HOOFDSTUK XXVI.

HOOFDSTUK XXVI.IN DE ZIEKENZAAL.Het was me een raadsel hoe Brunton aan die stukken was gekomen die mijn particuliere zaken betroffen, en evenmin kon ik begrijpen waarom hij me die in handen had gespeeld voor hij de school voor goed verliet. Maar de reden waarom hij op deze wijze had gehandeld, deed er eigenlijk weinig toe. Ik was nu eenige gewichtige feiten te weten gekomen; en hieraan moest ik voortdurend denken naarmate de zaak me al helderder en duidelijker voor den geest begon te staan.Ten eerste was het meer dan waarschijnlijk dat het Ellinghem-landgoed dat aan mij zou komen bij mijn meerderjarigheid, mij nooit zou toebehooren en dat ik doodarm op straat zou staan. Ja, het was zelfs mogelijk dat het schoolgeld van St. Martin door een vreemde voor mij werd uitbetaald.En de vader van Bob was dus door mijn vader gedood!En omdat mijn vader onmiddellijk na het ongeluk was verdwenen was overtuigend gebleken (althans volgens de couranten-verslagen) dat het een moord met voorbedachten rade was geweest, omdat mijnheer Kitsjin naar Engeland was vertrokken om zijn rechten op het landgoed te doen gelden.En nu wist ik ook dat Bob dit allemaal had geweten toen hij naar Mallorie was getrokken om eens poolshoogtete nemen en te zien of hij het een of ander kon ontdekken, maar dat hij de reden van zijn komst had verzwegen, toen hij kennis had gemaakt met den zoon van den man die zijn vader had doodgeschoten, en dat hij me van dit alles onkundig had gelaten en dat hij, toen hij tot de ontdekking kwam dat Brunton op de hoogte was, Brunton had omgekocht om de zaak geheim te houden.En nu bedacht ik met schaamte, dat Bob niet den omgang had ontweken van den jongen door wiens vader hij zulk een onherstelbaar verlies had geleden, maar dat hij in alle opzichten een vriend voor hem was gebleken, dat hij al het mogelijke voor hem had gedaan en meer dan een broer voor hem was geweest.En die jongen had hem beloond door in een vlaag van waanzinnige drift op hem aan te vallen en hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.Geen wonder dat de woorden van mijn Virgilius voor mijn oogen bleven dansen en dat allerlei gedachten dooreenwoelden in mijn hoofd, doch telkens en telkens zag ik met vlammende letters gegrift staan dat deze vriend die geen onrecht had willen wreken, maar die me op alle mogelijke wijzen had voortgeholpen, aan wien ik alles had te danken—dat deze vriend door mij levenslang ongelukkig was gemaakt.Als versuft verliet ik het lokaal toen het uur was verstreken; ik keek op toen iemand me op mijn schouder tikte. Jim Juniper stond naast me.„Ga mee,” fluisterde hij. „Het is nu de beste tijd.”Hij nam mijn arm en leidde me langs een omweg naar de ziekenzaal.„Als iemand me snapte zou ik op m’n gezicht krijgen,” zei Jim, „maar niemand hoeft het te weten te komen.”„Ik ben je zoo dankbaar,” zei ik, toen we de deur naderden en langzamer begonnen te loopen.„Stil, praat niet zoo hard,” zei Jim. „Hij heeft een echteverpleegster; die zou ons natuurlijk niet binnen laten, maar ze is nu naar beneden gegaan om te eten en zoo lang zit juffrouw Geebel bij hem.”„Zou die...” begon ik.„O jawel,” antwoordde Jim op luchtigen toon. „Moeder Geebel kan ik altijd ompraten. Maar stil zijn, hoor!”Hij opende voorzichtig de deur en we stapten naar binnen.In de zaal heerschte bijna volslagen duisternis. De lamp was zoo laag mogelijk ingedraaid en nog van een donkere kap voorzien om het licht te temperen; ook stond een scherm om den haard.De zware gestalte van juffrouw Geebel rees achter het scherm overeind.„Ga maar op den tast naar het verste bed, maar geen leven maken, hoor,” zei ze fluisterend. „Die zuster is er eentje met wie niet valt te spotten.”Zwijgend liepen we door; ik ging achter Juniper aan met angstig kloppend hart.Toen mijn oogen aan de duisternis gewend geraakten kon ik het witte bed onderscheiden waarop een gedaante roerloos lag uitgestrekt. Een oogenblik lang werd geen geluid vernomen, zoodat ik het bonsen en kloppen van mijn hart kon hooren. Toen bewoog de gedaante even en de stem van Bob die nu zoo zwak klonk, hoorden we vragen: „Is daar iemand?”„Ik ben het,” zei Juniper op rustigen toon.„Goede kerel,” zei Bob; „jammer dat ik je niet kan zien,” voegde hij er bij met een poging om te schertsen.„Ik heb iemand meegebracht,” zei Jim.„Wie?”„Vooruit nou, Ellinghem,” fluisterde Jim die me naar voren duwde, waarop hij heel zacht terug sloop naar het andere einde van de kamer.„Wie is het?” vroeg Bob voor de tweede maal.„O Bob! Ik ben het,—Martin,” zei ik, terwijl ik een paar stappen naar voren deed.Toen ik me nu zoo dicht bij hem bevond en ik hem daar zag liggen met een doek voor de oogen, toen ging het als een schok door me heen en liet ik me op de knieën vallen naast het bed, niet in staat een klank uit te brengen.„Zoo, kom jij eens kijken naar de zieken en gewonden die in den strijd zijn gehavend?” vroeg Bob die me even aanraakte met de hand.„O Bob,” riep ik uit, „het is zoo vreeselijk! Ze kunnen je toch beter maken?”„Dat is nog de vraag,” antwoordde hij heel kalm.Ik barstte uit in snikken en smeekte om vergeving in woeste hartstochtelijke woorden.„Het is nu eenmaal gebeurd, kerel,” zei hij. „Het trof alleen maar zoo ongelukkig dat ik juist achter de deur stond toen die ruit in stukken vloog.”„Bob, ik weet alles,” riep ik uit. „Ik heb al die dingen in de couranten gelezen. Daarvan had niemand me ooit een woord verteld!”Ik deelde hem hortend en stootend mede wat ik was te weten gekomen en hoe schuldig en ellendig ik me gevoelde.„Houd maar op,” zei hij op heel rustigen toon. „Het is een schandaal dat ze het je hebben verteld, al moest je toch op den een of anderen dag de waarheid hooren. Van wien weet je het?”Ik stelde hem op de hoogte.„Zoo,” mompelde hij; „echt iets voor Brunton.”„En als ik nu bedenk dat ik het was die—”„Kom, begin niet weer opnieuw,” viel hij me in de rede op moeden toon.Ik hoorde Juniper naderbij komen, zoodat ik begreep dat het tijd werd om te gaan.Ik rees overeind en terwijl ik me over hem heenboog,vroeg ik fluisterend of hij me ooit zou kunnen vergeven.