moest zijn best doen om zijn geeuwen in te houden. „Ik geloof dat het nu tijd is om te gaan,” zei hij. „Wat was het hier leuk, hè! Vooruit, jongelui, nu naar beneden. Wie het eerst?”„Ik,” riep Burns, die onmiddellijk de beenen door het luik stak.„Laat je handen niet los, voor je de voeten op een sport hebt,” riep ik hem toe.„N-nee, z-zoo wijs ben ik!” antwoordde Burns hijgend die zich nu krampachtig aan den rand vastgreep terwijl zijn lichaam langzamerhand in de diepte verdween. Weldra zagen we niets meer van hem dan het roode sproetige gezicht waarop nu een kalm-gelukkige uitdrukking verscheen.„Ben je d’r?” vroeg ik.„Ja,” stiet hij hijgend uit, „maar het is l-lastig voor je d-die eerste sport h-hebt. K-kom niet te gauw achter me aan!”„Wees maar niet bang,” stelde Stenford hem gerust. „O, daar slaat de klok weer.”Langzaam werden de kwartieren aangegeven.„De l-ladder t-trilt ervan,” verklaarde Burns op angstigen toon. „Laten we even wachten tot het uur is geslagen. Die groote klok maakt zoo’n heisa.”Boem klonk het en we begonnen allen tegelijk de slagen te tellen: Een—twee—drie—vier—vijf—we dachten dat het toen uit was, maar de klok liet nog een slag hooren.„Zes uur!” riep Stenford. „Het is een uur later dan ik dacht. Maar die klok is misschien gek. Anders konden we er wel ’s leelijk tegen aanloopen!—Vooruit, Burns! Kerel, wat ben je toch langzaam uitgevallen!”Na dit verwijt was Burns in een oogwenk verdwenen. Stenford volgde hem zoo gauw dat het wel leek of hij door den ander met een touw naar omlaag werd getrokken. Ik hoorde hun laarzen op de sporten kletteren en ik vernam den kreet dien Burns slaakte toen Stenford hem onder aan de ladder had ingehaald en op hem had getrapt.Een oogenblik later stond ik naast hen. Stenford ging ditmaal voorop en daalde de tweede ladder af met de snelheid van een acrobaat. Burns volgde blazend en hijgend.„N-niet te gauw,” riep hij me toe.Toen ik de klokkekamer had bereikt zag ik in het schemerlicht nog juist het hoofd van Stenford die de wenteltrap reeds afdaalde.„Stenford, luister ’s,” riep ik.„Wat is er?” vroeg hij wrevelig.„We hebben het luik open gelaten.”„Wat zou dat?” riep hij. „Wat kan ons dat luik schelen!”„Het zou toch misschien beter zijn geweest als...” begon ik.„Zou je het alleen kunnen?”„Misschien.”„Best; dan zullen wij beneden op je wachten,” riep hij me toe.Ik rende wederom de ladders op; twee gedachten joegen me angst aan. Ten eerste was ik bang dat ik het luik niet in mijn eentje zou kunnen sluiten, en dan, en dan, maar die gedachte was zoo vreeselijk dat ik er niet bij durfde stilstaan.Ik moest wederom op het dak klauteren en mijn krachten beproeven met dat zware monster, dat me nu wederom een vijand toescheen die uit alle macht weerstand bood. Na een gevecht van man tegen man kreeg ik het recht overeind waarna ik eronder kroop en het toen langzaam liet zakken.Dit zakken ging echter plotseling met zoo’n vaart dat ik langs de ladder werd geduwd en tusschen de klokketouwen terecht kwam voordat ik eigenlijk wist wat er met me gebeurde. Het luik was met zoo’n kracht op mijn hoofd terecht gekomen hoe ik ook had gedoken om den slag te vermijden, dat ik een oogenblik als versuft was. Toen ik de klokkekamer had bereikt, had ik een gevoel dat ik mijn heele leven niets meer met luiken wilde te maken hebben.Ik vond den weg in het donker naar de wenteltrap. Straks toen het nog klaarlichten dag was, was het hier al donker genoeg, maar nu heerschte volslagen duisternis in de kerk, die zich als een zwarte ruimte voor me uitstrekte; ik gooide een schop om die een zinken emmer omver wierp. De echo weergalmde nog door het gebouw toen ik tusschen de kerkbanken sloop in de richting van de deur.Ja, Stenford en Burns hadden woord gehouden en stonden op me te wachten. Ik rende tegen hen aan in het donker.„Zeg, hoe vindt je nu zoo iets?” zei Stenford fluisterend. „De deur zit op slot.”Ik had hier een voorgevoel van gehad. Dat was de gedachte die me zulk een angst had aangejaagd.Stenford liet het voorkomen of hij het geval tamelijk luchtig opvatte, doch het was duidelijk merkbaar dat hij er geducht mee in zat.„Op slot?” vroeg ik.„Ja; dat oude mensch is naar huis; we zitten nu gevangen.” Ik ruggelde natuurlijk aan de deur om me van de waarheid te overtuigen. Dat doet iedereen die voor een deur komt te staan en als hem wordt verteld dat die op slot zit.„Laat dat maar gerust,” zei Stenford wrevelig. „Denk je soms dat wij er niet aan hebben staan morrelen?”„Ja, w-wij hebben het z-zeker wel t-tienmaal geprobeerd,” beaamde Burns.De deur zat op slot. Ik draaide aan de kruk en duwde en trok, doch tevergeefs.