VIII.9 Nov. 1904.Men zal het mij zeker niet euvel duiden dat ik, onder den indruk der groote politieke gebeurtenis voor Amerika, neen voor geheel de wereld, mijn artikel aanvang met een woord over den uitslag der verkiezingen.Terwijl ik schrijf is het natuurlijk ook reeds in Nederland bekend datTheodoor Roosevelttot President gekozen is. Reeds meer dan een maand vertoef ik in Californië welke Staat een bolwerk van de Republikeinsche partij mag heeten. De strijd werd hier alleen gevoerd omRoosevelteen zoo groot mogelijke meerderheid te bezorgen; van kans op winnen voor een der andere partijen was geen sprake.Zoodoende werd de uitslag voor een niet gering deel de thermometer, waarop men de populariteit van den tegenwoordigen president zou kunnen aflezen. En dat die populariteit werkelijk zoo groot is als van hier uit bij herhaling in de Europeesche bladen wordt beweerd, dat hebben de cijfers thans bewezen. Want niet alleen in Californië, maar nog in 32 van de 44 andere Staten van Amerika werdRooseveltmet buitengewoon groote meerderheid gekozen; grooterzelfs dan de partijgenooten omtrent den vermoedelijken uitslag durfden voorspellen.Nooit te voren is een president van Amerika met zoo groote meerderheid gekozen.Van de 14 millioen stemmen die uitgebracht zijn, heeftRoosevelteen meerderheid van 1.950.000; dat is nog ruim een millioen stemmen meer danMc. Kinleykreeg in 1900, toen hij voor een tweede tijdperk van vier jaren gekozen werd; hij werd zooals men weet kort na die verkiezing door een pistoolschot om ’t leven gebracht.Wat aan deze verkiezing vooral groote beteekenis geeft, dat is de versterking derrepublikeinschepartij in het lager en hoogerhuis. De meerderheid in de “House of Representatives” is tot 106 gestegen: niet gering op een aantal van 390 leden terwijl de “Senate” op zijn 90 leden, (2 voor elken Staat), 55 republikeinen telt; een meerderheid van 20.Met zulk een meerderheid voor zichzelf en in de vertegenwoordigende lichamen waarmede hij te regeeren heeft, kan thans een energiek optreden tegen de uitwassen der Trusts verwacht worden.De bescherming der kleurlingen tegen sociale achteruitzetting; de ontwikkeling der Philippijnsche bevolking voor home-rule; handhaving van het protectionistisch tarief en van den gouden standaard; versterking van de vloot; bevordering der landbouw-belangen in de verschillende Staten; vrijheid van den arbeider om al of niet aangesloten bij een vakvereeniging, zijn arbeidte verrichten; ziedaar de overige punten van het program van den President bij de verkiezingen ter sprake gebracht.WatRooseveltdeze overweldigende meerderheid bezorgde, dat was minder zijn politiek program dan wel zijn persoon. Het Amerikaansche volk is overtuigd van zijn rechtschapenheid en eerlijkheid en gevoelt zich veilig onder eene regeering met hem aan het hoofd. Daarbij komt, dat overal in Amerika buitengewone welvaart heerscht en geen enkel groot vraagstuk zich op den voorgrond dringt.Van den tegen-candidaat weet men weinig meer dan dat hij een bekwaam en eerlijk rechter is; of hij tevens een goed hoofd van den Staat zou zijn kon men hopen, niet weten.Alle deze redenen droegen er toe bij om met madameAngotte zeggen:Il ne faut pas la peine, assurément, de changer de gouvernement.Californië.Hierboven zeide ik, dat ik reeds langer dan een maand in Californië vertoef, wat heel lang mag heeten wanneer men bedenkt hoe ontzaglijk uitgebreid Amerika is en men 4 jaren zou noodig hebben om het te zien als men in ieder der 45 Staten zich langer dan een maand ophield. Er is echter een zeer overwegende reden voor dit langdurig oponthoud. Ten eerste een persoonlijke, het klimaat. Zoo heerlijk droog is hierde lucht en zoo zuiver, dat men niet besluiten kan weg te gaan, als het niet hoog noodig moet.Heeft men, van Oostelijk-Amerika komende, de lange, breede en zeer hooge bergketen gepasseerd: Rocky Mountains en Sierra Nevada, dan komt men eerst in een vallei en vervolgens heeft men nog een lagere bergreeks, de zoogenaamde “Kust-reeks”.Die vallei, van 4½ millioen Hectaren, wordt gevormd door de Sierra Nevada en door de reeks kustbergen, die noordelijk en zuidelijk in Californië elkander naderen en zich vereenigen.Naarmate men de kust van den Stillen Oceaan nadert, wordt het klimaat zachter en droger en over de geheele lengte van meer dan 1600 kilometer der kust vindt men in groei zijnde badplaatsen, waarheen het geheele jaar door, de oostelijke bewoners van Amerika zich begeven, wanneer kou en regen of sneeuw het verblijf in eigen woonplaats ondragelijk maken.De houten villa’s worden overal vlak aan de zee gebouwd. Badkoetsen ziet men nergens. Wie baden wil, gaat in badkostuum van z’n woning in de zee. Een prachtig zand-strand over bijna de geheele lijn der kust maakt, dat men dit veilig kan doen. De zee was gisteren 65 graden, onder 60 graden kwam zij, naar mij verzekerd wordt, nooit.Over de geheele vlakte aan de zee gelegen, van midden Californië (San-Francisco) tot zuidelijk Californië (San Diégo) heeft men dit heerlijk droge opwekkendeklimaat; warmer naarmate men zuidelijker komt. In zuidelijk Californië zóó warm, dat de thermometer op den dag nimmer onder 65 graden komt. Thans wijst hij op 80.Aan of dicht bij de kust vindt men in de mooiste omgevingen van bergen, vruchtentuinen enz. prachtige wegen aangelegd, met groote mooie palmboomen aan den kant; de wegen besproeid met petroleum (ongezuiverde) tot wering van stof en op sommige plaatsen door de zon zoo hard geblakerd dat zij asphalt-wegen gelijken. Voor fietsers een waar genot. Op die mooiste punten verrijzen door directe of indirecte medewerking van de groote Californische Spoorweg-maatschappij: deSouthern Pacificprachtige hotels, die in omvang en weelderige inrichting voor de paleis-hotels derSociété des Waggons Litsaan de Riviera enz. niet onderdoen en ook niet wat de prijzen van logies aangaat. Deze zijn vrijwel gelijk aan die van Europa en Afrika.Op 200 kilometer van SanFrancisco, te Del Monte, vertoefde ik in een dier groote hotels, en kostte het mij waarlijk moeite om te vertrekken. Een ideaal-tuin van tropische planten, meer dan vijftig hectaren groot, is om het hotel aangelegd, terwijl een aangrenzend park tot aan den Stillen Oceaan reikt—een afstand van meer dan 10 kilometer. Hier kent men geen winter- en zomerseizoen; het geheele jaar door bevinden er zich gasten die met sport in de open lucht zichversterken. Gaat men zuidelijker, dan treft men zulk een model-inrichting te Riverside, een meer binnenwaarts gelegen welvarend stadje, met uitgebreide velden sinaasappelen en citroenen.Te midden van een prachtig landschap en van bergen, die gemakkelijk te voet te bestijgen zijn en dan een schitterend panorama bieden, geniet men hier van het zachte, zuidelijk klimaat, volgens velen het heerlijkste klimaat van de geheele wereld. Men heeft hier zelden regen; de landen moeten alle door irrigatie vruchtbaar gemaakt worden. Nimmer daalt de thermometer er op 65 graden en nu reeds komt men van het oosten van Amerika om hier voor den winter zijn tenten op te slaan. En dat doet men dan gewoonlijk in het keurig ingerichte “Glenwood”-hotel. Dit is geheel gebouwd in den mission-stijl, den stijl waarin de kerken door de Spanjaarden werden gebouwd in Californië in de 18e eeuw. En die stijl is ook gevolgd bij de inrichting en meubileering, wat aan het geheel een zeer karakteristiek aanzien geeft. Streng doorgevoerd met de groote eetzaal geeft deze ruimte, met haar hoog in den muur aangebrachte lage ramen en haar zware, in ’t oog loopende vierkante balken een eigenaardig aanzien. Met demeubileeringin denzelfden stijl, die aan de oud-Duitsche meubelen doet denken, doch zonder dat zware en drukkende, vormt het te zamen, een kalm, rustig geheel. Er valt hier, voor den bouw en inrichting vanhotels, voor Europeesche architecten heel wat te leeren. Want niet alleen in aanzien, doch ook in comfort, overtreft menig hotel in Amerika en speciaal de “Glenwood” te Riverside, wat Europa op dit gebied bezit. Ook de wijze waarop zoo’n hotel als dit beheerd wordt, wijkt geheel af van de gebruikelijke in Amerika. Krijgt men elders nooit den eigenaar te zien, hier, niettegenstaande hij een manager heeft, bewegen hij en zijne vrouw zich dagelijks onder de gasten, zich uitslovende om dezen het verblijf zoo aangenaam mogelijk te maken. Het schijnt mij toe dat Californië met z’n heerlijk klimaat, zijn prachtige natuur en zijn uitstekende niet te dure hotels, een aangewezen verblijf biedt niet alleen voor de bewoners van oostelijk Amerika, maar ook voor de Europeanen, die een zacht, gelijkmatig, warm, droog klimaat behoeven en niet tegen de reis opzien. Voor Europeanen uit Oost-Indië, China en Japan die hun weg nemen over San Francisco—en dat zijn er tegenwoordig niet weinigen—zal Californië op den duur worden wat nu Italië en de Riviera zijn voor hen, die de reis door de Roode Zee maken, namelijk het dorado waar men als overgang naar de koudere landen, eerst eenigen tijd zich ophoudt. Het land heeft alles en meer nog, dan de zuidelijk Europeesche landen kunnen bieden. Het heeft zelfs zijn Aix-les-Bains, maar zonder de drukkende hitte, die dáár in den zomer kan heerschen en zonder de koude van den winter. Wanthet geheele jaar door is te Paso Robles met z’n prachtige omgeving, gelegenheid voor menschen die aan rheumatiek, huidziekten enz. lijden om gebruik te maken van de bekende heete zwavel- en modderbaden. Een geheel nieuwe inrichting voor massage en behandeling met electriciteit was in aanbouw, toen ik er een bezoek bracht.Al de persoonlijke overwegingen zouden mij zeker niet zoo lang in Californië gehouden hebben, ware het niet dat er eene van algemeenen aard bijkwam, die in deze den doorslag gaf. Op mijn tocht namelijk door Californië legde ik de reis van Sacramento, de hoofdstad van Californië, naar San Francisco af per stoomboot en wat ik toen zag gebeuren op de oevers dier rivier, deed mij besluiten tot een onderzoek, dat wegens de belangrijkheid der inlichtingen die ik ontving, mij steeds meer in beslag nam. Men was daar aan het maken van dijken. De kapitein der boot vertelde mij dat in het voorjaar de lage dijkjes der Sacramento-rivier geen weerstand hebben kunnen bieden aan den fellen stroom, die door de vele regens in het bovenland ontstond, en dientengevolge al die laag gelegen landen waren ondergeloopen. Groote schade werd door de eigenaars geleden. De oogst was geheel of bijna geheel vernield. Men verhoogde nu de dijken met uit de rivier gedregd zand, en wel zoodanig, dat overloopen van water menschelijkerwijze gesproken, niet meer kan voorkomen.Bij navraag bleek mij van hoe groot belang dit vraagstuk der inpoldering is voor de verdere ontwikkeling van het land en welke belangen van ons volk daarbij gemoeid kunnen zijn.In een volgend artikel daarover nader.IX.13 Nov. 1904.Californië is bij de groote massa in Europa alleen nog bekend als land waar goud wordt gevonden; waar in de jaren 1848 tot 1880 ieder heentrok die wilde “goudzoeken”.Er wordt ook nu nog altijd goud gevonden, maar de grond en daardoor de mijnen zijn in handen gekomen van groote maatschappijen. Het vinden van goud is nu niet meer een fortuintje voor den delver maar voor de Maatschappij in wier dienst hij arbeidt. Vandaar dat de goudmijnen van Californië haar aantrekkingskracht voor fortuin-zoekende Europeanen sedert lang hebben verloren.In dat mijnwerk vond de kleine bevolking van Californië langen tijd bijna uitsluitend een middel van bestaan. Totdat in de zeventiger jaren zich hier en daar immigranten vestigden, die zich toelegden op vruchtenteelt, door het klimaat daartoe als aangewezen. De gebrekkige middelen tot irrigatie van den bodem, maakten dat bedrijf in den aanvang weinig loonend. Toen evenwel de wijze van irrigeeren verbeterd en minder kostbaar werd, bleek spoedig de groote geschiktheid van den bodem voor vruchtenteelt, sinaasappelen,citroenen, pruimen, perziken, peren, appelen, walnoten enz. en worden thans, met buitengewoon gunstigen uitslag, velden met vruchtboomen in midden- en zuid-Californië aangelegd.In sommige streken probeert men ook al de bloementeelt en reeds wordt in den omtrek van Los Angeles op groote schaal een proef genomen met het kweeken van rozenstammen, waarvoor de navraag bestaat in Oostelijk Amerika, aan welke navraag thans hoofdzakelijk door Europa, ook door de bloemenkweekers van Nederland, wordt voldaan. Naar mij werd medegedeeld, zijn de kosten van kweeken der rozenstammen in dit zonnig gedeelte van Californië zoo goedkoop, dat Europa een zeer ernstige concurrent ook voor dit artikel krijgt, indien de proefneming, op groote schaal begonnen, mocht slagen.Hier in Zuid-Californië vindt men prachtige boomgaarden van sinaasappelen, duizenden hectaren groot, waar nog slechts 3 jaren geleden wildernis was en waarvan men reeds over 2 jaren een oogst verwacht, die alle kosten van aanleg, irrigatie en vruchtbaarmaking van den grond ruimschoots vergoedt. Die verwachting is gebaseerd op de ervaring met aangrenzende velden opgedaan, waar boomen staan van 20 tot 30 jaar oud.Een aardig voorbeeld van de wijze waarop een ieder in zuidelijk Californië zijn voordeel weet te doen met de nieuwe industrie, levert een paar onderwijzeressen te Riverside, waarover ik in mijn vorig artikel schreef.Zij kochten een halve acre (nog geen kwart bunder) grond en bouwden daarop voor hun beiden de woning. Het voor dien koop en bouw benoodigde geld werd opgenomen. De grond, niet voor de woning noodig, werd bebouwd met sinaasappelboomen, waarvan de opbrengst, thans na 7 jaren, voldoende is geweest om het opgenomen geld af te betalen, zoodat zij thans niet alleen vrij wonen, maar bovendien een flinke jaarlijksche inkomst uit hun boomgaard genieten.Engelschen hebben zich hier gevestigd en met Engelsch kapitaal zijn tienduizenden hectaren woestenij in boomgaarden omgezet, tot niet gering voordeel der ondernemers.Maar tevens ten voordeele van allen, die bij deze industrie zijn betrokken, want overal heerscht een welvaart, als waarvan wij in ons land geen begrip hebben. Deze industrie roept nederzettingen in het leven, die in de streek gevestigd blijven en daarom voor Californië een zegen zijn. De vlottende bevolking, niet aan het land gehecht, ziet men hier liever niet. Men bevordert daarentegen zooveel mogelijk de vestiging van hen, die door land- of tuinbouw en vruchtenteelt uit te oefenen een vaste, blijvende bevolking uitmaken. De behoefte aan zulk eene bevolking wordt over geheel Californië sterk gevoeld, omdat men meer en meer overtuigd wordt, dat groote schatten aan den vruchtbaren grond, in verband met het warme klimaat, zijn te onttrekken, indien daaraan slechts de zorgvuldigearbeid besteed wordt, die alleen een geduldige land- en tuinbouwbevolking in zoo hooge mate bezit. Wanneer men bedenkt dat Californië zoo groot is als Italië en ternauwernood twee millioen inwoners telt, waarvan een groot deel zich bezig houdt met mijnwerk of zich ophoudt in de groote steden—San Francisco met de voorsteden telt alleen 700.000 inwoners—dan kan men zoo ongeveer nagaan hoe weinig het landbouwbedrijf hier op dezen daarvoor zoo geëigenden bodem tot zijn recht komt.Wie hier met beleid en deskundig te werk gaat, ’t zij met de vruchtenteelt, ’t zij met den landbouw of de veehouderij, kan verzekerd zijn binnen weinige jaren een gezeten grondeigenaar te zijn. Hier wordt arbeid, en vooral toewijdenden arbeid verlangd; wie dien geeft, is zeker van een welvarend bestaan; heel wat welvarender en met heel wat beter vooruitzichten dan voor dienzelfden arbeid in Nederland genoten wordt. Hier koopt de landbouwarbeider of tuinder van zijn bespaarde penningen weinige acres (1 acre is 0.4 Hectare) grond. Goed gelegen vruchtbare grond kost van honderd tot vijfhonderd gulden per acre. Drie vierden van den koopprijs behoeft hij eerst te betalen in 3 jaren, jaarlijks een derde. Dat kan hij gewoonlijk doen van de opbrengst van zijn land en is hij zoodoende na drie jaren eigenaar van zijn grond en leeft er al die jaren heel wat beter van dan zijn collega in Nederland.Hij, die met een klein kapitaaltje van 2500 à 5000gulden en toegerust met de algemeene kennis omtrent landbouw, veeteelt, vruchtenteelt of boom- en bloemkweekerij zich hier komt vestigen, kan zeker zijn van een welvarend bestaan. Natuurlijk dient de grond met beleid gekozen en daaromtrent overleg gepleegd te worden met de besturen der Kamers van Koophandel of andere vertrouwde lichamen of personen. De Kamers van Koophandel worden nu in den laatsten tijd tot op de kleinste plaatsen opgericht en verrichten met haar deskundige en betrouwbare adviezen aan particulieren en corporatiën een zeer verdienstelijken arbeid. Door coöperatie worden de noodige werktuigen, zaden enz. tot kostenden prijs aangeschaft.In sommige plaatsen, o.a. te Riverside, worden de irrigatiewerken coöperatief aangelegd en onderhouden. Te Santa Barbara was een groote coöperatieve werkplaats van over de 100 deelnemers voor het drogen, sorteeren en verpakken van eigen verbouwde walnoten. In dit deel van Californië ziet men de walnoot-boomen bij duizenden, keurig onderhouden en zonder een grasje of plantje tusschen de boomen. Elders vindt men de coöperatieve zuivelfabrieken precies als in ons land werkende. De coöperatie moge hier niet zoo algemeen worden toegepast als in sommige landen van Europa, het beginsel wint hier veld en maakt in het landbouw- en vruchtenteelt-bedrijf groote vorderingen.Overal ontdekte ik de sporen van bekendheid met dezen gunstigen toestand in de oude landen van Europa.Want Zweden, Denen, Russen, Engelschen, Duitschers, Zwitsers, Italianen en natuurlijk ook Amerikanen trof ik hier aan, die na weinige jaren volhardenden arbeid thans zeer gezeten burgers van Californië zijn. Alleen Nederlanders kwam ik op mijn tocht niet tegen. En toch moet onze land- en tuinbouwschool in de laatste jaren een aantal deskundige jongelieden hebben afgeleverd, dat aangewezen was de groote welvaart deelachtig te worden, die in hun vak hier in zoo ruime mate door emigranten van andere natiën wordt genoten.Waar zitten toch die tientallen, honderden wellicht, die dat weinigje ondernemingsgeest behoeven om met de te Wageningen opgedane kennis hier in weinige jaren hun toekomst te verzekeren?Toen ik van San Francisco door de Santa Clara Vallei reisde, meer dan 100 kilometer langs de boomgaarden met pruimen, abrikozen, perziken en pereboomen met de daarvoor noodige drogerijen en pakkerijen, hoorde ik gewagen van het Engelsch, Duitsch of Zweedsch kapitaal, waarmede deze of gene plantage was aangelegd en dat daarvan nu groote inkomsten genoot. Van een Nederlandsche kolonie of van Nederlandsch kapitaal dat de rijke vruchten van deze opkomende industrie geniet, hoorde ik nergens.Nog liggen honderdduizenden hectaren braak; nog vindt de ondernemende Hollander hier een ruim veld om door arbeid en vlijt (niet door geluk, zooals weleer de goudzoekers van dit land) zich een ruim bestaante verzekeren. Zal hij zoo lang wachten, tot de room van de melk is? Californië’s bevolking is geheel onvoldoende om den rijken bodem naar eisch te ontginnen. Het behoeft daarvoor deskundigen arbeid uit de oude landen van Europa. Andere landen doen daarmede hun voordeel. Zal Nederland achter blijven?Zijn de vooruitzichten van hen die zich in Californië aan de vruchtenteelt wijden, veelbelovend te noemen, niet minder is dat het geval voor hen, die er het landbouwbedrijf en de zuivelbereiding gaan beoefenen.Gedurende de jaren dat de groote vallei van 4½ millioen hectaren, waarover ik in mijn vorig artikel schreef, spaarzaam bevolkt was, werd de beschikbare vruchtbare grond in cultuur gebracht zonder onderzoek naar andere gronden, die òf voor het vervoer der producten niet gunstig gelegen waren òf onder water stonden. Er zijn in dat dal o.a. twee groote rivieren: de Sacramento en de San Joaquin, die in midden-Californië in velerlei vertakkingen tot elkander komen en een uitgestrekt bezonken land vormen van ongeveer vierhonderd duizend hectaren oppervlakte. Die grond, drooggemaakt en ingepolderd, is gebleken uit