HOOFDSTUK XXII.

HOOFDSTUK XXII.HET SLACHTOFFER DER WETENSCHAP.Het toestel dat Kien in de handen hield, liet een klikkend geluid hooren; ik dacht niet anders of al de stukken vuurwerk zouden nu tegelijk ontploffen. Doch niets gebeurde; we konden de oranjerie in de verte nog slechts ternauwernood onderscheiden.Kien klapte met de tong en toen vernamen we wederom een klikkend geluid.„Toe nou, vooruit,” zei Stenford om hem tot spoed aan te sporen.„Ze is al weg,” zei Kien.„Wie bedoel je?”„De vonk.”„M-maar dan is ze al uitgegaan,” riepBurnslachend.„Nee, ze is door den draad heen,” antwoordde Kien; „er moet iets aan de lont haperen.”„Probeer het nog eens,” zei Stenford; „je hebt maar tweemaal geklikt; een derde keer gaat het misschien beter.”Wederom een klikkend geluid. „Hier houd ’s vast,” zei Kien tegen Burns wien hij het electrische toestel overhandigde.„Het k-kan toch n-niet ontploffen?” vroeg Burns angstig, maar Kien was al op weg naar de oranjerie en gaf geen antwoord.„Het is zeker een vonk die van haar gemak houdt,” zeiStenford; „daarom heeft ze er zooveel tijd voor noodig. Misschien komen de vonk en Kien daar tegelijk aanzetten.”Weldra keerde Kien terug. „De lont is in orde,” deelde hij mede; „het moest afgaan.”„Het moest, het moest,” herhaalde Stenford; „als we maar altijd deden wat we moesten doen. Zelfs electrische vonken schijnen soms niet te willen gehoorzamen.”Kien deed nog eenige malen het toestel klikken.„Het moet de lont zijn,” verklaarde hij ten slotte.„Ik heb verstand van lontjes,” zei Stenford. „Ik ga eens poolshoogte nemen.”Hij gaf me een wenk—wat hij daarmee wilde zeggen begreep ik echter niet—en toen zette hij het op een loopen over het gras. We konden zien dat hij de fietslamp in de hoogte hield om het licht achtereenvolgens te laten schijnen op de lont en op het vuurwerk. Toen keerde hij den rug naar ons toe, zoodat we niet konden zien wat hij uitvoerde.„Ik heb de lont in orde gemaakt,” riep hij; terwijl hij het hoofd even omdraaide. „Probeer het nu nog ’s, Kien!”Wederom liet Kien het toestel klikken, waarop de lont werkelijk begon te gloeien.„Hij doet het!” riep Kien zegevierend uit. „Ik wist wel dat het eindelijk zou gaan!”„Zie je wel dat ik verstand heb van zulke dingen?” riep Stenford die nu naar ons terugkeerde.„’t Is al-leen m-maar de vraag of het n-nu zal afgaan,” zei Burns.Dit gebeurde niet. De lont en het gedrenkte papier brandden op en doofden uit, de stukken van het vuurwerk bleven in duisternis gehuld.Kien wilde wederom van voren af aan beginnen, doch daartegen kwamen wij in verzet.„Weten jullie hoe laat of het is?” vroeg ik. „We zullennauwelijks tijd hebben om den boel zoo maar aan te steken en dan kunnen we nog juist de anderen inhalen die met den volgenden trein komen.”„Je hebt nu getoond dat het kan,” zei Stenford lachend.„Ja, misschien is het beter,” gaf Kien toe op ernstigen toon.Aldus geschiedde. We liepen naar het vuurwerk toe om het aan te steken. In het begin traden we behoedzaam op en lieten we maar één stuk tegelijk ontbranden, doch weldra zagen we in, dat we met verdubbelde kracht aan het werk moesten als we hiermede op tijd wilden klaar komen.Het duurde dan ook niet lang of wieletjes draaiden en sisten, voetzoekers knetterden en vuurpijlen schoten omhoog om als vonken-regens omlaag te storten, en roode en blauwe lichten gloeiden en Romeinsche kaarsen maakten een herrie van belang—korten tijd was het een oorverdoovend lawaai, terwijl de tuin schitterend werd verlicht en het overal rook naar kruit en chemische stoffen.„Dol, kostelijk!” riep Stenford, die een brandende voetzoeker door de lucht zwaaide en toen weggooide, zonder er zich natuurlijk over te bekommeren waar die neerkwam.Zelfs de bedaarde Kien geraakte in hevige opwinding. Hij stak bij voorkeur de vuurpijlen aan, die hij niet zooals gewoonlijk regelrecht de lucht in deed gaan, doch hij gaf die alle mogelijke richtingen, zoodat sommige eerst langs den grond kropen en andere wrongen zich eerst in bochten voor ze omhoog schoten. Hij schreeuwde ons wat toe over kronkelingen en snelheid, doch het lawaai was te groot om precies te kunnen verstaan wat hij zei.„Geen lucifers verspillen!” riep Stenford; „geen enkele mag er uitgaan! We hebben er nog maar een paar. Het eene kunnen we wel met het andere aansteken.”Dit geschiedde, doch het oogenblik brak aan waarop de voorraad uitgeput geraakte, zoodat het geschutvuur verminderde. Maar toen deden we een kostelijke vondst—een heel pak voetzoekers hadden we over het hoofd gezien.„Z-zeg, als we hiermee eens v-vochten tegen elkaar,” stelde Burns voor; „twee aan iederen kant.”„Best,” zei Stenford. „We moeten ze dan precies verdeelen. Kien en ik tegen Ellinghem en Burns. Vooruit, wie het best kan gooien. Alleen die achter den vijand terecht komen tellen mee.”Het gevecht begon; aan beide zijden werd hard gestreden.„Niet te hoog, niet te hoog!” riep Burns, want de wind was nu hevig gaan opsteken.Ik geloof dat Stenford op den dwazen inval kwam om te zien hoe ver we konden gooien, zoodat het laatste zestal over de oranjerie werd geworpen, zonder dat wij er ons om bekommerden waarheen die voetzoekers zich een weg baanden.Toen de voorraad geheel was uitgeput, stonden we een oogenblik te luisteren naar het geschetter en lawaai dat we achter den muur vernamen, terwijl nu en dan een lichtstraal omhoog flitste.„Hoor die ’s,” zei Stenford, die zich maar half op zijn gemak scheen te gevoelen. „Wat maakt dat ding een herrie in dien tuin.”„In t-twee t-tuinen,” verbeterde Burns.Wewachttentot het lawaai was verstomd.„Gelukkig,” zei Stenford, die een zucht slaakte van verlichting.Terwijl hij dit zei, scheen een van de voetzoekers niet van plan om een roemloozen dood te sterven; ze gaf nog drie knallen en het leek ons dat we bij den derden knal den angstigen gil vernamen van een vrouw in den tuin aan onzen rechterkant, terwijl we een nijdigemannenstemmeenden te vernemen in den tuin links van ons.„Ze hebben het gemerkt,” fluisterde Kien. „Als we er ’s vandoor gingen?”In den tuin waar de nijdige mannenstem weerklonk zagen we echter het schijnsel van een licht; die persoon bevond zich blijkbaar op een hoogte, zoodat we onmiddellijk zouden worden ontdekt als het licht over den muur viel.„Hier onder den muur!” fluisterde Stenford; „als we in de richting van het huis rennen, dan zouden ze ons zien.”We hadden beter gedaan als we die kans maar hadden gewaagd en het op een loopen hadden gezet, maar in onze besluiteloosheid volgden we den raad van Stenford en gingen we met onzen rug tegen de oranjerie staan, vlak bij den hoogen muur.„Werkelijk, mevrouw, dergelijke aardigheden drijft u toch wat al te ver,” hoorden we den man zeggen, die zich blijkbaar diep beleedigd gevoelde. „Ik kan vermoedelijk niet uw dwaasheid beletten om vuurwerk af te steken in uw tuin, maar het eigendom van anderen zou u ten minste kunnen eerbiedigen.”„Ik begrijp u niet, mijnheer,” antwoordde een driftige vrouwenstem.„Dan zal ik nog duidelijker zijn,” hernam de man. „Ik sta op een van de hoogste sporten van mijn ladder, waardoor ik een overzicht heb van uw tuin.”„Heel vrijpostig,” merkte de vrouwenstem op.„En daardoor kan ik heel duidelijk den rook zien van het vuurwerk—en ik ruik het—” nu werd hard gesnoven—„Ik kwam nog juist bijtijds om me te vergewissen waarmede u zich onledig hieldt en ik ben overtuigd dat het de ontploffing was van een voetzoeker...”„Dus u wilt mij beschuldigen van...” hernam de vrouwenstem.„Ik beschuldig u van niets,” zei de ander. „Ik geloof niet dat ik het recht bezit om te verbieden dat u de buurt onbewoonbaar maakt door al dat lawaai en dien vreeselijken stank. Maar wel kan ik eischen dat u het eigendom van anderen eerbiedigt...”„Mijnheer...” wierp de ander tegen.„Neem me niet kwalijk mevrouw, maar ik heb nog niet uitgesproken,” ging de mannenstem voort.„Ik had den heer Brunton die u zeker wel van naam kent bij mij genoodigd; heden avond heeft die mij met zijn gezelschap vereerd. Daar het weer zacht was zaten we eerst met het raam open, doch toen u met dat vuurwerk begon, verspreidde dit zulk een ondraaglijken stank, terwijl die herhaalde ontploffingen zulk een lawaai maakten, dat wij wel genoodzaakt waren het venster te sluiten; ons diner werd daardoor geheel bedorven. Is het niet, mijnheer Brunton?”„Volkomen waar,” antwoordde een stem, waaraan ik onmiddellijk den heer met de dubbele kin herkende.„Als u denkt dat...” viel de dame in.„Pardon, mevrouw, ik heb nog niet uitgesproken,” hernam de ander. „Ik liet u uw gang gaan totdat het al te erg werd en het vuur in mijn perken verwoesting begon aan te richten.”„Mijnheer, u heeft mij diep beleedigd,” zei de dame; „mag ik u echter doen opmerken, dat wij het zijn geweest die een half uur lang door een oorverdoovend lawaai zijn gemarteld.Eindelijk vroeg juffrouw Burnip me of ik niet eens wilde gaan kijken en vragen of er nu mede kon worden uitgescheden, maar juist toen ik uit de zijdeur kwam zag ik dat gloeiende voorwerpen naar ons werden gegooid—ik meen over den muur van uw tuin en—”„Dus u verdenkt mij dat ik mijn geld en vrijen tijd verspil met het afsteken van voetzoekers en vuurpijlen,” hernam de mannenstem op diepbeleedigden toon. „Die zou ik dus volgens u staan te gooien over den muur van uw tuin? Ongehoord! Ongehoord! Hoe durft u me van zoo iets verdenken? Ik geloof dat uw schoenejongen de schuldige is. Vraag maar eens wat die van de zaak af weet; en als hij...”„Hier is hij,” riep de dame; „ik zal hem dadelijk ondervragen.—Thomas,” zei ze op strengen toon; „heb jij vuurwerk afgestoken?”„Nee, mevrouw,” klonk het antwoord dat zonder eenige aarzeling werd gegeven.„Hoort u nou wel, mijnheer,” riep de dame zegevierend uit.„Dus u gelooft maar dadelijk wat die jongen zegt,” zei de heer. „Ik zal hem beschijnen met licht; dan kan ik zien of zijn kleeren rooken. Zou u niet willen nagaan of hij soms ruikt naar kruit?”„Het ruikt hier overal naar kruit,” antwoordde de dame; „bovendien weet Thomas heel goed dat hij onmiddellijk zou worden ontslagen als hij zulke streken uithaalde. Wou je iets zeggen, Thomas?”„Ja mevrouw—als dat het uit den tuin kwam,” antwoordde de jongen.„Uit wat voor tuin?”„Daar,” zei Thomas, die zeker een richting aanduidde.