V.

V.De Liakhoff-eilanden.In dit gedeelte van de noordelijke IJszee liggen drie groepen eilanden, te zamen bekend onder den naam van Nieuw-Siberië en onderscheiden als de Long-, de Anjou- en de Liakhoff-eilanden. Deze laatsten liggen het dichtst bij de Siberische kust, tusschen de 73 en 75 graden noorderbreedte en de 135 en 140 graden oosterlengte, en beslaan eene uitgestrektheid van negen en veertig vierkante kilometers. De grootste zijn bekend als de eilanden Kotelnyi, Blinyi, Malyi en Belkoff.Het zijn niets dan naakte rotsvlakten, zonder boom of struik, zonder anderen plantengroei dan alleen, in het midden van den zomer, enkele gewassen van lagere orde. De grond ligt vol walvisch- en mammouth-beenderen, die sedert de vorming dezer eilanden daar opgehoopt zijn, evenals er versteende voorwereldlijke boomstammen in groote hoeveelheid gevonden worden. Dit is alles wat er van de Liakhoff-eilanden te beschrijven valt.Zij zijn ontdekt in het begin der achttiende eeuw.Kotelnyi, het zuidelijkste en grootste van de groep, op ongeveer vierhonderd kilometer van het vasteland gelegen, was het eiland waar de schipbreukelingen van deSchoone Zwerfstervoet aan land zetten, nadat zij veertig dagen drijvende geweest waren en eenen afstand van zes of zevenhonderd mijlen afgelegd hadden. Zuidoostelijk van het eiland, op de Siberische kust, ligt de groote zeeboezem van de Lena, een groote inham waar de wateren van de Lena-rivier,een van de aanzienlijkste stroomen van noordelijk Azië, in de IJszee eenen uitweg vinden.Deze Liakhoff-archipel is dus met recht hetultima Thule, het verst bekende land der poolstreken op dezen lengtegraad. Daar voorbij, tot aan den rand van het nimmer smeltende poolijs, heeft geen zeevaarder meer eenig land gevonden. Nog vijftien graden noordelijker, en men is aan de pool.Onze schipbreukelingen bevonden zich dus op de uiterste grens der aarde, al ligt ook Spitsbergen en het noordelijkste uiteinde van Amerika op nog hoogere breedte.Intusschen, ofschoon de Cascabels nu meer in het Noorden terecht gekomen waren dan hun voornemen was geweest, zij waren toch steeds de richting gevolgd welke zij op wilden, die namelijk van Europeesch Rusland. Zij hadden van Port-Clarence af, eenige honderden mijlen afgelegd, wel onder dreigende gevaren, maar zonder zich sterk te vermoeien. Al drijvende, hadden zij een heel eind weegs afgelegd, dat zij anders hadden moeten doortrekken in een land dat gedurende den winter nauwelijks toegankelijk is. Misschien mochten zij dus nog van geluk spreken, indien zij het nu maar niet al te slecht troffen nu zij in handen gevallen waren van inboorlingen der Liakhoff-eilanden. Want het stond te bezien of deze lieden hen vrij zouden laten trekken, of wel, indien zij hen verkozen gevangen te houden, of het dan mogelijk zou zijn aan hunne handen te ontkomen. Het een zoowel als het ander was mogelijk. In elk geval zouden zij spoedig bemerken wat de inboorlingen met hen voor hadden, en eenmaal daarvan op de hoogte, zouden zij, naarmate van de omstandigheden, hunne maatregelen dienen te nemen.Het eiland Kotelnyi wordt bewoond door eenen volksstam van Finsche afkomst, welke uit ongeveer tweehonderd vijftig of driehonderd personen, mannen, vrouwen en kinderen bij elkaar gerekend, bestaat. Deze inboorlingen zijn van een terugstootend uiterlijk en staan nog verre in beschaving ten achter bij de andere strandbewoners dezer streken, de Tchouktchis, deJoukaghirsen de Samojeden. Zij zijn afgodendienaars in de meest strikte beteekenis van het woord, ondanks de moeite welke de Moravische broeders zich gegeven hebben om het bijgeloof onder de bevolking van Nieuw-Siberië tegen te gaan. Dit is even onmogelijk gebleken als hen terug te brengen van hunne aangeboren neigingen om te stelen en zeeroof te plegen.Teneinde in hun levensonderhoud te voorzien, houden de bewoners van den Liakhoff-archipel zich bezig met de walvischvangst, welkein dit gedeelte van de noordelijke IJszee veel oplevert, en met de robbenjacht die des zomers bijna even zooveel kans op buit biedt als op Behring-eiland.Op deze hooge noordelijke breedte is de winter strenger dan in eenig ander bekend gedeelte der aarde. De inboorlingen wonen onder den grond, dat wil zeggen zij graven zich holen, die verscholen liggen onder de dikke sneeuwlaag. Die holen bestaan uit onderscheidene vertrekken, waarin zonder veel moeite eene voldoende warmte onderhouden wordt. Voor brandstof wordt het voorwereldlijke hout gebruikt, dat veel van steenkool heeft en in groote hoeveelheden op deze eilanden aangetroffen wordt, zonder nog de walvischbeenderen te rekenen, die mede voor hetzelfde doel dienstig zijn. Eene opening in het “dak” dezer holwoningen geeft aan den rook hunner zeer ruw ingerichte stookplaatsen gelegenheid om te ontsnappen. Dit maakt dat het op het eerste gezicht lijkt alsof de bodem der eilanden bezaaid is met van die krateropeningen, welke men solfatara’s noemt, waardoor de gassen van in werking zijnde vulkanen zich eenen uitweg banen.Rendierenvleesch is het voornaamste voedsel der eilanders. Talrijke kudden van deze herkauwende dieren leven hier te zamen. Ook worden er elanden buit gemaakt en tegen het aanbreken van den winter groote voorraden visch gedroogd en gerookt. Voor hongersnood bestaat er dus onder de Nieuw-Siberiërs, dank zij deze onderscheidene hulpbronnen, geen gevaar.Het gezag over de Liakhoff-eilanden werd op dat tijdstip gevoerd door een inlandsch hoofd, Tchou-Tchouk genaamd, wiens macht bijna onbeperkt mocht heeten. Dit vormt een kenmerkend onderscheid tusschen dezen volksstam en de Eskimo’s van het uiterste Noorden in Amerika, onder wie eene republikeinsche gelijkheid regel is. Nog grooter is echter het verschil in uiterlijke welvaart, in zeden en in gastvrijheid. Over het gemis van dat alles onder de Nieuw-Siberiërs hebben de walvischvaarders menigmaal te klagen en ook onze schipbreukelingen zouden nog meer dan eens hunne goede vrienden, de ingezetenen van Port-Clarence, terug wenschen.Het viel niet tegen te spreken dat de familie Cascabel het moeilijk ongelukkiger had kunnen treffen. Na het ongeluk dat hun in de Behringstraat overkomen was, konden zij het niet anders dan aan eene buitengewone ongunst van het noodlot toeschrijven, dat zij hier op de Liakhoff-eilanden moesten aanlanden en in de handen vallen van eenen zóó barbaarschen en ongastvrijen volksstam.Cascabel was dan ook niet in staat zijne teleurstelling te verbergen,toen hij zich omringd zag door een honderdtal-wanstaltige wilden, die met woeste gebaren en geluiden de zwervelingen, die het toeval op hunne kust geworpen had, schenen te bedreigen.—Wat willen die apen van ons? riep hij uit, nadat hij degenen, die het dichtst bij hem waren, een weinig had doen terugdeinzen.—Stellig niet veel goeds, vader, antwoordde Jan.—’t Is een mooie manier om eenen reiziger te ontvangen! zouden zij bij geval lust hebben om ons opteëten.—Dat niet, maar zij zullen ons waarschijnlijk op hun eiland gevangen willen houden.—Gevangen houden, zegt ge?—Ja, want dat hebben zij ook gedaan met twee matrozen, die vóór ons hier aangeland zijn.Jan had geen tijd om verder te vertellen, want een twaalftal inboorlingen hadden Sergius, Cascabel en de anderen reeds aangegrepen. Zij zagen zich dus genoodzaakt goed- of kwaadschiks hen naar het dorp Tourkef, de voornaamste bewoonde plaats op den archipel, te vergezellen.Een twintigtal andere inlanders begaven zich tegelijk op weg naar deSchoone Zwerfster, wier aanwezigheid door een licht rookwolkje in het Oosten nog even verraden werd.In een kwartier tijds werden de gevangenen naar Tourkef gebracht en daar in eene vrij groote ruimte, die onder den grond gegraven was, gelaten.—Dat moet zeker het huis van arrest en bewaring verbeelden, merkte Cascabel op, nadat zij zich rondom het brandende vuur geschaard hadden en door hunne geleiders alleen gelaten waren.Het eerste waar nu echter aan gedacht werd, was hoe het met Jan en Kayette gegaan was. Zij vertelden dat het stuk ijs, waar zij samen op stonden, tusschen de andere klompen aan het drijven geraakt en in westelijke richting voortgejaagd was. Jan hield het Indiaansche meisje in zijne armen teneinde te voorkomen dat zij door de bewegingen van de ijsschots vallen zou. Zij hadden niets om te eten bij zich en waren zonder eenige schuilplaats, maar zij bevonden zich tenminste bij elkaar. Zij stonden dicht tegen elkander aan en deden hun best om den honger en de koude niet te voelen. Het werd duister, zij konden elkaar niet meer zien, alleen nog maar hooren. Onder aanhoudende angsten, telkens met het vooruitzicht van in de diepte te zullen worden gestort, ging het eene uur na het andere voorbij. Op hetzelfde oogenblik dat de eerste schemering van den dag zich vertoonde, bonsde hunne schots tegen het groote, vastzittende ijsveld aan. Zonder te aarzelen sprongen zijdaarop over. Na geruimen tijd geloopen te hebben kwamen zij aan het eiland Kotelnyi, waar de inboorlingen hen spoedig bespeurden en zich van hen meester maakten.Onder aanhoudende angsten ging het eene uur na het andere voorbij. (Zie bladz. 67.)Onder aanhoudende angsten ging het eene uur na het andere voorbij. (Zie bladz.67.)—En gij meent, Jan, vroeg Sergius, dat er zich reeds andere schipbreukelingen hier op het eiland bevinden?—Ja, antwoordde Jan.—Hebt gij die reeds gezien?—Neen, mijnheer Sergius, zeide Kayette, maar ik heb de inlanders, die russisch spreken, onder elkander hooren praten over twee matrozen die zij in het dorp gevangen houden.De taal der volksstammen in het hooge Noorden van Rusland heeft inderdaad veel overeenkomst met het russisch, zoodat ook Sergius zich aan de bewoners der Liakhoff-eilanden verstaanbaar maken kon. Maar wat zou dit baten tegenover deze roofzuchtige wilden, die oorspronkelijk afkomstig zijn uit den omtrek der groote riviermondingen, doch naar NieuwSiberiëuitgeweken zijn, waar de russische politie, die elders op het vasteland de orde handhaaft, hen niet bereiken kan?Voor Cascabel was het intusschen niet uittehouden dat hij niet vrij was om zich te bewegen en te gaan waarheen hij goedvond. Niet zonder reden vreesde hij dat zijneSchoone Zwerfsterdoor het dievengespuis ontdekt, leeggeroofd en misschien vernield zou worden. Het was waarlijk nog al de moeite waard, door zooveel gevaren heen den wagen uit de Behringstraat behouden herwaarts gebracht te hebben, om hem nu in de handen van deze “pool-bandieten” te zien vallen!—Komaan, Cesar, poogde Cornelia hem te troosten, schep moed! Het baat immers niets of gij u driftig maakt. Bedenk liever dat het nog veel erger met ons had kunnen afloopen.—Wat had er dan wel kunnen gebeuren, Cornelia?—Bijvoorbeeld, als wij Jan en Kayette eens niet teruggevonden hadden. Dat zou dan toch veel erger geweest zijn! Bovendien, zijn wij niet allen behouden en levend hier? Hoeveel gevaren zijn wij niet te boven gekomen, Cesar; het is bijna niet om er aan te gelooven. Ik voor mij vind dat wij geen recht hebben om te klagen, maar liever dankbaar moeten zijn aan de Voorzienigheid....—Nu, ik ben haar ook dankbaar Cornelia, van ganscher harte zelfs! Maar ik mag toch wel mijn hart luchten tegen den duivel, die ons stellig aan dit diefachtige vee heeft overgeleverd. Kijk maar, zij lijken meer op beesten dan op menschelijke wezens!Daarin had Cascabel geen ongelijk, maar het was toch ook waar wat Cornelia zeide: geen van de passagiers derSchoone Zwerfsterontbrak op het appèl. Zooals zij Port-Clarence verlaten hadden, zoo stonden zij ook met hun allen in het dorp Tourkef.—Jawel, in een mollengat of een bunsinghol, bromde Cascabel. Een eenigszins gelikte beer zou in zoo’n spelonk zijn nest niet willen hebben.—Maar wat of er van Kruidnagel geworden zou zijn? riep Sander op eens.Dat was waar ook. Hem zouden zij bijna vergeten hebben. Zou de brave kerel, achtergelaten om op deSchoone Zwerfsterte passen, misschien met gevaar van zijn leven haar verdedigd hebben? Bevond hij zich thans ook als een gevangene onder de wilden?Met de gedachte aan Kruidnagel, kwam ook die aan de andere levende reisgenooten weder boven.—En onze Jako? zuchtte Cornelia.—En John Bull? klaagde Napoleona.—En onze honden? dacht Jan overluid.Het spreekt vanzelf dat zij allen in de eerste plaats over Kruidnagel bezorgd waren, maar toch onmiddellijk na hem kwamen de papegaai, de aap, en Wagram met Marengo.Op dit oogenblik vernamen zij een luid rumoer buiten het hol, een vloed van scheldwoorden, vermengd met hondengeblaf. Het duurde niet lang of de deur werd opengerukt en de twee honden stormden naar binnen, op hunne hielen gevolgd door Kruidnagel.—Daar ben ik, patroon, riep de arme drommel,.... tenminste als ik het werkelijk ben, want ik weet heusch niet hoe ik het heb!—Het is met jou precies gesteld als met ons allemaal, antwoordde Cascabel terwijl hij hem de hand drukte.—En onzeSchoone Zwerfster? vroeg Cornelia haastig.—OnzeSchoone Zwerfster? was Kruidnagel’s wedervraag. Wel, die hebben deze heeren onder de sneeuw weten te vinden, zij hebben er zichzelve voorgespannen als trek-ossen en haar naar hun dorp gesleept.—En Jako? vroeg Cornelia weder.—Jako ook.—En John Bull? zeide Napoleona.—John Bull even als de rest.Nu het heele gezin te Tourkef opgesloten zat, was het nog het beste dat hun huis er zich ook bevond, al liep dit dan ook gevaar leeggestolen te worden.Intusschen begonnen zij allen honger te krijgen, maar het scheen wel alsof de inboorlingen er zich niet om bekommerden of hunne gevangenen iets te eten kregen. Gelukkig had de bedachtzameKruidnagel het een en ander in zijne zakken gestoken. Hij had eenige blikken ingemaakt vleesch medegenomen en dat was voldoende om althans eenigen tijd den honger te stillen. Daarna wikkelden zij zich in hunne pelsjassen en trachtten zij den slaap te vatten te midden van een benauwden dampkring, die door het rookende vuur nog ondragelijker gemaakt werd.Den volgenden ochtend, dat was den 4denDecember, werd het geheele gezelschap uit het hol te voorschijn geroepen. Ofschoon het vinnig koud was, deed de buitenlucht hen toch onuitsprekelijk aangenaam aan.Zij werden nu voor Tchou-Tchouk gebracht.Dit was een kerel met een sluw gezicht, doch weinig vriendelijk of innemend. Zijne onderaardsche woning was ruimer en ook een weinig geriefelijker dan de armzalige verblijven zijner onderdanen. Zij was uitgegraven aan den voet van een steenachtigen, met sneeuw bedekten heuvel, waarvan de kruin veel op een berenkop geleek.Tchou-Tchouk kon een jaar of vijftig oud zijn. In zijn baardeloos gezicht schitterden een paar kleine, glurende, vurige oogen; de uitdrukking van het gelaat had iets beestachtigs door een paar scherpe hoektanden, die onder zijne lippen te voorschijn kwamen. Hij zat op eenen hoop pelterijen, was in rendiervellen gewikkeld, droeg laarzen van zeehondenleer en had een pelsmuts op. Hij knikte nu en dan met het hoofd, zonder veel te zeggen.—Een echte boeventronie, of ik heb het mis! bromde Cascabel.Een paar van de voornaamsten van den stam bevonden zich bij hem. Buiten stonden een vijftigtal inlanders, nagenoeg eveneens gekleed als hun opperhoofd en wier geslacht men niet onderscheiden kon, want mannen en vrouwen dragen in Nieuw Siberië dezelfde kleederen.Tchou-Tchouk richtte het eerst het woord tot Sergius, wiens landaard hij waarschijnlijk vermoedde. In zeer verstaanbaar russisch zeide hij tegen hem:—Wie zijt gij?—Ik ben een onderdaan van den Czaar, antwoordde Sergius, denkende dat dit eenigen indruk op den eilandenkoning maken zou.—En die anderen? vervolgde Tchou-Tchouk, terwijl hij op Cascabel en de leden van zijn gezin wees.—Dat zijn franschen, zeide Sergius.—Franschen? herhaalde het inlandsche opperhoofd.Het was alsof hij van een volk, of van eenen volkstam met dezen naam nooit gehoord had.Zij werden nu voor Tchou-Tchouk gebracht (Zie bladz. 71.)Zij werden nu voor Tchou-Tchouk gebracht (Zie bladz.71.)—Wis en zeker, franschen!... franschen!... Uit Frankrijk... hondsvot! riep Cascabel.Dit zeide hij echter in zijne eigen taal, met al de vrijmoedigheid van iemand die weet dat hij toch niet verstaan wordt.Maar wie is dat? hernam Tchou-Tchouk, met den vinger naar Kayette wijzende, want het ontging hem niet dat dit meisje tot een ander ras behoorde dan de overigen.—Het is eene Indiaansche, verzekerde Sergius.Er werd nu een vrij levendig gesprek aangeknoopt tusschen Tchou-Tchouk en Sergius, waarvan deze laatste den voornaamsten inhoud aan zijne reisgenooten vertolkte.Het einde van dit onderhoud was dat de schipbreukelingen zich als gevangenen hadden te beschouwen en genoodzaakt waren op het eiland Kotelnyi te blijven, zoo lang zij niet in staat waren in russische klinkende munt eenen losprijs van drieduizend roebels te betalen.—Waar wil hij dat wij die van daan halen, de schobbejak? vroeg Cascabel. Die roovers hebben stellig alles wat er nog over was van uw geld, mijnheer Sergius, al ingepalmd.Op een teeken van Tchou-Tchouk werden de gevangenen weder naar buiten geleid. Het werd hun vergund in het dorp rond te loopen, op voorwaarde dat zij zich niet zouden verwijderen en het bleek hun reeds den eersten dag dat zij zorgvuldig in het oog gehouden werden. Het zou hun trouwens niet mogelijk geweest zijn in dit jaargetijde, midden in den winter, op de vlucht te gaan teneinde zich naar het vasteland te begeven.Sergius en zijne reisgenooten gingen dus terstond naar deSchoone Zwerfster. Zij vonden er een aantal inboorlingen in stomme verbazing over John Bull, die zijne leelijkste gezichten tegen hen trok. De wilden hadden nooit eenen aap gezien en dachten zeker dat dit vierhandige, roodbehaarde schepsel een hunner natuurgenooten was.—Zij zelven zijn ook wel menschen! merkte Cornelia op.—Ja.... maar dat is geen eer voor ons, zeide Cascabel.Na een oogenblik voegde hij er bij:—Wel beschouwd, had ik zelfs niet mogen zeggen dat die wilden apen zijn. Die staan in alle opzichten boven hen en ik vraag mijnen vriend John Bull verschooning voor de vergelijking.John Bull antwoordde met over zijn kop te duikelen. Maar toen een inboorling de hand naar hem uitstak, beet hij daarin zoo dat het bloed te voorschijn kwam.