zeer vruchtbaren veengrond te bestaan, geschikt voor den graanbouw en de groenteteelt, en nog meer voor veeteelt en zuivelbedrijf: melkerij.De inpoldering geschiedt nagenoeg als bij ons te lande. Voor het inlaten van water heeft men slechtshier en daar de sluizen open te zetten, voor het uitpompen op den rivierboezem gebruikt men verplaatsbare stoompompen. Het eerste is zelden noodig; het laatste veelvuldig. Dijken van voldoende hoogte beschermen het land tegen overstroomingen.Toen men voor weinige jaren ontdekte welke groote vruchtbaarheid deze drooggemaakte gronden bezitten, is men aan het droogleggen er van gegaan en gaat men daarmede nog steeds voort. Bovendien versterkt men nu ook de dijken hoogerop gelegen langs genoemde rivieren en beveiligt daardoor het achtergelegen land tegen overstrooming. Tot de energieksten onder hen, die hun land tegen water wisten te beschermen, behoort ditmaal een Nederlander, de heerP. J. van Löben Sels, ex-consul van Nederland te San Francisco. De Sacramento-rivier afvarende, werd mij zijn land, “Vorden” genaamd, ruim 1600 hectaren groot, gewezen. Het behoorde tot de weinige landen, die dit voorjaar door den sterken vloed bergwater niet ondergeloopen waren. Toen ik hem later sprak, vernam ik, dat hij voor eenige jaren geruimen tijd in Nederland vertoefde om de wijze van inpolderen en bedijken te bestudeeren en dat hij nu, door toepassing van hetgeen hij daar leerde, voor groote schade is bewaard gebleven. Het bleek mij trouwens uit een bezoek aan een der grootste inpolderingen die thans onder handen genomen is, die van de “Middle River Company”, in de buurt van Stockton, dat ons land, vóór men aldaar tot de inpolderingoverging, werd bezocht door de directeuren, de heerenPhillips, waarvan de oudste broer ter bestudeering van het stelsel bij ons toegepast, nog niet van Nederland was teruggekeerd toen ik deze bezitting bezocht1.Hier worden ruim vijfduizend hectaren prachtige zwarte veengrond aan het water onttrokken. Een groote uitgestrektheid was reeds bebouwd met aardappelen, uien, boonen en asperges. Een fabriek voor het inmaken van asperges in blikken was op het asperge-land in aanbouw.Op een uur afstand per boot bezocht ik een ander droog gelegd land; daarop was een groote melkerij van over de 200 koeien gevestigd. Het meerendeel uitgelezen melkvee, kort geleden van Nederland geïmporteerd. Aan het hoofd stond een Deen. Van hem vernam ik bijzonderheden omtrent de prijzen die bedongen worden voor zuivelproducten, waaruit ten duidelijkste bleek, hoe winstgevend het bedrijf van veehouder en zuivelbereider hier moet zijn, waar men den vruchtbaren grond, die geen bemesting behoeft, koopt voor zeshonderd tot zestienhonderd gulden per hectare en waar men een klimaat heeft dat zoo goed als geen risico oplevert voor het welslagen van denoogst. Men krijgt hier van alfalfa-velden vier, soms vijf goede oogsten per jaar. Toen ik mij vóór ongeveer een week te Fresno bevond, was men dáár van hetzelfde land, voor de vijfde maal in dit jaar, aan het oogsten van alfalfa.Deze bouw schijnt inderdaad in het landbouw-bedrijf de grootste voordeelen op te leveren. Fresno en omgeving behoort niet tot de zooeven genoemde ingepolderde landen. Daar is gebrek aan water en moeten dan ook de alfalfa-landen door irrigatie vruchtbaar gemaakt worden, wat heel eenvoudig en goedkoop kan geschieden met water van in de nabijheid gelegen bergen. Ik zag daar gronden te koop voor ƒ 250 de bunder, die bij deskundige bebouwing van vijf bunder met alfalfa, in vier jaren niet alleen ruimschoots het onderhoud van een gezin opbrengen, maar zooveel meer als noodig is om den koopprijs af te betalen.Hier wordt algemeen aangenomen, dat 5 hectaren noodig zijn om bij zorgvuldige bebouwing—landbouw, melkerij of vruchtenteelt—een gezin te onderhouden en in 4 à 5 jaren den koopprijs af te lossen. Bij den aanvang moet ¼ van den koopprijs dadelijk betaald worden. Bij verbouwing van sinaasappelen wordt voor de afbetaling ongeveer op 7 jaren gerekend.Het is opmerkelijk hoe weinig nog het Nederlandsche element ook in het landbouwbedrijf en de veehouderij in midden-Californië wordt waargenomen. Men vindt hier Zwitsersche, Duitsche, Deensche en zelfs Russischekolonies, alle zeer welvarend, maar een Nederlandsche kolonie, waarvoor deze bedrijven zoo bij uitstek geschikt mogen heeten, vindt men hier nog niet. Wel Nederlandsch vee, maar emigranten van andere natiën om de voordeelen te behalen die dat vee op Californischen bodem afwerpt. En van Nederlandsch kapitaal om die inpolderingen en droogmakingen tot stand te brengen, hoorde ik al evenmin.De buitensporige voordeelen aan die droogmakingen verbonden genieten Amerikanen en Engelschen, die hier met de ervaring in Nederland omtrent inpolderingen opgedaan komen woekeren. En onze geldmannen, die beter dan eenig ander in staat zijn om de voordeelen van dergelijke ondernemingen te beoordeelen, houden zich van verre.Niet lang geleden had ik gelegenheid eene conferentie bij te wonen, waar een nieuw plan van inpoldering werd besproken en toegelicht. Het betrof het Yolo-bassin, in de Delta der Sacramento en San Joaquin-rivieren gelegen, een oppervlakte van 12000 hectaren. Daarvoor is ongeveer ƒ 2½ millioen noodig en komt dit vruchtbaar land na droogmaking op even ƒ 200 per bunder te staan, terwijl de verkoopprijs reeds dadelijk op het dubbele werd berekend. Hoewel de schattingen mij zeer vertrouwbaar voorkwamen, zou ik daaraan toch geen al te groote waarde hebben gehecht, ware het niet, dat de heerP. J. van Löben Sels, aan wiens oordeel in deze ik groote waardehecht, mij verzekerde dat de voorgespiegelde cijfers voor deze onderneming eer te ongunstig dan te gunstig gesteld waren.Met dit kijkje op de voordeelen die dergelijke ondernemingen hier behalen, besluit ik dit opstel over Californië. Veel, tienmaal meer dan ik hier opsomde, zou ik nog zeggen over dit rijke land der toekomst, indien niet de ruimte van een dagblad mij grenzen stelde. Dit ééne wil ik er nog aan toevoegen.Indien een groep van 25 à 30 gezinnen van kleine landbouwers en veehouders in ons land zich vereenigden om naar Californië te gaan en een vertrouwd deskundig man daarheen zonden om geschikte gronden te koopen en het noodige te regelen voor de vestiging aldaar, dan zou door samenwerking op coöperatieven grondslag voor zulk een groep landgenooten een welvaart ontstaan en genoten worden, als waarvan zij te voren nooit gedroomd hebben.1Tot de bekendheid met en de waardeering van onze wijze van inpolderen heeft in Amerika niet weinig bijgedragen een artikel van de New-Yorksche “Review of Reviews” van Augustus l.l., door den ijverigen consul der Vereenigde Staten te Amsterdam: mr.Frank D. Hill: “How the Dutch have taken Holland”.X.3 Dec. 1904.Het viel niet gemakkelijk, het besluit voor den terugtocht. Het heerlijk klimaat van Californië ging ik verlaten met de wetenschap, dat naarmate ik meer naar het oostelijk deel van Amerika trok, het klimaat steeds meer begon te gelijken op het onze: koud, mistig, vochtig. Toch was er een lichtzijde aan dat terugtrekken verbonden; het vooruitzicht namelijk dat over dien langen weg van bijna 6000 kilometer zooveel belangrijks was te zien. De reis ging o.a. door Arizona, Nieuw Mexico en Indiana naar Chicago en van daar langs het Erie-meer naar Buffalo, ter bewondering vanthe Fallsder Niagara en vervolgens langs de Hudson-rivier naar het groot-Mokum van Amerika: New-York City.De afstand van San Francisco naar Chicago, die in vier etmalen kan worden afgelegd, indien men zich onderweg niet ophoudt, bedraagt ruim vierduizend kilometer, geheel onder beheer van één spoorweg-maatschappij. En dit maakt slechts de kleinste helft harer lijnen uit. Zij exploiteert in het geheel bijna dertien duizend kilometer spoorlijn.Wat dit wil zeggen kan men zich eenigszins voorstellenwanneer men weet dat de afstand van Amsterdam naar Rome nog geen 1700 kilometer bedraagt. Ik zeg “eenigszins”, omdat de exploitatie hier zich niet bepaalt tot vervoer van reizigers en goederen, maar zich uitbreidt tot het bouwen en exploiteeren van hotels en restaurants onmiddellijk aan den spoorweg gelegen; tot het verstrekken van maaltijden op ’t spoor in dedining-cars; tot het leveren van paarden en rijtuigen op eindpunten van de zijlijnen; tot den verkoop van voorwerpen door Indianen vervaardigd, waarvoor in Arizona en Nieuw Mexico bij verschillende stations groote winkels, ware musea, in smaakvollen stijl zijn gebouwd. Zóó en op nog verschillende andere wijzen, bevorderen de groote spoorweg-maatschappijen hier het verkeer op haar lijnen en niemand is daarmede beter gediend dan “het publiek”. Want de wijze, waarop zij haar taak als restaurateur of hotelier opvatten, is boven allen lof verheven. Uitnemende maaltijden, tegen niet hoogen prijs, worden in de spoorweg-restaurants en de eet-wagons verstrekt. Alles is er zóó zindelijk als de properste Hollandsche huisvrouw maar kan begeeren. En datzelfde is het geval in de spoorweg-hotels.Ik ontmoette hier bij herhaling reizigers, van Australië of van China komende—ook een groot gezelschap dat van Nederland de reis over New-York en Chicago naar San Francisco en van daar naar Singapore en Batavia maakte—die evenals ik, ingenomen waren met dewijze, waarop de spoorweg-maatschappijen alhier haar taak opvatten en uitvoeren.Men kan zich moeilijk een begrip vormen van de uitgebreidheid der administratie bij zulk een onderneming met een jaarlijksche ontvangst van honderd zestig millioen gulden. Wat men van de Amerikanen ook moge zeggen, zeker niet dat zij, voor welke andere natie ook onder doen in organiseerend en administreerend talent. Neen, laten wij het gerust bekennen, in dit opzicht overtreffen zij ons, Europeanen, ver. Maar ik dwaalde af. Het was mijn voornemen om mede te deelen wat de bewondering en belangstelling wekt op dezen tocht. De reis, voor zoover zij door Californië gaat, kent men eenigszins uit de vorige opstellen. Heeft men de grens in Arizona bereikt, dan wordt alles dadelijk anders. De wegen zijn slechter onderhouden, de huizen zijn van geringer afmeting en zijn verfloos, er is minder water en meer stof. Ook de wetgeving is er nog ver ten achter.De bevolking is er minder gecultiveerd. Ruwheid en dronkenschap komen veelvuldig voor. Arizona is, wat oppervlakte betreft, ongeveer 10 maal grooter dan Nederland, doch heeft slechts eene bevolking van nog geen 150.000, terwijl Nieuw Mexico, met eene oppervlakte elf maal grooter, nog geen 200.000 inwoners telt. Hieronder is niet begrepen een ambulante mijnersbevolking, die van den eenen Staat trekt naar den anderen om te werken. Vele mijnen liggen somsgeruimen tijd stil, omdat er geen kapitaal voorhanden is tot voortzetting der exploitatie, of omdat de prijzen der gedolven mineralen tijdelijk te laag zijn of om eenige andere reden. Doch in al die gevallen staan de werklieden op straat, gewoonlijk met een goed gevulde beurs, want in of bij de mijnen kunnen ze niet veel verteren. Dan trekken zij eerst naar het naastbij gelegen stadje aan de spoorlijn en hier vinden zij gewoonlijk gelegenheid om hun verdiend loon geheel of gedeeltelijk kwijt te raken. In den regel zijn die arbeiders jonge ongehuwde mannen, die in de mijnen werken of in de uitgestrekte bosschen boomen vellen. Komen zij in de kleine spoorwegplaatsen, dan is hun eerste en eenige aanloop desaloon, dat is de kroeg, waar den geheelen dag wordt in- en uitgeloopen en aan de toonbank, staande, de noodige borrels worden verschalkt. Doch wat erger is: waar den geheelen dag de gelegenheid wordt gegeven tot dobbelen. Met roulet, de dobbelsteenen, de kaarten wordt openlijk gespeeld en bij onderzoek bleek mij dat in Arizona en Nieuw Mexico het dobbelen niet verboden is bij de wet, en voorloopig ook nog niet zal verboden worden.Er worden namelijk hooge rechten betaald voor de vergunning om een roulet of speeltafel te houden.De gemeentebesturen vinden het gemakkelijker op die wijze de kas te vullen dan door het heffen van een hoofdelijken omslag. Daar komt nog bij dat uit hun bedrijf groote voordeelen worden behaald door de“saloon”-houders en de houders der “gambling-tables”; personen die bij de verkiezing van leden voor den gemeenteraad een beduidende rol spelen en er wel voor waken, dat geen raadsleden gekozen worden, die bezwaar hebben tegen dobbelspel.Wat dit laatste in sommige plaatsen allerbedenkelijkst maakt is een bepaling, dat het recht verdubbeld wordt, indien vrouwen in de “saloons” worden toegelaten. Ik heb een paar van die plaatsen bezocht. In hun werkpakje zaten dáár Amerikanen, Mexicanen, Indianen, Chineezen hun zuur verdiend loon te verdobbelen. En precies als te Monte Carlo zat men berekeningen te maken, van het nummer van het draaibord waarop de prijs een volgenden keer “moest” vallen. Het ging hier natuurlijk slechts om kleine sommen; zilverstukken van 10 en 25 cents waren de voornaamste inzet. Maar ik zag ook een jongen Amerikaan, die drie maanden in de bosschen werkzaam was geweest aan den houthak en honderdvijftig dollar had bespaard, dit sommetje in twee uren tijds verliezen met inzetten van één tot vijf dollar. En welke tooneelen men daaromheen ziet in de “saloons” waar het verhoogde recht betaald werd om ook vrouwen te kunnen toelaten, kan men zich voorstellen, wanneer men die combinatie elders, vooral in Fransche badplaatsen, wel eens heeft waargenomen.Ik kan van dit onderwerp niet afstappen zonder de hoop uit te spreken, dat de centrale regeering vanAmerika spoedig tusschenbeide kome, om een einde te maken aan een toestand die dit groote land tot schande is.Van de gelegenheid om een Amerikaanschen zaagmolen te zien maakte ik hier gretig gebruik, omdat ik van de groote besparing van arbeidskrachten, en het vlug omzetten van boomen in planken zooveel had gehoord. En inderdaad, de Amerikanen verrichten wonderen met hun machines. De zaagmolen was aan het spoor gelegen, en de boomstammen werden uit het ver afgelegen bosch aan een berg-helling vervoerd per water, d.w.z. over een afstand van vele kilometers was een houten bak op stutten gemaakt, van ongeveer een meter breed en een halven meter diep. Een bergstroom liet men op een hoog punt in dien bak loopen en door het aangebrachte verval stroomde dat water vrij vlug omlaag. De boomstammen werden daarin geworpen en bereikten het eindpunt met een snelheid van 15 kilometer per uur. Op één plaats zag ik zoo’n toestel, primitief in elkaar gezet, ter lengte van 105 kilometer—de afstand van Amsterdam naar Arnhem—en aan het eind van den afgelegden weg werd het water aangewend voor irrigatie van den grond.Te Flagstaff, (Arizona) waar ik den zaagmolen bezichtigde, eindigde de kunstmatige beek, zooals ik zoo’n bak zou willen noemen, op tamelijk grooten afstand van de fabriek, omdat er geen verval van water meerte krijgen was. De stammen, alle van dezelfde lengte—daarop worden ze reeds gemaakt bij ’t vellen—werden aan het eindpunt op platte spoorwagens vervoerd naar de fabriek. En hier begon de bewerking. In den zaagmolen waren niet meer dan 5 mannen werkzaam om de boomstammen, die aan den eenen kant binnenkwamen, zoodanig te plaatsen dat zij op bepaalde dikte gezaagd worden en daarna als planken, gesorteerd naar breedte en lengte, op hun plaats aan den anderen kant den molen verlieten. De rest deden de verschillende werktuigen. In den tijd van 20 minuten zag ik 10 boomen van vier en een halven meter lang en bijna één meter middellijn in planken omzetten, dat was gemiddeld twee minuten voor iederen boom. Hoe die vijf mannen den drukken, inspannenden arbeid van den ochtend tot den avond kunnen volhouden is mij een raadsel. Er wordt namelijk in die fabriek 10 uren daags gewerkt. Van 7–12 en van 1–6 en als het druk is nog van 7–9½, waarvoor dan ¼ van het loon extra wordt betaald. Dus geen verhoogd loon voor de over-uren. Van pensioen, ziekengeld of uitkeering bij ongeval is geen sprake. Was er geen werk (tijdelijk in den winter) dan volgde onmiddellijk ontslag. Deze toestand is geen uitzondering, maar regel voor den arbeid in Westelijk-Amerika. Wat de loonen betreft, die waren er vrij hoog. De meesterknecht genoot vijf dollar per dag; de overigen de helft of iets daarboven, terwijl het leven in diekleine stad niet duur kon genoemd worden. Bieden de bosschen in Arizona een rijke bron van inkomsten, nog meer is dit het geval met de mijnen. Onder deze munten uit de kopermijnen van Mr.W. A. Clark, een van de Amerikaansche milliardairs. Mij werd verzekerd, dat hij alleen uit de mijnen van Arizona een jaarlijksche winst maakte van tien millioen dollar. En nu overtrof de productie zijner mijnen in Montana nog die van Arizona. Van eene zijde die geen twijfel toelaat, vernam ik dat in de gezamenlijke mijnen van dezen groot-industrieel, ruim twee derde werd voortgebracht van al het koper, dat jaarlijks in de wereld wordt geproduceerd. Ook hier, bij de mijnwerkers, bestaat er tusschen werkgever en arbeider niet de minste band. De eerste betaalt een vrij hoog loon en bemoeit zich voor ’t overige met zijn werklieden niet. Dat dezen aan de onderneming zich niet gehecht gevoelen, spreekt van zelf. Verbetering in dezen toestand is alleen te verwachten van een nauwe aaneensluiting der werklieden in vakvereenigingen. Daarvan zijn velen onder hen reeds doordrongen, doch de meerderheid begrijpt blijkbaar nog niet, dat verbetering van eigen lot, alleen verkrijgbaar is door organisatie en coöperatie. Ik spreek ter loops slechts over een derde bron van rijkdom in beide staten: de vee-fokkerij. Niet op den voet zooals bij ons, maar uitsluitend tot het fokken van jonge stieren, die enkele jaren de prairie worden ingejaagd, dáár hun voedsel zoeken omdan bij honderdtallen naar de slachtbank te worden gevoerd. Hier zijn vee-fokkers, die het aantal hunner ronddwalende stieren bij benadering slechts kennen. Het bedraagt soms duizenden. Zij worden voor het grazen binnen zekere grenzen gehouden door decow-boys, te paard gezeten jonge mannen, die dagen achtereen in de prairie vertoeven om afgedwaalde stieren weer op den rechten weg te brengen. In zijn kleurig buis en leeren broekspijpen met franjes van boven tot onder, zijn zware sporen naar Spaansch model, zijn grijze flambard en losjes geknoopte roode das, ziet hij er schilderachtig uit, wanneer men hem uit den spoorwagen door de prairie ziet rennen op ongebaande wegen, met een vaart bijna gelijk aan die van den trein. Aan den knop van ’t zadel hangt de lazzo en ieder der beide achterzakken van zijn pantalon herbergt een revolver.In het schieten met dit laatste wapen oefent hij zich gedurende den tijd dat hij niet achter de stieren rent en de meesten brengen het zoover, dat zij op 40 pas afstand een mikpunt van drie centimeter middellijn nooit missen.Ruw, kortaf en twistziek, ziedaar eenige minder aangename eigenschappen van den cow-boy; daarentegen is hij ridderlijk tegenover vrouwen en kent zijne goedhartigheid tegenover lijdenden geen grens. Daarover zijn veleinteressanteverhalen in omloop. Zoolang de whiskey nog in de kan is, valt er met den cow-boyte praten; is zij in den man dan blijve men voorzichtigheidshalve op een afstand. In de genoemde landen is het geen zeldzaamheid dat de revolver als argumenteerende kracht wordt aangewend.Laat het sociale leven in Arizona te wenschen over, niet aldus is het gesteld met de natuur. Deze heeft hier wonderen verricht, zooals men ze nergens in de wereld, en zóó dicht bij elkaar, te aanschouwen krijgt.Men spoort van het station Williams in een paar uur naar degrand canyon1of Arizonaen honderd pas van het station staat men voor een afgrond, die—behalve door zijn uitgebreidheid en diepte—een wonder van kleurenpracht en grillige vormen te aanschouwen geeft; een pracht die geen pen in staat is te beschrijven. In de diepte stroomt de Colorado-rivier, doch men kan haar daarboven ternauwernood zien, daar die diepte 1800 meter bedraagt. Eerst wanneer men afdaalt langs een pad dat ruim 10 kilometer lang is—een weg die gewoonlijk op een paard of muilezel wordt afgelegd—krijgt men menig denkbeeld van deze meer dan 100 meter breede rivier en van