„Uit dien tuin,” hernam de heer op spottenden toon; „de tuin van een leeg huis! In geen twee jaar heeft iemand daar een voet gezet. Ik ben vast overtuigd, mevrouw, dat vuurwerk niet afgaat of het moet worden aangestoken. Het spijt me dat ik moet zeggen dat uw bediende liegt.”„Maar het zijn jongens van de school, mevrouw,” hernam Thomas. „Ik sta al wel een half uur naar ze te kijken,”—die laatste woorden klonken als een juichkreet. „Ze hebben een stuk of wat voetzoekers gegooid, eerst over den eenen muur en toen over den andere; er is maar één plek in den tuin vanwaar je alles kunt zien—”„En je hebt daarnaar staan te kijken zonder me te waarschuwen?” riep de dame driftig uit. „Ga er onmiddellijk heen en zeg—”„Neen,” viel de heer Brunton in; „laat hij om het huis heenloopen; je houdt ze dan tegen en ziet wie het zijn.Mijn zoon is daar op school en zal deze zaak wel onder handen nemen.”„Als je een politie-agent tegenkomt—” zei de ander.We wachtten niet af tot deze zin was voltooid. We dachten dat we daar zoo veilig stonden onder het afdak; als we het onmiddellijk op een loopen hadden gezet, zouden we door het licht van die lantaren zijn beschenen, maar nu moesten we er wel vandoor gaan.„Zoo gauw als je kunt,” fluisterde Stenford, die bijna stikte van het lachen.We renden over het hoog opgeschoten gras, klauterden over het hek en belandden veilig en wel op den straatweg, hoewel Burns boven op het hek aan iets was blijven haken, zoodat we hem naar beneden hadden moeten trekken.„Mooi zoo,” zei Stenford. „Nu er als de wind vandoor. Dan kunnen we nog bijtijds thuis wezen.”Nauwelijks hadden we het op een loopen gezet, of Kien slaakte een kreet en bleef stilstaan. „Ik heb mijn electrische toestel vergeten,” riep hij uit. „Ik moet terug.”„L-laat dat d-ding maar,” ried Burns aan; „anders wordt je z-zeker g-gesnapt.”„Ik moet het hebben,” riep Kien wanhopig; „jullie hebt zelf gezien hoe prachtig het werkte.”„Daarvan heb ik niets gezien,” zei Stenford, die de voorhoede vormde, maar nu terugkeerde toen hij bemerkte dat wij waren blijven stilstaan. „Laat dat ding nu toch in den steek. Ze komen ons anders heusch nog achterop.”„Het heeft zoo prachtig de lont aangestoken,” riep Kien.„Dat denk je maar,” zei Stenford. „Dat heb ik gedaan met een lucifer.”„Nee maar, die is g-goed!” riep Burns lachend.„Ik wil het terug hebben,” verklaarde Kien heel beslist. „Gaan jullie maar door. Ik zal je wel inhalen. Blijf maar niet op me wachten.”„Wees nu niet zoo uilig,” riep Stenford, die hem bij den arm greep.Kien rukte zich echter los en zette het op een loopen.„Als hij zich in het hol van den leeuw wil wagen om dat malle ding terug te krijgen, dan is het nog geen reden voor ons om ons te laten snappen,” merkte Stenford op. „Laten we doorloopen en een eind verder op hem wachten. Kien is een goede draver; hij zal ons wel inhalen.”We renden den Nelson-weg af en nog heel wat andere wegen, waarvan ik de namen niet eens kende, totdat we begrepen dat nu geen gevaar meer viel te duchten.„Hè, hè!” riep Stenford hijgend; „laten we nu maar ’s even uitrusten. Geloof je dat we de lui nog kunnen inhalen die van het station komen?”„Dat zal nog juist gaan,” antwoordde Burns.We wachtten nog even in de hoop Kien te zien opdagen, doch we zagen onzen vriend niet verschijnen.„We moeten nu gaan,” zei Burns.„Ik vind het ellendig om Kien aan zijn lot over te laten,” zei ik. „Als ie ’s werd gepakt?”„Geen denken aan,” antwoordde Stenford. „Kien is veel te handig om zich te laten knippen.”„Hij zal een anderen weg hebben g-genomen,” vooronderstelde Burns.„Dat denk ik ook,” viel Stenford bij. „Hij zal een omweg hebben gemaakt om die lui niet in handen te vallen; ’k denk dat we hem aan het station zullen vinden.”Die voorspelling kwam echter niet uit. De trein was juist binnengestoomd en troepen jongens verlieten het station. In het halfdonker viel het ons niet moeielijk om ons ongemerkt bij hen te voegen, zoodat we gelijk met de anderen het schoolgebouw bereikten. Allen hadden het druk over de match en over het schitterend spel van Norman en Bob Kitsjin; aan die twee was het te danken dat voor de eerste maaleen uitstekende club was verslagen op wie St. Martin nog nooit een overwinning had behaald.Door ons avontuur hadden we eigenlijk weinig meer aan die overwinning gedacht, maar nu juichten we de twee helden even uitbundig toe als de anderen, en zoo naderden we met den zegestoet het schoolgebouw, alsof we nooit in ons leven zelf vuurwerk hadden afgestoken.„Ik d-denk d-dat K-Kien al thuis is,” zei Burns.Deze voorspelling kwam evenmin uit; ik begon me nu weinig op mijn gemak te gevoelen en vond het gemeen dat we hem in den steek hadden gelaten.„Hadden we ’m maar geholpen met dat ding terug te halen,” zei ik.Stenford mompelde wat; mogelijk was dezelfde gedachte ook bij hem opgekomen. „Wat is de vent dan toch een uil geweest om dat ding met alle geweld terug te willen halen,” zei hij kwaad. „Hij had den boel toch in den steek kunnen laten. Verbeeld je om de kans te wagen, te worden geknipt om een eindje draad!”„Misschien zit ie in de draden verward,” zei ik. „Maar het is nu te laat om te gaan zien waar hij uithangt, is het niet?”Toen we alle drie beurtelings hadden verklaard dat het nu te laat was en dat wij er geen van allen iets aan konden doen—trokken we naar binnen voor het avondeten.Onderweg kreeg Juniper Burns in het oog.„Zoo, waarde dichter, waar heb jij al dien tijd gezeten,” riep hij uit. „Ik begon heusch bang te worden dat je was zoek geraakt.”„We hebben pleizier gemaakt,” zei Burns.„Zoo?” hernam Jim. „Maar, jongen, ik wou dat je heusch een echte dichter was; dan zou je de roemrijke daden kunnen bezingen van Norman en Kitsjin, het kranige tweetal aan wie het is te danken dat we de voornaamste match van het heele seizoen hebben gewonnen. Maar ik geloof heusch datin mijn aderen dichterlijk bloed vloeit. Zeg ’s, Ellinghem, je mag trotsch zijn op Kitsjin,” voegde hij er bij, terwijl hij zich naar mij keerde. „Hoe vondt je die laatste, hè?” Even maakte hij een gebaar om „die laatste” na te bootsen, en toen liep hij door.„Hij is een b-beste vent,” zei Burns toen Juniper was verdwenen.„Ja, jij mag hem wel dankbaar zijn,” merkte Stenford op. „Hij heeft je al heel wat keeren geholpen als je in moeilijkheden zat.—Maar ik wou dat Kien nu maar kwam opduiken!”Mijn diensten werden verlangd in de kamer van Norman waar ik een keurig souper moest gereed maken om den gelukkigen afloop van dien dag te vieren; Bob en Jim Juniper waren de gasten die mede aanzaten. Ik had het nu al een heel eind gebracht in de edele kookkunst, en dien avond kreeg ik verscheiden complimentjes dat ik het er zoo goed had afgebracht.„Het jonge mensch verdient een woord van lof,” zei Norman die goedkeurend het hoofd schudde. „Je zal nog eer aan hem beleven, Kitsjin.”„Alle Canadeezen die in kampen hebben gewoond kunnen uitstekend koken,” zei Bob. „Ga maar ’s met me mee, Martin, dan zal je ’s zien hoe het daar toegaat.”Het kwam me voor dat Bob dien avond bijzonder vriendelijk tegen me was; ofschoon hij uitbundig was toegejuicht, was hij even kalm en bedaard alsof niets bijzonders was gebeurd. Norman evenzoo. Over het souper werd meer gesproken dan over de match.„We zullen een lakei van je maken, Martin,” zei Bob, toen we elkaar goeden nacht wenschten. „Het gaat anders, geloof ik, best op school; is het niet?”„O ja,” antwoordde ik.„Geen last meer gehad van Brunton en dien kleinen aap?”„Nee.”„Heeft hij je nooit het een of ander willen vertellen?” vroeg Bob die me nu doordringend aankeek.„Nee,” antwoordde ik. Ik dacht nu weder aan dien avond toen ik dat zonderlinge gesprek had afgeluisterd. Er moest iets zijn dat Bob voor me verborgen wilde houden, maar wat kon dat wezen? Een oogenblik vroeg ik me af of ik hem niet den brief zou laten lezen dien ik in mijn zak had. Hoeveel leed zou ik mij niet hebben bespaard, als ik hem toen in mijn vertrouwen had genomen!Ik aarzelde even en liet deze gelegenheid voorbij gaan.„Wou je me iets vertellen?” vroeg hij, terwijl hij me een eigenaardigen blik toewierp.„Nee,” zei ik.„Niets over Brunton?”„Nee,” zei ik wederom.De angstige uitdrukking verdween van zijn gezicht.„Nou, goeden nacht,” zei hij opgewekt, want na mijn laatste ontkenning gevoelde hij zich blijkbaar opgelucht.Toen ik naar mijn kamer trok kwam Stenford me tegen die op me had gewacht.„Hij is thuis!” fluisterde hij.„Wie—Kien?”„Ja.”„Werd ie gesnapt?”„Ja. Wat uilig van den vent, hè?”„We hebben hem gemeen in den steek gelaten,” zei ik.„Hij beweert dat ie in zijn draad verward raakte en dat ie door een klabak werd gegrepentoenie door het hek holde. De man hield hem voor een inbreker.”„Kon hij niet alles uitleggen?”„Jawel; hij was druk aan het vertellen en redeneeren, maar toen kwamen de andere menschen aanzetten.”„Hadden die de politie gewaarschuwd?”„Nee. Daarvoor hadden ze nog geen tijd gehad. De agenthad ’m maar op zijn eigen houtje ingerekend, maar nu konden Brunton en die andere man hem natuurlijk inhalen.”„De vader van Brunton die hier is?”„Ja; die is zeker net zoo’n lievertje als z’n zoon. Hij zei tegen Kien dat hij zijn zoon op de hoogte zou stellen.”„Heeft Kien bekend?”„Ja, maar hij heeft ons niet verraden. Hij heeft zijn eigen naam genoemd en verteld wat hij heeft uitgevoerd.”„En wat zal er nu gebeuren?” vroeg ik.„O, Brunton—onze Brunton bedoel ik, zal het aan de andere prefekten vertellen. De vent groeit er natuurlijk in; hij zal overal rondbazuinen, dat de goede naam van de school moet worden hoog gehouden en dat de prefekten ervoor moeten zorgen dat dien niet wordt aangetast.”„Dat moet hij vooral zeggen die in kroegen zit te drinken en te wedden,” riep ik uit op minachtenden toon. „En wat zullen de andere prefekten doen?”„O ze zullen Kien bij zich laten komen,” antwoordde Stenford die de schouders ophaalde; „ze zullen hem een standje geven en een pak ransel en Kolman zal er niets van hooren.”„En alleen omdat zoo’n vent als Brunton hem aanklaagt!” riep ik verontwaardigd uit. „Dat zullen ze niet doen!”„Wie zal het ze beletten?” vroeg Stenford.„Ik! Ik zal Bob overhalen om dit te verhinderen. Ik weet zeker dat hij het zal doen als ik het hem vraag.”„Bemoei je er niet mee,” zei Stenford. „Kitsjin moet met de andere prefekten rekening houden; hij kan zich niet ophouden met jouw praatjes. Dat snap je toch?”„Nee, dat snap ik niet,” antwoordde ik heel beslist; „je zal zien dat Kien er genadig afkomt. Bob zal het zeker beletten als ik het hem vraag.”

