HOOFDSTUK XXIII.

HOOFDSTUK XXIII.IK GA NAAR BOB.Tegen den avond van den volgenden dag was het algemeen bekend geworden, dat Kien gesnapt was toen hij vuurwerk afstak in den tuin van een leegstaand huis, en dat de vader van Brunton er iets mee had te maken gehad, en dat die het aan Brunton had verteld, en dat die het weer had overgebriefd aan de andere prefekten en dat die het geval onder handen hadden genomen en dat Kien tot straf een pak slaag zou krijgen.Heel wat verhalen en geruchten waren in omloop. Sommigen beweerden dat Kien den vader van Brunton op straat was tegengekomen en dat hij toen een paar vuurpijlen had afgestoken, die als een vonkenregen op diens kaal hoofd waren nedergedaald. Anderen vertelden weer dat Kien door een stuk of wat vijanden van Brunton was overgehaald, om de woning van diens vader te bombardeeren met ontplofbare stoffen, bommen en zoowat meer, die een vreeselijke verwoesting zouden aanrichten.Er waren maar vier jongens die het rechte van de zaak af wisten, en van die vier nam Kien het geval het luchtigst op. Hij praatte nooit druk; alleen als hij iets wetenschappelijks moest uitleggen vloeiden de woorden van zijn lippen.„’k Snap niet dat jullie er zoo over leuteren,” zei hij kortaf.„Ik vind het een schandaal,” riep ik uit.„Och kom,” zei Kien; „ik ben erin geloopen; anders niet. Het is mijn eigen schuld. Als ik niet was terug gegaan, dan zou ik niet zijn gesnapt.”„Waarom was je ook zoo stom!” zei Stenford.„Dat is nu eenmaal gebeurd,” hernam Kien; „en dit zijn de gevolgen. Wat kan zoo’n pak ransel me schelen!”„Dat is het hem niet,” riep ik verontwaardigd uit; „we zijn alleen zoo woest op dien ellendigen Brunton; de andere prefekten schijnen heelemaal naar zijn pijpen te dansen. Het is meer dan erg.”„Ja m-maar—” begon Burns, maar ik wilde niet naar hem luisteren.„Als een van de leeraren er achter was gekomen, dan was het wat anders,” ging ik voort. „Die moeten natuurlijk mee toezicht houden en zoo wat meer. Maar dat jongens...”„Je weet toch dat de prefekten ook orde en toezicht moeten houden; ze mogen een jongen ranselen bij wijze van straf.”„Ja voor iets dat in de school gebeurt, maar niet daarbuiten,” riep ik driftig.Stenford en Burns schudden beiden het hoofd, waarmede ze te kennen gaven, dat ze het met mijn laatste bewering lang niet eens waren.„Ik weet er wat op,” zei ik wrevelig, daar ik niet kon velen dat ze een andere meening waren toegedaan.„Wat dan?” vroeg Kien tamelijk onverschillig.„Ik zal zorgen dat het niet gebeurt.”Kien begon spottend te lachen.„Wou jij het beletten?” vroeg Stenford ongeloovig.„Ja,” verklaarde ik heel beslist. „Je hebt me gezegd dat ze eerst allemaal moeten toestemmen. Bob Kitsjin is ook prefekt en hij zal zeker zijn toestemming weigeren als ik hem op de hoogte heb gebracht.”„D-dat zal ie n-niet,” wierp Burns tegen.„En ik zeg van wel,” hield ik vol. „Ik zal wel zorgen dat het niet gebeurt. Vertrouw maar op mij, Kien.”Kien wierp me een blik toe waarin geen diepe erkentelijkheid viel te lezen. „’k Wou dat je de zaak maar met rust liet,” zei hij; „je laat me een gek figuur slaan als je je er mee bemoeit.”„Nee, dat doe ik niet,” riep ik driftig uit. „Ik ben niet van plan om lijdelijk aan te zien dat zoo’n vent als Brunton—”„Luister ’s,” zei Stenford, „als je wezenlijk van plan bent iets te doen, dan moet je je haasten, want veel tijd heb je niet meer. Morgenochtend zullen de prefekten vergaderen en daarna zullen ze Kien laten halen.”„Ik zal onmiddellijk naar de kamer van Bob gaan,” zei ik; „ik weet zeker dat hij Norman en Juniper zal overhalen.—Ik wil niet dat ze je zullen straffen,” voegde ik er bij op plechtigen toon, terwijl ik me keerde naar Kien en me op weg begaf met statige schreden.Ik vrees dat ik in dezen tijd in hevige mate leed aan een kwaal die iedereen wel eens heeft te pakken in de jaren van onze jeugd. Ik had namelijk een verbazend hoogen dunk van mezelf gekregen.Op school bracht ik mijn werk er kranig af. In een wip was ik nummer een van mijn klasse geworden, mijnheer Wilson was uitbundig in zijn lof over mijn wiskunde en Kijkers beschouwde me heelemaal als een model-leerling; daar ik tot nu toe niet in aanraking was gekomen met oudere en knappere jongens, had ik een veel te hoogen dunk van mijzelf gekregen. Wel besefte ik heel goed dat ik nog een treurig voetbalspeler was en dat ik in de gymnastiekzaal een tamelijk zielig figuur sloeg, maar je kan niet alles even goed doen, zei ik dan tegen mezelf om me te troosten. Ik begrijp nu heel goed dat ik het aan mijn vriendschap met Bob had te danken dat ik het er in dien eersten tijd zoo goed afbracht. Niet alleen dathij me dikwijls met mijn werk had geholpen, maar hij gaf me goeden raad, wat boeken en sport betrof en hij was bijzonder bemind op school, zoodat ik er voordeel van trok dat we samen waren bevriend.Ik verbeeldde me echter dat hij in den laatsten tijd minder vriendelijk tegen me was, en daarom was ik niet meer zoo dikwijls naar hem toegegaan om zijn hulp in te roepen. Hij vond het natuurlijk beter dat ik op mezelf vertrouwde en niet altijd naar hem toeging om het een of ander te vragen, maar in dien tijd zag ik dit niet zoo in en nam ik het hem kwalijk dat hij zich op een afstand hield naar het me toescheen.Op dezen dag kwam ik zijn kamer binnen vallen, diep verontwaardigd over de wijze waarop Kien was behandeld. Ik dacht niet anders of ik zou de zaak met een paar woorden in orde brengen, en onmiddellijk mijn zin krijgen. Ik stelde me al voor dat ik op luchtigen toon, als terloops, tegen Kien zou zeggen dat ik het zaakje had opgeknapt en dat hij er niets meer van zou hooren.Ik had geen ongelukkiger tijdstip kunnen treffen om Bob te spreken, hoewel ik dit natuurlijk niet kon vermoeden. Hij zat druk te werken aan iets dat de chef hem had opgedragen en hij had een heel onaangenaam onderhoud gehad met Brunton; ook was hij dien morgen met zware hoofdpijn opgestaan.Van dit alles wist ik natuurlijk niets, en al was dit wel het geval geweest, dan zou ik me hieraan toch waarschijnlijk niet hebben gestoord.„Bob, ik kom je wat vragen,” riep ik toen ik zijn kamer kwam binnenstormen.Even fronste hij de wenkbrauwen toen hij opkeek van zijn boek. „Je hadt geen slechter oogenblik kunnen treffen,” zei hij kortaf. „Kan je later niet terugkomen; ik ben zoo druk bezig.”„Nee, het kan geen uitstel lijden,” verklaarde ik heel beslist, daar ik me gekwetst gevoelde door de wijze waarop ik werd ontvangen.„Vertel dan maar op,” zei hij op vermoeiden toon. „Wat is er aan de hand?”