„Kom jongen,” zei hij, „we zijn te oude vrienden om op die manier met elkaar te praten. Je deedt het toch niet met opzet. Heb je gezien dat ik in hetzelfde bed lig als waarin jij hebt gelegen toen je bijna was verdronken.”Hij sprak op luchtigen toon; even tastte hij naar mijn hand die hij wederom greep en drukte.„Kom Ellinghem, we moeten gaan,” zei Juniper; „we zijn toch al veel te lang gebleven.”„Toe blijf nog wat,” zei Bob op matten toon; „het is toch al zoo akelig om met niemand te kunnen praten zoodat je je wel moet verdiepen in nare gedachten.”Toen Jim naar Bob toeliep had ik terug willen gaan naar het andere einde van de kamer, doch bij vergissing draaide ik me om naar den verkeerden kant, zoodat Jim die nu bij het bed stond me den weg versperde.Ik wilde hun gesprek niet storen en bleef staan daar ik dacht dat ze elkaar alleen met een enkel woord goeden nacht wilden wenschen. Beiden meenden dat ik was weggetrokken; Bob was hier althans van overtuigd.„Ja, ik kan begrijpen dat het vreeselijk is,” zei Juniper op deelnemenden toon.„Het is afschuwelijk,” zei Bob met dezelfde zwakke, matte stem.„Is de pijn zoo erg?”„Erg genoeg om flauw te vallen.”„Houd moed, kerel,” zei Juniper hartelijk. „Denk eraan dat je een Canadees bent.”„Waarom zou ik er den moed inhouden?” vroeg Bob.„Ben je er dan zoo zeker van?”„Ja, zoo goed als zeker.”„Wat zei de dokter?”„Och, je weet dat doktoren je nooit vertellen, als de zaak hopeloos staat; ze denken dat dit slecht voor je is.Maar ik kan je wel vertellen dat hij het zwaar inziet.”Een stilte volgde.„Maar Robertson is nu onderweg. Die schijnt een verbazend knap operateur.”„Dat kan wel zijn, maar we kunnen toch niet het onmogelijke van hem vergen, Jim.”„Misschien is het niet onmogelijk.”„Ik hoorde dat de dokter tegen Kolman zei toen ze samen weggingen—hij dacht natuurlijk dat ik hem op dien afstand niet zou verstaan, maar blinde menschen....” zijn stem haperde even—„blinde menschen hebben zoo’n scherp gehoor en ik hoorde den dokter dan ook heel duidelijk zeggen: „De kans is heel gering.”„Heeft ie dat gezegd?” vroeg Jim.„Ja en nu ik al dien tijd in donker heb gelegen en niets heb kunnen doen dan denken,” ging Bob voort, „nu ben ik alles bij mezelf nagegaan wat ik wèl en wat ik nièt zal kunnen doen.”„Hoor ’s, kerel, het moet slecht voor je zijn om zoo te praten,” zei Jim.„Nee, nee,” riep Bob bijna heftig uit. „Ik ben nu zoo lang alleen geweest; het doet me goed.”„Maar je doet alsof het ergste zal gebeuren,” zei Juniper.„Dat spreekt! Waarom zou ik er doekjes om winden? Zeg, Jim, je zal een plaatsvervanger voor me moeten zoeken bij de volgende match. Ik zal nooit meer kunnen voetballen.”„Toe, spreek zoo niet,” vroeg Jim op smeekenden toon.„Weet je wat ik had willen worden?” vroeg Bob. „Ik was van plan om heel veel en heel lang te reizen; ik zou door de wereld zijn rondgetrokken want ik weet dat ik rijk ben. Ik wou een massa zien om te beginnen. Ik wou zièn,” herhaalde hij op bitteren toon.„En daarna zou ik naar Canada zijn getrokken, in de hoop wat te kunnen doen voor mijn land,” ging hij voort. „Canadakan het mooiste, rijkste land van de wereld worden, maar er valt daar nog zoo oneindig veel te doen. Een man met geld op zak en oogen in zijn hoofd—en oogen in zijn hoofd,” herhaalde hij nog eens, „die zou zoo’n massa kunnen doen, als hij de handen aan het werk slaat.”„Maar je zal toch een massa voor je land kunnen doen,” merkte Jim aarzelend op.„Wat kan een blinde man uitvoeren,” hernam hij op een bitteren toon. „Als ik een arm of been had verloren, dan zou het nog iets zijn. Nelson liep met één arm bevelen te geven op het dek van het achterschip bij den slag van Trafalgar—maar als zijn oogen hem waren uitgeschoten,” voegde hij er bij met haperende stem, „wat zou hij dan hebben kunnen uitrichten? Blinde menschen moesten maar dood gaan.”„Toe, spreek zoo niet,” zei Jim wederom.„Het is de waarheid,” hernam Bob heel beslist. „Een blinde geeft iedereen last; hij moet rondgeleid en aangekleed worden en gewasschen—o God, het is zoo vreeselijk,” riep hij plotseling uit.„Je windt je te veel op,” zei Juniper. „Het is heusch beter dat ik weg ga.”„Nee, het doet me goed,”hernam Bob; „ik heb zooveel uren alleen gelegen; eindelijk kan ik mijn hart voor iemand uitstorten.”„Maar de zuster zal dadelijk komen.”„Nee, die zal nog wel wat weg blijven, in elk geval wil ik eerst uitspreken. In een vacantie hebben Norman en ik eens een voetreis gemaakt door Schotland. We hebben toen bergen beklommen en zoowat meer. Bij een van de meren hebben we eens een blinden man ontmoet die door een jongen bij de hand werd geleid. Die man was op lateren leeftijd blind geworden. Hij kende de streek door en door en hoorde onze verhalen met de grootste belangstellingaan. En nu had hij op een vlakken weg een jongen noodig om hem te leiden.”„Die man was zeker heel oud,” viel Juniper in.„Ja, maar ik heb nog misschien wel een leven van zestig jaar voor me,” hernam Bob; „en in dien tijd zal ik ieder tot last zijn. Herinner je je dien man uit dat boek van Kipling, die blind werd en toen....”„Maar Bob, hoe het ook gaat, je vrienden zal je altijd houden,” zei Juniper hartelijk.„Och, geloof je dat?” zei Bob. „De menschen hebben het te druk om zich veel te bekommeren om een sukkel dien ze den weg moeten wijzen. De een of andere arme drommel zal zoo- en zooveel salaris krijgen om me rond te leiden als een beer aan den ketting; tegen dien tijd zal ik misschien ook wel zijn gaan lijken op een brombeer.”Juffrouw Geebel kwam nu aanstevenen. „Jongeheer Juniper, het is hoog tijd om te gaan.”„Goeden nacht,” bracht Jim met moeite uit, want spreken was hem bijna onmogelijk.„Mijn moeder zei altijd ’s avonds: God zegen je, mijn jongen,” hernam Bob met zwakke stem. „In zulke dagen kan je zoo heel erg naar een moeder verlangen.”Juffrouw Geebel die hem deze woorden had hooren zeggen, barstte in snikken uit en Jim en ik verlieten zoo zacht mogelijk de zaal.Het licht in de gang leek verblindend na de duisternis van de ziekenkamer, zoodat we beiden de hand aan de oogen brachten.„Als mijn moeder maar hier was,” zei Jim, wien de tranen over de wangen stroomden.„O Jim, ik ben de rampzaligste jongen van de wereld,” riep ik uit.