—Flink zoo, John! riep Sander. Bijt ze maar! Bijt er op los, zoo hard je kunt!Dit had echter slecht voor den aap kunnen afloopen en hij had misschien den beet duur moeten betalen indien de aandacht der inboorlingen niet afgeleid was geworden door de verschijning van Jako, wiens kooi opengezet was en die nu te voorschijn kwam, waggelende op zijne pooten.Op de eilanden van Nieuw Siberië waren apen zoo min als papegaaien ooit te zien geweest. Geen der inboorlingen had in zijn leven zulk eenen vogel onder de oogen gehad, met zulke kleurige vederen, zulke ronde oogen alsof het brilleglazen waren en met zulk een haakvormig gebogen snavel.Men kan zich echter niet voorstellen welk eenen indruk het maakte toen Jako eenige duidelijk uitgesproken woorden uit dien snavel komen liet. Alles wat de praatzuchtige vogel te vertellen wist, liet hij achtereenvolgens hooren, tot niet geringe verbazing der inboorlingen. Bijgeloovig als zij waren, dachten zij niet anders of er was eene bovenaardsche macht in het spel. Zij geloofden dat hunne afgoden er mede gemoeid waren en sommigen wierpen zich, geheel ontdaan, voor den vogel op de knieën. Cascabel had daar niet weinig schik in en moedigde den papegaai op alle manieren aan.—Goed zoo, Jako, riep hij. Gêneer je niet, Jako, zeg aan die uilskuikens dat ze barsten kunnen.Jako gehoorzaamde. Barst! klonk het uit zijn snavel. Het was een van de woorden die hij het duidelijkst uitsprak, en het klonk ditmaal zoo hard en barsch dat de inlanders het niet langer uit konden houden, maar onder teekenen van de grootste ontsteltenis op de vlucht sloegen. Dat gaf een gelach onder de familie Cascabel! Zoo groot was hunnebezorgdheidniet, of zij vergaten die op dit oogenblik.—Kom aan, kom aan, zeide Cesar, die bij de minste kleinigheid zijnen moed weer terugkreeg, de drommel moge mij halen als wij die idioten de baas niet zijn!De gevangenen bleven nu aan hun lot overgelaten en aangezien Tchou-Tchouk er niets tegen scheen te hebben dat zij weder van deSchoone Zwerfsterbezit namen, besloten zij daarin een onderkomen te zoeken. Zonder eenigen twijfel gaven de Nieuw-Siberiërs aan hunne onderaardsche woningen verre de voorkeur boven het verblijf in den wagen.Toen alles werd nagezien bleek het dat er alleen eenige zaken van weinig waarde uit deSchoone Zwerfstergestolen waren. Daaronder behoorde echter ook het geld van Sergius, en Cesar Cascabel was niet gezind om dit, zelfs in den vorm van eenen losprijs,in den steek te laten. Intusschen was het eene groote verbetering dat zij de geriefelijke slaapplaatsen en vertrekken in den wagen weder mochten betrekken in plaats van een stinkend onderaardsch hol. Alles werd op zijne plaats gevonden. Beddegoed, keukengereedschap, ingemaakte levensmiddelen, niets daarvan scheen in den smaak te zijn gevallen van de inlandsche heeren en dames. Moesten zij de wintermaanden hier doorbrengen, in afwachting van eene gelegenheid om naar het vasteland te komen, dan konden zij van hunne gewone verblijfplaats gebruik maken.Nu zij hunne vrijheid teruggekregen hadden om te komen en te gaan zooals zij goedvonden, besloot Sergius ook kennis aan te knoopen met de twee matrozen die ongetwijfeld, even als zij zelven, door weer en wind op dezen onherbergzamen archipel beland waren. Het was zaak te beproeven of deze vreemdelingen hen misschien behulpzaam konden zijn om gezamenlijk de waakzaamheid van Tchou-Tchouk te verschalken en eene gelegenheid tot vluchten op te sporen.Het overige van den dag werd gebruikt om het inwendige van deSchoone Zwerfsterweder in orde te brengen. Daar viel heel wat schoon te maken en Cornelia, die eene ordelijke huishoudster was, begon met alles uit te halen en te reinigen. Kayette, Napoleona en Kruidnagel waren, onder haar opperbevel, den heelen dag daarmede bezig.In het voorbijgaan moeten wij nog vertellen dat Cesar Cascabel, van het oogenblik af dat hij zich weder vleide met de hoop van zijne majesteitTchou-Tchoukop de eene of andere manier een kool te kunnen stoven, zijne opgeruimdheid, die slechts een oogenblik schuil was gegaan, heelemaal teruggekregen had.Den volgenden dag ging hij met Sergius op weg om de twee gevangene matrozen optezoeken. Vermoedelijk genoten die even veel vrijheid als hun zelve gelaten werd. Het bleek dat zij niet achter slot gehouden werden, maar in een hol aan het andere einde van het dorp verblijf hielden. De inboorlingen verzetten er zich volstrekt niet tegen dat Sergius en Cascabel hen daar kwamen toespreken.De twee matrozen bleken russen te zijn, de een van vijfendertig, de ander van veertigjarigen leeftijd. Zij zagen er ellendig uit, vermoeid, hongerig en armoedig. Hun matrozenpak bestond uit niet veel meer dan lompen, door eenige lappen bont ternauwernood voor de koude een weinig beschut. Koude en ontbering stonden op hun gelaat te lezen; hunne ongekamde en wild dooreengegroeide haren en hun verwarde baard maakten het bijna onmogelijk hunne trekken te onderscheiden. Het waren echter een paar stevige volwassenmannen wier hulp, als het er op aankwam, niet te versmaden was. Maar het was alsof zij op de kennismaking met de andere schipbreukelingen, wier komst op het eiland hun reeds bekend was, niet bijzonder gesteld waren. Toch scheen de overeenstemming van hunnen toestand en hun gemeenschappelijk belang om zoo spoedig mogelijk uit hunne gevangenschap te geraken, hen naar eene aanraking met deze lotgenooten te moeten doen verlangen.Sergius knoopte een gesprek met hen aan in het russisch. Het bleek dat de oudste Ortik en de jongste Kirschef heette. Zij toonden eerst eenige aarzeling, doch kwamen er toch langzamerhand toe om te vertellen wat er met hen gebeurd was.—Wij zijn beide matrozen en afkomstig uit Riga, verhaalde Ortik. Een jaar geleden hebben wij ons aan doen monsteren aan boord van den walvischvaarderSeraskibestemd voor eene reis in de Noordelijke IJszee. Ongelukkig heeft ons schip bij het naderen van den winter niet bijtijds de Behringstraat kunnen bereiken en is het tusschen het ijs vastgeklemd geraakt. Niet ver van de Liakhoff-eilanden, een weinig noordelijk daarvan, is het eindelijk gebarsten en gezonken, waarbij de geheele bemanning omkwam, met uitzondering alleen van Kirschef en ik. Wij waren zoo gelukkig eene der booten te bereiken en zijn daarmede weggedreven naar de kust van Nieuw-Siberië, waar wij in handen der inboorlingen gevallen zijn.—Hoe lang is dat geleden? vroeg Sergius.—Twee maanden ongeveer.—Hoe hebben zij u ontvangen?—Even als u, veronderstel ik, antwoordde Ortik.Tchou-Tchoukhoudt ons gevangen en wil ons niet loslaten vóórdat wij eenen losprijs betalen.—Waar moeten wij dien van daan halen? viel Kirschef hem in de rede.Op eenigszins ruwen toon liet Ortik nog volgen:—Of het moest zijn dat gij geld genoeg bij u hebt voor uzelven zoowel als voor ons..... want ik veronderstel dat wij landslieden zijn?—Dat is zoo, gaf Sergius ten antwoord; maar het geld dat wij medegenomen hebben is door de inboorlingen buit gemaakt, zoodat wij geen cent rijker zijn dan gij.—Zooveel te erger, hernam Ortik.Beiden deelden nog eenige bijzonderheden mede over hunne wijze van leven. Zij woonden in een onderaardsch verblijf, waar het niet licht en niet ruim was; overigens werd hun eenige vrijheid gelaten, doch zij werden niet uit het oog verloren. Hunne kleederen warengeheel versleten, zij hadden niets anders te eten dan den gewonen mondkost der inboorlingen en deze was nauwelijks voldoende om hunnen honger te stillen. Tegen het einde van den winter, als het open water en dus de gelegenheid om weg te komen gunstiger werd, waren zij er echter op voorbereid dat zij zorgvuldiger bewaakt en misschien achter slot gehouden zouden worden.—Met eene visschersschuit zouden wij in staat zijn den vasten wal te bereiken, maar de wilden zullen ons dan zeker niet zooveel vrijheid laten als thans. Zij zullen wel maatregelen nemen om ons dat te beletten.—Maar het duurt op zijn minst vier of vijf maanden vóór het open water wordt, zeide Sergius. Zóo lang hier gevangen te blijven, gaat niet.—Weet gij een middel om weg te komen? vroeg Ortik nieuwsgierig.—Voor het oogenblik niet, antwoordde Sergius. Intusschen ligt het natuurlijk op onzen weg dat wij elkander trachten te helpen. Gij moet veel uitgestaan hebben mijne vrienden, en indien wij u met iets van dienst kunnen zijn....De twee matrozen betuigden hiervoor hunnen dank, maar toonden zich toch niet bijzonder toeschietelijk. Wanneer men hun nu en dan een weinig beter eten bezorgen kon, dat zouden zij wel gaarne willen hebben.Meer vroegen zij niet, of het moest zijn dat de anderen nog eenige dekens missen konden. Met hen samenwonen wilden zij echter niet. Zij bleven liever waar zij waren, doch beloofden hunne lotgenooten te zullen komen opzoeken.Sergius en Cascabel, die het gevoerde gesprek gedeeltelijk verstaan had, namen na deze belofte afscheid van de twee vreemdelingen. Het uiterlijk dezer mannen boezemde weinig vertrouwen in, doch dit mocht geene reden zijn om hun geene hulp aan te bieden. De eene schipbreukeling is immers den ander bijstand schuldig. Er werd dus besloten dat hun lot zooveel als mogelijk was verzacht zou worden, en deed zich eene gelegenheid voor om te vluchten, dan was Sergius niet van zins hen in den steek te laten. Voor hem waren het niet alleen medemenschen, maar bovendien landgenooten.Er gingen twee weken voorbij, in welken tijd zij hun best deden om zich in den veranderden toestand te schikken. Iederen ochtend waren zij verplicht voor het inlandsche opperhoofd te verschijnen en opnieuw te luisteren naar zijne aanmaningen om te zorgen dat het losgeld er kwam. Hij maakte zich dikwijls driftig, dreigde enriep zijne afgodsbeelden tot getuigen dat het niet voor hem, maar voor hunnen dienst was dat hij geld wilde hebben.—Oude schurk, bromde Cascabel, begin met het geld terug te geven dat ge reeds gestolen hebt. Daarna zullen wij zien.De toekomst liet zich intusschen alles behalve geruststellend aanzien. Niemand kon weten of de inlandsche dwingeland niet op een of ander oogenblik van dreigen tot doen zou overgaan. In plaats van Tchou-Tchouk had Cascabel hem in de wandeling den bijnaam Sjoe-Sjoe gegeven, ofschoon, zeide hij, “die lieve bijnaam den schoelje even goed past als een herderinnehoedje op den kop van een roodharigen engelschman!”Onophoudelijk dacht Cascabel over een middel om den wilde in de luren te leggen. Maar welk? Hij peinsde en overlegde, maar vond niets. Hij begon al bang te worden dat hij heelemaal “op” was, en daarmede bedoelde hij dat zijne hersenkast leeg begon te worden. Een man als hij, die op het stoute maar betreurenswaardige denkbeeld gekomen was om over Azië uit Amerika naar Europa terugtekeeren, zulk een man scheen nu zichzelf te moeten bekennen, dat hij niet slimmer was dan een ezel!Dat maakte hem zoo mismoedig, dat Cornelia het niet aan kon zien.—Hoe komt ge er aan, Cesar, om dat te denken? vroeg zij. Ge zult wel iets weten te vinden; op het oogenblik dat ge er het minst op bedacht zijt, zal het u te binnen schieten.—Gelooft ge dat werkelijk?—Ik durf er op te zweren.Was het niet aandoenlijk dat Cornelia zulk een vertrouwen in de schranderheid van haar man bleef stellen, ondanks den treurigen keer dien zijn reisplan genomen had?Van zijnen kant deed Sergius wat hij kon om hem op te beuren, maar al de moeite welke hij aanwendde om Tchou-Tchouk tot andere gedachten te brengen en hem van zijnen eisch te doen afzien, bleef vruchteloos. Er was evenwel nog geene reden om het geduld te verliezen. Al had het inlandsche opperhoofd er in toegestemd hen in vrede te laten trekken, dan nog hadden zij er niet aan kunnen denken om in het hart van den winter, onder eene koude van dertig tot veertig graden beneden het vriespunt, het eiland Kotelnyi te verlaten.De 25steDecember was aangebroken en Cornelia had bepaald dat het Kerstfeest gevierd zou worden met zooveel luister als de omstandigheden toelieten. Dit kon alleen daarin bestaan dat het middagmaal wat overvloediger zou wezen dan gewoonlijk. Ingelegdvleesch en groenten waren de hoofdschotels; maar gelukkig was er in de provisiekast ook nog geen gebrek aan meel, aan rijst en aan suiker, zoodat de ijverige keukenprinses in de gelegenheid was een grooten koek te bakken, die er prachtig uitzag en met gejubel begroet werd.De twee russische matrozen werden dien dag mede te gast gevraagd en namen de uitnoodiging aan. Dit was de eerste keer dat zij eenen voet in deSchoone Zwerfsterzouden zetten.Bij het eerste woord dat een van de twee—Kirschef namelijk—sprak, was het Kayette, alsof zij die stem meer gehoord had. Maar waar of wanneer zij den vreemde ontmoet kon hebben en had hooren spreken, dit was zij niet in staat zich te herinneren.Voor het overige voelde noch Cornelia, noch Napoleona, noch zelfs Kruidnagel zich tot de twee mannen aangetrokken, die bovendien in gezelschap van anderen zich weinig op hun gemak schenen te voelen.Toen het maal ongeveer afgeloopen was verhaalde Sergius hun, op verzoek van Ortik, wat hem en de Cascabels overkomen was in de provincie Alaska. Hij beschreef hoe hij bijna stervende door hen gevonden was nadat hij bijna het slachtoffer geweest was van eenen moordaanslag, door twee roovers van de bende van Karkof op hem gepleegd.Indien de twee vreemden meer in het licht gezeten hadden, had Sergius of een van de anderen zeker gezien welk een zonderlingen blik zij met elkander wisselden terwijl hun dit verhaal gedaan werd. Niemand had daar echter erg in. Na een goed stuk van den koek gekregen en dat met een stevig glas vodka-brandewijn doorgespoeld te hebben, namen de twee russen afscheid van onze reizigers.Zoodra zij op eenigen afstand waren, zeide de een:—Dat is een mooie ontmoeting! Die rus is de man dien wij op de grens van Alaska overvallen hebben en dien wij hadden willen plunderen als die Indiaansche meid ons niet gestoord had.—Dat zou een buitenkansje geweest zijn.—Ja, de duizend of wat roebels, die nu in het bezit zijn van Tchou-Tchouk, waren dan in onze handen gevallen!De twee voorgewende matrozen waren dus een paar straatroovers, medeplichtigen van de bende van Karkof, die in het geheele Westen van Amerika berucht was. Nadat hun aanslag op Sergius mislukt was, hadden zij in de duisternis hunnen weg niet terugkunnen vinden, maar waren na veel omzwervens te Port-Clarence terecht gekomen. Daar hadden zij eene schuit gestolen en hadden beproefd de Behringstraat over te steken; maar zij waren door den stroom voortgesleept en hadden duizende gevaren doorgestaan. Eindelijk waren zij op het grootste eiland van den Liakhoff-archipel aangeland en daar in handen der inboorlingen gevallen.VI.De overwintering.Zoo was het dus gesteld met Sergius en zijne reisgenooten op den 1stenJanuari 1868. Hun toestand, die op zichzelf reeds zorgwekkend was dewijl zij door de inboorlingen van den Liakhoff-archipel gevangen gehouden werden, werd nog ingewikkelder door de aanwezigheid van Ortik en Kirschef. Want het was best mogelijk dat die schelmen van deze onverwachte ontmoeting partij zouden willen trekken. Gelukkig was het hun niet bekend dat de reiziger, dien zij op de Alaskische grens hadden willen overvallen, een staatkundige veroordeelde was die uit de vesting Jakoutsk ontvlucht was; dat hij graaf Narkine heette en nu, onder den schijn van deel uit te maken van eenen kermistroep, naar Rusland poogde terug te keeren. Hadden zij dit geweten, dan zouden zij zeker geen oogenblik geaarzeld hebben om het geheim te verklappen; zij zouden het gebruikt hebben als een middel om graaf Narkine geld af te zetten, of zij zouden beproefd hebben hem aan de russische politie over te leveren, op voorwaarde dat zijzelve gratie voor hunne misdrijven en eene belooning in geld kregen. Maar al wisten zij dit niet, bestond er geen gevaar dat het geheim, waar alleen Cascabel en zijne vrouw mede bekend waren, op de eene of andere manier hun ter oore zou komen?Voor het oogenblik hielden Ortik en Kirschef zich op eenenafstand, ofschoon zij vast besloten waren, indien de gelegenheid zich voordeed, te zamen met Sergius en de anderen eene poging te doen om hunne vrijheid terug te krijgen.Zoo lang de winter aanhield, was het echter maar al te duidelijk dat er niets viel aan te vangen. Het was nu zoo fel koud dat de ademhaling, met de lucht in aanraking komende, terstond in eene lichte sneeuwwolk overging. De thermometer daalde somtijds beneden de veertig graden onder het nulpunt der honderddeelige schaal. Ook al kwam er geen wind bij, dan nog was het niet mogelijk in zulk eene koude te vertoeven. Cornelia en Napoleona durfden niet meer buiten deSchoone Zwerfsterte komen, wat trouwens de inboorlingen haar ook niet toestonden. Ieder kan zich voorstellen hoe lang deze eindelooze dagen, of liever die nachten welke bijna een heel etmaal duurden, haar vielen.Kayette, die aan de noord-amerikaansche winters gewend was, kon de koude buitenlucht beter doorstaan, evenals de inlandsche vrouwen van het eiland. In warme kleederen gewikkeld, zag men ze hare gewone werkzaamheden verrichten. Zij droegen een japon van gevoerd rendiervel, waren bovendien in eenen pelsmantel gewikkeld, hadden bonten kousen en mocassins van robben vel aan hare voeten en mutsen van hondenvel op. Van hare gezichten was niets te zien, zelfs niet het puntje van haar neus,—maar daar verloor niemand iets aan.Iederen dag maakten Sergius en Cascabel, vergezeld van Jan, Sander en Kruidnagel, hunne verplichte opwachting bij Tchou-Tchouk. Zij wikkelden zich daartoe in hunne pelzen evenals de twee russische matrozen, die hetzelfde bezoek moesten afleggen en aan wie uit den voorraad van deSchoone Zwerfstereenige kleedingstukken en dekens verstrekt waren.De inboorlingen stoorden zich weinig aan weer of wind. Zij gingen onbeschroomd op de jacht, waartoe de door de vorst geharde vlakten goede gelegenheid opleverden. Zij gebruikten lichte sleden, vervaardigd van kinnebaksbeenderen, ribben en baarden van walvisschen, en voorzien van glijstukken, die vóór dat de tocht aanvangt met water begoten worden, dat terstond bevriest en den onderkant zoo glad als ijs maakt. De sleden worden door rendieren getrokken, die voor