„Je moet zorgen dat het niet met Kien gebeurt,” zei ik gejaagd; „ik heb hem beloofd dat jij dat wel op je zou nemen.”Bob wierp me een vragend verwonderden blik toe. „Dat het niet met Kien gebeurt?” herhaalde hij.„Ja, hij is gesnapt bij het afsteken van vuurwerk,” ging ik voort; „Brunton heeft hem verraden en nu willen ze hem een pak slaag geven.”„O ja, dat is waar ook,” zei hij. „Ik was het vergeten. Norman heeft het me verteld. Maar die zaak is beslist.”„Dat is niet zoo,” riep ik kwaad. „Hij zal niet worden geslagen. ’t Is gewoon een schandaal.”„Wat weet jij er eigenlijk van?” vroeg hij rustig en bedaard.Zonder namen te noemen vertelde ik hem op welke wijze de zaak zich had toegedragen.„Zoo, dus jij was er ook bij?” vroeg hij op zijn gewonen vriendelijken toon terwijl de zweem van een glimlach op zijn gelaat verscheen, zoodat ik niet anders dacht of ik had het pleit gewonnen. „Je haalt nog al ’s wat uit, Martin!”„Als ze Kien willen afstraffen, moeten ze het mij ook doen,” zei ik.„Houd er jezelf en die twee anderen maar buiten,” zei Bob. „Dat is mij niet officieel ter oore gekomen; ik heb alleen gehoord dat Kien gesnapt werd;—het spijt me voor den jongen—hij gaf zijn naam op en de prefekten werden met het geval in kennis gesteld en niet de leeraren.”„Dus je zorgt dat hij niet wordt gestraft?” vroeg ik, alsof de zaak reeds was beklonken.„Dat kan ik niet doen,” verklaarde Bob heel beslist, terwijl hij het hoofd ontkennend schudde.„Je moet het doen,” riep ik uit.„Het is onmogelijk,” antwoordde Bob kortaf, die zijn boek weer opnam, alsof hij een eind wilde maken aan het onderhoud.„Het is een schandaal,” viel ik driftig uit; „als hij door een van de leeraren was gesnapt, dan was het wat anders; dan zou hij natuurlijk een pak ransel of strafwerk hebben gekregen, maar nu hij door een van de jongens is verraden...”„Hoor ’s,” zei Bob terwijl een lichte blos zijn wangen kleurde; „als een ander me op die manier kwam lastig vallen, dan zou ik hem gewoon de deur uitzetten, maar nu jij het bent zal ik je het geval uitleggen.”„Heel graag,” zei ik kwaad, „want van zulke gemeene dingen snap ik niets.”Bob ging niet in op deze woorden, hoewel het bloed hem wederom naar de wangen steeg.„De prefekten zijn mede belast met de handhaving der orde,” zei hij; „daarvoor zijn ze in zekeren zin verantwoordelijk en als ze het noodzakelijk achten dan mogen ze straffen uitdeelen.”„Maar in dit geval...” begon ik.„Laat me uitspreken,” zei hij heel kalm. „In dit geval is een vader van een van de jongens het te weten gekomen.”„Ja, de oude Brunton,” mompelde ik.„Juist; hij heeft aan Brunton gezegd dat als de prefekten de zaak niet in handen namen, dan zou hij er Kolman mede in kennis stellen, en dan zou het er heel wat leelijker uitzien voor Kien. De chef is volstrekt niet overdreven streng, maar hij verkiest niet dat de menschen in de stad overlast hebben van de jongens.”„De jongens halen toch allerlei streken uit,” wierp ik tegen.„Die Brunton is me zelf een lieverdje. De kerel moest worden weggejaagd.”„Dat weet ik wel,” zei Bob op matten toon, alsof hij eraan begon te wanhopen om mij een goed begrip van de zaak te doen krijgen. „In het geval van Kien is een vreemde erin gemoeid, en als wij hem niet straffen, dan zou Kolman er bij worden gehaald. En in het geval van Brunton is tot nu toe niemand gemoeid; dat is alles. Als ik Kien had gesnapt, denk je dan dat ik hem zou hebben aangeklaagd?”„Ik was er ook bij en nog twee anderen,” mompelde ik.„Noem alsjeblieft niet hun namen,” zei Bob haastig. „Van de rest weet ik natuurlijk niets. En nu hebben we er heusch lang genoeg over gepraat. Ik heb geen minuut meer te verliezen.”„Dus Kien krijgt een pak ransel?” vroeg ik op uitdagenden toon.„Ja, dat hebben we afgesproken. Kien zal er heusch niet onder bezwijken. Zoover als ik hem ken zal hij de zaak luchtig opnemen.”„Dat is niet de vraag,” hernam ik nijdig, toen Bob zijn boek weer opnam, daar hij het gesprek blijkbaar als afgeloopen beschouwde. „Ik begrijp er alles van. Jullie durven niets tegen Brunton. Misschien zijn niet àlle prefekten bang voor den vent, maar jij bent het in elk geval wel.”Bob hief het hoofd op en wierp me een doordringenden blik toe.„Hij wil er zeker achter komen hoeveel ik weet,” zei ik bij mezelf.„Ja,” ging ik ook voort; „zeg me maar eens wat Brunton voor mij moet geheim houden.”„Ik raad je aan dit onderwerp te laten rusten,” zei Bob langzaam; ik zag echter dat het hem moeite kostte om zijn kalmte te bewaren.„Daar heb ik niets geen lust in,” zei ik. „Kijk dit ’s!”Ik haalde den brief die niet was onderteekend uit den zak en waarvan ik Dester voor den schrijver hield. Ik reikte hem het epistel over.Een oogenblik werd Bob doodsbleek; zijn hand beefde toen ik hem den brief toestak. Wat dacht hij te zullen lezen? Wat kon het geheim zijn waarvan hij mij onkundig wilde houden?„Lees het,” zei ik. „Ken je die hand?”Bob las den brief overluid; ik zag dat zijn gezicht opklaarde. De inhoud luidde: „„Er is een jongen hier op school die iets voor jou wil geheim houden, wat voor jou van het grootste belang is. Vraag hem wat dat is. Jullie zijt hierin beiden betrokken. Maar hij wil het geheim houden.””Bob gaf me het stukje papier terug; de angstige uitdrukking was nu van zijn gelaat geweken. Zijn gewone kleur was teruggekeerd.„Nu, wat wou je eigenlijk daarmee?” vroeg hij.„Ik heb dat dingetje al weken in mijn zak,” zei ik, „maar ik heb het je tot nu toe niet laten zien. Wie heeft dat geschreven, denk je?”„Het is de hand van Dester,” antwoordde Bob heel kalm.„Dus het is afkomstig van Brunton,” zei ik.„Ja, natuurlijk.”„Ben jij dengeen dien ze bedoelen?” vroeg ik, terwijl ik hem onafgebroken aanzag.„Ja; ik houd er niet van om om de dingen heen te draaien.”„Dus je wilt iets voor me geheim houden?”„Ja.”„En dat is?”„Dat zal ik je niet vertellen.”„Weet Brunton het?”„Ja, maar van hem zal je niets hooren.”„Omdat jij precies doet wat hij wil,” hernam ik.„Het doet er niet toe waarom,” antwoordde Bob kortaf.„En daarom kan hij met Kien doen wat hij verkiest,” viel ik plotseling heftig uit. „Jullie durft niet. Jullie zijn lafaards. Ik dacht dat de menschen in Canada zoo prat gingen op hun eerlijkheid, maar met jullie is het nog een beetje erger gesteld dan met de andere lui; dat is alles.”Bob stond op en wees naar de deur. „Je verveelt me,” zei hij heel bedaard. „Ruk uit alsjeblieft.”Bij de deur keerde ik me om, daar ik mijn laatste pijl wilde afschieten. „Als je denkt dat ik die zaak met Kien laat rusten,” zei ik, „dan vergis je je deerlijk. Jullie zult hem niet ranselen; ik zal het beletten. De heele school zal ik er mee bemoeien. ’k Zou wel eens willen zien dat die Brunton iedereen naar zijn pijpen kan doen dansen.”

