HOOFDSTUK XXVIII.

HOOFDSTUK XXVIII.GERED.Het was de eerste dag van de zomervacantie; Bob en ik zijn aan het station Ootlie uitgestapt en rijden met den ouden Tetsjer in de richting van Mallorie.„Precies als twee jaar geleden,” zei Bob na een lange stilte.„Ik kan het bijna niet gelooven,” antwoordde ik.„Hier was het zoowat dat ik het paard tegenhield van dien man met dat roode haar,” hernam Bob.„Juist, mijnheer,” viel Tetsjer in; „zoo’n kranig stukje heb ik nooit van m’n leven meer gezien.”„En ik kreeg zoo’n gekke gewaarwording toen je je naam noemde,” ging Bob voort; „dat herinner ik me best.”„En ik kon in de verste verte niet vermoeden dat jij mijn familie van naam kende,” zei ik.„Toen ik wist dat jij Ellinghem heette, twijfelde ik een oogenblik of ik je wel zou zeggen wie ik was, want ik was bang dat de heele boel zou uitkomen.”„Ik wist toen van niets,” zei ik.„Dat leek me onbegrijpelijk,” hernam Bob, „want ik wist alles en was alleen maar hier naar toegekomen om eens poolshoogte te nemen.”„Stel je voor dat je dit niet hadt gedaan; dan zou ik niet op St. Martin zijn gekomen en dan zou jij niet—”„Och laat die veronderstelling maar rusten,” merkte Bob wijsgeerig op.Hij verzonk wederom in gepeins toen we Mallorie naderden; ik zweeg ook. Tetsjer was de eenige die nu en dan een opmerking maakte. Bob kwam niet bij me logeeren; hij zou maar één nacht overblijven op mijn dringend verlangen, daar hij op weg was om eenige vrienden te bezoeken uit Canada, die voor een tijd in de nabijheid van Mallorie waren komen wonen. En hij scheen er nog zelfs op tegen te hebben om dien eenen nacht bij mij door te brengen. Nooit had hij ronduit en openlijk willen spreken over het drama dat ik uit die couranten-uitknipsels had vernomen en dat ons beiden tot weezen had gemaakt. Misschien drongen dezelfde sombere gedachten zich ook aan hem op toen we de plek naderden waar het ongeluk was gebeurd.Nu en dan verbraken we de stilte om de een of andere onbeteekenende vraag aan Tetsjer te stellen.„Hoe maken de Horners het?” vroeg ik toen we het huis in het gezicht kregen; ik had dit natuurlijk eerder moeten vragen en wilde het nu goed maken.„O, die zijn dik en gezond,” antwoordde Tetsjer; „van de Horners kom je anders niet veel te weten,” voegde hij erbij.„Zeg heb je ze gewaarschuwd dat ik meekom?” fluisterde Bob me toe. „Anders schrikt de man zich opnieuw een ongeluk.”„Ja, ik heb het geschreven,” antwoordde ik. „Maar begrijp jij waarom hij toen zoo schrok? Hij kende je toch niet.”„Nee, dat is zoo,” gaf Bob toe. „Maar ik kan de reden toch wel vermoeden.”„Waarom?” vroeg ik verwonderd.„Begrijp je dat niet?”„Nee, ik snap niet dat...”„Ik lijk precies op hem,” viel Bob me in de rede; „dat zegt iedereen ten minste. Ik schijn het evenbeeld van mijnvader, en daarom viel de man flauw van den schrik toen hij me zag.”Bob was dien dag zoo heel anders dan gewoonlijk. Hij sprak niet op dien vroolijken opgewekten toon dien we van hem waren gewend; het kostte hem blijkbaar moeite om de woorden over de lippen te krijgen en het speet me nu dat ik erop had aangedrongen om hem mee te nemen naar een huis, waaraan zulke pijnlijke herinneringen voor hem waren verbonden.Ik wilde iets dergelijks zeggen, doch hij legde me het zwijgen op.„Laten we die oude geschiedenis nu maar laten rusten,” zei hij. „Het zou een schandaal zijn als we geen goede vrienden bleven.”Bob was altijd een goede vriend voor me geweest, maar na het ongeluk met zijn oogen had ik nog tienmaal grooter hartelijkheid van hem ondervonden. Hij zag weer even goed als ooit, maar de herinnering aan de vreeselijke angsten en spanning die ik in dien tijd had uitgestaan, lagen me nog versch in het geheugen. Soms gebeurde het nog wel dat ik wakker werd met een schok, om me af te vragen wat voor onheil ik had aangericht.Maar als zulk een hechte vriendschap tusschen twee personen bestaat, dan gevoelt men onmiddellijk als er het een of ander begint te haperen. Ik besefte dan ook duidelijk dat er iets was dat Bob wist en dat ik niet wist; het een of andere geheim was aan dat oude huis verbonden; mogelijk zou dit voor mij worden opgehelderd.Ik was zekerder dan ooit dat dit geheim bestond, toen we binnen reden door de oude hooge poort. Wederom welde die sombere gewaarwording bij me op, toen ik die lijn van gesloten ramen met luiken gewaar werd en die rechte steenen muren—alles even donker, naargeestig en geheimzinnig.„Zeg,” fluisterde Bob me in, terwijl hij zijn best deed om zijn stem zoo luchtig en natuurlijk mogelijk te doen klinken; „dat voorvaderlijk slot is misschien heel mooi, Martin, maar ik kan niet zeggen dat het een bijzonder vroolijken indruk maakt.”„Behalve het kleine gedeelte dat de Horners bewonen, ziet alles er even naar en somber uit,” antwoordde ik.„Ik heb jullie vroeger al gezegd dat het er spookt,” fluisterde de oude Tetsjer me in, toen hij het rijtuigje liet stil staan. „In het dorp zijn ze het daar allemaal over eens.”Het was waar, dat hij ons dit vroeger ook had medegedeeld, maar toch vond ik het onaangenaam dit nog eens te hooren herhaald.Met een zucht van verlichting stapte ik uit en schudde het echtpaar Horner de hand; beiden waren ons glimlachend en vriendelijk tegemoet geloopen om ons welkom te heeten. Ik wierp een onderzoekenden blik naar den ouden Horner, toen die Bob begroette en zag den man van kleur verschieten; hij wist zijn zelfbeheersching echter te bewaren; de ontroering die zich van hem had meester gemaakt, toonde hij alleen door den ouden Tetsjer snauwend eenige bevelen te geven, zoodat de man zich al brommend met onze bagage verwijderde; toen hij den hoek bij de stallen omsloeg, maakte zijn gemompel nog den indruk van het gerommel van den donder in de verte.Juffrouw Horner had de theetafel voor ons ingericht op dezelfde wijze als den vorigen keer, en ze toonde dezelfde bezorgdheid dat we honger zouden lijden.„Ik kan me niet begrijpen dat het heusch twee jaar is geleden,” zei Bob lachend; „alles is zoo precies eender.”„Ja, ik heb ook zoo’n gevoel dat wat er toen gebeurde, voor de tweede maal zal gebeuren,” zei ik.„Deze pastei is ten minste even goed en lekker,” hernam Bob, terwijl hij zich ervan bediende.„Maar we behoeven niet hetzelfde programma af te werken,” merkte ik op.„Wat bedoel je?” vroeg hij, terwijl hij me even oplettend aankeek.„Wel, dien nachtelijken tocht door het onbewoonde gedeelte natuurlijk,” antwoordde ik. „Ik dacht niet anders dan dat je een leelijken smak zou doen.”„Nu, ik zal dat een tweede maal wel laten,” zei Bob, die even huiverde.We maakten een kleine wandeling na het maal, want het was nog licht; het was echter geen heldere zomeravond; over alles scheen een somber waas te hangen, zoodat dit er niet toe bijbracht om ons in een opgewekte stemming te brengen.„Dit oord zou me op den duur zenuwachtig maken,” zei Bob, toen de avond eindelijk was verstreken en we wederom het kleine verlichte vertrek binnen gingen. „Ik ben blij dat we gauw samen onze tenten ergens zullen opslaan. Je zal hier leelijk het land krijgen, denk ik.”Het gesprek begon weldra te verflauwen. Om de verveling te verdrijven gingen we wat schaken, toen we eindelijk een oud bord uit de kast van juffrouw Horner hadden opgediept en wat oude pionnen. Maar ook dit hielp niet om ons in een opgewekter stemming te brengen.„Laten we naar bed gaan,” zei Bob eindelijk met een geeuw. „Die menschen blijven misschien voor ons op zitten. Als we lekker hebben geslapen, dan is het morgen misschien over.”„Wat is dan over?” vroeg ik met een poging om te schertsen.„Och, de heele boel is hier beroerd,” antwoordde Bob openhartig; „morgen lijkt alles misschien anders. Berg dat schaakspel maar op.”Wij sliepen in dezelfde kamers als den eersten keer. Nade Horners en elkaar goeden nacht te hebben gewenscht, begonnen we ons te ontkleeden.Ik had gedacht dat ik niet gauw zou inslapen, maar voordat ik het zelf wist was ik geraakt in dien half wakenden, half slapenden toestand en toen begon ik te droomen.Het waren vreemde, wonderlijke droomen; eindelijk kreeg ik een gewaarwording dat ik een oorverdoovend leven om mij heen vernam, en toen werden die verwarde geluiden plotseling als de slagen van een zwaren hamer, het kloppen van mijn hart. Maar even later drongen die harde metalen slagen wederom tot mij door en met een schok schrikte ik wakker, daar beneden woest een bel werd geluid terwijl ik kreten hoorde slaken.Bijna op hetzelfde oogenblik kwam Bob half gekleed de kamer binnen stormen.„Martin, sta op,” riep hij opgewonden. „Er is brand; de klok wordt geluid.”Na haastig een paar kleedingstukken te hebben aangeschoten rende ik met hem naar beneden en naar buiten. Ik denk dat het zoowat twee uur zal zijn geweest, want het begon heel flauw te schemeren, hoewel de sterren nog aan den hemel stonden.„Waar is het?” vroeg ik hijgend, want ik was nog eigenlijk niet heelemaal wakker en in het gedeelte van het gebouw waar wij onze kamers hadden was geen spoor van brand te ontdekken.