HOOFDSTUK XXI.

HOOFDSTUK XXI.HET VUURWERK VAN KIEN.Na mijn avontuur ging het leven op school eenige weken lang geregeld voort. Mijn werk bracht ik er tamelijk goed af, hoewel we altijd volop te doen hadden en nooit klaar dachten te komen voor de heeren Kijkers en Wilson. We speelden verbazend veel voetbal, een spel waar ik weinig om gaf, al durfde ik dit niet bekennen. Ik sloeg hierbij dan ook een tamelijk slecht figuur.Ik zag Bob veel te weinig naar mijn zin en dit zei ik eens tegen Stenford.„Dat is nog al glad,” antwoordde hij; „hij is een van de hooge lui, een prefekt nog wel en jij bent maar een van de kleine jongens en nog niet eens zoo’n schitterend exemplaar,” voegde hij er lachend bij.„Hij was vroeger toch heel wat vriendelijker tegen me dan nu,” hield ik vol.„Zeur toch niet, kerel!” riep Stenford kregelig; „een jongen uit de zesde kan niet zulke dikke maatjes zijn met een van de kleinere; hij heeft warempel wel wat anders te doen.”„Ja, dat merk ik ook,” zei ik schamper.„Kitsjin is heel dik met Norman en Juniper, omdat hij die lui den heelen dag ziet,” hernam Stenford; „hij werkt met ze en voetbalt met hen, en zoo wat meer.”„Als ik in de kamer van Norman ben en als Bob binnen komt, dan ziet ie ternauwernood naar me om,” zei ik.„Waarom zou hij zich zoo druk met je bemoeien?” antwoordde Stenford. „Hij vind het natuurlijk veel beter dat je er jezelf alleen doorheen slaat; als ie zoo druk met je was, dan zou je misschien te veel idee van je persoontje krijgen; daarvoor zal hij bang zijn.”„Het is mogelijk dat je gelijk hebt,” zei ik.„Heb je je er op de een of andere manier ingewerkt?” vroeg Stenford.„Nee,” antwoordde ik.„Maar wat wou je dan van hem? Als je een moeilijkheid had, dan zou je naar hem toe kunnen gaan om zijn hulp te vragen; nu dit niet het geval is, laat je hem maar met rust. Ik kan niet uitstaan als kleine jongens als klissen aan de grooten hangen.”„Ik ben ook niet van plan om als een klis aan Kitsjin te hangen,” wiep ik tegen.„Daar heb je nou b. v. die Dester en Brunton,” hernam Stenford. „Dester moet al de gemeenste karweitjes voor dien vent doen, en nu en dan krijgt ie een pak ransel van Brunton, maar toch loopt Dester achter hem aan, kwispelstaartend als een geslagen hond, en de kleinere jongens plaagt en sart ie weer op zijn beurt. Juniper noemt hem den „Jakhals van Brunton”.”„Brunton heeft anders niet veel van een leeuw,” zei ik.„Zeg dat wel! Ik snap dan ook niet dat iemand als Kitsjin met dien man staat te praten, en dat doet hij toch.”„Heusch?” vroeg ik en spitste de ooren.„Ja, ze zijn wel in dezelfde club, dus het kan wezen dat ze spreken over dingen die het voetbal betreffen.”„Misschien hebben ze ook nog wel andere onderwerpen waarover ze samen praten,” zei ik, daar het gesprek me te binnen schoot dat ik op dien avond had afgeluisterd.„Verleden zag ik ze ten minste bij elkaar staan, alsof het heel dik tusschen ze aan was,” hernam Stenford.Ik haalde nu een couvert uit mijn zak dat ik hem liet zien. „Van wien is die poot?” vroeg ik.Stenford bekeek de enveloppe van alle kanten en keerde die om en om; toen zei hij: „Dat is geschreven door iemand die zijn hand wil verdraaien.”„En wie heeft dat geschreven?”„Dester.”„Dat dacht ik ook,” riep ik uit, „Maar hoe weet je dat?”„Ik zie het aan zijn g; daar maakt ie altijd zoo’n haal aan.”„Maar z’n hoofdletters A en M schrijft ie toch heel anders,” zei ik.„Dat is juist z’n slimheid; hij wil je van de wijs brengen, maar die haal van zijn g’s heeft ie laten staan. Je kunt ervan op aan dat die brief van Dester afkomstig is. Wat staat er in?”„O niets bijzonders,” antwoordde ik, terwijl ik het couvert weer in mijn zak liet glijden. „Ik wou alleen maar weten of jij ook Dester voor den schrijver hieldt.”„Zonder twijfel, maar vraag het nog aan een derde. Daar komt Kien aanzetten.”„Nee, spreek er tegen niemand van,” zei ik haastig; „de sop is de kool niet waard.”„Waarover hebben jullie het zoo druk?” vroeg Kien, die naar ons kwam toeloopen.„Over iets dat niet in betrekking staat tot de wetenschap,” antwoordde Stenford, „dus voor jou van geen belang. We spraken over Brunton en zijn jakhals Dester.”„Te veel eer voor dat soort lui,” zei Kien. „Maar ik weet wel dat als Kolman te weten komt dat Brunton in alle gemeene kroegen in de stad bekend is en dat hij aan een massa lui geld schuldig is en dat ie zich ophoudt met race-weddingschappen en dat ie nu en dan ’s nachts dronkenthuis komt en dan wordt binnengelaten door Dester—”„Is dat zoo?” vroeg Stenford.„Ja, wist je dat niet? Als dat Kolman ter oore komt, dan snap je dat ie op staanden voet wordt weggejaagd,” zei Kien.„Ja, maar aangezien Kolman dit niet weet, zal hij hier blijven,” merkte Stenford wijsgeerig op. „Ik heb je nog nooit zooveel woorden achter elkaar hooren zeggen, Kien.”„Ik kwam niet hier om mijn tijd te verleuteren,” hernam Kien op wreveligen toon.„Waarom dan? Wou je weer proeven doen? Vertel op!”„Ik wou vuurwerk aansteken door middel van een electrische vonk,” verklaarde Kien op ernstigen toon.„Wou je zien of het daarmee afgaat?”„Ja; ik wou het aansteken met een electrischen draad.”„En hoe lang is die draad?”„Vijftien meter.”„Niet lang genoeg, waarde heer; het afsteken van particulier vuurwerk is niet geoorloofd in deze streken, en op vijftien meter afstand loop je groote kans te worden gesnapt.”„Ik ben niet zoo gek om het hier in de buurt af te steken,” antwoordde Kien spottend; „je denkt misschien dat ik Kolman en Kijkers zal uitnoodigen om van de partij te zijn.”„Als je dat doet, dan kom ik niet,” zei Stenford. „Ik houd dol van vuurwerk, maar als je den chef er bij vraagt, dan zal je mijn gezelschap moeten ontberen.”„Leuter nou niet,” hernam Kien kwaad. „Ik zal je vertellen wat ik van plan ben te doen.—Jij doet zeker ook mee, is ’t niet, Ellinghem?”„Goed,” antwoordde ik, „maar eerst moet ik weten hoe je het wilt aanleggen.”„Dat is gauw genoeg gezegd,” zei Kien opgewekt, daar hij meende dat ik evenzeer naar wetenschappelijke proefnemingenhongerde en dorstte als hijzelf. „Je maakt het vuurwerk eerst heelemaal klaar; dan breng je het in verbinding met den electrischen draad—je weet wel hoe dat gaat.”„Dat bedoelt ie niet,” viel Stenford hem in de rede. „Hij weet dat het verboden is om vuurwerk af te steken—als ie dit nog niet wist, dan vertel ik het hem bij deze—hij wou alleen maar weten hoe je het wilt aanleggen om niet te worden gesnapt.”„Ja,” zei ik, „want vuurwerk is nu eenmaal een goedje dat...”„Dat ruikt en lawaai maakt,” viel Stenford in, die den zin voor mij voltooide. „Vertel op, Kien; hoe wou je het hem eigenlijk leveren?”„Dat zal ik je zeggen als je me eindelijk eens rustig laat uitpraten,” zei Kien ernstig.„Houd nu eens je mond.”„Ik zal zwijgen,” hernam Stenford. „Vertel dan gauw op.”„Ik heb een stille plek gevonden die uitnemend hiervoor is geschikt.”„Waar dan?” vroeg Stenford. „Een kelder misschien?”„De tuin van een huis dat leeg staat,” zei Kien.„Niet kwaad bedacht,” riep Stenford. „De vent is practischer dan ik dacht, Ellinghem.”„Het is een tuin met hooge muren er omheen; hierop kunnen we al die dingen vastmaken; we hechten dan den draad eraan vast en klaar ben je.”„Je bent tenminste in den tuin,” zei Stenford; „maar om zes uur is het donker, dus hoe kom je op tijd weer thuis...”„Dat heb ik ook al bedacht,” antwoordde Kien. „Je weet dat a.s. Woensdag de groote voetbal-match in Triston wordt gespeeld.”„Ja, wat zou dat?”„We mogen thuis komen met den trein die om half acht vandaar vertrekt. Maar er is er ook een om zes uur en dien zullen wij nemen. Dan hebben we den tijd tot achtuur; we steken het vuurwerk op ons gemak af en komen gelijk met de anderen thuis.”„Ellinghem, is die vent geen listig monster?” vroeg Stenford. „Als eenige verontschuldiging kunnen we aanvoeren dat hij handelt uit liefde tot de wetenschap!”„En je weet precies waar dat huis en die tuin ligt?” vroeg ik.„Ja, ik heb lang naar een geschikte plek uitgekeken,” antwoordde Kien. „Het moest een groote tuin zijn en een buurt waar de huizen ver van elkaar staan om in geen geval te worden gesnapt.”„Waar is het?” vroeg Stenford.„Op den Nelson-weg.”„Daar wonen alleen deftige lui. Dat is heelemaal buiten de stad.”„Des te beter. Maar als het nu eens werd bewoond vóór aanstaanden Woensdag?”Aan die mogelijkheid had Kien nog niet gedacht.„Hoe kom je in dien tuin?” vroeg Stenford.„Je denkt zeker dat ik naar den huisbewaarder trek om den sleutel te halen,” antwoordde Kien op minachtenden toon. „Het is nog al glad dat je over den muur moet klimmen. Ik ben er een paar maal in geweest.”„Je bent een leperd, hoor Kien,” zei Stenford.„Nou, gaan jullie mee?”„Ik weet het nog niet. Het lijkt mij zoo iets als een plannetje van Burns.”„Als Burns ervan hoort zal ie zeker ook mee willen,” zei Kien.„Ellinghem, hoe denk je erover?” vroeg Stenford; „zullen we meegaan of niet?”„Mij goed,” antwoordde ik. „’t Is misschien wel moppig.”„Vooruit dan maar!” riep Stenford. „En hoeveel vuurwerk heb je? Willen we er nog wat bij koopen?”„Nou, wat graag,” riep Kien verrukt; „dat is natuurlijk veel beter om de kracht van de electrische vonk te kunnen nagaan.”Ik had pas een som geld ontvangen zoodat Kien in de wolken was over het aandeel dat ik wilde bijdragen tot welslagen van de onderneming.