HOOFDSTUK XXIII.IK GA NAAR BOB.Tegen den avond van den volgenden dag was het algemeen bekend geworden, dat Kien gesnapt was toen hij vuurwerk afstak in den tuin van een leegstaand huis, en dat de vader van Brunton er iets mee had te maken gehad, en dat die het aan Brunton had verteld, en dat die het weer had overgebriefd aan de andere prefekten en dat die het geval onder handen hadden genomen en dat Kien tot straf een pak slaag zou krijgen.Heel wat verhalen en geruchten waren in omloop. Sommigen beweerden dat Kien den vader van Brunton op straat was tegengekomen en dat hij toen een paar vuurpijlen had afgestoken, die als een vonkenregen op diens kaal hoofd waren nedergedaald. Anderen vertelden weer dat Kien door een stuk of wat vijanden van Brunton was overgehaald, om de woning van diens vader te bombardeeren met ontplofbare stoffen, bommen en zoowat meer, die een vreeselijke verwoesting zouden aanrichten.Er waren maar vier jongens die het rechte van de zaak af wisten, en van die vier nam Kien het geval het luchtigst op. Hij praatte nooit druk; alleen als hij iets wetenschappelijks moest uitleggen vloeiden de woorden van zijn lippen.„’k Snap niet dat jullie er zoo over leuteren,” zei hij kortaf.„Ik vind het een schandaal,” riep ik uit.„Och kom,” zei Kien; „ik ben erin geloopen; anders niet. Het is mijn eigen schuld. Als ik niet was terug gegaan, dan zou ik niet zijn gesnapt.”„Waarom was je ook zoo stom!” zei Stenford.„Dat is nu eenmaal gebeurd,” hernam Kien; „en dit zijn de gevolgen. Wat kan zoo’n pak ransel me schelen!”„Dat is het hem niet,” riep ik verontwaardigd uit; „we zijn alleen zoo woest op dien ellendigen Brunton; de andere prefekten schijnen heelemaal naar zijn pijpen te dansen. Het is meer dan erg.”„Ja m-maar—” begon Burns, maar ik wilde niet naar hem luisteren.„Als een van de leeraren er achter was gekomen, dan was het wat anders,” ging ik voort. „Die moeten natuurlijk mee toezicht houden en zoo wat meer. Maar dat jongens...”„Je weet toch dat de prefekten ook orde en toezicht moeten houden; ze mogen een jongen ranselen bij wijze van straf.”„Ja voor iets dat in de school gebeurt, maar niet daarbuiten,” riep ik driftig.Stenford en Burns schudden beiden het hoofd, waarmede ze te kennen gaven, dat ze het met mijn laatste bewering lang niet eens waren.„Ik weet er wat op,” zei ik wrevelig, daar ik niet kon velen dat ze een andere meening waren toegedaan.„Wat dan?” vroeg Kien tamelijk onverschillig.„Ik zal zorgen dat het niet gebeurt.”Kien begon spottend te lachen.„Wou jij het beletten?” vroeg Stenford ongeloovig.„Ja,” verklaarde ik heel beslist. „Je hebt me gezegd dat ze eerst allemaal moeten toestemmen. Bob Kitsjin is ook prefekt en hij zal zeker zijn toestemming weigeren als ik hem op de hoogte heb gebracht.”„D-dat zal ie n-niet,” wierp Burns tegen.„En ik zeg van wel,” hield ik vol. „Ik zal wel zorgen dat het niet gebeurt. Vertrouw maar op mij, Kien.”Kien wierp me een blik toe waarin geen diepe erkentelijkheid viel te lezen. „’k Wou dat je de zaak maar met rust liet,” zei hij; „je laat me een gek figuur slaan als je je er mee bemoeit.”„Nee, dat doe ik niet,” riep ik driftig uit. „Ik ben niet van plan om lijdelijk aan te zien dat zoo’n vent als Brunton—”„Luister ’s,” zei Stenford, „als je wezenlijk van plan bent iets te doen, dan moet je je haasten, want veel tijd heb je niet meer. Morgenochtend zullen de prefekten vergaderen en daarna zullen ze Kien laten halen.”„Ik zal onmiddellijk naar de kamer van Bob gaan,” zei ik; „ik weet zeker dat hij Norman en Juniper zal overhalen.—Ik wil niet dat ze je zullen straffen,” voegde ik er bij op plechtigen toon, terwijl ik me keerde naar Kien en me op weg begaf met statige schreden.Ik vrees dat ik in dezen tijd in hevige mate leed aan een kwaal die iedereen wel eens heeft te pakken in de jaren van onze jeugd. Ik had namelijk een verbazend hoogen dunk van mezelf gekregen.Op school bracht ik mijn werk er kranig af. In een wip was ik nummer een van mijn klasse geworden, mijnheer Wilson was uitbundig in zijn lof over mijn wiskunde en Kijkers beschouwde me heelemaal als een model-leerling; daar ik tot nu toe niet in aanraking was gekomen met oudere en knappere jongens, had ik een veel te hoogen dunk van mijzelf gekregen. Wel besefte ik heel goed dat ik nog een treurig voetbalspeler was en dat ik in de gymnastiekzaal een tamelijk zielig figuur sloeg, maar je kan niet alles even goed doen, zei ik dan tegen mezelf om me te troosten. Ik begrijp nu heel goed dat ik het aan mijn vriendschap met Bob had te danken dat ik het er in dien eersten tijd zoo goed afbracht. Niet alleen dathij me dikwijls met mijn werk had geholpen, maar hij gaf me goeden raad, wat boeken en sport betrof en hij was bijzonder bemind op school, zoodat ik er voordeel van trok dat we samen waren bevriend.Ik verbeeldde me echter dat hij in den laatsten tijd minder vriendelijk tegen me was, en daarom was ik niet meer zoo dikwijls naar hem toegegaan om zijn hulp in te roepen. Hij vond het natuurlijk beter dat ik op mezelf vertrouwde en niet altijd naar hem toeging om het een of ander te vragen, maar in dien tijd zag ik dit niet zoo in en nam ik het hem kwalijk dat hij zich op een afstand hield naar het me toescheen.Op dezen dag kwam ik zijn kamer binnen vallen, diep verontwaardigd over de wijze waarop Kien was behandeld. Ik dacht niet anders of ik zou de zaak met een paar woorden in orde brengen, en onmiddellijk mijn zin krijgen. Ik stelde me al voor dat ik op luchtigen toon, als terloops, tegen Kien zou zeggen dat ik het zaakje had opgeknapt en dat hij er niets meer van zou hooren.Ik had geen ongelukkiger tijdstip kunnen treffen om Bob te spreken, hoewel ik dit natuurlijk niet kon vermoeden. Hij zat druk te werken aan iets dat de chef hem had opgedragen en hij had een heel onaangenaam onderhoud gehad met Brunton; ook was hij dien morgen met zware hoofdpijn opgestaan.Van dit alles wist ik natuurlijk niets, en al was dit wel het geval geweest, dan zou ik me hieraan toch waarschijnlijk niet hebben gestoord.„Bob, ik kom je wat vragen,” riep ik toen ik zijn kamer kwam binnenstormen.Even fronste hij de wenkbrauwen toen hij opkeek van zijn boek. „Je hadt geen slechter oogenblik kunnen treffen,” zei hij kortaf. „Kan je later niet terugkomen; ik ben zoo druk bezig.”„Nee, het kan geen uitstel lijden,” verklaarde ik heel beslist, daar ik me gekwetst gevoelde door de wijze waarop ik werd ontvangen.„Vertel dan maar op,” zei hij op vermoeiden toon. „Wat is er aan de hand?”