HOOFDSTUK XVIII.

HOOFDSTUK XVIII.WAT IK VERNAM.Door het gewicht van zijn lichaam werden we in een oogwenk naar het raam meegetrokken. Ik kon het rad achter ons hooren kraken onder de strakke spanning van het touw; even was ik bang dat de klok nu toch zou gaan luiden, doch daarvoor was de richting te zijdelingsch.„Als een st-steen d-die naar beneden rolt!” riep Burns uit.Toen ik mijn hoofd over de vensterbank boog had Stenford den vooruitstekenden rand bereikt bij de verdieping van de klokkekamer; een oogenblik liet hij de voeten hierop rusten, maar het touw slingerde als een wijzer heen en weer en bijna onmiddellijk werd de tocht voortgezet. Even later, naar het ons toescheen, voelden we het touw weer slap hangen.„Ben je beneden?” riep ik.„Ja,” antwoordde hij, „maar laat Burns niet komen voordat ik het zeg. Als ie kan moet ie zijn beenen om het touw zien te kronkelen.”Zijn stem drong ternauwernood tot ons door. Ik begreep dat het toch niet zoo gemakkelijk was om langs dat touw naar beneden te glijden. Een rilling voer door me heen bij de gedachte dat hij het touw zou hebben kunnen loslaten en te pletter zijn gevallen; dan zou ik zijn dood op mijn geweten hebben gehad. Zelf had ik het eerst moeten gaan om den sleutelergens vandaan te halen; dan had ik de deur voor de anderen kunnen open sluiten, al zouden we dan ook zijn gesnapt.„Het is te gewaagd, Burns,” zei ik. „Ga niet.”Burns scheen echter vast besloten het wel te wagen. Hijgend en blazend zat hij op de vensterbank te wachten tot Stenford het sein zou geven.Het touw werd nu plotseling strak gespannen doordat er van beneden aan werd getrokken. We zagen in de diepte een donkere stip, de pet van Stenford.„Vooruit maar!” riep hij, en als een aal gleed Burns omlaag. Een oogenblik dacht ik dat zijn plompe lichaam tegen den vooruitstekenden rand zou aanbonsen, maar neen—hij ging er langs en even later voelde ik wederom het touw slap hangen.„Wacht nog even!” riep Stenford opnieuw. „Ja, zoo; kom maar!”Ik kroop nu op de vensterbank en begon te dalen. Eerst dacht ik dat het touw in brand zou vliegen, zoo gloeiend voelde het aan toen ik er langs gleed, maar als ik het een sekonde los liet, dan zou ik te pletter vallen. Ik was me nog bewust dat ik den vooruitstekenden rand had bereikt; ik hoopte nu weldra vasten grond onder de voeten te gevoelen, maar nog altijd had ik dat gloeiende touw in de handen; eindelijk voelde ik iets zachts en stevigs onder me en kwam ik tot het besef dat ik op mijn rug lag op een grasperk van het kerkhof.„Je hebt het er goed afgebracht,” zei Stenford. „Eerst is het een beetje een raar gevoel, hè?”„Mijn handen doen zoo zeer,” antwoordde ik. „Ze bloeden,” riep ik uit, toen ik ernaar keek omdat ze ineens zoo nat aanvoelden.„Dat is met Burns en mij ook het geval,” zei Stenford. „Dat was nog ’s wrijving. Maar we zijn beneden; dat is het voornaamste.”„Ja, w-we zijn b-beneden,” beaamde Burns.„Maar we zijn nog niet thuis,” merkte ik op.Een oogenblik gingen we naast elkaar zitten in het koele gras om te beraadslagen, terwijl we onze verwonde handen met zakdoeken afveegden.„Ik heb er genoeg van om langs touwen naar beneden te glijden,” zei Stenford. „Bij jullie hing het ten minste strak, maar ik bengelde en bengelde als—ja, ik weet niet als wat. Maar ik ben dood op en ik rammel van den honger.”„En we weten niet den weg naar huis,” zei ik.„En d-dien k-kunnen we n-niet vragen,” viel Burns in.„Ik w-weet wat,” zei Stenford met een geeuw. „We zullen naar de zee trekken.”„W-wou je niet t-terug?” vroeg Burns op een toon van angstige verbazing.„Jawel; ik ben niet van plan om als een zeeman het ruime sop te kiezen, ten minste niet zoo gauw na die touwgeschiedenis. Aan boord ben je immers den heelen dag met touwen en kabels bezig, is het niet, Ellinghem?”„Kom, zeur nou niet langer,” antwoordde ik; „laten we liever ’s beraadslagen hoe we het gauwst naar huis komen.”„We weten van hier af niet aan welken kant de zee ligt. Daarom moeten we om dit lamme dorp heentrekken en dan zullen we de zee zien. Vanaf de klippen worden we natuurlijk dadelijk de lichten van St. Martin gewaar en den vuurtoren in de eerste plaats. Dat zullen we dus maar doen, hè?”„We zullen niet voor middernacht thuis komen,” merkte ik op met een zucht.„Daarom moeten we ons op weg begeven, hoe eer hoe beter,” antwoordde Stenford. „Vooruit, Burns, als je langer blijft zitten, dan verander je zelf nog in een struik, kerel.”We slopen behoedzaam over het gras en tusschen de zerken door die in het schemerdonker ons spookachtige gestalten toeschenen; we liepen daarna langs den muur enkwamen in een laan terecht en toen op een straatweg en toen weer in een laan, en eindelijk hadden we de zee bereikt en zagen we de lichten van St. Martin flikkeren in de verte.Het was een geducht eind dat we moesten afleggen en toen we de school waren genaderd staken we loom en vermoeid het vierkante plein over zonder een woord tegen elkaar te zeggen.We bleven nu stilstaan.„We moeten niet tegelijk naar binnen,” ried Stenford aan. „Het kan zijn dat we niet zijn gesnapt bij het afroepen van de namen.”„Dat kan je begrijpen,” zei Burns. „Ga jij maar voorop, dan kom ik achter je aan.”„Net als straks!” zei ik. „Dan ben ik nummer drie.”„Praat me niet meer van dat touw,” zei Stenford; „mijn handen doen nog zoo’n pijn. Het is het best dat je twee minuten wacht, Burns; nou ik ga!” In een wip was hij verdwenen om den hoek van het gebouw.