HOOFDSTUK XXII.HET SLACHTOFFER DER WETENSCHAP.Het toestel dat Kien in de handen hield, liet een klikkend geluid hooren; ik dacht niet anders of al de stukken vuurwerk zouden nu tegelijk ontploffen. Doch niets gebeurde; we konden de oranjerie in de verte nog slechts ternauwernood onderscheiden.Kien klapte met de tong en toen vernamen we wederom een klikkend geluid.„Toe nou, vooruit,” zei Stenford om hem tot spoed aan te sporen.„Ze is al weg,” zei Kien.„Wie bedoel je?”„De vonk.”„M-maar dan is ze al uitgegaan,” riepBurnslachend.„Nee, ze is door den draad heen,” antwoordde Kien; „er moet iets aan de lont haperen.”„Probeer het nog eens,” zei Stenford; „je hebt maar tweemaal geklikt; een derde keer gaat het misschien beter.”Wederom een klikkend geluid. „Hier houd ’s vast,” zei Kien tegen Burns wien hij het electrische toestel overhandigde.„Het k-kan toch n-niet ontploffen?” vroeg Burns angstig, maar Kien was al op weg naar de oranjerie en gaf geen antwoord.„Het is zeker een vonk die van haar gemak houdt,” zeiStenford; „daarom heeft ze er zooveel tijd voor noodig. Misschien komen de vonk en Kien daar tegelijk aanzetten.”Weldra keerde Kien terug. „De lont is in orde,” deelde hij mede; „het moest afgaan.”„Het moest, het moest,” herhaalde Stenford; „als we maar altijd deden wat we moesten doen. Zelfs electrische vonken schijnen soms niet te willen gehoorzamen.”Kien deed nog eenige malen het toestel klikken.„Het moet de lont zijn,” verklaarde hij ten slotte.„Ik heb verstand van lontjes,” zei Stenford. „Ik ga eens poolshoogte nemen.”Hij gaf me een wenk—wat hij daarmee wilde zeggen begreep ik echter niet—en toen zette hij het op een loopen over het gras. We konden zien dat hij de fietslamp in de hoogte hield om het licht achtereenvolgens te laten schijnen op de lont en op het vuurwerk. Toen keerde hij den rug naar ons toe, zoodat we niet konden zien wat hij uitvoerde.„Ik heb de lont in orde gemaakt,” riep hij; terwijl hij het hoofd even omdraaide. „Probeer het nu nog ’s, Kien!”Wederom liet Kien het toestel klikken, waarop de lont werkelijk begon te gloeien.„Hij doet het!” riep Kien zegevierend uit. „Ik wist wel dat het eindelijk zou gaan!”„Zie je wel dat ik verstand heb van zulke dingen?” riep Stenford die nu naar ons terugkeerde.„’t Is al-leen m-maar de vraag of het n-nu zal afgaan,” zei Burns.Dit gebeurde niet. De lont en het gedrenkte papier brandden op en doofden uit, de stukken van het vuurwerk bleven in duisternis gehuld.Kien wilde wederom van voren af aan beginnen, doch daartegen kwamen wij in verzet.„Weten jullie hoe laat of het is?” vroeg ik. „We zullennauwelijks tijd hebben om den boel zoo maar aan te steken en dan kunnen we nog juist de anderen inhalen die met den volgenden trein komen.”„Je hebt nu getoond dat het kan,” zei Stenford lachend.„Ja, misschien is het beter,” gaf Kien toe op ernstigen toon.Aldus geschiedde. We liepen naar het vuurwerk toe om het aan te steken. In het begin traden we behoedzaam op en lieten we maar één stuk tegelijk ontbranden, doch weldra zagen we in, dat we met verdubbelde kracht aan het werk moesten als we hiermede op tijd wilden klaar komen.Het duurde dan ook niet lang of wieletjes draaiden en sisten, voetzoekers knetterden en vuurpijlen schoten omhoog om als vonken-regens omlaag te storten, en roode en blauwe lichten gloeiden en Romeinsche kaarsen maakten een herrie van belang—korten tijd was het een oorverdoovend lawaai, terwijl de tuin schitterend werd verlicht en het overal rook naar kruit en chemische stoffen.„Dol, kostelijk!” riep Stenford, die een brandende voetzoeker door de lucht zwaaide en toen weggooide, zonder er zich natuurlijk over te bekommeren waar die neerkwam.Zelfs de bedaarde Kien geraakte in hevige opwinding. Hij stak bij voorkeur de vuurpijlen aan, die hij niet zooals gewoonlijk regelrecht de lucht in deed gaan, doch hij gaf die alle mogelijke richtingen, zoodat sommige eerst langs den grond kropen en andere wrongen zich eerst in bochten voor ze omhoog schoten. Hij schreeuwde ons wat toe over kronkelingen en snelheid, doch het lawaai was te groot om precies te kunnen verstaan wat hij zei.„Geen lucifers verspillen!” riep Stenford; „geen enkele mag er uitgaan! We hebben er nog maar een paar. Het eene kunnen we wel met het andere aansteken.”Dit geschiedde, doch het oogenblik brak aan waarop de voorraad uitgeput geraakte, zoodat het geschutvuur verminderde. Maar toen deden we een kostelijke vondst—een heel pak voetzoekers hadden we over het hoofd gezien.„Z-zeg, als we hiermee eens v-vochten tegen elkaar,” stelde Burns voor; „twee aan iederen kant.”„Best,” zei Stenford. „We moeten ze dan precies verdeelen. Kien en ik tegen Ellinghem en Burns. Vooruit, wie het best kan gooien. Alleen die achter den vijand terecht komen tellen mee.”Het gevecht begon; aan beide zijden werd hard gestreden.„Niet te hoog, niet te hoog!” riep Burns, want de wind was nu hevig gaan opsteken.Ik geloof dat Stenford op den dwazen inval kwam om te zien hoe ver we konden gooien, zoodat het laatste zestal over de oranjerie werd geworpen, zonder dat wij er ons om bekommerden waarheen die voetzoekers zich een weg baanden.Toen de voorraad geheel was uitgeput, stonden we een oogenblik te luisteren naar het geschetter en lawaai dat we achter den muur vernamen, terwijl nu en dan een lichtstraal omhoog flitste.„Hoor die ’s,” zei Stenford, die zich maar half op zijn gemak scheen te gevoelen. „Wat maakt dat ding een herrie in dien tuin.”„In t-twee t-tuinen,” verbeterde Burns.Wewachttentot het lawaai was verstomd.„Gelukkig,” zei Stenford, die een zucht slaakte van verlichting.Terwijl hij dit zei, scheen een van de voetzoekers niet van plan om een roemloozen dood te sterven; ze gaf nog drie knallen en het leek ons dat we bij den derden knal den angstigen gil vernamen van een vrouw in den tuin aan onzen rechterkant, terwijl we een nijdigemannenstemmeenden te vernemen in den tuin links van ons.„Ze hebben het gemerkt,” fluisterde Kien. „Als we er ’s vandoor gingen?”In den tuin waar de nijdige mannenstem weerklonk zagen we echter het schijnsel van een licht; die persoon bevond zich blijkbaar op een hoogte, zoodat we onmiddellijk zouden worden ontdekt als het licht over den muur viel.„Hier onder den muur!” fluisterde Stenford; „als we in de richting van het huis rennen, dan zouden ze ons zien.”We hadden beter gedaan als we die kans maar hadden gewaagd en het op een loopen hadden gezet, maar in onze besluiteloosheid volgden we den raad van Stenford en gingen we met onzen rug tegen de oranjerie staan, vlak bij den hoogen muur.„Werkelijk, mevrouw, dergelijke aardigheden drijft u toch wat al te ver,” hoorden we den man zeggen, die zich blijkbaar diep beleedigd gevoelde. „Ik kan vermoedelijk niet uw dwaasheid beletten om vuurwerk af te steken in uw tuin, maar het eigendom van anderen zou u ten minste kunnen eerbiedigen.”„Ik begrijp u niet, mijnheer,” antwoordde een driftige vrouwenstem.„Dan zal ik nog duidelijker zijn,” hernam de man. „Ik sta op een van de hoogste sporten van mijn ladder, waardoor ik een overzicht heb van uw tuin.”„Heel vrijpostig,” merkte de vrouwenstem op.„En daardoor kan ik heel duidelijk den rook zien van het vuurwerk—en ik ruik het—” nu werd hard gesnoven—„Ik kwam nog juist bijtijds om me te vergewissen waarmede u zich onledig hieldt en ik ben overtuigd dat het de ontploffing was van een voetzoeker...”„Dus u wilt mij beschuldigen van...” hernam de vrouwenstem.„Ik beschuldig u van niets,” zei de ander. „Ik geloof niet dat ik het recht bezit om te verbieden dat u de buurt onbewoonbaar maakt door al dat lawaai en dien vreeselijken stank. Maar wel kan ik eischen dat u het eigendom van anderen eerbiedigt...”„Mijnheer...” wierp de ander tegen.„Neem me niet kwalijk mevrouw, maar ik heb nog niet uitgesproken,” ging de mannenstem voort.„Ik had den heer Brunton die u zeker wel van naam kent bij mij genoodigd; heden avond heeft die mij met zijn gezelschap vereerd. Daar het weer zacht was zaten we eerst met het raam open, doch toen u met dat vuurwerk begon, verspreidde dit zulk een ondraaglijken stank, terwijl die herhaalde ontploffingen zulk een lawaai maakten, dat wij wel genoodzaakt waren het venster te sluiten; ons diner werd daardoor geheel bedorven. Is het niet, mijnheer Brunton?”„Volkomen waar,” antwoordde een stem, waaraan ik onmiddellijk den heer met de dubbele kin herkende.„Als u denkt dat...” viel de dame in.„Pardon, mevrouw, ik heb nog niet uitgesproken,” hernam de ander. „Ik liet u uw gang gaan totdat het al te erg werd en het vuur in mijn perken verwoesting begon aan te richten.”„Mijnheer, u heeft mij diep beleedigd,” zei de dame; „mag ik u echter doen opmerken, dat wij het zijn geweest die een half uur lang door een oorverdoovend lawaai zijn gemarteld.Eindelijk vroeg juffrouw Burnip me of ik niet eens wilde gaan kijken en vragen of er nu mede kon worden uitgescheden, maar juist toen ik uit de zijdeur kwam zag ik dat gloeiende voorwerpen naar ons werden gegooid—ik meen over den muur van uw tuin en—”„Dus u verdenkt mij dat ik mijn geld en vrijen tijd verspil met het afsteken van voetzoekers en vuurpijlen,” hernam de mannenstem op diepbeleedigden toon. „Die zou ik dus volgens u staan te gooien over den muur van uw tuin? Ongehoord! Ongehoord! Hoe durft u me van zoo iets verdenken? Ik geloof dat uw schoenejongen de schuldige is. Vraag maar eens wat die van de zaak af weet; en als hij...”„Hier is hij,” riep de dame; „ik zal hem dadelijk ondervragen.—Thomas,” zei ze op strengen toon; „heb jij vuurwerk afgestoken?”„Nee, mevrouw,” klonk het antwoord dat zonder eenige aarzeling werd gegeven.„Hoort u nou wel, mijnheer,” riep de dame zegevierend uit.„Dus u gelooft maar dadelijk wat die jongen zegt,” zei de heer. „Ik zal hem beschijnen met licht; dan kan ik zien of zijn kleeren rooken. Zou u niet willen nagaan of hij soms ruikt naar kruit?”„Het ruikt hier overal naar kruit,” antwoordde de dame; „bovendien weet Thomas heel goed dat hij onmiddellijk zou worden ontslagen als hij zulke streken uithaalde. Wou je iets zeggen, Thomas?”„Ja mevrouw—als dat het uit den tuin kwam,” antwoordde de jongen.„Uit wat voor tuin?”„Daar,” zei Thomas, die zeker een richting aanduidde.„Uit dien tuin,” hernam de heer op spottenden toon; „de tuin van een leeg huis! In geen twee jaar heeft iemand daar een voet gezet. Ik ben vast overtuigd, mevrouw, dat vuurwerk niet afgaat of het moet worden aangestoken. Het spijt me dat ik moet zeggen dat uw bediende liegt.”