„Wat zullen we een pret hebben!” riep hij. „Als het huis nu maar niet in dien tijd is verhuurd.”Die mogelijkheid vervulde hem met angst en vervolgde hem als een nachtmerrie. Den volgenden dag nam hij me heelemaal naar den Nelson-weg mee om huis en tuin zoo nauwkeurig mogelijk te bespieden of we ook het een of ander gewaar werden waaruit zou kunnen blijken dat het huis binnenkort zou worden bewoond.„Misschien zijn er nu al menschen in,” zei hij angstig toen we het huis naderden.Dit bleek niet het geval. Op de ramen waren groote papieren aangeplakt die ons gerust stelden en borden waren bij den ingang geplaatst. De omgeving zag er doodsch en tamelijk verwaarloosd uit.„’t Lijkt wel of het huis in geen jaren is bewoond,” merkte ik op. „’k Zou me dan ook maar niet ongerust maken dat voor Woensdag verandering zal komen in dezen toestand. En al werd het huis een dezer dagen verhuurd, dan kunnen de menschen er toch zoo maar niet in trekken.”„Dat weet je nog niet,” zei Kien die zijn angst maar niet van zich kon afzetten, en nu begon hij alle voordeelen op te sommen die het huis bood en de tuin.Ik geloof dat hij er in de volgende week elken dag heen trok om zich te overtuigen dat de villa nog onbewoond was; het was dan ook een opluchting voor hem toen de gewichtige Woensdag eindelijk was aangebroken.Stenford, Burns en ik hielden hem ongemakkelijk voor den gek met zijn vuurwerk, doch hij ging zoo geheel op inzijn toebereidselen voor de grootsche onderneming dat geen glimlach op zijn gelaat verscheen.Toen we eindelijk in den trein zaten die om zes uur uit Triston vertrok, zooals we hadden afgesproken, toen werd hij iets opgewekter.„Voel je je nu wat beter?” vroeg Stenford.Kien knikte van ja.Stenford voelde hem den pols. „Ja,” zei hij, „de pols is sterker geworden; nog is de slag niet heelemaal regelmatig, doch een merkbare vooruitgang is waar te nemen.”„Zeur toch niet,” zei Kien wrevelig. „Ik wou jullie nu precies uitleggen wat we moeten doen.”Dit geschiedde met de grootste nauwkeurigheid, zoodat hij bijna uitsluitend aan het woord was tot we St. Martin bereikten.„Nu als de wind naar Smit om de dingen te koopen,” zei hij, toen we het station waren binnengestoomd.„Moeten wij die ontplofbare stoffen in onze zakken steken?” vroeg Stenford.„Ja, er zijn drie pakken vuurwerk,” antwoordde Kien ernstig. „Ieder neemt er een voor zijn rekening.”„W-wat d-draag jij d-dan?” vroeg Burns.„Ik neem het electrische toestel en den draad,” zei Kien. „Dat zou ik niet graag aan jullie hoede toevertrouwen. Vanmiddag heb ik het eerst bij Smit gebracht.”Een paar minuten later waren we klaar met Smit—want Kien had alles met groot beleid en kennis van zaken geregeld—en klommen we den heuvel op die buiten de stad was gelegen en waar zich de meeste villa’s bevonden.„W-weet je n-nog t-toen we hier het eerst s-samen waren?” vroeg Burns aan me.„Nou, of ik,” antwoordde ik. „Ik ben blij dat Kien nu de leiding op zich neemt en niet jij.”„Vertrouw nooit op Burns,” zei Stenford. „Voorondersteleens dat Kien b.v. in de lucht vliegt met z’n vuurwerk, dan zou Burns misschien de leiding willen overnemen, maar dan verzeker ik je dat ik onmiddellijk rechtsomkeer zou maken.”Burns lachte.„Praat nu niet zoo hard,” zei Kien; „we zijn al vlak bij den weg.”In dezen tijd van het jaar was het om zes uur al heelemaal donker. Een paar armzalige gaslantarens die in den wind stonden te flikkeren, waren het eenige schijnsel dat we gewaar werden. Niemand scheen zich op den Nelson-weg te bevinden.„’k Zou hier niet graag wonen,” zei Stenford; „veel te stil en eenzaam. Die weg schijnt niet eens een dwarspad te hebben.”„Nee, daarom leek deze buurt me juist zoo geschikt. Er staan in ’t geheel maar zes huizen en ons huis is het allerlaatste.”„’t Is of je het hebt gehuurd,” merkte ik op. „Is het hier?”„Ja,” antwoordde Kien. „Maar maak nu zoo min mogelijk leven.”Deze aansporing tot voorzichtigheid scheen overbodig. We waren nu al de huizen langs geloopen waarvan de ramen waren verlicht, zonder dat we taal of teeken van een levend wezen hadden gezien, en nu stonden we voor een donker verlaten gebouw, het laatste van de reeks villa’s.„Een somber oord,” zei Stenford die onwillekeurig de stem liet dalen.„Welke kant?” vroeg ik. „Het is hier zoo donker.”„Hierheen,” zei Kien; „ik zal je wel den weg wijzen. Ik ben hier nu al zoo dikwijls geweest.”Naast het huis bevond zich een hek van houten latten, dat toegang gaf tot den tuin.„Hierover heen,” zei Kien heel kalm.„Dank je stichtelijk,” zei Stenford; „een leuk spelletje om in het donker over een waggelend hek te klauteren met een pak dynamiet of weet ik wat in je hand.”„Leg dat goed hier neer bij elkaar,” beval Kien. „Dan klim ik er eerst over. Ellinghem, ga jij er bovenop zitten; dan geven we zoo den boel aan elkaar.”Dit plan werd stipt ten uitvoer gebracht, zoodat we een oogenblik later met onzen voorraad aan den anderen kant van het hek stonden.„En die andere huizen?” vroeg Stenford fluisterend, toen we in het donker bij elkaar stonden om de nadere orders van Kien af te wachten.We behoefden niet te vragen welke huizen hij bedoelde.De villa’s lagen evenwijdig met den Nelson-weg en de tuinen grensden aan elkaar. We konden de verlichte ramen zien van de achtergevels, zoodat het ons bijna onmogelijk leek, dat de menschen onze aanwezigheid niet zouden bemerken als ze naar buiten keken.„Och wat, jij met je huizen,” antwoordde Kien verontwaardigd, hoewel hij de stem toch niet durfde verheffen.„Natuurlijk staan daar huizen, maar een afstand van twee tuinen is tusschen ons in.”„Ik zou het toch prettiger vinden als die huizen er niet waren,” zei Stenford. „Maar daar is nu eenmaal niets aan te doen.”„Bij dag heb ik de heele buurt bespied,” hernam Kien op eenigszins uitdagenden toon, „en ik verzeker je dat het hier veilig is en dat je niet bang behoeft te zijn.”„Laten we dan maar den boel zoo gauw mogelijk afsteken,” zei Stenford.„Over het gras,” beval Kien; „er staat hier geen bloem of struik; regelrecht naar het verste gedeelte.”„Zeg ’s, je bent toch niet van plan om je zoo dicht bij die andere huizen te wagen?” vroeg Stenford.„Jawel,” zei Kien, „wat ben jij een ezel! Je snapt toch dat we dat goedje moeten afsteken, zonder dat ze dit uit die huizen kunnen zien?”„Ga je gang dan maar,” antwoordde Stenford, „maar wat loop je akelig in dat lange gras. Voor deze feestelijke gelegenheid hadt je het wel kunnen laten maaien.”We zagen nu iets wits schemeren in het benedengedeelte van den tuin; dit bleek een serre die tegen den muur was gebouwd.„Wacht tot ik licht maak,” zei Kien. „Ik heb de lantaren genomen van de fiets van Burns.”„W-wel heb ik v-van m’n l-leven,” zei Burns.„Begrijp jullie nu niet hoe prachtig die oranjerie als scherm kan dienen bij het afsteken van het vuurwerk,” zei Kien, die nu een lucifer afstreek.„Dat is zoo,” gaf ik toe, „maar de huizen die iets verder staan—”„Die hebben een prachtig gezicht erop,” viel Stenford in.„Je kan toch niet alles verlangen,” zei Kien.„Ze z-zullen denken dat het huis is v-verhuurd,” zei Burns, „en d-dat ze n-nu vuurwerk afsteken v-voor de k-kindertjes.”„Die niet buiten mogen komen omdat het ’s avonds te koud is,” vulde Stenford aan. „Vooruit dan maar.”„Ja, we moeten ons haasten,” zei Kien. „Hecht die dingen op den muur vast;” dit zeggend reikte hij me een van de pakken over. „Ik heb er alles voor klaar gemaakt.”Dit bleek werkelijk het geval. Hij had spijkers ingeslagen voor de zonnetjes en pijpjes bevestigd om de Romeinsche kaarsen en de voetzoekers en vuurpijlen aan te bevestigen, zoodat de inhoud van het eerste pak in een ommezien was geledigd.Kien was nu bezig met het electrische toestel.„Hoeveel kan je daarmee tegelijk aansteken?” vroeg Stenford.„Een stuk of zes,” zei Kien, die den draad stond los te wikkelen; het gedrenkte papier dat als lont moest dienen had hij al gereed liggen. Als de draad langer was, zou ik er misschien nog wel een paar meer tegelijk kunnen aansteken.„Zes is mooi genoeg,” hernam Stenford. „Ik vind het zelfs een prachtvertoon, dat me herinnert aan de grootste buitensporigste weelde in de Romeinsche oudheid.”Kien gaf hierop geen antwoord. Hij maakte den draad vast en liep toen achteruit met het toestel terwijl hij den draad langzaam los wikkelde.„Ga nu mee tot vlak bij het huis,” zei hij.„Vandaar zullen we de electrische ontlading prachtig kunnen zien.”„En d-daar z-zijn we v-veilig,” zei Burns.„Draai de lamp met het licht naar den muur,” zei Stenford; „dan zullen we de rest nog beter kunnen zien.”„Pas op den draad!” waarschuwde Kien.„Struikel er niet over.”„Nee, daarvoor zal ik wel oppassen,” zei Stenford. „Ik wil mijn natuurlijken dood sterven. Steek den boel niet aan voor ik op een veilige plaats ben beland.”„Nou, het begint!” zei Kien.We stonden nu op een rij bij de plek waar de draad eindigde. De oranjerie konden we vaag onderscheiden in de verte.„Burns,” zei Stenford op plechtigen toon, „nog één oogenblik en dan zal het daarginds helder licht worden.”„Houd nou je mond,” zei Kien. „Ik steek het nu aan!”„Gauw wat alsjeblieft!” fluisterde Stenford. „De spanning is te groot.”