„Ga jij nu,” zei ik, toen de twee minuten, volgens mijn berekening waren verstreken, waarop Burns verdween; ik bleef alleen achter.Ik gevoelde me zoo dood-vermoeid na ons avontuur en het leek me zoo ondenkbaar dat de afwezigheid van drie jongens niet zou zijn bemerkt, dat ik zeer zeker regelrecht naar binnen zou zijn getrokken als Stenford en Burns er niet op hadden aangedrongen om een voor een binnen te sluipen. Door mijn roekeloosheid wilde ik niet de kans voor hen bederven om niet te worden gesnapt. Ik leunde tegen den muur bij de hoofddeur om een weinig uit te rusten, en het scheelde weinig of ik was van vermoeidheid in slaap gevallen.Plotseling werd ik klaar wakker, want ik vernam het geluid van voetstappen en stemmen in dat gedeelte van het gebouw dat zich vlak boven mijn hoofd bevond. Ik wist dat daar een gang liep, waarvan het raam nu openstond. Die gang was spaarzaam verlicht, daar ze op dit late uur zoo goed als verlaten lag. Na zes uur ’s avonds kwam eigenlijk niemand meer in dit gedeelte van het gebouw. De voetstappen klonken luider. „Zeker een paar van de groote jongens,” zei ik bij mezelf, want ik kon hooren dat ze lange stappen namen. Toen herkende ik de stemmen, en het leek me een raadsel dat die twee met elkaar liepen op dit ongewone uur.De stem van Bob had ik onmiddellijk herkend. Het was wel vreemd dat hij zich op dezen tijd op zulk een afstand bevond van zijn studeerkamer, maar nog vreemder was het dat ik aan die andere stem Brunton herkende, en het vreemdst van alles was dat ik mijn naam hoorde noemen toen ze kwamen aanzetten.Ik had hun gesprek natuurlijk niet mogen afluisteren; ik weet dat ik verkeerd deed, maar alles gebeurde zoo onverwacht, dat ik al het een en ander had opgevangen voordat ik mijzelf rekenschap had gegeven van hetgeen ik had gedaan; op dat oogenblik ging bovendien de deur open en verscheen de portier om eens een luchtje te scheppen. Ik zag zijn forsch gebouwd lichaam zich afteekenen tegen het licht dat nu naar buiten straalde, en als ik maar even had bewogen, dan zou hij me zeker hebben gesnapt.„En als ik het je nu eens vroeg als een gunst?” zei Bob, die nu met Brunton vlak bij het raam moest staan, want elk woord kan ik opvangen.Ik kon mijn ooren niet gelooven: Bob die om een gunst vroeg aan Brunton!„En wat dan?” zei Brunton met zijn zware stem die zoo onaangenaam klonk.„Maar wat heb je eraan om het hem te vertellen,” zei Bob; uit zijn toon meende ik op te maken dat het hem geweldig hinderde dat hij op die manier met dien ellendeling moest praten.„Dat doet er niet toe,” zei Brunton.„Ik vraag je alleen of je de zaak op die manier wilt beschouwen,” hernam Bob die hem blijkbaar tot iets wilde overhalen.„Waarom zou ik dat doen?” vroeg Brunton.„Als je het hem vertelt, dan doe je hiermee een hoop kwaad,” hernam Bob. „Hij vermoedt nu nog niets.”„Weet je dat zeker?” vroeg Brunton.„Ja. Als je het hem vertelt, dan is er niets meer aan te doen. Dan kan je je woorden niet herroepen.”„Nee, dat begrijp ik,” zei Brunton. „Zoo’n uil ben ik ook niet.”„Dat weet ik,” hernam Bob met een lichte beving in zijn stem, waardoor ik begreep dat hij driftig werd. Hoe hij zich zoo lang had kunnen goed houden (want Bob was driftig uitgevallen), terwijl Brunton op zoo onbeschaamden toon tot hem sprak, dat leek me een raadsel, te meer daar hij zoo’n hekel had aan dien akeligen jongen.Een tijd lang zwegen beiden; toen deed Brunton of hij een geeuw moest onderdrukken. „Heb je nog wat te zeggen?” vroeg hij.Ik hoorde Bob even kuchen. „Luister ’s, Brunton,” zei hij toen; „ik weet dat onze omgang niet al te vriendschappelijk is geweest....”„Nee, dat is zoo,” beaamde Brunton met een hoonlach.„Als we voortaan hierin eens verandering brachten,” hernam Bob; „het spijt me als ik je op de een of andere manier heb beleedigd, maar laten we het verleden laten rusten. Je weet nu wat ik van je weet. Als je belooft dat nooit meer te doen dan kunnen we goede kameraden worden, en dan beloof ik je op mijn woord dat ik er tegen niemand ooit over zal reppen.”Brunton mompelde wat.„Dus het is een koop dien we sluiten?” hield Bob aan. „Ik heb nu met je willen bijleggen maar ik wil niet dat Ellinghem hier iets van hoort.”„Dat blijkt,” zei Brunton.„Als jij belooft dat je het hem niet zult vertellen, dan beloof ik jou dat ik over die bewuste zaak zal zwijgen.”„Ik pas voor zoo’n belofte,” riep Brunton nijdig. „Ik dank je stichtelijk voor zoo’n ruil.”„Heel goed,” zei Bob met een zucht, „als je het op die manier opneemt, dan kan ik er niets aan doen. Ik heb nu al het mogelijke beproefd.”„Dat heb je niet,” snauwde Brunton hem toe.Wederom een stilte.„Wou je soms zeggen,” hernam Bob op aarzelenden toon, „dat ik je zou kunnen afkoopen met geld?”„Natuurlijk, dat spreekt,” zei Brunton die een onaangenamen lach uitstiet.„Heb je geldgebrek?”„Wat een vraag! Wie heeft nou ooit geld genoeg!”„Ben je met tien of twaalf gulden tevreden?”Ik had hooren zeggen dat Bob heel rijk was, maar toch schrok ik ervan toen ik hem zoo’n som hoorde noemen alsof het maar een kleinigheid was.„Jawel, geef op,” antwoordde Brunton nijdig.„Dus het is een koop dien we sluiten en die Ellinghem betreft,” hernam Bob.„Twaalf gulden?” vroeg Brunton.„Ja.”„Maak er vijftien van.”„Zooveel kan ik niet missen,” antwoordde Bob; „me dunkt dat twaalf gulden mooi genoeg is!”„Nou, vooruit dan,” zei Brunton.„Dus de koop is gesloten?”„Ja,” snauwde Brunton.„Ga mee naar mijn kamer,” zei Bob, waarop het geluid van de voetstappen langzamerhand vervaagde.