de ontzaglijke rotsblokken die de wanden van dezen afgrond vormen. De schitterende kleurenpracht, telkens varieerende wanneer de zon haar licht op een ander deel der uitstekende punten en gedrochtelijke vormen doet schijnen, doet het oog in stille bewondering op dit ontzettend grootsche natuurtafereel staren. Eindelijkna lang staren, zoekt het oog een grens, maar deze is niet te vinden. Althans niet in de lengte. Deze scheur in de aarde is, langs de rivier gemeten, driehonderdvijftig kilometer lang (meer dan 3 maal de afstand van Amsterdam naar Arnhem!) en twintig kilometer breed (van Amsterdam tot Haarlem). Voor zoover mij bekend, bestaat er geen ander natuurtafereel van dien aard: zóó groot en zóó schoon.Een ander natuurwonder van Arizona, al wordt men er niet zoo door getroffen als door dengrand canyon, zijn de versteende bosschen. Op geringen afstand van Holbrook vindt men boomen, een geheel bosch vormende, uit vóórhistorischen tijd. Zij zijn òf verglaasd, òf versteend, òf verkalkt en bieden nu, als de zon er op schijnt, een heerlijk kleureffect. Zelfs zuivere kristallen zijn er bij. Er zijn er ook onder die het prachtigste agaat leveren. De boomen zijn soms 70 meter lang en liggen half bedolven in het zand, half bloot. Sommige boomen zijn geheel gaaf gebleven met alle takken eraan, gelijkende op een boom van agaatsteen. Vóór eeuwen hebben wervelwinden, die het zand opzweepten en in groote massa’s verplaatsten, deze boomen, naar men vermoedt, bloot gelegd. Doch de boomen zelven zijn dáár niet gegroeid. In vóórhistorischen tijd moet de grond aldaar de bodem van een zee geweest zijn en werden de boomen wellicht, ontelbare eeuwen geleden, door een ontzettende natuurkracht ontworteld en naar de plaats gespoeld, waarzij nu in zoo groot aantal gevonden worden. M.a.w., men weet er niets van hoe die boomen dáár zijn gekomen en op welke wijze zij de versteende en verglaasde lichamen zijn geworden, die nu met hun kleurenpracht ons oog bekooren.Een ander wonder, op grooter afstand van de spoor doch door een heerlijke natuur per rijtuig in één dag te bereiken is denatuurlijkebrug, waardoor de beide zijden van een bergkloof, 165 meter wijd (zonder rustpunt) ruim 200 meter boven een vervaarlijken bergstroom, verbonden worden.Maar wat zeker voor velen het meest interessante van de reis is, het zijn decliff-dwellings, woningen van een menschenras dat sedert lang van het aardrijk is verdwenen en van wier vroeger bestaan slechts zeer zeldzaam de sporen worden gevonden. Er zijn namelijk enkele skeletten opgedolven, waaruit blijkt dat het een klein soort menschen moet geweest zijn. Wat evenwel zeer opmerkelijk is, dat is dat hun wijze van behandeling der lijken geheel overeenkwam met die der oude Egyptenaren. De gevonden skeletten waren geheel omwikkeld door windselen van grof linnen.De woningen dezer menschen zijn op sommige plaatsen in de rotsen nog gaaf aanwezig. Ze zijn gebouwd in overhangende rotsspleten, een paar honderd meter of meer boven den beganen weg, soms boven steile afgronden. De bewoners hebben waarschijnlijk indertijd hun woning van boven af bereikt maar moetendaarvoor een talent van klimmen en klauteren bezeten hebben, zooals bij tegenwoordig levende menschen niet wordt gevonden. En dáár, in de nabijheid dezer vóór-historische woningen, vindt men nu nog oude stammen van Indianen wonen, heele dorpen met eigen wetgeving en eigen bestuur, vast houdende aan traditiën, door vele eeuwen heen tot hen gekomen.Die stammen zijn aan het uitsterven, en zullen waarschijnlijk over weinige eeuwen verdwenen zijn, evenals de cliff-bewoners van weleer. Niet weken maar maanden zou men in dit merkwaardig deel van Amerika willen vertoeven, om de wonderen der natuur gade te slaan en in het verleden trachten door te dringen door bestudeering, van wat daar nu nog gevonden wordt.Hoe geheel anders wordt de omgeving als de trein ons brengt in Chicago, met zijn twee millioen inwoners, saamgesteld uit de emigranten van bijna alle natiën der wereld.Hier vindt men, als in Londen, den grootsten rijkdom naast de diepste armoede. Hier worden zaken gedaan, niet anders dan zaken. De concurrentie heeft de grootst mogelijke inspanning gevorderd, zelfs van de meest energieken onder deze business-men. Met ’t gevolg dat allen voortrennen in zenuwachtige haast, uit vrees van achterhaald te worden door iemand, die nog vlugger, nog intenser weet zaken te doen. Welke reusachtige ondernemingen aan dit inspannend werken het aanzijn danken, kon ik ervaren bij eenbezoek aan de slachtplaats vanArmour & Co., een naam over de geheele wereld bekend door de “corned beef” en de “smoked tongue”. Men kan zich moeilijk den omvang dezer slachtersaffaire voorstellen. Er worden in den drukken tijddagelijkstienduizend varkens geslacht, vijf en twintig honderd koeien en tienduizend schapen. De concurrentie gedoogt niet dat een der onderdeelen, voor de uitoefening dezer zaak, door anderen wordt uitgeoefend. De firma doet alles zelf. Voor het maken der blikken, waarin het vleesch of het extract wordt verzonden, is een groote fabriek opgericht, waar 200 man werkzaam is. Voor de boeken, etiquetten, aanplakbiljetten en het overige benoodigde drukwerk is een drukkerij met de nieuwste machines, waar 150 man werk vinden. Om ijs te maken (voor de koelkamers), zijn machines aan ’t werk, die 2000 ton ijs per dag afleveren. Voor opwekking van stroom zijn machines van 4800 paardenkrachten aanwezig. Een groote fabriek is er voor het maken van been-zwart. Een andere voor de bereiding van het haar der varkens. Weer een andere voor het maken van lijm. Een zeepfabriek, een knoopen- en kammenfabriek (vanden horens en hoeven der koeien). Toen ik ten slotte vroeg hoeveel menschen hier werkzaam waren, vernam ik dat dit over de tienduizend bedroeg. Niet minder dan 83 telegrafisten zijn in dienst der firma en doen niet anders dan telegrammen ontvangen en verzenden voor dit huis. Een der chefs van de firma gaf mij als zijnemeening te kennen, dat de concurrentie, nog meer dan op dit oogenblik het geval is, tot centralisatie in de bedrijven zal leiden en wel het meest wegens de dringende behoefte aan afzet der producten buiten Amerika. Door de beste (nieuwste) machines steeds aan te schaffen en alle bij de onderneming betrokken bedrijven onder één beheer te brengen, konden volgens hem de Amerikanen op den duur tegen Duitschland en Engeland de concurrentie gemakkelijk volhouden. De belangrijke besparing in productie-kosten zou hen daartoe in staat stellen. Op mijn vraag, in welke verhouding hij zich voorstelde dat de werklieden zijner fabrieken op den duur tot de firma als werkgeefster zouden komen, was zijn antwoord erg onzeker. Hij was een voorstander van hooge loonen voor geschoolden arbeid; van een aandeel in de voordeelen der zaak wilde hij absoluut niets weten. Hij ontkende dat de werkman, hoe goed ook zijn vak verstaande, iets hoegenaamd bijdroeg tot het welslagen der onderneming. Alleen zij die leiding weten te geven, niet degenen die leiding noodig hadden, kunnen aanspraak maken op een aandeel in de behaalde voordeelen.De skilled laborers ontvingen een loon van 4 tot 4½ dollar per dag. De unskilled $ 1.75.Over de laatsten was hij slecht te spreken. Zij waren het die niet wilden werken, tenzij de werkgever een arbeid-overeenkomst met hen afsloot. De werkgevers echter wilden van onderhandelingen met menschen,die geen enkel vak verstaan, niets weten. De geschoolde arbeiders staakten alleen uit sympathie met de niet-geschoolden en het gevolg is geweest dit voorjaar, een maanden-lange staking, die ten slotte door de werklieden is verloren. Door die staking is bij de patroons, zoowel als bij de werklieden heel wat kwaad bloed gezet. Het is duidelijk dat er niet veel noodig is, om de vlam, die thans nog verre van uitgedoofd is, opnieuw te doen uitslaan!Een sterke uiting van zenuwachtige inspanning bij het zaken doen, zag ik op de graan-beurs; zeker de grootste der wereld wat den omzet aangaat.In één jaar wordt te Chicago drie en een half millioen lasten tarwe (meel in tarwe omgezet) aangevoerd. De elevators te Chicago kunnen een half millioen lasten graan bergen. En welke reusachtige hoeveelheden dagelijks worden omgezet op speculatie, valt natuurlijk niet te schatten. De geheele wereld speculeert te Chicago. Onder oorverdoovend geschreeuw en door het geven van teekenen met de hand en de vingers, worden in één minuut soms duizenden lasten verhandeld. Hoe de drie honderd makelaars in tarwe die hier de orders tot koop en verkoop uitvoeren, wijs worden uit elkanders gegil en handgebaar, is voor een buitenstander niet te begrijpen. En toch, zoo verzekerde mij een man van ’t vak, komen geschillen hoogst zelden voor.Toen ik weinige dagen daarna langs den Hudson-rivierspoorde en bedacht dat slechts 3 eeuwen geleden (1609) Hudson in dienst der Nederlandsche Oost-Indische Compagnie die groote rivier met haar prachtige oevers ontdekte, raakte ik onwillekeurig aan ’t mijmeren over het verleden en het heden van dit land en van het onze. Het kleine Nederland, destijds het ondernemendste, het energiekste volk der aarde... en in Amerika, althans in de noordelijke Staten, toen nog geen wit mensch te bekennen.En nu, na 300 jaren?C. V. Gerritsen.1Van het Spaansche woordcañon= bergkloof.
VIII.9 Nov. 1904.Men zal het mij zeker niet euvel duiden dat ik, onder den indruk der groote politieke gebeurtenis voor Amerika, neen voor geheel de wereld, mijn artikel aanvang met een woord over den uitslag der verkiezingen.Terwijl ik schrijf is het natuurlijk ook reeds in Nederland bekend datTheodoor Roosevelttot President gekozen is. Reeds meer dan een maand vertoef ik in Californië welke Staat een bolwerk van de Republikeinsche partij mag heeten. De strijd werd hier alleen gevoerd omRoosevelteen zoo groot mogelijke meerderheid te bezorgen; van kans op winnen voor een der andere partijen was geen sprake.Zoodoende werd de uitslag voor een niet gering deel de thermometer, waarop men de populariteit van den tegenwoordigen president zou kunnen aflezen. En dat die populariteit werkelijk zoo groot is als van hier uit bij herhaling in de Europeesche bladen wordt beweerd, dat hebben de cijfers thans bewezen. Want niet alleen in Californië, maar nog in 32 van de 44 andere Staten van Amerika werdRooseveltmet buitengewoon groote meerderheid gekozen; grooterzelfs dan de partijgenooten omtrent den vermoedelijken uitslag durfden voorspellen.Nooit te voren is een president van Amerika met zoo groote meerderheid gekozen.Van de 14 millioen stemmen die uitgebracht zijn, heeftRoosevelteen meerderheid van 1.950.000; dat is nog ruim een millioen stemmen meer danMc. Kinleykreeg in 1900, toen hij voor een tweede tijdperk van vier jaren gekozen werd; hij werd zooals men weet kort na die verkiezing door een pistoolschot om ’t leven gebracht.Wat aan deze verkiezing vooral groote beteekenis geeft, dat is de versterking derrepublikeinschepartij in het lager en hoogerhuis. De meerderheid in de “House of Representatives” is tot 106 gestegen: niet gering op een aantal van 390 leden terwijl de “Senate” op zijn 90 leden, (2 voor elken Staat), 55 republikeinen telt; een meerderheid van 20.Met zulk een meerderheid voor zichzelf en in de vertegenwoordigende lichamen waarmede hij te regeeren heeft, kan thans een energiek optreden tegen de uitwassen der Trusts verwacht worden.De bescherming der kleurlingen tegen sociale achteruitzetting; de ontwikkeling der Philippijnsche bevolking voor home-rule; handhaving van het protectionistisch tarief en van den gouden standaard; versterking van de vloot; bevordering der landbouw-belangen in de verschillende Staten; vrijheid van den arbeider om al of niet aangesloten bij een vakvereeniging, zijn arbeidte verrichten; ziedaar de overige punten van het program van den President bij de verkiezingen ter sprake gebracht.WatRooseveltdeze overweldigende meerderheid bezorgde, dat was minder zijn politiek program dan wel zijn persoon. Het Amerikaansche volk is overtuigd van zijn rechtschapenheid en eerlijkheid en gevoelt zich veilig onder eene regeering met hem aan het hoofd. Daarbij komt, dat overal in Amerika buitengewone welvaart heerscht en geen enkel groot vraagstuk zich op den voorgrond dringt.Van den tegen-candidaat weet men weinig meer dan dat hij een bekwaam en eerlijk rechter is; of hij tevens een goed hoofd van den Staat zou zijn kon men hopen, niet weten.Alle deze redenen droegen er toe bij om met madameAngotte zeggen:Il ne faut pas la peine, assurément, de changer de gouvernement.Californië.Hierboven zeide ik, dat ik reeds langer dan een maand in Californië vertoef, wat heel lang mag heeten wanneer men bedenkt hoe ontzaglijk uitgebreid Amerika is en men 4 jaren zou noodig hebben om het te zien als men in ieder der 45 Staten zich langer dan een maand ophield. Er is echter een zeer overwegende reden voor dit langdurig oponthoud. Ten eerste een persoonlijke, het klimaat. Zoo heerlijk droog is hierde lucht en zoo zuiver, dat men niet besluiten kan weg te gaan, als het niet hoog noodig moet.Heeft men, van Oostelijk-Amerika komende, de lange, breede en zeer hooge bergketen gepasseerd: Rocky Mountains en Sierra Nevada, dan komt men eerst in een vallei en vervolgens heeft men nog een lagere bergreeks, de zoogenaamde “Kust-reeks”.Die vallei, van 4½ millioen Hectaren, wordt gevormd door de Sierra Nevada en door de reeks kustbergen, die noordelijk en zuidelijk in Californië elkander naderen en zich vereenigen.Naarmate men de kust van den Stillen Oceaan nadert, wordt het klimaat zachter en droger en over de geheele lengte van meer dan 1600 kilometer der kust vindt men in groei zijnde badplaatsen, waarheen het geheele jaar door, de oostelijke bewoners van Amerika zich begeven, wanneer kou en regen of sneeuw het verblijf in eigen woonplaats ondragelijk maken.De houten villa’s worden overal vlak aan de zee gebouwd. Badkoetsen ziet men nergens. Wie baden wil, gaat in badkostuum van z’n woning in de zee. Een prachtig zand-strand over bijna de geheele lijn der kust maakt, dat men dit veilig kan doen. De zee was gisteren 65 graden, onder 60 graden kwam zij, naar mij verzekerd wordt, nooit.Over de geheele vlakte aan de zee gelegen, van midden Californië (San-Francisco) tot zuidelijk Californië (San Diégo) heeft men dit heerlijk droge opwekkendeklimaat; warmer naarmate men zuidelijker komt. In zuidelijk Californië zóó warm, dat de thermometer op den dag nimmer onder 65 graden komt. Thans wijst hij op 80.Aan of dicht bij de kust vindt men in de mooiste omgevingen van bergen, vruchtentuinen enz. prachtige wegen aangelegd, met groote mooie palmboomen aan den kant; de wegen besproeid met petroleum (ongezuiverde) tot wering van stof en op sommige plaatsen door de zon zoo hard geblakerd dat zij asphalt-wegen gelijken. Voor fietsers een waar genot. Op die mooiste punten verrijzen door directe of indirecte medewerking van de groote Californische Spoorweg-maatschappij: deSouthern Pacificprachtige hotels, die in omvang en weelderige inrichting voor de paleis-hotels derSociété des Waggons Litsaan de Riviera enz. niet onderdoen en ook niet wat de prijzen van logies aangaat. Deze zijn vrijwel gelijk aan die van Europa en Afrika.Op 200 kilometer van SanFrancisco, te Del Monte, vertoefde ik in een dier groote hotels, en kostte het mij waarlijk moeite om te vertrekken. Een ideaal-tuin van tropische planten, meer dan vijftig hectaren groot, is om het hotel aangelegd, terwijl een aangrenzend park tot aan den Stillen Oceaan reikt—een afstand van meer dan 10 kilometer. Hier kent men geen winter- en zomerseizoen; het geheele jaar door bevinden er zich gasten die met sport in de open lucht zichversterken. Gaat men zuidelijker, dan treft men zulk een model-inrichting te Riverside, een meer binnenwaarts gelegen welvarend stadje, met uitgebreide velden sinaasappelen en citroenen.Te midden van een prachtig landschap en van bergen, die gemakkelijk te voet te bestijgen zijn en dan een schitterend panorama bieden, geniet men hier van het zachte, zuidelijk klimaat, volgens velen het heerlijkste klimaat van de geheele wereld. Men heeft hier zelden regen; de landen moeten alle door irrigatie vruchtbaar gemaakt worden. Nimmer daalt de thermometer er op 65 graden en nu reeds komt men van het oosten van Amerika om hier voor den winter zijn tenten op te slaan. En dat doet men dan gewoonlijk in het keurig ingerichte “Glenwood”-hotel. Dit is geheel gebouwd in den mission-stijl, den stijl waarin de kerken door de Spanjaarden werden gebouwd in Californië in de 18e eeuw. En die stijl is ook gevolgd bij de inrichting en meubileering, wat aan het geheel een zeer karakteristiek aanzien geeft. Streng doorgevoerd met de groote eetzaal geeft deze ruimte, met haar hoog in den muur aangebrachte lage ramen en haar zware, in ’t oog loopende vierkante balken een eigenaardig aanzien. Met demeubileeringin denzelfden stijl, die aan de oud-Duitsche meubelen doet denken, doch zonder dat zware en drukkende, vormt het te zamen, een kalm, rustig geheel. Er valt hier, voor den bouw en inrichting vanhotels, voor Europeesche architecten heel wat te leeren. Want niet alleen in aanzien, doch ook in comfort, overtreft menig hotel in Amerika en speciaal de “Glenwood” te Riverside, wat Europa op dit gebied bezit. Ook de wijze waarop zoo’n hotel als dit beheerd wordt, wijkt geheel af van de gebruikelijke in Amerika. Krijgt men elders nooit den eigenaar te zien, hier, niettegenstaande hij een manager heeft, bewegen hij en zijne vrouw zich dagelijks onder de gasten, zich uitslovende om dezen het verblijf zoo aangenaam mogelijk te maken. Het schijnt mij toe dat Californië met z’n heerlijk klimaat, zijn prachtige natuur en zijn uitstekende niet te dure hotels, een aangewezen verblijf biedt niet alleen voor de bewoners van oostelijk Amerika, maar ook voor de Europeanen, die een zacht, gelijkmatig, warm, droog klimaat behoeven en niet tegen de reis opzien. Voor Europeanen uit Oost-Indië, China en Japan die hun weg nemen over San Francisco—en dat zijn er tegenwoordig niet weinigen—zal Californië op den duur worden wat nu Italië en de Riviera zijn voor hen, die de reis door de Roode Zee maken, namelijk het dorado waar men als overgang naar de koudere landen, eerst eenigen tijd zich ophoudt. Het land heeft alles en meer nog, dan de zuidelijk Europeesche landen kunnen bieden. Het heeft zelfs zijn Aix-les-Bains, maar zonder de drukkende hitte, die dáár in den zomer kan heerschen en zonder de koude van den winter. Wanthet geheele jaar door is te Paso Robles met z’n prachtige omgeving, gelegenheid voor menschen die aan rheumatiek, huidziekten enz. lijden om gebruik te maken van de bekende heete zwavel- en modderbaden. Een geheel nieuwe inrichting voor massage en behandeling met electriciteit was in aanbouw, toen ik er een bezoek bracht.Al de persoonlijke overwegingen zouden mij zeker niet zoo lang in Californië gehouden hebben, ware het niet dat er eene van algemeenen aard bijkwam, die in deze den doorslag gaf. Op mijn tocht namelijk door Californië legde ik de reis van Sacramento, de hoofdstad van Californië, naar San Francisco af per stoomboot en wat ik toen zag gebeuren op de oevers dier rivier, deed mij besluiten tot een onderzoek, dat wegens de belangrijkheid der inlichtingen die ik ontving, mij steeds meer in beslag nam. Men was daar aan het maken van dijken. De kapitein der boot vertelde mij dat in het voorjaar de lage dijkjes der Sacramento-rivier geen weerstand hebben kunnen bieden aan den fellen stroom, die door de vele regens in het bovenland ontstond, en dientengevolge al die laag gelegen landen waren ondergeloopen. Groote schade werd door de eigenaars geleden. De oogst was geheel of bijna geheel vernield. Men verhoogde nu de dijken met uit de rivier gedregd zand, en wel zoodanig, dat overloopen van water menschelijkerwijze gesproken, niet meer kan voorkomen.Bij navraag bleek mij van hoe groot belang dit vraagstuk der inpoldering is voor de verdere ontwikkeling van het land en welke belangen van ons volk daarbij gemoeid kunnen zijn.In een volgend artikel daarover nader.
