IX.

IX.Tot aan de Obi-rivier.Wij moeten nog eens terugkomen op de twee russen, die het noodlot met de familie Cascabel in aanraking had gebracht.Het ware niets meer dan natuurlijk geweest indien zij, uit dankbaarheid voor de manier waarop zij ontvangen en behandeld werden, alle booze plannen hadden laten varen; maar dit was helaas niet het geval. Ortik en Kirschef, die als straatroovers met de bende van Karnof reeds zooveel op hun geweten hadden, dachten alweder aan nieuwe euveldaden. DeSchoone Zwerfsteren vooral het geld, dat Tchou-Tchouk aan Sergius teruggegeven had, wekten hunne hebzucht op. Zij hoopten onder eene vermomming als kunstenmakers naar Rusland terug te keeren en daar hun rooversbedrijf weder optevatten. Teneinde dit plan te kunnen volvoeren, moesten zij zich eerst van hunne reisgenooten ontdoen en deze brave lieden, wien zij hunne vrijheid verschuldigd waren, met snooden ondank beloonen. Maar daar zagen zij niet tegen op.Met hun beiden zagen zij echter geen kans om iets uitterichten. Daarom wezen zij de karavaan den weg naar eenen pas over het Oeral gebergte, die door kwaad volk onveilig gemaakt werd. Daar dachten zij helpers te zullen vinden, en zooveel roovers als zij noodig hadden te kunnen overhalen om gezamenlijk eenen aanval op deSchoone Zwerfsterte doen.Niemand kon op de gedachte komen dat zij iets kwaads in denzin hadden. Zij toonden zich behulpzaam en gaven niet de minste aanleiding om hen te wantrouwen. De anderen voelden zich tot hen niet bijzonder aangetrokken, maar hadden geen reden om over hen te klagen; alleen Kayette koesterde eene achterdocht waar zij zich geen rekenschap van wist te geven. Een oogenblik had zij zich verbeeld dat het de stem van Kirschef geweest was, die zij in den nacht toen Sergius door roovers op de Alaskische grens overvallen werd, gehoord had. Maar het scheen immers niet mogelijk dat die moordenaars en de twee schipbreukelingen, die zij op de Liakhoff-eilanden hadden aangetroffen, dezelfde personen waren? Daarom liet Kayette, al hield zij de twee vreemdelingen in het oog, zich geen woord over hare ongegronde vermoedens ontvallen.Van den anderen kant koesterden Ortik en Kirschef, die zonder het te weten bij het Indiaansche meisje in een kwaad blaadje stonden, achterdocht ten opzichte van Sergius. Zij wisten dat hij op de Alaskische grens gevaarlijk gewond was, dat de familie Cascabel hem gevonden en verpleegd en naar Sitka gebracht had. Dit liet zich zeer goed hooren. Maar waarom was hij, eenmaal genezen, niet te Sitka gebleven? Waarom was hij met den kunstenmakerstroep naar Port-Clarence getrokken? Waarom maakte hij nu met hen den heelen tocht door Siberië mede? Het was minst genomen vreemd, dat een rus onder een franschen kermistroep verzeild geraakt was.Hierover pratende, zeide Ortik op een goeden dag tegen Kirschef:—Zou het niet kunnen zijn dat die mijnheer Sergius zijn best doet om naar Rusland terugtekeeren zonder dat iemand acht op hem slaat? Daar moeten wij achter zien te komen, want er is misschien voor ons een voordeeltje uit te halen.Zonder dat hij er iets van vermoedde, werd Sergius dus door de beide russen bespied, in de hoop dat hij zich op de eene of andere manier zijn geheim zou laten ontvallen.Den 23stenApril kwamen zij over de grens van het land der Jakoeten en in dat der Ostiakken. Dit is een van de armoedigste en minst beschaafde Siberische stammen, ofschoon er in dit gedeelte des lands ook welvarende streken worden aangetroffen, waartoe vooral de omtrek van Bérezow behoort.Zoodra deSchoone Zwerfstereen der Ostiakken-dorpen doortrok, hadden onze reizigers gelegenheid het onderscheid op te merken tusschen deze plaats en de schilderachtige, nette woonplaatsen der Jakoeten. De woningen waren ellendige hutten, nauwelijks goed genoeg voor beesten en waaruit zulk een verpestende walm naar buiten kwam, dat het haast niet mogelijk scheen er adem in te halen.Ook de bewoners zagen er terugstootend uit. Niet ten onrechte werd er in een aardrijkskundig werk, dat Jan onder zijn kleinen boekenschat bezat, van hen gezegd:—De Ostiakken in noordelijk Siberië beveiligen zich tegen de koude door eene bijzondere soort van kleeding, namelijk eene dikke laag vuil en vet op hunne huid en daarover heen een rendierenvel!Hun voedsel bestaat bijna uitsluitend uit visch, die zij halfgaar, en uit vleesch dat zij in het geheel niet koken of braden.Dit alles is intusschen alleen van toepassing op de nomadische Ostiakken, die in de steppen rondzwerven, maar niet op degenen die in de grootere plaatsen hun vast verblijf hebben. In het stadje Starokhantaskii vonden onze reizigers eene bevolking die er tamelijk welvarend en beschaafd uitzag, ofschoon zij zich tegenover vreemdelingen weinig vriendelijk of gastvrij toonde.De vrouwen waren met blauwe inkt getatoueerd. Hare kleeding bestond uit eenevakocham, eene soort van rooden sluier met blauwe strepen; uit een veelkleurige rok en een lijfje van lichtere kleur, dat meestal slecht paste en daardoor hare figuur leelijk maakte, en uit een breeden gordel met belletjes opgeschikt, welke bij iedere beweging rinkelden even als het bellentuig van een spaanschen muilezel.De mannen hadden in den winter—en ook in dezen tijd van het jaar was dit met sommigen nog het geval—veel van beesten, want zij waren in huiden gehuld met het haar naar buiten. Hun hoofd was bedekt met eene kap vanmaltza- ofparba-vel met spleten er in voor de oogen, den mond en de ooren. Het was niet mogelijk iets van hun gelaat te onderscheiden, maar dit was waarschijnlijk voor niemand een groot ongeluk.Op haren weg kwam deSchoone Zwerfstermeermalen verscheidene sleden,narkosgenaamd, tegen. Deze voertuigen worden getrokken door drie rendieren, met een eenvoudigen riem die onder hunne buik doorgaat en met een leidsel dat aan hunne horens bevestigd is. Aldus bespannen, kunnen denarkoseenen afstand van zeven of acht mijlen afleggen zonder dat de rendieren rust noodig hebben.De rendieren welke den reiswagen trokken, waren tot zulk eene krachtsinspanning niet in staat, maar er viel toch niet over ze te klagen, want de dieren waren gewillig en mak.Sergius maakte bij zekere gelegenheid de opmerking dat het zaak zou zijn de rendieren door paarden te vervangen, zoodra zij zich die konden aanschaffen.—Waarom, als ik vragen mag? antwoordde Cascabel. Waartoe zou die uitgaaf dienen? Zoudt gij denken dat onze rendieren niet sterk genoeg zijn om ons naar Rusland te brengen?Deze voertuigen worden getrokken door drie rendieren. (Zie blz. 126.)Deze voertuigen worden getrokken door drie rendieren. (Zie blz.126.)—Indien wij naar het Noorden van Rusland op weg waren, antwoordde Sergius, zou ik er geen zorg over hebben, maar nu wij naar Midden-Rusland moeten, is het een ander geval. Rendieren zijn niet tegen warmte bestand; zij zijn dan spoedig moede en eindelijk in het geheel niet meer tot werken in staat. Tegen het einde van April trekken zij dan ook in groote troepen naar het Noorden of naar de hooge vlakten van het Oeral-gebergte, die altijd met sneeuw bedekt liggen.—Welnu, mijnheer Sergius, als wij op de grens zijn zullen wij zien wat ons te doen staat. Het zou mij werkelijk spijten als wij ons rendierenspan moesten laten schieten, want het zou een prachtig effect maken als ik op de kermis te Perm kon komen met eene kudde van twintig rendieren vóór den reiswagen der familie Cascabel!—Zoo iets zou zeker nooit vertoond wezen, antwoordde Sergius lachende.—Een zegetocht zou het zijn. Een zegetocht, zeg ik u! Maar nu wij daarover spreken, denk ik aan iets anders. Het is immers goed afgesproken dat graaf Narkine deel uitmaakt van mijnen troep, en dat hij als het er op aan mocht komen, het niet beneden zich zal achten om voor het publiek op te treden?—Dat is eene afgedane zaak.—Dan moet gij ook uwe oefeningen in de goochelkunst niet verzuimen, mijnheer Sergius. De kinderen en die twee russische matrozen denken dat gij het voor uw pleizier doet, en om hen hebben wij ons dus niet te bekommeren. Maar weet gij wel dat ge reeds aardig begint aan te leeren?—Dat kan haast niet anders, vriend Cascabel, met zulk eenen meester als gij!—Gij zijt al te vriendelijk, mijnheer Sergius, maar ik verzeker u dat gij van de natuur een schoonen aanleg voor de kunst gekregen hebt. Met een weinig oefening zoudt gij een kunstenmaker kunnen worden van meer dan gewone bedrevenheid, en gij zoudt niet voor niemendal met het bakje behoeven rond te gaan.Den 6denMei kwam deSchoone Zwerfsteraan den oever van de Jeniseï-rivier, ongeveer honderd mijlen van het Jege-meer.Dit is eene van de hoofdrivieren door welke Siberië besproeid wordt. Hare monding is gelegen in den zeeboezem die denzelfden naam draagt, op den zeventigsten breedtegraad in de Noordelijke IJszee.Op de geheele oppervlakte der breede rivier was nu geen ijs meer te zien. Tusschen de beide oevers ging een groote veerpont voor personen en rijtuigen heen en weer. Op deze werd ook dereiswagen met al zijn toebehooren overgezet, maar het veergeld was tamelijk hoog.Aan den overkant strekte de steppe met haar oneindigen gezichteinder zich weder uit. Herhaaldelijk zagen zij zwervende Ostiakken, die in het open veld hunne godsdienstplichten vervulden. Deze lieden zijn voor het grootste gedeelte gedoopt, maar de leer van het Christendom is nog niet diep bij hen ingedrongen en de heidensche Shaïtan-afgodsbeelden worden nog altijd door hen vereerd. Dat zijn zware stukken hout met menschen-gezichten er in uitgehouwen. In ieder huis, groot of klein, vindt men zulk een voorwerp in het klein, met een koperen kruis er boven.Het schijnt dat de priesters der Ostiakken, dieSchamangenoemd worden, uit deze dubbele godsvereering vrij wat voordeel trekken, terwijl zij ook op het bijgeloovige volk, dat de denkbeelden der christenen met die der heidenen op zonderlinge wijze door elkander wart, een grooten invloed hebben. Men moet het gezien hebben om te weten met welken eerbied zij hunne houten afgodsbeelden naderen, en met welke stuiptrekkingen en verdraaiingen van het lichaam hunne gebeden gepaard gaan.De eerste keer dat zij een zestal van zulke biddende Ostiakken tegenkwamen, kreeg die kwajongen van een Sander het in zijn hoofd hen na te doen, door op zijne handen te loopen, achter- en voorover te duikelen, allerlei bokkesprongen te maken en te eindigen met eenen luchtsprong als een karper op het droge.Zijn vader maakte zich daar in het geheel niet boos over.—Ik zie, mijn jongen, zeide hij, dat ge van uwe lenigheid niets verloren hebt. Dat doet mij heel veel pleizier. Maar wij moeten ons nu ook blijven oefenen en aan de kermis te Perm denken. De eer van de familie Cascabel is er mede gemoeid!De geheele reis, van de monding van de Lena af, was zonder veel vermoeienis afgelegd kunnen worden. Nu en dan moest deSchoone Zwerfsterdichte wouden van denne- en berkeboomen omtrekken, dewijl daar dwars doorheen geen weg te vinden was. Dit brak een weinig de eentonigheid van den tocht door de vlakte.Over het algemeen was het land weinig bevolkt. Soms legden zij mijlen af zonder een gehucht of een huis te zien. In verhouding tot de oppervlakte des lands is de bevolking zeer dun gezaaid, en zelfs de afdeeling Bérézow, die het meest welvarend is, heeft maar vijftienduizend inwoners op eene oppervlakte van drieduizend kilometers. Daarentegen, en misschien door diezelfde oorzaak, is er verbazend veel wild op de vlakten.Sergius en Jan konden dus naar hartelust hunne liefhebberij voorde jacht bevredigen en de provisiekamer van moeder Cascabel voer daar wèl bij. Niet zelden ging Ortik met hen mede en hij toonde ook bij zulke gelegenheden dat hij een man was van meer dan gewone handigheid. Bij duizenden zagen zij de hazen soms over de steppe loopen en het gevederde wild vloog in zwermen door de lucht. Ook zagen zij elanden, wilde rendieren en zelfs groote wilde zwijnen. Dit zijn gevaarlijke beesten en onze jagers waren wel zoo voorzichtig ze niet op te jagen.De vogels waren meest eenden, duikelaars, ganzen, lijsters, korhoenders, ooievaars, witte patrijzen en enkele soorten die zij niet kenden. Zij hadden ze dus voor het kiezen. Wanneer het eens gebeurde dat zij het een of ander geschoten hadden dat niet goed klaar te maken was, dan liet Cornelia het maar aan de honden over, die er zich aan vergastten.Bij zulk eenen overvloed van wildbraad leidden zij natuurlijk een goed leven, veel te goed zelfs naar Cascabel’s oordeel. Hij hield hun dan ook den plicht van ieder kunstenaar voor, om matig te zijn in eten en drinken.—Past op, kinderen, zeide hij, dat ge niet vet wordt. Het vet, ziet ge, maakt de geledingen stroef. Het is de ergste vijand van een acrobaat. Jullie eet veel te veel. Je moet matig zijn, voor den drommel. Ik geloof waarachtig Sander, dat je al een buik begint te krijgen! En dat op jou leeftijd! Foei! Schaamt ge je niet?—Maar vader, ik verzeker u....—Je hebt mij niets te verzekeren. Ik heb grooten lust om je elken avond te meten en als ik merk dat er iets naar buiten puilt, dan duw ik het weer naar binnen. Die Kruidnagel wordt ook al met den dag dikker!—Ik patroon?—Ja jij, en het komt volstrekt niet te pas dat een paljas er een buik op nahoudt, vooral niet als hij Kruidnagel heet. Het einde zal nog zijn dat je zoo rond wordt als een bierton!—Ten minste wanneer ik op mijn ouden dag niet meer krijg van een boonenstaak, was de wijsgeerige opmerking van Kruidnagel, terwijl hij zijn broek wat nauwer toeknoopte.Niet lang daarna trok deSchoone Zwerfsterde Taz-rivier over. Deze komt uit in de Jeniseï-baai. De overtocht geschiedde nagenoeg ter plaatse waar hun weg den noordpoolcirkel sneed. Van dat oogenblik af waren zij dus in de gematigde luchtstreek. Hieruit blijkt dat zij sedert hun vertrek van de Liakhoff-eilanden in sterk schuinsche richting naar het Zuidwesten waren getrokken.Van deze gelegenheid maakte Sergius, naar wien zij altijd gaarneluisterden, gebruik om aan zijne reisgenooten uit te leggen wat de poolcirkel is en hoe het komt dat de zon binnen de ruimte, besloten door die kromme lijn, des zomers nooit hooger rijst dan drieëntwintig graden boven den gezichteinder.Jan, die reeds het een en ander van de beweging der aarde en der hemellichamen wist, kon de beschrijving van Sergius zonder veel moeite volgen, maar Cascabel spande te vergeefs alles in wat hem aan hersenen gegeven was; het gelukte hem niet zich eene voorstelling van den poolcirkel te maken.—Op het punt van cirkels, zeide hij, ken ik niets anders dan de hoepels waar de rijdsters in een paardenspel doorheen springen. Maar dat is geen reden om dien cirkel, waar wij nu overheen zijn, niet met een glas te herdenken.Er werd dus eene flesch brandewijn opengetrokken ter eere van den poolcirkel, even als de zeelieden gewoon zijn het passeeren van de evennachtslijn feestelijk te vieren.De overtocht van de Taz ging niet heel gemakkelijk. Er voer geene veerpont tusschen de oevers dezer smalle rivier, zoodat zij eene doorwaadbare plaats moesten zoeken, hetgeen hen verscheidene uren ophield. De twee Russen toonden bij deze gelegenheid weder veel ijver. Meer dan eens moesten zij tot hun midden door het water waden ten einde de wielen van den wagen uit het zand, waarin ze gezakt waren, te trekken.Den 16denMei kwamen zij aan de Pour-rivier. Het overtrekken daarvan ging minder bezwaarlijk, want deze rivier is niet alleen smal, maar veel minder diep en de stroom is lang zoo snel niet als op de Taz.In de eerste dagen van Juni werd de warmte bijna ondragelijk, iets dat altijd onbegrijpelijk schijnt wanneer er sprake is van zulke noordelijke landen. Gedurende de tweede helft van de maand rees de thermometer tot vijfentwintig en dertig graden van de honderddeelige schaal, en aangezien er in de steppe niet de minste schaduw te vinden is, hadden onze reizigers grooten hinder van deze ongewone hitte. Ook de nachten brachten weinig verademing, want in dezen tijd van het jaar zinkt de zon slechts gedurende weinige oogenblikken achter den effen gezichteinder der grenzenlooze vlakte weg. De witgloeiende schijf verdwijnt slechts even in het Noorden en begint bijna terstond weder te rijzen.—Die zon verveelt mij, klaagde Cornelia, terwijl zij haar bezweet gelaat afveegde. Het lijkt wel een oven. Was het nu nog maar winter.—Als de zon in den winter scheen, antwoordde Sergius gekscherende, zou het geen winter zijn, maar zomer.Er werd eene flesch brandewijn opengetrokken ter eere van den poolcirkel. (Zie blz. 131.)Er werd eene flesch brandewijn opengetrokken ter eere van den poolcirkel. (Zie blz.131.)—Precies, merkte Cascabel op. Maar één ding vind ik verkeerd ingericht, namelijk dat wij nu geen enkel stukje ijs hebben om ons op te frisschen, terwijl wij maanden achtereen meer ijs gehad hebben dan ons lief was.—Maar vriend Cascabel, als wij nu ijs hadden, dan hadden wij ook weer last van koude en in dat geval....—Zouden wij het ook niet warm hebben, dat klopt.—Ten minste, als het niet tusschen beide, half warm en half koud was, meende Kruidnagel te moeten zeggen.—Dat klopt ook weer, stemde Cascabel toe. Maar met dat al is het nu onbehoorlijk heet!De jagers lieten zich intusschen door de warmte niet afschrikken, alleen gingen zij in de vroege morgenuren op weg en niet zelden maakten zij een mooien buit. Op een goeden dag deed Jan zelfs een buitengewoon gelukkig schot op zulk een groot dier, dat het heel wat moeite kostte om het naar deSchoone Zwerfsterte krijgen. Het had korte, roodachtige haren van voren, die in den winter grijs waren geweest. Over zijn rug liep een geelachtige streep, even als over den rug van een muildier. Het had lange horens, die in een sierlijken boog boven den kop bijeen kwamen, waaruit volgde dat het een mannetje was.—Wat een mooi rendier! riep San der.—Hoe zijt ge er toe kunnen komen om zulk een lief beest te schieten, zeide Napoleona verwijtend tegen haar oudsten broeder.—Wel, om het op te eten, zusje.—Ik houd zooveel van rendieren.—Nu als ge zooveel van ze houdt, hernam Sander, dan zult ge uw hart kunnen ophalen, want ieder zal er eene goede portie van kunnen krijgen.—Heb maar geen spijt, kindlief, troostte Sergius haar. Het is geen rendier.—Wat voor een beest is het dan? vroeg Napoleona.—Het is een argali.Dit zijn dieren die des winters op de bergen verblijf houden en in den zomer naar de vlakte afdalen. Eigenlijk is het eene soort van schapen, maar verbazend groot. Sergius had het dadelijk herkend.—Welnu Cornelia, zeide Cascabel, als het dan een schaap is, kunt gij ons op geroosterde schapenkarbonade tracteeren.Dit gebeurde ook inderdaad en aangezien het argali-vleesch bijzonder smakelijk is, vreezen wij dat bij deze gelegenheid de buik van Cesar Cascabel zelven meer in omvang toenam dan met zijn beroep in overeenstemming was.Van hier af hadden zij een heel eind door eene dorre en onvruchtbare streek lands te trekken vóór dat zij aan de Obi-rivier kwamen. De Ostiakken-dorpen werden hoe langer hoe zeldzamer, ternauwernood kwamen zij enkele groepen zwervende inboorlingen tegen, die op weg waren naar de in het Zuiden gelegen bewoonde plaatsen. Niet zonder opzet trok Sergius bij voorkeur door het minst bevolkte deel des lands en vooral wilde hij Berezow vermijden, eene stad van eenige beteekenis die een klein eind aan gene zijde van de Obi gelegen is. Zij wordt omringd door prachtige cederbosschen en is tegen een steilen heuvel aangebouwd, waar de torenspitsen der beide kerken tegen afsteken. De Sosva-rivier stroomt langs de stad en wordt aanhoudend door booten en vaartuigen bevaren, want het is hier een middelpunt van het handelsverkeer, dat uit alle deelen van noordelijk Siberië naar deze plek stroomt.DeSchoone Zwerfsterzou, indien zij haren weg over Berezow genomen had, de algemeene opmerkzaamheid daar getrokken hebben en de politie had wel eens lust kunnen krijgen om de familie Cascabel wat meer van nabij optenemen. Daarom was het veiliger niet alleen de stad, maar ook het geheele district Berezow te vermijden. Een politieman is nu eenmaal wantrouwend van aard en wanneer het bovendien kozakken zijn, kan men niet beter doen dan in het geheel niet met hen in aanraking te komen.Bij deze gelegenheid merkten Ortik en Kirschef evenwel duidelijk dat Sergius niet veel lust had om zich te Berezow te vertoonen en dit versterkte hen in hun vermoeden dat deze rus er op uit was om zonder dat iemand hem in de gaten kreeg in Rusland te komen.In de tweede week van Juni wijzigden zij hunne richting dus zooveel als noodig was om ten Noorden van de afdeeling Berezow om te trekken. Dit vorderde trouwens slechts eenen omweg van niet meer dan eene mijl of tien. Den 16denJuni kwam de karavaan aan eene groote rivier, die zij eenen tijd lang volgden en aan den rechteroever waarvan zij des avonds hun leger opsloegen.Dit was de Obi-rivier.DeSchoone Zwerfsterhad nu weder vierhonderd mijlen achter den rug sedert zij de Pour overgetrokken was. Slechts een honderdtal mijlen scheidden haar nog van de grens van Europa. Het Oeralgebergte, dat den scheidsmuur tusschen de beide werelddeelen vormt, zou met zijne hooge toppen spoedig aan den gezichteinder verrijzen.X.Van de Obi naar het Oeral-gebergte.De Obi-rivier wordt gevoed door de wateren die van het Oeralgebergte afstroomen en heeft in het Oosten een aantal zijarmen. Hare lengte is vierduizend vijfhonderd kilometer en de uitgestrektheid van haar stroomgebied is niet minder dan driehonderd-dertig millioen hectaren.Deze groote rivier zou de natuurlijke aardrijkskundige grens tusschen Azië en Europa kunnen wezen, indien de Oeral-bergen niet een weinig meer naar het Oosten eene scheiding maakten. Van den zestigsten breedtegraad af loopt de rivier bijna evenwijdig met het gebergte. De Obi neemt haren weg naar den grooten zeeboezem die denzelfden naam draagt, en de laatste vertakkingen van het Oeralgebergte verdwijnen in de diepte der Kara-zee.Sergius en zijne reisgenooten hadden op den rechteroever halt gemaakt en overzagen van daar den breeden waterspiegel, die als bezaaid ligt met eene menigte eilanden, waar wilgeboomen welig op tieren. Tegen de oevers dier eilanden stonden waterplanten met scherpe, smalle armen, waar frissche bloemen aan ontloken waren. Zoowel boven- als benedenstrooms gleden eene menigte vaartuigen over het heldere, frissche water, dat nog zuiver is van alle smetten, zooals het is komen afstroomen uit de hooge bergen waar het ontstaan is.Er was een geregelde overzetdienst op de Obi, zoodat deSchooneZwerfsterzonder oponthoud den linkeroever bereikte, waar het stadje Mouji gelegen is.Dit stadje is eigenlijk maar een dorp. Er bevond zich geen militaire bezetting, zoodat graaf Narkine ook hier niet het minste gevaar kon loopen. Intusschen was het noodig dat zij de plaatselijke autoriteiten niet voorbijgingen want zij stonden nu op het punt van de Oeral-passen in te trekken en de russische politie laat niemand op de grenzen door, die niet in staat is zijne behoorlijk afgeteekende papieren te vertoonen. Daarom besloot Cascabel zijne paspoorten door den burgemeester van Mouji te laten waarmerken. Was dat eenmaal geschied, dan was Sergius officieel erkend als tot zijnen troep te behooren en kon hij zich verder in dezelfde hoedanigheid overal heen begeven zonder de russische politie reden tot eenige aanmerking te geven.Jammer genoeg dat dit geheele, zoo voortreffelijk beraamde plan, door een ongelukkig toeval gevaar liep te mislukken. Dat die Ortik en Kirschef er ook moesten zijn om alles in de war te brengen! Hun duivelsche toeleg was het, deSchoone Zwerfsterdoor een van de gevaarlijkste passen van het Oeral-gebergte te voeren, waar het niet lang duren zou of zij moest de prooi van de eene of andere rooverbende worden.Cascabel kon dit echter evenmin vermoeden als hij in staat zou geweest zijn er iets tegen te doen. Hij wenschte zichzelf dan ook reeds geluk met den voorspoedigen afloop zijner avontuurlijke onderneming. Het geheele Westen van Amerika en het geheele Noorden van Azië was hij doorgetrokken, en hij bevond zich nu op geen grooter afstand meer dan een honderdtal mijlen van Europa. Hij noch zijne vrouw of hunne kinderen hadden eenig nadeel van deze lange gevaarvolle reis ondervonden; allen waren zoo gezond als visschen. Een oogenblik slechts was aan Cascabel de moed ontzonken; dat was toen hun in de Behringstraat de groote ramp overkomen was en zij in de Noordelijke IJszee aan het drijven waren geraakt. Maar zij waren ten minste niet alleen aan de wilden van den Liakhoff-archipel ontkomen, maar deze hadden hun zelfs de middelen verschaft om met deSchoone Zwerfsterden tocht naar Europa voorttezetten.