dit werk uitstekend geschikt zijn. Bovendien hebben zij honden van Samoyeedsch ras, zoo groot en bijna even wild als wolven; sterk behaard, en geelbruin of zwart en wit van kleur.Als de Nieuw-Siberiërs eene voetreis ondernemen bedienen zij zich van lange sneeuwschoenen of schaatsen,skigenaamd, waarmedezij in korten tijd groote afstanden afleggen langs de zeearmen, die zich tusschen de eilanden in vele takken splitsen en over de natuurlijke wegen,tindra’sgeheeten, die door de vorst droog en hard gehouden worden.In het vervaardigen hunner wapenen staan de inboorlingen van de Liakhoff-eilanden verre ten achter bij de Eskimo’s in Noord-Amerika. Pijl en boog zijn hunne eenige middelen van aanval en verdediging. Hun vischtuig bestaat uit harpoenen waarmede zij de walvisschen achtervolgen, en uit netten die zij laten zakken tot op het diepe of grond-ijs,grundigenaamd, waar de robben zich veeltijds laten verschalken. Ook maken zij tegen sommige der grootste robbensoorten, zooals de zeekoe of de zee-olifant, gebruik van messen en pieken, waarmede zij niet zelden hevige gevechten hebben te leveren.De witte beer is echter hun gevaarlijkste vijand. Gedurende de felste winterkoude, wanneer er volstrekt geen voedsel meer op de sneeuw- en ijsvlakten te vinden is, zoeken de uitgehongerde beren dikwijls hunne prooi in de nabijheid der dorpen op de eilanden. Bij zulke ontmoetingen toonen de inboorlingen hunne dapperheid; onversaagd gaan zij het sterke en bloeddorstige dier te lijf, met niets dan hun mes gewapend en in de meeste gevallen delft de beer het onderspit.Meer dan eens waren de Cascabels getuigen van zulk een gevecht, waarin de beer, na dikwijls verscheidene zijner aanvallers verwond te hebben, ten slotte voor de overmacht bezweek. Het geheele dorp liep dan uit om den verslagen vijand te bekijken. Het berenvleesch was eene lekkernij voor de magen der Nieuw-Siberiërs, maar de beste stukken kwamen veelal terecht op de tafel, of om juister te spreken, in den eetbak van Tchou-Tchouk, en zijne gedweeë onderdanen kregen alleen de brokken, die hij voor hen geliefde over te laten. Dit belette echter niet, dat er een feestmaal van gehouden werd, dat gewoonlijk eindigde met eene algemeene dronkemanspartij. De sterke drank der eilandbewoners bestaat uit het gegiste aftreksel van verschillende planten, zooals het jonge loof van eenige wilgen- en rhodiolasoorten, het sap van de roode mirtenbezie en van eene gele moerasbes. Gedurende de enkele weken dat de zomer duurt, worden deze planten en vruchten ijverig ingezameld en tegen den winter aan ’t gisten gemaakt.Aangezien de beren zich echter slechts bij uitzondering vertoonen en de jacht op dit verscheurende dier altijd een gevaarlijk werk blijft, valt er op geen berenvleesch te rekenen en is het rendierenvleesch de hoofdschotel der inlandsche keuken. De Nieuw-Siberischevrouwen koken daar eene soep van, waar de Cascabels echter geen smaak in konden vinden.Bij zulke gelegenheden toonen de inboorlingen hunne onverschrokkenheid. (Zie bladz. 83.)Bij zulke gelegenheden toonen de inboorlingen hunne onverschrokkenheid. (Zie bladz.83.)Vraagt men nu hoe de rendieren des winters aan voedsel komen, dan is het antwoord, dat deze beesten zelfs onder de dikste sneeuwlaag nog het schrale plantenvoedsel weten te vinden, dat zij voor hun onderhoud noodig hebben. Er worden bovendien, vóór dat de vorst invalt, ontzaglijke voorraden voeder ingezameld en opgestapeld, en het een met het ander is voldoende om de rendierenkudde op Nieuw-Siberië, die uit vele duizende beesten bestaat, in het leven te houden.—Zooveel duizende rendieren, zuchtte Cascabel, die altijd peinsde over de middelen om weg te komen, en met een twintigtal voor onzen wagen zouden wij zoo goed geholpen zijn!Wij moeten nog vertellen dat de inboorlingen van den Liakhoff-archipel niet alleen afgodendienaars, maar zóó bijgeloovig zijn als men zich ternauwernood voor kan stellen. De monsters, die zij met eigen hand vervaardigen, vereeren zij vurig en de bevelen, die naar het heet van de afgodsbeelden uitgaan, worden blindelings gehoorzaamd. Hun opperhoofd Tchou-Tchouk gaf hun daarvan het voorbeeld; wat zijne dweepzucht en zijn bijgeloof hem ingaven, was eene wet voor zijne onderdanen.Iederen dag begaf Tchou-Tchouk zich naar eene soort van tempel, juister gezegd eene gewijde plaats,Vorspükgenaamd, dat wil zeggen “de grot der gebeden.” In eene uitholling van den rotswand stonden daar de houten, met vele kleuren beschilderde palen, die als afgodsbeelden dienst deden, en de geloovigen kwamen geregeld daar hunne knieën voor buigen. Onverdraagzaam waren zij daarbij niet; zij hadden er niets tegen dat de vreemdelingen in hun heiligdom kwamen en moedigden hen zelfs daartoe aan. Hierdoor waren onze schipbreukelingen in de gelegenheid de voorwerpen, die de Nieuw-Siberiërs vereerden, nauwkeurig op te nemen.Het uiteinde van elken paal werd gevormd door een afschuwelijken vogelkop, met ronde, roode oogen, een wijd openstaande bek, en een hooge kam, die als een hoorn omgebogen was. Kruipende naderden de inboorlingen deze monsters, zij hielden hunne ooren tegen den paal onder het prevelen van lange gebeden, en ofschoon de godheid natuurlijk nooit antwoordde, verbeeldden zij zich toch wel degelijk haren wil te vernemen, die trouwens in den regel overeenstemde met hetgeen de vrager zich te voren daarvan voorgesteld had. Als Tchou-Tchouk zijne onderdanen de eeneofandere nieuwe belasting wilde opleggen, bleef de oude schavuit nooit in gebreke eene stem uit den hooge te vernemen, die daarop hare goedkeuringverleende, en bij niet een zijner volgelingen kwam het op, daaraan te twijfelen.Eenmaal in de week had er eene buitengewone godsdienstoefening plaats, waar alle bewoners van het dorp deel aan namen. Het deed er niet toe hoe koud het was en of de sneeuwstorm de vlakte geeselde, zoodat het een gevoel was alsof men met messen in het gezicht gesneden werd; de heele bevolking volgde Tchou-Tchouk op de hielen, naar deVorspük. En niemand raadt waar de mannen en vrouwen zich mede opschikten sedert deSchoone Zwerfsterin hun midden was. Met alles wat zij uit den wagen gestolen hadden, met de kermispakken van Cascabel en de jongens en met de rokken van Cornelia, die zij over hunne kleederen heen droegen! Een had den helm met de pluim van Kruidnagel op. Ook blies er een op den hoorn, zóó dat de oogen hem uit het hoofd puilden; een ander haalde de onmogelijkste geluiden uit de schuiftrompet en een paar beukten er op de groote- en de roffeltrom. Dit maakte een lawaai, waar het schreeuwen en tieren der kerkgangers zich mede vermengden.Telkens als Cesar Cascabel dat moest aanzien vloekte hij in éénen adem door tegen het dievengespuis, dat zijne kleederen droeg en de muziekinstrumenten misschien voor altijd onbruikbaar maken zou.—Bandieten! Hondsvotten! schold hij, en zelfs Sergius zag geen kans hem tot bedaren te brengen.Daar kwam nog bij dat de toestand op den duur ondragelijk begon te worden. De dagen en weken kropen voort alsof er nimmer een einde aan komen zou. Er scheen geen uitredding te wachten. De tijd ging niet alleen werkeloos maar tot schade van iedereen voorbij, want tot het maken van kunsten bestond geen gelegenheid en Cascabel was niet weinig bevreesd, dat als zij ooit nog op de kermis te Perm aankwamen, hunne ledematen en gewrichten heelemaal vastgeroest zouden zijn. Het eenige middel om te voorkomen dat zij geheel en al den moed verloren, was dat Sergius onvermoeid in de weer bleef om hen door verhalen en onderwijzen leerzaam bezig te houden. Zoodoende was de gedwongen rust ten minste voor iets nuttig.Van zijnen kant leerde Cascabel aan Sergius allerlei goocheltoeren en handigheden, zooals hij zeide tot tijdverdrijf, maar het kon te pas komen als Sergius misschien nog eens onder de oogen der russische politieagenten het beroep van kunstenmaker zou moeten uitoefenen. Jan hield zich voortdurend bezig met het geven van les in lezen en schrijven aan Kayette en deze volgde vlijtig hetonderricht van haren meester. Men beschuldige de twee jongelieden niet te spoedig van zelfzucht, wanneer wij er bijvoegen dat zij zich het best van allen in den toestand schikten, dewijl beider gemoed geheel werd ingenomen door een gevoel, dat machtiger is dan alle andere aandoeningen. Niet zonder deelneming sloeg Sergius de wassende vertrouwelijkheid tusschen zijne aangenomen dochter en Jan gade. Kayette was vlug van begrip en Jan voelde zich zichtbaar gelukkig als hij haar, van hetgeen hij geleerd had, iets mee kon deelen. Hoe jammer zou het toch wezen als zulk een flinke jongen, met zulk een gelukkigen aanleg en zoo vlijtig van aard, nimmer iets anders worden kon dan een arme kunstenmaker, en als er voor hem geen betere maatschappelijke loopbaan te vinden ware. Maar dit behoorde onder de raadselen der toekomst, en wie kon zeggen of er in het geheel nog sprake zijn kon van eene toekomst voor een gezin, dat op de uiterste grens der bewoonde wereld door een barbaarschen volksstam gevangen gehouden werd?Tchou-Tchouk toonde zich nog maar niet geneigd om iets van zijne eischen te laten vallen. Zonder losgeld verkoos hij de gevangenen hunne vrijheid niet te schenken, en van elders scheen er voor hen geen kans op redding te bestaan. Welk middel viel er dus te bedenken om aan het geld te komen, dat het inhalige opperhoofd hen trachtte af te persen?Toch bezaten de Cascabels nog eenen schat, maar daar wisten zij niets van. Onze lezers zullen zich herinneren, dat Sander steeds in het bezit was van zijn kostbaren klomp goud;—ten minste hij zelf twijfelde geen oogenblik aan de waarde van den steen. Als niemand hem gadesloeg, haalde hij het ding uit den hoek waar hij het verborgen hield. Dan wreef en poetste hij het zoo lang tot het blonk. Geen oogenblik zou hij geaarzeld hebben om het af te geven indien Tchou-Tchouk zich daarmede tevreden had willen stellen. Maar de “sjoe-sjoe”, zooals Cascabel hem bleef noemen, zou zeker het brok goud, dat er uitzag alsof het maar een gewone keisteen was, niet in de plaats van klinkende munt hebben willen aannemen. Sander bleef zich dus maar vleien met het vooruitzicht, van eenmaal in Europa teruggekeerd, het stuk steen in gouden kopstukken te kunnen omwisselen, ter vervanging van de dollars die aan zijne ouders in Amerika ontstolen waren.Dit zou alles terecht komen zoodra zij hunnen tocht naar Europa konden voortzetten, maar of zij ooit daartoe zouden komen, werd iederen dag meer twijfelachtig. De twee russische booswichten, die het noodlot ook nog op den weg der Cascabels gevoerd had, dachten er even zoo over.Sander was steeds in het bezit van zijn kostbaren klomp goud. (Zie bladz. 87.)Sander was steeds in het bezit van zijn kostbaren klomp goud. (Zie bladz.87.)Op een goeden dag, den 23stenJanuari, kwam Ortik een bezoek in deSchoone Zwerfsterbrengen, zoo het heette om met Cascabel, Sergius en Jan te praten over hunne kansen om weg te komen, maar inderdaad om te weten te komen wat de anderen voornemens waren te doen, indien Tchou-Tchouk hun verlof mocht geven om hunne reis voort te zetten.Hij begon met deze vraag:—Mijnheer Sergius, waart gij van plan den winter in Siberië doortebrengen toen gij van Port-Clarence vertrokken zijt?—Ja, antwoordde Sergius, wij hadden ons voorgesteld eene of andere bewoonde plaats op te zoeken en daar het zachtere weder aftewachten. Waarom vraagt gij dat Ortik?—Omdat ik wilde weten of gij bij dat plan blijft, in geval die verwenschte kerels hier op het eiland u los mochten laten.—Neen, hernam Sergius, daardoor zouden wij onze reis, die al zoo lang duurt, noodeloos langer maken. Het komt mij voor dat het nu beter zou zijn op de russische grens aan te houden en te trachten een der passen van het Oeral-gebergte over te komen.—In het noordelijke gedeelte van het gebergte dus?—Natuurlijk, dat is de kortste weg dien wij door de steppen, heen kunnen volgen.—Maar zoudt gij dan uwen reiswagen hier laten, mijnheer Sergius? vroeg Ortik verder.Die vraag had Cascabel blijkbaar verstaan, want hij antwoordde haastig:—Wat, deSchoone Zwerfsterin den steek laten! In geen geval als ik maar een span rendieren machtig kan worden, en het zal niet lang duren denk ik....—Weet gij dan een middel om weg te komen? vroeg Sergius.—Ik heb er zelfs geen flauw vermoeden van; maar Cornelia blijft volhouden dat ik er een vinden zal en Cornelia heeft zich nog nooit vergist. Dat is eene vrouw, mijnheer Sergius, zooals er geen tweede bestaat, en zij kent mij!Het vertrouwen van Cascabel op zijn goed gesternte was niet uitteroeien. Dat vier franschen en drie russen met hun allen niet in staat zouden wezen een Sjoe-Sjoe eene kool te stoven, wilde er niet bij hem in.Sergius had aan Ortik overgebracht hoe Cascabel over het achterlaten van deSchoone Zwerfsterdacht:—Maar om uwen wagen medetenemen, hervatte de matroos, die hier bijzonder veel aan scheen te hechten, moet gij een stel rendieren hebben.—Ongetwijfeld.—Denkt gij dat Tchou-Tchouk u daaraan helpen zal?—Ik denk dat mijnheer Cascabel een middel zal vinden om er hem toe te dwingen.—En vervolgens wilt gij over het ijsveld heen de reis naar de siberische kust ondernemen?—Natuurlijk.—Daartoe zal het noodig zijn, mijnheer Sergius, dat gij opbreekt vóór dat het begint te dooien, dat is binnen drie maanden.—Dat kan niet anders.—Maar gij zult niet kunnen.—Misschien zullen de inboorlingen vóór dien tijd ons vergunnen heen te gaan.—Dat is toch niet waarschijnlijk, mijnheer Sergius, want het losgeld betalen kunt gij niet.Cascabel had zich dit antwoord van Ortik doen vertolken, en antwoordde terstond.—Misschien kunnen die verwenschte kerels toch wel genoodzaakt worden ons te laten gaan.—Genoodzaakt? Door wie? vroeg Jan.—Door omstandigheden.—Welke omstandigheden, vader?—Ja, als wij dat wisten! antwoordde Cascabel. Een samenloop van omstandigheden, maar welke?Hij krabde zich het hoofd alsof hij er een plan uit wilde trekken, maar er kwam niets voor den dag.—Welnu, hernam Sergius, het beste is dat wij beginnen met te veronderstellen dat de inboorlingen ons niet verkiezen los te laten. Kunnen wij in dat geval niet wegkomen zonder dat zij het goed vinden?—Het is te probeeren, meende Jan. Maar in dat geval zullen wij zeker deSchoone Zwerfsterhier moeten laten.—Praat daar niet van, riep Cascabel. Daar valt niet aan te denken Jan, ik wil er niet van hooren!—Maar er is niets aan te doen, vader.—Neen, zeg ik. DeSchoone Zwerfsteris ons huis, dat overal met ons medegaat. Onder haar dak hadt gij geboren kunnen worden, Jan. Wij laten haar niet in handen van die zee-varkens, van die robben in menschengedaante die hier wonen.Hij krabde zich het hoofd alsof hij er een plan uit wilde trekken. (Zie bladz. 90.)Hij krabde zich het hoofd alsof hij er een plan uit wilde trekken. (Zie bladz.90.)—Mijn waarde Cascabel, hernam Sergius, alles wat wij in staat zijn te doen zullen wij beproeven om de toestemming der inboorlingen tot ons vertrek te krijgen, maar er zijn tien kansen tegeneen dat dit niet gelukken zal en in dat geval moeten wij trachten te vluchten. Welnu, als wij aan Tchou-Tchouk willen ontsnappen, kan het niet anders dan met achterlating.....—Van de woning der Cascabels! riep Cesar uit, met eene verbittering welke raden liet hoeveel moeite het hem kosten zou daarin toetestemmen.—Misschien, hervatte Jan, zou er toch nog iets anders te bedenken zijn, waardoor alles terecht kon komen.—Wat zou dat wezen?—Zou één van ons niet kunnen trachten wegtekomen, het vasteland te bereiken en de russische politie kennis te geven van den toestand waarin wij verkeeren? Mijnheer Sergius, ik ben bereid het te beproeven.—Dat nooit! antwoordde Cascabel terstond.—Neen, dat in geen geval, zeide Ortik even beslist, nadat Sergius hem had medegedeeld wat Jan wilde.Cascabel en de rus waren het in dit opzicht eens; maar de eerste dacht alleen aan het gevaar dat graaf Narkine loopen kon wanneer hij in aanraking kwam met de russische politie, en Ortik was voor zijn persoon niet op eene ontmoeting met het openbaar gezag gesteld.Ook Sergius had tegen het denkbeeld van Jan bezwaar, maar op andere gronden.—Het is braaf van u, Jan, zeide hij, dat gij u voor ons wilt opofferen, maar wij zouden door uwe edelmoedigheid niet geholpen worden. Er is geen denken aan om midden in den winter dien tocht over het ijsveld te ondernemen en de honderd mijlen afstands tusschen het eiland Kotelnyi en den vasten wal te willen afleggen. Gij zoudt onderweg omkomen, mijn vriend. Neen, wij moeten onder alle omstandigheden bij elkander blijven en indien wij hier van daan komen, dan moet het zijn met ons allen.—Daar valt niets tegen in te brengen, zeide Cascabel, en ik sta er op dat Jan mij belooft zonder mijne toestemming niets te beginnen.—Ik geef er u mijn woord op, vader.—Wanneer ik zeg dat wij samen zullen gaan, vervolgde Sergius tegen Ortik, dan bedoel ik daarmede dat gij en Kirschef ook met ons medetrekt. Wij laten u niet in de handen dezer wilden.—Ik ben u daar dankbaar voor, mijnheer Sergius, antwoordde Ortik, en Kirschef en ik, wij zullen u op uwe reis door Siberië misschien ook van dienst kunnen zijn. Op dit oogenblik valt er niets te beginnen, maar zoodra de ergste koude voorbij is en vóórdat het gaat dooien moeten wij ons gereed houden voor de vlucht.Na dit gezegd te hebben, nam Ortik afscheid.—Ja, herhaalde Sergius, wij zullen ons gereed moeten houden.—Daar zal wel niet aan ontbreken, zeide Cascabel, maar hoe komen wij weg? De drommel moge mij halen als ik het weet.Dit bleef de vraag van den dag, het onderwerp waar allen over bleven denken, op welke manier zij met of zonder goedvinden van Tchou-Tchouk uit zijne handen zouden geraken. De waakzaamheid der inlanders te verschalken, scheen uiterst moeilijk. Tchou-Tchouk tot andere gedachten te brengen, daarop bestond nog minder kans. Er bleef maar één middel over, dat was “hem er in te laten loopen,” zooals Cascabel misschien twintig maal daags herhaalde.Hij dacht aan niets anders. Maar ofschoon hij er over “prakkezeerde” zoodat zijne hersens er van zweetten, zeide hij, de heele maand Januari ging voorbij zonder dat hij iets wist te bedenken.