9 Nov. 1904.
Men zal het mij zeker niet euvel duiden dat ik, onder den indruk der groote politieke gebeurtenis voor Amerika, neen voor geheel de wereld, mijn artikel aanvang met een woord over den uitslag der verkiezingen.
Terwijl ik schrijf is het natuurlijk ook reeds in Nederland bekend datTheodoor Roosevelttot President gekozen is. Reeds meer dan een maand vertoef ik in Californië welke Staat een bolwerk van de Republikeinsche partij mag heeten. De strijd werd hier alleen gevoerd omRoosevelteen zoo groot mogelijke meerderheid te bezorgen; van kans op winnen voor een der andere partijen was geen sprake.
Zoodoende werd de uitslag voor een niet gering deel de thermometer, waarop men de populariteit van den tegenwoordigen president zou kunnen aflezen. En dat die populariteit werkelijk zoo groot is als van hier uit bij herhaling in de Europeesche bladen wordt beweerd, dat hebben de cijfers thans bewezen. Want niet alleen in Californië, maar nog in 32 van de 44 andere Staten van Amerika werdRooseveltmet buitengewoon groote meerderheid gekozen; grooterzelfs dan de partijgenooten omtrent den vermoedelijken uitslag durfden voorspellen.
Nooit te voren is een president van Amerika met zoo groote meerderheid gekozen.
Van de 14 millioen stemmen die uitgebracht zijn, heeftRoosevelteen meerderheid van 1.950.000; dat is nog ruim een millioen stemmen meer danMc. Kinleykreeg in 1900, toen hij voor een tweede tijdperk van vier jaren gekozen werd; hij werd zooals men weet kort na die verkiezing door een pistoolschot om ’t leven gebracht.
Wat aan deze verkiezing vooral groote beteekenis geeft, dat is de versterking derrepublikeinschepartij in het lager en hoogerhuis. De meerderheid in de “House of Representatives” is tot 106 gestegen: niet gering op een aantal van 390 leden terwijl de “Senate” op zijn 90 leden, (2 voor elken Staat), 55 republikeinen telt; een meerderheid van 20.
Met zulk een meerderheid voor zichzelf en in de vertegenwoordigende lichamen waarmede hij te regeeren heeft, kan thans een energiek optreden tegen de uitwassen der Trusts verwacht worden.
De bescherming der kleurlingen tegen sociale achteruitzetting; de ontwikkeling der Philippijnsche bevolking voor home-rule; handhaving van het protectionistisch tarief en van den gouden standaard; versterking van de vloot; bevordering der landbouw-belangen in de verschillende Staten; vrijheid van den arbeider om al of niet aangesloten bij een vakvereeniging, zijn arbeidte verrichten; ziedaar de overige punten van het program van den President bij de verkiezingen ter sprake gebracht.
WatRooseveltdeze overweldigende meerderheid bezorgde, dat was minder zijn politiek program dan wel zijn persoon. Het Amerikaansche volk is overtuigd van zijn rechtschapenheid en eerlijkheid en gevoelt zich veilig onder eene regeering met hem aan het hoofd. Daarbij komt, dat overal in Amerika buitengewone welvaart heerscht en geen enkel groot vraagstuk zich op den voorgrond dringt.
Van den tegen-candidaat weet men weinig meer dan dat hij een bekwaam en eerlijk rechter is; of hij tevens een goed hoofd van den Staat zou zijn kon men hopen, niet weten.
Alle deze redenen droegen er toe bij om met madameAngotte zeggen:
Il ne faut pas la peine, assurément, de changer de gouvernement.
Californië.Hierboven zeide ik, dat ik reeds langer dan een maand in Californië vertoef, wat heel lang mag heeten wanneer men bedenkt hoe ontzaglijk uitgebreid Amerika is en men 4 jaren zou noodig hebben om het te zien als men in ieder der 45 Staten zich langer dan een maand ophield. Er is echter een zeer overwegende reden voor dit langdurig oponthoud. Ten eerste een persoonlijke, het klimaat. Zoo heerlijk droog is hierde lucht en zoo zuiver, dat men niet besluiten kan weg te gaan, als het niet hoog noodig moet.Heeft men, van Oostelijk-Amerika komende, de lange, breede en zeer hooge bergketen gepasseerd: Rocky Mountains en Sierra Nevada, dan komt men eerst in een vallei en vervolgens heeft men nog een lagere bergreeks, de zoogenaamde “Kust-reeks”.Die vallei, van 4½ millioen Hectaren, wordt gevormd door de Sierra Nevada en door de reeks kustbergen, die noordelijk en zuidelijk in Californië elkander naderen en zich vereenigen.Naarmate men de kust van den Stillen Oceaan nadert, wordt het klimaat zachter en droger en over de geheele lengte van meer dan 1600 kilometer der kust vindt men in groei zijnde badplaatsen, waarheen het geheele jaar door, de oostelijke bewoners van Amerika zich begeven, wanneer kou en regen of sneeuw het verblijf in eigen woonplaats ondragelijk maken.De houten villa’s worden overal vlak aan de zee gebouwd. Badkoetsen ziet men nergens. Wie baden wil, gaat in badkostuum van z’n woning in de zee. Een prachtig zand-strand over bijna de geheele lijn der kust maakt, dat men dit veilig kan doen. De zee was gisteren 65 graden, onder 60 graden kwam zij, naar mij verzekerd wordt, nooit.Over de geheele vlakte aan de zee gelegen, van midden Californië (San-Francisco) tot zuidelijk Californië (San Diégo) heeft men dit heerlijk droge opwekkendeklimaat; warmer naarmate men zuidelijker komt. In zuidelijk Californië zóó warm, dat de thermometer op den dag nimmer onder 65 graden komt. Thans wijst hij op 80.Aan of dicht bij de kust vindt men in de mooiste omgevingen van bergen, vruchtentuinen enz. prachtige wegen aangelegd, met groote mooie palmboomen aan den kant; de wegen besproeid met petroleum (ongezuiverde) tot wering van stof en op sommige plaatsen door de zon zoo hard geblakerd dat zij asphalt-wegen gelijken. Voor fietsers een waar genot. Op die mooiste punten verrijzen door directe of indirecte medewerking van de groote Californische Spoorweg-maatschappij: deSouthern Pacificprachtige hotels, die in omvang en weelderige inrichting voor de paleis-hotels derSociété des Waggons Litsaan de Riviera enz. niet onderdoen en ook niet wat de prijzen van logies aangaat. Deze zijn vrijwel gelijk aan die van Europa en Afrika.Op 200 kilometer van SanFrancisco, te Del Monte, vertoefde ik in een dier groote hotels, en kostte het mij waarlijk moeite om te vertrekken. Een ideaal-tuin van tropische planten, meer dan vijftig hectaren groot, is om het hotel aangelegd, terwijl een aangrenzend park tot aan den Stillen Oceaan reikt—een afstand van meer dan 10 kilometer. Hier kent men geen winter- en zomerseizoen; het geheele jaar door bevinden er zich gasten die met sport in de open lucht zichversterken. Gaat men zuidelijker, dan treft men zulk een model-inrichting te Riverside, een meer binnenwaarts gelegen welvarend stadje, met uitgebreide velden sinaasappelen en citroenen.Te midden van een prachtig landschap en van bergen, die gemakkelijk te voet te bestijgen zijn en dan een schitterend panorama bieden, geniet men hier van het zachte, zuidelijk klimaat, volgens velen het heerlijkste klimaat van de geheele wereld. Men heeft hier zelden regen; de landen moeten alle door irrigatie vruchtbaar gemaakt worden. Nimmer daalt de thermometer er op 65 graden en nu reeds komt men van het oosten van Amerika om hier voor den winter zijn tenten op te slaan. En dat doet men dan gewoonlijk in het keurig ingerichte “Glenwood”-hotel. Dit is geheel gebouwd in den mission-stijl, den stijl waarin de kerken door de Spanjaarden werden gebouwd in Californië in de 18e eeuw. En die stijl is ook gevolgd bij de inrichting en meubileering, wat aan het geheel een zeer karakteristiek aanzien geeft. Streng doorgevoerd met de groote eetzaal geeft deze ruimte, met haar hoog in den muur aangebrachte lage ramen en haar zware, in ’t oog loopende vierkante balken een eigenaardig aanzien. Met demeubileeringin denzelfden stijl, die aan de oud-Duitsche meubelen doet denken, doch zonder dat zware en drukkende, vormt het te zamen, een kalm, rustig geheel. Er valt hier, voor den bouw en inrichting vanhotels, voor Europeesche architecten heel wat te leeren. Want niet alleen in aanzien, doch ook in comfort, overtreft menig hotel in Amerika en speciaal de “Glenwood” te Riverside, wat Europa op dit gebied bezit. Ook de wijze waarop zoo’n hotel als dit beheerd wordt, wijkt geheel af van de gebruikelijke in Amerika. Krijgt men elders nooit den eigenaar te zien, hier, niettegenstaande hij een manager heeft, bewegen hij en zijne vrouw zich dagelijks onder de gasten, zich uitslovende om dezen het verblijf zoo aangenaam mogelijk te maken. Het schijnt mij toe dat Californië met z’n heerlijk klimaat, zijn prachtige natuur en zijn uitstekende niet te dure hotels, een aangewezen verblijf biedt niet alleen voor de bewoners van oostelijk Amerika, maar ook voor de Europeanen, die een zacht, gelijkmatig, warm, droog klimaat behoeven en niet tegen de reis opzien. Voor Europeanen uit Oost-Indië, China en Japan die hun weg nemen over San Francisco—en dat zijn er tegenwoordig niet weinigen—zal Californië op den duur worden wat nu Italië en de Riviera zijn voor hen, die de reis door de Roode Zee maken, namelijk het dorado waar men als overgang naar de koudere landen, eerst eenigen tijd zich ophoudt. Het land heeft alles en meer nog, dan de zuidelijk Europeesche landen kunnen bieden. Het heeft zelfs zijn Aix-les-Bains, maar zonder de drukkende hitte, die dáár in den zomer kan heerschen en zonder de koude van den winter. Wanthet geheele jaar door is te Paso Robles met z’n prachtige omgeving, gelegenheid voor menschen die aan rheumatiek, huidziekten enz. lijden om gebruik te maken van de bekende heete zwavel- en modderbaden. Een geheel nieuwe inrichting voor massage en behandeling met electriciteit was in aanbouw, toen ik er een bezoek bracht.Al de persoonlijke overwegingen zouden mij zeker niet zoo lang in Californië gehouden hebben, ware het niet dat er eene van algemeenen aard bijkwam, die in deze den doorslag gaf. Op mijn tocht namelijk door Californië legde ik de reis van Sacramento, de hoofdstad van Californië, naar San Francisco af per stoomboot en wat ik toen zag gebeuren op de oevers dier rivier, deed mij besluiten tot een onderzoek, dat wegens de belangrijkheid der inlichtingen die ik ontving, mij steeds meer in beslag nam. Men was daar aan het maken van dijken. De kapitein der boot vertelde mij dat in het voorjaar de lage dijkjes der Sacramento-rivier geen weerstand hebben kunnen bieden aan den fellen stroom, die door de vele regens in het bovenland ontstond, en dientengevolge al die laag gelegen landen waren ondergeloopen. Groote schade werd door de eigenaars geleden. De oogst was geheel of bijna geheel vernield. Men verhoogde nu de dijken met uit de rivier gedregd zand, en wel zoodanig, dat overloopen van water menschelijkerwijze gesproken, niet meer kan voorkomen.Bij navraag bleek mij van hoe groot belang dit vraagstuk der inpoldering is voor de verdere ontwikkeling van het land en welke belangen van ons volk daarbij gemoeid kunnen zijn.In een volgend artikel daarover nader.
Hierboven zeide ik, dat ik reeds langer dan een maand in Californië vertoef, wat heel lang mag heeten wanneer men bedenkt hoe ontzaglijk uitgebreid Amerika is en men 4 jaren zou noodig hebben om het te zien als men in ieder der 45 Staten zich langer dan een maand ophield. Er is echter een zeer overwegende reden voor dit langdurig oponthoud. Ten eerste een persoonlijke, het klimaat. Zoo heerlijk droog is hierde lucht en zoo zuiver, dat men niet besluiten kan weg te gaan, als het niet hoog noodig moet.
Heeft men, van Oostelijk-Amerika komende, de lange, breede en zeer hooge bergketen gepasseerd: Rocky Mountains en Sierra Nevada, dan komt men eerst in een vallei en vervolgens heeft men nog een lagere bergreeks, de zoogenaamde “Kust-reeks”.
Die vallei, van 4½ millioen Hectaren, wordt gevormd door de Sierra Nevada en door de reeks kustbergen, die noordelijk en zuidelijk in Californië elkander naderen en zich vereenigen.
Naarmate men de kust van den Stillen Oceaan nadert, wordt het klimaat zachter en droger en over de geheele lengte van meer dan 1600 kilometer der kust vindt men in groei zijnde badplaatsen, waarheen het geheele jaar door, de oostelijke bewoners van Amerika zich begeven, wanneer kou en regen of sneeuw het verblijf in eigen woonplaats ondragelijk maken.
De houten villa’s worden overal vlak aan de zee gebouwd. Badkoetsen ziet men nergens. Wie baden wil, gaat in badkostuum van z’n woning in de zee. Een prachtig zand-strand over bijna de geheele lijn der kust maakt, dat men dit veilig kan doen. De zee was gisteren 65 graden, onder 60 graden kwam zij, naar mij verzekerd wordt, nooit.
Over de geheele vlakte aan de zee gelegen, van midden Californië (San-Francisco) tot zuidelijk Californië (San Diégo) heeft men dit heerlijk droge opwekkendeklimaat; warmer naarmate men zuidelijker komt. In zuidelijk Californië zóó warm, dat de thermometer op den dag nimmer onder 65 graden komt. Thans wijst hij op 80.
Aan of dicht bij de kust vindt men in de mooiste omgevingen van bergen, vruchtentuinen enz. prachtige wegen aangelegd, met groote mooie palmboomen aan den kant; de wegen besproeid met petroleum (ongezuiverde) tot wering van stof en op sommige plaatsen door de zon zoo hard geblakerd dat zij asphalt-wegen gelijken. Voor fietsers een waar genot. Op die mooiste punten verrijzen door directe of indirecte medewerking van de groote Californische Spoorweg-maatschappij: deSouthern Pacificprachtige hotels, die in omvang en weelderige inrichting voor de paleis-hotels derSociété des Waggons Litsaan de Riviera enz. niet onderdoen en ook niet wat de prijzen van logies aangaat. Deze zijn vrijwel gelijk aan die van Europa en Afrika.
Op 200 kilometer van SanFrancisco, te Del Monte, vertoefde ik in een dier groote hotels, en kostte het mij waarlijk moeite om te vertrekken. Een ideaal-tuin van tropische planten, meer dan vijftig hectaren groot, is om het hotel aangelegd, terwijl een aangrenzend park tot aan den Stillen Oceaan reikt—een afstand van meer dan 10 kilometer. Hier kent men geen winter- en zomerseizoen; het geheele jaar door bevinden er zich gasten die met sport in de open lucht zichversterken. Gaat men zuidelijker, dan treft men zulk een model-inrichting te Riverside, een meer binnenwaarts gelegen welvarend stadje, met uitgebreide velden sinaasappelen en citroenen.
Te midden van een prachtig landschap en van bergen, die gemakkelijk te voet te bestijgen zijn en dan een schitterend panorama bieden, geniet men hier van het zachte, zuidelijk klimaat, volgens velen het heerlijkste klimaat van de geheele wereld. Men heeft hier zelden regen; de landen moeten alle door irrigatie vruchtbaar gemaakt worden. Nimmer daalt de thermometer er op 65 graden en nu reeds komt men van het oosten van Amerika om hier voor den winter zijn tenten op te slaan. En dat doet men dan gewoonlijk in het keurig ingerichte “Glenwood”-hotel. Dit is geheel gebouwd in den mission-stijl, den stijl waarin de kerken door de Spanjaarden werden gebouwd in Californië in de 18e eeuw. En die stijl is ook gevolgd bij de inrichting en meubileering, wat aan het geheel een zeer karakteristiek aanzien geeft. Streng doorgevoerd met de groote eetzaal geeft deze ruimte, met haar hoog in den muur aangebrachte lage ramen en haar zware, in ’t oog loopende vierkante balken een eigenaardig aanzien. Met demeubileeringin denzelfden stijl, die aan de oud-Duitsche meubelen doet denken, doch zonder dat zware en drukkende, vormt het te zamen, een kalm, rustig geheel. Er valt hier, voor den bouw en inrichting vanhotels, voor Europeesche architecten heel wat te leeren. Want niet alleen in aanzien, doch ook in comfort, overtreft menig hotel in Amerika en speciaal de “Glenwood” te Riverside, wat Europa op dit gebied bezit. Ook de wijze waarop zoo’n hotel als dit beheerd wordt, wijkt geheel af van de gebruikelijke in Amerika. Krijgt men elders nooit den eigenaar te zien, hier, niettegenstaande hij een manager heeft, bewegen hij en zijne vrouw zich dagelijks onder de gasten, zich uitslovende om dezen het verblijf zoo aangenaam mogelijk te maken. Het schijnt mij toe dat Californië met z’n heerlijk klimaat, zijn prachtige natuur en zijn uitstekende niet te dure hotels, een aangewezen verblijf biedt niet alleen voor de bewoners van oostelijk Amerika, maar ook voor de Europeanen, die een zacht, gelijkmatig, warm, droog klimaat behoeven en niet tegen de reis opzien. Voor Europeanen uit Oost-Indië, China en Japan die hun weg nemen over San Francisco—en dat zijn er tegenwoordig niet weinigen—zal Californië op den duur worden wat nu Italië en de Riviera zijn voor hen, die de reis door de Roode Zee maken, namelijk het dorado waar men als overgang naar de koudere landen, eerst eenigen tijd zich ophoudt. Het land heeft alles en meer nog, dan de zuidelijk Europeesche landen kunnen bieden. Het heeft zelfs zijn Aix-les-Bains, maar zonder de drukkende hitte, die dáár in den zomer kan heerschen en zonder de koude van den winter. Wanthet geheele jaar door is te Paso Robles met z’n prachtige omgeving, gelegenheid voor menschen die aan rheumatiek, huidziekten enz. lijden om gebruik te maken van de bekende heete zwavel- en modderbaden. Een geheel nieuwe inrichting voor massage en behandeling met electriciteit was in aanbouw, toen ik er een bezoek bracht.
Al de persoonlijke overwegingen zouden mij zeker niet zoo lang in Californië gehouden hebben, ware het niet dat er eene van algemeenen aard bijkwam, die in deze den doorslag gaf. Op mijn tocht namelijk door Californië legde ik de reis van Sacramento, de hoofdstad van Californië, naar San Francisco af per stoomboot en wat ik toen zag gebeuren op de oevers dier rivier, deed mij besluiten tot een onderzoek, dat wegens de belangrijkheid der inlichtingen die ik ontving, mij steeds meer in beslag nam. Men was daar aan het maken van dijken. De kapitein der boot vertelde mij dat in het voorjaar de lage dijkjes der Sacramento-rivier geen weerstand hebben kunnen bieden aan den fellen stroom, die door de vele regens in het bovenland ontstond, en dientengevolge al die laag gelegen landen waren ondergeloopen. Groote schade werd door de eigenaars geleden. De oogst was geheel of bijna geheel vernield. Men verhoogde nu de dijken met uit de rivier gedregd zand, en wel zoodanig, dat overloopen van water menschelijkerwijze gesproken, niet meer kan voorkomen.