„Je moet zorgen dat het niet met Kien gebeurt,” zei ik gejaagd; „ik heb hem beloofd dat jij dat wel op je zou nemen.”Bob wierp me een vragend verwonderden blik toe. „Dat het niet met Kien gebeurt?” herhaalde hij.„Ja, hij is gesnapt bij het afsteken van vuurwerk,” ging ik voort; „Brunton heeft hem verraden en nu willen ze hem een pak slaag geven.”„O ja, dat is waar ook,” zei hij. „Ik was het vergeten. Norman heeft het me verteld. Maar die zaak is beslist.”„Dat is niet zoo,” riep ik kwaad. „Hij zal niet worden geslagen. ’t Is gewoon een schandaal.”„Wat weet jij er eigenlijk van?” vroeg hij rustig en bedaard.Zonder namen te noemen vertelde ik hem op welke wijze de zaak zich had toegedragen.„Zoo, dus jij was er ook bij?” vroeg hij op zijn gewonen vriendelijken toon terwijl de zweem van een glimlach op zijn gelaat verscheen, zoodat ik niet anders dacht of ik had het pleit gewonnen. „Je haalt nog al ’s wat uit, Martin!”„Als ze Kien willen afstraffen, moeten ze het mij ook doen,” zei ik.„Houd er jezelf en die twee anderen maar buiten,” zei Bob. „Dat is mij niet officieel ter oore gekomen; ik heb alleen gehoord dat Kien gesnapt werd;—het spijt me voor den jongen—hij gaf zijn naam op en de prefekten werden met het geval in kennis gesteld en niet de leeraren.”„Dus je zorgt dat hij niet wordt gestraft?” vroeg ik, alsof de zaak reeds was beklonken.„Dat kan ik niet doen,” verklaarde Bob heel beslist, terwijl hij het hoofd ontkennend schudde.„Je moet het doen,” riep ik uit.„Het is onmogelijk,” antwoordde Bob kortaf, die zijn boek weer opnam, alsof hij een eind wilde maken aan het onderhoud.„Het is een schandaal,” viel ik driftig uit; „als hij door een van de leeraren was gesnapt, dan was het wat anders; dan zou hij natuurlijk een pak ransel of strafwerk hebben gekregen, maar nu hij door een van de jongens is verraden...”„Hoor ’s,” zei Bob terwijl een lichte blos zijn wangen kleurde; „als een ander me op die manier kwam lastig vallen, dan zou ik hem gewoon de deur uitzetten, maar nu jij het bent zal ik je het geval uitleggen.”„Heel graag,” zei ik kwaad, „want van zulke gemeene dingen snap ik niets.”Bob ging niet in op deze woorden, hoewel het bloed hem wederom naar de wangen steeg.„De prefekten zijn mede belast met de handhaving der orde,” zei hij; „daarvoor zijn ze in zekeren zin verantwoordelijk en als ze het noodzakelijk achten dan mogen ze straffen uitdeelen.”„Maar in dit geval...” begon ik.„Laat me uitspreken,” zei hij heel kalm. „In dit geval is een vader van een van de jongens het te weten gekomen.”„Ja, de oude Brunton,” mompelde ik.„Juist; hij heeft aan Brunton gezegd dat als de prefekten de zaak niet in handen namen, dan zou hij er Kolman mede in kennis stellen, en dan zou het er heel wat leelijker uitzien voor Kien. De chef is volstrekt niet overdreven streng, maar hij verkiest niet dat de menschen in de stad overlast hebben van de jongens.”„De jongens halen toch allerlei streken uit,” wierp ik tegen.„Die Brunton is me zelf een lieverdje. De kerel moest worden weggejaagd.”„Dat weet ik wel,” zei Bob op matten toon, alsof hij eraan begon te wanhopen om mij een goed begrip van de zaak te doen krijgen. „In het geval van Kien is een vreemde erin gemoeid, en als wij hem niet straffen, dan zou Kolman er bij worden gehaald. En in het geval van Brunton is tot nu toe niemand gemoeid; dat is alles. Als ik Kien had gesnapt, denk je dan dat ik hem zou hebben aangeklaagd?”„Ik was er ook bij en nog twee anderen,” mompelde ik.„Noem alsjeblieft niet hun namen,” zei Bob haastig. „Van de rest weet ik natuurlijk niets. En nu hebben we er heusch lang genoeg over gepraat. Ik heb geen minuut meer te verliezen.”„Dus Kien krijgt een pak ransel?” vroeg ik op uitdagenden toon.„Ja, dat hebben we afgesproken. Kien zal er heusch niet onder bezwijken. Zoover als ik hem ken zal hij de zaak luchtig opnemen.”„Dat is niet de vraag,” hernam ik nijdig, toen Bob zijn boek weer opnam, daar hij het gesprek blijkbaar als afgeloopen beschouwde. „Ik begrijp er alles van. Jullie durven niets tegen Brunton. Misschien zijn niet àlle prefekten bang voor den vent, maar jij bent het in elk geval wel.”Bob hief het hoofd op en wierp me een doordringenden blik toe.„Hij wil er zeker achter komen hoeveel ik weet,” zei ik bij mezelf.„Ja,” ging ik ook voort; „zeg me maar eens wat Brunton voor mij moet geheim houden.”„Ik raad je aan dit onderwerp te laten rusten,” zei Bob langzaam; ik zag echter dat het hem moeite kostte om zijn kalmte te bewaren.„Daar heb ik niets geen lust in,” zei ik. „Kijk dit ’s!”Ik haalde den brief die niet was onderteekend uit den zak en waarvan ik Dester voor den schrijver hield. Ik reikte hem het epistel over.Een oogenblik werd Bob doodsbleek; zijn hand beefde toen ik hem den brief toestak. Wat dacht hij te zullen lezen? Wat kon het geheim zijn waarvan hij mij onkundig wilde houden?„Lees het,” zei ik. „Ken je die hand?”Bob las den brief overluid; ik zag dat zijn gezicht opklaarde. De inhoud luidde: „„Er is een jongen hier op school die iets voor jou wil geheim houden, wat voor jou van het grootste belang is. Vraag hem wat dat is. Jullie zijt hierin beiden betrokken. Maar hij wil het geheim houden.””Bob gaf me het stukje papier terug; de angstige uitdrukking was nu van zijn gelaat geweken. Zijn gewone kleur was teruggekeerd.„Nu, wat wou je eigenlijk daarmee?” vroeg hij.„Ik heb dat dingetje al weken in mijn zak,” zei ik, „maar ik heb het je tot nu toe niet laten zien. Wie heeft dat geschreven, denk je?”„Het is de hand van Dester,” antwoordde Bob heel kalm.„Dus het is afkomstig van Brunton,” zei ik.„Ja, natuurlijk.”„Ben jij dengeen dien ze bedoelen?” vroeg ik, terwijl ik hem onafgebroken aanzag.„Ja; ik houd er niet van om om de dingen heen te draaien.”„Dus je wilt iets voor me geheim houden?”„Ja.”„En dat is?”„Dat zal ik je niet vertellen.”„Weet Brunton het?”„Ja, maar van hem zal je niets hooren.”„Omdat jij precies doet wat hij wil,” hernam ik.„Het doet er niet toe waarom,” antwoordde Bob kortaf.„En daarom kan hij met Kien doen wat hij verkiest,” viel ik plotseling heftig uit. „Jullie durft niet. Jullie zijn lafaards. Ik dacht dat de menschen in Canada zoo prat gingen op hun eerlijkheid, maar met jullie is het nog een beetje erger gesteld dan met de andere lui; dat is alles.”Bob stond op en wees naar de deur. „Je verveelt me,” zei hij heel bedaard. „Ruk uit alsjeblieft.”Bij de deur keerde ik me om, daar ik mijn laatste pijl wilde afschieten. „Als je denkt dat ik die zaak met Kien laat rusten,” zei ik, „dan vergis je je deerlijk. Jullie zult hem niet ranselen; ik zal het beletten. De heele school zal ik er mee bemoeien. ’k Zou wel eens willen zien dat die Brunton iedereen naar zijn pijpen kan doen dansen.”