„Daar!” riep Bob die de richting met den vinger aanduidde.Tot mijn ontzetting werd ik bij een van de middenvensters van de lange rij gesloten ramen met luiken een kronkelende rookkolom gewaar waar de vlammen uit lekten. Het knappen van den houten vloer en zoldering konden we zelfs op dien afstand hooren. Het glas van de bovenruiten viel nu rinkelend en kletterend naar beneden, waarna de vlammenzich een uitweg baanden om zich te voegen bij de vuurzuil die opsteeg uit het dak.Toen ik even den blik afwendde van den brand werd ik op het binnenplein een paar menschen gewaar, die angstig en verschrikt heen en weer draafden. De Horners waren naar buiten komen loopen. De oude Horner scheen radeloos; hij stond als waanzinnig van angst naar het vuur te wijzen en bracht stamelend een paar woorden uit, terwijl juffrouw Horner snerpende kreten slaakte. Tetsjer stond onderwijl uit alle macht de noodklok te luiden. Twee arbeiders, die den brand hadden gemerkt en waren komen aanrennen, zwaaiden met de armen en schreeuwden me wat toe. Als versuft en verwezen hoorde ik hen aan; het duizelde in mijn hoofd.Bob was de eenige die zijn zelfbeheersching niet had verloren. Hij gaf een van de mannen een fermen slag op den schouder, zoodat die plotseling zijn mond hield.„Heb jullie een brandweer in het dorp,” vroeg hij.„Ja,” antwoordde hij.„Dan ga je onmiddellijk waarschuwen; zeg dat ze terstond aanrukken!”„Ja,” zei de man die het op een loopen zette.„Hei!” riep Bob hem na. „Is er hier een telegraafkantoor?”„Jawel,” antwoordde de man, „maar dat is nu zeker gesloten.”„Dan maak je ze maar wakker,” zei Bob; „telegrafeer onmiddellijk om een stoom-brandspuit. Wat is het dichtstbij; Bindon? Goed. Heb je het begrepen?”„Ja,” zei de man.„Loop er dan heen zoo gauw als je kunt,” beval Bob. „Tetsjer, houd nu maar op met dat gebel! Waar is je langste ladder? Ga mee, dan kunnen we die halen!”„Om den hoek van den stal,” antwoordde Tetsjer die met tegenzin het touw los liet.„Vooruit, ga mee,” zei Bob; „en jij ook,” voegde hij er bij tegen den anderen arbeider. „En jij ook, Martin! We moeten allemaal aan het werk!”We dachten er geen van allen aan om hem te vragen wat hij van plan was. Bob deelde bevelen uit en wij gehoorzaamden.De ladder was heel lang; bij den stalmuur hing ze aan twee ijzeren haken.„Jullie moet er samen onder gaan staan,” zei Bob. „Juist zoo, dan gaat het best. Volg me maar, zoo gauw als je kunt!”Bij den stal had iemand hout staan hakken; een zware bijl was blijven liggen. Bob greep die en draafde voor ons uit. De Horners hadden zich ook bij den stoet gevoegd en renden mede.Ik wist dat zich tusschen ons en het gedeelte van het gebouw waar de brand woedde een hooge steenen muur bevond, die met een deur in den tuin uitkwam. Bob viel met zijn bijl op de deur aan, waarvan het paneel met het slot na een paar krachtige slagen aan stukken vloog, zoodat we de ladder er doorheen konden beuren.We bevonden ons nu op het grasperk voor het brandende gedeelte; glas en steenen lagen om ons heen en het gesmolten lood stroomde van het dak naar beneden.„Vooruit, aan het werk,” riep Bob, toen de ladderdragers onthutst bleven kijken naar de verwoesting die was aangericht. „Vooruit, geen sekonde hebben we te verliezen!”Het vuur verspreidde zich nu met groote snelheid. Het zou niet het gedeelte aantasten waar wij onze kamers hadden, want de wind was den anderen kant uit en wakkerde de vlammen aan die met ongelooflijke snelheid voortwoekerden. Het was duidelijk dat over enkele minuten die heele vleugel in lichte laaie zou staan en uitbranden.Het eene raam na het andere sprong kapot, waarna devlammen zich zegevierend een uitweg baanden; hier was geen redding meer mogelijk.Ik volgde Bob die nog altijd de bijl in handen hield en hielp hem de ladder dragen. Eerst nu sloeg ik acht op de woorden die de oude Horner schreiend uitstiet en die als een jammerklacht klonken, terwijl hij met zijn vrouw huilend achter ons aanliep. „Mijn arme meneer,” riep hij telkens en telkens uit; „red mijn armen meneer!”Ik dacht dat de man zijn verstand kwijt was en dat hij zich het drama, dat zich hier in vroeger jaren had afgespeeld, nu zoo levendig herinnerde dat hij daardoor de beide rampen door elkaar haspelde.Eindelijk hadden we het gedeelte van het gebouw bereikt dat niet door het vuur was aangetast.„Hier, bij dit raam,” riep Bob. „Nee, het volgende. Het is hier al te laat,” voegde hij er bij, toen wederom een venster aan stukken sprong en de vlammen naar buiten sloegen.Tusschen ons en het uiteinde van den vleugel waren nog maar vier ramen die waren gespaard. De ladder werd nu neergezet. Bob liet de bijl vallen en hielp nu de ladder mede overeind zetten tegen den muur waar ze reikte tot de ramen van de eerste verdieping.Tot nu toe had ik de bevelen van Bob stipt opgevolgd; ik stelde het volste vertrouwen in hem, maar thans vond ik het oogenblik gekomen om een woordje in het midden te brengen.„Bob,” zei ik, terwijl ik zijn arm greep, want ik zag dat hij met het oog den afstand mat tusschen de ladder en de ramen van de eerste verdieping: „Bob, je mag niets wagen voor het gebouw. Je weet dat niemand in dit gedeelte woont.”„Kijk daar eens,” zei Bob als antwoord, terwijl bij naar het venster wees.Tot mijn schrik en ontsteltenis werd ik de gedaante van een man gewaar.„O Bob, wie is dat?” riep ik uit.De oude Horner, die ook in de richting had gekeken die door Bob werd aangewezen, liet zich nu op de knieën vallen en wederom riep hij jammerend uit; „Och, mijn arme meneer! Red mijn armen meneer!”Bob schonk geen aandacht aan ons, doch met gebaren gaf hij den man voor het raam te kennen dat hij het venster moest openen of open breken en op de ladder stappen; hij begreep wat Bob van hem verlangde, want we zagen hem met beide handen aan het houtwerk schudden; zijn pogingen bleven echter vruchteloos.„Hij kan het niet doen!” riep Bob. „Het gaat niet open. Waarom slaat hij de ruiten dan niet in?”Al dien tijd stonden we te blakeren in den vuurgloed, want de brand verspreidde zich met ongelooflijke snelheid. Het was of we door stralen van de ondergaande zon werden beschenen. De man kon ons zeker heel duidelijk onderscheiden, hoewel we hem maar vaag konden zien, zoodat ik niet wist of hij oud of jong was.Op dit oogenblik gelukte het hem echter een van de paneelen stuk te slaan, zoodat hij zijn hoofd naar buiten kon steken. Het was een man van middelbaren leeftijd met een grijzen baard en grijs haar.„Sla het hout kapot!” riep Bob. „Sla het in! Vlug! Stap op de vensterbank en dan op de ladder!”De vlammen sloegen nu uit twee ramen tegelijk naar buiten.„Hij kan het niet,” riep Bob. „Hij heeft er geen kracht genoeg voor, of de schrik heeft hem verlamd!”Hij greep de bijl en zette den voet op de onderste sport van de ladder. Toen bedacht hij zich even.„Zullen we de ladder onder het volgende raam zetten?” zei hij. „Want het is best mogelijk dat hij niet bij datvenster kan komen; anders zou hij daar wel voor zijn gaan staan. We zullen het probeeren. Houd de ladder stevig vast!”Ik greep zijn arm. „Bob,” riep ik, „je mag je leven niet wagen! De brandweer komt zoo dadelijk aanrukken.”„Weet je wie het is?” vroeg hij heel kalm, terwijl hij zich omkeerde om de ladder op te klimmen.„Neen.”„Je vader.”Toen was hij uit mijn bereik verdwenen, want met de bijl in de hand was hij de ladder opgevlogen.In ademlooze spanning volgden we hem, toen hij op de vensterbank sprong en met een paar ferme slagen het houtwerk aan stukken deed vliegen. Door de opening die nu was gemaakt zagen we de donkere gestalte van den man zich afteekenen tegen den vuurgloed.„De kamer staat al in brand!” riep Tetsjer. „Het is hoog tijd.”De bijl kwam nu kletterend op den grond terecht; Bob had beide handen noodig om den man op te tillen en naar het raam te sleuren.„Hij heeft ’m op de vensterbank,” riep Tetsjer uit. „Bravo! Het is hem gelukt!”„Groote genade!” schreeuwde de arbeider. „De vlammen slaan naar buiten! Ze zijn er allebei om koud!”„Een is al op de ladder!” riep Tetsjer. „Nu zijn ze er allebei op! Houd goed vast, zeg ik je!”„De top van de ladder staat al in brand!” riep de arbeider.„Ze komen eraan,” schreeuwde Tetsjer. „Groote hemel, wat gaat dat langzaam. De vlammen zitten ze op de hielen!”„Ze zijn er, ze zijn er!” riep de landbouwer opgewonden uit.Bob die den ouden man half had gedragen, gaf hem met een zucht van verlichting over in onze uitgestrekte armen.Toen liet hij zich op den grond vallen en zei: „Als ik niet zoo sterk was, zou ik het onmogelijk hebben kunnen doen.”De oude Horner lag bij den ouden man geknield en riep al maar door: „Och mijn arme meneer, mijn goede, arme meneer!”„De kamer staat in lichte laaie!” riep Tetsjer. „Het scheelde geen haar. Uit den weg, jullie!De ladder hoeft geen dienst meer te doen. Dat hebben we ’m kranig geleverd!”„Ja, we hebben het er goed afgebracht,” viel de arbeider in.Ik luisterde ternauwernood naar hetgeen ze beweerden. Ik lag geknield naast mijn vader, die uit het rijk der dooden was herrezen.