HOOFDSTUK XVIII.WAT IK VERNAM.Door het gewicht van zijn lichaam werden we in een oogwenk naar het raam meegetrokken. Ik kon het rad achter ons hooren kraken onder de strakke spanning van het touw; even was ik bang dat de klok nu toch zou gaan luiden, doch daarvoor was de richting te zijdelingsch.„Als een st-steen d-die naar beneden rolt!” riep Burns uit.Toen ik mijn hoofd over de vensterbank boog had Stenford den vooruitstekenden rand bereikt bij de verdieping van de klokkekamer; een oogenblik liet hij de voeten hierop rusten, maar het touw slingerde als een wijzer heen en weer en bijna onmiddellijk werd de tocht voortgezet. Even later, naar het ons toescheen, voelden we het touw weer slap hangen.„Ben je beneden?” riep ik.„Ja,” antwoordde hij, „maar laat Burns niet komen voordat ik het zeg. Als ie kan moet ie zijn beenen om het touw zien te kronkelen.”Zijn stem drong ternauwernood tot ons door. Ik begreep dat het toch niet zoo gemakkelijk was om langs dat touw naar beneden te glijden. Een rilling voer door me heen bij de gedachte dat hij het touw zou hebben kunnen loslaten en te pletter zijn gevallen; dan zou ik zijn dood op mijn geweten hebben gehad. Zelf had ik het eerst moeten gaan om den sleutelergens vandaan te halen; dan had ik de deur voor de anderen kunnen open sluiten, al zouden we dan ook zijn gesnapt.„Het is te gewaagd, Burns,” zei ik. „Ga niet.”Burns scheen echter vast besloten het wel te wagen. Hijgend en blazend zat hij op de vensterbank te wachten tot Stenford het sein zou geven.Het touw werd nu plotseling strak gespannen doordat er van beneden aan werd getrokken. We zagen in de diepte een donkere stip, de pet van Stenford.„Vooruit maar!” riep hij, en als een aal gleed Burns omlaag. Een oogenblik dacht ik dat zijn plompe lichaam tegen den vooruitstekenden rand zou aanbonsen, maar neen—hij ging er langs en even later voelde ik wederom het touw slap hangen.„Wacht nog even!” riep Stenford opnieuw. „Ja, zoo; kom maar!”Ik kroop nu op de vensterbank en begon te dalen. Eerst dacht ik dat het touw in brand zou vliegen, zoo gloeiend voelde het aan toen ik er langs gleed, maar als ik het een sekonde los liet, dan zou ik te pletter vallen. Ik was me nog bewust dat ik den vooruitstekenden rand had bereikt; ik hoopte nu weldra vasten grond onder de voeten te gevoelen, maar nog altijd had ik dat gloeiende touw in de handen; eindelijk voelde ik iets zachts en stevigs onder me en kwam ik tot het besef dat ik op mijn rug lag op een grasperk van het kerkhof.„Je hebt het er goed afgebracht,” zei Stenford. „Eerst is het een beetje een raar gevoel, hè?”„Mijn handen doen zoo zeer,” antwoordde ik. „Ze bloeden,” riep ik uit, toen ik ernaar keek omdat ze ineens zoo nat aanvoelden.„Dat is met Burns en mij ook het geval,” zei Stenford. „Dat was nog ’s wrijving. Maar we zijn beneden; dat is het voornaamste.”„Ja, w-we zijn b-beneden,” beaamde Burns.„Maar we zijn nog niet thuis,” merkte ik op.Een oogenblik gingen we naast elkaar zitten in het koele gras om te beraadslagen, terwijl we onze verwonde handen met zakdoeken afveegden.„Ik heb er genoeg van om langs touwen naar beneden te glijden,” zei Stenford. „Bij jullie hing het ten minste strak, maar ik bengelde en bengelde als—ja, ik weet niet als wat. Maar ik ben dood op en ik rammel van den honger.”„En we weten niet den weg naar huis,” zei ik.„En d-dien k-kunnen we n-niet vragen,” viel Burns in.„Ik w-weet wat,” zei Stenford met een geeuw. „We zullen naar de zee trekken.”„W-wou je niet t-terug?” vroeg Burns op een toon van angstige verbazing.„Jawel; ik ben niet van plan om als een zeeman het ruime sop te kiezen, ten minste niet zoo gauw na die touwgeschiedenis. Aan boord ben je immers den heelen dag met touwen en kabels bezig, is het niet, Ellinghem?”„Kom, zeur nou niet langer,” antwoordde ik; „laten we liever ’s beraadslagen hoe we het gauwst naar huis komen.”„We weten van hier af niet aan welken kant de zee ligt. Daarom moeten we om dit lamme dorp heentrekken en dan zullen we de zee zien. Vanaf de klippen worden we natuurlijk dadelijk de lichten van St. Martin gewaar en den vuurtoren in de eerste plaats. Dat zullen we dus maar doen, hè?”„We zullen niet voor middernacht thuis komen,” merkte ik op met een zucht.„Daarom moeten we ons op weg begeven, hoe eer hoe beter,” antwoordde Stenford. „Vooruit, Burns, als je langer blijft zitten, dan verander je zelf nog in een struik, kerel.”We slopen behoedzaam over het gras en tusschen de zerken door die in het schemerdonker ons spookachtige gestalten toeschenen; we liepen daarna langs den muur enkwamen in een laan terecht en toen op een straatweg en toen weer in een laan, en eindelijk hadden we de zee bereikt en zagen we de lichten van St. Martin flikkeren in de verte.Het was een geducht eind dat we moesten afleggen en toen we de school waren genaderd staken we loom en vermoeid het vierkante plein over zonder een woord tegen elkaar te zeggen.We bleven nu stilstaan.„We moeten niet tegelijk naar binnen,” ried Stenford aan. „Het kan zijn dat we niet zijn gesnapt bij het afroepen van de namen.”„Dat kan je begrijpen,” zei Burns. „Ga jij maar voorop, dan kom ik achter je aan.”„Net als straks!” zei ik. „Dan ben ik nummer drie.”„Praat me niet meer van dat touw,” zei Stenford; „mijn handen doen nog zoo’n pijn. Het is het best dat je twee minuten wacht, Burns; nou ik ga!” In een wip was hij verdwenen om den hoek van het gebouw.