—Wat God doet, is in den regel wèlgedaan, merkte Cascabel op als slotsom van zijne overdenkingen.Zij hadden besloten een etmaal in het dorp Mouji doortebrengen en werden in dat voornemen versterkt door de vriendelijke en voorkomende wijze waarop de inwoners hen ontvingen.De burgemeester van het dorp, degorodintschy, rekende zichverplicht de vreemde bezoekers te komen opnemen, en aangezien hij ten opzichte van buitenlanders een weinig wantrouwend was, vroeg hij Cascabel naar zijne papieren. Deze waren in orde en onder het personeel van den troep stond ook Sergius vermeld.Dit vond de dorps-magistraat wel wat zonderling, dat er een landgenoot van hem zich bevond bij een gezelschap fransche kunstenmakers. Hij gaf zijne verwondering hiervoor te kennen.Cascabel maakte hem echter opmerkzaam dat er wel is waar een rus bij hem was, maar ook een amerikaan namelijk Kruidnagel, en eene indiaansche, namelijk Kayette. Hij vroeg alleen of de personen, die zich bij hem aansluiten wilden, eenig talent hadden, maar nooit uit welk land zij kwamen. Hij voegde er vervolgens bij dat hij en zijne mede-kunstenaars zich gelukkig zouden rekenen indien “mijnheer de burgemeester”—het woordgorodintschywas voor Cesar niet uittespreken—hun de eer wilde aandoen om hen in zijne tegenwoordigheid te willen zien werken.Dit nam het hoofd van het plaatselijke bestuur met groote welwillendheid aan en hij beloofde na de voorstelling Cascabel’s papieren te zullen afteekenen.Over Ortik en Kirschef, die voorgesteld werden als twee russische matrozen, die schipbreuk geleden hadden en naar hunne woonplaats op weg waren, werd niet het minste bezwaar gemaakt.Dienzelfden avond begaf het geheele gezelschap zich dus naar de woning van dengorodintschy.Dit was een vrij groot huis, heelemaal lichtgeel geverfd, welke kleur wijlen keizer Alexander I bijzonder gaarne zag. Aan den wand in de pronkkamer hing eene afbeelding van de heilige maagd, omringd van eenige russische heiligen, die zeer vreedzaam uit schilderijlijsten van zilverkleurige stof de wereld inkeken. Banken en stoelen waren gereed gezet voor den burgemeester, voor zijne vrouw en hunne drie dochters, en een half dozijn van de voornaamste inwoners van Mouji waren uitgenoodigd om het feest bijtewonen. Wat de gewone burgerij aangaat, deze stond vóór het huis op eenen hoop en deed haar best om door de vensters heen iets te zien te krijgen van hetgeen er binnen voorviel.De troep van Cascabel werd door de toeschouwers zeer welwillend ontvangen. De vertooning begon dadelijk en het bleek dat zij in den tijd, gedurende welken zij zich niet hadden kunnen oefenen, niet veel achteruitgegaan waren. Sander’s gymnastische toeren werden zeer toegejuicht en de kleine Napoleona, die, aangezien er geen koord gespannen kon worden, eene danspas op den gewonen vloer uitvoerde, bekoorde ieder door hare bevalligheid. De behendigheidvan Jan in het balanceeren met flesschen, borden, ringen en ballen wekte ieders verbazing. Cascabel zelf toonde zich, door de gehardheid en de kracht zijner spieren, de waardige echtgenoot van de sterke Cornelia, die op hare uitgestrekte armen twee deftige burgers door de kamer droeg en hiermede luiden bijval inoogstte.Wat Sergius betreft, deze voerde met vrij veel behendigheid eenige goocheltoeren uit, die hij van zijn waardigen leermeester had afgezien. De lessen droegen dus reeds goede vruchten, want de burgemeester kon nu niet de minste achterdocht koesteren over de aanwezigheid van den rus in een franschen kermistroep.Gedurende de voorstelling werden er confituren, koeken met rozijnen en uitmuntende thee rondgediend. Nadat alles afgeloopen was maakte degorodintschygeen bezwaar meer om Cascabel’s papieren afteteekenen, zoodat deSchoone Zwerfsternu zonder moeilijkheid door alle russische autoriteiten doorgelaten kon worden.Wij moeten hier nog bijvoegen dat de burgemeester, die er naar het scheen warmpjes inzat, Cascabel eene belooning van twintig roebels aanbood, als prijs voor de vertooning.Cascabel had eerst lust om hiervoor te bedanken, maar hij bedacht bijtijds dat zulk eene weigering, van een reizenden kunstenmakerstroep, misschien achterdocht had kunnen wekken.—Twintig roebels, zeide hij bij zichzelf, zijn toch altijd de moeite waard om aantenemen.Hij stak dus het geld in zijn zak onder eenen stortvloed van welsprekende dankbetuigingen.Den volgenden dag werd er rust gehouden. Zij hadden het een en ander aan te koopen, zooals meel, rijst, boter en verschillende dranken, die Cornelia tegen matige prijzen aanschafte. Vleesch in bussen was er in dit dorp niet te krijgen, maar er zou gedurende de reis van de Obi tot het Oeral-gebergte wel weder overvloed van wild te vinden zijn.Al deze inkoopen werden in den voormiddag gedaan. Aan het middagmaal was ieder vroolijk gestemd, ofschoon Jan en Kayette niet zonder beklemming het einde der reis zagen naderen. Kwamen zij op de plaats hunner bestemming, dan was immers ook het oogenblik van scheiden daar. Het was nu voor niemand een geheim meer hoeveel zij van elkander hielden, en ieder begreep dus ook dat zij liefst niet meer van elkander af zouden gaan.De vraag was echter wat Sergius doen zou nadat hij zijnen vader, prins Narkine, had opgezocht. In Rusland kon hij niet blijven. Zou hij dus weder naar Amerika gaan, of zou hij er de voorkeur aan geven om in Europa te blijven? Zooals wel te begrijpen is,dacht Cascabel hier dikwijls over na. Dienzelfden avond stelde hij dus aan Sergius voor om samen eene wandeling buiten het dorp te gaan maken, en deze, die wel begreep dat Cascabel hem alleen wenschte te spreken, stemde terstond daarin toe.De twee russische matrozen namen voor dien avond afscheid van de familie en gingen in eene herberg te Mouji den nacht doorbrengen.Sergius en Cascabel verlieten dus samen deSchoone Zwerfster, maakten eene wandeling en gingen toen op den rand van een boschje, niet ver van het dorp, op een omgevallen boomstam zitten.—Mijnheer Sergius, begon Cascabel, ik heb u gevraagd om met mij mede te gaan dewijl ik eens vertrouwelijk met u praten wilde. Ik wenschte met u over uwe verdere plannen te spreken.—Wat bedoelt gij daarmede, mijn vriend?—Ik wil daarmede zeggen, over hetgeen gij voornemens zijt te beginnen wanneer wij in Rusland aangekomen zullen zijn.—Maar wij zijn zoo ver nog niet.—Neen, maar ik geloof mij niet te vergissen wanneer ik zeg dat wij over een dag of tien het Oeral-gebergte over zullen zijn en dat wij vervolgens nog maar eene goede week noodig hebben om te Perm te komen.—Als er niets tusschen beide komt, antwoordde Sergius, dan zal dit wel zoo wezen.—Iets tusschen beide komen? vroeg Cascabel. Wat zou er tusschen beide kunnen komen? Gij kunt nu zonder eenig bezwaar de grens passeeren; onze papieren zijn in orde; gij maakt deel uit van mijnen troep en geen mensch ter wereld kan denken dat er zich een graaf Narkine bij ons bevindt.—Dat is zoo mijn vriend, want gij en uwe vrouw zijn de eenigen die mijn geheim kennen en het is getrouw door u bewaard.—Het is bij ons beiden zoo veilig alsof wij het met ons in het graf genomen hadden, antwoordde Cascabel met veel waardigheid. Maar nu, mijnheer Sergius, hoop ik dat gij mij niet onbescheiden zult vinden wanneer ik wensch te weten wat gij voornemens zijt, na uwe aankomst te Perm aantevangen.—Mijn eerste gang zal zijn naar het kasteel Walska teneinde mijnen vader optezoeken, antwoordde Sergius. Dat zal voor hem eene groote en onverwachte vreugde wezen, want sedert dertien maanden heb ik geen gelegenheid gehad om hem te schrijven, noch om tijding van hem te ontvangen. Hij zal niet weten wat hij er van denken moet.—Hebt gij plan om eenigen tijd bij uwen vader op het kasteel te vertoeven?—Dat zal van omstandigheden afhangen die ik niet vooruit kan weten. Krijgt er iemand de lucht van mijne aanwezigheid, dan zal ik wel genoodzaakt zijn mijnen vader weder alleen te laten. Toch zie ik daar tegen op, op zijnen leeftijd!—Mijnheer Sergius, hernam Cascabel, het is niet aan mij om u raad te geven, want gij weet beter dan iemand anders wat u te doen staat. Maar ik moet u toch doen opmerken dat gij, door in Rusland te blijven, u aan een groot gevaar blootstelt. Als gij ontdekt wordt, staat uw leven op het spel.—Dat weet ik mijn vriend, en ook ben ik overtuigd dat gij en allen die gij bij u hebt in groote moeilijkheid zoudt kunnen raken wanneer het bekend werd dat gij mijnen terugkeer op russisch grondgebied mogelijk hebt gemaakt.—O, wat ons betreft, daar denk ik niet aan!—Maar ik, mijn waarde Cascabel, zal nooit vergeten wat gij allen voor mij gedaan hebt.—Jawel, jawel, mijnheer Sergius, maar wij zitten hier niet om mooie praatjes tegen elkaar te verkoopen. Ik wilde met u overleggen wat het beste voor u zal zijn nadat wij ons te Perm zullen bevinden.—Niets eenvoudiger dan dat, antwoordde Sergius. Ik maak deel uit van uwen troep en zal dus bij u blijven. Op die manier kan ik niemands achterdocht wekken.—Maar hoe dan met uwen vader?—Zijn kasteel ligt slechts zes wersten buiten de stad, zoodat ik iederen avond, na afloop der voorstelling, gemakkelijk daarheen kan wandelen. Onze dienstboden zijn trouw: zij zouden liever sterven dan mij te verraden of aan gevaar bloot te stellen. Ik kan dus iederen dag eenige uren thuis doorbrengen en vóór het licht wordt weder te Perm terug zijn.—Dat klinkt uitstekend, mijnheer Sergius, en zoo lang wij te Perm vertoeven schikt zich alles van zelf, daar twijfel ik niet aan. Maar na afloop van de kermis trek ik met deSchoone Zwerfsternaar Nisjni, en vervolgens naar Frankrijk....Dat was inderdaad het moeilijke van het geval. Wanneer de troep van Cascabel de reis voortzette, wat moest graaf Narkine dan beginnen? Zou hij te Perm blijven en zich op het kasteel Walska verbergen? Zou hij het gevaar trotseeren om in Rusland opnieuw in handen der politie te vallen? Dit waren vragen waar Cascabel een antwoord op verlangde.Als gij ontdekt wordt, staat uw leven op het spel. (Zie blz. 140.)Als gij ontdekt wordt, staat uw leven op het spel. (Zie blz.140.)—Mijn vriend, begon Sergius weder, ik heb mij reeds herhaalde malen afgevraagd wat ik beginnen zal, maar ik kan u niets anders zeggen dan dat ik het niet weet; alles zal van de omstandigheden afhangen.—Welnu, hervatte Cascabel, laat ons eens aannemen dat gij op het kasteel Walska op den duur niet blijven kunt; dat gij ook genoodzaakt zijt Rusland te verlaten, waar uwe vrijheid en zelfs uw leven niet veilig zijn, dan stel ik de vraag, mijnheer Sergius, of gij plan hebt weder naar Amerika te trekken?—Ik heb mijne gedachten daar nog niet over laten gaan, antwoordde graaf Narkine.—Mijnheer Sergius, houd mij ten goede als ik u nog niet loslaat; maar waarom zoudt gij niet met ons mede trekken naar Frankrijk? Als gij bij onzen troep blijft, kunt gij veilig heel Rusland door komen tot aan de grens toe. Zou dat niet het beste wezen wat gij doen kunt? Wij zouden dan nog eene poos het genoegen hebben van u bij ons te houden, en met u, die lieve Kayette ook. Wees niet bang dat wij u haar af zullen troggelen; zij is en blijft uwe aangenomen dochter en dat is zeker beter voor haar dan dat zij de zuster wordt van Jan, van Sander en Napoleona, die niets zijn dan kunstenmakerskinderen.—Mijn vriend, antwoordde Sergius, laat ons de toekomst nog een weinig laten rusten; wie weet of die niet al onze wenschen bevredigen zal? Van meer belang is het, thans onze reis voort te zetten. Alles wat ik u zeggen kan—maar gij moet daar nog met niemand over spreken—is dat ik, indien ik niet in Rusland mocht kunnen blijven, het liefst in Frankrijk eene toevlucht zoeken zou, in afwachting dat eene wending in de staatkundige gebeurtenissen mij den terugkeer in mijn vaderland mogelijk mocht maken. En aangezien gij uwe reis naar Frankrijk vervolgen wilt....—Bravo! Dan gaan wij er samen heen! riep Cascabel tevreden uit.Hij vatte Sergius bij de hand en drukte die zoo stevig alsof hij haar aan de zijne wilde vastklinken.Hierna keerden beide naar deSchoone Zwerfsterterug, waar de twee russische matrozen zich eerst den volgenden ochtend lieten zien.Bij het aanbreken van den dag werden de rendieren weder voorgespannen en ging de wagen den weg naar het Westen op.Gedurende de eerstvolgende dagen hadden zij andermaal veel hinder van de warmte. De eerste golvingen van het Oeral-gebergte begonnen zich reeds te vertoonen en het was voor de rendieren een zwaar werk, den wagen over dezen ongelijken grond voort tekrijgen. De hitte was voor deze beesten niet uit te houden en het zou misschien beter geweest zijn ze door paarden te vervangen; maar Cascabel hechtte nu eenmaal aan zijn denkbeeld om te Perm een schitterenden intocht te houden in eenen wagen bespannen met twintig rendieren.Den 28stenJuni, nadat zij van de Obi af zeventig mijlen had afgelegd, kwam deSchoone Zwerfsterin het stadje Verniky. Daar moesten de papieren weder nagezien worden, hetgeen zonder eenige op- of aanmerking plaats had. Vervolgens ging de tocht verder, recht op het Oeral-gebergte af, waarvan de toppen van de Telpoes en de Nintchour zich in de verte tot eene hoogte van twaalf en zestien honderd meter verhieven. Zij kwamen niet snel vooruit en toch was er geen tijd meer te verliezen indien het gezelschap nog te Perm wilde aankomen op het tijdstip dat de kermis daarin vollen gang was.Met het oog op de voorstellingen die hij voornemens was te geven, stond Cascabel er thans op dat zij allen zich geregeld weder oefenden. De goede naam aller fransche koorddansers, turners, equilibristen, clowns en kunstenmakers in het algemeen, en die der familie Cascabel in het bijzonder mocht niet op het spel gezet worden. Daarom hield hij er de hand aan, dat ieder lid van den troep elken avond, zoodra er niet verder gereisd werd, eene flinke repetitie hield van alles wat hij te vertoonen had. OokSergiusverzuimde dit niet en werkte ijverig om een meester te worden in de kunsten met de kaart en andere goochelarijen, waar hij inderdaad aanleg voor toonde.—Wat een kunstenmaker steekt er in u! zeide zijn leermeester, bij iedere gelegenheid dat hij iets nieuws geleerd had.Den 3denJuli maakte deSchoone Zwerfstervoor den nacht halt op eene open plek in een bosch van berke-, denne en lorkeboomen, waar de hooge toppen van het Oeral-gebergte zich boven verhieven.Den volgenden dag zou, naar de aanwijzingen van Ortik en Kirschef, de tocht aangevangen worden door een der passen van het gebergte. Er waren dus, zoo al geen onoverkomelijke bezwaren, toch eenige vermoeiende dagreizen te voorzien, zoo lang zij het hoogste punt van den pas niet overgetrokken waren.Dit gedeelte van de grens stond bekend als druk bezocht door smokkelaars en landloopers; het was er dus niet bijzonder veilig en er moesten bijzondere maatregelen van voorzorg tegen mogelijke onaangename ontmoetingen genomen worden.Gedurende den avond werd er over dit een en ander beraadslaagd.Ortik verzekerde dat de weg, dien hij voorstelde te volgen, dat was over den Petchora-pas, een van de best begaanbare in het gebergte was. Hij was er bekend omdat hij er reeds eenmaal doorheen getrokken was, toen hij en Kirschef de reis gemaakt hadden van Archangel naar de IJszee, waar zij hun schip, deSeraskigingen opzoeken.Terwijl Sergius en Ortik hierover van gedachten wisselden, werd de avond-maaltijd door Cornelia, Napoleona en Kayette gereed gemaakt. Een flink stuk hertenvleesch hing boven een vuur tusschen de boomen te roosteren terwijl er een rijsttaart op eene pan boven de gloeiende kolen stond te bakken. Een appetijtelijke geur verspreidde zich buiten deze tijdelijke kookplaats, zoodat zij er allen trek van kregen.—Ik denk dat er van avond niemand met een leege maag naar bed zal gaan, merkte Cornelia op met den tevreden glimlach van eene goede keukenprinses.—Ten minste, als het vleesch en de taart niet aanbranden, meende Kruidnagel natuurlijk te moeten zeggen.—Waarom zouden zij aanbranden, meester Kruidnagel, gaf Cornelia tot bescheid, wanneer je maar niet verzuimt om het spit op zijn tijd te draaien en de braadpan niet aan haar lot overlaat?Dien wenk nam Kruidnagel behoorlijk ter harte en hij ging terstond op zijn post om op pan en gebraad het oog te houden. Wagram en Marengo bleven in de nabijheid van het vuur en John Bull, de aap, likkebaarde reeds in het vooruitzicht van de dingen die komen zouden.Toen alles gereed was werd de tafel gedekt, waar allen zich omheen schaarden. Cornelia en haar keukenpersoneel werden naar behooren geprezen over het maal, dat niets te wenschen overliet.Toen het oogenblik van te gaan slapen aangebroken was, besloten de mannen, Sergius en Cascabel met de twee knapen en de beide matrozen, in de open lucht onder de boomen hun nachtkwartier opteslaan. Het was een warme nacht en buiten den wagen konden zij bovendien op alles beter het oog houden.Cornelia, Kayette en Napoleona zouden dus alleen in den wagen den nacht doorbrengen.De avondschemering duurt in de maand Juli, op de breedte van zesenzestig graden waar zij zich bevonden, niet kort, zoodat het over elven was eer het geheel duister was geworden. Het was een sterrenlooze nacht en het uitzicht werd door de nevels, die van het gebergte naar beneden daalden, bijna geheel weggenomen.De mannen lagen in het gras, ieder in een deken gewikkeld enbegonnen juist intedommelen, toen de twee honden plotseling teekenen van ongerustheid begonnen te geven. Met gespitste ooren en den neus in den wind, lieten zij telkens een dof gebrom hooren. Het was duidelijk dat zij in het geheel niet op hun gemak waren.De eerste die zich oprichtte en een blik om zich heen wierp, was Jan.Het vuur was bijna uitgedoofd. Onder de zwarte schaduw der boomen was het volkomen donker.Terwijl hij met inspanning om zich heen zag, meende Jan een aantal blinkende punten te zien, die als vuurkolen fonkelden. De honden blaften nu uit al hunne macht.—Er is onraad! riep Jan opspringende uit.In een oogenblik waren al de slapers op de been.—Wat is er gaande? vroeg Cascabel.—Kijk eens vader! antwoordde Jan, terwijl hij op de lichte punten wees, die thans onbewegelijk in het kreupelhout schenen te staan.—Wat is er dan?—Dat zijn oogen van wolven!—Waarachtig, het zijn wolven! bevestigde Ortik.—En een heele bende ook! voegde Sergius er bij.—Duivels! bromde Cascabel.Het was inderdaad een “duivelsch” avontuur, want er viel niet mede te spotten. Het kon zijn dat er in den omtrek van de open plek in het bosch eenige honderden wolven bijeen waren, en als die schrokkige dieren in een grooten hoop bij elkaar zijn, zijn ze tot alles in staat.Op dit oogenblik vertoonden Cornelia, Kayette en Napoleona zich in de deur van deSchoone Zwerfster.—Wat is er vader! vroeg het kind.—Niets bijzonders, antwoordde Cascabel. Het zijn maar een stuk of wat wolven, die eene avondwandeling maken. Blijf binnen en geef ons de wapens, dan zullen wij ze wegjagen.De geweren en revolvers werden spoedig voor den dag gehaald en al de mannen wapenden zich.—Roep de honden hier, zeide Sergius.Wagram en Marengo werden door Jan van tusschen de boomen teruggeroepen. De honden waren bijna niet te houden van woede en opgewondenheid.Allen schoten ongeveer te gelijk hunne vuurwapens af in de richting van de blinkende punten. Een doordringend gehuil deed zich hooren: het was duidelijk dat verscheidene van de schoten raak waren geweest.—Er is onraad! Riep Jan. (Zie blz. 145.)—Er is onraad! Riep Jan. (Zie blz.145.)Maar de menigte was veel te talrijk. Er kwamen weer nieuwe vurige oogen voor den dag en wel een vijftigtal wolven vertoonden zich in de lichte plekken tusschen de boomen.—Wij moeten in den wagen gaan, zeide Sergius. Zij zullen ons zeker aanvallen en hier op den open grond kunnen wij ons niet verweren.—Maar onze rendieren? vroeg Jan.—Die moeten wij in den steek laten. Wij kunnen niets voor hen doen.Daarvoor was het werkelijk reeds te laat. Eenige van de trekbeesten waren door de wolven afgemaakt; de anderen hadden zich losgerukt en de vlucht in het bosch genomen.Zoo spoedig zij konden en door de honden gevolgd, gingen zij dus allen in den wagen. De deur werd dichtgemaakt.Het was hoog tijd dat zij wegkwamen, want bijna op hetzelfde oogenblik waren de wolven bij deSchoone Zwerfster, waar zij tegen op sprongen tot op de hoogte van de vensters.—Wat zullen wij zonder trekdieren beginnen? kon Cornelia niet nalaten te vragen.—Wij moeten eerst zien dat wij van die wolven afkomen, antwoordde Sergius.—Wij zullen ze wel de baas zijn! zeide Cascabel.—Jawel, als er maar niet al te veel zijn, meende Ortik.—En als wij kruit en lood genoeg in voorraad hebben, voegde Kirschef er bij.—Niet langer gepraat! Vuur! riep Sergius.Door de half geopende vensters heen, werd het werk der vernieling met de geweren en revolvers opnieuw begonnen. Bij het licht der schoten, die aan alle kanten van den wagen tegelijk vielen, zagen zij spoedig een twintigtal wolven op den grond liggen, doodelijk getroffen of zóódanig gewond dat zij zich niet verroeren konden.De hongerige beesten lieten zich echter niet afschrikken en het was alsof de troep niets kleiner werd. Verscheidene honderden waren er thans bij elkaar; de opene plek in het woud was vol levende gedaanten.Er waren er die onder het rijtuig kropen en met hunne klauwen de houten vloer trachtten op te breken. Anderen sprongen op het voor-balkon en deden hun best om de deur open te duwen, die op allerlei manieren versperd moest worden. Sommigen klommen zelfs boven op den wagen en bukten zich voorover tot voor de vensters, waar zij niet van daan te krijgen waren zoo lang ze niet door eenen kogel geraakt werden.De wolven lieten zich niet afschrikken. (Zie blz. 147.)De wolven lieten zich niet afschrikken. (Zie blz.147.)Napoleona schreeuwde het uit van angst. Het was duidelijk aan haar te zien hoe diep de vrees voor “den wolf” er bij kinderen in zit. Kayette, die hare bedaardheid niet verloor, deed al wat in haar vermogen was om de kleine meid gerust te stellen. Moeder Cascabel zelve was echter alles behalve op haar gemak hoe het af zou loopen.Hield het gevecht nog lang aan, dan kon hun toestand hoogst gevaarlijk worden, want tegen zulk eene menigte wolven konden zij deSchoone Zwerfsterop den duur onmogelijk verdedigen. Werd de wagen onderste boven geworpen, dan moesten allen, die er in gevlucht waren, hun leven er bij inschieten.Het gevecht was ongeveer een half uur aan den gang, toen Kirschef waarschuwde:—Er is geen kruit en lood meer!Zij hadden niets meer dan een twintigtal patronen over voor al de revolvers en geweren.—Er mag geen schot meer gedaan worden of het moet raak zijn, zeide Cascabel.Dat baatte echter niet. Het was bijna niet mogelijk mis te schieten, zooveel wolven waren er; maar er kwamen aanhoudend andere opzetten en de vuurwapens zouden spoedig tot zwijgen gebracht worden. Wat dan te beginnen? Wachten tot de dag aanbrak? Maar het was volstrekt niet zeker dat de wolven, als het licht werd, de wijk zouden nemen.Op dat oogenblik zwaaide Cascabel zijne revolver, die hem niet langer van dienst kon zijn, boven zijn hoofd en riep:—Daar heb ik een plan!—Wat voor een plan? zeide Sergius.—Een mooi plan ook! Wij hebben niets anders te doen dan een paar van die rakkers te vangen.—Hoe wilt ge dat aanleggen? vroeg Cornelia.—Wij moeten voorzichtig de deur even opendoen en de eerste twee, die naar binnen pogen te dringen, bij de ooren pakken....—Maar dat kan immers niet Cascabel?—Wat wagen wij er mede, mijnheer Sergius? Misschien zullen ze ons een paar knauwen geven, maar ik word nog liever gebeten dan opgegeten.—Welnu, laat het dan spoedig gebeuren, antwoordde Sergius, zonder te weten wat Cascabel eigenlijk voorhad.Met Ortik, Kruidnagel en Kirschef vatte Cascabel post in het voorste vertrekje, terwijl Jan en Sander in het andere bleven en de honden vasthielden, en de vrouwen bij elkaar achter in den wagen stonden.De voorwerpen waarmede de deur versperd was, werden weggenomen en Cascabel hield die even op een kier, zóó dat hij de opening terstond weer toe kon maken.Op dit oogenblik hingen er misschien een dozijn wolven aan den wagen en vochten met elkaar om het eerst bij het trapje te komen.Nauwelijks ging de deur even open of een van de wolven drong naar binnen, waarna Kirschef de opening terstond weder sloot. Door Ortik geholpen, maakte Cascabel zich van het dier meester en wierp het een lap zeildoek over den kop, dat hij stevig rond zijn nek vastbond.Andermaal werd de deur opengemaakt; een tweede wolf werkte zich er door en werd even als de eerste weerloos gemaakt. Niet zonder moeite slaagden Kruidnagel, Ortik en Kirschef er in, de sterke en woedende beesten in bedwang te houden.—Maakt ze vooral niet dood, gelastte Cascabel en houdt ze terdege vast!Ze niet dood maken? Wat wilde hij er dan mede uitvoeren? Toch niet ze naar Perm medenemen om ze op de kermis te laten kijken?Het duurde niet lang of de anderen kwamen er achter wat hij met de twee beesten voorhad.Op eens werd het vertrekje door eene felle vlam verlicht en een oor verscheurend gehuil liet zich hooren. Toen werd de deur open gestooten en onmiddellijk weder gesloten, nadat de twee wolven naar buiten geduwd waren.De uitwerking, toen de twee te midden van de anderen kwamen, was ontzettend. Uit den wagen konden zij dit duidelijk waarnemen, want de geheele omtrek werd door de vlammen verlicht.Cascabel had de twee wolven eerst met petroleum begoten en ze toen in brand gestoken. In lichterlaaie liepen ze nu onder de anderen rond.Het was inderdaad een verbazend denkbeeld van Cascabel, even als alles wat in de hersenen van dien vernuftigen man opkwam. De verschrikte wolven gingen voor de twee die in brand stonden op den loop. Hun gehuil was vreeselijk om aan te hooren, veel erger nog dan toen zij op den wagen kwamen aanvallen. Door hunne zeildoeksche kappen buiten staat om rondom zich te zien, deden de twee slachtoffers te vergeefs moeite om hun brandende haren uit te blusschen. Zij rolden als dol over den grond en sprongen dan weder tusschen de anderen, maar het baatte niets, zij bleven branden!De verschrikte wolven gingen op den loop. (Zie blz. 150.)De verschrikte wolven gingen op den loop. (Zie blz.150.)Het einde was dat de geheele bende door een panischen schrikbevangen werd, het op een loopen zette en spoedig in het woud uit zicht raakte.Het gehuil werd zwakker en zwakker; eindelijk was alles in den omtrek van deSchoone Zwerfsterweder stil.Voorzichtigheidshalve werd er besloten te wachten tot de dag aanbrak, vóór dat zij zich buiten den wagen van den stand van zaken gingen overtuigen. Maar zij hadden nu geen aanval van den vijand meer te duchten. De schrik zat er bij de wolven in en zij liepen wat zij loopen konden.—Cesar! Cesar! riep Cornelia verrukt en sloot haren man in hare armen.—Wij hebben u veel te danken, mijn vriend, zeide Sergius.—Hoe gelukkig zijn wij daar afgekomen, vader, riepen de kinderen.—Patroon, patroon! zeide Kruidnagel, die geen woorden vinden kon om zijne bewondering lucht te geven.—Wel is dat nu zooveel bijzonders? vroeg Cesar dood bedaard. Ik weet niet wat u allen overkomt. Als wij niet slimmer waren dan de beesten, dan was het waarlijk de moeite niet waard een mensch te zijn!