HOOFDSTUK XXVI.IN DE ZIEKENZAAL.Het was me een raadsel hoe Brunton aan die stukken was gekomen die mijn particuliere zaken betroffen, en evenmin kon ik begrijpen waarom hij me die in handen had gespeeld voor hij de school voor goed verliet. Maar de reden waarom hij op deze wijze had gehandeld, deed er eigenlijk weinig toe. Ik was nu eenige gewichtige feiten te weten gekomen; en hieraan moest ik voortdurend denken naarmate de zaak me al helderder en duidelijker voor den geest begon te staan.Ten eerste was het meer dan waarschijnlijk dat het Ellinghem-landgoed dat aan mij zou komen bij mijn meerderjarigheid, mij nooit zou toebehooren en dat ik doodarm op straat zou staan. Ja, het was zelfs mogelijk dat het schoolgeld van St. Martin door een vreemde voor mij werd uitbetaald.En de vader van Bob was dus door mijn vader gedood!En omdat mijn vader onmiddellijk na het ongeluk was verdwenen was overtuigend gebleken (althans volgens de couranten-verslagen) dat het een moord met voorbedachten rade was geweest, omdat mijnheer Kitsjin naar Engeland was vertrokken om zijn rechten op het landgoed te doen gelden.En nu wist ik ook dat Bob dit allemaal had geweten toen hij naar Mallorie was getrokken om eens poolshoogtete nemen en te zien of hij het een of ander kon ontdekken, maar dat hij de reden van zijn komst had verzwegen, toen hij kennis had gemaakt met den zoon van den man die zijn vader had doodgeschoten, en dat hij me van dit alles onkundig had gelaten en dat hij, toen hij tot de ontdekking kwam dat Brunton op de hoogte was, Brunton had omgekocht om de zaak geheim te houden.En nu bedacht ik met schaamte, dat Bob niet den omgang had ontweken van den jongen door wiens vader hij zulk een onherstelbaar verlies had geleden, maar dat hij in alle opzichten een vriend voor hem was gebleken, dat hij al het mogelijke voor hem had gedaan en meer dan een broer voor hem was geweest.En die jongen had hem beloond door in een vlaag van waanzinnige drift op hem aan te vallen en hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.Geen wonder dat de woorden van mijn Virgilius voor mijn oogen bleven dansen en dat allerlei gedachten dooreenwoelden in mijn hoofd, doch telkens en telkens zag ik met vlammende letters gegrift staan dat deze vriend die geen onrecht had willen wreken, maar die me op alle mogelijke wijzen had voortgeholpen, aan wien ik alles had te danken—dat deze vriend door mij levenslang ongelukkig was gemaakt.Als versuft verliet ik het lokaal toen het uur was verstreken; ik keek op toen iemand me op mijn schouder tikte. Jim Juniper stond naast me.„Ga mee,” fluisterde hij. „Het is nu de beste tijd.”Hij nam mijn arm en leidde me langs een omweg naar de ziekenzaal.„Als iemand me snapte zou ik op m’n gezicht krijgen,” zei Jim, „maar niemand hoeft het te weten te komen.”„Ik ben je zoo dankbaar,” zei ik, toen we de deur naderden en langzamer begonnen te loopen.„Stil, praat niet zoo hard,” zei Jim. „Hij heeft een echteverpleegster; die zou ons natuurlijk niet binnen laten, maar ze is nu naar beneden gegaan om te eten en zoo lang zit juffrouw Geebel bij hem.”„Zou die...” begon ik.„O jawel,” antwoordde Jim op luchtigen toon. „Moeder Geebel kan ik altijd ompraten. Maar stil zijn, hoor!”Hij opende voorzichtig de deur en we stapten naar binnen.In de zaal heerschte bijna volslagen duisternis. De lamp was zoo laag mogelijk ingedraaid en nog van een donkere kap voorzien om het licht te temperen; ook stond een scherm om den haard.De zware gestalte van juffrouw Geebel rees achter het scherm overeind.„Ga maar op den tast naar het verste bed, maar geen leven maken, hoor,” zei ze fluisterend. „Die zuster is er eentje met wie niet valt te spotten.”Zwijgend liepen we door; ik ging achter Juniper aan met angstig kloppend hart.Toen mijn oogen aan de duisternis gewend geraakten kon ik het witte bed onderscheiden waarop een gedaante roerloos lag uitgestrekt. Een oogenblik lang werd geen geluid vernomen, zoodat ik het bonsen en kloppen van mijn hart kon hooren. Toen bewoog de gedaante even en de stem van Bob die nu zoo zwak klonk, hoorden we vragen: „Is daar iemand?”„Ik ben het,” zei Juniper op rustigen toon.„Goede kerel,” zei Bob; „jammer dat ik je niet kan zien,” voegde hij er bij met een poging om te schertsen.„Ik heb iemand meegebracht,” zei Jim.„Wie?”„Vooruit nou, Ellinghem,” fluisterde Jim die me naar voren duwde, waarop hij heel zacht terug sloop naar het andere einde van de kamer.„Wie is het?” vroeg Bob voor de tweede maal.„O Bob! Ik ben het,—Martin,” zei ik, terwijl ik een paar stappen naar voren deed.Toen ik me nu zoo dicht bij hem bevond en ik hem daar zag liggen met een doek voor de oogen, toen ging het als een schok door me heen en liet ik me op de knieën vallen naast het bed, niet in staat een klank uit te brengen.„Zoo, kom jij eens kijken naar de zieken en gewonden die in den strijd zijn gehavend?” vroeg Bob die me even aanraakte met de hand.„O Bob,” riep ik uit, „het is zoo vreeselijk! Ze kunnen je toch beter maken?”„Dat is nog de vraag,” antwoordde hij heel kalm.Ik barstte uit in snikken en smeekte om vergeving in woeste hartstochtelijke woorden.„Het is nu eenmaal gebeurd, kerel,” zei hij. „Het trof alleen maar zoo ongelukkig dat ik juist achter de deur stond toen die ruit in stukken vloog.”„Bob, ik weet alles,” riep ik uit. „Ik heb al die dingen in de couranten gelezen. Daarvan had niemand me ooit een woord verteld!”Ik deelde hem hortend en stootend mede wat ik was te weten gekomen en hoe schuldig en ellendig ik me gevoelde.„Houd maar op,” zei hij op heel rustigen toon. „Het is een schandaal dat ze het je hebben verteld, al moest je toch op den een of anderen dag de waarheid hooren. Van wien weet je het?”Ik stelde hem op de hoogte.„Zoo,” mompelde hij; „echt iets voor Brunton.”„En als ik nu bedenk dat ik het was die—”„Kom, begin niet weer opnieuw,” viel hij me in de rede op moeden toon.Ik hoorde Juniper naderbij komen, zoodat ik begreep dat het tijd werd om te gaan.Ik rees overeind en terwijl ik me over hem heenboog,vroeg ik fluisterend of hij me ooit zou kunnen vergeven.