HOOFDSTUK XVII.HET KLOKKETOUW.„Vooruit dan,” riep Stenford, die zichzelf als koorleider had opgeworpen; „als ik drie zeg, dan gil je het uit zoo hard als je kunt.”„Maar wat moeten we uitgillen?” vroeg Burns.„Schreeuw maar wat je wilt. Roep hal-lo, dat is toch misschien beter.—Klaar?”Zesmaal schreeuwden we „hal-lo” en wachtten wat er zou gebeuren; wederom zesmaal geschreeuw en wederom wachten en toen gilden we het voor de derde maal zes keer achter elkaar uit.„De wind waait den verkeerden kant uit,” zei ik; „het geluid gaat juist van het dorp af.”Toch gaven we het niet op. Ons „Hal-lo” weerklonk op alle mogelijke hooge en lage tonen; het was of we koorzangers waren die zich met woesten ijver op de zangstudie toelegden. Toen we schor waren tuurden we met de grootste aandacht in de diepte om te zien of er ook iemand met een licht kwam aanzetten uit de richting van het dorp. Doch wij konden geen levend wezen gewaar worden.„Ze h-hooren ons n-niet,” zei Burns.„Die lui zijn zeker allemaal doof,” zei Stenford, die ongeduldig met zijn voet stond te stampen; „en als ze onshooren, dan denken ze misschien dat een haan staat te kraaien of een ander onmogelijk dier.”Heel vleiend voor onze stemmen klonk dit niet, maar ik hield die opmerking maar voor me.„Hanen kraaien niet ’s n-nachts,” zei Burns.„Och, zeur niet, kerel! ’t Is best mogelijk dat ze ons dan houden voor loeiende koeien of balkende ezels, of wat je maar wilt.”„Ik voor mij geloof dat ze niets hebben gehoord,” zei ik toen we een tijd lang hadden gezwegen. „Als we maar wat licht konden maken,” voegde ik er bij.„Die lui zijn zeker even blind als doof,” mompelde Stenford; „maar hoe zou je licht kunnen maken?”„Dat weet ik niet,” antwoordde ik. „Had ik maar de electrische lamp van Bob,” dacht ik bij mezelf.„Het geeft geen steek of we hier al blijven staan,” zei Stenford. „Toe, ga mee.”Ik zorgde er nu wel voor om niet de achterhoede te vormen, want ik gevoelde weinig lust om dat luik voor de tweede maal op mijn hoofd te krijgen. Het zware ding kwam neer met een plof die den toren deed dreunen.„’k Ga niet meer op het dak,” zei Stenford, toen hij en Burns zich wederom bij mij hadden gevoegd, blazend en hijgend. „Ik dacht dat we er allebei het hachje zouden inschieten toen dat luik met een smak dicht viel. Voor m’n heele leven heb ik genoeg van zware luiken.”„Wat zullen we nu doen?” vroeg ik, toen we in de klokkekamer waren beland.„Vraag dat aan je grootje,” zei Stenford. „We zullen hier vannacht wel moeten blijven.”De klok begon wederom te slaan. „Zouden we d-dat ding niet kunnen laten stilhouden?” vroeg Burns.„Waarom?” vroeg Stenford. „Denk je dan dat de tijd ook zou stil staan en dat we daardoor minder op ons gezicht zouden krijgen van Kijkers?”„Nee, zoo’n uil b-ben ik n-niet,” antwoordde Burns; „m-maar d-dat zouden z-ze toch in het dorp m-merken?”„Geen denken aan!” zei Stenford die blijkbaar weinig idee had van het verstand van dorpbewoners. „Die lui weten misschien niet eens welke maand van het jaar we op het oogenblik hebben.”Plotseling kwam ik op een inval.„Ik weet wat,” riep ik uit op zóó verheugden toon dat Stenford een oogenblik werd opgevroolijkt.„We kunnen de klok luiden,” zei ik.„Dan zullen ze denken dat de klokkeluiders bezig zijn te oefenen.”„Maar dat zullen de klokkeluiders zelf toch niet denken als ze rustig en wel thuis zitten.”„Hm,” bromde Stenford; „we zouden het kunnen probeeren, maar als de kerels komen aanzetten, dan ziet het er misschien leelijk voor ons uit.”„Als z-ze k-komen, k-kunnen we d-dan niet ontsnappen?” vroeg Burns.„Het zou Kolman misschien ter oore komen,” zei Stenford die ernstig het hoofd schudde, „en dan zouden we er geducht van langs krijgen.”„Maar dan w-waren we hier t-ten minste v-vandaan,” zei Burns.„Dat is een feit. Wat dunkt jullie? Zullen we het er op wagen?”We daalden de trap af tot waar de touwen binnen ons bereik hingen; toen bleven we stil staan.„Kunnen jullie klokken luiden?” vroeg Stenford.„Nee,” antwoordde ik. „Je hebt toch alleen maar aan het touw te trekken, niet?”„Heel g-gemakkelijk w-werk,” verklaarde Burns.„Jawel, maar ik heb wel ’s hooren zeggen dat als je niet heel voorzichtig bent, dan neemt het touw je mee in devaart en dan wordt je schedel tegen de zoldering gekraakt.”„Dat zal nog wel gaan,” zei ik. „Toe vooruit; laten we de touwen met ons drieën grijpen. Het is misschien zwaar werk.”We begonnen te trekken en te trekken, doch tevergeefs.„L-lastig k-karweitje,” verklaarde Burns die met zijn heele gewicht aan het touw hing.„Waarom kunnen die dingen niet behoorlijk in orde zijn,” zei Stenford kwaad.We stonden nu in volslagen duisternis; ieder hing aan een touw en we luisterden aandachtig of we ook een klank van metaal boven ons hoofd vernamen.„Weet je wat we konden doen?” zei Stenford. „Burns, luister, ik kan geen steek van je zien. Als je het touw wat heen en weer laat glijden door je handen, dan komt er misschien beweging in. Dat doen klokkeluiders ook.”Nauwelijks had ik dit bevel opgevolgd, of ik kwam op een inval. „Scheid uit met trekken; ik weet wat,” riep ik.„Ik verzeker je dat dit de manier is,” wierp Stenford tegen.„Maar ik weet iets veel beters dan de klok te luiden.”„Wat dan?”„Kunnen jullie langs een touw naar beneden glijden?”„Op gym dikwijls genoeg gedaan,” antwoordde Stenford.„En jij, Burns?” vroeg ik.„Ik kan het tamelijk goed,” antwoordde Burns nederig.„Ik weet niet of ik het er behoorlijk zal kunnen afbrengen, maar ik wil het graag probeeren.”„Wat wou je dan?” zei Stenford.„Als we naar de klokkekamer trekken, kan kunnen we een van die touwen naar boven halen door den vloer heen van de verschillende verdiepingen.”„Dat kunnen we zeker.”„Dan halen we dat gebroken luik weg van het raam en gooien het touw er door.”