HOOFDSTUK XXVII.DE SPECIALITEIT.Dien nacht kon ik den slaap niet vatten. Ik lag te luisteren naar de lange galmende slagen van de schoolklok terwijl ik me voortdurend afvroeg of Bob nu ook wakker zou liggen—hiervan was ik bijna zeker—en telkens en telkens drong zich de vurige wensch aan me op dat ik het gebeurde ongedaan zou kunnen maken.Eindelijk scheen ik toch in slaap te zijn gevallen, want ik herinner me dat ik in den donkeren wintermorgen ontwaakte met een vaag gevoel dat er iets vreeselijks was gebeurd. Plotseling schoot alles me weer te binnen:Bob was blind gemaakt door mijn schuld; ik had zijn leven verwoest; volgens zijn eigen zeggen zou het beter zijn geweest als ik hem maar had gedood.Ik stond op hoewel het pikdonker was en de anderen nog sliepen. Toen ik buiten kwam in de kille ochtendlucht waren de sterren nog niet verdwenen. Ik vroeg me af of Bob die ooit weer zou zien schijnen. Het leek me zoo vreeselijk dat ik in een oogenblik van waanzinnige drift zulk onherstelbaar leed had berokkend aan mijn besten vriend.In de laatste dagen had ik het met de leeraren aan den stok omdat ik mijn werk veronachtzaamde, doch dit liet me allemaal even onverschillig. Plotseling kwam ik op een inval. Onmiddellijk zette ik het op een loopen naar het station.Hoe laat zou die beroemde specialiteit uit Londen aankomen?Ik keek de lijst na en zag dat de nachttrein binnen het uur werd verwacht.Al dien tijd liep ik over het perron te drentelen, terwijl een slaperige kruier me nu en dan een verwonderden blik toewierp, terwijl hij woest met den bezem zwaaide en het stof in wolken opjoeg. Al de advertenties had ik weldra gelezen en herlezen zoodat ik ze van buiten kende; uit de verschillende kamers en bureaux kwam een eigenaardig benauwde lucht naar me toe; aan het einde van het perron brandde een sissende gasvlam en daar deed de koude wind snippers papier opdwarrelen die tusschen de rails lagen; in de verte hoorde ik de zee klotsen en ik vernam het klikken van een telegraaf-toestel; een jongen floot een deuntje terwijl hij de knoppen en krukken stond te poetsen en al maar bleef ik heen en weer loopen op het perron terwijl het langzamerhand lichter begon te worden.Toen het uur van aankomst naderde kwam er leven op het perron. De kruiers verschenen; de meesten geeuwend. Het sein-toestel buiten begon te klingelen.„Hij komt er aan!” zei een van de kruiers die uit alle macht een bel ging luiden, ofschoon ik de eenige persoon was die zich op het perron bevond.Ik hoorde nu het geratel van wielen en een oogenblik later verscheen Dr.Lloyd, de dokter van St. Martin. Hij zag er even dik en gezond en vroolijk uit als anders; op vriendelijken toon wenschte hij den stationschef goeden morgen en vroeg of de trein precies op tijd zou binnenrijden. Hij kwam natuurlijk den beroemden Robertson afhalen, maar dat hij onder deze omstandigheden zich zoo vroolijk kon voordoen, dat leek me een raadsel. Hij sprak over het feit dat de treinen zich zoo dikwijls verlaten, en over den afstand tusschen St. Martin en Londen, en over allerlei onbelangrijke onderwerpen meer, alsof in die duistere ziekenzaal geen armeBob was die op de uitspraak van het vonnis lag te wachten.„Hij komt er aan!” zei de stationschef toen een stoomwolk kronkelde om de bocht van den weg.Mijn hart begon onrustig te kloppen.In den trein zaten maar enkele menschen—slechts één passagier eerste klas. Op die coupé vlogen de kruiers aan om den knop van het portier om te draaien, terwijl Dr.Lloydmet eenigszins verhoogde kleur naderbij kwam, gevolgd door den stationschef die eerbiedig in positie ging staan.De passagier stapte op zijn doode gemak uit; de plechtige ontvangst scheen hoegenaamd geen indruk op hem te maken.Het was een groote magere man met een langwerpig gladgeschoren gezicht; hij had een langen neus en kleine spleetjes van oogen zonder eenige bepaalde uitdrukking. Het was mogelijk dat ik zoo dwaas was geweest om me te verbeelden dat ik aan zijn gezicht zou kunnen zien of hij Bob zou kunnen beter maken of niet, maar ik begreep terstond hoe onzinnig die inval was geweest. De specialiteit droeg een lange prachtige pelsjas; over den rechterarm had hij een bonte reisdeken geslagen en in de linkerhand hield hij een zwart valies, waarop mijn oogen onafgebroken bleven turen. De instrumenten die in de tasch zaten zouden beslissen over het lot van Bob!Ik begon te beseffen wat voor beroemdheid die Dr. Robertson was toen ik zag met welk een eerbied hij werd begroet door Dr.Lloyddie zichzelf waarlijk niet weggooide. De kruiers vlogen letterlijk voor hem en de stationschef scheen zeer vereerd toen het woord tot hem werd gericht.Want de specialiteit schonk eerst weinig aandacht aan den buigenden Dr.Lloyd. „Hoe laat kan ik terug?” vroeg hij aan den chef. „Wanneer gaat de volgende trein?”De stationschef beijverde zich om hem op de hoogte te brengen, waarna Dr.Lloydwederom eerbiedig het woordnam en den grooten man al buigend aansprak als mijnheer en niet als „Dr.” Robertson.„Ja, het is koud,” zei Dr. Robertson op tamelijk onverschilligen toon.„U wilt zeker eerst ontbijten?” vroeg Dr.Lloyd.Dr.Lloydwilde niet dat een van de kruiers de bonte reisdeken met een vinger aanraakte; hij nam dien zelf aan; ook het valies waarvoor hij blijkbaar een eerbied gevoelde alsof het de heiligste relieken bevatte.„Ja, graag,” antwoordde de heer Robertson, „maar het is de vraag of ik er tijd voor zal hebben. Is het ver?”„Mijn rijtuig staat buiten,” antwoordde Dr.Lloyd.„Is het een ernstig geval?” vroeg de heer Robertson.„Buitengewoon ernstig,” klonk het antwoord.Ze naderden intusschen al meer en meer den uitgang, en ik liep achter hen aan met een vast besluit.„Zoo buitengewoon ernstig,” herhaalde Robertson.Toen stelde hij eenige technische vragen die ik niet begreep en waarop Dr.Lloydmet groote woordenrijkheid en eveneens in technische termen antwoordde, zoodat ik niets wijzer werd uit hun gesprek, maar ik ving het woord „glas” op, zoodat ik begreep dat Dr.Lloydhem op de hoogte bracht. De beroemde man scheen nu voor het eerst belangstelling te toonen, al zei hij niet veel meer dan „„hm”” en „„zoo.””Ze hadden nu het station verlaten en begaven zich naar het rijtuig—ditmaal was het de landauer—die hier stond te wachten. Het was nu of nooit.Dr.Lloydrende er op af om het portier open te doen, en nu ging ik vlak voor Dr. Robertson staan.