Bij navraag bleek mij van hoe groot belang dit vraagstuk der inpoldering is voor de verdere ontwikkeling van het land en welke belangen van ons volk daarbij gemoeid kunnen zijn.
In een volgend artikel daarover nader.
IX.13 Nov. 1904.Californië is bij de groote massa in Europa alleen nog bekend als land waar goud wordt gevonden; waar in de jaren 1848 tot 1880 ieder heentrok die wilde “goudzoeken”.Er wordt ook nu nog altijd goud gevonden, maar de grond en daardoor de mijnen zijn in handen gekomen van groote maatschappijen. Het vinden van goud is nu niet meer een fortuintje voor den delver maar voor de Maatschappij in wier dienst hij arbeidt. Vandaar dat de goudmijnen van Californië haar aantrekkingskracht voor fortuin-zoekende Europeanen sedert lang hebben verloren.In dat mijnwerk vond de kleine bevolking van Californië langen tijd bijna uitsluitend een middel van bestaan. Totdat in de zeventiger jaren zich hier en daar immigranten vestigden, die zich toelegden op vruchtenteelt, door het klimaat daartoe als aangewezen. De gebrekkige middelen tot irrigatie van den bodem, maakten dat bedrijf in den aanvang weinig loonend. Toen evenwel de wijze van irrigeeren verbeterd en minder kostbaar werd, bleek spoedig de groote geschiktheid van den bodem voor vruchtenteelt, sinaasappelen,citroenen, pruimen, perziken, peren, appelen, walnoten enz. en worden thans, met buitengewoon gunstigen uitslag, velden met vruchtboomen in midden- en zuid-Californië aangelegd.In sommige streken probeert men ook al de bloementeelt en reeds wordt in den omtrek van Los Angeles op groote schaal een proef genomen met het kweeken van rozenstammen, waarvoor de navraag bestaat in Oostelijk Amerika, aan welke navraag thans hoofdzakelijk door Europa, ook door de bloemenkweekers van Nederland, wordt voldaan. Naar mij werd medegedeeld, zijn de kosten van kweeken der rozenstammen in dit zonnig gedeelte van Californië zoo goedkoop, dat Europa een zeer ernstige concurrent ook voor dit artikel krijgt, indien de proefneming, op groote schaal begonnen, mocht slagen.Hier in Zuid-Californië vindt men prachtige boomgaarden van sinaasappelen, duizenden hectaren groot, waar nog slechts 3 jaren geleden wildernis was en waarvan men reeds over 2 jaren een oogst verwacht, die alle kosten van aanleg, irrigatie en vruchtbaarmaking van den grond ruimschoots vergoedt. Die verwachting is gebaseerd op de ervaring met aangrenzende velden opgedaan, waar boomen staan van 20 tot 30 jaar oud.Een aardig voorbeeld van de wijze waarop een ieder in zuidelijk Californië zijn voordeel weet te doen met de nieuwe industrie, levert een paar onderwijzeressen te Riverside, waarover ik in mijn vorig artikel schreef.Zij kochten een halve acre (nog geen kwart bunder) grond en bouwden daarop voor hun beiden de woning. Het voor dien koop en bouw benoodigde geld werd opgenomen. De grond, niet voor de woning noodig, werd bebouwd met sinaasappelboomen, waarvan de opbrengst, thans na 7 jaren, voldoende is geweest om het opgenomen geld af te betalen, zoodat zij thans niet alleen vrij wonen, maar bovendien een flinke jaarlijksche inkomst uit hun boomgaard genieten.Engelschen hebben zich hier gevestigd en met Engelsch kapitaal zijn tienduizenden hectaren woestenij in boomgaarden omgezet, tot niet gering voordeel der ondernemers.Maar tevens ten voordeele van allen, die bij deze industrie zijn betrokken, want overal heerscht een welvaart, als waarvan wij in ons land geen begrip hebben. Deze industrie roept nederzettingen in het leven, die in de streek gevestigd blijven en daarom voor Californië een zegen zijn. De vlottende bevolking, niet aan het land gehecht, ziet men hier liever niet. Men bevordert daarentegen zooveel mogelijk de vestiging van hen, die door land- of tuinbouw en vruchtenteelt uit te oefenen een vaste, blijvende bevolking uitmaken. De behoefte aan zulk eene bevolking wordt over geheel Californië sterk gevoeld, omdat men meer en meer overtuigd wordt, dat groote schatten aan den vruchtbaren grond, in verband met het warme klimaat, zijn te onttrekken, indien daaraan slechts de zorgvuldigearbeid besteed wordt, die alleen een geduldige land- en tuinbouwbevolking in zoo hooge mate bezit. Wanneer men bedenkt dat Californië zoo groot is als Italië en ternauwernood twee millioen inwoners telt, waarvan een groot deel zich bezig houdt met mijnwerk of zich ophoudt in de groote steden—San Francisco met de voorsteden telt alleen 700.000 inwoners—dan kan men zoo ongeveer nagaan hoe weinig het landbouwbedrijf hier op dezen daarvoor zoo geëigenden bodem tot zijn recht komt.Wie hier met beleid en deskundig te werk gaat, ’t zij met de vruchtenteelt, ’t zij met den landbouw of de veehouderij, kan verzekerd zijn binnen weinige jaren een gezeten grondeigenaar te zijn. Hier wordt arbeid, en vooral toewijdenden arbeid verlangd; wie dien geeft, is zeker van een welvarend bestaan; heel wat welvarender en met heel wat beter vooruitzichten dan voor dienzelfden arbeid in Nederland genoten wordt. Hier koopt de landbouwarbeider of tuinder van zijn bespaarde penningen weinige acres (1 acre is 0.4 Hectare) grond. Goed gelegen vruchtbare grond kost van honderd tot vijfhonderd gulden per acre. Drie vierden van den koopprijs behoeft hij eerst te betalen in 3 jaren, jaarlijks een derde. Dat kan hij gewoonlijk doen van de opbrengst van zijn land en is hij zoodoende na drie jaren eigenaar van zijn grond en leeft er al die jaren heel wat beter van dan zijn collega in Nederland.Hij, die met een klein kapitaaltje van 2500 à 5000gulden en toegerust met de algemeene kennis omtrent landbouw, veeteelt, vruchtenteelt of boom- en bloemkweekerij zich hier komt vestigen, kan zeker zijn van een welvarend bestaan. Natuurlijk dient de grond met beleid gekozen en daaromtrent overleg gepleegd te worden met de besturen der Kamers van Koophandel of andere vertrouwde lichamen of personen. De Kamers van Koophandel worden nu in den laatsten tijd tot op de kleinste plaatsen opgericht en verrichten met haar deskundige en betrouwbare adviezen aan particulieren en corporatiën een zeer verdienstelijken arbeid. Door coöperatie worden de noodige werktuigen, zaden enz. tot kostenden prijs aangeschaft.In sommige plaatsen, o.a. te Riverside, worden de irrigatiewerken coöperatief aangelegd en onderhouden. Te Santa Barbara was een groote coöperatieve werkplaats van over de 100 deelnemers voor het drogen, sorteeren en verpakken van eigen verbouwde walnoten. In dit deel van Californië ziet men de walnoot-boomen bij duizenden, keurig onderhouden en zonder een grasje of plantje tusschen de boomen. Elders vindt men de coöperatieve zuivelfabrieken precies als in ons land werkende. De coöperatie moge hier niet zoo algemeen worden toegepast als in sommige landen van Europa, het beginsel wint hier veld en maakt in het landbouw- en vruchtenteelt-bedrijf groote vorderingen.Overal ontdekte ik de sporen van bekendheid met dezen gunstigen toestand in de oude landen van Europa.Want Zweden, Denen, Russen, Engelschen, Duitschers, Zwitsers, Italianen en natuurlijk ook Amerikanen trof ik hier aan, die na weinige jaren volhardenden arbeid thans zeer gezeten burgers van Californië zijn. Alleen Nederlanders kwam ik op mijn tocht niet tegen. En toch moet onze land- en tuinbouwschool in de laatste jaren een aantal deskundige jongelieden hebben afgeleverd, dat aangewezen was de groote welvaart deelachtig te worden, die in hun vak hier in zoo ruime mate door emigranten van andere natiën wordt genoten.Waar zitten toch die tientallen, honderden wellicht, die dat weinigje ondernemingsgeest behoeven om met de te Wageningen opgedane kennis hier in weinige jaren hun toekomst te verzekeren?Toen ik van San Francisco door de Santa Clara Vallei reisde, meer dan 100 kilometer langs de boomgaarden met pruimen, abrikozen, perziken en pereboomen met de daarvoor noodige drogerijen en pakkerijen, hoorde ik gewagen van het Engelsch, Duitsch of Zweedsch kapitaal, waarmede deze of gene plantage was aangelegd en dat daarvan nu groote inkomsten genoot. Van een Nederlandsche kolonie of van Nederlandsch kapitaal dat de rijke vruchten van deze opkomende industrie geniet, hoorde ik nergens.Nog liggen honderdduizenden hectaren braak; nog vindt de ondernemende Hollander hier een ruim veld om door arbeid en vlijt (niet door geluk, zooals weleer de goudzoekers van dit land) zich een ruim bestaante verzekeren. Zal hij zoo lang wachten, tot de room van de melk is? Californië’s bevolking is geheel onvoldoende om den rijken bodem naar eisch te ontginnen. Het behoeft daarvoor deskundigen arbeid uit de oude landen van Europa. Andere landen doen daarmede hun voordeel. Zal Nederland achter blijven?Zijn de vooruitzichten van hen die zich in Californië aan de vruchtenteelt wijden, veelbelovend te noemen, niet minder is dat het geval voor hen, die er het landbouwbedrijf en de zuivelbereiding gaan beoefenen.Gedurende de jaren dat de groote vallei van 4½ millioen hectaren, waarover ik in mijn vorig artikel schreef, spaarzaam bevolkt was, werd de beschikbare vruchtbare grond in cultuur gebracht zonder onderzoek naar andere gronden, die òf voor het vervoer der producten niet gunstig gelegen waren òf onder water stonden. Er zijn in dat dal o.a. twee groote rivieren: de Sacramento en de San Joaquin, die in midden-Californië in velerlei vertakkingen tot elkander komen en een uitgestrekt bezonken land vormen van ongeveer vierhonderd duizend hectaren oppervlakte. Die grond, drooggemaakt en ingepolderd, is gebleken uit zeer vruchtbaren veengrond te bestaan, geschikt voor den graanbouw en de groenteteelt, en nog meer voor veeteelt en zuivelbedrijf: melkerij.De inpoldering geschiedt nagenoeg als bij ons te lande. Voor het inlaten van water heeft men slechtshier en daar de sluizen open te zetten, voor het uitpompen op den rivierboezem gebruikt men verplaatsbare stoompompen. Het eerste is zelden noodig; het laatste veelvuldig. Dijken van voldoende hoogte beschermen het land tegen overstroomingen.Toen men voor weinige jaren ontdekte welke groote vruchtbaarheid deze drooggemaakte gronden bezitten, is men aan het droogleggen er van gegaan en gaat men daarmede nog steeds voort. Bovendien versterkt men nu ook de dijken hoogerop gelegen langs genoemde rivieren en beveiligt daardoor het achtergelegen land tegen overstrooming. Tot de energieksten onder hen, die hun land tegen water wisten te beschermen, behoort ditmaal een Nederlander, de heerP. J. van Löben Sels, ex-consul van Nederland te San Francisco. De Sacramento-rivier afvarende, werd mij zijn land, “Vorden” genaamd, ruim 1600 hectaren groot, gewezen. Het behoorde tot de weinige landen, die dit voorjaar door den sterken vloed bergwater niet ondergeloopen waren. Toen ik hem later sprak, vernam ik, dat hij voor eenige jaren geruimen tijd in Nederland vertoefde om de wijze van inpolderen en bedijken te bestudeeren en dat hij nu, door toepassing van hetgeen hij daar leerde, voor groote schade is bewaard gebleven. Het bleek mij trouwens uit een bezoek aan een der grootste inpolderingen die thans onder handen genomen is, die van de “Middle River Company”, in de buurt van Stockton, dat ons land, vóór men aldaar tot de inpolderingoverging, werd bezocht door de directeuren, de heerenPhillips, waarvan de oudste broer ter bestudeering van het stelsel bij ons toegepast, nog niet van Nederland was teruggekeerd toen ik deze bezitting bezocht1.Hier worden ruim vijfduizend hectaren prachtige zwarte veengrond aan het water onttrokken. Een groote uitgestrektheid was reeds bebouwd met aardappelen, uien, boonen en asperges. Een fabriek voor het inmaken van asperges in blikken was op het asperge-land in aanbouw.Op een uur afstand per boot bezocht ik een ander droog gelegd land; daarop was een groote melkerij van over de 200 koeien gevestigd. Het meerendeel uitgelezen melkvee, kort geleden van Nederland geïmporteerd. Aan het hoofd stond een Deen. Van hem vernam ik bijzonderheden omtrent de prijzen die bedongen worden voor zuivelproducten, waaruit ten duidelijkste bleek, hoe winstgevend het bedrijf van veehouder en zuivelbereider hier moet zijn, waar men den vruchtbaren grond, die geen bemesting behoeft, koopt voor zeshonderd tot zestienhonderd gulden per hectare en waar men een klimaat heeft dat zoo goed als geen risico oplevert voor het welslagen van denoogst. Men krijgt hier van alfalfa-velden vier, soms vijf goede oogsten per jaar. Toen ik mij vóór ongeveer een week te Fresno bevond, was men dáár van hetzelfde land, voor de vijfde maal in dit jaar, aan het oogsten van alfalfa.Deze bouw schijnt inderdaad in het landbouw-bedrijf de grootste voordeelen op te leveren. Fresno en omgeving behoort niet tot de zooeven genoemde ingepolderde landen. Daar is gebrek aan water en moeten dan ook de alfalfa-landen door irrigatie vruchtbaar gemaakt worden, wat heel eenvoudig en goedkoop kan geschieden met water van in de nabijheid gelegen bergen. Ik zag daar gronden te koop voor ƒ 250 de bunder, die bij deskundige bebouwing van vijf bunder met alfalfa, in vier jaren niet alleen ruimschoots het onderhoud van een gezin opbrengen, maar zooveel meer als noodig is om den koopprijs af te betalen.Hier wordt algemeen aangenomen, dat 5 hectaren noodig zijn om bij zorgvuldige bebouwing—landbouw, melkerij of vruchtenteelt—een gezin te onderhouden en in 4 à 5 jaren den koopprijs af te lossen. Bij den aanvang moet ¼ van den koopprijs dadelijk betaald worden. Bij verbouwing van sinaasappelen wordt voor de afbetaling ongeveer op 7 jaren gerekend.Het is opmerkelijk hoe weinig nog het Nederlandsche element ook in het landbouwbedrijf en de veehouderij in midden-Californië wordt waargenomen. Men vindt hier Zwitsersche, Duitsche, Deensche en zelfs Russischekolonies, alle zeer welvarend, maar een Nederlandsche kolonie, waarvoor deze bedrijven zoo bij uitstek geschikt mogen heeten, vindt men hier nog niet. Wel Nederlandsch vee, maar emigranten van andere natiën om de voordeelen te behalen die dat vee op Californischen bodem afwerpt. En van Nederlandsch kapitaal om die inpolderingen en droogmakingen tot stand te brengen, hoorde ik al evenmin.De buitensporige voordeelen aan die droogmakingen verbonden genieten Amerikanen en Engelschen, die hier met de ervaring in Nederland omtrent inpolderingen opgedaan komen woekeren. En onze geldmannen, die beter dan eenig ander in staat zijn om de voordeelen van dergelijke ondernemingen te beoordeelen, houden zich van verre.Niet lang geleden had ik gelegenheid eene conferentie bij te wonen, waar een nieuw plan van inpoldering werd besproken en toegelicht. Het betrof het Yolo-bassin, in de Delta der Sacramento en San Joaquin-rivieren gelegen, een oppervlakte van 12000 hectaren. Daarvoor is ongeveer ƒ 2½ millioen noodig en komt dit vruchtbaar land na droogmaking op even ƒ 200 per bunder te staan, terwijl de verkoopprijs reeds dadelijk op het dubbele werd berekend. Hoewel de schattingen mij zeer vertrouwbaar voorkwamen, zou ik daaraan toch geen al te groote waarde hebben gehecht, ware het niet, dat de heerP. J. van Löben Sels, aan wiens oordeel in deze ik groote waardehecht, mij verzekerde dat de voorgespiegelde cijfers voor deze onderneming eer te ongunstig dan te gunstig gesteld waren.Met dit kijkje op de voordeelen die dergelijke ondernemingen hier behalen, besluit ik dit opstel over Californië. Veel, tienmaal meer dan ik hier opsomde, zou ik nog zeggen over dit rijke land der toekomst, indien niet de ruimte van een dagblad mij grenzen stelde. Dit ééne wil ik er nog aan toevoegen.Indien een groep van 25 à 30 gezinnen van kleine landbouwers en veehouders in ons land zich vereenigden om naar Californië te gaan en een vertrouwd deskundig man daarheen zonden om geschikte gronden te koopen en het noodige te regelen voor de vestiging aldaar, dan zou door samenwerking op coöperatieven grondslag voor zulk een groep landgenooten een welvaart ontstaan en genoten worden, als waarvan zij te voren nooit gedroomd hebben.1Tot de bekendheid met en de waardeering van onze wijze van inpolderen heeft in Amerika niet weinig bijgedragen een artikel van de New-Yorksche “Review of Reviews” van Augustus l.l., door den ijverigen consul der Vereenigde Staten te Amsterdam: mr.Frank D. Hill: “How the Dutch have taken Holland”.
13 Nov. 1904.
Californië is bij de groote massa in Europa alleen nog bekend als land waar goud wordt gevonden; waar in de jaren 1848 tot 1880 ieder heentrok die wilde “goudzoeken”.
Er wordt ook nu nog altijd goud gevonden, maar de grond en daardoor de mijnen zijn in handen gekomen van groote maatschappijen. Het vinden van goud is nu niet meer een fortuintje voor den delver maar voor de Maatschappij in wier dienst hij arbeidt. Vandaar dat de goudmijnen van Californië haar aantrekkingskracht voor fortuin-zoekende Europeanen sedert lang hebben verloren.
In dat mijnwerk vond de kleine bevolking van Californië langen tijd bijna uitsluitend een middel van bestaan. Totdat in de zeventiger jaren zich hier en daar immigranten vestigden, die zich toelegden op vruchtenteelt, door het klimaat daartoe als aangewezen. De gebrekkige middelen tot irrigatie van den bodem, maakten dat bedrijf in den aanvang weinig loonend. Toen evenwel de wijze van irrigeeren verbeterd en minder kostbaar werd, bleek spoedig de groote geschiktheid van den bodem voor vruchtenteelt, sinaasappelen,citroenen, pruimen, perziken, peren, appelen, walnoten enz. en worden thans, met buitengewoon gunstigen uitslag, velden met vruchtboomen in midden- en zuid-Californië aangelegd.
In sommige streken probeert men ook al de bloementeelt en reeds wordt in den omtrek van Los Angeles op groote schaal een proef genomen met het kweeken van rozenstammen, waarvoor de navraag bestaat in Oostelijk Amerika, aan welke navraag thans hoofdzakelijk door Europa, ook door de bloemenkweekers van Nederland, wordt voldaan. Naar mij werd medegedeeld, zijn de kosten van kweeken der rozenstammen in dit zonnig gedeelte van Californië zoo goedkoop, dat Europa een zeer ernstige concurrent ook voor dit artikel krijgt, indien de proefneming, op groote schaal begonnen, mocht slagen.
Hier in Zuid-Californië vindt men prachtige boomgaarden van sinaasappelen, duizenden hectaren groot, waar nog slechts 3 jaren geleden wildernis was en waarvan men reeds over 2 jaren een oogst verwacht, die alle kosten van aanleg, irrigatie en vruchtbaarmaking van den grond ruimschoots vergoedt. Die verwachting is gebaseerd op de ervaring met aangrenzende velden opgedaan, waar boomen staan van 20 tot 30 jaar oud.
Een aardig voorbeeld van de wijze waarop een ieder in zuidelijk Californië zijn voordeel weet te doen met de nieuwe industrie, levert een paar onderwijzeressen te Riverside, waarover ik in mijn vorig artikel schreef.Zij kochten een halve acre (nog geen kwart bunder) grond en bouwden daarop voor hun beiden de woning. Het voor dien koop en bouw benoodigde geld werd opgenomen. De grond, niet voor de woning noodig, werd bebouwd met sinaasappelboomen, waarvan de opbrengst, thans na 7 jaren, voldoende is geweest om het opgenomen geld af te betalen, zoodat zij thans niet alleen vrij wonen, maar bovendien een flinke jaarlijksche inkomst uit hun boomgaard genieten.
Engelschen hebben zich hier gevestigd en met Engelsch kapitaal zijn tienduizenden hectaren woestenij in boomgaarden omgezet, tot niet gering voordeel der ondernemers.