„Ga jij nu,” zei ik, toen de twee minuten, volgens mijn berekening waren verstreken, waarop Burns verdween; ik bleef alleen achter.Ik gevoelde me zoo dood-vermoeid na ons avontuur en het leek me zoo ondenkbaar dat de afwezigheid van drie jongens niet zou zijn bemerkt, dat ik zeer zeker regelrecht naar binnen zou zijn getrokken als Stenford en Burns er niet op hadden aangedrongen om een voor een binnen te sluipen. Door mijn roekeloosheid wilde ik niet de kans voor hen bederven om niet te worden gesnapt. Ik leunde tegen den muur bij de hoofddeur om een weinig uit te rusten, en het scheelde weinig of ik was van vermoeidheid in slaap gevallen.Plotseling werd ik klaar wakker, want ik vernam het geluid van voetstappen en stemmen in dat gedeelte van het gebouw dat zich vlak boven mijn hoofd bevond. Ik wist dat daar een gang liep, waarvan het raam nu openstond. Die gang was spaarzaam verlicht, daar ze op dit late uur zoo goed als verlaten lag. Na zes uur ’s avonds kwam eigenlijk niemand meer in dit gedeelte van het gebouw. De voetstappen klonken luider. „Zeker een paar van de groote jongens,” zei ik bij mezelf, want ik kon hooren dat ze lange stappen namen. Toen herkende ik de stemmen, en het leek me een raadsel dat die twee met elkaar liepen op dit ongewone uur.De stem van Bob had ik onmiddellijk herkend. Het was wel vreemd dat hij zich op dezen tijd op zulk een afstand bevond van zijn studeerkamer, maar nog vreemder was het dat ik aan die andere stem Brunton herkende, en het vreemdst van alles was dat ik mijn naam hoorde noemen toen ze kwamen aanzetten.Ik had hun gesprek natuurlijk niet mogen afluisteren; ik weet dat ik verkeerd deed, maar alles gebeurde zoo onverwacht, dat ik al het een en ander had opgevangen voordat ik mijzelf rekenschap had gegeven van hetgeen ik had gedaan; op dat oogenblik ging bovendien de deur open en verscheen de portier om eens een luchtje te scheppen. Ik zag zijn forsch gebouwd lichaam zich afteekenen tegen het licht dat nu naar buiten straalde, en als ik maar even had bewogen, dan zou hij me zeker hebben gesnapt.„En als ik het je nu eens vroeg als een gunst?” zei Bob, die nu met Brunton vlak bij het raam moest staan, want elk woord kan ik opvangen.Ik kon mijn ooren niet gelooven: Bob die om een gunst vroeg aan Brunton!„En wat dan?” zei Brunton met zijn zware stem die zoo onaangenaam klonk.„Maar wat heb je eraan om het hem te vertellen,” zei Bob; uit zijn toon meende ik op te maken dat het hem geweldig hinderde dat hij op die manier met dien ellendeling moest praten.„Dat doet er niet toe,” zei Brunton.„Ik vraag je alleen of je de zaak op die manier wilt beschouwen,” hernam Bob die hem blijkbaar tot iets wilde overhalen.„Waarom zou ik dat doen?” vroeg Brunton.„Als je het hem vertelt, dan doe je hiermee een hoop kwaad,” hernam Bob. „Hij vermoedt nu nog niets.”„Weet je dat zeker?” vroeg Brunton.„Ja. Als je het hem vertelt, dan is er niets meer aan te doen. Dan kan je je woorden niet herroepen.”„Nee, dat begrijp ik,” zei Brunton. „Zoo’n uil ben ik ook niet.”„Dat weet ik,” hernam Bob met een lichte beving in zijn stem, waardoor ik begreep dat hij driftig werd. Hoe hij zich zoo lang had kunnen goed houden (want Bob was driftig uitgevallen), terwijl Brunton op zoo onbeschaamden toon tot hem sprak, dat leek me een raadsel, te meer daar hij zoo’n hekel had aan dien akeligen jongen.Een tijd lang zwegen beiden; toen deed Brunton of hij een geeuw moest onderdrukken. „Heb je nog wat te zeggen?” vroeg hij.Ik hoorde Bob even kuchen. „Luister ’s, Brunton,” zei hij toen; „ik weet dat onze omgang niet al te vriendschappelijk is geweest....”„Nee, dat is zoo,” beaamde Brunton met een hoonlach.„Als we voortaan hierin eens verandering brachten,” hernam Bob; „het spijt me als ik je op de een of andere manier heb beleedigd, maar laten we het verleden laten rusten. Je weet nu wat ik van je weet. Als je belooft dat nooit meer te doen dan kunnen we goede kameraden worden, en dan beloof ik je op mijn woord dat ik er tegen niemand ooit over zal reppen.”Brunton mompelde wat.„Dus het is een koop dien we sluiten?” hield Bob aan. „Ik heb nu met je willen bijleggen maar ik wil niet dat Ellinghem hier iets van hoort.”„Dat blijkt,” zei Brunton.„Als jij belooft dat je het hem niet zult vertellen, dan beloof ik jou dat ik over die bewuste zaak zal zwijgen.”„Ik pas voor zoo’n belofte,” riep Brunton nijdig. „Ik dank je stichtelijk voor zoo’n ruil.”„Heel goed,” zei Bob met een zucht, „als je het op die manier opneemt, dan kan ik er niets aan doen. Ik heb nu al het mogelijke beproefd.”„Dat heb je niet,” snauwde Brunton hem toe.Wederom een stilte.„Wou je soms zeggen,” hernam Bob op aarzelenden toon, „dat ik je zou kunnen afkoopen met geld?”„Natuurlijk, dat spreekt,” zei Brunton die een onaangenamen lach uitstiet.„Heb je geldgebrek?”„Wat een vraag! Wie heeft nou ooit geld genoeg!”„Ben je met tien of twaalf gulden tevreden?”Ik had hooren zeggen dat Bob heel rijk was, maar toch schrok ik ervan toen ik hem zoo’n som hoorde noemen alsof het maar een kleinigheid was.„Jawel, geef op,” antwoordde Brunton nijdig.„Dus het is een koop dien we sluiten en die Ellinghem betreft,” hernam Bob.„Twaalf gulden?” vroeg Brunton.„Ja.”„Maak er vijftien van.”„Zooveel kan ik niet missen,” antwoordde Bob; „me dunkt dat twaalf gulden mooi genoeg is!”„Nou, vooruit dan,” zei Brunton.„Dus de koop is gesloten?”„Ja,” snauwde Brunton.„Ga mee naar mijn kamer,” zei Bob, waarop het geluid van de voetstappen langzamerhand vervaagde.