HOOFDSTUK XXI.HET VUURWERK VAN KIEN.Na mijn avontuur ging het leven op school eenige weken lang geregeld voort. Mijn werk bracht ik er tamelijk goed af, hoewel we altijd volop te doen hadden en nooit klaar dachten te komen voor de heeren Kijkers en Wilson. We speelden verbazend veel voetbal, een spel waar ik weinig om gaf, al durfde ik dit niet bekennen. Ik sloeg hierbij dan ook een tamelijk slecht figuur.Ik zag Bob veel te weinig naar mijn zin en dit zei ik eens tegen Stenford.„Dat is nog al glad,” antwoordde hij; „hij is een van de hooge lui, een prefekt nog wel en jij bent maar een van de kleine jongens en nog niet eens zoo’n schitterend exemplaar,” voegde hij er lachend bij.„Hij was vroeger toch heel wat vriendelijker tegen me dan nu,” hield ik vol.„Zeur toch niet, kerel!” riep Stenford kregelig; „een jongen uit de zesde kan niet zulke dikke maatjes zijn met een van de kleinere; hij heeft warempel wel wat anders te doen.”„Ja, dat merk ik ook,” zei ik schamper.„Kitsjin is heel dik met Norman en Juniper, omdat hij die lui den heelen dag ziet,” hernam Stenford; „hij werkt met ze en voetbalt met hen, en zoo wat meer.”„Als ik in de kamer van Norman ben en als Bob binnen komt, dan ziet ie ternauwernood naar me om,” zei ik.„Waarom zou hij zich zoo druk met je bemoeien?” antwoordde Stenford. „Hij vind het natuurlijk veel beter dat je er jezelf alleen doorheen slaat; als ie zoo druk met je was, dan zou je misschien te veel idee van je persoontje krijgen; daarvoor zal hij bang zijn.”„Het is mogelijk dat je gelijk hebt,” zei ik.„Heb je je er op de een of andere manier ingewerkt?” vroeg Stenford.„Nee,” antwoordde ik.„Maar wat wou je dan van hem? Als je een moeilijkheid had, dan zou je naar hem toe kunnen gaan om zijn hulp te vragen; nu dit niet het geval is, laat je hem maar met rust. Ik kan niet uitstaan als kleine jongens als klissen aan de grooten hangen.”„Ik ben ook niet van plan om als een klis aan Kitsjin te hangen,” wiep ik tegen.„Daar heb je nou b. v. die Dester en Brunton,” hernam Stenford. „Dester moet al de gemeenste karweitjes voor dien vent doen, en nu en dan krijgt ie een pak ransel van Brunton, maar toch loopt Dester achter hem aan, kwispelstaartend als een geslagen hond, en de kleinere jongens plaagt en sart ie weer op zijn beurt. Juniper noemt hem den „Jakhals van Brunton”.”„Brunton heeft anders niet veel van een leeuw,” zei ik.„Zeg dat wel! Ik snap dan ook niet dat iemand als Kitsjin met dien man staat te praten, en dat doet hij toch.”„Heusch?” vroeg ik en spitste de ooren.„Ja, ze zijn wel in dezelfde club, dus het kan wezen dat ze spreken over dingen die het voetbal betreffen.”„Misschien hebben ze ook nog wel andere onderwerpen waarover ze samen praten,” zei ik, daar het gesprek me te binnen schoot dat ik op dien avond had afgeluisterd.„Verleden zag ik ze ten minste bij elkaar staan, alsof het heel dik tusschen ze aan was,” hernam Stenford.Ik haalde nu een couvert uit mijn zak dat ik hem liet zien. „Van wien is die poot?” vroeg ik.Stenford bekeek de enveloppe van alle kanten en keerde die om en om; toen zei hij: „Dat is geschreven door iemand die zijn hand wil verdraaien.”„En wie heeft dat geschreven?”„Dester.”„Dat dacht ik ook,” riep ik uit, „Maar hoe weet je dat?”„Ik zie het aan zijn g; daar maakt ie altijd zoo’n haal aan.”„Maar z’n hoofdletters A en M schrijft ie toch heel anders,” zei ik.„Dat is juist z’n slimheid; hij wil je van de wijs brengen, maar die haal van zijn g’s heeft ie laten staan. Je kunt ervan op aan dat die brief van Dester afkomstig is. Wat staat er in?”„O niets bijzonders,” antwoordde ik, terwijl ik het couvert weer in mijn zak liet glijden. „Ik wou alleen maar weten of jij ook Dester voor den schrijver hieldt.”„Zonder twijfel, maar vraag het nog aan een derde. Daar komt Kien aanzetten.”„Nee, spreek er tegen niemand van,” zei ik haastig; „de sop is de kool niet waard.”„Waarover hebben jullie het zoo druk?” vroeg Kien, die naar ons kwam toeloopen.„Over iets dat niet in betrekking staat tot de wetenschap,” antwoordde Stenford, „dus voor jou van geen belang. We spraken over Brunton en zijn jakhals Dester.”„Te veel eer voor dat soort lui,” zei Kien. „Maar ik weet wel dat als Kolman te weten komt dat Brunton in alle gemeene kroegen in de stad bekend is en dat hij aan een massa lui geld schuldig is en dat ie zich ophoudt met race-weddingschappen en dat ie nu en dan ’s nachts dronkenthuis komt en dan wordt binnengelaten door Dester—”„Is dat zoo?” vroeg Stenford.„Ja, wist je dat niet? Als dat Kolman ter oore komt, dan snap je dat ie op staanden voet wordt weggejaagd,” zei Kien.„Ja, maar aangezien Kolman dit niet weet, zal hij hier blijven,” merkte Stenford wijsgeerig op. „Ik heb je nog nooit zooveel woorden achter elkaar hooren zeggen, Kien.”„Ik kwam niet hier om mijn tijd te verleuteren,” hernam Kien op wreveligen toon.„Waarom dan? Wou je weer proeven doen? Vertel op!”„Ik wou vuurwerk aansteken door middel van een electrische vonk,” verklaarde Kien op ernstigen toon.„Wou je zien of het daarmee afgaat?”„Ja; ik wou het aansteken met een electrischen draad.”„En hoe lang is die draad?”„Vijftien meter.”„Niet lang genoeg, waarde heer; het afsteken van particulier vuurwerk is niet geoorloofd in deze streken, en op vijftien meter afstand loop je groote kans te worden gesnapt.”„Ik ben niet zoo gek om het hier in de buurt af te steken,” antwoordde Kien spottend; „je denkt misschien dat ik Kolman en Kijkers zal uitnoodigen om van de partij te zijn.”„Als je dat doet, dan kom ik niet,” zei Stenford. „Ik houd dol van vuurwerk, maar als je den chef er bij vraagt, dan zal je mijn gezelschap moeten ontberen.”„Leuter nou niet,” hernam Kien kwaad. „Ik zal je vertellen wat ik van plan ben te doen.—Jij doet zeker ook mee, is ’t niet, Ellinghem?”„Goed,” antwoordde ik, „maar eerst moet ik weten hoe je het wilt aanleggen.”„Dat is gauw genoeg gezegd,” zei Kien opgewekt, daar hij meende dat ik evenzeer naar wetenschappelijke proefnemingenhongerde en dorstte als hijzelf. „Je maakt het vuurwerk eerst heelemaal klaar; dan breng je het in verbinding met den electrischen draad—je weet wel hoe dat gaat.”„Dat bedoelt ie niet,” viel Stenford hem in de rede. „Hij weet dat het verboden is om vuurwerk af te steken—als ie dit nog niet wist, dan vertel ik het hem bij deze—hij wou alleen maar weten hoe je het wilt aanleggen om niet te worden gesnapt.”„Ja,” zei ik, „want vuurwerk is nu eenmaal een goedje dat...”„Dat ruikt en lawaai maakt,” viel Stenford in, die den zin voor mij voltooide. „Vertel op, Kien; hoe wou je het hem eigenlijk leveren?”„Dat zal ik je zeggen als je me eindelijk eens rustig laat uitpraten,” zei Kien ernstig.„Houd nu eens je mond.”„Ik zal zwijgen,” hernam Stenford. „Vertel dan gauw op.”„Ik heb een stille plek gevonden die uitnemend hiervoor is geschikt.”„Waar dan?” vroeg Stenford. „Een kelder misschien?”„De tuin van een huis dat leeg staat,” zei Kien.„Niet kwaad bedacht,” riep Stenford. „De vent is practischer dan ik dacht, Ellinghem.”„Het is een tuin met hooge muren er omheen; hierop kunnen we al die dingen vastmaken; we hechten dan den draad eraan vast en klaar ben je.”„Je bent tenminste in den tuin,” zei Stenford; „maar om zes uur is het donker, dus hoe kom je op tijd weer thuis...”„Dat heb ik ook al bedacht,” antwoordde Kien. „Je weet dat a.s. Woensdag de groote voetbal-match in Triston wordt gespeeld.”„Ja, wat zou dat?”„We mogen thuis komen met den trein die om half acht vandaar vertrekt. Maar er is er ook een om zes uur en dien zullen wij nemen. Dan hebben we den tijd tot achtuur; we steken het vuurwerk op ons gemak af en komen gelijk met de anderen thuis.”„Ellinghem, is die vent geen listig monster?” vroeg Stenford. „Als eenige verontschuldiging kunnen we aanvoeren dat hij handelt uit liefde tot de wetenschap!”„En je weet precies waar dat huis en die tuin ligt?” vroeg ik.„Ja, ik heb lang naar een geschikte plek uitgekeken,” antwoordde Kien. „Het moest een groote tuin zijn en een buurt waar de huizen ver van elkaar staan om in geen geval te worden gesnapt.”„Waar is het?” vroeg Stenford.„Op den Nelson-weg.”„Daar wonen alleen deftige lui. Dat is heelemaal buiten de stad.”„Des te beter. Maar als het nu eens werd bewoond vóór aanstaanden Woensdag?”Aan die mogelijkheid had Kien nog niet gedacht.„Hoe kom je in dien tuin?” vroeg Stenford.„Je denkt zeker dat ik naar den huisbewaarder trek om den sleutel te halen,” antwoordde Kien op minachtenden toon. „Het is nog al glad dat je over den muur moet klimmen. Ik ben er een paar maal in geweest.”„Je bent een leperd, hoor Kien,” zei Stenford.„Nou, gaan jullie mee?”„Ik weet het nog niet. Het lijkt mij zoo iets als een plannetje van Burns.”„Als Burns ervan hoort zal ie zeker ook mee willen,” zei Kien.„Ellinghem, hoe denk je erover?” vroeg Stenford; „zullen we meegaan of niet?”„Mij goed,” antwoordde ik. „’t Is misschien wel moppig.”„Vooruit dan maar!” riep Stenford. „En hoeveel vuurwerk heb je? Willen we er nog wat bij koopen?”„Nou, wat graag,” riep Kien verrukt; „dat is natuurlijk veel beter om de kracht van de electrische vonk te kunnen nagaan.”Ik had pas een som geld ontvangen zoodat Kien in de wolken was over het aandeel dat ik wilde bijdragen tot welslagen van de onderneming.