HOOFDSTUK XXVIII.GERED.Het was de eerste dag van de zomervacantie; Bob en ik zijn aan het station Ootlie uitgestapt en rijden met den ouden Tetsjer in de richting van Mallorie.„Precies als twee jaar geleden,” zei Bob na een lange stilte.„Ik kan het bijna niet gelooven,” antwoordde ik.„Hier was het zoowat dat ik het paard tegenhield van dien man met dat roode haar,” hernam Bob.„Juist, mijnheer,” viel Tetsjer in; „zoo’n kranig stukje heb ik nooit van m’n leven meer gezien.”„En ik kreeg zoo’n gekke gewaarwording toen je je naam noemde,” ging Bob voort; „dat herinner ik me best.”„En ik kon in de verste verte niet vermoeden dat jij mijn familie van naam kende,” zei ik.„Toen ik wist dat jij Ellinghem heette, twijfelde ik een oogenblik of ik je wel zou zeggen wie ik was, want ik was bang dat de heele boel zou uitkomen.”„Ik wist toen van niets,” zei ik.„Dat leek me onbegrijpelijk,” hernam Bob, „want ik wist alles en was alleen maar hier naar toegekomen om eens poolshoogte te nemen.”„Stel je voor dat je dit niet hadt gedaan; dan zou ik niet op St. Martin zijn gekomen en dan zou jij niet—”„Och laat die veronderstelling maar rusten,” merkte Bob wijsgeerig op.Hij verzonk wederom in gepeins toen we Mallorie naderden; ik zweeg ook. Tetsjer was de eenige die nu en dan een opmerking maakte. Bob kwam niet bij me logeeren; hij zou maar één nacht overblijven op mijn dringend verlangen, daar hij op weg was om eenige vrienden te bezoeken uit Canada, die voor een tijd in de nabijheid van Mallorie waren komen wonen. En hij scheen er nog zelfs op tegen te hebben om dien eenen nacht bij mij door te brengen. Nooit had hij ronduit en openlijk willen spreken over het drama dat ik uit die couranten-uitknipsels had vernomen en dat ons beiden tot weezen had gemaakt. Misschien drongen dezelfde sombere gedachten zich ook aan hem op toen we de plek naderden waar het ongeluk was gebeurd.Nu en dan verbraken we de stilte om de een of andere onbeteekenende vraag aan Tetsjer te stellen.„Hoe maken de Horners het?” vroeg ik toen we het huis in het gezicht kregen; ik had dit natuurlijk eerder moeten vragen en wilde het nu goed maken.„O, die zijn dik en gezond,” antwoordde Tetsjer; „van de Horners kom je anders niet veel te weten,” voegde hij erbij.„Zeg heb je ze gewaarschuwd dat ik meekom?” fluisterde Bob me toe. „Anders schrikt de man zich opnieuw een ongeluk.”„Ja, ik heb het geschreven,” antwoordde ik. „Maar begrijp jij waarom hij toen zoo schrok? Hij kende je toch niet.”„Nee, dat is zoo,” gaf Bob toe. „Maar ik kan de reden toch wel vermoeden.”„Waarom?” vroeg ik verwonderd.„Begrijp je dat niet?”„Nee, ik snap niet dat...”„Ik lijk precies op hem,” viel Bob me in de rede; „dat zegt iedereen ten minste. Ik schijn het evenbeeld van mijnvader, en daarom viel de man flauw van den schrik toen hij me zag.”Bob was dien dag zoo heel anders dan gewoonlijk. Hij sprak niet op dien vroolijken opgewekten toon dien we van hem waren gewend; het kostte hem blijkbaar moeite om de woorden over de lippen te krijgen en het speet me nu dat ik erop had aangedrongen om hem mee te nemen naar een huis, waaraan zulke pijnlijke herinneringen voor hem waren verbonden.Ik wilde iets dergelijks zeggen, doch hij legde me het zwijgen op.„Laten we die oude geschiedenis nu maar laten rusten,” zei hij. „Het zou een schandaal zijn als we geen goede vrienden bleven.”Bob was altijd een goede vriend voor me geweest, maar na het ongeluk met zijn oogen had ik nog tienmaal grooter hartelijkheid van hem ondervonden. Hij zag weer even goed als ooit, maar de herinnering aan de vreeselijke angsten en spanning die ik in dien tijd had uitgestaan, lagen me nog versch in het geheugen. Soms gebeurde het nog wel dat ik wakker werd met een schok, om me af te vragen wat voor onheil ik had aangericht.Maar als zulk een hechte vriendschap tusschen twee personen bestaat, dan gevoelt men onmiddellijk als er het een of ander begint te haperen. Ik besefte dan ook duidelijk dat er iets was dat Bob wist en dat ik niet wist; het een of andere geheim was aan dat oude huis verbonden; mogelijk zou dit voor mij worden opgehelderd.Ik was zekerder dan ooit dat dit geheim bestond, toen we binnen reden door de oude hooge poort. Wederom welde die sombere gewaarwording bij me op, toen ik die lijn van gesloten ramen met luiken gewaar werd en die rechte steenen muren—alles even donker, naargeestig en geheimzinnig.„Zeg,” fluisterde Bob me in, terwijl hij zijn best deed om zijn stem zoo luchtig en natuurlijk mogelijk te doen klinken; „dat voorvaderlijk slot is misschien heel mooi, Martin, maar ik kan niet zeggen dat het een bijzonder vroolijken indruk maakt.”„Behalve het kleine gedeelte dat de Horners bewonen, ziet alles er even naar en somber uit,” antwoordde ik.„Ik heb jullie vroeger al gezegd dat het er spookt,” fluisterde de oude Tetsjer me in, toen hij het rijtuigje liet stil staan. „In het dorp zijn ze het daar allemaal over eens.”Het was waar, dat hij ons dit vroeger ook had medegedeeld, maar toch vond ik het onaangenaam dit nog eens te hooren herhaald.Met een zucht van verlichting stapte ik uit en schudde het echtpaar Horner de hand; beiden waren ons glimlachend en vriendelijk tegemoet geloopen om ons welkom te heeten. Ik wierp een onderzoekenden blik naar den ouden Horner, toen die Bob begroette en zag den man van kleur verschieten; hij wist zijn zelfbeheersching echter te bewaren; de ontroering die zich van hem had meester gemaakt, toonde hij alleen door den ouden Tetsjer snauwend eenige bevelen te geven, zoodat de man zich al brommend met onze bagage verwijderde; toen hij den hoek bij de stallen omsloeg, maakte zijn gemompel nog den indruk van het gerommel van den donder in de verte.Juffrouw Horner had de theetafel voor ons ingericht op dezelfde wijze als den vorigen keer, en ze toonde dezelfde bezorgdheid dat we honger zouden lijden.„Ik kan me niet begrijpen dat het heusch twee jaar is geleden,” zei Bob lachend; „alles is zoo precies eender.”„Ja, ik heb ook zoo’n gevoel dat wat er toen gebeurde, voor de tweede maal zal gebeuren,” zei ik.„Deze pastei is ten minste even goed en lekker,” hernam Bob, terwijl hij zich ervan bediende.„Maar we behoeven niet hetzelfde programma af te werken,” merkte ik op.„Wat bedoel je?” vroeg hij, terwijl hij me even oplettend aankeek.„Wel, dien nachtelijken tocht door het onbewoonde gedeelte natuurlijk,” antwoordde ik. „Ik dacht niet anders dan dat je een leelijken smak zou doen.”„Nu, ik zal dat een tweede maal wel laten,” zei Bob, die even huiverde.We maakten een kleine wandeling na het maal, want het was nog licht; het was echter geen heldere zomeravond; over alles scheen een somber waas te hangen, zoodat dit er niet toe bijbracht om ons in een opgewekte stemming te brengen.„Dit oord zou me op den duur zenuwachtig maken,” zei Bob, toen de avond eindelijk was verstreken en we wederom het kleine verlichte vertrek binnen gingen. „Ik ben blij dat we gauw samen onze tenten ergens zullen opslaan. Je zal hier leelijk het land krijgen, denk ik.”Het gesprek begon weldra te verflauwen. Om de verveling te verdrijven gingen we wat schaken, toen we eindelijk een oud bord uit de kast van juffrouw Horner hadden opgediept en wat oude pionnen. Maar ook dit hielp niet om ons in een opgewekter stemming te brengen.„Laten we naar bed gaan,” zei Bob eindelijk met een geeuw. „Die menschen blijven misschien voor ons op zitten. Als we lekker hebben geslapen, dan is het morgen misschien over.”„Wat is dan over?” vroeg ik met een poging om te schertsen.„Och, de heele boel is hier beroerd,” antwoordde Bob openhartig; „morgen lijkt alles misschien anders. Berg dat schaakspel maar op.”Wij sliepen in dezelfde kamers als den eersten keer. Nade Horners en elkaar goeden nacht te hebben gewenscht, begonnen we ons te ontkleeden.Ik had gedacht dat ik niet gauw zou inslapen, maar voordat ik het zelf wist was ik geraakt in dien half wakenden, half slapenden toestand en toen begon ik te droomen.Het waren vreemde, wonderlijke droomen; eindelijk kreeg ik een gewaarwording dat ik een oorverdoovend leven om mij heen vernam, en toen werden die verwarde geluiden plotseling als de slagen van een zwaren hamer, het kloppen van mijn hart. Maar even later drongen die harde metalen slagen wederom tot mij door en met een schok schrikte ik wakker, daar beneden woest een bel werd geluid terwijl ik kreten hoorde slaken.Bijna op hetzelfde oogenblik kwam Bob half gekleed de kamer binnen stormen.„Martin, sta op,” riep hij opgewonden. „Er is brand; de klok wordt geluid.”Na haastig een paar kleedingstukken te hebben aangeschoten rende ik met hem naar beneden en naar buiten. Ik denk dat het zoowat twee uur zal zijn geweest, want het begon heel flauw te schemeren, hoewel de sterren nog aan den hemel stonden.„Waar is het?” vroeg ik hijgend, want ik was nog eigenlijk niet heelemaal wakker en in het gedeelte van het gebouw waar wij onze kamers hadden was geen spoor van brand te ontdekken.