IX.Tot aan de Obi-rivier.Wij moeten nog eens terugkomen op de twee russen, die het noodlot met de familie Cascabel in aanraking had gebracht.Het ware niets meer dan natuurlijk geweest indien zij, uit dankbaarheid voor de manier waarop zij ontvangen en behandeld werden, alle booze plannen hadden laten varen; maar dit was helaas niet het geval. Ortik en Kirschef, die als straatroovers met de bende van Karnof reeds zooveel op hun geweten hadden, dachten alweder aan nieuwe euveldaden. DeSchoone Zwerfsteren vooral het geld, dat Tchou-Tchouk aan Sergius teruggegeven had, wekten hunne hebzucht op. Zij hoopten onder eene vermomming als kunstenmakers naar Rusland terug te keeren en daar hun rooversbedrijf weder optevatten. Teneinde dit plan te kunnen volvoeren, moesten zij zich eerst van hunne reisgenooten ontdoen en deze brave lieden, wien zij hunne vrijheid verschuldigd waren, met snooden ondank beloonen. Maar daar zagen zij niet tegen op.Met hun beiden zagen zij echter geen kans om iets uitterichten. Daarom wezen zij de karavaan den weg naar eenen pas over het Oeral gebergte, die door kwaad volk onveilig gemaakt werd. Daar dachten zij helpers te zullen vinden, en zooveel roovers als zij noodig hadden te kunnen overhalen om gezamenlijk eenen aanval op deSchoone Zwerfsterte doen.Niemand kon op de gedachte komen dat zij iets kwaads in denzin hadden. Zij toonden zich behulpzaam en gaven niet de minste aanleiding om hen te wantrouwen. De anderen voelden zich tot hen niet bijzonder aangetrokken, maar hadden geen reden om over hen te klagen; alleen Kayette koesterde eene achterdocht waar zij zich geen rekenschap van wist te geven. Een oogenblik had zij zich verbeeld dat het de stem van Kirschef geweest was, die zij in den nacht toen Sergius door roovers op de Alaskische grens overvallen werd, gehoord had. Maar het scheen immers niet mogelijk dat die moordenaars en de twee schipbreukelingen, die zij op de Liakhoff-eilanden hadden aangetroffen, dezelfde personen waren? Daarom liet Kayette, al hield zij de twee vreemdelingen in het oog, zich geen woord over hare ongegronde vermoedens ontvallen.Van den anderen kant koesterden Ortik en Kirschef, die zonder het te weten bij het Indiaansche meisje in een kwaad blaadje stonden, achterdocht ten opzichte van Sergius. Zij wisten dat hij op de Alaskische grens gevaarlijk gewond was, dat de familie Cascabel hem gevonden en verpleegd en naar Sitka gebracht had. Dit liet zich zeer goed hooren. Maar waarom was hij, eenmaal genezen, niet te Sitka gebleven? Waarom was hij met den kunstenmakerstroep naar Port-Clarence getrokken? Waarom maakte hij nu met hen den heelen tocht door Siberië mede? Het was minst genomen vreemd, dat een rus onder een franschen kermistroep verzeild geraakt was.Hierover pratende, zeide Ortik op een goeden dag tegen Kirschef:—Zou het niet kunnen zijn dat die mijnheer Sergius zijn best doet om naar Rusland terugtekeeren zonder dat iemand acht op hem slaat? Daar moeten wij achter zien te komen, want er is misschien voor ons een voordeeltje uit te halen.Zonder dat hij er iets van vermoedde, werd Sergius dus door de beide russen bespied, in de hoop dat hij zich op de eene of andere manier zijn geheim zou laten ontvallen.Den 23stenApril kwamen zij over de grens van het land der Jakoeten en in dat der Ostiakken. Dit is een van de armoedigste en minst beschaafde Siberische stammen, ofschoon er in dit gedeelte des lands ook welvarende streken worden aangetroffen, waartoe vooral de omtrek van Bérezow behoort.Zoodra deSchoone Zwerfstereen der Ostiakken-dorpen doortrok, hadden onze reizigers gelegenheid het onderscheid op te merken tusschen deze plaats en de schilderachtige, nette woonplaatsen der Jakoeten. De woningen waren ellendige hutten, nauwelijks goed genoeg voor beesten en waaruit zulk een verpestende walm naar buiten kwam, dat het haast niet mogelijk scheen er adem in te halen.Ook de bewoners zagen er terugstootend uit. Niet ten onrechte werd er in een aardrijkskundig werk, dat Jan onder zijn kleinen boekenschat bezat, van hen gezegd:—De Ostiakken in noordelijk Siberië beveiligen zich tegen de koude door eene bijzondere soort van kleeding, namelijk eene dikke laag vuil en vet op hunne huid en daarover heen een rendierenvel!Hun voedsel bestaat bijna uitsluitend uit visch, die zij halfgaar, en uit vleesch dat zij in het geheel niet koken of braden.Dit alles is intusschen alleen van toepassing op de nomadische Ostiakken, die in de steppen rondzwerven, maar niet op degenen die in de grootere plaatsen hun vast verblijf hebben. In het stadje Starokhantaskii vonden onze reizigers eene bevolking die er tamelijk welvarend en beschaafd uitzag, ofschoon zij zich tegenover vreemdelingen weinig vriendelijk of gastvrij toonde.De vrouwen waren met blauwe inkt getatoueerd. Hare kleeding bestond uit eenevakocham, eene soort van rooden sluier met blauwe strepen; uit een veelkleurige rok en een lijfje van lichtere kleur, dat meestal slecht paste en daardoor hare figuur leelijk maakte, en uit een breeden gordel met belletjes opgeschikt, welke bij iedere beweging rinkelden even als het bellentuig van een spaanschen muilezel.De mannen hadden in den winter—en ook in dezen tijd van het jaar was dit met sommigen nog het geval—veel van beesten, want zij waren in huiden gehuld met het haar naar buiten. Hun hoofd was bedekt met eene kap vanmaltza- ofparba-vel met spleten er in voor de oogen, den mond en de ooren. Het was niet mogelijk iets van hun gelaat te onderscheiden, maar dit was waarschijnlijk voor niemand een groot ongeluk.Op haren weg kwam deSchoone Zwerfstermeermalen verscheidene sleden,narkosgenaamd, tegen. Deze voertuigen worden getrokken door drie rendieren, met een eenvoudigen riem die onder hunne buik doorgaat en met een leidsel dat aan hunne horens bevestigd is. Aldus bespannen, kunnen denarkoseenen afstand van zeven of acht mijlen afleggen zonder dat de rendieren rust noodig hebben.De rendieren welke den reiswagen trokken, waren tot zulk eene krachtsinspanning niet in staat, maar er viel toch niet over ze te klagen, want de dieren waren gewillig en mak.Sergius maakte bij zekere gelegenheid de opmerking dat het zaak zou zijn de rendieren door paarden te vervangen, zoodra zij zich die konden aanschaffen.—Waarom, als ik vragen mag? antwoordde Cascabel. Waartoe zou die uitgaaf dienen? Zoudt gij denken dat onze rendieren niet sterk genoeg zijn om ons naar Rusland te brengen?Deze voertuigen worden getrokken door drie rendieren. (Zie blz. 126.)Deze voertuigen worden getrokken door drie rendieren. (Zie blz.126.)—Indien wij naar het Noorden van Rusland op weg waren, antwoordde Sergius, zou ik er geen zorg over hebben, maar nu wij naar Midden-Rusland moeten, is het een ander geval. Rendieren zijn niet tegen warmte bestand; zij zijn dan spoedig moede en eindelijk in het geheel niet meer tot werken in staat. Tegen het einde van April trekken zij dan ook in groote troepen naar het Noorden of naar de hooge vlakten van het Oeral-gebergte, die altijd met sneeuw bedekt liggen.—Welnu, mijnheer Sergius, als wij op de grens zijn zullen wij zien wat ons te doen staat. Het zou mij werkelijk spijten als wij ons rendierenspan moesten laten schieten, want het zou een prachtig effect maken als ik op de kermis te Perm kon komen met eene kudde van twintig rendieren vóór den reiswagen der familie Cascabel!—Zoo iets zou zeker nooit vertoond wezen, antwoordde Sergius lachende.—Een zegetocht zou het zijn. Een zegetocht, zeg ik u! Maar nu wij daarover spreken, denk ik aan iets anders. Het is immers goed afgesproken dat graaf Narkine deel uitmaakt van mijnen troep, en dat hij als het er op aan mocht komen, het niet beneden zich zal achten om voor het publiek op te treden?—Dat is eene afgedane zaak.—Dan moet gij ook uwe oefeningen in de goochelkunst niet verzuimen, mijnheer Sergius. De kinderen en die twee russische matrozen denken dat gij het voor uw pleizier doet, en om hen hebben wij ons dus niet te bekommeren. Maar weet gij wel dat ge reeds aardig begint aan te leeren?—Dat kan haast niet anders, vriend Cascabel, met zulk eenen meester als gij!—Gij zijt al te vriendelijk, mijnheer Sergius, maar ik verzeker u dat gij van de natuur een schoonen aanleg voor de kunst gekregen hebt. Met een weinig oefening zoudt gij een kunstenmaker kunnen worden van meer dan gewone bedrevenheid, en gij zoudt niet voor niemendal met het bakje behoeven rond te gaan.Den 6denMei kwam deSchoone Zwerfsteraan den oever van de Jeniseï-rivier, ongeveer honderd mijlen van het Jege-meer.Dit is eene van de hoofdrivieren door welke Siberië besproeid wordt. Hare monding is gelegen in den zeeboezem die denzelfden naam draagt, op den zeventigsten breedtegraad in de Noordelijke IJszee.Op de geheele oppervlakte der breede rivier was nu geen ijs meer te zien. Tusschen de beide oevers ging een groote veerpont voor personen en rijtuigen heen en weer. Op deze werd ook dereiswagen met al zijn toebehooren overgezet, maar het veergeld was tamelijk hoog.Aan den overkant strekte de steppe met haar oneindigen gezichteinder zich weder uit. Herhaaldelijk zagen zij zwervende Ostiakken, die in het open veld hunne godsdienstplichten vervulden. Deze lieden zijn voor het grootste gedeelte gedoopt, maar de leer van het Christendom is nog niet diep bij hen ingedrongen en de heidensche Shaïtan-afgodsbeelden worden nog altijd door hen vereerd. Dat zijn zware stukken hout met menschen-gezichten er in uitgehouwen. In ieder huis, groot of klein, vindt men zulk een voorwerp in het klein, met een koperen kruis er boven.Het schijnt dat de priesters der Ostiakken, dieSchamangenoemd worden, uit deze dubbele godsvereering vrij wat voordeel trekken, terwijl zij ook op het bijgeloovige volk, dat de denkbeelden der christenen met die der heidenen op zonderlinge wijze door elkander wart, een grooten invloed hebben. Men moet het gezien hebben om te weten met welken eerbied zij hunne houten afgodsbeelden naderen, en met welke stuiptrekkingen en verdraaiingen van het lichaam hunne gebeden gepaard gaan.De eerste keer dat zij een zestal van zulke biddende Ostiakken tegenkwamen, kreeg die kwajongen van een Sander het in zijn hoofd hen na te doen, door op zijne handen te loopen, achter- en voorover te duikelen, allerlei bokkesprongen te maken en te eindigen met eenen luchtsprong als een karper op het droge.Zijn vader maakte zich daar in het geheel niet boos over.—Ik zie, mijn jongen, zeide hij, dat ge van uwe lenigheid niets verloren hebt. Dat doet mij heel veel pleizier. Maar wij moeten ons nu ook blijven oefenen en aan de kermis te Perm denken. De eer van de familie Cascabel is er mede gemoeid!De geheele reis, van de monding van de Lena af, was zonder veel vermoeienis afgelegd kunnen worden. Nu en dan moest deSchoone Zwerfsterdichte wouden van denne- en berkeboomen omtrekken, dewijl daar dwars doorheen geen weg te vinden was. Dit brak een weinig de eentonigheid van den tocht door de vlakte.Over het algemeen was het land weinig bevolkt. Soms legden zij mijlen af zonder een gehucht of een huis te zien. In verhouding tot de oppervlakte des lands is de bevolking zeer dun gezaaid, en zelfs de afdeeling Bérézow, die het meest welvarend is, heeft maar vijftienduizend inwoners op eene oppervlakte van drieduizend kilometers. Daarentegen, en misschien door diezelfde oorzaak, is er verbazend veel wild op de vlakten.Sergius en Jan konden dus naar hartelust hunne liefhebberij voorde jacht bevredigen en de provisiekamer van moeder Cascabel voer daar wèl bij. Niet zelden ging Ortik met hen mede en hij toonde ook bij zulke gelegenheden dat hij een man was van meer dan gewone handigheid. Bij duizenden zagen zij de hazen soms over de steppe loopen en het gevederde wild vloog in zwermen door de lucht. Ook zagen zij elanden, wilde rendieren en zelfs groote wilde zwijnen. Dit zijn gevaarlijke beesten en onze jagers waren wel zoo voorzichtig ze niet op te jagen.De vogels waren meest eenden, duikelaars, ganzen, lijsters, korhoenders, ooievaars, witte patrijzen en enkele soorten die zij niet kenden. Zij hadden ze dus voor het kiezen. Wanneer het eens gebeurde dat zij het een of ander geschoten hadden dat niet goed klaar te maken was, dan liet Cornelia het maar aan de honden over, die er zich aan vergastten.Bij zulk eenen overvloed van wildbraad leidden zij natuurlijk een goed leven, veel te goed zelfs naar Cascabel’s oordeel. Hij hield hun dan ook den plicht van ieder kunstenaar voor, om matig te zijn in eten en drinken.—Past op, kinderen, zeide hij, dat ge niet vet wordt. Het vet, ziet ge, maakt de geledingen stroef. Het is de ergste vijand van een acrobaat. Jullie eet veel te veel. Je moet matig zijn, voor den drommel. Ik geloof waarachtig Sander, dat je al een buik begint te krijgen! En dat op jou leeftijd! Foei! Schaamt ge je niet?—Maar vader, ik verzeker u....—Je hebt mij niets te verzekeren. Ik heb grooten lust om je elken avond te meten en als ik merk dat er iets naar buiten puilt, dan duw ik het weer naar binnen. Die Kruidnagel wordt ook al met den dag dikker!—Ik patroon?—Ja jij, en het komt volstrekt niet te pas dat een paljas er een buik op nahoudt, vooral niet als hij Kruidnagel heet. Het einde zal nog zijn dat je zoo rond wordt als een bierton!—Ten minste wanneer ik op mijn ouden dag niet meer krijg van een boonenstaak, was de wijsgeerige opmerking van Kruidnagel, terwijl hij zijn broek wat nauwer toeknoopte.Niet lang daarna trok deSchoone Zwerfsterde Taz-rivier over. Deze komt uit in de Jeniseï-baai. De overtocht geschiedde nagenoeg ter plaatse waar hun weg den noordpoolcirkel sneed. Van dat oogenblik af waren zij dus in de gematigde luchtstreek. Hieruit blijkt dat zij sedert hun vertrek van de Liakhoff-eilanden in sterk schuinsche richting naar het Zuidwesten waren getrokken.Van deze gelegenheid maakte Sergius, naar wien zij altijd gaarneluisterden, gebruik om aan zijne reisgenooten uit te leggen wat de poolcirkel is en hoe het komt dat de zon binnen de ruimte, besloten door die kromme lijn, des zomers nooit hooger rijst dan drieëntwintig graden boven den gezichteinder.Jan, die reeds het een en ander van de beweging der aarde en der hemellichamen wist, kon de beschrijving van Sergius zonder veel moeite volgen, maar Cascabel spande te vergeefs alles in wat hem aan hersenen gegeven was; het gelukte hem niet zich eene voorstelling van den poolcirkel te maken.—Op het punt van cirkels, zeide hij, ken ik niets anders dan de hoepels waar de rijdsters in een paardenspel doorheen springen. Maar dat is geen reden om dien cirkel, waar wij nu overheen zijn, niet met een glas te herdenken.Er werd dus eene flesch brandewijn opengetrokken ter eere van den poolcirkel, even als de zeelieden gewoon zijn het passeeren van de evennachtslijn feestelijk te vieren.De overtocht van de Taz ging niet heel gemakkelijk. Er voer geene veerpont tusschen de oevers dezer smalle rivier, zoodat zij eene doorwaadbare plaats moesten zoeken, hetgeen hen verscheidene uren ophield. De twee Russen toonden bij deze gelegenheid weder veel ijver. Meer dan eens moesten zij tot hun midden door het water waden ten einde de wielen van den wagen uit het zand, waarin ze gezakt waren, te trekken.Den 16denMei kwamen zij aan de Pour-rivier. Het overtrekken daarvan ging minder bezwaarlijk, want deze rivier is niet alleen smal, maar veel minder diep en de stroom is lang zoo snel niet als op de Taz.In de eerste dagen van Juni werd de warmte bijna ondragelijk, iets dat altijd onbegrijpelijk schijnt wanneer er sprake is van zulke noordelijke landen. Gedurende de tweede helft van de maand rees de thermometer tot vijfentwintig en dertig graden van de honderddeelige schaal, en aangezien er in de steppe niet de minste schaduw te vinden is, hadden onze reizigers grooten hinder van deze ongewone hitte. Ook de nachten brachten weinig verademing, want in dezen tijd van het jaar zinkt de zon slechts gedurende weinige oogenblikken achter den effen gezichteinder der grenzenlooze vlakte weg. De witgloeiende schijf verdwijnt slechts even in het Noorden en begint bijna terstond weder te rijzen.—Die zon verveelt mij, klaagde Cornelia, terwijl zij haar bezweet gelaat afveegde. Het lijkt wel een oven. Was het nu nog maar winter.—Als de zon in den winter scheen, antwoordde Sergius gekscherende, zou het geen winter zijn, maar zomer.Er werd eene flesch brandewijn opengetrokken ter eere van den poolcirkel. (Zie blz. 131.)Er werd eene flesch brandewijn opengetrokken ter eere van den poolcirkel. (Zie blz.131.)—Precies, merkte Cascabel op. Maar één ding vind ik verkeerd ingericht, namelijk dat wij nu geen enkel stukje ijs hebben om ons op te frisschen, terwijl wij maanden achtereen meer ijs gehad hebben dan ons lief was.—Maar vriend Cascabel, als wij nu ijs hadden, dan hadden wij ook weer last van koude en in dat geval....—Zouden wij het ook niet warm hebben, dat klopt.—Ten minste, als het niet tusschen beide, half warm en half koud was, meende Kruidnagel te moeten zeggen.—Dat klopt ook weer, stemde Cascabel toe. Maar met dat al is het nu onbehoorlijk heet!De jagers lieten zich intusschen door de warmte niet afschrikken, alleen gingen zij in de vroege morgenuren op weg en niet zelden maakten zij een mooien buit. Op een goeden dag deed Jan zelfs een buitengewoon gelukkig schot op zulk een groot dier, dat het heel wat moeite kostte om het naar deSchoone Zwerfsterte krijgen. Het had korte, roodachtige haren van voren, die in den winter grijs waren geweest. Over zijn rug liep een geelachtige streep, even als over den rug van een muildier. Het had lange horens, die in een sierlijken boog boven den kop bijeen kwamen, waaruit volgde dat het een mannetje was.—Wat een mooi rendier! riep San der.—Hoe zijt ge er toe kunnen komen om zulk een lief beest te schieten, zeide Napoleona verwijtend tegen haar oudsten broeder.—Wel, om het op te eten, zusje.—Ik houd zooveel van rendieren.—Nu als ge zooveel van ze houdt, hernam Sander, dan zult ge uw hart kunnen ophalen, want ieder zal er eene goede portie van kunnen krijgen.—Heb maar geen spijt, kindlief, troostte Sergius haar. Het is geen rendier.—Wat voor een beest is het dan? vroeg Napoleona.—Het is een argali.Dit zijn dieren die des winters op de bergen verblijf houden en in den zomer naar de vlakte afdalen. Eigenlijk is het eene soort van schapen, maar verbazend groot. Sergius had het dadelijk herkend.—Welnu Cornelia, zeide Cascabel, als het dan een schaap is, kunt gij ons op geroosterde schapenkarbonade tracteeren.Dit gebeurde ook inderdaad en aangezien het argali-vleesch bijzonder smakelijk is, vreezen wij dat bij deze gelegenheid de buik van Cesar Cascabel zelven meer in omvang toenam dan met zijn beroep in overeenstemming was.Van hier af hadden zij een heel eind door eene dorre en onvruchtbare streek lands te trekken vóór dat zij aan de Obi-rivier kwamen. De Ostiakken-dorpen werden hoe langer hoe zeldzamer, ternauwernood kwamen zij enkele groepen zwervende inboorlingen tegen, die op weg waren naar de in het Zuiden gelegen bewoonde plaatsen. Niet zonder opzet trok Sergius bij voorkeur door het minst bevolkte deel des lands en vooral wilde hij Berezow vermijden, eene stad van eenige beteekenis die een klein eind aan gene zijde van de Obi gelegen is. Zij wordt omringd door prachtige cederbosschen en is tegen een steilen heuvel aangebouwd, waar de torenspitsen der beide kerken tegen afsteken. De Sosva-rivier stroomt langs de stad en wordt aanhoudend door booten en vaartuigen bevaren, want het is hier een middelpunt van het handelsverkeer, dat uit alle deelen van noordelijk Siberië naar deze plek stroomt.DeSchoone Zwerfsterzou, indien zij haren weg over Berezow genomen had, de algemeene opmerkzaamheid daar getrokken hebben en de politie had wel eens lust kunnen krijgen om de familie Cascabel wat meer van nabij optenemen. Daarom was het veiliger niet alleen de stad, maar ook het geheele district Berezow te vermijden. Een politieman is nu eenmaal wantrouwend van aard en wanneer het bovendien kozakken zijn, kan men niet beter doen dan in het geheel niet met hen in aanraking te komen.Bij deze gelegenheid merkten Ortik en Kirschef evenwel duidelijk dat Sergius niet veel lust had om zich te Berezow te vertoonen en dit versterkte hen in hun vermoeden dat deze rus er op uit was om zonder dat iemand hem in de gaten kreeg in Rusland te komen.In de tweede week van Juni wijzigden zij hunne richting dus zooveel als noodig was om ten Noorden van de afdeeling Berezow om te trekken. Dit vorderde trouwens slechts eenen omweg van niet meer dan eene mijl of tien. Den 16denJuni kwam de karavaan aan eene groote rivier, die zij eenen tijd lang volgden en aan den rechteroever waarvan zij des avonds hun leger opsloegen.Dit was de Obi-rivier.DeSchoone Zwerfsterhad nu weder vierhonderd mijlen achter den rug sedert zij de Pour overgetrokken was. Slechts een honderdtal mijlen scheidden haar nog van de grens van Europa. Het Oeralgebergte, dat den scheidsmuur tusschen de beide werelddeelen vormt, zou met zijne hooge toppen spoedig aan den gezichteinder verrijzen.