„Maar denk je dat de lui in het dorp dat ding zullen zien?” vroeg Stenford.„’t Is ten minste te hopen van niet,” antwoordde ik.„O, ik b-begrijp het!” riep Burns verrukt uit. „W-we g-gaan door het r-raam en l-laten ons n-naar b-beneden g-glijden l-langs het touw!”„Juist,” zei ik, „en dan gaan we er vandoor, zonder door iemand te zijn gesnapt.”Stenford was misschien kwaad op zichzelf dat hij niet op dien inval was gekomen. Hij wilde tegenover een nieuweling als ik niet onmiddellijk toegeven.„Een zonderling plan,” merkte hij op.„Maar het is best te doen,” antwoordde ik. „Toe ga mee.”„Maar zou het touw lang genoeg zijn?” vroeg hij.„Natuurlijk,” zei ik;„die touwen reiken hier toch bijna tot den vloer. We gooien er een buiten het raam met dat gebroken luik dat zich gelukkig juist aan den anderen kant als het dorp bevindt—we behoeven dan niet meer dan een kleinen sprong te doen om op den grond terecht te komen. ’t Is geen oortje waard. Bij dat gedeelte van den toren loopt de grond zelfs een beetje op.”„J-ja, d-dat is zoo,” viel Burns bij. „Toe, Stenford, ga mee.”„Maar op die touwen zit zoo’n dikke laag stof dat ze niet door de gaten van den vloer heen kunnen,” wierp Stenford tegen.„Ik heb gezien dat een van de touwen nieuw is,” antwoordde ik. „Dat zullen we nemen; dit is het, want het had onderaan een lus. Als we die los maken, dan reikt het zeker tot den grond.”„Toe, St-Sten ga mee,” drong Burns aan. „We zullen p-probeeren of het g-gaat.”„Maar waaraan zitten die touwen vast gemaakt?” vroeg Stenford. „Geloof je, dat zoo’n touw ons zou kunnen houden?”„We zullen zien of ze stevig genoeg zitten,” zei ik. „Dittouw is dus van de verste klok aan den rechterkant Dat treft; het is juist de kant van het raam dat we door moeten.”Burns was intusschen al bezig met de lus uit het touw te halen, waarmede hij spoedig gereed was.„Zie je wel; het sleept zelfs op den grond,” zei ik; „zit er geen knoop of knoest meer in, Burns?”„Nee, je k-kan het ophalen,” verklaarde Burns.Zonder verder bij Stenford aan te dringen, dat hij zou meegaan, begon ik de trap op te klimmen, door Burns op den voet gevolgd.We hoorden Stenford achter ons aankomen en de klokkekamer gingen we met ons drieën binnen.„Waarom kunnen we ons niet van hier af naar beneden laten glijden?” vroeg hij.„Dat is nog al glad,” antwoordde ik. „Hier is toch geen raam om het naar buiten te krijgen.”„Ja, dat is zoo,” mompelde hij. De vensters waren hier in den steenen muur aangebracht en konden niet worden geopend.In de dakkamer was het iets lichter dan op de trap; we konden het bewuste touw duidelijk onderscheiden; het bleek te zijn vast gemaakt aan het rad van een van de grootste klokken.„Trek maar op.” zei ik; „dan zien we gauw genoeg of we het goede touw hebben te pakken.”Zes handen begonnen aan het touw te trekken alsof een emmer uit een put werd gehaald.Het ging gesmeerd; in een oogenblik hadden we het naar boven gekregen en lag het als een kabel aan onze voeten.„Ja, het is het goede,” verklaarde Stenford. „Zou het stevig genoeg zijn vastgemaakt? Hè, was het maar wat lichter!”„Ik durf het er op wagen,” zei ik. „Het heeft toch die zware klok in beweging moeten brengen.”„Ik w-waag het er op,” zei Burns.„Bravo, Robert Burns!” riep Stenford, wiens vroolijke, opgewekteaard weer boven kwam. „Zou jij het eerst durven gaan?”„Zeker,” verklaarde Burns heel beslist.„Nee, Stenford, jij moet eerst gaan,” zei ik. „Jij bent handiger. Houd jij het touw vast als je beneden bent; dat is voor ons gemakkelijker.”„Best,” antwoordde Stenford. „Geloof je dat het door de zwaarte recht zal afhangen?”„Dat zullen we gauw genoeg gewaar worden,” antwoordde ik; „laten we dat luik weg halen.”In een oogwenk hadden we het luik er af, en lieten we het touw door het raam vieren. In de schemering zagen we het heen en weer zwaaien, terwijl onze drie hoofden zich voor het raam verdrongen om het touw te volgen dat langzaam daalde.„Die vooruitstekende rand is een leelijk ding,” zei Stenford; „dat is bij de verdieping van de klokkekamer. Als het daar maar niet blijft haken.”Dit gebeurde echter niet. Al zwaaiend en bengelend zakte het touw, dat eindelijk in de volle lengte afhing, en volgens onze berekening zeker wel tot den grond moest reiken.„Dat zullen we ten minste maar hopen,” zei Stenford. „We zullen het gauw genoeg ondervinden.”„Het touw leek me verschrikkelijk lang,” zei ik; „misschien sleept het wel op den grond.”Ik trok het nu recht van het rad naar het raam.„Hoe voelt het?” vroeg Stenford.„Stevig als een muur,” antwoordde ik. „Geen verwikken of verwegen aan.”„H’m,” zei Stenford, die voor het raam stond en naar beneden keek. „Het lijkt me een heele reis.”Burns lachte, doch scheen zich nu minder op zijn gemak te gevoelen dan straks. „Het touw zwaait wel erg,” merkte hij op.„Als je eraan hangt zal het wel niet meer zwaaien,” antwoorddeik. Ik had het plan gemaakt en kon nu niet velen dat telkens bezwaren werden geopperd.„Ik voor mij zou graag zien dat een flinke kerel het beneden strak hield,” zei Stenford. „Dus—ik moet het eerst gaan?”Zonder antwoord af te wachten klauterde hij op de vensterbank; hier keerde hij zich om en greep het touw met beide handen vast, terwijl hij het ook zooveel mogelijk tusschen de knieën hield.„Niet naar beneden kijken,” riep ik, toen ik zag dat hij het hoofd wilde omdraaien. „Blijf maar naar boven zien en houd je handen goed vast!”Op dit oogenblik dacht ik aan Bob die den avonturier zeer zeker moed zou hebben ingesproken. Burns en ik hielden het touw zoo strak mogelijk en een weinig in de hoogte, omdat ik bang was dat het zou slijten als het te veel tegen de vensterlijst schuurde, want het hout was ruw en scherp.„Nou, ik ga er vandoor,” zei Stenford met een eigenaardigen klank in zijn stem, terwijl hij zich langzaam van de vensterbank liet glijden.