„Ben je nu overtuigd?” vroeg Stenford.„Dan moeten we er op een andere manier zien uit te komen,” antwoordde ik.„Hoe dan?”„Door het raam.”„Kan niet. Kijk maar.”De vensters konden ons niet helpen. We liepen met ons drieën het geheele gebouw door; we speurden in alle hoeken en gaten en probeerden nog of twee andere deuren ook op slot zaten. De ramen waren smal en voorzien van ijzeren traliewerk; van boven waren kleine openingen aangebracht voor toevoer van versche lucht. De kleine zijdeuren schenen nog vaster op slot te zitten dan de hoofddeur.Toen we het vruchtelooze van onze pogingen inzagen, gingen we naast elkaar in een bank zitten alsof we naar een preek gingen luisteren. Een minuut of wat bleven we zwijgen.„We zijn er bij,” zei Stenford. „Wat zou er voor ons op zitten?”Ik was nog te weinig op de hoogte van de toestanden op St. Martin om deze vraag te kunnen beantwoorden.„Van K-Kijkers z-zullen we w-wel op ons ge-gezicht k-krijgen,” zei Burns.„Maak je maar niet druk over Kijkers,” zei Stenford ongeduldig. „Ik wou dat ik den man weer zag. De vraag is alleen; hoe zullen we hier vandaan komen?”„Zou iemand de kerk binnen gaan om de kachel aan te maken of zoo iets,” merkte ik op.„Ze stoken nog niet,” antwoordde Stenford; „voor morgenochtend zal hier wel niemand verschijnen.”„Ik kan me niet begrijpen wanneer dat oude mensch is weggegaan,” hernam ik, „we hadden haar toch vanaf den toren moeten zien.”„Het doet er weinig toe wanneer ze is weggegaan,” antwoordde Stenford op bitteren toon. „Ze is weg en daarmee uit. Ze ging er zeker vandoor toen we met dat ongelukkige luik bezig waren. ’k Wed dat ze toen heel kalm naar huis is getrokken om haar kopje thee te drinken; dat doen die oude vrouwen altijd,” voegde hij er nijdig bij, alsof het mensch zich hoogst onbetamelijk tegenover ons had gedragen.„’k Heb z-zelf z-zoo’n trek in thee,” verklaarde Burns.„Wat zullen we doen?” vroeg Stenford die opstond. „We kunnen onzen tijd hier niet zitten te verleuteren.”„We moeten de menschen in het dorp waarschuwen,” zei ik; „ten minste als zij mogen weten dat we hier zijn.”„Dat mogen ze, als wij daardoor eruit kunnen komen.”„M-maar hoe?” vroeg Burns.„We kunnen op den toren gaan staan schreeuwen,” antwoordde ik.„Vooruit dan,” riep Stenford; „als we ons niet haasten, zijn de lui misschien naar bed.”Wederom ging het naar boven langs de wenteltrap en door de klokkekamer en langs de eerste ladder; in hetdonker leken de klokken nog reusachtiger dan straks.„Heb je het luik dicht gekregen?” vroeg Stenford.„Ja; een lastig karweitje.”„Jammer,” zei hij.Ik was dit met hem eens, want ik voelde nog den slag op mijn hoofd.We trokken opnieuw aan het werk en na eenigen tijd stonden we wederom op het dak; we keken in de richting van het dorp waar de lichten hier en daar werden ontstoken. Aan den hemel verschenen reeds sterren; de wind die nu hevig kwam opsteken woei met rukken tegen ons aan.
HOOFDSTUK XVI.DE TOREN.
We wierpen haastig een blik om ons heen en toen doken onze hoofden gelijktijdig naar het gat om Burns toe te roepen dat hij bij ons moest komen. Van onzen vriend werden we niets gewaar dan het roode hoofd dat naar ons werd opgeheven.„Burns, ’t is hier dol leuk,” riep Stenford; „kom dan toch, jongen!”„Heusch?” vroeg Burns aarzelend. „Maar kan de l-ladder m-me w-wel houden?”„Gerust; zeker wel vijftig van jouw soort kunnen er bij!” riep Stenford terug.„Houd z-ze d-dan bovenaan beet,” zei Burns.Weldra zagen we zijn vollemaansgezicht in onze nabijheid; Stenford en ik grepen hem ieder bij een arm en trokken hem door het open luik.„Allemenschen,” riep Stenford hijgend; „als je nog een paar centimeter grooter omvang hadt, dan zouden we het ’m niet kunnen leveren.”Nu hij die paar centimeter er nog niet bij had, slaagden we erin om hem naar boven te hijschen; een stuk of wat knoopen bleven in den strijd; verder kreeg hij echter geen ongeval.„We moeten niet heelemaal recht staan,” riep Stenford, „want we mogen niet worden gezien.”Om den vierkanten toren was een hooge flinke borstwering in het rond aangebracht, zoodat we ons „uitstekend verdekt” konden opstellen, zooals Stenford het uitdrukte. We gingen op onze hurken zitten ieder voor een verschillend kijkgat en tuurden in de diepte.„Laat dien rooden bol van jou niet boven de borstwering uitpiepen,” zei Stenford, „want anders zouden de menschen nog denken dat de kerk in brand stond. Zeg, vinden jullie het hier niet moppig?”„Moppig en winderig,” antwoordde ik. „Zorg maar dat je pet op het hoofd blijft staan.”