„Daar!” riep Bob die de richting met den vinger aanduidde.Tot mijn ontzetting werd ik bij een van de middenvensters van de lange rij gesloten ramen met luiken een kronkelende rookkolom gewaar waar de vlammen uit lekten. Het knappen van den houten vloer en zoldering konden we zelfs op dien afstand hooren. Het glas van de bovenruiten viel nu rinkelend en kletterend naar beneden, waarna de vlammenzich een uitweg baanden om zich te voegen bij de vuurzuil die opsteeg uit het dak.Toen ik even den blik afwendde van den brand werd ik op het binnenplein een paar menschen gewaar, die angstig en verschrikt heen en weer draafden. De Horners waren naar buiten komen loopen. De oude Horner scheen radeloos; hij stond als waanzinnig van angst naar het vuur te wijzen en bracht stamelend een paar woorden uit, terwijl juffrouw Horner snerpende kreten slaakte. Tetsjer stond onderwijl uit alle macht de noodklok te luiden. Twee arbeiders, die den brand hadden gemerkt en waren komen aanrennen, zwaaiden met de armen en schreeuwden me wat toe. Als versuft en verwezen hoorde ik hen aan; het duizelde in mijn hoofd.Bob was de eenige die zijn zelfbeheersching niet had verloren. Hij gaf een van de mannen een fermen slag op den schouder, zoodat die plotseling zijn mond hield.„Heb jullie een brandweer in het dorp,” vroeg hij.„Ja,” antwoordde hij.„Dan ga je onmiddellijk waarschuwen; zeg dat ze terstond aanrukken!”„Ja,” zei de man die het op een loopen zette.„Hei!” riep Bob hem na. „Is er hier een telegraafkantoor?”„Jawel,” antwoordde de man, „maar dat is nu zeker gesloten.”„Dan maak je ze maar wakker,” zei Bob; „telegrafeer onmiddellijk om een stoom-brandspuit. Wat is het dichtstbij; Bindon? Goed. Heb je het begrepen?”„Ja,” zei de man.„Loop er dan heen zoo gauw als je kunt,” beval Bob. „Tetsjer, houd nu maar op met dat gebel! Waar is je langste ladder? Ga mee, dan kunnen we die halen!”„Om den hoek van den stal,” antwoordde Tetsjer die met tegenzin het touw los liet.„Vooruit, ga mee,” zei Bob; „en jij ook,” voegde hij er bij tegen den anderen arbeider. „En jij ook, Martin! We moeten allemaal aan het werk!”We dachten er geen van allen aan om hem te vragen wat hij van plan was. Bob deelde bevelen uit en wij gehoorzaamden.De ladder was heel lang; bij den stalmuur hing ze aan twee ijzeren haken.„Jullie moet er samen onder gaan staan,” zei Bob. „Juist zoo, dan gaat het best. Volg me maar, zoo gauw als je kunt!”Bij den stal had iemand hout staan hakken; een zware bijl was blijven liggen. Bob greep die en draafde voor ons uit. De Horners hadden zich ook bij den stoet gevoegd en renden mede.Ik wist dat zich tusschen ons en het gedeelte van het gebouw waar de brand woedde een hooge steenen muur bevond, die met een deur in den tuin uitkwam. Bob viel met zijn bijl op de deur aan, waarvan het paneel met het slot na een paar krachtige slagen aan stukken vloog, zoodat we de ladder er doorheen konden beuren.We bevonden ons nu op het grasperk voor het brandende gedeelte; glas en steenen lagen om ons heen en het gesmolten lood stroomde van het dak naar beneden.„Vooruit, aan het werk,” riep Bob, toen de ladderdragers onthutst bleven kijken naar de verwoesting die was aangericht. „Vooruit, geen sekonde hebben we te verliezen!”Het vuur verspreidde zich nu met groote snelheid. Het zou niet het gedeelte aantasten waar wij onze kamers hadden, want de wind was den anderen kant uit en wakkerde de vlammen aan die met ongelooflijke snelheid voortwoekerden. Het was duidelijk dat over enkele minuten die heele vleugel in lichte laaie zou staan en uitbranden.Het eene raam na het andere sprong kapot, waarna devlammen zich zegevierend een uitweg baanden; hier was geen redding meer mogelijk.Ik volgde Bob die nog altijd de bijl in handen hield en hielp hem de ladder dragen. Eerst nu sloeg ik acht op de woorden die de oude Horner schreiend uitstiet en die als een jammerklacht klonken, terwijl hij met zijn vrouw huilend achter ons aanliep. „Mijn arme meneer,” riep hij telkens en telkens uit; „red mijn armen meneer!”Ik dacht dat de man zijn verstand kwijt was en dat hij zich het drama, dat zich hier in vroeger jaren had afgespeeld, nu zoo levendig herinnerde dat hij daardoor de beide rampen door elkaar haspelde.Eindelijk hadden we het gedeelte van het gebouw bereikt dat niet door het vuur was aangetast.„Hier, bij dit raam,” riep Bob. „Nee, het volgende. Het is hier al te laat,” voegde hij er bij, toen wederom een venster aan stukken sprong en de vlammen naar buiten sloegen.Tusschen ons en het uiteinde van den vleugel waren nog maar vier ramen die waren gespaard. De ladder werd nu neergezet. Bob liet de bijl vallen en hielp nu de ladder mede overeind zetten tegen den muur waar ze reikte tot de ramen van de eerste verdieping.Tot nu toe had ik de bevelen van Bob stipt opgevolgd; ik stelde het volste vertrouwen in hem, maar thans vond ik het oogenblik gekomen om een woordje in het midden te brengen.„Bob,” zei ik, terwijl ik zijn arm greep, want ik zag dat hij met het oog den afstand mat tusschen de ladder en de ramen van de eerste verdieping: „Bob, je mag niets wagen voor het gebouw. Je weet dat niemand in dit gedeelte woont.”„Kijk daar eens,” zei Bob als antwoord, terwijl bij naar het venster wees.Tot mijn schrik en ontsteltenis werd ik de gedaante van een man gewaar.„O Bob, wie is dat?” riep ik uit.De oude Horner, die ook in de richting had gekeken die door Bob werd aangewezen, liet zich nu op de knieën vallen en wederom riep hij jammerend uit; „Och, mijn arme meneer! Red mijn armen meneer!”Bob schonk geen aandacht aan ons, doch met gebaren gaf hij den man voor het raam te kennen dat hij het venster moest openen of open breken en op de ladder stappen; hij begreep wat Bob van hem verlangde, want we zagen hem met beide handen aan het houtwerk schudden; zijn pogingen bleven echter vruchteloos.„Hij kan het niet doen!” riep Bob. „Het gaat niet open. Waarom slaat hij de ruiten dan niet in?”Al dien tijd stonden we te blakeren in den vuurgloed, want de brand verspreidde zich met ongelooflijke snelheid. Het was of we door stralen van de ondergaande zon werden beschenen. De man kon ons zeker heel duidelijk onderscheiden, hoewel we hem maar vaag konden zien, zoodat ik niet wist of hij oud of jong was.Op dit oogenblik gelukte het hem echter een van de paneelen stuk te slaan, zoodat hij zijn hoofd naar buiten kon steken. Het was een man van middelbaren leeftijd met een grijzen baard en grijs haar.„Sla het hout kapot!” riep Bob. „Sla het in! Vlug! Stap op de vensterbank en dan op de ladder!”De vlammen sloegen nu uit twee ramen tegelijk naar buiten.„Hij kan het niet,” riep Bob. „Hij heeft er geen kracht genoeg voor, of de schrik heeft hem verlamd!”Hij greep de bijl en zette den voet op de onderste sport van de ladder. Toen bedacht hij zich even.„Zullen we de ladder onder het volgende raam zetten?” zei hij. „Want het is best mogelijk dat hij niet bij datvenster kan komen; anders zou hij daar wel voor zijn gaan staan. We zullen het probeeren. Houd de ladder stevig vast!”Ik greep zijn arm. „Bob,” riep ik, „je mag je leven niet wagen! De brandweer komt zoo dadelijk aanrukken.”„Weet je wie het is?” vroeg hij heel kalm, terwijl hij zich omkeerde om de ladder op te klimmen.„Neen.”„Je vader.”Toen was hij uit mijn bereik verdwenen, want met de bijl in de hand was hij de ladder opgevlogen.In ademlooze spanning volgden we hem, toen hij op de vensterbank sprong en met een paar ferme slagen het houtwerk aan stukken deed vliegen. Door de opening die nu was gemaakt zagen we de donkere gestalte van den man zich afteekenen tegen den vuurgloed.„De kamer staat al in brand!” riep Tetsjer. „Het is hoog tijd.”De bijl kwam nu kletterend op den grond terecht; Bob had beide handen noodig om den man op te tillen en naar het raam te sleuren.„Hij heeft ’m op de vensterbank,” riep Tetsjer uit. „Bravo! Het is hem gelukt!”„Groote genade!” schreeuwde de arbeider. „De vlammen slaan naar buiten! Ze zijn er allebei om koud!”„Een is al op de ladder!” riep Tetsjer. „Nu zijn ze er allebei op! Houd goed vast, zeg ik je!”„De top van de ladder staat al in brand!” riep de arbeider.„Ze komen eraan,” schreeuwde Tetsjer. „Groote hemel, wat gaat dat langzaam. De vlammen zitten ze op de hielen!”„Ze zijn er, ze zijn er!” riep de landbouwer opgewonden uit.Bob die den ouden man half had gedragen, gaf hem met een zucht van verlichting over in onze uitgestrekte armen.Toen liet hij zich op den grond vallen en zei: „Als ik niet zoo sterk was, zou ik het onmogelijk hebben kunnen doen.”De oude Horner lag bij den ouden man geknield en riep al maar door: „Och mijn arme meneer, mijn goede, arme meneer!”„De kamer staat in lichte laaie!” riep Tetsjer. „Het scheelde geen haar. Uit den weg, jullie!De ladder hoeft geen dienst meer te doen. Dat hebben we ’m kranig geleverd!”„Ja, we hebben het er goed afgebracht,” viel de arbeider in.Ik luisterde ternauwernood naar hetgeen ze beweerden. Ik lag geknield naast mijn vader, die uit het rijk der dooden was herrezen.