V.De Liakhoff-eilanden.In dit gedeelte van de noordelijke IJszee liggen drie groepen eilanden, te zamen bekend onder den naam van Nieuw-Siberië en onderscheiden als de Long-, de Anjou- en de Liakhoff-eilanden. Deze laatsten liggen het dichtst bij de Siberische kust, tusschen de 73 en 75 graden noorderbreedte en de 135 en 140 graden oosterlengte, en beslaan eene uitgestrektheid van negen en veertig vierkante kilometers. De grootste zijn bekend als de eilanden Kotelnyi, Blinyi, Malyi en Belkoff.Het zijn niets dan naakte rotsvlakten, zonder boom of struik, zonder anderen plantengroei dan alleen, in het midden van den zomer, enkele gewassen van lagere orde. De grond ligt vol walvisch- en mammouth-beenderen, die sedert de vorming dezer eilanden daar opgehoopt zijn, evenals er versteende voorwereldlijke boomstammen in groote hoeveelheid gevonden worden. Dit is alles wat er van de Liakhoff-eilanden te beschrijven valt.Zij zijn ontdekt in het begin der achttiende eeuw.Kotelnyi, het zuidelijkste en grootste van de groep, op ongeveer vierhonderd kilometer van het vasteland gelegen, was het eiland waar de schipbreukelingen van deSchoone Zwerfstervoet aan land zetten, nadat zij veertig dagen drijvende geweest waren en eenen afstand van zes of zevenhonderd mijlen afgelegd hadden. Zuidoostelijk van het eiland, op de Siberische kust, ligt de groote zeeboezem van de Lena, een groote inham waar de wateren van de Lena-rivier,een van de aanzienlijkste stroomen van noordelijk Azië, in de IJszee eenen uitweg vinden.Deze Liakhoff-archipel is dus met recht hetultima Thule, het verst bekende land der poolstreken op dezen lengtegraad. Daar voorbij, tot aan den rand van het nimmer smeltende poolijs, heeft geen zeevaarder meer eenig land gevonden. Nog vijftien graden noordelijker, en men is aan de pool.Onze schipbreukelingen bevonden zich dus op de uiterste grens der aarde, al ligt ook Spitsbergen en het noordelijkste uiteinde van Amerika op nog hoogere breedte.Intusschen, ofschoon de Cascabels nu meer in het Noorden terecht gekomen waren dan hun voornemen was geweest, zij waren toch steeds de richting gevolgd welke zij op wilden, die namelijk van Europeesch Rusland. Zij hadden van Port-Clarence af, eenige honderden mijlen afgelegd, wel onder dreigende gevaren, maar zonder zich sterk te vermoeien. Al drijvende, hadden zij een heel eind weegs afgelegd, dat zij anders hadden moeten doortrekken in een land dat gedurende den winter nauwelijks toegankelijk is. Misschien mochten zij dus nog van geluk spreken, indien zij het nu maar niet al te slecht troffen nu zij in handen gevallen waren van inboorlingen der Liakhoff-eilanden. Want het stond te bezien of deze lieden hen vrij zouden laten trekken, of wel, indien zij hen verkozen gevangen te houden, of het dan mogelijk zou zijn aan hunne handen te ontkomen. Het een zoowel als het ander was mogelijk. In elk geval zouden zij spoedig bemerken wat de inboorlingen met hen voor hadden, en eenmaal daarvan op de hoogte, zouden zij, naarmate van de omstandigheden, hunne maatregelen dienen te nemen.Het eiland Kotelnyi wordt bewoond door eenen volksstam van Finsche afkomst, welke uit ongeveer tweehonderd vijftig of driehonderd personen, mannen, vrouwen en kinderen bij elkaar gerekend, bestaat. Deze inboorlingen zijn van een terugstootend uiterlijk en staan nog verre in beschaving ten achter bij de andere strandbewoners dezer streken, de Tchouktchis, deJoukaghirsen de Samojeden. Zij zijn afgodendienaars in de meest strikte beteekenis van het woord, ondanks de moeite welke de Moravische broeders zich gegeven hebben om het bijgeloof onder de bevolking van Nieuw-Siberië tegen te gaan. Dit is even onmogelijk gebleken als hen terug te brengen van hunne aangeboren neigingen om te stelen en zeeroof te plegen.Teneinde in hun levensonderhoud te voorzien, houden de bewoners van den Liakhoff-archipel zich bezig met de walvischvangst, welkein dit gedeelte van de noordelijke IJszee veel oplevert, en met de robbenjacht die des zomers bijna even zooveel kans op buit biedt als op Behring-eiland.Op deze hooge noordelijke breedte is de winter strenger dan in eenig ander bekend gedeelte der aarde. De inboorlingen wonen onder den grond, dat wil zeggen zij graven zich holen, die verscholen liggen onder de dikke sneeuwlaag. Die holen bestaan uit onderscheidene vertrekken, waarin zonder veel moeite eene voldoende warmte onderhouden wordt. Voor brandstof wordt het voorwereldlijke hout gebruikt, dat veel van steenkool heeft en in groote hoeveelheden op deze eilanden aangetroffen wordt, zonder nog de walvischbeenderen te rekenen, die mede voor hetzelfde doel dienstig zijn. Eene opening in het “dak” dezer holwoningen geeft aan den rook hunner zeer ruw ingerichte stookplaatsen gelegenheid om te ontsnappen. Dit maakt dat het op het eerste gezicht lijkt alsof de bodem der eilanden bezaaid is met van die krateropeningen, welke men solfatara’s noemt, waardoor de gassen van in werking zijnde vulkanen zich eenen uitweg banen.Rendierenvleesch is het voornaamste voedsel der eilanders. Talrijke kudden van deze herkauwende dieren leven hier te zamen. Ook worden er elanden buit gemaakt en tegen het aanbreken van den winter groote voorraden visch gedroogd en gerookt. Voor hongersnood bestaat er dus onder de Nieuw-Siberiërs, dank zij deze onderscheidene hulpbronnen, geen gevaar.Het gezag over de Liakhoff-eilanden werd op dat tijdstip gevoerd door een inlandsch hoofd, Tchou-Tchouk genaamd, wiens macht bijna onbeperkt mocht heeten. Dit vormt een kenmerkend onderscheid tusschen dezen volksstam en de Eskimo’s van het uiterste Noorden in Amerika, onder wie eene republikeinsche gelijkheid regel is. Nog grooter is echter het verschil in uiterlijke welvaart, in zeden en in gastvrijheid. Over het gemis van dat alles onder de Nieuw-Siberiërs hebben de walvischvaarders menigmaal te klagen en ook onze schipbreukelingen zouden nog meer dan eens hunne goede vrienden, de ingezetenen van Port-Clarence, terug wenschen.Het viel niet tegen te spreken dat de familie Cascabel het moeilijk ongelukkiger had kunnen treffen. Na het ongeluk dat hun in de Behringstraat overkomen was, konden zij het niet anders dan aan eene buitengewone ongunst van het noodlot toeschrijven, dat zij hier op de Liakhoff-eilanden moesten aanlanden en in de handen vallen van eenen zóó barbaarschen en ongastvrijen volksstam.Cascabel was dan ook niet in staat zijne teleurstelling te verbergen,toen hij zich omringd zag door een honderdtal-wanstaltige wilden, die met woeste gebaren en geluiden de zwervelingen, die het toeval op hunne kust geworpen had, schenen te bedreigen.—Wat willen die apen van ons? riep hij uit, nadat hij degenen, die het dichtst bij hem waren, een weinig had doen terugdeinzen.—Stellig niet veel goeds, vader, antwoordde Jan.—’t Is een mooie manier om eenen reiziger te ontvangen! zouden zij bij geval lust hebben om ons opteëten.—Dat niet, maar zij zullen ons waarschijnlijk op hun eiland gevangen willen houden.—Gevangen houden, zegt ge?—Ja, want dat hebben zij ook gedaan met twee matrozen, die vóór ons hier aangeland zijn.Jan had geen tijd om verder te vertellen, want een twaalftal inboorlingen hadden Sergius, Cascabel en de anderen reeds aangegrepen. Zij zagen zich dus genoodzaakt goed- of kwaadschiks hen naar het dorp Tourkef, de voornaamste bewoonde plaats op den archipel, te vergezellen.Een twintigtal andere inlanders begaven zich tegelijk op weg naar deSchoone Zwerfster, wier aanwezigheid door een licht rookwolkje in het Oosten nog even verraden werd.In een kwartier tijds werden de gevangenen naar Tourkef gebracht en daar in eene vrij groote ruimte, die onder den grond gegraven was, gelaten.—Dat moet zeker het huis van arrest en bewaring verbeelden, merkte Cascabel op, nadat zij zich rondom het brandende vuur geschaard hadden en door hunne geleiders alleen gelaten waren.Het eerste waar nu echter aan gedacht werd, was hoe het met Jan en Kayette gegaan was. Zij vertelden dat het stuk ijs, waar zij samen op stonden, tusschen de andere klompen aan het drijven geraakt en in westelijke richting voortgejaagd was. Jan hield het Indiaansche meisje in zijne armen teneinde te voorkomen dat zij door de bewegingen van de ijsschots vallen zou. Zij hadden niets om te eten bij zich en waren zonder eenige schuilplaats, maar zij bevonden zich tenminste bij elkaar. Zij stonden dicht tegen elkander aan en deden hun best om den honger en de koude niet te voelen. Het werd duister, zij konden elkaar niet meer zien, alleen nog maar hooren. Onder aanhoudende angsten, telkens met het vooruitzicht van in de diepte te zullen worden gestort, ging het eene uur na het andere voorbij. Op hetzelfde oogenblik dat de eerste schemering van den dag zich vertoonde, bonsde hunne schots tegen het groote, vastzittende ijsveld aan. Zonder te aarzelen sprongen zijdaarop over. Na geruimen tijd geloopen te hebben kwamen zij aan het eiland Kotelnyi, waar de inboorlingen hen spoedig bespeurden en zich van hen meester maakten.Onder aanhoudende angsten ging het eene uur na het andere voorbij. (Zie bladz. 67.)Onder aanhoudende angsten ging het eene uur na het andere voorbij. (Zie bladz.67.)—En gij meent, Jan, vroeg Sergius, dat er zich reeds andere schipbreukelingen hier op het eiland bevinden?—Ja, antwoordde Jan.—Hebt gij die reeds gezien?—Neen, mijnheer Sergius, zeide Kayette, maar ik heb de inlanders, die russisch spreken, onder elkander hooren praten over twee matrozen die zij in het dorp gevangen houden.De taal der volksstammen in het hooge Noorden van Rusland heeft inderdaad veel overeenkomst met het russisch, zoodat ook Sergius zich aan de bewoners der Liakhoff-eilanden verstaanbaar maken kon. Maar wat zou dit baten tegenover deze roofzuchtige wilden, die oorspronkelijk afkomstig zijn uit den omtrek der groote riviermondingen, doch naar NieuwSiberiëuitgeweken zijn, waar de russische politie, die elders op het vasteland de orde handhaaft, hen niet bereiken kan?Voor Cascabel was het intusschen niet uittehouden dat hij niet vrij was om zich te bewegen en te gaan waarheen hij goedvond. Niet zonder reden vreesde hij dat zijneSchoone Zwerfsterdoor het dievengespuis ontdekt, leeggeroofd en misschien vernield zou worden. Het was waarlijk nog al de moeite waard, door zooveel gevaren heen den wagen uit de Behringstraat behouden herwaarts gebracht te hebben, om hem nu in de handen van deze “pool-bandieten” te zien vallen!—Komaan, Cesar, poogde Cornelia hem te troosten, schep moed! Het baat immers niets of gij u driftig maakt. Bedenk liever dat het nog veel erger met ons had kunnen afloopen.—Wat had er dan wel kunnen gebeuren, Cornelia?—Bijvoorbeeld, als wij Jan en Kayette eens niet teruggevonden hadden. Dat zou dan toch veel erger geweest zijn! Bovendien, zijn wij niet allen behouden en levend hier? Hoeveel gevaren zijn wij niet te boven gekomen, Cesar; het is bijna niet om er aan te gelooven. Ik voor mij vind dat wij geen recht hebben om te klagen, maar liever dankbaar moeten zijn aan de Voorzienigheid....—Nu, ik ben haar ook dankbaar Cornelia, van ganscher harte zelfs! Maar ik mag toch wel mijn hart luchten tegen den duivel, die ons stellig aan dit diefachtige vee heeft overgeleverd. Kijk maar, zij lijken meer op beesten dan op menschelijke wezens!Daarin had Cascabel geen ongelijk, maar het was toch ook waar wat Cornelia zeide: geen van de passagiers derSchoone Zwerfsterontbrak op het appèl. Zooals zij Port-Clarence verlaten hadden, zoo stonden zij ook met hun allen in het dorp Tourkef.—Jawel, in een mollengat of een bunsinghol, bromde Cascabel. Een eenigszins gelikte beer zou in zoo’n spelonk zijn nest niet willen hebben.—Maar wat of er van Kruidnagel geworden zou zijn? riep Sander op eens.Dat was waar ook. Hem zouden zij bijna vergeten hebben. Zou de brave kerel, achtergelaten om op deSchoone Zwerfsterte passen, misschien met gevaar van zijn leven haar verdedigd hebben? Bevond hij zich thans ook als een gevangene onder de wilden?Met de gedachte aan Kruidnagel, kwam ook die aan de andere levende reisgenooten weder boven.—En onze Jako? zuchtte Cornelia.—En John Bull? klaagde Napoleona.—En onze honden? dacht Jan overluid.Het spreekt vanzelf dat zij allen in de eerste plaats over Kruidnagel bezorgd waren, maar toch onmiddellijk na hem kwamen de papegaai, de aap, en Wagram met Marengo.Op dit oogenblik vernamen zij een luid rumoer buiten het hol, een vloed van scheldwoorden, vermengd met hondengeblaf. Het duurde niet lang of de deur werd opengerukt en de twee honden stormden naar binnen, op hunne hielen gevolgd door Kruidnagel.—Daar ben ik, patroon, riep de arme drommel,.... tenminste als ik het werkelijk ben, want ik weet heusch niet hoe ik het heb!—Het is met jou precies gesteld als met ons allemaal, antwoordde Cascabel terwijl hij hem de hand drukte.—En onzeSchoone Zwerfster? vroeg Cornelia haastig.—OnzeSchoone Zwerfster? was Kruidnagel’s wedervraag. Wel, die hebben deze heeren onder de sneeuw weten te vinden, zij hebben er zichzelve voorgespannen als trek-ossen en haar naar hun dorp gesleept.—En Jako? vroeg Cornelia weder.—Jako ook.—En John Bull? zeide Napoleona.—John Bull even als de rest.Nu het heele gezin te Tourkef opgesloten zat, was het nog het beste dat hun huis er zich ook bevond, al liep dit dan ook gevaar leeggestolen te worden.Intusschen begonnen zij allen honger te krijgen, maar het scheen wel alsof de inboorlingen er zich niet om bekommerden of hunne gevangenen iets te eten kregen. Gelukkig had de bedachtzameKruidnagel het een en ander in zijne zakken gestoken. Hij had eenige blikken ingemaakt vleesch medegenomen en dat was voldoende om althans eenigen tijd den honger te stillen. Daarna wikkelden zij zich in hunne pelsjassen en trachtten zij den slaap te vatten te midden van een benauwden dampkring, die door het rookende vuur nog ondragelijker gemaakt werd.Den volgenden ochtend, dat was den 4denDecember, werd het geheele gezelschap uit het hol te voorschijn geroepen. Ofschoon het vinnig koud was, deed de buitenlucht hen toch onuitsprekelijk aangenaam aan.Zij werden nu voor Tchou-Tchouk gebracht.Dit was een kerel met een sluw gezicht, doch weinig vriendelijk of innemend. Zijne onderaardsche woning was ruimer en ook een weinig geriefelijker dan de armzalige verblijven zijner onderdanen. Zij was uitgegraven aan den voet van een steenachtigen, met sneeuw bedekten heuvel, waarvan de kruin veel op een berenkop geleek.Tchou-Tchouk kon een jaar of vijftig oud zijn. In zijn baardeloos gezicht schitterden een paar kleine, glurende, vurige oogen; de uitdrukking van het gelaat had iets beestachtigs door een paar scherpe hoektanden, die onder zijne lippen te voorschijn kwamen. Hij zat op eenen hoop pelterijen, was in rendiervellen gewikkeld, droeg laarzen van zeehondenleer en had een pelsmuts op. Hij knikte nu en dan met het hoofd, zonder veel te zeggen.—Een echte boeventronie, of ik heb het mis! bromde Cascabel.Een paar van de voornaamsten van den stam bevonden zich bij hem. Buiten stonden een vijftigtal inlanders, nagenoeg eveneens gekleed als hun opperhoofd en wier geslacht men niet onderscheiden kon, want mannen en vrouwen dragen in Nieuw Siberië dezelfde kleederen.Tchou-Tchouk richtte het eerst het woord tot Sergius, wiens landaard hij waarschijnlijk vermoedde. In zeer verstaanbaar russisch zeide hij tegen hem:—Wie zijt gij?—Ik ben een onderdaan van den Czaar, antwoordde Sergius, denkende dat dit eenigen indruk op den eilandenkoning maken zou.—En die anderen? vervolgde Tchou-Tchouk, terwijl hij op Cascabel en de leden van zijn gezin wees.—Dat zijn franschen, zeide Sergius.—Franschen? herhaalde het inlandsche opperhoofd.Het was alsof hij van een volk, of van eenen volkstam met dezen naam nooit gehoord had.Zij werden nu voor Tchou-Tchouk gebracht (Zie bladz. 71.)Zij werden nu voor Tchou-Tchouk gebracht (Zie bladz.71.)—Wis en zeker, franschen!... franschen!... Uit Frankrijk... hondsvot! riep Cascabel.Dit zeide hij echter in zijne eigen taal, met al de vrijmoedigheid van iemand die weet dat hij toch niet verstaan wordt.Maar wie is dat? hernam Tchou-Tchouk, met den vinger naar Kayette wijzende, want het ontging hem niet dat dit meisje tot een ander ras behoorde dan de overigen.—Het is eene Indiaansche, verzekerde Sergius.Er werd nu een vrij levendig gesprek aangeknoopt tusschen Tchou-Tchouk en Sergius, waarvan deze laatste den voornaamsten inhoud aan zijne reisgenooten vertolkte.Het einde van dit onderhoud was dat de schipbreukelingen zich als gevangenen hadden te beschouwen en genoodzaakt waren op het eiland Kotelnyi te blijven, zoo lang zij niet in staat waren in russische klinkende munt eenen losprijs van drieduizend roebels te betalen.—Waar wil hij dat wij die van daan halen, de schobbejak? vroeg Cascabel. Die roovers hebben stellig alles wat er nog over was van uw geld, mijnheer Sergius, al ingepalmd.Op een teeken van Tchou-Tchouk werden de gevangenen weder naar buiten geleid. Het werd hun vergund in het dorp rond te loopen, op voorwaarde dat zij zich niet zouden verwijderen en het bleek hun reeds den eersten dag dat zij zorgvuldig in het oog gehouden werden. Het zou hun trouwens niet mogelijk geweest zijn in dit jaargetijde, midden in den winter, op de vlucht te gaan teneinde zich naar het vasteland te begeven.Sergius en zijne reisgenooten gingen dus terstond naar deSchoone Zwerfster. Zij vonden er een aantal inboorlingen in stomme verbazing over John Bull, die zijne leelijkste gezichten tegen hen trok. De wilden hadden nooit eenen aap gezien en dachten zeker dat dit vierhandige, roodbehaarde schepsel een hunner natuurgenooten was.—Zij zelven zijn ook wel menschen! merkte Cornelia op.—Ja.... maar dat is geen eer voor ons, zeide Cascabel.Na een oogenblik voegde hij er bij:—Wel beschouwd, had ik zelfs niet mogen zeggen dat die wilden apen zijn. Die staan in alle opzichten boven hen en ik vraag mijnen vriend John Bull verschooning voor de vergelijking.John Bull antwoordde met over zijn kop te duikelen. Maar toen een inboorling de hand naar hem uitstak, beet hij daarin zoo dat het bloed te voorschijn kwam.—Flink zoo, John! riep Sander. Bijt ze maar! Bijt er op los, zoo hard je kunt!Dit had echter slecht voor den aap kunnen afloopen en hij had misschien den beet duur moeten betalen indien de aandacht der inboorlingen niet afgeleid was geworden door de verschijning van Jako, wiens kooi opengezet was en die nu te voorschijn kwam, waggelende op zijne pooten.Op de eilanden van Nieuw Siberië waren apen zoo min als papegaaien ooit te zien geweest. Geen der inboorlingen had in zijn leven zulk eenen vogel onder de oogen gehad, met zulke kleurige vederen, zulke ronde oogen alsof het brilleglazen waren en met zulk een haakvormig gebogen snavel.Men kan zich echter niet voorstellen welk eenen indruk het maakte toen Jako eenige duidelijk uitgesproken woorden uit dien snavel komen liet. Alles wat de praatzuchtige vogel te vertellen wist, liet hij achtereenvolgens hooren, tot niet geringe verbazing der inboorlingen. Bijgeloovig als zij waren, dachten zij niet anders of er was eene bovenaardsche macht in het spel. Zij geloofden dat hunne afgoden er mede gemoeid waren en sommigen wierpen zich, geheel ontdaan, voor den vogel op de knieën. Cascabel had daar niet weinig schik in en moedigde den papegaai op alle manieren aan.—Goed zoo, Jako, riep hij. Gêneer je niet, Jako, zeg aan die uilskuikens dat ze barsten kunnen.Jako gehoorzaamde. Barst! klonk het uit zijn snavel. Het was een van de woorden die hij het duidelijkst uitsprak, en het klonk ditmaal zoo hard en barsch dat de inlanders het niet langer uit konden houden, maar onder teekenen van de grootste ontsteltenis op de vlucht sloegen. Dat gaf een gelach onder de familie Cascabel! Zoo groot was hunnebezorgdheidniet, of zij vergaten die op dit oogenblik.—Kom aan, kom aan, zeide Cesar, die bij de minste kleinigheid zijnen moed weer terugkreeg, de drommel moge mij halen als wij die idioten de baas niet zijn!De gevangenen bleven nu aan hun lot overgelaten en aangezien Tchou-Tchouk er niets tegen scheen te hebben dat zij weder van deSchoone Zwerfsterbezit namen, besloten zij daarin een onderkomen te zoeken. Zonder eenigen twijfel gaven de Nieuw-Siberiërs aan hunne onderaardsche woningen verre de voorkeur boven het verblijf in den wagen.Toen alles werd nagezien bleek het dat er alleen eenige zaken van weinig waarde uit deSchoone Zwerfstergestolen waren. Daaronder behoorde echter ook het geld van Sergius, en Cesar Cascabel was niet gezind om dit, zelfs in den vorm van eenen losprijs,in den steek te laten. Intusschen was het eene groote verbetering dat zij de geriefelijke slaapplaatsen en vertrekken in den wagen weder mochten betrekken in plaats van een stinkend onderaardsch hol. Alles werd op zijne plaats gevonden. Beddegoed, keukengereedschap, ingemaakte levensmiddelen, niets daarvan scheen in den smaak te zijn gevallen van de inlandsche heeren en dames. Moesten zij de wintermaanden hier doorbrengen, in afwachting van eene gelegenheid om naar het vasteland te komen, dan konden zij van hunne gewone verblijfplaats gebruik maken.Nu zij hunne vrijheid teruggekregen hadden om te komen en te gaan zooals zij goedvonden, besloot Sergius ook kennis aan te knoopen met de twee matrozen die ongetwijfeld, even als zij zelven, door weer en wind op dezen onherbergzamen archipel beland waren. Het was zaak te beproeven of deze vreemdelingen hen misschien behulpzaam konden zijn om gezamenlijk de waakzaamheid van Tchou-Tchouk te verschalken en eene gelegenheid tot vluchten op te sporen.Het overige van den dag werd gebruikt om het inwendige van deSchoone Zwerfsterweder in orde te brengen. Daar viel heel wat schoon te maken en Cornelia, die eene ordelijke huishoudster was, begon met alles uit te halen en te reinigen. Kayette, Napoleona en Kruidnagel waren, onder haar opperbevel, den heelen dag daarmede bezig.In het voorbijgaan moeten wij nog vertellen dat Cesar Cascabel, van het oogenblik af dat hij zich weder vleide met de hoop van zijne majesteitTchou-Tchoukop de eene of andere manier een kool te kunnen stoven, zijne opgeruimdheid, die slechts een oogenblik schuil was gegaan, heelemaal teruggekregen had.Den volgenden dag ging hij met Sergius op weg om de twee gevangene matrozen optezoeken. Vermoedelijk genoten die even veel vrijheid als hun zelve gelaten werd. Het bleek dat zij niet achter slot gehouden werden, maar in een hol aan het andere einde van het dorp verblijf hielden. De inboorlingen verzetten er zich volstrekt niet tegen dat Sergius en Cascabel hen daar kwamen toespreken.De twee matrozen bleken russen te zijn, de een van vijfendertig, de ander van veertigjarigen leeftijd. Zij zagen er ellendig uit, vermoeid, hongerig en armoedig. Hun matrozenpak bestond uit niet veel meer dan lompen, door eenige lappen bont ternauwernood voor de koude een weinig beschut. Koude en ontbering stonden op hun gelaat te lezen; hunne ongekamde en wild dooreengegroeide haren en hun verwarde baard maakten het bijna onmogelijk hunne trekken te onderscheiden. Het waren echter een paar stevige volwassenmannen wier hulp, als het er op aankwam, niet te versmaden was. Maar het was alsof zij op de kennismaking met de andere schipbreukelingen, wier komst op het eiland hun reeds bekend was, niet bijzonder gesteld waren. Toch scheen de overeenstemming van hunnen toestand en hun gemeenschappelijk belang om zoo spoedig mogelijk uit hunne gevangenschap te geraken, hen naar eene aanraking met deze lotgenooten te moeten doen verlangen.Sergius knoopte een gesprek met hen aan in het russisch. Het bleek dat de oudste Ortik en de jongste Kirschef heette. Zij toonden eerst eenige aarzeling, doch kwamen er toch langzamerhand toe om te vertellen wat er met hen gebeurd was.—Wij zijn beide matrozen en afkomstig uit Riga, verhaalde Ortik. Een jaar geleden hebben wij ons aan doen monsteren aan boord van den walvischvaarderSeraskibestemd voor eene reis in de Noordelijke IJszee. Ongelukkig heeft ons schip bij het naderen van den winter niet bijtijds de Behringstraat kunnen bereiken en is het tusschen het ijs vastgeklemd geraakt. Niet ver van de Liakhoff-eilanden, een weinig noordelijk daarvan, is het eindelijk gebarsten en gezonken, waarbij de geheele bemanning omkwam, met uitzondering alleen van Kirschef en ik. Wij waren zoo gelukkig eene der booten te bereiken en zijn daarmede weggedreven naar de kust van Nieuw-Siberië, waar wij in handen der inboorlingen gevallen zijn.—Hoe lang is dat geleden? vroeg Sergius.—Twee maanden ongeveer.—Hoe hebben zij u ontvangen?—Even als u, veronderstel ik, antwoordde Ortik.Tchou-Tchoukhoudt ons gevangen en wil ons niet loslaten vóórdat wij eenen losprijs betalen.—Waar moeten wij dien van daan halen? viel Kirschef hem in de rede.Op eenigszins ruwen toon liet Ortik nog volgen:—Of het moest zijn dat gij geld genoeg bij u hebt voor uzelven zoowel als voor ons..... want ik veronderstel dat wij landslieden zijn?—Dat is zoo, gaf Sergius ten antwoord; maar het geld dat wij medegenomen hebben is door de inboorlingen buit gemaakt, zoodat wij geen cent rijker zijn dan gij.—Zooveel te erger, hernam Ortik.Beiden deelden nog eenige bijzonderheden mede over hunne wijze van leven. Zij woonden in een onderaardsch verblijf, waar het niet licht en niet ruim was; overigens werd hun eenige vrijheid gelaten, doch zij werden niet uit het oog verloren. Hunne kleederen warengeheel versleten, zij hadden niets anders te eten dan den gewonen mondkost der inboorlingen en deze was nauwelijks voldoende om hunnen honger te stillen. Tegen het einde van den winter, als het open water en dus de gelegenheid om weg te komen gunstiger werd, waren zij er echter op voorbereid dat zij zorgvuldiger bewaakt en misschien achter slot gehouden zouden worden.—Met eene visschersschuit zouden wij in staat zijn den vasten wal te bereiken, maar de wilden zullen ons dan zeker niet zooveel vrijheid laten als thans. Zij zullen wel maatregelen nemen om ons dat te beletten.—Maar het duurt op zijn minst vier of vijf maanden vóór het open water wordt, zeide Sergius. Zóo lang hier gevangen te blijven, gaat niet.—Weet gij een middel om weg te komen? vroeg Ortik nieuwsgierig.—Voor het oogenblik niet, antwoordde Sergius. Intusschen ligt het natuurlijk op onzen weg dat wij elkander trachten te helpen. Gij moet veel uitgestaan hebben mijne vrienden, en indien wij u met iets van dienst kunnen zijn....De twee matrozen betuigden hiervoor hunnen dank, maar toonden zich toch niet bijzonder toeschietelijk. Wanneer men hun nu en dan een weinig beter eten bezorgen kon, dat zouden zij wel gaarne willen hebben.Meer vroegen zij niet, of het moest zijn dat de anderen nog eenige dekens missen konden. Met hen samenwonen wilden zij echter niet. Zij bleven liever waar zij waren, doch beloofden hunne lotgenooten te zullen komen opzoeken.Sergius en Cascabel, die het gevoerde gesprek gedeeltelijk verstaan had, namen na deze belofte afscheid van de twee vreemdelingen. Het uiterlijk dezer mannen boezemde weinig vertrouwen in, doch dit mocht geene reden zijn om hun geene hulp aan te bieden. De eene schipbreukeling is immers den ander bijstand schuldig. Er werd dus besloten dat hun lot zooveel als mogelijk was verzacht zou worden, en deed zich eene gelegenheid voor om te vluchten, dan was Sergius niet van zins hen in den steek te laten. Voor hem waren het niet alleen medemenschen, maar bovendien landgenooten.Er gingen twee weken voorbij, in welken tijd zij hun best deden om zich in den veranderden toestand te schikken. Iederen ochtend waren zij verplicht voor het inlandsche opperhoofd te verschijnen en opnieuw te luisteren naar zijne aanmaningen om te zorgen dat het losgeld er kwam. Hij maakte zich dikwijls driftig, dreigde enriep zijne afgodsbeelden tot getuigen dat het niet voor hem, maar voor hunnen dienst was dat hij geld wilde hebben.—Oude schurk, bromde Cascabel, begin met het geld terug te geven dat ge reeds gestolen hebt. Daarna zullen wij zien.De toekomst liet zich intusschen alles behalve geruststellend aanzien. Niemand kon weten of de inlandsche dwingeland niet op een of ander oogenblik van dreigen tot doen zou overgaan. In plaats van Tchou-Tchouk had Cascabel hem in de wandeling den bijnaam Sjoe-Sjoe gegeven, ofschoon, zeide hij, “die lieve bijnaam den schoelje even goed past als een herderinnehoedje op den kop van een roodharigen engelschman!”Onophoudelijk dacht Cascabel over een middel om den wilde in de luren te leggen. Maar welk? Hij peinsde en overlegde, maar vond niets. Hij begon al bang te worden dat hij heelemaal “op” was, en daarmede bedoelde hij dat zijne hersenkast leeg begon te worden. Een man als hij, die op het stoute maar betreurenswaardige denkbeeld gekomen was om over Azië uit Amerika naar Europa terugtekeeren, zulk een man scheen nu zichzelf te moeten bekennen, dat hij niet slimmer was dan een ezel!Dat maakte hem zoo mismoedig, dat Cornelia het niet aan kon zien.—Hoe komt ge er aan, Cesar, om dat te denken? vroeg zij. Ge zult wel iets weten te vinden; op het oogenblik dat ge er het minst op bedacht zijt, zal het u te binnen schieten.—Gelooft ge dat werkelijk?—Ik durf er op te zweren.Was het niet aandoenlijk dat Cornelia zulk een vertrouwen in de schranderheid van haar man bleef stellen, ondanks den treurigen keer dien zijn reisplan genomen had?Van zijnen kant deed Sergius wat hij kon om hem op te beuren, maar al de moeite welke hij aanwendde om Tchou-Tchouk tot andere gedachten te brengen en hem van zijnen eisch te doen afzien, bleef vruchteloos. Er was evenwel nog geene reden om het geduld te verliezen. Al had het inlandsche opperhoofd er in toegestemd hen in vrede te laten trekken, dan nog hadden zij er niet aan kunnen denken om in het hart van den winter, onder eene koude van dertig tot veertig graden beneden het vriespunt, het eiland Kotelnyi te verlaten.De 25steDecember was aangebroken en Cornelia had bepaald dat het Kerstfeest gevierd zou worden met zooveel luister als de omstandigheden toelieten. Dit kon alleen daarin bestaan dat het middagmaal wat overvloediger zou wezen dan gewoonlijk. Ingelegdvleesch en groenten waren de hoofdschotels; maar gelukkig was er in de provisiekast ook nog geen gebrek aan meel, aan rijst en aan suiker, zoodat de ijverige keukenprinses in de gelegenheid was een grooten koek te bakken, die er prachtig uitzag en met gejubel begroet werd.De twee russische matrozen werden dien dag mede te gast gevraagd en namen de uitnoodiging aan. Dit was de eerste keer dat zij eenen voet in deSchoone Zwerfsterzouden zetten.Bij het eerste woord dat een van de twee—Kirschef namelijk—sprak, was het Kayette, alsof zij die stem meer gehoord had. Maar waar of wanneer zij den vreemde ontmoet kon hebben en had hooren spreken, dit was zij niet in staat zich te herinneren.Voor het overige voelde noch Cornelia, noch Napoleona, noch zelfs Kruidnagel zich tot de twee mannen aangetrokken, die bovendien in gezelschap van anderen zich weinig op hun gemak schenen te voelen.Toen het maal ongeveer afgeloopen was verhaalde Sergius hun, op verzoek van Ortik, wat hem en de Cascabels overkomen was in de provincie Alaska. Hij beschreef hoe hij bijna stervende door hen gevonden was nadat hij bijna het slachtoffer geweest was van eenen moordaanslag, door twee roovers van de bende van Karkof op hem gepleegd.Indien de twee vreemden meer in het licht gezeten hadden, had Sergius of een van de anderen zeker gezien welk een zonderlingen blik zij met elkander wisselden terwijl hun dit verhaal gedaan werd. Niemand had daar echter erg in. Na een goed stuk van den koek gekregen en dat met een stevig glas vodka-brandewijn doorgespoeld te hebben, namen de twee russen afscheid van onze reizigers.Zoodra zij op eenigen afstand waren, zeide de een:—Dat is een mooie ontmoeting! Die rus is de man dien wij op de grens van Alaska overvallen hebben en dien wij hadden willen plunderen als die Indiaansche meid ons niet gestoord had.—Dat zou een buitenkansje geweest zijn.—Ja, de duizend of wat roebels, die nu in het bezit zijn van Tchou-Tchouk, waren dan in onze handen gevallen!De twee voorgewende matrozen waren dus een paar straatroovers, medeplichtigen van de bende van Karkof, die in het geheele Westen van Amerika berucht was. Nadat hun aanslag op Sergius mislukt was, hadden zij in de duisternis hunnen weg niet terugkunnen vinden, maar waren na veel omzwervens te Port-Clarence terecht gekomen. Daar hadden zij eene schuit gestolen en hadden beproefd de Behringstraat over te steken; maar zij waren door den stroom voortgesleept en hadden duizende gevaren doorgestaan. Eindelijk waren zij op het grootste eiland van den Liakhoff-archipel aangeland en daar in handen der inboorlingen gevallen.