HOOFDSTUK XVII.HET KLOKKETOUW.„Vooruit dan,” riep Stenford, die zichzelf als koorleider had opgeworpen; „als ik drie zeg, dan gil je het uit zoo hard als je kunt.”„Maar wat moeten we uitgillen?” vroeg Burns.„Schreeuw maar wat je wilt. Roep hal-lo, dat is toch misschien beter.—Klaar?”Zesmaal schreeuwden we „hal-lo” en wachtten wat er zou gebeuren; wederom zesmaal geschreeuw en wederom wachten en toen gilden we het voor de derde maal zes keer achter elkaar uit.„De wind waait den verkeerden kant uit,” zei ik; „het geluid gaat juist van het dorp af.”Toch gaven we het niet op. Ons „Hal-lo” weerklonk op alle mogelijke hooge en lage tonen; het was of we koorzangers waren die zich met woesten ijver op de zangstudie toelegden. Toen we schor waren tuurden we met de grootste aandacht in de diepte om te zien of er ook iemand met een licht kwam aanzetten uit de richting van het dorp. Doch wij konden geen levend wezen gewaar worden.„Ze h-hooren ons n-niet,” zei Burns.„Die lui zijn zeker allemaal doof,” zei Stenford, die ongeduldig met zijn voet stond te stampen; „en als ze onshooren, dan denken ze misschien dat een haan staat te kraaien of een ander onmogelijk dier.”Heel vleiend voor onze stemmen klonk dit niet, maar ik hield die opmerking maar voor me.„Hanen kraaien niet ’s n-nachts,” zei Burns.„Och, zeur niet, kerel! ’t Is best mogelijk dat ze ons dan houden voor loeiende koeien of balkende ezels, of wat je maar wilt.”„Ik voor mij geloof dat ze niets hebben gehoord,” zei ik toen we een tijd lang hadden gezwegen. „Als we maar wat licht konden maken,” voegde ik er bij.„Die lui zijn zeker even blind als doof,” mompelde Stenford; „maar hoe zou je licht kunnen maken?”„Dat weet ik niet,” antwoordde ik. „Had ik maar de electrische lamp van Bob,” dacht ik bij mezelf.„Het geeft geen steek of we hier al blijven staan,” zei Stenford. „Toe, ga mee.”Ik zorgde er nu wel voor om niet de achterhoede te vormen, want ik gevoelde weinig lust om dat luik voor de tweede maal op mijn hoofd te krijgen. Het zware ding kwam neer met een plof die den toren deed dreunen.„’k Ga niet meer op het dak,” zei Stenford, toen hij en Burns zich wederom bij mij hadden gevoegd, blazend en hijgend. „Ik dacht dat we er allebei het hachje zouden inschieten toen dat luik met een smak dicht viel. Voor m’n heele leven heb ik genoeg van zware luiken.”„Wat zullen we nu doen?” vroeg ik, toen we in de klokkekamer waren beland.„Vraag dat aan je grootje,” zei Stenford. „We zullen hier vannacht wel moeten blijven.”De klok begon wederom te slaan. „Zouden we d-dat ding niet kunnen laten stilhouden?” vroeg Burns.„Waarom?” vroeg Stenford. „Denk je dan dat de tijd ook zou stil staan en dat we daardoor minder op ons gezicht zouden krijgen van Kijkers?”„Nee, zoo’n uil b-ben ik n-niet,” antwoordde Burns; „m-maar d-dat zouden z-ze toch in het dorp m-merken?”„Geen denken aan!” zei Stenford die blijkbaar weinig idee had van het verstand van dorpbewoners. „Die lui weten misschien niet eens welke maand van het jaar we op het oogenblik hebben.”Plotseling kwam ik op een inval.„Ik weet wat,” riep ik uit op zóó verheugden toon dat Stenford een oogenblik werd opgevroolijkt.„We kunnen de klok luiden,” zei ik.„Dan zullen ze denken dat de klokkeluiders bezig zijn te oefenen.”„Maar dat zullen de klokkeluiders zelf toch niet denken als ze rustig en wel thuis zitten.”„Hm,” bromde Stenford; „we zouden het kunnen probeeren, maar als de kerels komen aanzetten, dan ziet het er misschien leelijk voor ons uit.”„Als z-ze k-komen, k-kunnen we d-dan niet ontsnappen?” vroeg Burns.„Het zou Kolman misschien ter oore komen,” zei Stenford die ernstig het hoofd schudde, „en dan zouden we er geducht van langs krijgen.”„Maar dan w-waren we hier t-ten minste v-vandaan,” zei Burns.„Dat is een feit. Wat dunkt jullie? Zullen we het er op wagen?”We daalden de trap af tot waar de touwen binnen ons bereik hingen; toen bleven we stil staan.„Kunnen jullie klokken luiden?” vroeg Stenford.„Nee,” antwoordde ik. „Je hebt toch alleen maar aan het touw te trekken, niet?”„Heel g-gemakkelijk w-werk,” verklaarde Burns.„Jawel, maar ik heb wel ’s hooren zeggen dat als je niet heel voorzichtig bent, dan neemt het touw je mee in devaart en dan wordt je schedel tegen de zoldering gekraakt.”„Dat zal nog wel gaan,” zei ik. „Toe vooruit; laten we de touwen met ons drieën grijpen. Het is misschien zwaar werk.”We begonnen te trekken en te trekken, doch tevergeefs.„L-lastig k-karweitje,” verklaarde Burns die met zijn heele gewicht aan het touw hing.„Waarom kunnen die dingen niet behoorlijk in orde zijn,” zei Stenford kwaad.We stonden nu in volslagen duisternis; ieder hing aan een touw en we luisterden aandachtig of we ook een klank van metaal boven ons hoofd vernamen.„Weet je wat we konden doen?” zei Stenford. „Burns, luister, ik kan geen steek van je zien. Als je het touw wat heen en weer laat glijden door je handen, dan komt er misschien beweging in. Dat doen klokkeluiders ook.”Nauwelijks had ik dit bevel opgevolgd, of ik kwam op een inval. „Scheid uit met trekken; ik weet wat,” riep ik.„Ik verzeker je dat dit de manier is,” wierp Stenford tegen.„Maar ik weet iets veel beters dan de klok te luiden.”„Wat dan?”„Kunnen jullie langs een touw naar beneden glijden?”„Op gym dikwijls genoeg gedaan,” antwoordde Stenford.„En jij, Burns?” vroeg ik.„Ik kan het tamelijk goed,” antwoordde Burns nederig.„Ik weet niet of ik het er behoorlijk zal kunnen afbrengen, maar ik wil het graag probeeren.”„Wat wou je dan?” zei Stenford.„Als we naar de klokkekamer trekken, kan kunnen we een van die touwen naar boven halen door den vloer heen van de verschillende verdiepingen.”„Dat kunnen we zeker.”„Dan halen we dat gebroken luik weg van het raam en gooien het touw er door.”„Maar denk je dat de lui in het dorp dat ding zullen zien?” vroeg Stenford.