III.Drijvende.Men weet thans hoe op den ochtend van den 27steOctober de toestand van onze schipbreukelingen was. Alle kans dat het nog goed met hen af kon loopen, scheen verloren; zij konden zich niet vleien met de flauwste hoop. Eenmaal aan het drijven in de Behringstraat, hadden zij alleen door den zuidelijken stroom naar binnen gezet en op de aziatische kust gevoerd kunnen worden. Maar de stroom naar het Noorden had hen in zijne ijzeren vuist en sleepte hen de Straat uit.Hoe moest het met het groote brok ijs, waarop zij zich bevonden, in de IJszee gaan? Het kon smelten en in stukken breken; het kon ook heel blijven. Zou het in dat geval aan het eene of andere strand in de Poolzee terecht komen? De wind was nu naar het Oosten gedraaid. Zou die hen nog eenige honderden mijlen verder doen drijven, om hen ten laatste misschien te doen stranden op de klippen die Spitsbergen of Nova-Zembla omringen? Gebeurde dit, welke ontzettende vermoeienissen stonden hen dan niet te wachten, en bestond er wel eenige kans om weder van die eilanden af en op den vasten wal te komen?Over al deze gebeurlijkheden peinsde Sergius, en terwijl hij onafgebroken den blik gevestigd hield op den in nevelen gehulden gezichteinder, praatte hij er over met Cascabel en Jan.—Wij mogen ons niet ontveinzen, zeide hij, dat wij van gevarenomringd zijn. Ieder oogenblik kan deze schots in stukken breken, en gelegenheid om er af te komen hebben wij niet.—Is dat het ergste wat ons op het oogenblik gebeuren kan? vroeg Cascabel.—Voor zoover ik er over oordeelen kan, ja, antwoordde Sergius. Begint het eenmaal weder te vriezen, dan wordt het gevaar minder en kan het eindelijk geheel verdwijnen. In dezen tijd van het jaar en op de breedte waar wij ons bevinden, is het ondenkbaar dat het zachte weder, wat wij nu hebben, langer dan enkele dagen aanhoudt.—Dat houd ik er ook voor, mijnheer Sergius, zeide Jan. Aangenomen echter dat de ijsschots heel blijft, waar drijven wij dan heen?—Het zou mij verwonderen als dat heel ver was en als wij niet betrekkelijk spoedig aan een grooter ijsveld vastgevroren raakten. Ligt de zee eenmaal weder voorgoed dicht, dan moeten wij beproeven naar het vasteland terug te keeren en onze voorgenomen reis hervatten.—Maar hoe moeten wij dat aanleggen, nu wij geen paarden meer hebben? riep Cascabel uit. Mijne arme beesten, dat ik die zoo moest kwijt raken! Mijnheer Sergius, die brave dieren waren vrienden van ons en nu zijn ze door mijne schuld......Cascabel kon niet verder spreken; de smart overmande hem. Hij verweet zich dat hij deze ramp op zijn geweten had. Wat was dat ook voor een onzinnig plan, met een wagen en een span paarden een stuk zee over te steken! Het verdriet over zijn verlies maakte dat hij niet eens dacht aan al de zwarigheid, welke er het gevolg van wezen kon.—Het is zeker een onherstelbare ramp, dat ons dit onder deze omstandigheden overkomen is, stemde Sergius toe. Wij mannen kunnen misschien de vermoeienissen en ontberingen, welke ons te wachten staan, nog uithouden, maar de vrouwen die wij bij ons hebben, moeder Cascabel, Kayette, Napoleona, kinderen als zij zijn, wat moeten wij met haar beginnen als wij deSchoone Zwerfsterin den steek laten.....—Wat zegt ge? In den steek laten?—Dat zal wel moeten, vader, zeide Jan.—Helaas, zuchtte Cascabel, terwijl hij wanhopig zijne handen ten hemel hief, ik zie nu hoe roekeloos ik geweest ben met deze reis te ondernemen! Dit was zeker de manier niet om naar Europa terugtekeeren.—Toch moet gij den moed niet verliezen, mijn vriend, trachtteSergius hem te troosten. Het gevaar onder de oogen te zien zonder er ons vrees door aan te laten jagen, is de beste weg om er aan te ontkomen.—Komaan vader, hernam Jan, gedane zaken nemen geen keer, wat wij gedaan hebben is met ons aller goedvinden geschied. Geef uzelven dus de schuld niet dat gij meer gewaagd hebt dan gij wagen mocht en toon dat gij nog dezelfde man zijt als vroeger.Maar al deze redenen baatten niets. Cascabel was door het ongeluk overmand. Zijn zelfvertrouwen, de wijsgeerige kalmte waarmede hij gewoon was de wereldsche dingen optenemen, het was alles verdwenen.Intusschen deed Sergius zijn best om te weten te komen in welke richting de stroom hen voortdreef. Alle middelen die hij tot zijne beschikking had, gebruikte hij; met behulp van het kompas trachtte hij, door sommige vaste punten, die hij meende te onderscheiden, hunne vaart te bepalen. De weinige uren dat het een weinig licht was, besteedde hij met deze waarnemingen.Gemakkelijk ging dit niet, want alles wat hij als een vast punt gebruiken wilde, veranderde onophoudelijk van plaats. Buiten de Behringstraat scheen de zee over eene groote uitgestrektheid open te liggen. Het bleek nu duidelijk dat bij de ongewoon lage temperatuur het ijsveld nog in het geheel niet over zijne volle breedte vastgevroren was geweest. Het had alleen gedurende eenige dagen zoo geschenen, toen de menigte losse stukken ijs, die door de twee tegen elkander inloopende stroomen uit het Noorden en uit het Zuiden in de nauwe zeeëngte gedreven waren, tegen elkaar geklemd en vastgeraakt waren.Na een aantal waarnemingen gedaan en de eene met de andere vergeleken te hebben, meende Sergius tot de gevolgtrekking te moeten komen dat hun koers sterk naar het noordwesten was afgeweken. Dit was zeker gekomen door dat de stroom in de Behringstraat eerst naar de Siberische kust geloopen was, dáár den stroom, die van Kamschatka kwam, teruggedrongen en vervolgens uit de Straat komende eene groote bocht gemaakt had, waarvan de Poolcirkel ongeveer het einde moest wezen.Ook bleek nu dat de wind, die nog altijd de kracht van eenen storm had, geheel naar het zuidoosten gedraaid was. Een tijdlang was hij Zuid geweest, maar dat was gekomen doordien de kust hem van richting had doen veranderen. In volle zee was hij weder naar den vorigen hoek teruggeloopen.Zoodra Sergius zich hiervan overtuigd had, bracht hij Cascabel op de hoogte en hij voegde er bij dat dit, onder de omstandighedenwaarin zij verkeerden, het gelukkigste was wat hun overkomen kon. Dit goede nieuws monterde den terneergeslagen man weder wat op.—Ja, zeide hij, het is zeker het beste dat wij den kant uitdrijven waar wij toch heen willen. Maar wat een omweg, goede hemel, wat een omweg!De schipbreukelingen gingen nu aan het werk om alles zoo goed mogelijk interichten voor het geval dat zij nog eenigen tijd op hun drijvend eiland moesten doorbrengen. Het eerste waar zij het over eens waren, was dat zij weder eene schuilplaats moesten zoeken in deSchoone Zwerfsterdie, nu zij voor den storm wegdreef, minder gevaar liep van omver te slaan.Cornelia, Kayette en Napoleona konden zich dus weder met het fornuis bezig houden, waar in een etmaal hoegenaamd geen gelegenheid voor geweest was. Het duurde niet lang of het eten was gereed, allen gingen aantafel, en al vlotte het gesprek zoo goed niet als anders, toch waren zij dankbaar dat zij weder eene hartsterking kregen. Sedert zij het eiland Diomedes verlaten hadden, had dit heel wat te wenschen overgelaten.Zoodoende liep de dag weder ten einde. De windvlagen kwamen nog telkens aangieren met onbeschrijfelijke felheid. Talrijke vluchten vogels, petrels, ptarmigans en andere, die met recht den naam van stormvogels dragen, vlogen over hunne hoofden.De eerstvolgende vier dagen, de 28ste, 29ste, 30ste, en 31steOctober, kwam er geen verandering. De wind bleef Oost en in de temperatuur was geen daling of rijzing merkbaar.Sergius had nauwkeurig den vorm en de grootte van hunne ijsschots bepaald. Deze had de gedaante van een onregelmatig trapezium, lang vierhonderd voet op het breedste en driehonderdvijftig op het smalste gedeelte en breed ongeveer honderd voeten. Aan de kanten werd dit ijsveld merkbaar dunner en in het midden liep het eenigszins op. Er was geen enkele scheur aan de oppervlakte te zien, maar een dof gekraak liet zich nu en dan over zijne geheele uitgestrektheid hooren. De golven die er op beukten en de windvlagen die er tegen aan botsten, hadden er, voor zoover dit op het oogenblik waartenemen viel, nog geen belangrijke schade aan toegebracht.Met de uiterste inspanning was het hun gelukt deSchoone Zwerfsternaar het midden van het ijsveld te sleepen en haar daar te bevestigen aan de touwen en palen die anders bij de kermisvertooningen gebruikt werden. Nu stond zij zoo stevig, dat er geen gevaar van omslaan meer te vreezen was.Een andere kwade kans leverde echter de aanraking met voorbijdrijvende ijsbergen op. Met ongelijke snelheid, naarmate zij door den stroom werden voortgejaagd of eene ronddraaiende beweging aannamen, kwamen die op hunne schots af, of dreef die ze voorbij. Sommige van die ijsklompen waren vijftien of twintig voet hoog en als zij die zoo zagen aankomen, was het alsof het schepen waren, die hen kwamen enteren. Van verre zagen zij ze al naderen en er was niets aan te doen, of ze tegen hunne ijsschots aanbotsen of er langs glijden zouden. Soms buitelden die ijsmassa’s plotseling onderste boven, als door de eene of andere onbekende oorzaak haar zwaartepunt verplaatst werd.Gebeurde dit, dan kwamen onze zwervers meest met den schrik vrij, maar telkens als het tot eene botsing kwam, hadden zij het ergste te vreezen. Dan kreeg hun ijsveld dikwijls zulk een schok, dat het een geluk was wanneer alles wat breekbaar was en los stond in den wagen, niet verbrijzeld werd. De kans dat hunne drijvende verblijfplaats zich in een aantal stukken zou oplossen, hing hun dus steeds boven het hoofd. Telkens als er zoo’n groote ijsklomp in het zicht kwam zochten zij allen eene schuilplaats rondom deSchoone Zwerfsteren klemden zij zich aan den wagen vast, waarbij Jan steeds de nabijheid van Kayette zocht. Het verschrikkelijkste wat hen overkomen kon, was dat hun ijsveld in verschillende stukken brak en sommigen van hen naar onderscheidene kanten werden voortgesleurd. Bovendien was het ijs minder stevig aan de randen dan in het midden, waar het verscheidene voeten dikker was.Gedurende den nacht hielden Cascabel, Sergius, Jan en Kruidnagel om beurten de wacht. Zij keken scherp uit in de dikke duisternis, te midden waarvan zij de witte reuzengevaarten als spoken voorbij zagen, glijden. Ook werd het uitzicht belemmerd door dichte nevels, die als wolkensluiers door den wind voortgezweept en door de maan, die even boven den horizont verscheen, met een grauw en geheimzinnig licht overgoten werden. Zoodra de man, die op wacht stond, onraad meende te bespeuren, maakte hij alarm en vlogen zij allen op om aftewachten wat er komen zou. Niet zelden ging de naderende ijsberg plotseling een anderen kant op en gleed hij voorbij, maar soms bonsde hij ook tegen hun ijsveld aan zoodat de touwen van deSchoone Zwerfsterafknapten en de palen uit het ijs gerukt werden. Zij mochten van geluk spreken dat er niets ergers gebeurde en dat de kille bodem, waar hun wagen opstond, niet in een aantal stukken gescheurd werd.Zoodra er onraad bespeurd werd, maakten zij alarm. (Zie bladz. 39.)Zoodra er onraad bespeurd werd, maakten zij alarm. (Zie bladz.39.)Intusschen kwam er nog maar geen verandering in de ongewoneweersgesteldheid, vroor de zee nog maar niet dicht, niettegenstaande het nu reeds in de eerste week van November was, en bleef zij hier, op enkele graden slechts beneden den poolcirkel, bevaarbaar. Zoo iets was inderdaad bijna zonder voorbeeld. Het had een geluk voor hen kunnen wezen indien de eene of andere walvischvaarder, die verhinderd was geweest de thuisreis bij tijds te aanvaarden, hen voorbij was gekomen. Dan zouden zij door fakkels, of door geweerschoten getracht hebben de aandacht der bemanning te trekken, zij hadden op het schip eene toevlucht kunnen vinden en dit zou hen in een der Amerikaansche havens, te Victoria, te San Francisco, te San Diego, of op de Siberische kust, tePetropavlovskof te Okhotsk aan land hebben kunnen zetten. Maar er kwam geen schip te zien. Zoo ver het oog reikte, niets dan her- en derwaarts drijvende ijsbergen, niets dan de oneindige, ledige zee, wier grens alleen de onbewegelijke ijsrand in het verre Noorden zijn kon!Eén geluk hadden zij, namelijk dat indien de lage temperatuur niet langer duurde dan bij mogelijkheid te veronderstellen was, en al moesten zij ook eenige weken achtereen drijvende blijven, zij geen gevaar liepen gebrek aan levensmiddelen te krijgen. In het vooruitzicht van een langen tocht te moeten maken door de onbewoonde vlakten van Siberië, waar geen gelegenheid bestond om voedsel te koopen, hadden zij een ruimen voorraad ingelegd vleesch, meel, rijst, vet en andere levensbehoeften medegenomen. Voor het voederen van de paarden behoefden zij zich, ongelukkig genoeg, niet ongerust meer te maken. Zelfs zou het de vraag geweest zijn, nu dit dooiweder tegen alle waarschijnlijkheid was ingetreden, of zij Vermout en Gladiator in het leven hadden kunnen houden, indien die arme beesten hun graf niet in de golven gevonden hadden.Van den 2dentot den 6denNovember kwam er nog geene verandering, alleen ging de wind een weinig liggen en draaide hij gaandeweg naar het Noorden. Het was niet langer dan een paar uren op den dag licht, daarna werd het weder duister en dit maakte hunnen toestand nog vreeselijker. Sergius poogde voortdurend de richting te bepalen waarin zij zich bewogen, maar dit gelukte hem slechts ten deele en dewijl zij den weg, dien zij aflegden, dus niet op de kaart konden afzetten, wisten zij ook volstrekt niet meer waar zij zich bevonden.Eindelijk kregen zij den 7deneen vast punt in het oog, waar zij ten naasten bij aan zien konden op welke plek zij waren.Des ochtends te elf uren, toen de bleeke zonnestralen den omtrek een weinig verlichtten, waren Sergius en Jan met Kayette naar het voorste gedeelte van hun ijsveld gegaan. Onder hunne bagage bevondzich een vrij goede verrekijker, waar Kruidnagel gewoon was aan de kermisgasten de Evennachtslijn in te vertoonen. Hiertoe was er over het groote glas een draad gespannen. Dan liet hij ook de menschen op de maan kijken, door middel van kleine vliegjes, die hij in de buis van den kijker liet zakken. Dien verrekijker had Jan zorgvuldig schoongemaakt en hij gebruikte hem nu om te zien of er in de verte niet iets te onderscheiden viel.Bij deze gelegenheid nam hij nauwkeurig den gezichteinder op, doch hij zag niets. Op eens wees Kayette naar het Noorden en zeide:—Kijk eens mijnheer Sergius, daar ginds meen ik iets te zien. Kan dat geen berg zijn?—Een berg? vroeg Jan. Dat geloof ik niet. Het zal wel weder een ijsberg wezen.Hij richtte zijnen verrekijker naar het punt waar het Indiaansche meisje heen wees.—Ik geloof waarlijk dat Kayette gelijk heeft, zeide hij na een oogenblik gekeken te hebben.Hij reikte den kijker aan Sergius over, die hem voor zijn oog plaatste.—Het is zoo, bevestigde deze. Het is een tamelijk hooge berg. Kayette heeft scherper oogen dan wij.Zij keken andermaal en kwamen tot de slotsom dat er op eenen afstand van vijf of zes mijlen in het Noorden land moest liggen.—Een stuk land, waar zulk een hooge berg op staat, moet nog al eenige uitgestrektheid hebben, meende Jan.—Dat houd ik er ook voor Jan, antwoordde Sergius. Wij moeten ons best doen om op de kaart te vinden wat het voor een land zijn kan, en zoo doende kunnen wij te weten komen waar wij ons bevinden.—Als ik mij niet vergis, hernam Kayette, zie ik een rookkolom uit den berg opstijgen.—Dan zou het een vuurspuwende berg moeten wezen, zeide Sergius.—Ja zeker, bevestigde Jan, na opnieuw door den kijker gezien te hebben. Ik kan duidelijk den rook onderscheiden.Het begon intusschen reeds duister te worden, zoodat zij zelfs door den kijker nauwelijks de omtrekken van den berg meer zien konden.Een uur later, toen het daglicht nagenoeg geheel verdwenen was, zagen zij echter duidelijk een vurig schijnsel in dezelfde richting, die zij terstond aangeteekend hadden door eene streep, welke zij op de sneeuw getrokken hadden.—Laat ons gaan zien of wij op de kaart iets wijzer kunnen worden, zeide Sergius.Zij keerden met hun drieën naar deSchoone Zwerfsterterug, Jan haalde zijn atlas te voorschijn, sloeg de kaart op waar het gedeelte van de ijszee ten Noorden van de Behringstraat op stond, en nu kwamen zij spoedig te weten wat zij zochten.Het was Sergius reeds gebleken dat de stroom, uit de Straat komende, eerst noordwaarts liep, en een vijftig mijlen meer naar buiten, noordwestelijk. Ook hadden zij bevonden dat hunne ijsschots eenige dagen lang in dezelfde richting als de stroom was voortgedreven. Zij moesten dus zoeken welk land er in het Noordwesten liggen kon. Een mijl of twintig van het vasteland stond er op de kaart een groot eiland geteekend, dat de aardrijkskundigen Wrangel-eiland noemen, doch waarvan de gedaante niet dan zeer onvolledig bekend is. Naar alle waarschijnlijkheid zou hunne ijsschots daar echter niet aanlanden, want de stroom sleepte hen voort in den breeden zeearm, die tusschen het eiland en de Siberische kust doorloopt.Sergius hield zich stellig overtuigd dat het land, dat zij zagen, Wrangel-eiland moest zijn. Van de zuidkust van dit eiland steken twee punten uit, kaap Hawan en kaap Thomas, en een vuurspuwende berg, die altijd in werking is en op de nieuwste kaarten aangeteekend staat, verheft zich midden op het eiland. Dit moest de vulkaan wezen die Kayette het eerst in het oog gekregen had en waarvan zij in de duisternis het vurige schijnsel onderscheidden.Nu zij dit wisten, viel het hun niet moeilijk den weg te bepalen dien de ijsschots, na de Behringstraat uitgedreven te zijn, had afgelegd. Eerst waren zij de kust rond en kaap Serdtse-Kamen rondgevoerd, vervolgens voorbij Kolioutchine-baai, het voorgebergte Wankarem en de Noordkaap, en eindelijk waren zij de Long-straat ingestevend, die Wrangel-eiland en de kust van het Tchouktchi-land van elkaar scheidt.Welken kant hun ijsveld op zou gaan nadat het door den stroom de Longstraat weder uitgedreven was, konden zij bij geen mogelijkheid vooruit weten. Sergius wist, en het maakte hem niet weinig ongerust, dat er in het Noorden geen ander land meer op de kaart vermeld staat en dat de grens der ijszee gevormd wordt door het onmetelijke ijsveld, dat nimmer losraakt en te midden waarvan de Noordpool gelegen is.De eenige kans op redding die hun scheen overteblijven, was als het veel kouder werd en de geheele zee dientengevolge dichtvroor. Het kon niet lang meer duren of dit moest gebeuren, want in gewoneomstandigheden zou het reeds sedert ettelijke weken geschied zijn. Vóór dat zij aan den rand van het vaste ijsveld gekomen waren zou hunne schots dan tot stilstand komen, en over de achter hen gevormde ijsvlakte zouden zij in zuidelijke richting moeten trachten het vasteland weder te bereiken. Dit zou echter niet anders te doen zijn dan door deSchoone Zwerfsterin den steek te laten, en het was bijna iets onmogelijks, zonder eenig onderkomen, dien langen tocht over het ijs afteleggen.De wind bleef immer Oost, maar ofschoon het geen storm meer was, woei het nog hard. Door de windvlagen opgezweept, kwamen aanhoudend de woeste golven op hun ijsveld breken, zoodat de buitenste rand voortdurend een weinig afbrokkelde. Dit had echter niet veel te beteekenen, maar het zeewater, stuitende op het ijs, vloog er overheen en overdekte het, even als de golven over het dek van een lenzend schip vliegen. Dit ging met zulke schokken gepaard dat het ijsveld tot op het dikste gedeelte er van dreunde en kraakte, en het telkens scheen alsof het in stukken zou breken. Die stortzeeën kwamen tot in de onmiddellijke nabijheid van deSchoone Zwerfsteren dreigden den wagen, met alles wat er zich in of bij bevond, voort te sleuren.Om dit te voorkomen moesten er weder voorzorgen genomen worden. Sergius gaf het denkbeeld aan de hand om de sneeuw, die sedert het begin van November in groote massa’s gevallen was, op te hoopen tot eene soort van dijk aan den achterkant van het ijsveld, waar de golven het meest van daan kwamen. Allen togen aan het werk om dit tot stand te brengen. De sneeuw werd stevig aangestampt en opgestapeld tot eene hoogte van een voet of vier vijf. Zoodoende maakten zij eenen muur van eenige voeten dikte, die eene borstwering vormde waar de golven niet overheen konden, zoodat alleen het opspattende schuim nog nu en dan den wagen overdekte. Op dezelfde manier wordt aan den achtersteven van een lenzend schip dikwijls eene nood-verschansing gemaakt om de stortzeeën af te weren.Terwijl zij aan dit werk bezig waren, gooiden Sander en Napoleona elkander dikwijls met sneeuwballen, waarbij zij Kruidnagel’s rug nog al eens tot mikpunt kozen. Voor zulk een kinderspel was het eigenlijk nu geen geschikte gelegenheid, maar Cascabel liet hen begaan, tot op zekeren dag toen een sneeuwbal, die niet goed gemikt werd, bij ongeluk op Sergius’ hoed terechtkwam.