„Wat kan je hier een massa zien,” hernam Stenford. „Maar kijk nu uit naar Sjarp!”Het was goed dat hij ons hieraan herinnerde, want aan Sjarp en zijn briefkaarten hadden we eigenlijk niet meer gedacht; we zagen nu oplettend alle richtingen uit, overtuigd dat we hem moesten ontdekken als hij zich hier in den omtrek bevond.Stenford hield den kijker voortdurend voor de oogen.„Zie je ’m?” vroegen we telkens.„Nee, nog niet,” antwoordde hij dan, terwijl hij den kijker wederom naar een anderen kant richtte.„Van zoo’n hoogte zou hij zeker niet grooter dan een vlieg lijken,” merkte ik op. „Kijk maar ’s naar dien man die nu door de dorpsstraat loopt.”„M-moest hij hier d-die briefkaart op de bus d-doen?” vroeg Burns plotseling.„Weet niet,” antwoordde Stenford die nog altijd den kijker voor de oogen hield.„O, ik dacht dat je zeker wist dat dit het dorp was,” zei ik.„Er is daar ook een dorp, en iets verder is er ook een, en daar zie ik ook een kerktoren,” antwoordde Stenford. „Kijk zelf maar ’s!”Burns en ik hielden het ding beurtelings voor de oogenen moesten bekennen dat van Sjarp geen spoor was te zien.„Maar waar zijn we toch eigenlijk?” vroeg ik.Burns bleek toch een kaart bij zich te hebben; we spreidden die plat uit op het dak en begonnen ze te bestudeeren.„Je braadpan,” beval Stenford, waarop Burns het kompas te voorschijn haalde; na het flink te hebben heen en weer geschud lei hij het ding op de kaart.„Ik denk dat we hier zijn,” zei Stenford die een punt met den vinger aanwees. „Hier ligt een dorp en hier staat een kruis, waarmee ze de plaats aangeven van een kerk.”„En de zee dan?” vroeg ik. „Die is toch aan dien kant.” Ik lichtte het hoofd op en tuurde door het kijkgat. „Vanhier kan ik de zee duidelijk onderscheiden, maar volgens de kaart ligt ze juist aan den anderen kant.”„En d-dit dorp l-ligt wel t-tien kilometer v-van St. Martin af,” merkte Burns op; „we z-zullen n-nooit op t-tijd thuis z-zijn.”„’t Is te hopen van wel,” mompelde Stenford.We begonnen nu allerlei dorpen aan te wijzen, waar we ons konden bevinden volgens onze berekening; alleen die te ver waren afgelegen kwamen niet in aanmerking.Eigenlijk vond ik dit zoeken in den blinde een rare manier.„En als we te ver zijn gegaan en niet op tijd thuis komen wat dan?” vroeg ik.„Geen sprake van!” riep Stenford. „We zijn pas op weg. Trouwens hebben we op Zaterdag extra verlof.”„K-Kijkers heeft gezegd dat we dit n-niet meer z-zouden, krijgen,” merkte Burns op.„Kijkers is niet wijs!” zei Stenford, die de zaak hiermede als afgedaan beschouwde.„Gek dat we geen van de anderen hebben gezien,” merkte ik op;„die zijn zeker allemaal den anderen kant uit.”„Of we ze zien of niet zien, ik vind het hier wat leuk,” verklaarde Stenford.We stemden hiermede in. Ons geweten stelden we gerust door nu en dan een blik te werpen door de kijkgaten van de borstwering in de hoop den onzichtbaren Sjarp in het oog te krijgen, doch het grootste gedeelte van den tijd brachten we door met lui uitgestrekt te liggen op het zinken dak dat door de namiddagzon werd bestraald en warm werd gestoofd.„Jammer dat Kien er niet bij is,” zei ik, daar ik medelijden gevoelde met den armen stakker die met dat heerlijke weer aan zijn strafwerk zat te pennen.„Wees maar blij dat ie niet hier is,” antwoordde Stenford slaperig. „De vent zou anders zeker de wetten van de zwaartekracht op je willen beproeven en je over den rand van den toren gooien om te zien hoe lang het duurt voor je op den grond bent beland; misschien zou onze goede dikke Burns er ook aan moeten gelooven omdat hij het hoogst belangrijk zou vinden om de vermeerdering van snelheid te bepalen tusschen de eerste en de tweede sekonde van den val.”„B-best mogelijk,” zei Burns lachend; de gedachte alleen maakte hem wat huiverig en daarom schoof hij wat meer naar het midden toe.„In een paar sekonden zijn we weer beneden,” merkte Stenford op.„Ja,” zei ik, terwijl ik wederom den kijker nam, in de hoop Sjarp ditmaal gewaar te worden.„Zie je hem?” vroeg Stenford onverschillig.„Nee,” antwoordde ik; „’k zie niets en het dorp ligt als verlaten. Een stuk of wat kippen die buiten loopen; dat is alles.„Ze schijnen het zich in deze streek niet druk te maken!” merkte Stenford op, die zich in een gemakkelijke houding uitstrekte. „Hebben jullie ook zoo’n trek in chocola?”„Of wat het maar is,” zei Burns. „Ik k-krijg z-zoo’n honger.”„De zon gaat onder,” merkte ik op. Ik begreep dat hetniet vroeg meer kon zijn. Wij hadden geen van drieën een horloge meer bij ons; wel hadden we naar het slaan van de klok gehoord, doch het was eigenlijk niet tot ons doorgedrongen welk uur ze aangaf. In mijn gevoel lagen we al een heelen tijd op het dak. Stenford was ingeslapen. De zon was nu heelemaal onder en het begon harder te waaien, zoodat we het koud kregen. De klok liet drie slagen hooren.