„Wat is er?” vroeg hij.De moed ontzonk me toen ik den koelen blik op mij zag gericht, maar ik was vast besloten om te zeggen wat ik te zeggen had, want ik gevoelde dat hij te weinig belangstelde in het geval. Hij kon spreken over onbeduidende dingen als kou en ontbijten, en zijn eerste vraag was geweest wanneer hij weer terug kon gaan! Wat deed het er toe al bleef hij een week; als hij maar de oogen van Bob kon genezen, als hij Bob maar het gezicht terug gaf! Ik kon de gedachte niet van mij afzetten, dat als die man niet zijn uiterste krachten inspande, dan zou hij ’s middags weer heentrekken met zijn valies en dan zou Bob misschien levenslang blind blijven.Terwijl die mogelijkheid me als radeloos maakte, barstte ik hartstochtelijk uit. Ik riep dat alles mijn schuld was, dat ik het had gedaan en dat—als hij blind bleef—dat ik hem dan levenslang ongelukkig had gemaakt. Ik vertelde hem wat voor een nobel prachtig karakter hij had en dat hij niet blind mòcht worden. Ik zei dat ik een massa geld bezat en dat ik aan mijn voogden zooveel zou vragen als hij maar wilde hebben, als hij maar bleef totdat hij Bob had beter gemaakt. Ik zei nog een massa meer, dingen die al of niet iets met de zaak hadden uit te staan, totdat een snik opwelde uit mijn keel en ik geen klank meer kon uitbrengen.Dr.Lloydhad eenige malen getracht den woordenstroom te stuiten, doch ik had hoegenaamd geen aandacht aan hem geschonken. Hij was immers niets vergeleken bij den beroemden Londenschen dokter die het levenslot van Bob in handen had. Geen spier van zijn gelaat vertrok toen ik zoo hartstochtelijk tegen hem uitviel, al dien tijd had hij me staan aankijken met dien koel-nieuwsgierigen blik.„Wie is die jongen?” vroeg hij aan Dr.Lloyd.„Ik heb het gedaan,” bracht ik snikkend uit.„Zoo!” zei Dr. Robertson, „je schijnt nog al driftig uitgevallen. Volgens Dokter—hoe heet u ook weer—o ja, volgens Dr.Lloydis het een hoogst ernstig geval. Ik geef echter de hoop nog niet op, dat een operatiemogelijkis.”„En als die wel mogelijk is; als—”„U zei dat hij in allebei de oogen glas kreeg is het niet, dokter? Dat maakt de zaak bedenkelijk. Maar ik beloof je, jongen, dat we zullen doen wat we kunnen. We mogen onzen tijd nu niet langer verpraten, dokter.”Toen ze weg reden begreep ik dat Dr.Lloydverontschuldigingen aanvoerde voor mijn handelwijze, en er zat voor mij niets anders op dan om naar school terug te rennen; de ontmoeting met den beroemden man had me niet in het minst getroost of opgebeurd.„W-waar b-ben je geweest?” vroeg Burns, toen ik nog bijtijds kwam aanzetten voor het ontbijt; „Kijkers heeft gemerkt dat je er n-niet was bij het ochtend-g-gebed.”„O Burns, ik heb den man gezien,” riep ik uit. „Het kan den vent geen zier schelen. Hij heeft geen hart in z’n lijf; hij denkt er alleen maar aan hoe gauw hij weer terug zal kunnen gaan. Hij geeft geen steek om Bob—of om mij.”Burns kon hierop alleen maar antwoorden dat het „zielig” was.Toen we het binnenplein overstaken omdat de ochtendschool zou beginnen, zagen we het rijtuig den stal binnenrijden.„K-Kolman is hem tegemoet gegaan,” fluisterde Burns, toen we op onze plaatsen gingen zitten.Ik stelde me het onderhoud voor: Dr.Lloyddruk en beweeglijk; de chef rustig, beleefd en ernstig en de groote man zou beiden koel en onverschillig aankijken, terwijl hij er alleen maar aan dacht om zijn trein te halen.Met hun drieën zag ik hen in verbeelding naar de ziekenzaal trekken. Ik vroeg me af hoe het Bob te moede zou zijn als ze kwamen aanzetten en als Dr. Robertson alles begon gereed te maken voor het onderzoek.Ik zag hem het zwarte valies uitpakken en de instrumenten uitspreiden. Over enkele minuten zou de operateur beslissen of er kans op redding bestond of niet.Als het hopeloos was, dan zou hij zijn valies wederom inpakken en vertrekken. Door het open raam hoorde ik het kraken van het grint, daar de staljongen het paard liet heen en weer stappen. Met kloppend hart luisterde ik of het rijtuig niet stil hield en wegreed.Het eene kwartier na het andere verstreek. Onafgebroken tuurde ik op de klok in de klas. Wat zouden ze nu doen? Zou Bob vreeselijke pijnen moeten uitstaan? Zou er nog hoop zijn op redding? Een vurig gebed zond ik op dat de beroemde dokter ditmaal nog schitterender zou opereeren dan hij ooit in zijn leven had gedaan en dat hij Bob zou beter maken...Toen de morgen bijna was verstreken en de minuten al langzamer en langzamer begonnen te kruipen werd een briefje gebracht aan mijnheer Wilson. De leeraar liep naar me toe en zei op rustigen toon: „Mijnheer Kolman wil je spreken, Ellinghem.”Ik dacht dat bij den chef over me was geklaagd, omdat ik in de laatste dagen mijn werk schandelijk had veronachtzaamd; alles liet me echter onverschillig; met loome schreden begaf ik me naar het studeervertrek.Toen ik dit naderde zag ik dat de chef de kamer juist uitging in tegenovergestelde richting, zoodat hij me niet had zien aankomen.Toen klopte ik op de deur, daar ik niet wist of iemand anders zich misschien in het vertrek bevond. Dit bleek het geval, want onmiddellijk werd: „Binnen” geroepen!Bij den haard zag ik tot mijn verbazing de beroemde specialiteit staan, koeler en onverschilliger dan ooit.Een vraag brandde me op de lippen, doch toen ik een blik wierp op dat koude gelaat kon ik geen klank uitbrengen.„Mijnheer Kolman heeft me laten roepen,” zei ik eindelijk; „maar—”„Hij deed dit op mijn verzoek,” viel Dr. Robertson in, terwijl een schalksche uitdrukking in zijn oogen verscheen. „Het is in orde, jongen; je vriend zal beter worden. De operatie is prachtig gelukt; ik vond dat jij het goede nieuws wel het eerst mocht hooren.”Ik greep een stoel en ging zitten, want de kamer en de meubels schenen plotseling in het rond te draaien. Ik wilde spreken en hem danken, doch ik kon geen woord uitbrengen.„Die vriend van je is een beste, dappere vent,” hernam Dr. Robertson die me onafgebroken bleef aanzien; „het zou zonde en jammer zijn geweest van den jongen; maar het is alles prachtig gegaan. Hij zal weer zoo goed kunnen kijken als de beste. Op zoo’n vriend mag je trotsch zijn; een volgenden keer zal je wel niet zoo gauw een glazen deur stuk slaan, denk ik. O, mijnheer Kolman, kunnen we gaan?” voegde hij er bij toen de chef binnen kwam.„Ja, het rijtuig staat voor,” antwoordde de heer Kolman.„Dan zullen we maar instappen,” hernam hij op een toon die wederom even koel en afgemeten klonk. Samen verlieten ze het vertrek, waar ik nu alleen achterbleef; toen Dr. Robertson al bij de deur stond keerde hij zich nog even naar mij om en, terwijl de zweem van een glimlach op zijn gelaat verscheen, zei hij: „Ikzal je maar niet herinneren aan de belooning die je me hebt beloofd.”