„Maar het zijn jongens van de school, mevrouw,” hernam Thomas. „Ik sta al wel een half uur naar ze te kijken,”—die laatste woorden klonken als een juichkreet. „Ze hebben een stuk of wat voetzoekers gegooid, eerst over den eenen muur en toen over den andere; er is maar één plek in den tuin vanwaar je alles kunt zien—”„En je hebt daarnaar staan te kijken zonder me te waarschuwen?” riep de dame driftig uit. „Ga er onmiddellijk heen en zeg—”„Neen,” viel de heer Brunton in; „laat hij om het huis heenloopen; je houdt ze dan tegen en ziet wie het zijn.Mijn zoon is daar op school en zal deze zaak wel onder handen nemen.”„Als je een politie-agent tegenkomt—” zei de ander.We wachtten niet af tot deze zin was voltooid. We dachten dat we daar zoo veilig stonden onder het afdak; als we het onmiddellijk op een loopen hadden gezet, zouden we door het licht van die lantaren zijn beschenen, maar nu moesten we er wel vandoor gaan.„Zoo gauw als je kunt,” fluisterde Stenford, die bijna stikte van het lachen.We renden over het hoog opgeschoten gras, klauterden over het hek en belandden veilig en wel op den straatweg, hoewel Burns boven op het hek aan iets was blijven haken, zoodat we hem naar beneden hadden moeten trekken.„Mooi zoo,” zei Stenford. „Nu er als de wind vandoor. Dan kunnen we nog bijtijds thuis wezen.”Nauwelijks hadden we het op een loopen gezet, of Kien slaakte een kreet en bleef stilstaan. „Ik heb mijn electrische toestel vergeten,” riep hij uit. „Ik moet terug.”„L-laat dat d-ding maar,” ried Burns aan; „anders wordt je z-zeker g-gesnapt.”„Ik moet het hebben,” riep Kien wanhopig; „jullie hebt zelf gezien hoe prachtig het werkte.”„Daarvan heb ik niets gezien,” zei Stenford, die de voorhoede vormde, maar nu terugkeerde toen hij bemerkte dat wij waren blijven stilstaan. „Laat dat ding nu toch in den steek. Ze komen ons anders heusch nog achterop.”„Het heeft zoo prachtig de lont aangestoken,” riep Kien.„Dat denk je maar,” zei Stenford. „Dat heb ik gedaan met een lucifer.”„Nee maar, die is g-goed!” riep Burns lachend.„Ik wil het terug hebben,” verklaarde Kien heel beslist. „Gaan jullie maar door. Ik zal je wel inhalen. Blijf maar niet op me wachten.”„Wees nu niet zoo uilig,” riep Stenford, die hem bij den arm greep.Kien rukte zich echter los en zette het op een loopen.„Als hij zich in het hol van den leeuw wil wagen om dat malle ding terug te krijgen, dan is het nog geen reden voor ons om ons te laten snappen,” merkte Stenford op. „Laten we doorloopen en een eind verder op hem wachten. Kien is een goede draver; hij zal ons wel inhalen.”We renden den Nelson-weg af en nog heel wat andere wegen, waarvan ik de namen niet eens kende, totdat we begrepen dat nu geen gevaar meer viel te duchten.„Hè, hè!” riep Stenford hijgend; „laten we nu maar ’s even uitrusten. Geloof je dat we de lui nog kunnen inhalen die van het station komen?”„Dat zal nog juist gaan,” antwoordde Burns.We wachtten nog even in de hoop Kien te zien opdagen, doch we zagen onzen vriend niet verschijnen.„We moeten nu gaan,” zei Burns.„Ik vind het ellendig om Kien aan zijn lot over te laten,” zei ik. „Als ie ’s werd gepakt?”„Geen denken aan,” antwoordde Stenford. „Kien is veel te handig om zich te laten knippen.”„Hij zal een anderen weg hebben g-genomen,” vooronderstelde Burns.„Dat denk ik ook,” viel Stenford bij. „Hij zal een omweg hebben gemaakt om die lui niet in handen te vallen; ’k denk dat we hem aan het station zullen vinden.”Die voorspelling kwam echter niet uit. De trein was juist binnengestoomd en troepen jongens verlieten het station. In het halfdonker viel het ons niet moeielijk om ons ongemerkt bij hen te voegen, zoodat we gelijk met de anderen het schoolgebouw bereikten. Allen hadden het druk over de match en over het schitterend spel van Norman en Bob Kitsjin; aan die twee was het te danken dat voor de eerste maaleen uitstekende club was verslagen op wie St. Martin nog nooit een overwinning had behaald.Door ons avontuur hadden we eigenlijk weinig meer aan die overwinning gedacht, maar nu juichten we de twee helden even uitbundig toe als de anderen, en zoo naderden we met den zegestoet het schoolgebouw, alsof we nooit in ons leven zelf vuurwerk hadden afgestoken.„Ik d-denk d-dat K-Kien al thuis is,” zei Burns.Deze voorspelling kwam evenmin uit; ik begon me nu weinig op mijn gemak te gevoelen en vond het gemeen dat we hem in den steek hadden gelaten.„Hadden we ’m maar geholpen met dat ding terug te halen,” zei ik.Stenford mompelde wat; mogelijk was dezelfde gedachte ook bij hem opgekomen. „Wat is de vent dan toch een uil geweest om dat ding met alle geweld terug te willen halen,” zei hij kwaad. „Hij had den boel toch in den steek kunnen laten. Verbeeld je om de kans te wagen, te worden geknipt om een eindje draad!”„Misschien zit ie in de draden verward,” zei ik. „Maar het is nu te laat om te gaan zien waar hij uithangt, is het niet?”Toen we alle drie beurtelings hadden verklaard dat het nu te laat was en dat wij er geen van allen iets aan konden doen—trokken we naar binnen voor het avondeten.Onderweg kreeg Juniper Burns in het oog.„Zoo, waarde dichter, waar heb jij al dien tijd gezeten,” riep hij uit. „Ik begon heusch bang te worden dat je was zoek geraakt.”„We hebben pleizier gemaakt,” zei Burns.„Zoo?” hernam Jim. „Maar, jongen, ik wou dat je heusch een echte dichter was; dan zou je de roemrijke daden kunnen bezingen van Norman en Kitsjin, het kranige tweetal aan wie het is te danken dat we de voornaamste match van het heele seizoen hebben gewonnen. Maar ik geloof heusch datin mijn aderen dichterlijk bloed vloeit. Zeg ’s, Ellinghem, je mag trotsch zijn op Kitsjin,” voegde hij er bij, terwijl hij zich naar mij keerde. „Hoe vondt je die laatste, hè?” Even maakte hij een gebaar om „die laatste” na te bootsen, en toen liep hij door.„Hij is een b-beste vent,” zei Burns toen Juniper was verdwenen.„Ja, jij mag hem wel dankbaar zijn,” merkte Stenford op. „Hij heeft je al heel wat keeren geholpen als je in moeilijkheden zat.—Maar ik wou dat Kien nu maar kwam opduiken!”Mijn diensten werden verlangd in de kamer van Norman waar ik een keurig souper moest gereed maken om den gelukkigen afloop van dien dag te vieren; Bob en Jim Juniper waren de gasten die mede aanzaten. Ik had het nu al een heel eind gebracht in de edele kookkunst, en dien avond kreeg ik verscheiden complimentjes dat ik het er zoo goed had afgebracht.„Het jonge mensch verdient een woord van lof,” zei Norman die goedkeurend het hoofd schudde. „Je zal nog eer aan hem beleven, Kitsjin.”„Alle Canadeezen die in kampen hebben gewoond kunnen uitstekend koken,” zei Bob. „Ga maar ’s met me mee, Martin, dan zal je ’s zien hoe het daar toegaat.”Het kwam me voor dat Bob dien avond bijzonder vriendelijk tegen me was; ofschoon hij uitbundig was toegejuicht, was hij even kalm en bedaard alsof niets bijzonders was gebeurd. Norman evenzoo. Over het souper werd meer gesproken dan over de match.„We zullen een lakei van je maken, Martin,” zei Bob, toen we elkaar goeden nacht wenschten. „Het gaat anders, geloof ik, best op school; is het niet?”„O ja,” antwoordde ik.„Geen last meer gehad van Brunton en dien kleinen aap?”„Nee.”„Heeft hij je nooit het een of ander willen vertellen?” vroeg Bob die me nu doordringend aankeek.„Nee,” antwoordde ik. Ik dacht nu weder aan dien avond toen ik dat zonderlinge gesprek had afgeluisterd. Er moest iets zijn dat Bob voor me verborgen wilde houden, maar wat kon dat wezen? Een oogenblik vroeg ik me af of ik hem niet den brief zou laten lezen dien ik in mijn zak had. Hoeveel leed zou ik mij niet hebben bespaard, als ik hem toen in mijn vertrouwen had genomen!Ik aarzelde even en liet deze gelegenheid voorbij gaan.„Wou je me iets vertellen?” vroeg hij, terwijl hij me een eigenaardigen blik toewierp.„Nee,” zei ik.„Niets over Brunton?”„Nee,” zei ik wederom.De angstige uitdrukking verdween van zijn gezicht.„Nou, goeden nacht,” zei hij opgewekt, want na mijn laatste ontkenning gevoelde hij zich blijkbaar opgelucht.Toen ik naar mijn kamer trok kwam Stenford me tegen die op me had gewacht.„Hij is thuis!” fluisterde hij.„Wie—Kien?”„Ja.”„Werd ie gesnapt?”„Ja. Wat uilig van den vent, hè?”„We hebben hem gemeen in den steek gelaten,” zei ik.„Hij beweert dat ie in zijn draad verward raakte en dat ie door een klabak werd gegrepentoenie door het hek holde. De man hield hem voor een inbreker.”„Kon hij niet alles uitleggen?”„Jawel; hij was druk aan het vertellen en redeneeren, maar toen kwamen de andere menschen aanzetten.”„Hadden die de politie gewaarschuwd?”„Nee. Daarvoor hadden ze nog geen tijd gehad. De agenthad ’m maar op zijn eigen houtje ingerekend, maar nu konden Brunton en die andere man hem natuurlijk inhalen.”„De vader van Brunton die hier is?”„Ja; die is zeker net zoo’n lievertje als z’n zoon. Hij zei tegen Kien dat hij zijn zoon op de hoogte zou stellen.”„Heeft Kien bekend?”„Ja, maar hij heeft ons niet verraden. Hij heeft zijn eigen naam genoemd en verteld wat hij heeft uitgevoerd.”„En wat zal er nu gebeuren?” vroeg ik.„O, Brunton—onze Brunton bedoel ik, zal het aan de andere prefekten vertellen. De vent groeit er natuurlijk in; hij zal overal rondbazuinen, dat de goede naam van de school moet worden hoog gehouden en dat de prefekten ervoor moeten zorgen dat dien niet wordt aangetast.”„Dat moet hij vooral zeggen die in kroegen zit te drinken en te wedden,” riep ik uit op minachtenden toon. „En wat zullen de andere prefekten doen?”„O ze zullen Kien bij zich laten komen,” antwoordde Stenford die de schouders ophaalde; „ze zullen hem een standje geven en een pak ransel en Kolman zal er niets van hooren.”„En alleen omdat zoo’n vent als Brunton hem aanklaagt!” riep ik verontwaardigd uit. „Dat zullen ze niet doen!”„Wie zal het ze beletten?” vroeg Stenford.„Ik! Ik zal Bob overhalen om dit te verhinderen. Ik weet zeker dat hij het zal doen als ik het hem vraag.”„Bemoei je er niet mee,” zei Stenford. „Kitsjin moet met de andere prefekten rekening houden; hij kan zich niet ophouden met jouw praatjes. Dat snap je toch?”„Nee, dat snap ik niet,” antwoordde ik heel beslist; „je zal zien dat Kien er genadig afkomt. Bob zal het zeker beletten als ik het hem vraag.”