In dit gedeelte van de noordelijke IJszee liggen drie groepen eilanden, te zamen bekend onder den naam van Nieuw-Siberië en onderscheiden als de Long-, de Anjou- en de Liakhoff-eilanden. Deze laatsten liggen het dichtst bij de Siberische kust, tusschen de 73 en 75 graden noorderbreedte en de 135 en 140 graden oosterlengte, en beslaan eene uitgestrektheid van negen en veertig vierkante kilometers. De grootste zijn bekend als de eilanden Kotelnyi, Blinyi, Malyi en Belkoff.

Het zijn niets dan naakte rotsvlakten, zonder boom of struik, zonder anderen plantengroei dan alleen, in het midden van den zomer, enkele gewassen van lagere orde. De grond ligt vol walvisch- en mammouth-beenderen, die sedert de vorming dezer eilanden daar opgehoopt zijn, evenals er versteende voorwereldlijke boomstammen in groote hoeveelheid gevonden worden. Dit is alles wat er van de Liakhoff-eilanden te beschrijven valt.

Zij zijn ontdekt in het begin der achttiende eeuw.

Kotelnyi, het zuidelijkste en grootste van de groep, op ongeveer vierhonderd kilometer van het vasteland gelegen, was het eiland waar de schipbreukelingen van deSchoone Zwerfstervoet aan land zetten, nadat zij veertig dagen drijvende geweest waren en eenen afstand van zes of zevenhonderd mijlen afgelegd hadden. Zuidoostelijk van het eiland, op de Siberische kust, ligt de groote zeeboezem van de Lena, een groote inham waar de wateren van de Lena-rivier,een van de aanzienlijkste stroomen van noordelijk Azië, in de IJszee eenen uitweg vinden.

Deze Liakhoff-archipel is dus met recht hetultima Thule, het verst bekende land der poolstreken op dezen lengtegraad. Daar voorbij, tot aan den rand van het nimmer smeltende poolijs, heeft geen zeevaarder meer eenig land gevonden. Nog vijftien graden noordelijker, en men is aan de pool.

Onze schipbreukelingen bevonden zich dus op de uiterste grens der aarde, al ligt ook Spitsbergen en het noordelijkste uiteinde van Amerika op nog hoogere breedte.

Intusschen, ofschoon de Cascabels nu meer in het Noorden terecht gekomen waren dan hun voornemen was geweest, zij waren toch steeds de richting gevolgd welke zij op wilden, die namelijk van Europeesch Rusland. Zij hadden van Port-Clarence af, eenige honderden mijlen afgelegd, wel onder dreigende gevaren, maar zonder zich sterk te vermoeien. Al drijvende, hadden zij een heel eind weegs afgelegd, dat zij anders hadden moeten doortrekken in een land dat gedurende den winter nauwelijks toegankelijk is. Misschien mochten zij dus nog van geluk spreken, indien zij het nu maar niet al te slecht troffen nu zij in handen gevallen waren van inboorlingen der Liakhoff-eilanden. Want het stond te bezien of deze lieden hen vrij zouden laten trekken, of wel, indien zij hen verkozen gevangen te houden, of het dan mogelijk zou zijn aan hunne handen te ontkomen. Het een zoowel als het ander was mogelijk. In elk geval zouden zij spoedig bemerken wat de inboorlingen met hen voor hadden, en eenmaal daarvan op de hoogte, zouden zij, naarmate van de omstandigheden, hunne maatregelen dienen te nemen.

Het eiland Kotelnyi wordt bewoond door eenen volksstam van Finsche afkomst, welke uit ongeveer tweehonderd vijftig of driehonderd personen, mannen, vrouwen en kinderen bij elkaar gerekend, bestaat. Deze inboorlingen zijn van een terugstootend uiterlijk en staan nog verre in beschaving ten achter bij de andere strandbewoners dezer streken, de Tchouktchis, deJoukaghirsen de Samojeden. Zij zijn afgodendienaars in de meest strikte beteekenis van het woord, ondanks de moeite welke de Moravische broeders zich gegeven hebben om het bijgeloof onder de bevolking van Nieuw-Siberië tegen te gaan. Dit is even onmogelijk gebleken als hen terug te brengen van hunne aangeboren neigingen om te stelen en zeeroof te plegen.

Teneinde in hun levensonderhoud te voorzien, houden de bewoners van den Liakhoff-archipel zich bezig met de walvischvangst, welkein dit gedeelte van de noordelijke IJszee veel oplevert, en met de robbenjacht die des zomers bijna even zooveel kans op buit biedt als op Behring-eiland.

Op deze hooge noordelijke breedte is de winter strenger dan in eenig ander bekend gedeelte der aarde. De inboorlingen wonen onder den grond, dat wil zeggen zij graven zich holen, die verscholen liggen onder de dikke sneeuwlaag. Die holen bestaan uit onderscheidene vertrekken, waarin zonder veel moeite eene voldoende warmte onderhouden wordt. Voor brandstof wordt het voorwereldlijke hout gebruikt, dat veel van steenkool heeft en in groote hoeveelheden op deze eilanden aangetroffen wordt, zonder nog de walvischbeenderen te rekenen, die mede voor hetzelfde doel dienstig zijn. Eene opening in het “dak” dezer holwoningen geeft aan den rook hunner zeer ruw ingerichte stookplaatsen gelegenheid om te ontsnappen. Dit maakt dat het op het eerste gezicht lijkt alsof de bodem der eilanden bezaaid is met van die krateropeningen, welke men solfatara’s noemt, waardoor de gassen van in werking zijnde vulkanen zich eenen uitweg banen.

Rendierenvleesch is het voornaamste voedsel der eilanders. Talrijke kudden van deze herkauwende dieren leven hier te zamen. Ook worden er elanden buit gemaakt en tegen het aanbreken van den winter groote voorraden visch gedroogd en gerookt. Voor hongersnood bestaat er dus onder de Nieuw-Siberiërs, dank zij deze onderscheidene hulpbronnen, geen gevaar.

Het gezag over de Liakhoff-eilanden werd op dat tijdstip gevoerd door een inlandsch hoofd, Tchou-Tchouk genaamd, wiens macht bijna onbeperkt mocht heeten. Dit vormt een kenmerkend onderscheid tusschen dezen volksstam en de Eskimo’s van het uiterste Noorden in Amerika, onder wie eene republikeinsche gelijkheid regel is. Nog grooter is echter het verschil in uiterlijke welvaart, in zeden en in gastvrijheid. Over het gemis van dat alles onder de Nieuw-Siberiërs hebben de walvischvaarders menigmaal te klagen en ook onze schipbreukelingen zouden nog meer dan eens hunne goede vrienden, de ingezetenen van Port-Clarence, terug wenschen.

Het viel niet tegen te spreken dat de familie Cascabel het moeilijk ongelukkiger had kunnen treffen. Na het ongeluk dat hun in de Behringstraat overkomen was, konden zij het niet anders dan aan eene buitengewone ongunst van het noodlot toeschrijven, dat zij hier op de Liakhoff-eilanden moesten aanlanden en in de handen vallen van eenen zóó barbaarschen en ongastvrijen volksstam.

Cascabel was dan ook niet in staat zijne teleurstelling te verbergen,toen hij zich omringd zag door een honderdtal-wanstaltige wilden, die met woeste gebaren en geluiden de zwervelingen, die het toeval op hunne kust geworpen had, schenen te bedreigen.

—Wat willen die apen van ons? riep hij uit, nadat hij degenen, die het dichtst bij hem waren, een weinig had doen terugdeinzen.

—Stellig niet veel goeds, vader, antwoordde Jan.

—’t Is een mooie manier om eenen reiziger te ontvangen! zouden zij bij geval lust hebben om ons opteëten.

—Dat niet, maar zij zullen ons waarschijnlijk op hun eiland gevangen willen houden.

—Gevangen houden, zegt ge?

—Ja, want dat hebben zij ook gedaan met twee matrozen, die vóór ons hier aangeland zijn.

Jan had geen tijd om verder te vertellen, want een twaalftal inboorlingen hadden Sergius, Cascabel en de anderen reeds aangegrepen. Zij zagen zich dus genoodzaakt goed- of kwaadschiks hen naar het dorp Tourkef, de voornaamste bewoonde plaats op den archipel, te vergezellen.

Een twintigtal andere inlanders begaven zich tegelijk op weg naar deSchoone Zwerfster, wier aanwezigheid door een licht rookwolkje in het Oosten nog even verraden werd.

In een kwartier tijds werden de gevangenen naar Tourkef gebracht en daar in eene vrij groote ruimte, die onder den grond gegraven was, gelaten.

—Dat moet zeker het huis van arrest en bewaring verbeelden, merkte Cascabel op, nadat zij zich rondom het brandende vuur geschaard hadden en door hunne geleiders alleen gelaten waren.

Het eerste waar nu echter aan gedacht werd, was hoe het met Jan en Kayette gegaan was. Zij vertelden dat het stuk ijs, waar zij samen op stonden, tusschen de andere klompen aan het drijven geraakt en in westelijke richting voortgejaagd was. Jan hield het Indiaansche meisje in zijne armen teneinde te voorkomen dat zij door de bewegingen van de ijsschots vallen zou. Zij hadden niets om te eten bij zich en waren zonder eenige schuilplaats, maar zij bevonden zich tenminste bij elkaar. Zij stonden dicht tegen elkander aan en deden hun best om den honger en de koude niet te voelen. Het werd duister, zij konden elkaar niet meer zien, alleen nog maar hooren. Onder aanhoudende angsten, telkens met het vooruitzicht van in de diepte te zullen worden gestort, ging het eene uur na het andere voorbij. Op hetzelfde oogenblik dat de eerste schemering van den dag zich vertoonde, bonsde hunne schots tegen het groote, vastzittende ijsveld aan. Zonder te aarzelen sprongen zijdaarop over. Na geruimen tijd geloopen te hebben kwamen zij aan het eiland Kotelnyi, waar de inboorlingen hen spoedig bespeurden en zich van hen meester maakten.

Onder aanhoudende angsten ging het eene uur na het andere voorbij. (Zie bladz. 67.)Onder aanhoudende angsten ging het eene uur na het andere voorbij. (Zie bladz.67.)

Onder aanhoudende angsten ging het eene uur na het andere voorbij. (Zie bladz.67.)

—En gij meent, Jan, vroeg Sergius, dat er zich reeds andere schipbreukelingen hier op het eiland bevinden?

—Ja, antwoordde Jan.

—Hebt gij die reeds gezien?

—Neen, mijnheer Sergius, zeide Kayette, maar ik heb de inlanders, die russisch spreken, onder elkander hooren praten over twee matrozen die zij in het dorp gevangen houden.

De taal der volksstammen in het hooge Noorden van Rusland heeft inderdaad veel overeenkomst met het russisch, zoodat ook Sergius zich aan de bewoners der Liakhoff-eilanden verstaanbaar maken kon. Maar wat zou dit baten tegenover deze roofzuchtige wilden, die oorspronkelijk afkomstig zijn uit den omtrek der groote riviermondingen, doch naar NieuwSiberiëuitgeweken zijn, waar de russische politie, die elders op het vasteland de orde handhaaft, hen niet bereiken kan?

Voor Cascabel was het intusschen niet uittehouden dat hij niet vrij was om zich te bewegen en te gaan waarheen hij goedvond. Niet zonder reden vreesde hij dat zijneSchoone Zwerfsterdoor het dievengespuis ontdekt, leeggeroofd en misschien vernield zou worden. Het was waarlijk nog al de moeite waard, door zooveel gevaren heen den wagen uit de Behringstraat behouden herwaarts gebracht te hebben, om hem nu in de handen van deze “pool-bandieten” te zien vallen!

—Komaan, Cesar, poogde Cornelia hem te troosten, schep moed! Het baat immers niets of gij u driftig maakt. Bedenk liever dat het nog veel erger met ons had kunnen afloopen.

—Wat had er dan wel kunnen gebeuren, Cornelia?

—Bijvoorbeeld, als wij Jan en Kayette eens niet teruggevonden hadden. Dat zou dan toch veel erger geweest zijn! Bovendien, zijn wij niet allen behouden en levend hier? Hoeveel gevaren zijn wij niet te boven gekomen, Cesar; het is bijna niet om er aan te gelooven. Ik voor mij vind dat wij geen recht hebben om te klagen, maar liever dankbaar moeten zijn aan de Voorzienigheid....

—Nu, ik ben haar ook dankbaar Cornelia, van ganscher harte zelfs! Maar ik mag toch wel mijn hart luchten tegen den duivel, die ons stellig aan dit diefachtige vee heeft overgeleverd. Kijk maar, zij lijken meer op beesten dan op menschelijke wezens!

Daarin had Cascabel geen ongelijk, maar het was toch ook waar wat Cornelia zeide: geen van de passagiers derSchoone Zwerfsterontbrak op het appèl. Zooals zij Port-Clarence verlaten hadden, zoo stonden zij ook met hun allen in het dorp Tourkef.

—Jawel, in een mollengat of een bunsinghol, bromde Cascabel. Een eenigszins gelikte beer zou in zoo’n spelonk zijn nest niet willen hebben.

—Maar wat of er van Kruidnagel geworden zou zijn? riep Sander op eens.

Dat was waar ook. Hem zouden zij bijna vergeten hebben. Zou de brave kerel, achtergelaten om op deSchoone Zwerfsterte passen, misschien met gevaar van zijn leven haar verdedigd hebben? Bevond hij zich thans ook als een gevangene onder de wilden?

Met de gedachte aan Kruidnagel, kwam ook die aan de andere levende reisgenooten weder boven.

—En onze Jako? zuchtte Cornelia.

—En John Bull? klaagde Napoleona.

—En onze honden? dacht Jan overluid.

Het spreekt vanzelf dat zij allen in de eerste plaats over Kruidnagel bezorgd waren, maar toch onmiddellijk na hem kwamen de papegaai, de aap, en Wagram met Marengo.

Op dit oogenblik vernamen zij een luid rumoer buiten het hol, een vloed van scheldwoorden, vermengd met hondengeblaf. Het duurde niet lang of de deur werd opengerukt en de twee honden stormden naar binnen, op hunne hielen gevolgd door Kruidnagel.

—Daar ben ik, patroon, riep de arme drommel,.... tenminste als ik het werkelijk ben, want ik weet heusch niet hoe ik het heb!

—Het is met jou precies gesteld als met ons allemaal, antwoordde Cascabel terwijl hij hem de hand drukte.

—En onzeSchoone Zwerfster? vroeg Cornelia haastig.

—OnzeSchoone Zwerfster? was Kruidnagel’s wedervraag. Wel, die hebben deze heeren onder de sneeuw weten te vinden, zij hebben er zichzelve voorgespannen als trek-ossen en haar naar hun dorp gesleept.

—En Jako? vroeg Cornelia weder.

—Jako ook.

—En John Bull? zeide Napoleona.

—John Bull even als de rest.

Nu het heele gezin te Tourkef opgesloten zat, was het nog het beste dat hun huis er zich ook bevond, al liep dit dan ook gevaar leeggestolen te worden.

Intusschen begonnen zij allen honger te krijgen, maar het scheen wel alsof de inboorlingen er zich niet om bekommerden of hunne gevangenen iets te eten kregen. Gelukkig had de bedachtzameKruidnagel het een en ander in zijne zakken gestoken. Hij had eenige blikken ingemaakt vleesch medegenomen en dat was voldoende om althans eenigen tijd den honger te stillen. Daarna wikkelden zij zich in hunne pelsjassen en trachtten zij den slaap te vatten te midden van een benauwden dampkring, die door het rookende vuur nog ondragelijker gemaakt werd.

Den volgenden ochtend, dat was den 4denDecember, werd het geheele gezelschap uit het hol te voorschijn geroepen. Ofschoon het vinnig koud was, deed de buitenlucht hen toch onuitsprekelijk aangenaam aan.

Zij werden nu voor Tchou-Tchouk gebracht.

Dit was een kerel met een sluw gezicht, doch weinig vriendelijk of innemend. Zijne onderaardsche woning was ruimer en ook een weinig geriefelijker dan de armzalige verblijven zijner onderdanen. Zij was uitgegraven aan den voet van een steenachtigen, met sneeuw bedekten heuvel, waarvan de kruin veel op een berenkop geleek.

Tchou-Tchouk kon een jaar of vijftig oud zijn. In zijn baardeloos gezicht schitterden een paar kleine, glurende, vurige oogen; de uitdrukking van het gelaat had iets beestachtigs door een paar scherpe hoektanden, die onder zijne lippen te voorschijn kwamen. Hij zat op eenen hoop pelterijen, was in rendiervellen gewikkeld, droeg laarzen van zeehondenleer en had een pelsmuts op. Hij knikte nu en dan met het hoofd, zonder veel te zeggen.

—Een echte boeventronie, of ik heb het mis! bromde Cascabel.

Een paar van de voornaamsten van den stam bevonden zich bij hem. Buiten stonden een vijftigtal inlanders, nagenoeg eveneens gekleed als hun opperhoofd en wier geslacht men niet onderscheiden kon, want mannen en vrouwen dragen in Nieuw Siberië dezelfde kleederen.