„Kwartier voor vijf,” zei Stenford die zich nu half oprichtte en geeuwde. „Hoe zouden jullie het vinden als we over een kwartier opstapten?”„Best,” zei ik. „Zouden we Sjarp nog te zien krijgen?”„Geen denken aan,” antwoordde hij. „’t Is mogelijk dat we ’m snappen voordat ie thuis komt. We zullen naar hem blijven uitkijken. ’t Zou wel leuk zijn als het nog lukte.”Burns en ik waren dit met hem eens. De duisternis begon te vallen.„Niemand zal ons nu toch in de gaten krijgen,” zei ik, terwijl ik opstond en heen en weer ging loopen langs de borstwering. Burns stak de braadpan in den zak en vouwde zijn kaart op.„Weet je den kortsten weg naar huis?” vroeg ik.Stenford stiet een brommend geluid uit wat zooveel als „ja” moest beteekenen. Hij moest zijn best doen om zijn geeuwen in te houden. „Ik geloof dat het nu tijd is om te gaan,” zei hij. „Wat was het hier leuk, hè! Vooruit, jongelui, nu naar beneden. Wie het eerst?”„Ik,” riep Burns, die onmiddellijk de beenen door het luik stak.„Laat je handen niet los, voor je de voeten op een sport hebt,” riep ik hem toe.„N-nee, z-zoo wijs ben ik!” antwoordde Burns hijgend die zich nu krampachtig aan den rand vastgreep terwijl zijn lichaam langzamerhand in de diepte verdween. Weldra zagen we niets meer van hem dan het roode sproetige gezicht waarop nu een kalm-gelukkige uitdrukking verscheen.„Ben je d’r?” vroeg ik.„Ja,” stiet hij hijgend uit, „maar het is l-lastig voor je d-die eerste sport h-hebt. K-kom niet te gauw achter me aan!”„Wees maar niet bang,” stelde Stenford hem gerust. „O, daar slaat de klok weer.”Langzaam werden de kwartieren aangegeven.„De l-ladder t-trilt ervan,” verklaarde Burns op angstigen toon. „Laten we even wachten tot het uur is geslagen. Die groote klok maakt zoo’n heisa.”Boem klonk het en we begonnen allen tegelijk de slagen te tellen: Een—twee—drie—vier—vijf—we dachten dat het toen uit was, maar de klok liet nog een slag hooren.„Zes uur!” riep Stenford. „Het is een uur later dan ik dacht. Maar die klok is misschien gek. Anders konden we er wel ’s leelijk tegen aanloopen!—Vooruit, Burns! Kerel, wat ben je toch langzaam uitgevallen!”Na dit verwijt was Burns in een oogwenk verdwenen. Stenford volgde hem zoo gauw dat het wel leek of hij door den ander met een touw naar omlaag werd getrokken. Ik hoorde hun laarzen op de sporten kletteren en ik vernam den kreet dien Burns slaakte toen Stenford hem onder aan de ladder had ingehaald en op hem had getrapt.Een oogenblik later stond ik naast hen. Stenford ging ditmaal voorop en daalde de tweede ladder af met de snelheid van een acrobaat. Burns volgde blazend en hijgend.„N-niet te gauw,” riep hij me toe.Toen ik de klokkekamer had bereikt zag ik in het schemerlicht nog juist het hoofd van Stenford die de wenteltrap reeds afdaalde.„Stenford, luister ’s,” riep ik.„Wat is er?” vroeg hij wrevelig.„We hebben het luik open gelaten.”„Wat zou dat?” riep hij. „Wat kan ons dat luik schelen!”„Het zou toch misschien beter zijn geweest als...” begon ik.„Zou je het alleen kunnen?”„Misschien.”„Best; dan zullen wij beneden op je wachten,” riep hij me toe.Ik rende wederom de ladders op; twee gedachten joegen me angst aan. Ten eerste was ik bang dat ik het luik niet in mijn eentje zou kunnen sluiten, en dan, en dan, maar die gedachte was zoo vreeselijk dat ik er niet bij durfde stilstaan.Ik moest wederom op het dak klauteren en mijn krachten beproeven met dat zware monster, dat me nu wederom een vijand toescheen die uit alle macht weerstand bood. Na een gevecht van man tegen man kreeg ik het recht overeind waarna ik eronder kroop en het toen langzaam liet zakken.Dit zakken ging echter plotseling met zoo’n vaart dat ik langs de ladder werd geduwd en tusschen de klokketouwen terecht kwam voordat ik eigenlijk wist wat er met me gebeurde. Het luik was met zoo’n kracht op mijn hoofd terecht gekomen hoe ik ook had gedoken om den slag te vermijden, dat ik een oogenblik als versuft was. Toen ik de klokkekamer had bereikt, had ik een gevoel dat ik mijn heele leven niets meer met luiken wilde te maken hebben.Ik vond den weg in het donker naar de wenteltrap. Straks toen het nog klaarlichten dag was, was het hier al donker genoeg, maar nu heerschte volslagen duisternis in de kerk, die zich als een zwarte ruimte voor me uitstrekte; ik gooide een schop om die een zinken emmer omver wierp. De echo weergalmde nog door het gebouw toen ik tusschen de kerkbanken sloop in de richting van de deur.Ja, Stenford en Burns hadden woord gehouden en stonden op me te wachten. Ik rende tegen hen aan in het donker.