—Wie is de stommerik die dat doet? riep Cesar.—Ik heb het gedaan vader, antwoordde Napoleona heelemaal ontdaan over hare onhandigheid.Zij maakten eene borstwering, waar de golven niet overheen konden. (Zie bladz. 44.)Zij maakten eene borstwering, waar de golven niet overheen konden. (Zie bladz.44.)—Nu, dan ben jij de stommerik, zeide Cascabel. MijnheerSergius, gij moet het die ondeugende meid niet kwalijk nemen.—Wel, het komt er niets op aan, antwoordde Sergius. Laat zij het maar komen afzoenen, dan is het alsof er niets gebeurd is.Zoo geschiedde het en daarmede was het uit.Zij hadden nu eenen dijk aan den achterkant van het ijsveld opgeworpen, maar voltooiden dien vervolgens in alle richtingen, zoodat deSchoone Zwerfsteromgeven werd met eene soort van ijsdam, waardoor de wagen van alle kanten beschut stond. De wielen waren tot aan de assen in de sneeuw bedolven en voor omvallen bestond dus geen gevaar meer. Tusschen de borstwering en den wagen lieten zij een nauwe gang open, zoodat er eene kleine ruimte vrij bleef om te loopen. Het leek nu een schip, dat te midden van ijsbergen overwintert en waarvan de buitenkant door eene dikke sneeuwlaag tegen de koude en de stormvlagen beschut wordt. Zoo lang de ijsschots zelve niet begon te zinken, liepen de schipbreukelingen dus geen gevaar meer om door de golven weggesleurd te worden, en dank zij deze voorzorgen konden zij het tijdstip afwachten dat de vorst weder zou intreden, hetgeen in de poolstreken toch altijd eenmaal, en dan voor geruimen tijd, gebeurt.Maar als dit oogenblik aanbrak, dan zouden zij hunne schuilplaats verlaten moeten om het land weder optezoeken. Het huis op wielen, dat zijnen bewoners in alle gewesten van de Nieuwe Wereld eene veilige woonstede geweest was, zouden zij, tusschen het ijs en de sneeuw bekneld, moeten achterlaten. Als de zomer weer aanbrak en het ijs in de poolzee begon te smelten, zou deSchoone Zwerfsterdieper en dieper in de weeke massa bedolven raken om eindelijk door de golven verzwolgen te worden!Als Cascabel hieraan begon te denken, hoe geneigd hij ook anders was om van alle dingen den goeden kant te zien, rukte hij zich de haren van wanhoop uit het hoofd en verwenschte hij het ongeluk dat hem vervolgde. Hij gaf er zichzelven de schuld van en vergat dat alles alleen het gevolg was van de schurkenstreek waardoor hij in den bergpas der Sierra Nevada van zijne spaarpenningen beroofd was. De schavuiten die dat gedaan hadden, waren verantwoordelijk voor al het kwaad dat uit hunne schelmerij voortvloeide.Het baatte niet of de moedige Cornelia haar best deed om haren man optebeuren, eerst door vriendelijke woorden en later door hem hard toetespreken, in de hoop dat hij, door zich driftig te maken, zijne oude geestkracht terug zou krijgen. Het hielp niet of zijne kinderen en zelfs Kruidnagel hem zeiden dat zij even goed als hij verantwoordelijk waren voor hetgeen zij gezamenlijk besloten engedaan hadden. De reis was immers, zeiden zij, ondernomen, met aller goedvinden. Ook Sergius en Kayette, het “kwakkeltje” zooals Cascabel haar bleef noemen, voegden zich bij de anderen om hem moed in te spreken. Hij wilde naar geen rede luisteren.—Zijt ge dan geen man meer? vroeg Cornelia hem op zekeren dag, waarbij zij hem bij den arm greep en terdege heen en weer schudde.—Zeker ben ik niet zooveel mans als jij, antwoordde Cesar mismoedig en schoof weer in zijnen hoek, waar deze ontboezeming zijner wederhelft hem uit te voorschijn gehaald had.De waarheid was echter dat moeder Cascabel even weinig op haar gemak was als haar man; maar zij begreep beter dan iemand anders hoe noodzakelijk het was het hoofd van het gezin, die altijd zoo blijmoedig den tegenspoed weerstaan had, uit zijne neerslachtigheid optewekken.Sergius begon zich langzamerhand ook ongerust te maken over het proviand. Zij moesten niet alleen te eten hebben tot op het oogenblik dat zij hunnen tocht over de ijsvlakte zouden aanvangen, maar ook tot op den dag dat de karavaan op de Siberische kust kon aanlanden. Op de jacht viel in het geheel niet te rekenen, want de zeevogels, die te midden der ondoordringbare nevels nog over hunne hoofden vlogen, werden hoe langer hoe zeldzamer. Het werd dus noodzakelijk geacht allen op rantsoen te stellen, teneinde op den langdurigen tocht, dien zij nog te doen konden hebben, voorbereid te wezen.Onder deze omstandigheden kwam de ijsschots, waarop zij dreven, altijd door den stroom voortgesleept wordende, op de hoogte van de Ayo-eilanden, die tegenover de noordkust van Azië gelegen zijn.IV.Van den 16dennovember tot den 2dendecember.Alleen op grond van eene gissing, geloofde Sergius deze eilandengroep te onderkennen. In verband met zijne waarnemingen, had hij zijn best gedaan om te berekenen hoeveel zij afdreven, hetgeen gemiddeld ongeveer vijftien mijlen in het etmaal wezen kon.De Ayo-archipel, dien zij echter niet in het gezicht kregen, ligt volgens de kaart op 150° lengte en 75° breedte en derhalve op ongeveer honderd mijlen afstands van de kust.Sergius vergiste zich in zijne berekening niet. Den 16denNovember kwam het ijsveld zuidelijk van deze eilandengroep, maar op welk eenen afstand wist hij niet te bepalen. Al had hij de instrumenten tot zijne beschikking gehad die op zee gebruikt worden om de vaart van schepen op de kaart af te zetten, had hij daarmede toch nog niets kunnen aanvangen, want de zon vertoonde zich slechts gedurende enkele minuten tusschen de nevelen die de kim bedekten. Daarop kon dus geene lengte- of breedtebepaling gedaan worden. Zij waren nu voorgoed in den nimmer eindigenden nacht der poollanden gekomen.Het weder bleef even onaangenaam, al begon het ook langzamerhand kouder te worden. Het kwik in de thermometerbuis schommelde een weinig boven het vriespunt op en neer. Dit was nog lang niet voldoende om de ijsklompen, die op den zeespiegel drijvende waren, aan elkander te doen vriezen. Nog altijd ontmoettehunne ijsschots dus nog geen hinderpaal op haren zwerftocht over den oceaan.Alleen vertoonden er zich tusschen de inkepingen aan den rand der schots van die ijsvliezen, welke baai-ijs genoemd worden door de strandbewoners, die daarin een voorteeken zien van de in aantocht zijnde harde vorst. Sergius en Jan gaven nauwkeurig acht op dit verschijnsel, dat binnen korter of langer tijd de geheele oppervlakte der zee met eene dunne ijslaag overdekken moest. Kwam het zoo ver, dan zou het ijs-seizoen voorgoed zijn ingetreden en kwam er ook, als men het zoo noemen wil, eene verandering “ten goede” in den toestand onzer schipbreukelingen. Zij verlangden er ten minste naar.In de tweede helft van November sneeuwde het bijna aanhoudend en met dichte vlokken, die door den wind bijna evenwijdig met de zee voortgedreven, in dichte hoopen zich opstapelden tegen en op den rondom deSchoone Zwerfsteropgeworpen muur. Deze werd dientengevolge aanmerkelijk hooger.Dit leverde echter geen bezwaar op en zelfs gaf het eene betere beschutting voor de koude, wat een niet te versmaden voorrecht was. Cornelia kon nu zuiniger met hare brandstoffen omgaan en die alleen gebruiken om te koken. Zij had hier al meermalen ernstig over nagedacht, want wat zouden zij moeten beginnen als hun voorraad opraakte?Gelukkig ondervonden zij binnen den reiswagen nog weinig last van koude, want de thermometer bleef daar een graad of drie, vier boven het vriespunt. Naarmate deSchoone Zwerfstermeer onder de sneeuw bedolven raakte, werd het binnen zelfs warmer. Wat zij dus nu te vreezen hadden was niet de koude, maar veeleer gebrek aan lucht, wanneer alle openingen verstopt mochten raken.Teneinde dit te voorkomen, moest de sneeuw gedeeltelijk weggeruimd worden en van dezen vermoeienden arbeid kregen zij allen weder hunne portie.Zij begonnen met de gang vrij te maken die binnen de borstwering rondom den wagen opengehouden was, vervolgens maakten zij eenen uitgang door den muur naar buiten, waarbij zorg gedragen werd dat deze naar het Westen zich opende zoodat de sneeuw, die met den oostenwind werd aangevoerd, het gat niet weder dicht kon maken.Indien zij echter meenden dit gevaar te boven te zijn, rekenden zij buiten den waard. Dit zou spoedig daarna blijken.De schipbreukelingen verlieten nu evenmin gedurende den dag als bij nacht de kamertjes in den wagen, waar zij veilig beschut zaten tegen den wind zoowel als tegen de koude, die buiten langzamerhandvinniger begon te worden, Sergius en Jan deden hunne waarnemingen op de weinige oogenblikken waarin de zwakke zonnestralen de omgeving eenigszins verhelderden. Tot het tijdstip van den zonnestilstand, op den 21stenDecember, zou de zon nog steeds lager boven de kim zich verheffen. Voortdurend zagen zij te vergeefs uit naar den een of anderen walvischvaarder, die zij hoopten dat hier mocht overwinteren, of die in de nabijheid van de Behringstraat eene schuilplaats kwam zoeken. Iederen dag vonden zij zich opnieuw teleurgesteld in de hoop dat hunne ijsschots eindelijk vast zou raken aan een grooter ijsveld, waarover zij den vasten wal van Siberië konden bereiken. Mistroostig gingen zij, als hunne waarnemingen afgeloopen waren, naar binnen en poogden zij op de kaart de richting aftezetten waarheen zij gevoerd waren.Wij hebben reeds opgemerkt dat Sergius en Jan op de jacht geen enkel stuk eetbaar wild meester hadden kunnen worden, van het oogenblik af dat zij Port-Clarence verlaten hadden. Cornelia zou niets hebben kunnen aanvangen met zeevogels, die door hun traanachtigen smaak oneetbaar zijn en door geene kookkunst smakelijk zijn te maken. Ptarmigans en petrels zijn geen schot kruit waard en Jan begreep wijselijk dat hij zijnen voorraad beter kon gebruiken dan het op deze onsmakelijke beesten te verschieten.Zoo dikwijls hij echter buiten den wagen noodig had, nam hij, uit gewoonte, zijn geweer mede. Op den middag van den 26stenNovember vond hij werkelijk gelegenheid het te gebruiken. Buiten den wagen hoorden zij een schot vallen en bijna op hetzelfde oogenblik riep Jan met luider stem om hulp.Dit was iets heel ongewoons en zelfs eene reden tot ongerustheid. Zonder dralen snelden Cascabel, Sander, Kruidnagel en Sergius, door de honden gevolgd, naar buiten.—Hierheen, hierheen! riep Jan.Al roepende liep hij heen en weder, als of hij wilde beletten dat zijne prooi hem ontsnapte.—Wat is er gaande? vroeg Cascabel.—Ik heb een rob aangeschoten en als wij niet oppassen ontsnapt hij ons en zwemt weg.Het was een groot dier, dat Jan in de borst getroffen had. Het bloed stroomde uit de wonde over de sneeuw. Als Sergius en de anderen niet waren komen opdagen, zou de rob zeker ontglipt zijn. Kruidnagel ging het beest dapper te lijf, dat met eenen slag van zijn staart Sander reeds onderste boven had doen tuimelen. Niet zonder moeite hielden zij het in bedwang en Jan verbrijzelde het met eenen kolfslag de hersenpan.Voor de algemeene tafel in deSchoone Zwerfsterhad dit gerecht niet veel waarde, maar Wagram en Marengo konden zich geruimen tijd aan het vleesch te goed doen. Hadden de twee honden kunnen spreken, dan zouden zij Jan zeker bedankt hebben voor de tractatie die hij hen bezorgde.—Hoe of het eigenlijk komt dat beesten niet praten kunnen? vroeg Cascabel bij deze gelegenheid, toen zij allen weder bij het keukenfornuis gezeten waren.—Dat komt eenvoudig hier vandaan, antwoordde Sergius, dat zij geen verstand genoeg hebben om te spreken.—Gelooft gij dan, zeide Jan, dat de gave van te kunnen spreken het gevolg is van eene zekere hoeveelheid verstand?—Zonder eenigen twijfel, althans bij de hoogere dieren. Een hond, bij voorbeeld, heeft eene keel die juist zoo gevormd is als de keel van een mensch en hij zou even goed kunnen praten als deze. Dat hij het niet doet is alleen het gevolg hiervan, dat zijn denkvermogen niet genoeg ontwikkeld is om zijne gedachten in woorden uittedrukken.Deze bewering van Sergius is niet boven twijfel verheven, maar er zijn toch geleerden die hetzelfde volhouden.Wij mogen niet onvermeld laten dat Cascabel langzamerhand tot andere gedachten begon te komen. Wel bleef hij zich nog altijd verantwoordelijk voelen over den toestand waarin zij geraakt waren, maar zijne aangeboren kloekmoedigheid kreeg toch weder de overhand. Hij was zoo gewoon geraakt zich door alle moeilijkheden heen te slaan, dat hij aan geen onherstelbaren tegenspoed meer gelooven kon; zijn geluksster, meende hij, was slechts voor een korten tijd ondergegaan. Hier kwam bij dat geen der leden van zijn gezin tot dusver van de doorgestane ontberingen en vermoeienissen eenig lichamelijk letsel ondervonden had. Het grootste gevaar was hierin gelegen, dat als er niet spoedig verbetering kwam, hunne opgewektheid en hun moed misschien verloren zouden gaan.Teneinde dit te voorkomen, deed Sergius alles wat hij kon om zijne reisgenooten bezig te houden. Gedurende de vele uren waarin zij niets te doen hadden en bij het lamplicht rond de tafel gezeten waren, vertelde hij hen zijne reisavonturen op zijne tochten in Europa en Amerika. Jan en Kayette luisterden altijd met de meeste aandacht en leerden veel van hem, want Sergius wist op elke vraag een leerzaam antwoord te geven. Door de vele ervaring welke hij had opgedaan, kwam hij altijd tot deze slotsom:—Gij ziet dus mijne vrienden, dat wij geene reden hebben om den moed op te geven. Het stuk ijs waar wij ons op bevinden isstevig genoeg en nu het weer gaat vriezen, bestaat er geen gevaar meer dat het stuk zal gaan. Bovendien is het een geluk dat wij juist den kant opdrijven waar wij heen moeten en wij leggen dus dit gedeelte van onzen tocht afzonder ons te vermoeien, even alsof wij op een schip waren. Wij moeten maar geduld hebben; ten laatste komen wij zeker in eene goede haven terecht.—Wel, ik geloof dat niemand van ons daar aan twijfelt, antwoordde Cascabel, die zijne goede luim geheel terug gekregen had. Ik zou hier wel eens iemand willen zien die den moed opgeeft. Wie dat durft te doen zonder dat ik er het voorbeeld van geef, zet ik op water en brood.—Wij hebben niet eens brood, merkte Sander op.—Nu, dan op scheepsbeschuit en water. Bovendien krijgt hij geen uitgangkaartje als hij uit den wagen gaat.—Mooi praten! zeide Kruidnagel. Wij kunnen er niet uit.—Mond gehouden! Het is zooals ik gezegd heb.In de laatste week van November sneeuwde het vervaarlijk. Er vielen zulke pakken sneeuw en deze stapelden zich zoodanig op, dat niemand meer buiten kon komen en dit was oorzaak dat er bijna een groot ongeluk gebeurd was.Des ochtends van den 30stenNovember bespeurde Kruidnagel, toen hij wakker werd, dat het hem groote moeite kostte om adem te halen. Het was alsof er geen lucht meer in den wagen te krijgen was.De anderen lagen nog in hunne bedden in een diepen en benauwden slaap. Het was zoo bedompt in de vertrekjes dat Kruidnagel een gevoel had alsof hij stikken zou.Hij poogde de buitendeur open te maken om versche lucht te scheppen, maar zag er geen kans toe.—Heidaar, mijnheer Cascabel! riep hij zoo hard dat al de slapers in deSchoone Zwerfsteropschrikten.Sergius, Cascabel en de twee jongens sprongen op. Het eerste wat Jan zeide, was:—Maak de deur toch open! Ik stik hier.—Ik kan de deur niet open krijgen, antwoordde Kruidnagel.—Dan de raampjes.Dit ging evenmin, want de raampjes sloegen naar buiten op en het was niet mogelijk ze los te krijgen.In een oogenblik hadden zij met hun allen de deur uit hare hengels gelicht. Toen bleek het hoe het kwam dat zij niet open kon.De gang die zij rondom deSchoone Zwerfstervrijgelaten hadden, was geheel verstopt geraakt door de sneeuw die er zich gedurendeden nacht in opgehoopt had. Maar niet alleen de gang, ook de opening welke in den muur gemaakt was om naar buiten te kunnen komen, was door de sneeuw niet meer te vinden.—Zou de wind gedraaid zijn? vroeg Cascabel.—Dat denk ik niet, antwoordde Sergius. Als de wind West was, zou er zulk eene massa sneeuw niet gevallen zijn.—Dan moet ons ijsveld zelf omgedraaid zijn, meende Jan.—Dat houd ik voor het meest waarschijnlijk, bevestigde Sergius. Maar dat zullen wij later onderzoeken. Op het oogenblik is het zaak te zorgen dat wij niet stikken door gebrek aan lucht.Zonder langer te praten gingen Jan en Kruidnagel met eene schop en een houweel aan het werk om de gang weder open te krijgen. Dit was eene zware karrewei, want de harde en vaste sneeuw was tot boven deSchoone Zwerfsteropgestapeld, zoodat er bijna niets van den wagen meer te zien was.Zij moesten elkaar bij het werk dan ook spoedig aflossen. Er was geen ruimte om de sneeuw naar buiten te werpen en zij waren dus genoodzaakt die in het voorste vertrekje te storten, waar zij echter, tengevolge van de warmte die daar heerschte, spoedig smolt en als water weder naar buiten stroomde.Na een uur arbeids waren zij nog niet door de vaste sneeuwmassa heen. Zij kwamen dus nog niet in aanraking met de buitenlucht, konden in den wagen de lucht niet ververschen en het werd daar met iedere minuut benauwder, want de zuurstof werd hoe langer hoe minder en het koolzuur hoe langer hoe meer.Zij hijgden allen naar adem en snakten naar lucht in dezen bedorven dampkring. Kayette en Napoleona konden het nauwelijks meer uithouden, maar Cornelia had het duidelijk het ergst te kwaad. Kayette vergat zichzelve om moeder Cascabel zooveel zij kon verlichting te geven. Hadden zij maar een enkel raampje open kunnen krijgen, dan ware het voldoende geweest om een stroom van lucht binnen te laten komen, maar wij hebben reeds verteld dat dit niet kon.—Moed gehouden! riep Sergius. Wij hebben al zes voet in de sneeuw uitgegraven en heel dik kan de laag nu niet meer zijn.Dit moest inderdaad het geval wezen indien er geen sneeuw meer bij kwam. Maar zij wisten niet of het nog niet aanhoudend bleef voortsneeuwen.Cascabel kwam toen op het denkbeeld om niet langer recht vooruit, maar naar boven te graven, in welke richting de sneeuwlaag waarschijnlijk minder dik en dus ook minder vast moest wezen.Dit bleek werkelijk het geval te zijn. Het graven ging nu gemakkelijker.Zij maakten eene soort van koker en na nog een half uur arbeid, waren zij er door heen. De buitenlucht stroomde naar binnen.Het was hoog tijd. Zij hadden het niet lang meer kunnen uithouden.—Wat is dat heerlijk! riep Napoleona, terwijl zij diep ademhaalde.—Dat is nog lekkerder dan een taartje, zeide Sander likkebaardende.Het duurde echter nog eenigen tijd vóór dat Cornelia bijkwam uit de verdooving waarin zij door de benauwdheid geraakt was. Zij was bijna flauw gevallen.De opening werd nu wijder gemaakt en de mannen kropen er doorheen tot boven op den ijsmuur. Zoover het oog reikte was alles wit. DeSchoone Zwerfsterlag onder deze dikke laag geheel bedolven en was alleen nog te onderscheiden als eene vormelooze ophooging van het drijvende sneeuwveld.Met het kompas overtuigde Sergius zich dat de wind nog altijd Oost was, maar dat hunne ijsschots zich ten halve had omgekeerd, waardoor hare uiteinden in tegenovergestelde richtingwaren komente liggen. Hierdoor was het gekomen dat zoowel de gang als de opening in de borstwering door de sneeuw verstopt waren geraakt.De thermometer in de buitenlucht wees niet meer dan zes graden onder het vriespunt. De zee was geheel open, voor zoover zij er in de bijna volslagen duisternis over konden oordeelen. Men moet echter wel in het oog houden dat het ijsveld, waarschijnlijk door dat het een oogenblik in eene draaikolk gekomen was, zich omgedraaid had, maar dat het in dezelfde richting naar het Westen was blijven drijven.Na hetgeen er gebeurd was, wat zulke noodlottige gevolgen had kunnen hebben, begrepen zij dat er nieuwe voorzorgen genomen moesten worden. Sergius stelde voor om recht tegenover de bestaande opening in de borstwering er eene tweede te maken en ze beide dagelijks open te houden. Op die manier zou de buitenlucht altijd toegang hebben, onverschillig hoe de ligging van het ijsveld was.—Ik vind het best, antwoordde Cascabel. Maar dit moet ik toch zeggen dat ik nooit zoo’n gemeen land gezien heb als dit. Het is nauwelijks goed genoeg voor een walvisch. Dan is het beter in mijn Normandië.—Ik zal het niet tegenspreken, zeide Sergius. Maar wij moeten het nemen zooals het nu eenmaal is.—Jawel, mijnheer Sergius, zoo neem ik het ook, maar ik wou dat ik het alweer kwijt was!Zij maakten eene tweede opening in de borstwering. (Zie bladz. 