„’t Is ten minste te hopen van niet,” antwoordde ik.„O, ik b-begrijp het!” riep Burns verrukt uit. „W-we g-gaan door het r-raam en l-laten ons n-naar b-beneden g-glijden l-langs het touw!”„Juist,” zei ik, „en dan gaan we er vandoor, zonder door iemand te zijn gesnapt.”Stenford was misschien kwaad op zichzelf dat hij niet op dien inval was gekomen. Hij wilde tegenover een nieuweling als ik niet onmiddellijk toegeven.„Een zonderling plan,” merkte hij op.„Maar het is best te doen,” antwoordde ik. „Toe ga mee.”„Maar zou het touw lang genoeg zijn?” vroeg hij.„Natuurlijk,” zei ik;„die touwen reiken hier toch bijna tot den vloer. We gooien er een buiten het raam met dat gebroken luik dat zich gelukkig juist aan den anderen kant als het dorp bevindt—we behoeven dan niet meer dan een kleinen sprong te doen om op den grond terecht te komen. ’t Is geen oortje waard. Bij dat gedeelte van den toren loopt de grond zelfs een beetje op.”„J-ja, d-dat is zoo,” viel Burns bij. „Toe, Stenford, ga mee.”„Maar op die touwen zit zoo’n dikke laag stof dat ze niet door de gaten van den vloer heen kunnen,” wierp Stenford tegen.„Ik heb gezien dat een van de touwen nieuw is,” antwoordde ik. „Dat zullen we nemen; dit is het, want het had onderaan een lus. Als we die los maken, dan reikt het zeker tot den grond.”„Toe, St-Sten ga mee,” drong Burns aan. „We zullen p-probeeren of het g-gaat.”„Maar waaraan zitten die touwen vast gemaakt?” vroeg Stenford. „Geloof je, dat zoo’n touw ons zou kunnen houden?”„We zullen zien of ze stevig genoeg zitten,” zei ik. „Dittouw is dus van de verste klok aan den rechterkant Dat treft; het is juist de kant van het raam dat we door moeten.”Burns was intusschen al bezig met de lus uit het touw te halen, waarmede hij spoedig gereed was.„Zie je wel; het sleept zelfs op den grond,” zei ik; „zit er geen knoop of knoest meer in, Burns?”„Nee, je k-kan het ophalen,” verklaarde Burns.Zonder verder bij Stenford aan te dringen, dat hij zou meegaan, begon ik de trap op te klimmen, door Burns op den voet gevolgd.We hoorden Stenford achter ons aankomen en de klokkekamer gingen we met ons drieën binnen.„Waarom kunnen we ons niet van hier af naar beneden laten glijden?” vroeg hij.„Dat is nog al glad,” antwoordde ik. „Hier is toch geen raam om het naar buiten te krijgen.”„Ja, dat is zoo,” mompelde hij. De vensters waren hier in den steenen muur aangebracht en konden niet worden geopend.In de dakkamer was het iets lichter dan op de trap; we konden het bewuste touw duidelijk onderscheiden; het bleek te zijn vast gemaakt aan het rad van een van de grootste klokken.„Trek maar op.” zei ik; „dan zien we gauw genoeg of we het goede touw hebben te pakken.”Zes handen begonnen aan het touw te trekken alsof een emmer uit een put werd gehaald.Het ging gesmeerd; in een oogenblik hadden we het naar boven gekregen en lag het als een kabel aan onze voeten.„Ja, het is het goede,” verklaarde Stenford. „Zou het stevig genoeg zijn vastgemaakt? Hè, was het maar wat lichter!”„Ik durf het er op wagen,” zei ik. „Het heeft toch die zware klok in beweging moeten brengen.”„Ik w-waag het er op,” zei Burns.„Bravo, Robert Burns!” riep Stenford, wiens vroolijke, opgewekteaard weer boven kwam. „Zou jij het eerst durven gaan?”„Zeker,” verklaarde Burns heel beslist.„Nee, Stenford, jij moet eerst gaan,” zei ik. „Jij bent handiger. Houd jij het touw vast als je beneden bent; dat is voor ons gemakkelijker.”„Best,” antwoordde Stenford. „Geloof je dat het door de zwaarte recht zal afhangen?”„Dat zullen we gauw genoeg gewaar worden,” antwoordde ik; „laten we dat luik weg halen.”In een oogwenk hadden we het luik er af, en lieten we het touw door het raam vieren. In de schemering zagen we het heen en weer zwaaien, terwijl onze drie hoofden zich voor het raam verdrongen om het touw te volgen dat langzaam daalde.„Die vooruitstekende rand is een leelijk ding,” zei Stenford; „dat is bij de verdieping van de klokkekamer. Als het daar maar niet blijft haken.”Dit gebeurde echter niet. Al zwaaiend en bengelend zakte het touw, dat eindelijk in de volle lengte afhing, en volgens onze berekening zeker wel tot den grond moest reiken.„Dat zullen we ten minste maar hopen,” zei Stenford. „We zullen het gauw genoeg ondervinden.”„Het touw leek me verschrikkelijk lang,” zei ik; „misschien sleept het wel op den grond.”Ik trok het nu recht van het rad naar het raam.„Hoe voelt het?” vroeg Stenford.„Stevig als een muur,” antwoordde ik. „Geen verwikken of verwegen aan.”„H’m,” zei Stenford, die voor het raam stond en naar beneden keek. „Het lijkt me een heele reis.”Burns lachte, doch scheen zich nu minder op zijn gemak te gevoelen dan straks. „Het touw zwaait wel erg,” merkte hij op.„Als je eraan hangt zal het wel niet meer zwaaien,” antwoorddeik. Ik had het plan gemaakt en kon nu niet velen dat telkens bezwaren werden geopperd.„Ik voor mij zou graag zien dat een flinke kerel het beneden strak hield,” zei Stenford. „Dus—ik moet het eerst gaan?”Zonder antwoord af te wachten klauterde hij op de vensterbank; hier keerde hij zich om en greep het touw met beide handen vast, terwijl hij het ook zooveel mogelijk tusschen de knieën hield.„Niet naar beneden kijken,” riep ik, toen ik zag dat hij het hoofd wilde omdraaien. „Blijf maar naar boven zien en houd je handen goed vast!”Op dit oogenblik dacht ik aan Bob die den avonturier zeer zeker moed zou hebben ingesproken. Burns en ik hielden het touw zoo strak mogelijk en een weinig in de hoogte, omdat ik bang was dat het zou slijten als het te veel tegen de vensterlijst schuurde, want het hout was ruw en scherp.„Nou, ik ga er vandoor,” zei Stenford met een eigenaardigen klank in zijn stem, terwijl hij zich langzaam van de vensterbank liet glijden.
HOOFDSTUK XVII.HET KLOKKETOUW.