„Zeg, hoe vindt je nu zoo iets?” zei Stenford fluisterend. „De deur zit op slot.”Ik had hier een voorgevoel van gehad. Dat was de gedachte die me zulk een angst had aangejaagd.Stenford liet het voorkomen of hij het geval tamelijk luchtig opvatte, doch het was duidelijk merkbaar dat hij er geducht mee in zat.„Op slot?” vroeg ik.„Ja; dat oude mensch is naar huis; we zitten nu gevangen.” Ik ruggelde natuurlijk aan de deur om me van de waarheid te overtuigen. Dat doet iedereen die voor een deur komt te staan en als hem wordt verteld dat die op slot zit.„Laat dat maar gerust,” zei Stenford wrevelig. „Denk je soms dat wij er niet aan hebben staan morrelen?”„Ja, w-wij hebben het z-zeker wel t-tienmaal geprobeerd,” beaamde Burns.De deur zat op slot. Ik draaide aan de kruk en duwde en trok, doch tevergeefs.„Ben je nu overtuigd?” vroeg Stenford.„Dan moeten we er op een andere manier zien uit te komen,” antwoordde ik.„Hoe dan?”„Door het raam.”„Kan niet. Kijk maar.”De vensters konden ons niet helpen. We liepen met ons drieën het geheele gebouw door; we speurden in alle hoeken en gaten en probeerden nog of twee andere deuren ook op slot zaten. De ramen waren smal en voorzien van ijzeren traliewerk; van boven waren kleine openingen aangebracht voor toevoer van versche lucht. De kleine zijdeuren schenen nog vaster op slot te zitten dan de hoofddeur.Toen we het vruchtelooze van onze pogingen inzagen, gingen we naast elkaar in een bank zitten alsof we naar een preek gingen luisteren. Een minuut of wat bleven we zwijgen.„We zijn er bij,” zei Stenford. „Wat zou er voor ons op zitten?”Ik was nog te weinig op de hoogte van de toestanden op St. Martin om deze vraag te kunnen beantwoorden.„Van K-Kijkers z-zullen we w-wel op ons ge-gezicht k-krijgen,” zei Burns.„Maak je maar niet druk over Kijkers,” zei Stenford ongeduldig. „Ik wou dat ik den man weer zag. De vraag is alleen; hoe zullen we hier vandaan komen?”„Zou iemand de kerk binnen gaan om de kachel aan te maken of zoo iets,” merkte ik op.„Ze stoken nog niet,” antwoordde Stenford; „voor morgenochtend zal hier wel niemand verschijnen.”„Ik kan me niet begrijpen wanneer dat oude mensch is weggegaan,” hernam ik, „we hadden haar toch vanaf den toren moeten zien.”„Het doet er weinig toe wanneer ze is weggegaan,” antwoordde Stenford op bitteren toon. „Ze is weg en daarmee uit. Ze ging er zeker vandoor toen we met dat ongelukkige luik bezig waren. ’k Wed dat ze toen heel kalm naar huis is getrokken om haar kopje thee te drinken; dat doen die oude vrouwen altijd,” voegde hij er nijdig bij, alsof het mensch zich hoogst onbetamelijk tegenover ons had gedragen.„’k Heb z-zelf z-zoo’n trek in thee,” verklaarde Burns.„Wat zullen we doen?” vroeg Stenford die opstond. „We kunnen onzen tijd hier niet zitten te verleuteren.”„We moeten de menschen in het dorp waarschuwen,” zei ik; „ten minste als zij mogen weten dat we hier zijn.”„Dat mogen ze, als wij daardoor eruit kunnen komen.”„M-maar hoe?” vroeg Burns.„We kunnen op den toren gaan staan schreeuwen,” antwoordde ik.„Vooruit dan,” riep Stenford; „als we ons niet haasten, zijn de lui misschien naar bed.”Wederom ging het naar boven langs de wenteltrap en door de klokkekamer en langs de eerste ladder; in hetdonker leken de klokken nog reusachtiger dan straks.„Heb je het luik dicht gekregen?” vroeg Stenford.„Ja; een lastig karweitje.”„Jammer,” zei hij.Ik was dit met hem eens, want ik voelde nog den slag op mijn hoofd.We trokken opnieuw aan het werk en na eenigen tijd stonden we wederom op het dak; we keken in de richting van het dorp waar de lichten hier en daar werden ontstoken. Aan den hemel verschenen reeds sterren; de wind die nu hevig kwam opsteken woei met rukken tegen ons aan.
We wierpen haastig een blik om ons heen en toen doken onze hoofden gelijktijdig naar het gat om Burns toe te roepen dat hij bij ons moest komen. Van onzen vriend werden we niets gewaar dan het roode hoofd dat naar ons werd opgeheven.
„Burns, ’t is hier dol leuk,” riep Stenford; „kom dan toch, jongen!”
„Heusch?” vroeg Burns aarzelend. „Maar kan de l-ladder m-me w-wel houden?”
„Gerust; zeker wel vijftig van jouw soort kunnen er bij!” riep Stenford terug.
„Houd z-ze d-dan bovenaan beet,” zei Burns.
Weldra zagen we zijn vollemaansgezicht in onze nabijheid; Stenford en ik grepen hem ieder bij een arm en trokken hem door het open luik.
„Allemenschen,” riep Stenford hijgend; „als je nog een paar centimeter grooter omvang hadt, dan zouden we het ’m niet kunnen leveren.”
Nu hij die paar centimeter er nog niet bij had, slaagden we erin om hem naar boven te hijschen; een stuk of wat knoopen bleven in den strijd; verder kreeg hij echter geen ongeval.