54.)Zij maakten eene tweede opening in de borstwering. (Zie bladz.54.)Wel mocht onze brave Cascabel er over klagen! Dit was zeker niet zoo’n goed land als Normandië, maar ook niet als Zweden, als Noorwegen, als Finland zelfs, al zijn de winters daar ook nog zoo streng. Het was het onherbergzame Poolland, met zijnen nacht van vier maanden, zijne razende stormen, zijne wilde en verblindende sneeuwvlagen, zijne nimmer doorbrekende nevels, die de kim geen oogenblik vrij laten.Toch was dit alles nog maar een deel der onheilen die hen boven het hoofd konden hangen. Hield het ijsveld eenmaal op met drijven, doordat de geheele zee eene vaste vlakte geworden was, wat zou hen dan te doen staan? DeSchoone Zwerfsteraan haar lot overlaten, zonder toevluchtsoord de honderden mijlen afleggen die hen scheidden van de Siberische kust, dat was waarlijk iets waar zij nauwelijks aan denken konden. Dikwijls vroeg Sergius zich af of het nog niet beter zou zijn den winter door te brengen op dezelfde plek waar hunne ijsschots zou blijven liggen, en tot de zomer weder aanbrak eene schuilplaats te vinden onder het beschermende dak van dit huis op wielen, waarvan de wielen misschien nimmer meer zouden draaien. Als het niet anders kon, zou het zeker doenlijk geweest zijn om op deze manier den tijd der ergste koude door te komen. Maar vóór dat de temperatuur weder zachter werd, vóór dat de Poolzee begon te ontdooien, moesten zij toch de plek waar zij overwinterden verlaten en de lange ijswoestijn doortrekken, die anders weder in eene onbegaanbare zee veranderen zou.Op het oogenblik behoefde dit echter nog niet beslist te worden en onze schipbreukelingen konden gerust het laatste gedeelte van den winter afwachten. Zij moesten ook alvorens den tocht te aanvaarden, te weten zien te komen op welken afstand zij zich van het land bevonden, altijd aangenomen dat dit te berekenen was. Sergius hoopte dat het niet bijzonder ver zou zijn, want het ijsveld was onveranderlijk naar het Westen gedreven en aldus de kapen Kekournyi, Cheliagskyi en Baranof voorbij, en straat Long alsmede de Kolyma-baai doorgestevend.Jammer genoeg dat zij in de laatstgenoemde baai niet aangeland waren, want vandaar zou het hun betrekkelijk weinig moeite gekost hebben in het land der Joukaghirs te komen, en hier liggen Kabatchkova, Nyne-Kolymsk en andere bewoonde plaatsjes waar zij den winter hadden kunnen doorbrengen. Met een span rendieren hadden zij terug kunnen keeren naar de plek waar zij deSchoone Zwerfsterachterlieten, teneinde die in veilige haven te brengen. Maar het viel gemakkelijk te berekenen dat zij die baai reedsachter zich moesten hebben, in aanmerking genomen de snelheid van den stroom, en met de riviermondingen van de Tchoukotchia en de Alazeia moest hetzelfde het geval zijn. Niets kon hen nu meer tegenhouden, of het moest een van de eilanden zijn die tot den Anjou-Archipel, de Liakhoff- of de Long-groep behooren. De meeste van die eilanden zijn echter onbewoond en er zouden dus geen middelen te vinden zijn om de karavaan, met al haar toebehooren, op het vaste land terug te brengen. Toch was het aanlanden op zoo’n eiland nog te verkiezen boven het altijd verder drijven, tot waar het poolijs aan hunnen zwerftocht een einde maakte.November was nu voorbijgegaan. Negenendertig dagen was het geleden dat de familie Cascabel van Port-Clarence vertrokken was en zich op het ijs der Behringstraat gewaagd had. Ware de ijsvlakte niet losgegaan, dan zouden zij reeds vijf weken geleden te Numana den voet op vasten wal gezet hebben en dan hadden zij op dit oogenblik de winterkwartieren betrokken in een of ander dorp in zuidelijk Siberië, waar zij van den barren poolwinter niet veel hinder gehad zouden hebben.Intusschen moest het einde van hunnen zwerftocht nu weldra ophanden zijn. Het werd hoe langer hoe kouder, bestendig ging de thermometer naar beneden. Zorgvuldig achtgevende op den toestand van hun ijsveld, bevond Sergius dat dit voortdurend grooter werd door dat er zich los geraakte stukken van ijsbergen aan hechtten, waartusschen het zich eenen weg baande. Het had reeds een derde meer oppervlakte, en in den nacht van den 30stenNovember op den 1stenDecember kwam er een geweldig groot brok aan den achterkant tegenaan zitten. Dit stuk ijs lag tot op vrij groote diepte beneden den zeespiegel; de stroom had er dus meer vat op en deed het sneller voortdrijven dan hun ijsveld, waarvan het gevolg was dat dit laatste zich andermaal omdraaide en met den grooteren klomp ging mededrijven, even alsof het daardoor op sleeptouw genomen werd.Met het drogere en koudere weder was nu de lucht volkomen helder geworden. De wind was naar het noordoosten geloopen, hetgeen niet in hun nadeel was, want zij dreven zoodoende naar de kust toe. De lange nachten werden opgehelderd door den schitterenden sterrenhemel van de poolstreken en niet zelden werd de geheele omtrek verlicht door de vonkelende stralen van het noorderlicht dat zich waaiervormig aan de kim uitstrekte. Niets belemmerde dan het uitzicht, dan heel in de verte de buitenste punten van het vastzittende ijs. Op den minder donkeren achtergrond verhief deze blanke massa zich met hare spitse toppen, hare rondeheuvelruggen, hare naalden en torens, bijeengeschaard als een woud. Het was een verbazend schoon gezicht, zóoals er in deze door de natuur zoo misdeelde streken meer voorkomen en dat onze schipbreukelingen meer dan eens hun kommervollen toestand vergeten deed.Het was een verbazend schoon gezicht. (Zie bladz. 59.)Het was een verbazend schoon gezicht. (Zie bladz.59.)Nu de wind veranderd was, jaagde deze het ijs niet sneller meer voort en zij werden alleen nog medegesleept door de kracht van den stroom. Waarschijnlijk zou het ijsveld dus niet veel verder meer naar het Westen drijven, want tusschen de ijsbergen begon het zeewater zich reeds vast te zetten. Deze versche ijslaag brak echter bij den minsten schok. De ijsklompen bleven ongeregeld door elkander drijven, waarbij slechts nauwe doortochten open bleven, zoodat hunne schots dikwijls tegen grootere stukken aanbotste. Dan zaten zij eenige uren onbewegelijk, maar daarna raakten zij weder los en dreven op eigen gelegenheid verder. Maar zij konden zich er op voorbereiden dat hunne overwintering op eene en dezelfde plek spoedig eenen aanvang nemen zou.Den 3denDecember omstreeks den middag waren Sergius en Jan naar het voorste gedeelte van het ijsveld gegaan, gevolgd door Sander, Kayette en Napoleona, allen zorgvuldig in pelzen gewikkeld, want het was nu terdege koud. Aan de Zuiderkim vertoonde zich een weinig licht, het eenige teeken dat de zon zich boven den gezichteinder bevond. Voor het overige was alles in eene flauwe schemering gehuld, het laatste schijnsel van het noorderlicht, dat zeker op eene andere plek te zien was.Zij stonden eenigen tijd met aandacht naar de in beweging zijnde ijsbergen te kijken, die allerlei zonderlinge vormen vertoonden, ook nu en dan tegen elkander kwamen of onderste boven tuimelden wanneer zij, aan den onderkant door de zee afgeknaagd, hun evenwicht verloren.Op eens begon ook de ijsklomp, die kort te voren aan hunne schots vastgeraakt was, te waggelen en stortte omver, waarbij een stuk van hunne schots werd medegerukt en de zee een eind ver over het ijsveld stroomde.Allen waren zoo hard zij konden weggeloopen, maar op hetzelfde oogenblik hoorden zij angstkreten:—Help.... help.... Jan!Het hulpgeschrei kwam van Kayette. De plek waar zij stond was door den schok losgescheurd en dreef met haar weg.—Kayette!.... Kayette! riep Jan.Help!.... Help.... Jan! (Zie bladz. 59.)Help!.... Help.... Jan! (Zie bladz.59.)Maar het afgebroken stuk ijs was reeds door den stroom gegrepen en gleed langs den rand van het ijsveld, dat zelf in eene wielinggeraakt was en eenigen tijd op dezelfde plaats bleef ronddraaien. Nog eenige oogenblikken en zij zouden Kayette te midden der drijvende ijsbergen uit het oog verliezen.—Kayette!.... Kayette! herhaalde Jan.—Jan!... Jan! antwoordde de Indiaansche voor het laatst. Op het hooren van deze angstkreten waren ook Cornelia en Cascabel komen aanloopen. Zij stonden verstijfd van schrik evenals Sergius, die geen middel wist te bedenken om het arme meisje te hulp te komen.Op dit oogenblik was het stuk ijs, al drijvende, iets naderbij gekomen, zoodat nog maar eene strook water van een voet of zes hen van Kayette scheidde. Op eens, vóór dat iemand hem kon tegenhouden, nam Jan eenen sprong, die hem naast het meisje te land deed komen.—Mijn zoon... mijn zoon! gilde Cornelia.Zij waren nu geen van beiden te naderen. Door den sprong had Jan het stuk ijs, waar Kayette op stond, een eind ver doen terug deinzen; het werd spoedig tusschen de andere ijsklompen medegesleept en hun hulpgeroep verloor zich in de ruimte.Nog twee uren bleven de anderen wachten, maar toen werd het geheel duister en waren zij verplicht naar hunne schuilplaats terug te keeren. De ongelukkigen brachten den nacht slapeloos door, terwijl zij in den omtrek van deSchoone Zwerfsterbleven dwalen. De honden huilden jammerlijk. Wat moest er van Jan en Kayette worden, zonder onderkomen, zonder voedsel en alleen in den duisteren nacht! Het eene uur ging na het andere voorbij, onder jammeren en schreien. Cascabel was door dit ongeluk als verpletterd, hij liet niets dan onsamenhangende woorden hooren, waarin hij andermaal zichzelf de schuld gaf van al den jammer dien hij door zijne lichtzinnigheid, zooals hij zeide, over zijn gezin gebracht had. Sergius was niet in staat hem troost te bieden; hij had zelf al zijne geestkracht noodig om zich niet aan de wanhoop over te geven.Den volgenden ochtend tegen acht uur—dat was op den 4denDecember—raakte hun ijsveld weder drijvende, na den geheelen nacht te midden der elkander kruisende stroomingen niet van plaats veranderd te zijn. Het ging nu weder den kant op waar zij Jan en Kayette uit zicht verloren hadden, maar deze waren achttien uren vóór en er was dus geene hoop hen achterop te komen of terug te vinden. Zij waren trouwens aan alle kanten van gevaren omringd; de koude was te fel om er langen tijd in te kunnen leven; zij hadden geen eten bij zich en dreven voort, omringd van ijsbergen,waarvan de kleinste groot genoeg was om hunne schots als een stuk glas te verbrijzelen.Wij beproeven niet de droefheid der familie Cascabel te beschrijven. Ondanks de nijpende koude waren zij geen van allen naar binnen gegaan; zij bleven steeds om Kayette en Jan roepen, ofschoon zij wisten dat die veel te ver waren om hen te kunnen hooren.De dag liep ten einde zonder dat er eenige verandering kwam. Het werd weder nacht en nu drong Sergius toch bij allen aan dat zij zich in deSchoone Zwerfstermoesten begeven. Maar aan slapen kon niemand hunner een oogenblik denken.Plotseling, te drie uur in den ochtend, kreeg de wagen een geweldigen schok, zóó hard dat hij bijna omver viel. Wat was er nu weder gebeurd? Zou er misschien een groote ijsberg tegen hun ijsveld aangekomen zijn en dit in stukken gebroken hebben?Sergius snelde naar buiten.De laatste stralen van het noorderlicht maakten het mogelijk op eenen afstand van eene halve mijl in de rondte alle voorwerpen te onderscheiden.In alle richtingen liet Sergius zijne blikken gaan. Maar van Jan of Kayette was niets te bespeuren.De schok, dien zij gevoeld hadden, was teweeggebracht doordat hunne schots tegen een groot ijsveld aangekomen was. De temperatuur was nu gedaald tot twintig graden beneden het vriespunt; de geheele zee was ééne ijsvlakte geworden en waar den avond te voren alles nog in beweging was, zag men nu niets dan eene roerlooze ijswoestijn. Zij waren voorgoed tot stilstand gekomen.Sergius ging naar binnen en verhaalde aan de anderen wat er gebeurd was.—Dus ligt de geheele zee vóór ons nu vastgevroren? vroeg Cascabel.—Vóór ons, achter ons en in alle richtingen, antwoordde Sergius.—Welnu, dan moeten wij gaan zien of wij Jan en Kayette niet terug kunnen vinden. Laat ons geen oogenblik wachten.—Op weg dan maar! hernam Sergius.Cornelia en Napoleona wilden evenmin in deSchoone Zwerfsterachterblijven. Die werd dus aan de hoede van Kruidnagel toevertrouwd en de anderen gingen op marsch, voorafgegaan door de twee honden die over het ijs liepen te snuffelen.Het ijs was zoo hard als graniet. Zij sloegen den kant van het Westen in. Indien Wagram en Marengo het spoor van Jan wisten te vinden, dan zouden zij het ook wel volgen. Na een half uurloopens hadden zij echter nog niets ontdekt en moesten zij stil houden, want in deze koude, waar zelfs de lucht als bevroren is, raakt men spoedig buiten adem.Naar het Noorden, Zuiden en Oosten strekte het ijs zich als eene effene vlakte uit, maar in het Westen vertoonden zich eenige hoogten, die niet den gewonen vorm der ijsbergen hadden. Misschien konden dit heuvels zijn, op een eiland of op het vasteland gelegen.Op dit oogenblik begonnen de honden hard te blaffen en snelden zij naar eene besneeuwde verhevenheid toe, waarop zich eenige zwarte stippen vertoonden.De tocht werd hervat en nu bemerkte Sander spoedig dat twee van die stippen teekenen schenen te geven.—Jan,.... Kayette! riep hij en snelde er op af, door Wagram en Marengo gevolgd.Het waren inderdaad Kayette en Jan, beide springlevend.Maar zij waren niet alleen. Een troep inboorlingen stond rondom hen geschaard en dit waren bewoners van de Liakhoff-eilanden.
III.Drijvende.Men weet thans hoe op den ochtend van den 27steOctober de toestand van onze schipbreukelingen was. Alle kans dat het nog goed met hen af kon loopen, scheen verloren; zij konden zich niet vleien met de flauwste hoop. Eenmaal aan het drijven in de Behringstraat, hadden zij alleen door den zuidelijken stroom naar binnen gezet en op de aziatische kust gevoerd kunnen worden. Maar de stroom naar het Noorden had hen in zijne ijzeren vuist en sleepte hen de Straat uit.Hoe moest het met het groote brok ijs, waarop zij zich bevonden, in de IJszee gaan? Het kon smelten en in stukken breken; het kon ook heel blijven. Zou het in dat geval aan het eene of andere strand in de Poolzee terecht komen? De wind was nu naar het Oosten gedraaid. Zou die hen nog eenige honderden mijlen verder doen drijven, om hen ten laatste misschien te doen stranden op de klippen die Spitsbergen of Nova-Zembla omringen? Gebeurde dit, welke ontzettende vermoeienissen stonden hen dan niet te wachten, en bestond er wel eenige kans om weder van die eilanden af en op den vasten wal te komen?Over al deze gebeurlijkheden peinsde Sergius, en terwijl hij onafgebroken den blik gevestigd hield op den in nevelen gehulden gezichteinder, praatte hij er over met Cascabel en Jan.—Wij mogen ons niet ontveinzen, zeide hij, dat wij van gevarenomringd zijn. Ieder oogenblik kan deze schots in stukken breken, en gelegenheid om er af te komen hebben wij niet.—Is dat het ergste wat ons op het oogenblik gebeuren kan? vroeg Cascabel.—Voor zoover ik er over oordeelen kan, ja, antwoordde Sergius. Begint het eenmaal weder te vriezen, dan wordt het gevaar minder en kan het eindelijk geheel verdwijnen. In dezen tijd van het jaar en op de breedte waar wij ons bevinden, is het ondenkbaar dat het zachte weder, wat wij nu hebben, langer dan enkele dagen aanhoudt.—Dat houd ik er ook voor, mijnheer Sergius, zeide Jan. Aangenomen echter dat de ijsschots heel blijft, waar drijven wij dan heen?—Het zou mij verwonderen als dat heel ver was en als wij niet betrekkelijk spoedig aan een grooter ijsveld vastgevroren raakten. Ligt de zee eenmaal weder voorgoed dicht, dan moeten wij beproeven naar het vasteland terug te keeren en onze voorgenomen reis hervatten.—Maar hoe moeten wij dat aanleggen, nu wij geen paarden meer hebben? riep Cascabel uit. Mijne arme beesten, dat ik die zoo moest kwijt raken! Mijnheer Sergius, die brave dieren waren vrienden van ons en nu zijn ze door mijne schuld......Cascabel kon niet verder spreken; de smart overmande hem. Hij verweet zich dat hij deze ramp op zijn geweten had. Wat was dat ook voor een onzinnig plan, met een wagen en een span paarden een stuk zee over te steken! Het verdriet over zijn verlies maakte dat hij niet eens dacht aan al de zwarigheid, welke er het gevolg van wezen kon.—Het is zeker een onherstelbare ramp, dat ons dit onder deze omstandigheden overkomen is, stemde Sergius toe. Wij mannen kunnen misschien de vermoeienissen en ontberingen, welke ons te wachten staan, nog uithouden, maar de vrouwen die wij bij ons hebben, moeder Cascabel, Kayette, Napoleona, kinderen als zij zijn, wat moeten wij met haar beginnen als wij deSchoone Zwerfsterin den steek laten.....—Wat zegt ge? In den steek laten?—Dat zal wel moeten, vader, zeide Jan.—Helaas, zuchtte Cascabel, terwijl hij wanhopig zijne handen ten hemel hief, ik zie nu hoe roekeloos ik geweest ben met deze reis te ondernemen! Dit was zeker de manier niet om naar Europa terugtekeeren.—Toch moet gij den moed niet verliezen, mijn vriend, trachtteSergius hem te troosten. Het gevaar onder de oogen te zien zonder er ons vrees door aan te laten jagen, is de beste weg om er aan te ontkomen.—Komaan vader, hernam Jan, gedane zaken nemen geen keer, wat wij gedaan hebben is met ons aller goedvinden geschied. Geef uzelven dus de schuld niet dat gij meer gewaagd hebt dan gij wagen mocht en toon dat gij nog dezelfde man zijt als vroeger.Maar al deze redenen baatten niets. Cascabel was door het ongeluk overmand. Zijn zelfvertrouwen, de wijsgeerige kalmte waarmede hij gewoon was de wereldsche dingen optenemen, het was alles verdwenen.Intusschen deed Sergius zijn best om te weten te komen in welke richting de stroom hen voortdreef. Alle middelen die hij tot zijne beschikking had, gebruikte hij; met behulp van het kompas trachtte hij, door sommige vaste punten, die hij meende te onderscheiden, hunne vaart te bepalen. De weinige uren dat het een weinig licht was, besteedde hij met deze waarnemingen.Gemakkelijk ging dit niet, want alles wat hij als een vast punt gebruiken wilde, veranderde onophoudelijk van plaats. Buiten de Behringstraat scheen de zee over eene groote uitgestrektheid open te liggen. Het bleek nu duidelijk dat bij de ongewoon lage temperatuur het ijsveld nog in het geheel niet over zijne volle breedte vastgevroren was geweest. Het had alleen gedurende eenige dagen zoo geschenen, toen de menigte losse stukken ijs, die door de twee tegen elkander inloopende stroomen uit het Noorden en uit het Zuiden in de nauwe zeeëngte gedreven waren, tegen elkaar geklemd en vastgeraakt waren.Na een aantal waarnemingen gedaan en de eene met de andere vergeleken te hebben, meende Sergius tot de gevolgtrekking te moeten komen dat hun koers sterk naar het noordwesten was afgeweken. Dit was zeker gekomen door dat de stroom in de Behringstraat eerst naar de Siberische kust geloopen was, dáár den stroom, die van Kamschatka kwam, teruggedrongen en vervolgens uit de Straat komende eene groote bocht gemaakt had, waarvan de Poolcirkel ongeveer het einde moest wezen.Ook bleek nu dat de wind, die nog altijd de kracht van eenen storm had, geheel naar het zuidoosten gedraaid was. Een tijdlang was hij Zuid geweest, maar dat was gekomen doordien de kust hem van richting had doen veranderen. In volle zee was hij weder naar den vorigen hoek teruggeloopen.Zoodra Sergius zich hiervan overtuigd had, bracht hij Cascabel op de hoogte en hij voegde er bij dat dit, onder de omstandighedenwaarin zij verkeerden, het gelukkigste was wat hun overkomen kon. Dit goede nieuws monterde den terneergeslagen man weder wat op.