„Vooruit dan,” riep Stenford, die zichzelf als koorleider had opgeworpen; „als ik drie zeg, dan gil je het uit zoo hard als je kunt.”„Maar wat moeten we uitgillen?” vroeg Burns.„Schreeuw maar wat je wilt. Roep hal-lo, dat is toch misschien beter.—Klaar?”Zesmaal schreeuwden we „hal-lo” en wachtten wat er zou gebeuren; wederom zesmaal geschreeuw en wederom wachten en toen gilden we het voor de derde maal zes keer achter elkaar uit.„De wind waait den verkeerden kant uit,” zei ik; „het geluid gaat juist van het dorp af.”Toch gaven we het niet op. Ons „Hal-lo” weerklonk op alle mogelijke hooge en lage tonen; het was of we koorzangers waren die zich met woesten ijver op de zangstudie toelegden. Toen we schor waren tuurden we met de grootste aandacht in de diepte om te zien of er ook iemand met een licht kwam aanzetten uit de richting van het dorp. Doch wij konden geen levend wezen gewaar worden.„Ze h-hooren ons n-niet,” zei Burns.„Die lui zijn zeker allemaal doof,” zei Stenford, die ongeduldig met zijn voet stond te stampen; „en als ze onshooren, dan denken ze misschien dat een haan staat te kraaien of een ander onmogelijk dier.”Heel vleiend voor onze stemmen klonk dit niet, maar ik hield die opmerking maar voor me.„Hanen kraaien niet ’s n-nachts,” zei Burns.„Och, zeur niet, kerel! ’t Is best mogelijk dat ze ons dan houden voor loeiende koeien of balkende ezels, of wat je maar wilt.”„Ik voor mij geloof dat ze niets hebben gehoord,” zei ik toen we een tijd lang hadden gezwegen. „Als we maar wat licht konden maken,” voegde ik er bij.„Die lui zijn zeker even blind als doof,” mompelde Stenford; „maar hoe zou je licht kunnen maken?”„Dat weet ik niet,” antwoordde ik. „Had ik maar de electrische lamp van Bob,” dacht ik bij mezelf.„Het geeft geen steek of we hier al blijven staan,” zei Stenford. „Toe, ga mee.”Ik zorgde er nu wel voor om niet de achterhoede te vormen, want ik gevoelde weinig lust om dat luik voor de tweede maal op mijn hoofd te krijgen. Het zware ding kwam neer met een plof die den toren deed dreunen.„’k Ga niet meer op het dak,” zei Stenford, toen hij en Burns zich wederom bij mij hadden gevoegd, blazend en hijgend. „Ik dacht dat we er allebei het hachje zouden inschieten toen dat luik met een smak dicht viel. Voor m’n heele leven heb ik genoeg van zware luiken.”„Wat zullen we nu doen?” vroeg ik, toen we in de klokkekamer waren beland.„Vraag dat aan je grootje,” zei Stenford. „We zullen hier vannacht wel moeten blijven.”De klok begon wederom te slaan. „Zouden we d-dat ding niet kunnen laten stilhouden?” vroeg Burns.„Waarom?” vroeg Stenford. „Denk je dan dat de tijd ook zou stil staan en dat we daardoor minder op ons gezicht zouden krijgen van Kijkers?”„Nee, zoo’n uil b-ben ik n-niet,” antwoordde Burns; „m-maar d-dat zouden z-ze toch in het dorp m-merken?”„Geen denken aan!” zei Stenford die blijkbaar weinig idee had van het verstand van dorpbewoners. „Die lui weten misschien niet eens welke maand van het jaar we op het oogenblik hebben.”Plotseling kwam ik op een inval.„Ik weet wat,” riep ik uit op zóó verheugden toon dat Stenford een oogenblik werd opgevroolijkt.„We kunnen de klok luiden,” zei ik.„Dan zullen ze denken dat de klokkeluiders bezig zijn te oefenen.”„Maar dat zullen de klokkeluiders zelf toch niet denken als ze rustig en wel thuis zitten.”„Hm,” bromde Stenford; „we zouden het kunnen probeeren, maar als de kerels komen aanzetten, dan ziet het er misschien leelijk voor ons uit.”„Als z-ze k-komen, k-kunnen we d-dan niet ontsnappen?” vroeg Burns.„Het zou Kolman misschien ter oore komen,” zei Stenford die ernstig het hoofd schudde, „en dan zouden we er geducht van langs krijgen.”„Maar dan w-waren we hier t-ten minste v-vandaan,” zei Burns.„Dat is een feit. Wat dunkt jullie? Zullen we het er op wagen?”We daalden de trap af tot waar de touwen binnen ons bereik hingen; toen bleven we stil staan.„Kunnen jullie klokken luiden?” vroeg Stenford.„Nee,” antwoordde ik. „Je hebt toch alleen maar aan het touw te trekken, niet?”„Heel g-gemakkelijk w-werk,” verklaarde Burns.„Jawel, maar ik heb wel ’s hooren zeggen dat als je niet heel voorzichtig bent, dan neemt het touw je mee in devaart en dan wordt je schedel tegen de zoldering gekraakt.”„Dat zal nog wel gaan,” zei ik. „Toe vooruit; laten we de touwen met ons drieën grijpen. Het is misschien zwaar werk.”We begonnen te trekken en te trekken, doch tevergeefs.„L-lastig k-karweitje,” verklaarde Burns die met zijn heele gewicht aan het touw hing.„Waarom kunnen die dingen niet behoorlijk in orde zijn,” zei Stenford kwaad.We stonden nu in volslagen duisternis; ieder hing aan een touw en we luisterden aandachtig of we ook een klank van metaal boven ons hoofd vernamen.„Weet je wat we konden doen?” zei Stenford. „Burns, luister, ik kan geen steek van je zien. Als je het touw wat heen en weer laat glijden door je handen, dan komt er misschien beweging in. Dat doen klokkeluiders ook.”Nauwelijks had ik dit bevel opgevolgd, of ik kwam op een inval. „Scheid uit met trekken; ik weet wat,” riep ik.„Ik verzeker je dat dit de manier is,” wierp Stenford tegen.„Maar ik weet iets veel beters dan de klok te luiden.”„Wat dan?”„Kunnen jullie langs een touw naar beneden glijden?”„Op gym dikwijls genoeg gedaan,” antwoordde Stenford.„En jij, Burns?” vroeg ik.„Ik kan het tamelijk goed,” antwoordde Burns nederig.„Ik weet niet of ik het er behoorlijk zal kunnen afbrengen, maar ik wil het graag probeeren.”„Wat wou je dan?” zei Stenford.„Als we naar de klokkekamer trekken, kan kunnen we een van die touwen naar boven halen door den vloer heen van de verschillende verdiepingen.”„Dat kunnen we zeker.”„Dan halen we dat gebroken luik weg van het raam en gooien het touw er door.”„Maar denk je dat de lui in het dorp dat ding zullen zien?” vroeg Stenford.„’t Is ten minste te hopen van niet,” antwoordde ik.