Maar tevens ten voordeele van allen, die bij deze industrie zijn betrokken, want overal heerscht een welvaart, als waarvan wij in ons land geen begrip hebben. Deze industrie roept nederzettingen in het leven, die in de streek gevestigd blijven en daarom voor Californië een zegen zijn. De vlottende bevolking, niet aan het land gehecht, ziet men hier liever niet. Men bevordert daarentegen zooveel mogelijk de vestiging van hen, die door land- of tuinbouw en vruchtenteelt uit te oefenen een vaste, blijvende bevolking uitmaken. De behoefte aan zulk eene bevolking wordt over geheel Californië sterk gevoeld, omdat men meer en meer overtuigd wordt, dat groote schatten aan den vruchtbaren grond, in verband met het warme klimaat, zijn te onttrekken, indien daaraan slechts de zorgvuldigearbeid besteed wordt, die alleen een geduldige land- en tuinbouwbevolking in zoo hooge mate bezit. Wanneer men bedenkt dat Californië zoo groot is als Italië en ternauwernood twee millioen inwoners telt, waarvan een groot deel zich bezig houdt met mijnwerk of zich ophoudt in de groote steden—San Francisco met de voorsteden telt alleen 700.000 inwoners—dan kan men zoo ongeveer nagaan hoe weinig het landbouwbedrijf hier op dezen daarvoor zoo geëigenden bodem tot zijn recht komt.
Wie hier met beleid en deskundig te werk gaat, ’t zij met de vruchtenteelt, ’t zij met den landbouw of de veehouderij, kan verzekerd zijn binnen weinige jaren een gezeten grondeigenaar te zijn. Hier wordt arbeid, en vooral toewijdenden arbeid verlangd; wie dien geeft, is zeker van een welvarend bestaan; heel wat welvarender en met heel wat beter vooruitzichten dan voor dienzelfden arbeid in Nederland genoten wordt. Hier koopt de landbouwarbeider of tuinder van zijn bespaarde penningen weinige acres (1 acre is 0.4 Hectare) grond. Goed gelegen vruchtbare grond kost van honderd tot vijfhonderd gulden per acre. Drie vierden van den koopprijs behoeft hij eerst te betalen in 3 jaren, jaarlijks een derde. Dat kan hij gewoonlijk doen van de opbrengst van zijn land en is hij zoodoende na drie jaren eigenaar van zijn grond en leeft er al die jaren heel wat beter van dan zijn collega in Nederland.
Hij, die met een klein kapitaaltje van 2500 à 5000gulden en toegerust met de algemeene kennis omtrent landbouw, veeteelt, vruchtenteelt of boom- en bloemkweekerij zich hier komt vestigen, kan zeker zijn van een welvarend bestaan. Natuurlijk dient de grond met beleid gekozen en daaromtrent overleg gepleegd te worden met de besturen der Kamers van Koophandel of andere vertrouwde lichamen of personen. De Kamers van Koophandel worden nu in den laatsten tijd tot op de kleinste plaatsen opgericht en verrichten met haar deskundige en betrouwbare adviezen aan particulieren en corporatiën een zeer verdienstelijken arbeid. Door coöperatie worden de noodige werktuigen, zaden enz. tot kostenden prijs aangeschaft.
In sommige plaatsen, o.a. te Riverside, worden de irrigatiewerken coöperatief aangelegd en onderhouden. Te Santa Barbara was een groote coöperatieve werkplaats van over de 100 deelnemers voor het drogen, sorteeren en verpakken van eigen verbouwde walnoten. In dit deel van Californië ziet men de walnoot-boomen bij duizenden, keurig onderhouden en zonder een grasje of plantje tusschen de boomen. Elders vindt men de coöperatieve zuivelfabrieken precies als in ons land werkende. De coöperatie moge hier niet zoo algemeen worden toegepast als in sommige landen van Europa, het beginsel wint hier veld en maakt in het landbouw- en vruchtenteelt-bedrijf groote vorderingen.
Overal ontdekte ik de sporen van bekendheid met dezen gunstigen toestand in de oude landen van Europa.Want Zweden, Denen, Russen, Engelschen, Duitschers, Zwitsers, Italianen en natuurlijk ook Amerikanen trof ik hier aan, die na weinige jaren volhardenden arbeid thans zeer gezeten burgers van Californië zijn. Alleen Nederlanders kwam ik op mijn tocht niet tegen. En toch moet onze land- en tuinbouwschool in de laatste jaren een aantal deskundige jongelieden hebben afgeleverd, dat aangewezen was de groote welvaart deelachtig te worden, die in hun vak hier in zoo ruime mate door emigranten van andere natiën wordt genoten.
Waar zitten toch die tientallen, honderden wellicht, die dat weinigje ondernemingsgeest behoeven om met de te Wageningen opgedane kennis hier in weinige jaren hun toekomst te verzekeren?
Toen ik van San Francisco door de Santa Clara Vallei reisde, meer dan 100 kilometer langs de boomgaarden met pruimen, abrikozen, perziken en pereboomen met de daarvoor noodige drogerijen en pakkerijen, hoorde ik gewagen van het Engelsch, Duitsch of Zweedsch kapitaal, waarmede deze of gene plantage was aangelegd en dat daarvan nu groote inkomsten genoot. Van een Nederlandsche kolonie of van Nederlandsch kapitaal dat de rijke vruchten van deze opkomende industrie geniet, hoorde ik nergens.
Nog liggen honderdduizenden hectaren braak; nog vindt de ondernemende Hollander hier een ruim veld om door arbeid en vlijt (niet door geluk, zooals weleer de goudzoekers van dit land) zich een ruim bestaante verzekeren. Zal hij zoo lang wachten, tot de room van de melk is? Californië’s bevolking is geheel onvoldoende om den rijken bodem naar eisch te ontginnen. Het behoeft daarvoor deskundigen arbeid uit de oude landen van Europa. Andere landen doen daarmede hun voordeel. Zal Nederland achter blijven?
Zijn de vooruitzichten van hen die zich in Californië aan de vruchtenteelt wijden, veelbelovend te noemen, niet minder is dat het geval voor hen, die er het landbouwbedrijf en de zuivelbereiding gaan beoefenen.
Gedurende de jaren dat de groote vallei van 4½ millioen hectaren, waarover ik in mijn vorig artikel schreef, spaarzaam bevolkt was, werd de beschikbare vruchtbare grond in cultuur gebracht zonder onderzoek naar andere gronden, die òf voor het vervoer der producten niet gunstig gelegen waren òf onder water stonden. Er zijn in dat dal o.a. twee groote rivieren: de Sacramento en de San Joaquin, die in midden-Californië in velerlei vertakkingen tot elkander komen en een uitgestrekt bezonken land vormen van ongeveer vierhonderd duizend hectaren oppervlakte. Die grond, drooggemaakt en ingepolderd, is gebleken uit zeer vruchtbaren veengrond te bestaan, geschikt voor den graanbouw en de groenteteelt, en nog meer voor veeteelt en zuivelbedrijf: melkerij.
De inpoldering geschiedt nagenoeg als bij ons te lande. Voor het inlaten van water heeft men slechtshier en daar de sluizen open te zetten, voor het uitpompen op den rivierboezem gebruikt men verplaatsbare stoompompen. Het eerste is zelden noodig; het laatste veelvuldig. Dijken van voldoende hoogte beschermen het land tegen overstroomingen.
Toen men voor weinige jaren ontdekte welke groote vruchtbaarheid deze drooggemaakte gronden bezitten, is men aan het droogleggen er van gegaan en gaat men daarmede nog steeds voort. Bovendien versterkt men nu ook de dijken hoogerop gelegen langs genoemde rivieren en beveiligt daardoor het achtergelegen land tegen overstrooming. Tot de energieksten onder hen, die hun land tegen water wisten te beschermen, behoort ditmaal een Nederlander, de heerP. J. van Löben Sels, ex-consul van Nederland te San Francisco. De Sacramento-rivier afvarende, werd mij zijn land, “Vorden” genaamd, ruim 1600 hectaren groot, gewezen. Het behoorde tot de weinige landen, die dit voorjaar door den sterken vloed bergwater niet ondergeloopen waren. Toen ik hem later sprak, vernam ik, dat hij voor eenige jaren geruimen tijd in Nederland vertoefde om de wijze van inpolderen en bedijken te bestudeeren en dat hij nu, door toepassing van hetgeen hij daar leerde, voor groote schade is bewaard gebleven. Het bleek mij trouwens uit een bezoek aan een der grootste inpolderingen die thans onder handen genomen is, die van de “Middle River Company”, in de buurt van Stockton, dat ons land, vóór men aldaar tot de inpolderingoverging, werd bezocht door de directeuren, de heerenPhillips, waarvan de oudste broer ter bestudeering van het stelsel bij ons toegepast, nog niet van Nederland was teruggekeerd toen ik deze bezitting bezocht1.
Hier worden ruim vijfduizend hectaren prachtige zwarte veengrond aan het water onttrokken. Een groote uitgestrektheid was reeds bebouwd met aardappelen, uien, boonen en asperges. Een fabriek voor het inmaken van asperges in blikken was op het asperge-land in aanbouw.
Op een uur afstand per boot bezocht ik een ander droog gelegd land; daarop was een groote melkerij van over de 200 koeien gevestigd. Het meerendeel uitgelezen melkvee, kort geleden van Nederland geïmporteerd. Aan het hoofd stond een Deen. Van hem vernam ik bijzonderheden omtrent de prijzen die bedongen worden voor zuivelproducten, waaruit ten duidelijkste bleek, hoe winstgevend het bedrijf van veehouder en zuivelbereider hier moet zijn, waar men den vruchtbaren grond, die geen bemesting behoeft, koopt voor zeshonderd tot zestienhonderd gulden per hectare en waar men een klimaat heeft dat zoo goed als geen risico oplevert voor het welslagen van denoogst. Men krijgt hier van alfalfa-velden vier, soms vijf goede oogsten per jaar. Toen ik mij vóór ongeveer een week te Fresno bevond, was men dáár van hetzelfde land, voor de vijfde maal in dit jaar, aan het oogsten van alfalfa.
Deze bouw schijnt inderdaad in het landbouw-bedrijf de grootste voordeelen op te leveren. Fresno en omgeving behoort niet tot de zooeven genoemde ingepolderde landen. Daar is gebrek aan water en moeten dan ook de alfalfa-landen door irrigatie vruchtbaar gemaakt worden, wat heel eenvoudig en goedkoop kan geschieden met water van in de nabijheid gelegen bergen. Ik zag daar gronden te koop voor ƒ 250 de bunder, die bij deskundige bebouwing van vijf bunder met alfalfa, in vier jaren niet alleen ruimschoots het onderhoud van een gezin opbrengen, maar zooveel meer als noodig is om den koopprijs af te betalen.
Hier wordt algemeen aangenomen, dat 5 hectaren noodig zijn om bij zorgvuldige bebouwing—landbouw, melkerij of vruchtenteelt—een gezin te onderhouden en in 4 à 5 jaren den koopprijs af te lossen. Bij den aanvang moet ¼ van den koopprijs dadelijk betaald worden. Bij verbouwing van sinaasappelen wordt voor de afbetaling ongeveer op 7 jaren gerekend.
Het is opmerkelijk hoe weinig nog het Nederlandsche element ook in het landbouwbedrijf en de veehouderij in midden-Californië wordt waargenomen. Men vindt hier Zwitsersche, Duitsche, Deensche en zelfs Russischekolonies, alle zeer welvarend, maar een Nederlandsche kolonie, waarvoor deze bedrijven zoo bij uitstek geschikt mogen heeten, vindt men hier nog niet. Wel Nederlandsch vee, maar emigranten van andere natiën om de voordeelen te behalen die dat vee op Californischen bodem afwerpt. En van Nederlandsch kapitaal om die inpolderingen en droogmakingen tot stand te brengen, hoorde ik al evenmin.
De buitensporige voordeelen aan die droogmakingen verbonden genieten Amerikanen en Engelschen, die hier met de ervaring in Nederland omtrent inpolderingen opgedaan komen woekeren. En onze geldmannen, die beter dan eenig ander in staat zijn om de voordeelen van dergelijke ondernemingen te beoordeelen, houden zich van verre.
Niet lang geleden had ik gelegenheid eene conferentie bij te wonen, waar een nieuw plan van inpoldering werd besproken en toegelicht. Het betrof het Yolo-bassin, in de Delta der Sacramento en San Joaquin-rivieren gelegen, een oppervlakte van 12000 hectaren. Daarvoor is ongeveer ƒ 2½ millioen noodig en komt dit vruchtbaar land na droogmaking op even ƒ 200 per bunder te staan, terwijl de verkoopprijs reeds dadelijk op het dubbele werd berekend. Hoewel de schattingen mij zeer vertrouwbaar voorkwamen, zou ik daaraan toch geen al te groote waarde hebben gehecht, ware het niet, dat de heerP. J. van Löben Sels, aan wiens oordeel in deze ik groote waardehecht, mij verzekerde dat de voorgespiegelde cijfers voor deze onderneming eer te ongunstig dan te gunstig gesteld waren.
Met dit kijkje op de voordeelen die dergelijke ondernemingen hier behalen, besluit ik dit opstel over Californië. Veel, tienmaal meer dan ik hier opsomde, zou ik nog zeggen over dit rijke land der toekomst, indien niet de ruimte van een dagblad mij grenzen stelde. Dit ééne wil ik er nog aan toevoegen.
Indien een groep van 25 à 30 gezinnen van kleine landbouwers en veehouders in ons land zich vereenigden om naar Californië te gaan en een vertrouwd deskundig man daarheen zonden om geschikte gronden te koopen en het noodige te regelen voor de vestiging aldaar, dan zou door samenwerking op coöperatieven grondslag voor zulk een groep landgenooten een welvaart ontstaan en genoten worden, als waarvan zij te voren nooit gedroomd hebben.
1Tot de bekendheid met en de waardeering van onze wijze van inpolderen heeft in Amerika niet weinig bijgedragen een artikel van de New-Yorksche “Review of Reviews” van Augustus l.l., door den ijverigen consul der Vereenigde Staten te Amsterdam: mr.Frank D. Hill: “How the Dutch have taken Holland”.
1Tot de bekendheid met en de waardeering van onze wijze van inpolderen heeft in Amerika niet weinig bijgedragen een artikel van de New-Yorksche “Review of Reviews” van Augustus l.l., door den ijverigen consul der Vereenigde Staten te Amsterdam: mr.Frank D. Hill: “How the Dutch have taken Holland”.
X.3 Dec. 1904.Het viel niet gemakkelijk, het besluit voor den terugtocht. Het heerlijk klimaat van Californië ging ik verlaten met de wetenschap, dat naarmate ik meer naar het oostelijk deel van Amerika trok, het klimaat steeds meer begon te gelijken op het onze: koud, mistig, vochtig. Toch was er een lichtzijde aan dat terugtrekken verbonden; het vooruitzicht namelijk dat over dien langen weg van bijna 6000 kilometer zooveel belangrijks was te zien. De reis ging o.a. door Arizona, Nieuw Mexico en Indiana naar Chicago en van daar langs het Erie-meer naar Buffalo, ter bewondering vanthe Fallsder Niagara en vervolgens langs de Hudson-rivier naar het groot-Mokum van Amerika: New-York City.De afstand van San Francisco naar Chicago, die in vier etmalen kan worden afgelegd, indien men zich onderweg niet ophoudt, bedraagt ruim vierduizend kilometer, geheel onder beheer van één spoorweg-maatschappij. En dit maakt slechts de kleinste helft harer lijnen uit. Zij exploiteert in het geheel bijna dertien duizend kilometer spoorlijn.Wat dit wil zeggen kan men zich eenigszins voorstellenwanneer men weet dat de afstand van Amsterdam naar Rome nog geen 1700 kilometer bedraagt. Ik zeg “eenigszins”, omdat de exploitatie hier zich niet bepaalt tot vervoer van reizigers en goederen, maar zich uitbreidt tot het bouwen en exploiteeren van hotels en restaurants onmiddellijk aan den spoorweg gelegen; tot het verstrekken van maaltijden op ’t spoor in dedining-cars; tot het leveren van paarden en rijtuigen op eindpunten van de zijlijnen; tot den verkoop van voorwerpen door Indianen vervaardigd, waarvoor in Arizona en Nieuw Mexico bij verschillende stations groote winkels, ware musea, in smaakvollen stijl zijn gebouwd. Zóó en op nog verschillende andere wijzen, bevorderen de groote spoorweg-maatschappijen hier het verkeer op haar lijnen en niemand is daarmede beter gediend dan “het publiek”. Want de wijze, waarop zij haar taak als restaurateur of hotelier opvatten, is boven allen lof verheven. Uitnemende maaltijden, tegen niet hoogen prijs, worden in de spoorweg-restaurants en de eet-wagons verstrekt. Alles is er zóó zindelijk als de properste Hollandsche huisvrouw maar kan begeeren. En datzelfde is het geval in de spoorweg-hotels.Ik ontmoette hier bij herhaling reizigers, van Australië of van China komende—ook een groot gezelschap dat van Nederland de reis over New-York en Chicago naar San Francisco en van daar naar Singapore en Batavia maakte—die evenals ik, ingenomen waren met dewijze, waarop de spoorweg-maatschappijen alhier haar taak opvatten en uitvoeren.Men kan zich moeilijk een begrip vormen van de uitgebreidheid der administratie bij zulk een onderneming met een jaarlijksche ontvangst van honderd zestig millioen gulden. Wat men van de Amerikanen ook moge zeggen, zeker niet dat zij, voor welke andere natie ook onder doen in organiseerend en administreerend talent. Neen, laten wij het gerust bekennen, in dit opzicht overtreffen zij ons, Europeanen, ver. Maar ik dwaalde af. Het was mijn voornemen om mede te deelen wat de bewondering en belangstelling wekt op dezen tocht. De reis, voor zoover zij door Californië gaat, kent men eenigszins uit de vorige opstellen. Heeft men de grens in Arizona bereikt, dan wordt alles dadelijk anders. De wegen zijn slechter onderhouden, de huizen zijn van geringer afmeting en zijn verfloos, er is minder water en meer stof. Ook de wetgeving is er nog ver ten achter.De bevolking is er minder gecultiveerd. Ruwheid en dronkenschap komen veelvuldig voor. Arizona is, wat oppervlakte betreft, ongeveer 10 maal grooter dan Nederland, doch heeft slechts eene bevolking van nog geen 150.000, terwijl Nieuw Mexico, met eene oppervlakte elf maal grooter, nog geen 200.000 inwoners telt. Hieronder is niet begrepen een ambulante mijnersbevolking, die van den eenen Staat trekt naar den anderen om te werken. Vele mijnen liggen somsgeruimen tijd stil, omdat er geen kapitaal voorhanden is tot voortzetting der exploitatie, of omdat de prijzen der gedolven mineralen tijdelijk te laag zijn of om eenige andere reden. Doch in al die gevallen staan de werklieden op straat, gewoonlijk met een goed gevulde beurs, want in of bij de mijnen kunnen ze niet veel verteren. Dan trekken zij eerst naar het naastbij gelegen stadje aan de spoorlijn en hier vinden zij gewoonlijk gelegenheid om hun verdiend loon geheel of gedeeltelijk kwijt te raken. In den regel zijn die arbeiders jonge ongehuwde mannen, die in de mijnen werken of in de uitgestrekte bosschen boomen vellen. Komen zij in de kleine spoorwegplaatsen, dan is hun eerste en eenige aanloop desaloon, dat is de kroeg, waar den geheelen dag wordt in- en uitgeloopen en aan de toonbank, staande, de noodige borrels worden verschalkt. Doch wat erger is: waar den geheelen dag de gelegenheid wordt gegeven tot dobbelen. Met roulet, de dobbelsteenen, de kaarten wordt openlijk gespeeld en bij onderzoek bleek mij dat in Arizona en Nieuw Mexico het dobbelen niet verboden is bij de wet, en voorloopig ook nog niet zal verboden worden.Er worden namelijk hooge rechten betaald voor de vergunning om een roulet of speeltafel te houden.De gemeentebesturen vinden het gemakkelijker op die wijze de kas te vullen dan door het heffen van een hoofdelijken omslag. Daar komt nog bij dat uit hun bedrijf groote voordeelen worden behaald door de“saloon”-houders en de houders der “gambling-tables”; personen die bij de verkiezing van leden voor den gemeenteraad een beduidende rol spelen en er wel voor waken, dat geen raadsleden gekozen worden, die bezwaar hebben tegen dobbelspel.Wat dit laatste in sommige plaatsen allerbedenkelijkst maakt is een bepaling, dat het recht verdubbeld wordt, indien vrouwen in de “saloons” worden toegelaten. Ik heb een paar van die plaatsen bezocht. In hun werkpakje zaten dáár Amerikanen, Mexicanen, Indianen, Chineezen hun zuur verdiend loon te verdobbelen. En precies als te Monte Carlo zat men berekeningen te maken, van het nummer van het draaibord waarop de prijs een volgenden keer “moest” vallen. Het ging hier natuurlijk slechts om kleine sommen; zilverstukken van 10 en 25 cents waren de voornaamste inzet. Maar ik zag ook een jongen Amerikaan, die drie maanden in de bosschen werkzaam was geweest aan den houthak en honderdvijftig dollar had bespaard, dit sommetje in twee uren tijds verliezen met inzetten van één tot vijf dollar. En welke tooneelen men