Tchou-Tchouk richtte het eerst het woord tot Sergius, wiens landaard hij waarschijnlijk vermoedde. In zeer verstaanbaar russisch zeide hij tegen hem:

—Wie zijt gij?

—Ik ben een onderdaan van den Czaar, antwoordde Sergius, denkende dat dit eenigen indruk op den eilandenkoning maken zou.

—En die anderen? vervolgde Tchou-Tchouk, terwijl hij op Cascabel en de leden van zijn gezin wees.

—Dat zijn franschen, zeide Sergius.

—Franschen? herhaalde het inlandsche opperhoofd.

Het was alsof hij van een volk, of van eenen volkstam met dezen naam nooit gehoord had.

Zij werden nu voor Tchou-Tchouk gebracht (Zie bladz. 71.)Zij werden nu voor Tchou-Tchouk gebracht (Zie bladz.71.)

Zij werden nu voor Tchou-Tchouk gebracht (Zie bladz.71.)

—Wis en zeker, franschen!... franschen!... Uit Frankrijk... hondsvot! riep Cascabel.

Dit zeide hij echter in zijne eigen taal, met al de vrijmoedigheid van iemand die weet dat hij toch niet verstaan wordt.

Maar wie is dat? hernam Tchou-Tchouk, met den vinger naar Kayette wijzende, want het ontging hem niet dat dit meisje tot een ander ras behoorde dan de overigen.

—Het is eene Indiaansche, verzekerde Sergius.

Er werd nu een vrij levendig gesprek aangeknoopt tusschen Tchou-Tchouk en Sergius, waarvan deze laatste den voornaamsten inhoud aan zijne reisgenooten vertolkte.

Het einde van dit onderhoud was dat de schipbreukelingen zich als gevangenen hadden te beschouwen en genoodzaakt waren op het eiland Kotelnyi te blijven, zoo lang zij niet in staat waren in russische klinkende munt eenen losprijs van drieduizend roebels te betalen.

—Waar wil hij dat wij die van daan halen, de schobbejak? vroeg Cascabel. Die roovers hebben stellig alles wat er nog over was van uw geld, mijnheer Sergius, al ingepalmd.

Op een teeken van Tchou-Tchouk werden de gevangenen weder naar buiten geleid. Het werd hun vergund in het dorp rond te loopen, op voorwaarde dat zij zich niet zouden verwijderen en het bleek hun reeds den eersten dag dat zij zorgvuldig in het oog gehouden werden. Het zou hun trouwens niet mogelijk geweest zijn in dit jaargetijde, midden in den winter, op de vlucht te gaan teneinde zich naar het vasteland te begeven.

Sergius en zijne reisgenooten gingen dus terstond naar deSchoone Zwerfster. Zij vonden er een aantal inboorlingen in stomme verbazing over John Bull, die zijne leelijkste gezichten tegen hen trok. De wilden hadden nooit eenen aap gezien en dachten zeker dat dit vierhandige, roodbehaarde schepsel een hunner natuurgenooten was.

—Zij zelven zijn ook wel menschen! merkte Cornelia op.

—Ja.... maar dat is geen eer voor ons, zeide Cascabel.

Na een oogenblik voegde hij er bij:

—Wel beschouwd, had ik zelfs niet mogen zeggen dat die wilden apen zijn. Die staan in alle opzichten boven hen en ik vraag mijnen vriend John Bull verschooning voor de vergelijking.

John Bull antwoordde met over zijn kop te duikelen. Maar toen een inboorling de hand naar hem uitstak, beet hij daarin zoo dat het bloed te voorschijn kwam.

—Flink zoo, John! riep Sander. Bijt ze maar! Bijt er op los, zoo hard je kunt!

Dit had echter slecht voor den aap kunnen afloopen en hij had misschien den beet duur moeten betalen indien de aandacht der inboorlingen niet afgeleid was geworden door de verschijning van Jako, wiens kooi opengezet was en die nu te voorschijn kwam, waggelende op zijne pooten.

Op de eilanden van Nieuw Siberië waren apen zoo min als papegaaien ooit te zien geweest. Geen der inboorlingen had in zijn leven zulk eenen vogel onder de oogen gehad, met zulke kleurige vederen, zulke ronde oogen alsof het brilleglazen waren en met zulk een haakvormig gebogen snavel.

Men kan zich echter niet voorstellen welk eenen indruk het maakte toen Jako eenige duidelijk uitgesproken woorden uit dien snavel komen liet. Alles wat de praatzuchtige vogel te vertellen wist, liet hij achtereenvolgens hooren, tot niet geringe verbazing der inboorlingen. Bijgeloovig als zij waren, dachten zij niet anders of er was eene bovenaardsche macht in het spel. Zij geloofden dat hunne afgoden er mede gemoeid waren en sommigen wierpen zich, geheel ontdaan, voor den vogel op de knieën. Cascabel had daar niet weinig schik in en moedigde den papegaai op alle manieren aan.

—Goed zoo, Jako, riep hij. Gêneer je niet, Jako, zeg aan die uilskuikens dat ze barsten kunnen.

Jako gehoorzaamde. Barst! klonk het uit zijn snavel. Het was een van de woorden die hij het duidelijkst uitsprak, en het klonk ditmaal zoo hard en barsch dat de inlanders het niet langer uit konden houden, maar onder teekenen van de grootste ontsteltenis op de vlucht sloegen. Dat gaf een gelach onder de familie Cascabel! Zoo groot was hunnebezorgdheidniet, of zij vergaten die op dit oogenblik.

—Kom aan, kom aan, zeide Cesar, die bij de minste kleinigheid zijnen moed weer terugkreeg, de drommel moge mij halen als wij die idioten de baas niet zijn!

De gevangenen bleven nu aan hun lot overgelaten en aangezien Tchou-Tchouk er niets tegen scheen te hebben dat zij weder van deSchoone Zwerfsterbezit namen, besloten zij daarin een onderkomen te zoeken. Zonder eenigen twijfel gaven de Nieuw-Siberiërs aan hunne onderaardsche woningen verre de voorkeur boven het verblijf in den wagen.

Toen alles werd nagezien bleek het dat er alleen eenige zaken van weinig waarde uit deSchoone Zwerfstergestolen waren. Daaronder behoorde echter ook het geld van Sergius, en Cesar Cascabel was niet gezind om dit, zelfs in den vorm van eenen losprijs,in den steek te laten. Intusschen was het eene groote verbetering dat zij de geriefelijke slaapplaatsen en vertrekken in den wagen weder mochten betrekken in plaats van een stinkend onderaardsch hol. Alles werd op zijne plaats gevonden. Beddegoed, keukengereedschap, ingemaakte levensmiddelen, niets daarvan scheen in den smaak te zijn gevallen van de inlandsche heeren en dames. Moesten zij de wintermaanden hier doorbrengen, in afwachting van eene gelegenheid om naar het vasteland te komen, dan konden zij van hunne gewone verblijfplaats gebruik maken.

Nu zij hunne vrijheid teruggekregen hadden om te komen en te gaan zooals zij goedvonden, besloot Sergius ook kennis aan te knoopen met de twee matrozen die ongetwijfeld, even als zij zelven, door weer en wind op dezen onherbergzamen archipel beland waren. Het was zaak te beproeven of deze vreemdelingen hen misschien behulpzaam konden zijn om gezamenlijk de waakzaamheid van Tchou-Tchouk te verschalken en eene gelegenheid tot vluchten op te sporen.

Het overige van den dag werd gebruikt om het inwendige van deSchoone Zwerfsterweder in orde te brengen. Daar viel heel wat schoon te maken en Cornelia, die eene ordelijke huishoudster was, begon met alles uit te halen en te reinigen. Kayette, Napoleona en Kruidnagel waren, onder haar opperbevel, den heelen dag daarmede bezig.

In het voorbijgaan moeten wij nog vertellen dat Cesar Cascabel, van het oogenblik af dat hij zich weder vleide met de hoop van zijne majesteitTchou-Tchoukop de eene of andere manier een kool te kunnen stoven, zijne opgeruimdheid, die slechts een oogenblik schuil was gegaan, heelemaal teruggekregen had.

Den volgenden dag ging hij met Sergius op weg om de twee gevangene matrozen optezoeken. Vermoedelijk genoten die even veel vrijheid als hun zelve gelaten werd. Het bleek dat zij niet achter slot gehouden werden, maar in een hol aan het andere einde van het dorp verblijf hielden. De inboorlingen verzetten er zich volstrekt niet tegen dat Sergius en Cascabel hen daar kwamen toespreken.

De twee matrozen bleken russen te zijn, de een van vijfendertig, de ander van veertigjarigen leeftijd. Zij zagen er ellendig uit, vermoeid, hongerig en armoedig. Hun matrozenpak bestond uit niet veel meer dan lompen, door eenige lappen bont ternauwernood voor de koude een weinig beschut. Koude en ontbering stonden op hun gelaat te lezen; hunne ongekamde en wild dooreengegroeide haren en hun verwarde baard maakten het bijna onmogelijk hunne trekken te onderscheiden. Het waren echter een paar stevige volwassenmannen wier hulp, als het er op aankwam, niet te versmaden was. Maar het was alsof zij op de kennismaking met de andere schipbreukelingen, wier komst op het eiland hun reeds bekend was, niet bijzonder gesteld waren. Toch scheen de overeenstemming van hunnen toestand en hun gemeenschappelijk belang om zoo spoedig mogelijk uit hunne gevangenschap te geraken, hen naar eene aanraking met deze lotgenooten te moeten doen verlangen.

Sergius knoopte een gesprek met hen aan in het russisch. Het bleek dat de oudste Ortik en de jongste Kirschef heette. Zij toonden eerst eenige aarzeling, doch kwamen er toch langzamerhand toe om te vertellen wat er met hen gebeurd was.

—Wij zijn beide matrozen en afkomstig uit Riga, verhaalde Ortik. Een jaar geleden hebben wij ons aan doen monsteren aan boord van den walvischvaarderSeraskibestemd voor eene reis in de Noordelijke IJszee. Ongelukkig heeft ons schip bij het naderen van den winter niet bijtijds de Behringstraat kunnen bereiken en is het tusschen het ijs vastgeklemd geraakt. Niet ver van de Liakhoff-eilanden, een weinig noordelijk daarvan, is het eindelijk gebarsten en gezonken, waarbij de geheele bemanning omkwam, met uitzondering alleen van Kirschef en ik. Wij waren zoo gelukkig eene der booten te bereiken en zijn daarmede weggedreven naar de kust van Nieuw-Siberië, waar wij in handen der inboorlingen gevallen zijn.

—Hoe lang is dat geleden? vroeg Sergius.

—Twee maanden ongeveer.

—Hoe hebben zij u ontvangen?

—Even als u, veronderstel ik, antwoordde Ortik.Tchou-Tchoukhoudt ons gevangen en wil ons niet loslaten vóórdat wij eenen losprijs betalen.

—Waar moeten wij dien van daan halen? viel Kirschef hem in de rede.

Op eenigszins ruwen toon liet Ortik nog volgen:

—Of het moest zijn dat gij geld genoeg bij u hebt voor uzelven zoowel als voor ons..... want ik veronderstel dat wij landslieden zijn?

—Dat is zoo, gaf Sergius ten antwoord; maar het geld dat wij medegenomen hebben is door de inboorlingen buit gemaakt, zoodat wij geen cent rijker zijn dan gij.

—Zooveel te erger, hernam Ortik.

Beiden deelden nog eenige bijzonderheden mede over hunne wijze van leven. Zij woonden in een onderaardsch verblijf, waar het niet licht en niet ruim was; overigens werd hun eenige vrijheid gelaten, doch zij werden niet uit het oog verloren. Hunne kleederen warengeheel versleten, zij hadden niets anders te eten dan den gewonen mondkost der inboorlingen en deze was nauwelijks voldoende om hunnen honger te stillen. Tegen het einde van den winter, als het open water en dus de gelegenheid om weg te komen gunstiger werd, waren zij er echter op voorbereid dat zij zorgvuldiger bewaakt en misschien achter slot gehouden zouden worden.

—Met eene visschersschuit zouden wij in staat zijn den vasten wal te bereiken, maar de wilden zullen ons dan zeker niet zooveel vrijheid laten als thans. Zij zullen wel maatregelen nemen om ons dat te beletten.

—Maar het duurt op zijn minst vier of vijf maanden vóór het open water wordt, zeide Sergius. Zóo lang hier gevangen te blijven, gaat niet.

—Weet gij een middel om weg te komen? vroeg Ortik nieuwsgierig.

—Voor het oogenblik niet, antwoordde Sergius. Intusschen ligt het natuurlijk op onzen weg dat wij elkander trachten te helpen. Gij moet veel uitgestaan hebben mijne vrienden, en indien wij u met iets van dienst kunnen zijn....

De twee matrozen betuigden hiervoor hunnen dank, maar toonden zich toch niet bijzonder toeschietelijk. Wanneer men hun nu en dan een weinig beter eten bezorgen kon, dat zouden zij wel gaarne willen hebben.

Meer vroegen zij niet, of het moest zijn dat de anderen nog eenige dekens missen konden. Met hen samenwonen wilden zij echter niet. Zij bleven liever waar zij waren, doch beloofden hunne lotgenooten te zullen komen opzoeken.

Sergius en Cascabel, die het gevoerde gesprek gedeeltelijk verstaan had, namen na deze belofte afscheid van de twee vreemdelingen. Het uiterlijk dezer mannen boezemde weinig vertrouwen in, doch dit mocht geene reden zijn om hun geene hulp aan te bieden. De eene schipbreukeling is immers den ander bijstand schuldig. Er werd dus besloten dat hun lot zooveel als mogelijk was verzacht zou worden, en deed zich eene gelegenheid voor om te vluchten, dan was Sergius niet van zins hen in den steek te laten. Voor hem waren het niet alleen medemenschen, maar bovendien landgenooten.

Er gingen twee weken voorbij, in welken tijd zij hun best deden om zich in den veranderden toestand te schikken. Iederen ochtend waren zij verplicht voor het inlandsche opperhoofd te verschijnen en opnieuw te luisteren naar zijne aanmaningen om te zorgen dat het losgeld er kwam. Hij maakte zich dikwijls driftig, dreigde enriep zijne afgodsbeelden tot getuigen dat het niet voor hem, maar voor hunnen dienst was dat hij geld wilde hebben.

—Oude schurk, bromde Cascabel, begin met het geld terug te geven dat ge reeds gestolen hebt. Daarna zullen wij zien.

De toekomst liet zich intusschen alles behalve geruststellend aanzien. Niemand kon weten of de inlandsche dwingeland niet op een of ander oogenblik van dreigen tot doen zou overgaan. In plaats van Tchou-Tchouk had Cascabel hem in de wandeling den bijnaam Sjoe-Sjoe gegeven, ofschoon, zeide hij, “die lieve bijnaam den schoelje even goed past als een herderinnehoedje op den kop van een roodharigen engelschman!”

Onophoudelijk dacht Cascabel over een middel om den wilde in de luren te leggen. Maar welk? Hij peinsde en overlegde, maar vond niets. Hij begon al bang te worden dat hij heelemaal “op” was, en daarmede bedoelde hij dat zijne hersenkast leeg begon te worden. Een man als hij, die op het stoute maar betreurenswaardige denkbeeld gekomen was om over Azië uit Amerika naar Europa terugtekeeren, zulk een man scheen nu zichzelf te moeten bekennen, dat hij niet slimmer was dan een ezel!

Dat maakte hem zoo mismoedig, dat Cornelia het niet aan kon zien.

—Hoe komt ge er aan, Cesar, om dat te denken? vroeg zij. Ge zult wel iets weten te vinden; op het oogenblik dat ge er het minst op bedacht zijt, zal het u te binnen schieten.

—Gelooft ge dat werkelijk?

—Ik durf er op te zweren.

Was het niet aandoenlijk dat Cornelia zulk een vertrouwen in de schranderheid van haar man bleef stellen, ondanks den treurigen keer dien zijn reisplan genomen had?

Van zijnen kant deed Sergius wat hij kon om hem op te beuren, maar al de moeite welke hij aanwendde om Tchou-Tchouk tot andere gedachten te brengen en hem van zijnen eisch te doen afzien, bleef vruchteloos. Er was evenwel nog geene reden om het geduld te verliezen. Al had het inlandsche opperhoofd er in toegestemd hen in vrede te laten trekken, dan nog hadden zij er niet aan kunnen denken om in het hart van den winter, onder eene koude van dertig tot veertig graden beneden het vriespunt, het eiland Kotelnyi te verlaten.

De 25steDecember was aangebroken en Cornelia had bepaald dat het Kerstfeest gevierd zou worden met zooveel luister als de omstandigheden toelieten. Dit kon alleen daarin bestaan dat het middagmaal wat overvloediger zou wezen dan gewoonlijk. Ingelegdvleesch en groenten waren de hoofdschotels; maar gelukkig was er in de provisiekast ook nog geen gebrek aan meel, aan rijst en aan suiker, zoodat de ijverige keukenprinses in de gelegenheid was een grooten koek te bakken, die er prachtig uitzag en met gejubel begroet werd.

De twee russische matrozen werden dien dag mede te gast gevraagd en namen de uitnoodiging aan. Dit was de eerste keer dat zij eenen voet in deSchoone Zwerfsterzouden zetten.

Bij het eerste woord dat een van de twee—Kirschef namelijk—sprak, was het Kayette, alsof zij die stem meer gehoord had. Maar waar of wanneer zij den vreemde ontmoet kon hebben en had hooren spreken, dit was zij niet in staat zich te herinneren.

Voor het overige voelde noch Cornelia, noch Napoleona, noch zelfs Kruidnagel zich tot de twee mannen aangetrokken, die bovendien in gezelschap van anderen zich weinig op hun gemak schenen te voelen.

Toen het maal ongeveer afgeloopen was verhaalde Sergius hun, op verzoek van Ortik, wat hem en de Cascabels overkomen was in de provincie Alaska. Hij beschreef hoe hij bijna stervende door hen gevonden was nadat hij bijna het slachtoffer geweest was van eenen moordaanslag, door twee roovers van de bende van Karkof op hem gepleegd.

Indien de twee vreemden meer in het licht gezeten hadden, had Sergius of een van de anderen zeker gezien welk een zonderlingen blik zij met elkander wisselden terwijl hun dit verhaal gedaan werd. Niemand had daar echter erg in. Na een goed stuk van den koek gekregen en dat met een stevig glas vodka-brandewijn doorgespoeld te hebben, namen de twee russen afscheid van onze reizigers.

Zoodra zij op eenigen afstand waren, zeide de een:

—Dat is een mooie ontmoeting! Die rus is de man dien wij op de grens van Alaska overvallen hebben en dien wij hadden willen plunderen als die Indiaansche meid ons niet gestoord had.

—Dat zou een buitenkansje geweest zijn.

—Ja, de duizend of wat roebels, die nu in het bezit zijn van Tchou-Tchouk, waren dan in onze handen gevallen!

De twee voorgewende matrozen waren dus een paar straatroovers, medeplichtigen van de bende van Karkof, die in het geheele Westen van Amerika berucht was. Nadat hun aanslag op Sergius mislukt was, hadden zij in de duisternis hunnen weg niet terugkunnen vinden, maar waren na veel omzwervens te Port-Clarence terecht gekomen. Daar hadden zij eene schuit gestolen en hadden beproefd de Behringstraat over te steken; maar zij waren door den stroom voortgesleept en hadden duizende gevaren doorgestaan. Eindelijk waren zij op het grootste eiland van den Liakhoff-archipel aangeland en daar in handen der inboorlingen gevallen.