„We moeten niet heelemaal recht staan,” riep Stenford, „want we mogen niet worden gezien.”
Om den vierkanten toren was een hooge flinke borstwering in het rond aangebracht, zoodat we ons „uitstekend verdekt” konden opstellen, zooals Stenford het uitdrukte. We gingen op onze hurken zitten ieder voor een verschillend kijkgat en tuurden in de diepte.
„Laat dien rooden bol van jou niet boven de borstwering uitpiepen,” zei Stenford, „want anders zouden de menschen nog denken dat de kerk in brand stond. Zeg, vinden jullie het hier niet moppig?”
„Moppig en winderig,” antwoordde ik. „Zorg maar dat je pet op het hoofd blijft staan.”
„Wat kan je hier een massa zien,” hernam Stenford. „Maar kijk nu uit naar Sjarp!”
Het was goed dat hij ons hieraan herinnerde, want aan Sjarp en zijn briefkaarten hadden we eigenlijk niet meer gedacht; we zagen nu oplettend alle richtingen uit, overtuigd dat we hem moesten ontdekken als hij zich hier in den omtrek bevond.
Stenford hield den kijker voortdurend voor de oogen.
„Zie je ’m?” vroegen we telkens.
„Nee, nog niet,” antwoordde hij dan, terwijl hij den kijker wederom naar een anderen kant richtte.
„Van zoo’n hoogte zou hij zeker niet grooter dan een vlieg lijken,” merkte ik op. „Kijk maar ’s naar dien man die nu door de dorpsstraat loopt.”
„M-moest hij hier d-die briefkaart op de bus d-doen?” vroeg Burns plotseling.
„Weet niet,” antwoordde Stenford die nog altijd den kijker voor de oogen hield.
„O, ik dacht dat je zeker wist dat dit het dorp was,” zei ik.
„Er is daar ook een dorp, en iets verder is er ook een, en daar zie ik ook een kerktoren,” antwoordde Stenford. „Kijk zelf maar ’s!”
Burns en ik hielden het ding beurtelings voor de oogenen moesten bekennen dat van Sjarp geen spoor was te zien.
„Maar waar zijn we toch eigenlijk?” vroeg ik.
Burns bleek toch een kaart bij zich te hebben; we spreidden die plat uit op het dak en begonnen ze te bestudeeren.
„Je braadpan,” beval Stenford, waarop Burns het kompas te voorschijn haalde; na het flink te hebben heen en weer geschud lei hij het ding op de kaart.
„Ik denk dat we hier zijn,” zei Stenford die een punt met den vinger aanwees. „Hier ligt een dorp en hier staat een kruis, waarmee ze de plaats aangeven van een kerk.”
„En de zee dan?” vroeg ik. „Die is toch aan dien kant.” Ik lichtte het hoofd op en tuurde door het kijkgat. „Vanhier kan ik de zee duidelijk onderscheiden, maar volgens de kaart ligt ze juist aan den anderen kant.”
„En d-dit dorp l-ligt wel t-tien kilometer v-van St. Martin af,” merkte Burns op; „we z-zullen n-nooit op t-tijd thuis z-zijn.”
„’t Is te hopen van wel,” mompelde Stenford.
We begonnen nu allerlei dorpen aan te wijzen, waar we ons konden bevinden volgens onze berekening; alleen die te ver waren afgelegen kwamen niet in aanmerking.
Eigenlijk vond ik dit zoeken in den blinde een rare manier.
„En als we te ver zijn gegaan en niet op tijd thuis komen wat dan?” vroeg ik.
„Geen sprake van!” riep Stenford. „We zijn pas op weg. Trouwens hebben we op Zaterdag extra verlof.”
„K-Kijkers heeft gezegd dat we dit n-niet meer z-zouden, krijgen,” merkte Burns op.
„Kijkers is niet wijs!” zei Stenford, die de zaak hiermede als afgedaan beschouwde.
„Gek dat we geen van de anderen hebben gezien,” merkte ik op;„die zijn zeker allemaal den anderen kant uit.”
„Of we ze zien of niet zien, ik vind het hier wat leuk,” verklaarde Stenford.
We stemden hiermede in. Ons geweten stelden we gerust door nu en dan een blik te werpen door de kijkgaten van de borstwering in de hoop den onzichtbaren Sjarp in het oog te krijgen, doch het grootste gedeelte van den tijd brachten we door met lui uitgestrekt te liggen op het zinken dak dat door de namiddagzon werd bestraald en warm werd gestoofd.
„Jammer dat Kien er niet bij is,” zei ik, daar ik medelijden gevoelde met den armen stakker die met dat heerlijke weer aan zijn strafwerk zat te pennen.
„Wees maar blij dat ie niet hier is,” antwoordde Stenford slaperig. „De vent zou anders zeker de wetten van de zwaartekracht op je willen beproeven en je over den rand van den toren gooien om te zien hoe lang het duurt voor je op den grond bent beland; misschien zou onze goede dikke Burns er ook aan moeten gelooven omdat hij het hoogst belangrijk zou vinden om de vermeerdering van snelheid te bepalen tusschen de eerste en de tweede sekonde van den val.”
„B-best mogelijk,” zei Burns lachend; de gedachte alleen maakte hem wat huiverig en daarom schoof hij wat meer naar het midden toe.
„In een paar sekonden zijn we weer beneden,” merkte Stenford op.
„Ja,” zei ik, terwijl ik wederom den kijker nam, in de hoop Sjarp ditmaal gewaar te worden.