daaromheen ziet in de “saloons” waar het verhoogde recht betaald werd om ook vrouwen te kunnen toelaten, kan men zich voorstellen, wanneer men die combinatie elders, vooral in Fransche badplaatsen, wel eens heeft waargenomen.Ik kan van dit onderwerp niet afstappen zonder de hoop uit te spreken, dat de centrale regeering vanAmerika spoedig tusschenbeide kome, om een einde te maken aan een toestand die dit groote land tot schande is.Van de gelegenheid om een Amerikaanschen zaagmolen te zien maakte ik hier gretig gebruik, omdat ik van de groote besparing van arbeidskrachten, en het vlug omzetten van boomen in planken zooveel had gehoord. En inderdaad, de Amerikanen verrichten wonderen met hun machines. De zaagmolen was aan het spoor gelegen, en de boomstammen werden uit het ver afgelegen bosch aan een berg-helling vervoerd per water, d.w.z. over een afstand van vele kilometers was een houten bak op stutten gemaakt, van ongeveer een meter breed en een halven meter diep. Een bergstroom liet men op een hoog punt in dien bak loopen en door het aangebrachte verval stroomde dat water vrij vlug omlaag. De boomstammen werden daarin geworpen en bereikten het eindpunt met een snelheid van 15 kilometer per uur. Op één plaats zag ik zoo’n toestel, primitief in elkaar gezet, ter lengte van 105 kilometer—de afstand van Amsterdam naar Arnhem—en aan het eind van den afgelegden weg werd het water aangewend voor irrigatie van den grond.Te Flagstaff, (Arizona) waar ik den zaagmolen bezichtigde, eindigde de kunstmatige beek, zooals ik zoo’n bak zou willen noemen, op tamelijk grooten afstand van de fabriek, omdat er geen verval van water meerte krijgen was. De stammen, alle van dezelfde lengte—daarop worden ze reeds gemaakt bij ’t vellen—werden aan het eindpunt op platte spoorwagens vervoerd naar de fabriek. En hier begon de bewerking. In den zaagmolen waren niet meer dan 5 mannen werkzaam om de boomstammen, die aan den eenen kant binnenkwamen, zoodanig te plaatsen dat zij op bepaalde dikte gezaagd worden en daarna als planken, gesorteerd naar breedte en lengte, op hun plaats aan den anderen kant den molen verlieten. De rest deden de verschillende werktuigen. In den tijd van 20 minuten zag ik 10 boomen van vier en een halven meter lang en bijna één meter middellijn in planken omzetten, dat was gemiddeld twee minuten voor iederen boom. Hoe die vijf mannen den drukken, inspannenden arbeid van den ochtend tot den avond kunnen volhouden is mij een raadsel. Er wordt namelijk in die fabriek 10 uren daags gewerkt. Van 7–12 en van 1–6 en als het druk is nog van 7–9½, waarvoor dan ¼ van het loon extra wordt betaald. Dus geen verhoogd loon voor de over-uren. Van pensioen, ziekengeld of uitkeering bij ongeval is geen sprake. Was er geen werk (tijdelijk in den winter) dan volgde onmiddellijk ontslag. Deze toestand is geen uitzondering, maar regel voor den arbeid in Westelijk-Amerika. Wat de loonen betreft, die waren er vrij hoog. De meesterknecht genoot vijf dollar per dag; de overigen de helft of iets daarboven, terwijl het leven in diekleine stad niet duur kon genoemd worden. Bieden de bosschen in Arizona een rijke bron van inkomsten, nog meer is dit het geval met de mijnen. Onder deze munten uit de kopermijnen van Mr.W. A. Clark, een van de Amerikaansche milliardairs. Mij werd verzekerd, dat hij alleen uit de mijnen van Arizona een jaarlijksche winst maakte van tien millioen dollar. En nu overtrof de productie zijner mijnen in Montana nog die van Arizona. Van eene zijde die geen twijfel toelaat, vernam ik dat in de gezamenlijke mijnen van dezen groot-industrieel, ruim twee derde werd voortgebracht van al het koper, dat jaarlijks in de wereld wordt geproduceerd. Ook hier, bij de mijnwerkers, bestaat er tusschen werkgever en arbeider niet de minste band. De eerste betaalt een vrij hoog loon en bemoeit zich voor ’t overige met zijn werklieden niet. Dat dezen aan de onderneming zich niet gehecht gevoelen, spreekt van zelf. Verbetering in dezen toestand is alleen te verwachten van een nauwe aaneensluiting der werklieden in vakvereenigingen. Daarvan zijn velen onder hen reeds doordrongen, doch de meerderheid begrijpt blijkbaar nog niet, dat verbetering van eigen lot, alleen verkrijgbaar is door organisatie en coöperatie. Ik spreek ter loops slechts over een derde bron van rijkdom in beide staten: de vee-fokkerij. Niet op den voet zooals bij ons, maar uitsluitend tot het fokken van jonge stieren, die enkele jaren de prairie worden ingejaagd, dáár hun voedsel zoeken omdan bij honderdtallen naar de slachtbank te worden gevoerd. Hier zijn vee-fokkers, die het aantal hunner ronddwalende stieren bij benadering slechts kennen. Het bedraagt soms duizenden. Zij worden voor het grazen binnen zekere grenzen gehouden door decow-boys, te paard gezeten jonge mannen, die dagen achtereen in de prairie vertoeven om afgedwaalde stieren weer op den rechten weg te brengen. In zijn kleurig buis en leeren broekspijpen met franjes van boven tot onder, zijn zware sporen naar Spaansch model, zijn grijze flambard en losjes geknoopte roode das, ziet hij er schilderachtig uit, wanneer men hem uit den spoorwagen door de prairie ziet rennen op ongebaande wegen, met een vaart bijna gelijk aan die van den trein. Aan den knop van ’t zadel hangt de lazzo en ieder der beide achterzakken van zijn pantalon herbergt een revolver.In het schieten met dit laatste wapen oefent hij zich gedurende den tijd dat hij niet achter de stieren rent en de meesten brengen het zoover, dat zij op 40 pas afstand een mikpunt van drie centimeter middellijn nooit missen.Ruw, kortaf en twistziek, ziedaar eenige minder aangename eigenschappen van den cow-boy; daarentegen is hij ridderlijk tegenover vrouwen en kent zijne goedhartigheid tegenover lijdenden geen grens. Daarover zijn veleinteressanteverhalen in omloop. Zoolang de whiskey nog in de kan is, valt er met den cow-boyte praten; is zij in den man dan blijve men voorzichtigheidshalve op een afstand. In de genoemde landen is het geen zeldzaamheid dat de revolver als argumenteerende kracht wordt aangewend.Laat het sociale leven in Arizona te wenschen over, niet aldus is het gesteld met de natuur. Deze heeft hier wonderen verricht, zooals men ze nergens in de wereld, en zóó dicht bij elkaar, te aanschouwen krijgt.Men spoort van het station Williams in een paar uur naar degrand canyon1of Arizonaen honderd pas van het station staat men voor een afgrond, die—behalve door zijn uitgebreidheid en diepte—een wonder van kleurenpracht en grillige vormen te aanschouwen geeft; een pracht die geen pen in staat is te beschrijven. In de diepte stroomt de Colorado-rivier, doch men kan haar daarboven ternauwernood zien, daar die diepte 1800 meter bedraagt. Eerst wanneer men afdaalt langs een pad dat ruim 10 kilometer lang is—een weg die gewoonlijk op een paard of muilezel wordt afgelegd—krijgt men menig denkbeeld van deze meer dan 100 meter breede rivier en van de ontzaglijke rotsblokken die de wanden van dezen afgrond vormen. De schitterende kleurenpracht, telkens varieerende wanneer de zon haar licht op een ander deel der uitstekende punten en gedrochtelijke vormen doet schijnen, doet het oog in stille bewondering op dit ontzettend grootsche natuurtafereel staren. Eindelijkna lang staren, zoekt het oog een grens, maar deze is niet te vinden. Althans niet in de lengte. Deze scheur in de aarde is, langs de rivier gemeten, driehonderdvijftig kilometer lang (meer dan 3 maal de afstand van Amsterdam naar Arnhem!) en twintig kilometer breed (van Amsterdam tot Haarlem). Voor zoover mij bekend, bestaat er geen ander natuurtafereel van dien aard: zóó groot en zóó schoon.Een ander natuurwonder van Arizona, al wordt men er niet zoo door getroffen als door dengrand canyon, zijn de versteende bosschen. Op geringen afstand van Holbrook vindt men boomen, een geheel bosch vormende, uit vóórhistorischen tijd. Zij zijn òf verglaasd, òf versteend, òf verkalkt en bieden nu, als de zon er op schijnt, een heerlijk kleureffect. Zelfs zuivere kristallen zijn er bij. Er zijn er ook onder die het prachtigste agaat leveren. De boomen zijn soms 70 meter lang en liggen half bedolven in het zand, half bloot. Sommige boomen zijn geheel gaaf gebleven met alle takken eraan, gelijkende op een boom van agaatsteen. Vóór eeuwen hebben wervelwinden, die het zand opzweepten en in groote massa’s verplaatsten, deze boomen, naar men vermoedt, bloot gelegd. Doch de boomen zelven zijn dáár niet gegroeid. In vóórhistorischen tijd moet de grond aldaar de bodem van een zee geweest zijn en werden de boomen wellicht, ontelbare eeuwen geleden, door een ontzettende natuurkracht ontworteld en naar de plaats gespoeld, waarzij nu in zoo groot aantal gevonden worden. M.a.w., men weet er niets van hoe die boomen dáár zijn gekomen en op welke wijze zij de versteende en verglaasde lichamen zijn geworden, die nu met hun kleurenpracht ons oog bekooren.Een ander wonder, op grooter afstand van de spoor doch door een heerlijke natuur per rijtuig in één dag te bereiken is denatuurlijkebrug, waardoor de beide zijden van een bergkloof, 165 meter wijd (zonder rustpunt) ruim 200 meter boven een vervaarlijken bergstroom, verbonden worden.Maar wat zeker voor velen het meest interessante van de reis is, het zijn decliff-dwellings, woningen van een menschenras dat sedert lang van het aardrijk is verdwenen en van wier vroeger bestaan slechts zeer zeldzaam de sporen worden gevonden. Er zijn namelijk enkele skeletten opgedolven, waaruit blijkt dat het een klein soort menschen moet geweest zijn. Wat evenwel zeer opmerkelijk is, dat is dat hun wijze van behandeling der lijken geheel overeenkwam met die der oude Egyptenaren. De gevonden skeletten waren geheel omwikkeld door windselen van grof linnen.De woningen dezer menschen zijn op sommige plaatsen in de rotsen nog gaaf aanwezig. Ze zijn gebouwd in overhangende rotsspleten, een paar honderd meter of meer boven den beganen weg, soms boven steile afgronden. De bewoners hebben waarschijnlijk indertijd hun woning van boven af bereikt maar moetendaarvoor een talent van klimmen en klauteren bezeten hebben, zooals bij tegenwoordig levende menschen niet wordt gevonden. En dáár, in de nabijheid dezer vóór-historische woningen, vindt men nu nog oude stammen van Indianen wonen, heele dorpen met eigen wetgeving en eigen bestuur, vast houdende aan traditiën, door vele eeuwen heen tot hen gekomen.Die stammen zijn aan het uitsterven, en zullen waarschijnlijk over weinige eeuwen verdwenen zijn, evenals de cliff-bewoners van weleer. Niet weken maar maanden zou men in dit merkwaardig deel van Amerika willen vertoeven, om de wonderen der natuur gade te slaan en in het verleden trachten door te dringen door bestudeering, van wat daar nu nog gevonden wordt.Hoe geheel anders wordt de omgeving als de trein ons brengt in Chicago, met zijn twee millioen inwoners, saamgesteld uit de emigranten van bijna alle natiën der wereld.Hier vindt men, als in Londen, den grootsten rijkdom naast de diepste armoede. Hier worden zaken gedaan, niet anders dan zaken. De concurrentie heeft de grootst mogelijke inspanning gevorderd, zelfs van de meest energieken onder deze business-men. Met ’t gevolg dat allen voortrennen in zenuwachtige haast, uit vrees van achterhaald te worden door iemand, die nog vlugger, nog intenser weet zaken te doen. Welke reusachtige ondernemingen aan dit inspannend werken het aanzijn danken, kon ik ervaren bij eenbezoek aan de slachtplaats vanArmour & Co., een naam over de geheele wereld bekend door de “corned beef” en de “smoked tongue”. Men kan zich moeilijk den omvang dezer slachtersaffaire voorstellen. Er worden in den drukken tijddagelijkstienduizend varkens geslacht, vijf en twintig honderd koeien en tienduizend schapen. De concurrentie gedoogt niet dat een der onderdeelen, voor de uitoefening dezer zaak, door anderen wordt uitgeoefend. De firma doet alles zelf. Voor het maken der blikken, waarin het vleesch of het extract wordt verzonden, is een groote fabriek opgericht, waar 200 man werkzaam is. Voor de boeken, etiquetten, aanplakbiljetten en het overige benoodigde drukwerk is een drukkerij met de nieuwste machines, waar 150 man werk vinden. Om ijs te maken (voor de koelkamers), zijn machines aan ’t werk, die 2000 ton ijs per dag afleveren. Voor opwekking van stroom zijn machines van 4800 paardenkrachten aanwezig. Een groote fabriek is er voor het maken van been-zwart. Een andere voor de bereiding van het haar der varkens. Weer een andere voor het maken van lijm. Een zeepfabriek, een knoopen- en kammenfabriek (vanden horens en hoeven der koeien). Toen ik ten slotte vroeg hoeveel menschen hier werkzaam waren, vernam ik dat dit over de tienduizend bedroeg. Niet minder dan 83 telegrafisten zijn in dienst der firma en doen niet anders dan telegrammen ontvangen en verzenden voor dit huis. Een der chefs van de firma gaf mij als zijnemeening te kennen, dat de concurrentie, nog meer dan op dit oogenblik het geval is, tot centralisatie in de bedrijven zal leiden en wel het meest wegens de dringende behoefte aan afzet der producten buiten Amerika. Door de beste (nieuwste) machines steeds aan te schaffen en alle bij de onderneming betrokken bedrijven onder één beheer te brengen, konden volgens hem de Amerikanen op den duur tegen Duitschland en Engeland de concurrentie gemakkelijk volhouden. De belangrijke besparing in productie-kosten zou hen daartoe in staat stellen. Op mijn vraag, in welke verhouding hij zich voorstelde dat de werklieden zijner fabrieken op den duur tot de firma als werkgeefster zouden komen, was zijn antwoord erg onzeker. Hij was een voorstander van hooge loonen voor geschoolden arbeid; van een aandeel in de voordeelen der zaak wilde hij absoluut niets weten. Hij ontkende dat de werkman, hoe goed ook zijn vak verstaande, iets hoegenaamd bijdroeg tot het welslagen der onderneming. Alleen zij die leiding weten te geven, niet degenen die leiding noodig hadden, kunnen aanspraak maken op een aandeel in de behaalde voordeelen.De skilled laborers ontvingen een loon van 4 tot 4½ dollar per dag. De unskilled $ 1.75.Over de laatsten was hij slecht te spreken. Zij waren het die niet wilden werken, tenzij de werkgever een arbeid-overeenkomst met hen afsloot. De werkgevers echter wilden van onderhandelingen met menschen,die geen enkel vak verstaan, niets weten. De geschoolde arbeiders staakten alleen uit sympathie met de niet-geschoolden en het gevolg is geweest dit voorjaar, een maanden-lange staking, die ten slotte door de werklieden is verloren. Door die staking is bij de patroons, zoowel als bij de werklieden heel wat kwaad bloed gezet. Het is duidelijk dat er niet veel noodig is, om de vlam, die thans nog verre van uitgedoofd is, opnieuw te doen uitslaan!Een sterke uiting van zenuwachtige inspanning bij het zaken doen, zag ik op de graan-beurs; zeker de grootste der wereld wat den omzet aangaat.In één jaar wordt te Chicago drie en een half millioen lasten tarwe (meel in tarwe omgezet) aangevoerd. De elevators te Chicago kunnen een half millioen lasten graan bergen. En welke reusachtige hoeveelheden dagelijks worden omgezet op speculatie, valt natuurlijk niet te schatten. De geheele wereld speculeert te Chicago. Onder oorverdoovend geschreeuw en door het geven van teekenen met de hand en de vingers, worden in één minuut soms duizenden lasten verhandeld. Hoe de drie honderd makelaars in tarwe die hier de orders tot koop en verkoop uitvoeren, wijs worden uit elkanders gegil en handgebaar, is voor een buitenstander niet te begrijpen. En toch, zoo verzekerde mij een man van ’t vak, komen geschillen hoogst zelden voor.Toen ik weinige dagen daarna langs den Hudson-rivierspoorde en bedacht dat slechts 3 eeuwen geleden (1609) Hudson in dienst der Nederlandsche Oost-Indische Compagnie die groote rivier met haar prachtige oevers ontdekte, raakte ik onwillekeurig aan ’t mijmeren over het verleden en het heden van dit land en van het onze. Het kleine Nederland, destijds het ondernemendste, het energiekste volk der aarde... en in Amerika, althans in de noordelijke Staten, toen nog geen wit mensch te bekennen.En nu, na 300 jaren?C. V. Gerritsen.1Van het Spaansche woordcañon= bergkloof.
3 Dec. 1904.
Het viel niet gemakkelijk, het besluit voor den terugtocht. Het heerlijk klimaat van Californië ging ik verlaten met de wetenschap, dat naarmate ik meer naar het oostelijk deel van Amerika trok, het klimaat steeds meer begon te gelijken op het onze: koud, mistig, vochtig. Toch was er een lichtzijde aan dat terugtrekken verbonden; het vooruitzicht namelijk dat over dien langen weg van bijna 6000 kilometer zooveel belangrijks was te zien. De reis ging o.a. door Arizona, Nieuw Mexico en Indiana naar Chicago en van daar langs het Erie-meer naar Buffalo, ter bewondering vanthe Fallsder Niagara en vervolgens langs de Hudson-rivier naar het groot-Mokum van Amerika: New-York City.
De afstand van San Francisco naar Chicago, die in vier etmalen kan worden afgelegd, indien men zich onderweg niet ophoudt, bedraagt ruim vierduizend kilometer, geheel onder beheer van één spoorweg-maatschappij. En dit maakt slechts de kleinste helft harer lijnen uit. Zij exploiteert in het geheel bijna dertien duizend kilometer spoorlijn.
Wat dit wil zeggen kan men zich eenigszins voorstellenwanneer men weet dat de afstand van Amsterdam naar Rome nog geen 1700 kilometer bedraagt. Ik zeg “eenigszins”, omdat de exploitatie hier zich niet bepaalt tot vervoer van reizigers en goederen, maar zich uitbreidt tot het bouwen en exploiteeren van hotels en restaurants onmiddellijk aan den spoorweg gelegen; tot het verstrekken van maaltijden op ’t spoor in dedining-cars; tot het leveren van paarden en rijtuigen op eindpunten van de zijlijnen; tot den verkoop van voorwerpen door Indianen vervaardigd, waarvoor in Arizona en Nieuw Mexico bij verschillende stations groote winkels, ware musea, in smaakvollen stijl zijn gebouwd. Zóó en op nog verschillende andere wijzen, bevorderen de groote spoorweg-maatschappijen hier het verkeer op haar lijnen en niemand is daarmede beter gediend dan “het publiek”. Want de wijze, waarop zij haar taak als restaurateur of hotelier opvatten, is boven allen lof verheven. Uitnemende maaltijden, tegen niet hoogen prijs, worden in de spoorweg-restaurants en de eet-wagons verstrekt. Alles is er zóó zindelijk als de properste Hollandsche huisvrouw maar kan begeeren. En datzelfde is het geval in de spoorweg-hotels.
Ik ontmoette hier bij herhaling reizigers, van Australië of van China komende—ook een groot gezelschap dat van Nederland de reis over New-York en Chicago naar San Francisco en van daar naar Singapore en Batavia maakte—die evenals ik, ingenomen waren met dewijze, waarop de spoorweg-maatschappijen alhier haar taak opvatten en uitvoeren.
Men kan zich moeilijk een begrip vormen van de uitgebreidheid der administratie bij zulk een onderneming met een jaarlijksche ontvangst van honderd zestig millioen gulden. Wat men van de Amerikanen ook moge zeggen, zeker niet dat zij, voor welke andere natie ook onder doen in organiseerend en administreerend talent. Neen, laten wij het gerust bekennen, in dit opzicht overtreffen zij ons, Europeanen, ver. Maar ik dwaalde af. Het was mijn voornemen om mede te deelen wat de bewondering en belangstelling wekt op dezen tocht. De reis, voor zoover zij door Californië gaat, kent men eenigszins uit de vorige opstellen. Heeft men de grens in Arizona bereikt, dan wordt alles dadelijk anders. De wegen zijn slechter onderhouden, de huizen zijn van geringer afmeting en zijn verfloos, er is minder water en meer stof. Ook de wetgeving is er nog ver ten achter.