Wij moeten nog eens terugkomen op de twee russen, die het noodlot met de familie Cascabel in aanraking had gebracht.

Het ware niets meer dan natuurlijk geweest indien zij, uit dankbaarheid voor de manier waarop zij ontvangen en behandeld werden, alle booze plannen hadden laten varen; maar dit was helaas niet het geval. Ortik en Kirschef, die als straatroovers met de bende van Karnof reeds zooveel op hun geweten hadden, dachten alweder aan nieuwe euveldaden. DeSchoone Zwerfsteren vooral het geld, dat Tchou-Tchouk aan Sergius teruggegeven had, wekten hunne hebzucht op. Zij hoopten onder eene vermomming als kunstenmakers naar Rusland terug te keeren en daar hun rooversbedrijf weder optevatten. Teneinde dit plan te kunnen volvoeren, moesten zij zich eerst van hunne reisgenooten ontdoen en deze brave lieden, wien zij hunne vrijheid verschuldigd waren, met snooden ondank beloonen. Maar daar zagen zij niet tegen op.

Met hun beiden zagen zij echter geen kans om iets uitterichten. Daarom wezen zij de karavaan den weg naar eenen pas over het Oeral gebergte, die door kwaad volk onveilig gemaakt werd. Daar dachten zij helpers te zullen vinden, en zooveel roovers als zij noodig hadden te kunnen overhalen om gezamenlijk eenen aanval op deSchoone Zwerfsterte doen.

Niemand kon op de gedachte komen dat zij iets kwaads in denzin hadden. Zij toonden zich behulpzaam en gaven niet de minste aanleiding om hen te wantrouwen. De anderen voelden zich tot hen niet bijzonder aangetrokken, maar hadden geen reden om over hen te klagen; alleen Kayette koesterde eene achterdocht waar zij zich geen rekenschap van wist te geven. Een oogenblik had zij zich verbeeld dat het de stem van Kirschef geweest was, die zij in den nacht toen Sergius door roovers op de Alaskische grens overvallen werd, gehoord had. Maar het scheen immers niet mogelijk dat die moordenaars en de twee schipbreukelingen, die zij op de Liakhoff-eilanden hadden aangetroffen, dezelfde personen waren? Daarom liet Kayette, al hield zij de twee vreemdelingen in het oog, zich geen woord over hare ongegronde vermoedens ontvallen.

Van den anderen kant koesterden Ortik en Kirschef, die zonder het te weten bij het Indiaansche meisje in een kwaad blaadje stonden, achterdocht ten opzichte van Sergius. Zij wisten dat hij op de Alaskische grens gevaarlijk gewond was, dat de familie Cascabel hem gevonden en verpleegd en naar Sitka gebracht had. Dit liet zich zeer goed hooren. Maar waarom was hij, eenmaal genezen, niet te Sitka gebleven? Waarom was hij met den kunstenmakerstroep naar Port-Clarence getrokken? Waarom maakte hij nu met hen den heelen tocht door Siberië mede? Het was minst genomen vreemd, dat een rus onder een franschen kermistroep verzeild geraakt was.

Hierover pratende, zeide Ortik op een goeden dag tegen Kirschef:

—Zou het niet kunnen zijn dat die mijnheer Sergius zijn best doet om naar Rusland terugtekeeren zonder dat iemand acht op hem slaat? Daar moeten wij achter zien te komen, want er is misschien voor ons een voordeeltje uit te halen.

Zonder dat hij er iets van vermoedde, werd Sergius dus door de beide russen bespied, in de hoop dat hij zich op de eene of andere manier zijn geheim zou laten ontvallen.

Den 23stenApril kwamen zij over de grens van het land der Jakoeten en in dat der Ostiakken. Dit is een van de armoedigste en minst beschaafde Siberische stammen, ofschoon er in dit gedeelte des lands ook welvarende streken worden aangetroffen, waartoe vooral de omtrek van Bérezow behoort.

Zoodra deSchoone Zwerfstereen der Ostiakken-dorpen doortrok, hadden onze reizigers gelegenheid het onderscheid op te merken tusschen deze plaats en de schilderachtige, nette woonplaatsen der Jakoeten. De woningen waren ellendige hutten, nauwelijks goed genoeg voor beesten en waaruit zulk een verpestende walm naar buiten kwam, dat het haast niet mogelijk scheen er adem in te halen.

Ook de bewoners zagen er terugstootend uit. Niet ten onrechte werd er in een aardrijkskundig werk, dat Jan onder zijn kleinen boekenschat bezat, van hen gezegd:

—De Ostiakken in noordelijk Siberië beveiligen zich tegen de koude door eene bijzondere soort van kleeding, namelijk eene dikke laag vuil en vet op hunne huid en daarover heen een rendierenvel!

Hun voedsel bestaat bijna uitsluitend uit visch, die zij halfgaar, en uit vleesch dat zij in het geheel niet koken of braden.

Dit alles is intusschen alleen van toepassing op de nomadische Ostiakken, die in de steppen rondzwerven, maar niet op degenen die in de grootere plaatsen hun vast verblijf hebben. In het stadje Starokhantaskii vonden onze reizigers eene bevolking die er tamelijk welvarend en beschaafd uitzag, ofschoon zij zich tegenover vreemdelingen weinig vriendelijk of gastvrij toonde.

De vrouwen waren met blauwe inkt getatoueerd. Hare kleeding bestond uit eenevakocham, eene soort van rooden sluier met blauwe strepen; uit een veelkleurige rok en een lijfje van lichtere kleur, dat meestal slecht paste en daardoor hare figuur leelijk maakte, en uit een breeden gordel met belletjes opgeschikt, welke bij iedere beweging rinkelden even als het bellentuig van een spaanschen muilezel.