HOOFDSTUK XXVIII.GERED.

Het was de eerste dag van de zomervacantie; Bob en ik zijn aan het station Ootlie uitgestapt en rijden met den ouden Tetsjer in de richting van Mallorie.„Precies als twee jaar geleden,” zei Bob na een lange stilte.„Ik kan het bijna niet gelooven,” antwoordde ik.„Hier was het zoowat dat ik het paard tegenhield van dien man met dat roode haar,” hernam Bob.„Juist, mijnheer,” viel Tetsjer in; „zoo’n kranig stukje heb ik nooit van m’n leven meer gezien.”„En ik kreeg zoo’n gekke gewaarwording toen je je naam noemde,” ging Bob voort; „dat herinner ik me best.”„En ik kon in de verste verte niet vermoeden dat jij mijn familie van naam kende,” zei ik.„Toen ik wist dat jij Ellinghem heette, twijfelde ik een oogenblik of ik je wel zou zeggen wie ik was, want ik was bang dat de heele boel zou uitkomen.”„Ik wist toen van niets,” zei ik.„Dat leek me onbegrijpelijk,” hernam Bob, „want ik wist alles en was alleen maar hier naar toegekomen om eens poolshoogte te nemen.”„Stel je voor dat je dit niet hadt gedaan; dan zou ik niet op St. Martin zijn gekomen en dan zou jij niet—”„Och laat die veronderstelling maar rusten,” merkte Bob wijsgeerig op.Hij verzonk wederom in gepeins toen we Mallorie naderden; ik zweeg ook. Tetsjer was de eenige die nu en dan een opmerking maakte. Bob kwam niet bij me logeeren; hij zou maar één nacht overblijven op mijn dringend verlangen, daar hij op weg was om eenige vrienden te bezoeken uit Canada, die voor een tijd in de nabijheid van Mallorie waren komen wonen. En hij scheen er nog zelfs op tegen te hebben om dien eenen nacht bij mij door te brengen. Nooit had hij ronduit en openlijk willen spreken over het drama dat ik uit die couranten-uitknipsels had vernomen en dat ons beiden tot weezen had gemaakt. Misschien drongen dezelfde sombere gedachten zich ook aan hem op toen we de plek naderden waar het ongeluk was gebeurd.Nu en dan verbraken we de stilte om de een of andere onbeteekenende vraag aan Tetsjer te stellen.„Hoe maken de Horners het?” vroeg ik toen we het huis in het gezicht kregen; ik had dit natuurlijk eerder moeten vragen en wilde het nu goed maken.„O, die zijn dik en gezond,” antwoordde Tetsjer; „van de Horners kom je anders niet veel te weten,” voegde hij erbij.„Zeg heb je ze gewaarschuwd dat ik meekom?” fluisterde Bob me toe. „Anders schrikt de man zich opnieuw een ongeluk.”„Ja, ik heb het geschreven,” antwoordde ik. „Maar begrijp jij waarom hij toen zoo schrok? Hij kende je toch niet.”„Nee, dat is zoo,” gaf Bob toe. „Maar ik kan de reden toch wel vermoeden.”„Waarom?” vroeg ik verwonderd.„Begrijp je dat niet?”„Nee, ik snap niet dat...”„Ik lijk precies op hem,” viel Bob me in de rede; „dat zegt iedereen ten minste. Ik schijn het evenbeeld van mijnvader, en daarom viel de man flauw van den schrik toen hij me zag.”Bob was dien dag zoo heel anders dan gewoonlijk. Hij sprak niet op dien vroolijken opgewekten toon dien we van hem waren gewend; het kostte hem blijkbaar moeite om de woorden over de lippen te krijgen en het speet me nu dat ik erop had aangedrongen om hem mee te nemen naar een huis, waaraan zulke pijnlijke herinneringen voor hem waren verbonden.Ik wilde iets dergelijks zeggen, doch hij legde me het zwijgen op.„Laten we die oude geschiedenis nu maar laten rusten,” zei hij. „Het zou een schandaal zijn als we geen goede vrienden bleven.”Bob was altijd een goede vriend voor me geweest, maar na het ongeluk met zijn oogen had ik nog tienmaal grooter hartelijkheid van hem ondervonden. Hij zag weer even goed als ooit, maar de herinnering aan de vreeselijke angsten en spanning die ik in dien tijd had uitgestaan, lagen me nog versch in het geheugen. Soms gebeurde het nog wel dat ik wakker werd met een schok, om me af te vragen wat voor onheil ik had aangericht.Maar als zulk een hechte vriendschap tusschen twee personen bestaat, dan gevoelt men onmiddellijk als er het een of ander begint te haperen. Ik besefte dan ook duidelijk dat er iets was dat Bob wist en dat ik niet wist; het een of andere geheim was aan dat oude huis verbonden; mogelijk zou dit voor mij worden opgehelderd.Ik was zekerder dan ooit dat dit geheim bestond, toen we binnen reden door de oude hooge poort. Wederom welde die sombere gewaarwording bij me op, toen ik die lijn van gesloten ramen met luiken gewaar werd en die rechte steenen muren—alles even donker, naargeestig en geheimzinnig.„Zeg,” fluisterde Bob me in, terwijl hij zijn best deed om zijn stem zoo luchtig en natuurlijk mogelijk te doen klinken; „dat voorvaderlijk slot is misschien heel mooi, Martin, maar ik kan niet zeggen dat het een bijzonder vroolijken indruk maakt.”„Behalve het kleine gedeelte dat de Horners bewonen, ziet alles er even naar en somber uit,” antwoordde ik.„Ik heb jullie vroeger al gezegd dat het er spookt,” fluisterde de oude Tetsjer me in, toen hij het rijtuigje liet stil staan. „In het dorp zijn ze het daar allemaal over eens.”Het was waar, dat hij ons dit vroeger ook had medegedeeld, maar toch vond ik het onaangenaam dit nog eens te hooren herhaald.Met een zucht van verlichting stapte ik uit en schudde het echtpaar Horner de hand; beiden waren ons glimlachend en vriendelijk tegemoet geloopen om ons welkom te heeten. Ik wierp een onderzoekenden blik naar den ouden Horner, toen die Bob begroette en zag den man van kleur verschieten; hij wist zijn zelfbeheersching echter te bewaren; de ontroering die zich van hem had meester gemaakt, toonde hij alleen door den ouden Tetsjer snauwend eenige bevelen te geven, zoodat de man zich al brommend met onze bagage verwijderde; toen hij den hoek bij de stallen omsloeg, maakte zijn gemompel nog den indruk van het gerommel van den donder in de verte.Juffrouw Horner had de theetafel voor ons ingericht op dezelfde wijze als den vorigen keer, en ze toonde dezelfde bezorgdheid dat we honger zouden lijden.„Ik kan me niet begrijpen dat het heusch twee jaar is geleden,” zei Bob lachend; „alles is zoo precies eender.”„Ja, ik heb ook zoo’n gevoel dat wat er toen gebeurde, voor de tweede maal zal gebeuren,” zei ik.„Deze pastei is ten minste even goed en lekker,” hernam Bob, terwijl hij zich ervan bediende.„Maar we behoeven niet hetzelfde programma af te werken,” merkte ik op.„Wat bedoel je?” vroeg hij, terwijl hij me even oplettend aankeek.„Wel, dien nachtelijken tocht door het onbewoonde gedeelte natuurlijk,” antwoordde ik. „Ik dacht niet anders dan dat je een leelijken smak zou doen.”„Nu, ik zal dat een tweede maal wel laten,” zei Bob, die even huiverde.We maakten een kleine wandeling na het maal, want het was nog licht; het was echter geen heldere zomeravond; over alles scheen een somber waas te hangen, zoodat dit er niet toe bijbracht om ons in een opgewekte stemming te brengen.„Dit oord zou me op den duur zenuwachtig maken,” zei Bob, toen de avond eindelijk was verstreken en we wederom het kleine verlichte vertrek binnen gingen. „Ik ben blij dat we gauw samen onze tenten ergens zullen opslaan. Je zal hier leelijk het land krijgen, denk ik.”Het gesprek begon weldra te verflauwen. Om de verveling te verdrijven gingen we wat schaken, toen we eindelijk een oud bord uit de kast van juffrouw Horner hadden opgediept en wat oude pionnen. Maar ook dit hielp niet om ons in een opgewekter stemming te brengen.„Laten we naar bed gaan,” zei Bob eindelijk met een geeuw. „Die menschen blijven misschien voor ons op zitten. Als we lekker hebben geslapen, dan is het morgen misschien over.”„Wat is dan over?” vroeg ik met een poging om te schertsen.„Och, de heele boel is hier beroerd,” antwoordde Bob openhartig; „morgen lijkt alles misschien anders. Berg dat schaakspel maar op.”Wij sliepen in dezelfde kamers als den eersten keer. Nade Horners en elkaar goeden nacht te hebben gewenscht, begonnen we ons te ontkleeden.Ik had gedacht dat ik niet gauw zou inslapen, maar voordat ik het zelf wist was ik geraakt in dien half wakenden, half slapenden toestand en toen begon ik te droomen.Het waren vreemde, wonderlijke droomen; eindelijk kreeg ik een gewaarwording dat ik een oorverdoovend leven om mij heen vernam, en toen werden die verwarde geluiden plotseling als de slagen van een zwaren hamer, het kloppen van mijn hart. Maar even later drongen die harde metalen slagen wederom tot mij door en met een schok schrikte ik wakker, daar beneden woest een bel werd geluid terwijl ik kreten hoorde slaken.Bijna op hetzelfde oogenblik kwam Bob half gekleed de kamer binnen stormen.„Martin, sta op,” riep hij opgewonden. „Er is brand; de klok wordt geluid.”Na haastig een paar kleedingstukken te hebben aangeschoten rende ik met hem naar beneden en naar buiten. Ik denk dat het zoowat twee uur zal zijn geweest, want het begon heel flauw te schemeren, hoewel de sterren nog aan den hemel stonden.„Waar is het?” vroeg ik hijgend, want ik was nog eigenlijk niet heelemaal wakker en in het gedeelte van het gebouw waar wij onze kamers hadden was geen spoor van brand te ontdekken.