HOOFDSTUK XXVII.DE SPECIALITEIT.Dien nacht kon ik den slaap niet vatten. Ik lag te luisteren naar de lange galmende slagen van de schoolklok terwijl ik me voortdurend afvroeg of Bob nu ook wakker zou liggen—hiervan was ik bijna zeker—en telkens en telkens drong zich de vurige wensch aan me op dat ik het gebeurde ongedaan zou kunnen maken.Eindelijk scheen ik toch in slaap te zijn gevallen, want ik herinner me dat ik in den donkeren wintermorgen ontwaakte met een vaag gevoel dat er iets vreeselijks was gebeurd. Plotseling schoot alles me weer te binnen:Bob was blind gemaakt door mijn schuld; ik had zijn leven verwoest; volgens zijn eigen zeggen zou het beter zijn geweest als ik hem maar had gedood.Ik stond op hoewel het pikdonker was en de anderen nog sliepen. Toen ik buiten kwam in de kille ochtendlucht waren de sterren nog niet verdwenen. Ik vroeg me af of Bob die ooit weer zou zien schijnen. Het leek me zoo vreeselijk dat ik in een oogenblik van waanzinnige drift zulk onherstelbaar leed had berokkend aan mijn besten vriend.In de laatste dagen had ik het met de leeraren aan den stok omdat ik mijn werk veronachtzaamde, doch dit liet me allemaal even onverschillig. Plotseling kwam ik op een inval. Onmiddellijk zette ik het op een loopen naar het station.Hoe laat zou die beroemde specialiteit uit Londen aankomen?Ik keek de lijst na en zag dat de nachttrein binnen het uur werd verwacht.Al dien tijd liep ik over het perron te drentelen, terwijl een slaperige kruier me nu en dan een verwonderden blik toewierp, terwijl hij woest met den bezem zwaaide en het stof in wolken opjoeg. Al de advertenties had ik weldra gelezen en herlezen zoodat ik ze van buiten kende; uit de verschillende kamers en bureaux kwam een eigenaardig benauwde lucht naar me toe; aan het einde van het perron brandde een sissende gasvlam en daar deed de koude wind snippers papier opdwarrelen die tusschen de rails lagen; in de verte hoorde ik de zee klotsen en ik vernam het klikken van een telegraaf-toestel; een jongen floot een deuntje terwijl hij de knoppen en krukken stond te poetsen en al maar bleef ik heen en weer loopen op het perron terwijl het langzamerhand lichter begon te worden.Toen het uur van aankomst naderde kwam er leven op het perron. De kruiers verschenen; de meesten geeuwend. Het sein-toestel buiten begon te klingelen.„Hij komt er aan!” zei een van de kruiers die uit alle macht een bel ging luiden, ofschoon ik de eenige persoon was die zich op het perron bevond.Ik hoorde nu het geratel van wielen en een oogenblik later verscheen Dr.Lloyd, de dokter van St. Martin. Hij zag er even dik en gezond en vroolijk uit als anders; op vriendelijken toon wenschte hij den stationschef goeden morgen en vroeg of de trein precies op tijd zou binnenrijden. Hij kwam natuurlijk den beroemden Robertson afhalen, maar dat hij onder deze omstandigheden zich zoo vroolijk kon voordoen, dat leek me een raadsel. Hij sprak over het feit dat de treinen zich zoo dikwijls verlaten, en over den afstand tusschen St. Martin en Londen, en over allerlei onbelangrijke onderwerpen meer, alsof in die duistere ziekenzaal geen armeBob was die op de uitspraak van het vonnis lag te wachten.„Hij komt er aan!” zei de stationschef toen een stoomwolk kronkelde om de bocht van den weg.Mijn hart begon onrustig te kloppen.In den trein zaten maar enkele menschen—slechts één passagier eerste klas. Op die coupé vlogen de kruiers aan om den knop van het portier om te draaien, terwijl Dr.Lloydmet eenigszins verhoogde kleur naderbij kwam, gevolgd door den stationschef die eerbiedig in positie ging staan.De passagier stapte op zijn doode gemak uit; de plechtige ontvangst scheen hoegenaamd geen indruk op hem te maken.Het was een groote magere man met een langwerpig gladgeschoren gezicht; hij had een langen neus en kleine spleetjes van oogen zonder eenige bepaalde uitdrukking. Het was mogelijk dat ik zoo dwaas was geweest om me te verbeelden dat ik aan zijn gezicht zou kunnen zien of hij Bob zou kunnen beter maken of niet, maar ik begreep terstond hoe onzinnig die inval was geweest. De specialiteit droeg een lange prachtige pelsjas; over den rechterarm had hij een bonte reisdeken geslagen en in de linkerhand hield hij een zwart valies, waarop mijn oogen onafgebroken bleven turen. De instrumenten die in de tasch zaten zouden beslissen over het lot van Bob!Ik begon te beseffen wat voor beroemdheid die Dr. Robertson was toen ik zag met welk een eerbied hij werd begroet door Dr.Lloyddie zichzelf waarlijk niet weggooide. De kruiers vlogen letterlijk voor hem en de stationschef scheen zeer vereerd toen het woord tot hem werd gericht.Want de specialiteit schonk eerst weinig aandacht aan den buigenden Dr.Lloyd. „Hoe laat kan ik terug?” vroeg hij aan den chef. „Wanneer gaat de volgende trein?”De stationschef beijverde zich om hem op de hoogte te brengen, waarna Dr.Lloydwederom eerbiedig het woordnam en den grooten man al buigend aansprak als mijnheer en niet als „Dr.” Robertson.„Ja, het is koud,” zei Dr. Robertson op tamelijk onverschilligen toon.„U wilt zeker eerst ontbijten?” vroeg Dr.Lloyd.Dr.Lloydwilde niet dat een van de kruiers de bonte reisdeken met een vinger aanraakte; hij nam dien zelf aan; ook het valies waarvoor hij blijkbaar een eerbied gevoelde alsof het de heiligste relieken bevatte.„Ja, graag,” antwoordde de heer Robertson, „maar het is de vraag of ik er tijd voor zal hebben. Is het ver?”„Mijn rijtuig staat buiten,” antwoordde Dr.Lloyd.„Is het een ernstig geval?” vroeg de heer Robertson.„Buitengewoon ernstig,” klonk het antwoord.Ze naderden intusschen al meer en meer den uitgang, en ik liep achter hen aan met een vast besluit.„Zoo buitengewoon ernstig,” herhaalde Robertson.Toen stelde hij eenige technische vragen die ik niet begreep en waarop Dr.Lloydmet groote woordenrijkheid en eveneens in technische termen antwoordde, zoodat ik niets wijzer werd uit hun gesprek, maar ik ving het woord „glas” op, zoodat ik begreep dat Dr.Lloydhem op de hoogte bracht. De beroemde man scheen nu voor het eerst belangstelling te toonen, al zei hij niet veel meer dan „„hm”” en „„zoo.””Ze hadden nu het station verlaten en begaven zich naar het rijtuig—ditmaal was het de landauer—die hier stond te wachten. Het was nu of nooit.Dr.Lloydrende er op af om het portier open te doen, en nu ging ik vlak voor Dr. Robertson staan.