HOOFDSTUK XXIII.IK GA NAAR BOB.

Tegen den avond van den volgenden dag was het algemeen bekend geworden, dat Kien gesnapt was toen hij vuurwerk afstak in den tuin van een leegstaand huis, en dat de vader van Brunton er iets mee had te maken gehad, en dat die het aan Brunton had verteld, en dat die het weer had overgebriefd aan de andere prefekten en dat die het geval onder handen hadden genomen en dat Kien tot straf een pak slaag zou krijgen.Heel wat verhalen en geruchten waren in omloop. Sommigen beweerden dat Kien den vader van Brunton op straat was tegengekomen en dat hij toen een paar vuurpijlen had afgestoken, die als een vonkenregen op diens kaal hoofd waren nedergedaald. Anderen vertelden weer dat Kien door een stuk of wat vijanden van Brunton was overgehaald, om de woning van diens vader te bombardeeren met ontplofbare stoffen, bommen en zoowat meer, die een vreeselijke verwoesting zouden aanrichten.Er waren maar vier jongens die het rechte van de zaak af wisten, en van die vier nam Kien het geval het luchtigst op. Hij praatte nooit druk; alleen als hij iets wetenschappelijks moest uitleggen vloeiden de woorden van zijn lippen.„’k Snap niet dat jullie er zoo over leuteren,” zei hij kortaf.„Ik vind het een schandaal,” riep ik uit.„Och kom,” zei Kien; „ik ben erin geloopen; anders niet. Het is mijn eigen schuld. Als ik niet was terug gegaan, dan zou ik niet zijn gesnapt.”„Waarom was je ook zoo stom!” zei Stenford.„Dat is nu eenmaal gebeurd,” hernam Kien; „en dit zijn de gevolgen. Wat kan zoo’n pak ransel me schelen!”„Dat is het hem niet,” riep ik verontwaardigd uit; „we zijn alleen zoo woest op dien ellendigen Brunton; de andere prefekten schijnen heelemaal naar zijn pijpen te dansen. Het is meer dan erg.”„Ja m-maar—” begon Burns, maar ik wilde niet naar hem luisteren.„Als een van de leeraren er achter was gekomen, dan was het wat anders,” ging ik voort. „Die moeten natuurlijk mee toezicht houden en zoo wat meer. Maar dat jongens...”„Je weet toch dat de prefekten ook orde en toezicht moeten houden; ze mogen een jongen ranselen bij wijze van straf.”„Ja voor iets dat in de school gebeurt, maar niet daarbuiten,” riep ik driftig.Stenford en Burns schudden beiden het hoofd, waarmede ze te kennen gaven, dat ze het met mijn laatste bewering lang niet eens waren.„Ik weet er wat op,” zei ik wrevelig, daar ik niet kon velen dat ze een andere meening waren toegedaan.„Wat dan?” vroeg Kien tamelijk onverschillig.„Ik zal zorgen dat het niet gebeurt.”Kien begon spottend te lachen.„Wou jij het beletten?” vroeg Stenford ongeloovig.„Ja,” verklaarde ik heel beslist. „Je hebt me gezegd dat ze eerst allemaal moeten toestemmen. Bob Kitsjin is ook prefekt en hij zal zeker zijn toestemming weigeren als ik hem op de hoogte heb gebracht.”„D-dat zal ie n-niet,” wierp Burns tegen.„En ik zeg van wel,” hield ik vol. „Ik zal wel zorgen dat het niet gebeurt. Vertrouw maar op mij, Kien.”Kien wierp me een blik toe waarin geen diepe erkentelijkheid viel te lezen. „’k Wou dat je de zaak maar met rust liet,” zei hij; „je laat me een gek figuur slaan als je je er mee bemoeit.”„Nee, dat doe ik niet,” riep ik driftig uit. „Ik ben niet van plan om lijdelijk aan te zien dat zoo’n vent als Brunton—”„Luister ’s,” zei Stenford, „als je wezenlijk van plan bent iets te doen, dan moet je je haasten, want veel tijd heb je niet meer. Morgenochtend zullen de prefekten vergaderen en daarna zullen ze Kien laten halen.”„Ik zal onmiddellijk naar de kamer van Bob gaan,” zei ik; „ik weet zeker dat hij Norman en Juniper zal overhalen.—Ik wil niet dat ze je zullen straffen,” voegde ik er bij op plechtigen toon, terwijl ik me keerde naar Kien en me op weg begaf met statige schreden.Ik vrees dat ik in dezen tijd in hevige mate leed aan een kwaal die iedereen wel eens heeft te pakken in de jaren van onze jeugd. Ik had namelijk een verbazend hoogen dunk van mezelf gekregen.Op school bracht ik mijn werk er kranig af. In een wip was ik nummer een van mijn klasse geworden, mijnheer Wilson was uitbundig in zijn lof over mijn wiskunde en Kijkers beschouwde me heelemaal als een model-leerling; daar ik tot nu toe niet in aanraking was gekomen met oudere en knappere jongens, had ik een veel te hoogen dunk van mijzelf gekregen. Wel besefte ik heel goed dat ik nog een treurig voetbalspeler was en dat ik in de gymnastiekzaal een tamelijk zielig figuur sloeg, maar je kan niet alles even goed doen, zei ik dan tegen mezelf om me te troosten. Ik begrijp nu heel goed dat ik het aan mijn vriendschap met Bob had te danken dat ik het er in dien eersten tijd zoo goed afbracht. Niet alleen dathij me dikwijls met mijn werk had geholpen, maar hij gaf me goeden raad, wat boeken en sport betrof en hij was bijzonder bemind op school, zoodat ik er voordeel van trok dat we samen waren bevriend.Ik verbeeldde me echter dat hij in den laatsten tijd minder vriendelijk tegen me was, en daarom was ik niet meer zoo dikwijls naar hem toegegaan om zijn hulp in te roepen. Hij vond het natuurlijk beter dat ik op mezelf vertrouwde en niet altijd naar hem toeging om het een of ander te vragen, maar in dien tijd zag ik dit niet zoo in en nam ik het hem kwalijk dat hij zich op een afstand hield naar het me toescheen.Op dezen dag kwam ik zijn kamer binnen vallen, diep verontwaardigd over de wijze waarop Kien was behandeld. Ik dacht niet anders of ik zou de zaak met een paar woorden in orde brengen, en onmiddellijk mijn zin krijgen. Ik stelde me al voor dat ik op luchtigen toon, als terloops, tegen Kien zou zeggen dat ik het zaakje had opgeknapt en dat hij er niets meer van zou hooren.Ik had geen ongelukkiger tijdstip kunnen treffen om Bob te spreken, hoewel ik dit natuurlijk niet kon vermoeden. Hij zat druk te werken aan iets dat de chef hem had opgedragen en hij had een heel onaangenaam onderhoud gehad met Brunton; ook was hij dien morgen met zware hoofdpijn opgestaan.Van dit alles wist ik natuurlijk niets, en al was dit wel het geval geweest, dan zou ik me hieraan toch waarschijnlijk niet hebben gestoord.„Bob, ik kom je wat vragen,” riep ik toen ik zijn kamer kwam binnenstormen.Even fronste hij de wenkbrauwen toen hij opkeek van zijn boek. „Je hadt geen slechter oogenblik kunnen treffen,” zei hij kortaf. „Kan je later niet terugkomen; ik ben zoo druk bezig.”„Nee, het kan geen uitstel lijden,” verklaarde ik heel beslist, daar ik me gekwetst gevoelde door de wijze waarop ik werd ontvangen.„Vertel dan maar op,” zei hij op vermoeiden toon. „Wat is er aan de hand?”