HOOFDSTUK XVIII.WAT IK VERNAM.

Door het gewicht van zijn lichaam werden we in een oogwenk naar het raam meegetrokken. Ik kon het rad achter ons hooren kraken onder de strakke spanning van het touw; even was ik bang dat de klok nu toch zou gaan luiden, doch daarvoor was de richting te zijdelingsch.„Als een st-steen d-die naar beneden rolt!” riep Burns uit.Toen ik mijn hoofd over de vensterbank boog had Stenford den vooruitstekenden rand bereikt bij de verdieping van de klokkekamer; een oogenblik liet hij de voeten hierop rusten, maar het touw slingerde als een wijzer heen en weer en bijna onmiddellijk werd de tocht voortgezet. Even later, naar het ons toescheen, voelden we het touw weer slap hangen.„Ben je beneden?” riep ik.„Ja,” antwoordde hij, „maar laat Burns niet komen voordat ik het zeg. Als ie kan moet ie zijn beenen om het touw zien te kronkelen.”Zijn stem drong ternauwernood tot ons door. Ik begreep dat het toch niet zoo gemakkelijk was om langs dat touw naar beneden te glijden. Een rilling voer door me heen bij de gedachte dat hij het touw zou hebben kunnen loslaten en te pletter zijn gevallen; dan zou ik zijn dood op mijn geweten hebben gehad. Zelf had ik het eerst moeten gaan om den sleutelergens vandaan te halen; dan had ik de deur voor de anderen kunnen open sluiten, al zouden we dan ook zijn gesnapt.„Het is te gewaagd, Burns,” zei ik. „Ga niet.”Burns scheen echter vast besloten het wel te wagen. Hijgend en blazend zat hij op de vensterbank te wachten tot Stenford het sein zou geven.Het touw werd nu plotseling strak gespannen doordat er van beneden aan werd getrokken. We zagen in de diepte een donkere stip, de pet van Stenford.„Vooruit maar!” riep hij, en als een aal gleed Burns omlaag. Een oogenblik dacht ik dat zijn plompe lichaam tegen den vooruitstekenden rand zou aanbonsen, maar neen—hij ging er langs en even later voelde ik wederom het touw slap hangen.„Wacht nog even!” riep Stenford opnieuw. „Ja, zoo; kom maar!”Ik kroop nu op de vensterbank en begon te dalen. Eerst dacht ik dat het touw in brand zou vliegen, zoo gloeiend voelde het aan toen ik er langs gleed, maar als ik het een sekonde los liet, dan zou ik te pletter vallen. Ik was me nog bewust dat ik den vooruitstekenden rand had bereikt; ik hoopte nu weldra vasten grond onder de voeten te gevoelen, maar nog altijd had ik dat gloeiende touw in de handen; eindelijk voelde ik iets zachts en stevigs onder me en kwam ik tot het besef dat ik op mijn rug lag op een grasperk van het kerkhof.„Je hebt het er goed afgebracht,” zei Stenford. „Eerst is het een beetje een raar gevoel, hè?”„Mijn handen doen zoo zeer,” antwoordde ik. „Ze bloeden,” riep ik uit, toen ik ernaar keek omdat ze ineens zoo nat aanvoelden.„Dat is met Burns en mij ook het geval,” zei Stenford. „Dat was nog ’s wrijving. Maar we zijn beneden; dat is het voornaamste.”„Ja, w-we zijn b-beneden,” beaamde Burns.„Maar we zijn nog niet thuis,” merkte ik op.Een oogenblik gingen we naast elkaar zitten in het koele gras om te beraadslagen, terwijl we onze verwonde handen met zakdoeken afveegden.„Ik heb er genoeg van om langs touwen naar beneden te glijden,” zei Stenford. „Bij jullie hing het ten minste strak, maar ik bengelde en bengelde als—ja, ik weet niet als wat. Maar ik ben dood op en ik rammel van den honger.”„En we weten niet den weg naar huis,” zei ik.„En d-dien k-kunnen we n-niet vragen,” viel Burns in.„Ik w-weet wat,” zei Stenford met een geeuw. „We zullen naar de zee trekken.”„W-wou je niet t-terug?” vroeg Burns op een toon van angstige verbazing.„Jawel; ik ben niet van plan om als een zeeman het ruime sop te kiezen, ten minste niet zoo gauw na die touwgeschiedenis. Aan boord ben je immers den heelen dag met touwen en kabels bezig, is het niet, Ellinghem?”„Kom, zeur nou niet langer,” antwoordde ik; „laten we liever ’s beraadslagen hoe we het gauwst naar huis komen.”„We weten van hier af niet aan welken kant de zee ligt. Daarom moeten we om dit lamme dorp heentrekken en dan zullen we de zee zien. Vanaf de klippen worden we natuurlijk dadelijk de lichten van St. Martin gewaar en den vuurtoren in de eerste plaats. Dat zullen we dus maar doen, hè?”„We zullen niet voor middernacht thuis komen,” merkte ik op met een zucht.„Daarom moeten we ons op weg begeven, hoe eer hoe beter,” antwoordde Stenford. „Vooruit, Burns, als je langer blijft zitten, dan verander je zelf nog in een struik, kerel.”We slopen behoedzaam over het gras en tusschen de zerken door die in het schemerdonker ons spookachtige gestalten toeschenen; we liepen daarna langs den muur enkwamen in een laan terecht en toen op een straatweg en toen weer in een laan, en eindelijk hadden we de zee bereikt en zagen we de lichten van St. Martin flikkeren in de verte.Het was een geducht eind dat we moesten afleggen en toen we de school waren genaderd staken we loom en vermoeid het vierkante plein over zonder een woord tegen elkaar te zeggen.We bleven nu stilstaan.„We moeten niet tegelijk naar binnen,” ried Stenford aan. „Het kan zijn dat we niet zijn gesnapt bij het afroepen van de namen.”„Dat kan je begrijpen,” zei Burns. „Ga jij maar voorop, dan kom ik achter je aan.”„Net als straks!” zei ik. „Dan ben ik nummer drie.”„Praat me niet meer van dat touw,” zei Stenford; „mijn handen doen nog zoo’n pijn. Het is het best dat je twee minuten wacht, Burns; nou ik ga!” In een wip was hij verdwenen om den hoek van het gebouw.