„Wat zullen we een pret hebben!” riep hij. „Als het huis nu maar niet in dien tijd is verhuurd.”Die mogelijkheid vervulde hem met angst en vervolgde hem als een nachtmerrie. Den volgenden dag nam hij me heelemaal naar den Nelson-weg mee om huis en tuin zoo nauwkeurig mogelijk te bespieden of we ook het een of ander gewaar werden waaruit zou kunnen blijken dat het huis binnenkort zou worden bewoond.„Misschien zijn er nu al menschen in,” zei hij angstig toen we het huis naderden.Dit bleek niet het geval. Op de ramen waren groote papieren aangeplakt die ons gerust stelden en borden waren bij den ingang geplaatst. De omgeving zag er doodsch en tamelijk verwaarloosd uit.„’t Lijkt wel of het huis in geen jaren is bewoond,” merkte ik op. „’k Zou me dan ook maar niet ongerust maken dat voor Woensdag verandering zal komen in dezen toestand. En al werd het huis een dezer dagen verhuurd, dan kunnen de menschen er toch zoo maar niet in trekken.”„Dat weet je nog niet,” zei Kien die zijn angst maar niet van zich kon afzetten, en nu begon hij alle voordeelen op te sommen die het huis bood en de tuin.Ik geloof dat hij er in de volgende week elken dag heen trok om zich te overtuigen dat de villa nog onbewoond was; het was dan ook een opluchting voor hem toen de gewichtige Woensdag eindelijk was aangebroken.Stenford, Burns en ik hielden hem ongemakkelijk voor den gek met zijn vuurwerk, doch hij ging zoo geheel op inzijn toebereidselen voor de grootsche onderneming dat geen glimlach op zijn gelaat verscheen.Toen we eindelijk in den trein zaten die om zes uur uit Triston vertrok, zooals we hadden afgesproken, toen werd hij iets opgewekter.„Voel je je nu wat beter?” vroeg Stenford.Kien knikte van ja.Stenford voelde hem den pols. „Ja,” zei hij, „de pols is sterker geworden; nog is de slag niet heelemaal regelmatig, doch een merkbare vooruitgang is waar te nemen.”„Zeur toch niet,” zei Kien wrevelig. „Ik wou jullie nu precies uitleggen wat we moeten doen.”Dit geschiedde met de grootste nauwkeurigheid, zoodat hij bijna uitsluitend aan het woord was tot we St. Martin bereikten.„Nu als de wind naar Smit om de dingen te koopen,” zei hij, toen we het station waren binnengestoomd.„Moeten wij die ontplofbare stoffen in onze zakken steken?” vroeg Stenford.„Ja, er zijn drie pakken vuurwerk,” antwoordde Kien ernstig. „Ieder neemt er een voor zijn rekening.”„W-wat d-draag jij d-dan?” vroeg Burns.„Ik neem het electrische toestel en den draad,” zei Kien. „Dat zou ik niet graag aan jullie hoede toevertrouwen. Vanmiddag heb ik het eerst bij Smit gebracht.”Een paar minuten later waren we klaar met Smit—want Kien had alles met groot beleid en kennis van zaken geregeld—en klommen we den heuvel op die buiten de stad was gelegen en waar zich de meeste villa’s bevonden.„W-weet je n-nog t-toen we hier het eerst s-samen waren?” vroeg Burns aan me.„Nou, of ik,” antwoordde ik. „Ik ben blij dat Kien nu de leiding op zich neemt en niet jij.”„Vertrouw nooit op Burns,” zei Stenford. „Voorondersteleens dat Kien b.v. in de lucht vliegt met z’n vuurwerk, dan zou Burns misschien de leiding willen overnemen, maar dan verzeker ik je dat ik onmiddellijk rechtsomkeer zou maken.”Burns lachte.„Praat nu niet zoo hard,” zei Kien; „we zijn al vlak bij den weg.”In dezen tijd van het jaar was het om zes uur al heelemaal donker. Een paar armzalige gaslantarens die in den wind stonden te flikkeren, waren het eenige schijnsel dat we gewaar werden. Niemand scheen zich op den Nelson-weg te bevinden.„’k Zou hier niet graag wonen,” zei Stenford; „veel te stil en eenzaam. Die weg schijnt niet eens een dwarspad te hebben.”„Nee, daarom leek deze buurt me juist zoo geschikt. Er staan in ’t geheel maar zes huizen en ons huis is het allerlaatste.”„’t Is of je het hebt gehuurd,” merkte ik op. „Is het hier?”„Ja,” antwoordde Kien. „Maar maak nu zoo min mogelijk leven.”Deze aansporing tot voorzichtigheid scheen overbodig. We waren nu al de huizen langs geloopen waarvan de ramen waren verlicht, zonder dat we taal of teeken van een levend wezen hadden gezien, en nu stonden we voor een donker verlaten gebouw, het laatste van de reeks villa’s.„Een somber oord,” zei Stenford die onwillekeurig de stem liet dalen.„Welke kant?” vroeg ik. „Het is hier zoo donker.”„Hierheen,” zei Kien; „ik zal je wel den weg wijzen. Ik ben hier nu al zoo dikwijls geweest.”Naast het huis bevond zich een hek van houten latten, dat toegang gaf tot den tuin.„Hierover heen,” zei Kien heel kalm.„Dank je stichtelijk,” zei Stenford; „een leuk spelletje om in het donker over een waggelend hek te klauteren met een pak dynamiet of weet ik wat in je hand.”„Leg dat goed hier neer bij elkaar,” beval Kien. „Dan klim ik er eerst over. Ellinghem, ga jij er bovenop zitten; dan geven we zoo den boel aan elkaar.”Dit plan werd stipt ten uitvoer gebracht, zoodat we een oogenblik later met onzen voorraad aan den anderen kant van het hek stonden.„En die andere huizen?” vroeg Stenford fluisterend, toen we in het donker bij elkaar stonden om de nadere orders van Kien af te wachten.We behoefden niet te vragen welke huizen hij bedoelde.De villa’s lagen evenwijdig met den Nelson-weg en de tuinen grensden aan elkaar. We konden de verlichte ramen zien van de achtergevels, zoodat het ons bijna onmogelijk leek, dat de menschen onze aanwezigheid niet zouden bemerken als ze naar buiten keken.„Och wat, jij met je huizen,” antwoordde Kien verontwaardigd, hoewel hij de stem toch niet durfde verheffen.„Natuurlijk staan daar huizen, maar een afstand van twee tuinen is tusschen ons in.”„Ik zou het toch prettiger vinden als die huizen er niet waren,” zei Stenford. „Maar daar is nu eenmaal niets aan te doen.”„Bij dag heb ik de heele buurt bespied,” hernam Kien op eenigszins uitdagenden toon, „en ik verzeker je dat het hier veilig is en dat je niet bang behoeft te zijn.”„Laten we dan maar den boel zoo gauw mogelijk afsteken,” zei Stenford.„Over het gras,” beval Kien; „er staat hier geen bloem of struik; regelrecht naar het verste gedeelte.”„Zeg ’s, je bent toch niet van plan om je zoo dicht bij die andere huizen te wagen?” vroeg Stenford.„Jawel,” zei Kien, „wat ben jij een ezel! Je snapt toch dat we dat goedje moeten afsteken, zonder dat ze dit uit die huizen kunnen zien?”„Ga je gang dan maar,” antwoordde Stenford, „maar wat loop je akelig in dat lange gras. Voor deze feestelijke gelegenheid hadt je het wel kunnen laten maaien.”We zagen nu iets wits schemeren in het benedengedeelte van den tuin; dit bleek een serre die tegen den muur was gebouwd.„Wacht tot ik licht maak,” zei Kien. „Ik heb de lantaren genomen van de fiets van Burns.”„W-wel heb ik v-van m’n l-leven,” zei Burns.„Begrijp jullie nu niet hoe prachtig die oranjerie als scherm kan dienen bij het afsteken van het vuurwerk,” zei Kien, die nu een lucifer afstreek.„Dat is zoo,” gaf ik toe, „maar de huizen die iets verder staan—”„Die hebben een prachtig gezicht erop,” viel Stenford in.„Je kan toch niet alles verlangen,” zei Kien.„Ze z-zullen denken dat het huis is v-verhuurd,” zei Burns, „en d-dat ze n-nu vuurwerk afsteken v-voor de k-kindertjes.”„Die niet buiten mogen komen omdat het ’s avonds te koud is,” vulde Stenford aan. „Vooruit dan maar.”„Ja, we moeten ons haasten,” zei Kien. „Hecht die dingen op den muur vast;” dit zeggend reikte hij me een van de pakken over. „Ik heb er alles voor klaar gemaakt.”Dit bleek werkelijk het geval. Hij had spijkers ingeslagen voor de zonnetjes en pijpjes bevestigd om de Romeinsche kaarsen en de voetzoekers en vuurpijlen aan te bevestigen, zoodat de inhoud van het eerste pak in een ommezien was geledigd.Kien was nu bezig met het electrische toestel.„Hoeveel kan je daarmee tegelijk aansteken?” vroeg Stenford.„Een stuk of zes,” zei Kien, die den draad stond los te wikkelen; het gedrenkte papier dat als lont moest dienen had hij al gereed liggen. Als de draad langer was, zou ik er misschien nog wel een paar meer tegelijk kunnen aansteken.„Zes is mooi genoeg,” hernam Stenford. „Ik vind het zelfs een prachtvertoon, dat me herinnert aan de grootste buitensporigste weelde in de Romeinsche oudheid.”Kien gaf hierop geen antwoord. Hij maakte den draad vast en liep toen achteruit met het toestel terwijl hij den draad langzaam los wikkelde.„Ga nu mee tot vlak bij het huis,” zei hij.„Vandaar zullen we de electrische ontlading prachtig kunnen zien.”„En d-daar z-zijn we v-veilig,” zei Burns.„Draai de lamp met het licht naar den muur,” zei Stenford; „dan zullen we de rest nog beter kunnen zien.”„Pas op den draad!” waarschuwde Kien.„Struikel er niet over.”„Nee, daarvoor zal ik wel oppassen,” zei Stenford. „Ik wil mijn natuurlijken dood sterven. Steek den boel niet aan voor ik op een veilige plaats ben beland.”„Nou, het begint!” zei Kien.We stonden nu op een rij bij de plek waar de draad eindigde. De oranjerie konden we vaag onderscheiden in de verte.„Burns,” zei Stenford op plechtigen toon, „nog één oogenblik en dan zal het daarginds helder licht worden.”„Houd nou je mond,” zei Kien. „Ik steek het nu aan!”„Gauw wat alsjeblieft!” fluisterde Stenford. „De spanning is te groot.”