VI.De overwintering.Zoo was het dus gesteld met Sergius en zijne reisgenooten op den 1stenJanuari 1868. Hun toestand, die op zichzelf reeds zorgwekkend was dewijl zij door de inboorlingen van den Liakhoff-archipel gevangen gehouden werden, werd nog ingewikkelder door de aanwezigheid van Ortik en Kirschef. Want het was best mogelijk dat die schelmen van deze onverwachte ontmoeting partij zouden willen trekken. Gelukkig was het hun niet bekend dat de reiziger, dien zij op de Alaskische grens hadden willen overvallen, een staatkundige veroordeelde was die uit de vesting Jakoutsk ontvlucht was; dat hij graaf Narkine heette en nu, onder den schijn van deel uit te maken van eenen kermistroep, naar Rusland poogde terug te keeren. Hadden zij dit geweten, dan zouden zij zeker geen oogenblik geaarzeld hebben om het geheim te verklappen; zij zouden het gebruikt hebben als een middel om graaf Narkine geld af te zetten, of zij zouden beproefd hebben hem aan de russische politie over te leveren, op voorwaarde dat zijzelve gratie voor hunne misdrijven en eene belooning in geld kregen. Maar al wisten zij dit niet, bestond er geen gevaar dat het geheim, waar alleen Cascabel en zijne vrouw mede bekend waren, op de eene of andere manier hun ter oore zou komen?Voor het oogenblik hielden Ortik en Kirschef zich op eenenafstand, ofschoon zij vast besloten waren, indien de gelegenheid zich voordeed, te zamen met Sergius en de anderen eene poging te doen om hunne vrijheid terug te krijgen.Zoo lang de winter aanhield, was het echter maar al te duidelijk dat er niets viel aan te vangen. Het was nu zoo fel koud dat de ademhaling, met de lucht in aanraking komende, terstond in eene lichte sneeuwwolk overging. De thermometer daalde somtijds beneden de veertig graden onder het nulpunt der honderddeelige schaal. Ook al kwam er geen wind bij, dan nog was het niet mogelijk in zulk eene koude te vertoeven. Cornelia en Napoleona durfden niet meer buiten deSchoone Zwerfsterte komen, wat trouwens de inboorlingen haar ook niet toestonden. Ieder kan zich voorstellen hoe lang deze eindelooze dagen, of liever die nachten welke bijna een heel etmaal duurden, haar vielen.Kayette, die aan de noord-amerikaansche winters gewend was, kon de koude buitenlucht beter doorstaan, evenals de inlandsche vrouwen van het eiland. In warme kleederen gewikkeld, zag men ze hare gewone werkzaamheden verrichten. Zij droegen een japon van gevoerd rendiervel, waren bovendien in eenen pelsmantel gewikkeld, hadden bonten kousen en mocassins van robben vel aan hare voeten en mutsen van hondenvel op. Van hare gezichten was niets te zien, zelfs niet het puntje van haar neus,—maar daar verloor niemand iets aan.Iederen dag maakten Sergius en Cascabel, vergezeld van Jan, Sander en Kruidnagel, hunne verplichte opwachting bij Tchou-Tchouk. Zij wikkelden zich daartoe in hunne pelzen evenals de twee russische matrozen, die hetzelfde bezoek moesten afleggen en aan wie uit den voorraad van deSchoone Zwerfstereenige kleedingstukken en dekens verstrekt waren.De inboorlingen stoorden zich weinig aan weer of wind. Zij gingen onbeschroomd op de jacht, waartoe de door de vorst geharde vlakten goede gelegenheid opleverden. Zij gebruikten lichte sleden, vervaardigd van kinnebaksbeenderen, ribben en baarden van walvisschen, en voorzien van glijstukken, die vóór dat de tocht aanvangt met water begoten worden, dat terstond bevriest en den onderkant zoo glad als ijs maakt. De sleden worden door rendieren getrokken, die voor dit werk uitstekend geschikt zijn. Bovendien hebben zij honden van Samoyeedsch ras, zoo groot en bijna even wild als wolven; sterk behaard, en geelbruin of zwart en wit van kleur.Als de Nieuw-Siberiërs eene voetreis ondernemen bedienen zij zich van lange sneeuwschoenen of schaatsen,skigenaamd, waarmedezij in korten tijd groote afstanden afleggen langs de zeearmen, die zich tusschen de eilanden in vele takken splitsen en over de natuurlijke wegen,tindra’sgeheeten, die door de vorst droog en hard gehouden worden.In het vervaardigen hunner wapenen staan de inboorlingen van de Liakhoff-eilanden verre ten achter bij de Eskimo’s in Noord-Amerika. Pijl en boog zijn hunne eenige middelen van aanval en verdediging. Hun vischtuig bestaat uit harpoenen waarmede zij de walvisschen achtervolgen, en uit netten die zij laten zakken tot op het diepe of grond-ijs,grundigenaamd, waar de robben zich veeltijds laten verschalken. Ook maken zij tegen sommige der grootste robbensoorten, zooals de zeekoe of de zee-olifant, gebruik van messen en pieken, waarmede zij niet zelden hevige gevechten hebben te leveren.De witte beer is echter hun gevaarlijkste vijand. Gedurende de felste winterkoude, wanneer er volstrekt geen voedsel meer op de sneeuw- en ijsvlakten te vinden is, zoeken de uitgehongerde beren dikwijls hunne prooi in de nabijheid der dorpen op de eilanden. Bij zulke ontmoetingen toonen de inboorlingen hunne dapperheid; onversaagd gaan zij het sterke en bloeddorstige dier te lijf, met niets dan hun mes gewapend en in de meeste gevallen delft de beer het onderspit.Meer dan eens waren de Cascabels getuigen van zulk een gevecht, waarin de beer, na dikwijls verscheidene zijner aanvallers verwond te hebben, ten slotte voor de overmacht bezweek. Het geheele dorp liep dan uit om den verslagen vijand te bekijken. Het berenvleesch was eene lekkernij voor de magen der Nieuw-Siberiërs, maar de beste stukken kwamen veelal terecht op de tafel, of om juister te spreken, in den eetbak van Tchou-Tchouk, en zijne gedweeë onderdanen kregen alleen de brokken, die hij voor hen geliefde over te laten. Dit belette echter niet, dat er een feestmaal van gehouden werd, dat gewoonlijk eindigde met eene algemeene dronkemanspartij. De sterke drank der eilandbewoners bestaat uit het gegiste aftreksel van verschillende planten, zooals het jonge loof van eenige wilgen- en rhodiolasoorten, het sap van de roode mirtenbezie en van eene gele moerasbes. Gedurende de enkele weken dat de zomer duurt, worden deze planten en vruchten ijverig ingezameld en tegen den winter aan ’t gisten gemaakt.Aangezien de beren zich echter slechts bij uitzondering vertoonen en de jacht op dit verscheurende dier altijd een gevaarlijk werk blijft, valt er op geen berenvleesch te rekenen en is het rendierenvleesch de hoofdschotel der inlandsche keuken. De Nieuw-Siberischevrouwen koken daar eene soep van, waar de Cascabels echter geen smaak in konden vinden.Bij zulke gelegenheden toonen de inboorlingen hunne onverschrokkenheid. (Zie bladz. 83.)Bij zulke gelegenheden toonen de inboorlingen hunne onverschrokkenheid. (Zie bladz.83.)Vraagt men nu hoe de rendieren des winters aan voedsel komen, dan is het antwoord, dat deze beesten zelfs onder de dikste sneeuwlaag nog het schrale plantenvoedsel weten te vinden, dat zij voor hun onderhoud noodig hebben. Er worden bovendien, vóór dat de vorst invalt, ontzaglijke voorraden voeder ingezameld en opgestapeld, en het een met het ander is voldoende om de rendierenkudde op Nieuw-Siberië, die uit vele duizende beesten bestaat, in het leven te houden.—Zooveel duizende rendieren, zuchtte Cascabel, die altijd peinsde over de middelen om weg te komen, en met een twintigtal voor onzen wagen zouden wij zoo goed geholpen zijn!Wij moeten nog vertellen dat de inboorlingen van den Liakhoff-archipel niet alleen afgodendienaars, maar zóó bijgeloovig zijn als men zich ternauwernood voor kan stellen. De monsters, die zij met eigen hand vervaardigen, vereeren zij vurig en de bevelen, die naar het heet van de afgodsbeelden uitgaan, worden blindelings gehoorzaamd. Hun opperhoofd Tchou-Tchouk gaf hun daarvan het voorbeeld; wat zijne dweepzucht en zijn bijgeloof hem ingaven, was eene wet voor zijne onderdanen.Iederen dag begaf Tchou-Tchouk zich naar eene soort van tempel, juister gezegd eene gewijde plaats,Vorspükgenaamd, dat wil zeggen “de grot der gebeden.” In eene uitholling van den rotswand stonden daar de houten, met vele kleuren beschilderde palen, die als afgodsbeelden dienst deden, en de geloovigen kwamen geregeld daar hunne knieën voor buigen. Onverdraagzaam waren zij daarbij niet; zij hadden er niets tegen dat de vreemdelingen in hun heiligdom kwamen en moedigden hen zelfs daartoe aan. Hierdoor waren onze schipbreukelingen in de gelegenheid de voorwerpen, die de Nieuw-Siberiërs vereerden, nauwkeurig op te nemen.Het uiteinde van elken paal werd gevormd door een afschuwelijken vogelkop, met ronde, roode oogen, een wijd openstaande bek, en een hooge kam, die als een hoorn omgebogen was. Kruipende naderden de inboorlingen deze monsters, zij hielden hunne ooren tegen den paal onder het prevelen van lange gebeden, en ofschoon de godheid natuurlijk nooit antwoordde, verbeeldden zij zich toch wel degelijk haren wil te vernemen, die trouwens in den regel overeenstemde met hetgeen de vrager zich te voren daarvan voorgesteld had. Als Tchou-Tchouk zijne onderdanen de eeneofandere nieuwe belasting wilde opleggen, bleef de oude schavuit nooit in gebreke eene stem uit den hooge te vernemen, die daarop hare goedkeuringverleende, en bij niet een zijner volgelingen kwam het op, daaraan te twijfelen.Eenmaal in de week had er eene buitengewone godsdienstoefening plaats, waar alle bewoners van het dorp deel aan namen. Het deed er niet toe hoe koud het was en of de sneeuwstorm de vlakte geeselde, zoodat het een gevoel was alsof men met messen in het gezicht gesneden werd; de heele bevolking volgde Tchou-Tchouk op de hielen, naar deVorspük. En niemand raadt waar de mannen en vrouwen zich mede opschikten sedert deSchoone Zwerfsterin hun midden was. Met alles wat zij uit den wagen gestolen hadden, met de kermispakken van Cascabel en de jongens en met de rokken van Cornelia, die zij over hunne kleederen heen droegen! Een had den helm met de pluim van Kruidnagel op. Ook blies er een op den hoorn, zóó dat de oogen hem uit het hoofd puilden; een ander haalde de onmogelijkste geluiden uit de schuiftrompet en een paar beukten er op de groote- en de roffeltrom. Dit maakte een lawaai, waar het schreeuwen en tieren der kerkgangers zich mede vermengden.Telkens als Cesar Cascabel dat moest aanzien vloekte hij in éénen adem door tegen het dievengespuis, dat zijne kleederen droeg en de muziekinstrumenten misschien voor altijd onbruikbaar maken zou.—Bandieten! Hondsvotten! schold hij, en zelfs Sergius zag geen kans hem tot bedaren te brengen.Daar kwam nog bij dat de toestand op den duur ondragelijk begon te worden. De dagen en weken kropen voort alsof er nimmer een einde aan komen zou. Er scheen geen uitredding te wachten. De tijd ging niet alleen werkeloos maar tot schade van iedereen voorbij, want tot het maken van kunsten bestond geen gelegenheid en Cascabel was niet weinig bevreesd, dat als zij ooit nog op de kermis te Perm aankwamen, hunne ledematen en gewrichten heelemaal vastgeroest zouden zijn. Het eenige middel om te voorkomen dat zij geheel en al den moed verloren, was dat Sergius onvermoeid in de weer bleef om hen door verhalen en onderwijzen leerzaam bezig te houden. Zoodoende was de gedwongen rust ten minste voor iets nuttig.Van zijnen kant leerde Cascabel aan Sergius allerlei goocheltoeren en handigheden, zooals hij zeide tot tijdverdrijf, maar het kon te pas komen als Sergius misschien nog eens onder de oogen der russische politieagenten het beroep van kunstenmaker zou moeten uitoefenen. Jan hield zich voortdurend bezig met het geven van les in lezen en schrijven aan Kayette en deze volgde vlijtig hetonderricht van haren meester. Men beschuldige de twee jongelieden niet te spoedig van zelfzucht, wanneer wij er bijvoegen dat zij zich het best van allen in den toestand schikten, dewijl beider gemoed geheel werd ingenomen door een gevoel, dat machtiger is dan alle andere aandoeningen. Niet zonder deelneming sloeg Sergius de wassende vertrouwelijkheid tusschen zijne aangenomen dochter en Jan gade. Kayette was vlug van begrip en Jan voelde zich zichtbaar gelukkig als hij haar, van hetgeen hij geleerd had, iets mee kon deelen. Hoe jammer zou het toch wezen als zulk een flinke jongen, met zulk een gelukkigen aanleg en zoo vlijtig van aard, nimmer iets anders worden kon dan een arme kunstenmaker, en als er voor hem geen betere maatschappelijke loopbaan te vinden ware. Maar dit behoorde onder de raadselen der toekomst, en wie kon zeggen of er in het geheel nog sprake zijn kon van eene toekomst voor een gezin, dat op de uiterste grens der bewoonde wereld door een barbaarschen volksstam gevangen gehouden werd?Tchou-Tchouk toonde zich nog maar niet geneigd om iets van zijne eischen te laten vallen. Zonder losgeld verkoos hij de gevangenen hunne vrijheid niet te schenken, en van elders scheen er voor hen geen kans op redding te bestaan. Welk middel viel er dus te bedenken om aan het geld te komen, dat het inhalige opperhoofd hen trachtte af te persen?Toch bezaten de Cascabels nog eenen schat, maar daar wisten zij niets van. Onze lezers zullen zich herinneren, dat Sander steeds in het bezit was van zijn kostbaren klomp goud;—ten minste hij zelf twijfelde geen oogenblik aan de waarde van den steen. Als niemand hem gadesloeg, haalde hij het ding uit den hoek waar hij het verborgen hield. Dan wreef en poetste hij het zoo lang tot het blonk. Geen oogenblik zou hij geaarzeld hebben om het af te geven indien Tchou-Tchouk zich daarmede tevreden had willen stellen. Maar de “sjoe-sjoe”, zooals Cascabel hem bleef noemen, zou zeker het brok goud, dat er uitzag alsof het maar een gewone keisteen was, niet in de plaats van klinkende munt hebben willen aannemen. Sander bleef zich dus maar vleien met het vooruitzicht, van eenmaal in Europa teruggekeerd, het stuk steen in gouden kopstukken te kunnen omwisselen, ter vervanging van de dollars die aan zijne ouders in Amerika ontstolen waren.Dit zou alles terecht komen zoodra zij hunnen tocht naar Europa konden voortzetten, maar of zij ooit daartoe zouden komen, werd iederen dag meer twijfelachtig. De twee russische booswichten, die het noodlot ook nog op den weg der Cascabels gevoerd had, dachten er even zoo over.Sander was steeds in het bezit van zijn kostbaren klomp goud. (Zie bladz. 87.)Sander was steeds in het bezit van zijn kostbaren klomp goud. (Zie bladz.87.)Op een goeden dag, den 23stenJanuari, kwam Ortik een bezoek in deSchoone Zwerfsterbrengen, zoo het heette om met Cascabel, Sergius en Jan te praten over hunne kansen om weg te komen, maar inderdaad om te weten te komen wat de anderen voornemens waren te doen, indien Tchou-Tchouk hun verlof mocht geven om hunne reis voort te zetten.Hij begon met deze vraag:—Mijnheer Sergius, waart gij van plan den winter in Siberië doortebrengen toen gij van Port-Clarence vertrokken zijt?—Ja, antwoordde Sergius, wij hadden ons voorgesteld eene of andere bewoonde plaats op te zoeken en daar het zachtere weder aftewachten. Waarom vraagt gij dat Ortik?—Omdat ik wilde weten of gij bij dat plan blijft, in geval die verwenschte kerels hier op het eiland u los mochten laten.—Neen, hernam Sergius, daardoor zouden wij onze reis, die al zoo lang duurt, noodeloos langer maken. Het komt mij voor dat het nu beter zou zijn op de russische grens aan te houden en te trachten een der passen van het Oeral-gebergte over te komen.—In het noordelijke gedeelte van het gebergte dus?—Natuurlijk, dat is de kortste weg dien wij door de steppen, heen kunnen volgen.—Maar zoudt gij dan uwen reiswagen hier laten, mijnheer Sergius? vroeg Ortik verder.Die vraag had Cascabel blijkbaar verstaan, want hij antwoordde haastig:—Wat, deSchoone Zwerfsterin den steek laten! In geen geval als ik maar een span rendieren machtig kan worden, en het zal niet lang duren denk ik....—Weet gij dan een middel om weg te komen? vroeg Sergius.—Ik heb er zelfs geen flauw vermoeden van; maar Cornelia blijft volhouden dat ik er een vinden zal en Cornelia heeft zich nog nooit vergist. Dat is eene vrouw, mijnheer Sergius, zooals er geen tweede bestaat, en zij kent mij!Het vertrouwen van Cascabel op zijn goed gesternte was niet uitteroeien. Dat vier franschen en drie russen met hun allen niet in staat zouden wezen een Sjoe-Sjoe eene kool te stoven, wilde er niet bij hem in.Sergius had aan Ortik overgebracht hoe Cascabel over het achterlaten van deSchoone Zwerfsterdacht:—Maar om uwen wagen medetenemen, hervatte de matroos, die hier bijzonder veel aan scheen te hechten, moet gij een stel rendieren hebben.—Ongetwijfeld.—Denkt gij dat Tchou-Tchouk u daaraan helpen zal?—Ik denk dat mijnheer Cascabel een middel zal vinden om er hem toe te dwingen.—En vervolgens wilt gij over het ijsveld heen de reis naar de siberische kust ondernemen?—Natuurlijk.—Daartoe zal het noodig zijn, mijnheer Sergius, dat gij opbreekt vóór dat het begint te dooien, dat is binnen drie maanden.—Dat kan niet anders.—Maar gij zult niet kunnen.—Misschien zullen de inboorlingen vóór dien tijd ons vergunnen heen te gaan.—Dat is toch niet waarschijnlijk, mijnheer Sergius, want het losgeld betalen kunt gij niet.Cascabel had zich dit antwoord van Ortik doen vertolken, en antwoordde terstond.—Misschien kunnen die verwenschte kerels toch wel genoodzaakt worden ons te laten gaan.—Genoodzaakt? Door wie? vroeg Jan.—Door omstandigheden.—Welke omstandigheden, vader?—Ja, als wij dat wisten! antwoordde Cascabel. Een samenloop van omstandigheden, maar welke?Hij krabde zich het hoofd alsof hij er een plan uit wilde trekken, maar er kwam niets voor den dag.—Welnu, hernam Sergius, het beste is dat wij beginnen met te veronderstellen dat de inboorlingen ons niet verkiezen los te laten. Kunnen wij in dat geval niet wegkomen zonder dat zij het goed vinden?—Het is te probeeren, meende Jan. Maar in dat geval zullen wij zeker deSchoone Zwerfsterhier moeten laten.—Praat daar niet van, riep Cascabel. Daar valt niet aan te denken Jan, ik wil er niet van hooren!—Maar er is niets aan te doen, vader.—Neen, zeg ik. DeSchoone Zwerfsteris ons huis, dat overal met ons medegaat. Onder haar dak hadt gij geboren kunnen worden, Jan. Wij laten haar niet in handen van die zee-varkens, van die robben in menschengedaante die hier wonen.Hij krabde zich het hoofd alsof hij er een plan uit wilde trekken. (Zie bladz. 90.)Hij krabde zich het hoofd alsof hij er een plan uit wilde trekken. (Zie bladz.90.)—Mijn waarde Cascabel, hernam Sergius, alles wat wij in staat zijn te doen zullen wij beproeven om de toestemming der inboorlingen tot ons vertrek te krijgen, maar er zijn tien kansen tegeneen dat dit niet gelukken zal en in dat geval moeten wij trachten te vluchten. Welnu, als wij aan Tchou-Tchouk willen ontsnappen, kan het niet anders dan met achterlating.....—Van de woning der Cascabels! riep Cesar uit, met eene verbittering welke raden liet hoeveel moeite het hem kosten zou daarin toetestemmen.—Misschien, hervatte Jan, zou er toch nog iets anders te bedenken zijn, waardoor alles terecht kon komen.—Wat zou dat wezen?—Zou één van ons niet kunnen trachten wegtekomen, het vasteland te bereiken en de russische politie kennis te geven van den toestand waarin wij verkeeren? Mijnheer Sergius, ik ben bereid het te beproeven.—Dat nooit! antwoordde Cascabel terstond.—Neen, dat in geen geval, zeide Ortik even beslist, nadat Sergius hem had medegedeeld wat Jan wilde.Cascabel en de rus waren het in dit opzicht eens; maar de eerste dacht alleen aan het gevaar dat graaf Narkine loopen kon wanneer hij in aanraking kwam met de russische politie, en Ortik was voor zijn persoon niet op eene ontmoeting met het openbaar gezag gesteld.Ook Sergius had tegen het denkbeeld van Jan bezwaar, maar op andere gronden.—Het is braaf van u, Jan, zeide hij, dat gij u voor ons wilt opofferen, maar wij zouden door uwe edelmoedigheid niet geholpen worden. Er is geen denken aan om midden in den winter dien tocht over het ijsveld te ondernemen en de honderd mijlen afstands tusschen het eiland Kotelnyi en den vasten wal te willen afleggen. Gij zoudt onderweg omkomen, mijn vriend. Neen, wij moeten onder alle omstandigheden bij elkander blijven en indien wij hier van daan komen, dan moet het zijn met ons allen.—Daar valt niets tegen in te brengen, zeide Cascabel, en ik sta er op dat Jan mij belooft zonder mijne toestemming niets te beginnen.—Ik geef er u mijn woord op, vader.—Wanneer ik zeg dat wij samen zullen gaan, vervolgde Sergius tegen Ortik, dan bedoel ik daarmede dat gij en Kirschef ook met ons medetrekt. Wij laten u niet in de handen dezer wilden.—Ik ben u daar dankbaar voor, mijnheer Sergius, antwoordde Ortik, en Kirschef en ik, wij zullen u op uwe reis door Siberië misschien ook van dienst kunnen zijn. Op dit oogenblik valt er niets te beginnen, maar zoodra de ergste koude voorbij is en vóórdat het gaat dooien moeten wij ons gereed houden voor de vlucht.Na dit gezegd te hebben, nam Ortik afscheid.—Ja, herhaalde Sergius, wij zullen ons gereed moeten houden.—Daar zal wel niet aan ontbreken, zeide Cascabel, maar hoe komen wij weg? De drommel moge mij halen als ik het weet.Dit bleef de vraag van den dag, het onderwerp waar allen over bleven denken, op welke manier zij met of zonder goedvinden van Tchou-Tchouk uit zijne handen zouden geraken. De waakzaamheid der inlanders te verschalken, scheen uiterst moeilijk. Tchou-Tchouk tot andere gedachten te brengen, daarop bestond nog minder kans. Er bleef maar één middel over, dat was “hem er in te laten loopen,” zooals Cascabel misschien twintig maal daags herhaalde.Hij dacht aan niets anders. Maar ofschoon hij er over “prakkezeerde” zoodat zijne hersens er van zweetten, zeide hij, de heele maand Januari ging voorbij zonder dat hij iets wist te bedenken.

Zoo was het dus gesteld met Sergius en zijne reisgenooten op den 1stenJanuari 1868. Hun toestand, die op zichzelf reeds zorgwekkend was dewijl zij door de inboorlingen van den Liakhoff-archipel gevangen gehouden werden, werd nog ingewikkelder door de aanwezigheid van Ortik en Kirschef. Want het was best mogelijk dat die schelmen van deze onverwachte ontmoeting partij zouden willen trekken. Gelukkig was het hun niet bekend dat de reiziger, dien zij op de Alaskische grens hadden willen overvallen, een staatkundige veroordeelde was die uit de vesting Jakoutsk ontvlucht was; dat hij graaf Narkine heette en nu, onder den schijn van deel uit te maken van eenen kermistroep, naar Rusland poogde terug te keeren. Hadden zij dit geweten, dan zouden zij zeker geen oogenblik geaarzeld hebben om het geheim te verklappen; zij zouden het gebruikt hebben als een middel om graaf Narkine geld af te zetten, of zij zouden beproefd hebben hem aan de russische politie over te leveren, op voorwaarde dat zijzelve gratie voor hunne misdrijven en eene belooning in geld kregen. Maar al wisten zij dit niet, bestond er geen gevaar dat het geheim, waar alleen Cascabel en zijne vrouw mede bekend waren, op de eene of andere manier hun ter oore zou komen?

Voor het oogenblik hielden Ortik en Kirschef zich op eenenafstand, ofschoon zij vast besloten waren, indien de gelegenheid zich voordeed, te zamen met Sergius en de anderen eene poging te doen om hunne vrijheid terug te krijgen.