„Je moet zorgen dat het niet met Kien gebeurt,” zei ik gejaagd; „ik heb hem beloofd dat jij dat wel op je zou nemen.”Bob wierp me een vragend verwonderden blik toe. „Dat het niet met Kien gebeurt?” herhaalde hij.„Ja, hij is gesnapt bij het afsteken van vuurwerk,” ging ik voort; „Brunton heeft hem verraden en nu willen ze hem een pak slaag geven.”„O ja, dat is waar ook,” zei hij. „Ik was het vergeten. Norman heeft het me verteld. Maar die zaak is beslist.”„Dat is niet zoo,” riep ik kwaad. „Hij zal niet worden geslagen. ’t Is gewoon een schandaal.”„Wat weet jij er eigenlijk van?” vroeg hij rustig en bedaard.Zonder namen te noemen vertelde ik hem op welke wijze de zaak zich had toegedragen.„Zoo, dus jij was er ook bij?” vroeg hij op zijn gewonen vriendelijken toon terwijl de zweem van een glimlach op zijn gelaat verscheen, zoodat ik niet anders dacht of ik had het pleit gewonnen. „Je haalt nog al ’s wat uit, Martin!”„Als ze Kien willen afstraffen, moeten ze het mij ook doen,” zei ik.„Houd er jezelf en die twee anderen maar buiten,” zei Bob. „Dat is mij niet officieel ter oore gekomen; ik heb alleen gehoord dat Kien gesnapt werd;—het spijt me voor den jongen—hij gaf zijn naam op en de prefekten werden met het geval in kennis gesteld en niet de leeraren.”„Dus je zorgt dat hij niet wordt gestraft?” vroeg ik, alsof de zaak reeds was beklonken.„Dat kan ik niet doen,” verklaarde Bob heel beslist, terwijl hij het hoofd ontkennend schudde.„Je moet het doen,” riep ik uit.„Het is onmogelijk,” antwoordde Bob kortaf, die zijn boek weer opnam, alsof hij een eind wilde maken aan het onderhoud.„Het is een schandaal,” viel ik driftig uit; „als hij door een van de leeraren was gesnapt, dan was het wat anders; dan zou hij natuurlijk een pak ransel of strafwerk hebben gekregen, maar nu hij door een van de jongens is verraden...”„Hoor ’s,” zei Bob terwijl een lichte blos zijn wangen kleurde; „als een ander me op die manier kwam lastig vallen, dan zou ik hem gewoon de deur uitzetten, maar nu jij het bent zal ik je het geval uitleggen.”„Heel graag,” zei ik kwaad, „want van zulke gemeene dingen snap ik niets.”Bob ging niet in op deze woorden, hoewel het bloed hem wederom naar de wangen steeg.„De prefekten zijn mede belast met de handhaving der orde,” zei hij; „daarvoor zijn ze in zekeren zin verantwoordelijk en als ze het noodzakelijk achten dan mogen ze straffen uitdeelen.”„Maar in dit geval...” begon ik.„Laat me uitspreken,” zei hij heel kalm. „In dit geval is een vader van een van de jongens het te weten gekomen.”„Ja, de oude Brunton,” mompelde ik.„Juist; hij heeft aan Brunton gezegd dat als de prefekten de zaak niet in handen namen, dan zou hij er Kolman mede in kennis stellen, en dan zou het er heel wat leelijker uitzien voor Kien. De chef is volstrekt niet overdreven streng, maar hij verkiest niet dat de menschen in de stad overlast hebben van de jongens.”„De jongens halen toch allerlei streken uit,” wierp ik tegen.„Die Brunton is me zelf een lieverdje. De kerel moest worden weggejaagd.”„Dat weet ik wel,” zei Bob op matten toon, alsof hij eraan begon te wanhopen om mij een goed begrip van de zaak te doen krijgen. „In het geval van Kien is een vreemde erin gemoeid, en als wij hem niet straffen, dan zou Kolman er bij worden gehaald. En in het geval van Brunton is tot nu toe niemand gemoeid; dat is alles. Als ik Kien had gesnapt, denk je dan dat ik hem zou hebben aangeklaagd?”„Ik was er ook bij en nog twee anderen,” mompelde ik.„Noem alsjeblieft niet hun namen,” zei Bob haastig. „Van de rest weet ik natuurlijk niets. En nu hebben we er heusch lang genoeg over gepraat. Ik heb geen minuut meer te verliezen.”„Dus Kien krijgt een pak ransel?” vroeg ik op uitdagenden toon.„Ja, dat hebben we afgesproken. Kien zal er heusch niet onder bezwijken. Zoover als ik hem ken zal hij de zaak luchtig opnemen.”„Dat is niet de vraag,” hernam ik nijdig, toen Bob zijn boek weer opnam, daar hij het gesprek blijkbaar als afgeloopen beschouwde. „Ik begrijp er alles van. Jullie durven niets tegen Brunton. Misschien zijn niet àlle prefekten bang voor den vent, maar jij bent het in elk geval wel.”Bob hief het hoofd op en wierp me een doordringenden blik toe.„Hij wil er zeker achter komen hoeveel ik weet,” zei ik bij mezelf.„Ja,” ging ik ook voort; „zeg me maar eens wat Brunton voor mij moet geheim houden.”„Ik raad je aan dit onderwerp te laten rusten,” zei Bob langzaam; ik zag echter dat het hem moeite kostte om zijn kalmte te bewaren.„Daar heb ik niets geen lust in,” zei ik. „Kijk dit ’s!”Ik haalde den brief die niet was onderteekend uit den zak en waarvan ik Dester voor den schrijver hield. Ik reikte hem het epistel over.Een oogenblik werd Bob doodsbleek; zijn hand beefde toen ik hem den brief toestak. Wat dacht hij te zullen lezen? Wat kon het geheim zijn waarvan hij mij onkundig wilde houden?„Lees het,” zei ik. „Ken je die hand?”Bob las den brief overluid; ik zag dat zijn gezicht opklaarde. De inhoud luidde: „„Er is een jongen hier op school die iets voor jou wil geheim houden, wat voor jou van het grootste belang is. Vraag hem wat dat is. Jullie zijt hierin beiden betrokken. Maar hij wil het geheim houden.””Bob gaf me het stukje papier terug; de angstige uitdrukking was nu van zijn gelaat geweken. Zijn gewone kleur was teruggekeerd.„Nu, wat wou je eigenlijk daarmee?” vroeg hij.„Ik heb dat dingetje al weken in mijn zak,” zei ik, „maar ik heb het je tot nu toe niet laten zien. Wie heeft dat geschreven, denk je?”„Het is de hand van Dester,” antwoordde Bob heel kalm.„Dus het is afkomstig van Brunton,” zei ik.„Ja, natuurlijk.”„Ben jij dengeen dien ze bedoelen?” vroeg ik, terwijl ik hem onafgebroken aanzag.„Ja; ik houd er niet van om om de dingen heen te draaien.”„Dus je wilt iets voor me geheim houden?”„Ja.”„En dat is?”„Dat zal ik je niet vertellen.”„Weet Brunton het?”„Ja, maar van hem zal je niets hooren.”„Omdat jij precies doet wat hij wil,” hernam ik.„Het doet er niet toe waarom,” antwoordde Bob kortaf.„En daarom kan hij met Kien doen wat hij verkiest,” viel ik plotseling heftig uit. „Jullie durft niet. Jullie zijn lafaards. Ik dacht dat de menschen in Canada zoo prat gingen op hun eerlijkheid, maar met jullie is het nog een beetje erger gesteld dan met de andere lui; dat is alles.”Bob stond op en wees naar de deur. „Je verveelt me,” zei hij heel bedaard. „Ruk uit alsjeblieft.”Bij de deur keerde ik me om, daar ik mijn laatste pijl wilde afschieten. „Als je denkt dat ik die zaak met Kien laat rusten,” zei ik, „dan vergis je je deerlijk. Jullie zult hem niet ranselen; ik zal het beletten. De heele school zal ik er mee bemoeien. ’k Zou wel eens willen zien dat die Brunton iedereen naar zijn pijpen kan doen dansen.”