HOOFDSTUK XXI.HET VUURWERK VAN KIEN.

Na mijn avontuur ging het leven op school eenige weken lang geregeld voort. Mijn werk bracht ik er tamelijk goed af, hoewel we altijd volop te doen hadden en nooit klaar dachten te komen voor de heeren Kijkers en Wilson. We speelden verbazend veel voetbal, een spel waar ik weinig om gaf, al durfde ik dit niet bekennen. Ik sloeg hierbij dan ook een tamelijk slecht figuur.Ik zag Bob veel te weinig naar mijn zin en dit zei ik eens tegen Stenford.„Dat is nog al glad,” antwoordde hij; „hij is een van de hooge lui, een prefekt nog wel en jij bent maar een van de kleine jongens en nog niet eens zoo’n schitterend exemplaar,” voegde hij er lachend bij.„Hij was vroeger toch heel wat vriendelijker tegen me dan nu,” hield ik vol.„Zeur toch niet, kerel!” riep Stenford kregelig; „een jongen uit de zesde kan niet zulke dikke maatjes zijn met een van de kleinere; hij heeft warempel wel wat anders te doen.”„Ja, dat merk ik ook,” zei ik schamper.„Kitsjin is heel dik met Norman en Juniper, omdat hij die lui den heelen dag ziet,” hernam Stenford; „hij werkt met ze en voetbalt met hen, en zoo wat meer.”„Als ik in de kamer van Norman ben en als Bob binnen komt, dan ziet ie ternauwernood naar me om,” zei ik.„Waarom zou hij zich zoo druk met je bemoeien?” antwoordde Stenford. „Hij vind het natuurlijk veel beter dat je er jezelf alleen doorheen slaat; als ie zoo druk met je was, dan zou je misschien te veel idee van je persoontje krijgen; daarvoor zal hij bang zijn.”„Het is mogelijk dat je gelijk hebt,” zei ik.„Heb je je er op de een of andere manier ingewerkt?” vroeg Stenford.„Nee,” antwoordde ik.„Maar wat wou je dan van hem? Als je een moeilijkheid had, dan zou je naar hem toe kunnen gaan om zijn hulp te vragen; nu dit niet het geval is, laat je hem maar met rust. Ik kan niet uitstaan als kleine jongens als klissen aan de grooten hangen.”„Ik ben ook niet van plan om als een klis aan Kitsjin te hangen,” wiep ik tegen.„Daar heb je nou b. v. die Dester en Brunton,” hernam Stenford. „Dester moet al de gemeenste karweitjes voor dien vent doen, en nu en dan krijgt ie een pak ransel van Brunton, maar toch loopt Dester achter hem aan, kwispelstaartend als een geslagen hond, en de kleinere jongens plaagt en sart ie weer op zijn beurt. Juniper noemt hem den „Jakhals van Brunton”.”„Brunton heeft anders niet veel van een leeuw,” zei ik.„Zeg dat wel! Ik snap dan ook niet dat iemand als Kitsjin met dien man staat te praten, en dat doet hij toch.”„Heusch?” vroeg ik en spitste de ooren.„Ja, ze zijn wel in dezelfde club, dus het kan wezen dat ze spreken over dingen die het voetbal betreffen.”„Misschien hebben ze ook nog wel andere onderwerpen waarover ze samen praten,” zei ik, daar het gesprek me te binnen schoot dat ik op dien avond had afgeluisterd.„Verleden zag ik ze ten minste bij elkaar staan, alsof het heel dik tusschen ze aan was,” hernam Stenford.Ik haalde nu een couvert uit mijn zak dat ik hem liet zien. „Van wien is die poot?” vroeg ik.Stenford bekeek de enveloppe van alle kanten en keerde die om en om; toen zei hij: „Dat is geschreven door iemand die zijn hand wil verdraaien.”„En wie heeft dat geschreven?”„Dester.”„Dat dacht ik ook,” riep ik uit, „Maar hoe weet je dat?”„Ik zie het aan zijn g; daar maakt ie altijd zoo’n haal aan.”„Maar z’n hoofdletters A en M schrijft ie toch heel anders,” zei ik.„Dat is juist z’n slimheid; hij wil je van de wijs brengen, maar die haal van zijn g’s heeft ie laten staan. Je kunt ervan op aan dat die brief van Dester afkomstig is. Wat staat er in?”„O niets bijzonders,” antwoordde ik, terwijl ik het couvert weer in mijn zak liet glijden. „Ik wou alleen maar weten of jij ook Dester voor den schrijver hieldt.”„Zonder twijfel, maar vraag het nog aan een derde. Daar komt Kien aanzetten.”„Nee, spreek er tegen niemand van,” zei ik haastig; „de sop is de kool niet waard.”„Waarover hebben jullie het zoo druk?” vroeg Kien, die naar ons kwam toeloopen.„Over iets dat niet in betrekking staat tot de wetenschap,” antwoordde Stenford, „dus voor jou van geen belang. We spraken over Brunton en zijn jakhals Dester.”„Te veel eer voor dat soort lui,” zei Kien. „Maar ik weet wel dat als Kolman te weten komt dat Brunton in alle gemeene kroegen in de stad bekend is en dat hij aan een massa lui geld schuldig is en dat ie zich ophoudt met race-weddingschappen en dat ie nu en dan ’s nachts dronkenthuis komt en dan wordt binnengelaten door Dester—”„Is dat zoo?” vroeg Stenford.„Ja, wist je dat niet? Als dat Kolman ter oore komt, dan snap je dat ie op staanden voet wordt weggejaagd,” zei Kien.„Ja, maar aangezien Kolman dit niet weet, zal hij hier blijven,” merkte Stenford wijsgeerig op. „Ik heb je nog nooit zooveel woorden achter elkaar hooren zeggen, Kien.”„Ik kwam niet hier om mijn tijd te verleuteren,” hernam Kien op wreveligen toon.„Waarom dan? Wou je weer proeven doen? Vertel op!”„Ik wou vuurwerk aansteken door middel van een electrische vonk,” verklaarde Kien op ernstigen toon.„Wou je zien of het daarmee afgaat?”„Ja; ik wou het aansteken met een electrischen draad.”„En hoe lang is die draad?”„Vijftien meter.”„Niet lang genoeg, waarde heer; het afsteken van particulier vuurwerk is niet geoorloofd in deze streken, en op vijftien meter afstand loop je groote kans te worden gesnapt.”„Ik ben niet zoo gek om het hier in de buurt af te steken,” antwoordde Kien spottend; „je denkt misschien dat ik Kolman en Kijkers zal uitnoodigen om van de partij te zijn.”„Als je dat doet, dan kom ik niet,” zei Stenford. „Ik houd dol van vuurwerk, maar als je den chef er bij vraagt, dan zal je mijn gezelschap moeten ontberen.”„Leuter nou niet,” hernam Kien kwaad. „Ik zal je vertellen wat ik van plan ben te doen.—Jij doet zeker ook mee, is ’t niet, Ellinghem?”„Goed,” antwoordde ik, „maar eerst moet ik weten hoe je het wilt aanleggen.”„Dat is gauw genoeg gezegd,” zei Kien opgewekt, daar hij meende dat ik evenzeer naar wetenschappelijke proefnemingenhongerde en dorstte als hijzelf. „Je maakt het vuurwerk eerst heelemaal klaar; dan breng je het in verbinding met den electrischen draad—je weet wel hoe dat gaat.”„Dat bedoelt ie niet,” viel Stenford hem in de rede. „Hij weet dat het verboden is om vuurwerk af te steken—als ie dit nog niet wist, dan vertel ik het hem bij deze—hij wou alleen maar weten hoe je het wilt aanleggen om niet te worden gesnapt.”„Ja,” zei ik, „want vuurwerk is nu eenmaal een goedje dat...”„Dat ruikt en lawaai maakt,” viel Stenford in, die den zin voor mij voltooide. „Vertel op, Kien; hoe wou je het hem eigenlijk leveren?”„Dat zal ik je zeggen als je me eindelijk eens rustig laat uitpraten,” zei Kien ernstig.„Houd nu eens je mond.”„Ik zal zwijgen,” hernam Stenford. „Vertel dan gauw op.”„Ik heb een stille plek gevonden die uitnemend hiervoor is geschikt.”„Waar dan?” vroeg Stenford. „Een kelder misschien?”„De tuin van een huis dat leeg staat,” zei Kien.„Niet kwaad bedacht,” riep Stenford. „De vent is practischer dan ik dacht, Ellinghem.”„Het is een tuin met hooge muren er omheen; hierop kunnen we al die dingen vastmaken; we hechten dan den draad eraan vast en klaar ben je.”„Je bent tenminste in den tuin,” zei Stenford; „maar om zes uur is het donker, dus hoe kom je op tijd weer thuis...”„Dat heb ik ook al bedacht,” antwoordde Kien. „Je weet dat a.s. Woensdag de groote voetbal-match in Triston wordt gespeeld.”„Ja, wat zou dat?”„We mogen thuis komen met den trein die om half acht vandaar vertrekt. Maar er is er ook een om zes uur en dien zullen wij nemen. Dan hebben we den tijd tot achtuur; we steken het vuurwerk op ons gemak af en komen gelijk met de anderen thuis.”„Ellinghem, is die vent geen listig monster?” vroeg Stenford. „Als eenige verontschuldiging kunnen we aanvoeren dat hij handelt uit liefde tot de wetenschap!”„En je weet precies waar dat huis en die tuin ligt?” vroeg ik.„Ja, ik heb lang naar een geschikte plek uitgekeken,” antwoordde Kien. „Het moest een groote tuin zijn en een buurt waar de huizen ver van elkaar staan om in geen geval te worden gesnapt.”„Waar is het?” vroeg Stenford.„Op den Nelson-weg.”„Daar wonen alleen deftige lui. Dat is heelemaal buiten de stad.”„Des te beter. Maar als het nu eens werd bewoond vóór aanstaanden Woensdag?”Aan die mogelijkheid had Kien nog niet gedacht.„Hoe kom je in dien tuin?” vroeg Stenford.„Je denkt zeker dat ik naar den huisbewaarder trek om den sleutel te halen,” antwoordde Kien op minachtenden toon. „Het is nog al glad dat je over den muur moet klimmen. Ik ben er een paar maal in geweest.”„Je bent een leperd, hoor Kien,” zei Stenford.„Nou, gaan jullie mee?”„Ik weet het nog niet. Het lijkt mij zoo iets als een plannetje van Burns.”„Als Burns ervan hoort zal ie zeker ook mee willen,” zei Kien.„Ellinghem, hoe denk je erover?” vroeg Stenford; „zullen we meegaan of niet?”„Mij goed,” antwoordde ik. „’t Is misschien wel moppig.”„Vooruit dan maar!” riep Stenford. „En hoeveel vuurwerk heb je? Willen we er nog wat bij koopen?”„Nou, wat graag,” riep Kien verrukt; „dat is natuurlijk veel beter om de kracht van de electrische vonk te kunnen nagaan.”Ik had pas een som geld ontvangen zoodat Kien in de wolken was over het aandeel dat ik wilde bijdragen tot welslagen van de onderneming.