„Zie je hem?” vroeg Stenford onverschillig.
„Nee,” antwoordde ik; „’k zie niets en het dorp ligt als verlaten. Een stuk of wat kippen die buiten loopen; dat is alles.
„Ze schijnen het zich in deze streek niet druk te maken!” merkte Stenford op, die zich in een gemakkelijke houding uitstrekte. „Hebben jullie ook zoo’n trek in chocola?”
„Of wat het maar is,” zei Burns. „Ik k-krijg z-zoo’n honger.”
„De zon gaat onder,” merkte ik op. Ik begreep dat hetniet vroeg meer kon zijn. Wij hadden geen van drieën een horloge meer bij ons; wel hadden we naar het slaan van de klok gehoord, doch het was eigenlijk niet tot ons doorgedrongen welk uur ze aangaf. In mijn gevoel lagen we al een heelen tijd op het dak. Stenford was ingeslapen. De zon was nu heelemaal onder en het begon harder te waaien, zoodat we het koud kregen. De klok liet drie slagen hooren.
„Kwartier voor vijf,” zei Stenford die zich nu half oprichtte en geeuwde. „Hoe zouden jullie het vinden als we over een kwartier opstapten?”
„Best,” zei ik. „Zouden we Sjarp nog te zien krijgen?”
„Geen denken aan,” antwoordde hij. „’t Is mogelijk dat we ’m snappen voordat ie thuis komt. We zullen naar hem blijven uitkijken. ’t Zou wel leuk zijn als het nog lukte.”
Burns en ik waren dit met hem eens. De duisternis begon te vallen.
„Niemand zal ons nu toch in de gaten krijgen,” zei ik, terwijl ik opstond en heen en weer ging loopen langs de borstwering. Burns stak de braadpan in den zak en vouwde zijn kaart op.
„Weet je den kortsten weg naar huis?” vroeg ik.
Stenford stiet een brommend geluid uit wat zooveel als „ja” moest beteekenen. Hij moest zijn best doen om zijn geeuwen in te houden. „Ik geloof dat het nu tijd is om te gaan,” zei hij. „Wat was het hier leuk, hè! Vooruit, jongelui, nu naar beneden. Wie het eerst?”
„Ik,” riep Burns, die onmiddellijk de beenen door het luik stak.
„Laat je handen niet los, voor je de voeten op een sport hebt,” riep ik hem toe.
„N-nee, z-zoo wijs ben ik!” antwoordde Burns hijgend die zich nu krampachtig aan den rand vastgreep terwijl zijn lichaam langzamerhand in de diepte verdween. Weldra zagen we niets meer van hem dan het roode sproetige gezicht waarop nu een kalm-gelukkige uitdrukking verscheen.
„Ben je d’r?” vroeg ik.
„Ja,” stiet hij hijgend uit, „maar het is l-lastig voor je d-die eerste sport h-hebt. K-kom niet te gauw achter me aan!”
„Wees maar niet bang,” stelde Stenford hem gerust. „O, daar slaat de klok weer.”
Langzaam werden de kwartieren aangegeven.
„De l-ladder t-trilt ervan,” verklaarde Burns op angstigen toon. „Laten we even wachten tot het uur is geslagen. Die groote klok maakt zoo’n heisa.”
Boem klonk het en we begonnen allen tegelijk de slagen te tellen: Een—twee—drie—vier—vijf—we dachten dat het toen uit was, maar de klok liet nog een slag hooren.
„Zes uur!” riep Stenford. „Het is een uur later dan ik dacht. Maar die klok is misschien gek. Anders konden we er wel ’s leelijk tegen aanloopen!—Vooruit, Burns! Kerel, wat ben je toch langzaam uitgevallen!”
Na dit verwijt was Burns in een oogwenk verdwenen. Stenford volgde hem zoo gauw dat het wel leek of hij door den ander met een touw naar omlaag werd getrokken. Ik hoorde hun laarzen op de sporten kletteren en ik vernam den kreet dien Burns slaakte toen Stenford hem onder aan de ladder had ingehaald en op hem had getrapt.
Een oogenblik later stond ik naast hen. Stenford ging ditmaal voorop en daalde de tweede ladder af met de snelheid van een acrobaat. Burns volgde blazend en hijgend.
„N-niet te gauw,” riep hij me toe.
Toen ik de klokkekamer had bereikt zag ik in het schemerlicht nog juist het hoofd van Stenford die de wenteltrap reeds afdaalde.
„Stenford, luister ’s,” riep ik.
„Wat is er?” vroeg hij wrevelig.
„We hebben het luik open gelaten.”
„Wat zou dat?” riep hij. „Wat kan ons dat luik schelen!”
„Het zou toch misschien beter zijn geweest als...” begon ik.
„Zou je het alleen kunnen?”
„Misschien.”
„Best; dan zullen wij beneden op je wachten,” riep hij me toe.
Ik rende wederom de ladders op; twee gedachten joegen me angst aan. Ten eerste was ik bang dat ik het luik niet in mijn eentje zou kunnen sluiten, en dan, en dan, maar die gedachte was zoo vreeselijk dat ik er niet bij durfde stilstaan.
Ik moest wederom op het dak klauteren en mijn krachten beproeven met dat zware monster, dat me nu wederom een vijand toescheen die uit alle macht weerstand bood. Na een gevecht van man tegen man kreeg ik het recht overeind waarna ik eronder kroop en het toen langzaam liet zakken.