De mannen hadden in den winter—en ook in dezen tijd van het jaar was dit met sommigen nog het geval—veel van beesten, want zij waren in huiden gehuld met het haar naar buiten. Hun hoofd was bedekt met eene kap vanmaltza- ofparba-vel met spleten er in voor de oogen, den mond en de ooren. Het was niet mogelijk iets van hun gelaat te onderscheiden, maar dit was waarschijnlijk voor niemand een groot ongeluk.

Op haren weg kwam deSchoone Zwerfstermeermalen verscheidene sleden,narkosgenaamd, tegen. Deze voertuigen worden getrokken door drie rendieren, met een eenvoudigen riem die onder hunne buik doorgaat en met een leidsel dat aan hunne horens bevestigd is. Aldus bespannen, kunnen denarkoseenen afstand van zeven of acht mijlen afleggen zonder dat de rendieren rust noodig hebben.

De rendieren welke den reiswagen trokken, waren tot zulk eene krachtsinspanning niet in staat, maar er viel toch niet over ze te klagen, want de dieren waren gewillig en mak.

Sergius maakte bij zekere gelegenheid de opmerking dat het zaak zou zijn de rendieren door paarden te vervangen, zoodra zij zich die konden aanschaffen.

—Waarom, als ik vragen mag? antwoordde Cascabel. Waartoe zou die uitgaaf dienen? Zoudt gij denken dat onze rendieren niet sterk genoeg zijn om ons naar Rusland te brengen?

Deze voertuigen worden getrokken door drie rendieren. (Zie blz. 126.)Deze voertuigen worden getrokken door drie rendieren. (Zie blz.126.)

Deze voertuigen worden getrokken door drie rendieren. (Zie blz.126.)

—Indien wij naar het Noorden van Rusland op weg waren, antwoordde Sergius, zou ik er geen zorg over hebben, maar nu wij naar Midden-Rusland moeten, is het een ander geval. Rendieren zijn niet tegen warmte bestand; zij zijn dan spoedig moede en eindelijk in het geheel niet meer tot werken in staat. Tegen het einde van April trekken zij dan ook in groote troepen naar het Noorden of naar de hooge vlakten van het Oeral-gebergte, die altijd met sneeuw bedekt liggen.

—Welnu, mijnheer Sergius, als wij op de grens zijn zullen wij zien wat ons te doen staat. Het zou mij werkelijk spijten als wij ons rendierenspan moesten laten schieten, want het zou een prachtig effect maken als ik op de kermis te Perm kon komen met eene kudde van twintig rendieren vóór den reiswagen der familie Cascabel!

—Zoo iets zou zeker nooit vertoond wezen, antwoordde Sergius lachende.

—Een zegetocht zou het zijn. Een zegetocht, zeg ik u! Maar nu wij daarover spreken, denk ik aan iets anders. Het is immers goed afgesproken dat graaf Narkine deel uitmaakt van mijnen troep, en dat hij als het er op aan mocht komen, het niet beneden zich zal achten om voor het publiek op te treden?

—Dat is eene afgedane zaak.

—Dan moet gij ook uwe oefeningen in de goochelkunst niet verzuimen, mijnheer Sergius. De kinderen en die twee russische matrozen denken dat gij het voor uw pleizier doet, en om hen hebben wij ons dus niet te bekommeren. Maar weet gij wel dat ge reeds aardig begint aan te leeren?

—Dat kan haast niet anders, vriend Cascabel, met zulk eenen meester als gij!

—Gij zijt al te vriendelijk, mijnheer Sergius, maar ik verzeker u dat gij van de natuur een schoonen aanleg voor de kunst gekregen hebt. Met een weinig oefening zoudt gij een kunstenmaker kunnen worden van meer dan gewone bedrevenheid, en gij zoudt niet voor niemendal met het bakje behoeven rond te gaan.

Den 6denMei kwam deSchoone Zwerfsteraan den oever van de Jeniseï-rivier, ongeveer honderd mijlen van het Jege-meer.

Dit is eene van de hoofdrivieren door welke Siberië besproeid wordt. Hare monding is gelegen in den zeeboezem die denzelfden naam draagt, op den zeventigsten breedtegraad in de Noordelijke IJszee.

Op de geheele oppervlakte der breede rivier was nu geen ijs meer te zien. Tusschen de beide oevers ging een groote veerpont voor personen en rijtuigen heen en weer. Op deze werd ook dereiswagen met al zijn toebehooren overgezet, maar het veergeld was tamelijk hoog.

Aan den overkant strekte de steppe met haar oneindigen gezichteinder zich weder uit. Herhaaldelijk zagen zij zwervende Ostiakken, die in het open veld hunne godsdienstplichten vervulden. Deze lieden zijn voor het grootste gedeelte gedoopt, maar de leer van het Christendom is nog niet diep bij hen ingedrongen en de heidensche Shaïtan-afgodsbeelden worden nog altijd door hen vereerd. Dat zijn zware stukken hout met menschen-gezichten er in uitgehouwen. In ieder huis, groot of klein, vindt men zulk een voorwerp in het klein, met een koperen kruis er boven.

Het schijnt dat de priesters der Ostiakken, dieSchamangenoemd worden, uit deze dubbele godsvereering vrij wat voordeel trekken, terwijl zij ook op het bijgeloovige volk, dat de denkbeelden der christenen met die der heidenen op zonderlinge wijze door elkander wart, een grooten invloed hebben. Men moet het gezien hebben om te weten met welken eerbied zij hunne houten afgodsbeelden naderen, en met welke stuiptrekkingen en verdraaiingen van het lichaam hunne gebeden gepaard gaan.

De eerste keer dat zij een zestal van zulke biddende Ostiakken tegenkwamen, kreeg die kwajongen van een Sander het in zijn hoofd hen na te doen, door op zijne handen te loopen, achter- en voorover te duikelen, allerlei bokkesprongen te maken en te eindigen met eenen luchtsprong als een karper op het droge.

Zijn vader maakte zich daar in het geheel niet boos over.

—Ik zie, mijn jongen, zeide hij, dat ge van uwe lenigheid niets verloren hebt. Dat doet mij heel veel pleizier. Maar wij moeten ons nu ook blijven oefenen en aan de kermis te Perm denken. De eer van de familie Cascabel is er mede gemoeid!

De geheele reis, van de monding van de Lena af, was zonder veel vermoeienis afgelegd kunnen worden. Nu en dan moest deSchoone Zwerfsterdichte wouden van denne- en berkeboomen omtrekken, dewijl daar dwars doorheen geen weg te vinden was. Dit brak een weinig de eentonigheid van den tocht door de vlakte.

Over het algemeen was het land weinig bevolkt. Soms legden zij mijlen af zonder een gehucht of een huis te zien. In verhouding tot de oppervlakte des lands is de bevolking zeer dun gezaaid, en zelfs de afdeeling Bérézow, die het meest welvarend is, heeft maar vijftienduizend inwoners op eene oppervlakte van drieduizend kilometers. Daarentegen, en misschien door diezelfde oorzaak, is er verbazend veel wild op de vlakten.

Sergius en Jan konden dus naar hartelust hunne liefhebberij voorde jacht bevredigen en de provisiekamer van moeder Cascabel voer daar wèl bij. Niet zelden ging Ortik met hen mede en hij toonde ook bij zulke gelegenheden dat hij een man was van meer dan gewone handigheid. Bij duizenden zagen zij de hazen soms over de steppe loopen en het gevederde wild vloog in zwermen door de lucht. Ook zagen zij elanden, wilde rendieren en zelfs groote wilde zwijnen. Dit zijn gevaarlijke beesten en onze jagers waren wel zoo voorzichtig ze niet op te jagen.

De vogels waren meest eenden, duikelaars, ganzen, lijsters, korhoenders, ooievaars, witte patrijzen en enkele soorten die zij niet kenden. Zij hadden ze dus voor het kiezen. Wanneer het eens gebeurde dat zij het een of ander geschoten hadden dat niet goed klaar te maken was, dan liet Cornelia het maar aan de honden over, die er zich aan vergastten.

Bij zulk eenen overvloed van wildbraad leidden zij natuurlijk een goed leven, veel te goed zelfs naar Cascabel’s oordeel. Hij hield hun dan ook den plicht van ieder kunstenaar voor, om matig te zijn in eten en drinken.

—Past op, kinderen, zeide hij, dat ge niet vet wordt. Het vet, ziet ge, maakt de geledingen stroef. Het is de ergste vijand van een acrobaat. Jullie eet veel te veel. Je moet matig zijn, voor den drommel. Ik geloof waarachtig Sander, dat je al een buik begint te krijgen! En dat op jou leeftijd! Foei! Schaamt ge je niet?

—Maar vader, ik verzeker u....

—Je hebt mij niets te verzekeren. Ik heb grooten lust om je elken avond te meten en als ik merk dat er iets naar buiten puilt, dan duw ik het weer naar binnen. Die Kruidnagel wordt ook al met den dag dikker!

—Ik patroon?

—Ja jij, en het komt volstrekt niet te pas dat een paljas er een buik op nahoudt, vooral niet als hij Kruidnagel heet. Het einde zal nog zijn dat je zoo rond wordt als een bierton!

—Ten minste wanneer ik op mijn ouden dag niet meer krijg van een boonenstaak, was de wijsgeerige opmerking van Kruidnagel, terwijl hij zijn broek wat nauwer toeknoopte.

Niet lang daarna trok deSchoone Zwerfsterde Taz-rivier over. Deze komt uit in de Jeniseï-baai. De overtocht geschiedde nagenoeg ter plaatse waar hun weg den noordpoolcirkel sneed. Van dat oogenblik af waren zij dus in de gematigde luchtstreek. Hieruit blijkt dat zij sedert hun vertrek van de Liakhoff-eilanden in sterk schuinsche richting naar het Zuidwesten waren getrokken.

Van deze gelegenheid maakte Sergius, naar wien zij altijd gaarneluisterden, gebruik om aan zijne reisgenooten uit te leggen wat de poolcirkel is en hoe het komt dat de zon binnen de ruimte, besloten door die kromme lijn, des zomers nooit hooger rijst dan drieëntwintig graden boven den gezichteinder.

Jan, die reeds het een en ander van de beweging der aarde en der hemellichamen wist, kon de beschrijving van Sergius zonder veel moeite volgen, maar Cascabel spande te vergeefs alles in wat hem aan hersenen gegeven was; het gelukte hem niet zich eene voorstelling van den poolcirkel te maken.

—Op het punt van cirkels, zeide hij, ken ik niets anders dan de hoepels waar de rijdsters in een paardenspel doorheen springen. Maar dat is geen reden om dien cirkel, waar wij nu overheen zijn, niet met een glas te herdenken.

Er werd dus eene flesch brandewijn opengetrokken ter eere van den poolcirkel, even als de zeelieden gewoon zijn het passeeren van de evennachtslijn feestelijk te vieren.

De overtocht van de Taz ging niet heel gemakkelijk. Er voer geene veerpont tusschen de oevers dezer smalle rivier, zoodat zij eene doorwaadbare plaats moesten zoeken, hetgeen hen verscheidene uren ophield. De twee Russen toonden bij deze gelegenheid weder veel ijver. Meer dan eens moesten zij tot hun midden door het water waden ten einde de wielen van den wagen uit het zand, waarin ze gezakt waren, te trekken.

Den 16denMei kwamen zij aan de Pour-rivier. Het overtrekken daarvan ging minder bezwaarlijk, want deze rivier is niet alleen smal, maar veel minder diep en de stroom is lang zoo snel niet als op de Taz.

In de eerste dagen van Juni werd de warmte bijna ondragelijk, iets dat altijd onbegrijpelijk schijnt wanneer er sprake is van zulke noordelijke landen. Gedurende de tweede helft van de maand rees de thermometer tot vijfentwintig en dertig graden van de honderddeelige schaal, en aangezien er in de steppe niet de minste schaduw te vinden is, hadden onze reizigers grooten hinder van deze ongewone hitte. Ook de nachten brachten weinig verademing, want in dezen tijd van het jaar zinkt de zon slechts gedurende weinige oogenblikken achter den effen gezichteinder der grenzenlooze vlakte weg. De witgloeiende schijf verdwijnt slechts even in het Noorden en begint bijna terstond weder te rijzen.

—Die zon verveelt mij, klaagde Cornelia, terwijl zij haar bezweet gelaat afveegde. Het lijkt wel een oven. Was het nu nog maar winter.

—Als de zon in den winter scheen, antwoordde Sergius gekscherende, zou het geen winter zijn, maar zomer.

Er werd eene flesch brandewijn opengetrokken ter eere van den poolcirkel. (Zie blz. 131.)Er werd eene flesch brandewijn opengetrokken ter eere van den poolcirkel. (Zie blz.131.)

Er werd eene flesch brandewijn opengetrokken ter eere van den poolcirkel. (Zie blz.131.)

—Precies, merkte Cascabel op. Maar één ding vind ik verkeerd ingericht, namelijk dat wij nu geen enkel stukje ijs hebben om ons op te frisschen, terwijl wij maanden achtereen meer ijs gehad hebben dan ons lief was.

—Maar vriend Cascabel, als wij nu ijs hadden, dan hadden wij ook weer last van koude en in dat geval....

—Zouden wij het ook niet warm hebben, dat klopt.

—Ten minste, als het niet tusschen beide, half warm en half koud was, meende Kruidnagel te moeten zeggen.

—Dat klopt ook weer, stemde Cascabel toe. Maar met dat al is het nu onbehoorlijk heet!

De jagers lieten zich intusschen door de warmte niet afschrikken, alleen gingen zij in de vroege morgenuren op weg en niet zelden maakten zij een mooien buit. Op een goeden dag deed Jan zelfs een buitengewoon gelukkig schot op zulk een groot dier, dat het heel wat moeite kostte om het naar deSchoone Zwerfsterte krijgen. Het had korte, roodachtige haren van voren, die in den winter grijs waren geweest. Over zijn rug liep een geelachtige streep, even als over den rug van een muildier. Het had lange horens, die in een sierlijken boog boven den kop bijeen kwamen, waaruit volgde dat het een mannetje was.

—Wat een mooi rendier! riep San der.

—Hoe zijt ge er toe kunnen komen om zulk een lief beest te schieten, zeide Napoleona verwijtend tegen haar oudsten broeder.

—Wel, om het op te eten, zusje.

—Ik houd zooveel van rendieren.

—Nu als ge zooveel van ze houdt, hernam Sander, dan zult ge uw hart kunnen ophalen, want ieder zal er eene goede portie van kunnen krijgen.

—Heb maar geen spijt, kindlief, troostte Sergius haar. Het is geen rendier.

—Wat voor een beest is het dan? vroeg Napoleona.

—Het is een argali.

Dit zijn dieren die des winters op de bergen verblijf houden en in den zomer naar de vlakte afdalen. Eigenlijk is het eene soort van schapen, maar verbazend groot. Sergius had het dadelijk herkend.

—Welnu Cornelia, zeide Cascabel, als het dan een schaap is, kunt gij ons op geroosterde schapenkarbonade tracteeren.

Dit gebeurde ook inderdaad en aangezien het argali-vleesch bijzonder smakelijk is, vreezen wij dat bij deze gelegenheid de buik van Cesar Cascabel zelven meer in omvang toenam dan met zijn beroep in overeenstemming was.

Van hier af hadden zij een heel eind door eene dorre en onvruchtbare streek lands te trekken vóór dat zij aan de Obi-rivier kwamen. De Ostiakken-dorpen werden hoe langer hoe zeldzamer, ternauwernood kwamen zij enkele groepen zwervende inboorlingen tegen, die op weg waren naar de in het Zuiden gelegen bewoonde plaatsen. Niet zonder opzet trok Sergius bij voorkeur door het minst bevolkte deel des lands en vooral wilde hij Berezow vermijden, eene stad van eenige beteekenis die een klein eind aan gene zijde van de Obi gelegen is. Zij wordt omringd door prachtige cederbosschen en is tegen een steilen heuvel aangebouwd, waar de torenspitsen der beide kerken tegen afsteken. De Sosva-rivier stroomt langs de stad en wordt aanhoudend door booten en vaartuigen bevaren, want het is hier een middelpunt van het handelsverkeer, dat uit alle deelen van noordelijk Siberië naar deze plek stroomt.

DeSchoone Zwerfsterzou, indien zij haren weg over Berezow genomen had, de algemeene opmerkzaamheid daar getrokken hebben en de politie had wel eens lust kunnen krijgen om de familie Cascabel wat meer van nabij optenemen. Daarom was het veiliger niet alleen de stad, maar ook het geheele district Berezow te vermijden. Een politieman is nu eenmaal wantrouwend van aard en wanneer het bovendien kozakken zijn, kan men niet beter doen dan in het geheel niet met hen in aanraking te komen.

Bij deze gelegenheid merkten Ortik en Kirschef evenwel duidelijk dat Sergius niet veel lust had om zich te Berezow te vertoonen en dit versterkte hen in hun vermoeden dat deze rus er op uit was om zonder dat iemand hem in de gaten kreeg in Rusland te komen.

In de tweede week van Juni wijzigden zij hunne richting dus zooveel als noodig was om ten Noorden van de afdeeling Berezow om te trekken. Dit vorderde trouwens slechts eenen omweg van niet meer dan eene mijl of tien. Den 16denJuni kwam de karavaan aan eene groote rivier, die zij eenen tijd lang volgden en aan den rechteroever waarvan zij des avonds hun leger opsloegen.

Dit was de Obi-rivier.

DeSchoone Zwerfsterhad nu weder vierhonderd mijlen achter den rug sedert zij de Pour overgetrokken was. Slechts een honderdtal mijlen scheidden haar nog van de grens van Europa. Het Oeralgebergte, dat den scheidsmuur tusschen de beide werelddeelen vormt, zou met zijne hooge toppen spoedig aan den gezichteinder verrijzen.