„Wat zullen we een pret hebben!” riep hij. „Als het huis nu maar niet in dien tijd is verhuurd.”Die mogelijkheid vervulde hem met angst en vervolgde hem als een nachtmerrie. Den volgenden dag nam hij me heelemaal naar den Nelson-weg mee om huis en tuin zoo nauwkeurig mogelijk te bespieden of we ook het een of ander gewaar werden waaruit zou kunnen blijken dat het huis binnenkort zou worden bewoond.„Misschien zijn er nu al menschen in,” zei hij angstig toen we het huis naderden.Dit bleek niet het geval. Op de ramen waren groote papieren aangeplakt die ons gerust stelden en borden waren bij den ingang geplaatst. De omgeving zag er doodsch en tamelijk verwaarloosd uit.„’t Lijkt wel of het huis in geen jaren is bewoond,” merkte ik op. „’k Zou me dan ook maar niet ongerust maken dat voor Woensdag verandering zal komen in dezen toestand. En al werd het huis een dezer dagen verhuurd, dan kunnen de menschen er toch zoo maar niet in trekken.”„Dat weet je nog niet,” zei Kien die zijn angst maar niet van zich kon afzetten, en nu begon hij alle voordeelen op te sommen die het huis bood en de tuin.Ik geloof dat hij er in de volgende week elken dag heen trok om zich te overtuigen dat de villa nog onbewoond was; het was dan ook een opluchting voor hem toen de gewichtige Woensdag eindelijk was aangebroken.Stenford, Burns en ik hielden hem ongemakkelijk voor den gek met zijn vuurwerk, doch hij ging zoo geheel op inzijn toebereidselen voor de grootsche onderneming dat geen glimlach op zijn gelaat verscheen.Toen we eindelijk in den trein zaten die om zes uur uit Triston vertrok, zooals we hadden afgesproken, toen werd hij iets opgewekter.„Voel je je nu wat beter?” vroeg Stenford.Kien knikte van ja.Stenford voelde hem den pols. „Ja,” zei hij, „de pols is sterker geworden; nog is de slag niet heelemaal regelmatig, doch een merkbare vooruitgang is waar te nemen.”„Zeur toch niet,” zei Kien wrevelig. „Ik wou jullie nu precies uitleggen wat we moeten doen.”Dit geschiedde met de grootste nauwkeurigheid, zoodat hij bijna uitsluitend aan het woord was tot we St. Martin bereikten.„Nu als de wind naar Smit om de dingen te koopen,” zei hij, toen we het station waren binnengestoomd.„Moeten wij die ontplofbare stoffen in onze zakken steken?” vroeg Stenford.„Ja, er zijn drie pakken vuurwerk,” antwoordde Kien ernstig. „Ieder neemt er een voor zijn rekening.”„W-wat d-draag jij d-dan?” vroeg Burns.„Ik neem het electrische toestel en den draad,” zei Kien. „Dat zou ik niet graag aan jullie hoede toevertrouwen. Vanmiddag heb ik het eerst bij Smit gebracht.”Een paar minuten later waren we klaar met Smit—want Kien had alles met groot beleid en kennis van zaken geregeld—en klommen we den heuvel op die buiten de stad was gelegen en waar zich de meeste villa’s bevonden.„W-weet je n-nog t-toen we hier het eerst s-samen waren?” vroeg Burns aan me.„Nou, of ik,” antwoordde ik. „Ik ben blij dat Kien nu de leiding op zich neemt en niet jij.”„Vertrouw nooit op Burns,” zei Stenford. „Voorondersteleens dat Kien b.v. in de lucht vliegt met z’n vuurwerk, dan zou Burns misschien de leiding willen overnemen, maar dan verzeker ik je dat ik onmiddellijk rechtsomkeer zou maken.”Burns lachte.„Praat nu niet zoo hard,” zei Kien; „we zijn al vlak bij den weg.”In dezen tijd van het jaar was het om zes uur al heelemaal donker. Een paar armzalige gaslantarens die in den wind stonden te flikkeren, waren het eenige schijnsel dat we gewaar werden. Niemand scheen zich op den Nelson-weg te bevinden.„’k Zou hier niet graag wonen,” zei Stenford; „veel te stil en eenzaam. Die weg schijnt niet eens een dwarspad te hebben.”„Nee, daarom leek deze buurt me juist zoo geschikt. Er staan in ’t geheel maar zes huizen en ons huis is het allerlaatste.”„’t Is of je het hebt gehuurd,” merkte ik op. „Is het hier?”„Ja,” antwoordde Kien. „Maar maak nu zoo min mogelijk leven.”Deze aansporing tot voorzichtigheid scheen overbodig. We waren nu al de huizen langs geloopen waarvan de ramen waren verlicht, zonder dat we taal of teeken van een levend wezen hadden gezien, en nu stonden we voor een donker verlaten gebouw, het laatste van de reeks villa’s.„Een somber oord,” zei Stenford die onwillekeurig de stem liet dalen.„Welke kant?” vroeg ik. „Het is hier zoo donker.”„Hierheen,” zei Kien; „ik zal je wel den weg wijzen. Ik ben hier nu al zoo dikwijls geweest.”Naast het huis bevond zich een hek van houten latten, dat toegang gaf tot den tuin.„Hierover heen,” zei Kien heel kalm.„Dank je stichtelijk,” zei Stenford; „een leuk spelletje om in het donker over een waggelend hek te klauteren met een pak dynamiet of weet ik wat in je hand.”„Leg dat goed hier neer bij elkaar,” beval Kien. „Dan klim ik er eerst over. Ellinghem, ga jij er bovenop zitten; dan geven we zoo den boel aan elkaar.”Dit plan werd stipt ten uitvoer gebracht, zoodat we een oogenblik later met onzen voorraad aan den anderen kant van het hek stonden.„En die andere huizen?” vroeg Stenford fluisterend, toen we in het donker bij elkaar stonden om de nadere orders van Kien af te wachten.We behoefden niet te vragen welke huizen hij bedoelde.De villa’s lagen evenwijdig met den Nelson-weg en de tuinen grensden aan elkaar. We konden de verlichte ramen zien van de achtergevels, zoodat het ons bijna onmogelijk leek, dat de menschen onze aanwezigheid niet zouden bemerken als ze naar buiten keken.„Och wat, jij met je huizen,” antwoordde Kien verontwaardigd, hoewel hij de stem toch niet durfde verheffen.„Natuurlijk staan daar huizen, maar een afstand van twee tuinen is tusschen ons in.”„Ik zou het toch prettiger vinden als die huizen er niet waren,” zei Stenford. „Maar daar is nu eenmaal niets aan te doen.”„Bij dag heb ik de heele buurt bespied,” hernam Kien op eenigszins uitdagenden toon, „en ik verzeker je dat het hier veilig is en dat je niet bang behoeft te zijn.”„Laten we dan maar den boel zoo gauw mogelijk afsteken,” zei Stenford.„Over het gras,” beval Kien; „er staat hier geen bloem of struik; regelrecht naar het verste gedeelte.”„Zeg ’s, je bent toch niet van plan om je zoo dicht bij die andere huizen te wagen?” vroeg Stenford.„Jawel,” zei Kien, „wat ben jij een ezel! Je snapt toch dat we dat goedje moeten afsteken, zonder dat ze dit uit die huizen kunnen zien?”„Ga je gang dan maar,” antwoordde Stenford, „maar wat loop je akelig in dat lange gras. Voor deze feestelijke gelegenheid hadt je het wel kunnen laten maaien.”We zagen nu iets wits schemeren in het benedengedeelte van den tuin; dit bleek een serre die tegen den muur was gebouwd.„Wacht tot ik licht maak,” zei Kien. „Ik heb de lantaren genomen van de fiets van Burns.”„W-wel heb ik v-van m’n l-leven,” zei Burns.„Begrijp jullie nu niet hoe prachtig die oranjerie als scherm kan dienen bij het afsteken van het vuurwerk,” zei Kien, die nu een lucifer afstreek.„Dat is zoo,” gaf ik toe, „maar de huizen die iets verder staan—”„Die hebben een prachtig gezicht erop,” viel Stenford in.„Je kan toch niet alles verlangen,” zei Kien.„Ze z-zullen denken dat het huis is v-verhuurd,” zei Burns, „en d-dat ze n-nu vuurwerk afsteken v-voor de k-kindertjes.”„Die niet buiten mogen komen omdat het ’s avonds te koud is,” vulde Stenford aan. „Vooruit dan maar.”„Ja, we moeten ons haasten,” zei Kien. „Hecht die dingen op den muur vast;” dit zeggend reikte hij me een van de pakken over. „Ik heb er alles voor klaar gemaakt.”Dit bleek werkelijk het geval. Hij had spijkers ingeslagen voor de zonnetjes en pijpjes bevestigd om de Romeinsche kaarsen en de voetzoekers en vuurpijlen aan te bevestigen, zoodat de inhoud van het eerste pak in een ommezien was geledigd.Kien was nu bezig met het electrische toestel.„Hoeveel kan je daarmee tegelijk aansteken?” vroeg Stenford.„Een stuk of zes,” zei Kien, die den draad stond los te wikkelen; het gedrenkte papier dat als lont moest dienen had hij al gereed liggen. Als de draad langer was, zou ik er misschien nog wel een paar meer tegelijk kunnen aansteken.„Zes is mooi genoeg,” hernam Stenford. „Ik vind het zelfs een prachtvertoon, dat me herinnert aan de grootste buitensporigste weelde in de Romeinsche oudheid.”Kien gaf hierop geen antwoord. Hij maakte den draad vast en liep toen achteruit met het toestel terwijl hij den draad langzaam los wikkelde.„Ga nu mee tot vlak bij het huis,” zei hij.„Vandaar zullen we de electrische ontlading prachtig kunnen zien.”„En d-daar z-zijn we v-veilig,” zei Burns.„Draai de lamp met het licht naar den muur,” zei Stenford; „dan zullen we de rest nog beter kunnen zien.”„Pas op den draad!” waarschuwde Kien.„Struikel er niet over.”„Nee, daarvoor zal ik wel oppassen,” zei Stenford. „Ik wil mijn natuurlijken dood sterven. Steek den boel niet aan voor ik op een veilige plaats ben beland.”„Nou, het begint!” zei Kien.We stonden nu op een rij bij de plek waar de draad eindigde. De oranjerie konden we vaag onderscheiden in de verte.„Burns,” zei Stenford op plechtigen toon, „nog één oogenblik en dan zal het daarginds helder licht worden.”„Houd nou je mond,” zei Kien. „Ik steek het nu aan!”„Gauw wat alsjeblieft!” fluisterde Stenford. „De spanning is te groot.”