„O, ik b-begrijp het!” riep Burns verrukt uit. „W-we g-gaan door het r-raam en l-laten ons n-naar b-beneden g-glijden l-langs het touw!”„Juist,” zei ik, „en dan gaan we er vandoor, zonder door iemand te zijn gesnapt.”Stenford was misschien kwaad op zichzelf dat hij niet op dien inval was gekomen. Hij wilde tegenover een nieuweling als ik niet onmiddellijk toegeven.„Een zonderling plan,” merkte hij op.„Maar het is best te doen,” antwoordde ik. „Toe ga mee.”„Maar zou het touw lang genoeg zijn?” vroeg hij.„Natuurlijk,” zei ik;„die touwen reiken hier toch bijna tot den vloer. We gooien er een buiten het raam met dat gebroken luik dat zich gelukkig juist aan den anderen kant als het dorp bevindt—we behoeven dan niet meer dan een kleinen sprong te doen om op den grond terecht te komen. ’t Is geen oortje waard. Bij dat gedeelte van den toren loopt de grond zelfs een beetje op.”„J-ja, d-dat is zoo,” viel Burns bij. „Toe, Stenford, ga mee.”„Maar op die touwen zit zoo’n dikke laag stof dat ze niet door de gaten van den vloer heen kunnen,” wierp Stenford tegen.„Ik heb gezien dat een van de touwen nieuw is,” antwoordde ik. „Dat zullen we nemen; dit is het, want het had onderaan een lus. Als we die los maken, dan reikt het zeker tot den grond.”„Toe, St-Sten ga mee,” drong Burns aan. „We zullen p-probeeren of het g-gaat.”„Maar waaraan zitten die touwen vast gemaakt?” vroeg Stenford. „Geloof je, dat zoo’n touw ons zou kunnen houden?”„We zullen zien of ze stevig genoeg zitten,” zei ik. „Dittouw is dus van de verste klok aan den rechterkant Dat treft; het is juist de kant van het raam dat we door moeten.”Burns was intusschen al bezig met de lus uit het touw te halen, waarmede hij spoedig gereed was.„Zie je wel; het sleept zelfs op den grond,” zei ik; „zit er geen knoop of knoest meer in, Burns?”„Nee, je k-kan het ophalen,” verklaarde Burns.Zonder verder bij Stenford aan te dringen, dat hij zou meegaan, begon ik de trap op te klimmen, door Burns op den voet gevolgd.We hoorden Stenford achter ons aankomen en de klokkekamer gingen we met ons drieën binnen.„Waarom kunnen we ons niet van hier af naar beneden laten glijden?” vroeg hij.„Dat is nog al glad,” antwoordde ik. „Hier is toch geen raam om het naar buiten te krijgen.”„Ja, dat is zoo,” mompelde hij. De vensters waren hier in den steenen muur aangebracht en konden niet worden geopend.In de dakkamer was het iets lichter dan op de trap; we konden het bewuste touw duidelijk onderscheiden; het bleek te zijn vast gemaakt aan het rad van een van de grootste klokken.„Trek maar op.” zei ik; „dan zien we gauw genoeg of we het goede touw hebben te pakken.”Zes handen begonnen aan het touw te trekken alsof een emmer uit een put werd gehaald.Het ging gesmeerd; in een oogenblik hadden we het naar boven gekregen en lag het als een kabel aan onze voeten.„Ja, het is het goede,” verklaarde Stenford. „Zou het stevig genoeg zijn vastgemaakt? Hè, was het maar wat lichter!”„Ik durf het er op wagen,” zei ik. „Het heeft toch die zware klok in beweging moeten brengen.”„Ik w-waag het er op,” zei Burns.„Bravo, Robert Burns!” riep Stenford, wiens vroolijke, opgewekteaard weer boven kwam. „Zou jij het eerst durven gaan?”„Zeker,” verklaarde Burns heel beslist.„Nee, Stenford, jij moet eerst gaan,” zei ik. „Jij bent handiger. Houd jij het touw vast als je beneden bent; dat is voor ons gemakkelijker.”„Best,” antwoordde Stenford. „Geloof je dat het door de zwaarte recht zal afhangen?”„Dat zullen we gauw genoeg gewaar worden,” antwoordde ik; „laten we dat luik weg halen.”In een oogwenk hadden we het luik er af, en lieten we het touw door het raam vieren. In de schemering zagen we het heen en weer zwaaien, terwijl onze drie hoofden zich voor het raam verdrongen om het touw te volgen dat langzaam daalde.„Die vooruitstekende rand is een leelijk ding,” zei Stenford; „dat is bij de verdieping van de klokkekamer. Als het daar maar niet blijft haken.”Dit gebeurde echter niet. Al zwaaiend en bengelend zakte het touw, dat eindelijk in de volle lengte afhing, en volgens onze berekening zeker wel tot den grond moest reiken.„Dat zullen we ten minste maar hopen,” zei Stenford. „We zullen het gauw genoeg ondervinden.”„Het touw leek me verschrikkelijk lang,” zei ik; „misschien sleept het wel op den grond.”Ik trok het nu recht van het rad naar het raam.„Hoe voelt het?” vroeg Stenford.„Stevig als een muur,” antwoordde ik. „Geen verwikken of verwegen aan.”„H’m,” zei Stenford, die voor het raam stond en naar beneden keek. „Het lijkt me een heele reis.”Burns lachte, doch scheen zich nu minder op zijn gemak te gevoelen dan straks. „Het touw zwaait wel erg,” merkte hij op.„Als je eraan hangt zal het wel niet meer zwaaien,” antwoorddeik. Ik had het plan gemaakt en kon nu niet velen dat telkens bezwaren werden geopperd.„Ik voor mij zou graag zien dat een flinke kerel het beneden strak hield,” zei Stenford. „Dus—ik moet het eerst gaan?”Zonder antwoord af te wachten klauterde hij op de vensterbank; hier keerde hij zich om en greep het touw met beide handen vast, terwijl hij het ook zooveel mogelijk tusschen de knieën hield.„Niet naar beneden kijken,” riep ik, toen ik zag dat hij het hoofd wilde omdraaien. „Blijf maar naar boven zien en houd je handen goed vast!”Op dit oogenblik dacht ik aan Bob die den avonturier zeer zeker moed zou hebben ingesproken. Burns en ik hielden het touw zoo strak mogelijk en een weinig in de hoogte, omdat ik bang was dat het zou slijten als het te veel tegen de vensterlijst schuurde, want het hout was ruw en scherp.„Nou, ik ga er vandoor,” zei Stenford met een eigenaardigen klank in zijn stem, terwijl hij zich langzaam van de vensterbank liet glijden.
„Vooruit dan,” riep Stenford, die zichzelf als koorleider had opgeworpen; „als ik drie zeg, dan gil je het uit zoo hard als je kunt.”