De bevolking is er minder gecultiveerd. Ruwheid en dronkenschap komen veelvuldig voor. Arizona is, wat oppervlakte betreft, ongeveer 10 maal grooter dan Nederland, doch heeft slechts eene bevolking van nog geen 150.000, terwijl Nieuw Mexico, met eene oppervlakte elf maal grooter, nog geen 200.000 inwoners telt. Hieronder is niet begrepen een ambulante mijnersbevolking, die van den eenen Staat trekt naar den anderen om te werken. Vele mijnen liggen somsgeruimen tijd stil, omdat er geen kapitaal voorhanden is tot voortzetting der exploitatie, of omdat de prijzen der gedolven mineralen tijdelijk te laag zijn of om eenige andere reden. Doch in al die gevallen staan de werklieden op straat, gewoonlijk met een goed gevulde beurs, want in of bij de mijnen kunnen ze niet veel verteren. Dan trekken zij eerst naar het naastbij gelegen stadje aan de spoorlijn en hier vinden zij gewoonlijk gelegenheid om hun verdiend loon geheel of gedeeltelijk kwijt te raken. In den regel zijn die arbeiders jonge ongehuwde mannen, die in de mijnen werken of in de uitgestrekte bosschen boomen vellen. Komen zij in de kleine spoorwegplaatsen, dan is hun eerste en eenige aanloop desaloon, dat is de kroeg, waar den geheelen dag wordt in- en uitgeloopen en aan de toonbank, staande, de noodige borrels worden verschalkt. Doch wat erger is: waar den geheelen dag de gelegenheid wordt gegeven tot dobbelen. Met roulet, de dobbelsteenen, de kaarten wordt openlijk gespeeld en bij onderzoek bleek mij dat in Arizona en Nieuw Mexico het dobbelen niet verboden is bij de wet, en voorloopig ook nog niet zal verboden worden.
Er worden namelijk hooge rechten betaald voor de vergunning om een roulet of speeltafel te houden.
De gemeentebesturen vinden het gemakkelijker op die wijze de kas te vullen dan door het heffen van een hoofdelijken omslag. Daar komt nog bij dat uit hun bedrijf groote voordeelen worden behaald door de“saloon”-houders en de houders der “gambling-tables”; personen die bij de verkiezing van leden voor den gemeenteraad een beduidende rol spelen en er wel voor waken, dat geen raadsleden gekozen worden, die bezwaar hebben tegen dobbelspel.
Wat dit laatste in sommige plaatsen allerbedenkelijkst maakt is een bepaling, dat het recht verdubbeld wordt, indien vrouwen in de “saloons” worden toegelaten. Ik heb een paar van die plaatsen bezocht. In hun werkpakje zaten dáár Amerikanen, Mexicanen, Indianen, Chineezen hun zuur verdiend loon te verdobbelen. En precies als te Monte Carlo zat men berekeningen te maken, van het nummer van het draaibord waarop de prijs een volgenden keer “moest” vallen. Het ging hier natuurlijk slechts om kleine sommen; zilverstukken van 10 en 25 cents waren de voornaamste inzet. Maar ik zag ook een jongen Amerikaan, die drie maanden in de bosschen werkzaam was geweest aan den houthak en honderdvijftig dollar had bespaard, dit sommetje in twee uren tijds verliezen met inzetten van één tot vijf dollar. En welke tooneelen men daaromheen ziet in de “saloons” waar het verhoogde recht betaald werd om ook vrouwen te kunnen toelaten, kan men zich voorstellen, wanneer men die combinatie elders, vooral in Fransche badplaatsen, wel eens heeft waargenomen.
Ik kan van dit onderwerp niet afstappen zonder de hoop uit te spreken, dat de centrale regeering vanAmerika spoedig tusschenbeide kome, om een einde te maken aan een toestand die dit groote land tot schande is.
Van de gelegenheid om een Amerikaanschen zaagmolen te zien maakte ik hier gretig gebruik, omdat ik van de groote besparing van arbeidskrachten, en het vlug omzetten van boomen in planken zooveel had gehoord. En inderdaad, de Amerikanen verrichten wonderen met hun machines. De zaagmolen was aan het spoor gelegen, en de boomstammen werden uit het ver afgelegen bosch aan een berg-helling vervoerd per water, d.w.z. over een afstand van vele kilometers was een houten bak op stutten gemaakt, van ongeveer een meter breed en een halven meter diep. Een bergstroom liet men op een hoog punt in dien bak loopen en door het aangebrachte verval stroomde dat water vrij vlug omlaag. De boomstammen werden daarin geworpen en bereikten het eindpunt met een snelheid van 15 kilometer per uur. Op één plaats zag ik zoo’n toestel, primitief in elkaar gezet, ter lengte van 105 kilometer—de afstand van Amsterdam naar Arnhem—en aan het eind van den afgelegden weg werd het water aangewend voor irrigatie van den grond.
Te Flagstaff, (Arizona) waar ik den zaagmolen bezichtigde, eindigde de kunstmatige beek, zooals ik zoo’n bak zou willen noemen, op tamelijk grooten afstand van de fabriek, omdat er geen verval van water meerte krijgen was. De stammen, alle van dezelfde lengte—daarop worden ze reeds gemaakt bij ’t vellen—werden aan het eindpunt op platte spoorwagens vervoerd naar de fabriek. En hier begon de bewerking. In den zaagmolen waren niet meer dan 5 mannen werkzaam om de boomstammen, die aan den eenen kant binnenkwamen, zoodanig te plaatsen dat zij op bepaalde dikte gezaagd worden en daarna als planken, gesorteerd naar breedte en lengte, op hun plaats aan den anderen kant den molen verlieten. De rest deden de verschillende werktuigen. In den tijd van 20 minuten zag ik 10 boomen van vier en een halven meter lang en bijna één meter middellijn in planken omzetten, dat was gemiddeld twee minuten voor iederen boom. Hoe die vijf mannen den drukken, inspannenden arbeid van den ochtend tot den avond kunnen volhouden is mij een raadsel. Er wordt namelijk in die fabriek 10 uren daags gewerkt. Van 7–12 en van 1–6 en als het druk is nog van 7–9½, waarvoor dan ¼ van het loon extra wordt betaald. Dus geen verhoogd loon voor de over-uren. Van pensioen, ziekengeld of uitkeering bij ongeval is geen sprake. Was er geen werk (tijdelijk in den winter) dan volgde onmiddellijk ontslag. Deze toestand is geen uitzondering, maar regel voor den arbeid in Westelijk-Amerika. Wat de loonen betreft, die waren er vrij hoog. De meesterknecht genoot vijf dollar per dag; de overigen de helft of iets daarboven, terwijl het leven in diekleine stad niet duur kon genoemd worden. Bieden de bosschen in Arizona een rijke bron van inkomsten, nog meer is dit het geval met de mijnen. Onder deze munten uit de kopermijnen van Mr.W. A. Clark, een van de Amerikaansche milliardairs. Mij werd verzekerd, dat hij alleen uit de mijnen van Arizona een jaarlijksche winst maakte van tien millioen dollar. En nu overtrof de productie zijner mijnen in Montana nog die van Arizona. Van eene zijde die geen twijfel toelaat, vernam ik dat in de gezamenlijke mijnen van dezen groot-industrieel, ruim twee derde werd voortgebracht van al het koper, dat jaarlijks in de wereld wordt geproduceerd. Ook hier, bij de mijnwerkers, bestaat er tusschen werkgever en arbeider niet de minste band. De eerste betaalt een vrij hoog loon en bemoeit zich voor ’t overige met zijn werklieden niet. Dat dezen aan de onderneming zich niet gehecht gevoelen, spreekt van zelf. Verbetering in dezen toestand is alleen te verwachten van een nauwe aaneensluiting der werklieden in vakvereenigingen. Daarvan zijn velen onder hen reeds doordrongen, doch de meerderheid begrijpt blijkbaar nog niet, dat verbetering van eigen lot, alleen verkrijgbaar is door organisatie en coöperatie. Ik spreek ter loops slechts over een derde bron van rijkdom in beide staten: de vee-fokkerij. Niet op den voet zooals bij ons, maar uitsluitend tot het fokken van jonge stieren, die enkele jaren de prairie worden ingejaagd, dáár hun voedsel zoeken omdan bij honderdtallen naar de slachtbank te worden gevoerd. Hier zijn vee-fokkers, die het aantal hunner ronddwalende stieren bij benadering slechts kennen. Het bedraagt soms duizenden. Zij worden voor het grazen binnen zekere grenzen gehouden door decow-boys, te paard gezeten jonge mannen, die dagen achtereen in de prairie vertoeven om afgedwaalde stieren weer op den rechten weg te brengen. In zijn kleurig buis en leeren broekspijpen met franjes van boven tot onder, zijn zware sporen naar Spaansch model, zijn grijze flambard en losjes geknoopte roode das, ziet hij er schilderachtig uit, wanneer men hem uit den spoorwagen door de prairie ziet rennen op ongebaande wegen, met een vaart bijna gelijk aan die van den trein. Aan den knop van ’t zadel hangt de lazzo en ieder der beide achterzakken van zijn pantalon herbergt een revolver.
In het schieten met dit laatste wapen oefent hij zich gedurende den tijd dat hij niet achter de stieren rent en de meesten brengen het zoover, dat zij op 40 pas afstand een mikpunt van drie centimeter middellijn nooit missen.
Ruw, kortaf en twistziek, ziedaar eenige minder aangename eigenschappen van den cow-boy; daarentegen is hij ridderlijk tegenover vrouwen en kent zijne goedhartigheid tegenover lijdenden geen grens. Daarover zijn veleinteressanteverhalen in omloop. Zoolang de whiskey nog in de kan is, valt er met den cow-boyte praten; is zij in den man dan blijve men voorzichtigheidshalve op een afstand. In de genoemde landen is het geen zeldzaamheid dat de revolver als argumenteerende kracht wordt aangewend.
Laat het sociale leven in Arizona te wenschen over, niet aldus is het gesteld met de natuur. Deze heeft hier wonderen verricht, zooals men ze nergens in de wereld, en zóó dicht bij elkaar, te aanschouwen krijgt.
Men spoort van het station Williams in een paar uur naar degrand canyon1of Arizonaen honderd pas van het station staat men voor een afgrond, die—behalve door zijn uitgebreidheid en diepte—een wonder van kleurenpracht en grillige vormen te aanschouwen geeft; een pracht die geen pen in staat is te beschrijven. In de diepte stroomt de Colorado-rivier, doch men kan haar daarboven ternauwernood zien, daar die diepte 1800 meter bedraagt. Eerst wanneer men afdaalt langs een pad dat ruim 10 kilometer lang is—een weg die gewoonlijk op een paard of muilezel wordt afgelegd—krijgt men menig denkbeeld van deze meer dan 100 meter breede rivier en van de ontzaglijke rotsblokken die de wanden van dezen afgrond vormen. De schitterende kleurenpracht, telkens varieerende wanneer de zon haar licht op een ander deel der uitstekende punten en gedrochtelijke vormen doet schijnen, doet het oog in stille bewondering op dit ontzettend grootsche natuurtafereel staren. Eindelijkna lang staren, zoekt het oog een grens, maar deze is niet te vinden. Althans niet in de lengte. Deze scheur in de aarde is, langs de rivier gemeten, driehonderdvijftig kilometer lang (meer dan 3 maal de afstand van Amsterdam naar Arnhem!) en twintig kilometer breed (van Amsterdam tot Haarlem). Voor zoover mij bekend, bestaat er geen ander natuurtafereel van dien aard: zóó groot en zóó schoon.
Een ander natuurwonder van Arizona, al wordt men er niet zoo door getroffen als door dengrand canyon, zijn de versteende bosschen. Op geringen afstand van Holbrook vindt men boomen, een geheel bosch vormende, uit vóórhistorischen tijd. Zij zijn òf verglaasd, òf versteend, òf verkalkt en bieden nu, als de zon er op schijnt, een heerlijk kleureffect. Zelfs zuivere kristallen zijn er bij. Er zijn er ook onder die het prachtigste agaat leveren. De boomen zijn soms 70 meter lang en liggen half bedolven in het zand, half bloot. Sommige boomen zijn geheel gaaf gebleven met alle takken eraan, gelijkende op een boom van agaatsteen. Vóór eeuwen hebben wervelwinden, die het zand opzweepten en in groote massa’s verplaatsten, deze boomen, naar men vermoedt, bloot gelegd. Doch de boomen zelven zijn dáár niet gegroeid. In vóórhistorischen tijd moet de grond aldaar de bodem van een zee geweest zijn en werden de boomen wellicht, ontelbare eeuwen geleden, door een ontzettende natuurkracht ontworteld en naar de plaats gespoeld, waarzij nu in zoo groot aantal gevonden worden. M.a.w., men weet er niets van hoe die boomen dáár zijn gekomen en op welke wijze zij de versteende en verglaasde lichamen zijn geworden, die nu met hun kleurenpracht ons oog bekooren.
Een ander wonder, op grooter afstand van de spoor doch door een heerlijke natuur per rijtuig in één dag te bereiken is denatuurlijkebrug, waardoor de beide zijden van een bergkloof, 165 meter wijd (zonder rustpunt) ruim 200 meter boven een vervaarlijken bergstroom, verbonden worden.
Maar wat zeker voor velen het meest interessante van de reis is, het zijn decliff-dwellings, woningen van een menschenras dat sedert lang van het aardrijk is verdwenen en van wier vroeger bestaan slechts zeer zeldzaam de sporen worden gevonden. Er zijn namelijk enkele skeletten opgedolven, waaruit blijkt dat het een klein soort menschen moet geweest zijn. Wat evenwel zeer opmerkelijk is, dat is dat hun wijze van behandeling der lijken geheel overeenkwam met die der oude Egyptenaren. De gevonden skeletten waren geheel omwikkeld door windselen van grof linnen.
De woningen dezer menschen zijn op sommige plaatsen in de rotsen nog gaaf aanwezig. Ze zijn gebouwd in overhangende rotsspleten, een paar honderd meter of meer boven den beganen weg, soms boven steile afgronden. De bewoners hebben waarschijnlijk indertijd hun woning van boven af bereikt maar moetendaarvoor een talent van klimmen en klauteren bezeten hebben, zooals bij tegenwoordig levende menschen niet wordt gevonden. En dáár, in de nabijheid dezer vóór-historische woningen, vindt men nu nog oude stammen van Indianen wonen, heele dorpen met eigen wetgeving en eigen bestuur, vast houdende aan traditiën, door vele eeuwen heen tot hen gekomen.
Die stammen zijn aan het uitsterven, en zullen waarschijnlijk over weinige eeuwen verdwenen zijn, evenals de cliff-bewoners van weleer. Niet weken maar maanden zou men in dit merkwaardig deel van Amerika willen vertoeven, om de wonderen der natuur gade te slaan en in het verleden trachten door te dringen door bestudeering, van wat daar nu nog gevonden wordt.
Hoe geheel anders wordt de omgeving als de trein ons brengt in Chicago, met zijn twee millioen inwoners, saamgesteld uit de emigranten van bijna alle natiën der wereld.
Hier vindt men, als in Londen, den grootsten rijkdom naast de diepste armoede. Hier worden zaken gedaan, niet anders dan zaken. De concurrentie heeft de grootst mogelijke inspanning gevorderd, zelfs van de meest energieken onder deze business-men. Met ’t gevolg dat allen voortrennen in zenuwachtige haast, uit vrees van achterhaald te worden door iemand, die nog vlugger, nog intenser weet zaken te doen. Welke reusachtige ondernemingen aan dit inspannend werken het aanzijn danken, kon ik ervaren bij eenbezoek aan de slachtplaats vanArmour & Co., een naam over de geheele wereld bekend door de “corned beef” en de “smoked tongue”. Men kan zich moeilijk den omvang dezer slachtersaffaire voorstellen. Er worden in den drukken tijddagelijkstienduizend varkens geslacht, vijf en twintig honderd koeien en tienduizend schapen. De concurrentie gedoogt niet dat een der onderdeelen, voor de uitoefening dezer zaak, door anderen wordt uitgeoefend. De firma doet alles zelf. Voor het maken der blikken, waarin het vleesch of het extract wordt verzonden, is een groote fabriek opgericht, waar 200 man werkzaam is. Voor de boeken, etiquetten, aanplakbiljetten en het overige benoodigde drukwerk is een drukkerij met de nieuwste machines, waar 150 man werk vinden. Om ijs te maken (voor de koelkamers), zijn machines aan ’t werk, die 2000 ton ijs per dag afleveren. Voor opwekking van stroom zijn machines van 4800 paardenkrachten aanwezig. Een groote fabriek is er voor het maken van been-zwart. Een andere voor de bereiding van het haar der varkens. Weer een andere voor het maken van lijm. Een zeepfabriek, een knoopen- en kammenfabriek (vanden horens en hoeven der koeien). Toen ik ten slotte vroeg hoeveel menschen hier werkzaam waren, vernam ik dat dit over de tienduizend bedroeg. Niet minder dan 83 telegrafisten zijn in dienst der firma en doen niet anders dan telegrammen ontvangen en verzenden voor dit huis. Een der chefs van de firma gaf mij als zijnemeening te kennen, dat de concurrentie, nog meer dan op dit oogenblik het geval is, tot centralisatie in de bedrijven zal leiden en wel het meest wegens de dringende behoefte aan afzet der producten buiten Amerika. Door de beste (nieuwste) machines steeds aan te schaffen en alle bij de onderneming betrokken bedrijven onder één beheer te brengen, konden volgens hem de Amerikanen op den duur tegen Duitschland en Engeland de concurrentie gemakkelijk volhouden. De belangrijke besparing in productie-kosten zou hen daartoe in staat stellen. Op mijn vraag, in welke verhouding hij zich voorstelde dat de werklieden zijner fabrieken op den duur tot de firma als werkgeefster zouden komen, was zijn antwoord erg onzeker. Hij was een voorstander van hooge loonen voor geschoolden arbeid; van een aandeel in de voordeelen der zaak wilde hij absoluut niets weten. Hij ontkende dat de werkman, hoe goed ook zijn vak verstaande, iets hoegenaamd bijdroeg tot het welslagen der onderneming. Alleen zij die leiding weten te geven, niet degenen die leiding noodig hadden, kunnen aanspraak maken op een aandeel in de behaalde voordeelen.
De skilled laborers ontvingen een loon van 4 tot 4½ dollar per dag. De unskilled $ 1.75.
Over de laatsten was hij slecht te spreken. Zij waren het die niet wilden werken, tenzij de werkgever een arbeid-overeenkomst met hen afsloot. De werkgevers echter wilden van onderhandelingen met menschen,die geen enkel vak verstaan, niets weten. De geschoolde arbeiders staakten alleen uit sympathie met de niet-geschoolden en het gevolg is geweest dit voorjaar, een maanden-lange staking, die ten slotte door de werklieden is verloren. Door die staking is bij de patroons, zoowel als bij de werklieden heel wat kwaad bloed gezet. Het is duidelijk dat er niet veel noodig is, om de vlam, die thans nog verre van uitgedoofd is, opnieuw te doen uitslaan!
Een sterke uiting van zenuwachtige inspanning bij het zaken doen, zag ik op de graan-beurs; zeker de grootste der wereld wat den omzet aangaat.
In één jaar wordt te Chicago drie en een half millioen lasten tarwe (meel in tarwe omgezet) aangevoerd. De elevators te Chicago kunnen een half millioen lasten graan bergen. En welke reusachtige hoeveelheden dagelijks worden omgezet op speculatie, valt natuurlijk niet te schatten. De geheele wereld speculeert te Chicago. Onder oorverdoovend geschreeuw en door het geven van teekenen met de hand en de vingers, worden in één minuut soms duizenden lasten verhandeld. Hoe de drie honderd makelaars in tarwe die hier de orders tot koop en verkoop uitvoeren, wijs worden uit elkanders gegil en handgebaar, is voor een buitenstander niet te begrijpen. En toch, zoo verzekerde mij een man van ’t vak, komen geschillen hoogst zelden voor.
Toen ik weinige dagen daarna langs den Hudson-rivierspoorde en bedacht dat slechts 3 eeuwen geleden (1609) Hudson in dienst der Nederlandsche Oost-Indische Compagnie die groote rivier met haar prachtige oevers ontdekte, raakte ik onwillekeurig aan ’t mijmeren over het verleden en het heden van dit land en van het onze. Het kleine Nederland, destijds het ondernemendste, het energiekste volk der aarde... en in Amerika, althans in de noordelijke Staten, toen nog geen wit mensch te bekennen.
En nu, na 300 jaren?
C. V. Gerritsen.
1Van het Spaansche woordcañon= bergkloof.
1Van het Spaansche woordcañon= bergkloof.