Zoo lang de winter aanhield, was het echter maar al te duidelijk dat er niets viel aan te vangen. Het was nu zoo fel koud dat de ademhaling, met de lucht in aanraking komende, terstond in eene lichte sneeuwwolk overging. De thermometer daalde somtijds beneden de veertig graden onder het nulpunt der honderddeelige schaal. Ook al kwam er geen wind bij, dan nog was het niet mogelijk in zulk eene koude te vertoeven. Cornelia en Napoleona durfden niet meer buiten deSchoone Zwerfsterte komen, wat trouwens de inboorlingen haar ook niet toestonden. Ieder kan zich voorstellen hoe lang deze eindelooze dagen, of liever die nachten welke bijna een heel etmaal duurden, haar vielen.

Kayette, die aan de noord-amerikaansche winters gewend was, kon de koude buitenlucht beter doorstaan, evenals de inlandsche vrouwen van het eiland. In warme kleederen gewikkeld, zag men ze hare gewone werkzaamheden verrichten. Zij droegen een japon van gevoerd rendiervel, waren bovendien in eenen pelsmantel gewikkeld, hadden bonten kousen en mocassins van robben vel aan hare voeten en mutsen van hondenvel op. Van hare gezichten was niets te zien, zelfs niet het puntje van haar neus,—maar daar verloor niemand iets aan.

Iederen dag maakten Sergius en Cascabel, vergezeld van Jan, Sander en Kruidnagel, hunne verplichte opwachting bij Tchou-Tchouk. Zij wikkelden zich daartoe in hunne pelzen evenals de twee russische matrozen, die hetzelfde bezoek moesten afleggen en aan wie uit den voorraad van deSchoone Zwerfstereenige kleedingstukken en dekens verstrekt waren.

De inboorlingen stoorden zich weinig aan weer of wind. Zij gingen onbeschroomd op de jacht, waartoe de door de vorst geharde vlakten goede gelegenheid opleverden. Zij gebruikten lichte sleden, vervaardigd van kinnebaksbeenderen, ribben en baarden van walvisschen, en voorzien van glijstukken, die vóór dat de tocht aanvangt met water begoten worden, dat terstond bevriest en den onderkant zoo glad als ijs maakt. De sleden worden door rendieren getrokken, die voor dit werk uitstekend geschikt zijn. Bovendien hebben zij honden van Samoyeedsch ras, zoo groot en bijna even wild als wolven; sterk behaard, en geelbruin of zwart en wit van kleur.

Als de Nieuw-Siberiërs eene voetreis ondernemen bedienen zij zich van lange sneeuwschoenen of schaatsen,skigenaamd, waarmedezij in korten tijd groote afstanden afleggen langs de zeearmen, die zich tusschen de eilanden in vele takken splitsen en over de natuurlijke wegen,tindra’sgeheeten, die door de vorst droog en hard gehouden worden.

In het vervaardigen hunner wapenen staan de inboorlingen van de Liakhoff-eilanden verre ten achter bij de Eskimo’s in Noord-Amerika. Pijl en boog zijn hunne eenige middelen van aanval en verdediging. Hun vischtuig bestaat uit harpoenen waarmede zij de walvisschen achtervolgen, en uit netten die zij laten zakken tot op het diepe of grond-ijs,grundigenaamd, waar de robben zich veeltijds laten verschalken. Ook maken zij tegen sommige der grootste robbensoorten, zooals de zeekoe of de zee-olifant, gebruik van messen en pieken, waarmede zij niet zelden hevige gevechten hebben te leveren.

De witte beer is echter hun gevaarlijkste vijand. Gedurende de felste winterkoude, wanneer er volstrekt geen voedsel meer op de sneeuw- en ijsvlakten te vinden is, zoeken de uitgehongerde beren dikwijls hunne prooi in de nabijheid der dorpen op de eilanden. Bij zulke ontmoetingen toonen de inboorlingen hunne dapperheid; onversaagd gaan zij het sterke en bloeddorstige dier te lijf, met niets dan hun mes gewapend en in de meeste gevallen delft de beer het onderspit.

Meer dan eens waren de Cascabels getuigen van zulk een gevecht, waarin de beer, na dikwijls verscheidene zijner aanvallers verwond te hebben, ten slotte voor de overmacht bezweek. Het geheele dorp liep dan uit om den verslagen vijand te bekijken. Het berenvleesch was eene lekkernij voor de magen der Nieuw-Siberiërs, maar de beste stukken kwamen veelal terecht op de tafel, of om juister te spreken, in den eetbak van Tchou-Tchouk, en zijne gedweeë onderdanen kregen alleen de brokken, die hij voor hen geliefde over te laten. Dit belette echter niet, dat er een feestmaal van gehouden werd, dat gewoonlijk eindigde met eene algemeene dronkemanspartij. De sterke drank der eilandbewoners bestaat uit het gegiste aftreksel van verschillende planten, zooals het jonge loof van eenige wilgen- en rhodiolasoorten, het sap van de roode mirtenbezie en van eene gele moerasbes. Gedurende de enkele weken dat de zomer duurt, worden deze planten en vruchten ijverig ingezameld en tegen den winter aan ’t gisten gemaakt.

Aangezien de beren zich echter slechts bij uitzondering vertoonen en de jacht op dit verscheurende dier altijd een gevaarlijk werk blijft, valt er op geen berenvleesch te rekenen en is het rendierenvleesch de hoofdschotel der inlandsche keuken. De Nieuw-Siberischevrouwen koken daar eene soep van, waar de Cascabels echter geen smaak in konden vinden.

Bij zulke gelegenheden toonen de inboorlingen hunne onverschrokkenheid. (Zie bladz. 83.)Bij zulke gelegenheden toonen de inboorlingen hunne onverschrokkenheid. (Zie bladz.83.)

Bij zulke gelegenheden toonen de inboorlingen hunne onverschrokkenheid. (Zie bladz.83.)

Vraagt men nu hoe de rendieren des winters aan voedsel komen, dan is het antwoord, dat deze beesten zelfs onder de dikste sneeuwlaag nog het schrale plantenvoedsel weten te vinden, dat zij voor hun onderhoud noodig hebben. Er worden bovendien, vóór dat de vorst invalt, ontzaglijke voorraden voeder ingezameld en opgestapeld, en het een met het ander is voldoende om de rendierenkudde op Nieuw-Siberië, die uit vele duizende beesten bestaat, in het leven te houden.

—Zooveel duizende rendieren, zuchtte Cascabel, die altijd peinsde over de middelen om weg te komen, en met een twintigtal voor onzen wagen zouden wij zoo goed geholpen zijn!

Wij moeten nog vertellen dat de inboorlingen van den Liakhoff-archipel niet alleen afgodendienaars, maar zóó bijgeloovig zijn als men zich ternauwernood voor kan stellen. De monsters, die zij met eigen hand vervaardigen, vereeren zij vurig en de bevelen, die naar het heet van de afgodsbeelden uitgaan, worden blindelings gehoorzaamd. Hun opperhoofd Tchou-Tchouk gaf hun daarvan het voorbeeld; wat zijne dweepzucht en zijn bijgeloof hem ingaven, was eene wet voor zijne onderdanen.

Iederen dag begaf Tchou-Tchouk zich naar eene soort van tempel, juister gezegd eene gewijde plaats,Vorspükgenaamd, dat wil zeggen “de grot der gebeden.” In eene uitholling van den rotswand stonden daar de houten, met vele kleuren beschilderde palen, die als afgodsbeelden dienst deden, en de geloovigen kwamen geregeld daar hunne knieën voor buigen. Onverdraagzaam waren zij daarbij niet; zij hadden er niets tegen dat de vreemdelingen in hun heiligdom kwamen en moedigden hen zelfs daartoe aan. Hierdoor waren onze schipbreukelingen in de gelegenheid de voorwerpen, die de Nieuw-Siberiërs vereerden, nauwkeurig op te nemen.

Het uiteinde van elken paal werd gevormd door een afschuwelijken vogelkop, met ronde, roode oogen, een wijd openstaande bek, en een hooge kam, die als een hoorn omgebogen was. Kruipende naderden de inboorlingen deze monsters, zij hielden hunne ooren tegen den paal onder het prevelen van lange gebeden, en ofschoon de godheid natuurlijk nooit antwoordde, verbeeldden zij zich toch wel degelijk haren wil te vernemen, die trouwens in den regel overeenstemde met hetgeen de vrager zich te voren daarvan voorgesteld had. Als Tchou-Tchouk zijne onderdanen de eeneofandere nieuwe belasting wilde opleggen, bleef de oude schavuit nooit in gebreke eene stem uit den hooge te vernemen, die daarop hare goedkeuringverleende, en bij niet een zijner volgelingen kwam het op, daaraan te twijfelen.

Eenmaal in de week had er eene buitengewone godsdienstoefening plaats, waar alle bewoners van het dorp deel aan namen. Het deed er niet toe hoe koud het was en of de sneeuwstorm de vlakte geeselde, zoodat het een gevoel was alsof men met messen in het gezicht gesneden werd; de heele bevolking volgde Tchou-Tchouk op de hielen, naar deVorspük. En niemand raadt waar de mannen en vrouwen zich mede opschikten sedert deSchoone Zwerfsterin hun midden was. Met alles wat zij uit den wagen gestolen hadden, met de kermispakken van Cascabel en de jongens en met de rokken van Cornelia, die zij over hunne kleederen heen droegen! Een had den helm met de pluim van Kruidnagel op. Ook blies er een op den hoorn, zóó dat de oogen hem uit het hoofd puilden; een ander haalde de onmogelijkste geluiden uit de schuiftrompet en een paar beukten er op de groote- en de roffeltrom. Dit maakte een lawaai, waar het schreeuwen en tieren der kerkgangers zich mede vermengden.

Telkens als Cesar Cascabel dat moest aanzien vloekte hij in éénen adem door tegen het dievengespuis, dat zijne kleederen droeg en de muziekinstrumenten misschien voor altijd onbruikbaar maken zou.

—Bandieten! Hondsvotten! schold hij, en zelfs Sergius zag geen kans hem tot bedaren te brengen.

Daar kwam nog bij dat de toestand op den duur ondragelijk begon te worden. De dagen en weken kropen voort alsof er nimmer een einde aan komen zou. Er scheen geen uitredding te wachten. De tijd ging niet alleen werkeloos maar tot schade van iedereen voorbij, want tot het maken van kunsten bestond geen gelegenheid en Cascabel was niet weinig bevreesd, dat als zij ooit nog op de kermis te Perm aankwamen, hunne ledematen en gewrichten heelemaal vastgeroest zouden zijn. Het eenige middel om te voorkomen dat zij geheel en al den moed verloren, was dat Sergius onvermoeid in de weer bleef om hen door verhalen en onderwijzen leerzaam bezig te houden. Zoodoende was de gedwongen rust ten minste voor iets nuttig.

Van zijnen kant leerde Cascabel aan Sergius allerlei goocheltoeren en handigheden, zooals hij zeide tot tijdverdrijf, maar het kon te pas komen als Sergius misschien nog eens onder de oogen der russische politieagenten het beroep van kunstenmaker zou moeten uitoefenen. Jan hield zich voortdurend bezig met het geven van les in lezen en schrijven aan Kayette en deze volgde vlijtig hetonderricht van haren meester. Men beschuldige de twee jongelieden niet te spoedig van zelfzucht, wanneer wij er bijvoegen dat zij zich het best van allen in den toestand schikten, dewijl beider gemoed geheel werd ingenomen door een gevoel, dat machtiger is dan alle andere aandoeningen. Niet zonder deelneming sloeg Sergius de wassende vertrouwelijkheid tusschen zijne aangenomen dochter en Jan gade. Kayette was vlug van begrip en Jan voelde zich zichtbaar gelukkig als hij haar, van hetgeen hij geleerd had, iets mee kon deelen. Hoe jammer zou het toch wezen als zulk een flinke jongen, met zulk een gelukkigen aanleg en zoo vlijtig van aard, nimmer iets anders worden kon dan een arme kunstenmaker, en als er voor hem geen betere maatschappelijke loopbaan te vinden ware. Maar dit behoorde onder de raadselen der toekomst, en wie kon zeggen of er in het geheel nog sprake zijn kon van eene toekomst voor een gezin, dat op de uiterste grens der bewoonde wereld door een barbaarschen volksstam gevangen gehouden werd?

Tchou-Tchouk toonde zich nog maar niet geneigd om iets van zijne eischen te laten vallen. Zonder losgeld verkoos hij de gevangenen hunne vrijheid niet te schenken, en van elders scheen er voor hen geen kans op redding te bestaan. Welk middel viel er dus te bedenken om aan het geld te komen, dat het inhalige opperhoofd hen trachtte af te persen?

Toch bezaten de Cascabels nog eenen schat, maar daar wisten zij niets van. Onze lezers zullen zich herinneren, dat Sander steeds in het bezit was van zijn kostbaren klomp goud;—ten minste hij zelf twijfelde geen oogenblik aan de waarde van den steen. Als niemand hem gadesloeg, haalde hij het ding uit den hoek waar hij het verborgen hield. Dan wreef en poetste hij het zoo lang tot het blonk. Geen oogenblik zou hij geaarzeld hebben om het af te geven indien Tchou-Tchouk zich daarmede tevreden had willen stellen. Maar de “sjoe-sjoe”, zooals Cascabel hem bleef noemen, zou zeker het brok goud, dat er uitzag alsof het maar een gewone keisteen was, niet in de plaats van klinkende munt hebben willen aannemen. Sander bleef zich dus maar vleien met het vooruitzicht, van eenmaal in Europa teruggekeerd, het stuk steen in gouden kopstukken te kunnen omwisselen, ter vervanging van de dollars die aan zijne ouders in Amerika ontstolen waren.

Dit zou alles terecht komen zoodra zij hunnen tocht naar Europa konden voortzetten, maar of zij ooit daartoe zouden komen, werd iederen dag meer twijfelachtig. De twee russische booswichten, die het noodlot ook nog op den weg der Cascabels gevoerd had, dachten er even zoo over.

Sander was steeds in het bezit van zijn kostbaren klomp goud. (Zie bladz. 87.)Sander was steeds in het bezit van zijn kostbaren klomp goud. (Zie bladz.87.)

Sander was steeds in het bezit van zijn kostbaren klomp goud. (Zie bladz.87.)

Op een goeden dag, den 23stenJanuari, kwam Ortik een bezoek in deSchoone Zwerfsterbrengen, zoo het heette om met Cascabel, Sergius en Jan te praten over hunne kansen om weg te komen, maar inderdaad om te weten te komen wat de anderen voornemens waren te doen, indien Tchou-Tchouk hun verlof mocht geven om hunne reis voort te zetten.

Hij begon met deze vraag:

—Mijnheer Sergius, waart gij van plan den winter in Siberië doortebrengen toen gij van Port-Clarence vertrokken zijt?

—Ja, antwoordde Sergius, wij hadden ons voorgesteld eene of andere bewoonde plaats op te zoeken en daar het zachtere weder aftewachten. Waarom vraagt gij dat Ortik?

—Omdat ik wilde weten of gij bij dat plan blijft, in geval die verwenschte kerels hier op het eiland u los mochten laten.

—Neen, hernam Sergius, daardoor zouden wij onze reis, die al zoo lang duurt, noodeloos langer maken. Het komt mij voor dat het nu beter zou zijn op de russische grens aan te houden en te trachten een der passen van het Oeral-gebergte over te komen.

—In het noordelijke gedeelte van het gebergte dus?

—Natuurlijk, dat is de kortste weg dien wij door de steppen, heen kunnen volgen.

—Maar zoudt gij dan uwen reiswagen hier laten, mijnheer Sergius? vroeg Ortik verder.

Die vraag had Cascabel blijkbaar verstaan, want hij antwoordde haastig:

—Wat, deSchoone Zwerfsterin den steek laten! In geen geval als ik maar een span rendieren machtig kan worden, en het zal niet lang duren denk ik....

—Weet gij dan een middel om weg te komen? vroeg Sergius.

—Ik heb er zelfs geen flauw vermoeden van; maar Cornelia blijft volhouden dat ik er een vinden zal en Cornelia heeft zich nog nooit vergist. Dat is eene vrouw, mijnheer Sergius, zooals er geen tweede bestaat, en zij kent mij!

Het vertrouwen van Cascabel op zijn goed gesternte was niet uitteroeien. Dat vier franschen en drie russen met hun allen niet in staat zouden wezen een Sjoe-Sjoe eene kool te stoven, wilde er niet bij hem in.

Sergius had aan Ortik overgebracht hoe Cascabel over het achterlaten van deSchoone Zwerfsterdacht:

—Maar om uwen wagen medetenemen, hervatte de matroos, die hier bijzonder veel aan scheen te hechten, moet gij een stel rendieren hebben.

—Ongetwijfeld.

—Denkt gij dat Tchou-Tchouk u daaraan helpen zal?

—Ik denk dat mijnheer Cascabel een middel zal vinden om er hem toe te dwingen.

—En vervolgens wilt gij over het ijsveld heen de reis naar de siberische kust ondernemen?

—Natuurlijk.

—Daartoe zal het noodig zijn, mijnheer Sergius, dat gij opbreekt vóór dat het begint te dooien, dat is binnen drie maanden.

—Dat kan niet anders.

—Maar gij zult niet kunnen.

—Misschien zullen de inboorlingen vóór dien tijd ons vergunnen heen te gaan.

—Dat is toch niet waarschijnlijk, mijnheer Sergius, want het losgeld betalen kunt gij niet.

Cascabel had zich dit antwoord van Ortik doen vertolken, en antwoordde terstond.

—Misschien kunnen die verwenschte kerels toch wel genoodzaakt worden ons te laten gaan.

—Genoodzaakt? Door wie? vroeg Jan.

—Door omstandigheden.

—Welke omstandigheden, vader?

—Ja, als wij dat wisten! antwoordde Cascabel. Een samenloop van omstandigheden, maar welke?

Hij krabde zich het hoofd alsof hij er een plan uit wilde trekken, maar er kwam niets voor den dag.

—Welnu, hernam Sergius, het beste is dat wij beginnen met te veronderstellen dat de inboorlingen ons niet verkiezen los te laten. Kunnen wij in dat geval niet wegkomen zonder dat zij het goed vinden?

—Het is te probeeren, meende Jan. Maar in dat geval zullen wij zeker deSchoone Zwerfsterhier moeten laten.

—Praat daar niet van, riep Cascabel. Daar valt niet aan te denken Jan, ik wil er niet van hooren!

—Maar er is niets aan te doen, vader.

—Neen, zeg ik. DeSchoone Zwerfsteris ons huis, dat overal met ons medegaat. Onder haar dak hadt gij geboren kunnen worden, Jan. Wij laten haar niet in handen van die zee-varkens, van die robben in menschengedaante die hier wonen.

Hij krabde zich het hoofd alsof hij er een plan uit wilde trekken. (Zie bladz. 90.)Hij krabde zich het hoofd alsof hij er een plan uit wilde trekken. (Zie bladz.90.)

Hij krabde zich het hoofd alsof hij er een plan uit wilde trekken. (Zie bladz.90.)

—Mijn waarde Cascabel, hernam Sergius, alles wat wij in staat zijn te doen zullen wij beproeven om de toestemming der inboorlingen tot ons vertrek te krijgen, maar er zijn tien kansen tegeneen dat dit niet gelukken zal en in dat geval moeten wij trachten te vluchten. Welnu, als wij aan Tchou-Tchouk willen ontsnappen, kan het niet anders dan met achterlating.....

—Van de woning der Cascabels! riep Cesar uit, met eene verbittering welke raden liet hoeveel moeite het hem kosten zou daarin toetestemmen.

—Misschien, hervatte Jan, zou er toch nog iets anders te bedenken zijn, waardoor alles terecht kon komen.

—Wat zou dat wezen?

—Zou één van ons niet kunnen trachten wegtekomen, het vasteland te bereiken en de russische politie kennis te geven van den toestand waarin wij verkeeren? Mijnheer Sergius, ik ben bereid het te beproeven.

—Dat nooit! antwoordde Cascabel terstond.

—Neen, dat in geen geval, zeide Ortik even beslist, nadat Sergius hem had medegedeeld wat Jan wilde.

Cascabel en de rus waren het in dit opzicht eens; maar de eerste dacht alleen aan het gevaar dat graaf Narkine loopen kon wanneer hij in aanraking kwam met de russische politie, en Ortik was voor zijn persoon niet op eene ontmoeting met het openbaar gezag gesteld.

Ook Sergius had tegen het denkbeeld van Jan bezwaar, maar op andere gronden.

—Het is braaf van u, Jan, zeide hij, dat gij u voor ons wilt opofferen, maar wij zouden door uwe edelmoedigheid niet geholpen worden. Er is geen denken aan om midden in den winter dien tocht over het ijsveld te ondernemen en de honderd mijlen afstands tusschen het eiland Kotelnyi en den vasten wal te willen afleggen. Gij zoudt onderweg omkomen, mijn vriend. Neen, wij moeten onder alle omstandigheden bij elkander blijven en indien wij hier van daan komen, dan moet het zijn met ons allen.

—Daar valt niets tegen in te brengen, zeide Cascabel, en ik sta er op dat Jan mij belooft zonder mijne toestemming niets te beginnen.

—Ik geef er u mijn woord op, vader.

—Wanneer ik zeg dat wij samen zullen gaan, vervolgde Sergius tegen Ortik, dan bedoel ik daarmede dat gij en Kirschef ook met ons medetrekt. Wij laten u niet in de handen dezer wilden.

—Ik ben u daar dankbaar voor, mijnheer Sergius, antwoordde Ortik, en Kirschef en ik, wij zullen u op uwe reis door Siberië misschien ook van dienst kunnen zijn. Op dit oogenblik valt er niets te beginnen, maar zoodra de ergste koude voorbij is en vóórdat het gaat dooien moeten wij ons gereed houden voor de vlucht.

Na dit gezegd te hebben, nam Ortik afscheid.

—Ja, herhaalde Sergius, wij zullen ons gereed moeten houden.

—Daar zal wel niet aan ontbreken, zeide Cascabel, maar hoe komen wij weg? De drommel moge mij halen als ik het weet.

Dit bleef de vraag van den dag, het onderwerp waar allen over bleven denken, op welke manier zij met of zonder goedvinden van Tchou-Tchouk uit zijne handen zouden geraken. De waakzaamheid der inlanders te verschalken, scheen uiterst moeilijk. Tchou-Tchouk tot andere gedachten te brengen, daarop bestond nog minder kans. Er bleef maar één middel over, dat was “hem er in te laten loopen,” zooals Cascabel misschien twintig maal daags herhaalde.

Hij dacht aan niets anders. Maar ofschoon hij er over “prakkezeerde” zoodat zijne hersens er van zweetten, zeide hij, de heele maand Januari ging voorbij zonder dat hij iets wist te bedenken.


Back to IndexNext