„Wat is er?” vroeg hij.De moed ontzonk me toen ik den koelen blik op mij zag gericht, maar ik was vast besloten om te zeggen wat ik te zeggen had, want ik gevoelde dat hij te weinig belangstelde in het geval. Hij kon spreken over onbeduidende dingen als kou en ontbijten, en zijn eerste vraag was geweest wanneer hij weer terug kon gaan! Wat deed het er toe al bleef hij een week; als hij maar de oogen van Bob kon genezen, als hij Bob maar het gezicht terug gaf! Ik kon de gedachte niet van mij afzetten, dat als die man niet zijn uiterste krachten inspande, dan zou hij ’s middags weer heentrekken met zijn valies en dan zou Bob misschien levenslang blind blijven.Terwijl die mogelijkheid me als radeloos maakte, barstte ik hartstochtelijk uit. Ik riep dat alles mijn schuld was, dat ik het had gedaan en dat—als hij blind bleef—dat ik hem dan levenslang ongelukkig had gemaakt. Ik vertelde hem wat voor een nobel prachtig karakter hij had en dat hij niet blind mòcht worden. Ik zei dat ik een massa geld bezat en dat ik aan mijn voogden zooveel zou vragen als hij maar wilde hebben, als hij maar bleef totdat hij Bob had beter gemaakt. Ik zei nog een massa meer, dingen die al of niet iets met de zaak hadden uit te staan, totdat een snik opwelde uit mijn keel en ik geen klank meer kon uitbrengen.Dr.Lloydhad eenige malen getracht den woordenstroom te stuiten, doch ik had hoegenaamd geen aandacht aan hem geschonken. Hij was immers niets vergeleken bij den beroemden Londenschen dokter die het levenslot van Bob in handen had. Geen spier van zijn gelaat vertrok toen ik zoo hartstochtelijk tegen hem uitviel, al dien tijd had hij me staan aankijken met dien koel-nieuwsgierigen blik.„Wie is die jongen?” vroeg hij aan Dr.Lloyd.„Ik heb het gedaan,” bracht ik snikkend uit.„Zoo!” zei Dr. Robertson, „je schijnt nog al driftig uitgevallen. Volgens Dokter—hoe heet u ook weer—o ja, volgens Dr.Lloydis het een hoogst ernstig geval. Ik geef echter de hoop nog niet op, dat een operatiemogelijkis.”„En als die wel mogelijk is; als—”„U zei dat hij in allebei de oogen glas kreeg is het niet, dokter? Dat maakt de zaak bedenkelijk. Maar ik beloof je, jongen, dat we zullen doen wat we kunnen. We mogen onzen tijd nu niet langer verpraten, dokter.”Toen ze weg reden begreep ik dat Dr.Lloydverontschuldigingen aanvoerde voor mijn handelwijze, en er zat voor mij niets anders op dan om naar school terug te rennen; de ontmoeting met den beroemden man had me niet in het minst getroost of opgebeurd.„W-waar b-ben je geweest?” vroeg Burns, toen ik nog bijtijds kwam aanzetten voor het ontbijt; „Kijkers heeft gemerkt dat je er n-niet was bij het ochtend-g-gebed.”„O Burns, ik heb den man gezien,” riep ik uit. „Het kan den vent geen zier schelen. Hij heeft geen hart in z’n lijf; hij denkt er alleen maar aan hoe gauw hij weer terug zal kunnen gaan. Hij geeft geen steek om Bob—of om mij.”Burns kon hierop alleen maar antwoorden dat het „zielig” was.Toen we het binnenplein overstaken omdat de ochtendschool zou beginnen, zagen we het rijtuig den stal binnenrijden.„K-Kolman is hem tegemoet gegaan,” fluisterde Burns, toen we op onze plaatsen gingen zitten.Ik stelde me het onderhoud voor: Dr.Lloyddruk en beweeglijk; de chef rustig, beleefd en ernstig en de groote man zou beiden koel en onverschillig aankijken, terwijl hij er alleen maar aan dacht om zijn trein te halen.Met hun drieën zag ik hen in verbeelding naar de ziekenzaal trekken. Ik vroeg me af hoe het Bob te moede zou zijn als ze kwamen aanzetten en als Dr. Robertson alles begon gereed te maken voor het onderzoek.Ik zag hem het zwarte valies uitpakken en de instrumenten uitspreiden. Over enkele minuten zou de operateur beslissen of er kans op redding bestond of niet.Als het hopeloos was, dan zou hij zijn valies wederom inpakken en vertrekken. Door het open raam hoorde ik het kraken van het grint, daar de staljongen het paard liet heen en weer stappen. Met kloppend hart luisterde ik of het rijtuig niet stil hield en wegreed.Het eene kwartier na het andere verstreek. Onafgebroken tuurde ik op de klok in de klas. Wat zouden ze nu doen? Zou Bob vreeselijke pijnen moeten uitstaan? Zou er nog hoop zijn op redding? Een vurig gebed zond ik op dat de beroemde dokter ditmaal nog schitterender zou opereeren dan hij ooit in zijn leven had gedaan en dat hij Bob zou beter maken...Toen de morgen bijna was verstreken en de minuten al langzamer en langzamer begonnen te kruipen werd een briefje gebracht aan mijnheer Wilson. De leeraar liep naar me toe en zei op rustigen toon: „Mijnheer Kolman wil je spreken, Ellinghem.”Ik dacht dat bij den chef over me was geklaagd, omdat ik in de laatste dagen mijn werk schandelijk had veronachtzaamd; alles liet me echter onverschillig; met loome schreden begaf ik me naar het studeervertrek.Toen ik dit naderde zag ik dat de chef de kamer juist uitging in tegenovergestelde richting, zoodat hij me niet had zien aankomen.Toen klopte ik op de deur, daar ik niet wist of iemand anders zich misschien in het vertrek bevond. Dit bleek het geval, want onmiddellijk werd: „Binnen” geroepen!Bij den haard zag ik tot mijn verbazing de beroemde specialiteit staan, koeler en onverschilliger dan ooit.Een vraag brandde me op de lippen, doch toen ik een blik wierp op dat koude gelaat kon ik geen klank uitbrengen.„Mijnheer Kolman heeft me laten roepen,” zei ik eindelijk; „maar—”„Hij deed dit op mijn verzoek,” viel Dr. Robertson in, terwijl een schalksche uitdrukking in zijn oogen verscheen. „Het is in orde, jongen; je vriend zal beter worden. De operatie is prachtig gelukt; ik vond dat jij het goede nieuws wel het eerst mocht hooren.”Ik greep een stoel en ging zitten, want de kamer en de meubels schenen plotseling in het rond te draaien. Ik wilde spreken en hem danken, doch ik kon geen woord uitbrengen.„Die vriend van je is een beste, dappere vent,” hernam Dr. Robertson die me onafgebroken bleef aanzien; „het zou zonde en jammer zijn geweest van den jongen; maar het is alles prachtig gegaan. Hij zal weer zoo goed kunnen kijken als de beste. Op zoo’n vriend mag je trotsch zijn; een volgenden keer zal je wel niet zoo gauw een glazen deur stuk slaan, denk ik. O, mijnheer Kolman, kunnen we gaan?” voegde hij er bij toen de chef binnen kwam.„Ja, het rijtuig staat voor,” antwoordde de heer Kolman.„Dan zullen we maar instappen,” hernam hij op een toon die wederom even koel en afgemeten klonk. Samen verlieten ze het vertrek, waar ik nu alleen achterbleef; toen Dr. Robertson al bij de deur stond keerde hij zich nog even naar mij om en, terwijl de zweem van een glimlach op zijn gelaat verscheen, zei hij: „Ikzal je maar niet herinneren aan de belooning die je me hebt beloofd.”
HOOFDSTUK XXVII.DE SPECIALITEIT.