—Ja, zeide hij, het is zeker het beste dat wij den kant uitdrijven waar wij toch heen willen. Maar wat een omweg, goede hemel, wat een omweg!De schipbreukelingen gingen nu aan het werk om alles zoo goed mogelijk interichten voor het geval dat zij nog eenigen tijd op hun drijvend eiland moesten doorbrengen. Het eerste waar zij het over eens waren, was dat zij weder eene schuilplaats moesten zoeken in deSchoone Zwerfsterdie, nu zij voor den storm wegdreef, minder gevaar liep van omver te slaan.Cornelia, Kayette en Napoleona konden zich dus weder met het fornuis bezig houden, waar in een etmaal hoegenaamd geen gelegenheid voor geweest was. Het duurde niet lang of het eten was gereed, allen gingen aantafel, en al vlotte het gesprek zoo goed niet als anders, toch waren zij dankbaar dat zij weder eene hartsterking kregen. Sedert zij het eiland Diomedes verlaten hadden, had dit heel wat te wenschen overgelaten.Zoodoende liep de dag weder ten einde. De windvlagen kwamen nog telkens aangieren met onbeschrijfelijke felheid. Talrijke vluchten vogels, petrels, ptarmigans en andere, die met recht den naam van stormvogels dragen, vlogen over hunne hoofden.De eerstvolgende vier dagen, de 28ste, 29ste, 30ste, en 31steOctober, kwam er geen verandering. De wind bleef Oost en in de temperatuur was geen daling of rijzing merkbaar.Sergius had nauwkeurig den vorm en de grootte van hunne ijsschots bepaald. Deze had de gedaante van een onregelmatig trapezium, lang vierhonderd voet op het breedste en driehonderdvijftig op het smalste gedeelte en breed ongeveer honderd voeten. Aan de kanten werd dit ijsveld merkbaar dunner en in het midden liep het eenigszins op. Er was geen enkele scheur aan de oppervlakte te zien, maar een dof gekraak liet zich nu en dan over zijne geheele uitgestrektheid hooren. De golven die er op beukten en de windvlagen die er tegen aan botsten, hadden er, voor zoover dit op het oogenblik waartenemen viel, nog geen belangrijke schade aan toegebracht.Met de uiterste inspanning was het hun gelukt deSchoone Zwerfsternaar het midden van het ijsveld te sleepen en haar daar te bevestigen aan de touwen en palen die anders bij de kermisvertooningen gebruikt werden. Nu stond zij zoo stevig, dat er geen gevaar van omslaan meer te vreezen was.Een andere kwade kans leverde echter de aanraking met voorbijdrijvende ijsbergen op. Met ongelijke snelheid, naarmate zij door den stroom werden voortgejaagd of eene ronddraaiende beweging aannamen, kwamen die op hunne schots af, of dreef die ze voorbij. Sommige van die ijsklompen waren vijftien of twintig voet hoog en als zij die zoo zagen aankomen, was het alsof het schepen waren, die hen kwamen enteren. Van verre zagen zij ze al naderen en er was niets aan te doen, of ze tegen hunne ijsschots aanbotsen of er langs glijden zouden. Soms buitelden die ijsmassa’s plotseling onderste boven, als door de eene of andere onbekende oorzaak haar zwaartepunt verplaatst werd.Gebeurde dit, dan kwamen onze zwervers meest met den schrik vrij, maar telkens als het tot eene botsing kwam, hadden zij het ergste te vreezen. Dan kreeg hun ijsveld dikwijls zulk een schok, dat het een geluk was wanneer alles wat breekbaar was en los stond in den wagen, niet verbrijzeld werd. De kans dat hunne drijvende verblijfplaats zich in een aantal stukken zou oplossen, hing hun dus steeds boven het hoofd. Telkens als er zoo’n groote ijsklomp in het zicht kwam zochten zij allen eene schuilplaats rondom deSchoone Zwerfsteren klemden zij zich aan den wagen vast, waarbij Jan steeds de nabijheid van Kayette zocht. Het verschrikkelijkste wat hen overkomen kon, was dat hun ijsveld in verschillende stukken brak en sommigen van hen naar onderscheidene kanten werden voortgesleurd. Bovendien was het ijs minder stevig aan de randen dan in het midden, waar het verscheidene voeten dikker was.Gedurende den nacht hielden Cascabel, Sergius, Jan en Kruidnagel om beurten de wacht. Zij keken scherp uit in de dikke duisternis, te midden waarvan zij de witte reuzengevaarten als spoken voorbij zagen, glijden. Ook werd het uitzicht belemmerd door dichte nevels, die als wolkensluiers door den wind voortgezweept en door de maan, die even boven den horizont verscheen, met een grauw en geheimzinnig licht overgoten werden. Zoodra de man, die op wacht stond, onraad meende te bespeuren, maakte hij alarm en vlogen zij allen op om aftewachten wat er komen zou. Niet zelden ging de naderende ijsberg plotseling een anderen kant op en gleed hij voorbij, maar soms bonsde hij ook tegen hun ijsveld aan zoodat de touwen van deSchoone Zwerfsterafknapten en de palen uit het ijs gerukt werden. Zij mochten van geluk spreken dat er niets ergers gebeurde en dat de kille bodem, waar hun wagen opstond, niet in een aantal stukken gescheurd werd.Zoodra er onraad bespeurd werd, maakten zij alarm. (Zie bladz. 39.)Zoodra er onraad bespeurd werd, maakten zij alarm. (Zie bladz.39.)Intusschen kwam er nog maar geen verandering in de ongewoneweersgesteldheid, vroor de zee nog maar niet dicht, niettegenstaande het nu reeds in de eerste week van November was, en bleef zij hier, op enkele graden slechts beneden den poolcirkel, bevaarbaar. Zoo iets was inderdaad bijna zonder voorbeeld. Het had een geluk voor hen kunnen wezen indien de eene of andere walvischvaarder, die verhinderd was geweest de thuisreis bij tijds te aanvaarden, hen voorbij was gekomen. Dan zouden zij door fakkels, of door geweerschoten getracht hebben de aandacht der bemanning te trekken, zij hadden op het schip eene toevlucht kunnen vinden en dit zou hen in een der Amerikaansche havens, te Victoria, te San Francisco, te San Diego, of op de Siberische kust, tePetropavlovskof te Okhotsk aan land hebben kunnen zetten. Maar er kwam geen schip te zien. Zoo ver het oog reikte, niets dan her- en derwaarts drijvende ijsbergen, niets dan de oneindige, ledige zee, wier grens alleen de onbewegelijke ijsrand in het verre Noorden zijn kon!Eén geluk hadden zij, namelijk dat indien de lage temperatuur niet langer duurde dan bij mogelijkheid te veronderstellen was, en al moesten zij ook eenige weken achtereen drijvende blijven, zij geen gevaar liepen gebrek aan levensmiddelen te krijgen. In het vooruitzicht van een langen tocht te moeten maken door de onbewoonde vlakten van Siberië, waar geen gelegenheid bestond om voedsel te koopen, hadden zij een ruimen voorraad ingelegd vleesch, meel, rijst, vet en andere levensbehoeften medegenomen. Voor het voederen van de paarden behoefden zij zich, ongelukkig genoeg, niet ongerust meer te maken. Zelfs zou het de vraag geweest zijn, nu dit dooiweder tegen alle waarschijnlijkheid was ingetreden, of zij Vermout en Gladiator in het leven hadden kunnen houden, indien die arme beesten hun graf niet in de golven gevonden hadden.Van den 2dentot den 6denNovember kwam er nog geene verandering, alleen ging de wind een weinig liggen en draaide hij gaandeweg naar het Noorden. Het was niet langer dan een paar uren op den dag licht, daarna werd het weder duister en dit maakte hunnen toestand nog vreeselijker. Sergius poogde voortdurend de richting te bepalen waarin zij zich bewogen, maar dit gelukte hem slechts ten deele en dewijl zij den weg, dien zij aflegden, dus niet op de kaart konden afzetten, wisten zij ook volstrekt niet meer waar zij zich bevonden.Eindelijk kregen zij den 7deneen vast punt in het oog, waar zij ten naasten bij aan zien konden op welke plek zij waren.Des ochtends te elf uren, toen de bleeke zonnestralen den omtrek een weinig verlichtten, waren Sergius en Jan met Kayette naar het voorste gedeelte van hun ijsveld gegaan. Onder hunne bagage bevondzich een vrij goede verrekijker, waar Kruidnagel gewoon was aan de kermisgasten de Evennachtslijn in te vertoonen. Hiertoe was er over het groote glas een draad gespannen. Dan liet hij ook de menschen op de maan kijken, door middel van kleine vliegjes, die hij in de buis van den kijker liet zakken. Dien verrekijker had Jan zorgvuldig schoongemaakt en hij gebruikte hem nu om te zien of er in de verte niet iets te onderscheiden viel.Bij deze gelegenheid nam hij nauwkeurig den gezichteinder op, doch hij zag niets. Op eens wees Kayette naar het Noorden en zeide:—Kijk eens mijnheer Sergius, daar ginds meen ik iets te zien. Kan dat geen berg zijn?—Een berg? vroeg Jan. Dat geloof ik niet. Het zal wel weder een ijsberg wezen.Hij richtte zijnen verrekijker naar het punt waar het Indiaansche meisje heen wees.—Ik geloof waarlijk dat Kayette gelijk heeft, zeide hij na een oogenblik gekeken te hebben.Hij reikte den kijker aan Sergius over, die hem voor zijn oog plaatste.—Het is zoo, bevestigde deze. Het is een tamelijk hooge berg. Kayette heeft scherper oogen dan wij.Zij keken andermaal en kwamen tot de slotsom dat er op eenen afstand van vijf of zes mijlen in het Noorden land moest liggen.—Een stuk land, waar zulk een hooge berg op staat, moet nog al eenige uitgestrektheid hebben, meende Jan.—Dat houd ik er ook voor Jan, antwoordde Sergius. Wij moeten ons best doen om op de kaart te vinden wat het voor een land zijn kan, en zoo doende kunnen wij te weten komen waar wij ons bevinden.—Als ik mij niet vergis, hernam Kayette, zie ik een rookkolom uit den berg opstijgen.—Dan zou het een vuurspuwende berg moeten wezen, zeide Sergius.—Ja zeker, bevestigde Jan, na opnieuw door den kijker gezien te hebben. Ik kan duidelijk den rook onderscheiden.Het begon intusschen reeds duister te worden, zoodat zij zelfs door den kijker nauwelijks de omtrekken van den berg meer zien konden.Een uur later, toen het daglicht nagenoeg geheel verdwenen was, zagen zij echter duidelijk een vurig schijnsel in dezelfde richting, die zij terstond aangeteekend hadden door eene streep, welke zij op de sneeuw getrokken hadden.—Laat ons gaan zien of wij op de kaart iets wijzer kunnen worden, zeide Sergius.Zij keerden met hun drieën naar deSchoone Zwerfsterterug, Jan haalde zijn atlas te voorschijn, sloeg de kaart op waar het gedeelte van de ijszee ten Noorden van de Behringstraat op stond, en nu kwamen zij spoedig te weten wat zij zochten.Het was Sergius reeds gebleken dat de stroom, uit de Straat komende, eerst noordwaarts liep, en een vijftig mijlen meer naar buiten, noordwestelijk. Ook hadden zij bevonden dat hunne ijsschots eenige dagen lang in dezelfde richting als de stroom was voortgedreven. Zij moesten dus zoeken welk land er in het Noordwesten liggen kon. Een mijl of twintig van het vasteland stond er op de kaart een groot eiland geteekend, dat de aardrijkskundigen Wrangel-eiland noemen, doch waarvan de gedaante niet dan zeer onvolledig bekend is. Naar alle waarschijnlijkheid zou hunne ijsschots daar echter niet aanlanden, want de stroom sleepte hen voort in den breeden zeearm, die tusschen het eiland en de Siberische kust doorloopt.Sergius hield zich stellig overtuigd dat het land, dat zij zagen, Wrangel-eiland moest zijn. Van de zuidkust van dit eiland steken twee punten uit, kaap Hawan en kaap Thomas, en een vuurspuwende berg, die altijd in werking is en op de nieuwste kaarten aangeteekend staat, verheft zich midden op het eiland. Dit moest de vulkaan wezen die Kayette het eerst in het oog gekregen had en waarvan zij in de duisternis het vurige schijnsel onderscheidden.Nu zij dit wisten, viel het hun niet moeilijk den weg te bepalen dien de ijsschots, na de Behringstraat uitgedreven te zijn, had afgelegd. Eerst waren zij de kust rond en kaap Serdtse-Kamen rondgevoerd, vervolgens voorbij Kolioutchine-baai, het voorgebergte Wankarem en de Noordkaap, en eindelijk waren zij de Long-straat ingestevend, die Wrangel-eiland en de kust van het Tchouktchi-land van elkaar scheidt.Welken kant hun ijsveld op zou gaan nadat het door den stroom de Longstraat weder uitgedreven was, konden zij bij geen mogelijkheid vooruit weten. Sergius wist, en het maakte hem niet weinig ongerust, dat er in het Noorden geen ander land meer op de kaart vermeld staat en dat de grens der ijszee gevormd wordt door het onmetelijke ijsveld, dat nimmer losraakt en te midden waarvan de Noordpool gelegen is.De eenige kans op redding die hun scheen overteblijven, was als het veel kouder werd en de geheele zee dientengevolge dichtvroor. Het kon niet lang meer duren of dit moest gebeuren, want in gewoneomstandigheden zou het reeds sedert ettelijke weken geschied zijn. Vóór dat zij aan den rand van het vaste ijsveld gekomen waren zou hunne schots dan tot stilstand komen, en over de achter hen gevormde ijsvlakte zouden zij in zuidelijke richting moeten trachten het vasteland weder te bereiken. Dit zou echter niet anders te doen zijn dan door deSchoone Zwerfsterin den steek te laten, en het was bijna iets onmogelijks, zonder eenig onderkomen, dien langen tocht over het ijs afteleggen.De wind bleef immer Oost, maar ofschoon het geen storm meer was, woei het nog hard. Door de windvlagen opgezweept, kwamen aanhoudend de woeste golven op hun ijsveld breken, zoodat de buitenste rand voortdurend een weinig afbrokkelde. Dit had echter niet veel te beteekenen, maar het zeewater, stuitende op het ijs, vloog er overheen en overdekte het, even als de golven over het dek van een lenzend schip vliegen. Dit ging met zulke schokken gepaard dat het ijsveld tot op het dikste gedeelte er van dreunde en kraakte, en het telkens scheen alsof het in stukken zou breken. Die stortzeeën kwamen tot in de onmiddellijke nabijheid van deSchoone Zwerfsteren dreigden den wagen, met alles wat er zich in of bij bevond, voort te sleuren.Om dit te voorkomen moesten er weder voorzorgen genomen worden. Sergius gaf het denkbeeld aan de hand om de sneeuw, die sedert het begin van November in groote massa’s gevallen was, op te hoopen tot eene soort van dijk aan den achterkant van het ijsveld, waar de golven het meest van daan kwamen. Allen togen aan het werk om dit tot stand te brengen. De sneeuw werd stevig aangestampt en opgestapeld tot eene hoogte van een voet of vier vijf. Zoodoende maakten zij eenen muur van eenige voeten dikte, die eene borstwering vormde waar de golven niet overheen konden, zoodat alleen het opspattende schuim nog nu en dan den wagen overdekte. Op dezelfde manier wordt aan den achtersteven van een lenzend schip dikwijls eene nood-verschansing gemaakt om de stortzeeën af te weren.Terwijl zij aan dit werk bezig waren, gooiden Sander en Napoleona elkander dikwijls met sneeuwballen, waarbij zij Kruidnagel’s rug nog al eens tot mikpunt kozen. Voor zulk een kinderspel was het eigenlijk nu geen geschikte gelegenheid, maar Cascabel liet hen begaan, tot op zekeren dag toen een sneeuwbal, die niet goed gemikt werd, bij ongeluk op Sergius’ hoed terechtkwam.—Wie is de stommerik die dat doet? riep Cesar.—Ik heb het gedaan vader, antwoordde Napoleona heelemaal ontdaan over hare onhandigheid.Zij maakten eene borstwering, waar de golven niet overheen konden. (Zie bladz. 44.)Zij maakten eene borstwering, waar de golven niet overheen konden. (Zie bladz.44.)—Nu, dan ben jij de stommerik, zeide Cascabel. MijnheerSergius, gij moet het die ondeugende meid niet kwalijk nemen.—Wel, het komt er niets op aan, antwoordde Sergius. Laat zij het maar komen afzoenen, dan is het alsof er niets gebeurd is.Zoo geschiedde het en daarmede was het uit.Zij hadden nu eenen dijk aan den achterkant van het ijsveld opgeworpen, maar voltooiden dien vervolgens in alle richtingen, zoodat deSchoone Zwerfsteromgeven werd met eene soort van ijsdam, waardoor de wagen van alle kanten beschut stond. De wielen waren tot aan de assen in de sneeuw bedolven en voor omvallen bestond dus geen gevaar meer. Tusschen de borstwering en den wagen lieten zij een nauwe gang open, zoodat er eene kleine ruimte vrij bleef om te loopen. Het leek nu een schip, dat te midden van ijsbergen overwintert en waarvan de buitenkant door eene dikke sneeuwlaag tegen de koude en de stormvlagen beschut wordt. Zoo lang de ijsschots zelve niet begon te zinken, liepen de schipbreukelingen dus geen gevaar meer om door de golven weggesleurd te worden, en dank zij deze voorzorgen konden zij het tijdstip afwachten dat de vorst weder zou intreden, hetgeen in de poolstreken toch altijd eenmaal, en dan voor geruimen tijd, gebeurt.Maar als dit oogenblik aanbrak, dan zouden zij hunne schuilplaats verlaten moeten om het land weder optezoeken. Het huis op wielen, dat zijnen bewoners in alle gewesten van de Nieuwe Wereld eene veilige woonstede geweest was, zouden zij, tusschen het ijs en de sneeuw bekneld, moeten achterlaten. Als de zomer weer aanbrak en het ijs in de poolzee begon te smelten, zou deSchoone Zwerfsterdieper en dieper in de weeke massa bedolven raken om eindelijk door de golven verzwolgen te worden!Als Cascabel hieraan begon te denken, hoe geneigd hij ook anders was om van alle dingen den goeden kant te zien, rukte hij zich de haren van wanhoop uit het hoofd en verwenschte hij het ongeluk dat hem vervolgde. Hij gaf er zichzelven de schuld van en vergat dat alles alleen het gevolg was van de schurkenstreek waardoor hij in den bergpas der Sierra Nevada van zijne spaarpenningen beroofd was. De schavuiten die dat gedaan hadden, waren verantwoordelijk voor al het kwaad dat uit hunne schelmerij voortvloeide.Het baatte niet of de moedige Cornelia haar best deed om haren man optebeuren, eerst door vriendelijke woorden en later door hem hard toetespreken, in de hoop dat hij, door zich driftig te maken, zijne oude geestkracht terug zou krijgen. Het hielp niet of zijne kinderen en zelfs Kruidnagel hem zeiden dat zij even goed als hij verantwoordelijk waren voor hetgeen zij gezamenlijk besloten engedaan hadden. De reis was immers, zeiden zij, ondernomen, met aller goedvinden. Ook Sergius en Kayette, het “kwakkeltje” zooals Cascabel haar bleef noemen, voegden zich bij de anderen om hem moed in te spreken. Hij wilde naar geen rede luisteren.—Zijt ge dan geen man meer? vroeg Cornelia hem op zekeren dag, waarbij zij hem bij den arm greep en terdege heen en weer schudde.—Zeker ben ik niet zooveel mans als jij, antwoordde Cesar mismoedig en schoof weer in zijnen hoek, waar deze ontboezeming zijner wederhelft hem uit te voorschijn gehaald had.De waarheid was echter dat moeder Cascabel even weinig op haar gemak was als haar man; maar zij begreep beter dan iemand anders hoe noodzakelijk het was het hoofd van het gezin, die altijd zoo blijmoedig den tegenspoed weerstaan had, uit zijne neerslachtigheid optewekken.Sergius begon zich langzamerhand ook ongerust te maken over het proviand. Zij moesten niet alleen te eten hebben tot op het oogenblik dat zij hunnen tocht over de ijsvlakte zouden aanvangen, maar ook tot op den dag dat de karavaan op de Siberische kust kon aanlanden. Op de jacht viel in het geheel niet te rekenen, want de zeevogels, die te midden der ondoordringbare nevels nog over hunne hoofden vlogen, werden hoe langer hoe zeldzamer. Het werd dus noodzakelijk geacht allen op rantsoen te stellen, teneinde op den langdurigen tocht, dien zij nog te doen konden hebben, voorbereid te wezen.Onder deze omstandigheden kwam de ijsschots, waarop zij dreven, altijd door den stroom voortgesleept wordende, op de hoogte van de Ayo-eilanden, die tegenover de noordkust van Azië gelegen zijn.
Men weet thans hoe op den ochtend van den 27steOctober de toestand van onze schipbreukelingen was. Alle kans dat het nog goed met hen af kon loopen, scheen verloren; zij konden zich niet vleien met de flauwste hoop. Eenmaal aan het drijven in de Behringstraat, hadden zij alleen door den zuidelijken stroom naar binnen gezet en op de aziatische kust gevoerd kunnen worden. Maar de stroom naar het Noorden had hen in zijne ijzeren vuist en sleepte hen de Straat uit.
Hoe moest het met het groote brok ijs, waarop zij zich bevonden, in de IJszee gaan? Het kon smelten en in stukken breken; het kon ook heel blijven. Zou het in dat geval aan het eene of andere strand in de Poolzee terecht komen? De wind was nu naar het Oosten gedraaid. Zou die hen nog eenige honderden mijlen verder doen drijven, om hen ten laatste misschien te doen stranden op de klippen die Spitsbergen of Nova-Zembla omringen? Gebeurde dit, welke ontzettende vermoeienissen stonden hen dan niet te wachten, en bestond er wel eenige kans om weder van die eilanden af en op den vasten wal te komen?
Over al deze gebeurlijkheden peinsde Sergius, en terwijl hij onafgebroken den blik gevestigd hield op den in nevelen gehulden gezichteinder, praatte hij er over met Cascabel en Jan.
—Wij mogen ons niet ontveinzen, zeide hij, dat wij van gevarenomringd zijn. Ieder oogenblik kan deze schots in stukken breken, en gelegenheid om er af te komen hebben wij niet.
—Is dat het ergste wat ons op het oogenblik gebeuren kan? vroeg Cascabel.
—Voor zoover ik er over oordeelen kan, ja, antwoordde Sergius. Begint het eenmaal weder te vriezen, dan wordt het gevaar minder en kan het eindelijk geheel verdwijnen. In dezen tijd van het jaar en op de breedte waar wij ons bevinden, is het ondenkbaar dat het zachte weder, wat wij nu hebben, langer dan enkele dagen aanhoudt.
—Dat houd ik er ook voor, mijnheer Sergius, zeide Jan. Aangenomen echter dat de ijsschots heel blijft, waar drijven wij dan heen?
—Het zou mij verwonderen als dat heel ver was en als wij niet betrekkelijk spoedig aan een grooter ijsveld vastgevroren raakten. Ligt de zee eenmaal weder voorgoed dicht, dan moeten wij beproeven naar het vasteland terug te keeren en onze voorgenomen reis hervatten.