Tegen den avond van den volgenden dag was het algemeen bekend geworden, dat Kien gesnapt was toen hij vuurwerk afstak in den tuin van een leegstaand huis, en dat de vader van Brunton er iets mee had te maken gehad, en dat die het aan Brunton had verteld, en dat die het weer had overgebriefd aan de andere prefekten en dat die het geval onder handen hadden genomen en dat Kien tot straf een pak slaag zou krijgen.

Heel wat verhalen en geruchten waren in omloop. Sommigen beweerden dat Kien den vader van Brunton op straat was tegengekomen en dat hij toen een paar vuurpijlen had afgestoken, die als een vonkenregen op diens kaal hoofd waren nedergedaald. Anderen vertelden weer dat Kien door een stuk of wat vijanden van Brunton was overgehaald, om de woning van diens vader te bombardeeren met ontplofbare stoffen, bommen en zoowat meer, die een vreeselijke verwoesting zouden aanrichten.

Er waren maar vier jongens die het rechte van de zaak af wisten, en van die vier nam Kien het geval het luchtigst op. Hij praatte nooit druk; alleen als hij iets wetenschappelijks moest uitleggen vloeiden de woorden van zijn lippen.

„’k Snap niet dat jullie er zoo over leuteren,” zei hij kortaf.

„Ik vind het een schandaal,” riep ik uit.

„Och kom,” zei Kien; „ik ben erin geloopen; anders niet. Het is mijn eigen schuld. Als ik niet was terug gegaan, dan zou ik niet zijn gesnapt.”

„Waarom was je ook zoo stom!” zei Stenford.

„Dat is nu eenmaal gebeurd,” hernam Kien; „en dit zijn de gevolgen. Wat kan zoo’n pak ransel me schelen!”

„Dat is het hem niet,” riep ik verontwaardigd uit; „we zijn alleen zoo woest op dien ellendigen Brunton; de andere prefekten schijnen heelemaal naar zijn pijpen te dansen. Het is meer dan erg.”

„Ja m-maar—” begon Burns, maar ik wilde niet naar hem luisteren.

„Als een van de leeraren er achter was gekomen, dan was het wat anders,” ging ik voort. „Die moeten natuurlijk mee toezicht houden en zoo wat meer. Maar dat jongens...”

„Je weet toch dat de prefekten ook orde en toezicht moeten houden; ze mogen een jongen ranselen bij wijze van straf.”

„Ja voor iets dat in de school gebeurt, maar niet daarbuiten,” riep ik driftig.

Stenford en Burns schudden beiden het hoofd, waarmede ze te kennen gaven, dat ze het met mijn laatste bewering lang niet eens waren.

„Ik weet er wat op,” zei ik wrevelig, daar ik niet kon velen dat ze een andere meening waren toegedaan.

„Wat dan?” vroeg Kien tamelijk onverschillig.

„Ik zal zorgen dat het niet gebeurt.”

Kien begon spottend te lachen.

„Wou jij het beletten?” vroeg Stenford ongeloovig.

„Ja,” verklaarde ik heel beslist. „Je hebt me gezegd dat ze eerst allemaal moeten toestemmen. Bob Kitsjin is ook prefekt en hij zal zeker zijn toestemming weigeren als ik hem op de hoogte heb gebracht.”

„D-dat zal ie n-niet,” wierp Burns tegen.

„En ik zeg van wel,” hield ik vol. „Ik zal wel zorgen dat het niet gebeurt. Vertrouw maar op mij, Kien.”

Kien wierp me een blik toe waarin geen diepe erkentelijkheid viel te lezen. „’k Wou dat je de zaak maar met rust liet,” zei hij; „je laat me een gek figuur slaan als je je er mee bemoeit.”

„Nee, dat doe ik niet,” riep ik driftig uit. „Ik ben niet van plan om lijdelijk aan te zien dat zoo’n vent als Brunton—”

„Luister ’s,” zei Stenford, „als je wezenlijk van plan bent iets te doen, dan moet je je haasten, want veel tijd heb je niet meer. Morgenochtend zullen de prefekten vergaderen en daarna zullen ze Kien laten halen.”

„Ik zal onmiddellijk naar de kamer van Bob gaan,” zei ik; „ik weet zeker dat hij Norman en Juniper zal overhalen.—Ik wil niet dat ze je zullen straffen,” voegde ik er bij op plechtigen toon, terwijl ik me keerde naar Kien en me op weg begaf met statige schreden.

Ik vrees dat ik in dezen tijd in hevige mate leed aan een kwaal die iedereen wel eens heeft te pakken in de jaren van onze jeugd. Ik had namelijk een verbazend hoogen dunk van mezelf gekregen.

Op school bracht ik mijn werk er kranig af. In een wip was ik nummer een van mijn klasse geworden, mijnheer Wilson was uitbundig in zijn lof over mijn wiskunde en Kijkers beschouwde me heelemaal als een model-leerling; daar ik tot nu toe niet in aanraking was gekomen met oudere en knappere jongens, had ik een veel te hoogen dunk van mijzelf gekregen. Wel besefte ik heel goed dat ik nog een treurig voetbalspeler was en dat ik in de gymnastiekzaal een tamelijk zielig figuur sloeg, maar je kan niet alles even goed doen, zei ik dan tegen mezelf om me te troosten. Ik begrijp nu heel goed dat ik het aan mijn vriendschap met Bob had te danken dat ik het er in dien eersten tijd zoo goed afbracht. Niet alleen dathij me dikwijls met mijn werk had geholpen, maar hij gaf me goeden raad, wat boeken en sport betrof en hij was bijzonder bemind op school, zoodat ik er voordeel van trok dat we samen waren bevriend.

Ik verbeeldde me echter dat hij in den laatsten tijd minder vriendelijk tegen me was, en daarom was ik niet meer zoo dikwijls naar hem toegegaan om zijn hulp in te roepen. Hij vond het natuurlijk beter dat ik op mezelf vertrouwde en niet altijd naar hem toeging om het een of ander te vragen, maar in dien tijd zag ik dit niet zoo in en nam ik het hem kwalijk dat hij zich op een afstand hield naar het me toescheen.

Op dezen dag kwam ik zijn kamer binnen vallen, diep verontwaardigd over de wijze waarop Kien was behandeld. Ik dacht niet anders of ik zou de zaak met een paar woorden in orde brengen, en onmiddellijk mijn zin krijgen. Ik stelde me al voor dat ik op luchtigen toon, als terloops, tegen Kien zou zeggen dat ik het zaakje had opgeknapt en dat hij er niets meer van zou hooren.

Ik had geen ongelukkiger tijdstip kunnen treffen om Bob te spreken, hoewel ik dit natuurlijk niet kon vermoeden. Hij zat druk te werken aan iets dat de chef hem had opgedragen en hij had een heel onaangenaam onderhoud gehad met Brunton; ook was hij dien morgen met zware hoofdpijn opgestaan.

Van dit alles wist ik natuurlijk niets, en al was dit wel het geval geweest, dan zou ik me hieraan toch waarschijnlijk niet hebben gestoord.

„Bob, ik kom je wat vragen,” riep ik toen ik zijn kamer kwam binnenstormen.

Even fronste hij de wenkbrauwen toen hij opkeek van zijn boek. „Je hadt geen slechter oogenblik kunnen treffen,” zei hij kortaf. „Kan je later niet terugkomen; ik ben zoo druk bezig.”

„Nee, het kan geen uitstel lijden,” verklaarde ik heel beslist, daar ik me gekwetst gevoelde door de wijze waarop ik werd ontvangen.

„Vertel dan maar op,” zei hij op vermoeiden toon. „Wat is er aan de hand?”

„Je moet zorgen dat het niet met Kien gebeurt,” zei ik gejaagd; „ik heb hem beloofd dat jij dat wel op je zou nemen.”

Bob wierp me een vragend verwonderden blik toe. „Dat het niet met Kien gebeurt?” herhaalde hij.

„Ja, hij is gesnapt bij het afsteken van vuurwerk,” ging ik voort; „Brunton heeft hem verraden en nu willen ze hem een pak slaag geven.”