„Daar!” riep Bob die de richting met den vinger aanduidde.Tot mijn ontzetting werd ik bij een van de middenvensters van de lange rij gesloten ramen met luiken een kronkelende rookkolom gewaar waar de vlammen uit lekten. Het knappen van den houten vloer en zoldering konden we zelfs op dien afstand hooren. Het glas van de bovenruiten viel nu rinkelend en kletterend naar beneden, waarna de vlammenzich een uitweg baanden om zich te voegen bij de vuurzuil die opsteeg uit het dak.Toen ik even den blik afwendde van den brand werd ik op het binnenplein een paar menschen gewaar, die angstig en verschrikt heen en weer draafden. De Horners waren naar buiten komen loopen. De oude Horner scheen radeloos; hij stond als waanzinnig van angst naar het vuur te wijzen en bracht stamelend een paar woorden uit, terwijl juffrouw Horner snerpende kreten slaakte. Tetsjer stond onderwijl uit alle macht de noodklok te luiden. Twee arbeiders, die den brand hadden gemerkt en waren komen aanrennen, zwaaiden met de armen en schreeuwden me wat toe. Als versuft en verwezen hoorde ik hen aan; het duizelde in mijn hoofd.Bob was de eenige die zijn zelfbeheersching niet had verloren. Hij gaf een van de mannen een fermen slag op den schouder, zoodat die plotseling zijn mond hield.„Heb jullie een brandweer in het dorp,” vroeg hij.„Ja,” antwoordde hij.„Dan ga je onmiddellijk waarschuwen; zeg dat ze terstond aanrukken!”„Ja,” zei de man die het op een loopen zette.„Hei!” riep Bob hem na. „Is er hier een telegraafkantoor?”„Jawel,” antwoordde de man, „maar dat is nu zeker gesloten.”„Dan maak je ze maar wakker,” zei Bob; „telegrafeer onmiddellijk om een stoom-brandspuit. Wat is het dichtstbij; Bindon? Goed. Heb je het begrepen?”„Ja,” zei de man.„Loop er dan heen zoo gauw als je kunt,” beval Bob. „Tetsjer, houd nu maar op met dat gebel! Waar is je langste ladder? Ga mee, dan kunnen we die halen!”„Om den hoek van den stal,” antwoordde Tetsjer die met tegenzin het touw los liet.„Vooruit, ga mee,” zei Bob; „en jij ook,” voegde hij er bij tegen den anderen arbeider. „En jij ook, Martin! We moeten allemaal aan het werk!”We dachten er geen van allen aan om hem te vragen wat hij van plan was. Bob deelde bevelen uit en wij gehoorzaamden.De ladder was heel lang; bij den stalmuur hing ze aan twee ijzeren haken.„Jullie moet er samen onder gaan staan,” zei Bob. „Juist zoo, dan gaat het best. Volg me maar, zoo gauw als je kunt!”Bij den stal had iemand hout staan hakken; een zware bijl was blijven liggen. Bob greep die en draafde voor ons uit. De Horners hadden zich ook bij den stoet gevoegd en renden mede.Ik wist dat zich tusschen ons en het gedeelte van het gebouw waar de brand woedde een hooge steenen muur bevond, die met een deur in den tuin uitkwam. Bob viel met zijn bijl op de deur aan, waarvan het paneel met het slot na een paar krachtige slagen aan stukken vloog, zoodat we de ladder er doorheen konden beuren.We bevonden ons nu op het grasperk voor het brandende gedeelte; glas en steenen lagen om ons heen en het gesmolten lood stroomde van het dak naar beneden.„Vooruit, aan het werk,” riep Bob, toen de ladderdragers onthutst bleven kijken naar de verwoesting die was aangericht. „Vooruit, geen sekonde hebben we te verliezen!”Het vuur verspreidde zich nu met groote snelheid. Het zou niet het gedeelte aantasten waar wij onze kamers hadden, want de wind was den anderen kant uit en wakkerde de vlammen aan die met ongelooflijke snelheid voortwoekerden. Het was duidelijk dat over enkele minuten die heele vleugel in lichte laaie zou staan en uitbranden.Het eene raam na het andere sprong kapot, waarna devlammen zich zegevierend een uitweg baanden; hier was geen redding meer mogelijk.Ik volgde Bob die nog altijd de bijl in handen hield en hielp hem de ladder dragen. Eerst nu sloeg ik acht op de woorden die de oude Horner schreiend uitstiet en die als een jammerklacht klonken, terwijl hij met zijn vrouw huilend achter ons aanliep. „Mijn arme meneer,” riep hij telkens en telkens uit; „red mijn armen meneer!”Ik dacht dat de man zijn verstand kwijt was en dat hij zich het drama, dat zich hier in vroeger jaren had afgespeeld, nu zoo levendig herinnerde dat hij daardoor de beide rampen door elkaar haspelde.Eindelijk hadden we het gedeelte van het gebouw bereikt dat niet door het vuur was aangetast.„Hier, bij dit raam,” riep Bob. „Nee, het volgende. Het is hier al te laat,” voegde hij er bij, toen wederom een venster aan stukken sprong en de vlammen naar buiten sloegen.Tusschen ons en het uiteinde van den vleugel waren nog maar vier ramen die waren gespaard. De ladder werd nu neergezet. Bob liet de bijl vallen en hielp nu de ladder mede overeind zetten tegen den muur waar ze reikte tot de ramen van de eerste verdieping.Tot nu toe had ik de bevelen van Bob stipt opgevolgd; ik stelde het volste vertrouwen in hem, maar thans vond ik het oogenblik gekomen om een woordje in het midden te brengen.„Bob,” zei ik, terwijl ik zijn arm greep, want ik zag dat hij met het oog den afstand mat tusschen de ladder en de ramen van de eerste verdieping: „Bob, je mag niets wagen voor het gebouw. Je weet dat niemand in dit gedeelte woont.”„Kijk daar eens,” zei Bob als antwoord, terwijl bij naar het venster wees.Tot mijn schrik en ontsteltenis werd ik de gedaante van een man gewaar.„O Bob, wie is dat?” riep ik uit.De oude Horner, die ook in de richting had gekeken die door Bob werd aangewezen, liet zich nu op de knieën vallen en wederom riep hij jammerend uit; „Och, mijn arme meneer! Red mijn armen meneer!”Bob schonk geen aandacht aan ons, doch met gebaren gaf hij den man voor het raam te kennen dat hij het venster moest openen of open breken en op de ladder stappen; hij begreep wat Bob van hem verlangde, want we zagen hem met beide handen aan het houtwerk schudden; zijn pogingen bleven echter vruchteloos.„Hij kan het niet doen!” riep Bob. „Het gaat niet open. Waarom slaat hij de ruiten dan niet in?”Al dien tijd stonden we te blakeren in den vuurgloed, want de brand verspreidde zich met ongelooflijke snelheid. Het was of we door stralen van de ondergaande zon werden beschenen. De man kon ons zeker heel duidelijk onderscheiden, hoewel we hem maar vaag konden zien, zoodat ik niet wist of hij oud of jong was.Op dit oogenblik gelukte het hem echter een van de paneelen stuk te slaan, zoodat hij zijn hoofd naar buiten kon steken. Het was een man van middelbaren leeftijd met een grijzen baard en grijs haar.„Sla het hout kapot!” riep Bob. „Sla het in! Vlug! Stap op de vensterbank en dan op de ladder!”De vlammen sloegen nu uit twee ramen tegelijk naar buiten.„Hij kan het niet,” riep Bob. „Hij heeft er geen kracht genoeg voor, of de schrik heeft hem verlamd!”Hij greep de bijl en zette den voet op de onderste sport van de ladder. Toen bedacht hij zich even.„Zullen we de ladder onder het volgende raam zetten?” zei hij. „Want het is best mogelijk dat hij niet bij datvenster kan komen; anders zou hij daar wel voor zijn gaan staan. We zullen het probeeren. Houd de ladder stevig vast!”Ik greep zijn arm. „Bob,” riep ik, „je mag je leven niet wagen! De brandweer komt zoo dadelijk aanrukken.”„Weet je wie het is?” vroeg hij heel kalm, terwijl hij zich omkeerde om de ladder op te klimmen.„Neen.”„Je vader.”Toen was hij uit mijn bereik verdwenen, want met de bijl in de hand was hij de ladder opgevlogen.In ademlooze spanning volgden we hem, toen hij op de vensterbank sprong en met een paar ferme slagen het houtwerk aan stukken deed vliegen. Door de opening die nu was gemaakt zagen we de donkere gestalte van den man zich afteekenen tegen den vuurgloed.„De kamer staat al in brand!” riep Tetsjer. „Het is hoog tijd.”De bijl kwam nu kletterend op den grond terecht; Bob had beide handen noodig om den man op te tillen en naar het raam te sleuren.„Hij heeft ’m op de vensterbank,” riep Tetsjer uit. „Bravo! Het is hem gelukt!”„Groote genade!” schreeuwde de arbeider. „De vlammen slaan naar buiten! Ze zijn er allebei om koud!”„Een is al op de ladder!” riep Tetsjer. „Nu zijn ze er allebei op! Houd goed vast, zeg ik je!”„De top van de ladder staat al in brand!” riep de arbeider.„Ze komen eraan,” schreeuwde Tetsjer. „Groote hemel, wat gaat dat langzaam. De vlammen zitten ze op de hielen!”„Ze zijn er, ze zijn er!” riep de landbouwer opgewonden uit.Bob die den ouden man half had gedragen, gaf hem met een zucht van verlichting over in onze uitgestrekte armen.Toen liet hij zich op den grond vallen en zei: „Als ik niet zoo sterk was, zou ik het onmogelijk hebben kunnen doen.”De oude Horner lag bij den ouden man geknield en riep al maar door: „Och mijn arme meneer, mijn goede, arme meneer!”„De kamer staat in lichte laaie!” riep Tetsjer. „Het scheelde geen haar. Uit den weg, jullie!De ladder hoeft geen dienst meer te doen. Dat hebben we ’m kranig geleverd!”„Ja, we hebben het er goed afgebracht,” viel de arbeider in.Ik luisterde ternauwernood naar hetgeen ze beweerden. Ik lag geknield naast mijn vader, die uit het rijk der dooden was herrezen.