„Kom jongen,” zei hij, „we zijn te oude vrienden om op die manier met elkaar te praten. Je deedt het toch niet met opzet. Heb je gezien dat ik in hetzelfde bed lig als waarin jij hebt gelegen toen je bijna was verdronken.”Hij sprak op luchtigen toon; even tastte hij naar mijn hand die hij wederom greep en drukte.„Kom Ellinghem, we moeten gaan,” zei Juniper; „we zijn toch al veel te lang gebleven.”„Toe blijf nog wat,” zei Bob op matten toon; „het is toch al zoo akelig om met niemand te kunnen praten zoodat je je wel moet verdiepen in nare gedachten.”Toen Jim naar Bob toeliep had ik terug willen gaan naar het andere einde van de kamer, doch bij vergissing draaide ik me om naar den verkeerden kant, zoodat Jim die nu bij het bed stond me den weg versperde.Ik wilde hun gesprek niet storen en bleef staan daar ik dacht dat ze elkaar alleen met een enkel woord goeden nacht wilden wenschen. Beiden meenden dat ik was weggetrokken; Bob was hier althans van overtuigd.„Ja, ik kan begrijpen dat het vreeselijk is,” zei Juniper op deelnemenden toon.„Het is afschuwelijk,” zei Bob met dezelfde zwakke, matte stem.„Is de pijn zoo erg?”„Erg genoeg om flauw te vallen.”„Houd moed, kerel,” zei Juniper hartelijk. „Denk eraan dat je een Canadees bent.”„Waarom zou ik er den moed inhouden?” vroeg Bob.„Ben je er dan zoo zeker van?”„Ja, zoo goed als zeker.”„Wat zei de dokter?”„Och, je weet dat doktoren je nooit vertellen, als de zaak hopeloos staat; ze denken dat dit slecht voor je is.Maar ik kan je wel vertellen dat hij het zwaar inziet.”Een stilte volgde.„Maar Robertson is nu onderweg. Die schijnt een verbazend knap operateur.”„Dat kan wel zijn, maar we kunnen toch niet het onmogelijke van hem vergen, Jim.”„Misschien is het niet onmogelijk.”„Ik hoorde dat de dokter tegen Kolman zei toen ze samen weggingen—hij dacht natuurlijk dat ik hem op dien afstand niet zou verstaan, maar blinde menschen....” zijn stem haperde even—„blinde menschen hebben zoo’n scherp gehoor en ik hoorde den dokter dan ook heel duidelijk zeggen: „De kans is heel gering.”„Heeft ie dat gezegd?” vroeg Jim.„Ja en nu ik al dien tijd in donker heb gelegen en niets heb kunnen doen dan denken,” ging Bob voort, „nu ben ik alles bij mezelf nagegaan wat ik wèl en wat ik nièt zal kunnen doen.”„Hoor ’s, kerel, het moet slecht voor je zijn om zoo te praten,” zei Jim.„Nee, nee,” riep Bob bijna heftig uit. „Ik ben nu zoo lang alleen geweest; het doet me goed.”„Maar je doet alsof het ergste zal gebeuren,” zei Juniper.„Dat spreekt! Waarom zou ik er doekjes om winden? Zeg, Jim, je zal een plaatsvervanger voor me moeten zoeken bij de volgende match. Ik zal nooit meer kunnen voetballen.”„Toe, spreek zoo niet,” vroeg Jim op smeekenden toon.„Weet je wat ik had willen worden?” vroeg Bob. „Ik was van plan om heel veel en heel lang te reizen; ik zou door de wereld zijn rondgetrokken want ik weet dat ik rijk ben. Ik wou een massa zien om te beginnen. Ik wou zièn,” herhaalde hij op bitteren toon.„En daarna zou ik naar Canada zijn getrokken, in de hoop wat te kunnen doen voor mijn land,” ging hij voort. „Canadakan het mooiste, rijkste land van de wereld worden, maar er valt daar nog zoo oneindig veel te doen. Een man met geld op zak en oogen in zijn hoofd—en oogen in zijn hoofd,” herhaalde hij nog eens, „die zou zoo’n massa kunnen doen, als hij de handen aan het werk slaat.”„Maar je zal toch een massa voor je land kunnen doen,” merkte Jim aarzelend op.„Wat kan een blinde man uitvoeren,” hernam hij op een bitteren toon. „Als ik een arm of been had verloren, dan zou het nog iets zijn. Nelson liep met één arm bevelen te geven op het dek van het achterschip bij den slag van Trafalgar—maar als zijn oogen hem waren uitgeschoten,” voegde hij er bij met haperende stem, „wat zou hij dan hebben kunnen uitrichten? Blinde menschen moesten maar dood gaan.”„Toe, spreek zoo niet,” zei Jim wederom.„Het is de waarheid,” hernam Bob heel beslist. „Een blinde geeft iedereen last; hij moet rondgeleid en aangekleed worden en gewasschen—o God, het is zoo vreeselijk,” riep hij plotseling uit.„Je windt je te veel op,” zei Juniper. „Het is heusch beter dat ik weg ga.”„Nee, het doet me goed,”hernam Bob; „ik heb zooveel uren alleen gelegen; eindelijk kan ik mijn hart voor iemand uitstorten.”„Maar de zuster zal dadelijk komen.”„Nee, die zal nog wel wat weg blijven, in elk geval wil ik eerst uitspreken. In een vacantie hebben Norman en ik eens een voetreis gemaakt door Schotland. We hebben toen bergen beklommen en zoowat meer. Bij een van de meren hebben we eens een blinden man ontmoet die door een jongen bij de hand werd geleid. Die man was op lateren leeftijd blind geworden. Hij kende de streek door en door en hoorde onze verhalen met de grootste belangstellingaan. En nu had hij op een vlakken weg een jongen noodig om hem te leiden.”„Die man was zeker heel oud,” viel Juniper in.„Ja, maar ik heb nog misschien wel een leven van zestig jaar voor me,” hernam Bob; „en in dien tijd zal ik ieder tot last zijn. Herinner je je dien man uit dat boek van Kipling, die blind werd en toen....”„Maar Bob, hoe het ook gaat, je vrienden zal je altijd houden,” zei Juniper hartelijk.„Och, geloof je dat?” zei Bob. „De menschen hebben het te druk om zich veel te bekommeren om een sukkel dien ze den weg moeten wijzen. De een of andere arme drommel zal zoo- en zooveel salaris krijgen om me rond te leiden als een beer aan den ketting; tegen dien tijd zal ik misschien ook wel zijn gaan lijken op een brombeer.”Juffrouw Geebel kwam nu aanstevenen. „Jongeheer Juniper, het is hoog tijd om te gaan.”„Goeden nacht,” bracht Jim met moeite uit, want spreken was hem bijna onmogelijk.„Mijn moeder zei altijd ’s avonds: God zegen je, mijn jongen,” hernam Bob met zwakke stem. „In zulke dagen kan je zoo heel erg naar een moeder verlangen.”Juffrouw Geebel die hem deze woorden had hooren zeggen, barstte in snikken uit en Jim en ik verlieten zoo zacht mogelijk de zaal.Het licht in de gang leek verblindend na de duisternis van de ziekenkamer, zoodat we beiden de hand aan de oogen brachten.„Als mijn moeder maar hier was,” zei Jim, wien de tranen over de wangen stroomden.„O Jim, ik ben de rampzaligste jongen van de wereld,” riep ik uit.