„O ja, dat is waar ook,” zei hij. „Ik was het vergeten. Norman heeft het me verteld. Maar die zaak is beslist.”

„Dat is niet zoo,” riep ik kwaad. „Hij zal niet worden geslagen. ’t Is gewoon een schandaal.”

„Wat weet jij er eigenlijk van?” vroeg hij rustig en bedaard.

Zonder namen te noemen vertelde ik hem op welke wijze de zaak zich had toegedragen.

„Zoo, dus jij was er ook bij?” vroeg hij op zijn gewonen vriendelijken toon terwijl de zweem van een glimlach op zijn gelaat verscheen, zoodat ik niet anders dacht of ik had het pleit gewonnen. „Je haalt nog al ’s wat uit, Martin!”

„Als ze Kien willen afstraffen, moeten ze het mij ook doen,” zei ik.

„Houd er jezelf en die twee anderen maar buiten,” zei Bob. „Dat is mij niet officieel ter oore gekomen; ik heb alleen gehoord dat Kien gesnapt werd;—het spijt me voor den jongen—hij gaf zijn naam op en de prefekten werden met het geval in kennis gesteld en niet de leeraren.”

„Dus je zorgt dat hij niet wordt gestraft?” vroeg ik, alsof de zaak reeds was beklonken.

„Dat kan ik niet doen,” verklaarde Bob heel beslist, terwijl hij het hoofd ontkennend schudde.

„Je moet het doen,” riep ik uit.

„Het is onmogelijk,” antwoordde Bob kortaf, die zijn boek weer opnam, alsof hij een eind wilde maken aan het onderhoud.

„Het is een schandaal,” viel ik driftig uit; „als hij door een van de leeraren was gesnapt, dan was het wat anders; dan zou hij natuurlijk een pak ransel of strafwerk hebben gekregen, maar nu hij door een van de jongens is verraden...”

„Hoor ’s,” zei Bob terwijl een lichte blos zijn wangen kleurde; „als een ander me op die manier kwam lastig vallen, dan zou ik hem gewoon de deur uitzetten, maar nu jij het bent zal ik je het geval uitleggen.”

„Heel graag,” zei ik kwaad, „want van zulke gemeene dingen snap ik niets.”

Bob ging niet in op deze woorden, hoewel het bloed hem wederom naar de wangen steeg.

„De prefekten zijn mede belast met de handhaving der orde,” zei hij; „daarvoor zijn ze in zekeren zin verantwoordelijk en als ze het noodzakelijk achten dan mogen ze straffen uitdeelen.”

„Maar in dit geval...” begon ik.

„Laat me uitspreken,” zei hij heel kalm. „In dit geval is een vader van een van de jongens het te weten gekomen.”

„Ja, de oude Brunton,” mompelde ik.

„Juist; hij heeft aan Brunton gezegd dat als de prefekten de zaak niet in handen namen, dan zou hij er Kolman mede in kennis stellen, en dan zou het er heel wat leelijker uitzien voor Kien. De chef is volstrekt niet overdreven streng, maar hij verkiest niet dat de menschen in de stad overlast hebben van de jongens.”

„De jongens halen toch allerlei streken uit,” wierp ik tegen.„Die Brunton is me zelf een lieverdje. De kerel moest worden weggejaagd.”

„Dat weet ik wel,” zei Bob op matten toon, alsof hij eraan begon te wanhopen om mij een goed begrip van de zaak te doen krijgen. „In het geval van Kien is een vreemde erin gemoeid, en als wij hem niet straffen, dan zou Kolman er bij worden gehaald. En in het geval van Brunton is tot nu toe niemand gemoeid; dat is alles. Als ik Kien had gesnapt, denk je dan dat ik hem zou hebben aangeklaagd?”

„Ik was er ook bij en nog twee anderen,” mompelde ik.

„Noem alsjeblieft niet hun namen,” zei Bob haastig. „Van de rest weet ik natuurlijk niets. En nu hebben we er heusch lang genoeg over gepraat. Ik heb geen minuut meer te verliezen.”

„Dus Kien krijgt een pak ransel?” vroeg ik op uitdagenden toon.

„Ja, dat hebben we afgesproken. Kien zal er heusch niet onder bezwijken. Zoover als ik hem ken zal hij de zaak luchtig opnemen.”

„Dat is niet de vraag,” hernam ik nijdig, toen Bob zijn boek weer opnam, daar hij het gesprek blijkbaar als afgeloopen beschouwde. „Ik begrijp er alles van. Jullie durven niets tegen Brunton. Misschien zijn niet àlle prefekten bang voor den vent, maar jij bent het in elk geval wel.”

Bob hief het hoofd op en wierp me een doordringenden blik toe.

„Hij wil er zeker achter komen hoeveel ik weet,” zei ik bij mezelf.

„Ja,” ging ik ook voort; „zeg me maar eens wat Brunton voor mij moet geheim houden.”

„Ik raad je aan dit onderwerp te laten rusten,” zei Bob langzaam; ik zag echter dat het hem moeite kostte om zijn kalmte te bewaren.

„Daar heb ik niets geen lust in,” zei ik. „Kijk dit ’s!”Ik haalde den brief die niet was onderteekend uit den zak en waarvan ik Dester voor den schrijver hield. Ik reikte hem het epistel over.

Een oogenblik werd Bob doodsbleek; zijn hand beefde toen ik hem den brief toestak. Wat dacht hij te zullen lezen? Wat kon het geheim zijn waarvan hij mij onkundig wilde houden?

„Lees het,” zei ik. „Ken je die hand?”

Bob las den brief overluid; ik zag dat zijn gezicht opklaarde. De inhoud luidde: „„Er is een jongen hier op school die iets voor jou wil geheim houden, wat voor jou van het grootste belang is. Vraag hem wat dat is. Jullie zijt hierin beiden betrokken. Maar hij wil het geheim houden.””

Bob gaf me het stukje papier terug; de angstige uitdrukking was nu van zijn gelaat geweken. Zijn gewone kleur was teruggekeerd.

„Nu, wat wou je eigenlijk daarmee?” vroeg hij.

„Ik heb dat dingetje al weken in mijn zak,” zei ik, „maar ik heb het je tot nu toe niet laten zien. Wie heeft dat geschreven, denk je?”

„Het is de hand van Dester,” antwoordde Bob heel kalm.

„Dus het is afkomstig van Brunton,” zei ik.

„Ja, natuurlijk.”

„Ben jij dengeen dien ze bedoelen?” vroeg ik, terwijl ik hem onafgebroken aanzag.

„Ja; ik houd er niet van om om de dingen heen te draaien.”

„Dus je wilt iets voor me geheim houden?”

„Ja.”

„En dat is?”

„Dat zal ik je niet vertellen.”

„Weet Brunton het?”

„Ja, maar van hem zal je niets hooren.”

„Omdat jij precies doet wat hij wil,” hernam ik.

„Het doet er niet toe waarom,” antwoordde Bob kortaf.

„En daarom kan hij met Kien doen wat hij verkiest,” viel ik plotseling heftig uit. „Jullie durft niet. Jullie zijn lafaards. Ik dacht dat de menschen in Canada zoo prat gingen op hun eerlijkheid, maar met jullie is het nog een beetje erger gesteld dan met de andere lui; dat is alles.”

Bob stond op en wees naar de deur. „Je verveelt me,” zei hij heel bedaard. „Ruk uit alsjeblieft.”

Bij de deur keerde ik me om, daar ik mijn laatste pijl wilde afschieten. „Als je denkt dat ik die zaak met Kien laat rusten,” zei ik, „dan vergis je je deerlijk. Jullie zult hem niet ranselen; ik zal het beletten. De heele school zal ik er mee bemoeien. ’k Zou wel eens willen zien dat die Brunton iedereen naar zijn pijpen kan doen dansen.”


Back to IndexNext