Het was de eerste dag van de zomervacantie; Bob en ik zijn aan het station Ootlie uitgestapt en rijden met den ouden Tetsjer in de richting van Mallorie.

„Precies als twee jaar geleden,” zei Bob na een lange stilte.

„Ik kan het bijna niet gelooven,” antwoordde ik.

„Hier was het zoowat dat ik het paard tegenhield van dien man met dat roode haar,” hernam Bob.

„Juist, mijnheer,” viel Tetsjer in; „zoo’n kranig stukje heb ik nooit van m’n leven meer gezien.”

„En ik kreeg zoo’n gekke gewaarwording toen je je naam noemde,” ging Bob voort; „dat herinner ik me best.”

„En ik kon in de verste verte niet vermoeden dat jij mijn familie van naam kende,” zei ik.

„Toen ik wist dat jij Ellinghem heette, twijfelde ik een oogenblik of ik je wel zou zeggen wie ik was, want ik was bang dat de heele boel zou uitkomen.”

„Ik wist toen van niets,” zei ik.

„Dat leek me onbegrijpelijk,” hernam Bob, „want ik wist alles en was alleen maar hier naar toegekomen om eens poolshoogte te nemen.”

„Stel je voor dat je dit niet hadt gedaan; dan zou ik niet op St. Martin zijn gekomen en dan zou jij niet—”

„Och laat die veronderstelling maar rusten,” merkte Bob wijsgeerig op.

Hij verzonk wederom in gepeins toen we Mallorie naderden; ik zweeg ook. Tetsjer was de eenige die nu en dan een opmerking maakte. Bob kwam niet bij me logeeren; hij zou maar één nacht overblijven op mijn dringend verlangen, daar hij op weg was om eenige vrienden te bezoeken uit Canada, die voor een tijd in de nabijheid van Mallorie waren komen wonen. En hij scheen er nog zelfs op tegen te hebben om dien eenen nacht bij mij door te brengen. Nooit had hij ronduit en openlijk willen spreken over het drama dat ik uit die couranten-uitknipsels had vernomen en dat ons beiden tot weezen had gemaakt. Misschien drongen dezelfde sombere gedachten zich ook aan hem op toen we de plek naderden waar het ongeluk was gebeurd.

Nu en dan verbraken we de stilte om de een of andere onbeteekenende vraag aan Tetsjer te stellen.

„Hoe maken de Horners het?” vroeg ik toen we het huis in het gezicht kregen; ik had dit natuurlijk eerder moeten vragen en wilde het nu goed maken.

„O, die zijn dik en gezond,” antwoordde Tetsjer; „van de Horners kom je anders niet veel te weten,” voegde hij erbij.

„Zeg heb je ze gewaarschuwd dat ik meekom?” fluisterde Bob me toe. „Anders schrikt de man zich opnieuw een ongeluk.”

„Ja, ik heb het geschreven,” antwoordde ik. „Maar begrijp jij waarom hij toen zoo schrok? Hij kende je toch niet.”

„Nee, dat is zoo,” gaf Bob toe. „Maar ik kan de reden toch wel vermoeden.”

„Waarom?” vroeg ik verwonderd.

„Begrijp je dat niet?”

„Nee, ik snap niet dat...”

„Ik lijk precies op hem,” viel Bob me in de rede; „dat zegt iedereen ten minste. Ik schijn het evenbeeld van mijnvader, en daarom viel de man flauw van den schrik toen hij me zag.”

Bob was dien dag zoo heel anders dan gewoonlijk. Hij sprak niet op dien vroolijken opgewekten toon dien we van hem waren gewend; het kostte hem blijkbaar moeite om de woorden over de lippen te krijgen en het speet me nu dat ik erop had aangedrongen om hem mee te nemen naar een huis, waaraan zulke pijnlijke herinneringen voor hem waren verbonden.

Ik wilde iets dergelijks zeggen, doch hij legde me het zwijgen op.

„Laten we die oude geschiedenis nu maar laten rusten,” zei hij. „Het zou een schandaal zijn als we geen goede vrienden bleven.”

Bob was altijd een goede vriend voor me geweest, maar na het ongeluk met zijn oogen had ik nog tienmaal grooter hartelijkheid van hem ondervonden. Hij zag weer even goed als ooit, maar de herinnering aan de vreeselijke angsten en spanning die ik in dien tijd had uitgestaan, lagen me nog versch in het geheugen. Soms gebeurde het nog wel dat ik wakker werd met een schok, om me af te vragen wat voor onheil ik had aangericht.

Maar als zulk een hechte vriendschap tusschen twee personen bestaat, dan gevoelt men onmiddellijk als er het een of ander begint te haperen. Ik besefte dan ook duidelijk dat er iets was dat Bob wist en dat ik niet wist; het een of andere geheim was aan dat oude huis verbonden; mogelijk zou dit voor mij worden opgehelderd.

Ik was zekerder dan ooit dat dit geheim bestond, toen we binnen reden door de oude hooge poort. Wederom welde die sombere gewaarwording bij me op, toen ik die lijn van gesloten ramen met luiken gewaar werd en die rechte steenen muren—alles even donker, naargeestig en geheimzinnig.

„Zeg,” fluisterde Bob me in, terwijl hij zijn best deed om zijn stem zoo luchtig en natuurlijk mogelijk te doen klinken; „dat voorvaderlijk slot is misschien heel mooi, Martin, maar ik kan niet zeggen dat het een bijzonder vroolijken indruk maakt.”

„Behalve het kleine gedeelte dat de Horners bewonen, ziet alles er even naar en somber uit,” antwoordde ik.

„Ik heb jullie vroeger al gezegd dat het er spookt,” fluisterde de oude Tetsjer me in, toen hij het rijtuigje liet stil staan. „In het dorp zijn ze het daar allemaal over eens.”

Het was waar, dat hij ons dit vroeger ook had medegedeeld, maar toch vond ik het onaangenaam dit nog eens te hooren herhaald.

Met een zucht van verlichting stapte ik uit en schudde het echtpaar Horner de hand; beiden waren ons glimlachend en vriendelijk tegemoet geloopen om ons welkom te heeten. Ik wierp een onderzoekenden blik naar den ouden Horner, toen die Bob begroette en zag den man van kleur verschieten; hij wist zijn zelfbeheersching echter te bewaren; de ontroering die zich van hem had meester gemaakt, toonde hij alleen door den ouden Tetsjer snauwend eenige bevelen te geven, zoodat de man zich al brommend met onze bagage verwijderde; toen hij den hoek bij de stallen omsloeg, maakte zijn gemompel nog den indruk van het gerommel van den donder in de verte.

Juffrouw Horner had de theetafel voor ons ingericht op dezelfde wijze als den vorigen keer, en ze toonde dezelfde bezorgdheid dat we honger zouden lijden.

„Ik kan me niet begrijpen dat het heusch twee jaar is geleden,” zei Bob lachend; „alles is zoo precies eender.”

„Ja, ik heb ook zoo’n gevoel dat wat er toen gebeurde, voor de tweede maal zal gebeuren,” zei ik.

„Deze pastei is ten minste even goed en lekker,” hernam Bob, terwijl hij zich ervan bediende.

„Maar we behoeven niet hetzelfde programma af te werken,” merkte ik op.

„Wat bedoel je?” vroeg hij, terwijl hij me even oplettend aankeek.

„Wel, dien nachtelijken tocht door het onbewoonde gedeelte natuurlijk,” antwoordde ik. „Ik dacht niet anders dan dat je een leelijken smak zou doen.”

„Nu, ik zal dat een tweede maal wel laten,” zei Bob, die even huiverde.

We maakten een kleine wandeling na het maal, want het was nog licht; het was echter geen heldere zomeravond; over alles scheen een somber waas te hangen, zoodat dit er niet toe bijbracht om ons in een opgewekte stemming te brengen.

„Dit oord zou me op den duur zenuwachtig maken,” zei Bob, toen de avond eindelijk was verstreken en we wederom het kleine verlichte vertrek binnen gingen. „Ik ben blij dat we gauw samen onze tenten ergens zullen opslaan. Je zal hier leelijk het land krijgen, denk ik.”

Het gesprek begon weldra te verflauwen. Om de verveling te verdrijven gingen we wat schaken, toen we eindelijk een oud bord uit de kast van juffrouw Horner hadden opgediept en wat oude pionnen. Maar ook dit hielp niet om ons in een opgewekter stemming te brengen.

„Laten we naar bed gaan,” zei Bob eindelijk met een geeuw. „Die menschen blijven misschien voor ons op zitten. Als we lekker hebben geslapen, dan is het morgen misschien over.”

„Wat is dan over?” vroeg ik met een poging om te schertsen.

„Och, de heele boel is hier beroerd,” antwoordde Bob openhartig; „morgen lijkt alles misschien anders. Berg dat schaakspel maar op.”

Wij sliepen in dezelfde kamers als den eersten keer. Nade Horners en elkaar goeden nacht te hebben gewenscht, begonnen we ons te ontkleeden.

Ik had gedacht dat ik niet gauw zou inslapen, maar voordat ik het zelf wist was ik geraakt in dien half wakenden, half slapenden toestand en toen begon ik te droomen.

Het waren vreemde, wonderlijke droomen; eindelijk kreeg ik een gewaarwording dat ik een oorverdoovend leven om mij heen vernam, en toen werden die verwarde geluiden plotseling als de slagen van een zwaren hamer, het kloppen van mijn hart. Maar even later drongen die harde metalen slagen wederom tot mij door en met een schok schrikte ik wakker, daar beneden woest een bel werd geluid terwijl ik kreten hoorde slaken.

Bijna op hetzelfde oogenblik kwam Bob half gekleed de kamer binnen stormen.

„Martin, sta op,” riep hij opgewonden. „Er is brand; de klok wordt geluid.”

Na haastig een paar kleedingstukken te hebben aangeschoten rende ik met hem naar beneden en naar buiten. Ik denk dat het zoowat twee uur zal zijn geweest, want het begon heel flauw te schemeren, hoewel de sterren nog aan den hemel stonden.

„Waar is het?” vroeg ik hijgend, want ik was nog eigenlijk niet heelemaal wakker en in het gedeelte van het gebouw waar wij onze kamers hadden was geen spoor van brand te ontdekken.

„Daar!” riep Bob die de richting met den vinger aanduidde.