—Maar hoe moeten wij dat aanleggen, nu wij geen paarden meer hebben? riep Cascabel uit. Mijne arme beesten, dat ik die zoo moest kwijt raken! Mijnheer Sergius, die brave dieren waren vrienden van ons en nu zijn ze door mijne schuld......
Cascabel kon niet verder spreken; de smart overmande hem. Hij verweet zich dat hij deze ramp op zijn geweten had. Wat was dat ook voor een onzinnig plan, met een wagen en een span paarden een stuk zee over te steken! Het verdriet over zijn verlies maakte dat hij niet eens dacht aan al de zwarigheid, welke er het gevolg van wezen kon.
—Het is zeker een onherstelbare ramp, dat ons dit onder deze omstandigheden overkomen is, stemde Sergius toe. Wij mannen kunnen misschien de vermoeienissen en ontberingen, welke ons te wachten staan, nog uithouden, maar de vrouwen die wij bij ons hebben, moeder Cascabel, Kayette, Napoleona, kinderen als zij zijn, wat moeten wij met haar beginnen als wij deSchoone Zwerfsterin den steek laten.....
—Wat zegt ge? In den steek laten?
—Dat zal wel moeten, vader, zeide Jan.
—Helaas, zuchtte Cascabel, terwijl hij wanhopig zijne handen ten hemel hief, ik zie nu hoe roekeloos ik geweest ben met deze reis te ondernemen! Dit was zeker de manier niet om naar Europa terugtekeeren.
—Toch moet gij den moed niet verliezen, mijn vriend, trachtteSergius hem te troosten. Het gevaar onder de oogen te zien zonder er ons vrees door aan te laten jagen, is de beste weg om er aan te ontkomen.
—Komaan vader, hernam Jan, gedane zaken nemen geen keer, wat wij gedaan hebben is met ons aller goedvinden geschied. Geef uzelven dus de schuld niet dat gij meer gewaagd hebt dan gij wagen mocht en toon dat gij nog dezelfde man zijt als vroeger.
Maar al deze redenen baatten niets. Cascabel was door het ongeluk overmand. Zijn zelfvertrouwen, de wijsgeerige kalmte waarmede hij gewoon was de wereldsche dingen optenemen, het was alles verdwenen.
Intusschen deed Sergius zijn best om te weten te komen in welke richting de stroom hen voortdreef. Alle middelen die hij tot zijne beschikking had, gebruikte hij; met behulp van het kompas trachtte hij, door sommige vaste punten, die hij meende te onderscheiden, hunne vaart te bepalen. De weinige uren dat het een weinig licht was, besteedde hij met deze waarnemingen.
Gemakkelijk ging dit niet, want alles wat hij als een vast punt gebruiken wilde, veranderde onophoudelijk van plaats. Buiten de Behringstraat scheen de zee over eene groote uitgestrektheid open te liggen. Het bleek nu duidelijk dat bij de ongewoon lage temperatuur het ijsveld nog in het geheel niet over zijne volle breedte vastgevroren was geweest. Het had alleen gedurende eenige dagen zoo geschenen, toen de menigte losse stukken ijs, die door de twee tegen elkander inloopende stroomen uit het Noorden en uit het Zuiden in de nauwe zeeëngte gedreven waren, tegen elkaar geklemd en vastgeraakt waren.
Na een aantal waarnemingen gedaan en de eene met de andere vergeleken te hebben, meende Sergius tot de gevolgtrekking te moeten komen dat hun koers sterk naar het noordwesten was afgeweken. Dit was zeker gekomen door dat de stroom in de Behringstraat eerst naar de Siberische kust geloopen was, dáár den stroom, die van Kamschatka kwam, teruggedrongen en vervolgens uit de Straat komende eene groote bocht gemaakt had, waarvan de Poolcirkel ongeveer het einde moest wezen.
Ook bleek nu dat de wind, die nog altijd de kracht van eenen storm had, geheel naar het zuidoosten gedraaid was. Een tijdlang was hij Zuid geweest, maar dat was gekomen doordien de kust hem van richting had doen veranderen. In volle zee was hij weder naar den vorigen hoek teruggeloopen.
Zoodra Sergius zich hiervan overtuigd had, bracht hij Cascabel op de hoogte en hij voegde er bij dat dit, onder de omstandighedenwaarin zij verkeerden, het gelukkigste was wat hun overkomen kon. Dit goede nieuws monterde den terneergeslagen man weder wat op.
—Ja, zeide hij, het is zeker het beste dat wij den kant uitdrijven waar wij toch heen willen. Maar wat een omweg, goede hemel, wat een omweg!
De schipbreukelingen gingen nu aan het werk om alles zoo goed mogelijk interichten voor het geval dat zij nog eenigen tijd op hun drijvend eiland moesten doorbrengen. Het eerste waar zij het over eens waren, was dat zij weder eene schuilplaats moesten zoeken in deSchoone Zwerfsterdie, nu zij voor den storm wegdreef, minder gevaar liep van omver te slaan.
Cornelia, Kayette en Napoleona konden zich dus weder met het fornuis bezig houden, waar in een etmaal hoegenaamd geen gelegenheid voor geweest was. Het duurde niet lang of het eten was gereed, allen gingen aantafel, en al vlotte het gesprek zoo goed niet als anders, toch waren zij dankbaar dat zij weder eene hartsterking kregen. Sedert zij het eiland Diomedes verlaten hadden, had dit heel wat te wenschen overgelaten.
Zoodoende liep de dag weder ten einde. De windvlagen kwamen nog telkens aangieren met onbeschrijfelijke felheid. Talrijke vluchten vogels, petrels, ptarmigans en andere, die met recht den naam van stormvogels dragen, vlogen over hunne hoofden.
De eerstvolgende vier dagen, de 28ste, 29ste, 30ste, en 31steOctober, kwam er geen verandering. De wind bleef Oost en in de temperatuur was geen daling of rijzing merkbaar.
Sergius had nauwkeurig den vorm en de grootte van hunne ijsschots bepaald. Deze had de gedaante van een onregelmatig trapezium, lang vierhonderd voet op het breedste en driehonderdvijftig op het smalste gedeelte en breed ongeveer honderd voeten. Aan de kanten werd dit ijsveld merkbaar dunner en in het midden liep het eenigszins op. Er was geen enkele scheur aan de oppervlakte te zien, maar een dof gekraak liet zich nu en dan over zijne geheele uitgestrektheid hooren. De golven die er op beukten en de windvlagen die er tegen aan botsten, hadden er, voor zoover dit op het oogenblik waartenemen viel, nog geen belangrijke schade aan toegebracht.
Met de uiterste inspanning was het hun gelukt deSchoone Zwerfsternaar het midden van het ijsveld te sleepen en haar daar te bevestigen aan de touwen en palen die anders bij de kermisvertooningen gebruikt werden. Nu stond zij zoo stevig, dat er geen gevaar van omslaan meer te vreezen was.
Een andere kwade kans leverde echter de aanraking met voorbijdrijvende ijsbergen op. Met ongelijke snelheid, naarmate zij door den stroom werden voortgejaagd of eene ronddraaiende beweging aannamen, kwamen die op hunne schots af, of dreef die ze voorbij. Sommige van die ijsklompen waren vijftien of twintig voet hoog en als zij die zoo zagen aankomen, was het alsof het schepen waren, die hen kwamen enteren. Van verre zagen zij ze al naderen en er was niets aan te doen, of ze tegen hunne ijsschots aanbotsen of er langs glijden zouden. Soms buitelden die ijsmassa’s plotseling onderste boven, als door de eene of andere onbekende oorzaak haar zwaartepunt verplaatst werd.
Gebeurde dit, dan kwamen onze zwervers meest met den schrik vrij, maar telkens als het tot eene botsing kwam, hadden zij het ergste te vreezen. Dan kreeg hun ijsveld dikwijls zulk een schok, dat het een geluk was wanneer alles wat breekbaar was en los stond in den wagen, niet verbrijzeld werd. De kans dat hunne drijvende verblijfplaats zich in een aantal stukken zou oplossen, hing hun dus steeds boven het hoofd. Telkens als er zoo’n groote ijsklomp in het zicht kwam zochten zij allen eene schuilplaats rondom deSchoone Zwerfsteren klemden zij zich aan den wagen vast, waarbij Jan steeds de nabijheid van Kayette zocht. Het verschrikkelijkste wat hen overkomen kon, was dat hun ijsveld in verschillende stukken brak en sommigen van hen naar onderscheidene kanten werden voortgesleurd. Bovendien was het ijs minder stevig aan de randen dan in het midden, waar het verscheidene voeten dikker was.
Gedurende den nacht hielden Cascabel, Sergius, Jan en Kruidnagel om beurten de wacht. Zij keken scherp uit in de dikke duisternis, te midden waarvan zij de witte reuzengevaarten als spoken voorbij zagen, glijden. Ook werd het uitzicht belemmerd door dichte nevels, die als wolkensluiers door den wind voortgezweept en door de maan, die even boven den horizont verscheen, met een grauw en geheimzinnig licht overgoten werden. Zoodra de man, die op wacht stond, onraad meende te bespeuren, maakte hij alarm en vlogen zij allen op om aftewachten wat er komen zou. Niet zelden ging de naderende ijsberg plotseling een anderen kant op en gleed hij voorbij, maar soms bonsde hij ook tegen hun ijsveld aan zoodat de touwen van deSchoone Zwerfsterafknapten en de palen uit het ijs gerukt werden. Zij mochten van geluk spreken dat er niets ergers gebeurde en dat de kille bodem, waar hun wagen opstond, niet in een aantal stukken gescheurd werd.
Zoodra er onraad bespeurd werd, maakten zij alarm. (Zie bladz. 39.)Zoodra er onraad bespeurd werd, maakten zij alarm. (Zie bladz.39.)
Zoodra er onraad bespeurd werd, maakten zij alarm. (Zie bladz.39.)
Intusschen kwam er nog maar geen verandering in de ongewoneweersgesteldheid, vroor de zee nog maar niet dicht, niettegenstaande het nu reeds in de eerste week van November was, en bleef zij hier, op enkele graden slechts beneden den poolcirkel, bevaarbaar. Zoo iets was inderdaad bijna zonder voorbeeld. Het had een geluk voor hen kunnen wezen indien de eene of andere walvischvaarder, die verhinderd was geweest de thuisreis bij tijds te aanvaarden, hen voorbij was gekomen. Dan zouden zij door fakkels, of door geweerschoten getracht hebben de aandacht der bemanning te trekken, zij hadden op het schip eene toevlucht kunnen vinden en dit zou hen in een der Amerikaansche havens, te Victoria, te San Francisco, te San Diego, of op de Siberische kust, tePetropavlovskof te Okhotsk aan land hebben kunnen zetten. Maar er kwam geen schip te zien. Zoo ver het oog reikte, niets dan her- en derwaarts drijvende ijsbergen, niets dan de oneindige, ledige zee, wier grens alleen de onbewegelijke ijsrand in het verre Noorden zijn kon!
Eén geluk hadden zij, namelijk dat indien de lage temperatuur niet langer duurde dan bij mogelijkheid te veronderstellen was, en al moesten zij ook eenige weken achtereen drijvende blijven, zij geen gevaar liepen gebrek aan levensmiddelen te krijgen. In het vooruitzicht van een langen tocht te moeten maken door de onbewoonde vlakten van Siberië, waar geen gelegenheid bestond om voedsel te koopen, hadden zij een ruimen voorraad ingelegd vleesch, meel, rijst, vet en andere levensbehoeften medegenomen. Voor het voederen van de paarden behoefden zij zich, ongelukkig genoeg, niet ongerust meer te maken. Zelfs zou het de vraag geweest zijn, nu dit dooiweder tegen alle waarschijnlijkheid was ingetreden, of zij Vermout en Gladiator in het leven hadden kunnen houden, indien die arme beesten hun graf niet in de golven gevonden hadden.
Van den 2dentot den 6denNovember kwam er nog geene verandering, alleen ging de wind een weinig liggen en draaide hij gaandeweg naar het Noorden. Het was niet langer dan een paar uren op den dag licht, daarna werd het weder duister en dit maakte hunnen toestand nog vreeselijker. Sergius poogde voortdurend de richting te bepalen waarin zij zich bewogen, maar dit gelukte hem slechts ten deele en dewijl zij den weg, dien zij aflegden, dus niet op de kaart konden afzetten, wisten zij ook volstrekt niet meer waar zij zich bevonden.
Eindelijk kregen zij den 7deneen vast punt in het oog, waar zij ten naasten bij aan zien konden op welke plek zij waren.
Des ochtends te elf uren, toen de bleeke zonnestralen den omtrek een weinig verlichtten, waren Sergius en Jan met Kayette naar het voorste gedeelte van hun ijsveld gegaan. Onder hunne bagage bevondzich een vrij goede verrekijker, waar Kruidnagel gewoon was aan de kermisgasten de Evennachtslijn in te vertoonen. Hiertoe was er over het groote glas een draad gespannen. Dan liet hij ook de menschen op de maan kijken, door middel van kleine vliegjes, die hij in de buis van den kijker liet zakken. Dien verrekijker had Jan zorgvuldig schoongemaakt en hij gebruikte hem nu om te zien of er in de verte niet iets te onderscheiden viel.
Bij deze gelegenheid nam hij nauwkeurig den gezichteinder op, doch hij zag niets. Op eens wees Kayette naar het Noorden en zeide:
—Kijk eens mijnheer Sergius, daar ginds meen ik iets te zien. Kan dat geen berg zijn?
—Een berg? vroeg Jan. Dat geloof ik niet. Het zal wel weder een ijsberg wezen.
Hij richtte zijnen verrekijker naar het punt waar het Indiaansche meisje heen wees.
—Ik geloof waarlijk dat Kayette gelijk heeft, zeide hij na een oogenblik gekeken te hebben.
Hij reikte den kijker aan Sergius over, die hem voor zijn oog plaatste.
—Het is zoo, bevestigde deze. Het is een tamelijk hooge berg. Kayette heeft scherper oogen dan wij.
Zij keken andermaal en kwamen tot de slotsom dat er op eenen afstand van vijf of zes mijlen in het Noorden land moest liggen.
—Een stuk land, waar zulk een hooge berg op staat, moet nog al eenige uitgestrektheid hebben, meende Jan.
—Dat houd ik er ook voor Jan, antwoordde Sergius. Wij moeten ons best doen om op de kaart te vinden wat het voor een land zijn kan, en zoo doende kunnen wij te weten komen waar wij ons bevinden.
—Als ik mij niet vergis, hernam Kayette, zie ik een rookkolom uit den berg opstijgen.
—Dan zou het een vuurspuwende berg moeten wezen, zeide Sergius.
—Ja zeker, bevestigde Jan, na opnieuw door den kijker gezien te hebben. Ik kan duidelijk den rook onderscheiden.
Het begon intusschen reeds duister te worden, zoodat zij zelfs door den kijker nauwelijks de omtrekken van den berg meer zien konden.
Een uur later, toen het daglicht nagenoeg geheel verdwenen was, zagen zij echter duidelijk een vurig schijnsel in dezelfde richting, die zij terstond aangeteekend hadden door eene streep, welke zij op de sneeuw getrokken hadden.
—Laat ons gaan zien of wij op de kaart iets wijzer kunnen worden, zeide Sergius.
Zij keerden met hun drieën naar deSchoone Zwerfsterterug, Jan haalde zijn atlas te voorschijn, sloeg de kaart op waar het gedeelte van de ijszee ten Noorden van de Behringstraat op stond, en nu kwamen zij spoedig te weten wat zij zochten.
Het was Sergius reeds gebleken dat de stroom, uit de Straat komende, eerst noordwaarts liep, en een vijftig mijlen meer naar buiten, noordwestelijk. Ook hadden zij bevonden dat hunne ijsschots eenige dagen lang in dezelfde richting als de stroom was voortgedreven. Zij moesten dus zoeken welk land er in het Noordwesten liggen kon. Een mijl of twintig van het vasteland stond er op de kaart een groot eiland geteekend, dat de aardrijkskundigen Wrangel-eiland noemen, doch waarvan de gedaante niet dan zeer onvolledig bekend is. Naar alle waarschijnlijkheid zou hunne ijsschots daar echter niet aanlanden, want de stroom sleepte hen voort in den breeden zeearm, die tusschen het eiland en de Siberische kust doorloopt.
Sergius hield zich stellig overtuigd dat het land, dat zij zagen, Wrangel-eiland moest zijn. Van de zuidkust van dit eiland steken twee punten uit, kaap Hawan en kaap Thomas, en een vuurspuwende berg, die altijd in werking is en op de nieuwste kaarten aangeteekend staat, verheft zich midden op het eiland. Dit moest de vulkaan wezen die Kayette het eerst in het oog gekregen had en waarvan zij in de duisternis het vurige schijnsel onderscheidden.
Nu zij dit wisten, viel het hun niet moeilijk den weg te bepalen dien de ijsschots, na de Behringstraat uitgedreven te zijn, had afgelegd. Eerst waren zij de kust rond en kaap Serdtse-Kamen rondgevoerd, vervolgens voorbij Kolioutchine-baai, het voorgebergte Wankarem en de Noordkaap, en eindelijk waren zij de Long-straat ingestevend, die Wrangel-eiland en de kust van het Tchouktchi-land van elkaar scheidt.
Welken kant hun ijsveld op zou gaan nadat het door den stroom de Longstraat weder uitgedreven was, konden zij bij geen mogelijkheid vooruit weten. Sergius wist, en het maakte hem niet weinig ongerust, dat er in het Noorden geen ander land meer op de kaart vermeld staat en dat de grens der ijszee gevormd wordt door het onmetelijke ijsveld, dat nimmer losraakt en te midden waarvan de Noordpool gelegen is.
De eenige kans op redding die hun scheen overteblijven, was als het veel kouder werd en de geheele zee dientengevolge dichtvroor. Het kon niet lang meer duren of dit moest gebeuren, want in gewoneomstandigheden zou het reeds sedert ettelijke weken geschied zijn. Vóór dat zij aan den rand van het vaste ijsveld gekomen waren zou hunne schots dan tot stilstand komen, en over de achter hen gevormde ijsvlakte zouden zij in zuidelijke richting moeten trachten het vasteland weder te bereiken. Dit zou echter niet anders te doen zijn dan door deSchoone Zwerfsterin den steek te laten, en het was bijna iets onmogelijks, zonder eenig onderkomen, dien langen tocht over het ijs afteleggen.
De wind bleef immer Oost, maar ofschoon het geen storm meer was, woei het nog hard. Door de windvlagen opgezweept, kwamen aanhoudend de woeste golven op hun ijsveld breken, zoodat de buitenste rand voortdurend een weinig afbrokkelde. Dit had echter niet veel te beteekenen, maar het zeewater, stuitende op het ijs, vloog er overheen en overdekte het, even als de golven over het dek van een lenzend schip vliegen. Dit ging met zulke schokken gepaard dat het ijsveld tot op het dikste gedeelte er van dreunde en kraakte, en het telkens scheen alsof het in stukken zou breken. Die stortzeeën kwamen tot in de onmiddellijke nabijheid van deSchoone Zwerfsteren dreigden den wagen, met alles wat er zich in of bij bevond, voort te sleuren.
Om dit te voorkomen moesten er weder voorzorgen genomen worden. Sergius gaf het denkbeeld aan de hand om de sneeuw, die sedert het begin van November in groote massa’s gevallen was, op te hoopen tot eene soort van dijk aan den achterkant van het ijsveld, waar de golven het meest van daan kwamen. Allen togen aan het werk om dit tot stand te brengen. De sneeuw werd stevig aangestampt en opgestapeld tot eene hoogte van een voet of vier vijf. Zoodoende maakten zij eenen muur van eenige voeten dikte, die eene borstwering vormde waar de golven niet overheen konden, zoodat alleen het opspattende schuim nog nu en dan den wagen overdekte. Op dezelfde manier wordt aan den achtersteven van een lenzend schip dikwijls eene nood-verschansing gemaakt om de stortzeeën af te weren.
Terwijl zij aan dit werk bezig waren, gooiden Sander en Napoleona elkander dikwijls met sneeuwballen, waarbij zij Kruidnagel’s rug nog al eens tot mikpunt kozen. Voor zulk een kinderspel was het eigenlijk nu geen geschikte gelegenheid, maar Cascabel liet hen begaan, tot op zekeren dag toen een sneeuwbal, die niet goed gemikt werd, bij ongeluk op Sergius’ hoed terechtkwam.
—Wie is de stommerik die dat doet? riep Cesar.
—Ik heb het gedaan vader, antwoordde Napoleona heelemaal ontdaan over hare onhandigheid.
Zij maakten eene borstwering, waar de golven niet overheen konden. (Zie bladz. 44.)Zij maakten eene borstwering, waar de golven niet overheen konden. (Zie bladz.44.)
Zij maakten eene borstwering, waar de golven niet overheen konden. (Zie bladz.44.)
—Nu, dan ben jij de stommerik, zeide Cascabel. MijnheerSergius, gij moet het die ondeugende meid niet kwalijk nemen.
—Wel, het komt er niets op aan, antwoordde Sergius. Laat zij het maar komen afzoenen, dan is het alsof er niets gebeurd is.
Zoo geschiedde het en daarmede was het uit.
Zij hadden nu eenen dijk aan den achterkant van het ijsveld opgeworpen, maar voltooiden dien vervolgens in alle richtingen, zoodat deSchoone Zwerfsteromgeven werd met eene soort van ijsdam, waardoor de wagen van alle kanten beschut stond. De wielen waren tot aan de assen in de sneeuw bedolven en voor omvallen bestond dus geen gevaar meer. Tusschen de borstwering en den wagen lieten zij een nauwe gang open, zoodat er eene kleine ruimte vrij bleef om te loopen. Het leek nu een schip, dat te midden van ijsbergen overwintert en waarvan de buitenkant door eene dikke sneeuwlaag tegen de koude en de stormvlagen beschut wordt. Zoo lang de ijsschots zelve niet begon te zinken, liepen de schipbreukelingen dus geen gevaar meer om door de golven weggesleurd te worden, en dank zij deze voorzorgen konden zij het tijdstip afwachten dat de vorst weder zou intreden, hetgeen in de poolstreken toch altijd eenmaal, en dan voor geruimen tijd, gebeurt.