„Ga jij nu,” zei ik, toen de twee minuten, volgens mijn berekening waren verstreken, waarop Burns verdween; ik bleef alleen achter.Ik gevoelde me zoo dood-vermoeid na ons avontuur en het leek me zoo ondenkbaar dat de afwezigheid van drie jongens niet zou zijn bemerkt, dat ik zeer zeker regelrecht naar binnen zou zijn getrokken als Stenford en Burns er niet op hadden aangedrongen om een voor een binnen te sluipen. Door mijn roekeloosheid wilde ik niet de kans voor hen bederven om niet te worden gesnapt. Ik leunde tegen den muur bij de hoofddeur om een weinig uit te rusten, en het scheelde weinig of ik was van vermoeidheid in slaap gevallen.Plotseling werd ik klaar wakker, want ik vernam het geluid van voetstappen en stemmen in dat gedeelte van het gebouw dat zich vlak boven mijn hoofd bevond. Ik wist dat daar een gang liep, waarvan het raam nu openstond. Die gang was spaarzaam verlicht, daar ze op dit late uur zoo goed als verlaten lag. Na zes uur ’s avonds kwam eigenlijk niemand meer in dit gedeelte van het gebouw. De voetstappen klonken luider. „Zeker een paar van de groote jongens,” zei ik bij mezelf, want ik kon hooren dat ze lange stappen namen. Toen herkende ik de stemmen, en het leek me een raadsel dat die twee met elkaar liepen op dit ongewone uur.De stem van Bob had ik onmiddellijk herkend. Het was wel vreemd dat hij zich op dezen tijd op zulk een afstand bevond van zijn studeerkamer, maar nog vreemder was het dat ik aan die andere stem Brunton herkende, en het vreemdst van alles was dat ik mijn naam hoorde noemen toen ze kwamen aanzetten.Ik had hun gesprek natuurlijk niet mogen afluisteren; ik weet dat ik verkeerd deed, maar alles gebeurde zoo onverwacht, dat ik al het een en ander had opgevangen voordat ik mijzelf rekenschap had gegeven van hetgeen ik had gedaan; op dat oogenblik ging bovendien de deur open en verscheen de portier om eens een luchtje te scheppen. Ik zag zijn forsch gebouwd lichaam zich afteekenen tegen het licht dat nu naar buiten straalde, en als ik maar even had bewogen, dan zou hij me zeker hebben gesnapt.„En als ik het je nu eens vroeg als een gunst?” zei Bob, die nu met Brunton vlak bij het raam moest staan, want elk woord kan ik opvangen.Ik kon mijn ooren niet gelooven: Bob die om een gunst vroeg aan Brunton!„En wat dan?” zei Brunton met zijn zware stem die zoo onaangenaam klonk.„Maar wat heb je eraan om het hem te vertellen,” zei Bob; uit zijn toon meende ik op te maken dat het hem geweldig hinderde dat hij op die manier met dien ellendeling moest praten.„Dat doet er niet toe,” zei Brunton.„Ik vraag je alleen of je de zaak op die manier wilt beschouwen,” hernam Bob die hem blijkbaar tot iets wilde overhalen.„Waarom zou ik dat doen?” vroeg Brunton.„Als je het hem vertelt, dan doe je hiermee een hoop kwaad,” hernam Bob. „Hij vermoedt nu nog niets.”„Weet je dat zeker?” vroeg Brunton.„Ja. Als je het hem vertelt, dan is er niets meer aan te doen. Dan kan je je woorden niet herroepen.”„Nee, dat begrijp ik,” zei Brunton. „Zoo’n uil ben ik ook niet.”„Dat weet ik,” hernam Bob met een lichte beving in zijn stem, waardoor ik begreep dat hij driftig werd. Hoe hij zich zoo lang had kunnen goed houden (want Bob was driftig uitgevallen), terwijl Brunton op zoo onbeschaamden toon tot hem sprak, dat leek me een raadsel, te meer daar hij zoo’n hekel had aan dien akeligen jongen.Een tijd lang zwegen beiden; toen deed Brunton of hij een geeuw moest onderdrukken. „Heb je nog wat te zeggen?” vroeg hij.Ik hoorde Bob even kuchen. „Luister ’s, Brunton,” zei hij toen; „ik weet dat onze omgang niet al te vriendschappelijk is geweest....”„Nee, dat is zoo,” beaamde Brunton met een hoonlach.„Als we voortaan hierin eens verandering brachten,” hernam Bob; „het spijt me als ik je op de een of andere manier heb beleedigd, maar laten we het verleden laten rusten. Je weet nu wat ik van je weet. Als je belooft dat nooit meer te doen dan kunnen we goede kameraden worden, en dan beloof ik je op mijn woord dat ik er tegen niemand ooit over zal reppen.”Brunton mompelde wat.„Dus het is een koop dien we sluiten?” hield Bob aan. „Ik heb nu met je willen bijleggen maar ik wil niet dat Ellinghem hier iets van hoort.”„Dat blijkt,” zei Brunton.„Als jij belooft dat je het hem niet zult vertellen, dan beloof ik jou dat ik over die bewuste zaak zal zwijgen.”„Ik pas voor zoo’n belofte,” riep Brunton nijdig. „Ik dank je stichtelijk voor zoo’n ruil.”„Heel goed,” zei Bob met een zucht, „als je het op die manier opneemt, dan kan ik er niets aan doen. Ik heb nu al het mogelijke beproefd.”„Dat heb je niet,” snauwde Brunton hem toe.Wederom een stilte.„Wou je soms zeggen,” hernam Bob op aarzelenden toon, „dat ik je zou kunnen afkoopen met geld?”„Natuurlijk, dat spreekt,” zei Brunton die een onaangenamen lach uitstiet.„Heb je geldgebrek?”„Wat een vraag! Wie heeft nou ooit geld genoeg!”„Ben je met tien of twaalf gulden tevreden?”Ik had hooren zeggen dat Bob heel rijk was, maar toch schrok ik ervan toen ik hem zoo’n som hoorde noemen alsof het maar een kleinigheid was.„Jawel, geef op,” antwoordde Brunton nijdig.„Dus het is een koop dien we sluiten en die Ellinghem betreft,” hernam Bob.„Twaalf gulden?” vroeg Brunton.„Ja.”„Maak er vijftien van.”„Zooveel kan ik niet missen,” antwoordde Bob; „me dunkt dat twaalf gulden mooi genoeg is!”„Nou, vooruit dan,” zei Brunton.„Dus de koop is gesloten?”„Ja,” snauwde Brunton.„Ga mee naar mijn kamer,” zei Bob, waarop het geluid van de voetstappen langzamerhand vervaagde.