HOOFDSTUK XXVI.IN DE ZIEKENZAAL.

Het was me een raadsel hoe Brunton aan die stukken was gekomen die mijn particuliere zaken betroffen, en evenmin kon ik begrijpen waarom hij me die in handen had gespeeld voor hij de school voor goed verliet. Maar de reden waarom hij op deze wijze had gehandeld, deed er eigenlijk weinig toe. Ik was nu eenige gewichtige feiten te weten gekomen; en hieraan moest ik voortdurend denken naarmate de zaak me al helderder en duidelijker voor den geest begon te staan.Ten eerste was het meer dan waarschijnlijk dat het Ellinghem-landgoed dat aan mij zou komen bij mijn meerderjarigheid, mij nooit zou toebehooren en dat ik doodarm op straat zou staan. Ja, het was zelfs mogelijk dat het schoolgeld van St. Martin door een vreemde voor mij werd uitbetaald.En de vader van Bob was dus door mijn vader gedood!En omdat mijn vader onmiddellijk na het ongeluk was verdwenen was overtuigend gebleken (althans volgens de couranten-verslagen) dat het een moord met voorbedachten rade was geweest, omdat mijnheer Kitsjin naar Engeland was vertrokken om zijn rechten op het landgoed te doen gelden.En nu wist ik ook dat Bob dit allemaal had geweten toen hij naar Mallorie was getrokken om eens poolshoogtete nemen en te zien of hij het een of ander kon ontdekken, maar dat hij de reden van zijn komst had verzwegen, toen hij kennis had gemaakt met den zoon van den man die zijn vader had doodgeschoten, en dat hij me van dit alles onkundig had gelaten en dat hij, toen hij tot de ontdekking kwam dat Brunton op de hoogte was, Brunton had omgekocht om de zaak geheim te houden.En nu bedacht ik met schaamte, dat Bob niet den omgang had ontweken van den jongen door wiens vader hij zulk een onherstelbaar verlies had geleden, maar dat hij in alle opzichten een vriend voor hem was gebleken, dat hij al het mogelijke voor hem had gedaan en meer dan een broer voor hem was geweest.En die jongen had hem beloond door in een vlaag van waanzinnige drift op hem aan te vallen en hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.Geen wonder dat de woorden van mijn Virgilius voor mijn oogen bleven dansen en dat allerlei gedachten dooreenwoelden in mijn hoofd, doch telkens en telkens zag ik met vlammende letters gegrift staan dat deze vriend die geen onrecht had willen wreken, maar die me op alle mogelijke wijzen had voortgeholpen, aan wien ik alles had te danken—dat deze vriend door mij levenslang ongelukkig was gemaakt.Als versuft verliet ik het lokaal toen het uur was verstreken; ik keek op toen iemand me op mijn schouder tikte. Jim Juniper stond naast me.„Ga mee,” fluisterde hij. „Het is nu de beste tijd.”Hij nam mijn arm en leidde me langs een omweg naar de ziekenzaal.„Als iemand me snapte zou ik op m’n gezicht krijgen,” zei Jim, „maar niemand hoeft het te weten te komen.”„Ik ben je zoo dankbaar,” zei ik, toen we de deur naderden en langzamer begonnen te loopen.„Stil, praat niet zoo hard,” zei Jim. „Hij heeft een echteverpleegster; die zou ons natuurlijk niet binnen laten, maar ze is nu naar beneden gegaan om te eten en zoo lang zit juffrouw Geebel bij hem.”„Zou die...” begon ik.„O jawel,” antwoordde Jim op luchtigen toon. „Moeder Geebel kan ik altijd ompraten. Maar stil zijn, hoor!”Hij opende voorzichtig de deur en we stapten naar binnen.In de zaal heerschte bijna volslagen duisternis. De lamp was zoo laag mogelijk ingedraaid en nog van een donkere kap voorzien om het licht te temperen; ook stond een scherm om den haard.De zware gestalte van juffrouw Geebel rees achter het scherm overeind.„Ga maar op den tast naar het verste bed, maar geen leven maken, hoor,” zei ze fluisterend. „Die zuster is er eentje met wie niet valt te spotten.”Zwijgend liepen we door; ik ging achter Juniper aan met angstig kloppend hart.Toen mijn oogen aan de duisternis gewend geraakten kon ik het witte bed onderscheiden waarop een gedaante roerloos lag uitgestrekt. Een oogenblik lang werd geen geluid vernomen, zoodat ik het bonsen en kloppen van mijn hart kon hooren. Toen bewoog de gedaante even en de stem van Bob die nu zoo zwak klonk, hoorden we vragen: „Is daar iemand?”„Ik ben het,” zei Juniper op rustigen toon.„Goede kerel,” zei Bob; „jammer dat ik je niet kan zien,” voegde hij er bij met een poging om te schertsen.„Ik heb iemand meegebracht,” zei Jim.„Wie?”„Vooruit nou, Ellinghem,” fluisterde Jim die me naar voren duwde, waarop hij heel zacht terug sloop naar het andere einde van de kamer.„Wie is het?” vroeg Bob voor de tweede maal.„O Bob! Ik ben het,—Martin,” zei ik, terwijl ik een paar stappen naar voren deed.Toen ik me nu zoo dicht bij hem bevond en ik hem daar zag liggen met een doek voor de oogen, toen ging het als een schok door me heen en liet ik me op de knieën vallen naast het bed, niet in staat een klank uit te brengen.„Zoo, kom jij eens kijken naar de zieken en gewonden die in den strijd zijn gehavend?” vroeg Bob die me even aanraakte met de hand.„O Bob,” riep ik uit, „het is zoo vreeselijk! Ze kunnen je toch beter maken?”„Dat is nog de vraag,” antwoordde hij heel kalm.Ik barstte uit in snikken en smeekte om vergeving in woeste hartstochtelijke woorden.„Het is nu eenmaal gebeurd, kerel,” zei hij. „Het trof alleen maar zoo ongelukkig dat ik juist achter de deur stond toen die ruit in stukken vloog.”„Bob, ik weet alles,” riep ik uit. „Ik heb al die dingen in de couranten gelezen. Daarvan had niemand me ooit een woord verteld!”Ik deelde hem hortend en stootend mede wat ik was te weten gekomen en hoe schuldig en ellendig ik me gevoelde.„Houd maar op,” zei hij op heel rustigen toon. „Het is een schandaal dat ze het je hebben verteld, al moest je toch op den een of anderen dag de waarheid hooren. Van wien weet je het?”Ik stelde hem op de hoogte.„Zoo,” mompelde hij; „echt iets voor Brunton.”„En als ik nu bedenk dat ik het was die—”„Kom, begin niet weer opnieuw,” viel hij me in de rede op moeden toon.Ik hoorde Juniper naderbij komen, zoodat ik begreep dat het tijd werd om te gaan.Ik rees overeind en terwijl ik me over hem heenboog,vroeg ik fluisterend of hij me ooit zou kunnen vergeven.