Maar als dit oogenblik aanbrak, dan zouden zij hunne schuilplaats verlaten moeten om het land weder optezoeken. Het huis op wielen, dat zijnen bewoners in alle gewesten van de Nieuwe Wereld eene veilige woonstede geweest was, zouden zij, tusschen het ijs en de sneeuw bekneld, moeten achterlaten. Als de zomer weer aanbrak en het ijs in de poolzee begon te smelten, zou deSchoone Zwerfsterdieper en dieper in de weeke massa bedolven raken om eindelijk door de golven verzwolgen te worden!
Als Cascabel hieraan begon te denken, hoe geneigd hij ook anders was om van alle dingen den goeden kant te zien, rukte hij zich de haren van wanhoop uit het hoofd en verwenschte hij het ongeluk dat hem vervolgde. Hij gaf er zichzelven de schuld van en vergat dat alles alleen het gevolg was van de schurkenstreek waardoor hij in den bergpas der Sierra Nevada van zijne spaarpenningen beroofd was. De schavuiten die dat gedaan hadden, waren verantwoordelijk voor al het kwaad dat uit hunne schelmerij voortvloeide.
Het baatte niet of de moedige Cornelia haar best deed om haren man optebeuren, eerst door vriendelijke woorden en later door hem hard toetespreken, in de hoop dat hij, door zich driftig te maken, zijne oude geestkracht terug zou krijgen. Het hielp niet of zijne kinderen en zelfs Kruidnagel hem zeiden dat zij even goed als hij verantwoordelijk waren voor hetgeen zij gezamenlijk besloten engedaan hadden. De reis was immers, zeiden zij, ondernomen, met aller goedvinden. Ook Sergius en Kayette, het “kwakkeltje” zooals Cascabel haar bleef noemen, voegden zich bij de anderen om hem moed in te spreken. Hij wilde naar geen rede luisteren.
—Zijt ge dan geen man meer? vroeg Cornelia hem op zekeren dag, waarbij zij hem bij den arm greep en terdege heen en weer schudde.
—Zeker ben ik niet zooveel mans als jij, antwoordde Cesar mismoedig en schoof weer in zijnen hoek, waar deze ontboezeming zijner wederhelft hem uit te voorschijn gehaald had.
De waarheid was echter dat moeder Cascabel even weinig op haar gemak was als haar man; maar zij begreep beter dan iemand anders hoe noodzakelijk het was het hoofd van het gezin, die altijd zoo blijmoedig den tegenspoed weerstaan had, uit zijne neerslachtigheid optewekken.
Sergius begon zich langzamerhand ook ongerust te maken over het proviand. Zij moesten niet alleen te eten hebben tot op het oogenblik dat zij hunnen tocht over de ijsvlakte zouden aanvangen, maar ook tot op den dag dat de karavaan op de Siberische kust kon aanlanden. Op de jacht viel in het geheel niet te rekenen, want de zeevogels, die te midden der ondoordringbare nevels nog over hunne hoofden vlogen, werden hoe langer hoe zeldzamer. Het werd dus noodzakelijk geacht allen op rantsoen te stellen, teneinde op den langdurigen tocht, dien zij nog te doen konden hebben, voorbereid te wezen.
Onder deze omstandigheden kwam de ijsschots, waarop zij dreven, altijd door den stroom voortgesleept wordende, op de hoogte van de Ayo-eilanden, die tegenover de noordkust van Azië gelegen zijn.
IV.Van den 16dennovember tot den 2dendecember.Alleen op grond van eene gissing, geloofde Sergius deze eilandengroep te onderkennen. In verband met zijne waarnemingen, had hij zijn best gedaan om te berekenen hoeveel zij afdreven, hetgeen gemiddeld ongeveer vijftien mijlen in het etmaal wezen kon.De Ayo-archipel, dien zij echter niet in het gezicht kregen, ligt volgens de kaart op 150° lengte en 75° breedte en derhalve op ongeveer honderd mijlen afstands van de kust.Sergius vergiste zich in zijne berekening niet. Den 16denNovember kwam het ijsveld zuidelijk van deze eilandengroep, maar op welk eenen afstand wist hij niet te bepalen. Al had hij de instrumenten tot zijne beschikking gehad die op zee gebruikt worden om de vaart van schepen op de kaart af te zetten, had hij daarmede toch nog niets kunnen aanvangen, want de zon vertoonde zich slechts gedurende enkele minuten tusschen de nevelen die de kim bedekten. Daarop kon dus geene lengte- of breedtebepaling gedaan worden. Zij waren nu voorgoed in den nimmer eindigenden nacht der poollanden gekomen.Het weder bleef even onaangenaam, al begon het ook langzamerhand kouder te worden. Het kwik in de thermometerbuis schommelde een weinig boven het vriespunt op en neer. Dit was nog lang niet voldoende om de ijsklompen, die op den zeespiegel drijvende waren, aan elkander te doen vriezen. Nog altijd ontmoettehunne ijsschots dus nog geen hinderpaal op haren zwerftocht over den oceaan.Alleen vertoonden er zich tusschen de inkepingen aan den rand der schots van die ijsvliezen, welke baai-ijs genoemd worden door de strandbewoners, die daarin een voorteeken zien van de in aantocht zijnde harde vorst. Sergius en Jan gaven nauwkeurig acht op dit verschijnsel, dat binnen korter of langer tijd de geheele oppervlakte der zee met eene dunne ijslaag overdekken moest. Kwam het zoo ver, dan zou het ijs-seizoen voorgoed zijn ingetreden en kwam er ook, als men het zoo noemen wil, eene verandering “ten goede” in den toestand onzer schipbreukelingen. Zij verlangden er ten minste naar.In de tweede helft van November sneeuwde het bijna aanhoudend en met dichte vlokken, die door den wind bijna evenwijdig met de zee voortgedreven, in dichte hoopen zich opstapelden tegen en op den rondom deSchoone Zwerfsteropgeworpen muur. Deze werd dientengevolge aanmerkelijk hooger.Dit leverde echter geen bezwaar op en zelfs gaf het eene betere beschutting voor de koude, wat een niet te versmaden voorrecht was. Cornelia kon nu zuiniger met hare brandstoffen omgaan en die alleen gebruiken om te koken. Zij had hier al meermalen ernstig over nagedacht, want wat zouden zij moeten beginnen als hun voorraad opraakte?Gelukkig ondervonden zij binnen den reiswagen nog weinig last van koude, want de thermometer bleef daar een graad of drie, vier boven het vriespunt. Naarmate deSchoone Zwerfstermeer onder de sneeuw bedolven raakte, werd het binnen zelfs warmer. Wat zij dus nu te vreezen hadden was niet de koude, maar veeleer gebrek aan lucht, wanneer alle openingen verstopt mochten raken.Teneinde dit te voorkomen, moest de sneeuw gedeeltelijk weggeruimd worden en van dezen vermoeienden arbeid kregen zij allen weder hunne portie.Zij begonnen met de gang vrij te maken die binnen de borstwering rondom den wagen opengehouden was, vervolgens maakten zij eenen uitgang door den muur naar buiten, waarbij zorg gedragen werd dat deze naar het Westen zich opende zoodat de sneeuw, die met den oostenwind werd aangevoerd, het gat niet weder dicht kon maken.Indien zij echter meenden dit gevaar te boven te zijn, rekenden zij buiten den waard. Dit zou spoedig daarna blijken.De schipbreukelingen verlieten nu evenmin gedurende den dag als bij nacht de kamertjes in den wagen, waar zij veilig beschut zaten tegen den wind zoowel als tegen de koude, die buiten langzamerhandvinniger begon te worden, Sergius en Jan deden hunne waarnemingen op de weinige oogenblikken waarin de zwakke zonnestralen de omgeving eenigszins verhelderden. Tot het tijdstip van den zonnestilstand, op den 21stenDecember, zou de zon nog steeds lager boven de kim zich verheffen. Voortdurend zagen zij te vergeefs uit naar den een of anderen walvischvaarder, die zij hoopten dat hier mocht overwinteren, of die in de nabijheid van de Behringstraat eene schuilplaats kwam zoeken. Iederen dag vonden zij zich opnieuw teleurgesteld in de hoop dat hunne ijsschots eindelijk vast zou raken aan een grooter ijsveld, waarover zij den vasten wal van Siberië konden bereiken. Mistroostig gingen zij, als hunne waarnemingen afgeloopen waren, naar binnen en poogden zij op de kaart de richting aftezetten waarheen zij gevoerd waren.Wij hebben reeds opgemerkt dat Sergius en Jan op de jacht geen enkel stuk eetbaar wild meester hadden kunnen worden, van het oogenblik af dat zij Port-Clarence verlaten hadden. Cornelia zou niets hebben kunnen aanvangen met zeevogels, die door hun traanachtigen smaak oneetbaar zijn en door geene kookkunst smakelijk zijn te maken. Ptarmigans en petrels zijn geen schot kruit waard en Jan begreep wijselijk dat hij zijnen voorraad beter kon gebruiken dan het op deze onsmakelijke beesten te verschieten.Zoo dikwijls hij echter buiten den wagen noodig had, nam hij, uit gewoonte, zijn geweer mede. Op den middag van den 26stenNovember vond hij werkelijk gelegenheid het te gebruiken. Buiten den wagen hoorden zij een schot vallen en bijna op hetzelfde oogenblik riep Jan met luider stem om hulp.Dit was iets heel ongewoons en zelfs eene reden tot ongerustheid. Zonder dralen snelden Cascabel, Sander, Kruidnagel en Sergius, door de honden gevolgd, naar buiten.—Hierheen, hierheen! riep Jan.Al roepende liep hij heen en weder, als of hij wilde beletten dat zijne prooi hem ontsnapte.—Wat is er gaande? vroeg Cascabel.—Ik heb een rob aangeschoten en als wij niet oppassen ontsnapt hij ons en zwemt weg.Het was een groot dier, dat Jan in de borst getroffen had. Het bloed stroomde uit de wonde over de sneeuw. Als Sergius en de anderen niet waren komen opdagen, zou de rob zeker ontglipt zijn. Kruidnagel ging het beest dapper te lijf, dat met eenen slag van zijn staart Sander reeds onderste boven had doen tuimelen. Niet zonder moeite hielden zij het in bedwang en Jan verbrijzelde het met eenen kolfslag de hersenpan.Voor de algemeene tafel in deSchoone Zwerfsterhad dit gerecht niet veel waarde, maar Wagram en Marengo konden zich geruimen tijd aan het vleesch te goed doen. Hadden de twee honden kunnen spreken, dan zouden zij Jan zeker bedankt hebben voor de tractatie die hij hen bezorgde.—Hoe of het eigenlijk komt dat beesten niet praten kunnen? vroeg Cascabel bij deze gelegenheid, toen zij allen weder bij het keukenfornuis gezeten waren.—Dat komt eenvoudig hier vandaan, antwoordde Sergius, dat zij geen verstand genoeg hebben om te spreken.—Gelooft gij dan, zeide Jan, dat de gave van te kunnen spreken het gevolg is van eene zekere hoeveelheid verstand?—Zonder eenigen twijfel, althans bij de hoogere dieren. Een hond, bij voorbeeld, heeft eene keel die juist zoo gevormd is als de keel van een mensch en hij zou even goed kunnen praten als deze. Dat hij het niet doet is alleen het gevolg hiervan, dat zijn denkvermogen niet genoeg ontwikkeld is om zijne gedachten in woorden uittedrukken.Deze bewering van Sergius is niet boven twijfel verheven, maar er zijn toch geleerden die hetzelfde volhouden.Wij mogen niet onvermeld laten dat Cascabel langzamerhand tot andere gedachten begon te komen. Wel bleef hij zich nog altijd verantwoordelijk voelen over den toestand waarin zij geraakt waren, maar zijne aangeboren kloekmoedigheid kreeg toch weder de overhand. Hij was zoo gewoon geraakt zich door alle moeilijkheden heen te slaan, dat hij aan geen onherstelbaren tegenspoed meer gelooven kon; zijn geluksster, meende hij, was slechts voor een korten tijd ondergegaan. Hier kwam bij dat geen der leden van zijn gezin tot dusver van de doorgestane ontberingen en vermoeienissen eenig lichamelijk letsel ondervonden had. Het grootste gevaar was hierin gelegen, dat als er niet spoedig verbetering kwam, hunne opgewektheid en hun moed misschien verloren zouden gaan.Teneinde dit te voorkomen, deed Sergius alles wat hij kon om zijne reisgenooten bezig te houden. Gedurende de vele uren waarin zij niets te doen hadden en bij het lamplicht rond de tafel gezeten waren, vertelde hij hen zijne reisavonturen op zijne tochten in Europa en Amerika. Jan en Kayette luisterden altijd met de meeste aandacht en leerden veel van hem, want Sergius wist op elke vraag een leerzaam antwoord te geven. Door de vele ervaring welke hij had opgedaan, kwam hij altijd tot deze slotsom:—Gij ziet dus mijne vrienden, dat wij geene reden hebben om den moed op te geven. Het stuk ijs waar wij ons op bevinden isstevig genoeg en nu het weer gaat vriezen, bestaat er geen gevaar meer dat het stuk zal gaan. Bovendien is het een geluk dat wij juist den kant opdrijven waar wij heen moeten en wij leggen dus dit gedeelte van onzen tocht afzonder ons te vermoeien, even alsof wij op een schip waren. Wij moeten maar geduld hebben; ten laatste komen wij zeker in eene goede haven terecht.—Wel, ik geloof dat niemand van ons daar aan twijfelt, antwoordde Cascabel, die zijne goede luim geheel terug gekregen had. Ik zou hier wel eens iemand willen zien die den moed opgeeft. Wie dat durft te doen zonder dat ik er het voorbeeld van geef, zet ik op water en brood.—Wij hebben niet eens brood, merkte Sander op.—Nu, dan op scheepsbeschuit en water. Bovendien krijgt hij geen uitgangkaartje als hij uit den wagen gaat.—Mooi praten! zeide Kruidnagel. Wij kunnen er niet uit.—Mond gehouden! Het is zooals ik gezegd heb.In de laatste week van November sneeuwde het vervaarlijk. Er vielen zulke pakken sneeuw en deze stapelden zich zoodanig op, dat niemand meer buiten kon komen en dit was oorzaak dat er bijna een groot ongeluk gebeurd was.Des ochtends van den 30stenNovember bespeurde Kruidnagel, toen hij wakker werd, dat het hem groote moeite kostte om adem te halen. Het was alsof er geen lucht meer in den wagen te krijgen was.De anderen lagen nog in hunne bedden in een diepen en benauwden slaap. Het was zoo bedompt in de vertrekjes dat Kruidnagel een gevoel had alsof hij stikken zou.Hij poogde de buitendeur open te maken om versche lucht te scheppen, maar zag er geen kans toe.—Heidaar, mijnheer Cascabel! riep hij zoo hard dat al de slapers in deSchoone Zwerfsteropschrikten.Sergius, Cascabel en de twee jongens sprongen op. Het eerste wat Jan zeide, was:—Maak de deur toch open! Ik stik hier.—Ik kan de deur niet open krijgen, antwoordde Kruidnagel.—Dan de raampjes.Dit ging evenmin, want de raampjes sloegen naar buiten op en het was niet mogelijk ze los te krijgen.In een oogenblik hadden zij met hun allen de deur uit hare hengels gelicht. Toen bleek het hoe het kwam dat zij niet open kon.De gang die zij rondom deSchoone Zwerfstervrijgelaten hadden, was geheel verstopt geraakt door de sneeuw die er zich gedurendeden nacht in opgehoopt had. Maar niet alleen de gang, ook de opening welke in den muur gemaakt was om naar buiten te kunnen komen, was door de sneeuw niet meer te vinden.—Zou de wind gedraaid zijn? vroeg Cascabel.—Dat denk ik niet, antwoordde Sergius. Als de wind West was, zou er zulk eene massa sneeuw niet gevallen zijn.—Dan moet ons ijsveld zelf omgedraaid zijn, meende Jan.—Dat houd ik voor het meest waarschijnlijk, bevestigde Sergius. Maar dat zullen wij later onderzoeken. Op het oogenblik is het zaak te zorgen dat wij niet stikken door gebrek aan lucht.Zonder langer te praten gingen Jan en Kruidnagel met eene schop en een houweel aan het werk om de gang weder open te krijgen. Dit was eene zware karrewei, want de harde en vaste sneeuw was tot boven deSchoone Zwerfsteropgestapeld, zoodat er bijna niets van den wagen meer te zien was.Zij moesten elkaar bij het werk dan ook spoedig aflossen. Er was geen ruimte om de sneeuw naar buiten te werpen en zij waren dus genoodzaakt die in het voorste vertrekje te storten, waar zij echter, tengevolge van de warmte die daar heerschte, spoedig smolt en als water weder naar buiten stroomde.Na een uur arbeids waren zij nog niet door de vaste sneeuwmassa heen. Zij kwamen dus nog niet in aanraking met de buitenlucht, konden in den wagen de lucht niet ververschen en het werd daar met iedere minuut benauwder, want de zuurstof werd hoe langer hoe minder en het koolzuur hoe langer hoe meer.Zij hijgden allen naar adem en snakten naar lucht in dezen bedorven dampkring. Kayette en Napoleona konden het nauwelijks meer uithouden, maar Cornelia had het duidelijk het ergst te kwaad. Kayette vergat zichzelve om moeder Cascabel zooveel zij kon verlichting te geven. Hadden zij maar een enkel raampje open kunnen krijgen, dan ware het voldoende geweest om een stroom van lucht binnen te laten komen, maar wij hebben reeds verteld dat dit niet kon.—Moed gehouden! riep Sergius. Wij hebben al zes voet in de sneeuw uitgegraven en heel dik kan de laag nu niet meer zijn.Dit moest inderdaad het geval wezen indien er geen sneeuw meer bij kwam. Maar zij wisten niet of het nog niet aanhoudend bleef voortsneeuwen.Cascabel kwam toen op het denkbeeld om niet langer recht vooruit, maar naar boven te graven, in welke richting de sneeuwlaag waarschijnlijk minder dik en dus ook minder vast moest wezen.Dit bleek werkelijk het geval te zijn. Het graven ging nu gemakkelijker.Zij maakten eene soort van koker en na nog een half uur arbeid, waren zij er door heen. De buitenlucht stroomde naar binnen.Het was hoog tijd. Zij hadden het niet lang meer kunnen uithouden.—Wat is dat heerlijk! riep Napoleona, terwijl zij diep ademhaalde.—Dat is nog lekkerder dan een taartje, zeide Sander likkebaardende.Het duurde echter nog eenigen tijd vóór dat Cornelia bijkwam uit de verdooving waarin zij door de benauwdheid geraakt was. Zij was bijna flauw gevallen.De opening werd nu wijder gemaakt en de mannen kropen er doorheen tot boven op den ijsmuur. Zoover het oog reikte was alles wit. DeSchoone Zwerfsterlag onder deze dikke laag geheel bedolven en was alleen nog te onderscheiden als eene vormelooze ophooging van het drijvende sneeuwveld.Met het kompas overtuigde Sergius zich dat de wind nog altijd Oost was, maar dat hunne ijsschots zich ten halve had omgekeerd, waardoor hare uiteinden in tegenovergestelde richtingwaren komente liggen. Hierdoor was het gekomen dat zoowel de gang als de opening in de borstwering door de sneeuw verstopt waren geraakt.De thermometer in de buitenlucht wees niet meer dan zes graden onder het vriespunt. De zee was geheel open, voor zoover zij er in de bijna volslagen duisternis over konden oordeelen. Men moet echter wel in het oog houden dat het ijsveld, waarschijnlijk door dat het een oogenblik in eene draaikolk gekomen was, zich omgedraaid had, maar dat het in dezelfde richting naar het Westen was blijven drijven.Na hetgeen er gebeurd was, wat zulke noodlottige gevolgen had kunnen hebben, begrepen zij dat er nieuwe voorzorgen genomen moesten worden. Sergius stelde voor om recht tegenover de bestaande opening in de borstwering er eene tweede te maken en ze beide dagelijks open te houden. Op die manier zou de buitenlucht altijd toegang hebben, onverschillig hoe de ligging van het ijsveld was.—Ik vind het best, antwoordde Cascabel. Maar dit moet ik toch zeggen dat ik nooit zoo’n gemeen land gezien heb als dit. Het is nauwelijks goed genoeg voor een walvisch. Dan is het beter in mijn Normandië.—Ik zal het niet tegenspreken, zeide Sergius. Maar wij moeten het nemen zooals het nu eenmaal is.—Jawel, mijnheer Sergius, zoo neem ik het ook, maar ik wou dat ik het alweer kwijt was!Zij maakten eene tweede opening in de borstwering. (Zie bladz. 