HOOFDSTUK XXII.HET SLACHTOFFER DER WETENSCHAP.

Het toestel dat Kien in de handen hield, liet een klikkend geluid hooren; ik dacht niet anders of al de stukken vuurwerk zouden nu tegelijk ontploffen. Doch niets gebeurde; we konden de oranjerie in de verte nog slechts ternauwernood onderscheiden.Kien klapte met de tong en toen vernamen we wederom een klikkend geluid.„Toe nou, vooruit,” zei Stenford om hem tot spoed aan te sporen.„Ze is al weg,” zei Kien.„Wie bedoel je?”„De vonk.”„M-maar dan is ze al uitgegaan,” riepBurnslachend.„Nee, ze is door den draad heen,” antwoordde Kien; „er moet iets aan de lont haperen.”„Probeer het nog eens,” zei Stenford; „je hebt maar tweemaal geklikt; een derde keer gaat het misschien beter.”Wederom een klikkend geluid. „Hier houd ’s vast,” zei Kien tegen Burns wien hij het electrische toestel overhandigde.„Het k-kan toch n-niet ontploffen?” vroeg Burns angstig, maar Kien was al op weg naar de oranjerie en gaf geen antwoord.„Het is zeker een vonk die van haar gemak houdt,” zeiStenford; „daarom heeft ze er zooveel tijd voor noodig. Misschien komen de vonk en Kien daar tegelijk aanzetten.”Weldra keerde Kien terug. „De lont is in orde,” deelde hij mede; „het moest afgaan.”„Het moest, het moest,” herhaalde Stenford; „als we maar altijd deden wat we moesten doen. Zelfs electrische vonken schijnen soms niet te willen gehoorzamen.”Kien deed nog eenige malen het toestel klikken.„Het moet de lont zijn,” verklaarde hij ten slotte.„Ik heb verstand van lontjes,” zei Stenford. „Ik ga eens poolshoogte nemen.”Hij gaf me een wenk—wat hij daarmee wilde zeggen begreep ik echter niet—en toen zette hij het op een loopen over het gras. We konden zien dat hij de fietslamp in de hoogte hield om het licht achtereenvolgens te laten schijnen op de lont en op het vuurwerk. Toen keerde hij den rug naar ons toe, zoodat we niet konden zien wat hij uitvoerde.„Ik heb de lont in orde gemaakt,” riep hij; terwijl hij het hoofd even omdraaide. „Probeer het nu nog ’s, Kien!”Wederom liet Kien het toestel klikken, waarop de lont werkelijk begon te gloeien.„Hij doet het!” riep Kien zegevierend uit. „Ik wist wel dat het eindelijk zou gaan!”„Zie je wel dat ik verstand heb van zulke dingen?” riep Stenford die nu naar ons terugkeerde.„’t Is al-leen m-maar de vraag of het n-nu zal afgaan,” zei Burns.Dit gebeurde niet. De lont en het gedrenkte papier brandden op en doofden uit, de stukken van het vuurwerk bleven in duisternis gehuld.Kien wilde wederom van voren af aan beginnen, doch daartegen kwamen wij in verzet.„Weten jullie hoe laat of het is?” vroeg ik. „We zullennauwelijks tijd hebben om den boel zoo maar aan te steken en dan kunnen we nog juist de anderen inhalen die met den volgenden trein komen.”„Je hebt nu getoond dat het kan,” zei Stenford lachend.„Ja, misschien is het beter,” gaf Kien toe op ernstigen toon.Aldus geschiedde. We liepen naar het vuurwerk toe om het aan te steken. In het begin traden we behoedzaam op en lieten we maar één stuk tegelijk ontbranden, doch weldra zagen we in, dat we met verdubbelde kracht aan het werk moesten als we hiermede op tijd wilden klaar komen.Het duurde dan ook niet lang of wieletjes draaiden en sisten, voetzoekers knetterden en vuurpijlen schoten omhoog om als vonken-regens omlaag te storten, en roode en blauwe lichten gloeiden en Romeinsche kaarsen maakten een herrie van belang—korten tijd was het een oorverdoovend lawaai, terwijl de tuin schitterend werd verlicht en het overal rook naar kruit en chemische stoffen.„Dol, kostelijk!” riep Stenford, die een brandende voetzoeker door de lucht zwaaide en toen weggooide, zonder er zich natuurlijk over te bekommeren waar die neerkwam.Zelfs de bedaarde Kien geraakte in hevige opwinding. Hij stak bij voorkeur de vuurpijlen aan, die hij niet zooals gewoonlijk regelrecht de lucht in deed gaan, doch hij gaf die alle mogelijke richtingen, zoodat sommige eerst langs den grond kropen en andere wrongen zich eerst in bochten voor ze omhoog schoten. Hij schreeuwde ons wat toe over kronkelingen en snelheid, doch het lawaai was te groot om precies te kunnen verstaan wat hij zei.„Geen lucifers verspillen!” riep Stenford; „geen enkele mag er uitgaan! We hebben er nog maar een paar. Het eene kunnen we wel met het andere aansteken.”Dit geschiedde, doch het oogenblik brak aan waarop de voorraad uitgeput geraakte, zoodat het geschutvuur verminderde. Maar toen deden we een kostelijke vondst—een heel pak voetzoekers hadden we over het hoofd gezien.„Z-zeg, als we hiermee eens v-vochten tegen elkaar,” stelde Burns voor; „twee aan iederen kant.”„Best,” zei Stenford. „We moeten ze dan precies verdeelen. Kien en ik tegen Ellinghem en Burns. Vooruit, wie het best kan gooien. Alleen die achter den vijand terecht komen tellen mee.”Het gevecht begon; aan beide zijden werd hard gestreden.„Niet te hoog, niet te hoog!” riep Burns, want de wind was nu hevig gaan opsteken.Ik geloof dat Stenford op den dwazen inval kwam om te zien hoe ver we konden gooien, zoodat het laatste zestal over de oranjerie werd geworpen, zonder dat wij er ons om bekommerden waarheen die voetzoekers zich een weg baanden.Toen de voorraad geheel was uitgeput, stonden we een oogenblik te luisteren naar het geschetter en lawaai dat we achter den muur vernamen, terwijl nu en dan een lichtstraal omhoog flitste.„Hoor die ’s,” zei Stenford, die zich maar half op zijn gemak scheen te gevoelen. „Wat maakt dat ding een herrie in dien tuin.”„In t-twee t-tuinen,” verbeterde Burns.Wewachttentot het lawaai was verstomd.„Gelukkig,” zei Stenford, die een zucht slaakte van verlichting.Terwijl hij dit zei, scheen een van de voetzoekers niet van plan om een roemloozen dood te sterven; ze gaf nog drie knallen en het leek ons dat we bij den derden knal den angstigen gil vernamen van een vrouw in den tuin aan onzen rechterkant, terwijl we een nijdigemannenstemmeenden te vernemen in den tuin links van ons.„Ze hebben het gemerkt,” fluisterde Kien. „Als we er ’s vandoor gingen?”In den tuin waar de nijdige mannenstem weerklonk zagen we echter het schijnsel van een licht; die persoon bevond zich blijkbaar op een hoogte, zoodat we onmiddellijk zouden worden ontdekt als het licht over den muur viel.„Hier onder den muur!” fluisterde Stenford; „als we in de richting van het huis rennen, dan zouden ze ons zien.”We hadden beter gedaan als we die kans maar hadden gewaagd en het op een loopen hadden gezet, maar in onze besluiteloosheid volgden we den raad van Stenford en gingen we met onzen rug tegen de oranjerie staan, vlak bij den hoogen muur.„Werkelijk, mevrouw, dergelijke aardigheden drijft u toch wat al te ver,” hoorden we den man zeggen, die zich blijkbaar diep beleedigd gevoelde. „Ik kan vermoedelijk niet uw dwaasheid beletten om vuurwerk af te steken in uw tuin, maar het eigendom van anderen zou u ten minste kunnen eerbiedigen.”„Ik begrijp u niet, mijnheer,” antwoordde een driftige vrouwenstem.„Dan zal ik nog duidelijker zijn,” hernam de man. „Ik sta op een van de hoogste sporten van mijn ladder, waardoor ik een overzicht heb van uw tuin.”„Heel vrijpostig,” merkte de vrouwenstem op.„En daardoor kan ik heel duidelijk den rook zien van het vuurwerk—en ik ruik het—” nu werd hard gesnoven—„Ik kwam nog juist bijtijds om me te vergewissen waarmede u zich onledig hieldt en ik ben overtuigd dat het de ontploffing was van een voetzoeker...”„Dus u wilt mij beschuldigen van...” hernam de vrouwenstem.„Ik beschuldig u van niets,” zei de ander. „Ik geloof niet dat ik het recht bezit om te verbieden dat u de buurt onbewoonbaar maakt door al dat lawaai en dien vreeselijken stank. Maar wel kan ik eischen dat u het eigendom van anderen eerbiedigt...”„Mijnheer...” wierp de ander tegen.„Neem me niet kwalijk mevrouw, maar ik heb nog niet uitgesproken,” ging de mannenstem voort.„Ik had den heer Brunton die u zeker wel van naam kent bij mij genoodigd; heden avond heeft die mij met zijn gezelschap vereerd. Daar het weer zacht was zaten we eerst met het raam open, doch toen u met dat vuurwerk begon, verspreidde dit zulk een ondraaglijken stank, terwijl die herhaalde ontploffingen zulk een lawaai maakten, dat wij wel genoodzaakt waren het venster te sluiten; ons diner werd daardoor geheel bedorven. Is het niet, mijnheer Brunton?”„Volkomen waar,” antwoordde een stem, waaraan ik onmiddellijk den heer met de dubbele kin herkende.„Als u denkt dat...” viel de dame in.„Pardon, mevrouw, ik heb nog niet uitgesproken,” hernam de ander. „Ik liet u uw gang gaan totdat het al te erg werd en het vuur in mijn perken verwoesting begon aan te richten.”„Mijnheer, u heeft mij diep beleedigd,” zei de dame; „mag ik u echter doen opmerken, dat wij het zijn geweest die een half uur lang door een oorverdoovend lawaai zijn gemarteld.Eindelijk vroeg juffrouw Burnip me of ik niet eens wilde gaan kijken en vragen of er nu mede kon worden uitgescheden, maar juist toen ik uit de zijdeur kwam zag ik dat gloeiende voorwerpen naar ons werden gegooid—ik meen over den muur van uw tuin en—”„Dus u verdenkt mij dat ik mijn geld en vrijen tijd verspil met het afsteken van voetzoekers en vuurpijlen,” hernam de mannenstem op diepbeleedigden toon. „Die zou ik dus volgens u staan te gooien over den muur van uw tuin? Ongehoord! Ongehoord! Hoe durft u me van zoo iets verdenken? Ik geloof dat uw schoenejongen de schuldige is. Vraag maar eens wat die van de zaak af weet; en als hij...”„Hier is hij,” riep de dame; „ik zal hem dadelijk ondervragen.—Thomas,” zei ze op strengen toon; „heb jij vuurwerk afgestoken?”„Nee, mevrouw,” klonk het antwoord dat zonder eenige aarzeling werd gegeven.„Hoort u nou wel, mijnheer,” riep de dame zegevierend uit.„Dus u gelooft maar dadelijk wat die jongen zegt,” zei de heer. „Ik zal hem beschijnen met licht; dan kan ik zien of zijn kleeren rooken. Zou u niet willen nagaan of hij soms ruikt naar kruit?”„Het ruikt hier overal naar kruit,” antwoordde de dame; „bovendien weet Thomas heel goed dat hij onmiddellijk zou worden ontslagen als hij zulke streken uithaalde. Wou je iets zeggen, Thomas?”„Ja mevrouw—als dat het uit den tuin kwam,” antwoordde de jongen.„Uit wat voor tuin?”„Daar,” zei Thomas, die zeker een richting aanduidde.