„Kom jongen,” zei hij, „we zijn te oude vrienden om op die manier met elkaar te praten. Je deedt het toch niet met opzet. Heb je gezien dat ik in hetzelfde bed lig als waarin jij hebt gelegen toen je bijna was verdronken.”Hij sprak op luchtigen toon; even tastte hij naar mijn hand die hij wederom greep en drukte.„Kom Ellinghem, we moeten gaan,” zei Juniper; „we zijn toch al veel te lang gebleven.”„Toe blijf nog wat,” zei Bob op matten toon; „het is toch al zoo akelig om met niemand te kunnen praten zoodat je je wel moet verdiepen in nare gedachten.”Toen Jim naar Bob toeliep had ik terug willen gaan naar het andere einde van de kamer, doch bij vergissing draaide ik me om naar den verkeerden kant, zoodat Jim die nu bij het bed stond me den weg versperde.Ik wilde hun gesprek niet storen en bleef staan daar ik dacht dat ze elkaar alleen met een enkel woord goeden nacht wilden wenschen. Beiden meenden dat ik was weggetrokken; Bob was hier althans van overtuigd.„Ja, ik kan begrijpen dat het vreeselijk is,” zei Juniper op deelnemenden toon.„Het is afschuwelijk,” zei Bob met dezelfde zwakke, matte stem.„Is de pijn zoo erg?”„Erg genoeg om flauw te vallen.”„Houd moed, kerel,” zei Juniper hartelijk. „Denk eraan dat je een Canadees bent.”„Waarom zou ik er den moed inhouden?” vroeg Bob.„Ben je er dan zoo zeker van?”„Ja, zoo goed als zeker.”„Wat zei de dokter?”„Och, je weet dat doktoren je nooit vertellen, als de zaak hopeloos staat; ze denken dat dit slecht voor je is.Maar ik kan je wel vertellen dat hij het zwaar inziet.”Een stilte volgde.„Maar Robertson is nu onderweg. Die schijnt een verbazend knap operateur.”„Dat kan wel zijn, maar we kunnen toch niet het onmogelijke van hem vergen, Jim.”„Misschien is het niet onmogelijk.”„Ik hoorde dat de dokter tegen Kolman zei toen ze samen weggingen—hij dacht natuurlijk dat ik hem op dien afstand niet zou verstaan, maar blinde menschen....” zijn stem haperde even—„blinde menschen hebben zoo’n scherp gehoor en ik hoorde den dokter dan ook heel duidelijk zeggen: „De kans is heel gering.”„Heeft ie dat gezegd?” vroeg Jim.„Ja en nu ik al dien tijd in donker heb gelegen en niets heb kunnen doen dan denken,” ging Bob voort, „nu ben ik alles bij mezelf nagegaan wat ik wèl en wat ik nièt zal kunnen doen.”„Hoor ’s, kerel, het moet slecht voor je zijn om zoo te praten,” zei Jim.„Nee, nee,” riep Bob bijna heftig uit. „Ik ben nu zoo lang alleen geweest; het doet me goed.”„Maar je doet alsof het ergste zal gebeuren,” zei Juniper.„Dat spreekt! Waarom zou ik er doekjes om winden? Zeg, Jim, je zal een plaatsvervanger voor me moeten zoeken bij de volgende match. Ik zal nooit meer kunnen voetballen.”„Toe, spreek zoo niet,” vroeg Jim op smeekenden toon.„Weet je wat ik had willen worden?” vroeg Bob. „Ik was van plan om heel veel en heel lang te reizen; ik zou door de wereld zijn rondgetrokken want ik weet dat ik rijk ben. Ik wou een massa zien om te beginnen. Ik wou zièn,” herhaalde hij op bitteren toon.„En daarna zou ik naar Canada zijn getrokken, in de hoop wat te kunnen doen voor mijn land,” ging hij voort. „Canadakan het mooiste, rijkste land van de wereld worden, maar er valt daar nog zoo oneindig veel te doen. Een man met geld op zak en oogen in zijn hoofd—en oogen in zijn hoofd,” herhaalde hij nog eens, „die zou zoo’n massa kunnen doen, als hij de handen aan het werk slaat.”„Maar je zal toch een massa voor je land kunnen doen,” merkte Jim aarzelend op.„Wat kan een blinde man uitvoeren,” hernam hij op een bitteren toon. „Als ik een arm of been had verloren, dan zou het nog iets zijn. Nelson liep met één arm bevelen te geven op het dek van het achterschip bij den slag van Trafalgar—maar als zijn oogen hem waren uitgeschoten,” voegde hij er bij met haperende stem, „wat zou hij dan hebben kunnen uitrichten? Blinde menschen moesten maar dood gaan.”„Toe, spreek zoo niet,” zei Jim wederom.„Het is de waarheid,” hernam Bob heel beslist. „Een blinde geeft iedereen last; hij moet rondgeleid en aangekleed worden en gewasschen—o God, het is zoo vreeselijk,” riep hij plotseling uit.„Je windt je te veel op,” zei Juniper. „Het is heusch beter dat ik weg ga.”„Nee, het doet me goed,”hernam Bob; „ik heb zooveel uren alleen gelegen; eindelijk kan ik mijn hart voor iemand uitstorten.”„Maar de zuster zal dadelijk komen.”„Nee, die zal nog wel wat weg blijven, in elk geval wil ik eerst uitspreken. In een vacantie hebben Norman en ik eens een voetreis gemaakt door Schotland. We hebben toen bergen beklommen en zoowat meer. Bij een van de meren hebben we eens een blinden man ontmoet die door een jongen bij de hand werd geleid. Die man was op lateren leeftijd blind geworden. Hij kende de streek door en door en hoorde onze verhalen met de grootste belangstellingaan. En nu had hij op een vlakken weg een jongen noodig om hem te leiden.”„Die man was zeker heel oud,” viel Juniper in.„Ja, maar ik heb nog misschien wel een leven van zestig jaar voor me,” hernam Bob; „en in dien tijd zal ik ieder tot last zijn. Herinner je je dien man uit dat boek van Kipling, die blind werd en toen....”„Maar Bob, hoe het ook gaat, je vrienden zal je altijd houden,” zei Juniper hartelijk.„Och, geloof je dat?” zei Bob. „De menschen hebben het te druk om zich veel te bekommeren om een sukkel dien ze den weg moeten wijzen. De een of andere arme drommel zal zoo- en zooveel salaris krijgen om me rond te leiden als een beer aan den ketting; tegen dien tijd zal ik misschien ook wel zijn gaan lijken op een brombeer.”Juffrouw Geebel kwam nu aanstevenen. „Jongeheer Juniper, het is hoog tijd om te gaan.”„Goeden nacht,” bracht Jim met moeite uit, want spreken was hem bijna onmogelijk.„Mijn moeder zei altijd ’s avonds: God zegen je, mijn jongen,” hernam Bob met zwakke stem. „In zulke dagen kan je zoo heel erg naar een moeder verlangen.”Juffrouw Geebel die hem deze woorden had hooren zeggen, barstte in snikken uit en Jim en ik verlieten zoo zacht mogelijk de zaal.Het licht in de gang leek verblindend na de duisternis van de ziekenkamer, zoodat we beiden de hand aan de oogen brachten.„Als mijn moeder maar hier was,” zei Jim, wien de tranen over de wangen stroomden.„O Jim, ik ben de rampzaligste jongen van de wereld,” riep ik uit.