„Maar wat moeten we uitgillen?” vroeg Burns.
„Schreeuw maar wat je wilt. Roep hal-lo, dat is toch misschien beter.—Klaar?”
Zesmaal schreeuwden we „hal-lo” en wachtten wat er zou gebeuren; wederom zesmaal geschreeuw en wederom wachten en toen gilden we het voor de derde maal zes keer achter elkaar uit.
„De wind waait den verkeerden kant uit,” zei ik; „het geluid gaat juist van het dorp af.”
Toch gaven we het niet op. Ons „Hal-lo” weerklonk op alle mogelijke hooge en lage tonen; het was of we koorzangers waren die zich met woesten ijver op de zangstudie toelegden. Toen we schor waren tuurden we met de grootste aandacht in de diepte om te zien of er ook iemand met een licht kwam aanzetten uit de richting van het dorp. Doch wij konden geen levend wezen gewaar worden.
„Ze h-hooren ons n-niet,” zei Burns.
„Die lui zijn zeker allemaal doof,” zei Stenford, die ongeduldig met zijn voet stond te stampen; „en als ze onshooren, dan denken ze misschien dat een haan staat te kraaien of een ander onmogelijk dier.”
Heel vleiend voor onze stemmen klonk dit niet, maar ik hield die opmerking maar voor me.
„Hanen kraaien niet ’s n-nachts,” zei Burns.
„Och, zeur niet, kerel! ’t Is best mogelijk dat ze ons dan houden voor loeiende koeien of balkende ezels, of wat je maar wilt.”
„Ik voor mij geloof dat ze niets hebben gehoord,” zei ik toen we een tijd lang hadden gezwegen. „Als we maar wat licht konden maken,” voegde ik er bij.
„Die lui zijn zeker even blind als doof,” mompelde Stenford; „maar hoe zou je licht kunnen maken?”
„Dat weet ik niet,” antwoordde ik. „Had ik maar de electrische lamp van Bob,” dacht ik bij mezelf.
„Het geeft geen steek of we hier al blijven staan,” zei Stenford. „Toe, ga mee.”
Ik zorgde er nu wel voor om niet de achterhoede te vormen, want ik gevoelde weinig lust om dat luik voor de tweede maal op mijn hoofd te krijgen. Het zware ding kwam neer met een plof die den toren deed dreunen.
„’k Ga niet meer op het dak,” zei Stenford, toen hij en Burns zich wederom bij mij hadden gevoegd, blazend en hijgend. „Ik dacht dat we er allebei het hachje zouden inschieten toen dat luik met een smak dicht viel. Voor m’n heele leven heb ik genoeg van zware luiken.”
„Wat zullen we nu doen?” vroeg ik, toen we in de klokkekamer waren beland.
„Vraag dat aan je grootje,” zei Stenford. „We zullen hier vannacht wel moeten blijven.”
De klok begon wederom te slaan. „Zouden we d-dat ding niet kunnen laten stilhouden?” vroeg Burns.
„Waarom?” vroeg Stenford. „Denk je dan dat de tijd ook zou stil staan en dat we daardoor minder op ons gezicht zouden krijgen van Kijkers?”
„Nee, zoo’n uil b-ben ik n-niet,” antwoordde Burns; „m-maar d-dat zouden z-ze toch in het dorp m-merken?”
„Geen denken aan!” zei Stenford die blijkbaar weinig idee had van het verstand van dorpbewoners. „Die lui weten misschien niet eens welke maand van het jaar we op het oogenblik hebben.”
Plotseling kwam ik op een inval.
„Ik weet wat,” riep ik uit op zóó verheugden toon dat Stenford een oogenblik werd opgevroolijkt.
„We kunnen de klok luiden,” zei ik.
„Dan zullen ze denken dat de klokkeluiders bezig zijn te oefenen.”
„Maar dat zullen de klokkeluiders zelf toch niet denken als ze rustig en wel thuis zitten.”
„Hm,” bromde Stenford; „we zouden het kunnen probeeren, maar als de kerels komen aanzetten, dan ziet het er misschien leelijk voor ons uit.”
„Als z-ze k-komen, k-kunnen we d-dan niet ontsnappen?” vroeg Burns.
„Het zou Kolman misschien ter oore komen,” zei Stenford die ernstig het hoofd schudde, „en dan zouden we er geducht van langs krijgen.”
„Maar dan w-waren we hier t-ten minste v-vandaan,” zei Burns.
„Dat is een feit. Wat dunkt jullie? Zullen we het er op wagen?”
We daalden de trap af tot waar de touwen binnen ons bereik hingen; toen bleven we stil staan.
„Kunnen jullie klokken luiden?” vroeg Stenford.
„Nee,” antwoordde ik. „Je hebt toch alleen maar aan het touw te trekken, niet?”
„Heel g-gemakkelijk w-werk,” verklaarde Burns.
„Jawel, maar ik heb wel ’s hooren zeggen dat als je niet heel voorzichtig bent, dan neemt het touw je mee in devaart en dan wordt je schedel tegen de zoldering gekraakt.”
„Dat zal nog wel gaan,” zei ik. „Toe vooruit; laten we de touwen met ons drieën grijpen. Het is misschien zwaar werk.”
We begonnen te trekken en te trekken, doch tevergeefs.
„L-lastig k-karweitje,” verklaarde Burns die met zijn heele gewicht aan het touw hing.
„Waarom kunnen die dingen niet behoorlijk in orde zijn,” zei Stenford kwaad.
We stonden nu in volslagen duisternis; ieder hing aan een touw en we luisterden aandachtig of we ook een klank van metaal boven ons hoofd vernamen.
„Weet je wat we konden doen?” zei Stenford. „Burns, luister, ik kan geen steek van je zien. Als je het touw wat heen en weer laat glijden door je handen, dan komt er misschien beweging in. Dat doen klokkeluiders ook.”
Nauwelijks had ik dit bevel opgevolgd, of ik kwam op een inval. „Scheid uit met trekken; ik weet wat,” riep ik.
„Ik verzeker je dat dit de manier is,” wierp Stenford tegen.
„Maar ik weet iets veel beters dan de klok te luiden.”
„Wat dan?”
„Kunnen jullie langs een touw naar beneden glijden?”
„Op gym dikwijls genoeg gedaan,” antwoordde Stenford.
„En jij, Burns?” vroeg ik.
„Ik kan het tamelijk goed,” antwoordde Burns nederig.
„Ik weet niet of ik het er behoorlijk zal kunnen afbrengen, maar ik wil het graag probeeren.”
„Wat wou je dan?” zei Stenford.
„Als we naar de klokkekamer trekken, kan kunnen we een van die touwen naar boven halen door den vloer heen van de verschillende verdiepingen.”
„Dat kunnen we zeker.”
„Dan halen we dat gebroken luik weg van het raam en gooien het touw er door.”