Na mijn avontuur ging het leven op school eenige weken lang geregeld voort. Mijn werk bracht ik er tamelijk goed af, hoewel we altijd volop te doen hadden en nooit klaar dachten te komen voor de heeren Kijkers en Wilson. We speelden verbazend veel voetbal, een spel waar ik weinig om gaf, al durfde ik dit niet bekennen. Ik sloeg hierbij dan ook een tamelijk slecht figuur.

Ik zag Bob veel te weinig naar mijn zin en dit zei ik eens tegen Stenford.

„Dat is nog al glad,” antwoordde hij; „hij is een van de hooge lui, een prefekt nog wel en jij bent maar een van de kleine jongens en nog niet eens zoo’n schitterend exemplaar,” voegde hij er lachend bij.

„Hij was vroeger toch heel wat vriendelijker tegen me dan nu,” hield ik vol.

„Zeur toch niet, kerel!” riep Stenford kregelig; „een jongen uit de zesde kan niet zulke dikke maatjes zijn met een van de kleinere; hij heeft warempel wel wat anders te doen.”

„Ja, dat merk ik ook,” zei ik schamper.

„Kitsjin is heel dik met Norman en Juniper, omdat hij die lui den heelen dag ziet,” hernam Stenford; „hij werkt met ze en voetbalt met hen, en zoo wat meer.”

„Als ik in de kamer van Norman ben en als Bob binnen komt, dan ziet ie ternauwernood naar me om,” zei ik.

„Waarom zou hij zich zoo druk met je bemoeien?” antwoordde Stenford. „Hij vind het natuurlijk veel beter dat je er jezelf alleen doorheen slaat; als ie zoo druk met je was, dan zou je misschien te veel idee van je persoontje krijgen; daarvoor zal hij bang zijn.”

„Het is mogelijk dat je gelijk hebt,” zei ik.

„Heb je je er op de een of andere manier ingewerkt?” vroeg Stenford.

„Nee,” antwoordde ik.

„Maar wat wou je dan van hem? Als je een moeilijkheid had, dan zou je naar hem toe kunnen gaan om zijn hulp te vragen; nu dit niet het geval is, laat je hem maar met rust. Ik kan niet uitstaan als kleine jongens als klissen aan de grooten hangen.”

„Ik ben ook niet van plan om als een klis aan Kitsjin te hangen,” wiep ik tegen.

„Daar heb je nou b. v. die Dester en Brunton,” hernam Stenford. „Dester moet al de gemeenste karweitjes voor dien vent doen, en nu en dan krijgt ie een pak ransel van Brunton, maar toch loopt Dester achter hem aan, kwispelstaartend als een geslagen hond, en de kleinere jongens plaagt en sart ie weer op zijn beurt. Juniper noemt hem den „Jakhals van Brunton”.”

„Brunton heeft anders niet veel van een leeuw,” zei ik.

„Zeg dat wel! Ik snap dan ook niet dat iemand als Kitsjin met dien man staat te praten, en dat doet hij toch.”

„Heusch?” vroeg ik en spitste de ooren.

„Ja, ze zijn wel in dezelfde club, dus het kan wezen dat ze spreken over dingen die het voetbal betreffen.”

„Misschien hebben ze ook nog wel andere onderwerpen waarover ze samen praten,” zei ik, daar het gesprek me te binnen schoot dat ik op dien avond had afgeluisterd.

„Verleden zag ik ze ten minste bij elkaar staan, alsof het heel dik tusschen ze aan was,” hernam Stenford.

Ik haalde nu een couvert uit mijn zak dat ik hem liet zien. „Van wien is die poot?” vroeg ik.

Stenford bekeek de enveloppe van alle kanten en keerde die om en om; toen zei hij: „Dat is geschreven door iemand die zijn hand wil verdraaien.”

„En wie heeft dat geschreven?”

„Dester.”

„Dat dacht ik ook,” riep ik uit, „Maar hoe weet je dat?”

„Ik zie het aan zijn g; daar maakt ie altijd zoo’n haal aan.”

„Maar z’n hoofdletters A en M schrijft ie toch heel anders,” zei ik.

„Dat is juist z’n slimheid; hij wil je van de wijs brengen, maar die haal van zijn g’s heeft ie laten staan. Je kunt ervan op aan dat die brief van Dester afkomstig is. Wat staat er in?”

„O niets bijzonders,” antwoordde ik, terwijl ik het couvert weer in mijn zak liet glijden. „Ik wou alleen maar weten of jij ook Dester voor den schrijver hieldt.”

„Zonder twijfel, maar vraag het nog aan een derde. Daar komt Kien aanzetten.”

„Nee, spreek er tegen niemand van,” zei ik haastig; „de sop is de kool niet waard.”

„Waarover hebben jullie het zoo druk?” vroeg Kien, die naar ons kwam toeloopen.

„Over iets dat niet in betrekking staat tot de wetenschap,” antwoordde Stenford, „dus voor jou van geen belang. We spraken over Brunton en zijn jakhals Dester.”

„Te veel eer voor dat soort lui,” zei Kien. „Maar ik weet wel dat als Kolman te weten komt dat Brunton in alle gemeene kroegen in de stad bekend is en dat hij aan een massa lui geld schuldig is en dat ie zich ophoudt met race-weddingschappen en dat ie nu en dan ’s nachts dronkenthuis komt en dan wordt binnengelaten door Dester—”

„Is dat zoo?” vroeg Stenford.

„Ja, wist je dat niet? Als dat Kolman ter oore komt, dan snap je dat ie op staanden voet wordt weggejaagd,” zei Kien.

„Ja, maar aangezien Kolman dit niet weet, zal hij hier blijven,” merkte Stenford wijsgeerig op. „Ik heb je nog nooit zooveel woorden achter elkaar hooren zeggen, Kien.”

„Ik kwam niet hier om mijn tijd te verleuteren,” hernam Kien op wreveligen toon.

„Waarom dan? Wou je weer proeven doen? Vertel op!”

„Ik wou vuurwerk aansteken door middel van een electrische vonk,” verklaarde Kien op ernstigen toon.

„Wou je zien of het daarmee afgaat?”

„Ja; ik wou het aansteken met een electrischen draad.”

„En hoe lang is die draad?”

„Vijftien meter.”

„Niet lang genoeg, waarde heer; het afsteken van particulier vuurwerk is niet geoorloofd in deze streken, en op vijftien meter afstand loop je groote kans te worden gesnapt.”

„Ik ben niet zoo gek om het hier in de buurt af te steken,” antwoordde Kien spottend; „je denkt misschien dat ik Kolman en Kijkers zal uitnoodigen om van de partij te zijn.”

„Als je dat doet, dan kom ik niet,” zei Stenford. „Ik houd dol van vuurwerk, maar als je den chef er bij vraagt, dan zal je mijn gezelschap moeten ontberen.”

„Leuter nou niet,” hernam Kien kwaad. „Ik zal je vertellen wat ik van plan ben te doen.—Jij doet zeker ook mee, is ’t niet, Ellinghem?”

„Goed,” antwoordde ik, „maar eerst moet ik weten hoe je het wilt aanleggen.”

„Dat is gauw genoeg gezegd,” zei Kien opgewekt, daar hij meende dat ik evenzeer naar wetenschappelijke proefnemingenhongerde en dorstte als hijzelf. „Je maakt het vuurwerk eerst heelemaal klaar; dan breng je het in verbinding met den electrischen draad—je weet wel hoe dat gaat.”

„Dat bedoelt ie niet,” viel Stenford hem in de rede. „Hij weet dat het verboden is om vuurwerk af te steken—als ie dit nog niet wist, dan vertel ik het hem bij deze—hij wou alleen maar weten hoe je het wilt aanleggen om niet te worden gesnapt.”

„Ja,” zei ik, „want vuurwerk is nu eenmaal een goedje dat...”

„Dat ruikt en lawaai maakt,” viel Stenford in, die den zin voor mij voltooide. „Vertel op, Kien; hoe wou je het hem eigenlijk leveren?”

„Dat zal ik je zeggen als je me eindelijk eens rustig laat uitpraten,” zei Kien ernstig.„Houd nu eens je mond.”

„Ik zal zwijgen,” hernam Stenford. „Vertel dan gauw op.”

„Ik heb een stille plek gevonden die uitnemend hiervoor is geschikt.”

„Waar dan?” vroeg Stenford. „Een kelder misschien?”

„De tuin van een huis dat leeg staat,” zei Kien.

„Niet kwaad bedacht,” riep Stenford. „De vent is practischer dan ik dacht, Ellinghem.”

„Het is een tuin met hooge muren er omheen; hierop kunnen we al die dingen vastmaken; we hechten dan den draad eraan vast en klaar ben je.”

„Je bent tenminste in den tuin,” zei Stenford; „maar om zes uur is het donker, dus hoe kom je op tijd weer thuis...”

„Dat heb ik ook al bedacht,” antwoordde Kien. „Je weet dat a.s. Woensdag de groote voetbal-match in Triston wordt gespeeld.”

„Ja, wat zou dat?”

„We mogen thuis komen met den trein die om half acht vandaar vertrekt. Maar er is er ook een om zes uur en dien zullen wij nemen. Dan hebben we den tijd tot achtuur; we steken het vuurwerk op ons gemak af en komen gelijk met de anderen thuis.”

„Ellinghem, is die vent geen listig monster?” vroeg Stenford. „Als eenige verontschuldiging kunnen we aanvoeren dat hij handelt uit liefde tot de wetenschap!”

„En je weet precies waar dat huis en die tuin ligt?” vroeg ik.

„Ja, ik heb lang naar een geschikte plek uitgekeken,” antwoordde Kien. „Het moest een groote tuin zijn en een buurt waar de huizen ver van elkaar staan om in geen geval te worden gesnapt.”

„Waar is het?” vroeg Stenford.

„Op den Nelson-weg.”

„Daar wonen alleen deftige lui. Dat is heelemaal buiten de stad.”

„Des te beter. Maar als het nu eens werd bewoond vóór aanstaanden Woensdag?”

Aan die mogelijkheid had Kien nog niet gedacht.

„Hoe kom je in dien tuin?” vroeg Stenford.

„Je denkt zeker dat ik naar den huisbewaarder trek om den sleutel te halen,” antwoordde Kien op minachtenden toon. „Het is nog al glad dat je over den muur moet klimmen. Ik ben er een paar maal in geweest.”

„Je bent een leperd, hoor Kien,” zei Stenford.

„Nou, gaan jullie mee?”

„Ik weet het nog niet. Het lijkt mij zoo iets als een plannetje van Burns.”

„Als Burns ervan hoort zal ie zeker ook mee willen,” zei Kien.

„Ellinghem, hoe denk je erover?” vroeg Stenford; „zullen we meegaan of niet?”

„Mij goed,” antwoordde ik. „’t Is misschien wel moppig.”

„Vooruit dan maar!” riep Stenford. „En hoeveel vuurwerk heb je? Willen we er nog wat bij koopen?”

„Nou, wat graag,” riep Kien verrukt; „dat is natuurlijk veel beter om de kracht van de electrische vonk te kunnen nagaan.”

Ik had pas een som geld ontvangen zoodat Kien in de wolken was over het aandeel dat ik wilde bijdragen tot welslagen van de onderneming.