Het was me een raadsel hoe Brunton aan die stukken was gekomen die mijn particuliere zaken betroffen, en evenmin kon ik begrijpen waarom hij me die in handen had gespeeld voor hij de school voor goed verliet. Maar de reden waarom hij op deze wijze had gehandeld, deed er eigenlijk weinig toe. Ik was nu eenige gewichtige feiten te weten gekomen; en hieraan moest ik voortdurend denken naarmate de zaak me al helderder en duidelijker voor den geest begon te staan.

Ten eerste was het meer dan waarschijnlijk dat het Ellinghem-landgoed dat aan mij zou komen bij mijn meerderjarigheid, mij nooit zou toebehooren en dat ik doodarm op straat zou staan. Ja, het was zelfs mogelijk dat het schoolgeld van St. Martin door een vreemde voor mij werd uitbetaald.

En de vader van Bob was dus door mijn vader gedood!

En omdat mijn vader onmiddellijk na het ongeluk was verdwenen was overtuigend gebleken (althans volgens de couranten-verslagen) dat het een moord met voorbedachten rade was geweest, omdat mijnheer Kitsjin naar Engeland was vertrokken om zijn rechten op het landgoed te doen gelden.

En nu wist ik ook dat Bob dit allemaal had geweten toen hij naar Mallorie was getrokken om eens poolshoogtete nemen en te zien of hij het een of ander kon ontdekken, maar dat hij de reden van zijn komst had verzwegen, toen hij kennis had gemaakt met den zoon van den man die zijn vader had doodgeschoten, en dat hij me van dit alles onkundig had gelaten en dat hij, toen hij tot de ontdekking kwam dat Brunton op de hoogte was, Brunton had omgekocht om de zaak geheim te houden.

En nu bedacht ik met schaamte, dat Bob niet den omgang had ontweken van den jongen door wiens vader hij zulk een onherstelbaar verlies had geleden, maar dat hij in alle opzichten een vriend voor hem was gebleken, dat hij al het mogelijke voor hem had gedaan en meer dan een broer voor hem was geweest.

En die jongen had hem beloond door in een vlaag van waanzinnige drift op hem aan te vallen en hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Geen wonder dat de woorden van mijn Virgilius voor mijn oogen bleven dansen en dat allerlei gedachten dooreenwoelden in mijn hoofd, doch telkens en telkens zag ik met vlammende letters gegrift staan dat deze vriend die geen onrecht had willen wreken, maar die me op alle mogelijke wijzen had voortgeholpen, aan wien ik alles had te danken—dat deze vriend door mij levenslang ongelukkig was gemaakt.

Als versuft verliet ik het lokaal toen het uur was verstreken; ik keek op toen iemand me op mijn schouder tikte. Jim Juniper stond naast me.

„Ga mee,” fluisterde hij. „Het is nu de beste tijd.”

Hij nam mijn arm en leidde me langs een omweg naar de ziekenzaal.

„Als iemand me snapte zou ik op m’n gezicht krijgen,” zei Jim, „maar niemand hoeft het te weten te komen.”

„Ik ben je zoo dankbaar,” zei ik, toen we de deur naderden en langzamer begonnen te loopen.

„Stil, praat niet zoo hard,” zei Jim. „Hij heeft een echteverpleegster; die zou ons natuurlijk niet binnen laten, maar ze is nu naar beneden gegaan om te eten en zoo lang zit juffrouw Geebel bij hem.”

„Zou die...” begon ik.

„O jawel,” antwoordde Jim op luchtigen toon. „Moeder Geebel kan ik altijd ompraten. Maar stil zijn, hoor!”

Hij opende voorzichtig de deur en we stapten naar binnen.

In de zaal heerschte bijna volslagen duisternis. De lamp was zoo laag mogelijk ingedraaid en nog van een donkere kap voorzien om het licht te temperen; ook stond een scherm om den haard.

De zware gestalte van juffrouw Geebel rees achter het scherm overeind.

„Ga maar op den tast naar het verste bed, maar geen leven maken, hoor,” zei ze fluisterend. „Die zuster is er eentje met wie niet valt te spotten.”

Zwijgend liepen we door; ik ging achter Juniper aan met angstig kloppend hart.

Toen mijn oogen aan de duisternis gewend geraakten kon ik het witte bed onderscheiden waarop een gedaante roerloos lag uitgestrekt. Een oogenblik lang werd geen geluid vernomen, zoodat ik het bonsen en kloppen van mijn hart kon hooren. Toen bewoog de gedaante even en de stem van Bob die nu zoo zwak klonk, hoorden we vragen: „Is daar iemand?”

„Ik ben het,” zei Juniper op rustigen toon.

„Goede kerel,” zei Bob; „jammer dat ik je niet kan zien,” voegde hij er bij met een poging om te schertsen.

„Ik heb iemand meegebracht,” zei Jim.

„Wie?”

„Vooruit nou, Ellinghem,” fluisterde Jim die me naar voren duwde, waarop hij heel zacht terug sloop naar het andere einde van de kamer.

„Wie is het?” vroeg Bob voor de tweede maal.

„O Bob! Ik ben het,—Martin,” zei ik, terwijl ik een paar stappen naar voren deed.

Toen ik me nu zoo dicht bij hem bevond en ik hem daar zag liggen met een doek voor de oogen, toen ging het als een schok door me heen en liet ik me op de knieën vallen naast het bed, niet in staat een klank uit te brengen.

„Zoo, kom jij eens kijken naar de zieken en gewonden die in den strijd zijn gehavend?” vroeg Bob die me even aanraakte met de hand.

„O Bob,” riep ik uit, „het is zoo vreeselijk! Ze kunnen je toch beter maken?”

„Dat is nog de vraag,” antwoordde hij heel kalm.

Ik barstte uit in snikken en smeekte om vergeving in woeste hartstochtelijke woorden.

„Het is nu eenmaal gebeurd, kerel,” zei hij. „Het trof alleen maar zoo ongelukkig dat ik juist achter de deur stond toen die ruit in stukken vloog.”

„Bob, ik weet alles,” riep ik uit. „Ik heb al die dingen in de couranten gelezen. Daarvan had niemand me ooit een woord verteld!”

Ik deelde hem hortend en stootend mede wat ik was te weten gekomen en hoe schuldig en ellendig ik me gevoelde.

„Houd maar op,” zei hij op heel rustigen toon. „Het is een schandaal dat ze het je hebben verteld, al moest je toch op den een of anderen dag de waarheid hooren. Van wien weet je het?”

Ik stelde hem op de hoogte.

„Zoo,” mompelde hij; „echt iets voor Brunton.”

„En als ik nu bedenk dat ik het was die—”

„Kom, begin niet weer opnieuw,” viel hij me in de rede op moeden toon.

Ik hoorde Juniper naderbij komen, zoodat ik begreep dat het tijd werd om te gaan.

Ik rees overeind en terwijl ik me over hem heenboog,vroeg ik fluisterend of hij me ooit zou kunnen vergeven.

„Kom jongen,” zei hij, „we zijn te oude vrienden om op die manier met elkaar te praten. Je deedt het toch niet met opzet. Heb je gezien dat ik in hetzelfde bed lig als waarin jij hebt gelegen toen je bijna was verdronken.”

Hij sprak op luchtigen toon; even tastte hij naar mijn hand die hij wederom greep en drukte.