X.Van de Obi naar het Oeral-gebergte.De Obi-rivier wordt gevoed door de wateren die van het Oeralgebergte afstroomen en heeft in het Oosten een aantal zijarmen. Hare lengte is vierduizend vijfhonderd kilometer en de uitgestrektheid van haar stroomgebied is niet minder dan driehonderd-dertig millioen hectaren.Deze groote rivier zou de natuurlijke aardrijkskundige grens tusschen Azië en Europa kunnen wezen, indien de Oeral-bergen niet een weinig meer naar het Oosten eene scheiding maakten. Van den zestigsten breedtegraad af loopt de rivier bijna evenwijdig met het gebergte. De Obi neemt haren weg naar den grooten zeeboezem die denzelfden naam draagt, en de laatste vertakkingen van het Oeralgebergte verdwijnen in de diepte der Kara-zee.Sergius en zijne reisgenooten hadden op den rechteroever halt gemaakt en overzagen van daar den breeden waterspiegel, die als bezaaid ligt met eene menigte eilanden, waar wilgeboomen welig op tieren. Tegen de oevers dier eilanden stonden waterplanten met scherpe, smalle armen, waar frissche bloemen aan ontloken waren. Zoowel boven- als benedenstrooms gleden eene menigte vaartuigen over het heldere, frissche water, dat nog zuiver is van alle smetten, zooals het is komen afstroomen uit de hooge bergen waar het ontstaan is.Er was een geregelde overzetdienst op de Obi, zoodat deSchooneZwerfsterzonder oponthoud den linkeroever bereikte, waar het stadje Mouji gelegen is.Dit stadje is eigenlijk maar een dorp. Er bevond zich geen militaire bezetting, zoodat graaf Narkine ook hier niet het minste gevaar kon loopen. Intusschen was het noodig dat zij de plaatselijke autoriteiten niet voorbijgingen want zij stonden nu op het punt van de Oeral-passen in te trekken en de russische politie laat niemand op de grenzen door, die niet in staat is zijne behoorlijk afgeteekende papieren te vertoonen. Daarom besloot Cascabel zijne paspoorten door den burgemeester van Mouji te laten waarmerken. Was dat eenmaal geschied, dan was Sergius officieel erkend als tot zijnen troep te behooren en kon hij zich verder in dezelfde hoedanigheid overal heen begeven zonder de russische politie reden tot eenige aanmerking te geven.Jammer genoeg dat dit geheele, zoo voortreffelijk beraamde plan, door een ongelukkig toeval gevaar liep te mislukken. Dat die Ortik en Kirschef er ook moesten zijn om alles in de war te brengen! Hun duivelsche toeleg was het, deSchoone Zwerfsterdoor een van de gevaarlijkste passen van het Oeral-gebergte te voeren, waar het niet lang duren zou of zij moest de prooi van de eene of andere rooverbende worden.Cascabel kon dit echter evenmin vermoeden als hij in staat zou geweest zijn er iets tegen te doen. Hij wenschte zichzelf dan ook reeds geluk met den voorspoedigen afloop zijner avontuurlijke onderneming. Het geheele Westen van Amerika en het geheele Noorden van Azië was hij doorgetrokken, en hij bevond zich nu op geen grooter afstand meer dan een honderdtal mijlen van Europa. Hij noch zijne vrouw of hunne kinderen hadden eenig nadeel van deze lange gevaarvolle reis ondervonden; allen waren zoo gezond als visschen. Een oogenblik slechts was aan Cascabel de moed ontzonken; dat was toen hun in de Behringstraat de groote ramp overkomen was en zij in de Noordelijke IJszee aan het drijven waren geraakt. Maar zij waren ten minste niet alleen aan de wilden van den Liakhoff-archipel ontkomen, maar deze hadden hun zelfs de middelen verschaft om met deSchoone Zwerfsterden tocht naar Europa voorttezetten.—Wat God doet, is in den regel wèlgedaan, merkte Cascabel op als slotsom van zijne overdenkingen.Zij hadden besloten een etmaal in het dorp Mouji doortebrengen en werden in dat voornemen versterkt door de vriendelijke en voorkomende wijze waarop de inwoners hen ontvingen.De burgemeester van het dorp, degorodintschy, rekende zichverplicht de vreemde bezoekers te komen opnemen, en aangezien hij ten opzichte van buitenlanders een weinig wantrouwend was, vroeg hij Cascabel naar zijne papieren. Deze waren in orde en onder het personeel van den troep stond ook Sergius vermeld.Dit vond de dorps-magistraat wel wat zonderling, dat er een landgenoot van hem zich bevond bij een gezelschap fransche kunstenmakers. Hij gaf zijne verwondering hiervoor te kennen.Cascabel maakte hem echter opmerkzaam dat er wel is waar een rus bij hem was, maar ook een amerikaan namelijk Kruidnagel, en eene indiaansche, namelijk Kayette. Hij vroeg alleen of de personen, die zich bij hem aansluiten wilden, eenig talent hadden, maar nooit uit welk land zij kwamen. Hij voegde er vervolgens bij dat hij en zijne mede-kunstenaars zich gelukkig zouden rekenen indien “mijnheer de burgemeester”—het woordgorodintschywas voor Cesar niet uittespreken—hun de eer wilde aandoen om hen in zijne tegenwoordigheid te willen zien werken.Dit nam het hoofd van het plaatselijke bestuur met groote welwillendheid aan en hij beloofde na de voorstelling Cascabel’s papieren te zullen afteekenen.Over Ortik en Kirschef, die voorgesteld werden als twee russische matrozen, die schipbreuk geleden hadden en naar hunne woonplaats op weg waren, werd niet het minste bezwaar gemaakt.Dienzelfden avond begaf het geheele gezelschap zich dus naar de woning van dengorodintschy.Dit was een vrij groot huis, heelemaal lichtgeel geverfd, welke kleur wijlen keizer Alexander I bijzonder gaarne zag. Aan den wand in de pronkkamer hing eene afbeelding van de heilige maagd, omringd van eenige russische heiligen, die zeer vreedzaam uit schilderijlijsten van zilverkleurige stof de wereld inkeken. Banken en stoelen waren gereed gezet voor den burgemeester, voor zijne vrouw en hunne drie dochters, en een half dozijn van de voornaamste inwoners van Mouji waren uitgenoodigd om het feest bijtewonen. Wat de gewone burgerij aangaat, deze stond vóór het huis op eenen hoop en deed haar best om door de vensters heen iets te zien te krijgen van hetgeen er binnen voorviel.De troep van Cascabel werd door de toeschouwers zeer welwillend ontvangen. De vertooning begon dadelijk en het bleek dat zij in den tijd, gedurende welken zij zich niet hadden kunnen oefenen, niet veel achteruitgegaan waren. Sander’s gymnastische toeren werden zeer toegejuicht en de kleine Napoleona, die, aangezien er geen koord gespannen kon worden, eene danspas op den gewonen vloer uitvoerde, bekoorde ieder door hare bevalligheid. De behendigheidvan Jan in het balanceeren met flesschen, borden, ringen en ballen wekte ieders verbazing. Cascabel zelf toonde zich, door de gehardheid en de kracht zijner spieren, de waardige echtgenoot van de sterke Cornelia, die op hare uitgestrekte armen twee deftige burgers door de kamer droeg en hiermede luiden bijval inoogstte.Wat Sergius betreft, deze voerde met vrij veel behendigheid eenige goocheltoeren uit, die hij van zijn waardigen leermeester had afgezien. De lessen droegen dus reeds goede vruchten, want de burgemeester kon nu niet de minste achterdocht koesteren over de aanwezigheid van den rus in een franschen kermistroep.Gedurende de voorstelling werden er confituren, koeken met rozijnen en uitmuntende thee rondgediend. Nadat alles afgeloopen was maakte degorodintschygeen bezwaar meer om Cascabel’s papieren afteteekenen, zoodat deSchoone Zwerfsternu zonder moeilijkheid door alle russische autoriteiten doorgelaten kon worden.Wij moeten hier nog bijvoegen dat de burgemeester, die er naar het scheen warmpjes inzat, Cascabel eene belooning van twintig roebels aanbood, als prijs voor de vertooning.Cascabel had eerst lust om hiervoor te bedanken, maar hij bedacht bijtijds dat zulk eene weigering, van een reizenden kunstenmakerstroep, misschien achterdocht had kunnen wekken.—Twintig roebels, zeide hij bij zichzelf, zijn toch altijd de moeite waard om aantenemen.Hij stak dus het geld in zijn zak onder eenen stortvloed van welsprekende dankbetuigingen.Den volgenden dag werd er rust gehouden. Zij hadden het een en ander aan te koopen, zooals meel, rijst, boter en verschillende dranken, die Cornelia tegen matige prijzen aanschafte. Vleesch in bussen was er in dit dorp niet te krijgen, maar er zou gedurende de reis van de Obi tot het Oeral-gebergte wel weder overvloed van wild te vinden zijn.Al deze inkoopen werden in den voormiddag gedaan. Aan het middagmaal was ieder vroolijk gestemd, ofschoon Jan en Kayette niet zonder beklemming het einde der reis zagen naderen. Kwamen zij op de plaats hunner bestemming, dan was immers ook het oogenblik van scheiden daar. Het was nu voor niemand een geheim meer hoeveel zij van elkander hielden, en ieder begreep dus ook dat zij liefst niet meer van elkander af zouden gaan.De vraag was echter wat Sergius doen zou nadat hij zijnen vader, prins Narkine, had opgezocht. In Rusland kon hij niet blijven. Zou hij dus weder naar Amerika gaan, of zou hij er de voorkeur aan geven om in Europa te blijven? Zooals wel te begrijpen is,dacht Cascabel hier dikwijls over na. Dienzelfden avond stelde hij dus aan Sergius voor om samen eene wandeling buiten het dorp te gaan maken, en deze, die wel begreep dat Cascabel hem alleen wenschte te spreken, stemde terstond daarin toe.De twee russische matrozen namen voor dien avond afscheid van de familie en gingen in eene herberg te Mouji den nacht doorbrengen.Sergius en Cascabel verlieten dus samen deSchoone Zwerfster, maakten eene wandeling en gingen toen op den rand van een boschje, niet ver van het dorp, op een omgevallen boomstam zitten.—Mijnheer Sergius, begon Cascabel, ik heb u gevraagd om met mij mede te gaan dewijl ik eens vertrouwelijk met u praten wilde. Ik wenschte met u over uwe verdere plannen te spreken.—Wat bedoelt gij daarmede, mijn vriend?—Ik wil daarmede zeggen, over hetgeen gij voornemens zijt te beginnen wanneer wij in Rusland aangekomen zullen zijn.—Maar wij zijn zoo ver nog niet.—Neen, maar ik geloof mij niet te vergissen wanneer ik zeg dat wij over een dag of tien het Oeral-gebergte over zullen zijn en dat wij vervolgens nog maar eene goede week noodig hebben om te Perm te komen.—Als er niets tusschen beide komt, antwoordde Sergius, dan zal dit wel zoo wezen.—Iets tusschen beide komen? vroeg Cascabel. Wat zou er tusschen beide kunnen komen? Gij kunt nu zonder eenig bezwaar de grens passeeren; onze papieren zijn in orde; gij maakt deel uit van mijnen troep en geen mensch ter wereld kan denken dat er zich een graaf Narkine bij ons bevindt.—Dat is zoo mijn vriend, want gij en uwe vrouw zijn de eenigen die mijn geheim kennen en het is getrouw door u bewaard.—Het is bij ons beiden zoo veilig alsof wij het met ons in het graf genomen hadden, antwoordde Cascabel met veel waardigheid. Maar nu, mijnheer Sergius, hoop ik dat gij mij niet onbescheiden zult vinden wanneer ik wensch te weten wat gij voornemens zijt, na uwe aankomst te Perm aantevangen.—Mijn eerste gang zal zijn naar het kasteel Walska teneinde mijnen vader optezoeken, antwoordde Sergius. Dat zal voor hem eene groote en onverwachte vreugde wezen, want sedert dertien maanden heb ik geen gelegenheid gehad om hem te schrijven, noch om tijding van hem te ontvangen. Hij zal niet weten wat hij er van denken moet.—Hebt gij plan om eenigen tijd bij uwen vader op het kasteel te vertoeven?—Dat zal van omstandigheden afhangen die ik niet vooruit kan weten. Krijgt er iemand de lucht van mijne aanwezigheid, dan zal ik wel genoodzaakt zijn mijnen vader weder alleen te laten. Toch zie ik daar tegen op, op zijnen leeftijd!—Mijnheer Sergius, hernam Cascabel, het is niet aan mij om u raad te geven, want gij weet beter dan iemand anders wat u te doen staat. Maar ik moet u toch doen opmerken dat gij, door in Rusland te blijven, u aan een groot gevaar blootstelt. Als gij ontdekt wordt, staat uw leven op het spel.—Dat weet ik mijn vriend, en ook ben ik overtuigd dat gij en allen die gij bij u hebt in groote moeilijkheid zoudt kunnen raken wanneer het bekend werd dat gij mijnen terugkeer op russisch grondgebied mogelijk hebt gemaakt.—O, wat ons betreft, daar denk ik niet aan!—Maar ik, mijn waarde Cascabel, zal nooit vergeten wat gij allen voor mij gedaan hebt.—Jawel, jawel, mijnheer Sergius, maar wij zitten hier niet om mooie praatjes tegen elkaar te verkoopen. Ik wilde met u overleggen wat het beste voor u zal zijn nadat wij ons te Perm zullen bevinden.—Niets eenvoudiger dan dat, antwoordde Sergius. Ik maak deel uit van uwen troep en zal dus bij u blijven. Op die manier kan ik niemands achterdocht wekken.—Maar hoe dan met uwen vader?—Zijn kasteel ligt slechts zes wersten buiten de stad, zoodat ik iederen avond, na afloop der voorstelling, gemakkelijk daarheen kan wandelen. Onze dienstboden zijn trouw: zij zouden liever sterven dan mij te verraden of aan gevaar bloot te stellen. Ik kan dus iederen dag eenige uren thuis doorbrengen en vóór het licht wordt weder te Perm terug zijn.—Dat klinkt uitstekend, mijnheer Sergius, en zoo lang wij te Perm vertoeven schikt zich alles van zelf, daar twijfel ik niet aan. Maar na afloop van de kermis trek ik met deSchoone Zwerfsternaar Nisjni, en vervolgens naar Frankrijk....Dat was inderdaad het moeilijke van het geval. Wanneer de troep van Cascabel de reis voortzette, wat moest graaf Narkine dan beginnen? Zou hij te Perm blijven en zich op het kasteel Walska verbergen? Zou hij het gevaar trotseeren om in Rusland opnieuw in handen der politie te vallen? Dit waren vragen waar Cascabel een antwoord op verlangde.Als gij ontdekt wordt, staat uw leven op het spel. (Zie blz. 140.)Als gij ontdekt wordt, staat uw leven op het spel. (Zie blz.140.)—Mijn vriend, begon Sergius weder, ik heb mij reeds herhaalde malen afgevraagd wat ik beginnen zal, maar ik kan u niets anders zeggen dan dat ik het niet weet; alles zal van de omstandigheden afhangen.—Welnu, hervatte Cascabel, laat ons eens aannemen dat gij op het kasteel Walska op den duur niet blijven kunt; dat gij ook genoodzaakt zijt Rusland te verlaten, waar uwe vrijheid en zelfs uw leven niet veilig zijn, dan stel ik de vraag, mijnheer Sergius, of gij plan hebt weder naar Amerika te trekken?—Ik heb mijne gedachten daar nog niet over laten gaan, antwoordde graaf Narkine.—Mijnheer Sergius, houd mij ten goede als ik u nog niet loslaat; maar waarom zoudt gij niet met ons mede trekken naar Frankrijk? Als gij bij onzen troep blijft, kunt gij veilig heel Rusland door komen tot aan de grens toe. Zou dat niet het beste wezen wat gij doen kunt? Wij zouden dan nog eene poos het genoegen hebben van u bij ons te houden, en met u, die lieve Kayette ook. Wees niet bang dat wij u haar af zullen troggelen; zij is en blijft uwe aangenomen dochter en dat is zeker beter voor haar dan dat zij de zuster wordt van Jan, van Sander en Napoleona, die niets zijn dan kunstenmakerskinderen.—Mijn vriend, antwoordde Sergius, laat ons de toekomst nog een weinig laten rusten; wie weet of die niet al onze wenschen bevredigen zal? Van meer belang is het, thans onze reis voort te zetten. Alles wat ik u zeggen kan—maar gij moet daar nog met niemand over spreken—is dat ik, indien ik niet in Rusland mocht kunnen blijven, het liefst in Frankrijk eene toevlucht zoeken zou, in afwachting dat eene wending in de staatkundige gebeurtenissen mij den terugkeer in mijn vaderland mogelijk mocht maken. En aangezien gij uwe reis naar Frankrijk vervolgen wilt....—Bravo! Dan gaan wij er samen heen! riep Cascabel tevreden uit.Hij vatte Sergius bij de hand en drukte die zoo stevig alsof hij haar aan de zijne wilde vastklinken.Hierna keerden beide naar deSchoone Zwerfsterterug, waar de twee russische matrozen zich eerst den volgenden ochtend lieten zien.Bij het aanbreken van den dag werden de rendieren weder voorgespannen en ging de wagen den weg naar het Westen op.Gedurende de eerstvolgende dagen hadden zij andermaal veel hinder van de warmte. De eerste golvingen van het Oeral-gebergte begonnen zich reeds te vertoonen en het was voor de rendieren een zwaar werk, den wagen over dezen ongelijken grond voort tekrijgen. De hitte was voor deze beesten niet uit te houden en het zou misschien beter geweest zijn ze door paarden te vervangen; maar Cascabel hechtte nu eenmaal aan zijn denkbeeld om te Perm een schitterenden intocht te houden in eenen wagen bespannen met twintig rendieren.Den 28stenJuni, nadat zij van de Obi af zeventig mijlen had afgelegd, kwam deSchoone Zwerfsterin het stadje Verniky. Daar moesten de papieren weder nagezien worden, hetgeen zonder eenige op- of aanmerking plaats had. Vervolgens ging de tocht verder, recht op het Oeral-gebergte af, waarvan de toppen van de Telpoes en de Nintchour zich in de verte tot eene hoogte van twaalf en zestien honderd meter verhieven. Zij kwamen niet snel vooruit en toch was er geen tijd meer te verliezen indien het gezelschap nog te Perm wilde aankomen op het tijdstip dat de kermis daarin vollen gang was.Met het oog op de voorstellingen die hij voornemens was te geven, stond Cascabel er thans op dat zij allen zich geregeld weder oefenden. De goede naam aller fransche koorddansers, turners, equilibristen, clowns en kunstenmakers in het algemeen, en die der familie Cascabel in het bijzonder mocht niet op het spel gezet worden. Daarom hield hij er de hand aan, dat ieder lid van den troep elken avond, zoodra er niet verder gereisd werd, eene flinke repetitie hield van alles wat hij te vertoonen had. OokSergiusverzuimde dit niet en werkte ijverig om een meester te worden in de kunsten met de kaart en andere goochelarijen, waar hij inderdaad aanleg voor toonde.—Wat een kunstenmaker steekt er in u! zeide zijn leermeester, bij iedere gelegenheid dat hij iets nieuws geleerd had.Den 3denJuli maakte deSchoone Zwerfstervoor den nacht halt op eene open plek in een bosch van berke-, denne en lorkeboomen, waar de hooge toppen van het Oeral-gebergte zich boven verhieven.Den volgenden dag zou, naar de aanwijzingen van Ortik en Kirschef, de tocht aangevangen worden door een der passen van het gebergte. Er waren dus, zoo al geen onoverkomelijke bezwaren, toch eenige vermoeiende dagreizen te voorzien, zoo lang zij het hoogste punt van den pas niet overgetrokken waren.Dit gedeelte van de grens stond bekend als druk bezocht door smokkelaars en landloopers; het was er dus niet bijzonder veilig en er moesten bijzondere maatregelen van voorzorg tegen mogelijke onaangename ontmoetingen genomen worden.Gedurende den avond werd er over dit een en ander beraadslaagd.Ortik verzekerde dat de weg, dien hij voorstelde te volgen, dat was over den Petchora-pas, een van de best begaanbare in het gebergte was. Hij was er bekend omdat hij er reeds eenmaal doorheen getrokken was, toen hij en Kirschef de reis gemaakt hadden van Archangel naar de IJszee, waar zij hun schip, deSeraskigingen opzoeken.Terwijl Sergius en Ortik hierover van gedachten wisselden, werd de avond-maaltijd door Cornelia, Napoleona en Kayette gereed gemaakt. Een flink stuk hertenvleesch hing boven een vuur tusschen de boomen te roosteren terwijl er een rijsttaart op eene pan boven de gloeiende kolen stond te bakken. Een appetijtelijke geur verspreidde zich buiten deze tijdelijke kookplaats, zoodat zij er allen trek van kregen.—Ik denk dat er van avond niemand met een leege maag naar bed zal gaan, merkte Cornelia op met den tevreden glimlach van eene goede keukenprinses.—Ten minste, als het vleesch en de taart niet aanbranden, meende Kruidnagel natuurlijk te moeten zeggen.—Waarom zouden zij aanbranden, meester Kruidnagel, gaf Cornelia tot bescheid, wanneer je maar niet verzuimt om het spit op zijn tijd te draaien en de braadpan niet aan haar lot overlaat?Dien wenk nam Kruidnagel behoorlijk ter harte en hij ging terstond op zijn post om op pan en gebraad het oog te houden. Wagram en Marengo bleven in de nabijheid van het vuur en John Bull, de aap, likkebaarde reeds in het vooruitzicht van de dingen die komen zouden.Toen alles gereed was werd de tafel gedekt, waar allen zich omheen schaarden. Cornelia en haar keukenpersoneel werden naar behooren geprezen over het maal, dat niets te wenschen overliet.Toen het oogenblik van te gaan slapen aangebroken was, besloten de mannen, Sergius en Cascabel met de twee knapen en de beide matrozen, in de open lucht onder de boomen hun nachtkwartier opteslaan. Het was een warme nacht en buiten den wagen konden zij bovendien op alles beter het oog houden.Cornelia, Kayette en Napoleona zouden dus alleen in den wagen den nacht doorbrengen.De avondschemering duurt in de maand Juli, op de breedte van zesenzestig graden waar zij zich bevonden, niet kort, zoodat het over elven was eer het geheel duister was geworden. Het was een sterrenlooze nacht en het uitzicht werd door de nevels, die van het gebergte naar beneden daalden, bijna geheel weggenomen.De mannen lagen in het gras, ieder in een deken gewikkeld enbegonnen juist intedommelen, toen de twee honden plotseling teekenen van ongerustheid begonnen te geven. Met gespitste ooren en den neus in den wind, lieten zij telkens een dof gebrom hooren. Het was duidelijk dat zij in het geheel niet op hun gemak waren.De eerste die zich oprichtte en een blik om zich heen wierp, was Jan.Het vuur was bijna uitgedoofd. Onder de zwarte schaduw der boomen was het volkomen donker.Terwijl hij met inspanning om zich heen zag, meende Jan een aantal blinkende punten te zien, die als vuurkolen fonkelden. De honden blaften nu uit al hunne macht.—Er is onraad! riep Jan opspringende uit.In een oogenblik waren al de slapers op de been.—Wat is er gaande? vroeg Cascabel.—Kijk eens vader! antwoordde Jan, terwijl hij op de lichte punten wees, die thans onbewegelijk in het kreupelhout schenen te staan.—Wat is er dan?—Dat zijn oogen van wolven!—Waarachtig, het zijn wolven! bevestigde Ortik.—En een heele bende ook! voegde Sergius er bij.—Duivels! bromde Cascabel.Het was inderdaad een “duivelsch” avontuur, want er viel niet mede te spotten. Het kon zijn dat er in den omtrek van de open plek in het bosch eenige honderden wolven bijeen waren, en als die schrokkige dieren in een grooten hoop bij elkaar zijn, zijn ze tot alles in staat.Op dit oogenblik vertoonden Cornelia, Kayette en Napoleona zich in de deur van deSchoone Zwerfster.—Wat is er vader! vroeg het kind.—Niets bijzonders, antwoordde Cascabel. Het zijn maar een stuk of wat wolven, die eene avondwandeling maken. Blijf binnen en geef ons de wapens, dan zullen wij ze wegjagen.De geweren en revolvers werden spoedig voor den dag gehaald en al de mannen wapenden zich.—Roep de honden hier, zeide Sergius.Wagram en Marengo werden door Jan van tusschen de boomen teruggeroepen. De honden waren bijna niet te houden van woede en opgewondenheid.Allen schoten ongeveer te gelijk hunne vuurwapens af in de richting van de blinkende punten. Een doordringend gehuil deed zich hooren: het was duidelijk dat verscheidene van de schoten raak waren geweest.—Er is onraad! Riep Jan. (Zie blz. 145.)—Er is onraad! Riep Jan. (Zie blz.145.)Maar de menigte was veel te talrijk. Er kwamen weer nieuwe vurige oogen voor den dag en wel een vijftigtal wolven vertoonden zich in de lichte plekken tusschen de boomen.—Wij moeten in den wagen gaan, zeide Sergius. Zij zullen ons zeker aanvallen en hier op den open grond kunnen wij ons niet verweren.—Maar onze rendieren? vroeg Jan.—Die moeten wij in den steek laten. Wij kunnen niets voor hen doen.Daarvoor was het werkelijk reeds te laat. Eenige van de trekbeesten waren door de wolven afgemaakt; de anderen hadden zich losgerukt en de vlucht in het bosch genomen.Zoo spoedig zij konden en door de honden gevolgd, gingen zij dus allen in den wagen. De deur werd dichtgemaakt.Het was hoog tijd dat zij wegkwamen, want bijna op hetzelfde oogenblik waren de wolven bij deSchoone Zwerfster, waar zij tegen op sprongen tot op de hoogte van de vensters.—Wat zullen wij zonder trekdieren beginnen? kon Cornelia niet nalaten te vragen.—Wij moeten eerst zien dat wij van die wolven afkomen, antwoordde Sergius.—Wij zullen ze wel de baas zijn! zeide Cascabel.—Jawel, als er maar niet al te veel zijn, meende Ortik.—En als wij kruit en lood genoeg in voorraad hebben, voegde Kirschef er bij.—Niet langer gepraat! Vuur! riep Sergius.Door de half geopende vensters heen, werd het werk der vernieling met de geweren en revolvers opnieuw begonnen. Bij het licht der schoten, die aan alle kanten van den wagen tegelijk vielen, zagen zij spoedig een twintigtal wolven op den grond liggen, doodelijk getroffen of zóódanig gewond dat zij zich niet verroeren konden.De hongerige beesten lieten zich echter niet afschrikken en het was alsof de troep niets kleiner werd. Verscheidene honderden waren er thans bij elkaar; de opene plek in het woud was vol levende gedaanten.Er waren er die onder het rijtuig kropen en met hunne klauwen de houten vloer trachtten op te breken. Anderen sprongen op het voor-balkon en deden hun best om de deur open te duwen, die op allerlei manieren versperd moest worden. Sommigen klommen zelfs boven op den wagen en bukten zich voorover tot voor de vensters, waar zij niet van daan te krijgen waren zoo lang ze niet door eenen kogel geraakt werden.De wolven lieten zich niet afschrikken. (Zie blz. 147.)De wolven lieten zich niet afschrikken. (Zie blz.147.)Napoleona schreeuwde het uit van angst. Het was duidelijk aan haar te zien hoe diep de vrees voor “den wolf” er bij kinderen in zit. Kayette, die hare bedaardheid niet verloor, deed al wat in haar vermogen was om de kleine meid gerust te stellen. Moeder Cascabel zelve was echter alles behalve op haar gemak hoe het af zou loopen.Hield het gevecht nog lang aan, dan kon hun toestand hoogst gevaarlijk worden, want tegen zulk eene menigte wolven konden zij deSchoone Zwerfsterop den duur onmogelijk verdedigen. Werd de wagen onderste boven geworpen, dan moesten allen, die er in gevlucht waren, hun leven er bij inschieten.Het gevecht was ongeveer een half uur aan den gang, toen Kirschef waarschuwde:—Er is geen kruit en lood meer!Zij hadden niets meer dan een twintigtal patronen over voor al de revolvers en geweren.—Er mag geen schot meer gedaan worden of het moet raak zijn, zeide Cascabel.Dat baatte echter niet. Het was bijna niet mogelijk mis te schieten, zooveel wolven waren er; maar er kwamen aanhoudend andere opzetten en de vuurwapens zouden spoedig tot zwijgen gebracht worden. Wat dan te beginnen? Wachten tot de dag aanbrak? Maar het was volstrekt niet zeker dat de wolven, als het licht werd, de wijk zouden nemen.Op dat oogenblik zwaaide Cascabel zijne revolver, die hem niet langer van dienst kon zijn, boven zijn hoofd en riep:—Daar heb ik een plan!—Wat voor een plan? zeide Sergius.—Een mooi plan ook! Wij hebben niets anders te doen dan een paar van die rakkers te vangen.—Hoe wilt ge dat aanleggen? vroeg Cornelia.—Wij moeten voorzichtig de deur even opendoen en de eerste twee, die naar binnen pogen te dringen, bij de ooren pakken....—Maar dat kan immers niet Cascabel?—Wat wagen wij er mede, mijnheer Sergius? Misschien zullen ze ons een paar knauwen geven, maar ik word nog liever gebeten dan opgegeten.—Welnu, laat het dan spoedig gebeuren, antwoordde Sergius, zonder te weten wat Cascabel eigenlijk voorhad.Met Ortik, Kruidnagel en Kirschef vatte Cascabel post in het voorste vertrekje, terwijl Jan en Sander in het andere bleven en de honden vasthielden, en de vrouwen bij elkaar achter in den wagen stonden.De voorwerpen waarmede de deur versperd was, werden weggenomen en Cascabel hield die even op een kier, zóó dat hij de opening terstond weer toe kon maken.Op dit oogenblik hingen er misschien een dozijn wolven aan den wagen en vochten met elkaar om het eerst bij het trapje te komen.Nauwelijks ging de deur even open of een van de wolven drong naar binnen, waarna Kirschef de opening terstond weder sloot. Door Ortik geholpen, maakte Cascabel zich van het dier meester en wierp het een lap zeildoek over den kop, dat hij stevig rond zijn nek vastbond.Andermaal werd de deur opengemaakt; een tweede wolf werkte zich er door en werd even als de eerste weerloos gemaakt. Niet zonder moeite slaagden Kruidnagel, Ortik en Kirschef er in, de sterke en woedende beesten in bedwang te houden.—Maakt ze vooral niet dood, gelastte Cascabel en houdt ze terdege vast!Ze niet dood maken? Wat wilde hij er dan mede uitvoeren? Toch niet ze naar Perm medenemen om ze op de kermis te laten kijken?Het duurde niet lang of de anderen kwamen er achter wat hij met de twee beesten voorhad.Op eens werd het vertrekje door eene felle vlam verlicht en een oor verscheurend gehuil liet zich hooren. Toen werd de deur open gestooten en onmiddellijk weder gesloten, nadat de twee wolven naar buiten geduwd waren.De uitwerking, toen de twee te midden van de anderen kwamen, was ontzettend. Uit den wagen konden zij dit duidelijk waarnemen, want de geheele omtrek werd door de vlammen verlicht.Cascabel had de twee wolven eerst met petroleum begoten en ze toen in brand gestoken. In lichterlaaie liepen ze nu onder de anderen rond.Het was inderdaad een verbazend denkbeeld van Cascabel, even als alles wat in de hersenen van dien vernuftigen man opkwam. De verschrikte wolven gingen voor de twee die in brand stonden op den loop. Hun gehuil was vreeselijk om aan te hooren, veel erger nog dan toen zij op den wagen kwamen aanvallen. Door hunne zeildoeksche kappen buiten staat om rondom zich te zien, deden de twee slachtoffers te vergeefs moeite om hun brandende haren uit te blusschen. Zij rolden als dol over den grond en sprongen dan weder tusschen de anderen, maar het baatte niets, zij bleven branden!De verschrikte wolven gingen op den loop. (Zie blz. 150.)De verschrikte wolven gingen op den loop. (Zie blz.150.)Het einde was dat de geheele bende door een panischen schrikbevangen werd, het op een loopen zette en spoedig in het woud uit zicht raakte.Het gehuil werd zwakker en zwakker; eindelijk was alles in den omtrek van deSchoone Zwerfsterweder stil.Voorzichtigheidshalve werd er besloten te wachten tot de dag aanbrak, vóór dat zij zich buiten den wagen van den stand van zaken gingen overtuigen. Maar zij hadden nu geen aanval van den vijand meer te duchten. De schrik zat er bij de wolven in en zij liepen wat zij loopen konden.—Cesar! Cesar! riep Cornelia verrukt en sloot haren man in hare armen.—Wij hebben u veel te danken, mijn vriend, zeide Sergius.—Hoe gelukkig zijn wij daar afgekomen, vader, riepen de kinderen.—Patroon, patroon! zeide Kruidnagel, die geen woorden vinden kon om zijne bewondering lucht te geven.—Wel is dat nu zooveel bijzonders? vroeg Cesar dood bedaard. Ik weet niet wat u allen overkomt. Als wij niet slimmer waren dan de beesten, dan was het waarlijk de moeite niet waard een mensch te zijn!