„Wat zullen we een pret hebben!” riep hij. „Als het huis nu maar niet in dien tijd is verhuurd.”

Die mogelijkheid vervulde hem met angst en vervolgde hem als een nachtmerrie. Den volgenden dag nam hij me heelemaal naar den Nelson-weg mee om huis en tuin zoo nauwkeurig mogelijk te bespieden of we ook het een of ander gewaar werden waaruit zou kunnen blijken dat het huis binnenkort zou worden bewoond.

„Misschien zijn er nu al menschen in,” zei hij angstig toen we het huis naderden.

Dit bleek niet het geval. Op de ramen waren groote papieren aangeplakt die ons gerust stelden en borden waren bij den ingang geplaatst. De omgeving zag er doodsch en tamelijk verwaarloosd uit.

„’t Lijkt wel of het huis in geen jaren is bewoond,” merkte ik op. „’k Zou me dan ook maar niet ongerust maken dat voor Woensdag verandering zal komen in dezen toestand. En al werd het huis een dezer dagen verhuurd, dan kunnen de menschen er toch zoo maar niet in trekken.”

„Dat weet je nog niet,” zei Kien die zijn angst maar niet van zich kon afzetten, en nu begon hij alle voordeelen op te sommen die het huis bood en de tuin.

Ik geloof dat hij er in de volgende week elken dag heen trok om zich te overtuigen dat de villa nog onbewoond was; het was dan ook een opluchting voor hem toen de gewichtige Woensdag eindelijk was aangebroken.

Stenford, Burns en ik hielden hem ongemakkelijk voor den gek met zijn vuurwerk, doch hij ging zoo geheel op inzijn toebereidselen voor de grootsche onderneming dat geen glimlach op zijn gelaat verscheen.

Toen we eindelijk in den trein zaten die om zes uur uit Triston vertrok, zooals we hadden afgesproken, toen werd hij iets opgewekter.

„Voel je je nu wat beter?” vroeg Stenford.

Kien knikte van ja.

Stenford voelde hem den pols. „Ja,” zei hij, „de pols is sterker geworden; nog is de slag niet heelemaal regelmatig, doch een merkbare vooruitgang is waar te nemen.”

„Zeur toch niet,” zei Kien wrevelig. „Ik wou jullie nu precies uitleggen wat we moeten doen.”

Dit geschiedde met de grootste nauwkeurigheid, zoodat hij bijna uitsluitend aan het woord was tot we St. Martin bereikten.

„Nu als de wind naar Smit om de dingen te koopen,” zei hij, toen we het station waren binnengestoomd.

„Moeten wij die ontplofbare stoffen in onze zakken steken?” vroeg Stenford.

„Ja, er zijn drie pakken vuurwerk,” antwoordde Kien ernstig. „Ieder neemt er een voor zijn rekening.”

„W-wat d-draag jij d-dan?” vroeg Burns.

„Ik neem het electrische toestel en den draad,” zei Kien. „Dat zou ik niet graag aan jullie hoede toevertrouwen. Vanmiddag heb ik het eerst bij Smit gebracht.”

Een paar minuten later waren we klaar met Smit—want Kien had alles met groot beleid en kennis van zaken geregeld—en klommen we den heuvel op die buiten de stad was gelegen en waar zich de meeste villa’s bevonden.

„W-weet je n-nog t-toen we hier het eerst s-samen waren?” vroeg Burns aan me.

„Nou, of ik,” antwoordde ik. „Ik ben blij dat Kien nu de leiding op zich neemt en niet jij.”

„Vertrouw nooit op Burns,” zei Stenford. „Voorondersteleens dat Kien b.v. in de lucht vliegt met z’n vuurwerk, dan zou Burns misschien de leiding willen overnemen, maar dan verzeker ik je dat ik onmiddellijk rechtsomkeer zou maken.”

Burns lachte.

„Praat nu niet zoo hard,” zei Kien; „we zijn al vlak bij den weg.”

In dezen tijd van het jaar was het om zes uur al heelemaal donker. Een paar armzalige gaslantarens die in den wind stonden te flikkeren, waren het eenige schijnsel dat we gewaar werden. Niemand scheen zich op den Nelson-weg te bevinden.

„’k Zou hier niet graag wonen,” zei Stenford; „veel te stil en eenzaam. Die weg schijnt niet eens een dwarspad te hebben.”

„Nee, daarom leek deze buurt me juist zoo geschikt. Er staan in ’t geheel maar zes huizen en ons huis is het allerlaatste.”

„’t Is of je het hebt gehuurd,” merkte ik op. „Is het hier?”

„Ja,” antwoordde Kien. „Maar maak nu zoo min mogelijk leven.”

Deze aansporing tot voorzichtigheid scheen overbodig. We waren nu al de huizen langs geloopen waarvan de ramen waren verlicht, zonder dat we taal of teeken van een levend wezen hadden gezien, en nu stonden we voor een donker verlaten gebouw, het laatste van de reeks villa’s.

„Een somber oord,” zei Stenford die onwillekeurig de stem liet dalen.

„Welke kant?” vroeg ik. „Het is hier zoo donker.”

„Hierheen,” zei Kien; „ik zal je wel den weg wijzen. Ik ben hier nu al zoo dikwijls geweest.”

Naast het huis bevond zich een hek van houten latten, dat toegang gaf tot den tuin.

„Hierover heen,” zei Kien heel kalm.

„Dank je stichtelijk,” zei Stenford; „een leuk spelletje om in het donker over een waggelend hek te klauteren met een pak dynamiet of weet ik wat in je hand.”

„Leg dat goed hier neer bij elkaar,” beval Kien. „Dan klim ik er eerst over. Ellinghem, ga jij er bovenop zitten; dan geven we zoo den boel aan elkaar.”

Dit plan werd stipt ten uitvoer gebracht, zoodat we een oogenblik later met onzen voorraad aan den anderen kant van het hek stonden.

„En die andere huizen?” vroeg Stenford fluisterend, toen we in het donker bij elkaar stonden om de nadere orders van Kien af te wachten.

We behoefden niet te vragen welke huizen hij bedoelde.De villa’s lagen evenwijdig met den Nelson-weg en de tuinen grensden aan elkaar. We konden de verlichte ramen zien van de achtergevels, zoodat het ons bijna onmogelijk leek, dat de menschen onze aanwezigheid niet zouden bemerken als ze naar buiten keken.

„Och wat, jij met je huizen,” antwoordde Kien verontwaardigd, hoewel hij de stem toch niet durfde verheffen.

„Natuurlijk staan daar huizen, maar een afstand van twee tuinen is tusschen ons in.”

„Ik zou het toch prettiger vinden als die huizen er niet waren,” zei Stenford. „Maar daar is nu eenmaal niets aan te doen.”

„Bij dag heb ik de heele buurt bespied,” hernam Kien op eenigszins uitdagenden toon, „en ik verzeker je dat het hier veilig is en dat je niet bang behoeft te zijn.”

„Laten we dan maar den boel zoo gauw mogelijk afsteken,” zei Stenford.

„Over het gras,” beval Kien; „er staat hier geen bloem of struik; regelrecht naar het verste gedeelte.”

„Zeg ’s, je bent toch niet van plan om je zoo dicht bij die andere huizen te wagen?” vroeg Stenford.

„Jawel,” zei Kien, „wat ben jij een ezel! Je snapt toch dat we dat goedje moeten afsteken, zonder dat ze dit uit die huizen kunnen zien?”

„Ga je gang dan maar,” antwoordde Stenford, „maar wat loop je akelig in dat lange gras. Voor deze feestelijke gelegenheid hadt je het wel kunnen laten maaien.”

We zagen nu iets wits schemeren in het benedengedeelte van den tuin; dit bleek een serre die tegen den muur was gebouwd.

„Wacht tot ik licht maak,” zei Kien. „Ik heb de lantaren genomen van de fiets van Burns.”

„W-wel heb ik v-van m’n l-leven,” zei Burns.

„Begrijp jullie nu niet hoe prachtig die oranjerie als scherm kan dienen bij het afsteken van het vuurwerk,” zei Kien, die nu een lucifer afstreek.

„Dat is zoo,” gaf ik toe, „maar de huizen die iets verder staan—”

„Die hebben een prachtig gezicht erop,” viel Stenford in.

„Je kan toch niet alles verlangen,” zei Kien.

„Ze z-zullen denken dat het huis is v-verhuurd,” zei Burns, „en d-dat ze n-nu vuurwerk afsteken v-voor de k-kindertjes.”

„Die niet buiten mogen komen omdat het ’s avonds te koud is,” vulde Stenford aan. „Vooruit dan maar.”

„Ja, we moeten ons haasten,” zei Kien. „Hecht die dingen op den muur vast;” dit zeggend reikte hij me een van de pakken over. „Ik heb er alles voor klaar gemaakt.”

Dit bleek werkelijk het geval. Hij had spijkers ingeslagen voor de zonnetjes en pijpjes bevestigd om de Romeinsche kaarsen en de voetzoekers en vuurpijlen aan te bevestigen, zoodat de inhoud van het eerste pak in een ommezien was geledigd.

Kien was nu bezig met het electrische toestel.

„Hoeveel kan je daarmee tegelijk aansteken?” vroeg Stenford.

„Een stuk of zes,” zei Kien, die den draad stond los te wikkelen; het gedrenkte papier dat als lont moest dienen had hij al gereed liggen. Als de draad langer was, zou ik er misschien nog wel een paar meer tegelijk kunnen aansteken.

„Zes is mooi genoeg,” hernam Stenford. „Ik vind het zelfs een prachtvertoon, dat me herinnert aan de grootste buitensporigste weelde in de Romeinsche oudheid.”

Kien gaf hierop geen antwoord. Hij maakte den draad vast en liep toen achteruit met het toestel terwijl hij den draad langzaam los wikkelde.

„Ga nu mee tot vlak bij het huis,” zei hij.„Vandaar zullen we de electrische ontlading prachtig kunnen zien.”

„En d-daar z-zijn we v-veilig,” zei Burns.

„Draai de lamp met het licht naar den muur,” zei Stenford; „dan zullen we de rest nog beter kunnen zien.”

„Pas op den draad!” waarschuwde Kien.„Struikel er niet over.”

„Nee, daarvoor zal ik wel oppassen,” zei Stenford. „Ik wil mijn natuurlijken dood sterven. Steek den boel niet aan voor ik op een veilige plaats ben beland.”

„Nou, het begint!” zei Kien.

We stonden nu op een rij bij de plek waar de draad eindigde. De oranjerie konden we vaag onderscheiden in de verte.

„Burns,” zei Stenford op plechtigen toon, „nog één oogenblik en dan zal het daarginds helder licht worden.”

„Houd nou je mond,” zei Kien. „Ik steek het nu aan!”

„Gauw wat alsjeblieft!” fluisterde Stenford. „De spanning is te groot.”


Back to IndexNext