„Kom Ellinghem, we moeten gaan,” zei Juniper; „we zijn toch al veel te lang gebleven.”

„Toe blijf nog wat,” zei Bob op matten toon; „het is toch al zoo akelig om met niemand te kunnen praten zoodat je je wel moet verdiepen in nare gedachten.”

Toen Jim naar Bob toeliep had ik terug willen gaan naar het andere einde van de kamer, doch bij vergissing draaide ik me om naar den verkeerden kant, zoodat Jim die nu bij het bed stond me den weg versperde.

Ik wilde hun gesprek niet storen en bleef staan daar ik dacht dat ze elkaar alleen met een enkel woord goeden nacht wilden wenschen. Beiden meenden dat ik was weggetrokken; Bob was hier althans van overtuigd.

„Ja, ik kan begrijpen dat het vreeselijk is,” zei Juniper op deelnemenden toon.

„Het is afschuwelijk,” zei Bob met dezelfde zwakke, matte stem.

„Is de pijn zoo erg?”

„Erg genoeg om flauw te vallen.”

„Houd moed, kerel,” zei Juniper hartelijk. „Denk eraan dat je een Canadees bent.”

„Waarom zou ik er den moed inhouden?” vroeg Bob.

„Ben je er dan zoo zeker van?”

„Ja, zoo goed als zeker.”

„Wat zei de dokter?”

„Och, je weet dat doktoren je nooit vertellen, als de zaak hopeloos staat; ze denken dat dit slecht voor je is.Maar ik kan je wel vertellen dat hij het zwaar inziet.”

Een stilte volgde.

„Maar Robertson is nu onderweg. Die schijnt een verbazend knap operateur.”

„Dat kan wel zijn, maar we kunnen toch niet het onmogelijke van hem vergen, Jim.”

„Misschien is het niet onmogelijk.”

„Ik hoorde dat de dokter tegen Kolman zei toen ze samen weggingen—hij dacht natuurlijk dat ik hem op dien afstand niet zou verstaan, maar blinde menschen....” zijn stem haperde even—„blinde menschen hebben zoo’n scherp gehoor en ik hoorde den dokter dan ook heel duidelijk zeggen: „De kans is heel gering.”

„Heeft ie dat gezegd?” vroeg Jim.

„Ja en nu ik al dien tijd in donker heb gelegen en niets heb kunnen doen dan denken,” ging Bob voort, „nu ben ik alles bij mezelf nagegaan wat ik wèl en wat ik nièt zal kunnen doen.”

„Hoor ’s, kerel, het moet slecht voor je zijn om zoo te praten,” zei Jim.

„Nee, nee,” riep Bob bijna heftig uit. „Ik ben nu zoo lang alleen geweest; het doet me goed.”

„Maar je doet alsof het ergste zal gebeuren,” zei Juniper.

„Dat spreekt! Waarom zou ik er doekjes om winden? Zeg, Jim, je zal een plaatsvervanger voor me moeten zoeken bij de volgende match. Ik zal nooit meer kunnen voetballen.”

„Toe, spreek zoo niet,” vroeg Jim op smeekenden toon.

„Weet je wat ik had willen worden?” vroeg Bob. „Ik was van plan om heel veel en heel lang te reizen; ik zou door de wereld zijn rondgetrokken want ik weet dat ik rijk ben. Ik wou een massa zien om te beginnen. Ik wou zièn,” herhaalde hij op bitteren toon.

„En daarna zou ik naar Canada zijn getrokken, in de hoop wat te kunnen doen voor mijn land,” ging hij voort. „Canadakan het mooiste, rijkste land van de wereld worden, maar er valt daar nog zoo oneindig veel te doen. Een man met geld op zak en oogen in zijn hoofd—en oogen in zijn hoofd,” herhaalde hij nog eens, „die zou zoo’n massa kunnen doen, als hij de handen aan het werk slaat.”

„Maar je zal toch een massa voor je land kunnen doen,” merkte Jim aarzelend op.

„Wat kan een blinde man uitvoeren,” hernam hij op een bitteren toon. „Als ik een arm of been had verloren, dan zou het nog iets zijn. Nelson liep met één arm bevelen te geven op het dek van het achterschip bij den slag van Trafalgar—maar als zijn oogen hem waren uitgeschoten,” voegde hij er bij met haperende stem, „wat zou hij dan hebben kunnen uitrichten? Blinde menschen moesten maar dood gaan.”

„Toe, spreek zoo niet,” zei Jim wederom.

„Het is de waarheid,” hernam Bob heel beslist. „Een blinde geeft iedereen last; hij moet rondgeleid en aangekleed worden en gewasschen—o God, het is zoo vreeselijk,” riep hij plotseling uit.

„Je windt je te veel op,” zei Juniper. „Het is heusch beter dat ik weg ga.”

„Nee, het doet me goed,”hernam Bob; „ik heb zooveel uren alleen gelegen; eindelijk kan ik mijn hart voor iemand uitstorten.”

„Maar de zuster zal dadelijk komen.”

„Nee, die zal nog wel wat weg blijven, in elk geval wil ik eerst uitspreken. In een vacantie hebben Norman en ik eens een voetreis gemaakt door Schotland. We hebben toen bergen beklommen en zoowat meer. Bij een van de meren hebben we eens een blinden man ontmoet die door een jongen bij de hand werd geleid. Die man was op lateren leeftijd blind geworden. Hij kende de streek door en door en hoorde onze verhalen met de grootste belangstellingaan. En nu had hij op een vlakken weg een jongen noodig om hem te leiden.”

„Die man was zeker heel oud,” viel Juniper in.

„Ja, maar ik heb nog misschien wel een leven van zestig jaar voor me,” hernam Bob; „en in dien tijd zal ik ieder tot last zijn. Herinner je je dien man uit dat boek van Kipling, die blind werd en toen....”

„Maar Bob, hoe het ook gaat, je vrienden zal je altijd houden,” zei Juniper hartelijk.

„Och, geloof je dat?” zei Bob. „De menschen hebben het te druk om zich veel te bekommeren om een sukkel dien ze den weg moeten wijzen. De een of andere arme drommel zal zoo- en zooveel salaris krijgen om me rond te leiden als een beer aan den ketting; tegen dien tijd zal ik misschien ook wel zijn gaan lijken op een brombeer.”

Juffrouw Geebel kwam nu aanstevenen. „Jongeheer Juniper, het is hoog tijd om te gaan.”

„Goeden nacht,” bracht Jim met moeite uit, want spreken was hem bijna onmogelijk.

„Mijn moeder zei altijd ’s avonds: God zegen je, mijn jongen,” hernam Bob met zwakke stem. „In zulke dagen kan je zoo heel erg naar een moeder verlangen.”

Juffrouw Geebel die hem deze woorden had hooren zeggen, barstte in snikken uit en Jim en ik verlieten zoo zacht mogelijk de zaal.

Het licht in de gang leek verblindend na de duisternis van de ziekenkamer, zoodat we beiden de hand aan de oogen brachten.

„Als mijn moeder maar hier was,” zei Jim, wien de tranen over de wangen stroomden.

„O Jim, ik ben de rampzaligste jongen van de wereld,” riep ik uit.


Back to IndexNext