Door het gewicht van zijn lichaam werden we in een oogwenk naar het raam meegetrokken. Ik kon het rad achter ons hooren kraken onder de strakke spanning van het touw; even was ik bang dat de klok nu toch zou gaan luiden, doch daarvoor was de richting te zijdelingsch.

„Als een st-steen d-die naar beneden rolt!” riep Burns uit.

Toen ik mijn hoofd over de vensterbank boog had Stenford den vooruitstekenden rand bereikt bij de verdieping van de klokkekamer; een oogenblik liet hij de voeten hierop rusten, maar het touw slingerde als een wijzer heen en weer en bijna onmiddellijk werd de tocht voortgezet. Even later, naar het ons toescheen, voelden we het touw weer slap hangen.

„Ben je beneden?” riep ik.

„Ja,” antwoordde hij, „maar laat Burns niet komen voordat ik het zeg. Als ie kan moet ie zijn beenen om het touw zien te kronkelen.”

Zijn stem drong ternauwernood tot ons door. Ik begreep dat het toch niet zoo gemakkelijk was om langs dat touw naar beneden te glijden. Een rilling voer door me heen bij de gedachte dat hij het touw zou hebben kunnen loslaten en te pletter zijn gevallen; dan zou ik zijn dood op mijn geweten hebben gehad. Zelf had ik het eerst moeten gaan om den sleutelergens vandaan te halen; dan had ik de deur voor de anderen kunnen open sluiten, al zouden we dan ook zijn gesnapt.

„Het is te gewaagd, Burns,” zei ik. „Ga niet.”

Burns scheen echter vast besloten het wel te wagen. Hijgend en blazend zat hij op de vensterbank te wachten tot Stenford het sein zou geven.

Het touw werd nu plotseling strak gespannen doordat er van beneden aan werd getrokken. We zagen in de diepte een donkere stip, de pet van Stenford.

„Vooruit maar!” riep hij, en als een aal gleed Burns omlaag. Een oogenblik dacht ik dat zijn plompe lichaam tegen den vooruitstekenden rand zou aanbonsen, maar neen—hij ging er langs en even later voelde ik wederom het touw slap hangen.

„Wacht nog even!” riep Stenford opnieuw. „Ja, zoo; kom maar!”

Ik kroop nu op de vensterbank en begon te dalen. Eerst dacht ik dat het touw in brand zou vliegen, zoo gloeiend voelde het aan toen ik er langs gleed, maar als ik het een sekonde los liet, dan zou ik te pletter vallen. Ik was me nog bewust dat ik den vooruitstekenden rand had bereikt; ik hoopte nu weldra vasten grond onder de voeten te gevoelen, maar nog altijd had ik dat gloeiende touw in de handen; eindelijk voelde ik iets zachts en stevigs onder me en kwam ik tot het besef dat ik op mijn rug lag op een grasperk van het kerkhof.

„Je hebt het er goed afgebracht,” zei Stenford. „Eerst is het een beetje een raar gevoel, hè?”

„Mijn handen doen zoo zeer,” antwoordde ik. „Ze bloeden,” riep ik uit, toen ik ernaar keek omdat ze ineens zoo nat aanvoelden.

„Dat is met Burns en mij ook het geval,” zei Stenford. „Dat was nog ’s wrijving. Maar we zijn beneden; dat is het voornaamste.”

„Ja, w-we zijn b-beneden,” beaamde Burns.

„Maar we zijn nog niet thuis,” merkte ik op.

Een oogenblik gingen we naast elkaar zitten in het koele gras om te beraadslagen, terwijl we onze verwonde handen met zakdoeken afveegden.

„Ik heb er genoeg van om langs touwen naar beneden te glijden,” zei Stenford. „Bij jullie hing het ten minste strak, maar ik bengelde en bengelde als—ja, ik weet niet als wat. Maar ik ben dood op en ik rammel van den honger.”

„En we weten niet den weg naar huis,” zei ik.

„En d-dien k-kunnen we n-niet vragen,” viel Burns in.

„Ik w-weet wat,” zei Stenford met een geeuw. „We zullen naar de zee trekken.”

„W-wou je niet t-terug?” vroeg Burns op een toon van angstige verbazing.

„Jawel; ik ben niet van plan om als een zeeman het ruime sop te kiezen, ten minste niet zoo gauw na die touwgeschiedenis. Aan boord ben je immers den heelen dag met touwen en kabels bezig, is het niet, Ellinghem?”

„Kom, zeur nou niet langer,” antwoordde ik; „laten we liever ’s beraadslagen hoe we het gauwst naar huis komen.”

„We weten van hier af niet aan welken kant de zee ligt. Daarom moeten we om dit lamme dorp heentrekken en dan zullen we de zee zien. Vanaf de klippen worden we natuurlijk dadelijk de lichten van St. Martin gewaar en den vuurtoren in de eerste plaats. Dat zullen we dus maar doen, hè?”

„We zullen niet voor middernacht thuis komen,” merkte ik op met een zucht.

„Daarom moeten we ons op weg begeven, hoe eer hoe beter,” antwoordde Stenford. „Vooruit, Burns, als je langer blijft zitten, dan verander je zelf nog in een struik, kerel.”

We slopen behoedzaam over het gras en tusschen de zerken door die in het schemerdonker ons spookachtige gestalten toeschenen; we liepen daarna langs den muur enkwamen in een laan terecht en toen op een straatweg en toen weer in een laan, en eindelijk hadden we de zee bereikt en zagen we de lichten van St. Martin flikkeren in de verte.

Het was een geducht eind dat we moesten afleggen en toen we de school waren genaderd staken we loom en vermoeid het vierkante plein over zonder een woord tegen elkaar te zeggen.

We bleven nu stilstaan.

„We moeten niet tegelijk naar binnen,” ried Stenford aan. „Het kan zijn dat we niet zijn gesnapt bij het afroepen van de namen.”

„Dat kan je begrijpen,” zei Burns. „Ga jij maar voorop, dan kom ik achter je aan.”

„Net als straks!” zei ik. „Dan ben ik nummer drie.”

„Praat me niet meer van dat touw,” zei Stenford; „mijn handen doen nog zoo’n pijn. Het is het best dat je twee minuten wacht, Burns; nou ik ga!” In een wip was hij verdwenen om den hoek van het gebouw.

„Ga jij nu,” zei ik, toen de twee minuten, volgens mijn berekening waren verstreken, waarop Burns verdween; ik bleef alleen achter.