Dit zakken ging echter plotseling met zoo’n vaart dat ik langs de ladder werd geduwd en tusschen de klokketouwen terecht kwam voordat ik eigenlijk wist wat er met me gebeurde. Het luik was met zoo’n kracht op mijn hoofd terecht gekomen hoe ik ook had gedoken om den slag te vermijden, dat ik een oogenblik als versuft was. Toen ik de klokkekamer had bereikt, had ik een gevoel dat ik mijn heele leven niets meer met luiken wilde te maken hebben.
Ik vond den weg in het donker naar de wenteltrap. Straks toen het nog klaarlichten dag was, was het hier al donker genoeg, maar nu heerschte volslagen duisternis in de kerk, die zich als een zwarte ruimte voor me uitstrekte; ik gooide een schop om die een zinken emmer omver wierp. De echo weergalmde nog door het gebouw toen ik tusschen de kerkbanken sloop in de richting van de deur.
Ja, Stenford en Burns hadden woord gehouden en stonden op me te wachten. Ik rende tegen hen aan in het donker.
„Zeg, hoe vindt je nu zoo iets?” zei Stenford fluisterend. „De deur zit op slot.”
Ik had hier een voorgevoel van gehad. Dat was de gedachte die me zulk een angst had aangejaagd.
Stenford liet het voorkomen of hij het geval tamelijk luchtig opvatte, doch het was duidelijk merkbaar dat hij er geducht mee in zat.
„Op slot?” vroeg ik.
„Ja; dat oude mensch is naar huis; we zitten nu gevangen.” Ik ruggelde natuurlijk aan de deur om me van de waarheid te overtuigen. Dat doet iedereen die voor een deur komt te staan en als hem wordt verteld dat die op slot zit.
„Laat dat maar gerust,” zei Stenford wrevelig. „Denk je soms dat wij er niet aan hebben staan morrelen?”
„Ja, w-wij hebben het z-zeker wel t-tienmaal geprobeerd,” beaamde Burns.
De deur zat op slot. Ik draaide aan de kruk en duwde en trok, doch tevergeefs.
„Ben je nu overtuigd?” vroeg Stenford.
„Dan moeten we er op een andere manier zien uit te komen,” antwoordde ik.
„Hoe dan?”
„Door het raam.”
„Kan niet. Kijk maar.”
De vensters konden ons niet helpen. We liepen met ons drieën het geheele gebouw door; we speurden in alle hoeken en gaten en probeerden nog of twee andere deuren ook op slot zaten. De ramen waren smal en voorzien van ijzeren traliewerk; van boven waren kleine openingen aangebracht voor toevoer van versche lucht. De kleine zijdeuren schenen nog vaster op slot te zitten dan de hoofddeur.
Toen we het vruchtelooze van onze pogingen inzagen, gingen we naast elkaar in een bank zitten alsof we naar een preek gingen luisteren. Een minuut of wat bleven we zwijgen.
„We zijn er bij,” zei Stenford. „Wat zou er voor ons op zitten?”
Ik was nog te weinig op de hoogte van de toestanden op St. Martin om deze vraag te kunnen beantwoorden.
„Van K-Kijkers z-zullen we w-wel op ons ge-gezicht k-krijgen,” zei Burns.
„Maak je maar niet druk over Kijkers,” zei Stenford ongeduldig. „Ik wou dat ik den man weer zag. De vraag is alleen; hoe zullen we hier vandaan komen?”
„Zou iemand de kerk binnen gaan om de kachel aan te maken of zoo iets,” merkte ik op.
„Ze stoken nog niet,” antwoordde Stenford; „voor morgenochtend zal hier wel niemand verschijnen.”
„Ik kan me niet begrijpen wanneer dat oude mensch is weggegaan,” hernam ik, „we hadden haar toch vanaf den toren moeten zien.”
„Het doet er weinig toe wanneer ze is weggegaan,” antwoordde Stenford op bitteren toon. „Ze is weg en daarmee uit. Ze ging er zeker vandoor toen we met dat ongelukkige luik bezig waren. ’k Wed dat ze toen heel kalm naar huis is getrokken om haar kopje thee te drinken; dat doen die oude vrouwen altijd,” voegde hij er nijdig bij, alsof het mensch zich hoogst onbetamelijk tegenover ons had gedragen.
„’k Heb z-zelf z-zoo’n trek in thee,” verklaarde Burns.
„Wat zullen we doen?” vroeg Stenford die opstond. „We kunnen onzen tijd hier niet zitten te verleuteren.”
„We moeten de menschen in het dorp waarschuwen,” zei ik; „ten minste als zij mogen weten dat we hier zijn.”
„Dat mogen ze, als wij daardoor eruit kunnen komen.”
„M-maar hoe?” vroeg Burns.
„We kunnen op den toren gaan staan schreeuwen,” antwoordde ik.
„Vooruit dan,” riep Stenford; „als we ons niet haasten, zijn de lui misschien naar bed.”
Wederom ging het naar boven langs de wenteltrap en door de klokkekamer en langs de eerste ladder; in hetdonker leken de klokken nog reusachtiger dan straks.
„Heb je het luik dicht gekregen?” vroeg Stenford.
„Ja; een lastig karweitje.”
„Jammer,” zei hij.
Ik was dit met hem eens, want ik voelde nog den slag op mijn hoofd.
We trokken opnieuw aan het werk en na eenigen tijd stonden we wederom op het dak; we keken in de richting van het dorp waar de lichten hier en daar werden ontstoken. Aan den hemel verschenen reeds sterren; de wind die nu hevig kwam opsteken woei met rukken tegen ons aan.