54.)Zij maakten eene tweede opening in de borstwering. (Zie bladz.54.)Wel mocht onze brave Cascabel er over klagen! Dit was zeker niet zoo’n goed land als Normandië, maar ook niet als Zweden, als Noorwegen, als Finland zelfs, al zijn de winters daar ook nog zoo streng. Het was het onherbergzame Poolland, met zijnen nacht van vier maanden, zijne razende stormen, zijne wilde en verblindende sneeuwvlagen, zijne nimmer doorbrekende nevels, die de kim geen oogenblik vrij laten.Toch was dit alles nog maar een deel der onheilen die hen boven het hoofd konden hangen. Hield het ijsveld eenmaal op met drijven, doordat de geheele zee eene vaste vlakte geworden was, wat zou hen dan te doen staan? DeSchoone Zwerfsteraan haar lot overlaten, zonder toevluchtsoord de honderden mijlen afleggen die hen scheidden van de Siberische kust, dat was waarlijk iets waar zij nauwelijks aan denken konden. Dikwijls vroeg Sergius zich af of het nog niet beter zou zijn den winter door te brengen op dezelfde plek waar hunne ijsschots zou blijven liggen, en tot de zomer weder aanbrak eene schuilplaats te vinden onder het beschermende dak van dit huis op wielen, waarvan de wielen misschien nimmer meer zouden draaien. Als het niet anders kon, zou het zeker doenlijk geweest zijn om op deze manier den tijd der ergste koude door te komen. Maar vóór dat de temperatuur weder zachter werd, vóór dat de Poolzee begon te ontdooien, moesten zij toch de plek waar zij overwinterden verlaten en de lange ijswoestijn doortrekken, die anders weder in eene onbegaanbare zee veranderen zou.Op het oogenblik behoefde dit echter nog niet beslist te worden en onze schipbreukelingen konden gerust het laatste gedeelte van den winter afwachten. Zij moesten ook alvorens den tocht te aanvaarden, te weten zien te komen op welken afstand zij zich van het land bevonden, altijd aangenomen dat dit te berekenen was. Sergius hoopte dat het niet bijzonder ver zou zijn, want het ijsveld was onveranderlijk naar het Westen gedreven en aldus de kapen Kekournyi, Cheliagskyi en Baranof voorbij, en straat Long alsmede de Kolyma-baai doorgestevend.Jammer genoeg dat zij in de laatstgenoemde baai niet aangeland waren, want vandaar zou het hun betrekkelijk weinig moeite gekost hebben in het land der Joukaghirs te komen, en hier liggen Kabatchkova, Nyne-Kolymsk en andere bewoonde plaatsjes waar zij den winter hadden kunnen doorbrengen. Met een span rendieren hadden zij terug kunnen keeren naar de plek waar zij deSchoone Zwerfsterachterlieten, teneinde die in veilige haven te brengen. Maar het viel gemakkelijk te berekenen dat zij die baai reedsachter zich moesten hebben, in aanmerking genomen de snelheid van den stroom, en met de riviermondingen van de Tchoukotchia en de Alazeia moest hetzelfde het geval zijn. Niets kon hen nu meer tegenhouden, of het moest een van de eilanden zijn die tot den Anjou-Archipel, de Liakhoff- of de Long-groep behooren. De meeste van die eilanden zijn echter onbewoond en er zouden dus geen middelen te vinden zijn om de karavaan, met al haar toebehooren, op het vaste land terug te brengen. Toch was het aanlanden op zoo’n eiland nog te verkiezen boven het altijd verder drijven, tot waar het poolijs aan hunnen zwerftocht een einde maakte.November was nu voorbijgegaan. Negenendertig dagen was het geleden dat de familie Cascabel van Port-Clarence vertrokken was en zich op het ijs der Behringstraat gewaagd had. Ware de ijsvlakte niet losgegaan, dan zouden zij reeds vijf weken geleden te Numana den voet op vasten wal gezet hebben en dan hadden zij op dit oogenblik de winterkwartieren betrokken in een of ander dorp in zuidelijk Siberië, waar zij van den barren poolwinter niet veel hinder gehad zouden hebben.Intusschen moest het einde van hunnen zwerftocht nu weldra ophanden zijn. Het werd hoe langer hoe kouder, bestendig ging de thermometer naar beneden. Zorgvuldig achtgevende op den toestand van hun ijsveld, bevond Sergius dat dit voortdurend grooter werd door dat er zich los geraakte stukken van ijsbergen aan hechtten, waartusschen het zich eenen weg baande. Het had reeds een derde meer oppervlakte, en in den nacht van den 30stenNovember op den 1stenDecember kwam er een geweldig groot brok aan den achterkant tegenaan zitten. Dit stuk ijs lag tot op vrij groote diepte beneden den zeespiegel; de stroom had er dus meer vat op en deed het sneller voortdrijven dan hun ijsveld, waarvan het gevolg was dat dit laatste zich andermaal omdraaide en met den grooteren klomp ging mededrijven, even alsof het daardoor op sleeptouw genomen werd.Met het drogere en koudere weder was nu de lucht volkomen helder geworden. De wind was naar het noordoosten geloopen, hetgeen niet in hun nadeel was, want zij dreven zoodoende naar de kust toe. De lange nachten werden opgehelderd door den schitterenden sterrenhemel van de poolstreken en niet zelden werd de geheele omtrek verlicht door de vonkelende stralen van het noorderlicht dat zich waaiervormig aan de kim uitstrekte. Niets belemmerde dan het uitzicht, dan heel in de verte de buitenste punten van het vastzittende ijs. Op den minder donkeren achtergrond verhief deze blanke massa zich met hare spitse toppen, hare rondeheuvelruggen, hare naalden en torens, bijeengeschaard als een woud. Het was een verbazend schoon gezicht, zóoals er in deze door de natuur zoo misdeelde streken meer voorkomen en dat onze schipbreukelingen meer dan eens hun kommervollen toestand vergeten deed.Het was een verbazend schoon gezicht. (Zie bladz. 59.)Het was een verbazend schoon gezicht. (Zie bladz.59.)Nu de wind veranderd was, jaagde deze het ijs niet sneller meer voort en zij werden alleen nog medegesleept door de kracht van den stroom. Waarschijnlijk zou het ijsveld dus niet veel verder meer naar het Westen drijven, want tusschen de ijsbergen begon het zeewater zich reeds vast te zetten. Deze versche ijslaag brak echter bij den minsten schok. De ijsklompen bleven ongeregeld door elkander drijven, waarbij slechts nauwe doortochten open bleven, zoodat hunne schots dikwijls tegen grootere stukken aanbotste. Dan zaten zij eenige uren onbewegelijk, maar daarna raakten zij weder los en dreven op eigen gelegenheid verder. Maar zij konden zich er op voorbereiden dat hunne overwintering op eene en dezelfde plek spoedig eenen aanvang nemen zou.Den 3denDecember omstreeks den middag waren Sergius en Jan naar het voorste gedeelte van het ijsveld gegaan, gevolgd door Sander, Kayette en Napoleona, allen zorgvuldig in pelzen gewikkeld, want het was nu terdege koud. Aan de Zuiderkim vertoonde zich een weinig licht, het eenige teeken dat de zon zich boven den gezichteinder bevond. Voor het overige was alles in eene flauwe schemering gehuld, het laatste schijnsel van het noorderlicht, dat zeker op eene andere plek te zien was.Zij stonden eenigen tijd met aandacht naar de in beweging zijnde ijsbergen te kijken, die allerlei zonderlinge vormen vertoonden, ook nu en dan tegen elkander kwamen of onderste boven tuimelden wanneer zij, aan den onderkant door de zee afgeknaagd, hun evenwicht verloren.Op eens begon ook de ijsklomp, die kort te voren aan hunne schots vastgeraakt was, te waggelen en stortte omver, waarbij een stuk van hunne schots werd medegerukt en de zee een eind ver over het ijsveld stroomde.Allen waren zoo hard zij konden weggeloopen, maar op hetzelfde oogenblik hoorden zij angstkreten:—Help.... help.... Jan!Het hulpgeschrei kwam van Kayette. De plek waar zij stond was door den schok losgescheurd en dreef met haar weg.—Kayette!.... Kayette! riep Jan.Help!.... Help.... Jan! (Zie bladz. 59.)Help!.... Help.... Jan! (Zie bladz.59.)Maar het afgebroken stuk ijs was reeds door den stroom gegrepen en gleed langs den rand van het ijsveld, dat zelf in eene wielinggeraakt was en eenigen tijd op dezelfde plaats bleef ronddraaien. Nog eenige oogenblikken en zij zouden Kayette te midden der drijvende ijsbergen uit het oog verliezen.—Kayette!.... Kayette! herhaalde Jan.—Jan!... Jan! antwoordde de Indiaansche voor het laatst. Op het hooren van deze angstkreten waren ook Cornelia en Cascabel komen aanloopen. Zij stonden verstijfd van schrik evenals Sergius, die geen middel wist te bedenken om het arme meisje te hulp te komen.Op dit oogenblik was het stuk ijs, al drijvende, iets naderbij gekomen, zoodat nog maar eene strook water van een voet of zes hen van Kayette scheidde. Op eens, vóór dat iemand hem kon tegenhouden, nam Jan eenen sprong, die hem naast het meisje te land deed komen.—Mijn zoon... mijn zoon! gilde Cornelia.Zij waren nu geen van beiden te naderen. Door den sprong had Jan het stuk ijs, waar Kayette op stond, een eind ver doen terug deinzen; het werd spoedig tusschen de andere ijsklompen medegesleept en hun hulpgeroep verloor zich in de ruimte.Nog twee uren bleven de anderen wachten, maar toen werd het geheel duister en waren zij verplicht naar hunne schuilplaats terug te keeren. De ongelukkigen brachten den nacht slapeloos door, terwijl zij in den omtrek van deSchoone Zwerfsterbleven dwalen. De honden huilden jammerlijk. Wat moest er van Jan en Kayette worden, zonder onderkomen, zonder voedsel en alleen in den duisteren nacht! Het eene uur ging na het andere voorbij, onder jammeren en schreien. Cascabel was door dit ongeluk als verpletterd, hij liet niets dan onsamenhangende woorden hooren, waarin hij andermaal zichzelf de schuld gaf van al den jammer dien hij door zijne lichtzinnigheid, zooals hij zeide, over zijn gezin gebracht had. Sergius was niet in staat hem troost te bieden; hij had zelf al zijne geestkracht noodig om zich niet aan de wanhoop over te geven.Den volgenden ochtend tegen acht uur—dat was op den 4denDecember—raakte hun ijsveld weder drijvende, na den geheelen nacht te midden der elkander kruisende stroomingen niet van plaats veranderd te zijn. Het ging nu weder den kant op waar zij Jan en Kayette uit zicht verloren hadden, maar deze waren achttien uren vóór en er was dus geene hoop hen achterop te komen of terug te vinden. Zij waren trouwens aan alle kanten van gevaren omringd; de koude was te fel om er langen tijd in te kunnen leven; zij hadden geen eten bij zich en dreven voort, omringd van ijsbergen,waarvan de kleinste groot genoeg was om hunne schots als een stuk glas te verbrijzelen.Wij beproeven niet de droefheid der familie Cascabel te beschrijven. Ondanks de nijpende koude waren zij geen van allen naar binnen gegaan; zij bleven steeds om Kayette en Jan roepen, ofschoon zij wisten dat die veel te ver waren om hen te kunnen hooren.De dag liep ten einde zonder dat er eenige verandering kwam. Het werd weder nacht en nu drong Sergius toch bij allen aan dat zij zich in deSchoone Zwerfstermoesten begeven. Maar aan slapen kon niemand hunner een oogenblik denken.Plotseling, te drie uur in den ochtend, kreeg de wagen een geweldigen schok, zóó hard dat hij bijna omver viel. Wat was er nu weder gebeurd? Zou er misschien een groote ijsberg tegen hun ijsveld aangekomen zijn en dit in stukken gebroken hebben?Sergius snelde naar buiten.De laatste stralen van het noorderlicht maakten het mogelijk op eenen afstand van eene halve mijl in de rondte alle voorwerpen te onderscheiden.In alle richtingen liet Sergius zijne blikken gaan. Maar van Jan of Kayette was niets te bespeuren.De schok, dien zij gevoeld hadden, was teweeggebracht doordat hunne schots tegen een groot ijsveld aangekomen was. De temperatuur was nu gedaald tot twintig graden beneden het vriespunt; de geheele zee was ééne ijsvlakte geworden en waar den avond te voren alles nog in beweging was, zag men nu niets dan eene roerlooze ijswoestijn. Zij waren voorgoed tot stilstand gekomen.Sergius ging naar binnen en verhaalde aan de anderen wat er gebeurd was.—Dus ligt de geheele zee vóór ons nu vastgevroren? vroeg Cascabel.—Vóór ons, achter ons en in alle richtingen, antwoordde Sergius.—Welnu, dan moeten wij gaan zien of wij Jan en Kayette niet terug kunnen vinden. Laat ons geen oogenblik wachten.—Op weg dan maar! hernam Sergius.Cornelia en Napoleona wilden evenmin in deSchoone Zwerfsterachterblijven. Die werd dus aan de hoede van Kruidnagel toevertrouwd en de anderen gingen op marsch, voorafgegaan door de twee honden die over het ijs liepen te snuffelen.Het ijs was zoo hard als graniet. Zij sloegen den kant van het Westen in. Indien Wagram en Marengo het spoor van Jan wisten te vinden, dan zouden zij het ook wel volgen. Na een half uurloopens hadden zij echter nog niets ontdekt en moesten zij stil houden, want in deze koude, waar zelfs de lucht als bevroren is, raakt men spoedig buiten adem.Naar het Noorden, Zuiden en Oosten strekte het ijs zich als eene effene vlakte uit, maar in het Westen vertoonden zich eenige hoogten, die niet den gewonen vorm der ijsbergen hadden. Misschien konden dit heuvels zijn, op een eiland of op het vasteland gelegen.Op dit oogenblik begonnen de honden hard te blaffen en snelden zij naar eene besneeuwde verhevenheid toe, waarop zich eenige zwarte stippen vertoonden.De tocht werd hervat en nu bemerkte Sander spoedig dat twee van die stippen teekenen schenen te geven.—Jan,.... Kayette! riep hij en snelde er op af, door Wagram en Marengo gevolgd.Het waren inderdaad Kayette en Jan, beide springlevend.Maar zij waren niet alleen. Een troep inboorlingen stond rondom hen geschaard en dit waren bewoners van de Liakhoff-eilanden.
Alleen op grond van eene gissing, geloofde Sergius deze eilandengroep te onderkennen. In verband met zijne waarnemingen, had hij zijn best gedaan om te berekenen hoeveel zij afdreven, hetgeen gemiddeld ongeveer vijftien mijlen in het etmaal wezen kon.
De Ayo-archipel, dien zij echter niet in het gezicht kregen, ligt volgens de kaart op 150° lengte en 75° breedte en derhalve op ongeveer honderd mijlen afstands van de kust.
Sergius vergiste zich in zijne berekening niet. Den 16denNovember kwam het ijsveld zuidelijk van deze eilandengroep, maar op welk eenen afstand wist hij niet te bepalen. Al had hij de instrumenten tot zijne beschikking gehad die op zee gebruikt worden om de vaart van schepen op de kaart af te zetten, had hij daarmede toch nog niets kunnen aanvangen, want de zon vertoonde zich slechts gedurende enkele minuten tusschen de nevelen die de kim bedekten. Daarop kon dus geene lengte- of breedtebepaling gedaan worden. Zij waren nu voorgoed in den nimmer eindigenden nacht der poollanden gekomen.
Het weder bleef even onaangenaam, al begon het ook langzamerhand kouder te worden. Het kwik in de thermometerbuis schommelde een weinig boven het vriespunt op en neer. Dit was nog lang niet voldoende om de ijsklompen, die op den zeespiegel drijvende waren, aan elkander te doen vriezen. Nog altijd ontmoettehunne ijsschots dus nog geen hinderpaal op haren zwerftocht over den oceaan.
Alleen vertoonden er zich tusschen de inkepingen aan den rand der schots van die ijsvliezen, welke baai-ijs genoemd worden door de strandbewoners, die daarin een voorteeken zien van de in aantocht zijnde harde vorst. Sergius en Jan gaven nauwkeurig acht op dit verschijnsel, dat binnen korter of langer tijd de geheele oppervlakte der zee met eene dunne ijslaag overdekken moest. Kwam het zoo ver, dan zou het ijs-seizoen voorgoed zijn ingetreden en kwam er ook, als men het zoo noemen wil, eene verandering “ten goede” in den toestand onzer schipbreukelingen. Zij verlangden er ten minste naar.
In de tweede helft van November sneeuwde het bijna aanhoudend en met dichte vlokken, die door den wind bijna evenwijdig met de zee voortgedreven, in dichte hoopen zich opstapelden tegen en op den rondom deSchoone Zwerfsteropgeworpen muur. Deze werd dientengevolge aanmerkelijk hooger.
Dit leverde echter geen bezwaar op en zelfs gaf het eene betere beschutting voor de koude, wat een niet te versmaden voorrecht was. Cornelia kon nu zuiniger met hare brandstoffen omgaan en die alleen gebruiken om te koken. Zij had hier al meermalen ernstig over nagedacht, want wat zouden zij moeten beginnen als hun voorraad opraakte?
Gelukkig ondervonden zij binnen den reiswagen nog weinig last van koude, want de thermometer bleef daar een graad of drie, vier boven het vriespunt. Naarmate deSchoone Zwerfstermeer onder de sneeuw bedolven raakte, werd het binnen zelfs warmer. Wat zij dus nu te vreezen hadden was niet de koude, maar veeleer gebrek aan lucht, wanneer alle openingen verstopt mochten raken.
Teneinde dit te voorkomen, moest de sneeuw gedeeltelijk weggeruimd worden en van dezen vermoeienden arbeid kregen zij allen weder hunne portie.
Zij begonnen met de gang vrij te maken die binnen de borstwering rondom den wagen opengehouden was, vervolgens maakten zij eenen uitgang door den muur naar buiten, waarbij zorg gedragen werd dat deze naar het Westen zich opende zoodat de sneeuw, die met den oostenwind werd aangevoerd, het gat niet weder dicht kon maken.
Indien zij echter meenden dit gevaar te boven te zijn, rekenden zij buiten den waard. Dit zou spoedig daarna blijken.
De schipbreukelingen verlieten nu evenmin gedurende den dag als bij nacht de kamertjes in den wagen, waar zij veilig beschut zaten tegen den wind zoowel als tegen de koude, die buiten langzamerhandvinniger begon te worden, Sergius en Jan deden hunne waarnemingen op de weinige oogenblikken waarin de zwakke zonnestralen de omgeving eenigszins verhelderden. Tot het tijdstip van den zonnestilstand, op den 21stenDecember, zou de zon nog steeds lager boven de kim zich verheffen. Voortdurend zagen zij te vergeefs uit naar den een of anderen walvischvaarder, die zij hoopten dat hier mocht overwinteren, of die in de nabijheid van de Behringstraat eene schuilplaats kwam zoeken. Iederen dag vonden zij zich opnieuw teleurgesteld in de hoop dat hunne ijsschots eindelijk vast zou raken aan een grooter ijsveld, waarover zij den vasten wal van Siberië konden bereiken. Mistroostig gingen zij, als hunne waarnemingen afgeloopen waren, naar binnen en poogden zij op de kaart de richting aftezetten waarheen zij gevoerd waren.
Wij hebben reeds opgemerkt dat Sergius en Jan op de jacht geen enkel stuk eetbaar wild meester hadden kunnen worden, van het oogenblik af dat zij Port-Clarence verlaten hadden. Cornelia zou niets hebben kunnen aanvangen met zeevogels, die door hun traanachtigen smaak oneetbaar zijn en door geene kookkunst smakelijk zijn te maken. Ptarmigans en petrels zijn geen schot kruit waard en Jan begreep wijselijk dat hij zijnen voorraad beter kon gebruiken dan het op deze onsmakelijke beesten te verschieten.
Zoo dikwijls hij echter buiten den wagen noodig had, nam hij, uit gewoonte, zijn geweer mede. Op den middag van den 26stenNovember vond hij werkelijk gelegenheid het te gebruiken. Buiten den wagen hoorden zij een schot vallen en bijna op hetzelfde oogenblik riep Jan met luider stem om hulp.
Dit was iets heel ongewoons en zelfs eene reden tot ongerustheid. Zonder dralen snelden Cascabel, Sander, Kruidnagel en Sergius, door de honden gevolgd, naar buiten.
—Hierheen, hierheen! riep Jan.
Al roepende liep hij heen en weder, als of hij wilde beletten dat zijne prooi hem ontsnapte.
—Wat is er gaande? vroeg Cascabel.
—Ik heb een rob aangeschoten en als wij niet oppassen ontsnapt hij ons en zwemt weg.
Het was een groot dier, dat Jan in de borst getroffen had. Het bloed stroomde uit de wonde over de sneeuw. Als Sergius en de anderen niet waren komen opdagen, zou de rob zeker ontglipt zijn. Kruidnagel ging het beest dapper te lijf, dat met eenen slag van zijn staart Sander reeds onderste boven had doen tuimelen. Niet zonder moeite hielden zij het in bedwang en Jan verbrijzelde het met eenen kolfslag de hersenpan.
Voor de algemeene tafel in deSchoone Zwerfsterhad dit gerecht niet veel waarde, maar Wagram en Marengo konden zich geruimen tijd aan het vleesch te goed doen. Hadden de twee honden kunnen spreken, dan zouden zij Jan zeker bedankt hebben voor de tractatie die hij hen bezorgde.
—Hoe of het eigenlijk komt dat beesten niet praten kunnen? vroeg Cascabel bij deze gelegenheid, toen zij allen weder bij het keukenfornuis gezeten waren.
—Dat komt eenvoudig hier vandaan, antwoordde Sergius, dat zij geen verstand genoeg hebben om te spreken.
—Gelooft gij dan, zeide Jan, dat de gave van te kunnen spreken het gevolg is van eene zekere hoeveelheid verstand?
—Zonder eenigen twijfel, althans bij de hoogere dieren. Een hond, bij voorbeeld, heeft eene keel die juist zoo gevormd is als de keel van een mensch en hij zou even goed kunnen praten als deze. Dat hij het niet doet is alleen het gevolg hiervan, dat zijn denkvermogen niet genoeg ontwikkeld is om zijne gedachten in woorden uittedrukken.
Deze bewering van Sergius is niet boven twijfel verheven, maar er zijn toch geleerden die hetzelfde volhouden.
Wij mogen niet onvermeld laten dat Cascabel langzamerhand tot andere gedachten begon te komen. Wel bleef hij zich nog altijd verantwoordelijk voelen over den toestand waarin zij geraakt waren, maar zijne aangeboren kloekmoedigheid kreeg toch weder de overhand. Hij was zoo gewoon geraakt zich door alle moeilijkheden heen te slaan, dat hij aan geen onherstelbaren tegenspoed meer gelooven kon; zijn geluksster, meende hij, was slechts voor een korten tijd ondergegaan. Hier kwam bij dat geen der leden van zijn gezin tot dusver van de doorgestane ontberingen en vermoeienissen eenig lichamelijk letsel ondervonden had. Het grootste gevaar was hierin gelegen, dat als er niet spoedig verbetering kwam, hunne opgewektheid en hun moed misschien verloren zouden gaan.
Teneinde dit te voorkomen, deed Sergius alles wat hij kon om zijne reisgenooten bezig te houden. Gedurende de vele uren waarin zij niets te doen hadden en bij het lamplicht rond de tafel gezeten waren, vertelde hij hen zijne reisavonturen op zijne tochten in Europa en Amerika. Jan en Kayette luisterden altijd met de meeste aandacht en leerden veel van hem, want Sergius wist op elke vraag een leerzaam antwoord te geven. Door de vele ervaring welke hij had opgedaan, kwam hij altijd tot deze slotsom:
—Gij ziet dus mijne vrienden, dat wij geene reden hebben om den moed op te geven. Het stuk ijs waar wij ons op bevinden isstevig genoeg en nu het weer gaat vriezen, bestaat er geen gevaar meer dat het stuk zal gaan. Bovendien is het een geluk dat wij juist den kant opdrijven waar wij heen moeten en wij leggen dus dit gedeelte van onzen tocht afzonder ons te vermoeien, even alsof wij op een schip waren. Wij moeten maar geduld hebben; ten laatste komen wij zeker in eene goede haven terecht.