„Uit dien tuin,” hernam de heer op spottenden toon; „de tuin van een leeg huis! In geen twee jaar heeft iemand daar een voet gezet. Ik ben vast overtuigd, mevrouw, dat vuurwerk niet afgaat of het moet worden aangestoken. Het spijt me dat ik moet zeggen dat uw bediende liegt.”„Maar het zijn jongens van de school, mevrouw,” hernam Thomas. „Ik sta al wel een half uur naar ze te kijken,”—die laatste woorden klonken als een juichkreet. „Ze hebben een stuk of wat voetzoekers gegooid, eerst over den eenen muur en toen over den andere; er is maar één plek in den tuin vanwaar je alles kunt zien—”„En je hebt daarnaar staan te kijken zonder me te waarschuwen?” riep de dame driftig uit. „Ga er onmiddellijk heen en zeg—”„Neen,” viel de heer Brunton in; „laat hij om het huis heenloopen; je houdt ze dan tegen en ziet wie het zijn.Mijn zoon is daar op school en zal deze zaak wel onder handen nemen.”„Als je een politie-agent tegenkomt—” zei de ander.We wachtten niet af tot deze zin was voltooid. We dachten dat we daar zoo veilig stonden onder het afdak; als we het onmiddellijk op een loopen hadden gezet, zouden we door het licht van die lantaren zijn beschenen, maar nu moesten we er wel vandoor gaan.„Zoo gauw als je kunt,” fluisterde Stenford, die bijna stikte van het lachen.We renden over het hoog opgeschoten gras, klauterden over het hek en belandden veilig en wel op den straatweg, hoewel Burns boven op het hek aan iets was blijven haken, zoodat we hem naar beneden hadden moeten trekken.„Mooi zoo,” zei Stenford. „Nu er als de wind vandoor. Dan kunnen we nog bijtijds thuis wezen.”Nauwelijks hadden we het op een loopen gezet, of Kien slaakte een kreet en bleef stilstaan. „Ik heb mijn electrische toestel vergeten,” riep hij uit. „Ik moet terug.”„L-laat dat d-ding maar,” ried Burns aan; „anders wordt je z-zeker g-gesnapt.”„Ik moet het hebben,” riep Kien wanhopig; „jullie hebt zelf gezien hoe prachtig het werkte.”„Daarvan heb ik niets gezien,” zei Stenford, die de voorhoede vormde, maar nu terugkeerde toen hij bemerkte dat wij waren blijven stilstaan. „Laat dat ding nu toch in den steek. Ze komen ons anders heusch nog achterop.”„Het heeft zoo prachtig de lont aangestoken,” riep Kien.„Dat denk je maar,” zei Stenford. „Dat heb ik gedaan met een lucifer.”„Nee maar, die is g-goed!” riep Burns lachend.„Ik wil het terug hebben,” verklaarde Kien heel beslist. „Gaan jullie maar door. Ik zal je wel inhalen. Blijf maar niet op me wachten.”„Wees nu niet zoo uilig,” riep Stenford, die hem bij den arm greep.Kien rukte zich echter los en zette het op een loopen.„Als hij zich in het hol van den leeuw wil wagen om dat malle ding terug te krijgen, dan is het nog geen reden voor ons om ons te laten snappen,” merkte Stenford op. „Laten we doorloopen en een eind verder op hem wachten. Kien is een goede draver; hij zal ons wel inhalen.”We renden den Nelson-weg af en nog heel wat andere wegen, waarvan ik de namen niet eens kende, totdat we begrepen dat nu geen gevaar meer viel te duchten.„Hè, hè!” riep Stenford hijgend; „laten we nu maar ’s even uitrusten. Geloof je dat we de lui nog kunnen inhalen die van het station komen?”„Dat zal nog juist gaan,” antwoordde Burns.We wachtten nog even in de hoop Kien te zien opdagen, doch we zagen onzen vriend niet verschijnen.„We moeten nu gaan,” zei Burns.„Ik vind het ellendig om Kien aan zijn lot over te laten,” zei ik. „Als ie ’s werd gepakt?”„Geen denken aan,” antwoordde Stenford. „Kien is veel te handig om zich te laten knippen.”„Hij zal een anderen weg hebben g-genomen,” vooronderstelde Burns.„Dat denk ik ook,” viel Stenford bij. „Hij zal een omweg hebben gemaakt om die lui niet in handen te vallen; ’k denk dat we hem aan het station zullen vinden.”Die voorspelling kwam echter niet uit. De trein was juist binnengestoomd en troepen jongens verlieten het station. In het halfdonker viel het ons niet moeielijk om ons ongemerkt bij hen te voegen, zoodat we gelijk met de anderen het schoolgebouw bereikten. Allen hadden het druk over de match en over het schitterend spel van Norman en Bob Kitsjin; aan die twee was het te danken dat voor de eerste maaleen uitstekende club was verslagen op wie St. Martin nog nooit een overwinning had behaald.Door ons avontuur hadden we eigenlijk weinig meer aan die overwinning gedacht, maar nu juichten we de twee helden even uitbundig toe als de anderen, en zoo naderden we met den zegestoet het schoolgebouw, alsof we nooit in ons leven zelf vuurwerk hadden afgestoken.„Ik d-denk d-dat K-Kien al thuis is,” zei Burns.Deze voorspelling kwam evenmin uit; ik begon me nu weinig op mijn gemak te gevoelen en vond het gemeen dat we hem in den steek hadden gelaten.„Hadden we ’m maar geholpen met dat ding terug te halen,” zei ik.Stenford mompelde wat; mogelijk was dezelfde gedachte ook bij hem opgekomen. „Wat is de vent dan toch een uil geweest om dat ding met alle geweld terug te willen halen,” zei hij kwaad. „Hij had den boel toch in den steek kunnen laten. Verbeeld je om de kans te wagen, te worden geknipt om een eindje draad!”„Misschien zit ie in de draden verward,” zei ik. „Maar het is nu te laat om te gaan zien waar hij uithangt, is het niet?”Toen we alle drie beurtelings hadden verklaard dat het nu te laat was en dat wij er geen van allen iets aan konden doen—trokken we naar binnen voor het avondeten.Onderweg kreeg Juniper Burns in het oog.„Zoo, waarde dichter, waar heb jij al dien tijd gezeten,” riep hij uit. „Ik begon heusch bang te worden dat je was zoek geraakt.”„We hebben pleizier gemaakt,” zei Burns.„Zoo?” hernam Jim. „Maar, jongen, ik wou dat je heusch een echte dichter was; dan zou je de roemrijke daden kunnen bezingen van Norman en Kitsjin, het kranige tweetal aan wie het is te danken dat we de voornaamste match van het heele seizoen hebben gewonnen. Maar ik geloof heusch datin mijn aderen dichterlijk bloed vloeit. Zeg ’s, Ellinghem, je mag trotsch zijn op Kitsjin,” voegde hij er bij, terwijl hij zich naar mij keerde. „Hoe vondt je die laatste, hè?” Even maakte hij een gebaar om „die laatste” na te bootsen, en toen liep hij door.„Hij is een b-beste vent,” zei Burns toen Juniper was verdwenen.„Ja, jij mag hem wel dankbaar zijn,” merkte Stenford op. „Hij heeft je al heel wat keeren geholpen als je in moeilijkheden zat.—Maar ik wou dat Kien nu maar kwam opduiken!”Mijn diensten werden verlangd in de kamer van Norman waar ik een keurig souper moest gereed maken om den gelukkigen afloop van dien dag te vieren; Bob en Jim Juniper waren de gasten die mede aanzaten. Ik had het nu al een heel eind gebracht in de edele kookkunst, en dien avond kreeg ik verscheiden complimentjes dat ik het er zoo goed had afgebracht.„Het jonge mensch verdient een woord van lof,” zei Norman die goedkeurend het hoofd schudde. „Je zal nog eer aan hem beleven, Kitsjin.”„Alle Canadeezen die in kampen hebben gewoond kunnen uitstekend koken,” zei Bob. „Ga maar ’s met me mee, Martin, dan zal je ’s zien hoe het daar toegaat.”Het kwam me voor dat Bob dien avond bijzonder vriendelijk tegen me was; ofschoon hij uitbundig was toegejuicht, was hij even kalm en bedaard alsof niets bijzonders was gebeurd. Norman evenzoo. Over het souper werd meer gesproken dan over de match.„We zullen een lakei van je maken, Martin,” zei Bob, toen we elkaar goeden nacht wenschten. „Het gaat anders, geloof ik, best op school; is het niet?”„O ja,” antwoordde ik.„Geen last meer gehad van Brunton en dien kleinen aap?”„Nee.”„Heeft hij je nooit het een of ander willen vertellen?” vroeg Bob die me nu doordringend aankeek.„Nee,” antwoordde ik. Ik dacht nu weder aan dien avond toen ik dat zonderlinge gesprek had afgeluisterd. Er moest iets zijn dat Bob voor me verborgen wilde houden, maar wat kon dat wezen? Een oogenblik vroeg ik me af of ik hem niet den brief zou laten lezen dien ik in mijn zak had. Hoeveel leed zou ik mij niet hebben bespaard, als ik hem toen in mijn vertrouwen had genomen!Ik aarzelde even en liet deze gelegenheid voorbij gaan.„Wou je me iets vertellen?” vroeg hij, terwijl hij me een eigenaardigen blik toewierp.„Nee,” zei ik.„Niets over Brunton?”„Nee,” zei ik wederom.De angstige uitdrukking verdween van zijn gezicht.„Nou, goeden nacht,” zei hij opgewekt, want na mijn laatste ontkenning gevoelde hij zich blijkbaar opgelucht.Toen ik naar mijn kamer trok kwam Stenford me tegen die op me had gewacht.„Hij is thuis!” fluisterde hij.„Wie—Kien?”„Ja.”„Werd ie gesnapt?”„Ja. Wat uilig van den vent, hè?”„We hebben hem gemeen in den steek gelaten,” zei ik.„Hij beweert dat ie in zijn draad verward raakte en dat ie door een klabak werd gegrepentoenie door het hek holde. De man hield hem voor een inbreker.”„Kon hij niet alles uitleggen?”„Jawel; hij was druk aan het vertellen en redeneeren, maar toen kwamen de andere menschen aanzetten.”„Hadden die de politie gewaarschuwd?”„Nee. Daarvoor hadden ze nog geen tijd gehad. De agenthad ’m maar op zijn eigen houtje ingerekend, maar nu konden Brunton en die andere man hem natuurlijk inhalen.”„De vader van Brunton die hier is?”„Ja; die is zeker net zoo’n lievertje als z’n zoon. Hij zei tegen Kien dat hij zijn zoon op de hoogte zou stellen.”„Heeft Kien bekend?”„Ja, maar hij heeft ons niet verraden. Hij heeft zijn eigen naam genoemd en verteld wat hij heeft uitgevoerd.”„En wat zal er nu gebeuren?” vroeg ik.„O, Brunton—onze Brunton bedoel ik, zal het aan de andere prefekten vertellen. De vent groeit er natuurlijk in; hij zal overal rondbazuinen, dat de goede naam van de school moet worden hoog gehouden en dat de prefekten ervoor moeten zorgen dat dien niet wordt aangetast.”„Dat moet hij vooral zeggen die in kroegen zit te drinken en te wedden,” riep ik uit op minachtenden toon. „En wat zullen de andere prefekten doen?”„O ze zullen Kien bij zich laten komen,” antwoordde Stenford die de schouders ophaalde; „ze zullen hem een standje geven en een pak ransel en Kolman zal er niets van hooren.”„En alleen omdat zoo’n vent als Brunton hem aanklaagt!” riep ik verontwaardigd uit. „Dat zullen ze niet doen!”„Wie zal het ze beletten?” vroeg Stenford.„Ik! Ik zal Bob overhalen om dit te verhinderen. Ik weet zeker dat hij het zal doen als ik het hem vraag.”„Bemoei je er niet mee,” zei Stenford. „Kitsjin moet met de andere prefekten rekening houden; hij kan zich niet ophouden met jouw praatjes. Dat snap je toch?”„Nee, dat snap ik niet,” antwoordde ik heel beslist; „je zal zien dat Kien er genadig afkomt. Bob zal het zeker beletten als ik het hem vraag.”