Dien nacht kon ik den slaap niet vatten. Ik lag te luisteren naar de lange galmende slagen van de schoolklok terwijl ik me voortdurend afvroeg of Bob nu ook wakker zou liggen—hiervan was ik bijna zeker—en telkens en telkens drong zich de vurige wensch aan me op dat ik het gebeurde ongedaan zou kunnen maken.Eindelijk scheen ik toch in slaap te zijn gevallen, want ik herinner me dat ik in den donkeren wintermorgen ontwaakte met een vaag gevoel dat er iets vreeselijks was gebeurd. Plotseling schoot alles me weer te binnen:Bob was blind gemaakt door mijn schuld; ik had zijn leven verwoest; volgens zijn eigen zeggen zou het beter zijn geweest als ik hem maar had gedood.Ik stond op hoewel het pikdonker was en de anderen nog sliepen. Toen ik buiten kwam in de kille ochtendlucht waren de sterren nog niet verdwenen. Ik vroeg me af of Bob die ooit weer zou zien schijnen. Het leek me zoo vreeselijk dat ik in een oogenblik van waanzinnige drift zulk onherstelbaar leed had berokkend aan mijn besten vriend.In de laatste dagen had ik het met de leeraren aan den stok omdat ik mijn werk veronachtzaamde, doch dit liet me allemaal even onverschillig. Plotseling kwam ik op een inval. Onmiddellijk zette ik het op een loopen naar het station.Hoe laat zou die beroemde specialiteit uit Londen aankomen?Ik keek de lijst na en zag dat de nachttrein binnen het uur werd verwacht.Al dien tijd liep ik over het perron te drentelen, terwijl een slaperige kruier me nu en dan een verwonderden blik toewierp, terwijl hij woest met den bezem zwaaide en het stof in wolken opjoeg. Al de advertenties had ik weldra gelezen en herlezen zoodat ik ze van buiten kende; uit de verschillende kamers en bureaux kwam een eigenaardig benauwde lucht naar me toe; aan het einde van het perron brandde een sissende gasvlam en daar deed de koude wind snippers papier opdwarrelen die tusschen de rails lagen; in de verte hoorde ik de zee klotsen en ik vernam het klikken van een telegraaf-toestel; een jongen floot een deuntje terwijl hij de knoppen en krukken stond te poetsen en al maar bleef ik heen en weer loopen op het perron terwijl het langzamerhand lichter begon te worden.Toen het uur van aankomst naderde kwam er leven op het perron. De kruiers verschenen; de meesten geeuwend. Het sein-toestel buiten begon te klingelen.„Hij komt er aan!” zei een van de kruiers die uit alle macht een bel ging luiden, ofschoon ik de eenige persoon was die zich op het perron bevond.Ik hoorde nu het geratel van wielen en een oogenblik later verscheen Dr.Lloyd, de dokter van St. Martin. Hij zag er even dik en gezond en vroolijk uit als anders; op vriendelijken toon wenschte hij den stationschef goeden morgen en vroeg of de trein precies op tijd zou binnenrijden. Hij kwam natuurlijk den beroemden Robertson afhalen, maar dat hij onder deze omstandigheden zich zoo vroolijk kon voordoen, dat leek me een raadsel. Hij sprak over het feit dat de treinen zich zoo dikwijls verlaten, en over den afstand tusschen St. Martin en Londen, en over allerlei onbelangrijke onderwerpen meer, alsof in die duistere ziekenzaal geen armeBob was die op de uitspraak van het vonnis lag te wachten.„Hij komt er aan!” zei de stationschef toen een stoomwolk kronkelde om de bocht van den weg.Mijn hart begon onrustig te kloppen.In den trein zaten maar enkele menschen—slechts één passagier eerste klas. Op die coupé vlogen de kruiers aan om den knop van het portier om te draaien, terwijl Dr.Lloydmet eenigszins verhoogde kleur naderbij kwam, gevolgd door den stationschef die eerbiedig in positie ging staan.De passagier stapte op zijn doode gemak uit; de plechtige ontvangst scheen hoegenaamd geen indruk op hem te maken.Het was een groote magere man met een langwerpig gladgeschoren gezicht; hij had een langen neus en kleine spleetjes van oogen zonder eenige bepaalde uitdrukking. Het was mogelijk dat ik zoo dwaas was geweest om me te verbeelden dat ik aan zijn gezicht zou kunnen zien of hij Bob zou kunnen beter maken of niet, maar ik begreep terstond hoe onzinnig die inval was geweest. De specialiteit droeg een lange prachtige pelsjas; over den rechterarm had hij een bonte reisdeken geslagen en in de linkerhand hield hij een zwart valies, waarop mijn oogen onafgebroken bleven turen. De instrumenten die in de tasch zaten zouden beslissen over het lot van Bob!Ik begon te beseffen wat voor beroemdheid die Dr. Robertson was toen ik zag met welk een eerbied hij werd begroet door Dr.Lloyddie zichzelf waarlijk niet weggooide. De kruiers vlogen letterlijk voor hem en de stationschef scheen zeer vereerd toen het woord tot hem werd gericht.Want de specialiteit schonk eerst weinig aandacht aan den buigenden Dr.Lloyd. „Hoe laat kan ik terug?” vroeg hij aan den chef. „Wanneer gaat de volgende trein?”De stationschef beijverde zich om hem op de hoogte te brengen, waarna Dr.Lloydwederom eerbiedig het woordnam en den grooten man al buigend aansprak als mijnheer en niet als „Dr.” Robertson.„Ja, het is koud,” zei Dr. Robertson op tamelijk onverschilligen toon.„U wilt zeker eerst ontbijten?” vroeg Dr.Lloyd.Dr.Lloydwilde niet dat een van de kruiers de bonte reisdeken met een vinger aanraakte; hij nam dien zelf aan; ook het valies waarvoor hij blijkbaar een eerbied gevoelde alsof het de heiligste relieken bevatte.„Ja, graag,” antwoordde de heer Robertson, „maar het is de vraag of ik er tijd voor zal hebben. Is het ver?”„Mijn rijtuig staat buiten,” antwoordde Dr.Lloyd.„Is het een ernstig geval?” vroeg de heer Robertson.„Buitengewoon ernstig,” klonk het antwoord.Ze naderden intusschen al meer en meer den uitgang, en ik liep achter hen aan met een vast besluit.„Zoo buitengewoon ernstig,” herhaalde Robertson.Toen stelde hij eenige technische vragen die ik niet begreep en waarop Dr.Lloydmet groote woordenrijkheid en eveneens in technische termen antwoordde, zoodat ik niets wijzer werd uit hun gesprek, maar ik ving het woord „glas” op, zoodat ik begreep dat Dr.Lloydhem op de hoogte bracht. De beroemde man scheen nu voor het eerst belangstelling te toonen, al zei hij niet veel meer dan „„hm”” en „„zoo.””Ze hadden nu het station verlaten en begaven zich naar het rijtuig—ditmaal was het de landauer—die hier stond te wachten. Het was nu of nooit.Dr.Lloydrende er op af om het portier open te doen, en nu ging ik vlak voor Dr. Robertson staan.