—Wel, ik geloof dat niemand van ons daar aan twijfelt, antwoordde Cascabel, die zijne goede luim geheel terug gekregen had. Ik zou hier wel eens iemand willen zien die den moed opgeeft. Wie dat durft te doen zonder dat ik er het voorbeeld van geef, zet ik op water en brood.
—Wij hebben niet eens brood, merkte Sander op.
—Nu, dan op scheepsbeschuit en water. Bovendien krijgt hij geen uitgangkaartje als hij uit den wagen gaat.
—Mooi praten! zeide Kruidnagel. Wij kunnen er niet uit.
—Mond gehouden! Het is zooals ik gezegd heb.
In de laatste week van November sneeuwde het vervaarlijk. Er vielen zulke pakken sneeuw en deze stapelden zich zoodanig op, dat niemand meer buiten kon komen en dit was oorzaak dat er bijna een groot ongeluk gebeurd was.
Des ochtends van den 30stenNovember bespeurde Kruidnagel, toen hij wakker werd, dat het hem groote moeite kostte om adem te halen. Het was alsof er geen lucht meer in den wagen te krijgen was.
De anderen lagen nog in hunne bedden in een diepen en benauwden slaap. Het was zoo bedompt in de vertrekjes dat Kruidnagel een gevoel had alsof hij stikken zou.
Hij poogde de buitendeur open te maken om versche lucht te scheppen, maar zag er geen kans toe.
—Heidaar, mijnheer Cascabel! riep hij zoo hard dat al de slapers in deSchoone Zwerfsteropschrikten.
Sergius, Cascabel en de twee jongens sprongen op. Het eerste wat Jan zeide, was:
—Maak de deur toch open! Ik stik hier.
—Ik kan de deur niet open krijgen, antwoordde Kruidnagel.
—Dan de raampjes.
Dit ging evenmin, want de raampjes sloegen naar buiten op en het was niet mogelijk ze los te krijgen.
In een oogenblik hadden zij met hun allen de deur uit hare hengels gelicht. Toen bleek het hoe het kwam dat zij niet open kon.
De gang die zij rondom deSchoone Zwerfstervrijgelaten hadden, was geheel verstopt geraakt door de sneeuw die er zich gedurendeden nacht in opgehoopt had. Maar niet alleen de gang, ook de opening welke in den muur gemaakt was om naar buiten te kunnen komen, was door de sneeuw niet meer te vinden.
—Zou de wind gedraaid zijn? vroeg Cascabel.
—Dat denk ik niet, antwoordde Sergius. Als de wind West was, zou er zulk eene massa sneeuw niet gevallen zijn.
—Dan moet ons ijsveld zelf omgedraaid zijn, meende Jan.
—Dat houd ik voor het meest waarschijnlijk, bevestigde Sergius. Maar dat zullen wij later onderzoeken. Op het oogenblik is het zaak te zorgen dat wij niet stikken door gebrek aan lucht.
Zonder langer te praten gingen Jan en Kruidnagel met eene schop en een houweel aan het werk om de gang weder open te krijgen. Dit was eene zware karrewei, want de harde en vaste sneeuw was tot boven deSchoone Zwerfsteropgestapeld, zoodat er bijna niets van den wagen meer te zien was.
Zij moesten elkaar bij het werk dan ook spoedig aflossen. Er was geen ruimte om de sneeuw naar buiten te werpen en zij waren dus genoodzaakt die in het voorste vertrekje te storten, waar zij echter, tengevolge van de warmte die daar heerschte, spoedig smolt en als water weder naar buiten stroomde.
Na een uur arbeids waren zij nog niet door de vaste sneeuwmassa heen. Zij kwamen dus nog niet in aanraking met de buitenlucht, konden in den wagen de lucht niet ververschen en het werd daar met iedere minuut benauwder, want de zuurstof werd hoe langer hoe minder en het koolzuur hoe langer hoe meer.
Zij hijgden allen naar adem en snakten naar lucht in dezen bedorven dampkring. Kayette en Napoleona konden het nauwelijks meer uithouden, maar Cornelia had het duidelijk het ergst te kwaad. Kayette vergat zichzelve om moeder Cascabel zooveel zij kon verlichting te geven. Hadden zij maar een enkel raampje open kunnen krijgen, dan ware het voldoende geweest om een stroom van lucht binnen te laten komen, maar wij hebben reeds verteld dat dit niet kon.
—Moed gehouden! riep Sergius. Wij hebben al zes voet in de sneeuw uitgegraven en heel dik kan de laag nu niet meer zijn.
Dit moest inderdaad het geval wezen indien er geen sneeuw meer bij kwam. Maar zij wisten niet of het nog niet aanhoudend bleef voortsneeuwen.
Cascabel kwam toen op het denkbeeld om niet langer recht vooruit, maar naar boven te graven, in welke richting de sneeuwlaag waarschijnlijk minder dik en dus ook minder vast moest wezen.
Dit bleek werkelijk het geval te zijn. Het graven ging nu gemakkelijker.Zij maakten eene soort van koker en na nog een half uur arbeid, waren zij er door heen. De buitenlucht stroomde naar binnen.
Het was hoog tijd. Zij hadden het niet lang meer kunnen uithouden.
—Wat is dat heerlijk! riep Napoleona, terwijl zij diep ademhaalde.
—Dat is nog lekkerder dan een taartje, zeide Sander likkebaardende.
Het duurde echter nog eenigen tijd vóór dat Cornelia bijkwam uit de verdooving waarin zij door de benauwdheid geraakt was. Zij was bijna flauw gevallen.
De opening werd nu wijder gemaakt en de mannen kropen er doorheen tot boven op den ijsmuur. Zoover het oog reikte was alles wit. DeSchoone Zwerfsterlag onder deze dikke laag geheel bedolven en was alleen nog te onderscheiden als eene vormelooze ophooging van het drijvende sneeuwveld.
Met het kompas overtuigde Sergius zich dat de wind nog altijd Oost was, maar dat hunne ijsschots zich ten halve had omgekeerd, waardoor hare uiteinden in tegenovergestelde richtingwaren komente liggen. Hierdoor was het gekomen dat zoowel de gang als de opening in de borstwering door de sneeuw verstopt waren geraakt.
De thermometer in de buitenlucht wees niet meer dan zes graden onder het vriespunt. De zee was geheel open, voor zoover zij er in de bijna volslagen duisternis over konden oordeelen. Men moet echter wel in het oog houden dat het ijsveld, waarschijnlijk door dat het een oogenblik in eene draaikolk gekomen was, zich omgedraaid had, maar dat het in dezelfde richting naar het Westen was blijven drijven.
Na hetgeen er gebeurd was, wat zulke noodlottige gevolgen had kunnen hebben, begrepen zij dat er nieuwe voorzorgen genomen moesten worden. Sergius stelde voor om recht tegenover de bestaande opening in de borstwering er eene tweede te maken en ze beide dagelijks open te houden. Op die manier zou de buitenlucht altijd toegang hebben, onverschillig hoe de ligging van het ijsveld was.
—Ik vind het best, antwoordde Cascabel. Maar dit moet ik toch zeggen dat ik nooit zoo’n gemeen land gezien heb als dit. Het is nauwelijks goed genoeg voor een walvisch. Dan is het beter in mijn Normandië.
—Ik zal het niet tegenspreken, zeide Sergius. Maar wij moeten het nemen zooals het nu eenmaal is.
—Jawel, mijnheer Sergius, zoo neem ik het ook, maar ik wou dat ik het alweer kwijt was!
Zij maakten eene tweede opening in de borstwering. (Zie bladz. 54.)Zij maakten eene tweede opening in de borstwering. (Zie bladz.54.)
Zij maakten eene tweede opening in de borstwering. (Zie bladz.54.)
Wel mocht onze brave Cascabel er over klagen! Dit was zeker niet zoo’n goed land als Normandië, maar ook niet als Zweden, als Noorwegen, als Finland zelfs, al zijn de winters daar ook nog zoo streng. Het was het onherbergzame Poolland, met zijnen nacht van vier maanden, zijne razende stormen, zijne wilde en verblindende sneeuwvlagen, zijne nimmer doorbrekende nevels, die de kim geen oogenblik vrij laten.
Toch was dit alles nog maar een deel der onheilen die hen boven het hoofd konden hangen. Hield het ijsveld eenmaal op met drijven, doordat de geheele zee eene vaste vlakte geworden was, wat zou hen dan te doen staan? DeSchoone Zwerfsteraan haar lot overlaten, zonder toevluchtsoord de honderden mijlen afleggen die hen scheidden van de Siberische kust, dat was waarlijk iets waar zij nauwelijks aan denken konden. Dikwijls vroeg Sergius zich af of het nog niet beter zou zijn den winter door te brengen op dezelfde plek waar hunne ijsschots zou blijven liggen, en tot de zomer weder aanbrak eene schuilplaats te vinden onder het beschermende dak van dit huis op wielen, waarvan de wielen misschien nimmer meer zouden draaien. Als het niet anders kon, zou het zeker doenlijk geweest zijn om op deze manier den tijd der ergste koude door te komen. Maar vóór dat de temperatuur weder zachter werd, vóór dat de Poolzee begon te ontdooien, moesten zij toch de plek waar zij overwinterden verlaten en de lange ijswoestijn doortrekken, die anders weder in eene onbegaanbare zee veranderen zou.
Op het oogenblik behoefde dit echter nog niet beslist te worden en onze schipbreukelingen konden gerust het laatste gedeelte van den winter afwachten. Zij moesten ook alvorens den tocht te aanvaarden, te weten zien te komen op welken afstand zij zich van het land bevonden, altijd aangenomen dat dit te berekenen was. Sergius hoopte dat het niet bijzonder ver zou zijn, want het ijsveld was onveranderlijk naar het Westen gedreven en aldus de kapen Kekournyi, Cheliagskyi en Baranof voorbij, en straat Long alsmede de Kolyma-baai doorgestevend.
Jammer genoeg dat zij in de laatstgenoemde baai niet aangeland waren, want vandaar zou het hun betrekkelijk weinig moeite gekost hebben in het land der Joukaghirs te komen, en hier liggen Kabatchkova, Nyne-Kolymsk en andere bewoonde plaatsjes waar zij den winter hadden kunnen doorbrengen. Met een span rendieren hadden zij terug kunnen keeren naar de plek waar zij deSchoone Zwerfsterachterlieten, teneinde die in veilige haven te brengen. Maar het viel gemakkelijk te berekenen dat zij die baai reedsachter zich moesten hebben, in aanmerking genomen de snelheid van den stroom, en met de riviermondingen van de Tchoukotchia en de Alazeia moest hetzelfde het geval zijn. Niets kon hen nu meer tegenhouden, of het moest een van de eilanden zijn die tot den Anjou-Archipel, de Liakhoff- of de Long-groep behooren. De meeste van die eilanden zijn echter onbewoond en er zouden dus geen middelen te vinden zijn om de karavaan, met al haar toebehooren, op het vaste land terug te brengen. Toch was het aanlanden op zoo’n eiland nog te verkiezen boven het altijd verder drijven, tot waar het poolijs aan hunnen zwerftocht een einde maakte.
November was nu voorbijgegaan. Negenendertig dagen was het geleden dat de familie Cascabel van Port-Clarence vertrokken was en zich op het ijs der Behringstraat gewaagd had. Ware de ijsvlakte niet losgegaan, dan zouden zij reeds vijf weken geleden te Numana den voet op vasten wal gezet hebben en dan hadden zij op dit oogenblik de winterkwartieren betrokken in een of ander dorp in zuidelijk Siberië, waar zij van den barren poolwinter niet veel hinder gehad zouden hebben.
Intusschen moest het einde van hunnen zwerftocht nu weldra ophanden zijn. Het werd hoe langer hoe kouder, bestendig ging de thermometer naar beneden. Zorgvuldig achtgevende op den toestand van hun ijsveld, bevond Sergius dat dit voortdurend grooter werd door dat er zich los geraakte stukken van ijsbergen aan hechtten, waartusschen het zich eenen weg baande. Het had reeds een derde meer oppervlakte, en in den nacht van den 30stenNovember op den 1stenDecember kwam er een geweldig groot brok aan den achterkant tegenaan zitten. Dit stuk ijs lag tot op vrij groote diepte beneden den zeespiegel; de stroom had er dus meer vat op en deed het sneller voortdrijven dan hun ijsveld, waarvan het gevolg was dat dit laatste zich andermaal omdraaide en met den grooteren klomp ging mededrijven, even alsof het daardoor op sleeptouw genomen werd.
Met het drogere en koudere weder was nu de lucht volkomen helder geworden. De wind was naar het noordoosten geloopen, hetgeen niet in hun nadeel was, want zij dreven zoodoende naar de kust toe. De lange nachten werden opgehelderd door den schitterenden sterrenhemel van de poolstreken en niet zelden werd de geheele omtrek verlicht door de vonkelende stralen van het noorderlicht dat zich waaiervormig aan de kim uitstrekte. Niets belemmerde dan het uitzicht, dan heel in de verte de buitenste punten van het vastzittende ijs. Op den minder donkeren achtergrond verhief deze blanke massa zich met hare spitse toppen, hare rondeheuvelruggen, hare naalden en torens, bijeengeschaard als een woud. Het was een verbazend schoon gezicht, zóoals er in deze door de natuur zoo misdeelde streken meer voorkomen en dat onze schipbreukelingen meer dan eens hun kommervollen toestand vergeten deed.
Het was een verbazend schoon gezicht. (Zie bladz. 59.)Het was een verbazend schoon gezicht. (Zie bladz.59.)
Het was een verbazend schoon gezicht. (Zie bladz.59.)
Nu de wind veranderd was, jaagde deze het ijs niet sneller meer voort en zij werden alleen nog medegesleept door de kracht van den stroom. Waarschijnlijk zou het ijsveld dus niet veel verder meer naar het Westen drijven, want tusschen de ijsbergen begon het zeewater zich reeds vast te zetten. Deze versche ijslaag brak echter bij den minsten schok. De ijsklompen bleven ongeregeld door elkander drijven, waarbij slechts nauwe doortochten open bleven, zoodat hunne schots dikwijls tegen grootere stukken aanbotste. Dan zaten zij eenige uren onbewegelijk, maar daarna raakten zij weder los en dreven op eigen gelegenheid verder. Maar zij konden zich er op voorbereiden dat hunne overwintering op eene en dezelfde plek spoedig eenen aanvang nemen zou.
Den 3denDecember omstreeks den middag waren Sergius en Jan naar het voorste gedeelte van het ijsveld gegaan, gevolgd door Sander, Kayette en Napoleona, allen zorgvuldig in pelzen gewikkeld, want het was nu terdege koud. Aan de Zuiderkim vertoonde zich een weinig licht, het eenige teeken dat de zon zich boven den gezichteinder bevond. Voor het overige was alles in eene flauwe schemering gehuld, het laatste schijnsel van het noorderlicht, dat zeker op eene andere plek te zien was.
Zij stonden eenigen tijd met aandacht naar de in beweging zijnde ijsbergen te kijken, die allerlei zonderlinge vormen vertoonden, ook nu en dan tegen elkander kwamen of onderste boven tuimelden wanneer zij, aan den onderkant door de zee afgeknaagd, hun evenwicht verloren.
Op eens begon ook de ijsklomp, die kort te voren aan hunne schots vastgeraakt was, te waggelen en stortte omver, waarbij een stuk van hunne schots werd medegerukt en de zee een eind ver over het ijsveld stroomde.
Allen waren zoo hard zij konden weggeloopen, maar op hetzelfde oogenblik hoorden zij angstkreten:
—Help.... help.... Jan!
Het hulpgeschrei kwam van Kayette. De plek waar zij stond was door den schok losgescheurd en dreef met haar weg.
—Kayette!.... Kayette! riep Jan.
Help!.... Help.... Jan! (Zie bladz. 59.)Help!.... Help.... Jan! (Zie bladz.59.)
Help!.... Help.... Jan! (Zie bladz.59.)
Maar het afgebroken stuk ijs was reeds door den stroom gegrepen en gleed langs den rand van het ijsveld, dat zelf in eene wielinggeraakt was en eenigen tijd op dezelfde plaats bleef ronddraaien. Nog eenige oogenblikken en zij zouden Kayette te midden der drijvende ijsbergen uit het oog verliezen.
—Kayette!.... Kayette! herhaalde Jan.
—Jan!... Jan! antwoordde de Indiaansche voor het laatst. Op het hooren van deze angstkreten waren ook Cornelia en Cascabel komen aanloopen. Zij stonden verstijfd van schrik evenals Sergius, die geen middel wist te bedenken om het arme meisje te hulp te komen.
Op dit oogenblik was het stuk ijs, al drijvende, iets naderbij gekomen, zoodat nog maar eene strook water van een voet of zes hen van Kayette scheidde. Op eens, vóór dat iemand hem kon tegenhouden, nam Jan eenen sprong, die hem naast het meisje te land deed komen.
—Mijn zoon... mijn zoon! gilde Cornelia.
Zij waren nu geen van beiden te naderen. Door den sprong had Jan het stuk ijs, waar Kayette op stond, een eind ver doen terug deinzen; het werd spoedig tusschen de andere ijsklompen medegesleept en hun hulpgeroep verloor zich in de ruimte.
Nog twee uren bleven de anderen wachten, maar toen werd het geheel duister en waren zij verplicht naar hunne schuilplaats terug te keeren. De ongelukkigen brachten den nacht slapeloos door, terwijl zij in den omtrek van deSchoone Zwerfsterbleven dwalen. De honden huilden jammerlijk. Wat moest er van Jan en Kayette worden, zonder onderkomen, zonder voedsel en alleen in den duisteren nacht! Het eene uur ging na het andere voorbij, onder jammeren en schreien. Cascabel was door dit ongeluk als verpletterd, hij liet niets dan onsamenhangende woorden hooren, waarin hij andermaal zichzelf de schuld gaf van al den jammer dien hij door zijne lichtzinnigheid, zooals hij zeide, over zijn gezin gebracht had. Sergius was niet in staat hem troost te bieden; hij had zelf al zijne geestkracht noodig om zich niet aan de wanhoop over te geven.
Den volgenden ochtend tegen acht uur—dat was op den 4denDecember—raakte hun ijsveld weder drijvende, na den geheelen nacht te midden der elkander kruisende stroomingen niet van plaats veranderd te zijn. Het ging nu weder den kant op waar zij Jan en Kayette uit zicht verloren hadden, maar deze waren achttien uren vóór en er was dus geene hoop hen achterop te komen of terug te vinden. Zij waren trouwens aan alle kanten van gevaren omringd; de koude was te fel om er langen tijd in te kunnen leven; zij hadden geen eten bij zich en dreven voort, omringd van ijsbergen,waarvan de kleinste groot genoeg was om hunne schots als een stuk glas te verbrijzelen.
Wij beproeven niet de droefheid der familie Cascabel te beschrijven. Ondanks de nijpende koude waren zij geen van allen naar binnen gegaan; zij bleven steeds om Kayette en Jan roepen, ofschoon zij wisten dat die veel te ver waren om hen te kunnen hooren.
De dag liep ten einde zonder dat er eenige verandering kwam. Het werd weder nacht en nu drong Sergius toch bij allen aan dat zij zich in deSchoone Zwerfstermoesten begeven. Maar aan slapen kon niemand hunner een oogenblik denken.
Plotseling, te drie uur in den ochtend, kreeg de wagen een geweldigen schok, zóó hard dat hij bijna omver viel. Wat was er nu weder gebeurd? Zou er misschien een groote ijsberg tegen hun ijsveld aangekomen zijn en dit in stukken gebroken hebben?
Sergius snelde naar buiten.
De laatste stralen van het noorderlicht maakten het mogelijk op eenen afstand van eene halve mijl in de rondte alle voorwerpen te onderscheiden.
In alle richtingen liet Sergius zijne blikken gaan. Maar van Jan of Kayette was niets te bespeuren.
De schok, dien zij gevoeld hadden, was teweeggebracht doordat hunne schots tegen een groot ijsveld aangekomen was. De temperatuur was nu gedaald tot twintig graden beneden het vriespunt; de geheele zee was ééne ijsvlakte geworden en waar den avond te voren alles nog in beweging was, zag men nu niets dan eene roerlooze ijswoestijn. Zij waren voorgoed tot stilstand gekomen.
Sergius ging naar binnen en verhaalde aan de anderen wat er gebeurd was.
—Dus ligt de geheele zee vóór ons nu vastgevroren? vroeg Cascabel.
—Vóór ons, achter ons en in alle richtingen, antwoordde Sergius.
—Welnu, dan moeten wij gaan zien of wij Jan en Kayette niet terug kunnen vinden. Laat ons geen oogenblik wachten.
—Op weg dan maar! hernam Sergius.
Cornelia en Napoleona wilden evenmin in deSchoone Zwerfsterachterblijven. Die werd dus aan de hoede van Kruidnagel toevertrouwd en de anderen gingen op marsch, voorafgegaan door de twee honden die over het ijs liepen te snuffelen.
Het ijs was zoo hard als graniet. Zij sloegen den kant van het Westen in. Indien Wagram en Marengo het spoor van Jan wisten te vinden, dan zouden zij het ook wel volgen. Na een half uurloopens hadden zij echter nog niets ontdekt en moesten zij stil houden, want in deze koude, waar zelfs de lucht als bevroren is, raakt men spoedig buiten adem.
Naar het Noorden, Zuiden en Oosten strekte het ijs zich als eene effene vlakte uit, maar in het Westen vertoonden zich eenige hoogten, die niet den gewonen vorm der ijsbergen hadden. Misschien konden dit heuvels zijn, op een eiland of op het vasteland gelegen.
Op dit oogenblik begonnen de honden hard te blaffen en snelden zij naar eene besneeuwde verhevenheid toe, waarop zich eenige zwarte stippen vertoonden.
De tocht werd hervat en nu bemerkte Sander spoedig dat twee van die stippen teekenen schenen te geven.
—Jan,.... Kayette! riep hij en snelde er op af, door Wagram en Marengo gevolgd.
Het waren inderdaad Kayette en Jan, beide springlevend.
Maar zij waren niet alleen. Een troep inboorlingen stond rondom hen geschaard en dit waren bewoners van de Liakhoff-eilanden.