Het toestel dat Kien in de handen hield, liet een klikkend geluid hooren; ik dacht niet anders of al de stukken vuurwerk zouden nu tegelijk ontploffen. Doch niets gebeurde; we konden de oranjerie in de verte nog slechts ternauwernood onderscheiden.

Kien klapte met de tong en toen vernamen we wederom een klikkend geluid.

„Toe nou, vooruit,” zei Stenford om hem tot spoed aan te sporen.

„Ze is al weg,” zei Kien.

„Wie bedoel je?”

„De vonk.”

„M-maar dan is ze al uitgegaan,” riepBurnslachend.

„Nee, ze is door den draad heen,” antwoordde Kien; „er moet iets aan de lont haperen.”

„Probeer het nog eens,” zei Stenford; „je hebt maar tweemaal geklikt; een derde keer gaat het misschien beter.”

Wederom een klikkend geluid. „Hier houd ’s vast,” zei Kien tegen Burns wien hij het electrische toestel overhandigde.

„Het k-kan toch n-niet ontploffen?” vroeg Burns angstig, maar Kien was al op weg naar de oranjerie en gaf geen antwoord.

„Het is zeker een vonk die van haar gemak houdt,” zeiStenford; „daarom heeft ze er zooveel tijd voor noodig. Misschien komen de vonk en Kien daar tegelijk aanzetten.”

Weldra keerde Kien terug. „De lont is in orde,” deelde hij mede; „het moest afgaan.”

„Het moest, het moest,” herhaalde Stenford; „als we maar altijd deden wat we moesten doen. Zelfs electrische vonken schijnen soms niet te willen gehoorzamen.”

Kien deed nog eenige malen het toestel klikken.

„Het moet de lont zijn,” verklaarde hij ten slotte.

„Ik heb verstand van lontjes,” zei Stenford. „Ik ga eens poolshoogte nemen.”

Hij gaf me een wenk—wat hij daarmee wilde zeggen begreep ik echter niet—en toen zette hij het op een loopen over het gras. We konden zien dat hij de fietslamp in de hoogte hield om het licht achtereenvolgens te laten schijnen op de lont en op het vuurwerk. Toen keerde hij den rug naar ons toe, zoodat we niet konden zien wat hij uitvoerde.

„Ik heb de lont in orde gemaakt,” riep hij; terwijl hij het hoofd even omdraaide. „Probeer het nu nog ’s, Kien!”

Wederom liet Kien het toestel klikken, waarop de lont werkelijk begon te gloeien.

„Hij doet het!” riep Kien zegevierend uit. „Ik wist wel dat het eindelijk zou gaan!”

„Zie je wel dat ik verstand heb van zulke dingen?” riep Stenford die nu naar ons terugkeerde.

„’t Is al-leen m-maar de vraag of het n-nu zal afgaan,” zei Burns.

Dit gebeurde niet. De lont en het gedrenkte papier brandden op en doofden uit, de stukken van het vuurwerk bleven in duisternis gehuld.

Kien wilde wederom van voren af aan beginnen, doch daartegen kwamen wij in verzet.

„Weten jullie hoe laat of het is?” vroeg ik. „We zullennauwelijks tijd hebben om den boel zoo maar aan te steken en dan kunnen we nog juist de anderen inhalen die met den volgenden trein komen.”

„Je hebt nu getoond dat het kan,” zei Stenford lachend.

„Ja, misschien is het beter,” gaf Kien toe op ernstigen toon.

Aldus geschiedde. We liepen naar het vuurwerk toe om het aan te steken. In het begin traden we behoedzaam op en lieten we maar één stuk tegelijk ontbranden, doch weldra zagen we in, dat we met verdubbelde kracht aan het werk moesten als we hiermede op tijd wilden klaar komen.

Het duurde dan ook niet lang of wieletjes draaiden en sisten, voetzoekers knetterden en vuurpijlen schoten omhoog om als vonken-regens omlaag te storten, en roode en blauwe lichten gloeiden en Romeinsche kaarsen maakten een herrie van belang—korten tijd was het een oorverdoovend lawaai, terwijl de tuin schitterend werd verlicht en het overal rook naar kruit en chemische stoffen.

„Dol, kostelijk!” riep Stenford, die een brandende voetzoeker door de lucht zwaaide en toen weggooide, zonder er zich natuurlijk over te bekommeren waar die neerkwam.

Zelfs de bedaarde Kien geraakte in hevige opwinding. Hij stak bij voorkeur de vuurpijlen aan, die hij niet zooals gewoonlijk regelrecht de lucht in deed gaan, doch hij gaf die alle mogelijke richtingen, zoodat sommige eerst langs den grond kropen en andere wrongen zich eerst in bochten voor ze omhoog schoten. Hij schreeuwde ons wat toe over kronkelingen en snelheid, doch het lawaai was te groot om precies te kunnen verstaan wat hij zei.

„Geen lucifers verspillen!” riep Stenford; „geen enkele mag er uitgaan! We hebben er nog maar een paar. Het eene kunnen we wel met het andere aansteken.”

Dit geschiedde, doch het oogenblik brak aan waarop de voorraad uitgeput geraakte, zoodat het geschutvuur verminderde. Maar toen deden we een kostelijke vondst—een heel pak voetzoekers hadden we over het hoofd gezien.

„Z-zeg, als we hiermee eens v-vochten tegen elkaar,” stelde Burns voor; „twee aan iederen kant.”

„Best,” zei Stenford. „We moeten ze dan precies verdeelen. Kien en ik tegen Ellinghem en Burns. Vooruit, wie het best kan gooien. Alleen die achter den vijand terecht komen tellen mee.”

Het gevecht begon; aan beide zijden werd hard gestreden.

„Niet te hoog, niet te hoog!” riep Burns, want de wind was nu hevig gaan opsteken.

Ik geloof dat Stenford op den dwazen inval kwam om te zien hoe ver we konden gooien, zoodat het laatste zestal over de oranjerie werd geworpen, zonder dat wij er ons om bekommerden waarheen die voetzoekers zich een weg baanden.

Toen de voorraad geheel was uitgeput, stonden we een oogenblik te luisteren naar het geschetter en lawaai dat we achter den muur vernamen, terwijl nu en dan een lichtstraal omhoog flitste.

„Hoor die ’s,” zei Stenford, die zich maar half op zijn gemak scheen te gevoelen. „Wat maakt dat ding een herrie in dien tuin.”

„In t-twee t-tuinen,” verbeterde Burns.

Wewachttentot het lawaai was verstomd.

„Gelukkig,” zei Stenford, die een zucht slaakte van verlichting.

Terwijl hij dit zei, scheen een van de voetzoekers niet van plan om een roemloozen dood te sterven; ze gaf nog drie knallen en het leek ons dat we bij den derden knal den angstigen gil vernamen van een vrouw in den tuin aan onzen rechterkant, terwijl we een nijdigemannenstemmeenden te vernemen in den tuin links van ons.

„Ze hebben het gemerkt,” fluisterde Kien. „Als we er ’s vandoor gingen?”

In den tuin waar de nijdige mannenstem weerklonk zagen we echter het schijnsel van een licht; die persoon bevond zich blijkbaar op een hoogte, zoodat we onmiddellijk zouden worden ontdekt als het licht over den muur viel.

„Hier onder den muur!” fluisterde Stenford; „als we in de richting van het huis rennen, dan zouden ze ons zien.”

We hadden beter gedaan als we die kans maar hadden gewaagd en het op een loopen hadden gezet, maar in onze besluiteloosheid volgden we den raad van Stenford en gingen we met onzen rug tegen de oranjerie staan, vlak bij den hoogen muur.

„Werkelijk, mevrouw, dergelijke aardigheden drijft u toch wat al te ver,” hoorden we den man zeggen, die zich blijkbaar diep beleedigd gevoelde. „Ik kan vermoedelijk niet uw dwaasheid beletten om vuurwerk af te steken in uw tuin, maar het eigendom van anderen zou u ten minste kunnen eerbiedigen.”

„Ik begrijp u niet, mijnheer,” antwoordde een driftige vrouwenstem.

„Dan zal ik nog duidelijker zijn,” hernam de man. „Ik sta op een van de hoogste sporten van mijn ladder, waardoor ik een overzicht heb van uw tuin.”

„Heel vrijpostig,” merkte de vrouwenstem op.

„En daardoor kan ik heel duidelijk den rook zien van het vuurwerk—en ik ruik het—” nu werd hard gesnoven—„Ik kwam nog juist bijtijds om me te vergewissen waarmede u zich onledig hieldt en ik ben overtuigd dat het de ontploffing was van een voetzoeker...”

„Dus u wilt mij beschuldigen van...” hernam de vrouwenstem.

„Ik beschuldig u van niets,” zei de ander. „Ik geloof niet dat ik het recht bezit om te verbieden dat u de buurt onbewoonbaar maakt door al dat lawaai en dien vreeselijken stank. Maar wel kan ik eischen dat u het eigendom van anderen eerbiedigt...”

„Mijnheer...” wierp de ander tegen.

„Neem me niet kwalijk mevrouw, maar ik heb nog niet uitgesproken,” ging de mannenstem voort.„Ik had den heer Brunton die u zeker wel van naam kent bij mij genoodigd; heden avond heeft die mij met zijn gezelschap vereerd. Daar het weer zacht was zaten we eerst met het raam open, doch toen u met dat vuurwerk begon, verspreidde dit zulk een ondraaglijken stank, terwijl die herhaalde ontploffingen zulk een lawaai maakten, dat wij wel genoodzaakt waren het venster te sluiten; ons diner werd daardoor geheel bedorven. Is het niet, mijnheer Brunton?”

„Volkomen waar,” antwoordde een stem, waaraan ik onmiddellijk den heer met de dubbele kin herkende.

„Als u denkt dat...” viel de dame in.

„Pardon, mevrouw, ik heb nog niet uitgesproken,” hernam de ander. „Ik liet u uw gang gaan totdat het al te erg werd en het vuur in mijn perken verwoesting begon aan te richten.”

„Mijnheer, u heeft mij diep beleedigd,” zei de dame; „mag ik u echter doen opmerken, dat wij het zijn geweest die een half uur lang door een oorverdoovend lawaai zijn gemarteld.Eindelijk vroeg juffrouw Burnip me of ik niet eens wilde gaan kijken en vragen of er nu mede kon worden uitgescheden, maar juist toen ik uit de zijdeur kwam zag ik dat gloeiende voorwerpen naar ons werden gegooid—ik meen over den muur van uw tuin en—”

„Dus u verdenkt mij dat ik mijn geld en vrijen tijd verspil met het afsteken van voetzoekers en vuurpijlen,” hernam de mannenstem op diepbeleedigden toon. „Die zou ik dus volgens u staan te gooien over den muur van uw tuin? Ongehoord! Ongehoord! Hoe durft u me van zoo iets verdenken? Ik geloof dat uw schoenejongen de schuldige is. Vraag maar eens wat die van de zaak af weet; en als hij...”

„Hier is hij,” riep de dame; „ik zal hem dadelijk ondervragen.—Thomas,” zei ze op strengen toon; „heb jij vuurwerk afgestoken?”

„Nee, mevrouw,” klonk het antwoord dat zonder eenige aarzeling werd gegeven.

„Hoort u nou wel, mijnheer,” riep de dame zegevierend uit.

„Dus u gelooft maar dadelijk wat die jongen zegt,” zei de heer. „Ik zal hem beschijnen met licht; dan kan ik zien of zijn kleeren rooken. Zou u niet willen nagaan of hij soms ruikt naar kruit?”

„Het ruikt hier overal naar kruit,” antwoordde de dame; „bovendien weet Thomas heel goed dat hij onmiddellijk zou worden ontslagen als hij zulke streken uithaalde. Wou je iets zeggen, Thomas?”

„Ja mevrouw—als dat het uit den tuin kwam,” antwoordde de jongen.

„Uit wat voor tuin?”

„Daar,” zei Thomas, die zeker een richting aanduidde.

„Uit dien tuin,” hernam de heer op spottenden toon; „de tuin van een leeg huis! In geen twee jaar heeft iemand daar een voet gezet. Ik ben vast overtuigd, mevrouw, dat vuurwerk niet afgaat of het moet worden aangestoken. Het spijt me dat ik moet zeggen dat uw bediende liegt.”