„Wat is er?” vroeg hij.De moed ontzonk me toen ik den koelen blik op mij zag gericht, maar ik was vast besloten om te zeggen wat ik te zeggen had, want ik gevoelde dat hij te weinig belangstelde in het geval. Hij kon spreken over onbeduidende dingen als kou en ontbijten, en zijn eerste vraag was geweest wanneer hij weer terug kon gaan! Wat deed het er toe al bleef hij een week; als hij maar de oogen van Bob kon genezen, als hij Bob maar het gezicht terug gaf! Ik kon de gedachte niet van mij afzetten, dat als die man niet zijn uiterste krachten inspande, dan zou hij ’s middags weer heentrekken met zijn valies en dan zou Bob misschien levenslang blind blijven.Terwijl die mogelijkheid me als radeloos maakte, barstte ik hartstochtelijk uit. Ik riep dat alles mijn schuld was, dat ik het had gedaan en dat—als hij blind bleef—dat ik hem dan levenslang ongelukkig had gemaakt. Ik vertelde hem wat voor een nobel prachtig karakter hij had en dat hij niet blind mòcht worden. Ik zei dat ik een massa geld bezat en dat ik aan mijn voogden zooveel zou vragen als hij maar wilde hebben, als hij maar bleef totdat hij Bob had beter gemaakt. Ik zei nog een massa meer, dingen die al of niet iets met de zaak hadden uit te staan, totdat een snik opwelde uit mijn keel en ik geen klank meer kon uitbrengen.Dr.Lloydhad eenige malen getracht den woordenstroom te stuiten, doch ik had hoegenaamd geen aandacht aan hem geschonken. Hij was immers niets vergeleken bij den beroemden Londenschen dokter die het levenslot van Bob in handen had. Geen spier van zijn gelaat vertrok toen ik zoo hartstochtelijk tegen hem uitviel, al dien tijd had hij me staan aankijken met dien koel-nieuwsgierigen blik.„Wie is die jongen?” vroeg hij aan Dr.Lloyd.„Ik heb het gedaan,” bracht ik snikkend uit.„Zoo!” zei Dr. Robertson, „je schijnt nog al driftig uitgevallen. Volgens Dokter—hoe heet u ook weer—o ja, volgens Dr.Lloydis het een hoogst ernstig geval. Ik geef echter de hoop nog niet op, dat een operatiemogelijkis.”„En als die wel mogelijk is; als—”„U zei dat hij in allebei de oogen glas kreeg is het niet, dokter? Dat maakt de zaak bedenkelijk. Maar ik beloof je, jongen, dat we zullen doen wat we kunnen. We mogen onzen tijd nu niet langer verpraten, dokter.”Toen ze weg reden begreep ik dat Dr.Lloydverontschuldigingen aanvoerde voor mijn handelwijze, en er zat voor mij niets anders op dan om naar school terug te rennen; de ontmoeting met den beroemden man had me niet in het minst getroost of opgebeurd.„W-waar b-ben je geweest?” vroeg Burns, toen ik nog bijtijds kwam aanzetten voor het ontbijt; „Kijkers heeft gemerkt dat je er n-niet was bij het ochtend-g-gebed.”„O Burns, ik heb den man gezien,” riep ik uit. „Het kan den vent geen zier schelen. Hij heeft geen hart in z’n lijf; hij denkt er alleen maar aan hoe gauw hij weer terug zal kunnen gaan. Hij geeft geen steek om Bob—of om mij.”Burns kon hierop alleen maar antwoorden dat het „zielig” was.Toen we het binnenplein overstaken omdat de ochtendschool zou beginnen, zagen we het rijtuig den stal binnenrijden.„K-Kolman is hem tegemoet gegaan,” fluisterde Burns, toen we op onze plaatsen gingen zitten.Ik stelde me het onderhoud voor: Dr.Lloyddruk en beweeglijk; de chef rustig, beleefd en ernstig en de groote man zou beiden koel en onverschillig aankijken, terwijl hij er alleen maar aan dacht om zijn trein te halen.Met hun drieën zag ik hen in verbeelding naar de ziekenzaal trekken. Ik vroeg me af hoe het Bob te moede zou zijn als ze kwamen aanzetten en als Dr. Robertson alles begon gereed te maken voor het onderzoek.Ik zag hem het zwarte valies uitpakken en de instrumenten uitspreiden. Over enkele minuten zou de operateur beslissen of er kans op redding bestond of niet.Als het hopeloos was, dan zou hij zijn valies wederom inpakken en vertrekken. Door het open raam hoorde ik het kraken van het grint, daar de staljongen het paard liet heen en weer stappen. Met kloppend hart luisterde ik of het rijtuig niet stil hield en wegreed.Het eene kwartier na het andere verstreek. Onafgebroken tuurde ik op de klok in de klas. Wat zouden ze nu doen? Zou Bob vreeselijke pijnen moeten uitstaan? Zou er nog hoop zijn op redding? Een vurig gebed zond ik op dat de beroemde dokter ditmaal nog schitterender zou opereeren dan hij ooit in zijn leven had gedaan en dat hij Bob zou beter maken...Toen de morgen bijna was verstreken en de minuten al langzamer en langzamer begonnen te kruipen werd een briefje gebracht aan mijnheer Wilson. De leeraar liep naar me toe en zei op rustigen toon: „Mijnheer Kolman wil je spreken, Ellinghem.”Ik dacht dat bij den chef over me was geklaagd, omdat ik in de laatste dagen mijn werk schandelijk had veronachtzaamd; alles liet me echter onverschillig; met loome schreden begaf ik me naar het studeervertrek.Toen ik dit naderde zag ik dat de chef de kamer juist uitging in tegenovergestelde richting, zoodat hij me niet had zien aankomen.Toen klopte ik op de deur, daar ik niet wist of iemand anders zich misschien in het vertrek bevond. Dit bleek het geval, want onmiddellijk werd: „Binnen” geroepen!Bij den haard zag ik tot mijn verbazing de beroemde specialiteit staan, koeler en onverschilliger dan ooit.Een vraag brandde me op de lippen, doch toen ik een blik wierp op dat koude gelaat kon ik geen klank uitbrengen.„Mijnheer Kolman heeft me laten roepen,” zei ik eindelijk; „maar—”„Hij deed dit op mijn verzoek,” viel Dr. Robertson in, terwijl een schalksche uitdrukking in zijn oogen verscheen. „Het is in orde, jongen; je vriend zal beter worden. De operatie is prachtig gelukt; ik vond dat jij het goede nieuws wel het eerst mocht hooren.”Ik greep een stoel en ging zitten, want de kamer en de meubels schenen plotseling in het rond te draaien. Ik wilde spreken en hem danken, doch ik kon geen woord uitbrengen.„Die vriend van je is een beste, dappere vent,” hernam Dr. Robertson die me onafgebroken bleef aanzien; „het zou zonde en jammer zijn geweest van den jongen; maar het is alles prachtig gegaan. Hij zal weer zoo goed kunnen kijken als de beste. Op zoo’n vriend mag je trotsch zijn; een volgenden keer zal je wel niet zoo gauw een glazen deur stuk slaan, denk ik. O, mijnheer Kolman, kunnen we gaan?” voegde hij er bij toen de chef binnen kwam.„Ja, het rijtuig staat voor,” antwoordde de heer Kolman.„Dan zullen we maar instappen,” hernam hij op een toon die wederom even koel en afgemeten klonk. Samen verlieten ze het vertrek, waar ik nu alleen achterbleef; toen Dr. Robertson al bij de deur stond keerde hij zich nog even naar mij om en, terwijl de zweem van een glimlach op zijn gelaat verscheen, zei hij: „Ikzal je maar niet herinneren aan de belooning die je me hebt beloofd.”