De Obi-rivier wordt gevoed door de wateren die van het Oeralgebergte afstroomen en heeft in het Oosten een aantal zijarmen. Hare lengte is vierduizend vijfhonderd kilometer en de uitgestrektheid van haar stroomgebied is niet minder dan driehonderd-dertig millioen hectaren.

Deze groote rivier zou de natuurlijke aardrijkskundige grens tusschen Azië en Europa kunnen wezen, indien de Oeral-bergen niet een weinig meer naar het Oosten eene scheiding maakten. Van den zestigsten breedtegraad af loopt de rivier bijna evenwijdig met het gebergte. De Obi neemt haren weg naar den grooten zeeboezem die denzelfden naam draagt, en de laatste vertakkingen van het Oeralgebergte verdwijnen in de diepte der Kara-zee.

Sergius en zijne reisgenooten hadden op den rechteroever halt gemaakt en overzagen van daar den breeden waterspiegel, die als bezaaid ligt met eene menigte eilanden, waar wilgeboomen welig op tieren. Tegen de oevers dier eilanden stonden waterplanten met scherpe, smalle armen, waar frissche bloemen aan ontloken waren. Zoowel boven- als benedenstrooms gleden eene menigte vaartuigen over het heldere, frissche water, dat nog zuiver is van alle smetten, zooals het is komen afstroomen uit de hooge bergen waar het ontstaan is.

Er was een geregelde overzetdienst op de Obi, zoodat deSchooneZwerfsterzonder oponthoud den linkeroever bereikte, waar het stadje Mouji gelegen is.

Dit stadje is eigenlijk maar een dorp. Er bevond zich geen militaire bezetting, zoodat graaf Narkine ook hier niet het minste gevaar kon loopen. Intusschen was het noodig dat zij de plaatselijke autoriteiten niet voorbijgingen want zij stonden nu op het punt van de Oeral-passen in te trekken en de russische politie laat niemand op de grenzen door, die niet in staat is zijne behoorlijk afgeteekende papieren te vertoonen. Daarom besloot Cascabel zijne paspoorten door den burgemeester van Mouji te laten waarmerken. Was dat eenmaal geschied, dan was Sergius officieel erkend als tot zijnen troep te behooren en kon hij zich verder in dezelfde hoedanigheid overal heen begeven zonder de russische politie reden tot eenige aanmerking te geven.

Jammer genoeg dat dit geheele, zoo voortreffelijk beraamde plan, door een ongelukkig toeval gevaar liep te mislukken. Dat die Ortik en Kirschef er ook moesten zijn om alles in de war te brengen! Hun duivelsche toeleg was het, deSchoone Zwerfsterdoor een van de gevaarlijkste passen van het Oeral-gebergte te voeren, waar het niet lang duren zou of zij moest de prooi van de eene of andere rooverbende worden.

Cascabel kon dit echter evenmin vermoeden als hij in staat zou geweest zijn er iets tegen te doen. Hij wenschte zichzelf dan ook reeds geluk met den voorspoedigen afloop zijner avontuurlijke onderneming. Het geheele Westen van Amerika en het geheele Noorden van Azië was hij doorgetrokken, en hij bevond zich nu op geen grooter afstand meer dan een honderdtal mijlen van Europa. Hij noch zijne vrouw of hunne kinderen hadden eenig nadeel van deze lange gevaarvolle reis ondervonden; allen waren zoo gezond als visschen. Een oogenblik slechts was aan Cascabel de moed ontzonken; dat was toen hun in de Behringstraat de groote ramp overkomen was en zij in de Noordelijke IJszee aan het drijven waren geraakt. Maar zij waren ten minste niet alleen aan de wilden van den Liakhoff-archipel ontkomen, maar deze hadden hun zelfs de middelen verschaft om met deSchoone Zwerfsterden tocht naar Europa voorttezetten.

—Wat God doet, is in den regel wèlgedaan, merkte Cascabel op als slotsom van zijne overdenkingen.

Zij hadden besloten een etmaal in het dorp Mouji doortebrengen en werden in dat voornemen versterkt door de vriendelijke en voorkomende wijze waarop de inwoners hen ontvingen.

De burgemeester van het dorp, degorodintschy, rekende zichverplicht de vreemde bezoekers te komen opnemen, en aangezien hij ten opzichte van buitenlanders een weinig wantrouwend was, vroeg hij Cascabel naar zijne papieren. Deze waren in orde en onder het personeel van den troep stond ook Sergius vermeld.

Dit vond de dorps-magistraat wel wat zonderling, dat er een landgenoot van hem zich bevond bij een gezelschap fransche kunstenmakers. Hij gaf zijne verwondering hiervoor te kennen.

Cascabel maakte hem echter opmerkzaam dat er wel is waar een rus bij hem was, maar ook een amerikaan namelijk Kruidnagel, en eene indiaansche, namelijk Kayette. Hij vroeg alleen of de personen, die zich bij hem aansluiten wilden, eenig talent hadden, maar nooit uit welk land zij kwamen. Hij voegde er vervolgens bij dat hij en zijne mede-kunstenaars zich gelukkig zouden rekenen indien “mijnheer de burgemeester”—het woordgorodintschywas voor Cesar niet uittespreken—hun de eer wilde aandoen om hen in zijne tegenwoordigheid te willen zien werken.

Dit nam het hoofd van het plaatselijke bestuur met groote welwillendheid aan en hij beloofde na de voorstelling Cascabel’s papieren te zullen afteekenen.

Over Ortik en Kirschef, die voorgesteld werden als twee russische matrozen, die schipbreuk geleden hadden en naar hunne woonplaats op weg waren, werd niet het minste bezwaar gemaakt.

Dienzelfden avond begaf het geheele gezelschap zich dus naar de woning van dengorodintschy.

Dit was een vrij groot huis, heelemaal lichtgeel geverfd, welke kleur wijlen keizer Alexander I bijzonder gaarne zag. Aan den wand in de pronkkamer hing eene afbeelding van de heilige maagd, omringd van eenige russische heiligen, die zeer vreedzaam uit schilderijlijsten van zilverkleurige stof de wereld inkeken. Banken en stoelen waren gereed gezet voor den burgemeester, voor zijne vrouw en hunne drie dochters, en een half dozijn van de voornaamste inwoners van Mouji waren uitgenoodigd om het feest bijtewonen. Wat de gewone burgerij aangaat, deze stond vóór het huis op eenen hoop en deed haar best om door de vensters heen iets te zien te krijgen van hetgeen er binnen voorviel.

De troep van Cascabel werd door de toeschouwers zeer welwillend ontvangen. De vertooning begon dadelijk en het bleek dat zij in den tijd, gedurende welken zij zich niet hadden kunnen oefenen, niet veel achteruitgegaan waren. Sander’s gymnastische toeren werden zeer toegejuicht en de kleine Napoleona, die, aangezien er geen koord gespannen kon worden, eene danspas op den gewonen vloer uitvoerde, bekoorde ieder door hare bevalligheid. De behendigheidvan Jan in het balanceeren met flesschen, borden, ringen en ballen wekte ieders verbazing. Cascabel zelf toonde zich, door de gehardheid en de kracht zijner spieren, de waardige echtgenoot van de sterke Cornelia, die op hare uitgestrekte armen twee deftige burgers door de kamer droeg en hiermede luiden bijval inoogstte.

Wat Sergius betreft, deze voerde met vrij veel behendigheid eenige goocheltoeren uit, die hij van zijn waardigen leermeester had afgezien. De lessen droegen dus reeds goede vruchten, want de burgemeester kon nu niet de minste achterdocht koesteren over de aanwezigheid van den rus in een franschen kermistroep.

Gedurende de voorstelling werden er confituren, koeken met rozijnen en uitmuntende thee rondgediend. Nadat alles afgeloopen was maakte degorodintschygeen bezwaar meer om Cascabel’s papieren afteteekenen, zoodat deSchoone Zwerfsternu zonder moeilijkheid door alle russische autoriteiten doorgelaten kon worden.

Wij moeten hier nog bijvoegen dat de burgemeester, die er naar het scheen warmpjes inzat, Cascabel eene belooning van twintig roebels aanbood, als prijs voor de vertooning.

Cascabel had eerst lust om hiervoor te bedanken, maar hij bedacht bijtijds dat zulk eene weigering, van een reizenden kunstenmakerstroep, misschien achterdocht had kunnen wekken.

—Twintig roebels, zeide hij bij zichzelf, zijn toch altijd de moeite waard om aantenemen.

Hij stak dus het geld in zijn zak onder eenen stortvloed van welsprekende dankbetuigingen.

Den volgenden dag werd er rust gehouden. Zij hadden het een en ander aan te koopen, zooals meel, rijst, boter en verschillende dranken, die Cornelia tegen matige prijzen aanschafte. Vleesch in bussen was er in dit dorp niet te krijgen, maar er zou gedurende de reis van de Obi tot het Oeral-gebergte wel weder overvloed van wild te vinden zijn.

Al deze inkoopen werden in den voormiddag gedaan. Aan het middagmaal was ieder vroolijk gestemd, ofschoon Jan en Kayette niet zonder beklemming het einde der reis zagen naderen. Kwamen zij op de plaats hunner bestemming, dan was immers ook het oogenblik van scheiden daar. Het was nu voor niemand een geheim meer hoeveel zij van elkander hielden, en ieder begreep dus ook dat zij liefst niet meer van elkander af zouden gaan.

De vraag was echter wat Sergius doen zou nadat hij zijnen vader, prins Narkine, had opgezocht. In Rusland kon hij niet blijven. Zou hij dus weder naar Amerika gaan, of zou hij er de voorkeur aan geven om in Europa te blijven? Zooals wel te begrijpen is,dacht Cascabel hier dikwijls over na. Dienzelfden avond stelde hij dus aan Sergius voor om samen eene wandeling buiten het dorp te gaan maken, en deze, die wel begreep dat Cascabel hem alleen wenschte te spreken, stemde terstond daarin toe.

De twee russische matrozen namen voor dien avond afscheid van de familie en gingen in eene herberg te Mouji den nacht doorbrengen.

Sergius en Cascabel verlieten dus samen deSchoone Zwerfster, maakten eene wandeling en gingen toen op den rand van een boschje, niet ver van het dorp, op een omgevallen boomstam zitten.

—Mijnheer Sergius, begon Cascabel, ik heb u gevraagd om met mij mede te gaan dewijl ik eens vertrouwelijk met u praten wilde. Ik wenschte met u over uwe verdere plannen te spreken.

—Wat bedoelt gij daarmede, mijn vriend?

—Ik wil daarmede zeggen, over hetgeen gij voornemens zijt te beginnen wanneer wij in Rusland aangekomen zullen zijn.

—Maar wij zijn zoo ver nog niet.

—Neen, maar ik geloof mij niet te vergissen wanneer ik zeg dat wij over een dag of tien het Oeral-gebergte over zullen zijn en dat wij vervolgens nog maar eene goede week noodig hebben om te Perm te komen.

—Als er niets tusschen beide komt, antwoordde Sergius, dan zal dit wel zoo wezen.

—Iets tusschen beide komen? vroeg Cascabel. Wat zou er tusschen beide kunnen komen? Gij kunt nu zonder eenig bezwaar de grens passeeren; onze papieren zijn in orde; gij maakt deel uit van mijnen troep en geen mensch ter wereld kan denken dat er zich een graaf Narkine bij ons bevindt.

—Dat is zoo mijn vriend, want gij en uwe vrouw zijn de eenigen die mijn geheim kennen en het is getrouw door u bewaard.

—Het is bij ons beiden zoo veilig alsof wij het met ons in het graf genomen hadden, antwoordde Cascabel met veel waardigheid. Maar nu, mijnheer Sergius, hoop ik dat gij mij niet onbescheiden zult vinden wanneer ik wensch te weten wat gij voornemens zijt, na uwe aankomst te Perm aantevangen.

—Mijn eerste gang zal zijn naar het kasteel Walska teneinde mijnen vader optezoeken, antwoordde Sergius. Dat zal voor hem eene groote en onverwachte vreugde wezen, want sedert dertien maanden heb ik geen gelegenheid gehad om hem te schrijven, noch om tijding van hem te ontvangen. Hij zal niet weten wat hij er van denken moet.

—Hebt gij plan om eenigen tijd bij uwen vader op het kasteel te vertoeven?

—Dat zal van omstandigheden afhangen die ik niet vooruit kan weten. Krijgt er iemand de lucht van mijne aanwezigheid, dan zal ik wel genoodzaakt zijn mijnen vader weder alleen te laten. Toch zie ik daar tegen op, op zijnen leeftijd!

—Mijnheer Sergius, hernam Cascabel, het is niet aan mij om u raad te geven, want gij weet beter dan iemand anders wat u te doen staat. Maar ik moet u toch doen opmerken dat gij, door in Rusland te blijven, u aan een groot gevaar blootstelt. Als gij ontdekt wordt, staat uw leven op het spel.