Tot mijn ontzetting werd ik bij een van de middenvensters van de lange rij gesloten ramen met luiken een kronkelende rookkolom gewaar waar de vlammen uit lekten. Het knappen van den houten vloer en zoldering konden we zelfs op dien afstand hooren. Het glas van de bovenruiten viel nu rinkelend en kletterend naar beneden, waarna de vlammenzich een uitweg baanden om zich te voegen bij de vuurzuil die opsteeg uit het dak.

Toen ik even den blik afwendde van den brand werd ik op het binnenplein een paar menschen gewaar, die angstig en verschrikt heen en weer draafden. De Horners waren naar buiten komen loopen. De oude Horner scheen radeloos; hij stond als waanzinnig van angst naar het vuur te wijzen en bracht stamelend een paar woorden uit, terwijl juffrouw Horner snerpende kreten slaakte. Tetsjer stond onderwijl uit alle macht de noodklok te luiden. Twee arbeiders, die den brand hadden gemerkt en waren komen aanrennen, zwaaiden met de armen en schreeuwden me wat toe. Als versuft en verwezen hoorde ik hen aan; het duizelde in mijn hoofd.

Bob was de eenige die zijn zelfbeheersching niet had verloren. Hij gaf een van de mannen een fermen slag op den schouder, zoodat die plotseling zijn mond hield.

„Heb jullie een brandweer in het dorp,” vroeg hij.

„Ja,” antwoordde hij.

„Dan ga je onmiddellijk waarschuwen; zeg dat ze terstond aanrukken!”

„Ja,” zei de man die het op een loopen zette.

„Hei!” riep Bob hem na. „Is er hier een telegraafkantoor?”

„Jawel,” antwoordde de man, „maar dat is nu zeker gesloten.”

„Dan maak je ze maar wakker,” zei Bob; „telegrafeer onmiddellijk om een stoom-brandspuit. Wat is het dichtstbij; Bindon? Goed. Heb je het begrepen?”

„Ja,” zei de man.

„Loop er dan heen zoo gauw als je kunt,” beval Bob. „Tetsjer, houd nu maar op met dat gebel! Waar is je langste ladder? Ga mee, dan kunnen we die halen!”

„Om den hoek van den stal,” antwoordde Tetsjer die met tegenzin het touw los liet.

„Vooruit, ga mee,” zei Bob; „en jij ook,” voegde hij er bij tegen den anderen arbeider. „En jij ook, Martin! We moeten allemaal aan het werk!”

We dachten er geen van allen aan om hem te vragen wat hij van plan was. Bob deelde bevelen uit en wij gehoorzaamden.

De ladder was heel lang; bij den stalmuur hing ze aan twee ijzeren haken.

„Jullie moet er samen onder gaan staan,” zei Bob. „Juist zoo, dan gaat het best. Volg me maar, zoo gauw als je kunt!”

Bij den stal had iemand hout staan hakken; een zware bijl was blijven liggen. Bob greep die en draafde voor ons uit. De Horners hadden zich ook bij den stoet gevoegd en renden mede.

Ik wist dat zich tusschen ons en het gedeelte van het gebouw waar de brand woedde een hooge steenen muur bevond, die met een deur in den tuin uitkwam. Bob viel met zijn bijl op de deur aan, waarvan het paneel met het slot na een paar krachtige slagen aan stukken vloog, zoodat we de ladder er doorheen konden beuren.

We bevonden ons nu op het grasperk voor het brandende gedeelte; glas en steenen lagen om ons heen en het gesmolten lood stroomde van het dak naar beneden.

„Vooruit, aan het werk,” riep Bob, toen de ladderdragers onthutst bleven kijken naar de verwoesting die was aangericht. „Vooruit, geen sekonde hebben we te verliezen!”

Het vuur verspreidde zich nu met groote snelheid. Het zou niet het gedeelte aantasten waar wij onze kamers hadden, want de wind was den anderen kant uit en wakkerde de vlammen aan die met ongelooflijke snelheid voortwoekerden. Het was duidelijk dat over enkele minuten die heele vleugel in lichte laaie zou staan en uitbranden.

Het eene raam na het andere sprong kapot, waarna devlammen zich zegevierend een uitweg baanden; hier was geen redding meer mogelijk.

Ik volgde Bob die nog altijd de bijl in handen hield en hielp hem de ladder dragen. Eerst nu sloeg ik acht op de woorden die de oude Horner schreiend uitstiet en die als een jammerklacht klonken, terwijl hij met zijn vrouw huilend achter ons aanliep. „Mijn arme meneer,” riep hij telkens en telkens uit; „red mijn armen meneer!”

Ik dacht dat de man zijn verstand kwijt was en dat hij zich het drama, dat zich hier in vroeger jaren had afgespeeld, nu zoo levendig herinnerde dat hij daardoor de beide rampen door elkaar haspelde.

Eindelijk hadden we het gedeelte van het gebouw bereikt dat niet door het vuur was aangetast.

„Hier, bij dit raam,” riep Bob. „Nee, het volgende. Het is hier al te laat,” voegde hij er bij, toen wederom een venster aan stukken sprong en de vlammen naar buiten sloegen.

Tusschen ons en het uiteinde van den vleugel waren nog maar vier ramen die waren gespaard. De ladder werd nu neergezet. Bob liet de bijl vallen en hielp nu de ladder mede overeind zetten tegen den muur waar ze reikte tot de ramen van de eerste verdieping.

Tot nu toe had ik de bevelen van Bob stipt opgevolgd; ik stelde het volste vertrouwen in hem, maar thans vond ik het oogenblik gekomen om een woordje in het midden te brengen.

„Bob,” zei ik, terwijl ik zijn arm greep, want ik zag dat hij met het oog den afstand mat tusschen de ladder en de ramen van de eerste verdieping: „Bob, je mag niets wagen voor het gebouw. Je weet dat niemand in dit gedeelte woont.”

„Kijk daar eens,” zei Bob als antwoord, terwijl bij naar het venster wees.

Tot mijn schrik en ontsteltenis werd ik de gedaante van een man gewaar.

„O Bob, wie is dat?” riep ik uit.

De oude Horner, die ook in de richting had gekeken die door Bob werd aangewezen, liet zich nu op de knieën vallen en wederom riep hij jammerend uit; „Och, mijn arme meneer! Red mijn armen meneer!”

Bob schonk geen aandacht aan ons, doch met gebaren gaf hij den man voor het raam te kennen dat hij het venster moest openen of open breken en op de ladder stappen; hij begreep wat Bob van hem verlangde, want we zagen hem met beide handen aan het houtwerk schudden; zijn pogingen bleven echter vruchteloos.

„Hij kan het niet doen!” riep Bob. „Het gaat niet open. Waarom slaat hij de ruiten dan niet in?”

Al dien tijd stonden we te blakeren in den vuurgloed, want de brand verspreidde zich met ongelooflijke snelheid. Het was of we door stralen van de ondergaande zon werden beschenen. De man kon ons zeker heel duidelijk onderscheiden, hoewel we hem maar vaag konden zien, zoodat ik niet wist of hij oud of jong was.

Op dit oogenblik gelukte het hem echter een van de paneelen stuk te slaan, zoodat hij zijn hoofd naar buiten kon steken. Het was een man van middelbaren leeftijd met een grijzen baard en grijs haar.

„Sla het hout kapot!” riep Bob. „Sla het in! Vlug! Stap op de vensterbank en dan op de ladder!”

De vlammen sloegen nu uit twee ramen tegelijk naar buiten.

„Hij kan het niet,” riep Bob. „Hij heeft er geen kracht genoeg voor, of de schrik heeft hem verlamd!”

Hij greep de bijl en zette den voet op de onderste sport van de ladder. Toen bedacht hij zich even.

„Zullen we de ladder onder het volgende raam zetten?” zei hij. „Want het is best mogelijk dat hij niet bij datvenster kan komen; anders zou hij daar wel voor zijn gaan staan. We zullen het probeeren. Houd de ladder stevig vast!”

Ik greep zijn arm. „Bob,” riep ik, „je mag je leven niet wagen! De brandweer komt zoo dadelijk aanrukken.”

„Weet je wie het is?” vroeg hij heel kalm, terwijl hij zich omkeerde om de ladder op te klimmen.

„Neen.”

„Je vader.”

Toen was hij uit mijn bereik verdwenen, want met de bijl in de hand was hij de ladder opgevlogen.

In ademlooze spanning volgden we hem, toen hij op de vensterbank sprong en met een paar ferme slagen het houtwerk aan stukken deed vliegen. Door de opening die nu was gemaakt zagen we de donkere gestalte van den man zich afteekenen tegen den vuurgloed.

„De kamer staat al in brand!” riep Tetsjer. „Het is hoog tijd.”

De bijl kwam nu kletterend op den grond terecht; Bob had beide handen noodig om den man op te tillen en naar het raam te sleuren.

„Hij heeft ’m op de vensterbank,” riep Tetsjer uit. „Bravo! Het is hem gelukt!”

„Groote genade!” schreeuwde de arbeider. „De vlammen slaan naar buiten! Ze zijn er allebei om koud!”

„Een is al op de ladder!” riep Tetsjer. „Nu zijn ze er allebei op! Houd goed vast, zeg ik je!”

„De top van de ladder staat al in brand!” riep de arbeider.

„Ze komen eraan,” schreeuwde Tetsjer. „Groote hemel, wat gaat dat langzaam. De vlammen zitten ze op de hielen!”

„Ze zijn er, ze zijn er!” riep de landbouwer opgewonden uit.

Bob die den ouden man half had gedragen, gaf hem met een zucht van verlichting over in onze uitgestrekte armen.

Toen liet hij zich op den grond vallen en zei: „Als ik niet zoo sterk was, zou ik het onmogelijk hebben kunnen doen.”

De oude Horner lag bij den ouden man geknield en riep al maar door: „Och mijn arme meneer, mijn goede, arme meneer!”

„De kamer staat in lichte laaie!” riep Tetsjer. „Het scheelde geen haar. Uit den weg, jullie!De ladder hoeft geen dienst meer te doen. Dat hebben we ’m kranig geleverd!”

„Ja, we hebben het er goed afgebracht,” viel de arbeider in.

Ik luisterde ternauwernood naar hetgeen ze beweerden. Ik lag geknield naast mijn vader, die uit het rijk der dooden was herrezen.


Back to IndexNext