Dien nacht kon ik den slaap niet vatten. Ik lag te luisteren naar de lange galmende slagen van de schoolklok terwijl ik me voortdurend afvroeg of Bob nu ook wakker zou liggen—hiervan was ik bijna zeker—en telkens en telkens drong zich de vurige wensch aan me op dat ik het gebeurde ongedaan zou kunnen maken.
Eindelijk scheen ik toch in slaap te zijn gevallen, want ik herinner me dat ik in den donkeren wintermorgen ontwaakte met een vaag gevoel dat er iets vreeselijks was gebeurd. Plotseling schoot alles me weer te binnen:Bob was blind gemaakt door mijn schuld; ik had zijn leven verwoest; volgens zijn eigen zeggen zou het beter zijn geweest als ik hem maar had gedood.
Ik stond op hoewel het pikdonker was en de anderen nog sliepen. Toen ik buiten kwam in de kille ochtendlucht waren de sterren nog niet verdwenen. Ik vroeg me af of Bob die ooit weer zou zien schijnen. Het leek me zoo vreeselijk dat ik in een oogenblik van waanzinnige drift zulk onherstelbaar leed had berokkend aan mijn besten vriend.
In de laatste dagen had ik het met de leeraren aan den stok omdat ik mijn werk veronachtzaamde, doch dit liet me allemaal even onverschillig. Plotseling kwam ik op een inval. Onmiddellijk zette ik het op een loopen naar het station.Hoe laat zou die beroemde specialiteit uit Londen aankomen?
Ik keek de lijst na en zag dat de nachttrein binnen het uur werd verwacht.
Al dien tijd liep ik over het perron te drentelen, terwijl een slaperige kruier me nu en dan een verwonderden blik toewierp, terwijl hij woest met den bezem zwaaide en het stof in wolken opjoeg. Al de advertenties had ik weldra gelezen en herlezen zoodat ik ze van buiten kende; uit de verschillende kamers en bureaux kwam een eigenaardig benauwde lucht naar me toe; aan het einde van het perron brandde een sissende gasvlam en daar deed de koude wind snippers papier opdwarrelen die tusschen de rails lagen; in de verte hoorde ik de zee klotsen en ik vernam het klikken van een telegraaf-toestel; een jongen floot een deuntje terwijl hij de knoppen en krukken stond te poetsen en al maar bleef ik heen en weer loopen op het perron terwijl het langzamerhand lichter begon te worden.
Toen het uur van aankomst naderde kwam er leven op het perron. De kruiers verschenen; de meesten geeuwend. Het sein-toestel buiten begon te klingelen.
„Hij komt er aan!” zei een van de kruiers die uit alle macht een bel ging luiden, ofschoon ik de eenige persoon was die zich op het perron bevond.
Ik hoorde nu het geratel van wielen en een oogenblik later verscheen Dr.Lloyd, de dokter van St. Martin. Hij zag er even dik en gezond en vroolijk uit als anders; op vriendelijken toon wenschte hij den stationschef goeden morgen en vroeg of de trein precies op tijd zou binnenrijden. Hij kwam natuurlijk den beroemden Robertson afhalen, maar dat hij onder deze omstandigheden zich zoo vroolijk kon voordoen, dat leek me een raadsel. Hij sprak over het feit dat de treinen zich zoo dikwijls verlaten, en over den afstand tusschen St. Martin en Londen, en over allerlei onbelangrijke onderwerpen meer, alsof in die duistere ziekenzaal geen armeBob was die op de uitspraak van het vonnis lag te wachten.
„Hij komt er aan!” zei de stationschef toen een stoomwolk kronkelde om de bocht van den weg.
Mijn hart begon onrustig te kloppen.
In den trein zaten maar enkele menschen—slechts één passagier eerste klas. Op die coupé vlogen de kruiers aan om den knop van het portier om te draaien, terwijl Dr.Lloydmet eenigszins verhoogde kleur naderbij kwam, gevolgd door den stationschef die eerbiedig in positie ging staan.
De passagier stapte op zijn doode gemak uit; de plechtige ontvangst scheen hoegenaamd geen indruk op hem te maken.
Het was een groote magere man met een langwerpig gladgeschoren gezicht; hij had een langen neus en kleine spleetjes van oogen zonder eenige bepaalde uitdrukking. Het was mogelijk dat ik zoo dwaas was geweest om me te verbeelden dat ik aan zijn gezicht zou kunnen zien of hij Bob zou kunnen beter maken of niet, maar ik begreep terstond hoe onzinnig die inval was geweest. De specialiteit droeg een lange prachtige pelsjas; over den rechterarm had hij een bonte reisdeken geslagen en in de linkerhand hield hij een zwart valies, waarop mijn oogen onafgebroken bleven turen. De instrumenten die in de tasch zaten zouden beslissen over het lot van Bob!
Ik begon te beseffen wat voor beroemdheid die Dr. Robertson was toen ik zag met welk een eerbied hij werd begroet door Dr.Lloyddie zichzelf waarlijk niet weggooide. De kruiers vlogen letterlijk voor hem en de stationschef scheen zeer vereerd toen het woord tot hem werd gericht.
Want de specialiteit schonk eerst weinig aandacht aan den buigenden Dr.Lloyd. „Hoe laat kan ik terug?” vroeg hij aan den chef. „Wanneer gaat de volgende trein?”
De stationschef beijverde zich om hem op de hoogte te brengen, waarna Dr.Lloydwederom eerbiedig het woordnam en den grooten man al buigend aansprak als mijnheer en niet als „Dr.” Robertson.
„Ja, het is koud,” zei Dr. Robertson op tamelijk onverschilligen toon.
„U wilt zeker eerst ontbijten?” vroeg Dr.Lloyd.
Dr.Lloydwilde niet dat een van de kruiers de bonte reisdeken met een vinger aanraakte; hij nam dien zelf aan; ook het valies waarvoor hij blijkbaar een eerbied gevoelde alsof het de heiligste relieken bevatte.
„Ja, graag,” antwoordde de heer Robertson, „maar het is de vraag of ik er tijd voor zal hebben. Is het ver?”
„Mijn rijtuig staat buiten,” antwoordde Dr.Lloyd.
„Is het een ernstig geval?” vroeg de heer Robertson.
„Buitengewoon ernstig,” klonk het antwoord.
Ze naderden intusschen al meer en meer den uitgang, en ik liep achter hen aan met een vast besluit.
„Zoo buitengewoon ernstig,” herhaalde Robertson.
Toen stelde hij eenige technische vragen die ik niet begreep en waarop Dr.Lloydmet groote woordenrijkheid en eveneens in technische termen antwoordde, zoodat ik niets wijzer werd uit hun gesprek, maar ik ving het woord „glas” op, zoodat ik begreep dat Dr.Lloydhem op de hoogte bracht. De beroemde man scheen nu voor het eerst belangstelling te toonen, al zei hij niet veel meer dan „„hm”” en „„zoo.””
Ze hadden nu het station verlaten en begaven zich naar het rijtuig—ditmaal was het de landauer—die hier stond te wachten. Het was nu of nooit.
Dr.Lloydrende er op af om het portier open te doen, en nu ging ik vlak voor Dr. Robertson staan.
„Wat is er?” vroeg hij.