„Maar het zijn jongens van de school, mevrouw,” hernam Thomas. „Ik sta al wel een half uur naar ze te kijken,”—die laatste woorden klonken als een juichkreet. „Ze hebben een stuk of wat voetzoekers gegooid, eerst over den eenen muur en toen over den andere; er is maar één plek in den tuin vanwaar je alles kunt zien—”

„En je hebt daarnaar staan te kijken zonder me te waarschuwen?” riep de dame driftig uit. „Ga er onmiddellijk heen en zeg—”

„Neen,” viel de heer Brunton in; „laat hij om het huis heenloopen; je houdt ze dan tegen en ziet wie het zijn.Mijn zoon is daar op school en zal deze zaak wel onder handen nemen.”

„Als je een politie-agent tegenkomt—” zei de ander.

We wachtten niet af tot deze zin was voltooid. We dachten dat we daar zoo veilig stonden onder het afdak; als we het onmiddellijk op een loopen hadden gezet, zouden we door het licht van die lantaren zijn beschenen, maar nu moesten we er wel vandoor gaan.

„Zoo gauw als je kunt,” fluisterde Stenford, die bijna stikte van het lachen.

We renden over het hoog opgeschoten gras, klauterden over het hek en belandden veilig en wel op den straatweg, hoewel Burns boven op het hek aan iets was blijven haken, zoodat we hem naar beneden hadden moeten trekken.

„Mooi zoo,” zei Stenford. „Nu er als de wind vandoor. Dan kunnen we nog bijtijds thuis wezen.”

Nauwelijks hadden we het op een loopen gezet, of Kien slaakte een kreet en bleef stilstaan. „Ik heb mijn electrische toestel vergeten,” riep hij uit. „Ik moet terug.”

„L-laat dat d-ding maar,” ried Burns aan; „anders wordt je z-zeker g-gesnapt.”

„Ik moet het hebben,” riep Kien wanhopig; „jullie hebt zelf gezien hoe prachtig het werkte.”

„Daarvan heb ik niets gezien,” zei Stenford, die de voorhoede vormde, maar nu terugkeerde toen hij bemerkte dat wij waren blijven stilstaan. „Laat dat ding nu toch in den steek. Ze komen ons anders heusch nog achterop.”

„Het heeft zoo prachtig de lont aangestoken,” riep Kien.

„Dat denk je maar,” zei Stenford. „Dat heb ik gedaan met een lucifer.”

„Nee maar, die is g-goed!” riep Burns lachend.

„Ik wil het terug hebben,” verklaarde Kien heel beslist. „Gaan jullie maar door. Ik zal je wel inhalen. Blijf maar niet op me wachten.”

„Wees nu niet zoo uilig,” riep Stenford, die hem bij den arm greep.

Kien rukte zich echter los en zette het op een loopen.

„Als hij zich in het hol van den leeuw wil wagen om dat malle ding terug te krijgen, dan is het nog geen reden voor ons om ons te laten snappen,” merkte Stenford op. „Laten we doorloopen en een eind verder op hem wachten. Kien is een goede draver; hij zal ons wel inhalen.”

We renden den Nelson-weg af en nog heel wat andere wegen, waarvan ik de namen niet eens kende, totdat we begrepen dat nu geen gevaar meer viel te duchten.

„Hè, hè!” riep Stenford hijgend; „laten we nu maar ’s even uitrusten. Geloof je dat we de lui nog kunnen inhalen die van het station komen?”

„Dat zal nog juist gaan,” antwoordde Burns.

We wachtten nog even in de hoop Kien te zien opdagen, doch we zagen onzen vriend niet verschijnen.

„We moeten nu gaan,” zei Burns.

„Ik vind het ellendig om Kien aan zijn lot over te laten,” zei ik. „Als ie ’s werd gepakt?”

„Geen denken aan,” antwoordde Stenford. „Kien is veel te handig om zich te laten knippen.”

„Hij zal een anderen weg hebben g-genomen,” vooronderstelde Burns.

„Dat denk ik ook,” viel Stenford bij. „Hij zal een omweg hebben gemaakt om die lui niet in handen te vallen; ’k denk dat we hem aan het station zullen vinden.”

Die voorspelling kwam echter niet uit. De trein was juist binnengestoomd en troepen jongens verlieten het station. In het halfdonker viel het ons niet moeielijk om ons ongemerkt bij hen te voegen, zoodat we gelijk met de anderen het schoolgebouw bereikten. Allen hadden het druk over de match en over het schitterend spel van Norman en Bob Kitsjin; aan die twee was het te danken dat voor de eerste maaleen uitstekende club was verslagen op wie St. Martin nog nooit een overwinning had behaald.

Door ons avontuur hadden we eigenlijk weinig meer aan die overwinning gedacht, maar nu juichten we de twee helden even uitbundig toe als de anderen, en zoo naderden we met den zegestoet het schoolgebouw, alsof we nooit in ons leven zelf vuurwerk hadden afgestoken.

„Ik d-denk d-dat K-Kien al thuis is,” zei Burns.

Deze voorspelling kwam evenmin uit; ik begon me nu weinig op mijn gemak te gevoelen en vond het gemeen dat we hem in den steek hadden gelaten.

„Hadden we ’m maar geholpen met dat ding terug te halen,” zei ik.

Stenford mompelde wat; mogelijk was dezelfde gedachte ook bij hem opgekomen. „Wat is de vent dan toch een uil geweest om dat ding met alle geweld terug te willen halen,” zei hij kwaad. „Hij had den boel toch in den steek kunnen laten. Verbeeld je om de kans te wagen, te worden geknipt om een eindje draad!”

„Misschien zit ie in de draden verward,” zei ik. „Maar het is nu te laat om te gaan zien waar hij uithangt, is het niet?”

Toen we alle drie beurtelings hadden verklaard dat het nu te laat was en dat wij er geen van allen iets aan konden doen—trokken we naar binnen voor het avondeten.

Onderweg kreeg Juniper Burns in het oog.

„Zoo, waarde dichter, waar heb jij al dien tijd gezeten,” riep hij uit. „Ik begon heusch bang te worden dat je was zoek geraakt.”

„We hebben pleizier gemaakt,” zei Burns.

„Zoo?” hernam Jim. „Maar, jongen, ik wou dat je heusch een echte dichter was; dan zou je de roemrijke daden kunnen bezingen van Norman en Kitsjin, het kranige tweetal aan wie het is te danken dat we de voornaamste match van het heele seizoen hebben gewonnen. Maar ik geloof heusch datin mijn aderen dichterlijk bloed vloeit. Zeg ’s, Ellinghem, je mag trotsch zijn op Kitsjin,” voegde hij er bij, terwijl hij zich naar mij keerde. „Hoe vondt je die laatste, hè?” Even maakte hij een gebaar om „die laatste” na te bootsen, en toen liep hij door.

„Hij is een b-beste vent,” zei Burns toen Juniper was verdwenen.

„Ja, jij mag hem wel dankbaar zijn,” merkte Stenford op. „Hij heeft je al heel wat keeren geholpen als je in moeilijkheden zat.—Maar ik wou dat Kien nu maar kwam opduiken!”

Mijn diensten werden verlangd in de kamer van Norman waar ik een keurig souper moest gereed maken om den gelukkigen afloop van dien dag te vieren; Bob en Jim Juniper waren de gasten die mede aanzaten. Ik had het nu al een heel eind gebracht in de edele kookkunst, en dien avond kreeg ik verscheiden complimentjes dat ik het er zoo goed had afgebracht.

„Het jonge mensch verdient een woord van lof,” zei Norman die goedkeurend het hoofd schudde. „Je zal nog eer aan hem beleven, Kitsjin.”

„Alle Canadeezen die in kampen hebben gewoond kunnen uitstekend koken,” zei Bob. „Ga maar ’s met me mee, Martin, dan zal je ’s zien hoe het daar toegaat.”

Het kwam me voor dat Bob dien avond bijzonder vriendelijk tegen me was; ofschoon hij uitbundig was toegejuicht, was hij even kalm en bedaard alsof niets bijzonders was gebeurd. Norman evenzoo. Over het souper werd meer gesproken dan over de match.

„We zullen een lakei van je maken, Martin,” zei Bob, toen we elkaar goeden nacht wenschten. „Het gaat anders, geloof ik, best op school; is het niet?”

„O ja,” antwoordde ik.

„Geen last meer gehad van Brunton en dien kleinen aap?”

„Nee.”

„Heeft hij je nooit het een of ander willen vertellen?” vroeg Bob die me nu doordringend aankeek.

„Nee,” antwoordde ik. Ik dacht nu weder aan dien avond toen ik dat zonderlinge gesprek had afgeluisterd. Er moest iets zijn dat Bob voor me verborgen wilde houden, maar wat kon dat wezen? Een oogenblik vroeg ik me af of ik hem niet den brief zou laten lezen dien ik in mijn zak had. Hoeveel leed zou ik mij niet hebben bespaard, als ik hem toen in mijn vertrouwen had genomen!

Ik aarzelde even en liet deze gelegenheid voorbij gaan.

„Wou je me iets vertellen?” vroeg hij, terwijl hij me een eigenaardigen blik toewierp.

„Nee,” zei ik.

„Niets over Brunton?”

„Nee,” zei ik wederom.

De angstige uitdrukking verdween van zijn gezicht.

„Nou, goeden nacht,” zei hij opgewekt, want na mijn laatste ontkenning gevoelde hij zich blijkbaar opgelucht.

Toen ik naar mijn kamer trok kwam Stenford me tegen die op me had gewacht.

„Hij is thuis!” fluisterde hij.

„Wie—Kien?”

„Ja.”

„Werd ie gesnapt?”

„Ja. Wat uilig van den vent, hè?”

„We hebben hem gemeen in den steek gelaten,” zei ik.

„Hij beweert dat ie in zijn draad verward raakte en dat ie door een klabak werd gegrepentoenie door het hek holde. De man hield hem voor een inbreker.”

„Kon hij niet alles uitleggen?”

„Jawel; hij was druk aan het vertellen en redeneeren, maar toen kwamen de andere menschen aanzetten.”

„Hadden die de politie gewaarschuwd?”

„Nee. Daarvoor hadden ze nog geen tijd gehad. De agenthad ’m maar op zijn eigen houtje ingerekend, maar nu konden Brunton en die andere man hem natuurlijk inhalen.”

„De vader van Brunton die hier is?”

„Ja; die is zeker net zoo’n lievertje als z’n zoon. Hij zei tegen Kien dat hij zijn zoon op de hoogte zou stellen.”

„Heeft Kien bekend?”

„Ja, maar hij heeft ons niet verraden. Hij heeft zijn eigen naam genoemd en verteld wat hij heeft uitgevoerd.”

„En wat zal er nu gebeuren?” vroeg ik.

„O, Brunton—onze Brunton bedoel ik, zal het aan de andere prefekten vertellen. De vent groeit er natuurlijk in; hij zal overal rondbazuinen, dat de goede naam van de school moet worden hoog gehouden en dat de prefekten ervoor moeten zorgen dat dien niet wordt aangetast.”

„Dat moet hij vooral zeggen die in kroegen zit te drinken en te wedden,” riep ik uit op minachtenden toon. „En wat zullen de andere prefekten doen?”

„O ze zullen Kien bij zich laten komen,” antwoordde Stenford die de schouders ophaalde; „ze zullen hem een standje geven en een pak ransel en Kolman zal er niets van hooren.”

„En alleen omdat zoo’n vent als Brunton hem aanklaagt!” riep ik verontwaardigd uit. „Dat zullen ze niet doen!”

„Wie zal het ze beletten?” vroeg Stenford.

„Ik! Ik zal Bob overhalen om dit te verhinderen. Ik weet zeker dat hij het zal doen als ik het hem vraag.”

„Bemoei je er niet mee,” zei Stenford. „Kitsjin moet met de andere prefekten rekening houden; hij kan zich niet ophouden met jouw praatjes. Dat snap je toch?”

„Nee, dat snap ik niet,” antwoordde ik heel beslist; „je zal zien dat Kien er genadig afkomt. Bob zal het zeker beletten als ik het hem vraag.”


Back to IndexNext