„Maar denk je dat de lui in het dorp dat ding zullen zien?” vroeg Stenford.
„’t Is ten minste te hopen van niet,” antwoordde ik.
„O, ik b-begrijp het!” riep Burns verrukt uit. „W-we g-gaan door het r-raam en l-laten ons n-naar b-beneden g-glijden l-langs het touw!”
„Juist,” zei ik, „en dan gaan we er vandoor, zonder door iemand te zijn gesnapt.”
Stenford was misschien kwaad op zichzelf dat hij niet op dien inval was gekomen. Hij wilde tegenover een nieuweling als ik niet onmiddellijk toegeven.
„Een zonderling plan,” merkte hij op.
„Maar het is best te doen,” antwoordde ik. „Toe ga mee.”
„Maar zou het touw lang genoeg zijn?” vroeg hij.
„Natuurlijk,” zei ik;„die touwen reiken hier toch bijna tot den vloer. We gooien er een buiten het raam met dat gebroken luik dat zich gelukkig juist aan den anderen kant als het dorp bevindt—we behoeven dan niet meer dan een kleinen sprong te doen om op den grond terecht te komen. ’t Is geen oortje waard. Bij dat gedeelte van den toren loopt de grond zelfs een beetje op.”
„J-ja, d-dat is zoo,” viel Burns bij. „Toe, Stenford, ga mee.”
„Maar op die touwen zit zoo’n dikke laag stof dat ze niet door de gaten van den vloer heen kunnen,” wierp Stenford tegen.
„Ik heb gezien dat een van de touwen nieuw is,” antwoordde ik. „Dat zullen we nemen; dit is het, want het had onderaan een lus. Als we die los maken, dan reikt het zeker tot den grond.”
„Toe, St-Sten ga mee,” drong Burns aan. „We zullen p-probeeren of het g-gaat.”
„Maar waaraan zitten die touwen vast gemaakt?” vroeg Stenford. „Geloof je, dat zoo’n touw ons zou kunnen houden?”
„We zullen zien of ze stevig genoeg zitten,” zei ik. „Dittouw is dus van de verste klok aan den rechterkant Dat treft; het is juist de kant van het raam dat we door moeten.”
Burns was intusschen al bezig met de lus uit het touw te halen, waarmede hij spoedig gereed was.
„Zie je wel; het sleept zelfs op den grond,” zei ik; „zit er geen knoop of knoest meer in, Burns?”
„Nee, je k-kan het ophalen,” verklaarde Burns.
Zonder verder bij Stenford aan te dringen, dat hij zou meegaan, begon ik de trap op te klimmen, door Burns op den voet gevolgd.
We hoorden Stenford achter ons aankomen en de klokkekamer gingen we met ons drieën binnen.
„Waarom kunnen we ons niet van hier af naar beneden laten glijden?” vroeg hij.
„Dat is nog al glad,” antwoordde ik. „Hier is toch geen raam om het naar buiten te krijgen.”
„Ja, dat is zoo,” mompelde hij. De vensters waren hier in den steenen muur aangebracht en konden niet worden geopend.
In de dakkamer was het iets lichter dan op de trap; we konden het bewuste touw duidelijk onderscheiden; het bleek te zijn vast gemaakt aan het rad van een van de grootste klokken.
„Trek maar op.” zei ik; „dan zien we gauw genoeg of we het goede touw hebben te pakken.”
Zes handen begonnen aan het touw te trekken alsof een emmer uit een put werd gehaald.
Het ging gesmeerd; in een oogenblik hadden we het naar boven gekregen en lag het als een kabel aan onze voeten.
„Ja, het is het goede,” verklaarde Stenford. „Zou het stevig genoeg zijn vastgemaakt? Hè, was het maar wat lichter!”
„Ik durf het er op wagen,” zei ik. „Het heeft toch die zware klok in beweging moeten brengen.”
„Ik w-waag het er op,” zei Burns.
„Bravo, Robert Burns!” riep Stenford, wiens vroolijke, opgewekteaard weer boven kwam. „Zou jij het eerst durven gaan?”
„Zeker,” verklaarde Burns heel beslist.
„Nee, Stenford, jij moet eerst gaan,” zei ik. „Jij bent handiger. Houd jij het touw vast als je beneden bent; dat is voor ons gemakkelijker.”
„Best,” antwoordde Stenford. „Geloof je dat het door de zwaarte recht zal afhangen?”
„Dat zullen we gauw genoeg gewaar worden,” antwoordde ik; „laten we dat luik weg halen.”
In een oogwenk hadden we het luik er af, en lieten we het touw door het raam vieren. In de schemering zagen we het heen en weer zwaaien, terwijl onze drie hoofden zich voor het raam verdrongen om het touw te volgen dat langzaam daalde.
„Die vooruitstekende rand is een leelijk ding,” zei Stenford; „dat is bij de verdieping van de klokkekamer. Als het daar maar niet blijft haken.”
Dit gebeurde echter niet. Al zwaaiend en bengelend zakte het touw, dat eindelijk in de volle lengte afhing, en volgens onze berekening zeker wel tot den grond moest reiken.
„Dat zullen we ten minste maar hopen,” zei Stenford. „We zullen het gauw genoeg ondervinden.”
„Het touw leek me verschrikkelijk lang,” zei ik; „misschien sleept het wel op den grond.”
Ik trok het nu recht van het rad naar het raam.
„Hoe voelt het?” vroeg Stenford.
„Stevig als een muur,” antwoordde ik. „Geen verwikken of verwegen aan.”
„H’m,” zei Stenford, die voor het raam stond en naar beneden keek. „Het lijkt me een heele reis.”
Burns lachte, doch scheen zich nu minder op zijn gemak te gevoelen dan straks. „Het touw zwaait wel erg,” merkte hij op.
„Als je eraan hangt zal het wel niet meer zwaaien,” antwoorddeik. Ik had het plan gemaakt en kon nu niet velen dat telkens bezwaren werden geopperd.
„Ik voor mij zou graag zien dat een flinke kerel het beneden strak hield,” zei Stenford. „Dus—ik moet het eerst gaan?”
Zonder antwoord af te wachten klauterde hij op de vensterbank; hier keerde hij zich om en greep het touw met beide handen vast, terwijl hij het ook zooveel mogelijk tusschen de knieën hield.
„Niet naar beneden kijken,” riep ik, toen ik zag dat hij het hoofd wilde omdraaien. „Blijf maar naar boven zien en houd je handen goed vast!”
Op dit oogenblik dacht ik aan Bob die den avonturier zeer zeker moed zou hebben ingesproken. Burns en ik hielden het touw zoo strak mogelijk en een weinig in de hoogte, omdat ik bang was dat het zou slijten als het te veel tegen de vensterlijst schuurde, want het hout was ruw en scherp.
„Nou, ik ga er vandoor,” zei Stenford met een eigenaardigen klank in zijn stem, terwijl hij zich langzaam van de vensterbank liet glijden.