De moed ontzonk me toen ik den koelen blik op mij zag gericht, maar ik was vast besloten om te zeggen wat ik te zeggen had, want ik gevoelde dat hij te weinig belangstelde in het geval. Hij kon spreken over onbeduidende dingen als kou en ontbijten, en zijn eerste vraag was geweest wanneer hij weer terug kon gaan! Wat deed het er toe al bleef hij een week; als hij maar de oogen van Bob kon genezen, als hij Bob maar het gezicht terug gaf! Ik kon de gedachte niet van mij afzetten, dat als die man niet zijn uiterste krachten inspande, dan zou hij ’s middags weer heentrekken met zijn valies en dan zou Bob misschien levenslang blind blijven.
Terwijl die mogelijkheid me als radeloos maakte, barstte ik hartstochtelijk uit. Ik riep dat alles mijn schuld was, dat ik het had gedaan en dat—als hij blind bleef—dat ik hem dan levenslang ongelukkig had gemaakt. Ik vertelde hem wat voor een nobel prachtig karakter hij had en dat hij niet blind mòcht worden. Ik zei dat ik een massa geld bezat en dat ik aan mijn voogden zooveel zou vragen als hij maar wilde hebben, als hij maar bleef totdat hij Bob had beter gemaakt. Ik zei nog een massa meer, dingen die al of niet iets met de zaak hadden uit te staan, totdat een snik opwelde uit mijn keel en ik geen klank meer kon uitbrengen.
Dr.Lloydhad eenige malen getracht den woordenstroom te stuiten, doch ik had hoegenaamd geen aandacht aan hem geschonken. Hij was immers niets vergeleken bij den beroemden Londenschen dokter die het levenslot van Bob in handen had. Geen spier van zijn gelaat vertrok toen ik zoo hartstochtelijk tegen hem uitviel, al dien tijd had hij me staan aankijken met dien koel-nieuwsgierigen blik.
„Wie is die jongen?” vroeg hij aan Dr.Lloyd.
„Ik heb het gedaan,” bracht ik snikkend uit.
„Zoo!” zei Dr. Robertson, „je schijnt nog al driftig uitgevallen. Volgens Dokter—hoe heet u ook weer—o ja, volgens Dr.Lloydis het een hoogst ernstig geval. Ik geef echter de hoop nog niet op, dat een operatiemogelijkis.”
„En als die wel mogelijk is; als—”
„U zei dat hij in allebei de oogen glas kreeg is het niet, dokter? Dat maakt de zaak bedenkelijk. Maar ik beloof je, jongen, dat we zullen doen wat we kunnen. We mogen onzen tijd nu niet langer verpraten, dokter.”
Toen ze weg reden begreep ik dat Dr.Lloydverontschuldigingen aanvoerde voor mijn handelwijze, en er zat voor mij niets anders op dan om naar school terug te rennen; de ontmoeting met den beroemden man had me niet in het minst getroost of opgebeurd.
„W-waar b-ben je geweest?” vroeg Burns, toen ik nog bijtijds kwam aanzetten voor het ontbijt; „Kijkers heeft gemerkt dat je er n-niet was bij het ochtend-g-gebed.”
„O Burns, ik heb den man gezien,” riep ik uit. „Het kan den vent geen zier schelen. Hij heeft geen hart in z’n lijf; hij denkt er alleen maar aan hoe gauw hij weer terug zal kunnen gaan. Hij geeft geen steek om Bob—of om mij.”
Burns kon hierop alleen maar antwoorden dat het „zielig” was.
Toen we het binnenplein overstaken omdat de ochtendschool zou beginnen, zagen we het rijtuig den stal binnenrijden.
„K-Kolman is hem tegemoet gegaan,” fluisterde Burns, toen we op onze plaatsen gingen zitten.
Ik stelde me het onderhoud voor: Dr.Lloyddruk en beweeglijk; de chef rustig, beleefd en ernstig en de groote man zou beiden koel en onverschillig aankijken, terwijl hij er alleen maar aan dacht om zijn trein te halen.
Met hun drieën zag ik hen in verbeelding naar de ziekenzaal trekken. Ik vroeg me af hoe het Bob te moede zou zijn als ze kwamen aanzetten en als Dr. Robertson alles begon gereed te maken voor het onderzoek.
Ik zag hem het zwarte valies uitpakken en de instrumenten uitspreiden. Over enkele minuten zou de operateur beslissen of er kans op redding bestond of niet.
Als het hopeloos was, dan zou hij zijn valies wederom inpakken en vertrekken. Door het open raam hoorde ik het kraken van het grint, daar de staljongen het paard liet heen en weer stappen. Met kloppend hart luisterde ik of het rijtuig niet stil hield en wegreed.
Het eene kwartier na het andere verstreek. Onafgebroken tuurde ik op de klok in de klas. Wat zouden ze nu doen? Zou Bob vreeselijke pijnen moeten uitstaan? Zou er nog hoop zijn op redding? Een vurig gebed zond ik op dat de beroemde dokter ditmaal nog schitterender zou opereeren dan hij ooit in zijn leven had gedaan en dat hij Bob zou beter maken...
Toen de morgen bijna was verstreken en de minuten al langzamer en langzamer begonnen te kruipen werd een briefje gebracht aan mijnheer Wilson. De leeraar liep naar me toe en zei op rustigen toon: „Mijnheer Kolman wil je spreken, Ellinghem.”
Ik dacht dat bij den chef over me was geklaagd, omdat ik in de laatste dagen mijn werk schandelijk had veronachtzaamd; alles liet me echter onverschillig; met loome schreden begaf ik me naar het studeervertrek.
Toen ik dit naderde zag ik dat de chef de kamer juist uitging in tegenovergestelde richting, zoodat hij me niet had zien aankomen.
Toen klopte ik op de deur, daar ik niet wist of iemand anders zich misschien in het vertrek bevond. Dit bleek het geval, want onmiddellijk werd: „Binnen” geroepen!
Bij den haard zag ik tot mijn verbazing de beroemde specialiteit staan, koeler en onverschilliger dan ooit.
Een vraag brandde me op de lippen, doch toen ik een blik wierp op dat koude gelaat kon ik geen klank uitbrengen.
„Mijnheer Kolman heeft me laten roepen,” zei ik eindelijk; „maar—”
„Hij deed dit op mijn verzoek,” viel Dr. Robertson in, terwijl een schalksche uitdrukking in zijn oogen verscheen. „Het is in orde, jongen; je vriend zal beter worden. De operatie is prachtig gelukt; ik vond dat jij het goede nieuws wel het eerst mocht hooren.”
Ik greep een stoel en ging zitten, want de kamer en de meubels schenen plotseling in het rond te draaien. Ik wilde spreken en hem danken, doch ik kon geen woord uitbrengen.
„Die vriend van je is een beste, dappere vent,” hernam Dr. Robertson die me onafgebroken bleef aanzien; „het zou zonde en jammer zijn geweest van den jongen; maar het is alles prachtig gegaan. Hij zal weer zoo goed kunnen kijken als de beste. Op zoo’n vriend mag je trotsch zijn; een volgenden keer zal je wel niet zoo gauw een glazen deur stuk slaan, denk ik. O, mijnheer Kolman, kunnen we gaan?” voegde hij er bij toen de chef binnen kwam.
„Ja, het rijtuig staat voor,” antwoordde de heer Kolman.
„Dan zullen we maar instappen,” hernam hij op een toon die wederom even koel en afgemeten klonk. Samen verlieten ze het vertrek, waar ik nu alleen achterbleef; toen Dr. Robertson al bij de deur stond keerde hij zich nog even naar mij om en, terwijl de zweem van een glimlach op zijn gelaat verscheen, zei hij: „Ikzal je maar niet herinneren aan de belooning die je me hebt beloofd.”