—Dat weet ik mijn vriend, en ook ben ik overtuigd dat gij en allen die gij bij u hebt in groote moeilijkheid zoudt kunnen raken wanneer het bekend werd dat gij mijnen terugkeer op russisch grondgebied mogelijk hebt gemaakt.

—O, wat ons betreft, daar denk ik niet aan!

—Maar ik, mijn waarde Cascabel, zal nooit vergeten wat gij allen voor mij gedaan hebt.

—Jawel, jawel, mijnheer Sergius, maar wij zitten hier niet om mooie praatjes tegen elkaar te verkoopen. Ik wilde met u overleggen wat het beste voor u zal zijn nadat wij ons te Perm zullen bevinden.

—Niets eenvoudiger dan dat, antwoordde Sergius. Ik maak deel uit van uwen troep en zal dus bij u blijven. Op die manier kan ik niemands achterdocht wekken.

—Maar hoe dan met uwen vader?

—Zijn kasteel ligt slechts zes wersten buiten de stad, zoodat ik iederen avond, na afloop der voorstelling, gemakkelijk daarheen kan wandelen. Onze dienstboden zijn trouw: zij zouden liever sterven dan mij te verraden of aan gevaar bloot te stellen. Ik kan dus iederen dag eenige uren thuis doorbrengen en vóór het licht wordt weder te Perm terug zijn.

—Dat klinkt uitstekend, mijnheer Sergius, en zoo lang wij te Perm vertoeven schikt zich alles van zelf, daar twijfel ik niet aan. Maar na afloop van de kermis trek ik met deSchoone Zwerfsternaar Nisjni, en vervolgens naar Frankrijk....

Dat was inderdaad het moeilijke van het geval. Wanneer de troep van Cascabel de reis voortzette, wat moest graaf Narkine dan beginnen? Zou hij te Perm blijven en zich op het kasteel Walska verbergen? Zou hij het gevaar trotseeren om in Rusland opnieuw in handen der politie te vallen? Dit waren vragen waar Cascabel een antwoord op verlangde.

Als gij ontdekt wordt, staat uw leven op het spel. (Zie blz. 140.)Als gij ontdekt wordt, staat uw leven op het spel. (Zie blz.140.)

Als gij ontdekt wordt, staat uw leven op het spel. (Zie blz.140.)

—Mijn vriend, begon Sergius weder, ik heb mij reeds herhaalde malen afgevraagd wat ik beginnen zal, maar ik kan u niets anders zeggen dan dat ik het niet weet; alles zal van de omstandigheden afhangen.

—Welnu, hervatte Cascabel, laat ons eens aannemen dat gij op het kasteel Walska op den duur niet blijven kunt; dat gij ook genoodzaakt zijt Rusland te verlaten, waar uwe vrijheid en zelfs uw leven niet veilig zijn, dan stel ik de vraag, mijnheer Sergius, of gij plan hebt weder naar Amerika te trekken?

—Ik heb mijne gedachten daar nog niet over laten gaan, antwoordde graaf Narkine.

—Mijnheer Sergius, houd mij ten goede als ik u nog niet loslaat; maar waarom zoudt gij niet met ons mede trekken naar Frankrijk? Als gij bij onzen troep blijft, kunt gij veilig heel Rusland door komen tot aan de grens toe. Zou dat niet het beste wezen wat gij doen kunt? Wij zouden dan nog eene poos het genoegen hebben van u bij ons te houden, en met u, die lieve Kayette ook. Wees niet bang dat wij u haar af zullen troggelen; zij is en blijft uwe aangenomen dochter en dat is zeker beter voor haar dan dat zij de zuster wordt van Jan, van Sander en Napoleona, die niets zijn dan kunstenmakerskinderen.

—Mijn vriend, antwoordde Sergius, laat ons de toekomst nog een weinig laten rusten; wie weet of die niet al onze wenschen bevredigen zal? Van meer belang is het, thans onze reis voort te zetten. Alles wat ik u zeggen kan—maar gij moet daar nog met niemand over spreken—is dat ik, indien ik niet in Rusland mocht kunnen blijven, het liefst in Frankrijk eene toevlucht zoeken zou, in afwachting dat eene wending in de staatkundige gebeurtenissen mij den terugkeer in mijn vaderland mogelijk mocht maken. En aangezien gij uwe reis naar Frankrijk vervolgen wilt....

—Bravo! Dan gaan wij er samen heen! riep Cascabel tevreden uit.

Hij vatte Sergius bij de hand en drukte die zoo stevig alsof hij haar aan de zijne wilde vastklinken.

Hierna keerden beide naar deSchoone Zwerfsterterug, waar de twee russische matrozen zich eerst den volgenden ochtend lieten zien.

Bij het aanbreken van den dag werden de rendieren weder voorgespannen en ging de wagen den weg naar het Westen op.

Gedurende de eerstvolgende dagen hadden zij andermaal veel hinder van de warmte. De eerste golvingen van het Oeral-gebergte begonnen zich reeds te vertoonen en het was voor de rendieren een zwaar werk, den wagen over dezen ongelijken grond voort tekrijgen. De hitte was voor deze beesten niet uit te houden en het zou misschien beter geweest zijn ze door paarden te vervangen; maar Cascabel hechtte nu eenmaal aan zijn denkbeeld om te Perm een schitterenden intocht te houden in eenen wagen bespannen met twintig rendieren.

Den 28stenJuni, nadat zij van de Obi af zeventig mijlen had afgelegd, kwam deSchoone Zwerfsterin het stadje Verniky. Daar moesten de papieren weder nagezien worden, hetgeen zonder eenige op- of aanmerking plaats had. Vervolgens ging de tocht verder, recht op het Oeral-gebergte af, waarvan de toppen van de Telpoes en de Nintchour zich in de verte tot eene hoogte van twaalf en zestien honderd meter verhieven. Zij kwamen niet snel vooruit en toch was er geen tijd meer te verliezen indien het gezelschap nog te Perm wilde aankomen op het tijdstip dat de kermis daarin vollen gang was.

Met het oog op de voorstellingen die hij voornemens was te geven, stond Cascabel er thans op dat zij allen zich geregeld weder oefenden. De goede naam aller fransche koorddansers, turners, equilibristen, clowns en kunstenmakers in het algemeen, en die der familie Cascabel in het bijzonder mocht niet op het spel gezet worden. Daarom hield hij er de hand aan, dat ieder lid van den troep elken avond, zoodra er niet verder gereisd werd, eene flinke repetitie hield van alles wat hij te vertoonen had. OokSergiusverzuimde dit niet en werkte ijverig om een meester te worden in de kunsten met de kaart en andere goochelarijen, waar hij inderdaad aanleg voor toonde.

—Wat een kunstenmaker steekt er in u! zeide zijn leermeester, bij iedere gelegenheid dat hij iets nieuws geleerd had.

Den 3denJuli maakte deSchoone Zwerfstervoor den nacht halt op eene open plek in een bosch van berke-, denne en lorkeboomen, waar de hooge toppen van het Oeral-gebergte zich boven verhieven.

Den volgenden dag zou, naar de aanwijzingen van Ortik en Kirschef, de tocht aangevangen worden door een der passen van het gebergte. Er waren dus, zoo al geen onoverkomelijke bezwaren, toch eenige vermoeiende dagreizen te voorzien, zoo lang zij het hoogste punt van den pas niet overgetrokken waren.

Dit gedeelte van de grens stond bekend als druk bezocht door smokkelaars en landloopers; het was er dus niet bijzonder veilig en er moesten bijzondere maatregelen van voorzorg tegen mogelijke onaangename ontmoetingen genomen worden.

Gedurende den avond werd er over dit een en ander beraadslaagd.Ortik verzekerde dat de weg, dien hij voorstelde te volgen, dat was over den Petchora-pas, een van de best begaanbare in het gebergte was. Hij was er bekend omdat hij er reeds eenmaal doorheen getrokken was, toen hij en Kirschef de reis gemaakt hadden van Archangel naar de IJszee, waar zij hun schip, deSeraskigingen opzoeken.

Terwijl Sergius en Ortik hierover van gedachten wisselden, werd de avond-maaltijd door Cornelia, Napoleona en Kayette gereed gemaakt. Een flink stuk hertenvleesch hing boven een vuur tusschen de boomen te roosteren terwijl er een rijsttaart op eene pan boven de gloeiende kolen stond te bakken. Een appetijtelijke geur verspreidde zich buiten deze tijdelijke kookplaats, zoodat zij er allen trek van kregen.

—Ik denk dat er van avond niemand met een leege maag naar bed zal gaan, merkte Cornelia op met den tevreden glimlach van eene goede keukenprinses.

—Ten minste, als het vleesch en de taart niet aanbranden, meende Kruidnagel natuurlijk te moeten zeggen.

—Waarom zouden zij aanbranden, meester Kruidnagel, gaf Cornelia tot bescheid, wanneer je maar niet verzuimt om het spit op zijn tijd te draaien en de braadpan niet aan haar lot overlaat?

Dien wenk nam Kruidnagel behoorlijk ter harte en hij ging terstond op zijn post om op pan en gebraad het oog te houden. Wagram en Marengo bleven in de nabijheid van het vuur en John Bull, de aap, likkebaarde reeds in het vooruitzicht van de dingen die komen zouden.

Toen alles gereed was werd de tafel gedekt, waar allen zich omheen schaarden. Cornelia en haar keukenpersoneel werden naar behooren geprezen over het maal, dat niets te wenschen overliet.

Toen het oogenblik van te gaan slapen aangebroken was, besloten de mannen, Sergius en Cascabel met de twee knapen en de beide matrozen, in de open lucht onder de boomen hun nachtkwartier opteslaan. Het was een warme nacht en buiten den wagen konden zij bovendien op alles beter het oog houden.

Cornelia, Kayette en Napoleona zouden dus alleen in den wagen den nacht doorbrengen.

De avondschemering duurt in de maand Juli, op de breedte van zesenzestig graden waar zij zich bevonden, niet kort, zoodat het over elven was eer het geheel duister was geworden. Het was een sterrenlooze nacht en het uitzicht werd door de nevels, die van het gebergte naar beneden daalden, bijna geheel weggenomen.

De mannen lagen in het gras, ieder in een deken gewikkeld enbegonnen juist intedommelen, toen de twee honden plotseling teekenen van ongerustheid begonnen te geven. Met gespitste ooren en den neus in den wind, lieten zij telkens een dof gebrom hooren. Het was duidelijk dat zij in het geheel niet op hun gemak waren.

De eerste die zich oprichtte en een blik om zich heen wierp, was Jan.

Het vuur was bijna uitgedoofd. Onder de zwarte schaduw der boomen was het volkomen donker.

Terwijl hij met inspanning om zich heen zag, meende Jan een aantal blinkende punten te zien, die als vuurkolen fonkelden. De honden blaften nu uit al hunne macht.

—Er is onraad! riep Jan opspringende uit.

In een oogenblik waren al de slapers op de been.

—Wat is er gaande? vroeg Cascabel.

—Kijk eens vader! antwoordde Jan, terwijl hij op de lichte punten wees, die thans onbewegelijk in het kreupelhout schenen te staan.

—Wat is er dan?

—Dat zijn oogen van wolven!

—Waarachtig, het zijn wolven! bevestigde Ortik.

—En een heele bende ook! voegde Sergius er bij.

—Duivels! bromde Cascabel.

Het was inderdaad een “duivelsch” avontuur, want er viel niet mede te spotten. Het kon zijn dat er in den omtrek van de open plek in het bosch eenige honderden wolven bijeen waren, en als die schrokkige dieren in een grooten hoop bij elkaar zijn, zijn ze tot alles in staat.

Op dit oogenblik vertoonden Cornelia, Kayette en Napoleona zich in de deur van deSchoone Zwerfster.

—Wat is er vader! vroeg het kind.

—Niets bijzonders, antwoordde Cascabel. Het zijn maar een stuk of wat wolven, die eene avondwandeling maken. Blijf binnen en geef ons de wapens, dan zullen wij ze wegjagen.

De geweren en revolvers werden spoedig voor den dag gehaald en al de mannen wapenden zich.

—Roep de honden hier, zeide Sergius.

Wagram en Marengo werden door Jan van tusschen de boomen teruggeroepen. De honden waren bijna niet te houden van woede en opgewondenheid.

Allen schoten ongeveer te gelijk hunne vuurwapens af in de richting van de blinkende punten. Een doordringend gehuil deed zich hooren: het was duidelijk dat verscheidene van de schoten raak waren geweest.

—Er is onraad! Riep Jan. (Zie blz. 145.)—Er is onraad! Riep Jan. (Zie blz.145.)

—Er is onraad! Riep Jan. (Zie blz.145.)

Maar de menigte was veel te talrijk. Er kwamen weer nieuwe vurige oogen voor den dag en wel een vijftigtal wolven vertoonden zich in de lichte plekken tusschen de boomen.

—Wij moeten in den wagen gaan, zeide Sergius. Zij zullen ons zeker aanvallen en hier op den open grond kunnen wij ons niet verweren.

—Maar onze rendieren? vroeg Jan.

—Die moeten wij in den steek laten. Wij kunnen niets voor hen doen.

Daarvoor was het werkelijk reeds te laat. Eenige van de trekbeesten waren door de wolven afgemaakt; de anderen hadden zich losgerukt en de vlucht in het bosch genomen.

Zoo spoedig zij konden en door de honden gevolgd, gingen zij dus allen in den wagen. De deur werd dichtgemaakt.

Het was hoog tijd dat zij wegkwamen, want bijna op hetzelfde oogenblik waren de wolven bij deSchoone Zwerfster, waar zij tegen op sprongen tot op de hoogte van de vensters.

—Wat zullen wij zonder trekdieren beginnen? kon Cornelia niet nalaten te vragen.

—Wij moeten eerst zien dat wij van die wolven afkomen, antwoordde Sergius.

—Wij zullen ze wel de baas zijn! zeide Cascabel.

—Jawel, als er maar niet al te veel zijn, meende Ortik.

—En als wij kruit en lood genoeg in voorraad hebben, voegde Kirschef er bij.

—Niet langer gepraat! Vuur! riep Sergius.

Door de half geopende vensters heen, werd het werk der vernieling met de geweren en revolvers opnieuw begonnen. Bij het licht der schoten, die aan alle kanten van den wagen tegelijk vielen, zagen zij spoedig een twintigtal wolven op den grond liggen, doodelijk getroffen of zóódanig gewond dat zij zich niet verroeren konden.

De hongerige beesten lieten zich echter niet afschrikken en het was alsof de troep niets kleiner werd. Verscheidene honderden waren er thans bij elkaar; de opene plek in het woud was vol levende gedaanten.

Er waren er die onder het rijtuig kropen en met hunne klauwen de houten vloer trachtten op te breken. Anderen sprongen op het voor-balkon en deden hun best om de deur open te duwen, die op allerlei manieren versperd moest worden. Sommigen klommen zelfs boven op den wagen en bukten zich voorover tot voor de vensters, waar zij niet van daan te krijgen waren zoo lang ze niet door eenen kogel geraakt werden.

De wolven lieten zich niet afschrikken. (Zie blz. 147.)De wolven lieten zich niet afschrikken. (Zie blz.147.)

De wolven lieten zich niet afschrikken. (Zie blz.147.)

Napoleona schreeuwde het uit van angst. Het was duidelijk aan haar te zien hoe diep de vrees voor “den wolf” er bij kinderen in zit. Kayette, die hare bedaardheid niet verloor, deed al wat in haar vermogen was om de kleine meid gerust te stellen. Moeder Cascabel zelve was echter alles behalve op haar gemak hoe het af zou loopen.

Hield het gevecht nog lang aan, dan kon hun toestand hoogst gevaarlijk worden, want tegen zulk eene menigte wolven konden zij deSchoone Zwerfsterop den duur onmogelijk verdedigen. Werd de wagen onderste boven geworpen, dan moesten allen, die er in gevlucht waren, hun leven er bij inschieten.

Het gevecht was ongeveer een half uur aan den gang, toen Kirschef waarschuwde:

—Er is geen kruit en lood meer!

Zij hadden niets meer dan een twintigtal patronen over voor al de revolvers en geweren.

—Er mag geen schot meer gedaan worden of het moet raak zijn, zeide Cascabel.

Dat baatte echter niet. Het was bijna niet mogelijk mis te schieten, zooveel wolven waren er; maar er kwamen aanhoudend andere opzetten en de vuurwapens zouden spoedig tot zwijgen gebracht worden. Wat dan te beginnen? Wachten tot de dag aanbrak? Maar het was volstrekt niet zeker dat de wolven, als het licht werd, de wijk zouden nemen.

Op dat oogenblik zwaaide Cascabel zijne revolver, die hem niet langer van dienst kon zijn, boven zijn hoofd en riep:

—Daar heb ik een plan!

—Wat voor een plan? zeide Sergius.

—Een mooi plan ook! Wij hebben niets anders te doen dan een paar van die rakkers te vangen.

—Hoe wilt ge dat aanleggen? vroeg Cornelia.

—Wij moeten voorzichtig de deur even opendoen en de eerste twee, die naar binnen pogen te dringen, bij de ooren pakken....

—Maar dat kan immers niet Cascabel?

—Wat wagen wij er mede, mijnheer Sergius? Misschien zullen ze ons een paar knauwen geven, maar ik word nog liever gebeten dan opgegeten.

—Welnu, laat het dan spoedig gebeuren, antwoordde Sergius, zonder te weten wat Cascabel eigenlijk voorhad.

Met Ortik, Kruidnagel en Kirschef vatte Cascabel post in het voorste vertrekje, terwijl Jan en Sander in het andere bleven en de honden vasthielden, en de vrouwen bij elkaar achter in den wagen stonden.

De voorwerpen waarmede de deur versperd was, werden weggenomen en Cascabel hield die even op een kier, zóó dat hij de opening terstond weer toe kon maken.

Op dit oogenblik hingen er misschien een dozijn wolven aan den wagen en vochten met elkaar om het eerst bij het trapje te komen.

Nauwelijks ging de deur even open of een van de wolven drong naar binnen, waarna Kirschef de opening terstond weder sloot. Door Ortik geholpen, maakte Cascabel zich van het dier meester en wierp het een lap zeildoek over den kop, dat hij stevig rond zijn nek vastbond.

Andermaal werd de deur opengemaakt; een tweede wolf werkte zich er door en werd even als de eerste weerloos gemaakt. Niet zonder moeite slaagden Kruidnagel, Ortik en Kirschef er in, de sterke en woedende beesten in bedwang te houden.

—Maakt ze vooral niet dood, gelastte Cascabel en houdt ze terdege vast!

Ze niet dood maken? Wat wilde hij er dan mede uitvoeren? Toch niet ze naar Perm medenemen om ze op de kermis te laten kijken?

Het duurde niet lang of de anderen kwamen er achter wat hij met de twee beesten voorhad.

Op eens werd het vertrekje door eene felle vlam verlicht en een oor verscheurend gehuil liet zich hooren. Toen werd de deur open gestooten en onmiddellijk weder gesloten, nadat de twee wolven naar buiten geduwd waren.

De uitwerking, toen de twee te midden van de anderen kwamen, was ontzettend. Uit den wagen konden zij dit duidelijk waarnemen, want de geheele omtrek werd door de vlammen verlicht.

Cascabel had de twee wolven eerst met petroleum begoten en ze toen in brand gestoken. In lichterlaaie liepen ze nu onder de anderen rond.

Het was inderdaad een verbazend denkbeeld van Cascabel, even als alles wat in de hersenen van dien vernuftigen man opkwam. De verschrikte wolven gingen voor de twee die in brand stonden op den loop. Hun gehuil was vreeselijk om aan te hooren, veel erger nog dan toen zij op den wagen kwamen aanvallen. Door hunne zeildoeksche kappen buiten staat om rondom zich te zien, deden de twee slachtoffers te vergeefs moeite om hun brandende haren uit te blusschen. Zij rolden als dol over den grond en sprongen dan weder tusschen de anderen, maar het baatte niets, zij bleven branden!

De verschrikte wolven gingen op den loop. (Zie blz. 150.)De verschrikte wolven gingen op den loop. (Zie blz.150.)

De verschrikte wolven gingen op den loop. (Zie blz.150.)

Het einde was dat de geheele bende door een panischen schrikbevangen werd, het op een loopen zette en spoedig in het woud uit zicht raakte.

Het gehuil werd zwakker en zwakker; eindelijk was alles in den omtrek van deSchoone Zwerfsterweder stil.

Voorzichtigheidshalve werd er besloten te wachten tot de dag aanbrak, vóór dat zij zich buiten den wagen van den stand van zaken gingen overtuigen. Maar zij hadden nu geen aanval van den vijand meer te duchten. De schrik zat er bij de wolven in en zij liepen wat zij loopen konden.

—Cesar! Cesar! riep Cornelia verrukt en sloot haren man in hare armen.

—Wij hebben u veel te danken, mijn vriend, zeide Sergius.

—Hoe gelukkig zijn wij daar afgekomen, vader, riepen de kinderen.

—Patroon, patroon! zeide Kruidnagel, die geen woorden vinden kon om zijne bewondering lucht te geven.

—Wel is dat nu zooveel bijzonders? vroeg Cesar dood bedaard. Ik weet niet wat u allen overkomt. Als wij niet slimmer waren dan de beesten, dan was het waarlijk de moeite niet waard een mensch te zijn!


Back to IndexNext