Ik gevoelde me zoo dood-vermoeid na ons avontuur en het leek me zoo ondenkbaar dat de afwezigheid van drie jongens niet zou zijn bemerkt, dat ik zeer zeker regelrecht naar binnen zou zijn getrokken als Stenford en Burns er niet op hadden aangedrongen om een voor een binnen te sluipen. Door mijn roekeloosheid wilde ik niet de kans voor hen bederven om niet te worden gesnapt. Ik leunde tegen den muur bij de hoofddeur om een weinig uit te rusten, en het scheelde weinig of ik was van vermoeidheid in slaap gevallen.

Plotseling werd ik klaar wakker, want ik vernam het geluid van voetstappen en stemmen in dat gedeelte van het gebouw dat zich vlak boven mijn hoofd bevond. Ik wist dat daar een gang liep, waarvan het raam nu openstond. Die gang was spaarzaam verlicht, daar ze op dit late uur zoo goed als verlaten lag. Na zes uur ’s avonds kwam eigenlijk niemand meer in dit gedeelte van het gebouw. De voetstappen klonken luider. „Zeker een paar van de groote jongens,” zei ik bij mezelf, want ik kon hooren dat ze lange stappen namen. Toen herkende ik de stemmen, en het leek me een raadsel dat die twee met elkaar liepen op dit ongewone uur.

De stem van Bob had ik onmiddellijk herkend. Het was wel vreemd dat hij zich op dezen tijd op zulk een afstand bevond van zijn studeerkamer, maar nog vreemder was het dat ik aan die andere stem Brunton herkende, en het vreemdst van alles was dat ik mijn naam hoorde noemen toen ze kwamen aanzetten.

Ik had hun gesprek natuurlijk niet mogen afluisteren; ik weet dat ik verkeerd deed, maar alles gebeurde zoo onverwacht, dat ik al het een en ander had opgevangen voordat ik mijzelf rekenschap had gegeven van hetgeen ik had gedaan; op dat oogenblik ging bovendien de deur open en verscheen de portier om eens een luchtje te scheppen. Ik zag zijn forsch gebouwd lichaam zich afteekenen tegen het licht dat nu naar buiten straalde, en als ik maar even had bewogen, dan zou hij me zeker hebben gesnapt.

„En als ik het je nu eens vroeg als een gunst?” zei Bob, die nu met Brunton vlak bij het raam moest staan, want elk woord kan ik opvangen.

Ik kon mijn ooren niet gelooven: Bob die om een gunst vroeg aan Brunton!

„En wat dan?” zei Brunton met zijn zware stem die zoo onaangenaam klonk.

„Maar wat heb je eraan om het hem te vertellen,” zei Bob; uit zijn toon meende ik op te maken dat het hem geweldig hinderde dat hij op die manier met dien ellendeling moest praten.

„Dat doet er niet toe,” zei Brunton.

„Ik vraag je alleen of je de zaak op die manier wilt beschouwen,” hernam Bob die hem blijkbaar tot iets wilde overhalen.

„Waarom zou ik dat doen?” vroeg Brunton.

„Als je het hem vertelt, dan doe je hiermee een hoop kwaad,” hernam Bob. „Hij vermoedt nu nog niets.”

„Weet je dat zeker?” vroeg Brunton.

„Ja. Als je het hem vertelt, dan is er niets meer aan te doen. Dan kan je je woorden niet herroepen.”

„Nee, dat begrijp ik,” zei Brunton. „Zoo’n uil ben ik ook niet.”

„Dat weet ik,” hernam Bob met een lichte beving in zijn stem, waardoor ik begreep dat hij driftig werd. Hoe hij zich zoo lang had kunnen goed houden (want Bob was driftig uitgevallen), terwijl Brunton op zoo onbeschaamden toon tot hem sprak, dat leek me een raadsel, te meer daar hij zoo’n hekel had aan dien akeligen jongen.

Een tijd lang zwegen beiden; toen deed Brunton of hij een geeuw moest onderdrukken. „Heb je nog wat te zeggen?” vroeg hij.

Ik hoorde Bob even kuchen. „Luister ’s, Brunton,” zei hij toen; „ik weet dat onze omgang niet al te vriendschappelijk is geweest....”

„Nee, dat is zoo,” beaamde Brunton met een hoonlach.

„Als we voortaan hierin eens verandering brachten,” hernam Bob; „het spijt me als ik je op de een of andere manier heb beleedigd, maar laten we het verleden laten rusten. Je weet nu wat ik van je weet. Als je belooft dat nooit meer te doen dan kunnen we goede kameraden worden, en dan beloof ik je op mijn woord dat ik er tegen niemand ooit over zal reppen.”

Brunton mompelde wat.

„Dus het is een koop dien we sluiten?” hield Bob aan. „Ik heb nu met je willen bijleggen maar ik wil niet dat Ellinghem hier iets van hoort.”

„Dat blijkt,” zei Brunton.

„Als jij belooft dat je het hem niet zult vertellen, dan beloof ik jou dat ik over die bewuste zaak zal zwijgen.”

„Ik pas voor zoo’n belofte,” riep Brunton nijdig. „Ik dank je stichtelijk voor zoo’n ruil.”

„Heel goed,” zei Bob met een zucht, „als je het op die manier opneemt, dan kan ik er niets aan doen. Ik heb nu al het mogelijke beproefd.”

„Dat heb je niet,” snauwde Brunton hem toe.

Wederom een stilte.

„Wou je soms zeggen,” hernam Bob op aarzelenden toon, „dat ik je zou kunnen afkoopen met geld?”

„Natuurlijk, dat spreekt,” zei Brunton die een onaangenamen lach uitstiet.

„Heb je geldgebrek?”

„Wat een vraag! Wie heeft nou ooit geld genoeg!”

„Ben je met tien of twaalf gulden tevreden?”

Ik had hooren zeggen dat Bob heel rijk was, maar toch schrok ik ervan toen ik hem zoo’n som hoorde noemen alsof het maar een kleinigheid was.

„Jawel, geef op,” antwoordde Brunton nijdig.

„Dus het is een koop dien we sluiten en die Ellinghem betreft,” hernam Bob.

„Twaalf gulden?” vroeg Brunton.

„Ja.”

„Maak er vijftien van.”

„Zooveel kan ik niet missen,” antwoordde Bob; „me dunkt dat twaalf gulden mooi genoeg is!”

„Nou, vooruit dan,” zei Brunton.

„Dus de koop is gesloten?”

„Ja,” snauwde Brunton.

„Ga mee naar mijn kamer,” zei Bob, waarop het geluid van de voetstappen langzamerhand vervaagde.


Back to IndexNext